Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
9 JULI 2004. - Programmawet. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-07-2004 en tekstbijwerking tot 30-04-2019)
Titre
9 JUILLET 2004. - Loi-programme. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 15-07-2004 et mise à jour au 30-04-2019)
Documentinformatie
Numac: 2004021091
Datum: 2004-07-09
Info du document
Numac: 2004021091
Date: 2004-07-09
Inhoud
TITEL I. - Algemene bepaling.
TITEL II. - Financiën.
HOOFDSTUK I. - Accijnsproducten.
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de gewone wet van...
HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wet van 28 de...
HOOFDSTUK IV. - Abonnementstaks.
HOOFDSTUK V. - Bekrachtiging van een koninklijk...
HOOFDSTUK VI. - Wijziging van artikel 199 van h...
HOOFDSTUK VII. - Roerende voorheffing : aandele...
HOOFDSTUK VIII. - Wijziging van het Wetboek van...
HOOFDSTUK IX. - Wijziging van artikel 145.25 va...
HOOFDSTUK X. - Invoering van een belastingvermi...
HOOFDSTUK XI. - Wijziging van artikel 35 van he...
HOOFDSTUK XII. - Interpretatie van de toepassin...
TITEL III. - Overheidsbedrijven.
HOOFDSTUK I. - Gemeenschappelijke bepalingen.
Afdeling I. - Wijziging van de programmawet van...
Afdeling II. - Wijziging van de wet van 21 maar...
HOOFDSTUK II. - Spoorwegen.
Afdeling I. - Licht en uitzicht.
Afdeling II. - Nationale Maatschappij der Belgi...
Afdeling III. - Spoorweginfrastructuur.
Afdeling IV. - Gemeenschappelijke bepalingen.
HOOFDSTUK III. - Veiligheid bij de spoorwegen.
HOOFDSTUK IV. - De Post.
Afdeling I. - Staatswaarborg voor leningen aang...
Afdeling II. - Preferentiële tantièmes van de p...
HOOFDSTUK V. - [1 Proximus]1- Behandeling van h...
HOOFDSTUK VI. - BIAC. Bekrachtiging van de omvo...
TITEL IV. - Economie, Energie en Telecommunicatie.
HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van 21 nove...
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de wet van 21 mei...
HOOFDSTUK III. - Wijziging van artikel 13 van d...
HOOFDSTUK IV. - Hervorming van het accreditatie...
HOOFDSTUK V. - Energie. - Bekrachting van konin...
HOOFDSTUK VI. - Telecommunicatie.
Afdeling I. - Radiocommunicatie.
Afdeling II. - Eindapparatuur.
TITEL V. - Justitie.
HOOFDSTUK I. - Omzetting van de richtlijn 2001/...
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de wet van 27 j...
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de wet van 24 ...
TITEL VI. - Binnenlandse Zaken.
HOOFDSTUK I. - Oprichting van een Bijzonder Fon...
HOOFDSTUK II. - Oprichting van een Staatsdienst...
HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wet van 19 ju...
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de wet van 8 augu...
TITEL VII. - Ambtenarenzaken, Maatschappelijke ...
HOOFDSTUK I. - Ambtenarenzaken.
HOOFDSTUK II. - Maatschappelijke Integratie.
Afdeling I. - Wijziging van de organieke wet va...
Afdeling II. - Wijziging van de wet van 2 april...
Afdeling III. - Wijziging van de wet van 26 mei...
Afdeling IV. - Fonds sociale economie.
HOOFDSTUK III. - Gelijke Kansen.
Afdeling I. - Wijziging van de wet van 25 febru...
Afdeling II. - Wijziging van de organieke wet v...
Afdeling III. - Wijziging van de wet van 15 dec...
TITEL VIII. - Sociale Zaken en Volksgezondheid.
HOOFDSTUK I. - Sociale Zekerheid.
Afdeling I. - Openbare instellingen van sociale...
Afdeling II. - Statistische opdrachten van de o...
Onderafdeling I. - Wijziging van artikel 5 van ...
Onderafdeling II. - Wijziging van artikel 1 van...
Onderafdeling III. - Statistische opdrachten va...
Afdeling III. - Wijziging van de artikelen 27 e...
Afdeling IV. - Bepalingen betreffende de kunste...
Onderafdeling I. - Wijziging van de wet van 27 ...
Onderafdeling II. - Wijziging van de wet van 29...
Onderafdeling III. - Inwerkingtreding.
Afdeling V. - Kruispuntbank van de sociale zeke...
Afdeling VI. - Baggersector.
Afdeling VII. - Alternatieve financiering.
Afdeling VIII. - Koloniale en overzeese sociale...
Onderafdeling I. - Wijziging van de wet van 16 ...
Onderafdeling II. - Wijziging van de wet van 17...
Onderafdeling III. - Wijziging van de programma...
Onderafdeling IV. - Slotbepaling.
Afdeling IX. - Kinderbijslag.
HOOFDSTUK II. - Personen met een handicap.
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de wet betreff...
Afdeling I. - Algemeen.
Afdeling II. - Geneesmiddelen.
Onderafdeling I. - Medische zuurstof.
Onderafdeling II. - Farmaceutische specialiteiten.
Afdeling III. - Verhoogde verzekeringstegemoetk...
Afdeling IV. - Maximumfactuur.
Afdeling V. - Reservefonds.
Afdeling VI. - Pensioenkadaster.
Onderafdeling I. - Inhouding van 3,55 %.
Onderafdeling II. - Solidariteitsbijdrage.
Afdeling VII. - Uitkeringen : moederschapsverlo...
Afdeling VIII. - Verplichte verzekering voor ze...
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de wet van 6 augu...
HOOFDSTUK V. - Wijzigingen van het koninklijk b...
Afdeling I. - Diverse bepalingen met betrekking...
Afdeling II. - Apothekers.
HOOFDSTUK VI. - Ziekenhuizen.
HOOFDSTUK VII. - Het beheer van de oproepen tot...
Afdeling I. - Het Agentschap voor de oproepen t...
Afdeling II. - Diverse bepalingen.
HOOFDSTUK VIII. - Veiligheid van de voedselketen.
Afdeling I. - Wijziging van de wet van 5 septem...
Afdeling II. - Wijziging van de wet van 21 dece...
Afdeling III. - Wijziging van de wet van 4 febr...
Afdeling IV. - Wijziging van het koninklijk bes...
HOOFDSTUK IX. - Dier, Plant, Voeding.
Afdeling I. - Wijziging van de wet van 28 juli ...
Afdeling II. - Wijziging van de wet van 14 augu...
Afdeling III. - Wijziging van de wet van 28 aug...
HOOFDSTUK X. - Hormonen. - Wijziging van de wet...
TITEL IX. - Middenstand.
HOOFDSTUK I. - Zelfstandigen.
Afdeling I. - Wijziging van het koninklijk besl...
Afdeling II. - Wijziging van de wet van 30 dece...
Afdeling III. - Aanvullende pensioenen voor zel...
Afdeling IV. - Pensioenen zelfstandigen.
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de wetten betreff...
HOOFDSTUK III. - Psychologen.
TITEL X. - Werk en Pensioenen.
HOOFDSTUK I. - Europees Sociaal Fonds.
HOOFDSTUK II. - Overdracht van bepaalde financi...
Afdeling I. - Werkgeversbijdragen aan het Tewer...
Afdeling II. - " Jongerenactiva-opleidingsplan ...
HOOFDSTUK III. - Startbanen.
HOOFDSTUK IV. - Tijdskrediet.
HOOFDSTUK V. - Plaatselijke werkgelegenheidsage...
HOOFDSTUK VI. - Dienstencheques.
Afdeling I. - Wijziging van de programmawet van...
Afdeling II. - Wijziging van de wet van 20 juli...
HOOFDSTUK VII. - Inkomensgarantie voor ouderen.
HOOFDSTUK VIII. - Arbeidsongevallen.
HOOFDSTUK IX. - Beroepsziekten.
HOOFDSTUK X. - Beschutte werkplaatsen.
HOOFDSTUK XI. - Bouwsector.
Afdeling I. - Wijziging van artikel 7 van het k...
Afdeling II. - Wijziging van artikel 38 van de ...
HOOFDSTUK XII. - Moederschapsverlof.
HOOFDSTUK XIII. - Adoptieverlof.
HOOFDSTUK XIV. - Wijziging van het Gerechtelijk...
TITEL XI. - Diverse bepalingen.
HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van 24 dece...
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de wet van 20 dec...
HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wet van 8 mei...
Inhoud
TITRE Ier. - Disposition générale.
TITRE II. - Finances.
CHAPITRE Ier. - Produits d'accise.
CHAPITRE II. - Modification de la loi ordinaire...
CHAPITRE III. - Modification de la loi du 28 dé...
CHAPITRE IV. - Taxe d'abonnement.
CHAPITRE V. - Confirmation d'un arrêté royal.
CHAPITRE VI. - Modification de l'article 199 du...
CHAPITRE VII. - Précompte mobilier : actions ou...
CHAPITRE VIII. - Modification du Code des taxes...
CHAPITRE IX. - Modification de l'article 145.25...
CHAPITRE X. - Instauration d'une réduction d'im...
CHAPITRE XI. - Modification de l'article 35 du ...
CHAPITRE XII. - Interprétation de l'application...
TITRE III. - Entreprises publiques.
CHAPITRE Ier. - Dispositions communes.
Section première. - Modification de la loi-prog...
Section II. - Modification de la loi du 21 mars...
CHAPITRE II. - Chemins de fer.
Section première. - Jours et vues.
Section II. - Société nationale des Chemins de ...
Section III. - Infrastructure ferroviaire.
Section IV. - Dispositions communes.
CHAPITRE III. - Sécurité dans les chemins de fer.
CHAPITRE IV. - La Poste.
Section Ire. - Garantie de l'Etat pour emprunts...
Section II. - Tantièmes préférentiels des agent...
CHAPITRE V. - [1 Proximus]1. - Traitement de la...
CHAPITRE VI. - BIAC. Confirmation de la transfo...
TITRE IV. - Economie, Energie et Télécommunicat...
CHAPITRE Ier. - Modification de la loi du 21 no...
CHAPITRE II. - Modification de la loi du 21 mai...
CHAPITRE III. - Modification de l'article 13 de...
CHAPITRE IV. - Réforme du système d'accréditation.
CHAPITRE V. - Energie. - Confirmation d'arrêtés...
CHAPITRE VI. - Télécommunications.
Section première. - Radiocommunications.
Section II. - Equipements terminaux.
TITRE V. - Justice.
CHAPITRE Ier. - Transposition de la directive 2...
CHAPITRE II. - Modifications de la loi du 27 ju...
CHAPITRE III. - Modifications de la loi du 24 f...
TITRE VI. - Intérieur.
CHAPITRE Ier. - Création d'un Fonds spécial pou...
CHAPITRE II. - Création d'un service de l'Etat ...
CHAPITRE III. - Modification de la loi du 19 ju...
CHAPITRE IV. - Modification de la loi du 8 août...
TITRE VII. - Fonction publique, Intégration soc...
CHAPITRE Ier. - Fonction publique.
CHAPITRE II. - Intégration sociale.
Section première. - Modification de la loi du 8...
Section II. - Modification de la loi du 2 avril...
Section III. - Modification de la loi du 26 mai...
Section IV. - Fonds d'Economie sociale.
CHAPITRE III. - Egalité des chances.
Section première. - Modification de la loi du 2...
Section II. - Modification de la loi organique ...
Section III. - Modification de la loi du 15 déc...
TITRE VIII. - Affaires sociales et Santé publique.
CHAPITRE Ier. - Sécurité Sociale.
Section première. - Institutions publiques de s...
Section II. - Missions statistiques des institu...
Sous-section première. - Modification de l'arti...
Sous-section II. - Modification de l'article 1e...
Sous-section III. - Missions statistiques des i...
Section III. - Modification des articles 27 et ...
Section IV. - Dispositions relatives aux artistes.
Sous-section première. - Modification de la loi...
Sous-section II. - Modification de la loi du 29...
Sous-section III. - Entrée en vigueur.
Section V. - Banque carrefour de la sécurité so...
Section VI. - Secteur du dragage.
Section VII. - Financement alternatif.
Section VIII. - Sécurité sociale coloniale et d...
Sous-section première. - Modification de la loi...
Sous-section II. - Modification de la loi du 17...
Sous-section III. - Modification de la loi-prog...
Sous-section IV. - Disposition finale.
Section IX. - Allocations familiales.
CHAPITRE II. - Des personnes handicapées.
CHAPITRE III. - Modifications à la loi relative...
Section première. - Généralités.
Section II. - Médicaments.
Sous-section première. - Oxygène médical.
Sous-section II. - Spécialités pharmaceutiques.
Section III. - Intervention majorée de l'assura...
Section IV. - Maximum à facturer.
Section V. - Fonds de réserve.
Section VI. - Cadastre des pensions.
Sous-section première. - Retenue de 3,55 %.
Sous-section II. - Cotisation de solidarité.
Section VII. - Indemnités : congé de maternité ...
Section VIII. - Assurance obligatoire des trava...
CHAPITRE IV. - Modification de la loi du 6 août...
CHAPITRE V. - Modifications de l'arrêté royal n...
Section première. - Dispositions diverses conce...
Section II. - Pharmaciens.
CHAPITRE VI. - Hôpitaux.
CHAPITRE VII. - La gestion des appels aux servi...
Section première. - L'Agence des appels aux ser...
Section II. - Dispositions diverses.
CHAPITRE VIII. - Sécurité de la Chaîne alimenta...
Section première. - Modification de la loi du 5...
Section II. - Modification de la loi du 21 déce...
Section III. - Modification de la loi du 4 févr...
Section IV. - Modification de l'arrêté royal du...
CHAPITRE IX. - Animaux, Végétaux, Alimentation.
Section première. - Modification de la loi du 2...
Section II. - Modification de la loi du 14 août...
Section III. - Modification de la loi du 28 aoû...
CHAPITRE X. - Hormones. - Modification de la lo...
TITRE IX. - Classes moyennes.
CHAPITRE Ier. - Travailleurs indépendants.
Section première. - Modification de l'arrêté ro...
Section II. - Modification de la loi du 30 déce...
Section III. - Pensions complémentaires des ind...
Section IV. - Pensions des travailleurs indépen...
CHAPITRE II. - Modification des lois relatives ...
CHAPITRE III. - Psychologues.
TITRE X. - Emploi et Pensions.
CHAPITRE Ier. - Fonds Social Européen.
CHAPITRE II. - Transfert de certaines missions ...
Section première. - Cotisations patronales dest...
Section II. - " Plan Activa Jeunes-Formation " ...
CHAPITRE III. - Conventions de premier emploi.
CHAPITRE IV. - Crédit-temps.
CHAPITRE V. - Agences locales pour l'emploi.
CHAPITRE VI. - Titres-services.
Section première. - Modification de la loi-prog...
Section II. - Modification de la loi du 20 juil...
CHAPITRE VII. - Garantie de revenus aux personn...
CHAPITRE VIII. - Accidents du travail.
CHAPITRE IX. - Maladies professionnelles.
CHAPITRE X. - Entreprises de travail adapté.
CHAPITRE XI. - Secteur de la construction.
Section Ire. - Modification de l'article 7 de l...
Section II. - Modification de l'article 38 de l...
CHAPITRE XII. - Congé de maternité.
CHAPITRE XIII. - Congé d'adoption.
CHAPITRE XIV. - Modification du Code judiciaire.
TITRE XI. - Dispositions diverses.
CHAPITRE Ier. - Modification de la loi du 24 dé...
CHAPITRE II. - Modification de la loi du 20 déc...
CHAPITRE III. - Modification de la loi du 8 mai...
Tekst (463)
Texte (463)
TITEL I. - Algemene bepaling.
TITRE Ier. - Disposition générale.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
TITEL II. - Financiën.
TITRE II. - Finances.
HOOFDSTUK I. - Accijnsproducten.
CHAPITRE Ier. - Produits d'accise.
Art.2. In artikel 7, § 1, f), iii, vierde gedachtestreepje, van de wet van 22 oktober 1997 betreffende de belasting van energieproducten en elektriciteit, wordt het bedrag van " 7,1022 EUR " vervangen door het bedrag van " 5,7190 EUR ".
Art.2. A l'article 7, § 1er, f), iii, quatrième tiret, de la loi du 22 octobre 1997 concernant la taxation des produits énergétiques et de l'électricité, le montant de " 7,1022 EUR " est remplacé par le montant de " 5,7190 EUR ".
Art.3. In dezelfde wet wordt een artikel 16bis ingevoegd, luidende :
" Art. 16bis. - § 1. De gasolie bedoeld in artikel 7, § 1, f), i), is vrijgesteld van de verhoging van de bijzondere accijns na 1 januari 2004, aan de hand van een terugbetaling, indien deze gasolie wordt gebruikt voor :
a) het bezoldigd vervoer van personen met motorvoertuigen die een taxidienst verzekeren; deze status wordt bevestigd door de gemeentelijke overheid van het gebied van de uitbater;
b) het vervoer van goederen voor eigen rekening of voor rekening van derden met een motorvoertuig of een samenstel van voertuigen dat uitsluitend bestemd is voor het goederenvervoer over de weg en waarvan de maximaal toegelaten massa gelijk is aan of meer is dan 7,5 ton;
c) het vervoer van personen, geregeld of occasioneel, met een motorvoertuig van de categorieën M2 of M3 zoals omschreven in het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
§ 2. In afwijking van de artikelen 28 en 29 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, laatst gewijzigd door de programmawet van 22 december 2003, wordt de terugbetaling bedoeld in § 1 toegestaan aan de persoon die het beoogde vervoer uitvoert en dit op schriftelijke aanvraag ingediend bij de diensten aangeduid door de directeur-generaal der douane en accijnzen.
Deze persoon is bovendien gehouden zich te laten registreren overeenkomstig de modaliteiten bepaald door deze directeur-generaal. Deze registratie dient voorafgaandelijk aan de aanvraag tot terugbetaling te gebeuren.
Het bewijs van de betaling van de bijzondere accijns wordt, te genoegen van de ambtenaren van de administratie der douane en accijnzen, geleverd door de factuur opgesteld door de leverancier van de gasolie. De facturen opgesteld naar aanleiding van een betaling in contanten, geven geen recht op een terugbetaling.
§ 3. Indien de bevoorrading van gasolie gebeurt bij een tankstation, dient de factuur opgesteld door de leverancier de volgende elementen te bevatten :
- de datum van de levering;
- het adres van het tankstation;
- het type en de hoeveelheid van de geleverde brandstof;
- de totale prijs van de brandstof;
- de nummerplaat van het voertuig.
Als overgangsmaatregel worden de facturen afgeleverd tussen 1 januari en 31 mei 2004 vrijgesteld van de vermelding van de nummerplaat van het voertuig.
§ 4. Indien de bevoorrading van gasolie gebeurt aan een opslagtank met brandstof die in verbruik werd gesteld en die toebehoort aan de persoon die de beoogde transporten uitvoert, dient deze persoon een administratie van de voorraden en bewegingen van de gasolie bij te houden. Deze voorraadadministratie dient de volgende elementen te bevatten :
- de situatie van de voorraad op 4 februari 2004 om 0 uur en op 1 januari om 0 uur van de volgende jaren;
- de aangekochte hoeveelheden met verwijzing naar de leveringsdata en de aankoopfacturen;
- per tankbeurt van een voertuig :
- de datum en het uur;
- de hoeveelheid;
- de nummerplaat van het voertuig;
- de kilometerstand van het voertuig;
- de identiteit van de chauffeur.
§ 5. De minister van Financiën wordt er jaarlijks, in de loop van het tweede semester van het jaar, mee belast de economische en budgettaire gevolgen te schatten van de vrijstelling van de verhoging van de bijzondere accijns zoals bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit van 29 februari 2004 houdende diverse bepalingen inzake accijnzen. ".
" Art. 16bis. - § 1. De gasolie bedoeld in artikel 7, § 1, f), i), is vrijgesteld van de verhoging van de bijzondere accijns na 1 januari 2004, aan de hand van een terugbetaling, indien deze gasolie wordt gebruikt voor :
a) het bezoldigd vervoer van personen met motorvoertuigen die een taxidienst verzekeren; deze status wordt bevestigd door de gemeentelijke overheid van het gebied van de uitbater;
b) het vervoer van goederen voor eigen rekening of voor rekening van derden met een motorvoertuig of een samenstel van voertuigen dat uitsluitend bestemd is voor het goederenvervoer over de weg en waarvan de maximaal toegelaten massa gelijk is aan of meer is dan 7,5 ton;
c) het vervoer van personen, geregeld of occasioneel, met een motorvoertuig van de categorieën M2 of M3 zoals omschreven in het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen.
§ 2. In afwijking van de artikelen 28 en 29 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, laatst gewijzigd door de programmawet van 22 december 2003, wordt de terugbetaling bedoeld in § 1 toegestaan aan de persoon die het beoogde vervoer uitvoert en dit op schriftelijke aanvraag ingediend bij de diensten aangeduid door de directeur-generaal der douane en accijnzen.
Deze persoon is bovendien gehouden zich te laten registreren overeenkomstig de modaliteiten bepaald door deze directeur-generaal. Deze registratie dient voorafgaandelijk aan de aanvraag tot terugbetaling te gebeuren.
Het bewijs van de betaling van de bijzondere accijns wordt, te genoegen van de ambtenaren van de administratie der douane en accijnzen, geleverd door de factuur opgesteld door de leverancier van de gasolie. De facturen opgesteld naar aanleiding van een betaling in contanten, geven geen recht op een terugbetaling.
§ 3. Indien de bevoorrading van gasolie gebeurt bij een tankstation, dient de factuur opgesteld door de leverancier de volgende elementen te bevatten :
- de datum van de levering;
- het adres van het tankstation;
- het type en de hoeveelheid van de geleverde brandstof;
- de totale prijs van de brandstof;
- de nummerplaat van het voertuig.
Als overgangsmaatregel worden de facturen afgeleverd tussen 1 januari en 31 mei 2004 vrijgesteld van de vermelding van de nummerplaat van het voertuig.
§ 4. Indien de bevoorrading van gasolie gebeurt aan een opslagtank met brandstof die in verbruik werd gesteld en die toebehoort aan de persoon die de beoogde transporten uitvoert, dient deze persoon een administratie van de voorraden en bewegingen van de gasolie bij te houden. Deze voorraadadministratie dient de volgende elementen te bevatten :
- de situatie van de voorraad op 4 februari 2004 om 0 uur en op 1 januari om 0 uur van de volgende jaren;
- de aangekochte hoeveelheden met verwijzing naar de leveringsdata en de aankoopfacturen;
- per tankbeurt van een voertuig :
- de datum en het uur;
- de hoeveelheid;
- de nummerplaat van het voertuig;
- de kilometerstand van het voertuig;
- de identiteit van de chauffeur.
§ 5. De minister van Financiën wordt er jaarlijks, in de loop van het tweede semester van het jaar, mee belast de economische en budgettaire gevolgen te schatten van de vrijstelling van de verhoging van de bijzondere accijns zoals bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit van 29 februari 2004 houdende diverse bepalingen inzake accijnzen. ".
Art.3. Il est inséré un article 16bis dans la même loi, rédigé comme suit :
" Art. 16bis. - § 1er. Le gasoil visé à l'article 7, § 1er, f), i), est exempté de l'augmentation du droit d'accise spécial intervenant après le 1er janvier 2004, par la voie d'un remboursement, lorsqu'il est utilisé aux fins ci-après :
a) le transport rémunéré de personnes au moyen de véhicules automobiles affectés à un service de taxis; cette affectation est attestée par l'autorité communale du ressort de l'exploitant;
b) le transport de marchandises, pour compte d'autrui ou pour compte propre, par un véhicule à moteur ou un ensemble de véhicules couplés destinés exclusivement au transport de marchandises par route et dont la masse maximale autorisée est égale ou supérieure à 7,5 tonnes;
c) le transport régulier ou occasionnel de passagers par un véhicule automobile de catégorie M2 ou M3 au sens de l'arrêté royal du 15 mars 1968 portant règlement général sur les conditions techniques auxquelles doivent répondre les véhicules automobiles, leurs remorques, leurs éléments ainsi que les accessoires de sécurité.
§ 2. Par dérogation aux articles 28 et 29 de la loi du 10 juin 1997 relative au régime général, à la détention, à la circulation et aux contrôles des produits soumis à accise, modifiée en dernier lieu par la loi-programme du 22 décembre 2003, le remboursement visé au § 1er est accordé, sur demande écrite déposée auprès des services désignés par le directeur général des douanes et accises, à la personne qui procède aux transports concernés.
Cette personne est tenue, par ailleurs, de se faire enregistrer conformément aux modalités fixées par ce directeur général. Cet enregistrement est préalable à la demande de remboursement.
La preuve du paiement du droit d'accise spécial est apportée, à la satisfaction des agents de l'Administration des douanes et accises, par la facture établie par le fournisseur de gasoil. Les factures faisant l'objet d'un paiement en numéraire n'ouvrent pas droit à remboursement.
§ 3. Lorsque le ravitaillement en gasoil s'effectue auprès d'une station-service, la facture établie par le fournisseur comporte les éléments suivants :
- la date du ravitaillement;
- l'adresse de la station-service;
- le type et la quantité de carburant livré;
- le prix total du carburant;
- le numéro d'immatriculation du véhicule.
A titre transitoire, les factures établies entre le 1er janvier et le 31 mai 2004 sont toutefois dispensées de la mention du numéro d'immatriculation du véhicule.
§ 4. Lorsque le ravitaillement en gasoil s'effectue au départ d'un dépôt de carburant mis à la consommation appartenant à la personne qui procède aux transports concernés, celui-ci tient une comptabilité des stocks et des mouvements de gasoil comportant les éléments suivants :
- la situation de stock au 4 février 2004 à 0 heure et au 1er janvier à 0 heure des années suivantes;
- les quantités achetées sous la référence aux dates de leurs livraisons et à leurs factures d'achat;
- par approvisionnement de véhicule :
- la date et l'heure;
- la quantité;
- le numéro d'immatriculation du véhicule;
- le kilométrage du véhicule;
- l'identité du chauffeur.
§ 5. Le ministre des Finances est annuellement chargé, dans le courant du second semestre de l'année, d'estimer les conséquences économiques et budgétaires liées à l'exonération de l'augmentation de l'accise spéciale telle que fixée par l'article 3 de l'arrêté royal du 29 février 2004 portant des dispositions diverses en matière d'accise. ".
" Art. 16bis. - § 1er. Le gasoil visé à l'article 7, § 1er, f), i), est exempté de l'augmentation du droit d'accise spécial intervenant après le 1er janvier 2004, par la voie d'un remboursement, lorsqu'il est utilisé aux fins ci-après :
a) le transport rémunéré de personnes au moyen de véhicules automobiles affectés à un service de taxis; cette affectation est attestée par l'autorité communale du ressort de l'exploitant;
b) le transport de marchandises, pour compte d'autrui ou pour compte propre, par un véhicule à moteur ou un ensemble de véhicules couplés destinés exclusivement au transport de marchandises par route et dont la masse maximale autorisée est égale ou supérieure à 7,5 tonnes;
c) le transport régulier ou occasionnel de passagers par un véhicule automobile de catégorie M2 ou M3 au sens de l'arrêté royal du 15 mars 1968 portant règlement général sur les conditions techniques auxquelles doivent répondre les véhicules automobiles, leurs remorques, leurs éléments ainsi que les accessoires de sécurité.
§ 2. Par dérogation aux articles 28 et 29 de la loi du 10 juin 1997 relative au régime général, à la détention, à la circulation et aux contrôles des produits soumis à accise, modifiée en dernier lieu par la loi-programme du 22 décembre 2003, le remboursement visé au § 1er est accordé, sur demande écrite déposée auprès des services désignés par le directeur général des douanes et accises, à la personne qui procède aux transports concernés.
Cette personne est tenue, par ailleurs, de se faire enregistrer conformément aux modalités fixées par ce directeur général. Cet enregistrement est préalable à la demande de remboursement.
La preuve du paiement du droit d'accise spécial est apportée, à la satisfaction des agents de l'Administration des douanes et accises, par la facture établie par le fournisseur de gasoil. Les factures faisant l'objet d'un paiement en numéraire n'ouvrent pas droit à remboursement.
§ 3. Lorsque le ravitaillement en gasoil s'effectue auprès d'une station-service, la facture établie par le fournisseur comporte les éléments suivants :
- la date du ravitaillement;
- l'adresse de la station-service;
- le type et la quantité de carburant livré;
- le prix total du carburant;
- le numéro d'immatriculation du véhicule.
A titre transitoire, les factures établies entre le 1er janvier et le 31 mai 2004 sont toutefois dispensées de la mention du numéro d'immatriculation du véhicule.
§ 4. Lorsque le ravitaillement en gasoil s'effectue au départ d'un dépôt de carburant mis à la consommation appartenant à la personne qui procède aux transports concernés, celui-ci tient une comptabilité des stocks et des mouvements de gasoil comportant les éléments suivants :
- la situation de stock au 4 février 2004 à 0 heure et au 1er janvier à 0 heure des années suivantes;
- les quantités achetées sous la référence aux dates de leurs livraisons et à leurs factures d'achat;
- par approvisionnement de véhicule :
- la date et l'heure;
- la quantité;
- le numéro d'immatriculation du véhicule;
- le kilométrage du véhicule;
- l'identité du chauffeur.
§ 5. Le ministre des Finances est annuellement chargé, dans le courant du second semestre de l'année, d'estimer les conséquences économiques et budgétaires liées à l'exonération de l'augmentation de l'accise spéciale telle que fixée par l'article 3 de l'arrêté royal du 29 février 2004 portant des dispositions diverses en matière d'accise. ".
Art.4. In artikel 4 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° In § 1, 7°, worden de woorden " dit besluit " vervangen door de woorden " deze wet ";
2° § 2 wordt aangevuld als volgt :
" - Akrotiri en Dhekelia, zijnde de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen, worden behandeld als transacties van herkomst uit of ter bestemming van de Republiek Cyprus. ".
1° In § 1, 7°, worden de woorden " dit besluit " vervangen door de woorden " deze wet ";
2° § 2 wordt aangevuld als volgt :
" - Akrotiri en Dhekelia, zijnde de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen, worden behandeld als transacties van herkomst uit of ter bestemming van de Republiek Cyprus. ".
Art.4. A l'article 4 de la loi du 10 juin 1997 relative au régime général, à la détention, à la circulation et aux contrôles des produits soumis à accise, sont apportées les modifications suivantes :
1° Au § 1er, 7°, dans le texte néerlandais, les mots " dit besluit " sont remplacés par les mots " deze wet ";
2° le § 2 est complété par l'alinéa suivant :
" - des zones de souveraineté du Royaume-Uni à Akrotiri et Dhekelia sont traitées comme des opérations effectuées en provenance ou à destination de la République de Chypre. ".
1° Au § 1er, 7°, dans le texte néerlandais, les mots " dit besluit " sont remplacés par les mots " deze wet ";
2° le § 2 est complété par l'alinéa suivant :
" - des zones de souveraineté du Royaume-Uni à Akrotiri et Dhekelia sont traitées comme des opérations effectuées en provenance ou à destination de la République de Chypre. ".
Art.5. In artikel 18, § 2, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid worden de woorden " geregistreerde bedrijf " vervangen door de woorden " geregistreerd bedrijf ";
2° in het derde lid worden de woorden " de erkend entrepothouder " vervangen door de woorden " het geregistreerd bedrijf ".
1° in het tweede lid worden de woorden " geregistreerde bedrijf " vervangen door de woorden " geregistreerd bedrijf ";
2° in het derde lid worden de woorden " de erkend entrepothouder " vervangen door de woorden " het geregistreerd bedrijf ".
Art.5. A l'article 18, § 2, de la même loi, dans le texte néerlandais, sont apportées les modifications suivantes :
1° à l'alinéa 2, les mots " geregistreerde bedrijf " sont remplacés par les mots " geregistreerd bedrijf ";
2° à l'alinéa 3, les mots " de erkend entrepothouder " sont remplacés par les mots " het geregistreerd bedrijf ".
1° à l'alinéa 2, les mots " geregistreerde bedrijf " sont remplacés par les mots " geregistreerd bedrijf ";
2° à l'alinéa 3, les mots " de erkend entrepothouder " sont remplacés par les mots " het geregistreerd bedrijf ".
Art.6. In artikel 23, § 4, van dezelfde wet worden de woorden " artikel 3, § 3 " vervangen door de woorden " artikel 4, § 3 ".
Art.6. A l'article 23, § 4, de la même loi les mots " l'article 3, § 3 " sont remplacés par les mots " l'article 4, § 3 ".
Art.7. Artikel 24, § 6, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
" § 6. De administratie kan, in samenwerking met de autoriteiten van de andere lidstaten, steekproefsgewijs controles uitvoeren die, in voorkomend geval, door middel van geautomatiseerde procedures kunnen geschieden. ".
" § 6. De administratie kan, in samenwerking met de autoriteiten van de andere lidstaten, steekproefsgewijs controles uitvoeren die, in voorkomend geval, door middel van geautomatiseerde procedures kunnen geschieden. ".
Art.7. Le texte néerlandais de l'article 24, § 6, de la même loi est remplacé comme suit :
" § 6. De administratie kan, in samenwerking met de autoriteiten van de andere lidstaten, steekproefsgewijs contrôles uitvoeren die, in voorkomend geval, door middel van geautomatiseerde procedures kunnen geschieden. ".
" § 6. De administratie kan, in samenwerking met de autoriteiten van de andere lidstaten, steekproefsgewijs contrôles uitvoeren die, in voorkomend geval, door middel van geautomatiseerde procedures kunnen geschieden. ".
Art.8. _ In artikel 25, § 2, van dezelfde wet wordt het woord " hier " ingevoegd tussen de woorden " begaan " en " te lande ".
Art.8. A l'article 25, § 2, de la même loi, dans le texte néerlandais, le mot " hier " est inséré entre les mots " begaan " et " te lande ".
Art.9. In artikel 32 van dezelfde wet worden de woorden " artikel 21, 7° tot 12°, " vervangen door de woorden " artikel 20, 7° tot 12° ".
Art.9. A l'article 32 de la même loi, les mots " l'article 21, 7° à 12°, " sont remplacés par les mots " l'article 20, 7° à 12° ".
Art.10. In de wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak, wordt een artikel 1bis ingevoegd, luidende :
" Artikel 1bis. - In deze wet en in de ter uitvoering ervan getroffen maatregelen, wordt verstaan onder :
- marktdeelnemer : de erkend entrepothouder, het geregistreerd bedrijf, het niet-geregistreerd bedrijf zoals gedefinieerd in artikel 4, § 1, 7°, 9° en 10°, van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, de fiscaal vertegenwoordiger bedoeld in artikel 19 van dezelfde wet of de invoerder, zijnde de natuurlijke persoon of rechtspersoon die invoert, die tabaksfabrikaten in verbruik stelt hier te lande;
- fiscaal kenteken : het fiscaal bandje en de fiscale sluitzegel die naargelang het geval worden geleverd door de Belgische of Luxemburgse Staat om te worden aangebracht op tabaksfabrikaten. ".
" Artikel 1bis. - In deze wet en in de ter uitvoering ervan getroffen maatregelen, wordt verstaan onder :
- marktdeelnemer : de erkend entrepothouder, het geregistreerd bedrijf, het niet-geregistreerd bedrijf zoals gedefinieerd in artikel 4, § 1, 7°, 9° en 10°, van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, de fiscaal vertegenwoordiger bedoeld in artikel 19 van dezelfde wet of de invoerder, zijnde de natuurlijke persoon of rechtspersoon die invoert, die tabaksfabrikaten in verbruik stelt hier te lande;
- fiscaal kenteken : het fiscaal bandje en de fiscale sluitzegel die naargelang het geval worden geleverd door de Belgische of Luxemburgse Staat om te worden aangebracht op tabaksfabrikaten. ".
Art.10. Un article 1erbis, rédigé comme suit, est inséré dans la loi du 3 avril 1997 relative au régime fiscal des tabacs manufacturés :
" Article 1erbis. - Dans la présente loi et dans les dispositions prises en vue de son exécution, on entend par :
- opérateur : l'entrepositaire agréé, l'opérateur enregistré, l'opérateur non enregistré tels que définis à l'article 4, § 1er, 7°, 9° et 10°, de la loi du 10 juin 1997 relative au régime général, à la détention, à la circulation et aux contrôles des produits soumis à accise, le représentant fiscal visé à l'article 19 de cette même loi ou l'importateur, à savoir la personne physique ou morale procédant à une importation, qui met à la consommation des tabacs manufacturés dans le pays;
- signe fiscal : la bandelette et le timbre fiscal, fournis par l'Etat belge ou l'Etat luxembourgeois, selon le cas, en vue de son apposition sur des tabacs manufacturés. ".
" Article 1erbis. - Dans la présente loi et dans les dispositions prises en vue de son exécution, on entend par :
- opérateur : l'entrepositaire agréé, l'opérateur enregistré, l'opérateur non enregistré tels que définis à l'article 4, § 1er, 7°, 9° et 10°, de la loi du 10 juin 1997 relative au régime général, à la détention, à la circulation et aux contrôles des produits soumis à accise, le représentant fiscal visé à l'article 19 de cette même loi ou l'importateur, à savoir la personne physique ou morale procédant à une importation, qui met à la consommation des tabacs manufacturés dans le pays;
- signe fiscal : la bandelette et le timbre fiscal, fournis par l'Etat belge ou l'Etat luxembourgeois, selon le cas, en vue de son apposition sur des tabacs manufacturés. ".
Art.11. In artikel 2, § 1, a), van dezelfde wet vervallen de woorden " en cigarillo's ".
Art.11. A l'article 2, § 1er, a), de la même loi, les mots " et les cigarillos " sont supprimés.
Art.12. In artikel 3 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 4 mei 1999 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 26 april 2000 (bevestigd door de wet van 26 juni 2002), 13 juli 2001, 27 december 2002 en 15 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, 1°, vervallen de woorden " en cigarillo's ";
2° § 2, b), wordt vervangen als volgt :
" b) bijzondere accijns : 12,9720 EUR per 1 000 stuks. ".
1° in § 1, 1°, vervallen de woorden " en cigarillo's ";
2° § 2, b), wordt vervangen als volgt :
" b) bijzondere accijns : 12,9720 EUR per 1 000 stuks. ".
Art.12. A l'article 3 de la même loi, remplacé par la loi du 4 mai 1999 et modifié par les arrêtés royaux des 26 avril 2000 (confirmé par la loi du 26 juin 2002), 13 juillet 2001, 27 décembre 2002 et 15 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, 1°, les mots " et cigarillos " sont supprimés;
2° le § 2, b), est remplacé par la disposition suivante :
" b) droit d'accise spécial : 12,9720 EUR par 1 000 pièces. ".
1° au § 1er, 1°, les mots " et cigarillos " sont supprimés;
2° le § 2, b), est remplacé par la disposition suivante :
" b) droit d'accise spécial : 12,9720 EUR par 1 000 pièces. ".
Art.13. In artikel 4, eerste zin, van dezelfde wet vervallen de woorden " of cigarillo's ".
Art.13. A l'article 4, première phrase, de la même loi, les mots " ou cigarillos " sont supprimés.
Art.14. In artikel 5, § 1, a), van dezelfde wet vervallen de woorden " of cigarillo's ".
Art.14. A l'article 5, §1er, a), de la même loi, les mots " ou des cigarillos " sont supprimés.
Art.15. In artikel 8, § 1, van dezelfde wet vervallen de woorden " en cigarillo's ".
Art.15. A l'article 8, § 1er, de la même loi, les mots " et cigarillos " sont supprimés.
Art.16. Artikel 9 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
" Art. 9. - § 1. De marktdeelnemer stelt vrij, per merk en per soort verpakking, de maximumkleinhandelsprijs vast van elk van zijn producten bestemd voor de inverbruikstelling hier te lande.
§ 2. In geval van wijziging van de fiscaliteit van de producten kan de minister van Financiën de overgangsperiode vaststellen gedurende dewelke het de in § 1 bedoelde persoon toegestaan is een andere kleinhandelsprijs te bepalen voor de producten van eenzelfde merk die worden aangeboden in een identieke verpakking. ".
" Art. 9. - § 1. De marktdeelnemer stelt vrij, per merk en per soort verpakking, de maximumkleinhandelsprijs vast van elk van zijn producten bestemd voor de inverbruikstelling hier te lande.
§ 2. In geval van wijziging van de fiscaliteit van de producten kan de minister van Financiën de overgangsperiode vaststellen gedurende dewelke het de in § 1 bedoelde persoon toegestaan is een andere kleinhandelsprijs te bepalen voor de producten van eenzelfde merk die worden aangeboden in een identieke verpakking. ".
Art.16. L'article 9 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 9. - § 1er. L'opérateur détermine librement, par marque et par type de conditionnement, les prix maxima de vente au détail de chacun de ses produits destinés à être mis à la consommation dans le pays.
§ 2. En cas de modification de la fiscalité des produits, le ministre des Finances peut déterminer la période transitoire pendant laquelle la personne visée au § 1er est autorisée à fixer un prix de vente au détail différent pour les produits d'une même marque présentés en conditionnements identiques. ".
" Art. 9. - § 1er. L'opérateur détermine librement, par marque et par type de conditionnement, les prix maxima de vente au détail de chacun de ses produits destinés à être mis à la consommation dans le pays.
§ 2. En cas de modification de la fiscalité des produits, le ministre des Finances peut déterminer la période transitoire pendant laquelle la personne visée au § 1er est autorisée à fixer un prix de vente au détail différent pour les produits d'une même marque présentés en conditionnements identiques. ".
Art.17. Artikel 10 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
" Art. 10. - § 1. De tabaksfabrikaten bestemd voor inverbruikstelling hier te lande dienen voorafgaandelijk te worden bekleed met fiscale kentekens. Deze fiscale kentekens worden door de marktdeelnemer aangebracht op elke verpakking.
Nochtans wat sigaren betreft, bepaalt de minister van Financiën in welke gevallen de bandjes stuksgewijs op elke sigaar moeten worden aangebracht.
De rooktabak bestemd voor het eigen verbruik van de planters, binnen de hoeveelheidsbeperkingen bepaald bij artikel 3, § 5, moet niet worden verpakt noch worden bekleed met fiscale kentekens.
§ 2. De minister van Financiën :
- stelt een tabel der fiscale kentekens op waarvan hij de inhoud en de wijzigingsmodaliteiten vaststelt;
- bepaalt de technische kenmerken van de fiscale kentekens alsook de vermeldingen die hierop moeten voorkomen;
- bepaalt de aankoop- en leveringsmodaliteiten van de fiscale kentekens. ".
" Art. 10. - § 1. De tabaksfabrikaten bestemd voor inverbruikstelling hier te lande dienen voorafgaandelijk te worden bekleed met fiscale kentekens. Deze fiscale kentekens worden door de marktdeelnemer aangebracht op elke verpakking.
Nochtans wat sigaren betreft, bepaalt de minister van Financiën in welke gevallen de bandjes stuksgewijs op elke sigaar moeten worden aangebracht.
De rooktabak bestemd voor het eigen verbruik van de planters, binnen de hoeveelheidsbeperkingen bepaald bij artikel 3, § 5, moet niet worden verpakt noch worden bekleed met fiscale kentekens.
§ 2. De minister van Financiën :
- stelt een tabel der fiscale kentekens op waarvan hij de inhoud en de wijzigingsmodaliteiten vaststelt;
- bepaalt de technische kenmerken van de fiscale kentekens alsook de vermeldingen die hierop moeten voorkomen;
- bepaalt de aankoop- en leveringsmodaliteiten van de fiscale kentekens. ".
Art.17. L'article 10 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 10. - § 1er. Les tabacs manufacturés destinés à être mis à la consommation dans le pays doivent être revêtus préalablement de signes fiscaux. Ces signes fiscaux sont apposés sur chaque emballage par l'opérateur.
Toutefois, en ce qui concerne les cigares, le ministre des Finances détermine les cas où les bandelettes doivent être apposées sur chaque pièce.
Le tabac à fumer que les planteurs réservent à leur consommation, dans la limite de quantité prévue par l'article 3, § 5, ne doit ni être emballé ni revêtu de signes fiscaux.
§ 2. Le ministre des Finances :
- établit un tableau des signes fiscaux dont il détermine le contenu et les conditions de sa modification;
- fixe les caractéristiques techniques des signes fiscaux ainsi que les énonciations qui doivent y figurer;
- détermine les modalités de commande et de délivrance des signes fiscaux. ".
" Art. 10. - § 1er. Les tabacs manufacturés destinés à être mis à la consommation dans le pays doivent être revêtus préalablement de signes fiscaux. Ces signes fiscaux sont apposés sur chaque emballage par l'opérateur.
Toutefois, en ce qui concerne les cigares, le ministre des Finances détermine les cas où les bandelettes doivent être apposées sur chaque pièce.
Le tabac à fumer que les planteurs réservent à leur consommation, dans la limite de quantité prévue par l'article 3, § 5, ne doit ni être emballé ni revêtu de signes fiscaux.
§ 2. Le ministre des Finances :
- établit un tableau des signes fiscaux dont il détermine le contenu et les conditions de sa modification;
- fixe les caractéristiques techniques des signes fiscaux ainsi que les énonciations qui doivent y figurer;
- détermine les modalités de commande et de délivrance des signes fiscaux. ".
Art.18. In dezelfde wet wordt een artikel 10bis ingevoegd, luidende :
" Art. 10bis. - Onder voorbehoud van de bepalingen inzake uitstel van betaling, moet het bedrag aan accijns, bijzondere accijns en B.T.W. dat de fiscale kentekens blijkens de op de kentekens aangebrachte gegevens vertegenwoordigen, worden betaald bij de levering van de fiscale kentekens.
De minister van Financiën bepaalt de modaliteiten van betaling van dit bedrag.
" Art. 10bis. - Onder voorbehoud van de bepalingen inzake uitstel van betaling, moet het bedrag aan accijns, bijzondere accijns en B.T.W. dat de fiscale kentekens blijkens de op de kentekens aangebrachte gegevens vertegenwoordigen, worden betaald bij de levering van de fiscale kentekens.
De minister van Financiën bepaalt de modaliteiten van betaling van dit bedrag.
Art.18. Un article 10bis est inséré dans la même loi, rédigé comme suit :
" Art. 10bis. - Sous réserve des dispositions relatives aux délais de paiement, le montant du droit d'accise, du droit d'accise spécial et de la T.V.A. que représentent les signes fiscaux d'après les données y mentionnées, doit être acquitté lors de la délivrance de ces signes.
Le ministre des Finances fixe les modalités de paiement de ce montant.
" Art. 10bis. - Sous réserve des dispositions relatives aux délais de paiement, le montant du droit d'accise, du droit d'accise spécial et de la T.V.A. que représentent les signes fiscaux d'après les données y mentionnées, doit être acquitté lors de la délivrance de ces signes.
Le ministre des Finances fixe les modalités de paiement de ce montant.
Art.19. In dezelfde wet wordt een artikel 10ter ingevoegd, luidende :
" Art. 10ter. - De erkend entrepothouder die tabaksfabrikaten bekleed met Belgische fiscale kentekens voorhanden heeft in zijn belastingentrepot, is niet gehouden tot het stellen van de zekerheid bedoeld in artikel 13, eerste lid, 1°, van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop. ".
" Art. 10ter. - De erkend entrepothouder die tabaksfabrikaten bekleed met Belgische fiscale kentekens voorhanden heeft in zijn belastingentrepot, is niet gehouden tot het stellen van de zekerheid bedoeld in artikel 13, eerste lid, 1°, van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop. ".
Art.19. Un article 10ter est inséré dans la même loi, rédigé comme suit :
" Art. 10ter. - L'entrepositaire agréé qui détient des tabacs manufacturés revêtus de signes fiscaux belges dans son entrepôt fiscal n'est pas tenu de déposer la garantie visée à l'article 13, alinéa 1er, 1°, de la loi du 10 juin 1997 relative au régime général, à la détention, à la circulation et aux contrôles des produits soumis à accise. ".
" Art. 10ter. - L'entrepositaire agréé qui détient des tabacs manufacturés revêtus de signes fiscaux belges dans son entrepôt fiscal n'est pas tenu de déposer la garantie visée à l'article 13, alinéa 1er, 1°, de la loi du 10 juin 1997 relative au régime général, à la détention, à la circulation et aux contrôles des produits soumis à accise. ".
Art.20. Artikel 11 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
" Art. 11. - Vrijstelling van de accijns en de bijzondere accijns of teruggave van het bedrag van de reeds voldane accijns en bijzondere accijns dat de fiscale kentekens overeenkomstig artikel 10bis vertegenwoordigen, kan worden bekomen voor tabaksfabrikaten :
a) die worden gedenatureerd en gebruikt voor industriële of tuinbouwkundige doeleinden;
b) die onder ambtelijk toezicht worden vernietigd;
c) die uitsluitend zijn bestemd voor wetenschappelijke proefnemingen en voor tests in verband met de kwaliteit van de producten;
d) die door de producent opnieuw worden be- of verwerkt;
e) die het voorwerp hebben uitgemaakt van een overtreding of een onregelmatigheid begaan tijdens het verkeer in een andere lidstaat, op voorwaarde dat ze bekleed worden met Belgische fiscale kentekens en waarop de verschuldigde accijns en bijzondere accijns werd ingevorderd in de andere lidstaat;
f) die zich bevinden in de gevallen van vrijstelling bedoeld in artikel 14 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop.
De minister van Financiën bepaalt de voorwaarden en formaliteiten waaraan de vrijstellingen of terugbetalingen zijn ondergeschikt. ".
" Art. 11. - Vrijstelling van de accijns en de bijzondere accijns of teruggave van het bedrag van de reeds voldane accijns en bijzondere accijns dat de fiscale kentekens overeenkomstig artikel 10bis vertegenwoordigen, kan worden bekomen voor tabaksfabrikaten :
a) die worden gedenatureerd en gebruikt voor industriële of tuinbouwkundige doeleinden;
b) die onder ambtelijk toezicht worden vernietigd;
c) die uitsluitend zijn bestemd voor wetenschappelijke proefnemingen en voor tests in verband met de kwaliteit van de producten;
d) die door de producent opnieuw worden be- of verwerkt;
e) die het voorwerp hebben uitgemaakt van een overtreding of een onregelmatigheid begaan tijdens het verkeer in een andere lidstaat, op voorwaarde dat ze bekleed worden met Belgische fiscale kentekens en waarop de verschuldigde accijns en bijzondere accijns werd ingevorderd in de andere lidstaat;
f) die zich bevinden in de gevallen van vrijstelling bedoeld in artikel 14 van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop.
De minister van Financiën bepaalt de voorwaarden en formaliteiten waaraan de vrijstellingen of terugbetalingen zijn ondergeschikt. ".
Art.20. L'article 11 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 11. - Peuvent être exemptés du droit d'accise et du droit d'accise spécial ou obtenir le remboursement du montant du droit d'accise et du droit d'accise spécial acquitté que représentent les signes fiscaux conformément à l'article 10bis, les tabacs manufacturés :
a) dénaturés utilisés pour des usages industriels ou horticoles;
b) qui sont détruits sous surveillance administrative;
c) qui sont exclusivement destinés à des tests scientifiques et à des tests en relation avec la qualité des produits;
d) qui sont remis en oeuvre par le producteur;
e) qui ont fait l'objet d'une infraction ou d'une irrégularité au cours de leur transport dans un autre Etat membre, à condition qu'ils soient revêtus de signes fiscaux belges et pour lesquels le droit d'accise et le droit d'accise spécial ont été recouvrés dans l'autre Etat membre;
f) qui se trouvent dans les situations de franchise visées à l'article 14 de la loi du 10 juin 1997 relative au régime général, à la détention, à la circulation et aux contrôles des produits soumis à accise.
Le ministre des Finances détermine les conditions et formalités auxquelles sont subordonnées les exemptions ou les remboursements. ".
" Art. 11. - Peuvent être exemptés du droit d'accise et du droit d'accise spécial ou obtenir le remboursement du montant du droit d'accise et du droit d'accise spécial acquitté que représentent les signes fiscaux conformément à l'article 10bis, les tabacs manufacturés :
a) dénaturés utilisés pour des usages industriels ou horticoles;
b) qui sont détruits sous surveillance administrative;
c) qui sont exclusivement destinés à des tests scientifiques et à des tests en relation avec la qualité des produits;
d) qui sont remis en oeuvre par le producteur;
e) qui ont fait l'objet d'une infraction ou d'une irrégularité au cours de leur transport dans un autre Etat membre, à condition qu'ils soient revêtus de signes fiscaux belges et pour lesquels le droit d'accise et le droit d'accise spécial ont été recouvrés dans l'autre Etat membre;
f) qui se trouvent dans les situations de franchise visées à l'article 14 de la loi du 10 juin 1997 relative au régime général, à la détention, à la circulation et aux contrôles des produits soumis à accise.
Le ministre des Finances détermine les conditions et formalités auxquelles sont subordonnées les exemptions ou les remboursements. ".
Art.21. In artikel 12, § 1, b), van dezelfde wet wordt het woord " marktdeelnemers " vervangen door het woord " personen ".
Art.21. A l'article 12, § 1er, b), de la même loi, le mot " opérateurs " est remplacé par le mot " personnes ".
Art.22. Het koninklijk besluit van 15 december 2003 tot wijziging van de wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak, wordt bekrachtigd voor de periode dat het uitwerking had.
Art.22. L'arrêté royal du 15 décembre 2003 portant modification de la loi du 3 avril 1997 relative au régime fiscal des tabacs manufacturés, est confirmé pour la période pendant laquelle il a été en vigueur.
Art.23. Artikel 2 treedt in werking op 1 januari 2005.
Art.23. L'article 2 entre en vigueur le 1er janvier 2005.
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur.
CHAPITRE II. - Modification de la loi ordinaire du 16 juillet 1993 visant à achever la structure fédérale de l'Etat.
Art.24. In artikel 369 van de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, gewijzigd bij de wetten van 9 februari 1995, 7 maart 1996, 30 december 2002 en de programmawet van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in 11°, wordt het tweede streepje opgeheven;
2° het 12° wordt vervangen als volgt :
" 12° Belastingplichtige :
- voor wat betreft de milieutaks, iedere natuurlijke of rechtspersoon die overgaat tot het in het verbruik brengen van producten onderworpen aan een milieutaks;
- voor wat betreft de verpakkingsheffing, hetzij de schuldenaar van de accijns wanneer de inning van de verpakkingsheffing samenvalt met de inning van de accijns, hetzij de natuurlijke of rechtspersoon die dranken verpakt in individuele verpakkingen wanneer de accijns voorafgaandelijk werd betaald op deze dranken; ";
3° het artikel wordt aangevuld met een 18°, luidende :
" 18° individuele verpakking : iedere verpakking bestemd om te worden geleverd aan de eindgebruiker zonder een verandering van verpakking te hebben ondergaan. ".
1° in 11°, wordt het tweede streepje opgeheven;
2° het 12° wordt vervangen als volgt :
" 12° Belastingplichtige :
- voor wat betreft de milieutaks, iedere natuurlijke of rechtspersoon die overgaat tot het in het verbruik brengen van producten onderworpen aan een milieutaks;
- voor wat betreft de verpakkingsheffing, hetzij de schuldenaar van de accijns wanneer de inning van de verpakkingsheffing samenvalt met de inning van de accijns, hetzij de natuurlijke of rechtspersoon die dranken verpakt in individuele verpakkingen wanneer de accijns voorafgaandelijk werd betaald op deze dranken; ";
3° het artikel wordt aangevuld met een 18°, luidende :
" 18° individuele verpakking : iedere verpakking bestemd om te worden geleverd aan de eindgebruiker zonder een verandering van verpakking te hebben ondergaan. ".
Art.24. A l'article 369 de la loi ordinaire du 16 juillet 1993 visant à achever la structure fédérale de l'Etat, modifié par les lois des 9 février 1995, 7 mars 1996, 30 décembre 2002 et la loi-programme du 22 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° le 11°, 2e tiret, est abrogé;
2° le 12° est remplacé par la disposition suivante :
" 12° Redevable :
- en ce qui concerne l'écotaxe, toute personne physique ou morale qui procède à la mise à la consommation de produits soumis à une écotaxe;
- en ce qui concerne la cotisation d'emballage, soit le débiteur de l'accise lorsque la perception de la cotisation d'emballage est conjointe à celle de l'accise, soit la personne physique ou morale qui conditionne les boissons en récipients individuels lorsque l'accise a été acquittée préalablement sur ces boissons; ";
3° l'article est complété par un 18°, rédigé comme suit :
" 18° récipient individuel : tout récipient destiné à être livré au consommateur final sans avoir à subir un changement de conditionnement. ".
1° le 11°, 2e tiret, est abrogé;
2° le 12° est remplacé par la disposition suivante :
" 12° Redevable :
- en ce qui concerne l'écotaxe, toute personne physique ou morale qui procède à la mise à la consommation de produits soumis à une écotaxe;
- en ce qui concerne la cotisation d'emballage, soit le débiteur de l'accise lorsque la perception de la cotisation d'emballage est conjointe à celle de l'accise, soit la personne physique ou morale qui conditionne les boissons en récipients individuels lorsque l'accise a été acquittée préalablement sur ces boissons; ";
3° l'article est complété par un 18°, rédigé comme suit :
" 18° récipient individuel : tout récipient destiné à être livré au consommateur final sans avoir à subir un changement de conditionnement. ".
Art.25. Artikel 371 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
" Art. 371. - § 1. Een verpakkingsheffing is verschuldigd :
1° bij het in het verbruik brengen inzake accijnzen van dranken als bedoeld in artikel 370, verpakt in individuele verpakkingen;
2° bij het op de Belgische markt brengen van voornoemde dranken verpakt in individuele verpakkingen wanneer dit verpakken later plaatsvindt dan het in het verbruik brengen van deze dranken inzake accijnzen.
Deze verpakkingsheffing bedraagt 9,8537 EUR per hectoliter product dat aldus is verpakt.
§ 2. De individuele herbruikbare verpakkingen worden vrijgesteld van de verpakkingsheffing, mits naleving van de volgende voorwaarden :
a) de natuurlijke of rechtspersoon die dranken verpakt in individuele verpakkingen in het verbruik brengt, levert het bewijs dat deze verpakkingen herbruikbaar zijn, dit wil zeggen dat ze minstens zevenmaal kunnen worden hervuld, en dat deze verpakkingen worden teruggenomen via een systeem van statiegeld en daadwerkelijk opnieuw worden gebruikt;
b) het bedrag van het statiegeld bedraagt minstens 0,16 EUR voor de verpakkingen met een inhoud van meer dan 0,5 liter en 0,08 EUR voor deze met een inhoud van minder dan of gelijk aan 0,5 liter.
§ 3. In afwijking van § 1, zijn de individuele drankverpakkingen die hoofdzakelijk bestaan uit één van de grondstoffen opgenomen in bijlage 18 niet onderworpen aan de verpakkingsheffing. ".
" Art. 371. - § 1. Een verpakkingsheffing is verschuldigd :
1° bij het in het verbruik brengen inzake accijnzen van dranken als bedoeld in artikel 370, verpakt in individuele verpakkingen;
2° bij het op de Belgische markt brengen van voornoemde dranken verpakt in individuele verpakkingen wanneer dit verpakken later plaatsvindt dan het in het verbruik brengen van deze dranken inzake accijnzen.
Deze verpakkingsheffing bedraagt 9,8537 EUR per hectoliter product dat aldus is verpakt.
§ 2. De individuele herbruikbare verpakkingen worden vrijgesteld van de verpakkingsheffing, mits naleving van de volgende voorwaarden :
a) de natuurlijke of rechtspersoon die dranken verpakt in individuele verpakkingen in het verbruik brengt, levert het bewijs dat deze verpakkingen herbruikbaar zijn, dit wil zeggen dat ze minstens zevenmaal kunnen worden hervuld, en dat deze verpakkingen worden teruggenomen via een systeem van statiegeld en daadwerkelijk opnieuw worden gebruikt;
b) het bedrag van het statiegeld bedraagt minstens 0,16 EUR voor de verpakkingen met een inhoud van meer dan 0,5 liter en 0,08 EUR voor deze met een inhoud van minder dan of gelijk aan 0,5 liter.
§ 3. In afwijking van § 1, zijn de individuele drankverpakkingen die hoofdzakelijk bestaan uit één van de grondstoffen opgenomen in bijlage 18 niet onderworpen aan de verpakkingsheffing. ".
Art.25. L'article 371 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 371. - § 1er. Une cotisation d'emballage est due :
1° lors de la mise à la consommation en matière d'accise des boissons visées à l'article 370, conditionnées dans des récipients individuels;
2° lors de la mise sur le marché belge des boissons susvisées conditionnées en récipients individuels lorsque ce conditionnement a lieu postérieurement à la mise à la consommation en matière d'accise de ces boissons.
Cette cotisation s'élève à 9,8537 EUR par hectolitre de produit contenu dans ces récipients.
§ 2. Les récipients individuels réutilisables sont exonérés de la cotisation d'emballage moyennant le respect des conditions suivantes :
a) la personne physique ou morale qui met à la consommation des boissons conditionnées dans des récipients individuels fournit la preuve que ces récipients sont réutilisables, c'est-à-dire qu'ils peuvent être remplis au moins sept fois, et que ces récipients sont récupérés via un système de consigne et sont effectivement réutilisés;
b) le montant de la consigne est au minimum de 0,16 EUR pour les récipients d'une contenance de plus de 0,5 litre et de 0,08 EUR pour ceux d'une contenance inférieure ou égale à 0,5 litre.
§ 3. Par dérogation au § 1er, les récipients individuels de boissons principalement constitués par un des matériaux visé à l'annexe 18 ne sont pas soumis à la cotisation d'emballage. ".
" Art. 371. - § 1er. Une cotisation d'emballage est due :
1° lors de la mise à la consommation en matière d'accise des boissons visées à l'article 370, conditionnées dans des récipients individuels;
2° lors de la mise sur le marché belge des boissons susvisées conditionnées en récipients individuels lorsque ce conditionnement a lieu postérieurement à la mise à la consommation en matière d'accise de ces boissons.
Cette cotisation s'élève à 9,8537 EUR par hectolitre de produit contenu dans ces récipients.
§ 2. Les récipients individuels réutilisables sont exonérés de la cotisation d'emballage moyennant le respect des conditions suivantes :
a) la personne physique ou morale qui met à la consommation des boissons conditionnées dans des récipients individuels fournit la preuve que ces récipients sont réutilisables, c'est-à-dire qu'ils peuvent être remplis au moins sept fois, et que ces récipients sont récupérés via un système de consigne et sont effectivement réutilisés;
b) le montant de la consigne est au minimum de 0,16 EUR pour les récipients d'une contenance de plus de 0,5 litre et de 0,08 EUR pour ceux d'une contenance inférieure ou égale à 0,5 litre.
§ 3. Par dérogation au § 1er, les récipients individuels de boissons principalement constitués par un des matériaux visé à l'annexe 18 ne sont pas soumis à la cotisation d'emballage. ".
Art.26. Artikel 380, 3°, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
" 3° Op de verpakking kan een duidelijk zichtbaar kenteken voorkomen, waaruit blijkt dat er statiegeld, retourpremie of verpakkingskrediet voor wordt gevraagd of dat zij het voorwerp uitmaakt van een speciale en aangepaste ophaling. De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan dat kenteken moet voldoen. ".
" 3° Op de verpakking kan een duidelijk zichtbaar kenteken voorkomen, waaruit blijkt dat er statiegeld, retourpremie of verpakkingskrediet voor wordt gevraagd of dat zij het voorwerp uitmaakt van een speciale en aangepaste ophaling. De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan dat kenteken moet voldoen. ".
Art.26. L'article 380, 3°, de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" 3° L'emballage peut porter un signe distinctif visible indiquant qu'il fait l'objet d'une consigne, d'une prime de retour, d'un crédit d'emballage ou d'une collecte spéciale et adaptée. Le Roi détermine les conditions auxquelles doit répondre ce signe distinctif. ".
" 3° L'emballage peut porter un signe distinctif visible indiquant qu'il fait l'objet d'une consigne, d'une prime de retour, d'un crédit d'emballage ou d'une collecte spéciale et adaptée. Le Roi détermine les conditions auxquelles doit répondre ce signe distinctif. ".
Art.27. In bijlage 18 van dezelfde wet worden de woorden " artikel 371, tweede lid " vervangen door de woorden " artikel 371, § 3 ".
Art.27. Dans l'annexe 18 de la même loi, les mots " l'article 371, deuxième alinéa " sont remplacés par les mots " l'article 371, § 3 ".
HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wet van 28 december 1983 over het verstrekken van sterke drank en het vergunningsrecht.
CHAPITRE III. - Modification de la loi du 28 décembre 1983 sur le débit de boissons spiritueuses et sur la taxe de patente.
Art.28. Artikel 1, 5°, van de wet van 28 december 1983 over het verstrekken van sterke drank en het vergunningsrecht, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 27 november 1996 en bekrachtigd bij de wet van 13 juni 1997, wordt vervangen als volgt :
" 5° sterke drank : drank zoals bepaald in artikel 16 van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de tarieven van de accijnsrechten op alcohol en op alcoholhoudende drank ; ".
" 5° sterke drank : drank zoals bepaald in artikel 16 van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de tarieven van de accijnsrechten op alcohol en op alcoholhoudende drank ; ".
Art.28. L'article 1er, 5°, de la loi du 28 décembre 1983 sur le débit de boissons spiritueuses et sur la taxe de patente, inséré par l'arrêté royal du 27 novembre 1996 et confirmé par la loi du 13 juin 1997, est remplacé par la disposition suivante :
" 5° boissons spiritueuses : les boissons telles qu'elles sont définies par l'article 16 de la loi du 7 janvier 1998 concernant la structure et les taux des droits d'accise sur l'alcool et les boissons alcoolisées; ".
" 5° boissons spiritueuses : les boissons telles qu'elles sont définies par l'article 16 de la loi du 7 janvier 1998 concernant la structure et les taux des droits d'accise sur l'alcool et les boissons alcoolisées; ".
HOOFDSTUK IV. - Abonnementstaks.
CHAPITRE IV. - Taxe d'abonnement.
Art.29. In artikel 161bis van het Wetboek der successierechten, ingevoegd bij de wet van 22 juli 1993 en vervangen bij het koninklijk besluit van 18 november 1996 en bij de wet van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Voor de toepassing van de §§ 1, 2 en 5, tweede gedachtestreep, worden voor een beleggingsinstelling of een verzekeringsonderneming die rechten van deelneming heeft in een beleggingsinstelling, de bedragen die bij een beleggingsinstelling werden opgenomen in de belastbare grondslag, niet meegerekend. ";
2° § 5, tweede gedachtestreep, wordt aangevuld als volgt :
" met uitzondering van levensverzekeringscontracten waarvan het kapitaal of de afkoopwaarde onderworpen is aan de inkomstenbelastingen of aan de taks op het lange termijnsparen. ".
1° § 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Voor de toepassing van de §§ 1, 2 en 5, tweede gedachtestreep, worden voor een beleggingsinstelling of een verzekeringsonderneming die rechten van deelneming heeft in een beleggingsinstelling, de bedragen die bij een beleggingsinstelling werden opgenomen in de belastbare grondslag, niet meegerekend. ";
2° § 5, tweede gedachtestreep, wordt aangevuld als volgt :
" met uitzondering van levensverzekeringscontracten waarvan het kapitaal of de afkoopwaarde onderworpen is aan de inkomstenbelastingen of aan de taks op het lange termijnsparen. ".
Art.29. A l'article 161bis du Code des droits de succession, inséré par la loi du 22 juillet 1993 et remplacé par l'arrêté royal du 18 novembre 1996 et par la loi du 22 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Pour l'application des §§ 1er, 2 et 5, deuxième tiret, ne sont pas repris dans la base imposable d'un organisme de placement ou d'une entreprise d'assurances qui détient des parts dans un organisme de placement, les montants qui ont déjà été compris dans la base imposable d'un organisme de placement. ";
2° le § 5, deuxième tiret, est complété comme suit :
" à l'exclusion des contrats d'assurance-vie dont le capital ou la valeur de rachat est imposable à l'impôt sur les revenus ou à la taxe sur l'épargne à long terme. ".
1° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Pour l'application des §§ 1er, 2 et 5, deuxième tiret, ne sont pas repris dans la base imposable d'un organisme de placement ou d'une entreprise d'assurances qui détient des parts dans un organisme de placement, les montants qui ont déjà été compris dans la base imposable d'un organisme de placement. ";
2° le § 5, deuxième tiret, est complété comme suit :
" à l'exclusion des contrats d'assurance-vie dont le capital ou la valeur de rachat est imposable à l'impôt sur les revenus ou à la taxe sur l'épargne à long terme. ".
Art.30. De jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen, op de kredietinstellingen en op de verzekeringsondernemingen die werd geheven op de verzekeringsondernemingen onder de voorwaarden van artikel 161bis, § 3 en § 5, tweede gedachtestreep, van het Wetboek der successierechten, zoals gewijzigd bij artikel 29, kan worden teruggegeven indien de taks werd betaald op de wiskundige balansprovisies en technische provisies van 1 januari 2004.
De terugbetaling wordt verricht aan de verzekeringsonderneming. Zij moet door de verzekeringsonderneming aangevraagd worden aan de gewestelijke directeur van de registratie Brussel binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad. De directeur meldt de ontvangst van de aanvraag de dag zelf waarop hij deze ontvangt.
De terugbetaling is ondergeschikt aan het voorleggen van documenten die het bestaan van de oorzaak der terugbetaling rechtvaardigen. De minister van Financiën bepaalt de modaliteiten van de aanvraag en de inhoud van de door de verzekeringsonderneming voor te leggen documenten.
De terugbetaling wordt geordonnanceerd door de ambtenaar aangeduid door of vanwege de minister van Financiën. Wanneer de rechthebbende houder is van een bankrekening, gebeurt de terugbetaling door middel van een overschrijving; in het tegengestelde geval gebeurt ze door middel van een postassignatie.
Voor het overige zijn de bepalingen van het Wetboek der successierechten van toepassing op de teruggaven bedoeld in dit artikel.
De terugbetaling wordt verricht aan de verzekeringsonderneming. Zij moet door de verzekeringsonderneming aangevraagd worden aan de gewestelijke directeur van de registratie Brussel binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad. De directeur meldt de ontvangst van de aanvraag de dag zelf waarop hij deze ontvangt.
De terugbetaling is ondergeschikt aan het voorleggen van documenten die het bestaan van de oorzaak der terugbetaling rechtvaardigen. De minister van Financiën bepaalt de modaliteiten van de aanvraag en de inhoud van de door de verzekeringsonderneming voor te leggen documenten.
De terugbetaling wordt geordonnanceerd door de ambtenaar aangeduid door of vanwege de minister van Financiën. Wanneer de rechthebbende houder is van een bankrekening, gebeurt de terugbetaling door middel van een overschrijving; in het tegengestelde geval gebeurt ze door middel van een postassignatie.
Voor het overige zijn de bepalingen van het Wetboek der successierechten van toepassing op de teruggaven bedoeld in dit artikel.
Art.30. La taxe annuelle sur les organismes de placement collectif, sur les établissements de crédit et sur les entreprises d'assurances, perçue sur les entreprises d'assurances répondant aux conditions établies par l'article 161bis, § 3 et § 5, deuxième tiret, du Code des successions, tel que modifié par l'article 29, peut être restituée lorsque la taxe a été payée sur les provisions mathématiques du bilan et les provisions techniques au 1er janvier 2004.
Ce remboursement est effectué à l'entreprise d'assurances. Il doit être demandé par l'entreprise d'assurance au directeur régional de l'enregistrement de Bruxelles, dans un délai de deux ans à compter du jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge. Le directeur accuse réception de la demande le jour même où elle lui parvient.
Le remboursement est subordonné à la production des documents justifiant de l'existence de la cause du remboursement. Le ministre des Finances détermine les modalités de la demande et le contenu des documents à déposer par l'entreprise d'assurances.
Le remboursement est ordonnancé par le fonctionnaire désigné par le ministre des Finances ou son délégué. Lorsque l'ayant droit est titulaire d'un compte bancaire, le remboursement a lieu par virement à ce compte; dans le cas contraire, il a lieu au moyen d'une assignation postale.
Pour le surplus, les dispositions du Code des successions sont applicables aux restitutions visées au présent article.
Ce remboursement est effectué à l'entreprise d'assurances. Il doit être demandé par l'entreprise d'assurance au directeur régional de l'enregistrement de Bruxelles, dans un délai de deux ans à compter du jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge. Le directeur accuse réception de la demande le jour même où elle lui parvient.
Le remboursement est subordonné à la production des documents justifiant de l'existence de la cause du remboursement. Le ministre des Finances détermine les modalités de la demande et le contenu des documents à déposer par l'entreprise d'assurances.
Le remboursement est ordonnancé par le fonctionnaire désigné par le ministre des Finances ou son délégué. Lorsque l'ayant droit est titulaire d'un compte bancaire, le remboursement a lieu par virement à ce compte; dans le cas contraire, il a lieu au moyen d'une assignation postale.
Pour le surplus, les dispositions du Code des successions sont applicables aux restitutions visées au présent article.
Art.31. De artikelen 29 en 30 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2004.
Art.31. Les articles 29 en 30 produisent leurs effets le 1er janvier 2004.
HOOFDSTUK V. - Bekrachtiging van een koninklijk besluit.
CHAPITRE V. - Confirmation d'un arrêté royal.
Art.32. Het koninklijk besluit van 22 juni 2003 tot wijziging en aanvulling van het koninklijk besluit van 2 augustus 1972 houdende goedkeuring van de lijst der terreinen, gebouwen en aanhorigheden, bedoeld in artikel 19 van de wet van 1 april 1971 houdende oprichting van een Regie der Gebouwen en tot overneming van een aantal huurcontracten van de Kamers van Ambachten en Neringen, genomen in uitvoering van artikel 75 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, wordt bekrachtigd.
Art.32. L'arrêté royal du 22 juin 2003 modificatif et complémentaire à l'arrêté royal du 2 août 1972 approuvant la liste des terrains, bâtiments et leurs dépendances, visée par l'article 19 de la loi du 1er avril 1971 portant création d'une Régie des Bâtiments, et reprenant un certain nombre de contrats de location des Chambres des Métiers et Négoces, pris en exécution de l'article 75 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions, est confirmé.
HOOFDSTUK VI. - Wijziging van artikel 199 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en artikel 120 van het Wetboek der Successierechten.
CHAPITRE VI. - Modification de l'article 199 du Code des droits d'enregistrement, l'hypothèque et de greffe et de l'article 120 du Code des droits de succession.
Art.33. Artikel 199 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten wordt vervangen als volgt :
" Art. 199. - Zowel de ontvanger als de partij kunnen de schatting betwisten door inleiding van een rechtsvordering. Deze rechtsvordering dient ingeleid te worden, op straffe van verval, binnen de termijn van één maand te rekenen van de betekening van het verslag. ".
" Art. 199. - Zowel de ontvanger als de partij kunnen de schatting betwisten door inleiding van een rechtsvordering. Deze rechtsvordering dient ingeleid te worden, op straffe van verval, binnen de termijn van één maand te rekenen van de betekening van het verslag. ".
Art.33. L'article 199 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 199. - Tant le receveur que la partie peut contester l'expertise en introduisant une action en justice. Cette action doit être intentée, à peine de déchéance, dans le délai d'un mois à compter de la date de la signification du rapport. ".
" Art. 199. - Tant le receveur que la partie peut contester l'expertise en introduisant une action en justice. Cette action doit être intentée, à peine de déchéance, dans le délai d'un mois à compter de la date de la signification du rapport. ".
Art.34. Artikel 120 van het Wetboek der successierechten wordt vervangen als volgt :
" Art. 120. - Zowel de ontvanger als de partij kunnen de schatting betwisten door inleiding van een rechtsvordering. Deze rechtsvordering dient ingeleid te worden, op straffe van verval, binnen de termijn van één maand te rekenen van de betekening van het verslag. ".
" Art. 120. - Zowel de ontvanger als de partij kunnen de schatting betwisten door inleiding van een rechtsvordering. Deze rechtsvordering dient ingeleid te worden, op straffe van verval, binnen de termijn van één maand te rekenen van de betekening van het verslag. ".
Art.34. L'article 120 du Code des droits de succession est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 120. - Tant le receveur que la partie peut contester l'expertise en introduisant une action en justice. Cette action doit être intentée, à peine de déchéance, dans le délai d'un mois à compter de la date de la signification du rapport. ".
" Art. 120. - Tant le receveur que la partie peut contester l'expertise en introduisant une action en justice. Cette action doit être intentée, à peine de déchéance, dans le délai d'un mois à compter de la date de la signification du rapport. ".
HOOFDSTUK VII. - Roerende voorheffing : aandelen uitgegeven met een couponblad " STRIP-VV ".
CHAPITRE VII. - Précompte mobilier : actions ou parts émises avec une feuille de coupons " STRIP-PR ".
Art.35. In artikel 171, 2°bis, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 24 december 1993 en gewijzigd bij de wetten van 30 maart 1994 en 20 december 1995, worden de woorden " in artikel 269, tweede lid, 2°, en derde lid " vervangen door de woorden " in artikel 269, tweede lid, 2°, derde lid en elfde lid ".
Art.35. A l'article 171, 2°bis, b, du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 24 décembre 1993 et modifié par les lois des 30 mars 1994 et 20 décembre 1995, les mots " à l'article 269, alinéa 2, 2°, et alinéa 3 " sont remplacés par les mots " à l'article 269, alinéa 2, 2°, alinéa 3 et alinéa 11 ".
Art.36. Artikel 269 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30 maart 1994 en gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995, 21 februari 1998, 10 maart 1999, 22 mei 2001, 19 juli 2001 en 24 december 2002, wordt aangevuld met het volgende lid :
" In geval van uitgifte van aandelen die worden vertegenwoordigd door een mantel met een couponblad waarvan de coupons het recht op dividend vertegenwoordigen, en een couponblad " STRIP-VV ", en in afwijking van het tweede lid en het derde lid, a, is de aanslagvoet van 15 pct. van toepassing, voor zover de dividenden betaald worden :
1° tegen gelijktijdige afgifte van een coupon die het recht op dividend vertegenwoordigt, en een coupon " STRIP-VV " met hetzelfde volgnummer, en
2° in een tijdperk van drie jaar dat aanvangt op 1 januari van het jaar waarin het dividend wordt toegekend. ".
" In geval van uitgifte van aandelen die worden vertegenwoordigd door een mantel met een couponblad waarvan de coupons het recht op dividend vertegenwoordigen, en een couponblad " STRIP-VV ", en in afwijking van het tweede lid en het derde lid, a, is de aanslagvoet van 15 pct. van toepassing, voor zover de dividenden betaald worden :
1° tegen gelijktijdige afgifte van een coupon die het recht op dividend vertegenwoordigt, en een coupon " STRIP-VV " met hetzelfde volgnummer, en
2° in een tijdperk van drie jaar dat aanvangt op 1 januari van het jaar waarin het dividend wordt toegekend. ".
Art.36. L'article 269 du même Code, remplacé par la loi du 30 mars 1994 et modifié par les lois des 20 décembre 1995, 21 février 1998, 10 mars 1999, 22 mai 2001, 19 juillet 2001 et 24 décembre 2002, est complété par l'alinéa suivant :
" En cas d'émission d'actions ou parts qui sont représentées par un manteau muni d'une feuille de coupons représentatifs du droit au dividende et d'une feuille de coupons " STRIP-PR " et par dérogation aux alinéas 2 et 3, a, le taux de 15 p.c. est applicable, pour autant que les dividendes soient payés :
1° sur remise simultanée d'un coupon représentatif du droit au dividende et d'un coupon " STRIP-PR " portant le même numéro d'ordre, et
2° dans un délai de trois ans débutant le 1er janvier de l'année au cours de laquelle le dividende est attribué. ".
" En cas d'émission d'actions ou parts qui sont représentées par un manteau muni d'une feuille de coupons représentatifs du droit au dividende et d'une feuille de coupons " STRIP-PR " et par dérogation aux alinéas 2 et 3, a, le taux de 15 p.c. est applicable, pour autant que les dividendes soient payés :
1° sur remise simultanée d'un coupon représentatif du droit au dividende et d'un coupon " STRIP-PR " portant le même numéro d'ordre, et
2° dans un délai de trois ans débutant le 1er janvier de l'année au cours de laquelle le dividende est attribué. ".
Art.37. Artikel 412 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992 en 15 maart 1999, bij de koninklijke besluiten van 20 juli 2000 en 13 juli 2001 en bij de wet van 22 december 2003, wordt aangevuld met het volgende lid :
" In afwijking van het eerste lid, wanneer de voorwaarden tot toekenning van het verlaagd tarief bedoeld in artikel 269, elfde lid, voor dividenden van aandelen die worden vertegenwoordigd door een mantel met een couponblad waarvan de coupons het recht op dividend vertegenwoordigen, en een couponblad " STRIP-VV ", niet zijn voldaan, is de roerende voorheffing betaalbaar :
1° ten belope van 15 pct. van het belastbare bedrag van het dividend : binnen de vijftien dagen na de toekenning of de betaalbaarstelling van het dividend;
2° ten belope van 10 pct. van het belastbare bedrag van het dividend : binnen de vijftien dagen na het verstrijken van het tijdperk van drie jaar vermeld in artikel 269, elfde lid, 2°. ".
" In afwijking van het eerste lid, wanneer de voorwaarden tot toekenning van het verlaagd tarief bedoeld in artikel 269, elfde lid, voor dividenden van aandelen die worden vertegenwoordigd door een mantel met een couponblad waarvan de coupons het recht op dividend vertegenwoordigen, en een couponblad " STRIP-VV ", niet zijn voldaan, is de roerende voorheffing betaalbaar :
1° ten belope van 15 pct. van het belastbare bedrag van het dividend : binnen de vijftien dagen na de toekenning of de betaalbaarstelling van het dividend;
2° ten belope van 10 pct. van het belastbare bedrag van het dividend : binnen de vijftien dagen na het verstrijken van het tijdperk van drie jaar vermeld in artikel 269, elfde lid, 2°. ".
Art.37. L'article 412 du même Code, modifié par les lois des 28 juillet 1992 et 15 mars 1999, par les arrêtés royaux des 20 juillet 2000 et 13 juillet 2001 et par la loi du 22 décembre 2003, est complété par l'alinéa suivant :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque les conditions d'octroi du taux réduit visé à l'article 269, alinéa 11, pour les dividendes d'actions ou parts qui sont représentées par un manteau muni d'une feuille de coupons représentatifs du droit au dividende et d'une feuille de coupons " STRIP-PR ", n'ont pas été respectées, le précompte mobilier est payable :
1° à concurrence de 15 p.c. du montant imposable du dividende : dans les quinze jours de l'attribution ou de la mise en paiement du dividende;
2° à concurrence de 10 p.c. du montant imposable du dividende : dans les quinze jours qui suivent l'expiration du délai de trois ans visé à l'article 269, alinéa 11, 2°. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque les conditions d'octroi du taux réduit visé à l'article 269, alinéa 11, pour les dividendes d'actions ou parts qui sont représentées par un manteau muni d'une feuille de coupons représentatifs du droit au dividende et d'une feuille de coupons " STRIP-PR ", n'ont pas été respectées, le précompte mobilier est payable :
1° à concurrence de 15 p.c. du montant imposable du dividende : dans les quinze jours de l'attribution ou de la mise en paiement du dividende;
2° à concurrence de 10 p.c. du montant imposable du dividende : dans les quinze jours qui suivent l'expiration du délai de trois ans visé à l'article 269, alinéa 11, 2°. ".
Art.38. De artikelen 35 tot 37 zijn van toepassing op de dividenden toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2004.
Art.38. Les articles 35 à 37 sont applicables aux dividendes attribués ou mis en paiement à partir du 1er janvier 2004.
HOOFDSTUK VIII. - Wijziging van het Wetboek van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen.
CHAPITRE VIII. - Modification du Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus.
Art.39. Artikel 36bis, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, wordt vervangen als volgt :
" 1° de voertuigen van alle aard die onderworpen zijn aan de reglementering voor de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens en die het voorwerp uitmaken van een tijdelijke inschrijving andere dan een tijdelijke inschrijving van lange duur waarvoor een internationale kentekenplaat wordt afgeleverd; ".
" 1° de voertuigen van alle aard die onderworpen zijn aan de reglementering voor de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens en die het voorwerp uitmaken van een tijdelijke inschrijving andere dan een tijdelijke inschrijving van lange duur waarvoor een internationale kentekenplaat wordt afgeleverd; ".
Art.39. L'article 36bis, alinéa 1er, 1°, du Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, est remplacé par la disposition suivante :
" 1° aux véhicules de tout genre qui sont soumis à la réglementation de l'immatriculation des véhicules à moteur et des remorques et qui font l'objet d'une immatriculation temporaire autre qu'une immatriculation temporaire pour longue durée pour laquelle une marque d'immatriculation internationale est délivrée; ".
" 1° aux véhicules de tout genre qui sont soumis à la réglementation de l'immatriculation des véhicules à moteur et des remorques et qui font l'objet d'une immatriculation temporaire autre qu'une immatriculation temporaire pour longue durée pour laquelle une marque d'immatriculation internationale est délivrée; ".
Art.40. Artikel 94, 1°, van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen als volgt :
" 1° de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en motorfietsen, zoals deze voertuigen omschreven zijn in de reglementering van de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens en voor zover deze voertuigen voorzien zijn of moeten zijn van een andere nummerplaat dan een in het kader van de bedoelde regeling uitgereikte " proefritten- ", " handelaars- " of tijdelijke plaat andere dan een internationale kentekenplaat; ".
" 1° de personenauto's, auto's voor dubbel gebruik, minibussen en motorfietsen, zoals deze voertuigen omschreven zijn in de reglementering van de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens en voor zover deze voertuigen voorzien zijn of moeten zijn van een andere nummerplaat dan een in het kader van de bedoelde regeling uitgereikte " proefritten- ", " handelaars- " of tijdelijke plaat andere dan een internationale kentekenplaat; ".
Art.40. L'article 94, 1°, du même Code, est remplacé par la disposition suivante :
" 1° les voitures, voitures mixtes, minibus et motocyclettes, tels que ces véhicules sont définis dans la réglementation de l'immatriculation des véhicules à moteur et des remorques, en tant que ces véhicules sont ou doivent être munis d'une marque d'immatriculation autre que " essai ", " marchand " ou temporaire autre qu'une marque d'immatriculation internationale, délivrée dans le cadre de cette réglementation; ".
" 1° les voitures, voitures mixtes, minibus et motocyclettes, tels que ces véhicules sont définis dans la réglementation de l'immatriculation des véhicules à moteur et des remorques, en tant que ces véhicules sont ou doivent être munis d'une marque d'immatriculation autre que " essai ", " marchand " ou temporaire autre qu'une marque d'immatriculation internationale, délivrée dans le cadre de cette réglementation; ".
Art.41. De artikelen 39 en 40 treden in werking op 1 januari 2005.
Art.41. Les articles 39 et 40 entrent en vigueur le 1er janvier 2005.
HOOFDSTUK IX. - Wijziging van artikel 145.25 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 om de vernieuwing van een woning gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid aan te moedigen.
CHAPITRE IX. - Modification de l'article 145.25 du Code des impôts sur les revenus 1992 pour encourager la rénovation d'une habitation située dans une zone d'action positive des grandes villes.
Art.42. In artikel 145.25 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de programmawet van 8 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid vervallen de woorden ", op basis van een wetenschappelijke studie " en, in de laatste zin, de woorden " na een nieuwe wetenschappelijke studie ";
2° in het zesde lid, worden de woorden " 500 EUR " vervangen door de woorden " 1 000 EUR ".
1° in het tweede lid vervallen de woorden ", op basis van een wetenschappelijke studie " en, in de laatste zin, de woorden " na een nieuwe wetenschappelijke studie ";
2° in het zesde lid, worden de woorden " 500 EUR " vervangen door de woorden " 1 000 EUR ".
Art.42. A l'article 145.25 du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi-programme du 8 avril 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° à l'alinéa 2, les mots " sur la base d'une étude scientifique " et, dans la dernière phrase, les mots " après une nouvelle étude scientifique " sont supprimés;
2° à l'alinéa 6, les mots " 500 EUR " sont remplacés par les mots " 1 000 EUR ".
1° à l'alinéa 2, les mots " sur la base d'une étude scientifique " et, dans la dernière phrase, les mots " après une nouvelle étude scientifique " sont supprimés;
2° à l'alinéa 6, les mots " 500 EUR " sont remplacés par les mots " 1 000 EUR ".
Art.43. Artikel 42, 2°, treedt in werking op een datum te bepalen door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Art.43. L'article 42, 2°, entre en vigueur à une date à fixer par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
HOOFDSTUK X. - Invoering van een belastingvermindering voor uitgaven voor de verwerving van een voertuig met een maximale uitstoot van 115 gram CO2 per kilometer.
CHAPITRE X. - Instauration d'une réduction d'impôt pour les dépenses faites en vue d'acquérir un véhicule qui émet au maximum 115 grammes de CO2 par kilomètre.
Art.44. In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een onderafdeling IInonies ingevoegd, luidende :
" Onderafdeling IInonies. - Vermindering voor uitgaven voor de verwerving van een voertuig met een maximale uitstoot van 115 gram CO2 per kilometer
Art. 145.28. - Er wordt een belastingvermindering verleend voor de uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald voor de verwerving in nieuwe staat van een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus met een maximale uitstoot van 115 gram CO2 per kilometer en waarvoor het bezit van een Belgisch rijbewijs geldig voor voertuigen van de categorie B of een gelijkwaardig Europees of buitenlands rijbewijs vereist is voor de besturing ervan.
De belastingvermindering is gelijk aan 15 pct. van de aanschaffingswaarde met een maximum van 3 280 EUR wanneer de CO2-uitstoot minder dan 105 gram per kilometer bedraagt.
De belastingvermindering is gelijk aan 3 pct. van de aanschaffingswaarde met een maximum van 615 EUR wanneer de CO2-uitstoot 105 tot maximaal 115 gram per kilometer bedraagt.
De in het tweede en het derde lid vermelde maximale bedragen van de belastingvermindering kunnen door de Koning worden herzien bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de toepassingsmodaliteiten van de vermindering alsmede de wijze waarop het bewijs wordt geleverd dat het voertuig voldoet aan de gestelde normen. ".
" Onderafdeling IInonies. - Vermindering voor uitgaven voor de verwerving van een voertuig met een maximale uitstoot van 115 gram CO2 per kilometer
Art. 145.28. - Er wordt een belastingvermindering verleend voor de uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald voor de verwerving in nieuwe staat van een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus met een maximale uitstoot van 115 gram CO2 per kilometer en waarvoor het bezit van een Belgisch rijbewijs geldig voor voertuigen van de categorie B of een gelijkwaardig Europees of buitenlands rijbewijs vereist is voor de besturing ervan.
De belastingvermindering is gelijk aan 15 pct. van de aanschaffingswaarde met een maximum van 3 280 EUR wanneer de CO2-uitstoot minder dan 105 gram per kilometer bedraagt.
De belastingvermindering is gelijk aan 3 pct. van de aanschaffingswaarde met een maximum van 615 EUR wanneer de CO2-uitstoot 105 tot maximaal 115 gram per kilometer bedraagt.
De in het tweede en het derde lid vermelde maximale bedragen van de belastingvermindering kunnen door de Koning worden herzien bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de toepassingsmodaliteiten van de vermindering alsmede de wijze waarop het bewijs wordt geleverd dat het voertuig voldoet aan de gestelde normen. ".
Art.44. Dans le titre II, chapitre III, section Ire, du Code des impôts sur les revenus 1992, il est inséré une sous-section IInonies, rédigée comme suit :
" Sous-section IInonies. - Réduction pour les dépenses faites en vue d'acquérir un véhicule qui émet au maximum 115 grammes de CO2 par kilomètre
Art. 145.28. Il est accordé une réduction d'impôt pour les dépenses qui sont effectivement payées pendant la période imposable en vue d'acquérir à l'état neuf une voiture, une voiture mixte ou un minibus qui émet au maximum 115 grammes de CO2 par kilomètre et dont la conduite nécessite la possession d'un permis de conduire belge valable pour des véhicules de catégorie B ou d'un permis de conduire européen ou étranger équivalent.
La réduction d'impôt est égale à 15 p.c. de la valeur d'acquisition avec un maximum de 3 280 EUR lorsque le CO2 émis est inférieur à 105 grammes par kilomètre.
La réduction d'impôt est égale à 3 p.c. de la valeur d'acquisition avec un maximum de 615 EUR lorsque le CO2 émis est de 105 grammes jusqu'à 115 grammes au maximum par kilomètre.
Les montants maximums de réduction d'impôt visés aux alinéas 2 et 3 peuvent être revus par le Roi, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
Le Roi détermine, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, les modalités d'application de la réduction ainsi que la manière d'apporter la preuve que le véhicule répond aux normes prescrites. ".
" Sous-section IInonies. - Réduction pour les dépenses faites en vue d'acquérir un véhicule qui émet au maximum 115 grammes de CO2 par kilomètre
Art. 145.28. Il est accordé une réduction d'impôt pour les dépenses qui sont effectivement payées pendant la période imposable en vue d'acquérir à l'état neuf une voiture, une voiture mixte ou un minibus qui émet au maximum 115 grammes de CO2 par kilomètre et dont la conduite nécessite la possession d'un permis de conduire belge valable pour des véhicules de catégorie B ou d'un permis de conduire européen ou étranger équivalent.
La réduction d'impôt est égale à 15 p.c. de la valeur d'acquisition avec un maximum de 3 280 EUR lorsque le CO2 émis est inférieur à 105 grammes par kilomètre.
La réduction d'impôt est égale à 3 p.c. de la valeur d'acquisition avec un maximum de 615 EUR lorsque le CO2 émis est de 105 grammes jusqu'à 115 grammes au maximum par kilomètre.
Les montants maximums de réduction d'impôt visés aux alinéas 2 et 3 peuvent être revus par le Roi, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
Le Roi détermine, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, les modalités d'application de la réduction ainsi que la manière d'apporter la preuve que le véhicule répond aux normes prescrites. ".
Art.45. In artikel 243, laatste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 6 juli 1994 en gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994 en 22 december 2003, worden de woorden " 145.17 tot 145.27 " vervangen door de woorden " 145.17 tot 145.28 ".
Art.45. A l'article 243, dernier alinéa, du même Code, remplacé par la loi du 6 juillet 1994 et modifié par les lois des 21 décembre 1994 et 22 décembre 2003, les mots " 14517 à 14527 " sont remplacés par les mots " 14517 à 14528 ".
Art.46. De artikelen 44 en 45 zijn van toepassing in geval van verwerving van een personenauto, een auto voor dubbel gebruik of een minibus vanaf 1 januari 2005.
Art.46. Les articles 44 et 45 sont applicables en cas d'acquisition d'une voiture, d'une voiture mixte ou d'un minibus à partir du 1er janvier 2005.
HOOFDSTUK XI. - Wijziging van artikel 35 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
CHAPITRE XI. - Modification de l'article 35 du Code des impôts sur les revenus 1992.
Art.47. Artikel 35 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt vervangen als volgt :
" Art. 35. - Pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen, die aan beide echtgenoten samen worden betaald of toegekend, worden aangemerkt als inkomsten van iedere echtgenoot in verhouding tot de persoonlijke rechten die iedere echtgenoot in die pensioenen heeft opgebouwd.
De in het eerste lid beoogde verhouding wordt vastgesteld door de instelling die instaat voor de toekenning van de pensioenrechten. ".
" Art. 35. - Pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen, die aan beide echtgenoten samen worden betaald of toegekend, worden aangemerkt als inkomsten van iedere echtgenoot in verhouding tot de persoonlijke rechten die iedere echtgenoot in die pensioenen heeft opgebouwd.
De in het eerste lid beoogde verhouding wordt vastgesteld door de instelling die instaat voor de toekenning van de pensioenrechten. ".
Art.47. L'article 35 du Code des impôts sur les revenus 1992 est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 35. - Les pensions, rentes et allocations en tenant lieu qui sont payées ou attribuées globalement aux deux conjoints, sont considérées comme des revenus de chaque conjoint en proportion des droits personnels dont dispose chacun d'eux dans ces pensions.
La proportion visée à l'alinéa 1er est fixée par l'organisme qui se porte garant pour l'attribution des droits à la pension. ".
" Art. 35. - Les pensions, rentes et allocations en tenant lieu qui sont payées ou attribuées globalement aux deux conjoints, sont considérées comme des revenus de chaque conjoint en proportion des droits personnels dont dispose chacun d'eux dans ces pensions.
La proportion visée à l'alinéa 1er est fixée par l'organisme qui se porte garant pour l'attribution des droits à la pension. ".
Art.48. Artikel 47 is van toepassing op de vanaf 1 januari 2004 betaalde of toegekende pensioenen.
Art.48. L'article 47 est applicable aux pensions payées ou attribuées à partir du 1er janvier 2004.
HOOFDSTUK XII. - Interpretatie van de toepassing van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, op het vlak van de inkomstenbelastingen.
CHAPITRE XII. - Interprétation de l'application de l'article 2244 du Code civil, en matière d'impôts sur les revenus.
TITEL III. - Overheidsbedrijven.
TITRE III. - Entreprises publiques.
HOOFDSTUK I. - Gemeenschappelijke bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions communes.
Afdeling I. - Wijziging van de programmawet van 22 december 2003.
Section première. - Modification de la loi-programme du 22 décembre 2003.
Art.50. Artikel 475 van de programmawet van 22 december 2003 wordt aangevuld als volgt :
" Indien tijdens of na de periode van het inzetten, én het personeelslid én de openbare overheid, wensen dat, onverminderd het statuut van het personeel van de betrokken openbare overheid, het personeelslid na de periode van het inzetten bij de openbare overheid in dienst treedt als statutair personeelslid, wordt dit personeelslid met behoud van zijn hoedanigheid van statutair ambtenaar overgedragen naar de betrokken openbare overheid. ".
" Indien tijdens of na de periode van het inzetten, én het personeelslid én de openbare overheid, wensen dat, onverminderd het statuut van het personeel van de betrokken openbare overheid, het personeelslid na de periode van het inzetten bij de openbare overheid in dienst treedt als statutair personeelslid, wordt dit personeelslid met behoud van zijn hoedanigheid van statutair ambtenaar overgedragen naar de betrokken openbare overheid. ".
Art.50. L'article 475 de la loi-programme du 22 décembre 2003, est complété comme suit :
" Si au cours ou au terme de la période d'affectation, tant le membre du personnel que l'autorité publique souhaitent que, sans préjudice du statut du personnel de l'autorité publique concernée, le membre du personnel entre en fonction, après la période d'affectation, auprès de l'autorité publique en tant que membre du personnel statutaire, ce membre du personnel sera transféré à l'autorité publique concernée avec maintien de sa qualité de fonctionnaire statutaire. ".
" Si au cours ou au terme de la période d'affectation, tant le membre du personnel que l'autorité publique souhaitent que, sans préjudice du statut du personnel de l'autorité publique concernée, le membre du personnel entre en fonction, après la période d'affectation, auprès de l'autorité publique en tant que membre du personnel statutaire, ce membre du personnel sera transféré à l'autorité publique concernée avec maintien de sa qualité de fonctionnaire statutaire. ".
Afdeling II. - Wijziging van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven - benoeming van commissarissen-revisoren.
Section II. - Modification de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques - nomination de commissaires-reviseurs.
Art.51. In artikel 25, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen de woorden " een hernieuwbare termijn van " en " zes jaar " wordt het woord " maximaal " ingevoegd;
2° na de eerste zin wordt de volgende zin ingevoegd :
" In voorkomend geval dient in de statuten van het desbetreffende overheidsbedrijf de duur van de benoemingstermijn te worden gespecificeerd. ".
1° tussen de woorden " een hernieuwbare termijn van " en " zes jaar " wordt het woord " maximaal " ingevoegd;
2° na de eerste zin wordt de volgende zin ingevoegd :
" In voorkomend geval dient in de statuten van het desbetreffende overheidsbedrijf de duur van de benoemingstermijn te worden gespecificeerd. ".
Art.51. A l'article 25, § 4, de la loi de 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, les modifications suivantes sont apportées :
1° le mot " au maximum " est inséré entre les mots " un terme renouvelable de " et " six ans ";
2° la phrase suivante est insérée après la première phrase :
" La durée du mandat doit, le cas échéant, être précisée dans les statuts de l'entreprise publique concernée. ".
1° le mot " au maximum " est inséré entre les mots " un terme renouvelable de " et " six ans ";
2° la phrase suivante est insérée après la première phrase :
" La durée du mandat doit, le cas échéant, être précisée dans les statuts de l'entreprise publique concernée. ".
HOOFDSTUK II. - Spoorwegen.
CHAPITRE II. - Chemins de fer.
Afdeling I. - Licht en uitzicht.
Section première. - Jours et vues.
Art.52. Een artikel 680bis wordt in het Burgerlijk Wetboek ingevoegd, luidende :
" Art. 680bis. - De wettelijke beperkingen die de huidige afdeling aan naburen oplegt zijn niet van toepassing op aangelanden van openbare wegen en spoorwegen die tot het openbaar domein behoren. ".
" Art. 680bis. - De wettelijke beperkingen die de huidige afdeling aan naburen oplegt zijn niet van toepassing op aangelanden van openbare wegen en spoorwegen die tot het openbaar domein behoren. ".
Art.52. Un article 680bis est inséré dans le Code Civil, rédigé comme suit :
" Art. 680bis. - Les limitations légales imposées aux voisins par la présente section ne sont pas applicables aux propriétés situées le long de voiries publiques et chemins de fer qui appartiennent au domaine public. ".
" Art. 680bis. - Les limitations légales imposées aux voisins par la présente section ne sont pas applicables aux propriétés situées le long de voiries publiques et chemins de fer qui appartiennent au domaine public. ".
Afdeling II. - Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen.
Section II. - Société nationale des Chemins de fer belges.
Art.53. Met het oog op de reorganisatie van de activiteiten van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (hierna de " NMBS " genoemd), kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad, alle nodige maatregelen nemen om :
1° de dochtervennootschap, door de NMBS overeenkomstig artikel 13 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven opgericht met als doel het vervoer per spoor van reizigers en goederen, in te delen bij de autonome overheidsbedrijven onderworpen aan dezelfde wet, en deze dochtervennootschap om te vormen in naamloze vennootschap van publiek recht;
2° de opdrachten van openbare dienst van de in 1° bedoelde dochtervennootschap en de financiering ervan vast te stellen en de bepalingen van voornoemde wet van 21 maart 1991 aan te passen aan de eigen uitbatingsvoorwaarden van deze dochtervennootschap;
3° de inbreng in de in 1° bedoelde dochtervennootschap te regelen van goederen, rechten en verplichtingen die betrekking hebben op de activiteiten van de NMBS inzake vervoer per spoor van reizigers en goederen, en deze inbreng te onderwerpen aan het stelsel van overdracht onder algemene titel;
4° de terbeschikkingstelling van personeel van de NMBS aan de in 1° bedoelde dochtervennootschap te regelen, met inachtneming van de uniciteit van sociale dialoog binnen de NMBS, mits voorafgaand akkoord van de Nationale Paritaire Commissie bedoeld in artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 tot oprichting van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, gegeven met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen;
5° te zorgen voor de fiscale neutraliteit van de verrichtingen bedoeld in 1° tot 4°;
6° de wettelijke bepalingen met betrekking tot opdrachten van openbare dienst van de NMBS, de financiering ervan en de samenstelling en de werking van haar bestuursorganen te wijzigen, aan te vullen, te vervangen of op te heffen ingevolge de in dit artikel beoogde reorganisatie en, in het algemeen, het kader van de activiteiten van de NMBS te bepalen, inzonderheid activiteiten op het gebied van veiligheid en bewaking, de gemeenschappelijke diensten verleend door de NMBS ten behoeve van de ondernemingen waarin zij een deelneming bezit, en haar overige financiële en operationele activiteiten;
7° de woorden " Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen " of " NMBS " te vervangen door de naam van de in 1° bedoelde dochtervennootschap in wettelijke en reglementaire bepalingen die betrekking hebben op de entiteit van publiek recht die de activiteiten uitoefent bedoeld in artikel 156, 1° en 4°, van voornoemde wet van 21 maart 1991.
1° de dochtervennootschap, door de NMBS overeenkomstig artikel 13 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven opgericht met als doel het vervoer per spoor van reizigers en goederen, in te delen bij de autonome overheidsbedrijven onderworpen aan dezelfde wet, en deze dochtervennootschap om te vormen in naamloze vennootschap van publiek recht;
2° de opdrachten van openbare dienst van de in 1° bedoelde dochtervennootschap en de financiering ervan vast te stellen en de bepalingen van voornoemde wet van 21 maart 1991 aan te passen aan de eigen uitbatingsvoorwaarden van deze dochtervennootschap;
3° de inbreng in de in 1° bedoelde dochtervennootschap te regelen van goederen, rechten en verplichtingen die betrekking hebben op de activiteiten van de NMBS inzake vervoer per spoor van reizigers en goederen, en deze inbreng te onderwerpen aan het stelsel van overdracht onder algemene titel;
4° de terbeschikkingstelling van personeel van de NMBS aan de in 1° bedoelde dochtervennootschap te regelen, met inachtneming van de uniciteit van sociale dialoog binnen de NMBS, mits voorafgaand akkoord van de Nationale Paritaire Commissie bedoeld in artikel 13 van de wet van 23 juli 1926 tot oprichting van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, gegeven met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen;
5° te zorgen voor de fiscale neutraliteit van de verrichtingen bedoeld in 1° tot 4°;
6° de wettelijke bepalingen met betrekking tot opdrachten van openbare dienst van de NMBS, de financiering ervan en de samenstelling en de werking van haar bestuursorganen te wijzigen, aan te vullen, te vervangen of op te heffen ingevolge de in dit artikel beoogde reorganisatie en, in het algemeen, het kader van de activiteiten van de NMBS te bepalen, inzonderheid activiteiten op het gebied van veiligheid en bewaking, de gemeenschappelijke diensten verleend door de NMBS ten behoeve van de ondernemingen waarin zij een deelneming bezit, en haar overige financiële en operationele activiteiten;
7° de woorden " Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen " of " NMBS " te vervangen door de naam van de in 1° bedoelde dochtervennootschap in wettelijke en reglementaire bepalingen die betrekking hebben op de entiteit van publiek recht die de activiteiten uitoefent bedoeld in artikel 156, 1° en 4°, van voornoemde wet van 21 maart 1991.
Art.53. Afin de réorganiser les activités de la Société nationale des Chemins de fer belges (ci-après dénommée la " SNCB "), le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, prendre toutes les mesures utiles en vue :
1° de classer la filiale constituée par la SNCB sur base de l'article 13 de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques et ayant pour objet le transport ferroviaire de voyageurs et de marchandises parmi les entreprises publiques autonomes soumises à la même loi et de transformer cette filiale en société anonyme de droit public;
2° de définir les missions de service public de la filiale visée au 1° et leur financement et d'adapter les dispositions de la loi du 21 mars 1991 précitée aux conditions d'exploitation propres de cette filiale;
3° de régler l'apport à la filiale visée au 1° de biens, droits et obligations se rapportant aux activités de transport ferroviaire de voyageurs et de marchandises de la SNCB et de soumettre cet apport au régime de transfert universel;
4° de régler la mise à disposition de personnel de la SNCB à la filiale visée au 1°, dans le respect de l'unicité du dialogue social au sein de la SNCB, moyennant accord préalable de la Commission paritaire nationale visée à l'article 13 de la loi du 23 juillet 1926 portant création de la Société nationale des Chemins de fer belges, donné à la majorite des deux tiers des voix exprimées;
5° d'assurer la neutralité fiscale des opérations visées aux 1° à 4°;
6° de modifier, compléter, remplacer ou abroger les dispositions légales relatives aux missions de service public de la SNCB, à leur financement et à la composition et au fonctionnement des organes de gestion de celle-ci en fonction de la réorganisation visée par le présent article et, de manière générale, de régler le cadre des activités de la SNCB, notamment les activités dans le domaine de la sécurité et du gardiennage, les services communs rendus par la SNCB au profit des entreprises dans lesquelles elle détient une participation et ses autres activités financières et opérationnelles;
7° de remplacer les mots " Société nationale des Chemins de fer belges " ou " SNCB " par la dénomination de la filiale visée au 1° dans des dispositions légales et réglementaires qui visent l'entité de droit public exerçant les activités visées à l'article 156, 1° et 4°, de la loi du 21 mars 1991 précitée.
1° de classer la filiale constituée par la SNCB sur base de l'article 13 de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques et ayant pour objet le transport ferroviaire de voyageurs et de marchandises parmi les entreprises publiques autonomes soumises à la même loi et de transformer cette filiale en société anonyme de droit public;
2° de définir les missions de service public de la filiale visée au 1° et leur financement et d'adapter les dispositions de la loi du 21 mars 1991 précitée aux conditions d'exploitation propres de cette filiale;
3° de régler l'apport à la filiale visée au 1° de biens, droits et obligations se rapportant aux activités de transport ferroviaire de voyageurs et de marchandises de la SNCB et de soumettre cet apport au régime de transfert universel;
4° de régler la mise à disposition de personnel de la SNCB à la filiale visée au 1°, dans le respect de l'unicité du dialogue social au sein de la SNCB, moyennant accord préalable de la Commission paritaire nationale visée à l'article 13 de la loi du 23 juillet 1926 portant création de la Société nationale des Chemins de fer belges, donné à la majorite des deux tiers des voix exprimées;
5° d'assurer la neutralité fiscale des opérations visées aux 1° à 4°;
6° de modifier, compléter, remplacer ou abroger les dispositions légales relatives aux missions de service public de la SNCB, à leur financement et à la composition et au fonctionnement des organes de gestion de celle-ci en fonction de la réorganisation visée par le présent article et, de manière générale, de régler le cadre des activités de la SNCB, notamment les activités dans le domaine de la sécurité et du gardiennage, les services communs rendus par la SNCB au profit des entreprises dans lesquelles elle détient une participation et ses autres activités financières et opérationnelles;
7° de remplacer les mots " Société nationale des Chemins de fer belges " ou " SNCB " par la dénomination de la filiale visée au 1° dans des dispositions légales et réglementaires qui visent l'entité de droit public exerçant les activités visées à l'article 156, 1° et 4°, de la loi du 21 mars 1991 précitée.
Art.54. In artikel 161ter van voornoemde wet van 21 maart 1991, ingevoegd bij de wet van 22 maart 2002 en gewijzigd bij de wet van 24 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 5, eerste lid, 3°, worden de woorden " die zijn aangesloten bij een interprofessionele organisatie die zetelt in de Nationale Arbeidsraad " vervangen door de woorden " zetelend in de Nationale Paritaire Commissie ";
2° § 5, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
" De zetels worden aan deze vakorganisaties toegewezen overeenkomstig hun respectieve vertegenwoordiging in de Nationale Paritaire Commissie opgericht bij de NMBS. ";
3° § 5, derde lid, wordt opgeheven;
4° er wordt een § 5bis ingevoegd, luidende :
" § 5bis. Tot de telling in 2008 vertegenwoordigen de zes leden bedoeld in § 5, eerste lid, 3°, de vakorganisaties die aangesloten zijn bij een interprofessionele organisatie die zetelt in de Nationale Arbeidsraad.
De toewijzing van het aantal zetels aan deze vakorganisaties gebeurt in functie van hun respectieve vertegenwoordiging binnen de NMBS.
Elk van de drie vakorganisaties heeft ten minste één vertegenwoordiger.
Het derde tot zesde lid van § 5 zijn van toepassing op deze leden. ";
5° § 6, eerste lid, 2°, wordt vervangen als volgt :
" 2° in overleg met het oriënteringscomité, het uitbrengen van een advies voorafgaand aan het afsluiten van het beheerscontract van de onderneming, en de opvolging van de uitvoering van dit beheerscontract; ";
6° § 6, eerste lid, 4°, wordt aangevuld als volgt :
" op voorwaarde dat deze beslissingen invloed hebben op lange termijn ";
7° in § 6 wordt het volgende lid ingevoegd tussen het eerste en het tweede lid :
" In afwijking van het eerste lid, geeft het strategisch comité geen advies over wat in de Nationale Paritaire Commissie werd beslist in aangelegenheden die voorwerp zijn van een sociaal akkoord. ".
1° in § 5, eerste lid, 3°, worden de woorden " die zijn aangesloten bij een interprofessionele organisatie die zetelt in de Nationale Arbeidsraad " vervangen door de woorden " zetelend in de Nationale Paritaire Commissie ";
2° § 5, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
" De zetels worden aan deze vakorganisaties toegewezen overeenkomstig hun respectieve vertegenwoordiging in de Nationale Paritaire Commissie opgericht bij de NMBS. ";
3° § 5, derde lid, wordt opgeheven;
4° er wordt een § 5bis ingevoegd, luidende :
" § 5bis. Tot de telling in 2008 vertegenwoordigen de zes leden bedoeld in § 5, eerste lid, 3°, de vakorganisaties die aangesloten zijn bij een interprofessionele organisatie die zetelt in de Nationale Arbeidsraad.
De toewijzing van het aantal zetels aan deze vakorganisaties gebeurt in functie van hun respectieve vertegenwoordiging binnen de NMBS.
Elk van de drie vakorganisaties heeft ten minste één vertegenwoordiger.
Het derde tot zesde lid van § 5 zijn van toepassing op deze leden. ";
5° § 6, eerste lid, 2°, wordt vervangen als volgt :
" 2° in overleg met het oriënteringscomité, het uitbrengen van een advies voorafgaand aan het afsluiten van het beheerscontract van de onderneming, en de opvolging van de uitvoering van dit beheerscontract; ";
6° § 6, eerste lid, 4°, wordt aangevuld als volgt :
" op voorwaarde dat deze beslissingen invloed hebben op lange termijn ";
7° in § 6 wordt het volgende lid ingevoegd tussen het eerste en het tweede lid :
" In afwijking van het eerste lid, geeft het strategisch comité geen advies over wat in de Nationale Paritaire Commissie werd beslist in aangelegenheden die voorwerp zijn van een sociaal akkoord. ".
Art.54. A l'article 161ter de la loi du 21 mars 1991 précitée, inséré par la loi du 22 mars 2002 et modifié par la loi du 24 décembre 2002, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 5, alinéa 1er, 3°, les mots " affiliées à une organisation interprofessionnelle siégeant au Conseil national du travail " sont remplacés par les mots " siégeant à la Commission paritaire nationale ";
2° le § 5, alinéa 2, est remplacé par la disposition suivante :
" L'attribution du nombre de sièges à ces organisations des travailleurs est faite en fonction de leur représentation respective au sein de la Commission paritaire nationale instituée au sein de la SNCB. ";
3° le § 5, alinéa 3, est abrogé;
4° il est inséré un § 5bis, rédigé comme suit :
" § 5bis. Jusqu'au comptage en 2008, les six membres visés au § 5, alinéa 1er, 3°, représentent les organisations des travailleurs affiliées à une organisation interprofessionnelle siégeant au Conseil national du travail.
L'attribution du nombre de sièges à ces organisations des travailleurs est faite en fonction de leur représentation respective au sein de la SNCB.
Chacune des trois organisations des travailleurs aura au minimum un représentant.
Les alinéas 3 à 6 du § 5 sont applicables à ces membres. ";
5° le § 6, alinéa 1er, 2°, est remplacé par la disposition suivante :
" 2° en concertation avec le comité d'orientation, rendre un avis préalable à la conclusion du contrat de gestion de l'entreprise et assurer le suivi de l'exécution de ce contrat de gestion; ";
6° le § 6, alinéa 1er, 4°, est complété comme suit :
" à condition que ces décisions aient un impact à long terme ";
7° au § 6, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, le comité stratégique ne donnera pas d'avis sur ce qui a été décidé en Commission paritaire nationale sur les matières faisant l'objet d'un accord social. ".
1° au § 5, alinéa 1er, 3°, les mots " affiliées à une organisation interprofessionnelle siégeant au Conseil national du travail " sont remplacés par les mots " siégeant à la Commission paritaire nationale ";
2° le § 5, alinéa 2, est remplacé par la disposition suivante :
" L'attribution du nombre de sièges à ces organisations des travailleurs est faite en fonction de leur représentation respective au sein de la Commission paritaire nationale instituée au sein de la SNCB. ";
3° le § 5, alinéa 3, est abrogé;
4° il est inséré un § 5bis, rédigé comme suit :
" § 5bis. Jusqu'au comptage en 2008, les six membres visés au § 5, alinéa 1er, 3°, représentent les organisations des travailleurs affiliées à une organisation interprofessionnelle siégeant au Conseil national du travail.
L'attribution du nombre de sièges à ces organisations des travailleurs est faite en fonction de leur représentation respective au sein de la SNCB.
Chacune des trois organisations des travailleurs aura au minimum un représentant.
Les alinéas 3 à 6 du § 5 sont applicables à ces membres. ";
5° le § 6, alinéa 1er, 2°, est remplacé par la disposition suivante :
" 2° en concertation avec le comité d'orientation, rendre un avis préalable à la conclusion du contrat de gestion de l'entreprise et assurer le suivi de l'exécution de ce contrat de gestion; ";
6° le § 6, alinéa 1er, 4°, est complété comme suit :
" à condition que ces décisions aient un impact à long terme ";
7° au § 6, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, le comité stratégique ne donnera pas d'avis sur ce qui a été décidé en Commission paritaire nationale sur les matières faisant l'objet d'un accord social. ".
Art.55. In artikel 457, § 1, tweede lid, van de programmawet van 22 december 2003, worden de woorden " mits voorafgaand overleg met de Nationale Paritaire Commissie van de NMBS " vervangen door de woorden " mits voorafgaand akkoord van de Nationale Paritaire Commissie van de NMBS, gegeven met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen ".
Art.55. A l'article 457, § 1er, alinéa 2, de la loi-programme du 22 décembre 2003, les mots " moyennant concertation préalable avec la Commission paritaire nationale de la SNCB " sont remplacés par les mots " moyennant accord préalable de la Commission paritaire nationale de la SNCB, donné à la majorité des deux tiers des voix exprimées ".
Afdeling III. - Spoorweginfrastructuur.
Section III. - Infrastructure ferroviaire.
Art.56. In voornoemde wet van 21 maart 1991 wordt een artikel 199bis ingevoegd, luidende :
" Art. 199bis. - § 1. Binnen Infrabel worden de taken bedoeld in artikel 199, § 1, 4° en 5°, opgedragen aan een gespecialiseerde dienst die rechtstreeks afhangt van het directiecomité.
§ 2. De leden van de in § 1 bedoelde dienst zijn gebonden door het beroepsgeheim en mogen de vertrouwelijke commerciële informatie die hun door de spoorwegondernemingen of groeperingen van dergelijke ondernemingen worden meegedeeld in het kader van de toewijzing van de spoorweginfrastrucuurcapaciteiten, niet onthullen aan welke persoon ook.
Het in het eerste lid bedoelde verbod doet evenwel geen afbreuk aan de mededeling van vertrouwelijke informatie :
1° aan entiteiten of organismen die bevoegd zijn voor de toewijzing van de spoorweginfrastructuurcapaciteiten in andere Lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de samenwerking bedoeld in artikel 15 van richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering;
2° aan de Belgische toezichthoudende instantie in de zin van artikel 30 van dezelfde richtlijn;
3° tijdens een getuigenis in rechte;
4° in het kader van beroepsprocedures tegen de handelingen en beslissingen van Infrabel inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit;
5° in beknopte of samengevoegde vorm zodat ondernemingen of groeperingen niet individueel kunnen worden geïdentificeerd.
§ 3. De inbreuken op § 2 worden gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek. De bepalingen van het eerste boek van hetzelfde Wetboek zijn, zonder uitzondering van hoofdstuk VII en van artikel 85, van toepassing op deze inbreuken. ".
" Art. 199bis. - § 1. Binnen Infrabel worden de taken bedoeld in artikel 199, § 1, 4° en 5°, opgedragen aan een gespecialiseerde dienst die rechtstreeks afhangt van het directiecomité.
§ 2. De leden van de in § 1 bedoelde dienst zijn gebonden door het beroepsgeheim en mogen de vertrouwelijke commerciële informatie die hun door de spoorwegondernemingen of groeperingen van dergelijke ondernemingen worden meegedeeld in het kader van de toewijzing van de spoorweginfrastrucuurcapaciteiten, niet onthullen aan welke persoon ook.
Het in het eerste lid bedoelde verbod doet evenwel geen afbreuk aan de mededeling van vertrouwelijke informatie :
1° aan entiteiten of organismen die bevoegd zijn voor de toewijzing van de spoorweginfrastructuurcapaciteiten in andere Lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de samenwerking bedoeld in artikel 15 van richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering;
2° aan de Belgische toezichthoudende instantie in de zin van artikel 30 van dezelfde richtlijn;
3° tijdens een getuigenis in rechte;
4° in het kader van beroepsprocedures tegen de handelingen en beslissingen van Infrabel inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit;
5° in beknopte of samengevoegde vorm zodat ondernemingen of groeperingen niet individueel kunnen worden geïdentificeerd.
§ 3. De inbreuken op § 2 worden gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek. De bepalingen van het eerste boek van hetzelfde Wetboek zijn, zonder uitzondering van hoofdstuk VII en van artikel 85, van toepassing op deze inbreuken. ".
Art.56. Un article 199bis, rédigé comme suit, est inséré dans la loi du 21 mars 1991 précitée :
" Art. 199bis. - § 1er. Au sein d'Infrabel, les tâches visées à l'article 199, § 1er, 4° et 5°, sont confiées à un service spécialisé dépendant directement du comité de direction.
§ 2. Les membres du service visé au § 1er sont tenus au secret professionnel et ne peuvent divulguer à quelque personne que ce soit les informations commerciales confidentielles qui leur sont communiquées par des entreprises ferroviaires ou regroupements de telles entreprises dans le cadre de la répartition des capacités de l'infrastructure ferroviaire.
L'interdiction énoncée à l'alinéa 1er ne fait cependant pas obstacle à la communication d'informations confidentielles :
1° à des entités ou organismes compétents pour la répartition des capacités de l'infrastructure ferroviaire dans d'autres Etats membres de l'Union européenne, dans le cadre de la coopération prévue à l'article 15 de la directive 2001/14/CE du Parlement européen et du Conseil du 26 février 2001 concernant la répartition des capacités d'infrastructure ferroviaire, la tarification de l'infrastructure ferroviaire et la certification en matière de sécurité;
2° à l'organisme de contrôle belge au sens de l'article 30 de la même directive;
3° lors d'un témoignage en justice;
4° dans le cadre de recours contre les actes et décisions d'Infrabel en matière de répartition des capacités de l'infrastructure ferroviaire;
5° sous une forme sommaire ou agrégée de façon que des entreprises ou regroupements individuels ne puissent pas être identifiés.
§ 3. Les infractions au § 2 sont punies des peines prévues à l'article 458 du Code pénal. Les dispositions du livre premier du même Code, sans exception du chapitre VII et de l'article 85, sont applicables à ces infractions. ".
" Art. 199bis. - § 1er. Au sein d'Infrabel, les tâches visées à l'article 199, § 1er, 4° et 5°, sont confiées à un service spécialisé dépendant directement du comité de direction.
§ 2. Les membres du service visé au § 1er sont tenus au secret professionnel et ne peuvent divulguer à quelque personne que ce soit les informations commerciales confidentielles qui leur sont communiquées par des entreprises ferroviaires ou regroupements de telles entreprises dans le cadre de la répartition des capacités de l'infrastructure ferroviaire.
L'interdiction énoncée à l'alinéa 1er ne fait cependant pas obstacle à la communication d'informations confidentielles :
1° à des entités ou organismes compétents pour la répartition des capacités de l'infrastructure ferroviaire dans d'autres Etats membres de l'Union européenne, dans le cadre de la coopération prévue à l'article 15 de la directive 2001/14/CE du Parlement européen et du Conseil du 26 février 2001 concernant la répartition des capacités d'infrastructure ferroviaire, la tarification de l'infrastructure ferroviaire et la certification en matière de sécurité;
2° à l'organisme de contrôle belge au sens de l'article 30 de la même directive;
3° lors d'un témoignage en justice;
4° dans le cadre de recours contre les actes et décisions d'Infrabel en matière de répartition des capacités de l'infrastructure ferroviaire;
5° sous une forme sommaire ou agrégée de façon que des entreprises ou regroupements individuels ne puissent pas être identifiés.
§ 3. Les infractions au § 2 sont punies des peines prévues à l'article 458 du Code pénal. Les dispositions du livre premier du même Code, sans exception du chapitre VII et de l'article 85, sont applicables à ces infractions. ".
Art.57. In artikel 452, § 1, 1°, van de programmawet van 22 december 2003 worden de woorden " in de verrichting bedoeld in artikel 454, § 1 " vervangen door de woorden " in voorkomend geval ".
Art.57. A l'article 452, § 1er, 1°, de la loi-programme du 22 décembre 2003, les mots " dans l'opération visée à l'article 454, § 1er " sont remplacés par les mots " le cas échéant ".
Art.58. Om de verwezenlijking te bevorderen van een publiek-privaat samenwerkingsproject voor de aanleg, de financiering en de exploitatie van de uitbreiding van het spoorwegnet dat de luchthaven Brussel-Nationaal met het bestaande net verbindt, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad, alle nodige maatregelen nemen teneinde :
1° de vestiging ten behoeve van de exploitatievennootschap te regelen van zakelijke rechten op onroerende goederen die toebehoren aan de Staat, het Fonds voor spoorweginfrastructuur, de NMBS of Brussels International Airport Company, de voorafgaande desaffectatie van deze onroerende goederen, alsmede de overdracht van de betrokken spoorweginfrastructuur aan het Fonds voor spoorweginfrastructuur of aan Infrabel na afloop van de exploitatierechten van de exploitatievennootschap;
2° de betaling aan de exploitatievennootschap te regelen van een heffing ten laste van Infrabel alsook van een heffing die de betrokken spoorwegondernemingen moeten innen op tickets van of naar de luchthaven Brussel-Nationaal;
3° waarborgen te verlenen aan de exploitatievennootschap met betrekking tot de verwezenlijking en de financiering, via het Fonds voor spoorweginfrastructuur of Infrabel, van complementaire werken, inzonderheid de verbinding naar Mechelen en de terugweg naar Brussel via de centrale berm van de E19;
4° een gepaste administratieve controle te organiseren op het beheer, de financiering en de uitvoering van het project.
1° de vestiging ten behoeve van de exploitatievennootschap te regelen van zakelijke rechten op onroerende goederen die toebehoren aan de Staat, het Fonds voor spoorweginfrastructuur, de NMBS of Brussels International Airport Company, de voorafgaande desaffectatie van deze onroerende goederen, alsmede de overdracht van de betrokken spoorweginfrastructuur aan het Fonds voor spoorweginfrastructuur of aan Infrabel na afloop van de exploitatierechten van de exploitatievennootschap;
2° de betaling aan de exploitatievennootschap te regelen van een heffing ten laste van Infrabel alsook van een heffing die de betrokken spoorwegondernemingen moeten innen op tickets van of naar de luchthaven Brussel-Nationaal;
3° waarborgen te verlenen aan de exploitatievennootschap met betrekking tot de verwezenlijking en de financiering, via het Fonds voor spoorweginfrastructuur of Infrabel, van complementaire werken, inzonderheid de verbinding naar Mechelen en de terugweg naar Brussel via de centrale berm van de E19;
4° een gepaste administratieve controle te organiseren op het beheer, de financiering en de uitvoering van het project.
Art.58. Afin de faciliter la mise en oeuvre d'un partenariat public-privé pour la construction, le financement et l'exploitation de l'extension du réseau ferroviaire reliant l'aéroport de Bruxelles-National au réseau existant, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, prendre toutes les mesures utiles en vue :
1° de régler la constitution de droits réels sur des biens immeubles appartenant à l'Etat, au Fonds de l'infrastructure ferroviaire, à la SNCB ou à Brussels International Airport Company en faveur de la société d'exploitation, la désaffectation préalable de ces biens immeubles ainsi que le transfert de l'infrastructure ferroviaire en question au Fonds de l'infrastructure ferroviaire ou à Infrabel à l'expiration des droits d'exploitation de la société d'exploitation;
2° de régler le paiement à la société d'exploitation d'une redevance à charge d'Infrabel ainsi que d'une redevance à percevoir par les entreprises ferroviaires concernées sur des billets au départ ou à destination de l'aéroport de Bruxelles-National;
3° de donner des assurances à la société d'exploitation quant à la réalisation et au financement, par le Fonds de l'infrastructure ferroviaire ou Infrabel, de travaux complémentaires, notamment du lien vers Malines et du retour vers Bruxelles via la berme centrale de l'E19;
4° d'organiser un contrôle administratif approprié sur la gestion, le financement et l'exécution du projet.
1° de régler la constitution de droits réels sur des biens immeubles appartenant à l'Etat, au Fonds de l'infrastructure ferroviaire, à la SNCB ou à Brussels International Airport Company en faveur de la société d'exploitation, la désaffectation préalable de ces biens immeubles ainsi que le transfert de l'infrastructure ferroviaire en question au Fonds de l'infrastructure ferroviaire ou à Infrabel à l'expiration des droits d'exploitation de la société d'exploitation;
2° de régler le paiement à la société d'exploitation d'une redevance à charge d'Infrabel ainsi que d'une redevance à percevoir par les entreprises ferroviaires concernées sur des billets au départ ou à destination de l'aéroport de Bruxelles-National;
3° de donner des assurances à la société d'exploitation quant à la réalisation et au financement, par le Fonds de l'infrastructure ferroviaire ou Infrabel, de travaux complémentaires, notamment du lien vers Malines et du retour vers Bruxelles via la berme centrale de l'E19;
4° d'organiser un contrôle administratif approprié sur la gestion, le financement et l'exécution du projet.
Afdeling IV. - Gemeenschappelijke bepalingen.
Section IV. - Dispositions communes.
Art.59. § 1. De besluiten die krachtens de artikelen 53 en 58 worden genomen, kunnen de van kracht zijnde wettelijke bepalingen wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
§ 2. De besluiten bedoeld in § 1 houden op uitwerking te hebben indien zij niet bij wet zijn bekrachtigd binnen twaalf maanden na de datum van hun inwerkingtreding. De bekrachtiging heeft terugwerkende kracht tot op deze datum.
§ 3. De bevoegdheden die door dit artikel aan de Koning worden opgedragen, vervallen op 31 januari 2005. Na deze datum kunnen de besluiten die krachtens deze bevoegdheden zijn genomen, alleen bij wet worden gewijzigd, aangevuld, vervangen of opgeheven.
§ 2. De besluiten bedoeld in § 1 houden op uitwerking te hebben indien zij niet bij wet zijn bekrachtigd binnen twaalf maanden na de datum van hun inwerkingtreding. De bekrachtiging heeft terugwerkende kracht tot op deze datum.
§ 3. De bevoegdheden die door dit artikel aan de Koning worden opgedragen, vervallen op 31 januari 2005. Na deze datum kunnen de besluiten die krachtens deze bevoegdheden zijn genomen, alleen bij wet worden gewijzigd, aangevuld, vervangen of opgeheven.
Art.59. § 1er. Les arrêtés pris en vertu des articles 53 et 58 peuvent modifier, compléter, remplacer ou abroger les dispositions légales en vigueur.
§ 2. Les arrêtés visés au § 1er cessent de produire leurs effets s'ils n'ont pas été confirmés par la loi dans les douze mois de leur date d'entrée en vigueur. La confirmation rétroagit à cette dernière date.
§ 3. Les pouvoirs accordés au Roi par le présent article expirent le 31 janvier 2005. Après cette date, les arrêtés pris en vertu de ces pouvoirs ne peuvent être modifiés, complétés, remplacés ou abrogés que par une loi.
§ 2. Les arrêtés visés au § 1er cessent de produire leurs effets s'ils n'ont pas été confirmés par la loi dans les douze mois de leur date d'entrée en vigueur. La confirmation rétroagit à cette dernière date.
§ 3. Les pouvoirs accordés au Roi par le présent article expirent le 31 janvier 2005. Après cette date, les arrêtés pris en vertu de ces pouvoirs ne peuvent être modifiés, complétés, remplacés ou abrogés que par une loi.
Art.60. In artikel 465, § 3, van de programmawet van 22 december 2003 worden de woorden " 31 oktober 2004 " vervangen door de woorden " 31 januari 2005 ".
Art.60. A l'article 465, § 3, de la loi-programme du 22 décembre 2003, les mots " 31 octobre 2004 " sont remplacés par les mots " 31 janvier 2005 ".
HOOFDSTUK III. - Veiligheid bij de spoorwegen.
CHAPITRE III. - Sécurité dans les chemins de fer.
Art.61. Artikel 10, eerste lid, van de wet van 25 juli 1891 houdende herziening der wet van 15 april 1843 op de politie der spoorwegen, vervangen bij de wet van 3 mei 1999 en gewijzigd bij de wet van 2 augustus 2002, wordt vervangen als volgt :
" Onverminderd de bevoegdheden van de personeelsleden van de politiediensten, zien de door de Koning aangewezen en te dien einde beëdigde statutaire personeelsleden van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, met uitzondering van degenen die deel uitmaken van de interne bewakingsdienst, en ambtenaren van het bestuur dat bevoegd is voor het spoorwegvervoer, toe op de naleving van deze wet, van de wet van 12 april 1835 rakende de tolrechten en de reglementen van politie nopens de ijzeren weg en van hun uitvoeringsbesluiten. ".
" Onverminderd de bevoegdheden van de personeelsleden van de politiediensten, zien de door de Koning aangewezen en te dien einde beëdigde statutaire personeelsleden van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, met uitzondering van degenen die deel uitmaken van de interne bewakingsdienst, en ambtenaren van het bestuur dat bevoegd is voor het spoorwegvervoer, toe op de naleving van deze wet, van de wet van 12 april 1835 rakende de tolrechten en de reglementen van politie nopens de ijzeren weg en van hun uitvoeringsbesluiten. ".
Art.61. L'article 10, alinéa 1er, de la loi du 25 juillet 1891 révisant la loi du 15 avril 1843 sur la police des chemins de fer, remplacé par la loi du 3 mai 1999 et modifié par la loi du 2 août 2002, est remplacé par la disposition suivante :
" Sans préjudice des compétences des agents des services de police, les agents statutaires de la Société Nationale des Chemins de fer Belges, à l'exclusion de ceux qui font partie du service interne de gardiennage, et les fonctionnaires de l'administration compétente pour le transport ferroviaire, désignés par le Roi et assermentés à cette fin, sont chargés de veiller au respect de la présente loi, de la loi du 12 avril 1835 concernant les péages et règlements de police sur les chemins de fer et de leurs arrêtés d'exécution. ".
" Sans préjudice des compétences des agents des services de police, les agents statutaires de la Société Nationale des Chemins de fer Belges, à l'exclusion de ceux qui font partie du service interne de gardiennage, et les fonctionnaires de l'administration compétente pour le transport ferroviaire, désignés par le Roi et assermentés à cette fin, sont chargés de veiller au respect de la présente loi, de la loi du 12 avril 1835 concernant les péages et règlements de police sur les chemins de fer et de leurs arrêtés d'exécution. ".
Art.62. Artikel 15 van dezelfde wet, opgeheven door de wet van 3 mei 1999, wordt hersteld in de volgende lezing :
" Art. 15. - Onverminderd de door de wet voorziene hoofdstraffen, kan de rechter de toegang tot het geheel of een gedeelte van de exploitaties van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen ontzeggen, voor een periode van maximaal vijftien dagen, aan de persoon die schuldig wordt bevonden aan een inbreuk op de artikelen 327 tot 330, op een der artikelen van Boek II, Titel VIII, of op de artikelen 461, 463 en 466 tot 476 van het Strafwetboek, gepleegd in een trein, een station of aanhorigheid van deze.
In geval van wettelijke herhaling bedraagt de in het vorige lid bepaalde verbodsperiode maximaal zes maanden. ".
" Art. 15. - Onverminderd de door de wet voorziene hoofdstraffen, kan de rechter de toegang tot het geheel of een gedeelte van de exploitaties van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen ontzeggen, voor een periode van maximaal vijftien dagen, aan de persoon die schuldig wordt bevonden aan een inbreuk op de artikelen 327 tot 330, op een der artikelen van Boek II, Titel VIII, of op de artikelen 461, 463 en 466 tot 476 van het Strafwetboek, gepleegd in een trein, een station of aanhorigheid van deze.
In geval van wettelijke herhaling bedraagt de in het vorige lid bepaalde verbodsperiode maximaal zes maanden. ".
Art.62. L'article 15 de la même loi, abrogé par la loi du 3 mai 1999, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Art. 15. - Sans préjudice des peines principales prévues par la loi, le juge peut interdire l'accès à l'ensemble ou à une partie des exploitations de la Société Nationale des Chemins de fer Belges, pour une période de maximum quinze jours, à une personne déclarée coupable d'une infraction aux articles 327 à 330, à un des articles du Livre II, Titre VIII, ou aux articles 461, 463 et 466 à 476 du Code pénal, commise dans un train, une gare ou une de ses dépendances.
Dans le cas d'une récidive légale, la période d'interdiction déterminée dans l'alinéa précédent s'élève à maximum six mois. ".
" Art. 15. - Sans préjudice des peines principales prévues par la loi, le juge peut interdire l'accès à l'ensemble ou à une partie des exploitations de la Société Nationale des Chemins de fer Belges, pour une période de maximum quinze jours, à une personne déclarée coupable d'une infraction aux articles 327 à 330, à un des articles du Livre II, Titre VIII, ou aux articles 461, 463 et 466 à 476 du Code pénal, commise dans un train, une gare ou une de ses dépendances.
Dans le cas d'une récidive légale, la période d'interdiction déterminée dans l'alinéa précédent s'élève à maximum six mois. ".
HOOFDSTUK IV. - De Post.
CHAPITRE IV. - La Poste.
Afdeling I. - Staatswaarborg voor leningen aangegaan in het kader van de opdrachten van openbare dienst.
Section Ire. - Garantie de l'Etat pour emprunts contractés dans le cadre des missions de service public.
Art.63. De Koning kan, tegen de voorwaarden die Hij bepaalt en die voorzien in een marktconforme vergoeding, de staatswaarborg toekennen aan de verbintenissen van De Post, naamloze vennootschap van publiek recht, waarvan het bedrag 110 M EUR niet mag overschrijden, ter financiering van haar opdrachten van openbare dienst.
Art.63. Le Roi peut, aux conditions qu'Il détermine et qui prévoient une compensation conforme au prix du marché, accorder la garantie de l'Etat aux obligations de La Poste, société anonyme de droit public, dont le montant ne peut pas dépasser 110 M EUR, pour le financement de ses missions de service public.
Afdeling II. - Preferentiële tantièmes van de postmannen gedetacheerd bij de dochteronderneming van De Post, NV van publiek recht, waarin de uitreikingsactiviteit van de snelpost is ondergebracht.
Section II. - Tantièmes préférentiels des agents des postes détachés à la filiale de La Poste, SA de droit public, qui comporte les activités de distribution du courrier accéléré.
Art.64. Het punt IV van de bijlage bij de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen, vervangen door de wet van 3 februari 2003, wordt gewijzigd als volgt :
" IV. De Post of haar dochteronderneming waarin de activiteit inzake snelpost is ondergebracht ".
De linkerkolom van punt IV wordt gewijzigd als volgt :
" C. De postmannen gedetacheerd bij de dochteronderneming van De Post, NV van publiek recht, waarin de uitreikingsactiviteit inzake snelpost is ondergebracht. ".
" IV. De Post of haar dochteronderneming waarin de activiteit inzake snelpost is ondergebracht ".
De linkerkolom van punt IV wordt gewijzigd als volgt :
" C. De postmannen gedetacheerd bij de dochteronderneming van De Post, NV van publiek recht, waarin de uitreikingsactiviteit inzake snelpost is ondergebracht. ".
Art.64. Le point IV de l'annexe à la loi générale du 21 juillet 1844 sur les pensions civiles et ecclésiastiques, remplacée par la loi du 3 février 2003, est modifié comme suit :
" IV. La Poste ou sa filiale qui comporte l'activité du courrier accéléré ".
La colonne de gauche du point IV est modifiée comme suit :
" C. Les agents des postes détachés à la filiale de La Poste, SA de droit public, qui comporte l'activité de distribution du courrier accéléré. ".
" IV. La Poste ou sa filiale qui comporte l'activité du courrier accéléré ".
La colonne de gauche du point IV est modifiée comme suit :
" C. Les agents des postes détachés à la filiale de La Poste, SA de droit public, qui comporte l'activité de distribution du courrier accéléré. ".
Art.65. Artikel 64 treedt in werking vanaf het ogenblik dat de uitreikingsactiviteit inzake snelpost wordt ondergebracht in een dochteronderneming van De Post, NV van publiek recht.
Art.65. L'article 64 entre en vigueur dès que la filiale de La Poste, SA de droit public, comprend l'activité de distribution concernant le courrier accéléré.
HOOFDSTUK V. - [1 Proximus]1- Behandeling van het aanvullend pensioen : sociaal-culturele hulp ingevolge de overdracht van de pensioenverplichtingen aan de Schatkist.
CHAPITRE V. - [1 Proximus]1. - Traitement de la pension complémentaire : l'aide socio-culturelle suite au transfert des obligations sur le plan des pensions au Trésor.
Art.66. Vanaf 1 januari 2004 wordt de door [1 Proximus]1 NV van publiek recht uitbetaalde socio-culturele hulp niet beschouwd als een pensioen geldend voordeel voor de toepassing van de pensioenwetgeving.
In afwijking van de bepalingen in het voorgaande lid is de socio-culturele hulp onderworpen aan de inhouding voorzien in artikel 68 van de wet van 30 maart van 1994 houdende sociale bepalingen, en deze bedoeld in artikel 191, eerste lid, 7°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige zorgen en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
In afwijking van de bepalingen in het voorgaande lid is de socio-culturele hulp onderworpen aan de inhouding voorzien in artikel 68 van de wet van 30 maart van 1994 houdende sociale bepalingen, en deze bedoeld in artikel 191, eerste lid, 7°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige zorgen en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
Art.66. A partir du 1er janvier 2004, l'aide socio-culturelle payée par la SA de droit public [1 Proximus]1 n'est pas considérée comme un avantage tenant lieu de pension au sens de la législation en matière de pensions.
Par dérogation aux dispositions de l'alinéa précédent, l'aide socio-culturelle est soumise à la retenue prévue à l'article 68 de la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales, et qu'à celle prévue à l'article 191, alinéa 1er, 7°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.
Par dérogation aux dispositions de l'alinéa précédent, l'aide socio-culturelle est soumise à la retenue prévue à l'article 68 de la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales, et qu'à celle prévue à l'article 191, alinéa 1er, 7°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.
Art.67. Artikel 66 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2004.
Art.67. L'article 66 produit ses effets le 1er janvier 2004.
HOOFDSTUK VI. - BIAC. Bekrachtiging van de omvorming van BIAC.
CHAPITRE VI. - BIAC. Confirmation de la transformation de BIAC.
Art.68. Met uitzondering van de artikelen 5, §§ 2, 3 en 4 en 20, §§ 1, 3 en 5, wordt het koninklijk besluit van 27 mei 2004 betreffende de omzetting van BIAC in een naamloze vennootschap van privaatrecht en betreffende de luchthaveninstallaties bekrachtigd met ingang van de dag van zijn inwerkingtreding.
Art.68. A l'exception des articles 5, §§ 2, 3 et 4, et 20, §§ 1er, 3 et 5, l'arrête royal du 27 mai 2004 relatif à la transformation de BIAC en société anonyme de droit privé et aux installations aéroportuaires, est confirmé avec effet à la date de son entrée en vigueur.
Art.69. De Staat kan aandeelhoudersovereenkomsten sluiten met andere aandeelhouders van BIAC of van elke vennootschap of vereniging waarin de Staat aandelen of deelbewijzen bezit ingevolge een operatie bij wijze van ruil of inbreng in vennootschap van BIAC-aandelen. Bij de onderhandeling en het sluiten van deze aandeelhoudersovereenkomsten wordt de Staat vertegenwoordigd door de minister bevoegd voor overheidsbedrijven. De instemming van de Staat bij een aandeelhoudersovereenkomst vereist de goedkeuring door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad. Deze overeenkomsten kunnen inzonderheid de hierna volgende aangelegenheden regelen :
1° de vertegenwoordiging van de aandeelhouders binnen de bestuursorganen van BIAC of van de betrokken vennootschap of vereniging;
2° het vaststellen van bijzondere meerderheden voor het nemen van bepaalde strategische beslissingen;
3° het vaststellen van een wederzijds voorkooprecht op de aandelen of deelbewijzen van BIAC of van de betrokken vennootschap of vereniging evenals andere beperkingen op de verhandelbaarheid van effecten gehouden door de Staat;
4° het vaststellen van verkoop- of koopopties op de effecten gehouden door de Staat.
1° de vertegenwoordiging van de aandeelhouders binnen de bestuursorganen van BIAC of van de betrokken vennootschap of vereniging;
2° het vaststellen van bijzondere meerderheden voor het nemen van bepaalde strategische beslissingen;
3° het vaststellen van een wederzijds voorkooprecht op de aandelen of deelbewijzen van BIAC of van de betrokken vennootschap of vereniging evenals andere beperkingen op de verhandelbaarheid van effecten gehouden door de Staat;
4° het vaststellen van verkoop- of koopopties op de effecten gehouden door de Staat.
Art.69. L'Etat peut conclure des conventions d'actionnaires avec d'autres actionnaires de BIAC ou de toute société ou association dans laquelle l'Etat détiendrait des actions ou parts à la suite d'une opération d'échange ou d'apport en société d'actions BIAC. Dans la négociation et la conclusion de telles conventions d'actionnaires, l'Etat est représenté par le Ministre ayant les entreprises publiques dans ses attributions. L'accord de l'Etat à une convention d'actionnaires requiert l'approbation par le Roi, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres. Ces conventions peuvent en particulier régler les éléments suivants ci-après :
1° régler la représentation des actionnaires au sein des organes de gestion de BIAC ou de la société ou association en question;
2° la fixation de majorités spéciales pour l'adoption de certaines décisions stratégiques;
3° la fixation d'un droit de préemption réciproque portant sur les actions ou parts de BIAC ou de la société ou association en question ainsi que d'autres restrictions à la négociabilité des titres détenus par l'Etat;
4° la fixation des options de vente ou d'achat portant sur les titres détenus par l'Etat.
1° régler la représentation des actionnaires au sein des organes de gestion de BIAC ou de la société ou association en question;
2° la fixation de majorités spéciales pour l'adoption de certaines décisions stratégiques;
3° la fixation d'un droit de préemption réciproque portant sur les actions ou parts de BIAC ou de la société ou association en question ainsi que d'autres restrictions à la négociabilité des titres détenus par l'Etat;
4° la fixation des options de vente ou d'achat portant sur les titres détenus par l'Etat.
TITEL IV. - Economie, Energie en Telecommunicatie.
TITRE IV. - Economie, Energie et Télécommunications.
HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.
CHAPITRE Ier. - Modification de la loi du 21 novembre 1989 relative à l'assurance obligatoire de la responsabilité civile en matière de véhicules automoteurs.
Art.70. Artikel 6, § 1, derde en vierde lid, van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, wordt opgeheven.
Art.70. L'article 6, § 1er, alinéas 3 et 4, de la loi du 21 novembre 1989 relative à l'assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs, est abrogé.
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de wet van 21 mei 2003 tot wijziging van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst en de wet van 12 juni 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen.
CHAPITRE II. - Modification de la loi du 21 mai 2003 modifiant la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d'assurance terrestre et la loi du 12 juillet 1976 relative à la réparation de certains dommages causés à des biens privés par des catastrophes naturelles.
Art.71. In artikel 8, eerste lid, van de wet van 21 mei 2003 tot wijziging van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst en de wet van 12 juni 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen worden de woorden " artikel 67 van voornoemde wet van 25 juni 1992, zoals gewijzigd bij artikel 2 van deze wet, dat in werking treedt op 1 juli 2004 en " ingevoegd tussen de woorden " met uitzondering van " en de woorden " artikel 68-9 van voornoemde wet ".
Art.71. Dans l'article 8, alinéa 1er, de la loi du 21 mai 2003 modifiant la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d'assurance terrestre et la loi du 12 juin 1976 relative à la réparation de certains dommages causés à des biens privés par des catastrophes naturelles, les mots " de l'article 67 de la loi du 25 juin 1992 précitée, tel que modifié par l'article 2 de la présente loi, qui entre en vigueur le 1er juillet 2004 et " sont insérés entre les mots " à l'exception " et les mots " de l'article 68-9 de la loi ".
HOOFDSTUK III. - Wijziging van artikel 13 van de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij.
CHAPITRE III. - Modification de l'article 13 de la loi du 11 mars 2003 sur certains aspects juridiques des services de la société de l'information.
Art.72. Artikel 13, 1°, van de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, wordt vervangen als volgt :
" 1° onmiddellijk na de ontvangst ervan is de reclame, vanwege de globale indruk, met inbegrip van de presentatie, duidelijk als zodanig herkenbaar. Indien dit niet het geval is draagt zij leesbaar, goed zichtbaar en ondubbelzinnig de vermelding " reclame "; ".
" 1° onmiddellijk na de ontvangst ervan is de reclame, vanwege de globale indruk, met inbegrip van de presentatie, duidelijk als zodanig herkenbaar. Indien dit niet het geval is draagt zij leesbaar, goed zichtbaar en ondubbelzinnig de vermelding " reclame "; ".
Art.72. L'article 13, 1°, de la loi du 11 mars 2003 sur certains aspects juridiques des services de la société de l'information, est remplacé par la disposition suivante :
" 1° dès sa réception, la publicité, étant donné son effet global et y compris sa présentation, est clairement identifiable comme telle. A défaut, elle comporte la mention " publicité " de manière lisible, apparente et non équivoque; ".
" 1° dès sa réception, la publicité, étant donné son effet global et y compris sa présentation, est clairement identifiable comme telle. A défaut, elle comporte la mention " publicité " de manière lisible, apparente et non équivoque; ".
HOOFDSTUK IV. - Hervorming van het accreditatiesysteem.
CHAPITRE IV. - Réforme du système d'accréditation.
Art.73. Artikel 30, § 4, van de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen, gewijzigd bij de wet van 21 februari 1986, wordt opgeheven.
Dit artikel treedt in werking op een door de Koning te bepalen datum, en uiterlijk op de eerste dag van de 24e maand na die waarin deze wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Dit artikel treedt in werking op een door de Koning te bepalen datum, en uiterlijk op de eerste dag van de 24e maand na die waarin deze wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art.73. L'article 30, § 4, de la loi du 16 juin 1970 sur les unités, étalons et instruments de mesure, modifié par la loi du 21 février 1986, est abroge.
Le Roi fixe la date d'entrée en vigueur du présent article, au plus tard le 1er jour du 24e mois qui suit celui au cours duquel la présente loi est publiée au Moniteur belge.
Le Roi fixe la date d'entrée en vigueur du présent article, au plus tard le 1er jour du 24e mois qui suit celui au cours duquel la présente loi est publiée au Moniteur belge.
Art.74. Het opschrift van de wet van 20 juli 1990 betreffende de accreditatie van certificatie- en keuringsinstellingen alsmede van beproevingslaboratoria, wordt vervangen als volgt :
" Wet betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling ".
" Wet betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling ".
Art.74. L'intitulé de la loi du 20 juillet 1990 concernant l'accréditation des organismes de certification et de contrôle, ainsi que des laboratoires d'essais, est remplacé par l'intitulé suivant :
" Loi concernant l'accréditation des organismes d'évaluation de la conformité. ".
" Loi concernant l'accréditation des organismes d'évaluation de la conformité. ".
Art.75. Artikel 1 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
" Artikel 1. - § 1. Voor de toepassing van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan worden verstaan onder :
1° " Proef " : technische operatie die erin bestaat één of meerdere karakteristieken van een gegeven product, proces of dienst te bepalen volgens een gespecifieerde werkwijze;
2° " Kalibratie " : activiteit die tot doel heeft, onder welbepaalde omstandigheden, de relatie vast te leggen tussen de waarden van de grootheid aangeduid door een meettoestel, een meetsysteem of de waarden weergegeven door een stoffelijke maat of door een referentiemateriaal en de corresponderende waarden van de grootheid gerealiseerd door standaarden;
3° " Referentiemateriaal " : materiaal of substantie waarvan één of meerdere eigenschappen voldoende homogeen en welbepaald zijn om gebruikt te woorden voor de kalibratie van een toestel, de evaluatie van een meetmethode of voor de toekenning van waarden aan materialen;
4° " Geschiktheidsbeproeving " : evaluatie van de proef- of kalibratieprestaties van een laboratorium door middel van intervergelijkingen. Onder intervergelijking wordt verstaan de organisatie, uitvoering en evaluatie, in vooraf bepaalde voorwaarden, door tenminste twee verschillende laboratoria van proeven of kalibraties op identieke of gelijkaardige objecten;
5° " Keuring " : onderzoek van de conceptie van een product, een dienst, een proces of een installatie, en bepaling van hun overeenstemming met de specifieke eisen, of, op basis van een professioneel oordeel, met algemene eisen; het begrip " controle " moet als een synoniem van het begrip " keuring " worden beschouwd;
6° " Certificatie " : procedure waarbij een derde partij een schriftelijke waarborg geeft dat een product, een proces of een dienst in overeenstemming is met gespecificeerde eisen. Onder derde partij wordt verstaan een persoon of een instelling die voor wat betreft de betrokken materie als onafhankelijk van de betrokken partijen erkend is;
7° " Conformiteitsbeoordeling " : elke activiteit die erin bestaat rechtstreeks of onrechtstreeks te bepalen of aan de toepasselijke vereisten voldaan is;
8° " Accreditatie " : procedure waarbij een bevoegde instelling formeel erkent dat een instelling of een individu bekwaam is om specifieke taken uit te voeren;
9° " Beproevingslaboratorium " : instelling die overgaat tot de uitvoering van proeven;
10° " Kalibratielaboratorium " : instelling die overgaat tot de uitvoering van kalibraties;
11° " Producent van referentiematerialen " : technisch competente instelling (organisatie of bedrijf, publiek of privé) die volledig verantwoordelijk is voor de toewijzing van de gecertificeerde of andere eigenschappen van de referentiematerialen die zij produceert en verdeelt;
12° " Organisatoren van geschiktheidsbeproevingen " : instelling die geschiktheidsbeproevingen beheert;
13° " Keuringsinstelling " : instelling die overgaat tot de uitvoering van keuringen; het begrip " controle-instelling " moet als een synoniem van het begrip " inspectie-instelling " worden beschouwd;
14° " Certificatie-instelling " : instelling die certificaties uitvoert;
15° " Instelling voor de conformiteitsbeoordeling " : instelling wiens activiteiten erin bestaan conformiteitsbeoordelingen uit te voeren en die het voorwerp kan uitmaken van een accreditatie, uitgevoerd in overeenstemming met de eisen vastgelegd in normatieve documenten die op internationaal niveau erkend zijn;
16° " Accreditatiesysteem " : systeem met eigen beheer- en procedureregels om accreditaties uit te voeren.
§ 2. Worden hernomen onder de algemene benaming van " instellingen voor de conformiteitsbeoordeling " : beproevings- en kalibratielaboratoria, certificatie- en keuringsinstellingen, producenten van referentiematerialen en organisatoren van geschiktheidsbeproevingen.
§ 3. De Koning kan, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, andere types van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling bepalen die het voorwerp kunnen uitmaken van een accreditatie in overeenstemming met deze wet, wanneer er zich in een verder economisch en technisch evoluerende markt nog andere types van gelijkaardige instellingen manifesteren, waarvoor dan ook reeds op internationaal niveau goedgekeurde evaluatiecriteria bestaan. ".
" Artikel 1. - § 1. Voor de toepassing van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan worden verstaan onder :
1° " Proef " : technische operatie die erin bestaat één of meerdere karakteristieken van een gegeven product, proces of dienst te bepalen volgens een gespecifieerde werkwijze;
2° " Kalibratie " : activiteit die tot doel heeft, onder welbepaalde omstandigheden, de relatie vast te leggen tussen de waarden van de grootheid aangeduid door een meettoestel, een meetsysteem of de waarden weergegeven door een stoffelijke maat of door een referentiemateriaal en de corresponderende waarden van de grootheid gerealiseerd door standaarden;
3° " Referentiemateriaal " : materiaal of substantie waarvan één of meerdere eigenschappen voldoende homogeen en welbepaald zijn om gebruikt te woorden voor de kalibratie van een toestel, de evaluatie van een meetmethode of voor de toekenning van waarden aan materialen;
4° " Geschiktheidsbeproeving " : evaluatie van de proef- of kalibratieprestaties van een laboratorium door middel van intervergelijkingen. Onder intervergelijking wordt verstaan de organisatie, uitvoering en evaluatie, in vooraf bepaalde voorwaarden, door tenminste twee verschillende laboratoria van proeven of kalibraties op identieke of gelijkaardige objecten;
5° " Keuring " : onderzoek van de conceptie van een product, een dienst, een proces of een installatie, en bepaling van hun overeenstemming met de specifieke eisen, of, op basis van een professioneel oordeel, met algemene eisen; het begrip " controle " moet als een synoniem van het begrip " keuring " worden beschouwd;
6° " Certificatie " : procedure waarbij een derde partij een schriftelijke waarborg geeft dat een product, een proces of een dienst in overeenstemming is met gespecificeerde eisen. Onder derde partij wordt verstaan een persoon of een instelling die voor wat betreft de betrokken materie als onafhankelijk van de betrokken partijen erkend is;
7° " Conformiteitsbeoordeling " : elke activiteit die erin bestaat rechtstreeks of onrechtstreeks te bepalen of aan de toepasselijke vereisten voldaan is;
8° " Accreditatie " : procedure waarbij een bevoegde instelling formeel erkent dat een instelling of een individu bekwaam is om specifieke taken uit te voeren;
9° " Beproevingslaboratorium " : instelling die overgaat tot de uitvoering van proeven;
10° " Kalibratielaboratorium " : instelling die overgaat tot de uitvoering van kalibraties;
11° " Producent van referentiematerialen " : technisch competente instelling (organisatie of bedrijf, publiek of privé) die volledig verantwoordelijk is voor de toewijzing van de gecertificeerde of andere eigenschappen van de referentiematerialen die zij produceert en verdeelt;
12° " Organisatoren van geschiktheidsbeproevingen " : instelling die geschiktheidsbeproevingen beheert;
13° " Keuringsinstelling " : instelling die overgaat tot de uitvoering van keuringen; het begrip " controle-instelling " moet als een synoniem van het begrip " inspectie-instelling " worden beschouwd;
14° " Certificatie-instelling " : instelling die certificaties uitvoert;
15° " Instelling voor de conformiteitsbeoordeling " : instelling wiens activiteiten erin bestaan conformiteitsbeoordelingen uit te voeren en die het voorwerp kan uitmaken van een accreditatie, uitgevoerd in overeenstemming met de eisen vastgelegd in normatieve documenten die op internationaal niveau erkend zijn;
16° " Accreditatiesysteem " : systeem met eigen beheer- en procedureregels om accreditaties uit te voeren.
§ 2. Worden hernomen onder de algemene benaming van " instellingen voor de conformiteitsbeoordeling " : beproevings- en kalibratielaboratoria, certificatie- en keuringsinstellingen, producenten van referentiematerialen en organisatoren van geschiktheidsbeproevingen.
§ 3. De Koning kan, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, andere types van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling bepalen die het voorwerp kunnen uitmaken van een accreditatie in overeenstemming met deze wet, wanneer er zich in een verder economisch en technisch evoluerende markt nog andere types van gelijkaardige instellingen manifesteren, waarvoor dan ook reeds op internationaal niveau goedgekeurde evaluatiecriteria bestaan. ".
Art.75. L'article 1er de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Article 1er. - § 1er. Pour l'application de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution, il faut entendre par :
1° " Essai " : opération technique qui consiste à déterminer une ou plusieurs caractéristiques d'un produit, processus ou service donné, selon un mode opératoire spécifié;
2° " Etalonnage " : activité qui a pour objectif d'établir, dans des conditions spécifiées, la relation entre les valeurs de la grandeur indiquée par un appareil ou un système de mesure, ou les valeurs représentées par une mesure matérialisée ou par un matériau de référence, et les valeurs correspondantes de la grandeur réalisées par des étalons;
3° " Matériau de référence " : matériau ou substance dont une ou plusieurs valeurs de la ou des propriétés est ou sont suffisamment homogènes et bien définies pour permettre de l'utiliser pour l'étalonnage d'un appareil, l'évaluation d'une méthode de mesurage ou l'attribution de valeurs aux matériaux;
4° " Essai d'aptitude " : évaluation des performances d'un laboratoire en matière d'essais ou étalonnages, au moyen d'intercomparaisons. Par intercomparaison, il faut entendre l'organisation, l'exécution et l'évaluation d'essais ou d'étalonnages d'objets identiques ou semblables par au moins deux laboratoires différents dans des conditions prédéterminés;
5° " Inspection " : examen de la conception d'un produit, service, processus ou d'une installation, et détermination de leur conformité à des exigences spécifiques, ou, sur la base d'un jugement professionnel, aux exigences générales. Le terme " contrôle " est à considérer comme synonyme du terme " inspection ";
6° " Certification " : procédure par laquelle une tierce partie donne une assurance écrite qu'un produit, un processus ou un service est conforme aux exigences spécifiées. Par tierce partie, il faut entendre une personne ou organisme reconnu indépendant des parties en cause, en ce qui concerne le sujet en question;
7° " Evaluation de la conformité " : toute activité dont l'objet est de déterminer directement ou indirectement si des exigences applicables sont satisfaites;
8° " Accréditation " : procédure par laquelle un organisme faisant autorité reconnaît formellement qu'un organisme ou un individu est compétent pour effectuer des tâches spécifiques;
9° " Laboratoire d'essais " : organisme qui procède à des essais;
10° " Laboratoire d'étalonnage " : organisme qui procède à des étalonnages;
11° " Producteur de matériaux de référence " : organisme techniquement compétent (organisation ou firme, publique ou privée) qui est totalement responsable pour assigner les propriétés certifiées ou autres des matériaux de référence qu'il produit et distribue;
12° " Organisateur d'essais d'aptitude " : organisme qui gère des essais d'aptitude;
13° " Organisme d'inspection " : organisme qui procède à l'inspection. Le terme " organisme de contrôle " est à considérer comme synonyme du terme " organisme d'inspection ";
14° " Organisme de certification " : organisme qui procède à la certification;
15° " Organisme d'évaluation de la conformité " : organisme dont l'activité relève de l'évaluation de la conformité et pouvant faire l'objet d'une accréditation conformément à des exigences définies par des documents normatifs reconnus au niveau international;
16° " Système d'accréditation " : système ayant ses propres règles de procédure et de gestion et destiné à procéder à l'accréditation.
§ 2. Sont repris sous la dénomination générale d' " organisme d'évaluation de la conformité " : les laboratoires d'essais et d'étalonnages, les organismes de certification et d'inspection, les producteurs de matériaux de référence et les organisateurs d'essais d'aptitude.
§ 3. Le Roi peut définir, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, d'autres types d'organismes d'évaluation de la conformité pouvant faire l'objet d'une accreditation au sens de la présente loi, quand, sur un marché en évolution constante sur les plans techniques et économiques, se manifestent encore d'autres catégories d'organismes semblables, pour lesquels il existe des critères d'évaluation reconnus au niveau international. ".
" Article 1er. - § 1er. Pour l'application de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution, il faut entendre par :
1° " Essai " : opération technique qui consiste à déterminer une ou plusieurs caractéristiques d'un produit, processus ou service donné, selon un mode opératoire spécifié;
2° " Etalonnage " : activité qui a pour objectif d'établir, dans des conditions spécifiées, la relation entre les valeurs de la grandeur indiquée par un appareil ou un système de mesure, ou les valeurs représentées par une mesure matérialisée ou par un matériau de référence, et les valeurs correspondantes de la grandeur réalisées par des étalons;
3° " Matériau de référence " : matériau ou substance dont une ou plusieurs valeurs de la ou des propriétés est ou sont suffisamment homogènes et bien définies pour permettre de l'utiliser pour l'étalonnage d'un appareil, l'évaluation d'une méthode de mesurage ou l'attribution de valeurs aux matériaux;
4° " Essai d'aptitude " : évaluation des performances d'un laboratoire en matière d'essais ou étalonnages, au moyen d'intercomparaisons. Par intercomparaison, il faut entendre l'organisation, l'exécution et l'évaluation d'essais ou d'étalonnages d'objets identiques ou semblables par au moins deux laboratoires différents dans des conditions prédéterminés;
5° " Inspection " : examen de la conception d'un produit, service, processus ou d'une installation, et détermination de leur conformité à des exigences spécifiques, ou, sur la base d'un jugement professionnel, aux exigences générales. Le terme " contrôle " est à considérer comme synonyme du terme " inspection ";
6° " Certification " : procédure par laquelle une tierce partie donne une assurance écrite qu'un produit, un processus ou un service est conforme aux exigences spécifiées. Par tierce partie, il faut entendre une personne ou organisme reconnu indépendant des parties en cause, en ce qui concerne le sujet en question;
7° " Evaluation de la conformité " : toute activité dont l'objet est de déterminer directement ou indirectement si des exigences applicables sont satisfaites;
8° " Accréditation " : procédure par laquelle un organisme faisant autorité reconnaît formellement qu'un organisme ou un individu est compétent pour effectuer des tâches spécifiques;
9° " Laboratoire d'essais " : organisme qui procède à des essais;
10° " Laboratoire d'étalonnage " : organisme qui procède à des étalonnages;
11° " Producteur de matériaux de référence " : organisme techniquement compétent (organisation ou firme, publique ou privée) qui est totalement responsable pour assigner les propriétés certifiées ou autres des matériaux de référence qu'il produit et distribue;
12° " Organisateur d'essais d'aptitude " : organisme qui gère des essais d'aptitude;
13° " Organisme d'inspection " : organisme qui procède à l'inspection. Le terme " organisme de contrôle " est à considérer comme synonyme du terme " organisme d'inspection ";
14° " Organisme de certification " : organisme qui procède à la certification;
15° " Organisme d'évaluation de la conformité " : organisme dont l'activité relève de l'évaluation de la conformité et pouvant faire l'objet d'une accréditation conformément à des exigences définies par des documents normatifs reconnus au niveau international;
16° " Système d'accréditation " : système ayant ses propres règles de procédure et de gestion et destiné à procéder à l'accréditation.
§ 2. Sont repris sous la dénomination générale d' " organisme d'évaluation de la conformité " : les laboratoires d'essais et d'étalonnages, les organismes de certification et d'inspection, les producteurs de matériaux de référence et les organisateurs d'essais d'aptitude.
§ 3. Le Roi peut définir, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, d'autres types d'organismes d'évaluation de la conformité pouvant faire l'objet d'une accreditation au sens de la présente loi, quand, sur un marché en évolution constante sur les plans techniques et économiques, se manifestent encore d'autres catégories d'organismes semblables, pour lesquels il existe des critères d'évaluation reconnus au niveau international. ".
Art.76. Vanaf artikel 2 van dezelfde wet worden, in de ganse tekst, de woorden " certificatie, keuringen en proeven ", " certificatie- en keuringsinstellingen en beproevingslaboratoria ", " certificatie- en beproevingsverslagen en keuringsverslagen " respectievelijk vervangen door de woorden " conformiteitsbeoordeling ", " instellingen voor de conformiteitsbeoordeling " en " verslagen van de conformiteitsbeoordeling ".
Art.76. A partir de l'article 2 de la même loi, dans l'ensemble du texte, les mots " certification, contrôle et essais ", " organismes de certification et de contrôle et laboratoires d'essais ", " rapports de certification, rapports de contrôles et rapports d'essais " sont respectivement remplacés par les mots " évaluation de la conformité ", " organisme d'évaluation de la conformité " et " rapports d'évaluation de la conformité ".
HOOFDSTUK V. - Energie. - Bekrachting van koninklijke besluiten.
CHAPITRE V. - Energie. - Confirmation d'arrêtés royaux.
Art.77. Het koninklijk besluit van 22 december 2003 tot bepaling van de nadere regels voor de financiering van de reële nettokost die voortvloeit uit de toepassing van maximumprijzen voor de levering van elektriciteit aan residentiële beschermde klanten, wordt bekrachtigd met uitwerking op 1 januari 2004.
Art.77. L'arrêté royal du 22 décembre 2003 fixant les modalités de financement du coût réel net résultant de l'application de prix maximaux pour la fourniture d'électricité aux clients protégés résidentiels, est confirmé avec effet au 1er janvier 2004.
Art.78. Het koninklijk besluit van 22 december 2003 tot bepaling van de nadere regels voor de financiering van de reële nettokost die voortvloeit uit de toepassing van maximumprijzen voor de levering van aardgas aan residentiële beschermde klanten, wordt bekrachtigd met uitwerking op 1 januari 2004.
Art.78. L'arrêté royal du 22 décembre 2003 fixant les modalités de financement du coût réel net résultant de l'application de prix maximaux pour la fourniture de gaz naturel aux clients protégés résidentiels, est confirmé avec effet au 1er janvier 2004.
HOOFDSTUK VI. - Telecommunicatie.
CHAPITRE VI. - Télécommunications.
Afdeling I. - Radiocommunicatie.
Section première. - Radiocommunications.
Art.79. In artikel 3, § 3, van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 1994, wordt de tweede zin opgeheven.
Art.79. A l'article 3, § 3, de la loi du 30 juillet 1979 relative aux radiocommunications, modifié par l'arrêté royal du 15 mars 1994, la deuxième phrase est abrogee.
Afdeling II. - Eindapparatuur.
Section II. - Equipements terminaux.
Art.80. Artikel 94, 1°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, wordt vervangen als volgt :
" 1° apparatuur waarvan het gebruik onverenigbaar is met een of meerdere van de volgende bepalingen :
a) artikel 109ter D;
b) artikel 4, b) en c), van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving;
c) artikel 314bis van het Strafwetboek;
d) artikel 1, § 6, van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen; ".
" 1° apparatuur waarvan het gebruik onverenigbaar is met een of meerdere van de volgende bepalingen :
a) artikel 109ter D;
b) artikel 4, b) en c), van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving;
c) artikel 314bis van het Strafwetboek;
d) artikel 1, § 6, van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen; ".
Art.80. L'article 94, 1°, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, est remplacé par la disposition suivante :
" 1° les équipements dont l'utilisation est inconciliable avec une ou plusieurs des dispositions suivantes :
a) l'article 109ter D;
b) l'article 4, b) et c), de la loi du 30 juillet 1979 relative aux radiocommunications;
c) l'article 314bis du Code pénal;
d) l'article 1, § 6, de la loi du 21 juin 1985 relative aux conditions techniques auxquelles doivent répondre tout véhicule de transport par terre, ses éléments ainsi que les accessoires de sécurité; ".
" 1° les équipements dont l'utilisation est inconciliable avec une ou plusieurs des dispositions suivantes :
a) l'article 109ter D;
b) l'article 4, b) et c), de la loi du 30 juillet 1979 relative aux radiocommunications;
c) l'article 314bis du Code pénal;
d) l'article 1, § 6, de la loi du 21 juin 1985 relative aux conditions techniques auxquelles doivent répondre tout véhicule de transport par terre, ses éléments ainsi que les accessoires de sécurité; ".
TITEL V. - Justitie.
TITRE V. - Justice.
HOOFDSTUK I. - Omzetting van de richtlijn 2001/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG, 83/349/EEG en 86/635/EEG met betrekking tot de waarderingsregels voor de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen evenals van banken en andere financiële instellingen voor wat zij respectievelijk wijzigen aan artikel 46, § 2, van de richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 met betrekking tot de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen en aan artikel 36, § 2, van de richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 met betrekking tot de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen.
CHAPITRE Ier. - Transposition de la directive 2001/65/CE du Parlement Européen et du Conseil du 27 septembre 2001 modifiant les directives 78/660/CEE, 83/349/CEE et 86/635/CEE en ce qui concerne les règles d'évaluation applicables aux comptes annuels et aux comptes consolidés de certaines formes de sociétés ainsi qu'à ceux des banques et certains établissements financiers en ce qu'ils modifient respectivement l'article 46, § 2 de la directive 78/660/CEE du Conseil du 25 juillet 1978 concernant les comptes annuels de certaines formes de sociétés et l'article 36, § 2, de la directive 83/349/CEE du Conseil du 13 juin 1983 concernant les comptes consolidés de certaines formes de sociétés.
Art.81. Artikel 96 van het Wetboek van vennootschappen wordt aangevuld met een 8°, luidende :
" 8° wat betreft het gebruik door de vennootschap van financiële instrumenten en voor zover zulks van betekenis is voor de beoordeling van haar activa, passiva, financiële positie en resultaat :
- de doelstellingen en het beleid van de vennootschap inzake de beheersing van het risico, met inbegrip van haar beleid inzake hedging van alle belangrijke soorten voorgenomen transacties, waarvoor hedge accounting wordt toegepast, alsook
- het door de vennootschap gelopen prijsrisico, kredietrisico, liquiditeitsrisico, en kasstroomrisico. ".
" 8° wat betreft het gebruik door de vennootschap van financiële instrumenten en voor zover zulks van betekenis is voor de beoordeling van haar activa, passiva, financiële positie en resultaat :
- de doelstellingen en het beleid van de vennootschap inzake de beheersing van het risico, met inbegrip van haar beleid inzake hedging van alle belangrijke soorten voorgenomen transacties, waarvoor hedge accounting wordt toegepast, alsook
- het door de vennootschap gelopen prijsrisico, kredietrisico, liquiditeitsrisico, en kasstroomrisico. ".
Art.81. L'article 96 du Code des sociétés est complété par un 8°, rédigé comme suit :
" 8° en ce qui concerne l'utilisation des instruments financiers par la société et lorsque cela est pertinent pour l'évaluation de son actif, de son passif, de sa situation financière et de ses pertes ou profits :
- les objectifs et la politique de la société en matière de gestion des risques financiers, y compris sa politique concernant la couverture de chaque catégorie principale des transactions prévues pour lesquelles il est fait usage de la comptabilité de couverture, et
- l'exposition de la société au risque de prix, au risque de crédit, au risque de liquidité et au risque de trésorerie. ".
" 8° en ce qui concerne l'utilisation des instruments financiers par la société et lorsque cela est pertinent pour l'évaluation de son actif, de son passif, de sa situation financière et de ses pertes ou profits :
- les objectifs et la politique de la société en matière de gestion des risques financiers, y compris sa politique concernant la couverture de chaque catégorie principale des transactions prévues pour lesquelles il est fait usage de la comptabilité de couverture, et
- l'exposition de la société au risque de prix, au risque de crédit, au risque de liquidité et au risque de trésorerie. ".
Art.82. Artikel 119 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een 5°, luidende :
" 5° wat betreft het gebruik door de vennootschap van financiële instrumenten en voorzover zulks van betekenis is voor de beoordeling van haar activa, passiva, financiële positie en resultaat :
- de doelstellingen en het beleid van de vennootschap inzake de beheersing van het risico, met inbegrip van haar beleid inzake hedging van alle belangrijke soorten voorgenomen transacties, waarvoor hedge accounting wordt toegepast, alsook
- het door de vennootschap gelopen prijsrisico, kredietrisico, liquiditeitsrisico, en kasstroomrisico. ".
" 5° wat betreft het gebruik door de vennootschap van financiële instrumenten en voorzover zulks van betekenis is voor de beoordeling van haar activa, passiva, financiële positie en resultaat :
- de doelstellingen en het beleid van de vennootschap inzake de beheersing van het risico, met inbegrip van haar beleid inzake hedging van alle belangrijke soorten voorgenomen transacties, waarvoor hedge accounting wordt toegepast, alsook
- het door de vennootschap gelopen prijsrisico, kredietrisico, liquiditeitsrisico, en kasstroomrisico. ".
Art.82. L'article 119 du même Code est complété par un 5°, rédigé comme suit :
" 5° en ce qui concerne l'utilisation des instruments financiers par la société et lorsque cela est pertinent pour l'évaluation de son actif, de son passif, de sa situation financière et de ses pertes ou profits :
- les objectifs et la politique de la société en matière de gestion des risques financiers, y compris sa politique concernant la couverture de chaque catégorie principale des transactions prévues pour lesquelles il est fait usage de la comptabilité de couverture, et
- l'exposition de la société au risque de prix, au risque de crédit, au risque de liquidité et au risque de trésorerie. ".
" 5° en ce qui concerne l'utilisation des instruments financiers par la société et lorsque cela est pertinent pour l'évaluation de son actif, de son passif, de sa situation financière et de ses pertes ou profits :
- les objectifs et la politique de la société en matière de gestion des risques financiers, y compris sa politique concernant la couverture de chaque catégorie principale des transactions prévues pour lesquelles il est fait usage de la comptabilité de couverture, et
- l'exposition de la société au risque de prix, au risque de crédit, au risque de liquidité et au risque de trésorerie. ".
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.
CHAPITRE II. - Modifications de la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations.
Art.83. Artikel 10, tweede lid, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, vervangen bij de wet van 2 mei 2002, wordt aangevuld als volgt :
" Deze bepalingen zijn niet van toepassing ingeval de vereniging een commissaris heeft benoemd. ".
" Deze bepalingen zijn niet van toepassing ingeval de vereniging een commissaris heeft benoemd. ".
Art.83. L'article 10, alinéa 2, de la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations, remplacé par la loi du 2 mai 2002, est complété comme suit :
" Les présentes dispositions ne s'appliquent pas si l'association a nommé un commissaire. ".
" Les présentes dispositions ne s'appliquent pas si l'association a nommé un commissaire. ".
Art.84. Artikel 17 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 2 mei 2002, wordt aangevuld met een § 7, luidende :
" § 7. De artikelen 130 tot 133, 134, §§ 1 en 3, 135 tot 137, 139 en 140, 142 tot 144, met uitzondering van artikel 144, eerste lid, 4° en 5°, van het Wetboek van vennootschappen zijn van overeenkomstige toepassing op de verenigingen die een commissaris hebben benoemd. Ten behoeve van dit artikel moeten de woorden " wetboek ", " vennootschap " en " rechtbank van koophandel ", aangewend in voornoemde artikelen van het Wetboek van vennootschappen, worden begrepen als respectievelijk " wet ", " vereniging " en " rechtbank van eerste aanleg ". ".
" § 7. De artikelen 130 tot 133, 134, §§ 1 en 3, 135 tot 137, 139 en 140, 142 tot 144, met uitzondering van artikel 144, eerste lid, 4° en 5°, van het Wetboek van vennootschappen zijn van overeenkomstige toepassing op de verenigingen die een commissaris hebben benoemd. Ten behoeve van dit artikel moeten de woorden " wetboek ", " vennootschap " en " rechtbank van koophandel ", aangewend in voornoemde artikelen van het Wetboek van vennootschappen, worden begrepen als respectievelijk " wet ", " vereniging " en " rechtbank van eerste aanleg ". ".
Art.84. A l'article 17 de la même loi, remplacé par la loi du 2 mai 2002, il est ajouté un § 7, rédigé comme suit :
" § 7. Les articles 130 à 133, 134, §§ 1er et 3, 135 à 137, 139 et 140, 142 à 144 à l'exception de l'article 144, alinéa 1er, 4° et 5°, du Code des sociétés sont applicables par analogie aux associations qui ont nommé un commissaire. Pour les besoins du présent article, les termes " code ", " société " et " tribunal de commerce " utilisés dans les articles précités du Code des sociétés doivent s'entendre comme étant respectivement " loi ", " association " et " tribunal de première instance ". ".
" § 7. Les articles 130 à 133, 134, §§ 1er et 3, 135 à 137, 139 et 140, 142 à 144 à l'exception de l'article 144, alinéa 1er, 4° et 5°, du Code des sociétés sont applicables par analogie aux associations qui ont nommé un commissaire. Pour les besoins du présent article, les termes " code ", " société " et " tribunal de commerce " utilisés dans les articles précités du Code des sociétés doivent s'entendre comme étant respectivement " loi ", " association " et " tribunal de première instance ". ".
Art.85. In artikel 26octies, § 3, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 2 mei 2002, worden de woorden " De artikelen 17, §§ 2 tot 6 " vervangen door de woorden " De artikelen 17, §§ 2 tot 7 ".
Art.85. Dans l'article 26octies, § 3, de la même loi, inséré par la loi du 2 mai 2002, les mots " Les articles 17, §§ 2 à 6 " sont remplacés par les mots " Les articles 17, §§ 2 à 7 ".
Art.86. Artikel 37 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 2 mei 2002, wordt aangevuld met een § 7, luidende :
" § 7. De artikelen 130 tot 133, 134, §§ 1 en 3, 135 tot 137, 139 en 140, 142 tot 144, met uitzondering van artikel 144, eerste lid, 4° en 5°, van het Wetboek van vennootschappen zijn van overeenkomstige toepassing op de stichtingen die een commissaris hebben benoemd. Ten behoeve van dit artikel moeten de woorden " wetboek ", " vennootschap ", " algemene vergadering " en " rechtbank van koophandel ", aangewend in voornoemde artikelen van het Wetboek van vennootschappen, worden begrepen als respectievelijk " wet ", " stichting ", " bestuursorgaan " en " rechtbank van eerste aanleg ". ".
" § 7. De artikelen 130 tot 133, 134, §§ 1 en 3, 135 tot 137, 139 en 140, 142 tot 144, met uitzondering van artikel 144, eerste lid, 4° en 5°, van het Wetboek van vennootschappen zijn van overeenkomstige toepassing op de stichtingen die een commissaris hebben benoemd. Ten behoeve van dit artikel moeten de woorden " wetboek ", " vennootschap ", " algemene vergadering " en " rechtbank van koophandel ", aangewend in voornoemde artikelen van het Wetboek van vennootschappen, worden begrepen als respectievelijk " wet ", " stichting ", " bestuursorgaan " en " rechtbank van eerste aanleg ". ".
Art.86. A l'article 37 de la même loi, remplacé par la loi du 2 mai 2002, il est ajouté un § 7, rédigé comme suit :
" § 7. Les articles 130 à 133, 134, §§ 1er et 3, 135 à 137, 139 et 140, 142 à 144 à l'exception de l'article 144, alinéa 1er, 4° et 5°, du Code des sociétés sont applicables par analogie aux fondations qui ont nommé un commissaire. Pour les besoins du présent article, les termes " code ", " société ", " assemblée générale " et " tribunal de commerce " utilisés dans les articles précités du Code des sociétés doivent s'entendre comme étant respectivement " loi ", " fondation ", " conseil d'administration " et " tribunal de première instance ". ".
" § 7. Les articles 130 à 133, 134, §§ 1er et 3, 135 à 137, 139 et 140, 142 à 144 à l'exception de l'article 144, alinéa 1er, 4° et 5°, du Code des sociétés sont applicables par analogie aux fondations qui ont nommé un commissaire. Pour les besoins du présent article, les termes " code ", " société ", " assemblée générale " et " tribunal de commerce " utilisés dans les articles précités du Code des sociétés doivent s'entendre comme étant respectivement " loi ", " fondation ", " conseil d'administration " et " tribunal de première instance ". ".
Art.87. Artikel 53 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 2 mei 2002, wordt aangevuld met een § 7, luidende :
" § 7. De artikelen 130 tot 133, 134, §§ 1 en 3, 135 tot 137, 139 en 140, 142 tot 144, met uitzondering van artikel 144, eerste lid, 4° en 5°, van het Wetboek van vennootschappen zijn van overeenkomstige toepassing op de internationale verenigingen zonder winstoogmerk die een commissaris hebben benoemd. Ten behoeve van dit artikel moeten de woorden " wetboek ", " vennootschap " en " rechtbank van koophandel ", aangewend in voornoemde artikelen van het Wetboek van vennootschappen, worden begrepen als respectievelijk " wet ", " vereniging " en " rechtbank van eerste aanleg ". ".
" § 7. De artikelen 130 tot 133, 134, §§ 1 en 3, 135 tot 137, 139 en 140, 142 tot 144, met uitzondering van artikel 144, eerste lid, 4° en 5°, van het Wetboek van vennootschappen zijn van overeenkomstige toepassing op de internationale verenigingen zonder winstoogmerk die een commissaris hebben benoemd. Ten behoeve van dit artikel moeten de woorden " wetboek ", " vennootschap " en " rechtbank van koophandel ", aangewend in voornoemde artikelen van het Wetboek van vennootschappen, worden begrepen als respectievelijk " wet ", " vereniging " en " rechtbank van eerste aanleg ". ".
Art.87. A l'article 53 de la même loi, inséré par la loi du 2 mai 2002, il est ajouté un § 7, rédigé comme suit :
" § 7. Les articles 130 à 133, 134, §§ 1er et 3, 135 à 137, 139 et 140, 142 à 144 à l'exception de l'article 144, alinéa 1er, 4° et 5°, du Code des sociétés sont applicables par analogie aux associations internationales sans but lucratif qui ont nommé un commissaire. Pour les besoins du présent article, les termes " code ", " société " et " tribunal de commerce " utilisés dans les articles précises du Code des sociétés doivent s'entendre comme étant respectivement " loi ", " association " et " tribunal de première instance ". ".
" § 7. Les articles 130 à 133, 134, §§ 1er et 3, 135 à 137, 139 et 140, 142 à 144 à l'exception de l'article 144, alinéa 1er, 4° et 5°, du Code des sociétés sont applicables par analogie aux associations internationales sans but lucratif qui ont nommé un commissaire. Pour les besoins du présent article, les termes " code ", " société " et " tribunal de commerce " utilisés dans les articles précises du Code des sociétés doivent s'entendre comme étant respectivement " loi ", " association " et " tribunal de première instance ". ".
Art.88. De artikelen 2, 7°, d, en 28, 5°, d, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 2 mei 2002, worden opgeheven.
Art.88. Les articles 2, 7°, d, et 28, 5°, d, de la même loi, remplacés par la loi du 2 mai 2002, sont abrogés.
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen.
CHAPITRE III. - Modifications de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes.
Art.89. Artikel 6bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, ingevoegd bij de wet van 12 april 2004, wordt vervangen als volgt :
" Art. 6bis. - De officieren van gerechtelijke politie en de ambtenaren of beambten, daartoe door de Koning aangewezen, mogen de apotheken, winkels en alle andere plaatsen bestemd voor de verkoop of de aflevering van de in deze wet genoemde stoffen, bezoeken, gedurende de uren dat zij voor het publiek toegankelijk zijn.
Gedurende dezelfde uren mogen zij ook de depots bezoeken die bij de in het vorige lid bedoelde plaatsen aansluiten, zelfs wanneer die depots voor het publiek niet toegankelijk zijn.
Zij mogen te allen tijde de lokalen bezoeken welke dienen voor het vervaardigen, bereiden, bewaren of opslaan van die stoffen.
Hetzelfde geldt voor de lokalen waarin de in artikel 2bis, § 1, bedoelde stoffen in aanwezigheid van minderjarigen worden gebruikt. ".
" Art. 6bis. - De officieren van gerechtelijke politie en de ambtenaren of beambten, daartoe door de Koning aangewezen, mogen de apotheken, winkels en alle andere plaatsen bestemd voor de verkoop of de aflevering van de in deze wet genoemde stoffen, bezoeken, gedurende de uren dat zij voor het publiek toegankelijk zijn.
Gedurende dezelfde uren mogen zij ook de depots bezoeken die bij de in het vorige lid bedoelde plaatsen aansluiten, zelfs wanneer die depots voor het publiek niet toegankelijk zijn.
Zij mogen te allen tijde de lokalen bezoeken welke dienen voor het vervaardigen, bereiden, bewaren of opslaan van die stoffen.
Hetzelfde geldt voor de lokalen waarin de in artikel 2bis, § 1, bedoelde stoffen in aanwezigheid van minderjarigen worden gebruikt. ".
Art.89. L'article 6bis de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes, inséré par la loi du 12 avril 2004, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 6bis. - Les officiers de police judiciaire et les fonctionnaires ou agents désignés à cette fin par le Roi, peuvent visiter les officines, magasins, boutiques et lieux quelconques affectés à la vente ou à la délivrance des substances visées dans la présente loi, pendant les heures où ils sont ouverts au public.
Ils peuvent aussi visiter, pendant les mêmes heures, les dépôts annexés aux locaux et lieux visés à l'alinéa précédent, même lorsque ces dépôts ne sont pas ouverts au public.
Ils peuvent, à toute heure, visiter les locaux qui servent à la fabrication, à la préparation, à la conservation ou à l'entreposage de ces substances.
Ils sont investis des mêmes pouvoirs à l'égard des locaux où il est fait usage, en présence de mineurs d'âge, des substances visées à l'article 2bis, § 1er. ".
" Art. 6bis. - Les officiers de police judiciaire et les fonctionnaires ou agents désignés à cette fin par le Roi, peuvent visiter les officines, magasins, boutiques et lieux quelconques affectés à la vente ou à la délivrance des substances visées dans la présente loi, pendant les heures où ils sont ouverts au public.
Ils peuvent aussi visiter, pendant les mêmes heures, les dépôts annexés aux locaux et lieux visés à l'alinéa précédent, même lorsque ces dépôts ne sont pas ouverts au public.
Ils peuvent, à toute heure, visiter les locaux qui servent à la fabrication, à la préparation, à la conservation ou à l'entreposage de ces substances.
Ils sont investis des mêmes pouvoirs à l'égard des locaux où il est fait usage, en présence de mineurs d'âge, des substances visées à l'article 2bis, § 1er. ".
Art.90. In artikel 7, § 2, 1°, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 9 juli 1975 en 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid :
- het woord " betreden " wordt vervangen door het woord " bezoeken ";
- de woorden " en doorzoeken " worden weggelaten;
- de woorden " en meer in het algemeen alle plaatsen waar zij redelijkerwijze vermoeden dat er inbreuken gepleegd worden op de bepalingen van de wetgevingen waarop zij toezicht uitoefenen " vervallen;
2° in het tweede lid :
- het woord " betreden " wordt vervangen door het woord " bezoeken ";
- het woord " politierechtbank " wordt vervangen door de woorden " voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ";
3° het derde en vierde lid worden opgeheven.
1° in het eerste lid :
- het woord " betreden " wordt vervangen door het woord " bezoeken ";
- de woorden " en doorzoeken " worden weggelaten;
- de woorden " en meer in het algemeen alle plaatsen waar zij redelijkerwijze vermoeden dat er inbreuken gepleegd worden op de bepalingen van de wetgevingen waarop zij toezicht uitoefenen " vervallen;
2° in het tweede lid :
- het woord " betreden " wordt vervangen door het woord " bezoeken ";
- het woord " politierechtbank " wordt vervangen door de woorden " voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ";
3° het derde en vierde lid worden opgeheven.
Art.90. A l'article 7, § 2, 1°, de la même loi, modifié par les lois des 9 juillet 1975 et 22 décembre 2003, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er :
- les mots " Pénétrer librement, entre 5 heures du matin et 9 heures du soir, sans avertissement préalable, dans " sont remplacés par les mots " Visiter, entre 5 heures du matin et 9 heures du soir, sans avertissement préalable, ";
- les mots " ainsi que les fouiller " sont supprimés;
- les mots " et plus généralement tous les lieux dans lesquels ils peuvent avoir un motif raisonnable de supposer qu'il existe des infractions aux dispositions des législations dont ils exercent la surveillance " sont supprimés;
2° à l'alinéa 2 :
- les mots " pénétrer dans " sont remplacés par le mot " visiter ";
- les mots " tribunal de police " sont remplacés par les mots " président du tribunal de première instance ";
3° les alinéas 3 et 4 sont abrogés.
1° à l'alinéa 1er :
- les mots " Pénétrer librement, entre 5 heures du matin et 9 heures du soir, sans avertissement préalable, dans " sont remplacés par les mots " Visiter, entre 5 heures du matin et 9 heures du soir, sans avertissement préalable, ";
- les mots " ainsi que les fouiller " sont supprimés;
- les mots " et plus généralement tous les lieux dans lesquels ils peuvent avoir un motif raisonnable de supposer qu'il existe des infractions aux dispositions des législations dont ils exercent la surveillance " sont supprimés;
2° à l'alinéa 2 :
- les mots " pénétrer dans " sont remplacés par le mot " visiter ";
- les mots " tribunal de police " sont remplacés par les mots " président du tribunal de première instance ";
3° les alinéas 3 et 4 sont abrogés.
TITEL VI. - Binnenlandse Zaken.
TITRE VI. - Intérieur.
HOOFDSTUK I. - Oprichting van een Bijzonder Fonds voor de geïntegreerde centra van de dringende oproepen (centra 112).
CHAPITRE Ier. - Création d'un Fonds spécial pour les centres intégrés d'appel d'urgence (centres 112).
HOOFDSTUK II. - Oprichting van een Staatsdienst met afzonderlijk beheer belast met het beheer van de identiteitskaarten.
CHAPITRE II. - Création d'un service de l'Etat à gestion séparée chargé de la gestion des cartes d'identité.
Art.92. Voor het beheer van de identiteitskaarten en het Rijksregister wordt binnen de federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken, Algemene Directie Instellingen en Bevolking een Staatsdienst met afzonderlijk beheer opgericht, zoals bepaald bij artikel 140 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991.
De uitvoeringsmodaliteiten worden vastgesteld door de Koning.
De uitvoeringsmodaliteiten worden vastgesteld door de Koning.
Art.92. Pour la gestion des cartes d'identité et du Registre National, il est créé au sein du service public fédéral Intérieur, Direction générale Institutions et Population, un service de l'Etat à gestion séparée, comme défini à l'article 140 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991.
Les modalités d'exécution sont déterminées par le Roi.
Les modalités d'exécution sont déterminées par le Roi.
Art.93. Het organiek begrotingsfonds " Rijksregister : Bijzonder Fonds voor het dekken van allerhande werkingskosten ontstaan bij de uitvoering van prestaties ten voordele van openbare autoriteiten of openbare of privé-organismen ", opgericht bij de organieke wet van 27 december 1990 wordt afgesloten op het ogenblik dat het bij artikel 92 bedoeld koninklijk besluit in werking treedt.
Art.93. Le fonds budgétaire organique : " Registre national : Fonds spécial pour couvrir les frais de fonctionnement de toute nature exposés lors de l'exécution de prestations au profit d'autorités ou d'organismes publics ou privés ", créé par la loi organique du 27 décembre 1990 est clôturé au moment ou l'arrêté royal visé à l'article 92 entre en vigueur.
Art.94. _ Op het ogenblik van het afsluiten van het organiek begrotingsfonds bedoeld in artikel 93, worden de saldi van de vastleggings- en ordonnanceringsmiddelen evenals de vastgestelde rechten overgedragen aan de Staatsdienst met afzonderlijk beheer belast met het beheer van de identiteitskaarten.
De uitstaande vastleggingen en ordonnanceringen die bestaan op datum van het afsluiten van voornoemd organiek begrotingsfonds, worden overgenomen door deze Staatsdienst met afzonderlijk beheer.
De uitstaande vastleggingen en ordonnanceringen die bestaan op datum van het afsluiten van voornoemd organiek begrotingsfonds, worden overgenomen door deze Staatsdienst met afzonderlijk beheer.
Art.94. Au moment de la clôture du fonds budgétaire organique visé à l'article 93, les soldes des moyens d'engagement et d'ordonnancement ainsi que les droits constatés sont transférés au service de l'Etat à gestion séparée chargé de la gestion des cartes d'identité.
L'encours des engagements et ordonnancements existant à la date de clôture du susdit fonds budgétaire organique est repris par ce service de l'Etat à gestion séparée.
L'encours des engagements et ordonnancements existant à la date de clôture du susdit fonds budgétaire organique est repris par ce service de l'Etat à gestion séparée.
HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
CHAPITRE III. - Modification de la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population et aux cartes d'identité et modifiant la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques.
Art.95. In artikel 6 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, gewijzigd bij de wetten van 24 mei 1994, 12 december 1997, 25 maart 2003 en 5 augustus 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 2, tweede lid, 11°, wordt opgeheven;
2° § 3, tweede lid, 3°, wordt aangevuld als volgt :
" alsmede van de Veiligheid van de Staat en de Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht. ".
1° § 2, tweede lid, 11°, wordt opgeheven;
2° § 3, tweede lid, 3°, wordt aangevuld als volgt :
" alsmede van de Veiligheid van de Staat en de Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht. ".
Art.95. A l'article 6 de la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population et aux cartes d'identité et modifiant la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, modifie par les lois des 24 mai 1994, 12 décembre 1997, 25 mars 2003 et 5 août 2003, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 2, alinéa 2, 11°, est abrogé;
2° le § 3, alinéa 2, 3° est complété comme suit :
" ainsi que de la Sûreté de l'Etat et du Service général du renseignement et de la sécurité des Forces armées. ".
1° le § 2, alinéa 2, 11°, est abrogé;
2° le § 3, alinéa 2, 3° est complété comme suit :
" ainsi que de la Sûreté de l'Etat et du Service général du renseignement et de la sécurité des Forces armées. ".
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
CHAPITRE IV. - Modification de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques.
Art.96. _ Artikel 5, zesde lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, ingevoegd bij de wet van 24 mei 1994 en gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994, 30 november 1998, 27 april 1999 en 24 december 2002, wordt aangevuld als volgt :
" 15° de federale minister en de gewestelijke ministers tot wier bevoegdheid het leefmilieu behoort;
16° het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding. ".
" 15° de federale minister en de gewestelijke ministers tot wier bevoegdheid het leefmilieu behoort;
16° het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding. ".
Art.96. L'article 5, alinéa 6, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, inséré par la loi du 24 mai 1994 et modifié par les lois des 21 décembre 1994, 30 novembre 1998, 27 avril 1999 et 24 décembre 2002, est complété comme suit :
" 15° le ministre fédéral et les ministres régionaux qui ont l'environnement dans leurs attributions;
16° le Centre pour l'égalité des chances et la lutte contre le racisme. ".
" 15° le ministre fédéral et les ministres régionaux qui ont l'environnement dans leurs attributions;
16° le Centre pour l'égalité des chances et la lutte contre le racisme. ".
TITEL VII. - Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie en Gelijke Kansen.
TITRE VII. - Fonction publique, Intégration sociale et Egalité des Chances.
HOOFDSTUK I. - Ambtenarenzaken.
CHAPITRE Ier. - Fonction publique.
Art.97. Artikel 96, § 2, van de programmawet van 30 december 2001 wordt opgeheven.
Art.97. L'article 96, § 2, de la loi-programme du 30 décembre 2001 est abrogé.
Art.98. Artikel 97 treedt in werking op dezelfde datum als het koninklijk besluit betreffende de loopbaan van niveau A van het rijkspersoneel waarmee de integratie van bepaalde ambtenaren van niveau 1 in de nieuwe loopbaan geregeld wordt.
Art.98. L'article 97 entre en vigueur à la même date que l'arrêté royal relatif à la carrière du niveau A des agents de l'Etat assurant l'intégration de certains agents du niveau 1 dans la nouvelle carrière.
HOOFDSTUK II. - Maatschappelijke Integratie.
CHAPITRE II. - Intégration sociale.
Afdeling I. - Wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Section première. - Modification de la loi du 8 juillet 1976 organique concernant des centres publics d'action sociale.
Art.99. Hoofdstuk IV van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wordt aangevuld met een afdeling 4, bestaande uit artikel 68quinquies luidende :
" Afdeling 4. - Specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen
Art. 68quinquies. - § 1. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is belast met het toekennen van een specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen.
§ 2. Het recht op hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen wordt verleend wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° de onderhoudsplichtige heeft recht op het leefloon of op een gelijkwaardige financiële maatschappelijke hulp;
2° de onderhoudsplichtige is een persoon die :
- ofwel onderhoudsgeld voor zijn kinderen verschuldigd is, vastgelegd hetzij in een uitvoerbare gerechtelijke beslissing, hetzij in een overeenkomst bedoeld bij artikel 1288, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, hetzij in een uitvoerbare schikking bedoeld in artikelen 731 tot 734 van het Gerechtelijk Wetboek;
- ofwel onderhoudsgeld verschuldigd is op basis van artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek;
3° het kind woont daadwerkelijk in België;
4° de onderhoudsplichtige levert het bewijs van de betaling van dit onderhoudsgeld.
§ 3. De specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden bedraagt 50 pct. van het bedrag van de betaalde onderhoudsgelden, met een maximum van 1 100 EUR per jaar.
§ 4. De Koning bepaalt de regels voor de indiening van de aanvraag bij het bevoegd centrum, voor de kennisgeving van de beslissing en voor de uitkering van de specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen. Hij bepaalt de te volgen procedure in geval van onbevoegdheid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn waarbij de aanvraag wordt ingediend.
§ 5. De Staat kent het bevoegd centrum een toelage toe, gelijk aan 100 pct. van het bedrag van de specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen.
Voorschotten in mindering van het bedrag dat door de Staat ten laste wordt genomen, kunnen toegekend worden onder de voorwaarden en volgens de regels bepaald door de Koning. ".
" Afdeling 4. - Specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen
Art. 68quinquies. - § 1. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn is belast met het toekennen van een specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen.
§ 2. Het recht op hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen wordt verleend wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn :
1° de onderhoudsplichtige heeft recht op het leefloon of op een gelijkwaardige financiële maatschappelijke hulp;
2° de onderhoudsplichtige is een persoon die :
- ofwel onderhoudsgeld voor zijn kinderen verschuldigd is, vastgelegd hetzij in een uitvoerbare gerechtelijke beslissing, hetzij in een overeenkomst bedoeld bij artikel 1288, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, hetzij in een uitvoerbare schikking bedoeld in artikelen 731 tot 734 van het Gerechtelijk Wetboek;
- ofwel onderhoudsgeld verschuldigd is op basis van artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek;
3° het kind woont daadwerkelijk in België;
4° de onderhoudsplichtige levert het bewijs van de betaling van dit onderhoudsgeld.
§ 3. De specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden bedraagt 50 pct. van het bedrag van de betaalde onderhoudsgelden, met een maximum van 1 100 EUR per jaar.
§ 4. De Koning bepaalt de regels voor de indiening van de aanvraag bij het bevoegd centrum, voor de kennisgeving van de beslissing en voor de uitkering van de specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen. Hij bepaalt de te volgen procedure in geval van onbevoegdheid van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn waarbij de aanvraag wordt ingediend.
§ 5. De Staat kent het bevoegd centrum een toelage toe, gelijk aan 100 pct. van het bedrag van de specifieke hulp voor het betalen van onderhoudsgelden ten gunste van kinderen.
Voorschotten in mindering van het bedrag dat door de Staat ten laste wordt genomen, kunnen toegekend worden onder de voorwaarden en volgens de regels bepaald door de Koning. ".
Art.99. Le Chapitre IV de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'action sociale, est complété par une section 4, comprenant l'article 68quinquies, rédigée comme suit :
" Section 4. - Aide spécifique au paiement de pensions alimentaires en faveur d'enfants
" Art. 68quinquies. - § 1er. Le centre public d'action sociale est chargé d'allouer une aide spécifique au paiement de pensions alimentaires en faveur d'enfants.
§ 2. Le droit à une aide au paiement de pensions alimentaires en faveur d'enfants est accordé lorsque sont réunies les conditions suivantes :
1° le débiteur d'aliments est ayant droit au revenu d'intégration ou de l'aide sociale financière équivalente;
2° le débiteur d'aliments est une personne qui est redevable :
- soit d'une pension alimentaire à l'égard de ses enfants et fixée soit par une décision judiciaire exécutoire, soit dans une convention visée à l'article 1288, 3°, du Code judiciaire, soit dans un accord exécutoire visé aux articles 731 à 734 du Code judiciaire;
- soit d'une pension alimentaire sur la base de l'article 336 du Code civil;
3° l'enfant réside effectivement en Belgique;
4° le débiteur d'aliments apporte la preuve du paiement de cette pension alimentaire.
§ 3. Le montant du droit à une aide spécifique au paiement de pensions alimentaires s'élève à 50 % du montant des pensions alimentaires payées, plafonné à 1 100 EUR par an.
§ 4. Le Roi détermine les modalités relatives à l'introduction de la demande auprès du centre compétent, à la notification de la décision et au paiement de l'aide spécifique au paiement des pensions alimentaires en faveur d'enfants. Il détermine la procédure à suivre en cas d'incompétence du centre public d'action sociale qui reçoit la demande.
§ 5. L'Etat accorde au centre compétent une subvention égale à 100 % du montant de l'aide spécifique au paiement de pensions alimentaires en faveur d'enfants.
Des avances à valoir sur le montant dont la charge est supportée par l'Etat peuvent être accordées dans les conditions et selon les modalités fixées par le Roi. ".
" Section 4. - Aide spécifique au paiement de pensions alimentaires en faveur d'enfants
" Art. 68quinquies. - § 1er. Le centre public d'action sociale est chargé d'allouer une aide spécifique au paiement de pensions alimentaires en faveur d'enfants.
§ 2. Le droit à une aide au paiement de pensions alimentaires en faveur d'enfants est accordé lorsque sont réunies les conditions suivantes :
1° le débiteur d'aliments est ayant droit au revenu d'intégration ou de l'aide sociale financière équivalente;
2° le débiteur d'aliments est une personne qui est redevable :
- soit d'une pension alimentaire à l'égard de ses enfants et fixée soit par une décision judiciaire exécutoire, soit dans une convention visée à l'article 1288, 3°, du Code judiciaire, soit dans un accord exécutoire visé aux articles 731 à 734 du Code judiciaire;
- soit d'une pension alimentaire sur la base de l'article 336 du Code civil;
3° l'enfant réside effectivement en Belgique;
4° le débiteur d'aliments apporte la preuve du paiement de cette pension alimentaire.
§ 3. Le montant du droit à une aide spécifique au paiement de pensions alimentaires s'élève à 50 % du montant des pensions alimentaires payées, plafonné à 1 100 EUR par an.
§ 4. Le Roi détermine les modalités relatives à l'introduction de la demande auprès du centre compétent, à la notification de la décision et au paiement de l'aide spécifique au paiement des pensions alimentaires en faveur d'enfants. Il détermine la procédure à suivre en cas d'incompétence du centre public d'action sociale qui reçoit la demande.
§ 5. L'Etat accorde au centre compétent une subvention égale à 100 % du montant de l'aide spécifique au paiement de pensions alimentaires en faveur d'enfants.
Des avances à valoir sur le montant dont la charge est supportée par l'Etat peuvent être accordées dans les conditions et selon les modalités fixées par le Roi. ".
Art.100. Artikel 99 treedt in werking op 1 januari 2005.
Art.100. L'article 99 entre en vigueur le 1er janvier 2005.
Art.101. Artikel 98 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 5 augustus 1992 en 3 mei 2003, wordt aangevuld met een § 3, luidende :
" § 3. In afwijking van § 2 kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn algemeen afzien van het verhalen van de maatschappelijke dienstverlening verleend aan personen die ten laste zijn genomen in instellingen, waar bejaarden worden gehuisvest, op de onderhoudsplichtigen, met de goedkeuring van de gemeentelijke overheid. ".
" § 3. In afwijking van § 2 kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn algemeen afzien van het verhalen van de maatschappelijke dienstverlening verleend aan personen die ten laste zijn genomen in instellingen, waar bejaarden worden gehuisvest, op de onderhoudsplichtigen, met de goedkeuring van de gemeentelijke overheid. ".
Art.101. Dans l'article 98 de la même loi, modifié par les lois des 5 août 1992 et 3 mai 2003, il est ajouté un § 3, rédigé comme suit :
" § 3. Par dérogation au § 2, le centre public d'action sociale peut renoncer de manière générale au recouvrement de l'aide sociale octroyée aux personnes prises en charge dans des établissements d'hébergement pour personnes âgées, à charge de ceux qui doivent des aliments, avec l'accord de l'autorité communale. ".
" § 3. Par dérogation au § 2, le centre public d'action sociale peut renoncer de manière générale au recouvrement de l'aide sociale octroyée aux personnes prises en charge dans des établissements d'hébergement pour personnes âgées, à charge de ceux qui doivent des aliments, avec l'accord de l'autorité communale. ".
Art.102. Artikel 100bis, § 2, eerste lid, van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt :
" Onverminderd artikel 98, § 3, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn slechts afzien van het bepalen van de bijdrage van de begunstigde, van de terugvordering of het verhaal bedoeld in de artikelen 98, §§ 1 en 2, 99 en 100, bij een individuele beslissing en om redenen van billijkheid die in de beslissing worden vermeld. ".
" Onverminderd artikel 98, § 3, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn slechts afzien van het bepalen van de bijdrage van de begunstigde, van de terugvordering of het verhaal bedoeld in de artikelen 98, §§ 1 en 2, 99 en 100, bij een individuele beslissing en om redenen van billijkheid die in de beslissing worden vermeld. ".
Art.102. L'article 100bis, § 2, alinéa 1er, de la même loi, est remplacé par la disposition suivante :
" Sans préjudice de l'article 98, § 3, le centre public d'action sociale ne peut renoncer à la fixation de la contribution du bénéficiaire, à la récupération ou au recouvrement visés aux articles 98, §§ 1er et 2, 99 et 100, que par une décision individuelle et pour des raisons d'équité qui seront mentionnées dans la décision. ".
" Sans préjudice de l'article 98, § 3, le centre public d'action sociale ne peut renoncer à la fixation de la contribution du bénéficiaire, à la récupération ou au recouvrement visés aux articles 98, §§ 1er et 2, 99 et 100, que par une décision individuelle et pour des raisons d'équité qui seront mentionnées dans la décision. ".
Afdeling II. - Wijziging van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Section II. - Modification de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale.
Art.103. In artikel 2, § 5, van de wet van 2 april 1965 gewijzigd bij de wetten van 24 mei 1994 en 7 mei 1999 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid en het tweede lid worden vervangen door de volgende lid :
" In afwijking van artikel 1, 1°, is bevoegd om maatschappelijke dienstverlening aan een kandidaat-vluchteling of aan een persoon die van de tijdelijke bescherming geniet in het kader van de massale toestroom van ontheemden toe te kennen, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn :
a) van de gemeente waar hij in het wachtregister is ingeschreven,
of
b) van de gemeente waar hij in de bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister is ingeschreven.
Wanneer verschillende gemeenten vermeld zijn in de inschrijving van een kandidaat-vluchteling of van een persoon die van de tijdelijke bescherming geniet in het kader van de massale toestroom van ontheemden is het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente aangeduid als verplichte plaats van inschrijving, bevoegd om hem maatschappelijke dienstverlening toe te kennen. ";
2° tussen het tweede en het derde lid wordt het volgende lid ingevoegd :
" Niettegenstaande het behoud van de aanduiding van een verplichte plaats van inschrijving houdt deze territoriale bevoegdheid op wanneer :
- ofwel de asielprocedure beëindigd is door het verstrijken van de beroepstermijn tegen een beslissing van het Commissariaat-generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen of van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen of ingevolge het arrest tot verwerping van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State tegen een beslissing van het Commissariaat-generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen of van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen;
- ofwel de tijdelijke bescherming van de ontheemden is beëindigd. ".
1° het eerste lid en het tweede lid worden vervangen door de volgende lid :
" In afwijking van artikel 1, 1°, is bevoegd om maatschappelijke dienstverlening aan een kandidaat-vluchteling of aan een persoon die van de tijdelijke bescherming geniet in het kader van de massale toestroom van ontheemden toe te kennen, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn :
a) van de gemeente waar hij in het wachtregister is ingeschreven,
of
b) van de gemeente waar hij in de bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister is ingeschreven.
Wanneer verschillende gemeenten vermeld zijn in de inschrijving van een kandidaat-vluchteling of van een persoon die van de tijdelijke bescherming geniet in het kader van de massale toestroom van ontheemden is het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente aangeduid als verplichte plaats van inschrijving, bevoegd om hem maatschappelijke dienstverlening toe te kennen. ";
2° tussen het tweede en het derde lid wordt het volgende lid ingevoegd :
" Niettegenstaande het behoud van de aanduiding van een verplichte plaats van inschrijving houdt deze territoriale bevoegdheid op wanneer :
- ofwel de asielprocedure beëindigd is door het verstrijken van de beroepstermijn tegen een beslissing van het Commissariaat-generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen of van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen of ingevolge het arrest tot verwerping van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State tegen een beslissing van het Commissariaat-generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen of van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen;
- ofwel de tijdelijke bescherming van de ontheemden is beëindigd. ".
Art.103. A l'article 2, § 5, de la loi du 2 avril 1965 modifié par les lois des 24 mai 1994 et 7 mai 1999 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale, sont apportées les modifications suivantes :
1° les alinéas 1er et 2 sont remplacés par les alinéas suivants :
" Par dérogation à l'article 1er, 1°, est compétent pour accorder l'aide sociale à un candidat réfugié ou à une personne bénéficiant de la protection temporaire dans le cadre d'afflux massif de personnes déplacées, le centre public d'action sociale :
a) de la commune où il est inscrit au registre d'attente,
ou
b) de la commune ou il est inscrit au registre de la population ou au registre des étrangers.
Lorsque plusieurs communes sont mentionnées dans l'inscription d'un candidat réfugie ou d'une personne bénéficiant de la protection temporaire dans le cadre d'afflux massif de personnes déplacées, le centre public d'action sociale de la commune désignée en lieu obligatoire d'inscription est compétent pour lui accorder l'aide sociale. ";
2° entre les alinéas 2 et 3, l'alinéa suivant est inséré :
" Nonobstant le maintien de la désignation d'un lieu obligatoire d'inscription, cette compétence territoriale prend fin lorsque :
- soit la procédure d'asile se termine par l'expiration du délai de recours contre une décision du Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou de la Commission permanente de recours des réfugiés ou par l'arrêt de rejet du recours en annulation porté devant le Conseil d'Etat contre une décision du Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou de la Commission permanente de recours des réfugiés;
- soit lorsqu'il est mis fin à la protection temporaire des personnes déplacées. ".
1° les alinéas 1er et 2 sont remplacés par les alinéas suivants :
" Par dérogation à l'article 1er, 1°, est compétent pour accorder l'aide sociale à un candidat réfugié ou à une personne bénéficiant de la protection temporaire dans le cadre d'afflux massif de personnes déplacées, le centre public d'action sociale :
a) de la commune où il est inscrit au registre d'attente,
ou
b) de la commune ou il est inscrit au registre de la population ou au registre des étrangers.
Lorsque plusieurs communes sont mentionnées dans l'inscription d'un candidat réfugie ou d'une personne bénéficiant de la protection temporaire dans le cadre d'afflux massif de personnes déplacées, le centre public d'action sociale de la commune désignée en lieu obligatoire d'inscription est compétent pour lui accorder l'aide sociale. ";
2° entre les alinéas 2 et 3, l'alinéa suivant est inséré :
" Nonobstant le maintien de la désignation d'un lieu obligatoire d'inscription, cette compétence territoriale prend fin lorsque :
- soit la procédure d'asile se termine par l'expiration du délai de recours contre une décision du Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou de la Commission permanente de recours des réfugiés ou par l'arrêt de rejet du recours en annulation porté devant le Conseil d'Etat contre une décision du Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou de la Commission permanente de recours des réfugiés;
- soit lorsqu'il est mis fin à la protection temporaire des personnes déplacées. ".
Afdeling III. - Wijziging van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.
Section III. - Modification de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale.
Art.104. Artikel 14, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, wordt vervangen als volgt :
" § 1. Het leefloon bedraagt :
1° 4 400 EUR voor elke persoon die met één of meerdere personen samenwoont.
Onder samenwoning wordt verstaan het onder hetzelfde dak wonen van personen die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen.
2° 6 600 EUR voor een alleenstaande persoon.
3° 8 800 EUR voor een persoon die uitsluitend samenwoont met een gezin te zijnen laste.
Dit recht wordt geopend van zodra er ten minste één minderjarig ongehuwd kind aanwezig is.
Het dekt meteen het recht van de eventuele echtgeno(o)t(e) of levenspartner.
Onder gezin ten laste wordt verstaan, de echtgenoot, de levenspartner, het ongehuwd minderjarig kind of meerdere kinderen onder wie minstens één ongehuwd minderjarig kind.
De levenspartner is de persoon met wie de aanvrager een feitelijk gezin vormt.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in welke mate de echtgenoot of de levenspartner de in artikel 3 bedoelde voorwaarden moet vervullen. ".
" § 1. Het leefloon bedraagt :
1° 4 400 EUR voor elke persoon die met één of meerdere personen samenwoont.
Onder samenwoning wordt verstaan het onder hetzelfde dak wonen van personen die hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen.
2° 6 600 EUR voor een alleenstaande persoon.
3° 8 800 EUR voor een persoon die uitsluitend samenwoont met een gezin te zijnen laste.
Dit recht wordt geopend van zodra er ten minste één minderjarig ongehuwd kind aanwezig is.
Het dekt meteen het recht van de eventuele echtgeno(o)t(e) of levenspartner.
Onder gezin ten laste wordt verstaan, de echtgenoot, de levenspartner, het ongehuwd minderjarig kind of meerdere kinderen onder wie minstens één ongehuwd minderjarig kind.
De levenspartner is de persoon met wie de aanvrager een feitelijk gezin vormt.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in welke mate de echtgenoot of de levenspartner de in artikel 3 bedoelde voorwaarden moet vervullen. ".
Art.104. L'article 14, § 1er, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Le revenu d'intégration s'élève à :
1° 4 400 EUR pour toute personne cohabitant avec une ou plusieurs personnes.
Il faut entendre par cohabitation le fait que des personnes vivent sous le même toit et règlent principalement en commun leurs questions ménagères.
2° 6 600 EUR pour une personne isolée.
3° 8 800 EUR pour une personne vivant exclusivement avec une famille à sa charge.
Ce droit s'ouvre dès qu'il y a présence d'au moins un enfant mineur non marié.
Il couvre également le droit de l'éventuel conjoint ou partenaire de vie.
Par famille à charge, on entend le conjoint, le partenaire de vie, l'enfant mineur non marié ou plusieurs enfants parmi lesquels au moins un enfant mineur non marié.
Par partenaire de vie, on entend la personne avec qui le demandeur constitue un ménage de fait.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, dans quelle mesure le conjoint ou le partenaire de vie doit répondre aux conditions d'octroi visées à l'article 3. ".
" § 1er. Le revenu d'intégration s'élève à :
1° 4 400 EUR pour toute personne cohabitant avec une ou plusieurs personnes.
Il faut entendre par cohabitation le fait que des personnes vivent sous le même toit et règlent principalement en commun leurs questions ménagères.
2° 6 600 EUR pour une personne isolée.
3° 8 800 EUR pour une personne vivant exclusivement avec une famille à sa charge.
Ce droit s'ouvre dès qu'il y a présence d'au moins un enfant mineur non marié.
Il couvre également le droit de l'éventuel conjoint ou partenaire de vie.
Par famille à charge, on entend le conjoint, le partenaire de vie, l'enfant mineur non marié ou plusieurs enfants parmi lesquels au moins un enfant mineur non marié.
Par partenaire de vie, on entend la personne avec qui le demandeur constitue un ménage de fait.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, dans quelle mesure le conjoint ou le partenaire de vie doit répondre aux conditions d'octroi visées à l'article 3. ".
Art.105. Artikel 40 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid :
" De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van de in het eerste lid vermelde toelage aanpassen. ".
" De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van de in het eerste lid vermelde toelage aanpassen. ".
Art.105. L'article 40 de la même loi est complété par l'alinéa suivant :
" Le Roi peut, par arrête délibéré en Conseil des ministres adapter le montant de la subvention mentionné à l'alinéa 1er. ".
" Le Roi peut, par arrête délibéré en Conseil des ministres adapter le montant de la subvention mentionné à l'alinéa 1er. ".
Art.106. Artikel 104 treedt in werking op 1 januari 2005.
Art.106. L'article 104 entre en vigueur le 1er janvier 2005.
Afdeling IV. - Fonds sociale economie.
Section IV. - Fonds d'Economie sociale.
Art.107. In de tabel gevoegd bij de wet van 24 december 1993 tot oprichting van begrotingsfondsen en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990, wordt onder de rubriek 26-5 " Fonds voor sociale economie " een bijzondere bepaling ingevoegd, luidend als volgt :
" Het fonds voor sociale economie beschikt voor de programmatie 2000-2006 over een vastleggingsmachtiging. ".
" Het fonds voor sociale economie beschikt voor de programmatie 2000-2006 over een vastleggingsmachtiging. ".
Art.107. Au tableau annexé à la loi du 24 décembre 1993 créant des Fonds budgétaires et modifiant la loi organique du 27 décembre 1990, est insérée sous la rubrique 26-5 " Fonds d'économie sociale ", une clause particulière, libellée comme suit :
" Le fonds d'économie sociale dispose pour la programmation 2000-2006 d'une autorisation d'engagement. ".
" Le fonds d'économie sociale dispose pour la programmation 2000-2006 d'une autorisation d'engagement. ".
HOOFDSTUK III. - Gelijke Kansen.
CHAPITRE III. - Egalité des chances.
Afdeling I. - Wijziging van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.
Section première. - Modification de la loi du 25 février 2003 tendant à lutter contre les discriminations et modifiant la loi du 15 février 2003 créant un Centre pour l'égalité des chances et la lutte contre le racisme.
Art.108. Artikel 31, eerste lid, van de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, wordt als volgt aangevuld :
" behalve als de betwiste discriminatie gebaseerd is op het geslacht.
In dit laatste geval, kan het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, opgericht bij wet van 16 december 2002, optreden in rechte in gedingen waartoe de toepassing van deze wet aanleiding zou geven. ".
" behalve als de betwiste discriminatie gebaseerd is op het geslacht.
In dit laatste geval, kan het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, opgericht bij wet van 16 december 2002, optreden in rechte in gedingen waartoe de toepassing van deze wet aanleiding zou geven. ".
Art.108. L'article 31, alinéa 1er, de la loi du 25 février 2003 tendant à lutter contre les discriminations et modifiant la loi du 15 février 2003 créant un Centre pour l'égalité des chances et la lutte contre le racisme, est complété comme suit :
" sauf si la discrimination contestée repose sur le sexe.
Dans ce dernier cas, l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes créé par la loi du 16 décembre 2002 peut ester en justice dans les litiges auxquels l'application de la présente loi donnerait lieu. ".
" sauf si la discrimination contestée repose sur le sexe.
Dans ce dernier cas, l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes créé par la loi du 16 décembre 2002 peut ester en justice dans les litiges auxquels l'application de la présente loi donnerait lieu. ".
Afdeling II. - Wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Section II. - Modification de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'action sociale.
Art.109. In artikel 57ter 1, § 1, 1°, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn ingevoegd bij de wet van 2 januari 2001, worden de woorden " de Minister van Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde " vervangen door de woorden " het Federaal Agentschap voor de opvang van asielzoekers ".
Art.109. Dans l'article 57ter 1, § 1er, 1°, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'action sociale, les mots inséré par la loi du 2 janvier 2001 " le ministre de l'Intérieur ou son délégué " sont remplacés par les mots " l'Agence fédérale pour l'accueil des demandeurs d'asile ".
Art.110. Artikel 109 treedt in werking op de datum die door de Koning wordt bepaald conform artikel 494 van de programmawet van 22 december 2003.
Art.110. L'article 109 entre en vigueur à la date fixée par le Roi conformément à l'article 494 de la loi-programme du 22 décembre 2003.
Afdeling III. - Wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Section III. - Modification de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
Art.111. Artikel 493 van de programmawet van 22 december 2003, wordt vervangen als volgt :
" Art. 493. - In artikel 54 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, laatst gewijzigd bij de wet van 18 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden " De Minister, of diens gemachtigde " vervangen door de woorden " Het Federaal Agentschap voor de opvang van asielzoekers ";
2° § 1, derde lid, wordt vervangen als volgt :
" Bij de aanduiding van een verplichte plaats van inschrijving houdt het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers rekening met :
1° de bezettingsgraad van de opvangcentra voor asielzoekers;
2° een harmonieuze spreiding over de gemeenten volgens de criteria bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, waarbij erop moet worden gelet dat deze plaats aangepast is aan de asielzoeker en dit binnen de beschikbare plaatsen. ";
3° in § 3, eerste lid, worden de woorden " De Minister of zijn gemachtigde " vervangen door de woorden " Het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers ".
" Art. 493. - In artikel 54 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, laatst gewijzigd bij de wet van 18 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden " De Minister, of diens gemachtigde " vervangen door de woorden " Het Federaal Agentschap voor de opvang van asielzoekers ";
2° § 1, derde lid, wordt vervangen als volgt :
" Bij de aanduiding van een verplichte plaats van inschrijving houdt het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers rekening met :
1° de bezettingsgraad van de opvangcentra voor asielzoekers;
2° een harmonieuze spreiding over de gemeenten volgens de criteria bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, waarbij erop moet worden gelet dat deze plaats aangepast is aan de asielzoeker en dit binnen de beschikbare plaatsen. ";
3° in § 3, eerste lid, worden de woorden " De Minister of zijn gemachtigde " vervangen door de woorden " Het Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers ".
Art.111. L'article 493 de la loi-programme du 22 décembre 2003, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 493. - A l'article 54 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, modifié en dernier lieu par la loi du 18 février 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, alinéa 1er, les mots " Le Ministre, ou son délégué " sont remplacés par les mots " L'Agence fédérale pour l'accueil des demandeurs d'asile ";
2° le § 1er, alinéa 3, est remplacé par la disposition suivante :
" Lors de la désignation d'un lieu obligatoire d'inscription, l'Agence fédérale pour l'accueil des demandeurs d'asile tient compte :
1° du degré d'occupation des centres d'accueil pour demandeurs d'asile;
2° d'une répartition harmonieuse entre les communes en vertu des critères fixés par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, tout en veillant à ce que ce lieu soit adapté au demandeur d'asile et ce dans les limites des places disponibles. ";
3° au § 3, alinéa 1er, les mots " Le Ministre ou son délégué " sont remplacés par les mots " L'Agence fédérale pour l'accueil des demandeurs d'asile ".
" Art. 493. - A l'article 54 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, modifié en dernier lieu par la loi du 18 février 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, alinéa 1er, les mots " Le Ministre, ou son délégué " sont remplacés par les mots " L'Agence fédérale pour l'accueil des demandeurs d'asile ";
2° le § 1er, alinéa 3, est remplacé par la disposition suivante :
" Lors de la désignation d'un lieu obligatoire d'inscription, l'Agence fédérale pour l'accueil des demandeurs d'asile tient compte :
1° du degré d'occupation des centres d'accueil pour demandeurs d'asile;
2° d'une répartition harmonieuse entre les communes en vertu des critères fixés par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, tout en veillant à ce que ce lieu soit adapté au demandeur d'asile et ce dans les limites des places disponibles. ";
3° au § 3, alinéa 1er, les mots " Le Ministre ou son délégué " sont remplacés par les mots " L'Agence fédérale pour l'accueil des demandeurs d'asile ".
TITEL VIII. - Sociale Zaken en Volksgezondheid.
TITRE VIII. - Affaires sociales et Santé publique.
HOOFDSTUK I. - Sociale Zekerheid.
CHAPITRE Ier. - Sécurité Sociale.
Afdeling I. - Openbare instellingen van sociale zekerheid.
Section première. - Institutions publiques de sécurité sociale.
Art.112. Artikel 8, § 4, van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, wordt vervangen als volgt :
" § 4. In afwijking van § 1 wordt de eerste bestuursovereenkomst gesloten voor een duur van :
- vier jaar indien de eerste bestuursovereenkomst uitwerking heeft op 1 januari 2002;
- drie jaar indien de eerste bestuursovereenkomst uitwerking heeft op een latere datum.
Over de eerste bestuursovereenkomst bedoeld onder a) wordt door de voogdijminister verslag uitgebracht aan de Ministerraad gedurende de negenendertigste maand na de inwerkingtreding ervan.
Over de eerste bestuursovereenkomst bedoeld onder b) wordt door de Voogdijminister verslag uitgebracht aan de Ministerraad gedurende de zevenentwintigste maand na de inwerkingtreding ervan.
Ten gevolge van de bespreking van dat verslag kan de Ministerraad de voogdijminister opdragen om, in afwijking van § 2, eerste lid, de onderhandelingen van een nieuwe bestuursovereenkomst onmiddellijk aan te vatten. ".
" § 4. In afwijking van § 1 wordt de eerste bestuursovereenkomst gesloten voor een duur van :
- vier jaar indien de eerste bestuursovereenkomst uitwerking heeft op 1 januari 2002;
- drie jaar indien de eerste bestuursovereenkomst uitwerking heeft op een latere datum.
Over de eerste bestuursovereenkomst bedoeld onder a) wordt door de voogdijminister verslag uitgebracht aan de Ministerraad gedurende de negenendertigste maand na de inwerkingtreding ervan.
Over de eerste bestuursovereenkomst bedoeld onder b) wordt door de Voogdijminister verslag uitgebracht aan de Ministerraad gedurende de zevenentwintigste maand na de inwerkingtreding ervan.
Ten gevolge van de bespreking van dat verslag kan de Ministerraad de voogdijminister opdragen om, in afwijking van § 2, eerste lid, de onderhandelingen van een nieuwe bestuursovereenkomst onmiddellijk aan te vatten. ".
Art.112. L'article 8, § 4, de l'arrête royal du 3 avril 1997 portant des mesures en vue de la responsabilisation des institutions publiques de sécurité sociale, en application de l'article 47 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, est remplacé par la disposition suivante :
" § 4. Par dérogation au § 1er, le premier contrat d'administration est conclu pour une durée de :
- quatre ans si le premier contrat d'administration produit ses effets le 1er janvier 2002;
- trois ans si le premier contrat d'administration produit ses effets à une date ultérieure.
Le premier contrat d'administration visé sous a) fait l'objet d'un rapport par le ministre de tutelle au Conseil des ministres, dans le courant du trente-neuvième mois après son entrée en vigueur.
Le premier contrat d'administration visé sous b) fait l'objet d'un rapport par le ministre de tutelle au Conseil des ministres, dans le courant du vingt-septième mois après son entrée en vigueur.
Suite à la discussion de ce rapport, le Conseil des ministres peut charger le ministre de tutelle d'entamer immédiatement, par dérogation au § 2, alinéa 1er, les négociations en vue d'un nouveau contrat d'administration. ".
" § 4. Par dérogation au § 1er, le premier contrat d'administration est conclu pour une durée de :
- quatre ans si le premier contrat d'administration produit ses effets le 1er janvier 2002;
- trois ans si le premier contrat d'administration produit ses effets à une date ultérieure.
Le premier contrat d'administration visé sous a) fait l'objet d'un rapport par le ministre de tutelle au Conseil des ministres, dans le courant du trente-neuvième mois après son entrée en vigueur.
Le premier contrat d'administration visé sous b) fait l'objet d'un rapport par le ministre de tutelle au Conseil des ministres, dans le courant du vingt-septième mois après son entrée en vigueur.
Suite à la discussion de ce rapport, le Conseil des ministres peut charger le ministre de tutelle d'entamer immédiatement, par dérogation au § 2, alinéa 1er, les négociations en vue d'un nouveau contrat d'administration. ".
Art.113. In artikel 3, tweede lid, van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, gewijzigd bij de wet van 21 december 1994, worden de woorden " en ten minste 25 jaar oud " vervangen door de woorden " en ten minste 21 jaar oud ".
Art.113. Dans l'article 3, alinéa 2, de la loi du 25 avril 1963 sur la gestion des organismes d'intérêt public de sécurité sociale et de prévoyance sociale, modifié par la loi du 21 décembre 1994, les mots " et âgés de 25 ans au moins " sont remplacés par les mots " et âgé de 21 ans au moins ".
Art.114. In artikel 8, tweede lid, van de gecoördineerde wetten van 3 juni 1970 betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, worden de woorden " en ten minste 25 jaar oud " vervangen door de woorden " en ten minste 21 jaar oud ".
Art.114. Dans l'article 8, alinéa, 2, des lois coordonnées du 3 juin 1970 relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, les mots " et âgé de 25 ans au moins " sont remplacés par les mots " et âgé de 21 ans au moins ".
Art.115. In artikel 43, tweede lid, van het koninklijk besluit nr 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, worden de woorden " en ten minste 25 jaar oud " vervangen door de woorden " en ten minste 21 jaar oud ".
Art.115. Dans l'article 43, alinéa 2, de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, les mots " et âgé de 25 ans au moins " sont remplacés par les mots " et âgé de 21 ans au moins ".
Art.116. Artikel 112 treedt in werking op 31 december 2004.
Art.116. L'article 112 entre en vigueur le 31 décembre 2004.
Afdeling II. - Statistische opdrachten van de openbare instellingen van sociale zekerheid.
Section II. - Missions statistiques des institutions publiques de sécurité sociale.
Onderafdeling I. - Wijziging van artikel 5 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Sous-section première. - Modification de l'article 5 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Art.117. Artikel 5 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid der arbeiders, wordt aangevuld met een 3°, luidende :
" 3° het ter beschikking stellen van statistische gegevens aan de overheid en het publiek die voortkomen uit zijn gegevensbanken en dit met respect voor de wetgevingen betreffende de bescherming van de persoonlijke gegevens of betreffende de ondernemingen; op voorstel van het Beheerscomité van de Rijksdienst, legt de minister die de voogdij op de Rijksdienst uitoefent de lijst van voormelde gegevens vast; op voorstel van het Beheerscomité van de Rijksdienst, bepaalt de minister die de voogdij op de Rijksdienst uitoefent :
a) de gevallen waarin de ter beschikkingstelling van voornoemde gegevens kosteloos gebeurt;
b) de gevallen waarin de ter beschikking stelling volgens kostprijs gebeurt; op voorstel van het Beheerscomité van de Rijksdienst, bepaalt hij ofwel het toepasselijk tarief ofwel de elementen die de vaststelling van de kostprijs van de ter beschikkingstelling van de aangevraagde gegevens mogelijk maken;
c) de gevallen waarin het Beheerscomité van de Rijksdienst een volledige of gedeeltelijke vermindering van de kostprijs kan toestaan voor ter beschikking stellingen van gegevens bedoeld onder b). ".
" 3° het ter beschikking stellen van statistische gegevens aan de overheid en het publiek die voortkomen uit zijn gegevensbanken en dit met respect voor de wetgevingen betreffende de bescherming van de persoonlijke gegevens of betreffende de ondernemingen; op voorstel van het Beheerscomité van de Rijksdienst, legt de minister die de voogdij op de Rijksdienst uitoefent de lijst van voormelde gegevens vast; op voorstel van het Beheerscomité van de Rijksdienst, bepaalt de minister die de voogdij op de Rijksdienst uitoefent :
a) de gevallen waarin de ter beschikkingstelling van voornoemde gegevens kosteloos gebeurt;
b) de gevallen waarin de ter beschikking stelling volgens kostprijs gebeurt; op voorstel van het Beheerscomité van de Rijksdienst, bepaalt hij ofwel het toepasselijk tarief ofwel de elementen die de vaststelling van de kostprijs van de ter beschikkingstelling van de aangevraagde gegevens mogelijk maken;
c) de gevallen waarin het Beheerscomité van de Rijksdienst een volledige of gedeeltelijke vermindering van de kostprijs kan toestaan voor ter beschikking stellingen van gegevens bedoeld onder b). ".
Art.117. L'article 5 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, est complété par un 3°, rédigé comme suit :
" 3° mettre à disposition de l'autorité et du public des données statistiques issues du traitement de ses bases de données et ce, dans le respect des législations concernant la protection des données personnelles ou relatives aux entreprises; sur proposition du Comité de gestion de l'Office, le ministre qui a la tutelle sur l'Office arrête la liste desdites données; sur proposition du Comité de gestion de l'Office, le ministre qui a la tutelle sur l'Office détermine :
a) les cas dans lesquels la mise à disposition de ces données a lieu à titre gratuit;
b) les cas dans lesquels la mise à disposition de ces données a lieu à prix coûtant; il fixe, sur proposition du Comité de gestion de l'Office, soit le tarif applicable soit les éléments permettant de déterminer le prix coûtant de la mise à disposition des données sollicitées;
c) les cas dans lesquels le Comité de gestion de l'Office peut décider d'une réduction totale ou partielle du prix coûtant pour des mises à disposition des données visées sous b). ".
" 3° mettre à disposition de l'autorité et du public des données statistiques issues du traitement de ses bases de données et ce, dans le respect des législations concernant la protection des données personnelles ou relatives aux entreprises; sur proposition du Comité de gestion de l'Office, le ministre qui a la tutelle sur l'Office arrête la liste desdites données; sur proposition du Comité de gestion de l'Office, le ministre qui a la tutelle sur l'Office détermine :
a) les cas dans lesquels la mise à disposition de ces données a lieu à titre gratuit;
b) les cas dans lesquels la mise à disposition de ces données a lieu à prix coûtant; il fixe, sur proposition du Comité de gestion de l'Office, soit le tarif applicable soit les éléments permettant de déterminer le prix coûtant de la mise à disposition des données sollicitées;
c) les cas dans lesquels le Comité de gestion de l'Office peut décider d'une réduction totale ou partielle du prix coûtant pour des mises à disposition des données visées sous b). ".
Onderafdeling II. - Wijziging van artikel 1 van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen.
Sous-section II. - Modification de l'article 1er de la loi du 1er août 1985 portant des dispositions sociales.
Art.118. Artikel 1 van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen, wordt aangevuld met een § 7, luidende :
" § 7. De Rijksdienst stelt statistische gegevens ter beschikking van de overheid en van het publiek die voortkomen uit zijn gegevensbanken en dit met respect voor de wetgevingen betreffende de bescherming van de persoonlijke gegevens of betreffende de ondernemingen; op voorstel van het Beheerscomité van de Rijksdienst, leggen de ministers die de voogdij op de Rijksdienst uitoefenen de lijst van voormelde gegevens vast; op voorstel van het Beheerscomité van de Rijksdienst, bepalen de ministers die de voogdij op de Rijksdienst uitoefenen,
1° de gevallen waarin de ter beschikkingstelling van voornoemde gegevens kosteloos gebeurt;
2° de gevallen waarin de ter beschikking stelling volgens kostprijs gebeurt; op voorstel van het Beheerscomité van de Rijksdienst, bepalen zij ofwel het toepasselijk tarief ofwel de elementen die de vaststelling van de kostprijs van de ter beschikkingstelling van de aangevraagde gegevens mogelijk maken;
3° de gevallen waarin het Beheerscomité van de Rijksdienst een volledige of gedeeltelijke vermindering van de kostprijs kan toestaan voor ter beschikking stellingen van gegevens bedoeld onder 2°. ".
" § 7. De Rijksdienst stelt statistische gegevens ter beschikking van de overheid en van het publiek die voortkomen uit zijn gegevensbanken en dit met respect voor de wetgevingen betreffende de bescherming van de persoonlijke gegevens of betreffende de ondernemingen; op voorstel van het Beheerscomité van de Rijksdienst, leggen de ministers die de voogdij op de Rijksdienst uitoefenen de lijst van voormelde gegevens vast; op voorstel van het Beheerscomité van de Rijksdienst, bepalen de ministers die de voogdij op de Rijksdienst uitoefenen,
1° de gevallen waarin de ter beschikkingstelling van voornoemde gegevens kosteloos gebeurt;
2° de gevallen waarin de ter beschikking stelling volgens kostprijs gebeurt; op voorstel van het Beheerscomité van de Rijksdienst, bepalen zij ofwel het toepasselijk tarief ofwel de elementen die de vaststelling van de kostprijs van de ter beschikkingstelling van de aangevraagde gegevens mogelijk maken;
3° de gevallen waarin het Beheerscomité van de Rijksdienst een volledige of gedeeltelijke vermindering van de kostprijs kan toestaan voor ter beschikking stellingen van gegevens bedoeld onder 2°. ".
Art.118. L'article 1er de la loi du 1er août 1985 portant des dispositions sociales, est complété par un § 7, libellé comme suit :
" § 7. L'Office national met à disposition de l'autorité et du public des données statistiques issues du traitement de ses bases de données et ce, dans le respect des législations concernant la protection des données personnelles ou relatives aux entreprises; sur proposition du Comité de gestion de l'Office, les ministres qui ont la tutelle sur l'Office arrêtent la liste desdites données; sur proposition du Comité de gestion de l'Office, les ministres qui ont la tutelle sur l'Office déterminent :
1° les cas dans lesquels la mise à disposition de ces données a lieu à titre gratuit;
2° les cas dans lesquels la mise à disposition de ces données a lieu à prix coûtant; ils fixent, sur proposition du Comité de gestion de l'Office, soit le tarif applicable soit les éléments permettant de déterminer le prix coûtant de la mise à disposition des données sollicitées;
3° les cas dans lesquels le Comité de gestion de l'Office peut décider d'une réduction totale ou partielle du prix coûtant pour des mises à disposition des données visées sous 2°. ".
" § 7. L'Office national met à disposition de l'autorité et du public des données statistiques issues du traitement de ses bases de données et ce, dans le respect des législations concernant la protection des données personnelles ou relatives aux entreprises; sur proposition du Comité de gestion de l'Office, les ministres qui ont la tutelle sur l'Office arrêtent la liste desdites données; sur proposition du Comité de gestion de l'Office, les ministres qui ont la tutelle sur l'Office déterminent :
1° les cas dans lesquels la mise à disposition de ces données a lieu à titre gratuit;
2° les cas dans lesquels la mise à disposition de ces données a lieu à prix coûtant; ils fixent, sur proposition du Comité de gestion de l'Office, soit le tarif applicable soit les éléments permettant de déterminer le prix coûtant de la mise à disposition des données sollicitées;
3° les cas dans lesquels le Comité de gestion de l'Office peut décider d'une réduction totale ou partielle du prix coûtant pour des mises à disposition des données visées sous 2°. ".
Onderafdeling III. - Statistische opdrachten van de openbare instellingen van sociale zekerheid.
Sous-section III. - Missions statistiques des institutions publiques de sécurité sociale.
Art.119. § 1. Ten aanzien van de andere openbare instellingen van sociale zekerheid in de zin van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels dan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheden, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit beslissen dat alle of sommige van deze instellingen aan de overheid en het publiek statistische gegevens ter beschikking stellen die voortkomen uit hun gegevensbanken en dit met respect voor de wetgevingen betreffende de bescherming van de persoonlijke gegevens of betreffende de ondernemingen.
Wanneer bij toepassing van het eerste lid een openbare instelling van sociale zekerheid ertoe gehouden is statistische gegevens ter beschikking te stellen, zijn de regels bepaald in § 2 van toepassing.
§ 2. Op voorstel van het Beheerscomité van de betrokken openbare instelling van sociale zekerheid, leggen de ministers die de voogdij op de instelling uitoefenen de lijst van voormelde gegevens vast; op voorstel van het Beheerscomité van de instelling, bepalen de ministers die de voogdij op de Rijksdienst uitoefenen :
1° de gevallen waarin de ter beschikkingstelling van voornoemde gegevens kosteloos gebeurt;
2° de gevallen waarin de ter beschikking stelling volgens kostprijs gebeurt; op voorstel van het Beheerscomité van de instelling, bepalen zij ofwel het toepasselijk tarief ofwel de elementen die de vaststelling van de kostprijs van de ter beschikkingstelling van de aangevraagde gegevens mogelijk maken;
3° de gevallen waarin het Beheerscomité van de instelling een volledige of gedeeltelijke vermindering van de kostprijs kan toestaan voor ter beschikking stellingen van gegevens bedoeld onder 2°. ".
Wanneer bij toepassing van het eerste lid een openbare instelling van sociale zekerheid ertoe gehouden is statistische gegevens ter beschikking te stellen, zijn de regels bepaald in § 2 van toepassing.
§ 2. Op voorstel van het Beheerscomité van de betrokken openbare instelling van sociale zekerheid, leggen de ministers die de voogdij op de instelling uitoefenen de lijst van voormelde gegevens vast; op voorstel van het Beheerscomité van de instelling, bepalen de ministers die de voogdij op de Rijksdienst uitoefenen :
1° de gevallen waarin de ter beschikkingstelling van voornoemde gegevens kosteloos gebeurt;
2° de gevallen waarin de ter beschikking stelling volgens kostprijs gebeurt; op voorstel van het Beheerscomité van de instelling, bepalen zij ofwel het toepasselijk tarief ofwel de elementen die de vaststelling van de kostprijs van de ter beschikkingstelling van de aangevraagde gegevens mogelijk maken;
3° de gevallen waarin het Beheerscomité van de instelling een volledige of gedeeltelijke vermindering van de kostprijs kan toestaan voor ter beschikking stellingen van gegevens bedoeld onder 2°. ".
Art.119. § 1er. A l'égard des institutions publiques de sécurité sociale au sens de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions autres que l'Office national de Sécurité sociale et de l'Office national de Sécurité sociale des administrations provinciales et locales, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, décider que toutes ou certaines d'entre elles mettent à disposition de l'autorité et du public des données statistiques issues du traitement de leurs bases de données et ce, dans le respect des législations concernant la protection des données personnelles ou relatives aux entreprises.
Lorsqu'une institution publique de sécurité sociale est tenue de mettre à disposition des données statistiques en application de l'alinéa 1er, les règles définies au § 2 s'appliquent.
§ 2. Sur proposition du Comité de gestion de l'institution publique de sécurité sociale concernée, les ministres qui ont la tutelle sur l'institution arrêtent la liste des données statistiques mises à disposition; sur proposition du Comité de gestion de l'institution, les ministres qui ont la tutelle sur l'Office déterminent :
1° les cas dans lesquels la mise à disposition de ces données a lieu à titre gratuit;
2° les cas dans lesquels la mise à disposition de ces données a lieu à prix coûtant; ils fixent, sur proposition du Comité de gestion de l'institution, soit le tarif applicable soit les éléments permettant de déterminer le prix coûtant de la mise à disposition des données sollicitées;
3° les cas dans lesquels le Comité de gestion de l'institution peut décider d'une réduction totale ou partielle du prix coûtant pour des mises à disposition des données visées sous 2°. ".
Lorsqu'une institution publique de sécurité sociale est tenue de mettre à disposition des données statistiques en application de l'alinéa 1er, les règles définies au § 2 s'appliquent.
§ 2. Sur proposition du Comité de gestion de l'institution publique de sécurité sociale concernée, les ministres qui ont la tutelle sur l'institution arrêtent la liste des données statistiques mises à disposition; sur proposition du Comité de gestion de l'institution, les ministres qui ont la tutelle sur l'Office déterminent :
1° les cas dans lesquels la mise à disposition de ces données a lieu à titre gratuit;
2° les cas dans lesquels la mise à disposition de ces données a lieu à prix coûtant; ils fixent, sur proposition du Comité de gestion de l'institution, soit le tarif applicable soit les éléments permettant de déterminer le prix coûtant de la mise à disposition des données sollicitées;
3° les cas dans lesquels le Comité de gestion de l'institution peut décider d'une réduction totale ou partielle du prix coûtant pour des mises à disposition des données visées sous 2°. ".
Afdeling III. - Wijziging van de artikelen 27 en 35 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Section III. - Modification des articles 27 et 35 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Art.120. Artikel 27 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1998 en 25 januari 1999, wordt aangevuld met het volgende lid :
" Het gebruik van de benaming " sociaal secretariaat " is uitsluitend voorbehouden aan de organisaties van werkgevers die als sociaal secretariaat erkend zijn overeenkomstig de door de Koning vastgestelde bepalingen. ".
" Het gebruik van de benaming " sociaal secretariaat " is uitsluitend voorbehouden aan de organisaties van werkgevers die als sociaal secretariaat erkend zijn overeenkomstig de door de Koning vastgestelde bepalingen. ".
Art.120. L'article 27 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, modifié par les lois des 22 février 1998 et 25 janvier 1999, est complété par l'alinéa suivant :
" L'usage de la dénomination " secrétariat social " est exclusivement réservé aux organisations d'employeurs qui sont reconnues comme secrétariat social conformément aux dispositions fixées par le Roi. ".
" L'usage de la dénomination " secrétariat social " est exclusivement réservé aux organisations d'employeurs qui sont reconnues comme secrétariat social conformément aux dispositions fixées par le Roi. ".
Art.121. In artikel 35 van dezelfde wet, gewijzigd door de wetten van 4 augustus 1978, 1 augustus 1985 en 6 juli 1989 en door het koninklijk besluit van 26 december 1998, wordt tussen het eerste en het tweede lid, het volgende lid ingevoegd :
" Onverminderd artikel 496 van het Strafwetboek wordt gestraft met een gevangenisstraf van 8 dagen tot één maand en met een geldboete van 26 tot 500 euro of met één van die straffen alleen ieder die in het openbaar gebruik maakt van de benaming " sociaal secretariaat " voor andere instellingen dan deze die overeenkomstig de door de Koning vastgestelde voorwaarden erkend zijn als sociaal secretariaat. ".
" Onverminderd artikel 496 van het Strafwetboek wordt gestraft met een gevangenisstraf van 8 dagen tot één maand en met een geldboete van 26 tot 500 euro of met één van die straffen alleen ieder die in het openbaar gebruik maakt van de benaming " sociaal secretariaat " voor andere instellingen dan deze die overeenkomstig de door de Koning vastgestelde voorwaarden erkend zijn als sociaal secretariaat. ".
Art.121. Dans l'article 35 de la même loi, modifié par les lois du 4 août 1978, 1er août 1985 et 6 juillet 1989, et par l'arrêté royal du 26 décembre 1998, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" Sans préjudice de l'article 496 du Code pénal, sera puni d'un emprisonnement de huit jours à un mois et d'une amende de 26 à 500 euros ou d'une de ces peines seulement, quiconque aura publiquement fait usage de la dénomination " secrétariat social " pour qualifier un organisme autre que ceux qui ont été reconnus comme secrétariat social conformément aux dispositions fixées par le Roi. ".
" Sans préjudice de l'article 496 du Code pénal, sera puni d'un emprisonnement de huit jours à un mois et d'une amende de 26 à 500 euros ou d'une de ces peines seulement, quiconque aura publiquement fait usage de la dénomination " secrétariat social " pour qualifier un organisme autre que ceux qui ont été reconnus comme secrétariat social conformément aux dispositions fixées par le Roi. ".
Art.122. Deze afdeling treedt in werking met ingang vanaf 1 oktober 2004.
Art.122. La présente section entre en vigueur le 1er octobre 2004.
Afdeling IV. - Bepalingen betreffende de kunstenaars.
Section IV. - Dispositions relatives aux artistes.
Onderafdeling I. - Wijziging van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Sous-section première. - Modification de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Art.123. In artikel 1bis, § 3, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, ingevoegd bij de wet van 24 december 2002, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :
" De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, de voorwaarden onder welke § 1 niet toepasselijk is op personen die artistieke prestaties leveren en/of artistieke werken produceren voor welke zij enkel onkostenvergoedingen bepaald in hetzelfde besluit ontvangen. ".
" De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, de voorwaarden onder welke § 1 niet toepasselijk is op personen die artistieke prestaties leveren en/of artistieke werken produceren voor welke zij enkel onkostenvergoedingen bepaald in hetzelfde besluit ontvangen. ".
Art.123. Dans l'article 1bis, § 3, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, inséré par la loi du 24 décembre 2002, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil et après avis du Conseil national du Travail, les conditions dans lesquelles le § 1er n'est pas applicable aux personnes qui fournissent des prestations et/ou produisent des oeuvres artistiques pour lesquelles elles ne bénéficient que d'indemnités de défraiement déterminées dans le même arrêté. ".
" Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil et après avis du Conseil national du Travail, les conditions dans lesquelles le § 1er n'est pas applicable aux personnes qui fournissent des prestations et/ou produisent des oeuvres artistiques pour lesquelles elles ne bénéficient que d'indemnités de défraiement déterminées dans le même arrêté. ".
Onderafdeling II. - Wijziging van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
Sous-section II. - Modification de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.
Art.124. Artikel 37quinquies, § 1, tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, ingevoegd bij de programmawet (I) van 24 december 2002, wordt aangevuld als volgt :
" Hij kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het voordeel van de in het eerste lid bedoelde vrijstelling beperken tot een welbepaald aantal dagen per kwartaal dan wel tot een welbepaald aantal uren per kwartaal. ".
" Hij kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het voordeel van de in het eerste lid bedoelde vrijstelling beperken tot een welbepaald aantal dagen per kwartaal dan wel tot een welbepaald aantal uren per kwartaal. ".
Art.124. L'article 37quinquies, § 1er, alinéa 2, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, inséré par la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, est complété comme suit :
" Il peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, limiter le bénéfice de l'exonération visée à l'alinéa 1er à un certain nombre de jours par trimestre ou à un certain nombre d'heures par trimestre. ".
" Il peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, limiter le bénéfice de l'exonération visée à l'alinéa 1er à un certain nombre de jours par trimestre ou à un certain nombre d'heures par trimestre. ".
Onderafdeling III. - Inwerkingtreding.
Sous-section III. - Entrée en vigueur.
Art.125. Deze afdeling treedt in werking op 1 juli 2004.
Art.125. La présente section entre en vigueur le 1er juillet 2004.
Afdeling V. - Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
Section V. - Banque carrefour de la sécurité sociale.
Art.126. Artikel 2, eerste lid, 1°, e), van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, wordt vervangen als volgt :
" e) alle regelingen van het stelsel van sociale bijstand, bestaande uit de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, het recht op maatschappelijke integratie, de gewaarborgde gezinsbijslag, het gewaarborgd inkomen voor bejaarden en de inkomensgarantie voor ouderen; ".
" e) alle regelingen van het stelsel van sociale bijstand, bestaande uit de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, het recht op maatschappelijke integratie, de gewaarborgde gezinsbijslag, het gewaarborgd inkomen voor bejaarden en de inkomensgarantie voor ouderen; ".
Art.126. L'article 2, alinéa 1er, 1°, e), de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque carrefour de la sécurité sociale, est remplacé par le texte suivant :
" e) l'ensemble des branches du régime de l'aide sociale constitué par les allocations aux personnes handicapées, le droit à l'intégration sociale, les prestations familiales garanties, le revenu garanti aux personnes âgées et la garantie de revenus aux personnes âgées; ".
" e) l'ensemble des branches du régime de l'aide sociale constitué par les allocations aux personnes handicapées, le droit à l'intégration sociale, les prestations familiales garanties, le revenu garanti aux personnes âgées et la garantie de revenus aux personnes âgées; ".
Art.127. Artikel 30 van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt :
" Art. 30. - Onverminderd de bepalingen van deze wet is de Kruispuntbank onderworpen aan de regels vastgesteld door of krachtens de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg en het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. Voor het overige worden de organisatie en de werking van de Kruispuntbank door de Koning geregeld. ".
" Art. 30. - Onverminderd de bepalingen van deze wet is de Kruispuntbank onderworpen aan de regels vastgesteld door of krachtens de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg en het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. Voor het overige worden de organisatie en de werking van de Kruispuntbank door de Koning geregeld. ".
Art.127. L'article 30 de la même loi, est remplacé par la dispositions suivante :
" Art. 30. - Sans préjudice des dispositions de la présente loi, la Banque carrefour est soumise aux règles fixées par ou en vertu de la loi du 25 avril 1963 sur la gestion des organismes d'intérêt public de sécurité sociale et de prévoyance sociale et l'arrêté royal du 3 avril 1997 portant des mesures en vue de la responsabilisation des institutions publiques de sécurité sociale, en application de l'article 47 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions. Pour le reste, l'organisation et le fonctionnement de la Banque carrefour sont réglés par le Roi. ".
" Art. 30. - Sans préjudice des dispositions de la présente loi, la Banque carrefour est soumise aux règles fixées par ou en vertu de la loi du 25 avril 1963 sur la gestion des organismes d'intérêt public de sécurité sociale et de prévoyance sociale et l'arrêté royal du 3 avril 1997 portant des mesures en vue de la responsabilisation des institutions publiques de sécurité sociale, en application de l'article 47 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions. Pour le reste, l'organisation et le fonctionnement de la Banque carrefour sont réglés par le Roi. ".
Afdeling VI. - Baggersector.
Section VI. - Secteur du dragage.
Art.128. In artikel 3 van het koninklijk besluit houdende vrijstelling van bepaalde werkgeversbijdragen ten behoeve van de ondernemingen behorende tot de baggersector met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, gewijzigd bij de wetten van 26 maart 1999, 24 december 2002 en 22 december 2003, worden de woorden " 31 december 2004 " vervangen door de woorden " 30 juni 2005 ".
Art.128. A l'article 3 de l'arrêté royal du 25 avril 1997 comportant dispense de certaines cotisations patronales au profit des entreprises relevant du secteur du dragage en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, modifié par les lois du 26 mars 1999, du 24 décembre 2002 et du 22 décembre 2003, les mots " 31 décembre 2004 " sont remplacés par les mots " 30 juin 2005 ".
Afdeling VII. - Alternatieve financiering.
Section VII. - Financement alternatif.
Art.129. In artikel 66, § 3, 2°, van de programmawet van 2 januari 2001, gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, worden de woorden " 36 083 duizend EUR voor het jaar 2004 en 73 596,4 duizend EUR voor de jaren 2005 tot 2009 " vervangen door de woorden " 49 121 duizend EUR voor het jaar 2004 en 70 988,8 duizend EUR voor de jaren 2005 tot 2009 ".
Art.129. Dans l'article 66, § 3, 2°, de la loi-programme du 2 janvier 2001, modifié par la loi du 22 décembre 2003, les mots " 36 083 milliers EUR pour l'année 2004 et 73 596,4 milliers EUR pour les années 2005 à 2009 " sont remplacés par les mots " 49 121 milliers EUR pour l'année 2004 et 70 988,8 milliers EUR pour les années 2005 à 2009 ".
Art.130. Artikel 66, § 3bis, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 december 2003, wordt aangevuld met de volgende leden :
" Voor het jaar 2004, wordt het bedrag toegewezen aan de RSZ-globaal beheer, in toepassing van de §§ 1 en 2 en het vorige lid, verhoogd met 22 190 duizend EUR.
Voor het jaar 2004, wordt het bedrag toegewezen aan het Fonds voor het financieel evenwicht in het sociaal statuut der zelfstandigen, bedoeld in artikel 21bis van het koninklijk besluit nr 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, in toepassing van §§ 1, 2 en 3 verhoogd met 1 270 duizend EUR et 18 750 duizend EUR. ".
Voor de jaren 2005 tot 2007 zal een uitzonderlijk bedrag bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, kunnen toegewezen worden aan het stelsel werknemers en het stelsel zelfstandigen teneinde het begrotingsevenwicht te verzekeren. Voor wat het stelsel zelfstandigen betreft, zal het uitzonderlijk bedrag niet vertaald worden in een aanpassing van het terugbetalingschema van de schuld die is ontstaan in 2001, behalve indien het stelsel een overschot vertoont; de eventuele overschotten zowel van het stelsel werknemers als van het stelsel zelfstandigen zullen inderdaad niet voor nieuwe maatregelen aangewend worden maar zullen wel moeten bijdragen tot het in de hand houden van het te financieren saldo van de overheid.
" Voor het jaar 2004, wordt het bedrag toegewezen aan de RSZ-globaal beheer, in toepassing van de §§ 1 en 2 en het vorige lid, verhoogd met 22 190 duizend EUR.
Voor het jaar 2004, wordt het bedrag toegewezen aan het Fonds voor het financieel evenwicht in het sociaal statuut der zelfstandigen, bedoeld in artikel 21bis van het koninklijk besluit nr 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, in toepassing van §§ 1, 2 en 3 verhoogd met 1 270 duizend EUR et 18 750 duizend EUR. ".
Voor de jaren 2005 tot 2007 zal een uitzonderlijk bedrag bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, kunnen toegewezen worden aan het stelsel werknemers en het stelsel zelfstandigen teneinde het begrotingsevenwicht te verzekeren. Voor wat het stelsel zelfstandigen betreft, zal het uitzonderlijk bedrag niet vertaald worden in een aanpassing van het terugbetalingschema van de schuld die is ontstaan in 2001, behalve indien het stelsel een overschot vertoont; de eventuele overschotten zowel van het stelsel werknemers als van het stelsel zelfstandigen zullen inderdaad niet voor nieuwe maatregelen aangewend worden maar zullen wel moeten bijdragen tot het in de hand houden van het te financieren saldo van de overheid.
Art.130. L'article 66, §3bis, de la même loi, inséré par la loi du 22 décembre 2003, est complété par les alinéas suivants :
" Pour l'année 2004, le montant attribué à l'ONSS-gestion globale, en vertu des §§ 1er et 2 et de l'alinéa précédent, est augmenté de 22 190 milliers EUR.
Pour l'année 2004, le montant attribué au Fonds pour l'équilibre financier du statut social des travailleurs indépendants visé à l'article 21bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, en application des §§ 1er, 2 et 3, est augmenté de 1 270 milliers EUR et 18 750 milliers EUR. ".
Pour les années 2005 à 2007, un montant exceptionnel, déterminé par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, pourra être attribué au régime des salariés et au régime des indépendants afin d'assurer l'équilibre budgétaire. En ce qui concerne le régime des indépendants, ce montant exceptionnel ne sera pas répercuté sur le plan de remboursement de la dette générée en 2001, sauf dans la mesure où ce régime dégagerait des surplus; les éventuels surplus, tant dans le régime des salaries que dans le régime des indépendants, ne pourront en effet être utilisés pour des mesures nouvelles mais devront contribuer au maintien du solde à financer.
" Pour l'année 2004, le montant attribué à l'ONSS-gestion globale, en vertu des §§ 1er et 2 et de l'alinéa précédent, est augmenté de 22 190 milliers EUR.
Pour l'année 2004, le montant attribué au Fonds pour l'équilibre financier du statut social des travailleurs indépendants visé à l'article 21bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, en application des §§ 1er, 2 et 3, est augmenté de 1 270 milliers EUR et 18 750 milliers EUR. ".
Pour les années 2005 à 2007, un montant exceptionnel, déterminé par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, pourra être attribué au régime des salariés et au régime des indépendants afin d'assurer l'équilibre budgétaire. En ce qui concerne le régime des indépendants, ce montant exceptionnel ne sera pas répercuté sur le plan de remboursement de la dette générée en 2001, sauf dans la mesure où ce régime dégagerait des surplus; les éventuels surplus, tant dans le régime des salaries que dans le régime des indépendants, ne pourront en effet être utilisés pour des mesures nouvelles mais devront contribuer au maintien du solde à financer.
Art.131. In artikel 66 van dezelfde wet wordt een § 3ter ingevoegd, luidend als volgt :
" § 3ter. Naar aanleiding van de desaffectatie van het begrotingsfonds " Tewerkstellingsfonds ", dat binnen de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg werd opgericht ter uitvoering van artikel 4 van het koninklijk besluit nr 181 van 30 december 1982 tot oprichting van een Fonds ter aanwending van de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling, worden voor het jaar 2004 volgende bedragen toegewezen :
1° 100 189 901,02 EUR aan de RSZ-globaal beheer,
2° 51 860 098,98 EUR aan de RSZ voor de aanzuivering van de schuldvordering van de RSZ ten aanzien van het begrotingsfonds " Tewerkstellingsfonds ". ".
" § 3ter. Naar aanleiding van de desaffectatie van het begrotingsfonds " Tewerkstellingsfonds ", dat binnen de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg werd opgericht ter uitvoering van artikel 4 van het koninklijk besluit nr 181 van 30 december 1982 tot oprichting van een Fonds ter aanwending van de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling, worden voor het jaar 2004 volgende bedragen toegewezen :
1° 100 189 901,02 EUR aan de RSZ-globaal beheer,
2° 51 860 098,98 EUR aan de RSZ voor de aanzuivering van de schuldvordering van de RSZ ten aanzien van het begrotingsfonds " Tewerkstellingsfonds ". ".
Art.131. Dans l'article 66 de la même loi, il est inséré un § 3ter, rédigé comme suit :
" § 3ter. Suite à la désaffectation du fonds budgétaire " Fonds pour l'emploi ", qui a été créé auprès du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale en application de l'article 4 de l'arrêté royal n° 181 du 30 décembre 1982 créant un Fonds en vue de l'utilisation de la modération salariale complémentaire pour l'emploi, les montants suivants sont attribués pour l'année 2004 :
1° 100 189 901,02 EUR à l'ONSS-gestion globale,
2° 51 860 098,98 EUR à l'ONSS pour l'apurement des créances de l'ONSS à l'égard du fonds budgétaire " Fonds pour l'emploi ". ".
" § 3ter. Suite à la désaffectation du fonds budgétaire " Fonds pour l'emploi ", qui a été créé auprès du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale en application de l'article 4 de l'arrêté royal n° 181 du 30 décembre 1982 créant un Fonds en vue de l'utilisation de la modération salariale complémentaire pour l'emploi, les montants suivants sont attribués pour l'année 2004 :
1° 100 189 901,02 EUR à l'ONSS-gestion globale,
2° 51 860 098,98 EUR à l'ONSS pour l'apurement des créances de l'ONSS à l'égard du fonds budgétaire " Fonds pour l'emploi ". ".
Art.132. In artikel 66 van dezelfde wet, wordt een § 3quater ingevoegd, luidend als volgt :
" § 3quater. Voor het jaar 2004 wordt een bedrag van 22 635 110,6 EUR toegewezen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op een afzonderlijke rekening, zoals bedoeld in artikel 35, § 5, E, 2°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid van de werknemers.
Het bedrag, vermeld in het vorige lid, kan enkel worden vrijgegeven na akkoord van de ministers bevoegd voor Werk, Sociale Zaken, Volksgezondheid en Begroting, met uitzondering van een bedrag van 11 472 207,21 EUR. ".
" § 3quater. Voor het jaar 2004 wordt een bedrag van 22 635 110,6 EUR toegewezen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op een afzonderlijke rekening, zoals bedoeld in artikel 35, § 5, E, 2°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid van de werknemers.
Het bedrag, vermeld in het vorige lid, kan enkel worden vrijgegeven na akkoord van de ministers bevoegd voor Werk, Sociale Zaken, Volksgezondheid en Begroting, met uitzondering van een bedrag van 11 472 207,21 EUR. ".
Art.132. Dans l'article 66 de la même loi, il est inséré un § 3quater, rédigé comme suit :
" § 3quater. Pour l'année 2004, un montant de 22 635 110,6 EUR est attribué à l'Office national de sécurité sociale sur un compte séparé, tel que visé à l'article 35, § 5, E, 2°, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.
Le montant mentionné à l'alinéa précédent peut seulement être libéré après accord des ministres compétents pour l'Emploi, les Affaires sociales, la Santé publique et le Budget, à l'exception d'un montant de 11 472 207,21 EUR. ".
" § 3quater. Pour l'année 2004, un montant de 22 635 110,6 EUR est attribué à l'Office national de sécurité sociale sur un compte séparé, tel que visé à l'article 35, § 5, E, 2°, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.
Le montant mentionné à l'alinéa précédent peut seulement être libéré après accord des ministres compétents pour l'Emploi, les Affaires sociales, la Santé publique et le Budget, à l'exception d'un montant de 11 472 207,21 EUR. ".
Art.133. In artikel 37, 2°, van de programmawet (I) van 22 december 2003 worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in a) worden na het woord " opgeheven " de woorden " en het beschikbare saldo op het Fonds wordt gedesaffecteerd ten behoeve van de rijksmiddelen " toegevoegd;
2° in b) worden na het woord " opgeheven " de woorden " en het beschikbare saldo op het Fonds wordt gedesaffecteerd ten behoeve van de Rijksmiddelen " toegevoegd.
1° in a) worden na het woord " opgeheven " de woorden " en het beschikbare saldo op het Fonds wordt gedesaffecteerd ten behoeve van de rijksmiddelen " toegevoegd;
2° in b) worden na het woord " opgeheven " de woorden " en het beschikbare saldo op het Fonds wordt gedesaffecteerd ten behoeve van de Rijksmiddelen " toegevoegd.
Art.133. A l'article 37, 2°, de la loi-programme (I) du 22 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° au a), après le mot " abrogé " sont insérés les mots " et le solde disponible du fonds est désaffecte en faveur des moyens de l'Etat ";
2° au b), après le mot " abrogé " sont insérés les mots " et le solde disponible sur le fonds est désaffecté en faveur des moyens de l'Etat ".
1° au a), après le mot " abrogé " sont insérés les mots " et le solde disponible du fonds est désaffecte en faveur des moyens de l'Etat ";
2° au b), après le mot " abrogé " sont insérés les mots " et le solde disponible sur le fonds est désaffecté en faveur des moyens de l'Etat ".
Art.134. Artikel 38 van dezelfde programmawet wordt vervangen als volgt :
" Art. 38. - De middelen van het Fonds gespijsd met de opbrengst van de vermindering van werkgeversbijdragen waarop sommige werkgevers van de openbare sector aangesloten bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aanspraak kunnen maken worden ten beloop van 12 091 110,61 EUR gedesaffecteerd. ".
" Art. 38. - De middelen van het Fonds gespijsd met de opbrengst van de vermindering van werkgeversbijdragen waarop sommige werkgevers van de openbare sector aangesloten bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aanspraak kunnen maken worden ten beloop van 12 091 110,61 EUR gedesaffecteerd. ".
Art.134. L'article 38 de la même loi-programme est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 38. - Les moyens du Fonds alimenté par le produit de la réduction de cotisation patronale, auxquels peuvent faire appel certains employeurs du secteur public affiliés à l'Office national de Sécurité sociale sont désaffectés à hauteur de 12 091 110,61 EUR. ".
" Art. 38. - Les moyens du Fonds alimenté par le produit de la réduction de cotisation patronale, auxquels peuvent faire appel certains employeurs du secteur public affiliés à l'Office national de Sécurité sociale sont désaffectés à hauteur de 12 091 110,61 EUR. ".
Art.135. De artikelen 132 en 133 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2004.
Artikel 134 heeft uitwerking met ingang van 31 december 2003.
Artikel 134 heeft uitwerking met ingang van 31 december 2003.
Art.135. Les articles 132 et 133 produisent leurs effets le 1er janvier 2004.
L'article 134 produit ses effets le 31 décembre 2003.
L'article 134 produit ses effets le 31 décembre 2003.
Art.136. In artikel 211 van de programmawet van 24 december 2002 worden de woorden " artikel 7, § 1, derde lid, q) " vervangen door de woorden " artikel 7, § 1, derde lid, r) " en in de Nederlandse versie worden de woorden " besluitwet van 28 december 1994 " vervangen door de woorden " besluitwet van 28 december 1944 ".
Art.136. A l'article 211 de la loi-programme du 24 décembre 2002, les mots " l'article 7, § 1er, alinéa 3, q) " sont remplacés par les mots " l'article7, § 1er, alinéa 3, r) " et, dans la version néerlandaise, les mots " besluitwet van 28 december 1994 " sont remplacés par les mots " besluitwet van 28 december 1944 ".
Art.137. In artikel 21bis van het koninklijk besluit nr 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, ingevoegd bij de wet van 6 augustus 1993 en gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999, wordt een § 4 ingevoegd, luidend als volgt :
" § 4. Het Fonds voor het financieel evenwicht in het sociaal statuut der zelfstandigen, wordt gestijfd met de besparingen gerealiseerd in de " inkomensgarantie voor ouderen " en het " gewaarborgd inkomen " ten gevolge van de verhoging van het minimumpensioen van de zelfstandigen, nadat de kost van de verhoging van de " inkomensgarantie voor ouderen " bij de zelfstandigen in mindering is gebracht.
Voor 2004 wordt het bedrag in uitvoering van het vorige lid vastgelegd op 1 270 000 EUR; voor de volgende jaren, en tot 2007, past de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag aan in functie van de vastgestelde nettobesparing in uitvoering van het vorige lid. ".
" § 4. Het Fonds voor het financieel evenwicht in het sociaal statuut der zelfstandigen, wordt gestijfd met de besparingen gerealiseerd in de " inkomensgarantie voor ouderen " en het " gewaarborgd inkomen " ten gevolge van de verhoging van het minimumpensioen van de zelfstandigen, nadat de kost van de verhoging van de " inkomensgarantie voor ouderen " bij de zelfstandigen in mindering is gebracht.
Voor 2004 wordt het bedrag in uitvoering van het vorige lid vastgelegd op 1 270 000 EUR; voor de volgende jaren, en tot 2007, past de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag aan in functie van de vastgestelde nettobesparing in uitvoering van het vorige lid. ".
Art.137. A l'article 21bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des indépendants, inséré par la loi du 6 août 1993 et modifie par la loi du 25 janvier 1999, il est inséré un § 4, rédigé comme suit :
" § 4. Le fonds pour l'équilibre financier du statut social des travailleurs indépendants est alimenté par les économies réalisées dans la " garantie de revenus aux personnes âgées " et le " revenu garanti " suite à l'augmentation des pensions minimums indépendants après déduction du coût de l'augmentation de la " garantie de revenus aux personnes âgées " chez les indépendants.
Pour 2004, en exécution de l'alinéa précédent, le montant est fixé à 1 270 000 EUR; pour les années suivantes et ce jusqu'en 2007, le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, adapte ce montant en fonction de l'économie nette constatée en exécution de l'alinéa précédent. ".
" § 4. Le fonds pour l'équilibre financier du statut social des travailleurs indépendants est alimenté par les économies réalisées dans la " garantie de revenus aux personnes âgées " et le " revenu garanti " suite à l'augmentation des pensions minimums indépendants après déduction du coût de l'augmentation de la " garantie de revenus aux personnes âgées " chez les indépendants.
Pour 2004, en exécution de l'alinéa précédent, le montant est fixé à 1 270 000 EUR; pour les années suivantes et ce jusqu'en 2007, le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, adapte ce montant en fonction de l'économie nette constatée en exécution de l'alinéa précédent. ".
Afdeling VIII. - Koloniale en overzeese sociale zekerheid.
Section VIII. - Sécurité sociale coloniale et d'outre-mer.
Onderafdeling I. - Wijziging van de wet van 16 juni 1960 dat de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst, en dat waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers verzekerd.
Sous-section première. - Modification de la loi du 16 juin 1960 plaçant sous la garantie de l'Etat belge les organismes gérant la sécurité sociale des employés du Congo belge et du Ruanda-Urundi et portant garantie par l'Etat belge des prestations sociales assurées en faveur de ceux-ci.
Art.138. Artikel 3nonies, § 1, derde lid, van de wet van 16 juni 1960 dat de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch-Congo en Ruanda-Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst, en dat waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers verzekerd, ingevoegd bij de wet van 27 mei 1983 en gewijzigd bij de wet van 20 juli 1990, wordt vervangen als volgt :
" Het recht op het ouderdomspensioen waarin het eerste lid voorziet, is erkend :
1° aan de onderdanen van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
2° aan de onderdanen van de Zwitserse Confederatie;
3° aan de statenlozen en de vluchtelingen zoals bepaald in artikel 18ter ;
4° de onderdanen van een land waarmee een wederkerigheidsakkoord werd gesloten die hen dit voordeel toekent;
5° aan de gewezen echtgenotes van een verzekerde met een nationaliteit vermeld in 1°, 2°, 3° of 4°. ".
" Het recht op het ouderdomspensioen waarin het eerste lid voorziet, is erkend :
1° aan de onderdanen van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
2° aan de onderdanen van de Zwitserse Confederatie;
3° aan de statenlozen en de vluchtelingen zoals bepaald in artikel 18ter ;
4° de onderdanen van een land waarmee een wederkerigheidsakkoord werd gesloten die hen dit voordeel toekent;
5° aan de gewezen echtgenotes van een verzekerde met een nationaliteit vermeld in 1°, 2°, 3° of 4°. ".
Art.138. L'article 3nonies, § 1er, alinéa 3, de la loi du 16 juin 1960 plaçant sous la garantie de l'Etat belge les organismes gérant la sécurité sociale des employés du Congo belge et du Ruanda Urundi et portant garantie par l'Etat belge des prestations sociales assurées en faveur de ceux-ci, inséré par la loi du 27 mai 1983 et modifié par la loi du 20 juillet 1990, est remplacé par l'alinéa suivant :
" Le droit à la pension de retraite prévue à l'alinéa 1er est reconnu :
1° aux ressortissants d'un des Etats membres de l'Espace économique européen;
2° aux ressortissants de la Confédération suisse;
3° aux apatrides et aux réfugiés tels qu'ils sont définis à l'article 18ter ;
4° aux ressortissants d'un pays avec lequel a été conclu un accord de réciprocité qui leur en accorde le bénéfice;
5° aux ex-épouses d'une personne de nationalité mentionnée aux 1°, 2°, 3° et 4°. ".
" Le droit à la pension de retraite prévue à l'alinéa 1er est reconnu :
1° aux ressortissants d'un des Etats membres de l'Espace économique européen;
2° aux ressortissants de la Confédération suisse;
3° aux apatrides et aux réfugiés tels qu'ils sont définis à l'article 18ter ;
4° aux ressortissants d'un pays avec lequel a été conclu un accord de réciprocité qui leur en accorde le bénéfice;
5° aux ex-épouses d'une personne de nationalité mentionnée aux 1°, 2°, 3° et 4°. ".
Art.139. Artikel 8bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 11 februari 1976, wordt vervangen als volgt :
" Art. 8bis. - § 1. Behoudens wanneer ze om gezondheidsredenen vooraf van de Dienst de toestemming hebben gekregen om tijdelijk in het buitenland te verblijven, moeten de personen die de uitkeringen trekken, beoogd in de artikelen 7 en 7bis, hun werkelijke en gewone verblijfplaats in België hebben.
§ 2. De terugbetaling van de kosten voor gezondheidszorgen wordt aan de rechthebbenden bedoeld in artikel 8, eerste lid, slechts toegekend als de titularis van de verzekering zijn werkelijke en gewone verblijfplaats in België heeft, tenzij hij om gezondheidsredenen vooraf van de Dienst de toestemming heeft gekregen om tijdelijk in het buitenland te verblijven.
§ 3. De verblijfsverplichting omschreven in §§ 1 en 2 is niet van toepassing op :
1° de onderdanen van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
2° de onderdanen van de Zwitserse Confederatie;
3° de staatlozen en de vluchtelingen zoals ze zijn gedefinieerd in artikel 18ter;
4° de onderdanen van een land waarmee een wederkerigheidsakkoord werd gesloten die hen hiervan vrijstelt.
§ 4. Voor de terugbetaling van de kosten voor gezondheidszorgen bedoeld in artikel 8, eerste lid, maken de onderdanen van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die verblijven op het grondgebied van één van die Staten maar niet in België, de keuze hetzij voor de strikte toepassing van de bepalingen van artikel 8, tweede lid, hetzij voor de toepassing van de Europese Verordeningen 1408/71 en 574/72 inzake sociale zekerheid.
Wanneer de gerechtigde beoogd in het eerste lid gekozen heeft voor de toepassing van de Europese Verordeningen 1408/71 en 574/72 inzake sociale zekerheid, dan wordt zijn dossier beheerd door de verzekeringsinstelling van zijn verblijfplaats volgens de regels die gelden in die Lidstaat.
§ 5. De terugbetaling van de kosten voor gezondheidszorgen bedoeld in artikel 8, eerste lid, wordt niet toegekend aan de personen die krachtens andere wettelijke, contractuele of reglementaire, Belgische of vreemde, bepalingen of krachtens een wederkerigheidsovereenkomst, aanspraak kunnen maken op gelijksoortige uitkeringen. ".
" Art. 8bis. - § 1. Behoudens wanneer ze om gezondheidsredenen vooraf van de Dienst de toestemming hebben gekregen om tijdelijk in het buitenland te verblijven, moeten de personen die de uitkeringen trekken, beoogd in de artikelen 7 en 7bis, hun werkelijke en gewone verblijfplaats in België hebben.
§ 2. De terugbetaling van de kosten voor gezondheidszorgen wordt aan de rechthebbenden bedoeld in artikel 8, eerste lid, slechts toegekend als de titularis van de verzekering zijn werkelijke en gewone verblijfplaats in België heeft, tenzij hij om gezondheidsredenen vooraf van de Dienst de toestemming heeft gekregen om tijdelijk in het buitenland te verblijven.
§ 3. De verblijfsverplichting omschreven in §§ 1 en 2 is niet van toepassing op :
1° de onderdanen van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
2° de onderdanen van de Zwitserse Confederatie;
3° de staatlozen en de vluchtelingen zoals ze zijn gedefinieerd in artikel 18ter;
4° de onderdanen van een land waarmee een wederkerigheidsakkoord werd gesloten die hen hiervan vrijstelt.
§ 4. Voor de terugbetaling van de kosten voor gezondheidszorgen bedoeld in artikel 8, eerste lid, maken de onderdanen van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die verblijven op het grondgebied van één van die Staten maar niet in België, de keuze hetzij voor de strikte toepassing van de bepalingen van artikel 8, tweede lid, hetzij voor de toepassing van de Europese Verordeningen 1408/71 en 574/72 inzake sociale zekerheid.
Wanneer de gerechtigde beoogd in het eerste lid gekozen heeft voor de toepassing van de Europese Verordeningen 1408/71 en 574/72 inzake sociale zekerheid, dan wordt zijn dossier beheerd door de verzekeringsinstelling van zijn verblijfplaats volgens de regels die gelden in die Lidstaat.
§ 5. De terugbetaling van de kosten voor gezondheidszorgen bedoeld in artikel 8, eerste lid, wordt niet toegekend aan de personen die krachtens andere wettelijke, contractuele of reglementaire, Belgische of vreemde, bepalingen of krachtens een wederkerigheidsovereenkomst, aanspraak kunnen maken op gelijksoortige uitkeringen. ".
Art.139. L'article 8bis de la même loi, inséré par la loi du 11 février 1976, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 8bis. - § 1er. Sauf s'ils ont été autorisés au préalable par l'Office, pour des raisons de santé, à résider temporairement à l'étranger, les bénéficiaires des prestations prévues par les articles 7 et 7bis doivent avoir leur résidence effective et habituelle en Belgique.
§ 2. Le remboursement des frais de soins de santé des bénéficiaires visés à l'article 8, alinéa 1er, n'est effectué que si le titulaire de l'assurance à sa résidence habituelle et effective en Belgique, sauf s'il a été autorisé au préalable par l'Office, pour des raisons de santé, à résider à l'étranger.
§ 3. Ne sont pas soumis à l'obligation de résidence déterminée aux §§ 1er et 2 :
1° les ressortissants des Etats membres de l'Espace économique européen;
2° les ressortissants de la Confédération suisse;
3° les réfugiés et les apatrides tels que définis à l'article 18ter;
4° les ressortissants d'un pays avec lequel a été conclu un accord de réciprocité qui les en dispense.
§ 4. Pour le remboursement des frais de soins de santé, visé à l'article 8, alinéa 1er, les ressortissants des Etats membres de l'Espace économique européen, résidant sur le territoire d'un de ces Etats autre que la Belgique, optent soit pour l'application stricte des dispositions de l'article 8, alinéa 2, soit pour l'application des règlements européens 1408/71 et 574/72 en matière de sécurité sociale.
Lorsque le bénéficiaire visé à l'alinéa 1er a opté pour l'application des règlements européens 1408/71 et 574/72 en matière de sécurité sociale, son dossier est géré par l'organisme assureur de son lieu de résidence selon les règles en vigueur dans cet Etat membre.
§ 5. Le remboursement des frais de soins de santé visés à l'article 8, alinéa 1er, n'est pas accordé aux personnes qui sont en droit de prétendre à des avantages de même nature en application d'autres dispositions contractuelles, légales ou réglementaires, belges ou étrangères, ou d'un accord de réciprocité. ".
" Art. 8bis. - § 1er. Sauf s'ils ont été autorisés au préalable par l'Office, pour des raisons de santé, à résider temporairement à l'étranger, les bénéficiaires des prestations prévues par les articles 7 et 7bis doivent avoir leur résidence effective et habituelle en Belgique.
§ 2. Le remboursement des frais de soins de santé des bénéficiaires visés à l'article 8, alinéa 1er, n'est effectué que si le titulaire de l'assurance à sa résidence habituelle et effective en Belgique, sauf s'il a été autorisé au préalable par l'Office, pour des raisons de santé, à résider à l'étranger.
§ 3. Ne sont pas soumis à l'obligation de résidence déterminée aux §§ 1er et 2 :
1° les ressortissants des Etats membres de l'Espace économique européen;
2° les ressortissants de la Confédération suisse;
3° les réfugiés et les apatrides tels que définis à l'article 18ter;
4° les ressortissants d'un pays avec lequel a été conclu un accord de réciprocité qui les en dispense.
§ 4. Pour le remboursement des frais de soins de santé, visé à l'article 8, alinéa 1er, les ressortissants des Etats membres de l'Espace économique européen, résidant sur le territoire d'un de ces Etats autre que la Belgique, optent soit pour l'application stricte des dispositions de l'article 8, alinéa 2, soit pour l'application des règlements européens 1408/71 et 574/72 en matière de sécurité sociale.
Lorsque le bénéficiaire visé à l'alinéa 1er a opté pour l'application des règlements européens 1408/71 et 574/72 en matière de sécurité sociale, son dossier est géré par l'organisme assureur de son lieu de résidence selon les règles en vigueur dans cet Etat membre.
§ 5. Le remboursement des frais de soins de santé visés à l'article 8, alinéa 1er, n'est pas accordé aux personnes qui sont en droit de prétendre à des avantages de même nature en application d'autres dispositions contractuelles, légales ou réglementaires, belges ou étrangères, ou d'un accord de réciprocité. ".
Art.140. In artikel 18ter, tweede lid, in dezelfde wet ingevoegd bij de wet van 16 februari 1970, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1971 en vervangen bij de wet van 11 februari 1976, vervallen de woorden " voor zover die vluchtelingen en staatlozen werkelijk en gewoonlijk in België verblijven ".
Art.140. A l'article 18ter, alinéa 2, inséré dans la même loi par la loi du 16 février 1970, modifié par la loi du 22 février 1971 et remplacé par la loi du 11 février 1976, les mots " lorsqu'ils résident effectivement et habituellement en Belgique " sont supprimés.
Onderafdeling II. - Wijziging van de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid.
Sous-section II. - Modification de la loi du 17 juillet 1963 relative à la sécurité sociale d'outre-mer.
Art.141. Artikel 18, § 2, van de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid, ingevoegd bij de wet van 20 juli 1990 en gewijzigd bij de wet van 21 december 1994, wordt vervangen als volgt :
" § 2. De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing op de verzekerden die onderdanen zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van de Zwitserse Confederatie.
De bijdragen die door een verzekerde, onderdaan van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, gestort zijn vóór 1 september 1990 of door een verzekerde, onderdaan van de Zwitserse Confederatie, gestort zijn vóór 1 juni 2002, en die de bestemming hebben gekregen waarin de bepalingen van § 1, eerste lid, b), voorzien, worden ambtshalve besteed overeenkomstig artikel 17 indien de verzekerde of zijn rechthebbenden nog geen aanvraag ingediend hebben tot het verkrijgen van de uitkeringen waarin hoofdstuk III voorziet. ".
" § 2. De bepalingen van § 1 zijn niet van toepassing op de verzekerden die onderdanen zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van de Zwitserse Confederatie.
De bijdragen die door een verzekerde, onderdaan van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, gestort zijn vóór 1 september 1990 of door een verzekerde, onderdaan van de Zwitserse Confederatie, gestort zijn vóór 1 juni 2002, en die de bestemming hebben gekregen waarin de bepalingen van § 1, eerste lid, b), voorzien, worden ambtshalve besteed overeenkomstig artikel 17 indien de verzekerde of zijn rechthebbenden nog geen aanvraag ingediend hebben tot het verkrijgen van de uitkeringen waarin hoofdstuk III voorziet. ".
Art.141. L'article 18, § 2, de la loi du 17 juillet 1963 relative à la sécurité sociale d'outre-mer, inséré par la loi du 20 juillet 1990 et modifié par la loi du 21 décembre 1994, est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Les dispositions du § 1er ne sont pas applicables aux assurés qui sont ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen ou de la Confédération suisse.
Les cotisations versées avant le 1er septembre 1990 par un assuré ressortissant d'un Etat membre de l'Espace économique européen, ou avant le 1er juin 2002 par un assuré ressortissant de la Confédération suisse, et qui ont reçu l'affectation prévue par les dispositions du § 1er, alinéa 1er, b), sont d'office affectées conformément à l'article 17 si l'assuré ou ses ayants droit n'a pas encore introduit de demande de liquidation des prestations prévues par le chapitre III. ".
" § 2. Les dispositions du § 1er ne sont pas applicables aux assurés qui sont ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen ou de la Confédération suisse.
Les cotisations versées avant le 1er septembre 1990 par un assuré ressortissant d'un Etat membre de l'Espace économique européen, ou avant le 1er juin 2002 par un assuré ressortissant de la Confédération suisse, et qui ont reçu l'affectation prévue par les dispositions du § 1er, alinéa 1er, b), sont d'office affectées conformément à l'article 17 si l'assuré ou ses ayants droit n'a pas encore introduit de demande de liquidation des prestations prévues par le chapitre III. ".
Art.142. Artikel 22sexies, § 1, derde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 20 juli 1990, wordt vervangen als volgt :
" Het recht op dit pensioen is erkend :
1° aan de onderdanen van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
2° aan de onderdanen van de Zwitserse Confederatie;
3° aan de staatlozen en aan de vluchtelingen zoals ze zijn gedefinieerd in artikel 51, 4°;
4° aan de onderdanen van een land waarmee een wederkerigheidsakkoord werd gesloten die hen dit voordeel toekent;
5° aan de gewezen echtgenotes van een verzekerde met een nationaliteit vermeld in 1°, 2°, 3° of 4°. ".
" Het recht op dit pensioen is erkend :
1° aan de onderdanen van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
2° aan de onderdanen van de Zwitserse Confederatie;
3° aan de staatlozen en aan de vluchtelingen zoals ze zijn gedefinieerd in artikel 51, 4°;
4° aan de onderdanen van een land waarmee een wederkerigheidsakkoord werd gesloten die hen dit voordeel toekent;
5° aan de gewezen echtgenotes van een verzekerde met een nationaliteit vermeld in 1°, 2°, 3° of 4°. ".
Art.142. L'article 22sexies, § 1er, alinéa 3, de la même loi, inséré par la loi du 20 juillet 1990, est remplacé par l'alinéa suivant :
" Le droit à cette pension est reconnu :
1° aux ressortissants des Etats membres de l'Espace économique européen;
2° aux ressortissants de la Confédération suisse;
3° aux réfugiés et les apatrides tels que définis à l'article 51, 4°;
4° aux ressortissants d'un pays avec lequel a été conclu un accord de réciprocité qui leur en accorde le bénéfice;
5° aux ex-épouses d'une personne de nationalité mentionnée aux 1°, 2°, 3° ou 4°. ".
" Le droit à cette pension est reconnu :
1° aux ressortissants des Etats membres de l'Espace économique européen;
2° aux ressortissants de la Confédération suisse;
3° aux réfugiés et les apatrides tels que définis à l'article 51, 4°;
4° aux ressortissants d'un pays avec lequel a été conclu un accord de réciprocité qui leur en accorde le bénéfice;
5° aux ex-épouses d'une personne de nationalité mentionnée aux 1°, 2°, 3° ou 4°. ".
Art.143. Artikel 33, tweede lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 11 februari 1976, wordt vervangen als volgt :
" Zijn aan deze verplichting niet onderworpen :
1° de onderdanen van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
2° de onderdanen van de Zwitserse Confederatie;
3° de staatlozen en de vluchtelingen zoals ze zijn gedefinieerd in artikel 51, 4°;
4° de onderdanen van een land waarmee een wederkerigheidsakkoord werd gesloten die hen hiervan vrijstelt. ".
" Zijn aan deze verplichting niet onderworpen :
1° de onderdanen van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
2° de onderdanen van de Zwitserse Confederatie;
3° de staatlozen en de vluchtelingen zoals ze zijn gedefinieerd in artikel 51, 4°;
4° de onderdanen van een land waarmee een wederkerigheidsakkoord werd gesloten die hen hiervan vrijstelt. ".
Art.143. L'article 33, alinéa 2, de la même loi, modifié par la loi du 11 février 1976, est remplacé par l'alinéa suivant :
" Ne sont pas soumis à cette obligation :
1° les ressortissants des Etats membres de l'Espace économique européen;
2° les ressortissants de la Confédération suisse;
3° les réfugiés et les apatrides tels que définis à l'article 51, 4°;
4° les ressortissants d'un pays avec lequel a été conclu un accord de réciprocité qui les en dispense. ".
" Ne sont pas soumis à cette obligation :
1° les ressortissants des Etats membres de l'Espace économique européen;
2° les ressortissants de la Confédération suisse;
3° les réfugiés et les apatrides tels que définis à l'article 51, 4°;
4° les ressortissants d'un pays avec lequel a été conclu un accord de réciprocité qui les en dispense. ".
Art.144. Artikel 46 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 11 februari 1976, wordt vervangen als volgt :
" Art. 46. - § 1. De terugbetaling van de kosten voor gezondheidszorgen wordt aan de rechthebbenden bedoeld in artikel 44, slechts toegekend als de titularis van de verzekering zijn werkelijke en gewone verblijfplaats in België heeft, tenzij hij om gezondheidsredenen vooraf van de Dienst de toestemming heeft gekregen om tijdelijk in het buitenland te verblijven.
§ 2. De verblijfsverplichting omschreven in § 1 is niet van toepassing op :
1° de onderdanen van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
2° de onderdanen van de Zwitserse Confederatie;
3° de staatlozen en de vluchtelingen zoals ze zijn gedefinieerd in artikel 51, 4°;
4° de onderdanen van een land waarmee een wederkerigheidsakkoord werd gesloten die hen hiervan vrijstelt.
§ 3. Voor de terugbetaling van de kosten voor gezondheidszorgen maken de onderdanen van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die verblijven op het grondgebied van één van die Staten maar niet in België, de keuze hetzij voor de strikte toepassing van de bepalingen van artikel 49, hetzij voor de toepassing van de Europese Verordeningen 1408/71 en 574/72 inzake sociale zekerheid.
§ 4. De terugbetaling van de kosten voor gezondheidszorgen wordt niet toegekend aan de personen die krachtens andere wettelijke, contractuele of reglementaire, Belgische of vreemde, bepalingen of krachtens een wederkerigheidsovereenkomst, aanspraak kunnen maken op gelijksoortige uitkeringen. ".
" Art. 46. - § 1. De terugbetaling van de kosten voor gezondheidszorgen wordt aan de rechthebbenden bedoeld in artikel 44, slechts toegekend als de titularis van de verzekering zijn werkelijke en gewone verblijfplaats in België heeft, tenzij hij om gezondheidsredenen vooraf van de Dienst de toestemming heeft gekregen om tijdelijk in het buitenland te verblijven.
§ 2. De verblijfsverplichting omschreven in § 1 is niet van toepassing op :
1° de onderdanen van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
2° de onderdanen van de Zwitserse Confederatie;
3° de staatlozen en de vluchtelingen zoals ze zijn gedefinieerd in artikel 51, 4°;
4° de onderdanen van een land waarmee een wederkerigheidsakkoord werd gesloten die hen hiervan vrijstelt.
§ 3. Voor de terugbetaling van de kosten voor gezondheidszorgen maken de onderdanen van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die verblijven op het grondgebied van één van die Staten maar niet in België, de keuze hetzij voor de strikte toepassing van de bepalingen van artikel 49, hetzij voor de toepassing van de Europese Verordeningen 1408/71 en 574/72 inzake sociale zekerheid.
§ 4. De terugbetaling van de kosten voor gezondheidszorgen wordt niet toegekend aan de personen die krachtens andere wettelijke, contractuele of reglementaire, Belgische of vreemde, bepalingen of krachtens een wederkerigheidsovereenkomst, aanspraak kunnen maken op gelijksoortige uitkeringen. ".
Art.144. L'article 46 de la même loi, modifié par la loi du 11 février 1976, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 46. - § 1er. Le remboursement des frais de soins de santé des bénéficiaires visés à l'article 44 n'est effectué que si le titulaire de l'assurance à sa résidence habituelle et effective en Belgique, sauf s'il a été autorisé au préalable par l'Office, pour des raisons de santé, à résider à l'étranger.
§ 2. Ne sont pas soumis à l'obligation de résidence déterminée au § 1er :
1° les ressortissants des Etats membres de l'Espace économique européen;
2° les ressortissants de la Confédération suisse;
3° les réfugiés et les apatrides tels que définis à l'article 51, 4°;
4° les ressortissants d'un pays avec lequel a été conclu un accord de réciprocité qui les en dispense.
§ 3. Pour le remboursement des frais de soins de santé, les ressortissants des Etats membres de l'Espace économique européen, résidant sur le territoire d'un de ces Etats autre que la Belgique, optent soit pour l'application stricte des dispositions de l'article 49, soit pour l'application des règlements européens 1408/71 et 574/72 en matière de sécurité sociale.
§ 4. Le remboursement des frais de soins de santé n'est pas accordé aux personnes qui sont en droit de prétendre à des avantages de même nature en application d'autres dispositions contractuelles, légales ou réglementaires, belges ou étrangères, ou d'un accord de réciprocité. ".
" Art. 46. - § 1er. Le remboursement des frais de soins de santé des bénéficiaires visés à l'article 44 n'est effectué que si le titulaire de l'assurance à sa résidence habituelle et effective en Belgique, sauf s'il a été autorisé au préalable par l'Office, pour des raisons de santé, à résider à l'étranger.
§ 2. Ne sont pas soumis à l'obligation de résidence déterminée au § 1er :
1° les ressortissants des Etats membres de l'Espace économique européen;
2° les ressortissants de la Confédération suisse;
3° les réfugiés et les apatrides tels que définis à l'article 51, 4°;
4° les ressortissants d'un pays avec lequel a été conclu un accord de réciprocité qui les en dispense.
§ 3. Pour le remboursement des frais de soins de santé, les ressortissants des Etats membres de l'Espace économique européen, résidant sur le territoire d'un de ces Etats autre que la Belgique, optent soit pour l'application stricte des dispositions de l'article 49, soit pour l'application des règlements européens 1408/71 et 574/72 en matière de sécurité sociale.
§ 4. Le remboursement des frais de soins de santé n'est pas accordé aux personnes qui sont en droit de prétendre à des avantages de même nature en application d'autres dispositions contractuelles, légales ou réglementaires, belges ou étrangères, ou d'un accord de réciprocité. ".
Art.145. Artikel 50 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid :
" Wanneer echter de gerechtigde verblijft op het grondgebied van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte maar niet in België en hij, krachtens de bepalingen van artikel 46, § 3, gekozen heeft voor de toepassing van de Europese Verordeningen 1408/71 en 574/72 inzake sociale zekerheid, dan wordt zijn dossier beheerd door de verzekeringsinstelling van zijn verblijfplaats volgens de regels die gelden in die Lidstaat. ".
" Wanneer echter de gerechtigde verblijft op het grondgebied van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte maar niet in België en hij, krachtens de bepalingen van artikel 46, § 3, gekozen heeft voor de toepassing van de Europese Verordeningen 1408/71 en 574/72 inzake sociale zekerheid, dan wordt zijn dossier beheerd door de verzekeringsinstelling van zijn verblijfplaats volgens de regels die gelden in die Lidstaat. ".
Art.145. L'article 50 de la même loi est complété par l'alinéa suivant :
" Toutefois, lorsque le bénéficiaire réside sur le territoire d'un des Etats membres de l'Espace économique européen et lorsqu'en vertu des dispositions de l'article 46, § 3, il a opté pour l'application des règlements européens 1408/71 et 574/72 en matière de sécurité sociale, son dossier est géré par l'organisme assureur de son lieu de résidence selon les règles en vigueur dans cet Etat. ".
" Toutefois, lorsque le bénéficiaire réside sur le territoire d'un des Etats membres de l'Espace économique européen et lorsqu'en vertu des dispositions de l'article 46, § 3, il a opté pour l'application des règlements européens 1408/71 et 574/72 en matière de sécurité sociale, son dossier est géré par l'organisme assureur de son lieu de résidence selon les règles en vigueur dans cet Etat. ".
Art.146. Artikel 51 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1971, 11 februari 1976 en 20 juli 1990, wordt vervangen als volgt :
" Art. 51. - De bepalingen van dit hoofdstuk zijn alleen van toepassing op :
1° de onderdanen van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
2° de onderdanen van de Zwitserse Confederatie;
3° de onderdanen van een land waarmee een wederkerigheidsakkoord werd gesloten die hen hetzelfde voordeel toekent;
4° de vluchtelingen die het voordeel genieten van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij de wet van 26 juni 1953, alsmede de staatlozen die het voordeel genieten van het Verdrag betreffende de status van staatlozen, ondertekend te New York op 28 september 1954 en goedgekeurd bij de wet van 12 mei 1960;
5° de rechthebbenden van de personen vermeld in 1°, 2°, 3° en 4°. ".
" Art. 51. - De bepalingen van dit hoofdstuk zijn alleen van toepassing op :
1° de onderdanen van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
2° de onderdanen van de Zwitserse Confederatie;
3° de onderdanen van een land waarmee een wederkerigheidsakkoord werd gesloten die hen hetzelfde voordeel toekent;
4° de vluchtelingen die het voordeel genieten van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij de wet van 26 juni 1953, alsmede de staatlozen die het voordeel genieten van het Verdrag betreffende de status van staatlozen, ondertekend te New York op 28 september 1954 en goedgekeurd bij de wet van 12 mei 1960;
5° de rechthebbenden van de personen vermeld in 1°, 2°, 3° en 4°. ".
Art.146. L'article 51 de la même loi, modifié par les lois des 22 février 1971, 11 février 1976 et 20 juillet 1990, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 51. - Les dispositions du présent chapitre ne sont applicables qu'aux :
1° ressortissants des Etats membres de l'Espace Economique Européen;
2° ressortissants de la Confédération suisse;
3° ressortissants d'un pays avec lequel a été conclu un accord de réciprocité qui leur en accorde le bénéfice;
4° réfugiés qui bénéficient de la Convention internationale relative aux statuts des réfugiés, signée à Genève le 28 juillet 1951 et approuvée par la loi du 26 juin 1953 ainsi qu'aux apatrides qui bénéficient de la Convention relative au statut des apatrides, signée à New-York le 28 septembre 1954 et approuvée par la loi du 12 mai 1960;
5° ayants droit des personnes visées aux 1°, 2°, 3° et 4°. ".
" Art. 51. - Les dispositions du présent chapitre ne sont applicables qu'aux :
1° ressortissants des Etats membres de l'Espace Economique Européen;
2° ressortissants de la Confédération suisse;
3° ressortissants d'un pays avec lequel a été conclu un accord de réciprocité qui leur en accorde le bénéfice;
4° réfugiés qui bénéficient de la Convention internationale relative aux statuts des réfugiés, signée à Genève le 28 juillet 1951 et approuvée par la loi du 26 juin 1953 ainsi qu'aux apatrides qui bénéficient de la Convention relative au statut des apatrides, signée à New-York le 28 septembre 1954 et approuvée par la loi du 12 mai 1960;
5° ayants droit des personnes visées aux 1°, 2°, 3° et 4°. ".
Art.147. In artikel 64, eerste lid, c, van dezelfde wet, vervangen bij de wetten van 22 februari 1971 en 20 juli 1990, worden de woorden " de Europese Economische Gemeenschap " vervangen door de woorden " de Europese Economische Ruimte of in de Zwitserse Confederatie ".
Art.147. Dans l'article 64, alinéa 1er, c, de la même loi, modifié par les lois des 22 février 1971 et 20 juillet 1990, les mots " la Communauté économique européenne " sont remplacés par les mots " l'Espace économique européen ou dans la Confédération suisse ".
Onderafdeling III. - Wijziging van de programmawet van 2 juli 1981.
Sous-section III. - Modification de la loi-programme du 2 juillet 1981.
Art.148. Artikel 69 van de programmawet van 2 juli 1981, gewijzigd bij de wet van 20 juli 1990, wordt vervangen als volgt :
" Art. 69. - Het recht op de uitkeringen waarin ten gunste van de gerechtigden van Belgische nationaliteit is voorzien, wordt erkend, onder de voorwaarden gesteld in de artikelen 67 en 68 :
1° aan de verzekerden die niet van Belgische nationaliteit zijn en die :
a) onderdanen zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
b) onderdanen zijn van de Zwitserse Confederatie;
c) staatlozen en vluchtelingen zijn zoals ze zijn gedefinieerd in artikel 18ter, tweede lid, van de wet van 16 juni 1960 dat de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch Congo en Ruanda-Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst, en dat waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers;
d) die onderdanen zijn van een land waarmee een wederkerigheidsakkoord werd gesloten die hen dit voordeel toekent;
2° aan de rechthebbenden van een verzekerde van Belgische nationaliteit of van een nationaliteit beoogd in 1°;
3° aan de rechthebbenden van een verzekerde die zelf onderdanen zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, van de Zwitserse Confederatie of staatloze of vluchteling zijn zoals gedefinieerd in 1°, c). ".
" Art. 69. - Het recht op de uitkeringen waarin ten gunste van de gerechtigden van Belgische nationaliteit is voorzien, wordt erkend, onder de voorwaarden gesteld in de artikelen 67 en 68 :
1° aan de verzekerden die niet van Belgische nationaliteit zijn en die :
a) onderdanen zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte;
b) onderdanen zijn van de Zwitserse Confederatie;
c) staatlozen en vluchtelingen zijn zoals ze zijn gedefinieerd in artikel 18ter, tweede lid, van de wet van 16 juni 1960 dat de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch Congo en Ruanda-Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst, en dat waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers;
d) die onderdanen zijn van een land waarmee een wederkerigheidsakkoord werd gesloten die hen dit voordeel toekent;
2° aan de rechthebbenden van een verzekerde van Belgische nationaliteit of van een nationaliteit beoogd in 1°;
3° aan de rechthebbenden van een verzekerde die zelf onderdanen zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, van de Zwitserse Confederatie of staatloze of vluchteling zijn zoals gedefinieerd in 1°, c). ".
Art.148. L'article 69 de la loi-programme du 2 juillet 1981, modifié par la loi du 20 juillet 1990, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 69. - Le droit aux prestations prévues en faveur des bénéficiaires de nationalité belge est reconnu, dans les conditions fixées aux articles 67 et 68 :
1° aux assurés qui ne sont pas de nationalité belge et qui sont :
a) des ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen;
b) des ressortissants de la Confédération suisse;
c) des apatrides et réfugiés tels que définis à l'article 18ter, alinéa 2, de la loi du 16 juin 1960 plaçant sous la garantie de l'Etat belge les organismes gérant la sécurité sociale des employés du Congo belge et du Ruanda-Urundi, et portant garantie par l'Etat belge des prestations sociales assurées en faveur de ceux-ci;
d) des ressortissants d'un pays avec lequel a été conclu un accord de réciprocité qui leur en accorde le bénéfice;
2° aux ayants droit d'un assuré de nationalité belge ou d'une nationalité visée au 1°;
3° aux ayants droit d'un assuré, qui sont eux-mêmes soit ressortissants des Etats membres de l'Espace économique européen ou de la Confédération suisse, soit des réfugiés ou apatrides tels que définis au 1°, c). ".
" Art. 69. - Le droit aux prestations prévues en faveur des bénéficiaires de nationalité belge est reconnu, dans les conditions fixées aux articles 67 et 68 :
1° aux assurés qui ne sont pas de nationalité belge et qui sont :
a) des ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen;
b) des ressortissants de la Confédération suisse;
c) des apatrides et réfugiés tels que définis à l'article 18ter, alinéa 2, de la loi du 16 juin 1960 plaçant sous la garantie de l'Etat belge les organismes gérant la sécurité sociale des employés du Congo belge et du Ruanda-Urundi, et portant garantie par l'Etat belge des prestations sociales assurées en faveur de ceux-ci;
d) des ressortissants d'un pays avec lequel a été conclu un accord de réciprocité qui leur en accorde le bénéfice;
2° aux ayants droit d'un assuré de nationalité belge ou d'une nationalité visée au 1°;
3° aux ayants droit d'un assuré, qui sont eux-mêmes soit ressortissants des Etats membres de l'Espace économique européen ou de la Confédération suisse, soit des réfugiés ou apatrides tels que définis au 1°, c). ".
Art.149. Artikel 73 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art.149. L'article 73 de la même loi est abrogé.
Onderafdeling IV. - Slotbepaling.
Sous-section IV. - Disposition finale.
Art.150. Deze afdeling treedt in werking de eerste dag van de maand na die waarin deze wet wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van de artikelen 138, 142, 143, 147 en 149 die in werking treden met ingang van 1 juni 2002 voor zover deze artikelen het recht op uitkeringen en op de indexering van deze uitkeringen toekennen aan de onderdanen van de Zwitserse Confederatie en voor zover zij tussen 1 juni 2002 en de datum van inwerkingtreding van deze titel hun verblijfplaats hadden in de Europese Economische Ruimte of in de Zwitserse Confederatie.
Art.150. La présente section entre en vigueur le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel la présente loi est publiée au Moniteur belge, à l'exception des articles 138, 142, 143, 147 et 149 qui produisent leurs effets le 1er juin 2002, dans la mesure où ces articles attribuent le droit aux prestations et à l'indexation des prestations aux ressortissants de la Confédération suisse et dans la mesure où ils avaient leur résidence au sein de l'Espace Economique Européenne ou de la Confédération suisse entre le 1ier juin 2002 et la date de l'entrée en vigueur de ce titre
Afdeling IX. - Kinderbijslag.
Section IX. - Allocations familiales.
Art.151. In artikel 47bis van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr 122 van 30 december 1982 en gewijzigd bij de koninklijk besluiten van 13 september 1983 en 31 maart 1984, de wet van 27 februari 1987, het koninklijk besluit van 10 december 1996 en de wet van 24 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden ", zoals het bestond voor het werd gewijzigd bij de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, " ingevoegd tussen de woorden " deze wetten " en " bedoeld kind ";
2° in het tweede lid worden de woorden ", zoals het bestond voor het werd gewijzigd bij de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, " ingevoegd tussen de woorden " deze wetten " en " bedoeld kind ".
1° in het eerste lid worden de woorden ", zoals het bestond voor het werd gewijzigd bij de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, " ingevoegd tussen de woorden " deze wetten " en " bedoeld kind ";
2° in het tweede lid worden de woorden ", zoals het bestond voor het werd gewijzigd bij de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, " ingevoegd tussen de woorden " deze wetten " en " bedoeld kind ".
Art.151. A l'article 47bis des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, inséré par l'arrêté royal n° 122 du 30 décembre 1982 et modifié par les arrêtés royaux des 13 septembre 1983 et 31 mars 1984, la loi du 27 février 1987, l'arrêté royal du 10 décembre 1996 et la loi du 24 décembre 2002, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa 1er, les mots " tel qu'il existait avant d'avoir été modifié par la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées, " sont insérés entre les mots " ces lois " et " sont accordées ";
2° dans l'alinéa 2, les mots " tel qu'il existait avant d'avoir été modifié par la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées, " sont insérés entre les mots " ces lois " et " d'un travailleur ".
1° dans l'alinéa 1er, les mots " tel qu'il existait avant d'avoir été modifié par la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées, " sont insérés entre les mots " ces lois " et " sont accordées ";
2° dans l'alinéa 2, les mots " tel qu'il existait avant d'avoir été modifié par la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées, " sont insérés entre les mots " ces lois " et " d'un travailleur ".
Art.152. In artikel 51, § 3, van dezelfde wetten, gewijzigd door de wet van 22 december 1989, door het koninklijk besluit van 21 april 1997 en door de wetten van 14 mei, 12 augustus 2000 en 24 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het 3° wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 3° zijn van hetzelfde gezin deel uitmakende kleinkinderen, achterkleinkinderen, neven en nichten, die van zijn echtgenoot, van zijn gewezen echtgenoot of van een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, en ook die van een persoon met wie hij wettelijk samenwoont of samenwoonde als bedoeld in boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek en geen feitelijk gezin meer vormt. De rechthebbende opent dit recht eveneens voor zijn kleinkinderen en achterkleinkinderen, deze van zijn echtgenoot of deze van de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt en wettelijk samenwoont als bedoeld in boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek, wanneer deze overeenkomstig artikel 70 in een instelling geplaatst zijn, op voorwaarde dat ze onmiddellijk voor de plaatsing deel uitmaakten van het gezin van deze rechthebbende, of wanneer hij diezelfde kleinkinderen en achterkleinkinderen uitsluitend of hoofdzakelijk op zijn kosten laat opvoeden in een inrichting voor onderwijs, opvoeding of verpleging of bij een particulier; ";
2° het 6° wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 6° a) de kinderen van een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, de kinderen die door deze persoon geadopteerd zijn of onder pleegvoogdij genomen, de kinderen van de gewezen echtgenoot, de kinderen die door de gewezen echtgenoot geadopteerd zijn of onder pleegvoogdij genomen, op voorwaarde dat deze kinderen deel uitmaken van het gezin. De rechthebbende opent dit recht eveneens voor de voormelde kinderen wanneer deze overeenkomstig artikel 70 in een instelling geplaatst zijn, op voorwaarde dat ze onmiddellijk voor de plaatsing deel uitmaakten van het gezin van deze rechthebbende;
b) de kinderen van de persoon met wie hij wettelijk samenwoont of samenwoonde als bedoeld in boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek en geen feitelijk gezin meer vormt, en ook de kinderen geadopteerd of onder pleegvoogdij genomen door een van de hiervoor bedoelde personen, op voorwaarde dat die kinderen deel uitmaken van zijn gezin. De rechthebbende opent dit recht eveneens voor de voormelde kinderen wanneer deze overeenkomstig artikel 70 in een instelling geplaatst zijn, op voorwaarde dat ze onmiddellijk voor de plaatsing deel uitmaakten van het gezin van deze rechthebbende;
c) de niet van zijn gezin deel uitmakende kinderen van de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt en wettelijk samenwoont als bedoeld in boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek;
d) de niet van zijn gezin deel uitmakende kinderen die geadopteerd of onder pleegvoogd genomen zijn door de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt en wettelijk samenwoont als bedoeld in boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek; ".
1° het 3° wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 3° zijn van hetzelfde gezin deel uitmakende kleinkinderen, achterkleinkinderen, neven en nichten, die van zijn echtgenoot, van zijn gewezen echtgenoot of van een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, en ook die van een persoon met wie hij wettelijk samenwoont of samenwoonde als bedoeld in boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek en geen feitelijk gezin meer vormt. De rechthebbende opent dit recht eveneens voor zijn kleinkinderen en achterkleinkinderen, deze van zijn echtgenoot of deze van de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt en wettelijk samenwoont als bedoeld in boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek, wanneer deze overeenkomstig artikel 70 in een instelling geplaatst zijn, op voorwaarde dat ze onmiddellijk voor de plaatsing deel uitmaakten van het gezin van deze rechthebbende, of wanneer hij diezelfde kleinkinderen en achterkleinkinderen uitsluitend of hoofdzakelijk op zijn kosten laat opvoeden in een inrichting voor onderwijs, opvoeding of verpleging of bij een particulier; ";
2° het 6° wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 6° a) de kinderen van een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, de kinderen die door deze persoon geadopteerd zijn of onder pleegvoogdij genomen, de kinderen van de gewezen echtgenoot, de kinderen die door de gewezen echtgenoot geadopteerd zijn of onder pleegvoogdij genomen, op voorwaarde dat deze kinderen deel uitmaken van het gezin. De rechthebbende opent dit recht eveneens voor de voormelde kinderen wanneer deze overeenkomstig artikel 70 in een instelling geplaatst zijn, op voorwaarde dat ze onmiddellijk voor de plaatsing deel uitmaakten van het gezin van deze rechthebbende;
b) de kinderen van de persoon met wie hij wettelijk samenwoont of samenwoonde als bedoeld in boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek en geen feitelijk gezin meer vormt, en ook de kinderen geadopteerd of onder pleegvoogdij genomen door een van de hiervoor bedoelde personen, op voorwaarde dat die kinderen deel uitmaken van zijn gezin. De rechthebbende opent dit recht eveneens voor de voormelde kinderen wanneer deze overeenkomstig artikel 70 in een instelling geplaatst zijn, op voorwaarde dat ze onmiddellijk voor de plaatsing deel uitmaakten van het gezin van deze rechthebbende;
c) de niet van zijn gezin deel uitmakende kinderen van de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt en wettelijk samenwoont als bedoeld in boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek;
d) de niet van zijn gezin deel uitmakende kinderen die geadopteerd of onder pleegvoogd genomen zijn door de persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt en wettelijk samenwoont als bedoeld in boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek; ".
Art.152. A l'article 51, § 3, des mêmes lois coordonnées, modifié par la loi du 22 décembre 1989, l'arrêté royal du 21 avril 1997 et les lois des 14 mai, 12 août 2000 et 24 décembre 2002, sont apportées les modifications suivantes :
1° le 3° est remplacé par la disposition qui suit :
" 3° à condition qu'ils fassent partie de son ménage, ses petits-enfants, arrière-petits-enfants, neveux et nièces, ceux de son conjoint, ex-conjoint ou d'une personne avec laquelle il forme un ménage de fait, ainsi que ceux d'une personne avec laquelle il cohabite ou cohabitait légalement au sens des dispositions du livre III, titre Vbis, du Code civil et ne forme plus un ménage de fait. L'attributaire ouvre également ce droit en faveur de ses petits-enfants et arrière petits-enfants, ceux de son conjoint ou ceux de la personne avec laquelle il forme un ménage de fait et cohabite légalement au sens des dispositions du livre III, titre Vbis, du Code civil, lorsque ceux-ci sont placés dans une institution conformément à l'article 70, à condition qu'ils aient fait partie du ménage de cet attributaire immédiatement avant le placement, ou lorsqu'il fait élever, exclusivement ou principalement à ses frais, ces mêmes petits-enfants et arrière petits-enfants dans une institution d'enseignement, d'éducation ou d'hospitalisation ou chez un particulier; ";
2° le 6° est remplacé par la disposition qui suit :
" 6° a) les enfants d'une personne avec laquelle il forme un ménage de fait, les enfants adoptés ou pris sous tutelle officieuse par cette personne, les enfants de l'ex-conjoint, les enfants adoptés ou pris sous tutelle officieuse par l'ex-conjoint, à la condition que ces enfants fassent partie du ménage. L'attributaire ouvre également ce droit en faveur des enfants précités lorsque ceux-ci sont placés dans une institution conformément à l'article 70, à condition qu'ils aient fait partie du ménage de cet attributaire immédiatement avant le placement;
b) les enfants de la personne avec laquelle il cohabite ou cohabitait légalement au sens des dispositions du livre III, titre Vbis, du Code civil et ne forme plus un ménage de fait, ainsi que les enfants adoptés ou pris sous tutelle officieuse par une telle personne, à la condition que ces enfants fassent partie de son ménage. L'attributaire ouvre également ce droit en faveur des enfants précités lorsque ceux-ci sont placés dans une institution conformément à l'article 70, à condition qu'ils aient fait partie du ménage de cet attributaire immédiatement avant le placement;
c) les enfants de la personne avec laquelle il forme un ménage de fait et cohabite légalement au sens des dispositions du livre III, titre Vbis, du Code civil, qui ne font pas partie de son ménage;
d) les enfants adoptés ou pris sous tutelle officieuse par la personne avec laquelle il forme un ménage de fait et cohabite légalement au sens des dispositions du livre III, titre Vbis, du Code civil, qui ne font pas partie de son ménage; ".
1° le 3° est remplacé par la disposition qui suit :
" 3° à condition qu'ils fassent partie de son ménage, ses petits-enfants, arrière-petits-enfants, neveux et nièces, ceux de son conjoint, ex-conjoint ou d'une personne avec laquelle il forme un ménage de fait, ainsi que ceux d'une personne avec laquelle il cohabite ou cohabitait légalement au sens des dispositions du livre III, titre Vbis, du Code civil et ne forme plus un ménage de fait. L'attributaire ouvre également ce droit en faveur de ses petits-enfants et arrière petits-enfants, ceux de son conjoint ou ceux de la personne avec laquelle il forme un ménage de fait et cohabite légalement au sens des dispositions du livre III, titre Vbis, du Code civil, lorsque ceux-ci sont placés dans une institution conformément à l'article 70, à condition qu'ils aient fait partie du ménage de cet attributaire immédiatement avant le placement, ou lorsqu'il fait élever, exclusivement ou principalement à ses frais, ces mêmes petits-enfants et arrière petits-enfants dans une institution d'enseignement, d'éducation ou d'hospitalisation ou chez un particulier; ";
2° le 6° est remplacé par la disposition qui suit :
" 6° a) les enfants d'une personne avec laquelle il forme un ménage de fait, les enfants adoptés ou pris sous tutelle officieuse par cette personne, les enfants de l'ex-conjoint, les enfants adoptés ou pris sous tutelle officieuse par l'ex-conjoint, à la condition que ces enfants fassent partie du ménage. L'attributaire ouvre également ce droit en faveur des enfants précités lorsque ceux-ci sont placés dans une institution conformément à l'article 70, à condition qu'ils aient fait partie du ménage de cet attributaire immédiatement avant le placement;
b) les enfants de la personne avec laquelle il cohabite ou cohabitait légalement au sens des dispositions du livre III, titre Vbis, du Code civil et ne forme plus un ménage de fait, ainsi que les enfants adoptés ou pris sous tutelle officieuse par une telle personne, à la condition que ces enfants fassent partie de son ménage. L'attributaire ouvre également ce droit en faveur des enfants précités lorsque ceux-ci sont placés dans une institution conformément à l'article 70, à condition qu'ils aient fait partie du ménage de cet attributaire immédiatement avant le placement;
c) les enfants de la personne avec laquelle il forme un ménage de fait et cohabite légalement au sens des dispositions du livre III, titre Vbis, du Code civil, qui ne font pas partie de son ménage;
d) les enfants adoptés ou pris sous tutelle officieuse par la personne avec laquelle il forme un ménage de fait et cohabite légalement au sens des dispositions du livre III, titre Vbis, du Code civil, qui ne font pas partie de son ménage; ".
Art.153. Artikel 64, § 2, A, 1°, eerste lid, van dezelfde wetten, gewijzigd door het koninklijk besluit van 30 december 1982, het koninklijk besluit nr 207 van 13 september 1983 en de programmawet van 22 december 1989, wordt aangevuld met de woorden ", indien deze laatste de voorrangsgerechtigde rechthebbende was op het ogenblik van de plaatsing. ".
Art.153. L'article 64, § 2, A, 1°, alinéa 1er, des mêmes lois, modifié par l'arrêté royal du 30 décembre 1982, l'arrêté royal n° 207 du 13 septembre 1983 et la loi programme du 22 décembre 1989 est complété par les mots ", si ce dernier était l'attributaire prioritaire au moment du placement. ".
Art.154. Artikel 132 van de programmawet (I) van 24 december 2002 wordt ingetrokken in de mate dat het artikel 27 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap opheft.
Art.154. L'article 132 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 est rapporté dans la mesure où il abroge l'article 27 de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées.
Art.155. De artikelen 151 en 154 hebben uitwerking met ingang van 1 juli 2003.
Art.155. Les articles 151 et 154 produisent leurs effets le 1er juillet 2003.
HOOFDSTUK II. - Personen met een handicap.
CHAPITRE II. - Des personnes handicapées.
Art.156. Artikel 117 van de programmawet (I) van 24 december 2002, wordt vervangen als volgt :
" Art. 117. - Artikel 2 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 30 december 1992, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 2. - § 1. De inkomensvervangende tegemoetkoming wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 21 jaar is en op het ogenblik van het indienen van de aanvraag minder dan 65 jaar is, van wie is vastgesteld dat zijn lichamelijke of psychische toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen.
De algemene arbeidsmarkt omvat niet de beschutte tewerkstelling.
§ 2. De integratietegemoetkoming wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 21 jaar is en op het ogenblik van het indienen van de aanvraag minder dan 65 jaar is, van wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld.
§ 3. De tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 65 jaar oud is en van wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld.
De tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden wordt niet toegekend aan de persoon met een handicap die een inkomensvervangende of een integratietegemoetkoming geniet. ". ".
" Art. 117. - Artikel 2 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 30 december 1992, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 2. - § 1. De inkomensvervangende tegemoetkoming wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 21 jaar is en op het ogenblik van het indienen van de aanvraag minder dan 65 jaar is, van wie is vastgesteld dat zijn lichamelijke of psychische toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen.
De algemene arbeidsmarkt omvat niet de beschutte tewerkstelling.
§ 2. De integratietegemoetkoming wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 21 jaar is en op het ogenblik van het indienen van de aanvraag minder dan 65 jaar is, van wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld.
§ 3. De tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 65 jaar oud is en van wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld.
De tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden wordt niet toegekend aan de persoon met een handicap die een inkomensvervangende of een integratietegemoetkoming geniet. ". ".
Art.156. L'article 117 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 117. - L'article 2 de la même loi, modifiée en dernier lieu par la loi du 30 décembre 1992, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 2. - § 1er. L'allocation de remplacement de revenus est accordée à la personne handicapée qui est âgée d'au moins 21 ans et qui, au moment de l'introduction de la demande, est âgée de moins de 65 ans, dont il est établi que l'état physique ou psychique a réduit sa capacité de gain à un tiers ou moins de ce qu'une personne valide est en mesure de gagner en exerçant une profession sur le marché général du travail.
Le marché général du travail ne comprend pas les entreprises de travail adapté.
§ 2. L'allocation d'intégration est accordée à la personne handicapée qui est âgée d'au moins 21 ans et qui, au moment de l'introduction de la demande, est âgée de moins de 65 ans, dont le manque ou la réduction d'autonomie est établi.
§ 3. L'allocation pour l'aide aux personnes âgées est accordée à la personne handicapée âgée d'au moins 65 ans dont le manque ou la réduction d'autonomie est établi.
L'allocation pour l'aide aux personnes âgées n'est pas accordée à la personne handicapée qui bénéficie d'une allocation de remplacement de revenus ou d'une allocation d'intégration. ". ".
" Art. 117. - L'article 2 de la même loi, modifiée en dernier lieu par la loi du 30 décembre 1992, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 2. - § 1er. L'allocation de remplacement de revenus est accordée à la personne handicapée qui est âgée d'au moins 21 ans et qui, au moment de l'introduction de la demande, est âgée de moins de 65 ans, dont il est établi que l'état physique ou psychique a réduit sa capacité de gain à un tiers ou moins de ce qu'une personne valide est en mesure de gagner en exerçant une profession sur le marché général du travail.
Le marché général du travail ne comprend pas les entreprises de travail adapté.
§ 2. L'allocation d'intégration est accordée à la personne handicapée qui est âgée d'au moins 21 ans et qui, au moment de l'introduction de la demande, est âgée de moins de 65 ans, dont le manque ou la réduction d'autonomie est établi.
§ 3. L'allocation pour l'aide aux personnes âgées est accordée à la personne handicapée âgée d'au moins 65 ans dont le manque ou la réduction d'autonomie est établi.
L'allocation pour l'aide aux personnes âgées n'est pas accordée à la personne handicapée qui bénéficie d'une allocation de remplacement de revenus ou d'une allocation d'intégration. ". ".
Art.157. Artikel 121 van dezelfde programmawet wordt vervangen als volgt :
" Art. 121. - Artikel 7 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 7. - § 1. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen enkel toegekend worden indien het bedrag van het inkomen van de persoon met een handicap en het bedrag van het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, het in artikel 6 bedoelde bedrag van de tegemoetkomingen niet overschrijdt.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder " inkomen " en door wie, volgens welke criteria en op welke wijze het bedrag ervan moet worden bepaald.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen dat sommige inkomsten of delen van het inkomen, onder de voorwaarden die hij bepaalt, niet of slechts gedeeltelijk in aanmerking worden genomen. Hij kan daarbij een onderscheid maken naargelang het gaat om een inkomensvervangende tegemoetkoming, een integratietegemoetkoming of een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden. Hij kan eveneens een onderscheid maken naargelang de gerechtigde behoort tot categorie A, B of C, naargelang de graad van zelfredzaamheid van de persoon met een handicap, naargelang het gaat om het inkomen van de persoon met een handicap zelf of om het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, of naargelang de bron van het inkomen.
§ 2. De persoon met een handicap en de persoon met wie hij een huishouden vormt, moeten hun rechten laten gelden :
1° op de uitkeringen en vergoedingen waarop hij aanspraak kan maken krachtens een andere Belgische of buitenlandse wetgeving of krachtens de regels van toepassing op het personeel van een internationale openbare instelling, en die hun grond vinden in een beperking van het verdienvermogen, in een gebrek aan of vermindering van de zelfredzaamheid of in de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid;
2° op sociale uitkeringen inzake ziekte en invaliditeit, werkloosheid, arbeidsongevallen, beroepsziekten, rust- en overlevingspensioenen, de inkomensgarantie voor ouderen en het gewaarborgd inkomen voor bejaarden.
§ 3. Onder " huishouden " moet worden verstaan elke samenwoning van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad.
Het bestaan van een huishouden wordt vermoed wanneer ten minste twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad, hun hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres hebben. Het tegenbewijs kan met alle mogelijke middelen worden geleverd door de persoon met een handicap of door de bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap.
Wanneer echter één van de leden van het huishouden opgesloten is in een gevangenis of opgenomen is in een instelling voor sociaal verweer, dan houdt het huishouden op te bestaan.
§ 4. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen aan de aanvrager worden toegekend als voorschot op de uitkeringen en vergoedingen bedoeld in § 2.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder welke voorwaarden, op welke wijze en tot welk bedrag deze voorschotten kunnen worden toegekend, alsmede de wijze waarop ze kunnen worden teruggevorderd. De uitbetalingsdienst of -instelling treedt in de rechten van de gerechtigde tot het bedrag van de toegekende voorschotten. ". ".
" Art. 121. - Artikel 7 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 7. - § 1. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen enkel toegekend worden indien het bedrag van het inkomen van de persoon met een handicap en het bedrag van het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, het in artikel 6 bedoelde bedrag van de tegemoetkomingen niet overschrijdt.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder " inkomen " en door wie, volgens welke criteria en op welke wijze het bedrag ervan moet worden bepaald.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen dat sommige inkomsten of delen van het inkomen, onder de voorwaarden die hij bepaalt, niet of slechts gedeeltelijk in aanmerking worden genomen. Hij kan daarbij een onderscheid maken naargelang het gaat om een inkomensvervangende tegemoetkoming, een integratietegemoetkoming of een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden. Hij kan eveneens een onderscheid maken naargelang de gerechtigde behoort tot categorie A, B of C, naargelang de graad van zelfredzaamheid van de persoon met een handicap, naargelang het gaat om het inkomen van de persoon met een handicap zelf of om het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, of naargelang de bron van het inkomen.
§ 2. De persoon met een handicap en de persoon met wie hij een huishouden vormt, moeten hun rechten laten gelden :
1° op de uitkeringen en vergoedingen waarop hij aanspraak kan maken krachtens een andere Belgische of buitenlandse wetgeving of krachtens de regels van toepassing op het personeel van een internationale openbare instelling, en die hun grond vinden in een beperking van het verdienvermogen, in een gebrek aan of vermindering van de zelfredzaamheid of in de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid;
2° op sociale uitkeringen inzake ziekte en invaliditeit, werkloosheid, arbeidsongevallen, beroepsziekten, rust- en overlevingspensioenen, de inkomensgarantie voor ouderen en het gewaarborgd inkomen voor bejaarden.
§ 3. Onder " huishouden " moet worden verstaan elke samenwoning van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad.
Het bestaan van een huishouden wordt vermoed wanneer ten minste twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad, hun hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres hebben. Het tegenbewijs kan met alle mogelijke middelen worden geleverd door de persoon met een handicap of door de bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap.
Wanneer echter één van de leden van het huishouden opgesloten is in een gevangenis of opgenomen is in een instelling voor sociaal verweer, dan houdt het huishouden op te bestaan.
§ 4. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen aan de aanvrager worden toegekend als voorschot op de uitkeringen en vergoedingen bedoeld in § 2.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder welke voorwaarden, op welke wijze en tot welk bedrag deze voorschotten kunnen worden toegekend, alsmede de wijze waarop ze kunnen worden teruggevorderd. De uitbetalingsdienst of -instelling treedt in de rechten van de gerechtigde tot het bedrag van de toegekende voorschotten. ". ".
Art.157. L'article 121 de la même loi-programme est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 121. - L'article 7 de la même loi, modifiée en dernier lieu par la loi du 25 janvier 1999, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 7. - § 1er. Les allocations visées à l'article 1er ne peuvent être accordées que si le montant du revenu de la personne handicapée et le montant du revenu de la personne avec laquelle elle forme un ménage ne dépasse pas le montant des allocations visé à l'article 6.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, ce qu'il faut entendre par " revenu " et par qui, selon quels critères et de quelle manière le montant doit en être fixé.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, déterminer que certains revenus ou parties de revenus, dans les conditions qu'il détermine, ne sont que partiellement ou ne sont pas pris en considération. Il peut opérer une distinction en fonction du fait qu'il s'agit d'une allocation de remplacement de revenus, d'une allocation d'intégration ou d'une allocation pour l'aide aux personnes âgées. Il peut aussi opérer une distinction en fonction de l'appartenance du bénéficiaire à la catégorie A, B ou C, en fonction du degré d'autonomie de la personne handicapée, en fonction du fait qu'il s'agit du revenu de la personne handicapée elle-même ou du revenu de la personne avec laquelle elle forme un ménage, ou en fonction de l'origine des revenus.
§ 2. La personne handicapée et la personne avec laquelle elle forme un ménage, sont tenues de faire valoir leurs droits :
1° aux prestations et indemnités auxquelles elle peut prétendre en vertu d'une autre législation belge ou étrangère ou en vertu de règles applicables au personnel d'une institution internationale publique, et qui trouvent leur fondement dans une limitation de la capacité de gain, dans un manque ou une réduction de l'autonomie ou dans les articles 1382 et suivants du Code civil relatif à la responsabilité civile;
2° à des prestations sociales relatives à la maladie et l'invalidité, au chômage, aux accidents du travail, aux maladies professionnelles, aux pensions de retraite et de survie, à la garantie de revenus aux personnes âgées et au revenu garanti pour personnes âgées.
§ 3. Il y lieu d'entendre par " ménage " toute cohabitation de deux personnes qui ne sont pas parentes ou alliées au premier, deuxième ou troisième degré.
L'existence d'un ménage est présumée lorsque deux personnes au moins qui ne sont pas parentes ou alliées au premier, deuxième ou troisième degré, ont leur résidence principale à la même adresse. La preuve du contraire peut être apportée par tous les moyens possibles par la personne handicapée ou par la direction d'administration des prestations aux personnes handicapées.
Cependant, si un des membres du ménage est détenu en prison ou dans un établissement de défense sociale, le ménage cesse d'exister.
§ 4. Les allocations visées à l'article 1er peuvent être accordées au demandeur à titre d'avance sur les prestations et indemnités visées au § 2.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, dans quelles conditions, selon quelles modalités et jusqu'à concurrence de quel montant ces avances peuvent être accordées, ainsi que leur mode de récupération. Le service ou l'organisme payeur est subroge aux droits du bénéficiaire jusqu'à concurrence du montant des avances versées. ". ".
" Art. 121. - L'article 7 de la même loi, modifiée en dernier lieu par la loi du 25 janvier 1999, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 7. - § 1er. Les allocations visées à l'article 1er ne peuvent être accordées que si le montant du revenu de la personne handicapée et le montant du revenu de la personne avec laquelle elle forme un ménage ne dépasse pas le montant des allocations visé à l'article 6.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, ce qu'il faut entendre par " revenu " et par qui, selon quels critères et de quelle manière le montant doit en être fixé.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, déterminer que certains revenus ou parties de revenus, dans les conditions qu'il détermine, ne sont que partiellement ou ne sont pas pris en considération. Il peut opérer une distinction en fonction du fait qu'il s'agit d'une allocation de remplacement de revenus, d'une allocation d'intégration ou d'une allocation pour l'aide aux personnes âgées. Il peut aussi opérer une distinction en fonction de l'appartenance du bénéficiaire à la catégorie A, B ou C, en fonction du degré d'autonomie de la personne handicapée, en fonction du fait qu'il s'agit du revenu de la personne handicapée elle-même ou du revenu de la personne avec laquelle elle forme un ménage, ou en fonction de l'origine des revenus.
§ 2. La personne handicapée et la personne avec laquelle elle forme un ménage, sont tenues de faire valoir leurs droits :
1° aux prestations et indemnités auxquelles elle peut prétendre en vertu d'une autre législation belge ou étrangère ou en vertu de règles applicables au personnel d'une institution internationale publique, et qui trouvent leur fondement dans une limitation de la capacité de gain, dans un manque ou une réduction de l'autonomie ou dans les articles 1382 et suivants du Code civil relatif à la responsabilité civile;
2° à des prestations sociales relatives à la maladie et l'invalidité, au chômage, aux accidents du travail, aux maladies professionnelles, aux pensions de retraite et de survie, à la garantie de revenus aux personnes âgées et au revenu garanti pour personnes âgées.
§ 3. Il y lieu d'entendre par " ménage " toute cohabitation de deux personnes qui ne sont pas parentes ou alliées au premier, deuxième ou troisième degré.
L'existence d'un ménage est présumée lorsque deux personnes au moins qui ne sont pas parentes ou alliées au premier, deuxième ou troisième degré, ont leur résidence principale à la même adresse. La preuve du contraire peut être apportée par tous les moyens possibles par la personne handicapée ou par la direction d'administration des prestations aux personnes handicapées.
Cependant, si un des membres du ménage est détenu en prison ou dans un établissement de défense sociale, le ménage cesse d'exister.
§ 4. Les allocations visées à l'article 1er peuvent être accordées au demandeur à titre d'avance sur les prestations et indemnités visées au § 2.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, dans quelles conditions, selon quelles modalités et jusqu'à concurrence de quel montant ces avances peuvent être accordées, ainsi que leur mode de récupération. Le service ou l'organisme payeur est subroge aux droits du bénéficiaire jusqu'à concurrence du montant des avances versées. ". ".
Art.158. Artikel 123 van dezelfde programmawet wordt vervangen als volgt :
" Art. 123. - In dezelfde wet wordt een artikel 8bis ingevoegd, luidende :
" Art. 8bis. - De Koning bepaalt :
1° hoe de aanvragen tot het verkrijgen van de tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 worden behandeld en inzonderheid de wijze waarop de openbare besturen tussen beide komen bij het vaststellen van het inkomen van de aanvrager en van de persoon met wie hij een huishouden vormt;
2° hoe de minister tot wiens bevoegdheid de tegemoetkomingen aan personen met een handicap behoren over deze aanvragen beslist;
3° de termijnen binnen dewelke de aanvragen om tegemoetkomingen worden onderzocht. ". ".
" Art. 123. - In dezelfde wet wordt een artikel 8bis ingevoegd, luidende :
" Art. 8bis. - De Koning bepaalt :
1° hoe de aanvragen tot het verkrijgen van de tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 worden behandeld en inzonderheid de wijze waarop de openbare besturen tussen beide komen bij het vaststellen van het inkomen van de aanvrager en van de persoon met wie hij een huishouden vormt;
2° hoe de minister tot wiens bevoegdheid de tegemoetkomingen aan personen met een handicap behoren over deze aanvragen beslist;
3° de termijnen binnen dewelke de aanvragen om tegemoetkomingen worden onderzocht. ". ".
Art.158. L'article 123 de la même loi-programme est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 123. - Un article 8bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 8bis. - Le Roi détermine :
1° la manière dont les demandes d'obtention des allocations visées à l'article 1er sont traitées et en particulier la manière dont les administrations publiques interviennent lors de la fixation du revenu du demandeur et de la personne avec laquelle il forme un ménage;
2° la manière dont le ministre qui a les allocations aux personnes handicapées dans ses attributions prend une décision au sujet de ces demandes;
3° les délais dans lesquels les demandes d'allocations sont examinées. ". ".
" Art. 123. - Un article 8bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 8bis. - Le Roi détermine :
1° la manière dont les demandes d'obtention des allocations visées à l'article 1er sont traitées et en particulier la manière dont les administrations publiques interviennent lors de la fixation du revenu du demandeur et de la personne avec laquelle il forme un ménage;
2° la manière dont le ministre qui a les allocations aux personnes handicapées dans ses attributions prend une décision au sujet de ces demandes;
3° les délais dans lesquels les demandes d'allocations sont examinées. ". ".
Art.159. In dezelfde programmawet wordt een artikel 123bis ingevoegd, luidende :
" Art. 123bis. - In dezelfde wet wordt een artikel 8ter ingevoegd, luidende :
" Art. 8ter. - De persoon met een handicap aan wie een tegemoetkoming is toegekend, moet nieuwe gegevens die aanleiding kunnen geven tot een vermindering van het bedrag van de tegemoetkoming onmiddellijk meedelen.
De Koning bepaalt de modaliteiten volgens dewelke en de termijnen waarbinnen deze mededeling moet gebeuren.
De Koning kan in afwijking van het eerste lid bepalen dat voor de gegevens die hij identificeert geen mededeling moet gebeuren. ". ".
" Art. 123bis. - In dezelfde wet wordt een artikel 8ter ingevoegd, luidende :
" Art. 8ter. - De persoon met een handicap aan wie een tegemoetkoming is toegekend, moet nieuwe gegevens die aanleiding kunnen geven tot een vermindering van het bedrag van de tegemoetkoming onmiddellijk meedelen.
De Koning bepaalt de modaliteiten volgens dewelke en de termijnen waarbinnen deze mededeling moet gebeuren.
De Koning kan in afwijking van het eerste lid bepalen dat voor de gegevens die hij identificeert geen mededeling moet gebeuren. ". ".
Art.159. Un article 123bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi-programme :
" Art. 123bis. - Un article 8ter, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 8ter. - La personne handicapée a laquelle une allocation a été accordée doit communiquer sans délai les données nouvelles qui sont susceptibles de donner lieu à une réduction du montant de l'allocation.
Le Roi détermine les modalités selon et les délais dans lesquels cette déclaration est faite.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le Roi peut identifier les données pour lesquelles une communication ne doit pas se faire. ". ".
" Art. 123bis. - Un article 8ter, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 8ter. - La personne handicapée a laquelle une allocation a été accordée doit communiquer sans délai les données nouvelles qui sont susceptibles de donner lieu à une réduction du montant de l'allocation.
Le Roi détermine les modalités selon et les délais dans lesquels cette déclaration est faite.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le Roi peut identifier les données pour lesquelles une communication ne doit pas se faire. ". ".
Art.160. In dezelfde programmawet wordt een artikel 133bis ingevoegd, luidende :
" Art. 133bis. - De wettelijke en reglementaire wijzigingen van deze wet worden op 1 juli 2004 niet ambtshalve toegepast voor de aanvragen ingediend eerder dan 1 juni 2004 voor dewelke nog geen enkele beslissing was genomen op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
De personen met een handicap die, op 1 juli 2004, een in artikel 1 van de wet van 27 februari 1987 bedoelde tegemoetkoming ontvangen, blijven ze verder ontvangen totdat een nieuwe beslissing daarover wordt genomen naar aanleiding van een herziening op hun verzoek of op initiatief van de dienst.
De beslissing die wordt genomen ten gevolge van een aanvraag om administratieve herziening, die tussen 1 juli 2004 en 31 december 2004 wordt ingediend, heeft uitwerking op 1 juli 2004. Wanneer de nieuwe beslissing resulteert in een lagere uitkering, dan heeft ze uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de kennisgeving van de beslissing. ".
" Art. 133bis. - De wettelijke en reglementaire wijzigingen van deze wet worden op 1 juli 2004 niet ambtshalve toegepast voor de aanvragen ingediend eerder dan 1 juni 2004 voor dewelke nog geen enkele beslissing was genomen op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
De personen met een handicap die, op 1 juli 2004, een in artikel 1 van de wet van 27 februari 1987 bedoelde tegemoetkoming ontvangen, blijven ze verder ontvangen totdat een nieuwe beslissing daarover wordt genomen naar aanleiding van een herziening op hun verzoek of op initiatief van de dienst.
De beslissing die wordt genomen ten gevolge van een aanvraag om administratieve herziening, die tussen 1 juli 2004 en 31 december 2004 wordt ingediend, heeft uitwerking op 1 juli 2004. Wanneer de nieuwe beslissing resulteert in een lagere uitkering, dan heeft ze uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de kennisgeving van de beslissing. ".
Art.160. Un article 133bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi-programme :
" Art. 133bis. - Les modifications légales et réglementaires de la présente loi ne sont pas appliquées d'office au 1er juillet 2004 aux demandes introduites avant le 1er juin 2004 pour lesquelles aucune décision n'est intervenue à la date d'entrée en vigueur de la présente loi.
Les personnes handicapées qui, au 1er juillet 2004, perçoivent une allocation visée à l'article 1er de la loi du 27 février 1987 continuent à la percevoir jusqu'a ce que, à l'occasion d'une révision effectuée à leur demande ou à l'initiative du service, une nouvelle décision ait été prise à leur égard.
La décision prise à la suite d'une demande de révision administrative introduite entre le 1er juillet 2004 et le 31 décembre 2004 produit ses effets le 1er juillet 2004. Si la nouvelle décision entraîne une réduction de l'allocation, elle produit ses effets le premier jour du mois suivant celui de la notification de la décision. ".
" Art. 133bis. - Les modifications légales et réglementaires de la présente loi ne sont pas appliquées d'office au 1er juillet 2004 aux demandes introduites avant le 1er juin 2004 pour lesquelles aucune décision n'est intervenue à la date d'entrée en vigueur de la présente loi.
Les personnes handicapées qui, au 1er juillet 2004, perçoivent une allocation visée à l'article 1er de la loi du 27 février 1987 continuent à la percevoir jusqu'a ce que, à l'occasion d'une révision effectuée à leur demande ou à l'initiative du service, une nouvelle décision ait été prise à leur égard.
La décision prise à la suite d'une demande de révision administrative introduite entre le 1er juillet 2004 et le 31 décembre 2004 produit ses effets le 1er juillet 2004. Si la nouvelle décision entraîne une réduction de l'allocation, elle produit ses effets le premier jour du mois suivant celui de la notification de la décision. ".
Art.161. Artikel 134, eerste tot derde lid, van dezelfde programmawet, wordt vervangen als volgt :
" De artikelen 115, 118, 122, 123, 123bis, 125, 126, 127, 130, 131, 132 en 133 treden in werking op 1 juli 2003.
Het artikel 128 treedt in werking op 1 januari 2003.
De artikelen 116, 117, 119, 120, 121, 124, 129 en 133bis treden in werking op 1 juli 2004. ".
" De artikelen 115, 118, 122, 123, 123bis, 125, 126, 127, 130, 131, 132 en 133 treden in werking op 1 juli 2003.
Het artikel 128 treedt in werking op 1 januari 2003.
De artikelen 116, 117, 119, 120, 121, 124, 129 en 133bis treden in werking op 1 juli 2004. ".
Art.161. Article 134, alinéas 1er à 3, de la même loi-programme, est remplacé par la disposition suivante :
" Les articles 115, 118, 122, 123, 123bis, 125, 126, 127, 130, 131, 132 et 133 entrent en vigueur le 1er juillet 2003.
L'article 128 entre en vigueur le 1er janvier 2003.
Les articles 116, 117, 119, 120, 121, 124, 129 et 133bis entrent en vigueur le 1er juillet 2004. ".
" Les articles 115, 118, 122, 123, 123bis, 125, 126, 127, 130, 131, 132 et 133 entrent en vigueur le 1er juillet 2003.
L'article 128 entre en vigueur le 1er janvier 2003.
Les articles 116, 117, 119, 120, 121, 124, 129 et 133bis entrent en vigueur le 1er juillet 2004. ".
Art.162. De artikelen 272 en 274 van de programmawet van 22 december 2003 worden ingetrokken.
Artikel 275 van dezelfde programmawet wordt opgeheven met ingang van 10 januari 2003.
Artikel 275 van dezelfde programmawet wordt opgeheven met ingang van 10 januari 2003.
Art.162. Les articles 272 et 274 de la loi-programme du 22 décembre 2003 sont rapportés.
L'article 275 de la loi même loi-programme est abrogé à partir du 10 janvier 2003.
L'article 275 de la loi même loi-programme est abrogé à partir du 10 janvier 2003.
Art.163. Artikel 278 van dezelfde programmawet wordt vervangen als volgt :
" Art. 278. - De artikelen 276 en 277 treden in werking op 10 januari 2003.
Artikel 273 treedt in werking op 1 juli 2003 en houdt op werking te hebben op 30 juni 2004. ".
" Art. 278. - De artikelen 276 en 277 treden in werking op 10 januari 2003.
Artikel 273 treedt in werking op 1 juli 2003 en houdt op werking te hebben op 30 juni 2004. ".
Art.163. L'article 278 de la même loi-programme est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 278. - Les articles 276 et 277 entrent en vigueur le 10 janvier 2003.
L'article 273 entre en vigueur le 1er juillet 2003 et cesse de produire ses effets le 30 juin 2004. ".
" Art. 278. - Les articles 276 et 277 entrent en vigueur le 10 janvier 2003.
L'article 273 entre en vigueur le 1er juillet 2003 et cesse de produire ses effets le 30 juin 2004. ".
Art.164. De artikelen 156, 157 en 160 treden in werking op 1 juli 2004.
De artikelen 158 en 159 hebben uitwerking met ingang van 1 juli 2003.
De artikelen 161 en 162 hebben uitwerking met ingang van 10 januari 2003.
Artikel 163 heeft uitwerking met ingang van 10 januari 2004.
De artikelen 158 en 159 hebben uitwerking met ingang van 1 juli 2003.
De artikelen 161 en 162 hebben uitwerking met ingang van 10 januari 2003.
Artikel 163 heeft uitwerking met ingang van 10 januari 2004.
Art.164. Les articles 156, 157 et 160 entrent en vigueur le 1er juillet 2004.
Les articles 158 et 159 produisent leurs effets le 1er juillet 2003.
Les articles 161 et 162 produisent leurs effets le 10 janvier 2003.
L'article 163 produit ses effets le 10 janvier 2004.
Les articles 158 et 159 produisent leurs effets le 1er juillet 2003.
Les articles 161 et 162 produisent leurs effets le 10 janvier 2003.
L'article 163 produit ses effets le 10 janvier 2004.
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de wet betreffende de verplichte verzekering geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
CHAPITRE III. - Modifications à la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.
Afdeling I. - Algemeen.
Section première. - Généralités.
Art.165. Aan artikel 9bis van de wet betreffende de verplichte verzekering geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 wordt een vierde alinea toegevoegd, luidende :
" Wanneer het om facturatiegegevens gaat van zorgverleners of instellingen is het bedrag ten laste van de verzekeringsinstelling enkel maar verschuldigd op voorwaarde dat deze gegevens overgemaakt volgens de hierboven door de Koning bepaalde voorwaarden, volledig overeenstemmen met de facturatiegegevens die op basis van deze gecoördineerde wet en haar uitvoeringsbesluiten eventueel moeten worden overgezonden aan een rechthebbende. De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van dit lid. ".
" Wanneer het om facturatiegegevens gaat van zorgverleners of instellingen is het bedrag ten laste van de verzekeringsinstelling enkel maar verschuldigd op voorwaarde dat deze gegevens overgemaakt volgens de hierboven door de Koning bepaalde voorwaarden, volledig overeenstemmen met de facturatiegegevens die op basis van deze gecoördineerde wet en haar uitvoeringsbesluiten eventueel moeten worden overgezonden aan een rechthebbende. De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van dit lid. ".
Art.165. L'article 9bis de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est complété par l'alinéa suivant :
" En ce qui concerne les données de facturation de dispensateurs de soins ou d'institutions, le montant à charge de l'organisme assureur n'est du qu'à condition que ces données, transmises conformément aux conditions définies ci-dessus par le Roi, correspondent intégralement aux données de facturation qui doivent éventuellement être transmises à un bénéficiaire, conformément à ladite loi coordonnée et a ses arrêtés d'exécution. Le Roi détermine les modalités d'application du présent alinéa. ".
" En ce qui concerne les données de facturation de dispensateurs de soins ou d'institutions, le montant à charge de l'organisme assureur n'est du qu'à condition que ces données, transmises conformément aux conditions définies ci-dessus par le Roi, correspondent intégralement aux données de facturation qui doivent éventuellement être transmises à un bénéficiaire, conformément à ladite loi coordonnée et a ses arrêtés d'exécution. Le Roi détermine les modalités d'application du présent alinéa. ".
Afdeling II. - Geneesmiddelen.
Section II. - Médicaments.
Onderafdeling I. - Medische zuurstof.
Sous-section première. - Oxygène médical.
Art.166. In artikel 34, eerste lid, 5° van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 20 december 1995 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, wordt een punt e) toegevoegd, luidend :
" e) medische zuurstof. ".
" e) medische zuurstof. ".
Art.166. A l'article 34, alinéa 1er, 5° de la même loi, remplacé par la loi du 20 décembre 1995 et modifié par la loi du 22 décembre 2003, il est inséré un point e), rédige comme suit :
" e) oxygène médical. ".
" e) oxygène médical. ".
Art.167. In artikel 35, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2001, wordt in de eerste zin de vermelding " artikel 34, eerste lid, 5°, b) en c) " vervangen door de vermelding " artikel 34, eerste lid, 5°, b), c) en e) ".
Art.167. A l'article 35, § 1er, de la même loi, modifié par la loi du 10 août 2001, à la première phrase, la mention " article 34, alinéa 1er, 5°, b) et c) " est remplacée par la mention " article 34, alinéa 1er, 5°, b), c) et e) ".
Art.168. In artikel 35bis, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de eerste zin wordt aangevuld als volgt :
" en de vergoedbare medische zuurstof, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, e). ";
2° tussen de eerste en de tweede zin wordt een zin ingevoegd, luidende :
" Voor de toepassing van dit artikel wordt de vergoedbare medische zuurstof gelijkgesteld met de vergoedbare farmaceutische specialiteiten. ".
1° de eerste zin wordt aangevuld als volgt :
" en de vergoedbare medische zuurstof, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5°, e). ";
2° tussen de eerste en de tweede zin wordt een zin ingevoegd, luidende :
" Voor de toepassing van dit artikel wordt de vergoedbare medische zuurstof gelijkgesteld met de vergoedbare farmaceutische specialiteiten. ".
Art.168. A l'article 35bis, § 1er, de la même loi, modifié par la loi du 22 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° la première phrase est complétée comme suit :
" et l'oxygène médical remboursable, visé à l'article 34, alinéa 1er, 5°, e). ";
2° entre la première et la deuxième phrase, il est inséré une phrase rédigée comme suit :
" Pour l'application du présent article, l'oxygène médical remboursable est assimilé aux spécialités pharmaceutiques remboursables. ".
1° la première phrase est complétée comme suit :
" et l'oxygène médical remboursable, visé à l'article 34, alinéa 1er, 5°, e). ";
2° entre la première et la deuxième phrase, il est inséré une phrase rédigée comme suit :
" Pour l'application du présent article, l'oxygène médical remboursable est assimilé aux spécialités pharmaceutiques remboursables. ".
Art.169. In artikel 37, § 3, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, wordt de vermelding " artikel 34, eerste lid, 5°, b), c) en d) " vervangen door de vermelding " artikel 34, eerste lid, 5°, b), c), d) en e) ".
Art.169. A l'article 37, § 3, de la même loi, modifié par la loi du 22 décembre 2003, la mention " article 34, alinéa 1er, 5°, b), c) et d) " est remplacée par la mention " article 34, alinéa 1er, 5°, b), c), d) et e) ".
Art.170. Artikel 48, § 1, van dezelfde wet, wordt aangevuld met het volgende lid :
" Wat de in artikel 34, eerste lid, 5°, e) bedoelde verstrekkingen betreft, stelt de overeenkomst regelen vast met betrekking tot een honorarium en een forfaitaire vergoeding voor de kosten verbonden aan de aflevering van zuurstof. ".
" Wat de in artikel 34, eerste lid, 5°, e) bedoelde verstrekkingen betreft, stelt de overeenkomst regelen vast met betrekking tot een honorarium en een forfaitaire vergoeding voor de kosten verbonden aan de aflevering van zuurstof. ".
Art.170. L'article 48, § 1er, de la même loi, est complété par l'alinéa suivant :
" En ce qui concerne les prestations visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, e), la convention fixe des règles relatives à des honoraires ainsi qu'à un remboursement forfaitaire des frais liés à la délivrance d'oxygène. ".
" En ce qui concerne les prestations visées à l'article 34, alinéa 1er, 5°, e), la convention fixe des règles relatives à des honoraires ainsi qu'à un remboursement forfaitaire des frais liés à la délivrance d'oxygène. ".
Onderafdeling II. - Farmaceutische specialiteiten.
Sous-section II. - Spécialités pharmaceutiques.
Art.171. In artikel 35bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wetten van 24 december 2002 en 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 13, eerste zin, vervallen de woorden " onder door de Koning te bepalen voorwaarden ";
2° in § 13 wordt tussen de tweede en de derde zin de volgende zin toegevoegd :
" De Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen kan de minister ook voorstellen dat de beslissing om een farmaceutische specialiteit in te schrijven in de lijst van vergoedbare farmaceutische specialiteiten wordt gekoppeld aan de registratie, de commercialisering op de Belgische markt en de indiening van een aanvraag om vergoeding van een of meerdere andere verpakkingen door de aanvrager. ";
3° een § 14 wordt toegevoegd, luidend als volgt :
" § 14. De Koning bepaalt de regels waaronder de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen aan de minister kan voorstellen om de geschiktheid van een verpakking binnen een bepaalde farmacotherapeutische klasse te beoordelen in functie van de therapeutische indicaties die voor vergoeding worden voorgesteld, de dosering en de behandelingsduur en Hij bepaalt de regels waaronder de minister de vergoeding kan beperken tot de door de Commissie voorgestelde verpakkingen. ".
1° in § 13, eerste zin, vervallen de woorden " onder door de Koning te bepalen voorwaarden ";
2° in § 13 wordt tussen de tweede en de derde zin de volgende zin toegevoegd :
" De Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen kan de minister ook voorstellen dat de beslissing om een farmaceutische specialiteit in te schrijven in de lijst van vergoedbare farmaceutische specialiteiten wordt gekoppeld aan de registratie, de commercialisering op de Belgische markt en de indiening van een aanvraag om vergoeding van een of meerdere andere verpakkingen door de aanvrager. ";
3° een § 14 wordt toegevoegd, luidend als volgt :
" § 14. De Koning bepaalt de regels waaronder de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen aan de minister kan voorstellen om de geschiktheid van een verpakking binnen een bepaalde farmacotherapeutische klasse te beoordelen in functie van de therapeutische indicaties die voor vergoeding worden voorgesteld, de dosering en de behandelingsduur en Hij bepaalt de regels waaronder de minister de vergoeding kan beperken tot de door de Commissie voorgestelde verpakkingen. ".
Art.171. A l'article 35bis de la même loi, inséré par la loi du 10 août 2001 et modifié par les lois des 24 décembre 2002 et 22 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 13, première phrase, les mots " selon les conditions à détermine par le Roi " sont supprimés;
2° au § 13, la phrase suivante est insérée entre la deuxième et la troisième phrase :
" La Commission de Remboursement des Médicaments peut également proposer au ministre que la décision d'inscription d'une spécialité pharmaceutique dans la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables soit conditionnée à l'enregistrement, à la commercialisation sur le marché belge et à l'introduction d'une demande de remboursement d'un ou plusieurs autres conditionnements par le demandeur. ";
3° il est ajouté un § 14, libellé comme suit :
" § 14. Le Roi détermine les règles selon lesquelles la Commission de Remboursement des Médicaments peut proposer au ministre d'évaluer si un conditionnement est approprié dans une classe pharmacothérapeutique déterminée en fonction des indications thérapeutiques qui sont proposées pour le remboursement, de la posologie et de la durée de traitement et Il détermine les règles selon lesquelles le ministre peut limiter le remboursement aux conditionnements proposés par la Commission. ".
1° au § 13, première phrase, les mots " selon les conditions à détermine par le Roi " sont supprimés;
2° au § 13, la phrase suivante est insérée entre la deuxième et la troisième phrase :
" La Commission de Remboursement des Médicaments peut également proposer au ministre que la décision d'inscription d'une spécialité pharmaceutique dans la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables soit conditionnée à l'enregistrement, à la commercialisation sur le marché belge et à l'introduction d'une demande de remboursement d'un ou plusieurs autres conditionnements par le demandeur. ";
3° il est ajouté un § 14, libellé comme suit :
" § 14. Le Roi détermine les règles selon lesquelles la Commission de Remboursement des Médicaments peut proposer au ministre d'évaluer si un conditionnement est approprié dans une classe pharmacothérapeutique déterminée en fonction des indications thérapeutiques qui sont proposées pour le remboursement, de la posologie et de la durée de traitement et Il détermine les règles selon lesquelles le ministre peut limiter le remboursement aux conditionnements proposés par la Commission. ".
Art.172. In artikel 168bis, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 22 augustus 2002, wordt de vermelding " artikel 72bis, § 2 " vervangen door de vermelding " artikel 72bis, §§ 1 en 2 ".
Art.172. A l'article 168bis, alinéa 1er, de la même loi, remplacé par la loi du 22 août 2002, la mention " article 72bis, § 2 " est remplacée par la mention " article 72bis, §§ 1er et 2 ".
Art.173. In artikel 191, eerste lid, 15°quater, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de Franse tekst wordt het woord " supplémentaire " telkens vervangen door het woord " complémentaire ";
2° in § 1, laatste lid, ingevoegd bij de wet van 22 december 2003, wordt de vermelding " verminderd met 25 pct. van de overschrijding " vervangen door de vermelding " verminderd met 25 pct. van de onderschrijding " en worden in de Franse tekst de woorden " qui ont exercé leur influence complètement ou non " vervangen door de woorden " qui n'ont pas produit leurs effets ou ne les ont produits que partiellement ";
3° § 1, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wetten van 2 augustus 2002 en 22 december 2003, wordt aangevuld met het volgende lid :
" Voor het jaar 2004 bedraagt de aanvullende heffing ingesteld ten laste van de farmaceutische firma's op de omzet die is verwezenlijkt gedurende het jaar 2003 4,41 pct. Dit percentage is het aandeel van de overschrijding van het globaal budget 2003, vastgesteld in uitvoering van artikel 69, § 5, beperkt tot 65 pct., zijnde 119 847 duizend euro, van de omzet die de farmaceutische firma's hebben verwezenlijkt gedurende het jaar 2003, zijnde 2 719 101 duizend euro. Hogervermelde overschrijding is het verschil tussen de geboekte uitgaven van het jaar 2003, zijnde 2 812 543 duizend euro en hoger vermeld globaal budget 2003, zijnde 2 541 745 duizend euro en bedraagt 270 798 duizend euro, verminderd met de door de Koning bepaalde elementen die hun invloed niet of niet volledig hebben gehad, zijnde 86 418 duizend euro. Aan de betrokken farmaceutische firma's waarvan het voorschot op de aanvullende heffing, zijnde het bedrag van 2,55 pct. op de omzet die in 2002 verwezenlijkt is, groter is dan het bedrag van 4,41 pct. op de omzet die in 2003 verwezenlijkt is, wordt het saldo teruggestort vóór 31 december 2004. De betrokken farmaceutische firma's waarvan het voorschot op de aanvullende heffing, zijnde het bedrag van 2,55 pct. op de omzet die in 2002 verwezenlijkt is, kleiner is dan het bedrag van 4,41 pct. op de omzet die in 2003 verwezenlijkt is, storten het verschil vóór 31 december 2004 op het rekeningnummer 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding " bijbetaling aanvullende heffing 2004 ". De betrokken firma's die het voorschot van 2,55 pct. op de omzet die in 2002 verwezenlijkt is niet hebben gestort, storten vóór 31 december 2004 4,41 pct. van de omzet die in 2003 is verwezenlijkt, verhoogd met de wettelijke interestvoet te rekenen vanaf 1 juli 2003 op het rekeningnummer 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding " laattijdige betaling aanvullende heffing 2004 ". De betrokken firma's die het voorschot van 2,55 pct. op de omzet die in 2002 verwezenlijkt is niet hebben gestort omdat ze in 2002 geen omzet hebben verwezenlijkt, storten vóór 31 december 2004 4,41 pct. van de omzet die in 2003 is verwezenlijkt op het rekeningnummer 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding " betaling aanvullende heffing 2004 ". De ontvangsten die voortvloeien uit de hogervermelde heffing zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 2004. De terugstortingen van de hogervermelde saldi en de ontvangsten die voortvloeien uit het laattijdig betalen zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 2004. ".
1° in de Franse tekst wordt het woord " supplémentaire " telkens vervangen door het woord " complémentaire ";
2° in § 1, laatste lid, ingevoegd bij de wet van 22 december 2003, wordt de vermelding " verminderd met 25 pct. van de overschrijding " vervangen door de vermelding " verminderd met 25 pct. van de onderschrijding " en worden in de Franse tekst de woorden " qui ont exercé leur influence complètement ou non " vervangen door de woorden " qui n'ont pas produit leurs effets ou ne les ont produits que partiellement ";
3° § 1, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wetten van 2 augustus 2002 en 22 december 2003, wordt aangevuld met het volgende lid :
" Voor het jaar 2004 bedraagt de aanvullende heffing ingesteld ten laste van de farmaceutische firma's op de omzet die is verwezenlijkt gedurende het jaar 2003 4,41 pct. Dit percentage is het aandeel van de overschrijding van het globaal budget 2003, vastgesteld in uitvoering van artikel 69, § 5, beperkt tot 65 pct., zijnde 119 847 duizend euro, van de omzet die de farmaceutische firma's hebben verwezenlijkt gedurende het jaar 2003, zijnde 2 719 101 duizend euro. Hogervermelde overschrijding is het verschil tussen de geboekte uitgaven van het jaar 2003, zijnde 2 812 543 duizend euro en hoger vermeld globaal budget 2003, zijnde 2 541 745 duizend euro en bedraagt 270 798 duizend euro, verminderd met de door de Koning bepaalde elementen die hun invloed niet of niet volledig hebben gehad, zijnde 86 418 duizend euro. Aan de betrokken farmaceutische firma's waarvan het voorschot op de aanvullende heffing, zijnde het bedrag van 2,55 pct. op de omzet die in 2002 verwezenlijkt is, groter is dan het bedrag van 4,41 pct. op de omzet die in 2003 verwezenlijkt is, wordt het saldo teruggestort vóór 31 december 2004. De betrokken farmaceutische firma's waarvan het voorschot op de aanvullende heffing, zijnde het bedrag van 2,55 pct. op de omzet die in 2002 verwezenlijkt is, kleiner is dan het bedrag van 4,41 pct. op de omzet die in 2003 verwezenlijkt is, storten het verschil vóór 31 december 2004 op het rekeningnummer 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding " bijbetaling aanvullende heffing 2004 ". De betrokken firma's die het voorschot van 2,55 pct. op de omzet die in 2002 verwezenlijkt is niet hebben gestort, storten vóór 31 december 2004 4,41 pct. van de omzet die in 2003 is verwezenlijkt, verhoogd met de wettelijke interestvoet te rekenen vanaf 1 juli 2003 op het rekeningnummer 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding " laattijdige betaling aanvullende heffing 2004 ". De betrokken firma's die het voorschot van 2,55 pct. op de omzet die in 2002 verwezenlijkt is niet hebben gestort omdat ze in 2002 geen omzet hebben verwezenlijkt, storten vóór 31 december 2004 4,41 pct. van de omzet die in 2003 is verwezenlijkt op het rekeningnummer 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding " betaling aanvullende heffing 2004 ". De ontvangsten die voortvloeien uit de hogervermelde heffing zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 2004. De terugstortingen van de hogervermelde saldi en de ontvangsten die voortvloeien uit het laattijdig betalen zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 2004. ".
Art.173. A l'article 191, alinéa 1er, 15°quater, de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° le mot " supplémentaire " est chaque fois remplacé par le mot " complémentaire ";
2° au § 1er, dernier alinéa, inséré par la loi du 22 décembre 2003, la mention " diminué de 25 p.c. du dépassement " est remplacée par la mention " diminué de 25 p.c. de la sous-utilisation " et les mots " qui ont exercé leur influence complètement ou non " sont remplacés par les mots " qui n'ont pas produit leurs effets ou ne les ont produits que partiellement ".
3° le § 1er, inséré par la loi du 10 août 2001 et modifié par les lois du 2 août 2002 et du 22 décembre 2003, est complété par l'alinéa suivant :
" Pour l'année 2004, la cotisation complémentaire instaurée à charge des firmes pharmaceutiques sur le chiffre d'affaires qui a été réalisé durant l'année 2003 s'élève à 4,41 p.c.. Ce pourcentage constitue la part du dépassement du budget global 2003, fixé en exécution de l'article 69, § 5, limité à 65 p.c., soit 119 847 milliers d'euros, du chiffre d'affaires des firmes pharmaceutiques réalisé durant l'année 2003, soit 2 719 101 milliers d'euros. Ledit dépassement est la différence entre les dépenses comptabilisées de l'année 2003, soit 2 812 543 milliers d'euros et le budget global 2003 précité, soit 2 541 745 milliers d'euros et s'élève à 270 798 milliers d'euros, diminué des éléments fixé par le Roi, qui n'ont pas produit leurs effets ou ne les ont produits que partiellement, soit 86 418 milliers d'euros. Le solde est versé avant le 31 décembre 2004 aux firmes pharmaceutiques concernées dont l'avance sur la cotisation complémentaire, soit le montant de 2,55 p.c. sur le chiffre d'affaires réalisé en 2002, est supérieure au montant de 4,41 p.c. sur le chiffre d'affaires réalisé en 2003. Les firmes pharmaceutiques concernées dont l'avance sur la cotisation complémentaire, soit le montant de 2,55 p.c. sur le chiffre d'affaires realisé en 2002, est inférieure au montant de 4,41 p.c. sur le chiffre d'affaires réalisé en 2003 versent la différence avant le 31 décembre 2004 au compte n° 001-1950023-11 de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, en indiquant la mention " supplément cotisation complémentaire 2004 ". Les firmes concernées qui n'ont pas versé l'avance de 2,55 p.c. sur le chiffre d'affaires réalisé en 2002, versent avant le 31 décembre 2004 4,41 p.c. du chiffre d'affaires réalisé en 2003, augmenté par le taux d'intérêt légal à compter à partir du 1er juillet 2003 au compte n° 001-1950023-11 de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, en indiquant la mention " paiement tardif cotisation complémentaire 2004 ". Les firmes concernées qui n'ont pas versé l'avance de 2,55 p.c. sur le chiffre d'affaires réalisé en 2002 parce qu'elles n'avaient pas réalisé de chiffre d'affaires en 2002, versent avant le 31 décembre 2004 4,41 p.c. du chiffre d'affaires réalisé en 2003 au compte n° 001-1950023-11 de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, en indiquant la mention " paiement de la cotisation complémentaire 2004 ". Les recettes qui résultent de la cotisation susmentionnée seront imputées dans les comptes de l'assurance obligatoire soins de santé pour l'année comptable 2004. Les remboursements des soldes susmentionnés et les recettes provenant des paiements tardifs seront imputes dans les comptes de l'assurance obligatoire soins de santé pour l'année comptable 2004. ".
1° le mot " supplémentaire " est chaque fois remplacé par le mot " complémentaire ";
2° au § 1er, dernier alinéa, inséré par la loi du 22 décembre 2003, la mention " diminué de 25 p.c. du dépassement " est remplacée par la mention " diminué de 25 p.c. de la sous-utilisation " et les mots " qui ont exercé leur influence complètement ou non " sont remplacés par les mots " qui n'ont pas produit leurs effets ou ne les ont produits que partiellement ".
3° le § 1er, inséré par la loi du 10 août 2001 et modifié par les lois du 2 août 2002 et du 22 décembre 2003, est complété par l'alinéa suivant :
" Pour l'année 2004, la cotisation complémentaire instaurée à charge des firmes pharmaceutiques sur le chiffre d'affaires qui a été réalisé durant l'année 2003 s'élève à 4,41 p.c.. Ce pourcentage constitue la part du dépassement du budget global 2003, fixé en exécution de l'article 69, § 5, limité à 65 p.c., soit 119 847 milliers d'euros, du chiffre d'affaires des firmes pharmaceutiques réalisé durant l'année 2003, soit 2 719 101 milliers d'euros. Ledit dépassement est la différence entre les dépenses comptabilisées de l'année 2003, soit 2 812 543 milliers d'euros et le budget global 2003 précité, soit 2 541 745 milliers d'euros et s'élève à 270 798 milliers d'euros, diminué des éléments fixé par le Roi, qui n'ont pas produit leurs effets ou ne les ont produits que partiellement, soit 86 418 milliers d'euros. Le solde est versé avant le 31 décembre 2004 aux firmes pharmaceutiques concernées dont l'avance sur la cotisation complémentaire, soit le montant de 2,55 p.c. sur le chiffre d'affaires réalisé en 2002, est supérieure au montant de 4,41 p.c. sur le chiffre d'affaires réalisé en 2003. Les firmes pharmaceutiques concernées dont l'avance sur la cotisation complémentaire, soit le montant de 2,55 p.c. sur le chiffre d'affaires realisé en 2002, est inférieure au montant de 4,41 p.c. sur le chiffre d'affaires réalisé en 2003 versent la différence avant le 31 décembre 2004 au compte n° 001-1950023-11 de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, en indiquant la mention " supplément cotisation complémentaire 2004 ". Les firmes concernées qui n'ont pas versé l'avance de 2,55 p.c. sur le chiffre d'affaires réalisé en 2002, versent avant le 31 décembre 2004 4,41 p.c. du chiffre d'affaires réalisé en 2003, augmenté par le taux d'intérêt légal à compter à partir du 1er juillet 2003 au compte n° 001-1950023-11 de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, en indiquant la mention " paiement tardif cotisation complémentaire 2004 ". Les firmes concernées qui n'ont pas versé l'avance de 2,55 p.c. sur le chiffre d'affaires réalisé en 2002 parce qu'elles n'avaient pas réalisé de chiffre d'affaires en 2002, versent avant le 31 décembre 2004 4,41 p.c. du chiffre d'affaires réalisé en 2003 au compte n° 001-1950023-11 de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, en indiquant la mention " paiement de la cotisation complémentaire 2004 ". Les recettes qui résultent de la cotisation susmentionnée seront imputées dans les comptes de l'assurance obligatoire soins de santé pour l'année comptable 2004. Les remboursements des soldes susmentionnés et les recettes provenant des paiements tardifs seront imputes dans les comptes de l'assurance obligatoire soins de santé pour l'année comptable 2004. ".
Afdeling III. - Verhoogde verzekeringstegemoetkoming.
Section III. - Intervention majorée de l'assurance.
Art.174. Het artikel 37, § 19, 5°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 5° de kinderen, ingeschreven als gerechtigden, die, op grond van een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 %, de medische voorwaarden vervullen om het recht te openen op kinderbijslag waarvan het bedrag is verhoogd overeenkomstig artikel 47 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslagen voor loonarbeiders of krachtens artikel 20 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, en hun personen ten laste, alsmede de kinderen, ingeschreven ten laste van de in artikel 32 en 33 bedoelde gerechtigden, die op grond van een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % de medische voorwaarden vervullen om het recht te openen op bovenbedoelde kinderbijslagen; ".
" 5° de kinderen, ingeschreven als gerechtigden, die, op grond van een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 %, de medische voorwaarden vervullen om het recht te openen op kinderbijslag waarvan het bedrag is verhoogd overeenkomstig artikel 47 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslagen voor loonarbeiders of krachtens artikel 20 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, en hun personen ten laste, alsmede de kinderen, ingeschreven ten laste van de in artikel 32 en 33 bedoelde gerechtigden, die op grond van een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % de medische voorwaarden vervullen om het recht te openen op bovenbedoelde kinderbijslagen; ".
Art.174. L'article 37, § 19, 5°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est remplacé par la disposition suivante :
" 5° les enfants, inscrits comme titulaires, qui, en raison d'une incapacité physique ou mentale d'au moins 66 % satisfont aux conditions médicales pour ouvrir le droit aux allocations familiales dont le montant est majoré conformément à l'article 47 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés ou en vertu de l'article 20 de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants, et leurs personnes à charge, ainsi que les enfants, inscrits à charge des titulaires visés aux articles 32 et 33, qui, en raison d'une incapacité physique ou mentale d'au moins 66 % satisfont aux conditions médicales pour ouvrir le droit aux allocations familiales majorées susvisées; ".
" 5° les enfants, inscrits comme titulaires, qui, en raison d'une incapacité physique ou mentale d'au moins 66 % satisfont aux conditions médicales pour ouvrir le droit aux allocations familiales dont le montant est majoré conformément à l'article 47 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés ou en vertu de l'article 20 de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants, et leurs personnes à charge, ainsi que les enfants, inscrits à charge des titulaires visés aux articles 32 et 33, qui, en raison d'une incapacité physique ou mentale d'au moins 66 % satisfont aux conditions médicales pour ouvrir le droit aux allocations familiales majorées susvisées; ".
Art.175. Artikel 174 heeft uitwerking met ingang van 1 mei 2003.
Art.175. L'article 174 produit ses effets le 1er mai 2003.
Afdeling IV. - Maximumfactuur.
Section IV. - Maximum à facturer.
Art.176. In het hoofdstuk IIIbis van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt een afdeling V, dat een artikel 37semel et vicies omvat, ingevoegd, luidend als volgt :
" Afdeling V. - Bepalingen met betrekking tot de terugbetalingen in het kader van de maximumfactuur
Art. 37semel et vicies. Wanneer een andere Belgische reglementering of een buitenlandse reglementering een tenlasteneming voorziet van persoonlijke aandelen in de zin van artikel 37sexies, komt de verzekering voor geneeskundige verzorging tegemoet bij de toepassing van de maximumfactuur, bedoeld in de afdelingen II, III en IV, na aftrek van de tegemoetkomingen van de voormelde reglementeringen.
De Koning stelt de uitvoeringsmodaliteiten vast van deze bepaling, inzonderheid met betrekking tot de organisatie van de gegevensuitwisseling en de periodiciteit van de eventuele regularisaties. ".
" Afdeling V. - Bepalingen met betrekking tot de terugbetalingen in het kader van de maximumfactuur
Art. 37semel et vicies. Wanneer een andere Belgische reglementering of een buitenlandse reglementering een tenlasteneming voorziet van persoonlijke aandelen in de zin van artikel 37sexies, komt de verzekering voor geneeskundige verzorging tegemoet bij de toepassing van de maximumfactuur, bedoeld in de afdelingen II, III en IV, na aftrek van de tegemoetkomingen van de voormelde reglementeringen.
De Koning stelt de uitvoeringsmodaliteiten vast van deze bepaling, inzonderheid met betrekking tot de organisatie van de gegevensuitwisseling en de periodiciteit van de eventuele regularisaties. ".
Art.176. Dans le chapitre IIIbis de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est insérée une section V, comprenant un article 37semel et vicies, libellée comme suit :
" Section V. - Dispositions relatives aux remboursements dans le cadre du maximum à facturer
Art. 37semel et vicies. Lorsqu'une autre réglementation belge ou une réglementation étrangère prévoit la prise en charge des interventions personnelles au sens de l'article 37sexies, l'assurance soins de santé intervient dans l'application du maximum à facturer visé aux sections II, III et IV, après déduction des interventions des réglementations susvisées.
Le Roi fixe les modalités d'exécution de la présente disposition, notamment quant à l'organisation de l'échange de données et à la périodicité des éventuelles régularisations. ".
" Section V. - Dispositions relatives aux remboursements dans le cadre du maximum à facturer
Art. 37semel et vicies. Lorsqu'une autre réglementation belge ou une réglementation étrangère prévoit la prise en charge des interventions personnelles au sens de l'article 37sexies, l'assurance soins de santé intervient dans l'application du maximum à facturer visé aux sections II, III et IV, après déduction des interventions des réglementations susvisées.
Le Roi fixe les modalités d'exécution de la présente disposition, notamment quant à l'organisation de l'échange de données et à la périodicité des éventuelles régularisations. ".
Afdeling V. - Reservefonds.
Section V. - Fonds de réserve.
Art.177. Artikel 193 van dezelfde wet wordt aangevuld met §§ 3 en 4, luidende :
" § 3. Het bedrag dat op 31 december 2001 is ingeschreven in het reservefonds voorzien in artikel 80, 2°, wordt toegewezen aan de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, algemene regeling.
§ 4. Het bedrag dat op 31 december 2001 is ingeschreven in het reservefonds voorzien in artikel 41, 2°, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971, houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten, wordt toegewezen aan de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, regeling voor zelfstandigen. ".
" § 3. Het bedrag dat op 31 december 2001 is ingeschreven in het reservefonds voorzien in artikel 80, 2°, wordt toegewezen aan de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, algemene regeling.
§ 4. Het bedrag dat op 31 december 2001 is ingeschreven in het reservefonds voorzien in artikel 41, 2°, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971, houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten, wordt toegewezen aan de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, regeling voor zelfstandigen. ".
Art.177. L'article 193 de la même loi est complété par les §§ 3 et 4, rédigés comme suit :
" § 3. Le montant inscrit au 31 décembre 2001 dans le fonds de réserve prévu à l'article 80, 2°, est alloué a l'assurance soins de santé obligatoire, régime général.
§ 4. Le montant inscrit au 31 décembre 2001 dans le fonds de réserve prévu à l'article 41, 2°, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants, est alloué à l'assurance soins de santé obligatoire, régime des travailleurs indépendants. ".
" § 3. Le montant inscrit au 31 décembre 2001 dans le fonds de réserve prévu à l'article 80, 2°, est alloué a l'assurance soins de santé obligatoire, régime général.
§ 4. Le montant inscrit au 31 décembre 2001 dans le fonds de réserve prévu à l'article 41, 2°, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants, est alloué à l'assurance soins de santé obligatoire, régime des travailleurs indépendants. ".
Afdeling VI. - Pensioenkadaster.
Section VI. - Cadastre des pensions.
Onderafdeling I. - Inhouding van 3,55 %.
Sous-section première. - Retenue de 3,55 %.
Art.178. In artikel 191 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het volgende lid wordt tussen het vierde en het vijfde lid ingevoegd :
" De Rijksdienst voor pensioenen betaalt van ambtswege de onverschuldigde inhoudingen terug aan de rechthebbende. De Koning bepaalt de modaliteiten van terugbetaling en de opdrachten van de Rijksdienst met betrekking tot deze inhouding. ";
2° het vijfde tot het achtste lid, ingevoegd bij de wet van 22 december 2003, worden vervangen door de volgende bepalingen :
" De schuldvorderingen van het Instituut op de inhoudingen bedoeld in het eerste lid, 7°, verjaren na vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de betaling van het pensioen of het aanvullend voordeel. De schuldvorderingen van Rijksdienst voor pensioenen op de, in toepassing van het vijfde lid, gestorte bedragen, verjaren na vijf jaar te rekenen vanaf de terugbetaling door de Rijksdienst.
De schuldvorderingen van het Instituut op de aanvullende bijdragen of premies, de ontvangsten en inhoudingen, die verschuldigd zijn krachtens het eerste lid, 8°, 9° en 13°, verjaren na vijf jaar, te rekenen vanaf de datum waarop die aanvullende bijdragen, ontvangsten en inhoudingen aan het Instituut zijn overgemaakt of door hem zijn vergoed.
De vorderingen tot terugvordering van onverschuldigde inhoudingen, bedoeld in het eerste lid, 7°, ingesteld door de gerechtigden tegen de Rijksdienst, en, tot terugvordering van onverschuldigde bijdragen en ontvangsten, bedoeld in het eerste lid, 8°, 9° en 13°, ingesteld door de uitbetalingsinstellingen en tegen het Instituut, verjaren na vijf jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de inhouding, de aanvullende bijdrage of de ontvangst zijn overgemaakt aan het Instituut.
De verjaring van de vorderingen bedoeld in het zesde, zevende en achtste lid, wordt onderbroken :
1° op de wijze zoals voorzien in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek;
2° met een aangetekende brief die door het Instituut aan de uitbetalingsinstelling is gericht of met een aangetekende brief die door de uitbetalingsinstelling aan het Instituut is gericht. ".
1° het volgende lid wordt tussen het vierde en het vijfde lid ingevoegd :
" De Rijksdienst voor pensioenen betaalt van ambtswege de onverschuldigde inhoudingen terug aan de rechthebbende. De Koning bepaalt de modaliteiten van terugbetaling en de opdrachten van de Rijksdienst met betrekking tot deze inhouding. ";
2° het vijfde tot het achtste lid, ingevoegd bij de wet van 22 december 2003, worden vervangen door de volgende bepalingen :
" De schuldvorderingen van het Instituut op de inhoudingen bedoeld in het eerste lid, 7°, verjaren na vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de betaling van het pensioen of het aanvullend voordeel. De schuldvorderingen van Rijksdienst voor pensioenen op de, in toepassing van het vijfde lid, gestorte bedragen, verjaren na vijf jaar te rekenen vanaf de terugbetaling door de Rijksdienst.
De schuldvorderingen van het Instituut op de aanvullende bijdragen of premies, de ontvangsten en inhoudingen, die verschuldigd zijn krachtens het eerste lid, 8°, 9° en 13°, verjaren na vijf jaar, te rekenen vanaf de datum waarop die aanvullende bijdragen, ontvangsten en inhoudingen aan het Instituut zijn overgemaakt of door hem zijn vergoed.
De vorderingen tot terugvordering van onverschuldigde inhoudingen, bedoeld in het eerste lid, 7°, ingesteld door de gerechtigden tegen de Rijksdienst, en, tot terugvordering van onverschuldigde bijdragen en ontvangsten, bedoeld in het eerste lid, 8°, 9° en 13°, ingesteld door de uitbetalingsinstellingen en tegen het Instituut, verjaren na vijf jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de inhouding, de aanvullende bijdrage of de ontvangst zijn overgemaakt aan het Instituut.
De verjaring van de vorderingen bedoeld in het zesde, zevende en achtste lid, wordt onderbroken :
1° op de wijze zoals voorzien in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek;
2° met een aangetekende brief die door het Instituut aan de uitbetalingsinstelling is gericht of met een aangetekende brief die door de uitbetalingsinstelling aan het Instituut is gericht. ".
Art.178. A l'article 191 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 4 et 5 :
" L'Office national des pensions rembourse d'office aux ayants droit les retenues indues. Le Roi détermine les modalités de ce remboursement et les missions de l'Office dans le cadre de cette retenue. ";
2° les alinéas 5 à 8, insérés par la loi du 22 décembre 2003, sont remplacés par les dispositions suivantes :
" Les créances de l'Institut sur les retenues visées à l'alinéa 1er, 7°, se prescrivent par cinq ans à compter de la date du paiement de la pension ou de l'avantage complémentaire. Les créances de l'Office national des pensions sur les montants versés en application de l'alinéa 5, se prescrivent par cinq ans à compter du remboursement par l'Office.
Les créances de l'Institut sur les suppléments de cotisations ou de primes, les recettes et retenues, dus en vertu de l'alinéa 1er, 8°, 9° et 13°, se prescrivent par cinq ans à compter de la date à laquelle ces suppléments, recettes et retenues ont été versés à l'Institut ou remboursés par lui.
Les actions intentées par les bénéficiaires, contre l'Office en répétition des retenues indues visées à l'alinéa 1er, 7° et, par les organismes débiteurs, contre l'Institut, en répétition des retenues, suppléments et recettes indus, visés à l'alinéa 1er, 7°, 8° et 13°, se prescrivent par cinq ans à partir de la date à laquelle la retenue, le supplément ou la recette ont été versés à l'Institut.
La prescription des actions visées aux alinéas 6, 7 et 8 est interrompue :
1° de la manière prévue par les articles 2244 et suivants du Code civil;
2° par une lettre recommandée adressée par l'Institut à l'organisme payeur ou par une lettre recommandée adressée par l'organisme payeur à l'Institut. ".
1° l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 4 et 5 :
" L'Office national des pensions rembourse d'office aux ayants droit les retenues indues. Le Roi détermine les modalités de ce remboursement et les missions de l'Office dans le cadre de cette retenue. ";
2° les alinéas 5 à 8, insérés par la loi du 22 décembre 2003, sont remplacés par les dispositions suivantes :
" Les créances de l'Institut sur les retenues visées à l'alinéa 1er, 7°, se prescrivent par cinq ans à compter de la date du paiement de la pension ou de l'avantage complémentaire. Les créances de l'Office national des pensions sur les montants versés en application de l'alinéa 5, se prescrivent par cinq ans à compter du remboursement par l'Office.
Les créances de l'Institut sur les suppléments de cotisations ou de primes, les recettes et retenues, dus en vertu de l'alinéa 1er, 8°, 9° et 13°, se prescrivent par cinq ans à compter de la date à laquelle ces suppléments, recettes et retenues ont été versés à l'Institut ou remboursés par lui.
Les actions intentées par les bénéficiaires, contre l'Office en répétition des retenues indues visées à l'alinéa 1er, 7° et, par les organismes débiteurs, contre l'Institut, en répétition des retenues, suppléments et recettes indus, visés à l'alinéa 1er, 7°, 8° et 13°, se prescrivent par cinq ans à partir de la date à laquelle la retenue, le supplément ou la recette ont été versés à l'Institut.
La prescription des actions visées aux alinéas 6, 7 et 8 est interrompue :
1° de la manière prévue par les articles 2244 et suivants du Code civil;
2° par une lettre recommandée adressée par l'Institut à l'organisme payeur ou par une lettre recommandée adressée par l'organisme payeur à l'Institut. ".
Onderafdeling II. - Solidariteitsbijdrage.
Sous-section II. - Cotisation de solidarité.
Art.179. In artikel 68, § 1, eerste lid, van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 december 1996, wordt het littera h) vervangen als volgt :
" h) onder " uitbetalingsinstelling ", de natuurlijke of -rechtspersoon, of de feitelijke vereniging die de betaling van het pensioen of van het aanvullend voordeel verzekert; ".
" h) onder " uitbetalingsinstelling ", de natuurlijke of -rechtspersoon, of de feitelijke vereniging die de betaling van het pensioen of van het aanvullend voordeel verzekert; ".
Art.179. Dans l'article 68, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 30 mars 1994 portant des dispositions sociales, inséré par l'arrêté royal du 16 décembre 1996, le littera h) est remplacé par la disposition suivante :
" h) par " organisme débiteur ", la personne physique ou morale, ou l'association de fait qui assure le paiement de la pension ou de l'avantage complémentaire; ".
" h) par " organisme débiteur ", la personne physique ou morale, ou l'association de fait qui assure le paiement de la pension ou de l'avantage complémentaire; ".
Art.180. Artikel 68bis, § 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 december 1996, wordt vervangen als volgt :
" § 2. Iedere begunstigde aan wie door buitenlandse uitbetalingsorganismen en/of instellingen van internationaal publiek recht pensioenen en/of aanvullende voordelen worden toegekend, moet de volgende gegevens aangeven bij de Rijksdienst binnen de in § 1, tweede lid, bepaalde termijn :
- de bedragen van de door de buitenlandse of internationale uitbetalingsorganismen betaalde pensioenen en/of aanvullende voordelen, alsook hun referentiedatum;
- of het een begunstigde met gezinslast of een alleenstaande begunstigde betreft;
- iedere wijziging aan voormelde gegevens. ".
" § 2. Iedere begunstigde aan wie door buitenlandse uitbetalingsorganismen en/of instellingen van internationaal publiek recht pensioenen en/of aanvullende voordelen worden toegekend, moet de volgende gegevens aangeven bij de Rijksdienst binnen de in § 1, tweede lid, bepaalde termijn :
- de bedragen van de door de buitenlandse of internationale uitbetalingsorganismen betaalde pensioenen en/of aanvullende voordelen, alsook hun referentiedatum;
- of het een begunstigde met gezinslast of een alleenstaande begunstigde betreft;
- iedere wijziging aan voormelde gegevens. ".
Art.180. L'article 68bis, § 2, de la même loi, inséré par l'arrête royal du 16 décembre 1996, est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Tout bénéficiaire à qui des pensions et/ou avantages complémentaires sont accordés par des organismes débiteurs étrangers et/ou par des organismes de droit international public, est tenu de déclarer les données suivantes à l'Office dans le délai prévu au § 1er, alinéa 2 :
- les montants des pensions et/ou avantages complémentaires payés par les organismes débiteurs étrangers ou internationaux ainsi que leur date de référence;
- s'il s'agit d'un bénéficiaire avec charge de famille ou d'un bénéficiaire isolé;
- toute modification qui interviendrait dans les éléments précités. ".
" § 2. Tout bénéficiaire à qui des pensions et/ou avantages complémentaires sont accordés par des organismes débiteurs étrangers et/ou par des organismes de droit international public, est tenu de déclarer les données suivantes à l'Office dans le délai prévu au § 1er, alinéa 2 :
- les montants des pensions et/ou avantages complémentaires payés par les organismes débiteurs étrangers ou internationaux ainsi que leur date de référence;
- s'il s'agit d'un bénéficiaire avec charge de famille ou d'un bénéficiaire isolé;
- toute modification qui interviendrait dans les éléments précités. ".
Art.181. In artikel 68ter van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 december 1996 en gewijzigd bij de wet van 24 december 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1, eerste en tweede lid, worden vervangen als volgt :
" Indien een wettelijk pensioen wordt uitgekeerd door de Rijksdienst en/of door een andere instelling, met uitsluiting van de Administratie, deelt het Rijksinstituut per begunstigde de volgende gegevens mee aan de Rijksdienst :
- de bedragen van de verschillende pensioenen en/of aanvullende voordelen, hun referentiedatum, alsook de uitbetalingsinstelling;
- of het een begunstigde met gezinslast of een alleenstaande begunstigde betreft;
- iedere wijziging aan voormelde gegevens.
Indien betrokkene, naast het door de Rijksdienst betaald wettelijk pensioen, eveneens een door de Administratie vereffend wettelijk pensioen geniet, deelt het Rijksinstituut de in het eerste lid bedoelde gegevens eveneens mee aan de Administratie en, de Rijksdienst de bedragen van de door de buitenlandse of internationale uitbetalingsinstellingen betaalde pensioenen en/of aanvullende voordelen, alsook hun referentiedatum. ";
2° § 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Indien er door de Rijksdienst geen enkel wettelijk pensioen vereffend wordt maar er door de Administratie en door een andere instelling een wettelijk pensioen vereffend wordt, deelt het Rijksinstituut de in § 1, eerste lid bedoelde gegevens mee aan de Administratie en de Rijksdienst de bedragen van de door de buitenlandse of internationale uitbetalingsinstellingen betaalde pensioenen en/of aanvullende voordelen, alsook hun referentiedatum. In dat geval handelt de Administratie overeenkomstig de bepalingen van § 1, derde en vierde lid, en de instelling overeenkomstig de bepalingen van § 1, vijfde en zesde lid. ".
1° § 1, eerste en tweede lid, worden vervangen als volgt :
" Indien een wettelijk pensioen wordt uitgekeerd door de Rijksdienst en/of door een andere instelling, met uitsluiting van de Administratie, deelt het Rijksinstituut per begunstigde de volgende gegevens mee aan de Rijksdienst :
- de bedragen van de verschillende pensioenen en/of aanvullende voordelen, hun referentiedatum, alsook de uitbetalingsinstelling;
- of het een begunstigde met gezinslast of een alleenstaande begunstigde betreft;
- iedere wijziging aan voormelde gegevens.
Indien betrokkene, naast het door de Rijksdienst betaald wettelijk pensioen, eveneens een door de Administratie vereffend wettelijk pensioen geniet, deelt het Rijksinstituut de in het eerste lid bedoelde gegevens eveneens mee aan de Administratie en, de Rijksdienst de bedragen van de door de buitenlandse of internationale uitbetalingsinstellingen betaalde pensioenen en/of aanvullende voordelen, alsook hun referentiedatum. ";
2° § 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. Indien er door de Rijksdienst geen enkel wettelijk pensioen vereffend wordt maar er door de Administratie en door een andere instelling een wettelijk pensioen vereffend wordt, deelt het Rijksinstituut de in § 1, eerste lid bedoelde gegevens mee aan de Administratie en de Rijksdienst de bedragen van de door de buitenlandse of internationale uitbetalingsinstellingen betaalde pensioenen en/of aanvullende voordelen, alsook hun referentiedatum. In dat geval handelt de Administratie overeenkomstig de bepalingen van § 1, derde en vierde lid, en de instelling overeenkomstig de bepalingen van § 1, vijfde en zesde lid. ".
Art.181. A l'article 68ter de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 16 décembre 1996 et modifié par la loi du 24 décembre 1999, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er, alinéas 1er et 2, est remplacé par les dispositions suivantes :
" Lorsqu'une pension légale est liquidée par l'Office et/ou par une autre institution, à l'exclusion de l'Administration, l'Institut communique par bénéficiaire les données suivantes à l'Office :
- les montants des différentes pensions et/ou avantages complémentaires, leur date de référence ainsi que l'organisme débiteur;
- s'il s'agit d'un bénéficiaire avec charge de famille ou d'un bénéficiaire isolé;
- toute modification qui interviendrait dans les éléments précités.
Lorsque, en plus de la pension légale payée par l'Office, l'intéressé bénéficie également d'une pension légale liquidée par l'Administration, l'Institut communique à l'Administration les éléments visés à l'alinéa 1er, également, et l'Office les montants des pensions et ou avantages payés par les organismes débiteurs étrangers ou internationaux ainsi que leur date de référence. ";
2° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Lorsque aucune pension légale n'est liquidée par l'Office, mais qu'une pension légale est liquidée par l'Administration et par une autre institution, l'Institut communique à l'Administration les données visées au § 1er, alinéa 1er, et l'Office lui communique les montants des pensions et ou avantages payés par les organismes débiteurs étrangers ou internationaux ainsi que leur date de référence. Dans ce cas, l'Administration agit conformément aux dispositions du § 1er, alinéas 3 et 4, tandis que l'institution agit quant à elle conformément aux dispositions du § 1er, alinéas 5 et 6. ".
1° le § 1er, alinéas 1er et 2, est remplacé par les dispositions suivantes :
" Lorsqu'une pension légale est liquidée par l'Office et/ou par une autre institution, à l'exclusion de l'Administration, l'Institut communique par bénéficiaire les données suivantes à l'Office :
- les montants des différentes pensions et/ou avantages complémentaires, leur date de référence ainsi que l'organisme débiteur;
- s'il s'agit d'un bénéficiaire avec charge de famille ou d'un bénéficiaire isolé;
- toute modification qui interviendrait dans les éléments précités.
Lorsque, en plus de la pension légale payée par l'Office, l'intéressé bénéficie également d'une pension légale liquidée par l'Administration, l'Institut communique à l'Administration les éléments visés à l'alinéa 1er, également, et l'Office les montants des pensions et ou avantages payés par les organismes débiteurs étrangers ou internationaux ainsi que leur date de référence. ";
2° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Lorsque aucune pension légale n'est liquidée par l'Office, mais qu'une pension légale est liquidée par l'Administration et par une autre institution, l'Institut communique à l'Administration les données visées au § 1er, alinéa 1er, et l'Office lui communique les montants des pensions et ou avantages payés par les organismes débiteurs étrangers ou internationaux ainsi que leur date de référence. Dans ce cas, l'Administration agit conformément aux dispositions du § 1er, alinéas 3 et 4, tandis que l'institution agit quant à elle conformément aux dispositions du § 1er, alinéas 5 et 6. ".
Art.182. Artikel 68quinquies, § 3, eerste en tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 16 december 1996, wordt vervangen als volgt :
" Het Rijksinstituut is belast met de invordering van de vergoedingen bedoeld in § 1, eerste lid.
De Rijksdienst is belast met de invordering van de vergoedingen bedoeld in § 1, tweede lid, en in § 2. ".
" Het Rijksinstituut is belast met de invordering van de vergoedingen bedoeld in § 1, eerste lid.
De Rijksdienst is belast met de invordering van de vergoedingen bedoeld in § 1, tweede lid, en in § 2. ".
Art.182. L'article 68quinquies, § 3, alinéas 1er et 2, de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 16 décembre 1996, est remplacé comme suit :
" L'Institut est chargé du recouvrement des indemnités visées au § 1er, alinéa 1er.
L'Office est chargé du recouvrement des indemnités visées aux § 1er, alinéa 2, et § 2. ".
" L'Institut est chargé du recouvrement des indemnités visées au § 1er, alinéa 1er.
L'Office est chargé du recouvrement des indemnités visées aux § 1er, alinéa 2, et § 2. ".
Art.183. Deze afdeling treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van de artikelen 178 en 180 tot 182, die in werking treden op de door de Koning te bepalen datum.
(NOTA : Inwerkingtreding van art. 178 en 180 tot 182 vastgesteld op 01-01-2005, door KB 2004-12-22/45, art. 1)
(NOTA : Inwerkingtreding van art. 178 en 180 tot 182 vastgesteld op 01-01-2005, door KB 2004-12-22/45, art. 1)
Art.183. La présente section entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge, à l'exception des articles 178 et 180 à 182, qui entrent en vigueur à la date fixée par le Roi.
(NOTE : Entrée en vigueur des art. 178 et 180 à 182 fixée le 01-01-2005, par AR 2004-12-22/45, art. 1)
(NOTE : Entrée en vigueur des art. 178 et 180 à 182 fixée le 01-01-2005, par AR 2004-12-22/45, art. 1)
Afdeling VII. - Uitkeringen : moederschapsverlof en adoptieverlof.
Section VII. - Indemnités : congé de maternité et d'adoption.
Art.184. Artikel 114 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999, wordt vervangen als volgt :
" Art. 114. - De voorbevallingsrust neemt een aanvang, op vraag van de gerechtigde, ten vroegste vanaf de zesde week vóór de vermoedelijke bevallingsdatum, of de achtste week wanneer de geboorte van een meerling voorzien wordt. De gerechtigde geeft daartoe aan haar verzekeringsinstelling een geneeskundig getuigschrift af, waarbij wordt verklaard dat ze normaal zal bevallen op het einde van de gevraagde voorbevallingsrust. Indien de bevalling plaatsvindt na de datum die door de geneesheer is voorzien, wordt de voorbevallingsrust verlengd tot aan de werkelijke datum van de bevalling.
De nabevallingsrust strekt zich uit over een tijdvak van negen weken te rekenen vanaf de dag van de bevalling. Dat tijdvak kan worden verlengd met de periode tijdens welke de gerechtigde is blijven doorwerken of zich verder in gecontroleerde werkloosheid heeft bevonden vanaf de zesde tot en met de tweede week vóór de bevalling en vanaf de achtste tot en met de tweede week ingeval van geboorte van een meerling. De Koning kan bepalen welke tijdvakken, voor het verlengen van de nabevallingsrust, mogen worden gelijkgesteld met een periode tijdens welke de gerechtigde is blijven doorwerken of verder werkloos is gebleven binnen voormeld tijdvak.
Ingeval van geboorte van een meerling, kan op verzoek van de gerechtigde de periode van nabevallingsrust van negen weken, eventueel verlengd overeenkomstig het bepaalde in het vorige lid, verlengd worden met een periode van maximaal twee weken.
Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf de geboorte in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan op verzoek van de gerechtigde de nabevallingsrust verlengd worden met een duur gelijk aan de periode van hospitalisatie van het kind, die deze eerste zeven dagen overschrijdt. De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden. De gerechtigde geeft daartoe aan haar verzekeringsinstelling een getuigschrift van de verplegingsinrichting die de duur van de hospitalisatie van het kind vaststelt. ".
" Art. 114. - De voorbevallingsrust neemt een aanvang, op vraag van de gerechtigde, ten vroegste vanaf de zesde week vóór de vermoedelijke bevallingsdatum, of de achtste week wanneer de geboorte van een meerling voorzien wordt. De gerechtigde geeft daartoe aan haar verzekeringsinstelling een geneeskundig getuigschrift af, waarbij wordt verklaard dat ze normaal zal bevallen op het einde van de gevraagde voorbevallingsrust. Indien de bevalling plaatsvindt na de datum die door de geneesheer is voorzien, wordt de voorbevallingsrust verlengd tot aan de werkelijke datum van de bevalling.
De nabevallingsrust strekt zich uit over een tijdvak van negen weken te rekenen vanaf de dag van de bevalling. Dat tijdvak kan worden verlengd met de periode tijdens welke de gerechtigde is blijven doorwerken of zich verder in gecontroleerde werkloosheid heeft bevonden vanaf de zesde tot en met de tweede week vóór de bevalling en vanaf de achtste tot en met de tweede week ingeval van geboorte van een meerling. De Koning kan bepalen welke tijdvakken, voor het verlengen van de nabevallingsrust, mogen worden gelijkgesteld met een periode tijdens welke de gerechtigde is blijven doorwerken of verder werkloos is gebleven binnen voormeld tijdvak.
Ingeval van geboorte van een meerling, kan op verzoek van de gerechtigde de periode van nabevallingsrust van negen weken, eventueel verlengd overeenkomstig het bepaalde in het vorige lid, verlengd worden met een periode van maximaal twee weken.
Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf de geboorte in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan op verzoek van de gerechtigde de nabevallingsrust verlengd worden met een duur gelijk aan de periode van hospitalisatie van het kind, die deze eerste zeven dagen overschrijdt. De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden. De gerechtigde geeft daartoe aan haar verzekeringsinstelling een getuigschrift van de verplegingsinrichting die de duur van de hospitalisatie van het kind vaststelt. ".
Art.184. L'article 114 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, modifie par la loi du 25 janvier 1999, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 114. - Le repos prénatal débute, à la demande de la titulaire, au plus tôt à partir de la sixième semaine qui précède la date présumée de l'accouchement ou de la huitième semaine, lorsqu'une naissance multiple est prévue. A cet effet, la titulaire remet à son organisme assureur un certificat médical attestant que l'accouchement doit normalement se produire à la fin de la période de repos prénatal sollicitée. Si l'accouchement se produit après la date prévue par le médecin, le repos prénatal est prolongé jusqu'à la date réelle de l'accouchement.
Le repos postnatal s'étend à une période de neuf semaines qui prend cours le jour de l'accouchement. Cette période peut être prolongée à concurrence de la période pendant laquelle la titulaire a continué le travail ou le chômage contrôlé de la sixième à la deuxième semaine y incluse précédant l'accouchement et de la huitième à la deuxième semaine y incluse en cas de naissance multiple. Le Roi peut déterminer les périodes qui peuvent être assimilées pour la prolongation du repos postnatal à une période au cours de laquelle la titulaire a continué à travailler ou à chômer pendant la période susvisée.
En cas de naissance multiple, la période de repos postnatal de neuf semaines, éventuellement prolongée conformément aux dispositions de l'alinéa précédent, peut, à la demande de la titulaire, être prolongée d'une période de deux semaines au maximum.
Lorsque l'enfant nouveau né doit rester hospitalisé après les sept premiers jours à compter de la naissance, la période de repos postnatal peut, à la demande de la titulaire, être prolongée d'une durée égale à la période d'hospitalisation de l'enfant qui excède ces sept premiers jours. La durée de cette prolongation ne peut dépasser vingt-quatre semaines. A cet effet, la titulaire remet à son organisme assureur un certificat de l'institution hospitalière attestant la durée d'hospitalisation de l'enfant. ".
" Art. 114. - Le repos prénatal débute, à la demande de la titulaire, au plus tôt à partir de la sixième semaine qui précède la date présumée de l'accouchement ou de la huitième semaine, lorsqu'une naissance multiple est prévue. A cet effet, la titulaire remet à son organisme assureur un certificat médical attestant que l'accouchement doit normalement se produire à la fin de la période de repos prénatal sollicitée. Si l'accouchement se produit après la date prévue par le médecin, le repos prénatal est prolongé jusqu'à la date réelle de l'accouchement.
Le repos postnatal s'étend à une période de neuf semaines qui prend cours le jour de l'accouchement. Cette période peut être prolongée à concurrence de la période pendant laquelle la titulaire a continué le travail ou le chômage contrôlé de la sixième à la deuxième semaine y incluse précédant l'accouchement et de la huitième à la deuxième semaine y incluse en cas de naissance multiple. Le Roi peut déterminer les périodes qui peuvent être assimilées pour la prolongation du repos postnatal à une période au cours de laquelle la titulaire a continué à travailler ou à chômer pendant la période susvisée.
En cas de naissance multiple, la période de repos postnatal de neuf semaines, éventuellement prolongée conformément aux dispositions de l'alinéa précédent, peut, à la demande de la titulaire, être prolongée d'une période de deux semaines au maximum.
Lorsque l'enfant nouveau né doit rester hospitalisé après les sept premiers jours à compter de la naissance, la période de repos postnatal peut, à la demande de la titulaire, être prolongée d'une durée égale à la période d'hospitalisation de l'enfant qui excède ces sept premiers jours. La durée de cette prolongation ne peut dépasser vingt-quatre semaines. A cet effet, la titulaire remet à son organisme assureur un certificat de l'institution hospitalière attestant la durée d'hospitalisation de l'enfant. ".
Art.185. Artikel 184 treedt in werking op 1 juli 2004 en is van toepassing op bevallingen die plaatshebben vanaf deze datum.
Art.185. L'article 184 entre en vigueur le 1er juillet 2004 et est d'application aux accouchements qui se produisent à partir de cette date.
Afdeling VIII. - Verplichte verzekering voor zelfstandigen.
Section VIII. - Assurance obligatoire des travailleurs indépendants.
Art.186. Artikel 33 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 18 november 1996 en 25 april 1997 en bij de wet van 25 januari 1999, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt aangevuld met een § 2, luidende :
" § 2. Op een door de Koning vast te stellen datum en volgens door Hem te bepalen nadere regels, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, heeft de toepassing van de gecoördineerde wet voor de rechthebbenden bedoeld in § 1, alle in artikel 34 bedoelde verstrekkingen ten doel. ".
" § 2. Op een door de Koning vast te stellen datum en volgens door Hem te bepalen nadere regels, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, heeft de toepassing van de gecoördineerde wet voor de rechthebbenden bedoeld in § 1, alle in artikel 34 bedoelde verstrekkingen ten doel. ".
Art.186. A l'article 33 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, modifié par les arrêtés royaux des 18 novembre 1996 et 25 avril 1997 et par la loi du 25 janvier 1999, dont le texte actuel forme un § 1er, il est ajouté un § 2, rédigé comme suit :
" § 2. A une date et selon des modalités à déterminer par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, l'application de la loi coordonnée pour les bénéficiaires visés au § 1er a pour objet toutes les prestations visées à l'article 34. ".
" § 2. A une date et selon des modalités à déterminer par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, l'application de la loi coordonnée pour les bénéficiaires visés au § 1er a pour objet toutes les prestations visées à l'article 34. ".
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.
CHAPITRE IV. - Modification de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités.
Art.187. Artikel 20, § 1, tweede lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, wordt opgeheven.
Art.187. L'article 20, § 1er, alinéa 2, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités, est abrogé.
Art.188. Artikel 187 treedt in werking op 1 april 2005.
Art.188. L'article 187 entre en vigueur le 1er avril 2005.
HOOFDSTUK V. - Wijzigingen van het koninklijk besluit nr 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen.
CHAPITRE V. - Modifications de l'arrêté royal n° 78 relatif à l'exercice des professions de santé.
Afdeling I. - Diverse bepalingen met betrekking tot de gezondheidsberoepen.
Section première. - Dispositions diverses concernant les professions de santé.
Art.189. Artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1974 en 19 december 1990, wordt aangevuld met het volgende lid :
" De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Koninklijke Academieën voor Geneeskunde, de lijst van activiteiten vaststellen die tot het dagelijkse leven behoren et die niet tot de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de kinesitherapie of een paramedisch beroep behoren. Hij kan daarenboven de voorwaarden vaststellen waaraan deze activiteiten moeten beantwoorden om als dusdanig te worden beschouwd; ".
" De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Koninklijke Academieën voor Geneeskunde, de lijst van activiteiten vaststellen die tot het dagelijkse leven behoren et die niet tot de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de kinesitherapie of een paramedisch beroep behoren. Hij kan daarenboven de voorwaarden vaststellen waaraan deze activiteiten moeten beantwoorden om als dusdanig te worden beschouwd; ".
Art.189. L'article 5, § 1er, de l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'exercice des professions des soins de santé, modifié par les lois du 20 décembre 1974 et du 19 décembre 1990, est complété par l'alinéa suivant :
" Le Roi peut fixer, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et après avis des Académies Royales de Médecine, la liste des activités qui ont trait à la vie quotidienne et qui ne relèvent pas de l'exercice de l'art de guérir, de l'art infirmier, de la kinésithérapie ou d'une profession paramédicale. Il peut, en outre, fixer les conditions auxquelles ces activités doivent répondre pour être considérées comme telles; ".
" Le Roi peut fixer, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et après avis des Académies Royales de Médecine, la liste des activités qui ont trait à la vie quotidienne et qui ne relèvent pas de l'exercice de l'art de guérir, de l'art infirmier, de la kinésithérapie ou d'une profession paramédicale. Il peut, en outre, fixer les conditions auxquelles ces activités doivent répondre pour être considérées comme telles; ".
Art.190. In hetzelfde besluit wordt een artikel 37ter ingevoegd, luidende :
" Art. 37ter. - De Koning kan, op advies van de Hoge Gezondheidsraad, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, beroepsactiviteiten reglementeren die gevaarlijk kunnen zijn voor de gezondheid en die uitgevoerd worden door beoefenaars waarvan het beroep niet of nog niet erkend wordt in het kader van dit besluit.
De bevoegde gezondheidsinspecteurs zijn gemachtigd beslag te leggen op het materieel waarmee en de lokalen te sluiten waarin de activiteiten plaatshebben die een overtreding vormen op de koninklijke besluiten die ingevolge dit artikel worden genomen. ".
" Art. 37ter. - De Koning kan, op advies van de Hoge Gezondheidsraad, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, beroepsactiviteiten reglementeren die gevaarlijk kunnen zijn voor de gezondheid en die uitgevoerd worden door beoefenaars waarvan het beroep niet of nog niet erkend wordt in het kader van dit besluit.
De bevoegde gezondheidsinspecteurs zijn gemachtigd beslag te leggen op het materieel waarmee en de lokalen te sluiten waarin de activiteiten plaatshebben die een overtreding vormen op de koninklijke besluiten die ingevolge dit artikel worden genomen. ".
Art.190. Dans le même arrêté, il est inséré un article 37ter, rédigé comme suit :
" Art. 37ter. - Le Roi peut, sur avis du Conseil Supérieur d'Hygiène, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, réglementer des activités professionnelles qui peuvent comporter un danger pour la santé et qui sont réalisées par des praticiens dont la profession n'est pas ou pas encore reconnue dans le cadre du présent arrêté.
Les inspecteurs d'hygiène compétents sont habilites à saisir le matériel et à fermer les locaux grâce auxquels se déroulent des activités qui contreviendraient aux arrêtés royaux pris en application du présent article. ".
" Art. 37ter. - Le Roi peut, sur avis du Conseil Supérieur d'Hygiène, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, réglementer des activités professionnelles qui peuvent comporter un danger pour la santé et qui sont réalisées par des praticiens dont la profession n'est pas ou pas encore reconnue dans le cadre du présent arrêté.
Les inspecteurs d'hygiène compétents sont habilites à saisir le matériel et à fermer les locaux grâce auxquels se déroulent des activités qui contreviendraient aux arrêtés royaux pris en application du présent article. ".
Art.191. Artikel 38, § 1, 6°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 22 februari 1994 wordt aangevuld met de woorden " en van artikel 37ter ".
Art.191. L'article 38, § 1er, 6°, du même arrêté, inséré par la loi du 22 février 1994, est complété par les mots " et de l'article 37ter ".
Art.192. In hetzelfde besluit wordt een artikel 45quater ingevoegd, luidende :
" Art. 45quater. - De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gegevens preciseren die moeten worden geregistreerd, evenals de regelen inzake registratie en inzake veiligheid die moeten worden nageleefd met betrekking tot bepaalde ziekten of anomalieën. ".
" Art. 45quater. - De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gegevens preciseren die moeten worden geregistreerd, evenals de regelen inzake registratie en inzake veiligheid die moeten worden nageleefd met betrekking tot bepaalde ziekten of anomalieën. ".
Art.192. Dans le même arrêté, il est inséré un article 45quater, rédigé comme suit :
" Art. 45quater. - Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, préciser les données, les modalités de l'enregistrement et les règles de sécurité qui doivent être respectées pour l'enregistrement de données relatives à certaines maladies ou anomalies. ".
" Art. 45quater. - Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, préciser les données, les modalités de l'enregistrement et les règles de sécurité qui doivent être respectées pour l'enregistrement de données relatives à certaines maladies ou anomalies. ".
Afdeling II. - Apothekers.
Section II. - Pharmaciens.
Art.193. Artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gewijzigd bij de wetten van 13 december 1976, 17 november 1998, 2 augustus 2002 en 22 december 2003, wordt aangevuld met een punt 8°, luidend als volgt :
" 8° de terhandstelling van geneesmiddelen voor somatische celtherapie, zoals gedefinieerd door de Koning, die enkel kan gebeuren door de directeur van een weefselbank erkend overeenkomstig de voorwaarden vastgelegd door de Koning of zijn afgevaardigde. ".
" 8° de terhandstelling van geneesmiddelen voor somatische celtherapie, zoals gedefinieerd door de Koning, die enkel kan gebeuren door de directeur van een weefselbank erkend overeenkomstig de voorwaarden vastgelegd door de Koning of zijn afgevaardigde. ".
Art.193. L'article 4, § 2, de l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'exercice des professions des soins de santé, modifié par les lois des 13 décembre 1976, 17 novembre 1998, 2 août 2002 et 22 décembre 2003, est complété par un point 8°, rédigé comme suit :
" 8° la délivrance de médicaments de thérapie cellulaire somatique, comme définie par le Roi, qui ne peut se faire que par le directeur d'une banque de tissus agréée selon les conditions déterminées par le Roi ou son délégué. ".
" 8° la délivrance de médicaments de thérapie cellulaire somatique, comme définie par le Roi, qui ne peut se faire que par le directeur d'une banque de tissus agréée selon les conditions déterminées par le Roi ou son délégué. ".
Art.194. In artikel 21, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij wet van 22 december 2003, worden de woorden ", alsook voorzien in mogelijke afwijkingen van deze vereisten voor het gebruik van de elektronische handtekening binnen de ziekenhuizen " ingevoegd tussen de woorden " toepassingsmodaliteiten bepalen " en de woorden " en bepaald de datum van inwerkingtreding ".
Art.194. A l'article 21, alinéa 2, du même arrêté, inséré par la loi du 22 décembre 2003, les mots ", ainsi que prévoir des dérogations possibles à ces exigences pour l'utilisation de la signature électronique dans les hôpitaux " sont insérés entre les mots " modalités d'application " et les mots " et détermine la date d'entrée en vigueur ".
HOOFDSTUK VI. - Ziekenhuizen.
CHAPITRE VI. - Hôpitaux.
Art.195. In artikel 109 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, vervangen bij de wet van 14 januari 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het 1° wordt vervangen als volgt :
" 1° het tekort wordt vastgesteld op basis van de resultatenrekening van het beschouwde dienstjaar, die is goedgekeurd door de Raad voor Maatschappelijk Welzijn of de Algemene Vergadering van de vereniging en waarin geen rekening is gehouden met :
a) de activiteiten die niet tot het ziekenhuis behoren;
b) de activiteiten waarmede geen rekening wordt gehouden bij het vaststellen van het budget van financiële middelen.
De Koning bepaalt de elementen van de resultatenrekening die in aanmerking moeten worden genomen voor het vaststellen van het tekort, met ingang van het boekjaar 2004.
De Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, stelt ieder jaar het bedrag van die tekorten vast. ";
2° het 2° wordt opgeheven;
3° het 3° en 4° worden respectievelijk het 2° en 3°.
1° het 1° wordt vervangen als volgt :
" 1° het tekort wordt vastgesteld op basis van de resultatenrekening van het beschouwde dienstjaar, die is goedgekeurd door de Raad voor Maatschappelijk Welzijn of de Algemene Vergadering van de vereniging en waarin geen rekening is gehouden met :
a) de activiteiten die niet tot het ziekenhuis behoren;
b) de activiteiten waarmede geen rekening wordt gehouden bij het vaststellen van het budget van financiële middelen.
De Koning bepaalt de elementen van de resultatenrekening die in aanmerking moeten worden genomen voor het vaststellen van het tekort, met ingang van het boekjaar 2004.
De Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, stelt ieder jaar het bedrag van die tekorten vast. ";
2° het 2° wordt opgeheven;
3° het 3° en 4° worden respectievelijk het 2° en 3°.
Art.195. A l'article 109 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987, remplacé par la loi du 14 janvier 2002, sont apportées les modifications suivantes :
1° le 1° est remplacé par la disposition suivante :
" 1° le déficit est fixé sur base du compte de résultats de l'exercice considéré, approuvé par le Conseil d'Aide Sociale ou l'Assemblée générale de l'association, et dans lequel il n'est pas tenu compte :
a) des activités qui ne relèvent pas de l'hôpital;
b) des activités dont il n'est pas tenu compte pour la fixation du budget des moyens financiers.
Le Roi détermine les éléments du compte de résultats à prendre en considération pour la fixation du déficit, à partir de l'exercice comptable 2004.
Le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions, détermine chaque année le montant de ces déficits. ";
2° le 2° est abrogé;
3° les 3° et 4° deviennent respectivement le 2° et 3°.
1° le 1° est remplacé par la disposition suivante :
" 1° le déficit est fixé sur base du compte de résultats de l'exercice considéré, approuvé par le Conseil d'Aide Sociale ou l'Assemblée générale de l'association, et dans lequel il n'est pas tenu compte :
a) des activités qui ne relèvent pas de l'hôpital;
b) des activités dont il n'est pas tenu compte pour la fixation du budget des moyens financiers.
Le Roi détermine les éléments du compte de résultats à prendre en considération pour la fixation du déficit, à partir de l'exercice comptable 2004.
Le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions, détermine chaque année le montant de ces déficits. ";
2° le 2° est abrogé;
3° les 3° et 4° deviennent respectivement le 2° et 3°.
Art.196. Artikel 195 heeft uitwerking met ingang van het boekjaar 2004.
Art.196. L'article 195 produit ses effets à partir de l'exercice comptable 2004.
HOOFDSTUK VII. - Het beheer van de oproepen tot de hulpdiensten.
CHAPITRE VII. - La gestion des appels aux services de secours.
Afdeling I. - Het Agentschap voor de oproepen tot de hulpdiensten.
Section première. - L'Agence des appels aux services de secours.
Afdeling II. - Diverse bepalingen.
Section II. - Dispositions diverses.
Art.207. § 1. Onder het gezag van de Minister van Volksgezondheid wordt er een " cel dispatching dringende geneeskundige hulpverlening en medische bewaking " opgericht, hierna " de cel " genoemd.
§ 2. De cel wordt ermee belast de oproepen te ontvangen die haar door [1 de 112-centra]1 worden overgemaakt, of de oproepen te ontvangen die rechtstreeks door de beoefenaars van gezondheidsberoepen bedoeld in het koninklijk besluit nr 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen worden gevormd en aldus, overeenkomstig deze wet, beroep te doen op de gepaste interveniënten.
De cel is eveneens bevoegd voor de opdrachten bedoeld in hoofdstuk IIIbis van het koninklijk besluit nr 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.
§ 3. De Koning bepaalt de voorwaarden van kwalificatie, permanente opleiding en begeleiding van de personeelsleden van de cel, alsook van de interveniënten in de dringende geneeskundige hulpverlening. Hij bepaalt eveneens de voorwaarden van kwalificatie, beschikbaarheid, territoriale spreiding, uitrusting en werking waaronder hun integratie in de hulpdiensten wordt toegestaan.
§ 4. Zonder afbreuk te doen aan de opdrachten van [1 de 112-centra]1, kan de Koning de in de §§ 1 en 2 bedoelde opdrachten uitbreiden, voor zover dit aan een beheersdoelstelling van de dringende geneeskundige hulpverlening of van de medische bewaking beantwoordt.
§ 2. De cel wordt ermee belast de oproepen te ontvangen die haar door [1 de 112-centra]1 worden overgemaakt, of de oproepen te ontvangen die rechtstreeks door de beoefenaars van gezondheidsberoepen bedoeld in het koninklijk besluit nr 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen worden gevormd en aldus, overeenkomstig deze wet, beroep te doen op de gepaste interveniënten.
De cel is eveneens bevoegd voor de opdrachten bedoeld in hoofdstuk IIIbis van het koninklijk besluit nr 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.
§ 3. De Koning bepaalt de voorwaarden van kwalificatie, permanente opleiding en begeleiding van de personeelsleden van de cel, alsook van de interveniënten in de dringende geneeskundige hulpverlening. Hij bepaalt eveneens de voorwaarden van kwalificatie, beschikbaarheid, territoriale spreiding, uitrusting en werking waaronder hun integratie in de hulpdiensten wordt toegestaan.
§ 4. Zonder afbreuk te doen aan de opdrachten van [1 de 112-centra]1, kan de Koning de in de §§ 1 en 2 bedoelde opdrachten uitbreiden, voor zover dit aan een beheersdoelstelling van de dringende geneeskundige hulpverlening of van de medische bewaking beantwoordt.
Art.207. § 1er. Il est créé, sous l'autorité du Ministre de la Santé publique, une " cellule de dispatching d'aide médicale urgente et de vigilance sanitaire ", ci-après dénommée " la cellule ".
§ 2. La cellule est chargée de recevoir les appels qui lui sont renvoyés par [1 les centres 112]1 ou de recevoir les appels formés directement par les professionnels des soins de santé visés dans l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'exercice des professions des soins de santé et de faire appel aux intervenants appropriés, conformément à la présente loi.
La cellule est également compétente pour les missions visées au chapitre IIIbis de l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'exercice des professions des soins de santé.
§ 3. Le Roi fixe les conditions de qualification, de formation continue et d'accompagnement des membres du personnel de la cellule ainsi que des intervenants de l'aide médicale urgente. Il fixe également les conditions de qualification, de disponibilité, de répartition sur le territoire, d'équipement et de fonctionnement autorisant leur intégration aux services de secours.
§ 4. Sans porter préjudice aux missions de [1 les centres 112]1, le Roi peut étendre les missions visées aux §§ 1er et 2, pour autant que cela réponde à un objectif de gestion de l'aide médicale urgente ou de la vigilance sanitaire.
§ 2. La cellule est chargée de recevoir les appels qui lui sont renvoyés par [1 les centres 112]1 ou de recevoir les appels formés directement par les professionnels des soins de santé visés dans l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'exercice des professions des soins de santé et de faire appel aux intervenants appropriés, conformément à la présente loi.
La cellule est également compétente pour les missions visées au chapitre IIIbis de l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'exercice des professions des soins de santé.
§ 3. Le Roi fixe les conditions de qualification, de formation continue et d'accompagnement des membres du personnel de la cellule ainsi que des intervenants de l'aide médicale urgente. Il fixe également les conditions de qualification, de disponibilité, de répartition sur le territoire, d'équipement et de fonctionnement autorisant leur intégration aux services de secours.
§ 4. Sans porter préjudice aux missions de [1 les centres 112]1, le Roi peut étendre les missions visées aux §§ 1er et 2, pour autant que cela réponde à un objectif de gestion de l'aide médicale urgente ou de la vigilance sanitaire.
Wijzigingen
Art.208. In de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening wordt in de plaats van artikel 6bis, dat artikel 6ter wordt, een nieuw artikel 6bis ingevoegd, luidende :
" Art. 6bis. - De Koning kan andere interveniënten aanwijzen dan degenen bedoeld in artikelen 4, 4bis, 5 en 6. ".
" Art. 6bis. - De Koning kan andere interveniënten aanwijzen dan degenen bedoeld in artikelen 4, 4bis, 5 en 6. ".
Art.208. Il est inséré dans la loi du 8 juillet 1964 relative à l'aide médicale urgente, à la place de l'article 6bis qui devient l'article 6ter, un article 6bis nouveau rédigé comme suit :
" Art. 6bis. - Le Roi peut désigner d'autres intervenants que ceux visés aux articles 4, 4bis, 5 et 6. ".
" Art. 6bis. - Le Roi peut désigner d'autres intervenants que ceux visés aux articles 4, 4bis, 5 et 6. ".
Art.209. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wettelijke bepalingen wijzigen en coördineren die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van dit hoofdstuk en met name de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening, de [1 wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid]1 betreffende de civiele bescherming en het koninklijk besluit nr 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.
Vóór hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, worden de in uitvoering van het eerste lid genomen besluiten, aan de voorzitters van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat meegedeeld.
Deze treden niet in werking indien deze niet vóór het einde van de twaalfde maand volgend op hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad door de wet bevestigd worden.
Vóór hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, worden de in uitvoering van het eerste lid genomen besluiten, aan de voorzitters van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat meegedeeld.
Deze treden niet in werking indien deze niet vóór het einde van de twaalfde maand volgend op hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad door de wet bevestigd worden.
Art.209. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, modifier et coordonner les dispositions légales nécessaires à l'exécution du présent chapitre et notamment la loi du 8 juillet 1964 relative à l'aide médicale urgente, la [1 loi du 15 mai 2007 relative à la sécurité civile]1 sur la protection civile et l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'exercice des professions des soins de santé.
Avant leur publication au Moniteur belge, les arrêtes pris en vertu de l'alinéa 1er sont communiqués aux présidents de la Chambre des représentants et du Sénat.
Ils ne peuvent entrer en vigueur s'ils n'ont pas été confirmés par la loi avant la fin du douzième mois qui suit leur publication au Moniteur belge.
Avant leur publication au Moniteur belge, les arrêtes pris en vertu de l'alinéa 1er sont communiqués aux présidents de la Chambre des représentants et du Sénat.
Ils ne peuvent entrer en vigueur s'ils n'ont pas été confirmés par la loi avant la fin du douzième mois qui suit leur publication au Moniteur belge.
Art.210. <W 2005-12-27/31, art. 123, 002; Inwerkingtreding : 09-01-2006> Elk artikel van dit hoofdstuk treedt in werking op de dag te bepalen door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en op voorstel van de Ministers van Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid, en uiterlijk op 1 januari 2007.
Art.210. <L 2005-12-27/31, art. 123, 002; En vigueur : 09-01-2006> Chaque article du présent chapitre entre en vigueur à la date fixée par le Roi, par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres et sur proposition des Ministres de l'Intérieur et de la Santé publique, et au plus tard le 1er janvier 2007.
HOOFDSTUK VIII. - Veiligheid van de voedselketen.
CHAPITRE VIII. - Sécurité de la Chaîne alimentaire.
Afdeling I. - Wijziging van de wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel.
Section première. - Modification de la loi du 5 septembre 1952 relative à l'expertise et au commerce des viandes.
Art.211. Artikel 7, eerste lid, laatste zin, van de wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel, hersteld bij de wet van 30 december 2001, wordt opgeheven.
Art.211. L'article 7, alinéa 1er, dernière phrase, de la loi du 5 septembre 1952 relative à l'expertise et au commerce des viandes, rétabli par la loi du 30 décembre 2001, est abrogé.
Afdeling II. - Wijziging van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid.
Section II. - Modification de la loi du 21 décembre 1998 relative aux normes de produits ayant pour but la promotion de modes de production et de consommation durables et la protection de l'environnement et de la santé.
Art.212. Artikel 20bis van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid, ingevoegd bij de wet van 28 maart 2003, wordt vervangen als volgt :
" Art 20bis. - Onverminderd artikel 57 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, en artikel 82 van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977, kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, retributies en bijdragen opleggen ter financiering van de opdrachten van de administratie of van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen die voortvloeien uit de toepassing van de artikelen 7, 8, 8bis, 9, 10, en 15 van deze wet en van de verordeningen vermeld in de bijlage bij deze wet.
Zij kunnen worden opgelegd aan de personen die producten op de markt brengen of ernaar streven om aan de voorwaarden te voldoen om hun producten op de markt te kunnen brengen of ze er te houden.
Het koninklijk besluit genomen krachtens het eerste lid dat bijdragen oplegt, wordt van rechtswege en met terugwerkende kracht tot op de datum van zijn inwerkingtreding opgeheven wanneer het niet door de wetgever werd bekrachtigd in het jaar volgend op dat van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Wanneer de bijdragen en retributies niet verbonden zijn aan de opdrachten van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, zijn deze bestemd voor het Fonds voor grondstoffen en producten, bedoeld in de subrubriek 31-2 van de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen.
De Koning bepaalt tevens het bedrag en de regels voor betaling van de in het eerste lid bedoelde retributies en bijdragen. ".
" Art 20bis. - Onverminderd artikel 57 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, en artikel 82 van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977, kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, retributies en bijdragen opleggen ter financiering van de opdrachten van de administratie of van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen die voortvloeien uit de toepassing van de artikelen 7, 8, 8bis, 9, 10, en 15 van deze wet en van de verordeningen vermeld in de bijlage bij deze wet.
Zij kunnen worden opgelegd aan de personen die producten op de markt brengen of ernaar streven om aan de voorwaarden te voldoen om hun producten op de markt te kunnen brengen of ze er te houden.
Het koninklijk besluit genomen krachtens het eerste lid dat bijdragen oplegt, wordt van rechtswege en met terugwerkende kracht tot op de datum van zijn inwerkingtreding opgeheven wanneer het niet door de wetgever werd bekrachtigd in het jaar volgend op dat van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Wanneer de bijdragen en retributies niet verbonden zijn aan de opdrachten van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, zijn deze bestemd voor het Fonds voor grondstoffen en producten, bedoeld in de subrubriek 31-2 van de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen.
De Koning bepaalt tevens het bedrag en de regels voor betaling van de in het eerste lid bedoelde retributies en bijdragen. ".
Art.212. L'article 20bis de la loi du 21 décembre 1998 relative aux normes de produits ayant pour but la promotion de modes de production et de consommation durables et la protection de l'environnement et de la santé, inséré par la loi du 28 mars 2003, est remplacé par la disposition suivante :
" Art 20bis. - Sans préjudice de l'article 57 de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses et de l'article 82 de la loi du 24 décembre 1976 relative aux propositions budgétaires 1976-1977, le Roi peut fixer, par arrête délibéré en Conseil des ministres, des rétributions et des cotisations afin de financer des missions de l'administration ou de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire qui résultent de l'application des articles 7, 8, 8bis, 9, 10, et 15 de la présente loi et des règlements mentionnés en annexe de la présente loi.
Elles peuvent être exigées des personnes qui mettent sur le marché des produits ou cherchent à répondre aux conditions afin de pouvoir mettre ou maintenir leurs produits sur le marché.
L'arrêté royal pris en vertu de l'alinéa 1er qui exige des cotisations est abrogé de plein droit avec effet rétroactif à la date de son entrée en vigueur lorsqu'il n'a pas été confirmé par le législateur dans l'année qui suit celle de sa publication au Moniteur belge.
Lorsqu'elles ne sont pas afférentes aux missions de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, ces cotisations et rétributions, sont destinées au Fonds pour les matières premières et les produits, visé à la sous rubrique 31-2 du tableau annexé à la loi du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires.
Le Roi fixera également le montant et les modalités du paiement des rétributions et des cotisations visées à l'alinéa 1er. ".
" Art 20bis. - Sans préjudice de l'article 57 de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses et de l'article 82 de la loi du 24 décembre 1976 relative aux propositions budgétaires 1976-1977, le Roi peut fixer, par arrête délibéré en Conseil des ministres, des rétributions et des cotisations afin de financer des missions de l'administration ou de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire qui résultent de l'application des articles 7, 8, 8bis, 9, 10, et 15 de la présente loi et des règlements mentionnés en annexe de la présente loi.
Elles peuvent être exigées des personnes qui mettent sur le marché des produits ou cherchent à répondre aux conditions afin de pouvoir mettre ou maintenir leurs produits sur le marché.
L'arrêté royal pris en vertu de l'alinéa 1er qui exige des cotisations est abrogé de plein droit avec effet rétroactif à la date de son entrée en vigueur lorsqu'il n'a pas été confirmé par le législateur dans l'année qui suit celle de sa publication au Moniteur belge.
Lorsqu'elles ne sont pas afférentes aux missions de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, ces cotisations et rétributions, sont destinées au Fonds pour les matières premières et les produits, visé à la sous rubrique 31-2 du tableau annexé à la loi du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires.
Le Roi fixera également le montant et les modalités du paiement des rétributions et des cotisations visées à l'alinéa 1er. ".
Afdeling III. - Wijziging van de wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.
Section III. - Modification de la loi du 4 février 2000 relative à la création de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire.
Art.213. Artikel 4, § 6, van de wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, ingevoegd bij de wet van 13 juli 2001, wordt aangevuld met het volgende lid :
" Voor de financiering van de bijkomende opdrachten van het Agentschap en voor zover deze prestaties nog niet worden bezoldigd op grond van wettelijke of reglementaire bepalingen, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad aan personen die worden gecontroleerd retributies opleggen waarvan Hij het bedrag, de termijnen en de modaliteiten van inning bepaalt alsook de gevolgen in geval van niet-betaling of laattijdige betaling. ".
" Voor de financiering van de bijkomende opdrachten van het Agentschap en voor zover deze prestaties nog niet worden bezoldigd op grond van wettelijke of reglementaire bepalingen, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad aan personen die worden gecontroleerd retributies opleggen waarvan Hij het bedrag, de termijnen en de modaliteiten van inning bepaalt alsook de gevolgen in geval van niet-betaling of laattijdige betaling. ".
Art.213. L'article 4, § 6, de la loi du 4 février 2000 relative à la création de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, inséré par la loi du 13 juillet 2001, est complété par l'alinéa suivant :
" Pour le financement des missions complémentaires de l'Agence et pour autant que ces prestations ne soient pas déjà rémunérées en vertu de dispositions légales ou réglementaires, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, imposer à charge des personnes contrôlées des rétributions dont Il fixe les montants, les délais et modalités de leur perception ainsi que les conséquences de leur non paiement ou de leur paiement tardif. ".
" Pour le financement des missions complémentaires de l'Agence et pour autant que ces prestations ne soient pas déjà rémunérées en vertu de dispositions légales ou réglementaires, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, imposer à charge des personnes contrôlées des rétributions dont Il fixe les montants, les délais et modalités de leur perception ainsi que les conséquences de leur non paiement ou de leur paiement tardif. ".
Afdeling IV. - Wijziging van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen.
Section IV. - Modification de l'arrêté royal du 22 février 2001organisant les contrôles effectués par l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire et modifiant diverses dispositions légales.
Art.214. Artikel 5bis van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, ingevoegd bij de wet van 22 december 2003, wordt vervangen als volgt :
" Art. 5bis. - De met toepassing van artikel 3, § 1, aangewezen personen kunnen een bewarend beslag uitvoeren, een waarschuwing tot de overtreder richten en een proces-verbaal opstellen in toepassing van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren.
Indien de controle plaatsvindt op een plaats waar de veiligheid van de voedselketen niet wordt aangetast door de gecontroleerde dieren, zijn de in het eerste lid bedoelde maatregelen slechts van toepassing indien de controle betrekking heeft op de vereisten van volksgezondheid, dierengezondheid of plantenbescherming. ".
" Art. 5bis. - De met toepassing van artikel 3, § 1, aangewezen personen kunnen een bewarend beslag uitvoeren, een waarschuwing tot de overtreder richten en een proces-verbaal opstellen in toepassing van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren.
Indien de controle plaatsvindt op een plaats waar de veiligheid van de voedselketen niet wordt aangetast door de gecontroleerde dieren, zijn de in het eerste lid bedoelde maatregelen slechts van toepassing indien de controle betrekking heeft op de vereisten van volksgezondheid, dierengezondheid of plantenbescherming. ".
Art.214. L'article 5bis de l'arrêté royal du 22 février 2001 organisant les contrôles effectués par l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire et modifiant diverses dispositions légales, inséré par la loi du 22 décembre 2003, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 5bis. - Les personnes désignées en application de l'article 3, § 1er, peuvent procéder à une saisie conservatoire, adresser un avertissement ou dresser procès-verbal en application de la loi du 14 août 1986 relative à la protection et au bien-être des animaux.
Si le contrôle a lieu sur un site où la sécurité de la chaîne alimentaire n'est pas affectée du fait des animaux contrôlés, les mesures visées à l'alinéa 1er s'appliquent uniquement si le contrôle s'inscrit dans des impératifs de santé publique, santé animale ou protection des plantes. ".
" Art. 5bis. - Les personnes désignées en application de l'article 3, § 1er, peuvent procéder à une saisie conservatoire, adresser un avertissement ou dresser procès-verbal en application de la loi du 14 août 1986 relative à la protection et au bien-être des animaux.
Si le contrôle a lieu sur un site où la sécurité de la chaîne alimentaire n'est pas affectée du fait des animaux contrôlés, les mesures visées à l'alinéa 1er s'appliquent uniquement si le contrôle s'inscrit dans des impératifs de santé publique, santé animale ou protection des plantes. ".
Art.215. In artikel 7, § 2, eerste lid, van hetzelfde koninklijke besluit, worden de woorden " het minimum " vervangen door de woorden " de helft van het minimum ".
Art.215. Dans l'article 7, § 2, alinéa 1er, du même arrêté, les mots " au minimum ", sont remplacés par les mots " à la moitié du minimum ".
HOOFDSTUK IX. - Dier, Plant, Voeding.
CHAPITRE IX. - Animaux, Végétaux, Alimentation.
Afdeling I. - Wijziging van de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES), en van de Bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de Wijziging van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979.
Section première. - Modification de la loi du 28 juillet 1981portant approbation de la Convention sur le commerce international des espèces de faune et de flore sauvages menacées d'extinction (CITES), et des Annexes, faites à Washington le 3 mars 1973, ainsi que de l'Amendement à la Convention, adopté à Bonn le 22 juin 1979.
Art.216. In artikel 7 van de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES), en van de Bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de Wijziging van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979, gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, worden tussen het tweede en derde lid de volgende leden ingevoegd :
" Wanneer een overtreding van deze wet of van een van zijn uitvoeringsbesluiten is vastgesteld, kunnen de agenten van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu bedoeld in het eerste lid, een waarschuwing richten tot de overtreder waarbij die tot stopzetting van de overtreding wordt aangemaand.
De waarschuwing wordt, onder de vorm van een afschrift van het proces-verbaal waarin de feiten zijn vastgesteld, binnen de vijftien dagen na de vaststelling van de overtreding aan de overtreder toegezonden.
De waarschuwing vermeldt :
- de ten laste gelegde feiten en de overtreden wetsbepaling of -bepalingen;
- de termijn waarin zij dienen te worden stopgezet;
- dat, indien aan de waarschuwing geen gevolg wordt gegeven, het proces-verbaal zal worden overgemaakt aan de ambtenaar die belast is met de toepassing van de procedure die is bepaald in artikel 5bis en dat de procureur des Konings zal kunnen worden ingelicht. ".
" Wanneer een overtreding van deze wet of van een van zijn uitvoeringsbesluiten is vastgesteld, kunnen de agenten van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu bedoeld in het eerste lid, een waarschuwing richten tot de overtreder waarbij die tot stopzetting van de overtreding wordt aangemaand.
De waarschuwing wordt, onder de vorm van een afschrift van het proces-verbaal waarin de feiten zijn vastgesteld, binnen de vijftien dagen na de vaststelling van de overtreding aan de overtreder toegezonden.
De waarschuwing vermeldt :
- de ten laste gelegde feiten en de overtreden wetsbepaling of -bepalingen;
- de termijn waarin zij dienen te worden stopgezet;
- dat, indien aan de waarschuwing geen gevolg wordt gegeven, het proces-verbaal zal worden overgemaakt aan de ambtenaar die belast is met de toepassing van de procedure die is bepaald in artikel 5bis en dat de procureur des Konings zal kunnen worden ingelicht. ".
Art.216. Dans l'article 7 de la loi du 28 juillet 1981 portant approbation de la Convention sur le commerce international des espèces de faune et de flore sauvages menacées d'extinction (CITES), et des Annexes, faites à Washington le 3 mars 1973, ainsi que de l'Amendement à la Convention, adopté à Bonn le 22 juin 1979, modifié par la loi du 22 décembre 2003, les alinéas suivants sont insérés entre les alinéas 2 et 3 :
" Lorsqu'une infraction à la présente loi ou à un de ses arrêtés d'exécution est constatée, les agents du Service Publique Fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement visés à l'alinéa 1er, peuvent adresser au contrevenant un avertissement le mettant en demeure de mettre fin à cette infraction.
L'avertissement est envoyé au contrevenant dans les quinze jours de la constatation de l'infraction, sous forme d'une copie du procès-verbal de constatation des faits.
L'avertissement mentionne :
- les faits imputés et la ou les dispositions légales enfreintes;
- le délai dans lequel il doit y être mis fin;
- qu'au cas où il n'est pas donné suite à l'avertissement, le procès-verbal sera notifié à l'agent qui est chargé de l'application de la procédure visée à l'article 5bis et que le procureur du Roi pourra être avisé. ".
" Lorsqu'une infraction à la présente loi ou à un de ses arrêtés d'exécution est constatée, les agents du Service Publique Fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement visés à l'alinéa 1er, peuvent adresser au contrevenant un avertissement le mettant en demeure de mettre fin à cette infraction.
L'avertissement est envoyé au contrevenant dans les quinze jours de la constatation de l'infraction, sous forme d'une copie du procès-verbal de constatation des faits.
L'avertissement mentionne :
- les faits imputés et la ou les dispositions légales enfreintes;
- le délai dans lequel il doit y être mis fin;
- qu'au cas où il n'est pas donné suite à l'avertissement, le procès-verbal sera notifié à l'agent qui est chargé de l'application de la procédure visée à l'article 5bis et que le procureur du Roi pourra être avisé. ".
Art.217. In de Franse tekst van artikel 7, eerste lid, laatste deel, van dezelfde wet, worden de woorden " de santé animale " toegevoegd na de woorden " de santé publique ".
Art.217. Dans l'article 7, alinéa 1er, dernière partie, de la même loi, les mots " de santé animale " sont ajoutés après les mots " de santé publique ".
Afdeling II. - Wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren.
Section II. - Modification de la loi du 14 août 1986 relative à la protection et au bien-être des animaux.
Art.218. In artikel 3 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, gewijzigd bij de wet van 4 mei 1995, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het 4., worden de woorden " toevertrouwde dieren " vervangen door de woorden " toevertrouwde honden en katten ";
2° het 8. wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 8. verhandelen : in de handel brengen; te koop aanbieden; houden, verwerven, vervoeren, tentoonstellen met het oog op verkoop; ruilen; verkopen; ten kosteloze of bezwarende titel afstaan. ";
3° het 9. wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 9. dierentuin : elke voor het publiek toegankelijke inrichting waar levende dieren van niet gedomesticeerde soorten worden gehouden om te worden tentoongesteld, met inbegrip van dierenparken, safariparken, dolfinaria, aquaria en gespecialiseerde verzamelingen, evenwel met uitzondering van circussen, rondreizende tentoonstellingen en handelszaken voor dieren of andere inrichtingen aangeduid door de Koning en voor diegene waar de Koning voorwaarden kan vaststellen voor het houden en verzorgen van de dieren. ".
1° in het 4., worden de woorden " toevertrouwde dieren " vervangen door de woorden " toevertrouwde honden en katten ";
2° het 8. wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 8. verhandelen : in de handel brengen; te koop aanbieden; houden, verwerven, vervoeren, tentoonstellen met het oog op verkoop; ruilen; verkopen; ten kosteloze of bezwarende titel afstaan. ";
3° het 9. wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 9. dierentuin : elke voor het publiek toegankelijke inrichting waar levende dieren van niet gedomesticeerde soorten worden gehouden om te worden tentoongesteld, met inbegrip van dierenparken, safariparken, dolfinaria, aquaria en gespecialiseerde verzamelingen, evenwel met uitzondering van circussen, rondreizende tentoonstellingen en handelszaken voor dieren of andere inrichtingen aangeduid door de Koning en voor diegene waar de Koning voorwaarden kan vaststellen voor het houden en verzorgen van de dieren. ".
Art.218. A l'article 3 de la loi du 14 août 1986 relative à la protection et au bien-être des animaux, modifié par la loi du 4 mai 1995, sont apportées les modifications suivantes :
1° au point 4, les mots " animaux, confiés " sont remplacés par les mots " chiens ou des chats, confiés ";
2° le point 8 est remplacé par la disposition suivante :
" 8. commercialiser : mettre sur le marché; offrir en vente; garder, acquérir, transporter, exposer en vue de la vente; échanger; vendre; céder à titre gratuit ou onéreux. ";
3° le point 9 est remplacé par la disposition suivante :
" 9. parc zoologique : tout établissement accessible au public où sont détenus et exposés des animaux vivants appartenant à des espèces non domestiques, y compris les parcs d'animaux, les parcs-safari, les dolphinariums, les aquaria et les collections spécialisées, à l'exclusion cependant des cirques, des expositions itinérantes et des établissements commerciaux pour animaux ou d'autres types d'établissements définis par le Roi et pour lesquels le Roi peut fixer des conditions pour la détention et les soins aux animaux. ".
1° au point 4, les mots " animaux, confiés " sont remplacés par les mots " chiens ou des chats, confiés ";
2° le point 8 est remplacé par la disposition suivante :
" 8. commercialiser : mettre sur le marché; offrir en vente; garder, acquérir, transporter, exposer en vue de la vente; échanger; vendre; céder à titre gratuit ou onéreux. ";
3° le point 9 est remplacé par la disposition suivante :
" 9. parc zoologique : tout établissement accessible au public où sont détenus et exposés des animaux vivants appartenant à des espèces non domestiques, y compris les parcs d'animaux, les parcs-safari, les dolphinariums, les aquaria et les collections spécialisées, à l'exclusion cependant des cirques, des expositions itinérantes et des établissements commerciaux pour animaux ou d'autres types d'établissements définis par le Roi et pour lesquels le Roi peut fixer des conditions pour la détention et les soins aux animaux. ".
Art.219. In artikel 3bis, § 2, 5°, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1995, vervalt het woord " tijdelijk ".
Art.219. A l'article 3bis, § 2, 5°, de la même loi, inséré par la loi du 4 mai 1995 le mot " temporaire " est supprimé.
Art.220. In artikel 24, 4., tweede lid, van dezelfde wet, worden de woorden " voor een gelijkaardige proef " vervangen door de woorden " in een proef die hevige pijn, angst of daarmee gelijkstaand leed met zich mee brengt ".
Art.220. A l'article 24, 4., alinéa 2, de la même loi, les mots " pour une expérience similaire " sont remplaces par les mots " dans une expérience entraînant des douleurs intenses, de l'angoisse ou des souffrances équivalentes ".
Art.221. Artikel 26, § 1, eerste lid, tweede zin, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 4 mei 1995 wordt vervangen als volgt :
" Hij moet beschikken over een universitair diploma waarbij een fundamentele kennis van de medische of biologische wetenschappen wordt gewaarborgd. ".
" Hij moet beschikken over een universitair diploma waarbij een fundamentele kennis van de medische of biologische wetenschappen wordt gewaarborgd. ".
Art.221. L'article 26, § 1er, alinéa 1er, deuxième phrase, de la même loi, modifié par la loi du 4 mai 1995 est remplacé par la disposition suivante :
" Il doit être titulaire d'un diplôme universitaire garantissant une connaissance fondamentale des sciences médicales ou biologiques. ".
" Il doit être titulaire d'un diplôme universitaire garantissant une connaissance fondamentale des sciences médicales ou biologiques. ".
Art.222. In artikel 42, § 2, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden " al dan niet " ingevoegd tussen de woorden " aan de eigenaar " en de woorden " tegen waarborgsom ".
Art.222. A l'article 42, § 2, alinéa 1er, de la même loi les mots " ou sans " sont insérés entre les mots " au propriétaire sous " et le mot " caution ".
Afdeling III. - Wijziging van de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde.
Section III. - Modification de la loi du 28 août 1991 sur l'exercice de la médecine vétérinaire.
Art.223. In artikel 34, § 1, van de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden " van de Diergeneeskundige Dienst van het Ministerie van Landbouw of " vervallen;
2° de woorden " de Inspectie van de Artsenijbereidkunde van het Ministerie van Volksgezondheid en Leefmilieu " worden vervangen door de woorden " het Directoraat-generaal : Geneesmiddelen van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu ".
1° de woorden " van de Diergeneeskundige Dienst van het Ministerie van Landbouw of " vervallen;
2° de woorden " de Inspectie van de Artsenijbereidkunde van het Ministerie van Volksgezondheid en Leefmilieu " worden vervangen door de woorden " het Directoraat-generaal : Geneesmiddelen van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu ".
Art.223. A l'article 34, § 1er, de la loi du 28 août 1991 sur l'exercice de la médecine vétérinaire, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " du Service vétérinaire du Ministère de l'Agriculture ou " sont supprimés;
2° les mots " l'Inspection de la Pharmacie du Ministère de la Santé publique et de l'Environnement " sont remplacés par les mots " la Direction Générale : Médicaments du Service Public Fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement ".
1° les mots " du Service vétérinaire du Ministère de l'Agriculture ou " sont supprimés;
2° les mots " l'Inspection de la Pharmacie du Ministère de la Santé publique et de l'Environnement " sont remplacés par les mots " la Direction Générale : Médicaments du Service Public Fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement ".
HOOFDSTUK X. - Hormonen. - Wijziging van de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, bèta-adrenergische of productiestimulerende werking.
CHAPITRE X. - Hormones. - Modification de la loi du 15 juillet 1985 relative à l'utilisation de substances à effet hormonal, à effet anti-hormonal, à effet bêta-adrénergique ou à effet stimulateur de production chez les animaux.
Art.224. In artikel 2, 4°, eerste streepje, van de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, bèta-adrenergische of productiestimulerende werking, vervangen bij de wet van 17 maart 1997, worden de woorden " de individuele toediening door een dierenarts aan een landbouwdier " vervangen door de woorden " de individuele toediening door een dierenarts of onder zijn rechtstreekse verantwoordelijkheid aan een landbouwdier ".
Art.224. Dans l'article 2, 4°, 1er tiret de la loi du 15 juillet 1985 relative à l'utilisation de substances à effet hormonal, à effet anti-hormonal, à effet bêta-adrénergique ou à effet stimulateur de production chez les animaux, remplacé par la loi du 17 mars 1997, les mots " l'administration à titre individuel par un médecin vétérinaire à un animal d'exploitation " sont remplacés par les mots " l'administration à titre individuel par un médecin vétérinaire ou sous sa responsabilité directe à un animal d'exploitation ".
Art.225. In artikel 3 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 17 maart 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 worden de woorden " 17 ss oestradiol en zijn esterachtige derivaten " ingevoegd tussen de woorden " stoffen met thyreostatische werking " en de woorden " evenals van niet-geregistreerde diergeneesmiddelen ";
2° het artikel 3 wordt aangevuld met een § 5, luidende :
" § 5. Het voorschrijven en het toedienen aan landbouwdieren en aquacultuurdieren van stoffen die de opsporing van de substanties vermeld in de §§ 1, 2, 3 en 4 van dit artikel belemmeren, en waarvan de lijst wordt vastgesteld door de Koning, zijn verboden. ".
1° in § 1 worden de woorden " 17 ss oestradiol en zijn esterachtige derivaten " ingevoegd tussen de woorden " stoffen met thyreostatische werking " en de woorden " evenals van niet-geregistreerde diergeneesmiddelen ";
2° het artikel 3 wordt aangevuld met een § 5, luidende :
" § 5. Het voorschrijven en het toedienen aan landbouwdieren en aquacultuurdieren van stoffen die de opsporing van de substanties vermeld in de §§ 1, 2, 3 en 4 van dit artikel belemmeren, en waarvan de lijst wordt vastgesteld door de Koning, zijn verboden. ".
Art.225. A l'article 3 de la même loi, remplacé par la loi du 17 mars 1997, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, les mots " de l'oestradiol 17 ss et ses dérivés estérifiés " sont insérés entre les mots " des substances à effet thyréostatique " et les mots " ainsi que de médicaments vétérinaires non enregistrés ";
2° l'article 3 est complété par un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. La prescription et l'administration aux animaux d'exploitation et aux animaux d'aquaculture de substances qui entravent la détection des substances mentionnées aux §§ 1er, 2, 3 et 4, et dont la liste est fixée par le Roi, sont interdites. ".
1° au § 1er, les mots " de l'oestradiol 17 ss et ses dérivés estérifiés " sont insérés entre les mots " des substances à effet thyréostatique " et les mots " ainsi que de médicaments vétérinaires non enregistrés ";
2° l'article 3 est complété par un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. La prescription et l'administration aux animaux d'exploitation et aux animaux d'aquaculture de substances qui entravent la détection des substances mentionnées aux §§ 1er, 2, 3 et 4, et dont la liste est fixée par le Roi, sont interdites. ".
Art.226. In artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 11 juli 1994 en 17 maart 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1 wordt aangevuld met het volgende lid :
" In afwijking van de bepalingen van artikel 3, § 1, is het toedienen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik die 17 ss oestradiol of esterachtige derivaten daarvan bevatten voor het opwekken van bronst bij runderen, paarden, schapen of geiten nog toegestaan tot 14 oktober 2006. ";
2° er wordt een § 1bis ingevoegd, luidende :
" § 1bis. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van § 1, wordt het toedienen aan landbouwhuisdieren van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik die 17 ss oestradiol of esterachtige derivaten daarvan bevatten, toegestaan voor de volgende doeleinden :
- de behandeling van maceratie of mummificatie van foetussen bij runderen,
- de behandeling van pyometra bij runderen. ".
1° § 1 wordt aangevuld met het volgende lid :
" In afwijking van de bepalingen van artikel 3, § 1, is het toedienen van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik die 17 ss oestradiol of esterachtige derivaten daarvan bevatten voor het opwekken van bronst bij runderen, paarden, schapen of geiten nog toegestaan tot 14 oktober 2006. ";
2° er wordt een § 1bis ingevoegd, luidende :
" § 1bis. Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van § 1, wordt het toedienen aan landbouwhuisdieren van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik die 17 ss oestradiol of esterachtige derivaten daarvan bevatten, toegestaan voor de volgende doeleinden :
- de behandeling van maceratie of mummificatie van foetussen bij runderen,
- de behandeling van pyometra bij runderen. ".
Art.226. A l'article 4 de la même loi, modifié par les lois du 11 juillet 1994 et du 17 mars 1997, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er est complété par l'alinéa suivant :
" En dérogation aux dispositions de l'article 3, § 1er, l'administration à des animaux d'exploitation de médicaments vétérinaires contenant de l'oestradiol 17 ss ou ses dérivés estérifiés en vue de l'induction de l'oestrus chez les bovins, les équins, les ovins et les caprins reste autorisée jusqu'au 14 octobre 2006. ";
2° il est inséré un § 1erbis, rédigé comme suit :
" § 1erbis. Sans préjudice des dispositions du § 1er, l'administration à des animaux d'exploitation de médicaments vétérinaires contenant de l'oestradiol 17 ss ou ses dérivés estérifiés est autorisée aux fins suivantes :
- le traitement de la macération ou de la momification foetale chez les bovins,
- le traitement du pyomètre chez les bovins. ".
1° le § 1er est complété par l'alinéa suivant :
" En dérogation aux dispositions de l'article 3, § 1er, l'administration à des animaux d'exploitation de médicaments vétérinaires contenant de l'oestradiol 17 ss ou ses dérivés estérifiés en vue de l'induction de l'oestrus chez les bovins, les équins, les ovins et les caprins reste autorisée jusqu'au 14 octobre 2006. ";
2° il est inséré un § 1erbis, rédigé comme suit :
" § 1erbis. Sans préjudice des dispositions du § 1er, l'administration à des animaux d'exploitation de médicaments vétérinaires contenant de l'oestradiol 17 ss ou ses dérivés estérifiés est autorisée aux fins suivantes :
- le traitement de la macération ou de la momification foetale chez les bovins,
- le traitement du pyomètre chez les bovins. ".
Art.227. In artikel 9bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 11 juli 1994 en gewijzigd bij de wet van 17 maart 1997, wordt een § 4 ingevoegd, luidende :
" § 4. Onafhankelijk van de resultaten van de analyse, wordt de bekentenis door de eigenaar van de betrokken dieren, van de toediening aanzien als een bevestigd positief resultaat en zijn de maatregelen voorzien in §§1 tot 3 ambtshalve van toepassing. ".
" § 4. Onafhankelijk van de resultaten van de analyse, wordt de bekentenis door de eigenaar van de betrokken dieren, van de toediening aanzien als een bevestigd positief resultaat en zijn de maatregelen voorzien in §§1 tot 3 ambtshalve van toepassing. ".
Art.227. Dans l'article 9bis de la même loi, inséré par la loi du 11 juillet 1994 et modifié par la loi du 17 mars 1997, il est inséré un § 4, rédigé comme suit :
" § 4. Indépendamment des résultats d'analyse, l'aveu par le propriétaire des animaux concernés, de l'administration est considéré comme un résultat positif confirmé et entraîne d'office l'application des mesures prévues aux §§ 1er à 3. ".
" § 4. Indépendamment des résultats d'analyse, l'aveu par le propriétaire des animaux concernés, de l'administration est considéré comme un résultat positif confirmé et entraîne d'office l'application des mesures prévues aux §§ 1er à 3. ".
Art.228. Artikel 225, 1°, en artikel 226 treden in werking op 14 oktober 2004.
Art.228. L'article 225, 1°, et l'article 226 entrent en vigueur le 14 octobre 2004.
TITEL IX. - Middenstand.
TITRE IX. - Classes moyennes.
HOOFDSTUK I. - Zelfstandigen.
CHAPITRE Ier. - Travailleurs indépendants.
Afdeling I. - Wijziging van het koninklijk besluit nr 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
Section première. - Modification de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
Art.229. In artikel 7bis, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, ingevoegd bij de programmawet (I) van 24 december 2002 en vervangen bij de programmawet van 8 april 2003, worden de woorden " in de loop van een bepaald jaar " vervangen door de woorden " in de loop van een bepaald kwartaal " en worden de woorden " voor datzelfde jaar " vervangen door de woorden " voor datzelfde kwartaal ".
Art.229. Dans l'article 7bis, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, inséré par la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et remplacé par la loi-programme du 8 avril 2003, les mots " au cours d'une année déterminée " sont remplacés par les mots " au cours d'un trimestre civil déterminé " et les mots " pour cette même année " sont remplacés par les mots " pour ce même trimestre civil ".
Art.230. Artikel 229 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2003.
Art.230. L'article 229 produit ses effets le 1er janvier 2003.
Afdeling II. - Wijziging van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, wat betreft de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van de vennootschappen bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen.
Section II. - Modification de la loi du 30 décembre 1992 portant des dispositions sociales et diverses, en ce qui concerne l'instauration d'une cotisation annuelle à charge des sociétés destinée au statut social des travailleurs indépendants.
Art.231. Artikel 92 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, wordt aangevuld met het volgend lid :
" In afwijking van het eerste lid dient de bijdrage die betrekking heeft op het jaar 2004 te worden geïnd vanaf 1 oktober 2004 en vereffend ten laatste op 31 december 2004 of uiterlijk de laatste dag van de derde maand volgend op de maand waarin de vennootschap werd opgericht of aan de belasting der niet-inwoners werd onderworpen. ".
" In afwijking van het eerste lid dient de bijdrage die betrekking heeft op het jaar 2004 te worden geïnd vanaf 1 oktober 2004 en vereffend ten laatste op 31 december 2004 of uiterlijk de laatste dag van de derde maand volgend op de maand waarin de vennootschap werd opgericht of aan de belasting der niet-inwoners werd onderworpen. ".
Art.231. L'article 92 de la loi du 30 décembre 1992 portant des dispositions sociales et diverses, est complété par l'alinéa suivant :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, la cotisation relative à l'année 2004 doit être perçue à compter du 1er octobre 2004 et réglée au plus tard le 31 décembre 2004 ou au plus tard le dernier jour du troisième mois qui suit le mois de la création de la société ou le mois de son assujettissement à l'impôt des non-résidents. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, la cotisation relative à l'année 2004 doit être perçue à compter du 1er octobre 2004 et réglée au plus tard le 31 décembre 2004 ou au plus tard le dernier jour du troisième mois qui suit le mois de la création de la société ou le mois de son assujettissement à l'impôt des non-résidents. ".
Afdeling III. - Aanvullende pensioenen voor zelfstandigen.
Section III. - Pensions complémentaires des indépendants.
Art.232. Artikel 42, 3°, van de programmawet (I) van 24 december 2002, gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2003, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 3° zelfstandige : de verzekeringsplichtige zelfstandige die sociale bijdragen verschuldigd is, die minstens gelijk zijn aan de bijdragen, bedoeld in artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit nr 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, of de zelfstandige die in artikel 12, § 1bis, van hetzelfde besluit bedoeld is ".
" 3° zelfstandige : de verzekeringsplichtige zelfstandige die sociale bijdragen verschuldigd is, die minstens gelijk zijn aan de bijdragen, bedoeld in artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit nr 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, of de zelfstandige die in artikel 12, § 1bis, van hetzelfde besluit bedoeld is ".
Art.232. L'article 42, 3°, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, modifié par la loi-programme du 22 décembre 2003, est remplacé par la disposition suivante :
" 3° travailleur indépendant : le travailleur indépendant assujetti qui est redevable de cotisations sociales au moins égales à celles visées à l'article 12, § 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, ou le travailleur indépendant qui est visé à l'article 12, § 1erbis, du même arrêté ".
" 3° travailleur indépendant : le travailleur indépendant assujetti qui est redevable de cotisations sociales au moins égales à celles visées à l'article 12, § 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, ou le travailleur indépendant qui est visé à l'article 12, § 1erbis, du même arrêté ".
Art.233. In artikel 44, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het tweede lid wordt als volgt vervangen :
" Op de gezamenlijke voordracht van de Minister van Financiën, van de Minister van Middenstand en van de Minister van Pensioenen bepaalt de Koning het minimumbedrag van de bijdrage en de maximumbijdragevoet. ";
2° een vijfde en zesde lid worden toegevoegd, luidend als volgt :
" In het geval dat de beroepsinkomsten lager zijn dan twee derden van het bedrag bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr 38 van 27 juli 1967 en zonder afbreuk te doen van de bepalingen van het tweede lid, kan de zelfstandige en de helper een bijdrage storten die gelijk is aan 8,17 % van hun beroepsinkomsten.
De meewerkende echtgenoot kan, onder dezelfde voorwaarden, een bijdrage storten die gelijk is aan 8,17 % van zijn beroepsinkomsten indien zijn referte-inkomen lager is dan twee derden van de helft van het bedrag bedoeld in het vorige lid. ".
1° het tweede lid wordt als volgt vervangen :
" Op de gezamenlijke voordracht van de Minister van Financiën, van de Minister van Middenstand en van de Minister van Pensioenen bepaalt de Koning het minimumbedrag van de bijdrage en de maximumbijdragevoet. ";
2° een vijfde en zesde lid worden toegevoegd, luidend als volgt :
" In het geval dat de beroepsinkomsten lager zijn dan twee derden van het bedrag bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr 38 van 27 juli 1967 en zonder afbreuk te doen van de bepalingen van het tweede lid, kan de zelfstandige en de helper een bijdrage storten die gelijk is aan 8,17 % van hun beroepsinkomsten.
De meewerkende echtgenoot kan, onder dezelfde voorwaarden, een bijdrage storten die gelijk is aan 8,17 % van zijn beroepsinkomsten indien zijn referte-inkomen lager is dan twee derden van de helft van het bedrag bedoeld in het vorige lid. ".
Art.233. A l'article 44, § 2, de la même loi, modifiée par la loi-programme du 22 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 2 est remplacé comme suit :
" Le Roi détermine, sur la proposition conjointe du Ministre des Finances, du Ministre des Classes moyennes et du Ministre des Pensions, le montant minimum et le taux maximum de la cotisation. ";
2° les alinéas 5 et 6 suivants sont ajoutés :
" Dans l'hypothèse où les revenus professionnels sont inférieurs aux deux tiers du montant visé par l'article 12, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 et sans préjudice des dispositions de l'alinéa 2, le travailleur indépendant et l'aidant peuvent verser une cotisation égale à 8,17 % de leurs revenus professionnels.
Le conjoint aidant peut, dans les mêmes conditions, verser une cotisation égale à 8,17 % de ses revenus professionnels si son revenu de référence est inférieur aux deux tiers de la moitié du montant visé à l'alinéa précédent. ".
1° l'alinéa 2 est remplacé comme suit :
" Le Roi détermine, sur la proposition conjointe du Ministre des Finances, du Ministre des Classes moyennes et du Ministre des Pensions, le montant minimum et le taux maximum de la cotisation. ";
2° les alinéas 5 et 6 suivants sont ajoutés :
" Dans l'hypothèse où les revenus professionnels sont inférieurs aux deux tiers du montant visé par l'article 12, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 et sans préjudice des dispositions de l'alinéa 2, le travailleur indépendant et l'aidant peuvent verser une cotisation égale à 8,17 % de leurs revenus professionnels.
Le conjoint aidant peut, dans les mêmes conditions, verser une cotisation égale à 8,17 % de ses revenus professionnels si son revenu de référence est inférieur aux deux tiers de la moitié du montant visé à l'alinéa précédent. ".
Art.234. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de datum waarop artikel 232 in werking treedt.
Artikel 233 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2004.
(NOTA : Inwerkingtreding van art. 232 vastgesteld op 01-01-2004 bij KB 2005-03-07/31)
Artikel 233 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2004.
(NOTA : Inwerkingtreding van art. 232 vastgesteld op 01-01-2004 bij KB 2005-03-07/31)
Art.234. Le Roi fixe, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, la date d'entrée en vigueur de l'article 232.
L'article 233 produit ses effets le 1er janvier 2004.
(NOTE : Entrée en vigueur de l'art. 232 fixée le 01-01-2004 par AR 2005-03-07/31)
L'article 233 produit ses effets le 1er janvier 2004.
(NOTE : Entrée en vigueur de l'art. 232 fixée le 01-01-2004 par AR 2005-03-07/31)
Afdeling IV. - Pensioenen zelfstandigen.
Section IV. - Pensions des travailleurs indépendants.
Art.235. Artikel 131bis van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, ingevoegd bij de wet van 22 december 1989, gewijzigd bij de wetten van 29 december 1990, 30 december 1992, 30 maart 1994, bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001 en bij de wet van 24 december 2002, wordt aangevuld met een § 1quinquies, luidende :
" § 1quinquies. De in § 1quater bedoelde bedragen van 9 307,77 EUR en 6 981,78 EUR worden respectievelijk gebracht op :
- op 1 september 2004, op 9 673,62 EUR en 7 281,11 EUR;
- op 1 december 2005, op 10 039,47 EUR en 7 580,44 EUR;
- op 1 december 2006, op 10 405,32 EUR en 7 879,77 EUR;
- op 1 december 2007, op 10 771,17 EUR en 8 179,10 EUR. ".
" § 1quinquies. De in § 1quater bedoelde bedragen van 9 307,77 EUR en 6 981,78 EUR worden respectievelijk gebracht op :
- op 1 september 2004, op 9 673,62 EUR en 7 281,11 EUR;
- op 1 december 2005, op 10 039,47 EUR en 7 580,44 EUR;
- op 1 december 2006, op 10 405,32 EUR en 7 879,77 EUR;
- op 1 december 2007, op 10 771,17 EUR en 8 179,10 EUR. ".
Art.235. L'article 131bis de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, inséré par la loi du 22 décembre 1989, modifié par les lois des 29 décembre 1990, 30 décembre 1992, 30 mars 1994, l'arrêté royal du 13 juillet 2001, et par la loi du 24 décembre 2002, est complété par un § 1erquinquies, rédigé comme suit :
" § 1erquinquies. Les montants de 9 307,77 EUR et 6 981,78 EUR, visés au § 1erquater, sont portés respectivement :
- au 1er septembre 2004, à 9 673,62 EUR et 7 281,11 EUR;
- au 1er décembre 2005, à 10 039,47 EUR et 7 580,44 EUR;
- au 1er décembre 2006, à 10 405,32 EUR et 7 879,77 EUR;
- au 1er décembre 2007, à 10 771,17 EUR et 8 179,10 EUR. ".
" § 1erquinquies. Les montants de 9 307,77 EUR et 6 981,78 EUR, visés au § 1erquater, sont portés respectivement :
- au 1er septembre 2004, à 9 673,62 EUR et 7 281,11 EUR;
- au 1er décembre 2005, à 10 039,47 EUR et 7 580,44 EUR;
- au 1er décembre 2006, à 10 405,32 EUR et 7 879,77 EUR;
- au 1er décembre 2007, à 10 771,17 EUR et 8 179,10 EUR. ".
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de wetten betreffende de organisatie van de Middenstand, gecoördineerd op 28 mei 1979.
CHAPITRE II. - Modification des lois relatives à l'organisation des Classes moyennes, coordonnées le 28 mai 1979.
Art.236. In het opschrift van hoofdstuk III van de wetten betreffende de organisatie van de Middenstand, gecoördineerd op 28 mei 1979, gewijzigd bij de wetten van 6 juli 1987, 6 april 1995, 10 februari 1998, 27 mei 1999 en 16 januari 2003, worden de woorden " interfederale bureaus " vervangen door de woorden " sectorcommissies ".
Art.236. Dans l'intitulé du chapitre III des lois relatives à l'organisation des Classes moyennes, coordonnées le 28 mai 1979, modifiées par les lois des 6 juillet 1987, 6 avril 1995, 10 février 1998, 27 mai 1999 et 16 janvier 2003, les mots " bureaux interfédéraux " sont remplacés par les mots " commissions sectorielles ".
Art.237. Artikel 9, tweede zin, van dezelfde wetten, wordt opgeheven.
Art.237. L'article 9, deuxième phrase, des mêmes lois, est abrogée.
Art.238. In de artikelen 9, 11, 12, 13, § 1, 14, § 1, 18, § 3, 19, tweede lid, 23 en 27 van dezelfde wetten worden de woorden " interfederale bureaus " vervangen door de woorden " sectorcommissies ".
Art.238. Aux articles 9, 11, 12, 13, § 1er, 14, § 1er, 18, § 3, 19, alinéa 2, 23 et 27 des mêmes lois, les mots " bureaux interfédéraux " sont remplacés par les mots " commissions sectorielles ".
Art.239. Artikel 10 van dezelfde wetten wordt vervangen als volgt :
" Art. 10. - Elke sectorcommissie verkiest uit haar midden een voorzitter en een ondervoorzitter die van rechtswege werkend lid zijn van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, hierna de " Hoge Raad " genoemd, evenals een plaatsvervanger voor elk van beiden. ".
" Art. 10. - Elke sectorcommissie verkiest uit haar midden een voorzitter en een ondervoorzitter die van rechtswege werkend lid zijn van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, hierna de " Hoge Raad " genoemd, evenals een plaatsvervanger voor elk van beiden. ".
Art.239. L'article 10 des mêmes lois est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 10. - Chaque commission sectorielle élit en son sein un président et un vice-président qui sont de droit membres effectifs du Conseil supérieur des Indépendants et des Petites et Moyennes Entreprises, appelé ci-après le " Conseil supérieur ", ainsi qu'un remplaçant pour chacun d'eux. ".
" Art. 10. - Chaque commission sectorielle élit en son sein un président et un vice-président qui sont de droit membres effectifs du Conseil supérieur des Indépendants et des Petites et Moyennes Entreprises, appelé ci-après le " Conseil supérieur ", ainsi qu'un remplaçant pour chacun d'eux. ".
Art.240. In de artikelen 11, 12, 13, §§ 1, 2, 4 en 5, 14, §§ 1 en 2, 15, eerste lid, 16, 17, 18, §§ 1, 2 en 4, 21, 22, 23, 24, 25, §§ 1 en 2, 26, eerste lid, en 27, eerste lid, van dezelfde wetten worden de woorden " Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen " vervangen door de woorden " Hoge Raad ".
Art.240. Aux articles 11, 12, 13, §§ 1er, 2, 4 et 5, 14, §§ 1er et 2, 15, alinéa 1er, 16, 17, 18, §§ 1er, 2 et 4, 21, 22, 23, 24, 25, §§ 1er et 2, 26, alinéa 1er, et 27, alinéa 1er, des mêmes lois, les mots " Conseil supérieur des Indépendants et des Petites et Moyennes Entreprises ", sont remplacés par les mots " Conseil supérieur ".
Art.241. In artikel 13, § 2, van dezelfde wetten worden de woorden " tot hetzelfde interfederaal bureau ", vervangen door de woorden " tot dezelfde sectorcommissie ".
Art.241. A l'article 13, § 2, des mêmes lois, les mots " au même bureau interfédéral ", sont remplacés par les mots " à la même commission sectorielle ".
Art.242. In de hiernavolgende artikelen van dezelfde wetten, worden de volgende woorden geschrapt :
- in de artikelen 13, § 1, en 18, § 3, de woorden " en door de Kamers van ambachten en neringen ";
- in artikel 13, § 2, de woorden " tot dezelfde Kamer van ambachten en neringen ";
- in de artikelen 14, § 1, en 27, de woorden " en de Kamers van ambachten en neringen ";
- in artikel 24, de woorden " en van de Kamers van ambachten en neringen ";
- in artikel 25, § 2, de woorden " en op de Kamers van ambachten en neringen ";
- in artikel 26, eerste lid, de woorden " of een Kamer van ambachten en neringen ";
- in artikel 27, eerste lid, de woorden " en de Kamers van Ambachten en Neringen ".
- in de artikelen 13, § 1, en 18, § 3, de woorden " en door de Kamers van ambachten en neringen ";
- in artikel 13, § 2, de woorden " tot dezelfde Kamer van ambachten en neringen ";
- in de artikelen 14, § 1, en 27, de woorden " en de Kamers van ambachten en neringen ";
- in artikel 24, de woorden " en van de Kamers van ambachten en neringen ";
- in artikel 25, § 2, de woorden " en op de Kamers van ambachten en neringen ";
- in artikel 26, eerste lid, de woorden " of een Kamer van ambachten en neringen ";
- in artikel 27, eerste lid, de woorden " en de Kamers van Ambachten en Neringen ".
Art.242. Aux articles énumérés ci-après des mêmes lois, les mots suivants sont supprimés :
- aux articles 13, § 1er, et 18, § 3, les mots " et par les Chambres des métiers et négoces ";
- à l'article 13, § 2, les mots " à la même Chambre des métiers et négoces ";
- aux articles 14, § 1er, et 27 les mots " et les Chambres des métiers et négoces ";
- à l'article 24, les mots " et des Chambres des métiers et négoces ";
- à l'article 25, § 2, les mots " et des Chambres des métiers et négoces ";
- à l'article 26, alinéa 1er, les mots " ou une Chambre des métiers et négoces ";
- à l'article 27, alinéa 1er, les mots " et des Chambres des Métiers et Négoces ".
- aux articles 13, § 1er, et 18, § 3, les mots " et par les Chambres des métiers et négoces ";
- à l'article 13, § 2, les mots " à la même Chambre des métiers et négoces ";
- aux articles 14, § 1er, et 27 les mots " et les Chambres des métiers et négoces ";
- à l'article 24, les mots " et des Chambres des métiers et négoces ";
- à l'article 25, § 2, les mots " et des Chambres des métiers et négoces ";
- à l'article 26, alinéa 1er, les mots " ou une Chambre des métiers et négoces ";
- à l'article 27, alinéa 1er, les mots " et des Chambres des Métiers et Négoces ".
Art.243. Artikel 14, § 1, tweede lid, van dezelfde wetten wordt vervangen als volgt :
" Ten minste 20 pct. van de leden van iedere sectie moeten afgevaardigden zijn van de erkende representatieve federaties van de vrije en de andere zelfstandige intellectuele beroepen. ".
" Ten minste 20 pct. van de leden van iedere sectie moeten afgevaardigden zijn van de erkende representatieve federaties van de vrije en de andere zelfstandige intellectuele beroepen. ".
Art.243. L'article 14, § 1er, alinéa 2, des mêmes lois est remplacé par la disposition suivante :
" Au moins 20 pc. des membres de chaque section doivent être des délégués des fédérations représentatives agréées des professions libérales et autres professions intellectuelles indépendantes. ".
" Au moins 20 pc. des membres de chaque section doivent être des délégués des fédérations représentatives agréées des professions libérales et autres professions intellectuelles indépendantes. ".
Art.244. Artikel 19, eerste en tweede lid, van dezelfde wetten wordt vervangen als volgt :
" De Hoge Raad wordt geleid door een bureau dat, buiten de voorzitter, is samengesteld uit twee ondervoorzitters en zes bijzitters. De leden van het bureau worden verkozen door de voltallige vergadering van de Hoge Raad. In dit bureau zijn voor elk van de beide secties van de Hoge Raad zowel de groep van vrije en andere zelfstandige intellectuele beroepen als de groep van andere beroepen vertegenwoordigd. ".
" De Hoge Raad wordt geleid door een bureau dat, buiten de voorzitter, is samengesteld uit twee ondervoorzitters en zes bijzitters. De leden van het bureau worden verkozen door de voltallige vergadering van de Hoge Raad. In dit bureau zijn voor elk van de beide secties van de Hoge Raad zowel de groep van vrije en andere zelfstandige intellectuele beroepen als de groep van andere beroepen vertegenwoordigd. ".
Art.244. L'article 19, alinéas 1er et 2, des mêmes lois est remplacé par la disposition suivante :
" Le Conseil supérieur est géré par un bureau composé, outre le président, de deux vice-présidents et de six assesseurs. Les membres du bureau sont élus par l'assemblée plénière du Conseil supérieur. Au sein de ce bureau, pour chacune des deux sections du Conseil supérieur, le groupe des professions libérales et autres professions intellectuelles indépendantes et le groupe des autres professions sont représentés. ".
" Le Conseil supérieur est géré par un bureau composé, outre le président, de deux vice-présidents et de six assesseurs. Les membres du bureau sont élus par l'assemblée plénière du Conseil supérieur. Au sein de ce bureau, pour chacune des deux sections du Conseil supérieur, le groupe des professions libérales et autres professions intellectuelles indépendantes et le groupe des autres professions sont représentés. ".
Art.245. In artikel 21, § 1, tweede lid, van dezelfde wetten wordt in de Nederlandse tekst het woord " secretariaat-generaal " vervangen door het woord " secretaris-generaal ".
Art.245. A l'article 21, § 1er, alinéa 2, du texte néerlandais des mêmes lois, le mot " secrétariats-greffes " est remplacé par le mot " secretaris-generaal ".
Art.246. Artikel 25, § 1, van dezelfde wetten wordt vervangen als volgt :
" § 1. Het bureau van de Hoge Raad stelt jaarlijks een werkingsbegroting op, en legt deze, samen met de aanvraag om toelage, ter goedkeuring voor aan de Minister bevoegd voor de Middenstand, die de nodige kredieten op de begroting van zijn departement uittrekt. ".
" § 1. Het bureau van de Hoge Raad stelt jaarlijks een werkingsbegroting op, en legt deze, samen met de aanvraag om toelage, ter goedkeuring voor aan de Minister bevoegd voor de Middenstand, die de nodige kredieten op de begroting van zijn departement uittrekt. ".
Art.246. L'article 25, § 1er, des mêmes lois est remplace comme suit :
" § 1er. Le bureau du Conseil supérieur établit annuellement un budget de fonctionnement et soumet ce budget, conjointement avec la demande de subvention, à l'approbation du Ministre compétent pour les Classes moyennes, qui inscrit les crédits nécessaires au budget de son département. ".
" § 1er. Le bureau du Conseil supérieur établit annuellement un budget de fonctionnement et soumet ce budget, conjointement avec la demande de subvention, à l'approbation du Ministre compétent pour les Classes moyennes, qui inscrit les crédits nécessaires au budget de son département. ".
Art.247. In artikel 26, eerste lid, van dezelfde wetten worden de woorden ", een interfederaal bureau " vervangen door de woorden " of een sectorcommissie ".
Art.247. A l'article 26, alinéa 1er, des mêmes lois, les mots ", d'un bureau interféderal ", sont remplacés par les mots " ou d'une commission sectorielle ".
Art.248. In artikel 27, eerste lid, van dezelfde wetten wordt na de woorden " Hoge Raad " het woord " en " toegevoegd.
Art.248. A l'article 27, alinéa 1er, des mêmes lois, est inséré après les mots " Conseil supérieur " le mot " et ".
Art.249. In artikel 28 van dezelfde wetten worden de woorden " de bureaus " vervangen door de woorden " het bureau ".
Art.249. A l'article 28 des mêmes lois, les mots " les bureaux ", sont remplacés par les mots " le bureau ".
Art.250. De hoofdstukken VI en VII van dezelfde wetten worden opgeheven.
Art.250. Les chapitres VI et VII des mêmes lois sont abrogés.
Art.251. De vigerende bepalingen aangaande de werking van de thans samengestelde Hoge Raad en zijn organen blijven van toepassing tot de hernieuwing van de mandaten conform de bepalingen van dit hoofdstuk.
Art.251. Les dispositions en vigueur relatives au fonctionnement de l'actuel Conseil supérieur et de ses organes continuent à produire leurs effets jusqu'au renouvellement des mandats conformément aux dispositions du présent chapitre.
HOOFDSTUK III. - Psychologen.
CHAPITRE III. - Psychologues.
Art.252. In de wet van 8 november 1993 tot bescherming van de titel van psycholoog, wordt een artikel 20 toegevoegd, luidende :
" Art. 20. - De Koning kan de bepalingen van deze wet wijzigen evenals haar uitvoeringsbesluiten met het doel de omzetting in het interne recht te verzekeren van de Richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten. ".
" Art. 20. - De Koning kan de bepalingen van deze wet wijzigen evenals haar uitvoeringsbesluiten met het doel de omzetting in het interne recht te verzekeren van de Richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten. ".
Art.252. A la loi du 8 novembre 1993 protégeant le titre de psychologue, il est ajouté un article 20, rédigé comme suit :
" Art. 20. - Le Roi peut modifier les dispositions de la présente loi et les arrêtés pris en son exécution en vue d'assurer la transposition en droit interne de la Directive 89/48/EEG du Conseil du 21 décembre 1988 relative à un système général de reconnaissance des diplômes d'enseignement supérieur qui sanctionnent des formations professionnelles d'une durée minimale de trois ans. ".
" Art. 20. - Le Roi peut modifier les dispositions de la présente loi et les arrêtés pris en son exécution en vue d'assurer la transposition en droit interne de la Directive 89/48/EEG du Conseil du 21 décembre 1988 relative à un système général de reconnaissance des diplômes d'enseignement supérieur qui sanctionnent des formations professionnelles d'une durée minimale de trois ans. ".
TITEL X. - Werk en Pensioenen.
TITRE X. - Emploi et Pensions.
HOOFDSTUK I. - Europees Sociaal Fonds.
CHAPITRE Ier. - Fonds Social Européen.
Art.253. Overeenkomstig het artikel 45, § 4, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, wordt het Belgisch Europees Sociaal Fonds, ingeschreven onder de rubriek 23-4 in de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van de begrotingsfondsen, gemachtigd te functioneren door middel van een vastleggingsmachtiging.
Art.253. Conformément à l'article 45, § 4, de l'arrêté royal du 17 juillet 1991 portant coordination des lois sur la comptabilité de l'Etat, le Fonds social européen belge, inscrit sous la rubrique 23-4 au tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, est autorisé à fonctionner moyennant une autorisation d'engagement.
HOOFDSTUK II. - Overdracht van bepaalde financieringsopdrachten van het Tewerkstellingsfonds naar de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.
CHAPITRE II. - Transfert de certaines missions de financement du Fonds pour l'Emploi à l'Office national de l'Emploi.
Afdeling I. - Werkgeversbijdragen aan het Tewerkstellingsfonds. - Financiering van het inschakelingsparcours.
Section première. - Cotisations patronales destinées au Fonds pour l'Emploi. - Financement du parcours d'insertion.
Art.254. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder RSZ-Globaal Beheer, de RSZ-Globaal Beheer, bedoeld in artikel 5, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
De bedragen, geïnd met toepassing van de artikelen 5, 12, 12bis en 15 van het koninklijk besluit nr. 181 van 30 december 1982 tot oprichting van een Fonds ter aanwending van de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling, worden, in afwijking van artikel 15 van voornoemd koninklijk besluit nr. 181 van 30 december 1982, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit nr. 185 van 30 december 1982 houdende de organisatie, voor de kleine en middelgrote ondernemingen, van een specifiek stelsel voor de aanwending van de loonmatiging voor de tewerkstelling, worden, in afwijking van artikel 4, § 5, van voornoemd koninklijk besluit nr. 185 van 30 december 1982, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van de artikelen 50 en 56 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, worden, in afwijking van artikel 55 van voornoemde herstelwet van 22 januari 1985, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van de artikelen 8, 11 en 12 van het koninklijk besluit nr. 492 van 31 december 1986 houdende bepalingen ter bevordering van de tewerkstelling, worden, in afwijking van artikel 11 van voornoemd koninklijk besluit nr. 492 van 31 december 1986, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van de artikelen 137 en 140 van de programmawet van 30 december 1988, worden, in afwijking van artikel 137, § 3, en artikel 143 van voornoemde programmawet van 30 december 1988, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van de artikelen 158 en 172 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen, worden, in afwijking van artikel 161 en artikel 172, § 2, van voornoemde wet van 29 december 1990, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van artikel 3 van de wet van 10 juni 1993 tot omzetting van sommige bepalingen van het interprofessioneel akkoord van 9 december 1992, worden, in afwijking van artikel 3, § 2, van voornoemde wet van 10 juni 1993, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van de artikelen 17 en 19 van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling, worden, in afwijking van artikel 17, § 2, en artikel 19, derde lid, van voornoemde wet van 3 april 1995, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van artikel 28 van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid, worden, in afwijking van artikel 29, § 1, van voornoemde wet van 22 december 1995, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van de artikelen 4 en 5 van het koninklijk besluit van 27 januari 1997 houdende maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, worden, in afwijking van artikel 4, § 2, en artikel 5, vierde lid, van voornoemd koninklijk besluit van 27 januari 1997, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van de artikelen 107 en 121 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, worden, in afwijking van artikel 107, § 2, en artikel 121, vierde lid, van voornoemde wet van 26 maart 1999, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van de artikelen 5 en 7 van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers, worden, in afwijking van artikel 5, § 2, en artikel 7, § 2, van voornoemde wet van 5 september 2001, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van de artikelen 5 en 6 van de wet van 1 april 2003 houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord voor de periode 2003-2004, worden, in afwijking van artikel 5, § 2, en artikel 6, § 2, van voornoemde wet van 1 april 2003, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van de artikelen 5, 12, 12bis en 15 van het koninklijk besluit nr. 181 van 30 december 1982 tot oprichting van een Fonds ter aanwending van de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling, worden, in afwijking van artikel 15 van voornoemd koninklijk besluit nr. 181 van 30 december 1982, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit nr. 185 van 30 december 1982 houdende de organisatie, voor de kleine en middelgrote ondernemingen, van een specifiek stelsel voor de aanwending van de loonmatiging voor de tewerkstelling, worden, in afwijking van artikel 4, § 5, van voornoemd koninklijk besluit nr. 185 van 30 december 1982, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van de artikelen 50 en 56 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, worden, in afwijking van artikel 55 van voornoemde herstelwet van 22 januari 1985, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van de artikelen 8, 11 en 12 van het koninklijk besluit nr. 492 van 31 december 1986 houdende bepalingen ter bevordering van de tewerkstelling, worden, in afwijking van artikel 11 van voornoemd koninklijk besluit nr. 492 van 31 december 1986, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van de artikelen 137 en 140 van de programmawet van 30 december 1988, worden, in afwijking van artikel 137, § 3, en artikel 143 van voornoemde programmawet van 30 december 1988, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van de artikelen 158 en 172 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen, worden, in afwijking van artikel 161 en artikel 172, § 2, van voornoemde wet van 29 december 1990, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van artikel 3 van de wet van 10 juni 1993 tot omzetting van sommige bepalingen van het interprofessioneel akkoord van 9 december 1992, worden, in afwijking van artikel 3, § 2, van voornoemde wet van 10 juni 1993, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van de artikelen 17 en 19 van de wet van 3 april 1995 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling, worden, in afwijking van artikel 17, § 2, en artikel 19, derde lid, van voornoemde wet van 3 april 1995, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van artikel 28 van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid, worden, in afwijking van artikel 29, § 1, van voornoemde wet van 22 december 1995, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van de artikelen 4 en 5 van het koninklijk besluit van 27 januari 1997 houdende maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, worden, in afwijking van artikel 4, § 2, en artikel 5, vierde lid, van voornoemd koninklijk besluit van 27 januari 1997, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van de artikelen 107 en 121 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, worden, in afwijking van artikel 107, § 2, en artikel 121, vierde lid, van voornoemde wet van 26 maart 1999, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van de artikelen 5 en 7 van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers, worden, in afwijking van artikel 5, § 2, en artikel 7, § 2, van voornoemde wet van 5 september 2001, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
De bedragen, geïnd met toepassing van de artikelen 5 en 6 van de wet van 1 april 2003 houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord voor de periode 2003-2004, worden, in afwijking van artikel 5, § 2, en artikel 6, § 2, van voornoemde wet van 1 april 2003, overgemaakt aan de RSZ-Globaal Beheer.
Art.254. Pour l'application du présent article, on entend par ONSS-Gestion globale, l'ONSS-Gestion globale visée à l'article 5, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Les montants perçus en application des articles 5, 12, 12bis et 15 de l'arrêté royal n° 181 du 30 décembre 1982 créant un Fonds en vue de l'utilisation de la modération salariale complémentaire pour l'emploi, sont, par dérogation à l'article 15 de l'arrêté royal n° 181 du 30 décembre 1982 précité, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application de l'article 3, § 2, de l'arrêté royal n° 185 du 30 décembre 1982 organisant, pour les petites et moyennes entreprises, un régime spécifique d'utilisation de la modération salariale pour l'emploi, sont, par dérogation à l'article 4, § 5, de l'arrêté royal n° 185 du 30 décembre 1982 précité, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application des articles 50 et 56 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, sont, par dérogation à l'article 55 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 précitée, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application des articles 8, 11 et 12 de l'arrêté royal n° 492 du 31 décembre 1986 contenant des dispositions en faveur de l'emploi, sont, par dérogation à l'article 11 de l'arrêté royal n° 492 du 31 décembre 1986 précité, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application des articles 137 et 140 de la loi-programme du 30 décembre 1988, sont, par dérogation à l'article 137, § 3, et à l'article 143 de la loi-programme du 30 décembre 1988 précitée, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application des articles 158 et 172 de la loi du 29 décembre 1990 portant des dispositions sociales, sont, par dérogation à l'article 161 et à l'article 172, § 2, de la loi du 29 décembre 1990 précitée, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application de l'article 3 de la loi du 10 juin 1993 transposant certaines dispositions de l'accord interprofessionnel du 9 décembre 1992, sont, par dérogation à l'article 3, § 2, de la loi du 10 juin 1993 précitée, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application des articles 17 et 19 de la loi du 3 avril 1995 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi, sont, par dérogation à l'article 17, § 2, et à l'article 19, alinéa 3, de la loi du 3 avril 1995 précitée, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application de l'article 28 de la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi, sont, par dérogation à l'article 29, § 1er, de la loi du 22 décembre 1995 précitée, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application des articles 4 et 5 de l'arrêté royal du 27 janvier 1997 contenant des mesures pour la promotion de l'emploi en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de l'emploi, sont, par dérogation à l'article 4, § 2, et à l'article 5, alinéa 4, de l'arrêté royal du 27 janvier 1997 précité, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application des articles 107 et 121 de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses, sont, par dérogation à l'article 107, § 2, et à l'article 121, alinéa 4, de la loi du 26 mars 1999 précitée, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application des articles 5 et 7 de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs, sont, par dérogation à l'article 5, § 2, et à l'article 7, § 2, de la loi du 5 septembre 2001 précitée, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application des articles 5 et 6 de la loi du 1er avril 2003 portant exécution de l'accord interprofessionnel pour la période 2003-2004, sont, par dérogation à l'article 5, § 2, et à l'article 6, § 2, de la loi du 1er avril 2003 précitée, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application des articles 5, 12, 12bis et 15 de l'arrêté royal n° 181 du 30 décembre 1982 créant un Fonds en vue de l'utilisation de la modération salariale complémentaire pour l'emploi, sont, par dérogation à l'article 15 de l'arrêté royal n° 181 du 30 décembre 1982 précité, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application de l'article 3, § 2, de l'arrêté royal n° 185 du 30 décembre 1982 organisant, pour les petites et moyennes entreprises, un régime spécifique d'utilisation de la modération salariale pour l'emploi, sont, par dérogation à l'article 4, § 5, de l'arrêté royal n° 185 du 30 décembre 1982 précité, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application des articles 50 et 56 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, sont, par dérogation à l'article 55 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 précitée, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application des articles 8, 11 et 12 de l'arrêté royal n° 492 du 31 décembre 1986 contenant des dispositions en faveur de l'emploi, sont, par dérogation à l'article 11 de l'arrêté royal n° 492 du 31 décembre 1986 précité, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application des articles 137 et 140 de la loi-programme du 30 décembre 1988, sont, par dérogation à l'article 137, § 3, et à l'article 143 de la loi-programme du 30 décembre 1988 précitée, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application des articles 158 et 172 de la loi du 29 décembre 1990 portant des dispositions sociales, sont, par dérogation à l'article 161 et à l'article 172, § 2, de la loi du 29 décembre 1990 précitée, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application de l'article 3 de la loi du 10 juin 1993 transposant certaines dispositions de l'accord interprofessionnel du 9 décembre 1992, sont, par dérogation à l'article 3, § 2, de la loi du 10 juin 1993 précitée, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application des articles 17 et 19 de la loi du 3 avril 1995 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi, sont, par dérogation à l'article 17, § 2, et à l'article 19, alinéa 3, de la loi du 3 avril 1995 précitée, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application de l'article 28 de la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi, sont, par dérogation à l'article 29, § 1er, de la loi du 22 décembre 1995 précitée, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application des articles 4 et 5 de l'arrêté royal du 27 janvier 1997 contenant des mesures pour la promotion de l'emploi en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de l'emploi, sont, par dérogation à l'article 4, § 2, et à l'article 5, alinéa 4, de l'arrêté royal du 27 janvier 1997 précité, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application des articles 107 et 121 de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses, sont, par dérogation à l'article 107, § 2, et à l'article 121, alinéa 4, de la loi du 26 mars 1999 précitée, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application des articles 5 et 7 de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs, sont, par dérogation à l'article 5, § 2, et à l'article 7, § 2, de la loi du 5 septembre 2001 précitée, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Les montants perçus en application des articles 5 et 6 de la loi du 1er avril 2003 portant exécution de l'accord interprofessionnel pour la période 2003-2004, sont, par dérogation à l'article 5, § 2, et à l'article 6, § 2, de la loi du 1er avril 2003 précitée, transmis à l'ONSS-Gestion globale.
Art.255. Vanaf 1 juli 2004 worden de bedragen, bedoeld in artikel 254, en de opbrengst van de compenserende vergoeding, bedoeld in artikel 47 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, aangewend voor de financiering van het inschakelingsparcours, zoals bedoeld in het samenwerkingsakkoord van 31 augustus 2001 tussen de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten betreffende het inschakelingsparcours van werkzoekenden naar de startbaanovereenkomst (, en van de actieve begeleiding en opvolging van werklozen, zoals bedoeld in het samenwerkingsakkoord van 30 april 2004 tussen de Federale Staat, de Gewesten en de Gemeenschappen betreffende de actieve begeleiding en opvolging van werklozen. " Gegeven te Brussel, 17 september 2005). <W 2005-09-17/80, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 04-08-2007>
Art.255. A partir du 1er juillet 2004, les montants visés à l'article 254 et le produit de l'indemnité compensatoire visée à l'article 47 de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi sont affectés au financement du parcours d'insertion, tel que visé par l'accord de coopération du 31 août 2001 entre l'Etat fédéral, les communautés et les régions concernant le parcours d'insertion des demandeurs d'emploi vers la convention de premier emploi (, et de l'accompagnement et du suivi actifs des chômeurs, tels que visés par l'accord de coopération du 30 avril 2004 entre l'Etat fédéral, les Régions et les Communautés relatif à l'accompagnement et au suivi actifs des chômeurs). <L 2005-09-17/80, art. 4, 003; En vigueur : 04-08-2007>
Art.256. Artikel 7, § 1, derde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, laatst gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, wordt aangevuld als volgt :
" u) vanaf 1 juli 2004 de financiering verzekeren van de begeleiding van jongeren in het kader van een inschakelingparcours, zoals bedoeld in het samenwerkingsakkoord van 31 augustus 2001 tussen de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten betreffende het inschakelingsparcours van werkzoekenden naar de startbaanovereenkomst. ".
" u) vanaf 1 juli 2004 de financiering verzekeren van de begeleiding van jongeren in het kader van een inschakelingparcours, zoals bedoeld in het samenwerkingsakkoord van 31 augustus 2001 tussen de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten betreffende het inschakelingsparcours van werkzoekenden naar de startbaanovereenkomst. ".
Art.256. L'article 7, § 1er, alinéa 3, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2003, est complété comme suit :
" u) assurer, à partir du 1er juillet 2004, le financement de l'accompagnement des jeunes dans le cadre du parcours d'insertion, tel que visé par l'accord de coopération du 31 août 2001 entre l'Etat fédéral, les communautés et les régions concernant le parcours d'insertion des demandeurs d'emploi vers la convention de premier emploi. ".
" u) assurer, à partir du 1er juillet 2004, le financement de l'accompagnement des jeunes dans le cadre du parcours d'insertion, tel que visé par l'accord de coopération du 31 août 2001 entre l'Etat fédéral, les communautés et les régions concernant le parcours d'insertion des demandeurs d'emploi vers la convention de premier emploi. ".
Art.257. Artikel 254 heeft uitwerking met ingang van 1 maart 2004.
De artikelen 255 en 256 hebben uitwerking met ingang van 1 juli 2004.
De artikelen 255 en 256 hebben uitwerking met ingang van 1 juli 2004.
Art.257. L'article 254 produit ses effets le 1er mars 2004.
Les articles 255 et 256 produisent leurs effets le 1er juillet 2004.
Les articles 255 et 256 produisent leurs effets le 1er juillet 2004.
Afdeling II. - " Jongerenactiva-opleidingsplan " (wachtuitkeringen aan jongeren in een individuele beroepsopleiding in een onderneming).
Section II. - " Plan Activa Jeunes-Formation " (allocations d'attente pour les jeunes en formation professionnelle individuelle en entreprise).
Art.258. De artikelen 53, 54 en 55 van de programmawet van 8 april 2003 worden opgeheven.
Art.258. Les articles 53, 54 et 55 de la loi-programme du 8 avril 2003 sont abrogés.
Art.259. Artikel 258 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2004.
Art.259. L'article 258 produit ses effets le 1er janvier 2004.
HOOFDSTUK III. - Startbanen.
CHAPITRE III. - Conventions de premier emploi.
Art.260. In artikel 23, § 1, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, gewijzigd bij de wetten van 24 december 2002, 1 april 2003 en 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in 2°, 4°, 5° en 6°, worden de woorden " net voor zijn aanwerving " telkens vervangen door de woorden " op het ogenblik van indiensttreding bij een werkgever ";
2° een tweede lid wordt toegevoegd, luidende :
" De voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, 2°, a, 4°, a, 5°, a en 6°, a, is niet van toepassing op jongeren die in dienst treden en met de uitvoering van hun startbaanovereenkomst aanvangen vóór 1 januari van het jaar waarin zij negentien jaar worden. ".
1° in 2°, 4°, 5° en 6°, worden de woorden " net voor zijn aanwerving " telkens vervangen door de woorden " op het ogenblik van indiensttreding bij een werkgever ";
2° een tweede lid wordt toegevoegd, luidende :
" De voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, 2°, a, 4°, a, 5°, a en 6°, a, is niet van toepassing op jongeren die in dienst treden en met de uitvoering van hun startbaanovereenkomst aanvangen vóór 1 januari van het jaar waarin zij negentien jaar worden. ".
Art.260. A l'article 23, § 1er, de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi, modifié par les lois des 24 décembre 2002, 1er avril 2003 et 22 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans les 2°, 4°, 5° et 6°, les mots " la veille de son engagement " sont chaque fois remplacés par les mots " au moment de son entrée en service d'un employeur ";
2° un alinéa 2 est ajouté, rédigé comme suit :
" La condition visée à l'alinéa 1er, 2°, à, 4°, à, 5°, à et 6°, à, ne s'applique pas aux jeunes qui entrent en service et commencent l'exécution de leur convention de premier emploi avant le 1er janvier de l'année au cours de laquelle ils atteignent l'age de dix-neuf ans. ".
1° dans les 2°, 4°, 5° et 6°, les mots " la veille de son engagement " sont chaque fois remplacés par les mots " au moment de son entrée en service d'un employeur ";
2° un alinéa 2 est ajouté, rédigé comme suit :
" La condition visée à l'alinéa 1er, 2°, à, 4°, à, 5°, à et 6°, à, ne s'applique pas aux jeunes qui entrent en service et commencent l'exécution de leur convention de premier emploi avant le 1er janvier de l'année au cours de laquelle ils atteignent l'age de dix-neuf ans. ".
Art.261. In artikel 27 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 24 december 2002 en 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het tweede lid, ingevoegd bij de wet van 22 december 2003, wordt vervangen als volgt :
" De overeenkomsten, bedoeld in het eerste lid, hebben in de periode die aanvangt op 1 januari van het jaar waarin de nieuwe werknemer negentien jaar wordt, slechts de hoedanigheid van startbaanovereenkomst
- hetzij, wanneer de nieuwe werknemer ten vroegste op voornoemde datum in dienst treedt, indien deze indiensttreding plaatsvindt binnen de geldigheidsduur van een startbaankaart, uitgereikt aan de nieuwe werknemer volgens de in artikel 32, § 2, bedoelde modaliteiten,
- hetzij, wanneer de uitvoering van de startbaanovereenkomst aanving vóór voornoemde datum en zij op die datum nog in uitvoering is, indien op naam van de nieuwe werknemer een startbaankaart wordt uitgereikt volgens de in artikel 32, § 2, bedoelde modaliteiten. ";
2° het derde lid, ingevoegd bij de wet van 22 december 2003, wordt vervangen als volgt :
" Onverminderd het tweede lid blijft de tewerkstelling van de nieuwe werknemer door dezelfde werkgever beschouwd als een tewerkstelling in het kader van een startbaanovereenkomst tot de laatste dag van het kwartaal waarin de nieuwe werknemer de leeftijd van zesentwintig jaar bereikt. ".
1° het tweede lid, ingevoegd bij de wet van 22 december 2003, wordt vervangen als volgt :
" De overeenkomsten, bedoeld in het eerste lid, hebben in de periode die aanvangt op 1 januari van het jaar waarin de nieuwe werknemer negentien jaar wordt, slechts de hoedanigheid van startbaanovereenkomst
- hetzij, wanneer de nieuwe werknemer ten vroegste op voornoemde datum in dienst treedt, indien deze indiensttreding plaatsvindt binnen de geldigheidsduur van een startbaankaart, uitgereikt aan de nieuwe werknemer volgens de in artikel 32, § 2, bedoelde modaliteiten,
- hetzij, wanneer de uitvoering van de startbaanovereenkomst aanving vóór voornoemde datum en zij op die datum nog in uitvoering is, indien op naam van de nieuwe werknemer een startbaankaart wordt uitgereikt volgens de in artikel 32, § 2, bedoelde modaliteiten. ";
2° het derde lid, ingevoegd bij de wet van 22 december 2003, wordt vervangen als volgt :
" Onverminderd het tweede lid blijft de tewerkstelling van de nieuwe werknemer door dezelfde werkgever beschouwd als een tewerkstelling in het kader van een startbaanovereenkomst tot de laatste dag van het kwartaal waarin de nieuwe werknemer de leeftijd van zesentwintig jaar bereikt. ".
Art.261. A l'article 27 de la même loi, modifié par les lois des 24 décembre 2002 et 22 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 2, inséré par la loi du 22 décembre 2003, est remplacé comme suit :
" Les contrats ou conventions visés à l'alinéa 1er n'ont, à partir du 1er janvier de l'année au cours de laquelle le nouveau travailleur atteint l'age de dix-neuf ans, la qualité de convention de premier emploi qu'à condition que
- soit, lorsque le nouveau travailleur entre en service à la date précitée au plus tôt, cette entrée en service ait lieu pendant la période de validité d'une carte de premier emploi délivrée au nouveau travailleur selon les modalités visées à l'article 32, § 2,
- soit, lorsque l'exécution de la convention de premier emploi a débuté avant la date précitée et qu'elle est toujours en cours à cette date, une carte de premier emploi soit délivrée pour le nouveau travailleur selon les modalités visées à l'article 32, § 2. ";
2° l'alinéa 3, inséré par la loi du 22 décembre 2003, est remplacé comme suit :
" Sans préjudice de l'alinéa 2, l'occupation du nouveau travailleur par le même employeur continue à être considérée comme une occupation dans le cadre d'une convention de premier emploi jusqu'au dernier jour du trimestre au cours duquel le nouveau travailleur atteint l'âge de vingt-six ans. ".
1° l'alinéa 2, inséré par la loi du 22 décembre 2003, est remplacé comme suit :
" Les contrats ou conventions visés à l'alinéa 1er n'ont, à partir du 1er janvier de l'année au cours de laquelle le nouveau travailleur atteint l'age de dix-neuf ans, la qualité de convention de premier emploi qu'à condition que
- soit, lorsque le nouveau travailleur entre en service à la date précitée au plus tôt, cette entrée en service ait lieu pendant la période de validité d'une carte de premier emploi délivrée au nouveau travailleur selon les modalités visées à l'article 32, § 2,
- soit, lorsque l'exécution de la convention de premier emploi a débuté avant la date précitée et qu'elle est toujours en cours à cette date, une carte de premier emploi soit délivrée pour le nouveau travailleur selon les modalités visées à l'article 32, § 2. ";
2° l'alinéa 3, inséré par la loi du 22 décembre 2003, est remplacé comme suit :
" Sans préjudice de l'alinéa 2, l'occupation du nouveau travailleur par le même employeur continue à être considérée comme une occupation dans le cadre d'une convention de premier emploi jusqu'au dernier jour du trimestre au cours duquel le nouveau travailleur atteint l'âge de vingt-six ans. ".
Art.262. In artikel 32, § 2, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 24 december 2002 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid wordt de eerste volzin vervangen door de volgende volzin :
" Voor elke tewerkstelling in het kader van een startbaanovereenkomst in de periode die aanvangt op 1 januari van het jaar waarin de jongere negentien jaar wordt, attesteert het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dat bevoegd is voor de hoofdverblijfplaats van de betrokken jongere, door middel van een startbaankaart, dat de jongere beantwoordt aan de voorwaarden of criteria bedoeld in de artikelen 23 en 24, onverminderd artikel 23, tweede lid. ";
2° in het tweede lid worden de eerste twee volzinnen vervangen door de volgende volzinnen :
" Met het oog op een tewerkstelling in het kader van een startbaanovereenkomst waarvan de begindatum gelegen is in de periode, bedoeld in het eerste lid, kan de startbaankaart worden aangevraagd, hetzij door de jongere, hetzij door een werkgever indien de jongere op het ogenblik van de indienstneming geen geldige startbaankaart bezit. De aanvraag van de startbaankaart wordt onontvankelijk verklaard wanneer de aanvraag gebeurt op een ogenblik waarop de jongere nog studies met een volledig leerplan volgt in het dagonderwijs. ";
3° tussen het derde en het vierde lid worden de volgende leden ingevoegd :
" Wanneer de tewerkstelling in het kader van een startbaanovereenkomst aanving vóór de periode, bedoeld in het eerste lid, kan de startbaankaart enkel door de werkgever van de betrokken nieuwe werknemer worden aangevraagd. Deze aanvraag wordt enkel aanvaard indien zij individueel wordt opgesteld en de identiteit van de werkgever vermeldt, evenals de identiteit van de werknemer, zijn woonplaats en identificatienummer van de sociale zekerheid, de datum van de indienstneming en als de werkgever een kopie van de startbaanovereenkomst voorlegt.
De in het vorig lid bedoelde aanvraag van startbaankaart moet ten laatste op 31 januari van het jaar waarin de nieuwe werknemer negentien jaar wordt ingediend worden bij het bevoegd werkloosheidsbureau. Wanneer de in het vorig lid bedoelde aanvraag wordt ingediend buiten deze termijn, wordt de tewerkstelling van de betrokken jongere pas opnieuw als een tewerkstelling in het kader van een startbaanovereenkomst beschouwd vanaf de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de datum gelegen is van de laattijdige indiening van de aanvraag van de startbaankaart. ";
4° in het vroegere vijfde lid, dat het zevende lid is geworden, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) het 2° wordt vervangen als volgt :
" 2° indien de jongere reeds in dienst is genomen, zonder dat de datum van zijn indiensttreding evenwel gelegen is vóór 1 januari van het jaar waarin hij negentien jaar wordt : de datum van zijn indiensttreding; ";
b) een 3° wordt toegevoegd, luidende :
" 3° indien de jongere reeds in dienst was vóór 1 januari van het jaar waarin hij negentien jaar wordt : diezelfde 1 januari; ".
1° in het eerste lid wordt de eerste volzin vervangen door de volgende volzin :
" Voor elke tewerkstelling in het kader van een startbaanovereenkomst in de periode die aanvangt op 1 januari van het jaar waarin de jongere negentien jaar wordt, attesteert het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dat bevoegd is voor de hoofdverblijfplaats van de betrokken jongere, door middel van een startbaankaart, dat de jongere beantwoordt aan de voorwaarden of criteria bedoeld in de artikelen 23 en 24, onverminderd artikel 23, tweede lid. ";
2° in het tweede lid worden de eerste twee volzinnen vervangen door de volgende volzinnen :
" Met het oog op een tewerkstelling in het kader van een startbaanovereenkomst waarvan de begindatum gelegen is in de periode, bedoeld in het eerste lid, kan de startbaankaart worden aangevraagd, hetzij door de jongere, hetzij door een werkgever indien de jongere op het ogenblik van de indienstneming geen geldige startbaankaart bezit. De aanvraag van de startbaankaart wordt onontvankelijk verklaard wanneer de aanvraag gebeurt op een ogenblik waarop de jongere nog studies met een volledig leerplan volgt in het dagonderwijs. ";
3° tussen het derde en het vierde lid worden de volgende leden ingevoegd :
" Wanneer de tewerkstelling in het kader van een startbaanovereenkomst aanving vóór de periode, bedoeld in het eerste lid, kan de startbaankaart enkel door de werkgever van de betrokken nieuwe werknemer worden aangevraagd. Deze aanvraag wordt enkel aanvaard indien zij individueel wordt opgesteld en de identiteit van de werkgever vermeldt, evenals de identiteit van de werknemer, zijn woonplaats en identificatienummer van de sociale zekerheid, de datum van de indienstneming en als de werkgever een kopie van de startbaanovereenkomst voorlegt.
De in het vorig lid bedoelde aanvraag van startbaankaart moet ten laatste op 31 januari van het jaar waarin de nieuwe werknemer negentien jaar wordt ingediend worden bij het bevoegd werkloosheidsbureau. Wanneer de in het vorig lid bedoelde aanvraag wordt ingediend buiten deze termijn, wordt de tewerkstelling van de betrokken jongere pas opnieuw als een tewerkstelling in het kader van een startbaanovereenkomst beschouwd vanaf de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de datum gelegen is van de laattijdige indiening van de aanvraag van de startbaankaart. ";
4° in het vroegere vijfde lid, dat het zevende lid is geworden, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) het 2° wordt vervangen als volgt :
" 2° indien de jongere reeds in dienst is genomen, zonder dat de datum van zijn indiensttreding evenwel gelegen is vóór 1 januari van het jaar waarin hij negentien jaar wordt : de datum van zijn indiensttreding; ";
b) een 3° wordt toegevoegd, luidende :
" 3° indien de jongere reeds in dienst was vóór 1 januari van het jaar waarin hij negentien jaar wordt : diezelfde 1 januari; ".
Art.262. A l'article 32, § 2, de la même loi, remplacé par la loi du 24 décembre 2002 et modifié par la loi du 22 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° à l'alinéa 1er, la première phrase est remplacée par la phrase suivante :
" Pour chaque occupation dans le cadre d'une convention de premier emploi qui se situe dans la période à partir du 1er janvier de l'année au cours de laquelle le jeune atteint l'âge de dix-neuf ans, le bureau de chômage de l'Office national de l'Emploi, compétent pour le domicile du jeune, atteste au moyen d'une carte premier emploi, que le jeune répond aux conditions ou critères prévus aux articles 23 et 24, sans préjudice de l'article 23, alinéa 2. ";
2° dans l'alinéa 2, les deux premières phrases sont remplacées par les phrases suivantes :
" En vue d'une occupation dans le cadre d'une convention de premier emploi dont la date de début se situe dans la période visée à l'alinéa 1er, la carte de premier emploi peut être demandée soit par le jeune, soit par un employeur lorsque le jeune, au moment de l'engagement, ne dispose pas d'une carte de premier emploi valable. La demande d'une carte de premier emploi est déclarée irrecevable quand la demande se situe à un moment ou le jeune suit encore des cours de plein exercice dans l'enseignement de jour. ";
3° entre les alinéa 3 et 4, les alinéas suivants sont insérés :
" Lorsque l'occupation dans le cadre d'une convention de premier emploi a débuté avant la période visée à l'alinéa 1er, la carte de premier emploi ne peut être demandée que par l'employeur du nouveau travailleur concerné. Cette demande est seulement acceptée lorsqu'elle est faite individuellement, mentionne l'identité de l'employeur ainsi que l'identité du travailleur, son domicile et son numéro d'identification pour la sécurité sociale, la date de l'engagement et si l'employeur présente une copie de la convention de premier emploi.
La demande de carte de premier emploi visée à l'alinéa précédent doit être introduite au plus tard le 31 janvier de l'année au cours de laquelle le nouveau travailleur atteint l'âge de dix-neuf ans au bureau de chômage compétent. Lorsque la demande visée à l'alinéa précédent est introduite en dehors du délai précité, l'occupation du jeune concerné n'est à nouveau considérée comme une occupation dans le cadre d'une convention de premier emploi qu'à partir du premier jour du trimestre qui suit le trimestre dans lequel se situe la date de l'introduction tardive de la demande de la carte de premier emploi. ";
4° dans l'alinéa 5 ancien, devenu l'alinéa 7, les modifications suivantes sont apportées :
a) le 2° est remplacé comme suit :
" 2° lorsque le jeune est déjà entré en service, sans toutefois que la date de son entrée en service puisse être antérieure au 1er janvier de l'année au cours de laquelle il atteint l'âge de dix-neuf ans : la date de son entrée en service; ";
b) un 3° est ajouté, rédigé comme suit :
" 3° lorsque le jeune était déjà en service avant le 1er janvier de l'année au cours de laquelle il atteint l'âge de dix-neuf ans : ce même 1er janvier; ".
1° à l'alinéa 1er, la première phrase est remplacée par la phrase suivante :
" Pour chaque occupation dans le cadre d'une convention de premier emploi qui se situe dans la période à partir du 1er janvier de l'année au cours de laquelle le jeune atteint l'âge de dix-neuf ans, le bureau de chômage de l'Office national de l'Emploi, compétent pour le domicile du jeune, atteste au moyen d'une carte premier emploi, que le jeune répond aux conditions ou critères prévus aux articles 23 et 24, sans préjudice de l'article 23, alinéa 2. ";
2° dans l'alinéa 2, les deux premières phrases sont remplacées par les phrases suivantes :
" En vue d'une occupation dans le cadre d'une convention de premier emploi dont la date de début se situe dans la période visée à l'alinéa 1er, la carte de premier emploi peut être demandée soit par le jeune, soit par un employeur lorsque le jeune, au moment de l'engagement, ne dispose pas d'une carte de premier emploi valable. La demande d'une carte de premier emploi est déclarée irrecevable quand la demande se situe à un moment ou le jeune suit encore des cours de plein exercice dans l'enseignement de jour. ";
3° entre les alinéa 3 et 4, les alinéas suivants sont insérés :
" Lorsque l'occupation dans le cadre d'une convention de premier emploi a débuté avant la période visée à l'alinéa 1er, la carte de premier emploi ne peut être demandée que par l'employeur du nouveau travailleur concerné. Cette demande est seulement acceptée lorsqu'elle est faite individuellement, mentionne l'identité de l'employeur ainsi que l'identité du travailleur, son domicile et son numéro d'identification pour la sécurité sociale, la date de l'engagement et si l'employeur présente une copie de la convention de premier emploi.
La demande de carte de premier emploi visée à l'alinéa précédent doit être introduite au plus tard le 31 janvier de l'année au cours de laquelle le nouveau travailleur atteint l'âge de dix-neuf ans au bureau de chômage compétent. Lorsque la demande visée à l'alinéa précédent est introduite en dehors du délai précité, l'occupation du jeune concerné n'est à nouveau considérée comme une occupation dans le cadre d'une convention de premier emploi qu'à partir du premier jour du trimestre qui suit le trimestre dans lequel se situe la date de l'introduction tardive de la demande de la carte de premier emploi. ";
4° dans l'alinéa 5 ancien, devenu l'alinéa 7, les modifications suivantes sont apportées :
a) le 2° est remplacé comme suit :
" 2° lorsque le jeune est déjà entré en service, sans toutefois que la date de son entrée en service puisse être antérieure au 1er janvier de l'année au cours de laquelle il atteint l'âge de dix-neuf ans : la date de son entrée en service; ";
b) un 3° est ajouté, rédigé comme suit :
" 3° lorsque le jeune était déjà en service avant le 1er janvier de l'année au cours de laquelle il atteint l'âge de dix-neuf ans : ce même 1er janvier; ".
Art.263. In artikel 39 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 2 januari 2001 en gewijzigd bij de wetten van 8 april 2003 en 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 4 wordt vervangen als volgt :
" § 4. In afwijking van artikel 25 wordt voor de toepassing van dit artikel, onder nieuwe werknemer verstaan :
1° de jongeren, tewerkgesteld in het kader van een startbaanovereenkomst;
2° alle werknemers waarvoor de werkgever één of meer van de bijdragen bedoeld in artikel 38, §§ 2, 3 en 3bis, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers of in artikel 3, §§ 2 en 3, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, verschuldigd is, tot en met de laatste dag van het kwartaal waarin zij zesentwintig jaar worden, met uitsluiting van de werknemers bedoeld in artikel 17bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder personeelsbestand en bepaalt de berekeningswijze van de nieuwe werknemers bedoeld in de §§ 1, 2 en 3.
De nieuwe werknemers bedoeld in het eerste lid, 1°, worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van het personeelsbestand bedoeld in de §§ 1, 2 en 3.
Worden enkel als nieuwe werknemers bedoeld in het eerste lid, 1°, beschouwd, de nieuwe werknemers die als dusdanig worden vermeld op de aangifte aan de instelling die instaat voor de inning van de socialezekerheidsbijdragen. ";
2° in § 5, eerste lid, worden de woorden " bedoeld in de §§ 1, 2 en 3, " vervangen door de woorden " bedoeld in § 4, eerste lid, 1°, ";
3° in § 5, tweede lid, worden de woorden " de tewerkstelling van jongeren zoals bepaald bij artikel 23, § 1, 5°, " vervangen door de woorden " de tewerkstelling van jongeren, bedoeld in artikel 23, § 1, 5°, in het kader van een startbaanovereenkomst ";
4° in § 5, derde lid, worden de woorden " aanwerving van nieuwe werknemers " vervangen door de woorden " indienstneming van jongeren in het kader van een startbaanovereenkomst ".
1° § 4 wordt vervangen als volgt :
" § 4. In afwijking van artikel 25 wordt voor de toepassing van dit artikel, onder nieuwe werknemer verstaan :
1° de jongeren, tewerkgesteld in het kader van een startbaanovereenkomst;
2° alle werknemers waarvoor de werkgever één of meer van de bijdragen bedoeld in artikel 38, §§ 2, 3 en 3bis, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers of in artikel 3, §§ 2 en 3, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, verschuldigd is, tot en met de laatste dag van het kwartaal waarin zij zesentwintig jaar worden, met uitsluiting van de werknemers bedoeld in artikel 17bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder personeelsbestand en bepaalt de berekeningswijze van de nieuwe werknemers bedoeld in de §§ 1, 2 en 3.
De nieuwe werknemers bedoeld in het eerste lid, 1°, worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van het personeelsbestand bedoeld in de §§ 1, 2 en 3.
Worden enkel als nieuwe werknemers bedoeld in het eerste lid, 1°, beschouwd, de nieuwe werknemers die als dusdanig worden vermeld op de aangifte aan de instelling die instaat voor de inning van de socialezekerheidsbijdragen. ";
2° in § 5, eerste lid, worden de woorden " bedoeld in de §§ 1, 2 en 3, " vervangen door de woorden " bedoeld in § 4, eerste lid, 1°, ";
3° in § 5, tweede lid, worden de woorden " de tewerkstelling van jongeren zoals bepaald bij artikel 23, § 1, 5°, " vervangen door de woorden " de tewerkstelling van jongeren, bedoeld in artikel 23, § 1, 5°, in het kader van een startbaanovereenkomst ";
4° in § 5, derde lid, worden de woorden " aanwerving van nieuwe werknemers " vervangen door de woorden " indienstneming van jongeren in het kader van een startbaanovereenkomst ".
Art.263. A l'article 39 de la même loi, remplacé par la loi du 2 janvier 2001 et modifié par les lois des 8 avril 2003 et 22 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 4 est remplacé comme suit :
" § 4. Par dérogation à l'article 25, on entend, pour l'application du présent article, par nouveau travailleur :
1° les jeunes occupés dans le cadre d'une convention de premier emploi;
2° tous les travailleurs pour lesquels l'employeur est redevable d'une ou de plusieurs cotisations visées à l'article 38, §§ 2, 3 et 3bis, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés ou à l'article 3, §§ 2 et 3, de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande, jusque et y compris le dernier jour du trimestre au cours duquel ils atteignent l'âge de vingt-six ans, à l'exclusion des travailleurs visés à l'article 17bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Le Roi définit ce qu'il faut entendre par effectif et détermine le mode de calcul des nouveaux travailleurs visés aux §§ 1er, 2 et 3.
Les nouveaux travailleurs visés à l'alinéa 1er, 1°, ne sont pas pris en considération pour le calcul de l'effectif visé aux §§ 1er, 2 et 3.
Sont seuls pris en considération comme nouveaux travailleurs visés à l'alinéa 1er, 1°, les nouveaux travailleurs qui sont renseignés comme tels sur la déclaration à l'institution chargée de la perception des cotisations de sécurité sociale. ";
2° dans le § 5, alinéa 1er, les mots " visée aux §§ 1er, 2 et 3, " sont remplacés par les mots " visés au § 4, alinéa 1er, 1°, ";
3° dans le § 5, alinéa 2, les mots " l'occupation de jeunes définis à l'article 23, § 1er, 5°, " sont remplacés par les mots " l'occupation de jeunes visés à l'article 23, § 1er, 5°, dans le cadre d'une convention de premier emploi ";
4° dans le § 5, alinéa 3, les mots " recrutement de nouveaux travailleurs " sont remplacés par les mots " recrutement de jeunes dans le cadre d'une convention de premier emploi ".
1° le § 4 est remplacé comme suit :
" § 4. Par dérogation à l'article 25, on entend, pour l'application du présent article, par nouveau travailleur :
1° les jeunes occupés dans le cadre d'une convention de premier emploi;
2° tous les travailleurs pour lesquels l'employeur est redevable d'une ou de plusieurs cotisations visées à l'article 38, §§ 2, 3 et 3bis, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés ou à l'article 3, §§ 2 et 3, de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande, jusque et y compris le dernier jour du trimestre au cours duquel ils atteignent l'âge de vingt-six ans, à l'exclusion des travailleurs visés à l'article 17bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
Le Roi définit ce qu'il faut entendre par effectif et détermine le mode de calcul des nouveaux travailleurs visés aux §§ 1er, 2 et 3.
Les nouveaux travailleurs visés à l'alinéa 1er, 1°, ne sont pas pris en considération pour le calcul de l'effectif visé aux §§ 1er, 2 et 3.
Sont seuls pris en considération comme nouveaux travailleurs visés à l'alinéa 1er, 1°, les nouveaux travailleurs qui sont renseignés comme tels sur la déclaration à l'institution chargée de la perception des cotisations de sécurité sociale. ";
2° dans le § 5, alinéa 1er, les mots " visée aux §§ 1er, 2 et 3, " sont remplacés par les mots " visés au § 4, alinéa 1er, 1°, ";
3° dans le § 5, alinéa 2, les mots " l'occupation de jeunes définis à l'article 23, § 1er, 5°, " sont remplacés par les mots " l'occupation de jeunes visés à l'article 23, § 1er, 5°, dans le cadre d'une convention de premier emploi ";
4° dans le § 5, alinéa 3, les mots " recrutement de nouveaux travailleurs " sont remplacés par les mots " recrutement de jeunes dans le cadre d'une convention de premier emploi ".
Art.264. In artikel 47 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, de wet van 2 januari 2001 en de programmawet van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
" De werkgever uit de private sector die zijn verplichting, bedoeld in artikel 39, § 2, niet nakomt is verplicht een compenserende vergoeding van 75 euro te betalen. ";
2° § 5 wordt vervangen als volgt :
" § 5. De compenserende vergoeding wordt gestort aan de RSZ-Globaal Beheer, bedoeld in artikel 5, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. ".
1° § 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
" De werkgever uit de private sector die zijn verplichting, bedoeld in artikel 39, § 2, niet nakomt is verplicht een compenserende vergoeding van 75 euro te betalen. ";
2° § 5 wordt vervangen als volgt :
" § 5. De compenserende vergoeding wordt gestort aan de RSZ-Globaal Beheer, bedoeld in artikel 5, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. ".
Art.264. A l'article 47 de la même loi, modifié par arrêté royal du 20 juillet 2000, la loi du 2 janvier 2001 et la loi-programme du 22 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er, alinéa 1er, est remplacé comme suit :
" L'employeur privé qui ne respecte pas l'obligation visée à l'article 39, § 2, est tenu de payer une indemnité compensatoire de 75 euros. ";
2° le § 5 est remplacé comme suit :
" § 5. L'indemnité compensatoire est versée à l'ONSS-Gestion globale, visée à l'article 5, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs. ".
1° le § 1er, alinéa 1er, est remplacé comme suit :
" L'employeur privé qui ne respecte pas l'obligation visée à l'article 39, § 2, est tenu de payer une indemnité compensatoire de 75 euros. ";
2° le § 5 est remplacé comme suit :
" § 5. L'indemnité compensatoire est versée à l'ONSS-Gestion globale, visée à l'article 5, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs. ".
Art.265. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 september 2004, met uitzondering van :
- de artikelen 262 en 263, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2004, en
- artikel 264, dat uitwerking heeft met ingang van 1 maart 2004.
- de artikelen 262 en 263, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2004, en
- artikel 264, dat uitwerking heeft met ingang van 1 maart 2004.
Art.265. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er septembre 2004, à l'exception :
- des articles 262 et 263, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2004, et
- de l'article 264, qui produit ses effets le 1er mars 2004.
- des articles 262 et 263, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2004, et
- de l'article 264, qui produit ses effets le 1er mars 2004.
HOOFDSTUK IV. - Tijdskrediet.
CHAPITRE IV. - Crédit-temps.
Art.266. Artikel 101bis van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen wordt opgeheven.
Art.266. L'article 101bis de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales est abrogé.
Art.267. Artikel 106bis van dezelfde wet, opgeheven bij de programmawet van 30 december 2001, wordt hersteld in de volgende lezing :
" Art.106bis. - Ingeval van opzegging gegeven door de werkgever, loopt de opzeggingstermijn niet gedurende de volledige schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst bedoeld in de artikelen 100, 100bis en in het kader van de onderafdeling 3bis. ".
" Art.106bis. - Ingeval van opzegging gegeven door de werkgever, loopt de opzeggingstermijn niet gedurende de volledige schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst bedoeld in de artikelen 100, 100bis en in het kader van de onderafdeling 3bis. ".
Art.267. L'article 106bis de la même loi, abroge par la loi-programme du 30 décembre 2001, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Art. 106bis. - En cas de préavis donne par l'employeur, le délai de préavis ne court pas durant la suspension complète de l'exécution du contrat de travail prévue aux articles 100, 100bis et dans le cadre de la sous-section 3bis. ".
" Art. 106bis. - En cas de préavis donne par l'employeur, le délai de préavis ne court pas durant la suspension complète de l'exécution du contrat de travail prévue aux articles 100, 100bis et dans le cadre de la sous-section 3bis. ".
Art.268. Artikel 267 is van toepassing op de opzeggingen waarvan het begin zich situeert na de datum van inwerkingtreding van dat artikel.
Art.268. L'article 267 s'applique aux préavis dont la prise de cours se situe après la date d'entrée en vigueur de l'article.
HOOFDSTUK V. - Plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen.
CHAPITRE V. - Agences locales pour l'emploi.
Art.269. Bij de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening wordt van de reserves, opgebouwd bij het stelsel van de Plaatselijke Werkgelegenheidsagentschappen, in 2002 750 000 EUR en in 2003 4 700 000 EUR, aangewend als ontvangsten ter financiering van de beheersuitgaven.
Art.269. Auprès de l'Office national de l'emploi, un montant de 750 000 EUR pour l'exercice 2002 et un montant de 4 700 000 EUR pour l'exercice 2003 est affecté comme recettes propres pour le financement des dépenses de gestion sur la base des réserves du régime des Agences locales pour l'emploi.
HOOFDSTUK VI. - Dienstencheques.
CHAPITRE VI. - Titres-services.
Afdeling I. - Wijziging van de programmawet van 2 januari 2001.
Section première. - Modification de la loi-programme du 2 janvier 2001.
Art.270. In artikel 66, § 2, 7°, van de programmawet van 2 januari 2001, ingevoegd bij de programmawet van 24 december 2002, worden de woorden " Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening " vervangen door de woorden " RSZ-globaal beheer ".
Art.270. Dans l'article 66, § 2, 7°, de la loi-programme du 2 janvier 2001, inséré par la loi-programme du 24 décembre 2002, les mots " l'Office national de l'Emploi " sont remplacés par les mots " l'ONSS-gestion globale ".
Art.271. Deze afdeling heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2004.
Art.271. La présente section produit ses effets le 1er janvier 2004.
Afdeling II. - Wijziging van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen.
Section II. - Modification de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité.
Art.272. Artikel 2, § 1, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, wordt aangevuld met de volgende leden :
" Een werknemer die tijdens de eerste maand van zijn tewerkstelling bij een werkgever behoort tot categorie A, wordt geacht tot deze categorie A te behoren tot en met de eerste gewerkte dag van de zevende maand van zijn tewerkstelling bij dezelfde werkgever. Na de zevende maand van zijn tewerkstelling bij dezelfde werkgever behoort hij tot categorie A gedurende elke kalendermaand waarin hij een werkloosheidsuitkering, een leefloon of een financiële sociale hulp geniet bedoeld in het eerste lid, 7°.
Een werknemer die tijdens de eerste maand van zijn tewerkstelling bij een werkgever behoort tot categorie B, wordt geacht tot deze categorie B te behoren tot en met de eerste gewerkte dag van de vierde maand van zijn tewerkstelling bij dezelfde werkgever. Na de vierde maand van zijn tewerkstelling bij dezelfde werkgever behoort hij tot categorie A gedurende elke kalendermaand waarin hij een werkloosheidsuitkering, een leefloon of een financiële sociale hulp geniet bedoeld in het eerste lid, 7°. ".
" Een werknemer die tijdens de eerste maand van zijn tewerkstelling bij een werkgever behoort tot categorie A, wordt geacht tot deze categorie A te behoren tot en met de eerste gewerkte dag van de zevende maand van zijn tewerkstelling bij dezelfde werkgever. Na de zevende maand van zijn tewerkstelling bij dezelfde werkgever behoort hij tot categorie A gedurende elke kalendermaand waarin hij een werkloosheidsuitkering, een leefloon of een financiële sociale hulp geniet bedoeld in het eerste lid, 7°.
Een werknemer die tijdens de eerste maand van zijn tewerkstelling bij een werkgever behoort tot categorie B, wordt geacht tot deze categorie B te behoren tot en met de eerste gewerkte dag van de vierde maand van zijn tewerkstelling bij dezelfde werkgever. Na de vierde maand van zijn tewerkstelling bij dezelfde werkgever behoort hij tot categorie A gedurende elke kalendermaand waarin hij een werkloosheidsuitkering, een leefloon of een financiële sociale hulp geniet bedoeld in het eerste lid, 7°. ".
Art.272. L'article 2, § 1er, de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité, modifié par la loi du 22 décembre 2003, est complété par les alinéas suivants :
" Un travailleur qui appartient à la catégorie A pendant le premier mois de son occupation chez un employeur, est censé appartenir à cette catégorie A jusqu'au premier jour travaillé inclus du septième mois de son occupation chez le même employeur. Après le septième mois de son occupation chez le même employeur il appartient à la catégorie A pendant chaque mois calendrier dans lequel il bénéficie d'une allocation de chômage, d'un revenu d'intégration ou d'une aide sociale financière visés à l'alinéa 1er, 7°.
Un travailleur qui appartient à la catégorie B pendant le premier mois de son occupation chez un employeur, est censé appartenir à cette catégorie B jusqu'au premier jour travaillé inclus du quatrième mois de son occupation chez le même employeur. Après le quatrième mois de son occupation chez le même employeur il appartient à la catégorie A pendant chaque mois calendrier dans lequel il bénéficie d'une allocation de chômage, d'un revenu d'intégration ou d'une aide sociale financière visés à l'alinéa 1er, 7°. ".
" Un travailleur qui appartient à la catégorie A pendant le premier mois de son occupation chez un employeur, est censé appartenir à cette catégorie A jusqu'au premier jour travaillé inclus du septième mois de son occupation chez le même employeur. Après le septième mois de son occupation chez le même employeur il appartient à la catégorie A pendant chaque mois calendrier dans lequel il bénéficie d'une allocation de chômage, d'un revenu d'intégration ou d'une aide sociale financière visés à l'alinéa 1er, 7°.
Un travailleur qui appartient à la catégorie B pendant le premier mois de son occupation chez un employeur, est censé appartenir à cette catégorie B jusqu'au premier jour travaillé inclus du quatrième mois de son occupation chez le même employeur. Après le quatrième mois de son occupation chez le même employeur il appartient à la catégorie A pendant chaque mois calendrier dans lequel il bénéficie d'une allocation de chômage, d'un revenu d'intégration ou d'une aide sociale financière visés à l'alinéa 1er, 7°. ".
Art.273. In artikel 3, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2003, vervallen de woorden " die ingeschreven is als werkzoekende bij een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling ".
Art.273. A l'article 3, alinéa 2, de la même loi, modifié par la loi-programme du 22 décembre 2003, les mots " inscrit comme demandeur d'emploi dans un service régional de l'emploi " sont supprimés.
Art.274. Artikel 7septies, laatste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 december 2003, wordt aangevuld als volgt :
" Tijdens de periode van de zes eerste maanden bedoeld in het eerste lid, kan evenwel worden afgeweken van de verplichting om een arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid te sluiten met een wekelijkse arbeidsduur van ten minste een derde van de wekelijkse arbeidsduur van de voltijds tewerkgestelde werknemer zoals bepaald in artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. ".
" Tijdens de periode van de zes eerste maanden bedoeld in het eerste lid, kan evenwel worden afgeweken van de verplichting om een arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid te sluiten met een wekelijkse arbeidsduur van ten minste een derde van de wekelijkse arbeidsduur van de voltijds tewerkgestelde werknemer zoals bepaald in artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. ".
Art.274. Article 7septies, dernier alinéa, de la même loi, inséré par la loi du 22 décembre 2003, est complété comme suit :
" Pendant la période des six premiers mois telle que visée à l'alinéa 1er, il peut toutefois être dérogé à l'obligation de conclure un contrat de travail à temps partiel au moins pour un tiers de la durée hebdomadaire de travail applicable à un travailleur à temps plein prévue à l'article 11bis de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. ".
" Pendant la période des six premiers mois telle que visée à l'alinéa 1er, il peut toutefois être dérogé à l'obligation de conclure un contrat de travail à temps partiel au moins pour un tiers de la durée hebdomadaire de travail applicable à un travailleur à temps plein prévue à l'article 11bis de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. ".
HOOFDSTUK VII. - Inkomensgarantie voor ouderen.
CHAPITRE VII. - Garantie de revenus aux personnes âgées.
Art.275. In artikel 7 van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 wordt tussen het eerste en het tweede lid een nieuw lid gevoegd, luidend als volgt :
" Voor de personen die in gemeenschap leven, wordt enkel rekening gehouden met de bestaansmiddelen en de pensioenen waarover de aanvrager persoonlijk beschikt. ";
2° § 2 wordt aangevuld met het volgend lid :
" Voor de personen die in gemeenschap leven wordt de in het eerste lid vermelde deling niet toegepast. ";
3° het artikel wordt aangevuld met een § 4, luidend als volgt :
" § 4. Voor de toepassing van § 1, tweede lid, en § 2, laatste lid, bepaalt de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, wat onder " personen die in gemeenschap leven " moet begrepen worden. ".
1° in § 1 wordt tussen het eerste en het tweede lid een nieuw lid gevoegd, luidend als volgt :
" Voor de personen die in gemeenschap leven, wordt enkel rekening gehouden met de bestaansmiddelen en de pensioenen waarover de aanvrager persoonlijk beschikt. ";
2° § 2 wordt aangevuld met het volgend lid :
" Voor de personen die in gemeenschap leven wordt de in het eerste lid vermelde deling niet toegepast. ";
3° het artikel wordt aangevuld met een § 4, luidend als volgt :
" § 4. Voor de toepassing van § 1, tweede lid, en § 2, laatste lid, bepaalt de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, wat onder " personen die in gemeenschap leven " moet begrepen worden. ".
Art.275. A l'article 7 de la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées, les modifications suivantes sont apportées :
1° au § 1er, un nouvel alinéa est inséré entre les alinéas 1er et 2, rédigé comme suit :
" Pour les personnes qui vivent dans une communauté, il n'est tenu compte que des seules ressources et pensions dont le demandeur dispose personnellement. ";
2° le § 2 est complété de l'alinéa suivant :
" Pour les personnes qui vivent dans une communauté, la division visée à l'alinéa 1er n'est pas appliquée. ";
3° l'article est complété par un § 4, rédigé comme suit :
" § 4. Pour l'application du § 1er, alinéa 2, et du § 2, dernier alinéa, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, ce qu'il faut entendre par " personnes qui vivent dans une communauté. ".
1° au § 1er, un nouvel alinéa est inséré entre les alinéas 1er et 2, rédigé comme suit :
" Pour les personnes qui vivent dans une communauté, il n'est tenu compte que des seules ressources et pensions dont le demandeur dispose personnellement. ";
2° le § 2 est complété de l'alinéa suivant :
" Pour les personnes qui vivent dans une communauté, la division visée à l'alinéa 1er n'est pas appliquée. ";
3° l'article est complété par un § 4, rédigé comme suit :
" § 4. Pour l'application du § 1er, alinéa 2, et du § 2, dernier alinéa, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, ce qu'il faut entendre par " personnes qui vivent dans une communauté. ".
HOOFDSTUK VIII. - Arbeidsongevallen.
CHAPITRE VIII. - Accidents du travail.
Art.276. Artikel 57 van de programmawet (I) van 22 december 2003 wordt ingetrokken.
Art.276. _ L'article 57 de la loi programme (I) du 22 décembre 2003, est rapporté.
Art.277. In artikel 58, derde lid, van de programmawet (I) van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de Franse tekst worden de woorden " à partir du 1er novembre 2003 " vervangen door de woorden " à partir du 1er décembre 2003 ";
2° de woorden " minder dan 16 pct. of 19 pct. inbegrepen " worden vervangen door de woorden " minder dan 16 pct. of meer dan 19 pct. ".
1° in de Franse tekst worden de woorden " à partir du 1er novembre 2003 " vervangen door de woorden " à partir du 1er décembre 2003 ";
2° de woorden " minder dan 16 pct. of 19 pct. inbegrepen " worden vervangen door de woorden " minder dan 16 pct. of meer dan 19 pct. ".
Art.277. Dans l'article 58, alinéa 3, de la loi-programme (I) du 22 décembre 2003, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " à partir du 1er novembre 2003 " sont remplacés par les mots " à partir du 1er décembre 2003 ";
2° les mots " de moins de 16 p.c. ou de 19 p.c. inclus " sont remplacés par les mots " de moins de 16 p.c. ou de plus de 19 p.c. ".
1° les mots " à partir du 1er novembre 2003 " sont remplacés par les mots " à partir du 1er décembre 2003 ";
2° les mots " de moins de 16 p.c. ou de 19 p.c. inclus " sont remplacés par les mots " de moins de 16 p.c. ou de plus de 19 p.c. ".
Art.278. Artikel 39, eerste lid, van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen, wordt vervangen als volgt :
" Overschrijdt het jaarloon het bedrag dat hierna wordt vermeld, dan komt het, voor de vaststelling van de vergoedingen en renten, slechts tot beloop van die som in aanmerking :
1° met ingang van 1 september 2004 : 31 578 EUR;
2° met ingang van 1 januari 2005 : 32 106 EUR. ".
" Overschrijdt het jaarloon het bedrag dat hierna wordt vermeld, dan komt het, voor de vaststelling van de vergoedingen en renten, slechts tot beloop van die som in aanmerking :
1° met ingang van 1 september 2004 : 31 578 EUR;
2° met ingang van 1 januari 2005 : 32 106 EUR. ".
Art.278. L'article 39, alinéa 1er, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail, est remplacé par ce qui suit :
" Lorsque le salaire annuel dépasse le montant mentionné ci-après, ce salaire, en ce qui concerne la fixation des indemnités et des rentes, n'est pris en compte qu'à concurrence de ce montant :
1° à partir du 1er septembre 2004 : 31 578 EUR;
2° à partir du 1er janvier 2005 : 32 106 EUR. ".
" Lorsque le salaire annuel dépasse le montant mentionné ci-après, ce salaire, en ce qui concerne la fixation des indemnités et des rentes, n'est pris en compte qu'à concurrence de ce montant :
1° à partir du 1er septembre 2004 : 31 578 EUR;
2° à partir du 1er janvier 2005 : 32 106 EUR. ".
Art.279. In dezelfde wet wordt een artikel 39bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 39bis. - Onverminderd de toepassing van artikel 39, eerste lid, is het grensloon waarvan de vergoedingen en renten door de verzekeringsondernemingen worden ten laste genomen vastgesteld op 26 410 EUR. De Koning verhoogt voormeld bedrag, desgevallend trapsgewijs, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, mits de kosten voor de werkgevers, veroorzaakt door deze verhoging, gecompenseerd worden.
Het verschil tussen de vergoedingen en renten vastgesteld overeenkomstig artikel 39, eerste lid, en het vorig lid wordt ten laste genomen door het Fonds voor Arbeidsongevallen onder de voorwaarden en volgens de financieringstechnieken bepaald door de Koning, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. ".
" Art. 39bis. - Onverminderd de toepassing van artikel 39, eerste lid, is het grensloon waarvan de vergoedingen en renten door de verzekeringsondernemingen worden ten laste genomen vastgesteld op 26 410 EUR. De Koning verhoogt voormeld bedrag, desgevallend trapsgewijs, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, mits de kosten voor de werkgevers, veroorzaakt door deze verhoging, gecompenseerd worden.
Het verschil tussen de vergoedingen en renten vastgesteld overeenkomstig artikel 39, eerste lid, en het vorig lid wordt ten laste genomen door het Fonds voor Arbeidsongevallen onder de voorwaarden en volgens de financieringstechnieken bepaald door de Koning, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. ".
Art.279. Dans la même loi, il est inséré un article 39bis, libellé comme suit :
" Art. 39bis. - Sans préjudice de l'application de l'article 39, alinéa 1er, la rémunération plafonnée à concurrence de laquelle les indemnités et rentes sont prises en charge par les entreprises d'assurances est fixée à 26 410 EUR. Le Roi augmente ce montant, le cas échéant graduellement, par arrête délibéré en Conseil des ministres, moyennant compensation des coûts pour les employeurs, engendrés par cette augmentation.
La différence entre les indemnités et rentes fixée conformément à l'article 39, alinéa 1er, et l'alinéa précédent est prise en charge par le Fonds des accidents du travail sous les conditions et selon les techniques de financement fixées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres. ".
" Art. 39bis. - Sans préjudice de l'application de l'article 39, alinéa 1er, la rémunération plafonnée à concurrence de laquelle les indemnités et rentes sont prises en charge par les entreprises d'assurances est fixée à 26 410 EUR. Le Roi augmente ce montant, le cas échéant graduellement, par arrête délibéré en Conseil des ministres, moyennant compensation des coûts pour les employeurs, engendrés par cette augmentation.
La différence entre les indemnités et rentes fixée conformément à l'article 39, alinéa 1er, et l'alinéa précédent est prise en charge par le Fonds des accidents du travail sous les conditions et selon les techniques de financement fixées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres. ".
Art.280. Artikel 277 heeft uitwerking met ingang van 1 december 2003.
Art.280. L'article 277 produit ses effets le 1er décembre 2003.
HOOFDSTUK IX. - Beroepsziekten.
CHAPITRE IX. - Maladies professionnelles.
Art.281. In artikel 49 van de wetten betreffende de preventie en de schadeloosstelling van de schade voortvloeiende uit beroepsziekten gecoördineerd op 3 juni 1970, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 30 maart 1978, van 22 april 1985 en van 10 juni 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het vierde lid wordt aangevuld als volgt :
" ; de woorden " 300 000 frank " in artikel 39 van dezelfde afdeling dienen vervangen te worden door de woorden " 31 578 euro ". ";
2° de volgende leden worden ingevoegd tussen het vierde en vijfde lid :
" Het loonplafond bedoeld in het vorige lid wordt gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen op de wijze bepaald door de Koning.
De Koning kan, na advies van de Nationale Arbeidsraad, dit loonplafond aanpassen. ".
1° het vierde lid wordt aangevuld als volgt :
" ; de woorden " 300 000 frank " in artikel 39 van dezelfde afdeling dienen vervangen te worden door de woorden " 31 578 euro ". ";
2° de volgende leden worden ingevoegd tussen het vierde en vijfde lid :
" Het loonplafond bedoeld in het vorige lid wordt gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen op de wijze bepaald door de Koning.
De Koning kan, na advies van de Nationale Arbeidsraad, dit loonplafond aanpassen. ".
Art.281. A l'article 49 des lois coordonnées le 3 juin 1970 relatives à la prévention et à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, modifié par les arrêtés royaux du 30 mars 1978, du 22 avril 1985 et du 10 juin 2001, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 4 est complété comme suit :
" ; les mots " 300 000 francs " figurant à l'article 39 de la même section doivent être remplacés par les mots " 31 578 euros ". ";
2° les alinéas suivants sont insérés entre les alinéas 4 et 5 :
" Le plafond visé à l'alinéa précédent est lié aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation suivant les modalités fixées par le Roi.
Le Roi peut, après avis du Conseil national du travail, adapter ce plafond. ".
1° l'alinéa 4 est complété comme suit :
" ; les mots " 300 000 francs " figurant à l'article 39 de la même section doivent être remplacés par les mots " 31 578 euros ". ";
2° les alinéas suivants sont insérés entre les alinéas 4 et 5 :
" Le plafond visé à l'alinéa précédent est lié aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation suivant les modalités fixées par le Roi.
Le Roi peut, après avis du Conseil national du travail, adapter ce plafond. ".
Art.282. Artikel 281 treedt in werking met ingang van 1 april 2004 voor alle ongeschiktheden die vanaf die datum aanvangen.
Art.282. L'article 281 produit ses effets le 1er avril 2004 pour toutes les incapacités qui débutent à partir de cette date.
HOOFDSTUK X. - Beschutte werkplaatsen.
CHAPITRE X. - Entreprises de travail adapté.
Art.283. In artikel 326 van de programmawet (I) van 24 december 2002, gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, wordt een vierde lid ingevoegd, luidend als volgt :
" In afwijking van het vorig lid, wordt bij de toepassing van dit artikel bij een werknemer van een beschutte werkplaats in geen enkel geval rekening gehouden met de vermindering der werkgeversbijdragen bedoeld in voormeld artikel 35, § 5. ".
" In afwijking van het vorig lid, wordt bij de toepassing van dit artikel bij een werknemer van een beschutte werkplaats in geen enkel geval rekening gehouden met de vermindering der werkgeversbijdragen bedoeld in voormeld artikel 35, § 5. ".
Art.283. A l'article 326 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, modifié par la loi du 22 décembre 2003, il est inséré un alinéa 4, rédigé comme suit :
" Par dérogation à l'alinéa précédent, pour l'application du présent article à un travailleur d'une entreprise de travail adapté, il n'est en aucun cas tenu compte de la diminution des cotisations patronales visées à l'article 35, § 5, précité. ".
" Par dérogation à l'alinéa précédent, pour l'application du présent article à un travailleur d'une entreprise de travail adapté, il n'est en aucun cas tenu compte de la diminution des cotisations patronales visées à l'article 35, § 5, précité. ".
Art.284. Artikel 283 treedt in werking vanaf 1 juli 2004.
Art.284. L'article 283 entre en vigueur le 1er juillet 2004.
HOOFDSTUK XI. - Bouwsector.
CHAPITRE XI. - Secteur de la construction.
Afdeling I. - Wijziging van artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren.
Section Ire. - Modification de l'article 7 de l'arrêté royal n° 213 du 26 septembre 1983 relatif à la durée du temps de travail dans les entreprises ressortissant à la compétence de la Commission paritaire de la construction.
Art.285. Artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen die onder het paritair comité voor het bouwbedrijf ressorteren, wordt vervangen als volgt :
" Art. 7. - In de ondernemingen bedoeld in artikel 1, kunnen de grenzen van de arbeidsduur, vastgesteld bij artikel 19 van de arbeidswet van 16 maart 1971, overschreden worden met 130 uren per kalenderjaar gedurende de zomerperiode of een periode van intense activiteit, naar rato van maximum één uur per dag, bezoldigd tegen het normale loon en betaald op het ogenblik waarop deze uren worden gepresteerd.
Naar keuze van de arbeider voor het einde van de betaalperiode waarin deze uren worden gepresteerd, kunnen inhaalrustdagen toegekend worden of kan een loontoeslag van 20 % per bijkomend uur toegekend worden.
Bij ontstentenis van de in het vorige lid bedoelde keuze vóór het einde van de betaalperiode, worden inhaalrustdagen toegekend.
De toekenning van inhaalrustdagen gebeurt in onderling overleg binnen de zes maanden volgend op de periode waarin deze grenzen werden overschreden, naar rato van één rustdag per acht bijkomend gepresteerde uren.
Voor de in het eerste lid bedoelde overschrijding van de grenzen van de arbeidsduur dient de werkgever vooraf het akkoord van de meerderheid van de vakbondsafvaardiging te verkrijgen. Bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging wordt de Voorzitter van het Paritair Comité geïnformeerd. ".
" Art. 7. - In de ondernemingen bedoeld in artikel 1, kunnen de grenzen van de arbeidsduur, vastgesteld bij artikel 19 van de arbeidswet van 16 maart 1971, overschreden worden met 130 uren per kalenderjaar gedurende de zomerperiode of een periode van intense activiteit, naar rato van maximum één uur per dag, bezoldigd tegen het normale loon en betaald op het ogenblik waarop deze uren worden gepresteerd.
Naar keuze van de arbeider voor het einde van de betaalperiode waarin deze uren worden gepresteerd, kunnen inhaalrustdagen toegekend worden of kan een loontoeslag van 20 % per bijkomend uur toegekend worden.
Bij ontstentenis van de in het vorige lid bedoelde keuze vóór het einde van de betaalperiode, worden inhaalrustdagen toegekend.
De toekenning van inhaalrustdagen gebeurt in onderling overleg binnen de zes maanden volgend op de periode waarin deze grenzen werden overschreden, naar rato van één rustdag per acht bijkomend gepresteerde uren.
Voor de in het eerste lid bedoelde overschrijding van de grenzen van de arbeidsduur dient de werkgever vooraf het akkoord van de meerderheid van de vakbondsafvaardiging te verkrijgen. Bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging wordt de Voorzitter van het Paritair Comité geïnformeerd. ".
Art.285. L'article 7 de l'arrêté royal n° 213 du 26 septembre 1983 relatif à la durée du temps de travail dans les entreprises ressortissant à la compétence de la Commission paritaire de la construction, est remplacé comme suit :
" Art. 7. - Les entreprises visées à l'article 1er peuvent dépasser les limites à la durée du temps de travail, fixée par l'article 19 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, à concurrence de 130 heures par année civile pendant la période d'été ou pendant une période d'intense activité et ce, à raison de maximum une heure par jour, rémunérée au salaire normal et payée au moment où ces heures ont été prestées.
Au choix du travailleur avant la fin de la période de paie dans laquelle ces heures sont prestées, des jours de repos compensatoires peuvent être accordés ou un complément de salaire de 20 % par heure complémentaire peut être accordé.
A défaut du choix visé dans l'alinéa précédent avant la fin de la période de paie, les jours de repos compensatoires sont octroyés.
L'octroi des jours de repos compensatoires se fait en concertation dans les six mois qui suivent la période pendant laquelle les limites ont été dépassées, à raison d'un jour de repos par prestation supplémentaire de huit heures.
Pour le dépassement des limites du temps de travail visé à l'alinéa 1er, l'employeur doit obtenir l'accord préalable de la majorité de la délégation syndicale. A défaut d'une délégation syndicale, le Président de la Commission paritaire est informé. ".
" Art. 7. - Les entreprises visées à l'article 1er peuvent dépasser les limites à la durée du temps de travail, fixée par l'article 19 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, à concurrence de 130 heures par année civile pendant la période d'été ou pendant une période d'intense activité et ce, à raison de maximum une heure par jour, rémunérée au salaire normal et payée au moment où ces heures ont été prestées.
Au choix du travailleur avant la fin de la période de paie dans laquelle ces heures sont prestées, des jours de repos compensatoires peuvent être accordés ou un complément de salaire de 20 % par heure complémentaire peut être accordé.
A défaut du choix visé dans l'alinéa précédent avant la fin de la période de paie, les jours de repos compensatoires sont octroyés.
L'octroi des jours de repos compensatoires se fait en concertation dans les six mois qui suivent la période pendant laquelle les limites ont été dépassées, à raison d'un jour de repos par prestation supplémentaire de huit heures.
Pour le dépassement des limites du temps de travail visé à l'alinéa 1er, l'employeur doit obtenir l'accord préalable de la majorité de la délégation syndicale. A défaut d'une délégation syndicale, le Président de la Commission paritaire est informé. ".
Afdeling II. - Wijziging van artikel 38 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
Section II. - Modification de l'article 38 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.
Art.286. Artikel 38, § 3sexies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, wordt vervangen als volgt :
" § 3sexies. De werkgevers op wie de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders toepasselijk is en die ressorteren onder het paritair comité voor het bouwbedrijf, zijn, onder de hierna vermelde voorwaarden, een jaarlijkse bijdrage verschuldigd berekend op basis van een gedeelte van de dagen tijdelijke werkloosheid ingevolge gebrek aan werk wegens economische redenen die zij voor hun handarbeiders en leerlingen onderworpen aan de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971 hebben aangegeven.
De Rijksdienst voor sociale zekerheid (RSZ) is belast met de berekening, de inning en de invordering van deze bijdrage.
Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met een sociale zekerheidsbijdrage, inzonderheid wat betreft de termijn inzake betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling, belast met de inning en invordering van de bijdragen.
Het bedrag van de bijdrage wordt berekend per handarbeider of leerling waarvoor de werkgever in de loop van het betreffende kalenderjaar aangifte verschuldigd was in toepassing van artikel 21 van voormelde wet van 27 juni 1969.
Het bedrag van de bijdrage wordt vastgesteld volgens volgende formule :
(A - B) maal F
waarbij
A = het totaal aantal dagen tijdelijke werkloosheid ingevolge gebrek aan werk wegens economische redenen die door de werkgever voor elke handarbeider of leerling onderworpen aan de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971 die hij heeft tewerkgesteld in de loop van het voorgaande kalenderjaar werd aangegeven;
B = een aantal dagen tijdelijke werkloosheid ingevolge gebrek aan werk wegens economische redenen die niet in aanmerking worden genomen voor het berekenen van de bijdrage; dit aantal wordt bepaald door de Koning;
F = een forfaitair bedrag, bepaald door de Koning.
Het bedrag van de bijdrage wordt elk jaar door de RSZ berekend en aan de werkgever medegedeeld, op basis van de gegevens met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar die door de werkgever werden medegedeeld in toepassing van artikel 21 van voormelde wet van 27 juni 1969.
In geval van laattijdige ontvangst van één of meer aangiften gebeurt de berekening na de ontvangst van de laatste.
De bijdrage is verschuldigd samen met en binnen dezelfde termijnen als de bijdragen voor sociale zekerheid die, op grond van voormelde wet van 27 juni 1969, betrekking hebben op het kwartaal waarbinnen het bedrag werd medegedeeld.
Wijzigingen aan de aangiften mogen geen vermindering van het verschuldigde bedrag met zich meebrengen.
" § 3sexies. De werkgevers op wie de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders toepasselijk is en die ressorteren onder het paritair comité voor het bouwbedrijf, zijn, onder de hierna vermelde voorwaarden, een jaarlijkse bijdrage verschuldigd berekend op basis van een gedeelte van de dagen tijdelijke werkloosheid ingevolge gebrek aan werk wegens economische redenen die zij voor hun handarbeiders en leerlingen onderworpen aan de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971 hebben aangegeven.
De Rijksdienst voor sociale zekerheid (RSZ) is belast met de berekening, de inning en de invordering van deze bijdrage.
Deze bijdrage wordt gelijkgesteld met een sociale zekerheidsbijdrage, inzonderheid wat betreft de termijn inzake betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling, belast met de inning en invordering van de bijdragen.
Het bedrag van de bijdrage wordt berekend per handarbeider of leerling waarvoor de werkgever in de loop van het betreffende kalenderjaar aangifte verschuldigd was in toepassing van artikel 21 van voormelde wet van 27 juni 1969.
Het bedrag van de bijdrage wordt vastgesteld volgens volgende formule :
(A - B) maal F
waarbij
A = het totaal aantal dagen tijdelijke werkloosheid ingevolge gebrek aan werk wegens economische redenen die door de werkgever voor elke handarbeider of leerling onderworpen aan de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971 die hij heeft tewerkgesteld in de loop van het voorgaande kalenderjaar werd aangegeven;
B = een aantal dagen tijdelijke werkloosheid ingevolge gebrek aan werk wegens economische redenen die niet in aanmerking worden genomen voor het berekenen van de bijdrage; dit aantal wordt bepaald door de Koning;
F = een forfaitair bedrag, bepaald door de Koning.
Het bedrag van de bijdrage wordt elk jaar door de RSZ berekend en aan de werkgever medegedeeld, op basis van de gegevens met betrekking tot het voorgaande kalenderjaar die door de werkgever werden medegedeeld in toepassing van artikel 21 van voormelde wet van 27 juni 1969.
In geval van laattijdige ontvangst van één of meer aangiften gebeurt de berekening na de ontvangst van de laatste.
De bijdrage is verschuldigd samen met en binnen dezelfde termijnen als de bijdragen voor sociale zekerheid die, op grond van voormelde wet van 27 juni 1969, betrekking hebben op het kwartaal waarbinnen het bedrag werd medegedeeld.
Wijzigingen aan de aangiften mogen geen vermindering van het verschuldigde bedrag met zich meebrengen.
Art.286. L'article 38, § 3sexies, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité des travailleurs salariés, est remplacé par la disposition suivante :
" § 3sexies. - Les employeurs auxquels est applicable la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs salariés et qui ressortissent à la commission paritaire de l'industrie de la construction sont, dans les conditions énoncées ci-après, redevables d'une cotisation annuelle calculée sur la base d'une partie des jours de chômage temporaire qu'ils ont déclarés pour leurs travailleurs manuels et apprentis assujettis aux lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971.
L'Office national de sécurité sociale (ONSS) est chargé du calcul, de la perception et du recouvrement de cette cotisation.
Cette cotisation est assimilée à une cotisation de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des sanctions pénales, la surveillance, la désignation du juge compétent en cas de litige, la prescription en matière d'actions en justice, le privilège et la communication du montant de la déclaration de créance de l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations.
Le montant de la cotisation est calculé par travailleur manuel ou apprenti pour lequel l'employeur était, au cours de l'année civile en question, tenu de faire parvenir une déclaration en application de l'article 21 de la loi précitée du 27 juin 1969.
Le montant de la cotisation est fixé suivant la formule suivante :
(A - B) fois F
où
A = le nombre total de jours de chômage temporaire consécutif au manque de travail pour raisons économiques que l'employeur a déclarés pour chaque travailleur manuel ou apprenti assujetti aux lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971, qu'il a occupé au cours de l'année civile précédente;
B = un nombre de jours de chômage temporaire consécutif au manque de travail pour raisons économiques qui ne sont pas pris en considération pour le calcul de la cotisation; ce nombre est fixé par le Roi;
F = un montant forfaitaire fixé par le Roi.
Le montant de la cotisation est calculé chaque année par l'ONSS et communiqué à l'employeur, sur la base des données relatives à l'année civile précédente qui ont été communiquées en application de l'article 21 de la loi précitée du 27 juin 1969.
En cas de réception tardive d'une ou plusieurs déclarations, le calcul se fait après la réception de la dernière.
La cotisation est due avec et dans les mêmes délais que les cotisations de sécurité sociale qui, sur la base de la loi précitée du 27 juin 1969, se rapportent au trimestre dans lequel le montant a été communiqué.
Des modifications à la déclaration ne peuvent diminuer le montant dû.
" § 3sexies. - Les employeurs auxquels est applicable la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs salariés et qui ressortissent à la commission paritaire de l'industrie de la construction sont, dans les conditions énoncées ci-après, redevables d'une cotisation annuelle calculée sur la base d'une partie des jours de chômage temporaire qu'ils ont déclarés pour leurs travailleurs manuels et apprentis assujettis aux lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971.
L'Office national de sécurité sociale (ONSS) est chargé du calcul, de la perception et du recouvrement de cette cotisation.
Cette cotisation est assimilée à une cotisation de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des sanctions pénales, la surveillance, la désignation du juge compétent en cas de litige, la prescription en matière d'actions en justice, le privilège et la communication du montant de la déclaration de créance de l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations.
Le montant de la cotisation est calculé par travailleur manuel ou apprenti pour lequel l'employeur était, au cours de l'année civile en question, tenu de faire parvenir une déclaration en application de l'article 21 de la loi précitée du 27 juin 1969.
Le montant de la cotisation est fixé suivant la formule suivante :
(A - B) fois F
où
A = le nombre total de jours de chômage temporaire consécutif au manque de travail pour raisons économiques que l'employeur a déclarés pour chaque travailleur manuel ou apprenti assujetti aux lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971, qu'il a occupé au cours de l'année civile précédente;
B = un nombre de jours de chômage temporaire consécutif au manque de travail pour raisons économiques qui ne sont pas pris en considération pour le calcul de la cotisation; ce nombre est fixé par le Roi;
F = un montant forfaitaire fixé par le Roi.
Le montant de la cotisation est calculé chaque année par l'ONSS et communiqué à l'employeur, sur la base des données relatives à l'année civile précédente qui ont été communiquées en application de l'article 21 de la loi précitée du 27 juin 1969.
En cas de réception tardive d'une ou plusieurs déclarations, le calcul se fait après la réception de la dernière.
La cotisation est due avec et dans les mêmes délais que les cotisations de sécurité sociale qui, sur la base de la loi précitée du 27 juin 1969, se rapportent au trimestre dans lequel le montant a été communiqué.
Des modifications à la déclaration ne peuvent diminuer le montant dû.
Art.287. Artikel 286 treedt in werking op 1 januari 2005. De bijdrage zal een eerste keer worden berekend en geïnd in de loop van het jaar 2005, op basis van de gegevens die betrekking hebben op het jaar 2004.
Art.287. L'article 286 entre en vigueur le 1er janvier 2005. La cotisation sera calculée et perçue une première fois dans le courant de l'année 2005, sur la base des données qui portent sur l'année 2004.
Art.288. De Koning kan bepalen dat de bijdrage bedoeld in artikel 286 door de werkgever wordt berekend en aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid wordt aangegeven.
Art.288. Le Roi peut déterminer que la cotisation visée à l'article 286 est calculée par l'employeur et déclarée à l'Office national de sécurité sociale.
HOOFDSTUK XII. - Moederschapsverlof.
CHAPITRE XII. - Congé de maternité.
Art.289. Artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989, 29 december 1990 en 25 januari 1999, wordt vervangen als volgt :
" Art. 39. - Op verzoek van de werkneemster moet de werkgever haar verlof geven ten vroegste vanaf de zesde week vóór de vermoedelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week vóór deze datum wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. De werkneemster bezorgt hem ten laatste zeven weken vóór de vermoedelijke datum van de bevalling of negen weken vóór deze datum wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht, een geneeskundig voorschrift waaruit deze datum blijkt. Zo de bevalling eerst plaats heeft na de door de geneesheer voorziene datum, wordt het verlof tot de werkelijke datum van de bevalling verlengd.
De werkneemster mag geen arbeid verrichten vanaf de zevende dag die de vermoedelijke datum van de bevalling voorafgaat tot het verstrijken van een periode van negen weken die begint te lopen op de dag van de bevalling.
Op haar verzoek wordt de arbeidsonderbreking na de negende week verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode waarin zij verder gearbeid heeft vanaf de zesde week vóór de werkelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. Deze periode wordt, bij vroeggeboorte, verminderd met de dagen waarop arbeid verricht werd tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat. De Koning kan sommige periodes van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en sommige afwezigheden wanneer het gaat om personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een andere persoon, met periodes van arbeid gelijkstellen.
Ingeval van geboorte van een meerling, wordt op verzoek van de werkneemster de periode van arbeidsonderbreking na de negende week, eventueel verlengd overeenkomstig het bepaalde in het vorige lid, verlengd met een periode van (maximaal) twee weken.
Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf zijn geboorte in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan op verzoek van de werkneemster de postnatale rustperiode verlengd worden met een duur gelijk aan de periode dat haar kind na die eerste zeven dagen in de verplegingsinrichting opgenomen blijft. De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden. Met dat doel bezorgt de werkneemster aan haar werkgever :
a) bij het einde van de postnatale rustperiode, een getuigschrift van de verplegingsinrichting waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in de verplegingsinrichting opgenomen blijft na de eerste zeven dagen vanaf zijn geboorte en met vermelding van de duur van de opname;
b) in voorkomend geval een nieuw getuigschrift van de verplegingsinrichting bij het einde van de verlenging die voortvloeit uit het bepaalde in dit lid waaruit blijkt dat tijdens deze verlenging het pasgeboren kind de verplegingsinrichting nog niet heeft mogen verlaten en met vermelding van de duur van de opname.
De Koning bepaalt, na advies van de Nationale Arbeidsraad, de duur alsmede de voorwaarden en de nadere regelen waaronder, bij overlijden of hospitalisatie van de moeder, de schorsing van de arbeidsovereenkomst of de afwezigheden bedoeld in dit artikel, worden omgezet in een vaderschapsverlof voor de werknemer die de vader is. De Koning bepaalt in dit geval eveneens de bescherming tegen ontslag en de duurtijd waarop de werkneemster en de werknemer recht hebben. ".
" Art. 39. - Op verzoek van de werkneemster moet de werkgever haar verlof geven ten vroegste vanaf de zesde week vóór de vermoedelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week vóór deze datum wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. De werkneemster bezorgt hem ten laatste zeven weken vóór de vermoedelijke datum van de bevalling of negen weken vóór deze datum wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht, een geneeskundig voorschrift waaruit deze datum blijkt. Zo de bevalling eerst plaats heeft na de door de geneesheer voorziene datum, wordt het verlof tot de werkelijke datum van de bevalling verlengd.
De werkneemster mag geen arbeid verrichten vanaf de zevende dag die de vermoedelijke datum van de bevalling voorafgaat tot het verstrijken van een periode van negen weken die begint te lopen op de dag van de bevalling.
Op haar verzoek wordt de arbeidsonderbreking na de negende week verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode waarin zij verder gearbeid heeft vanaf de zesde week vóór de werkelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. Deze periode wordt, bij vroeggeboorte, verminderd met de dagen waarop arbeid verricht werd tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat. De Koning kan sommige periodes van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en sommige afwezigheden wanneer het gaat om personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een andere persoon, met periodes van arbeid gelijkstellen.
Ingeval van geboorte van een meerling, wordt op verzoek van de werkneemster de periode van arbeidsonderbreking na de negende week, eventueel verlengd overeenkomstig het bepaalde in het vorige lid, verlengd met een periode van (maximaal) twee weken.
Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf zijn geboorte in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan op verzoek van de werkneemster de postnatale rustperiode verlengd worden met een duur gelijk aan de periode dat haar kind na die eerste zeven dagen in de verplegingsinrichting opgenomen blijft. De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden. Met dat doel bezorgt de werkneemster aan haar werkgever :
a) bij het einde van de postnatale rustperiode, een getuigschrift van de verplegingsinrichting waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in de verplegingsinrichting opgenomen blijft na de eerste zeven dagen vanaf zijn geboorte en met vermelding van de duur van de opname;
b) in voorkomend geval een nieuw getuigschrift van de verplegingsinrichting bij het einde van de verlenging die voortvloeit uit het bepaalde in dit lid waaruit blijkt dat tijdens deze verlenging het pasgeboren kind de verplegingsinrichting nog niet heeft mogen verlaten en met vermelding van de duur van de opname.
De Koning bepaalt, na advies van de Nationale Arbeidsraad, de duur alsmede de voorwaarden en de nadere regelen waaronder, bij overlijden of hospitalisatie van de moeder, de schorsing van de arbeidsovereenkomst of de afwezigheden bedoeld in dit artikel, worden omgezet in een vaderschapsverlof voor de werknemer die de vader is. De Koning bepaalt in dit geval eveneens de bescherming tegen ontslag en de duurtijd waarop de werkneemster en de werknemer recht hebben. ".
Art.289. L'article 39 de la loi sur le travail, modifié par les lois du 22 décembre 1989, 29 décembre 1990 et 25 janvier 1999, est remplacé par le texte suivant :
" Art. 39. - A la demande de la travailleuse, l'employeur est tenu de lui donner congé au plus tôt à partir de la sixième semaine qui précède la date présumée de l'accouchement ou de la huitième semaine avant cette date, lorsqu'une naissance multiple est prévue. La travailleuse lui remet, au plus tard sept semaines avant la date présumée de l'accouchement ou neuf semaines avant cette date lorsqu'une naissance multiple est prévue, un certificat médical attestant cette date. Si l'accouchement n'a lieu qu'après la date prévue par le médecin, le congé est prolongé jusqu'à la date réelle de l'accouchement.
La travailleuse ne peut effectuer aucun travail à partir du septième jour qui précède la date présumée de l'accouchement jusqu'à la fin d'une période de neuf semaines qui prend cours le jour de l'accouchement.
L'interruption de travail est prolongée, à sa demande, au-delà de la neuvième semaine, pour une période d'une durée égale à la durée de la période pendant laquelle elle a continué à travailler à partir de la sixième semaine précédant la date exacte de l'accouchement ou de la huitième semaine lorsqu'une naissance multiple est prévue. Cette période est, en cas de naissance prématurée, réduite du nombre de jours pendant lesquels elle a travaillé au cours de la période de sept jours qui précèdent l'accouchement. Le Roi peut assimiler à des périodes de travail, certaines périodes de suspension de l'exécution du contrat de travail et certaines absences lorsqu'il s'agit de personnes qui, autrement qu'en vertu d'un contrat de travail, fournissent des prestations de travail sous l'autorité d'une autre personne.
En cas de naissance multiple, à la demande de la travailleuse la période d'interruption de travail après la neuvième semaine, éventuellement prolongée conformément aux dispositions de l'alinéa précédent, est prolongée d'une période (maximale) de deux semaines.
Dans le cas où, après les sept premiers jours à compter de sa naissance, le nouveau-né doit rester dans l'établissement hospitalier, le congé de repos postnatal peut, à la demande de la travailleuse, être prolongé d'une durée égale à la période pendant laquelle son enfant est resté hospitalisé après les sept premiers jours. La durée de cette prolongation ne peut dépasser vingt-quatre semaines. A cet effet, la travailleuse remet à son employeur :
a) à la fin de la période de repos postnatal, une attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né est resté hospitalisé après les sept premiers jours à dater de sa naissance et mentionnant la durée de l'hospitalisation;
b) le cas échéant, à la fin de la période de prolongation qui résulte des dispositions prévues dans cet alinéa, une nouvelle attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né n'a pas encore quitté l'établissement hospitalier et mentionnant la durée de l'hospitalisation.
Le Roi détermine, après avis du Conseil national du travail, la durée ainsi que les conditions et les modalités suivant lesquelles, lors du décès ou de l'hospitalisation de la mère, la suspension de l'exécution du contrat de travail ou les absences visées au présent article sont converties en un congé de paternité pour le travailleur qui est le père. Le Roi détermine également dans ce cas la protection contre le licenciement et la durée de celle-ci dont bénéficient la travailleuse et le travailleur. ".
" Art. 39. - A la demande de la travailleuse, l'employeur est tenu de lui donner congé au plus tôt à partir de la sixième semaine qui précède la date présumée de l'accouchement ou de la huitième semaine avant cette date, lorsqu'une naissance multiple est prévue. La travailleuse lui remet, au plus tard sept semaines avant la date présumée de l'accouchement ou neuf semaines avant cette date lorsqu'une naissance multiple est prévue, un certificat médical attestant cette date. Si l'accouchement n'a lieu qu'après la date prévue par le médecin, le congé est prolongé jusqu'à la date réelle de l'accouchement.
La travailleuse ne peut effectuer aucun travail à partir du septième jour qui précède la date présumée de l'accouchement jusqu'à la fin d'une période de neuf semaines qui prend cours le jour de l'accouchement.
L'interruption de travail est prolongée, à sa demande, au-delà de la neuvième semaine, pour une période d'une durée égale à la durée de la période pendant laquelle elle a continué à travailler à partir de la sixième semaine précédant la date exacte de l'accouchement ou de la huitième semaine lorsqu'une naissance multiple est prévue. Cette période est, en cas de naissance prématurée, réduite du nombre de jours pendant lesquels elle a travaillé au cours de la période de sept jours qui précèdent l'accouchement. Le Roi peut assimiler à des périodes de travail, certaines périodes de suspension de l'exécution du contrat de travail et certaines absences lorsqu'il s'agit de personnes qui, autrement qu'en vertu d'un contrat de travail, fournissent des prestations de travail sous l'autorité d'une autre personne.
En cas de naissance multiple, à la demande de la travailleuse la période d'interruption de travail après la neuvième semaine, éventuellement prolongée conformément aux dispositions de l'alinéa précédent, est prolongée d'une période (maximale) de deux semaines.
Dans le cas où, après les sept premiers jours à compter de sa naissance, le nouveau-né doit rester dans l'établissement hospitalier, le congé de repos postnatal peut, à la demande de la travailleuse, être prolongé d'une durée égale à la période pendant laquelle son enfant est resté hospitalisé après les sept premiers jours. La durée de cette prolongation ne peut dépasser vingt-quatre semaines. A cet effet, la travailleuse remet à son employeur :
a) à la fin de la période de repos postnatal, une attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né est resté hospitalisé après les sept premiers jours à dater de sa naissance et mentionnant la durée de l'hospitalisation;
b) le cas échéant, à la fin de la période de prolongation qui résulte des dispositions prévues dans cet alinéa, une nouvelle attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né n'a pas encore quitté l'établissement hospitalier et mentionnant la durée de l'hospitalisation.
Le Roi détermine, après avis du Conseil national du travail, la durée ainsi que les conditions et les modalités suivant lesquelles, lors du décès ou de l'hospitalisation de la mère, la suspension de l'exécution du contrat de travail ou les absences visées au présent article sont converties en un congé de paternité pour le travailleur qui est le père. Le Roi détermine également dans ce cas la protection contre le licenciement et la durée de celle-ci dont bénéficient la travailleuse et le travailleur. ".
Art.290. Artikel 289 is enkel van toepassing voor zover de bevalling heeft plaatsgevonden op of na de datum van inwerkingtreding van deze afdeling.
Art.290. L'article 289 est uniquement applicable dans la mesure où l'accouchement a lieu à ou après la date de l'entrée en vigueur de la présente section.
Art.291. Deze afdeling treedt in werking op 1 juli 2004.
Art.291. La présente section entre en vigueur le 1er juillet 2004.
HOOFDSTUK XIII. - Adoptieverlof.
CHAPITRE XIII. - Congé d'adoption.
Art.292. In artikel 30 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 3, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001, wordt opgeheven;
2° § 4, ingevoegd bij de wet van 2 augustus 2002, wordt § 3, met dien verstande dat in die paragraaf de woorden " §§ 2 en 3 " worden vervangen door de woorden " § 2 ".
1° § 3, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001, wordt opgeheven;
2° § 4, ingevoegd bij de wet van 2 augustus 2002, wordt § 3, met dien verstande dat in die paragraaf de woorden " §§ 2 en 3 " worden vervangen door de woorden " § 2 ".
Art.292. Dans l'article 30 de la loi du 3 juillet 1978 sur les contrats de travail, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 3, introduit par la loi du 10 août 2001, est abrogé;
2° le § 4, introduit par la loi du 2 août 2002, en devient le § 3, étant entendu que dans ce paragraphe les mots " §§ 2 et 3 " sont remplacés par les mots " § 2 ".
1° le § 3, introduit par la loi du 10 août 2001, est abrogé;
2° le § 4, introduit par la loi du 2 août 2002, en devient le § 3, étant entendu que dans ce paragraphe les mots " §§ 2 et 3 " sont remplacés par les mots " § 2 ".
Art.293. In dezelfde wet wordt een artikel 30ter ingevoegd, luidende :
" Art. 30ter. - § 1. De werknemer die in het kader van een adoptie een kind in zijn gezin onthaalt, heeft, met het oog op de zorg voor dit kind, recht op een adoptieverlof gedurende een aaneengesloten periode van maximum zes weken, zo het kind bij het begin van dit verlof de leeftijd van drie jaar niet heeft bereikt, en maximum vier weken in de andere gevallen. Indien de werknemer ervoor kiest om niet het toegestane maximum aantal weken adoptieverlof op te nemen, dient het verlof ten minste een week of een veelvoud van een week te bedragen.
Om het recht op adoptieverlof te kunnen uitoefenen moet dit verlof een aanvang nemen binnen twee maanden volgend op de inschrijving van het kind als deel uitmakend van het gezin van de werknemer in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar hij zijn verblijfplaats heeft.
De maximumduur van het adoptieverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag.
De uitoefening van het recht op adoptieverlof neemt een einde op het moment waarop het kind de leeftijd van acht jaar bereikt tijdens de opname van het verlof.
§ 2. Tijdens het adoptieverlof geniet de werknemer een uitkering, waarvan het bedrag wordt bepaald door de Koning, en die de werknemer wordt uitbetaald in het raam van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
De Koning kan evenwel bepalen dat de werknemer voor een gedeelte van het adoptieverlof zijn recht op loon blijft behouden ten laste van de werkgever.
§ 3. De werknemer die gebruik wenst te maken van het recht op adoptieverlof dient zijn werkgever ten minste één maand vóór de opname van het verlof hiervan schriftelijk op de hoogte te brengen.
De kennisgeving gebeurt door middel van een aangetekend schrijven of door overhandiging van een geschrift, waarvan het duplicaat voor ontvangst wordt ondertekend door de werkgever. De kennisgeving dient de begin- en einddatum van het adoptieverlof te vermelden.
De werknemer dient uiterlijk op het ogenblik waarop het adoptieverlof ingaat, aan de werkgever de documenten te verstrekken ter staving van de gebeurtenis die het recht op adoptieverlof doet ontstaan.
§ 4. De werkgever mag geen handeling stellen die tot ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de arbeidsovereenkomst van de werknemer die gebruik maakt van zijn recht op adoptieverlof, gedurende een periode die ingaat twee maanden vóór de opname van dit verlof en eindigt één maand na het einde ervan, behalve om redenen die vreemd zijn aan de opname van het adoptieverlof.
De werkgever dient te bewijzen dat zulke redenen voorhanden zijn.
Zo de ingeroepen reden tot staving van het ontslag niet beantwoordt aan het bepaalde in het eerste lid of bij ontstentenis van reden, moet de werkgever aan de werknemer een forfaitaire vergoeding betalen gelijk aan het loon voor drie maanden, onverminderd de vergoedingen verschuldigd in geval van verbreking van de arbeidsovereenkomst.
Deze vergoeding mag evenwel niet worden samen genoten met andere vergoedingen die zijn bepaald in het kader van een bijzondere beschermingsprocedure tegen ontslag. ".
" Art. 30ter. - § 1. De werknemer die in het kader van een adoptie een kind in zijn gezin onthaalt, heeft, met het oog op de zorg voor dit kind, recht op een adoptieverlof gedurende een aaneengesloten periode van maximum zes weken, zo het kind bij het begin van dit verlof de leeftijd van drie jaar niet heeft bereikt, en maximum vier weken in de andere gevallen. Indien de werknemer ervoor kiest om niet het toegestane maximum aantal weken adoptieverlof op te nemen, dient het verlof ten minste een week of een veelvoud van een week te bedragen.
Om het recht op adoptieverlof te kunnen uitoefenen moet dit verlof een aanvang nemen binnen twee maanden volgend op de inschrijving van het kind als deel uitmakend van het gezin van de werknemer in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar hij zijn verblijfplaats heeft.
De maximumduur van het adoptieverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag.
De uitoefening van het recht op adoptieverlof neemt een einde op het moment waarop het kind de leeftijd van acht jaar bereikt tijdens de opname van het verlof.
§ 2. Tijdens het adoptieverlof geniet de werknemer een uitkering, waarvan het bedrag wordt bepaald door de Koning, en die de werknemer wordt uitbetaald in het raam van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
De Koning kan evenwel bepalen dat de werknemer voor een gedeelte van het adoptieverlof zijn recht op loon blijft behouden ten laste van de werkgever.
§ 3. De werknemer die gebruik wenst te maken van het recht op adoptieverlof dient zijn werkgever ten minste één maand vóór de opname van het verlof hiervan schriftelijk op de hoogte te brengen.
De kennisgeving gebeurt door middel van een aangetekend schrijven of door overhandiging van een geschrift, waarvan het duplicaat voor ontvangst wordt ondertekend door de werkgever. De kennisgeving dient de begin- en einddatum van het adoptieverlof te vermelden.
De werknemer dient uiterlijk op het ogenblik waarop het adoptieverlof ingaat, aan de werkgever de documenten te verstrekken ter staving van de gebeurtenis die het recht op adoptieverlof doet ontstaan.
§ 4. De werkgever mag geen handeling stellen die tot ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de arbeidsovereenkomst van de werknemer die gebruik maakt van zijn recht op adoptieverlof, gedurende een periode die ingaat twee maanden vóór de opname van dit verlof en eindigt één maand na het einde ervan, behalve om redenen die vreemd zijn aan de opname van het adoptieverlof.
De werkgever dient te bewijzen dat zulke redenen voorhanden zijn.
Zo de ingeroepen reden tot staving van het ontslag niet beantwoordt aan het bepaalde in het eerste lid of bij ontstentenis van reden, moet de werkgever aan de werknemer een forfaitaire vergoeding betalen gelijk aan het loon voor drie maanden, onverminderd de vergoedingen verschuldigd in geval van verbreking van de arbeidsovereenkomst.
Deze vergoeding mag evenwel niet worden samen genoten met andere vergoedingen die zijn bepaald in het kader van een bijzondere beschermingsprocedure tegen ontslag. ".
Art.293. Dans la même loi il est inséré un article 30ter, rédigé comme suit :
" Art. 30ter. - § 1er. Le travailleur qui, dans le cadre d'une adoption, accueille un enfant dans sa famille, a droit, pour prendre soin de cet enfant, à un congé d'adoption pendant une période ininterrompue de maximum 6 semaines si l'enfant n'a pas atteint l'âge de 3 ans au début du congé, et de maximum 4 semaines dans les autres cas. Dans le cas où le travailleur choisit de ne pas prendre le nombre maximal de semaines prévues dans le cadre du congé d'adoption, le congé doit être au moins d'une semaine ou d'un multiple d'une semaine.
Pour pouvoir exercer le droit au congé d'adoption ce congé doit prendre cours dans les deux mois qui suivent l'inscription de l'enfant comme faisant partie du ménage du travailleur dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers de sa commune de résidence.
La durée maximale du conge d'adoption est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales.
L'exercice du droit au congé d'adoption prend fin dès que l'enfant atteint l'age de huit ans au cours du congé.
§ 2. Durant le congé d'adoption le travailleur bénéficie d'une indemnité dont le montant est déterminé par le Roi et qui lui est payée dans le cadre de l'assurance soins de santé et indemnités.
Le Roi peut également déterminer que le travailleur maintient, pour une partie du congé d'adoption, son droit à la rémunération à charge de l'employeur.
§ 3. Le travailleur qui souhaite faire usage du droit au congé d'adoption doit en avertir par écrit son employeur au moins un mois à l'avance.
La notification de l'avertissement se fait par lettre recommandée ou par la remise d'un écrit dont le double est signé par l'employeur au titre d'accusé de réception. L'avertissement mentionne la date de début et de fin du congé d'adoption.
Le travailleur fournit à l'employeur, au plus tard au moment où le congé d'adoption prend cours, les documents attestant l'évènement qui ouvre le droit au congé d'adoption.
§ 4. L'employeur ne peut faire un acte tendant à mettre fin unilatéralement au contrat de travail du travailleur qui a fait usage de son droit au congé d'adoption pendant une période qui commence deux mois avant la prise de cours de ce congé et qui finit un mois après la fin de celui-ci, sauf pour des motifs étrangers à la prise de ce congé d'adoption.
La charge de la preuve de ces motifs incombe à l'employeur.
Si le motif invoqué à l'appui du licenciement ne répond pas aux prescriptions de l'alinéa 1er ou à défaut de motif, l'employeur est tenu de payer une indemnité forfaitaire égale à la rémunération de trois mois, sans préjudice des indemnités dues au travailleur en cas de rupture du contrat de travail.
Cette indemnité ne peut être cumulée avec d'autres indemnités qui sont prévues dans le cadre d'une procédure de protection particulière contre le licenciement. ".
" Art. 30ter. - § 1er. Le travailleur qui, dans le cadre d'une adoption, accueille un enfant dans sa famille, a droit, pour prendre soin de cet enfant, à un congé d'adoption pendant une période ininterrompue de maximum 6 semaines si l'enfant n'a pas atteint l'âge de 3 ans au début du congé, et de maximum 4 semaines dans les autres cas. Dans le cas où le travailleur choisit de ne pas prendre le nombre maximal de semaines prévues dans le cadre du congé d'adoption, le congé doit être au moins d'une semaine ou d'un multiple d'une semaine.
Pour pouvoir exercer le droit au congé d'adoption ce congé doit prendre cours dans les deux mois qui suivent l'inscription de l'enfant comme faisant partie du ménage du travailleur dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers de sa commune de résidence.
La durée maximale du conge d'adoption est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales.
L'exercice du droit au congé d'adoption prend fin dès que l'enfant atteint l'age de huit ans au cours du congé.
§ 2. Durant le congé d'adoption le travailleur bénéficie d'une indemnité dont le montant est déterminé par le Roi et qui lui est payée dans le cadre de l'assurance soins de santé et indemnités.
Le Roi peut également déterminer que le travailleur maintient, pour une partie du congé d'adoption, son droit à la rémunération à charge de l'employeur.
§ 3. Le travailleur qui souhaite faire usage du droit au congé d'adoption doit en avertir par écrit son employeur au moins un mois à l'avance.
La notification de l'avertissement se fait par lettre recommandée ou par la remise d'un écrit dont le double est signé par l'employeur au titre d'accusé de réception. L'avertissement mentionne la date de début et de fin du congé d'adoption.
Le travailleur fournit à l'employeur, au plus tard au moment où le congé d'adoption prend cours, les documents attestant l'évènement qui ouvre le droit au congé d'adoption.
§ 4. L'employeur ne peut faire un acte tendant à mettre fin unilatéralement au contrat de travail du travailleur qui a fait usage de son droit au congé d'adoption pendant une période qui commence deux mois avant la prise de cours de ce congé et qui finit un mois après la fin de celui-ci, sauf pour des motifs étrangers à la prise de ce congé d'adoption.
La charge de la preuve de ces motifs incombe à l'employeur.
Si le motif invoqué à l'appui du licenciement ne répond pas aux prescriptions de l'alinéa 1er ou à défaut de motif, l'employeur est tenu de payer une indemnité forfaitaire égale à la rémunération de trois mois, sans préjudice des indemnités dues au travailleur en cas de rupture du contrat de travail.
Cette indemnité ne peut être cumulée avec d'autres indemnités qui sont prévues dans le cadre d'une procédure de protection particulière contre le licenciement. ".
Art.294. In artikel 56, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 3 april 1995, worden de woorden " de bepalingen van de artikelen 28, 2°bis, 30, 49, 51, 52, 54 en 55 " vervangen door de woorden " de bepalingen van de artikelen 28, 2°bis, 30, 30ter, 49, 51, 52, 54 en 55 ".
Art.294. Dans l'article 56, alinéa 1er, de la même loi, modifié par la loi du 3 avril 1995, les mots " les dispositions des articles 28, 2°bis, 30, 49, 51, 52, 54 et 55 " sont remplacés par les mots " les dispositions des articles 28, 2°bis, 30, 30ter, 49, 51, 52, 54 et 55 ".
Art.295. In artikel 57 van dezelfde wet, worden de woorden " zoals bepaald bij de artikelen 27, 29, 30, 49 tot 52, 54 en 55 " vervangen door de woorden " zoals bepaald bij de artikelen 27, 29, 30, 30ter, 49 tot 52, 54 en 55 ".
Art.295. Dans l'article 57 de la même loi, les mots " telles qu'elles sont définies aux articles 27, 29, 30, 49 à 52, 54 et 55 " sont remplacés par les mots " telles qu'elles sont définies aux articles 27, 29, 30, 30ter, 49 à 52, 54 et 55 ".
Art.296. In artikel 25quinquies van de wet van 1 april 1936 op de arbeidsovereenkomsten wegens dienst op binnenschepen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 3, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001, wordt opgeheven;
2° § 4, ingevoegd bij de wet van 2 augustus 2002, wordt § 3, met dien verstande dat in die paragraaf de woorden " §§ 2 en 3 " worden vervangen door de woorden " § 2 ".
1° § 3, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001, wordt opgeheven;
2° § 4, ingevoegd bij de wet van 2 augustus 2002, wordt § 3, met dien verstande dat in die paragraaf de woorden " §§ 2 en 3 " worden vervangen door de woorden " § 2 ".
Art.296. Dans l'article 25quinquies de la loi du 1er avril 1936 sur les contrats d'engagement pour le service des bâtiments de navigation intérieure, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 3, inséré par la loi du 10 août 2001, est abrogé,
2° le § 4, inséré par la loi du 2 août 2002, en devient le § 3, étant entendu que dans ce paragraphe les mots " §§ 2 et 3 " sont remplacés par les mots " § 2 ".
1° le § 3, inséré par la loi du 10 août 2001, est abrogé,
2° le § 4, inséré par la loi du 2 août 2002, en devient le § 3, étant entendu que dans ce paragraphe les mots " §§ 2 et 3 " sont remplacés par les mots " § 2 ".
Art.297. Artikel 25sexies van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 10 december 1962, wordt artikel 25nonies van die wet, met dien verstande dat in dat artikel de woorden " bij de bepalingen van de artikelen 25bis tot 25quinquies " worden vervangen door de woorden " bij de bepalingen van de artikelen 25bis tot 25sexies ".
Art.297. L'article 25sexies de la même loi, inséré par la loi du 10 décembre 1962, en devient l'article 25nonies étant entendu que dans cet article les mots " par les dispositions des articles 25bis à 25quinquies " sont remplacés par les mots " par les dispositions des articles 25bis à 25sexies ".
Art.298. In dezelfde wet wordt een nieuw artikel 25sexies ingevoegd, luidende :
" Art. 25sexies. - § 1. De werknemer die in het kader van een adoptie een kind in zijn gezin onthaalt, heeft, met het oog op de zorg voor dit kind, recht op een adoptieverlof gedurende een aaneengesloten periode van maximum zes weken, zo het kind bij het begin van dit verlof de leeftijd van drie jaar niet heeft bereikt, en maximum vier weken in de andere gevallen. Indien de werknemer ervoor kiest om niet het toegestane maximum aantal weken adoptieverlof op te nemen, dient het verlof ten minste een week of een veelvoud van een week te bedragen.
Om het recht op adoptieverlof te kunnen uitoefenen moet dit verlof een aanvang nemen binnen twee maanden volgend op de inschrijving van het kind als deel uitmakend van het gezin van de werknemer in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar hij zijn verblijfplaats heeft.
De maximumduur van het adoptieverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag.
De uitoefening van het recht op adoptieverlof neemt een einde op het moment waarop het kind de leeftijd van acht jaar bereikt tijdens de opname van het verlof.
§ 2. Tijdens het adoptieverlof geniet de werknemer een uitkering, waarvan het bedrag wordt bepaald door de Koning, en die de werknemer wordt uitbetaald in het raam van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
De Koning kan evenwel bepalen dat de werknemer voor een gedeelte van het adoptieverlof zijn recht op loon blijft behouden ten laste van de werkgever.
§ 3. De werknemer die gebruik wenst te maken van het recht op adoptieverlof dient zijn werkgever ten minste één maand vóór de opname van het verlof hiervan schriftelijk op de hoogte te brengen.
De kennisgeving gebeurt door middel van een aangetekend schrijven of door overhandiging van een geschrift, waarvan het duplicaat voor ontvangst wordt ondertekend door de werkgever. De kennisgeving dient de begin- en einddatum van het adoptieverlof te vermelden.
De werknemer dient uiterlijk op het ogenblik waarop het adoptieverlof ingaat, aan de werkgever de documenten te verstrekken ter staving van de gebeurtenis die het recht op adoptieverlof doet ontstaan.
§ 4. De werkgever mag geen handeling stellen die tot ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de arbeidsovereenkomst van de werknemer die gebruik maakt van zijn recht op adoptieverlof, gedurende een periode die ingaat twee maanden vóór de opname van dit verlof en eindigt één maand na het einde ervan, behalve om redenen die vreemd zijn aan de opname van het adoptieverlof.
De werkgever dient te bewijzen dat zulke redenen voorhanden zijn.
Zo de ingeroepen reden tot staving van het ontslag niet beantwoordt aan het bepaalde in het eerste lid of bij ontstentenis van reden, moet de werkgever aan de werknemer een forfaitaire vergoeding betalen gelijk aan het loon voor zes maanden, onverminderd de vergoedingen verschuldigd in geval van verbreking van de arbeidsovereenkomst.
Deze vergoeding mag evenwel niet worden samen genoten met andere vergoedingen die zijn bepaald in het kader van een bijzondere beschermingsprocedure tegen ontslag. ".
" Art. 25sexies. - § 1. De werknemer die in het kader van een adoptie een kind in zijn gezin onthaalt, heeft, met het oog op de zorg voor dit kind, recht op een adoptieverlof gedurende een aaneengesloten periode van maximum zes weken, zo het kind bij het begin van dit verlof de leeftijd van drie jaar niet heeft bereikt, en maximum vier weken in de andere gevallen. Indien de werknemer ervoor kiest om niet het toegestane maximum aantal weken adoptieverlof op te nemen, dient het verlof ten minste een week of een veelvoud van een week te bedragen.
Om het recht op adoptieverlof te kunnen uitoefenen moet dit verlof een aanvang nemen binnen twee maanden volgend op de inschrijving van het kind als deel uitmakend van het gezin van de werknemer in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar hij zijn verblijfplaats heeft.
De maximumduur van het adoptieverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste 4 punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag.
De uitoefening van het recht op adoptieverlof neemt een einde op het moment waarop het kind de leeftijd van acht jaar bereikt tijdens de opname van het verlof.
§ 2. Tijdens het adoptieverlof geniet de werknemer een uitkering, waarvan het bedrag wordt bepaald door de Koning, en die de werknemer wordt uitbetaald in het raam van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
De Koning kan evenwel bepalen dat de werknemer voor een gedeelte van het adoptieverlof zijn recht op loon blijft behouden ten laste van de werkgever.
§ 3. De werknemer die gebruik wenst te maken van het recht op adoptieverlof dient zijn werkgever ten minste één maand vóór de opname van het verlof hiervan schriftelijk op de hoogte te brengen.
De kennisgeving gebeurt door middel van een aangetekend schrijven of door overhandiging van een geschrift, waarvan het duplicaat voor ontvangst wordt ondertekend door de werkgever. De kennisgeving dient de begin- en einddatum van het adoptieverlof te vermelden.
De werknemer dient uiterlijk op het ogenblik waarop het adoptieverlof ingaat, aan de werkgever de documenten te verstrekken ter staving van de gebeurtenis die het recht op adoptieverlof doet ontstaan.
§ 4. De werkgever mag geen handeling stellen die tot ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de arbeidsovereenkomst van de werknemer die gebruik maakt van zijn recht op adoptieverlof, gedurende een periode die ingaat twee maanden vóór de opname van dit verlof en eindigt één maand na het einde ervan, behalve om redenen die vreemd zijn aan de opname van het adoptieverlof.
De werkgever dient te bewijzen dat zulke redenen voorhanden zijn.
Zo de ingeroepen reden tot staving van het ontslag niet beantwoordt aan het bepaalde in het eerste lid of bij ontstentenis van reden, moet de werkgever aan de werknemer een forfaitaire vergoeding betalen gelijk aan het loon voor zes maanden, onverminderd de vergoedingen verschuldigd in geval van verbreking van de arbeidsovereenkomst.
Deze vergoeding mag evenwel niet worden samen genoten met andere vergoedingen die zijn bepaald in het kader van een bijzondere beschermingsprocedure tegen ontslag. ".
Art.298. Dans la même loi, il est inséré un nouvel article 25sexies, rédigé comme suit :
" Art. 25sexies. - § 1er. Le travailleur qui, dans le cadre d'une adoption, accueille un enfant dans sa famille, a droit, pour prendre soin de cet enfant, à un congé d'adoption pendant une période ininterrompue de maximum 6 semaines si l'enfant n'a pas atteint l'âge de 3 ans au début du congé, et de maximum 4 semaines dans les autres cas. Dans le cas où le travailleur choisit de ne pas prendre le nombre maximal de semaines prévues dans le cadre du congé d'adoption, le congé doit être au moins d'une semaine ou d'un multiple d'une semaine.
Pour pouvoir exercer le droit au congé d'adoption ce congé doit prendre cours dans les deux mois qui suivent l'inscription de l'enfant comme faisant partie du ménage du travailleur dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers de sa commune de résidence.
La durée maximale du congé d'adoption est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales.
L'exercice du droit au congé d'adoption prend fin dès que l'enfant atteint l'âge de huit ans au cours du congé.
§ 2. Durant le congé d'adoption le travailleur bénéficie d'une indemnité dont le montant est déterminé par le Roi et qui lui est payée dans le cadre de l'assurance soins de santé et indemnités.
Le Roi peut également décider que le travailleur maintient, pour une partie du congé d'adoption, son droit à la rémunération à charge de l'employeur.
§ 3. Le travailleur qui souhaite faire usage du droit au conge d'adoption doit en avertir par écrit son employeur au moins un mois à l'avance.
La notification de l'avertissement se fait par lettre recommandée ou par la remise d'un écrit dont le double est signé par l'employeur au titre d'accusé de réception. L'avertissement mentionne la date de début et de fin du congé d'adoption.
Le travailleur fournit à l'employeur, au plus tard au moment où le congé d'adoption prend cours, les documents attestant l'évènement qui ouvre le droit au congé d'adoption.
§ 4. L'employeur ne peut faire un acte tendant à mettre fin unilatéralement au contrat de travail du travailleur qui a fait usage de son droit au congé d'adoption pendant une période qui commence deux mois avant la prise de cours de ce congé et qui finit un mois après la fin de celui-ci, sauf pour des motifs étrangers à la prise de ce congé d'adoption.
La charge de la preuve de ces motifs incombe à l'employeur.
Si le motif invoqué à l'appui du licenciement ne répond pas aux prescriptions de l'alinéa 1er ou à défaut de motif, l'employeur est tenu de payer une indemnité forfaitaire égale à la rémunération de six mois, sans préjudice des indemnités dues au travailleur en cas de rupture du contrat de travail.
Cette indemnité ne peut toutefois être cumulée avec les autres indemnités qui sont prévues en cas d'une procédure spécifique contre le licenciement. ".
" Art. 25sexies. - § 1er. Le travailleur qui, dans le cadre d'une adoption, accueille un enfant dans sa famille, a droit, pour prendre soin de cet enfant, à un congé d'adoption pendant une période ininterrompue de maximum 6 semaines si l'enfant n'a pas atteint l'âge de 3 ans au début du congé, et de maximum 4 semaines dans les autres cas. Dans le cas où le travailleur choisit de ne pas prendre le nombre maximal de semaines prévues dans le cadre du congé d'adoption, le congé doit être au moins d'une semaine ou d'un multiple d'une semaine.
Pour pouvoir exercer le droit au congé d'adoption ce congé doit prendre cours dans les deux mois qui suivent l'inscription de l'enfant comme faisant partie du ménage du travailleur dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers de sa commune de résidence.
La durée maximale du congé d'adoption est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins 4 points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales.
L'exercice du droit au congé d'adoption prend fin dès que l'enfant atteint l'âge de huit ans au cours du congé.
§ 2. Durant le congé d'adoption le travailleur bénéficie d'une indemnité dont le montant est déterminé par le Roi et qui lui est payée dans le cadre de l'assurance soins de santé et indemnités.
Le Roi peut également décider que le travailleur maintient, pour une partie du congé d'adoption, son droit à la rémunération à charge de l'employeur.
§ 3. Le travailleur qui souhaite faire usage du droit au conge d'adoption doit en avertir par écrit son employeur au moins un mois à l'avance.
La notification de l'avertissement se fait par lettre recommandée ou par la remise d'un écrit dont le double est signé par l'employeur au titre d'accusé de réception. L'avertissement mentionne la date de début et de fin du congé d'adoption.
Le travailleur fournit à l'employeur, au plus tard au moment où le congé d'adoption prend cours, les documents attestant l'évènement qui ouvre le droit au congé d'adoption.
§ 4. L'employeur ne peut faire un acte tendant à mettre fin unilatéralement au contrat de travail du travailleur qui a fait usage de son droit au congé d'adoption pendant une période qui commence deux mois avant la prise de cours de ce congé et qui finit un mois après la fin de celui-ci, sauf pour des motifs étrangers à la prise de ce congé d'adoption.
La charge de la preuve de ces motifs incombe à l'employeur.
Si le motif invoqué à l'appui du licenciement ne répond pas aux prescriptions de l'alinéa 1er ou à défaut de motif, l'employeur est tenu de payer une indemnité forfaitaire égale à la rémunération de six mois, sans préjudice des indemnités dues au travailleur en cas de rupture du contrat de travail.
Cette indemnité ne peut toutefois être cumulée avec les autres indemnités qui sont prévues en cas d'une procédure spécifique contre le licenciement. ".
Art.299. Het recht op adoptieverlof zoals geregeld in deze afdeling is slechts van toepassing voor zover de inschrijving van het kind als deel uitmakend van het gezin van de werknemer in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar hij zijn verblijfplaats heeft, heeft plaatsgevonden na de inwerkingtreding van deze wet.
Art.299. Le droit au congé d'adoption tel que réglé dans la présente section ne s'applique que pour autant que l'inscription de l'enfant comme faisant partie du ménage du travailleur dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers de sa commune de résidence ait eu lieu après l'entrée en vigueur de la présente loi.
HOOFDSTUK XIV. - Wijziging van het Gerechtelijk Wetboek.
CHAPITRE XIV. - Modification du Code judiciaire.
Art.300. In artikel 1410, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 12 mei 1971, 9 juli 1975, 14 januari 1993 en 24 maart 2000, wordt een 2°bis ingevoegd, luidend als volgt :
" 2°bis. het vakantiegeld en de aanvullende toeslag bij het vakantiegeld betaald krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers; ".
" 2°bis. het vakantiegeld en de aanvullende toeslag bij het vakantiegeld betaald krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers; ".
Art.300. A l'article 1410, § 1er, du Code judiciaire, modifié par les lois du 12 mai 1971, 9 juillet 1975, 14 janvier 1993 et 24 mars 2000, est inséré un 2°bis, rédigé comme suit :
" 2°bis. au pécule de vacances et au pécule complémentaire au pécule de vacances payés en vertu de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés; ".
" 2°bis. au pécule de vacances et au pécule complémentaire au pécule de vacances payés en vertu de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés; ".
TITEL XI. - Diverse bepalingen.
TITRE XI. - Dispositions diverses.
HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.
CHAPITRE Ier. - Modification de la loi du 24 décembre 1993 relative aux marchés publics et à certains marchés de travaux, de fournitures et des services.
Art.301. In artikel 2, eerste lid, van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, wordt het woord " telecommunicatie " vervangen door het woord " postdiensten ".
Art.301. Dans l'article 2, alinéa 1er, de la loi du 24 décembre 1993 relative aux marchés publics et a certains marchés de travaux, de fournitures et de services, le mot " télécommunications " est remplacé par les mots " des services postaux ".
Art.302. In Boek I, Titel II, van dezelfde wet, wordt een hoofdstuk IIbis ingevoegd, luidende :
" HOOFDSTUK IIbis. - De informatie
Art. 21bis. § 1. De aanbestedende overheid informeert onverwijld de niet geselecteerde kandidaten en de inschrijvers van wie de offerte als onregelmatig werd beschouwd of niet werd uitgekozen, nadat een beslissing werd genomen die op hen betrekking heeft. Deze bepaling geldt niet voor bepaalde opdrachten die bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking worden gegund, waarvan de Koning de lijst vaststelt.
De Koning legt de regels vast betreffende de verplichting om de kandidaten en inschrijvers de motivering van de beslissing mede te delen die op hen betrekking heeft. Hij kan uitzonderingen bepalen voor sommige opdrachten die bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking worden gegund.
§ 2. Wanneer de overheidsopdracht het geraamde bedrag bereikt, zoals bepaald door de Koning voor de Europese bekendmaking bij de aanvang van de procedure, deelt de aanbestedende overheid bij een ter post aangetekende brief samen met de informatie bepaald in § 1 mede :
1° aan elke niet geselecteerde kandidaat of inschrijver, de motieven voor zijn niet-selectie;
2° aan elke inschrijver van wie de offerte als niet regelmatig werd beschouwd, de motieven voor de verwerping;
3° aan elke inschrijver waarvan de offerte niet werd uitgekozen, de gemotiveerde toewijzingsbeslissing van de opdracht.
De aanbestedende overheid kent de kandidaten en inschrijvers een termijn toe die ze nader bepaalt en minstens tien dagen omvat vanaf de dag die volgt op de verzendingsdatum van de motivering, zodat zij eventueel beroep kunnen aantekenen bij een rechtscollege, wat uitsluitend mag gebeuren in het kader van, al naar het geval, een procedure in kort geding voor de justitiële rechter of, voor de Raad van State, via een uiterst dringende rechtspleging. Indien de aanbestedende overheid binnen de toegestane termijn geen schriftelijke kennisgeving in die zin ontvangt op het door haar vermelde adres, mag de procedure worden verdergezet.
De naleving van de bepalingen van deze paragraaf is niet vereist :
- in het kader van een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, als bedoeld in artikel 17, § 2, van de wet, wanneer het niet mogelijk is verschillende concurrenten te raadplegen en in geval van toepassing van artikel 17, § 2, 1°, b en c, van de wet;
- in het kader van opdrachten inzake landsverdediging, als bedoeld in artikel 296, § 1, b, van het Verdrag;
- in de behoorlijk gemotiveerde uitzonderingsgevallen, waarbij het om dringende redenen noodzakelijk is de ontvangsttermijn van de aanvragen tot deelneming in te korten tot minder dan twintig dagen en de ontvangsttermijn van de offertes tot minder dan vijftien dagen in het kader van een versnelde procedure, als bedoeld in § 1, tweede lid, van de artikelen 6, 32 en 58 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken.
§ 3. Bepaalde gegevens mogen evenwel niet worden medegedeeld indien de openbaarmaking ervan de toepassing van een wet zou belemmeren, in strijd zou zijn met het openbaar belang, nadelig zou zijn voor de rechtmatige commerciële belangen van overheidsbedrijven of particuliere ondernemingen of de eerlijke mededinging tussen de ondernemingen zou kunnen schaden. ".
" HOOFDSTUK IIbis. - De informatie
Art. 21bis. § 1. De aanbestedende overheid informeert onverwijld de niet geselecteerde kandidaten en de inschrijvers van wie de offerte als onregelmatig werd beschouwd of niet werd uitgekozen, nadat een beslissing werd genomen die op hen betrekking heeft. Deze bepaling geldt niet voor bepaalde opdrachten die bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking worden gegund, waarvan de Koning de lijst vaststelt.
De Koning legt de regels vast betreffende de verplichting om de kandidaten en inschrijvers de motivering van de beslissing mede te delen die op hen betrekking heeft. Hij kan uitzonderingen bepalen voor sommige opdrachten die bij onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking worden gegund.
§ 2. Wanneer de overheidsopdracht het geraamde bedrag bereikt, zoals bepaald door de Koning voor de Europese bekendmaking bij de aanvang van de procedure, deelt de aanbestedende overheid bij een ter post aangetekende brief samen met de informatie bepaald in § 1 mede :
1° aan elke niet geselecteerde kandidaat of inschrijver, de motieven voor zijn niet-selectie;
2° aan elke inschrijver van wie de offerte als niet regelmatig werd beschouwd, de motieven voor de verwerping;
3° aan elke inschrijver waarvan de offerte niet werd uitgekozen, de gemotiveerde toewijzingsbeslissing van de opdracht.
De aanbestedende overheid kent de kandidaten en inschrijvers een termijn toe die ze nader bepaalt en minstens tien dagen omvat vanaf de dag die volgt op de verzendingsdatum van de motivering, zodat zij eventueel beroep kunnen aantekenen bij een rechtscollege, wat uitsluitend mag gebeuren in het kader van, al naar het geval, een procedure in kort geding voor de justitiële rechter of, voor de Raad van State, via een uiterst dringende rechtspleging. Indien de aanbestedende overheid binnen de toegestane termijn geen schriftelijke kennisgeving in die zin ontvangt op het door haar vermelde adres, mag de procedure worden verdergezet.
De naleving van de bepalingen van deze paragraaf is niet vereist :
- in het kader van een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking, als bedoeld in artikel 17, § 2, van de wet, wanneer het niet mogelijk is verschillende concurrenten te raadplegen en in geval van toepassing van artikel 17, § 2, 1°, b en c, van de wet;
- in het kader van opdrachten inzake landsverdediging, als bedoeld in artikel 296, § 1, b, van het Verdrag;
- in de behoorlijk gemotiveerde uitzonderingsgevallen, waarbij het om dringende redenen noodzakelijk is de ontvangsttermijn van de aanvragen tot deelneming in te korten tot minder dan twintig dagen en de ontvangsttermijn van de offertes tot minder dan vijftien dagen in het kader van een versnelde procedure, als bedoeld in § 1, tweede lid, van de artikelen 6, 32 en 58 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken.
§ 3. Bepaalde gegevens mogen evenwel niet worden medegedeeld indien de openbaarmaking ervan de toepassing van een wet zou belemmeren, in strijd zou zijn met het openbaar belang, nadelig zou zijn voor de rechtmatige commerciële belangen van overheidsbedrijven of particuliere ondernemingen of de eerlijke mededinging tussen de ondernemingen zou kunnen schaden. ".
Art.302. Au Livre Ier, Titre II, de la même loi, il est inséré un chapitre IIbis, rédigé comme suit :
" CHAPITRE IIbis. - De l'information
Art. 21bis. - § 1er. Le pouvoir adjudicateur informe les candidats non sélectionnés et les soumissionnaires dont l'offre a été jugée irrégulière ou n'a pas été choisie dans les moindres délais après la prise de décision les concernant. Cette disposition n'est pas applicable pour certains marchés passés par procédure négociée sans publicité dont le Roi arrête la liste.
Le Roi fixe les règles relatives à la communication aux candidats et aux soumissionnaires des motifs de la décision qui les concernent. Il peut prévoir des exceptions pour certains marchés passés par procédure négociée sans publicité.
§ 2. Lorsque le marché public atteint le montant estimé fixé par le Roi pour la publicité européenne lors du lancement de la procédure, le pouvoir adjudicateur communique par lettre recommandée à la poste en même temps que l'information prévue au § 1er :
1° à tout candidat ou soumissionnaire non sélectionné, les motifs de sa non-sélection;
2° à tout soumissionnaire dont l'offre a été jugée irréguliere, les motifs de son éviction;
3° à tout soumissionnaire dont l'offre n'a pas été choisie, la décision motivée d'attribution du marché.
Le pouvoir adjudicateur accorde aux candidats et soumissionnaires un délai qu'il précise et qui doit être d'au moins dix jours à compter du lendemain du jour de l'envoi des motifs, afin de leur permettre d'introduire éventuellement un recours auprès d'une juridiction, et ce exclusivement selon le cas dans le cadre d'une procédure en référé devant le juge judiciaire ou, devant le Conseil d'Etat, par une procédure d'extrême urgence. En l'absence d'une information écrite au pouvoir adjudicateur en ce sens, parvenue dans le délai accordé à l'adresse qu'il a indiquée, la procédure peut être poursuivie.
Le respect des dispositions du présent paragraphe ne s'impose pas :
- dans les cas de procédure négociée sans publicité au sens de l'article 17, § 2, de la loi, lorsqu'il n'est pas possible de consulter plusieurs concurrents et en cas d'application de l'article 17, § 2, 1°, b et c, de la loi;
- dans le cas de marchés en matière de défense au sens de l'article 296, § 1er, b, du Traité;
- dans les cas exceptionnels et dument motivés où l'urgence impose une réduction du délai de réception des demandes de participation à moins de vingt jours et du délai de réception des offres à moins de quinze jours dans le cadre d'une procédure accélérée au sens du § 1er, alinéa 2, des articles 6, 32 et 58 de l'arrêté royal du 8 janvier 1996 relatif aux marchés publics de travaux, de fournitures et de services et aux concessions de travaux publics.
§ 3. Certains renseignements peuvent ne pas être communiqués lorsque leur divulgation ferait obstacle à l'application d'une loi, serait contraire à l'intérêt public, porterait préjudice aux intérêts commerciaux légitimes d'entreprises publiques ou privées ou pourrait nuire à une concurrence loyale entre entreprises. ".
" CHAPITRE IIbis. - De l'information
Art. 21bis. - § 1er. Le pouvoir adjudicateur informe les candidats non sélectionnés et les soumissionnaires dont l'offre a été jugée irrégulière ou n'a pas été choisie dans les moindres délais après la prise de décision les concernant. Cette disposition n'est pas applicable pour certains marchés passés par procédure négociée sans publicité dont le Roi arrête la liste.
Le Roi fixe les règles relatives à la communication aux candidats et aux soumissionnaires des motifs de la décision qui les concernent. Il peut prévoir des exceptions pour certains marchés passés par procédure négociée sans publicité.
§ 2. Lorsque le marché public atteint le montant estimé fixé par le Roi pour la publicité européenne lors du lancement de la procédure, le pouvoir adjudicateur communique par lettre recommandée à la poste en même temps que l'information prévue au § 1er :
1° à tout candidat ou soumissionnaire non sélectionné, les motifs de sa non-sélection;
2° à tout soumissionnaire dont l'offre a été jugée irréguliere, les motifs de son éviction;
3° à tout soumissionnaire dont l'offre n'a pas été choisie, la décision motivée d'attribution du marché.
Le pouvoir adjudicateur accorde aux candidats et soumissionnaires un délai qu'il précise et qui doit être d'au moins dix jours à compter du lendemain du jour de l'envoi des motifs, afin de leur permettre d'introduire éventuellement un recours auprès d'une juridiction, et ce exclusivement selon le cas dans le cadre d'une procédure en référé devant le juge judiciaire ou, devant le Conseil d'Etat, par une procédure d'extrême urgence. En l'absence d'une information écrite au pouvoir adjudicateur en ce sens, parvenue dans le délai accordé à l'adresse qu'il a indiquée, la procédure peut être poursuivie.
Le respect des dispositions du présent paragraphe ne s'impose pas :
- dans les cas de procédure négociée sans publicité au sens de l'article 17, § 2, de la loi, lorsqu'il n'est pas possible de consulter plusieurs concurrents et en cas d'application de l'article 17, § 2, 1°, b et c, de la loi;
- dans le cas de marchés en matière de défense au sens de l'article 296, § 1er, b, du Traité;
- dans les cas exceptionnels et dument motivés où l'urgence impose une réduction du délai de réception des demandes de participation à moins de vingt jours et du délai de réception des offres à moins de quinze jours dans le cadre d'une procédure accélérée au sens du § 1er, alinéa 2, des articles 6, 32 et 58 de l'arrêté royal du 8 janvier 1996 relatif aux marchés publics de travaux, de fournitures et de services et aux concessions de travaux publics.
§ 3. Certains renseignements peuvent ne pas être communiqués lorsque leur divulgation ferait obstacle à l'application d'une loi, serait contraire à l'intérêt public, porterait préjudice aux intérêts commerciaux légitimes d'entreprises publiques ou privées ou pourrait nuire à une concurrence loyale entre entreprises. ".
Art.303. In het opschrift van Boek I, Titel IV, van dezelfde wet, wordt het woord " telecommunicatie " vervangen door het woord " postdiensten ".
Art.303. Dans l'intitulé du Livre Ier, Titre IV, de la même loi, le mot " télécommunications " est remplace par les mots " services postaux ".
Art.304. In artikel 32, 1°, van dezelfde wet, worden de woorden " de netuitbating " vervangen door de woorden " de terbeschikkingstelling of de uitbating van netten ".
Art.304. Dans l'article 32, 1°, de la même loi, les mots " l'exploitation " sont remplacés par les mots " la mise à disposition ou l'exploitation ".
Art.305. In het opschrift van Boek I, Titel IV, Hoofdstuk I, Afdeling IV, van dezelfde wet, worden de woorden " telecommunicatie en specifieke uitsluitingen " vervangen door de woorden " van de postdiensten ".
Art.305. Dans l'intitulé du Livre Ier, Titre IV, Chapitre Ier, Section IV, de la même loi, les mots " télécommunications et exclusions spécifiques " sont remplacés par les mots " services postaux ".
Art.306. Artikel 34 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 34. - § 1. In de sector van de postdiensten zijn de bepalingen van deze titel van toepassing op de activiteiten met het oog op de levering van postdiensten of, overeenkomstig § 2, c), van andere diensten dan postdiensten.
§ 2. Men verstaat onder :
a) postzending : een geadresseerde zending in de definitieve vorm waarin zij moet worden verstuurd, ongeacht het gewicht. Naast brievenpost worden bijvoorbeeld als postzending aangemerkt : boeken, catalogi, kranten, tijdschriften en postpakketten die goederen met of zonder handelswaarde bevatten, ongeacht het gewicht;
b) postdiensten : diensten die bestaan in het ophalen, sorteren, vervoeren en bestellen van postzendingen. Deze diensten omvatten :
- de voorbehouden postdiensten : diensten die op basis van artikel 7 van richtlijn 97/67/EG zijn of kunnen worden voorbehouden;
- de andere postdiensten : diensten die niet kunnen worden voorbehouden op basis van artikel 7 van richtlijn 97/67/EG;
c) andere diensten dan de postdiensten : diensten die op de volgende gebieden worden geleverd :
- beheer van postdiensten (diensten die zowel vóór als na de zending worden geleverd, zoals mailroom management services ); en
- diensten met een meerwaarde die verband houden met elektronische post en die volledig langs elektronische weg plaatsvinden (met inbegrip van de beveiligde doorgifte van gecodeerde documenten langs elektronische weg, adresbeheersdiensten en doorzenden van geregistreerde elektronische post);
- diensten die geen betrekking hebben op de in punt a) bedoelde postdiensten, zoals niet-geadresseerde direct mail ;
- financiële diensten als gedefinieerd in categorie 6 van bijlage 2 van de wet, met inbegrip van met name postwissels en girale overschrijvingen;
- filateliediensten;
- logistieke diensten (diensten waarbij fysieke levering en/of opslag gecombineerd worden met niet-postale diensten),
op voorwaarde dat deze diensten worden geleverd door een dienst die ook postdiensten, als bedoeld in punt b), eerste of tweede streepje, verstrekt en dat ze niet rechtstreeks blootstaan aan mededinging op markten waarvan de toegang niet beperkt is. ".
" Art. 34. - § 1. In de sector van de postdiensten zijn de bepalingen van deze titel van toepassing op de activiteiten met het oog op de levering van postdiensten of, overeenkomstig § 2, c), van andere diensten dan postdiensten.
§ 2. Men verstaat onder :
a) postzending : een geadresseerde zending in de definitieve vorm waarin zij moet worden verstuurd, ongeacht het gewicht. Naast brievenpost worden bijvoorbeeld als postzending aangemerkt : boeken, catalogi, kranten, tijdschriften en postpakketten die goederen met of zonder handelswaarde bevatten, ongeacht het gewicht;
b) postdiensten : diensten die bestaan in het ophalen, sorteren, vervoeren en bestellen van postzendingen. Deze diensten omvatten :
- de voorbehouden postdiensten : diensten die op basis van artikel 7 van richtlijn 97/67/EG zijn of kunnen worden voorbehouden;
- de andere postdiensten : diensten die niet kunnen worden voorbehouden op basis van artikel 7 van richtlijn 97/67/EG;
c) andere diensten dan de postdiensten : diensten die op de volgende gebieden worden geleverd :
- beheer van postdiensten (diensten die zowel vóór als na de zending worden geleverd, zoals mailroom management services ); en
- diensten met een meerwaarde die verband houden met elektronische post en die volledig langs elektronische weg plaatsvinden (met inbegrip van de beveiligde doorgifte van gecodeerde documenten langs elektronische weg, adresbeheersdiensten en doorzenden van geregistreerde elektronische post);
- diensten die geen betrekking hebben op de in punt a) bedoelde postdiensten, zoals niet-geadresseerde direct mail ;
- financiële diensten als gedefinieerd in categorie 6 van bijlage 2 van de wet, met inbegrip van met name postwissels en girale overschrijvingen;
- filateliediensten;
- logistieke diensten (diensten waarbij fysieke levering en/of opslag gecombineerd worden met niet-postale diensten),
op voorwaarde dat deze diensten worden geleverd door een dienst die ook postdiensten, als bedoeld in punt b), eerste of tweede streepje, verstrekt en dat ze niet rechtstreeks blootstaan aan mededinging op markten waarvan de toegang niet beperkt is. ".
Art.306. L'article 34 de la même loi est remplace par la disposition suivante :
" Art. 34. - § 1er. Dans le secteur des services postaux sont soumises aux dispositions du présent titre les activités visant à fournir des services postaux ou, dans les conditions visées au § 2, c), d'autres services que les services postaux.
§ 2. On entend par :
a) envoi postal : un envoi portant une adresse sous la forme définitive dans laquelle il doit être acheminé, quel que soit son poids. Il s'agit par exemple, outre les envois de correspondance, de livres, de catalogues, de journaux, de périodiques et de colis postaux contenant des marchandises avec ou sans valeur commerciale, quel que soit leur poids;
b) services postaux : des services consistant en la levée, le tri, l'acheminement et la distribution d'envois postaux. Ces services comprennent :
- les services postaux réservés : des services qui sont réservés ou peuvent l'être sur la base de l'article 7 de la directive 97/67/CE;
- les autres services postaux : des services qui ne peuvent être réservés sur la base de l'article 7 de la directive 97/67/CE;
c) services autres que les services postaux : des services fournis dans les domaines suivants :
- les services de gestion de services courrier (aussi bien les services précédant l'envoi que ceux postérieurs à l'envoi, tels que les mailroom management services ); et
- les services à valeur ajoutée liés au courrier électronique et effectués entièrement par voie électronique (y inclus la transmission sécurisée de documents codés par voie électronique, les services de gestion des adresses et la transmission de courrier électronique recommandé);
- les services concernant des envois non compris au point a) tels que le publipostage ne portant pas d'adresse;
- les services financiers tels qu'ils sont définis dans la catégorie 6 de l'annexe 2 de la loi, y compris notamment les virements postaux et les transferts à partir de comptes courants postaux;
- les services de philatélie;
- les services logistiques (services associant la remise physique et/ou le dépôt à d'autres fonctions autres que postales)
pourvu que ces services soient fournis par une entité fournissant également des services postaux au sens du point b), premier ou second tirets et que ces derniers ne soient pas directement exposés à la concurrence sur des marchés dont l'accès n'est pas limité. ".
" Art. 34. - § 1er. Dans le secteur des services postaux sont soumises aux dispositions du présent titre les activités visant à fournir des services postaux ou, dans les conditions visées au § 2, c), d'autres services que les services postaux.
§ 2. On entend par :
a) envoi postal : un envoi portant une adresse sous la forme définitive dans laquelle il doit être acheminé, quel que soit son poids. Il s'agit par exemple, outre les envois de correspondance, de livres, de catalogues, de journaux, de périodiques et de colis postaux contenant des marchandises avec ou sans valeur commerciale, quel que soit leur poids;
b) services postaux : des services consistant en la levée, le tri, l'acheminement et la distribution d'envois postaux. Ces services comprennent :
- les services postaux réservés : des services qui sont réservés ou peuvent l'être sur la base de l'article 7 de la directive 97/67/CE;
- les autres services postaux : des services qui ne peuvent être réservés sur la base de l'article 7 de la directive 97/67/CE;
c) services autres que les services postaux : des services fournis dans les domaines suivants :
- les services de gestion de services courrier (aussi bien les services précédant l'envoi que ceux postérieurs à l'envoi, tels que les mailroom management services ); et
- les services à valeur ajoutée liés au courrier électronique et effectués entièrement par voie électronique (y inclus la transmission sécurisée de documents codés par voie électronique, les services de gestion des adresses et la transmission de courrier électronique recommandé);
- les services concernant des envois non compris au point a) tels que le publipostage ne portant pas d'adresse;
- les services financiers tels qu'ils sont définis dans la catégorie 6 de l'annexe 2 de la loi, y compris notamment les virements postaux et les transferts à partir de comptes courants postaux;
- les services de philatélie;
- les services logistiques (services associant la remise physique et/ou le dépôt à d'autres fonctions autres que postales)
pourvu que ces services soient fournis par une entité fournissant également des services postaux au sens du point b), premier ou second tirets et que ces derniers ne soient pas directement exposés à la concurrence sur des marchés dont l'accès n'est pas limité. ".
Art.307. Artikel 35 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art.307. L'article 35 de la même loi est abrogé.
Art.308. In artikel 41 van dezelfde wet, worden de woorden " 21bis, §§ 1 en 3, " ingevoegd tussen de woorden " 19, " en " 22 ".
Art.308. Dans l'article 41 de la même loi, les mots " 21bis, §§ 1er et 3, " sont insérés entre les mots " 19, " et " 22 ".
Art.309. In artikel 41ter van dezelfde wet, wordt een § 1bis ingevoegd tussen §§ 1 en 2, luidende :
" § 1bis. De bepalingen van dit artikel zijn eveneens van toepassing op de opdrachten met een waarde die lager is dan het door de Koning bepaalde bedrag voor de Europese bekendmaking bij de aanvang van de procedure. ".
" § 1bis. De bepalingen van dit artikel zijn eveneens van toepassing op de opdrachten met een waarde die lager is dan het door de Koning bepaalde bedrag voor de Europese bekendmaking bij de aanvang van de procedure. ".
Art.309. Dans l'article 41ter de la même loi, un § 1erbis est inséré entre les §§ 1er et 2, rédigé comme suit :
" § 1erbis. Les dispositions du présent article s'appliquent également aux marchés publics n'atteignant pas le montant fixé par le Roi pour la publicité européenne lors du lancement de la procédure. ".
" § 1erbis. Les dispositions du présent article s'appliquent également aux marchés publics n'atteignant pas le montant fixé par le Roi pour la publicité européenne lors du lancement de la procédure. ".
Art.310. In het opschrift van Boek II van dezelfde wet, wordt het woord " telecommunicatie " vervangen door het woord " postdiensten ".
Art.310. Dans l'intitulé du Livre II de la même loi, le mot " télécommunications " est remplacé par les mots " services postaux ".
Art.311. In artikel 53, 1°, van dezelfde wet, worden de woorden " de netuitbating " vervangen door de woorden " de terbeschikkingstelling of de uitbating van netten ".
Art.311. Dans l'article 53, 1°, de la même loi, les mots " l'exploitation " sont remplacés par les mots " la mise à disposition ou l'exploitation ".
Art.312. In het opschrift van Boek II, Titel I, Hoofdstuk I, Afdeling IV, van dezelfde wet, worden de woorden " telecommunicatie en specifieke uitsluitingen " vervangen door het woord " postdiensten ".
Art.312. Dans l'intitulé du Livre II, Titre Ier, Chapitre Ier, Section IV, de la même loi, les mots " télécommunications et exclusions spécifiques " sont remplacés par les mots " services postaux ".
Art.313. Artikel 55 van dezelfde wet, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 55. - § 1. In de sector van de postdiensten zijn de bepalingen van deze titel van toepassing op de activiteiten met het oog op de levering van postdiensten of, overeenkomstig § 2, c), van andere diensten dan postdiensten.
§ 2. Men verstaat onder :
a) postzending : een geadresseerde zending in de definitieve vorm waarin zij moet worden verstuurd, ongeacht het gewicht. Naast brievenpost worden bijvoorbeeld als postzending aangemerkt : boeken, catalogi, kranten, tijdschriften en postpakketten die goederen met of zonder handelswaarde bevatten, ongeacht het gewicht.
b) postdiensten : diensten die bestaan in het ophalen, sorteren, vervoeren en bestellen van postzendingen. Deze diensten omvatten :
- de voorbehouden postdiensten : diensten die op basis van artikel 7 van richtlijn 97/67/EG zijn of kunnen worden voorbehouden;
- de andere postdiensten : diensten die niet kunnen worden voorbehouden op basis van artikel 7 van richtlijn 97/67/EG;
c) andere diensten dan de postdiensten : diensten die op de volgende gebieden worden geleverd :
- beheer van postdiensten (diensten die zowel vóór als na de zending worden geleverd, zoals mailroom management services ); en
- diensten met een meerwaarde die verband houden met elektronische post en die volledig langs elektronische weg plaatsvinden (met inbegrip van de beveiligde doorgifte van gecodeerde documenten langs elektronische weg, adresbeheersdiensten en doorzenden van geregistreerde elektronische post);
- diensten die geen betrekking hebben op de in punt a) bedoelde postdiensten, zoals niet-geadresseerde direct mail ;
- financiële diensten als gedefinieerd in categorie 6 van bijlage 2 van de wet, met inbegrip van met name postwissels en girale overschrijvingen;
- filateliediensten;
- logistieke diensten (diensten waarbij fysieke levering en/of opslag gecombineerd worden met niet-postale diensten)
op voorwaarde dat deze diensten worden geleverd door een dienst die ook postdiensten, als bedoeld in punt b), eerste of tweede streepje, verstrekt en dat ze niet rechtstreeks blootstaan aan mededinging op markten waarvan de toegang niet beperkt is. ".
" Art. 55. - § 1. In de sector van de postdiensten zijn de bepalingen van deze titel van toepassing op de activiteiten met het oog op de levering van postdiensten of, overeenkomstig § 2, c), van andere diensten dan postdiensten.
§ 2. Men verstaat onder :
a) postzending : een geadresseerde zending in de definitieve vorm waarin zij moet worden verstuurd, ongeacht het gewicht. Naast brievenpost worden bijvoorbeeld als postzending aangemerkt : boeken, catalogi, kranten, tijdschriften en postpakketten die goederen met of zonder handelswaarde bevatten, ongeacht het gewicht.
b) postdiensten : diensten die bestaan in het ophalen, sorteren, vervoeren en bestellen van postzendingen. Deze diensten omvatten :
- de voorbehouden postdiensten : diensten die op basis van artikel 7 van richtlijn 97/67/EG zijn of kunnen worden voorbehouden;
- de andere postdiensten : diensten die niet kunnen worden voorbehouden op basis van artikel 7 van richtlijn 97/67/EG;
c) andere diensten dan de postdiensten : diensten die op de volgende gebieden worden geleverd :
- beheer van postdiensten (diensten die zowel vóór als na de zending worden geleverd, zoals mailroom management services ); en
- diensten met een meerwaarde die verband houden met elektronische post en die volledig langs elektronische weg plaatsvinden (met inbegrip van de beveiligde doorgifte van gecodeerde documenten langs elektronische weg, adresbeheersdiensten en doorzenden van geregistreerde elektronische post);
- diensten die geen betrekking hebben op de in punt a) bedoelde postdiensten, zoals niet-geadresseerde direct mail ;
- financiële diensten als gedefinieerd in categorie 6 van bijlage 2 van de wet, met inbegrip van met name postwissels en girale overschrijvingen;
- filateliediensten;
- logistieke diensten (diensten waarbij fysieke levering en/of opslag gecombineerd worden met niet-postale diensten)
op voorwaarde dat deze diensten worden geleverd door een dienst die ook postdiensten, als bedoeld in punt b), eerste of tweede streepje, verstrekt en dat ze niet rechtstreeks blootstaan aan mededinging op markten waarvan de toegang niet beperkt is. ".
Art.313. L'article 55 de la même loi, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 55. - § 1er. Dans le secteur des services postaux sont soumises aux dispositions du présent titre les activités visant à fournir des services postaux ou, dans les conditions visées au § 2, c), d'autres services que les services postaux.
§ 2. On entend par :
a) envoi postal : un envoi portant une adresse sous la forme définitive dans laquelle il doit être acheminé, quel que soit son poids. Il s'agit par exemple, outre les envois de correspondance, de livres, de catalogues, de journaux, de périodiques et de colis postaux contenant des marchandises avec ou sans valeur commerciale, quel que soit leur poids.
b) services postaux : des services consistant en la levée, le tri, l'acheminement et la distribution d'envois postaux. Ces services comprennent :
- les services postaux réservés : des services qui sont réserves ou peuvent l'être sur la base de l'article 7 de la directive 97/67/CE;
- les autres services postaux : des services qui ne peuvent être réservés sur la base de l'article 7 de la directive 97/67/CE;
c) services autres que les services postaux : des services fournis dans les domaines suivants :
- les services de gestion de services courrier (aussi bien les services précédant l'envoi que ceux postérieurs à l'envoi, tels que les mailroom management services ); et
- les services à valeur ajoutée liés au courrier électronique et effectués entièrement par voie électronique (y inclus la transmission sécurisée de documents codés par voie électronique, les services de gestion des adresses et la transmission de courrier électronique recommandé);
- les services concernant des envois non compris au point a) tels que le publipostage ne portant pas d'adresse;
- les services financiers tels qu'ils sont définis dans la catégorie 6 de l'annexe 2 de la loi, y compris notamment les virements postaux et les transferts à partir de comptes courants postaux;
- les services de philatélie;
- les services logistiques (services associant la remise physique et/ou le dépôt à d'autres fonctions autres que postales)
pourvu que ces services soient fournis par une entité fournissant également des services postaux au sens du point b), premier ou second tiret, et que ces derniers ne soient pas directement exposés à la concurrence, sur des marchés dont l'accès n'est pas limité. ".
" Art. 55. - § 1er. Dans le secteur des services postaux sont soumises aux dispositions du présent titre les activités visant à fournir des services postaux ou, dans les conditions visées au § 2, c), d'autres services que les services postaux.
§ 2. On entend par :
a) envoi postal : un envoi portant une adresse sous la forme définitive dans laquelle il doit être acheminé, quel que soit son poids. Il s'agit par exemple, outre les envois de correspondance, de livres, de catalogues, de journaux, de périodiques et de colis postaux contenant des marchandises avec ou sans valeur commerciale, quel que soit leur poids.
b) services postaux : des services consistant en la levée, le tri, l'acheminement et la distribution d'envois postaux. Ces services comprennent :
- les services postaux réservés : des services qui sont réserves ou peuvent l'être sur la base de l'article 7 de la directive 97/67/CE;
- les autres services postaux : des services qui ne peuvent être réservés sur la base de l'article 7 de la directive 97/67/CE;
c) services autres que les services postaux : des services fournis dans les domaines suivants :
- les services de gestion de services courrier (aussi bien les services précédant l'envoi que ceux postérieurs à l'envoi, tels que les mailroom management services ); et
- les services à valeur ajoutée liés au courrier électronique et effectués entièrement par voie électronique (y inclus la transmission sécurisée de documents codés par voie électronique, les services de gestion des adresses et la transmission de courrier électronique recommandé);
- les services concernant des envois non compris au point a) tels que le publipostage ne portant pas d'adresse;
- les services financiers tels qu'ils sont définis dans la catégorie 6 de l'annexe 2 de la loi, y compris notamment les virements postaux et les transferts à partir de comptes courants postaux;
- les services de philatélie;
- les services logistiques (services associant la remise physique et/ou le dépôt à d'autres fonctions autres que postales)
pourvu que ces services soient fournis par une entité fournissant également des services postaux au sens du point b), premier ou second tiret, et que ces derniers ne soient pas directement exposés à la concurrence, sur des marchés dont l'accès n'est pas limité. ".
Art.314. Artikel 56 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art.314. L'article 56 de la même loi est abrogé.
Art.315. In artikel 58, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden " de artikelen 56 en " vervangen door het woord " artikel ".
Art.315. Dans l'article 58, alinéa 1er, de la même loi, les mots " aux articles 56 et " sont remplacés par les mots " à l'article ".
Art.316. In de artikelen 50 en 79 alsook in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, worden de woorden " de Post " geschrapt.
Art.316. Dans les articles 50 et 79 ainsi que dans l'annexe 1 de l'arrêté royal du 8 janvier 1996 relatif aux marchés publics de travaux, de fournitures et de services et aux concessions de travaux publics, les mots " de la Poste " et " La Poste " sont supprimés.
Art.317. Dit hoofdstuk treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met de uitzondering van de artikelen 304 en 311 die in werking treden op 1 september 2004.
De overheidsopdrachten gepubliceerd, naargelang van het geval, vóór een van deze data of waarvoor, bij ontstentenis van een bekendmaking van aankondiging, vóór een van deze data uitgenodigd wordt om een offerte in te dienen of zich kandidaat te stellen, blijven onderworpen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die gelden op het ogenblik van de aankondiging of van de uitnodiging.
De overheidsopdrachten gepubliceerd, naargelang van het geval, vóór een van deze data of waarvoor, bij ontstentenis van een bekendmaking van aankondiging, vóór een van deze data uitgenodigd wordt om een offerte in te dienen of zich kandidaat te stellen, blijven onderworpen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die gelden op het ogenblik van de aankondiging of van de uitnodiging.
Art.317. Le présent chapitre vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge, à l'exception des articles 304 et 311 qui entrent en vigueur le 1er septembre 2004.
Les marchés publics publiés, selon le cas, avant une de ces dates ou pour lesquels, à défaut de publication d'un avis, l'invitation à remettre offre ou à présenter une candidature est lancée avant une de ces dates, demeurent soumis aux dispositions législatives et réglementaires en vigueur au moment de l'avis ou de l'invitation.
Les marchés publics publiés, selon le cas, avant une de ces dates ou pour lesquels, à défaut de publication d'un avis, l'invitation à remettre offre ou à présenter une candidature est lancée avant une de ces dates, demeurent soumis aux dispositions législatives et réglementaires en vigueur au moment de l'avis ou de l'invitation.
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945.
CHAPITRE II. - Modification de la loi du 20 décembre 2001 relative au dédommagement des membres de la Communauté juive de Belgique pour les biens dont ils ont été spoliés ou qu'ils ont délaissés pendant la guerre 1940-1945.
Art.318. In artikel 14, tweede lid, van de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, worden de woorden " In het jaar volgend op " vervangen door de woorden " Binnen de twee jaar volgend op het jaar van ".
Art.318. Dans l'article 14, alinéa 2, de la loi du 20 décembre 2001 relative au dédommagement des membres de la Communauté juive de Belgique pour les biens dont ils ont été spoliés ou qu'ils ont délaissés pendant la guerre 1940-1945, les mots " l'année qui suit " sont remplacés par les mots " les deux années qui suivent l'année de ".
HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wet van 8 mei 2003 betreffende de uitvoering van een wetenschappelijk onderzoek naar de vervolging en de deportatie van de joden in België tijdens de Tweede Wereldoorlog.
CHAPITRE III. - Modification de la loi du 8 mai 2003 relative à la réalisation d'une étude scientifique sur les persécutions et la déportation des juifs en Belgique pendant la Seconde Guerre mondiale.
Art. 319. In artikel 3 van de wet van 8 mei 2003 betreffende de uitvoering van een wetenschappelijk onderzoek naar de vervolging en de deportatie van de joden in België tijdens de Tweede Wereldoorlog, worden de woorden " Twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet " vervangen door de woorden " Uiterlijk op 31 augustus 2006 ".
Art. 319. Dans l'article 3 de la loi du 8 mai 2003 relative à la réalisation d'une étude scientifique sur les persécutions et la déportation des juifs en Belgique pendant la Seconde Guerre mondiale, les mots " deux ans après l'entrée en vigueur de la présente loi " sont remplacés par les mots " au plus tard le 31 août 2006 ".