Artikel 1. In artikel 16, § 1, van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 21 juni 1962, 30 november 1966, 15 maart 1967, 24 maart 1967, 22 januari 1970, 1 juni 1970, 20 juli 1970, 29 oktober 1971, 9 december 1971, 18 februari 1974, 15 januari 1975, 10 juni 1976, 9 juli 1976, 8 maart 1979, 14 oktober 1985 en bij de besluiten van de Vlaamse regering van 24 juli 1991, 19 december 1991, 25 januari 1995, 7 september 2001 en 19 juli 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in A, s) worden de woorden " vanaf 1 september 2000 " en de zin " Deze diensten komen in aanmerking voor zover ze niet worden meegerekend voor het bepalen van de geldelijke anciënniteit in het kader van het koninklijk besluit van 10 maart 1965 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der leergangen met beperkt leerplan afhangend van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur. " geschrapt;
  2° aan A, s) wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " Deze bepalingen gelden niet voor de vaststelling van de geldelijke anciënniteit van de personeelsleden, bedoeld in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap. ";
  3° in B worden in het opschrift de woorden " Met beperking tot 10 jaar : " vervangen door de woorden " Eveneens onbeperkt : ";
  4° in B, a), eerste lid, worden tussen de woorden " geïnspecteerde of gesubsidieerde school " en de woorden " alsook de werkelijke diensten " de woorden ", of in een Belgische universiteit of in een krachtens de wet op het toekennen van de academische graden ermee gelijkgestelde inrichting, mits er behoord te hebben tot het onderwijzend of wetenschappelijk personeel, " ingevoegd;
  5° in B, a) eerste lid, worden de woorden " vanaf 1 september 2000 " en de zinsnede " en voor zover ze niet worden meegerekend voor het bepalen van de geldelijke anciënniteit in het kader van het koninklijk besluit van 10 maart 1965 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der leergangen met beperkt leerplan afhangend van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur " geschrapt;
  6° in B, a) worden het tweede en het derde lid opgeheven.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
26 SEPTEMBER 2003. - Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van sommige aspecten van de regelgeving betreffende de bezoldiging van sommige personeelsleden in het onderwijs.
Titre
26 SEPTEMBRE 2003. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand modifiant certains aspects du statut pĂ©cuniaire de certains membres du personnel dans l'enseignement (TRADUCTION).
Documentinformatie
Info du document
Tekst (8)
Texte (8)
Article 1. A l'article 16, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 15 avril 1958 portant statut pĂ©cuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilĂ© du MinistĂšre de l'Instruction publique, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 21 juin 1962, 30 novembre 1966, 15 mars 1967, 24 mars 1967, 22 janvier 1970, 1er juin 1970, 20 juillet 1970, 29 octobre 1971, 9 dĂ©cembre 1971, 18 fĂ©vrier 1974, 15 janvier 1975, 10 juin 1976, 9 juillet 1976, 8 mars 1979, 14 octobre 1985 et par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 24 juillet 1991, 19 dĂ©cembre 1991, 25 janvier 1995, 7 septembre 2001 et 19 juillet 2002, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° au littera A, s), les mots " Ă compter du 1er septembre 2000 " et la phrase " Ces services sont admissibles pour autant qu'ils ne sont pas valorisĂ©s pour le calcul de l'anciennetĂ© pĂ©cuniaire dans le cadre de l'arrĂȘtĂ© royal du 10 mars 1965 portant statut pĂ©cuniaire du personnel des cours Ă horaire rĂ©duit relevant du MinistĂšre de l'Education nationale et de la Culture. " sont supprimĂ©s;
  2° au littera A, s), il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
  " Ces dispositions ne s'appliquent pas pour la fixation de l'ancienneté pécuniaire des membres du personnel visés au décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande. ";
  3° au littera B, les mots formant l'intitulé " Avec une limitation de dix ans : " sont remplacés par les mots " Egalement sans limitation ";
  4° au littera B, a), premier alinéa, les mots " ou auprÚs d'une université belge ou d'un établissement assimilé en vertu de la loi sur la collation des grades académiques, à condition d'y avoir fait partie du personnel enseignant ou scientifique " sont insérés entre les mots " une école inspectée ou subventionnée par l'Etat " et les mots " ainsi que les services effectifs ";
  5° au littera B, a), premier alinĂ©a, les mots " Ă partir du 1er septembre 2000 " et la phrase " et pour autant qu'ils ne sont pas valorisĂ©s pour le calcul de l'anciennetĂ© pĂ©cuniaire dans le cadre de l'arrĂȘtĂ© royal du 10 mars 1965 portant statut pĂ©cuniaire du personnel des cours Ă horaire rĂ©duit relevant du MinistĂšre de l'Education nationale et de la Culture " sont supprimĂ©s;
  6° au littera B, a), les deuxiÚme et troisiÚme alinéas sont supprimés.
  1° au littera A, s), les mots " Ă compter du 1er septembre 2000 " et la phrase " Ces services sont admissibles pour autant qu'ils ne sont pas valorisĂ©s pour le calcul de l'anciennetĂ© pĂ©cuniaire dans le cadre de l'arrĂȘtĂ© royal du 10 mars 1965 portant statut pĂ©cuniaire du personnel des cours Ă horaire rĂ©duit relevant du MinistĂšre de l'Education nationale et de la Culture. " sont supprimĂ©s;
  2° au littera A, s), il est ajouté un alinéa deux, rédigé comme suit :
  " Ces dispositions ne s'appliquent pas pour la fixation de l'ancienneté pécuniaire des membres du personnel visés au décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande. ";
  3° au littera B, les mots formant l'intitulé " Avec une limitation de dix ans : " sont remplacés par les mots " Egalement sans limitation ";
  4° au littera B, a), premier alinéa, les mots " ou auprÚs d'une université belge ou d'un établissement assimilé en vertu de la loi sur la collation des grades académiques, à condition d'y avoir fait partie du personnel enseignant ou scientifique " sont insérés entre les mots " une école inspectée ou subventionnée par l'Etat " et les mots " ainsi que les services effectifs ";
  5° au littera B, a), premier alinĂ©a, les mots " Ă partir du 1er septembre 2000 " et la phrase " et pour autant qu'ils ne sont pas valorisĂ©s pour le calcul de l'anciennetĂ© pĂ©cuniaire dans le cadre de l'arrĂȘtĂ© royal du 10 mars 1965 portant statut pĂ©cuniaire du personnel des cours Ă horaire rĂ©duit relevant du MinistĂšre de l'Education nationale et de la Culture " sont supprimĂ©s;
  6° au littera B, a), les deuxiÚme et troisiÚme alinéas sont supprimés.
Art. 2. Artikel 18 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 maart 1965, 15 maart 1967, 22 januari 1970, 1 juni 1970, 9 december 1971, bij de wet van 8 februari 1974, bij de koninklijke besluiten van 10 juni 1976, 18 april 1977, 20 juli 1982, bij de besluiten van de Vlaamse regering van 19 december 1991, 22 juli 1993 en 19 juli 2002, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 18. § 1. In afwijking van artikel 16 en 17 worden nooit de diensten meegeteld die het personeelslid heeft verstrekt :
  1° als titularis van een bijbetrekking;
  2° a) vóór het schooljaar 1982-1983, als titularis van een ambt waarvan de brutobezoldiging minder bedroeg dan die welke hetzelfde personeelslid genoot uit hoofde van elke andere bezigheid of wegens het genot van een pensioen ten laste van de Openbare Schatkist;
  b) vanaf het schooljaar 1982-1983, als titularis van een ambt waarvan de brutobezoldiging die het personeelslid verkregen zou hebben, als het zijn ambt met volledige prestaties had uitgeoefend, maar berekend op het minimum van de salarisschaal, gelijk is aan of lager is dan die welke hetzelfde personeelslid genoot uit hoofde van elke andere bezigheid of wegens het genot van een pensioen ten laste van de Openbare Schatkist;
  3° als titularis van een ambt, uitgeoefend aan een school of instelling voor sociale promotie of met beperkt leerplan.
  Voorzover ze niet meer worden verstrekt, komen de werkelijke diensten niettemin in aanmerking die het personeelslid heeft verstrekt in een door de Staat georganiseerde of gesubsidieerde leergang met beperkt leerplan, of in een door de Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde leergang met beperkt leerplan, als titularis van een bezoldigd ambt dat beschouwd zou zijn geworden als "hoofdambt" krachtens artikel 5 van dit besluit, als het uitgeoefend was geweest in het onderwijs met volledig leerplan.
  Als de in het vorige lid bedoelde diensten verstrekt werden in een ambt met onvolledige prestaties, worden ze slechts in aanmerking genomen voor hun betrekkelijke duur. Die betrekkelijke duur wordt bepaald door een breuk, die tot teller heeft de werkelijke duur van de diensten, uitgedrukt in wekelijkse lesuren over het jaar, en tot noemer het minimumaantal lesuren dat voor dit ambt is vastgesteld.
  Als de in de voorgaande leden bedoelde diensten verstrekt werden in een leergang met beperkt leerplan die niet gedurende veertig weken was opengesteld, wordt de duur of, in voorkomend geval, de betrekkelijke duur van die diensten verminderd. Wanneer de lessen een normale duur hebben, bedraagt de vermindering :
  a) 10 procent als de leergang of de afdeling van de leergang gedurende 36 tot 39 weken was opengesteld;
  b) 20 procent als de leergang of de afdeling van de leergang gedurende 32 tot 35 weken was opengesteld;
  c) 30 procent als de leergang of de afdeling van de leergang gedurende 28 tot 31 weken was opengesteld;
  d) 40 procent als de leergang of de afdeling van de leergang gedurende 24 tot 27 weken was opengesteld;
  e) 50 procent als de leergang of de afdeling van de leergang minder dan 24 weken was opengesteld.
  Het aantal weken dat in aanmerking moet worden genomen om het percentage van de bovenbedoelde vermindering te bepalen wanneer de lessen geen normale duur hebben, wordt vastgesteld door middel van de volgende formule : werkelijk aantal weken gedurende welke de leergang of de afdeling van de leergang was opengesteld, vermenigvuldigd met de duur van de lessen in minuten, gedeeld door vijftig;
  4° in de periodes, bedoeld in littera j, k, l, n, o, p van artikel 16 :
  a) wanneer die perioden reeds in aanmerking zijn genomen voor de vaststelling van de wedde van het personeelslid;
  b) wanneer het personeelslid in de periode vóór 1 september 1955 niet ten minste één maand dienst heeft die op grond van zijn bezoldigingsregeling in aanmerking komt voor de vaststelling van zijn salaris in de schaal die hem toegekend is;
  5° in een niet-uitsluitend ambt als de diensten als bijbetrekking beschouwd geweest zouden zijn, gesteld dat het begrip "niet-uitsluitend ambt" niet had bestaan.
  § 2. De bepalingen van § 1, 3°, treden in werking op 1 september 2000 voor de vaststelling van de geldelijke anciënniteit van :
  1° de personeelsleden, bedoeld in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;
  2° de niet onder 1° bedoelde personeelsleden voor wie deze bezoldigingsregeling geldt, uitsluitend voor het in aanmerking nemen van de diensten die vóór 1 september 2000 werden gepresteerd. Voor deze personeelsleden houden de bepalingen van § 1, 3°, op van kracht te zijn op 31 augustus 2002. "
  " Art. 18. § 1. In afwijking van artikel 16 en 17 worden nooit de diensten meegeteld die het personeelslid heeft verstrekt :
  1° als titularis van een bijbetrekking;
  2° a) vóór het schooljaar 1982-1983, als titularis van een ambt waarvan de brutobezoldiging minder bedroeg dan die welke hetzelfde personeelslid genoot uit hoofde van elke andere bezigheid of wegens het genot van een pensioen ten laste van de Openbare Schatkist;
  b) vanaf het schooljaar 1982-1983, als titularis van een ambt waarvan de brutobezoldiging die het personeelslid verkregen zou hebben, als het zijn ambt met volledige prestaties had uitgeoefend, maar berekend op het minimum van de salarisschaal, gelijk is aan of lager is dan die welke hetzelfde personeelslid genoot uit hoofde van elke andere bezigheid of wegens het genot van een pensioen ten laste van de Openbare Schatkist;
  3° als titularis van een ambt, uitgeoefend aan een school of instelling voor sociale promotie of met beperkt leerplan.
  Voorzover ze niet meer worden verstrekt, komen de werkelijke diensten niettemin in aanmerking die het personeelslid heeft verstrekt in een door de Staat georganiseerde of gesubsidieerde leergang met beperkt leerplan, of in een door de Gemeenschap gefinancierde of gesubsidieerde leergang met beperkt leerplan, als titularis van een bezoldigd ambt dat beschouwd zou zijn geworden als "hoofdambt" krachtens artikel 5 van dit besluit, als het uitgeoefend was geweest in het onderwijs met volledig leerplan.
  Als de in het vorige lid bedoelde diensten verstrekt werden in een ambt met onvolledige prestaties, worden ze slechts in aanmerking genomen voor hun betrekkelijke duur. Die betrekkelijke duur wordt bepaald door een breuk, die tot teller heeft de werkelijke duur van de diensten, uitgedrukt in wekelijkse lesuren over het jaar, en tot noemer het minimumaantal lesuren dat voor dit ambt is vastgesteld.
  Als de in de voorgaande leden bedoelde diensten verstrekt werden in een leergang met beperkt leerplan die niet gedurende veertig weken was opengesteld, wordt de duur of, in voorkomend geval, de betrekkelijke duur van die diensten verminderd. Wanneer de lessen een normale duur hebben, bedraagt de vermindering :
  a) 10 procent als de leergang of de afdeling van de leergang gedurende 36 tot 39 weken was opengesteld;
  b) 20 procent als de leergang of de afdeling van de leergang gedurende 32 tot 35 weken was opengesteld;
  c) 30 procent als de leergang of de afdeling van de leergang gedurende 28 tot 31 weken was opengesteld;
  d) 40 procent als de leergang of de afdeling van de leergang gedurende 24 tot 27 weken was opengesteld;
  e) 50 procent als de leergang of de afdeling van de leergang minder dan 24 weken was opengesteld.
  Het aantal weken dat in aanmerking moet worden genomen om het percentage van de bovenbedoelde vermindering te bepalen wanneer de lessen geen normale duur hebben, wordt vastgesteld door middel van de volgende formule : werkelijk aantal weken gedurende welke de leergang of de afdeling van de leergang was opengesteld, vermenigvuldigd met de duur van de lessen in minuten, gedeeld door vijftig;
  4° in de periodes, bedoeld in littera j, k, l, n, o, p van artikel 16 :
  a) wanneer die perioden reeds in aanmerking zijn genomen voor de vaststelling van de wedde van het personeelslid;
  b) wanneer het personeelslid in de periode vóór 1 september 1955 niet ten minste één maand dienst heeft die op grond van zijn bezoldigingsregeling in aanmerking komt voor de vaststelling van zijn salaris in de schaal die hem toegekend is;
  5° in een niet-uitsluitend ambt als de diensten als bijbetrekking beschouwd geweest zouden zijn, gesteld dat het begrip "niet-uitsluitend ambt" niet had bestaan.
  § 2. De bepalingen van § 1, 3°, treden in werking op 1 september 2000 voor de vaststelling van de geldelijke anciënniteit van :
  1° de personeelsleden, bedoeld in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap;
  2° de niet onder 1° bedoelde personeelsleden voor wie deze bezoldigingsregeling geldt, uitsluitend voor het in aanmerking nemen van de diensten die vóór 1 september 2000 werden gepresteerd. Voor deze personeelsleden houden de bepalingen van § 1, 3°, op van kracht te zijn op 31 augustus 2002. "
Art. 2. L'article 18 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 10 mars 1965, 15 mars 1967, 22 janvier 1970, 1er juin 1970, 9 dĂ©cembre 1971, par la loi du 8 fĂ©vrier 1974, par les arrĂȘtĂ©s royaux des 10 juin 1976, 18 avril 1977, 20 juillet 1982, par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 19 dĂ©cembre 1991, 22 juillet 1993 et 19 juillet 2002, est remplacĂ© par ce qui suit :
  " Art. 18. § 1er. Par dérogation aux articles 16 et 17, sont toujours rejetés les services que l'agent a prestés :
  1° comme titulaire d'une fonction accessoire;
  2° a) avant l'année scolaire 1982-1983, comme titulaire d'une fonction dont la rémunération brute était inférieure à celle dont il bénéficiait du chef de toute autre occupation ou du chef de la jouissance d'une pension à charge du Trésor public;
  b) à partir de l'année scolaire 1982-1983, comme titulaire d'une fonction dont la rémunération brute que le membre du personnel aurait obtenue s'il avait exercé sa fonction à prestations complÚtes, mais calculée au minimum de l'échelle de traitement, est égale ou inférieure à celle dont il bénéficiait du chef de toute autre occupation ou du chef de la jouissance d'une pension à charge du Trésor public;
  3° comme titulaire d'une fonction exercée dans une école ou un établissement de promotion sociale ou à horaire réduit.
  Dans la mesure oĂč ils ne sont plus prestĂ©s, sont nĂ©anmoins admissibles les services effectifs prestĂ©s par le membre du personnel dans un cours Ă horaire rĂ©duit organisĂ© ou subventionnĂ© par l'Etat, ou dans un cours Ă horaire rĂ©duit organisĂ© ou subventionnĂ© par la CommunautĂ©, comme titulaire d'une fonction rĂ©munĂ©rĂ©e qui, en vertu de l'article 5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, aurait Ă©tĂ© considĂ©rĂ©e comme " fonction principale " si elle avait Ă©tĂ© exercĂ©e dans l'enseignement de plein exercice.
  Si les services visés à l'alinéa précédent ont été dispensés dans une fonction à prestations incomplÚtes, ils ne sont admissibles que pour leur durée relative. Cette durée relative est déterminée par une fraction, dont le numérateur est la durée réelle des services, exprimée en heures de cours hebdomadaires sur l'année, et dont le dénominateur est égal au nombre minimum d'heures de cours fixé pour la fonction en question.
  Si les services visés aux alinéas précédents ont été prestés dans un cours à horaires réduits n'ayant pas été ouvert pendant quarante semaines, la durée ou, le cas échéant, la durée relative de ces services est diminuée. Si les cours ont une durée normale, cette diminution s'élÚve à :
  a) 10 pour cent si le cours ou la section du cours a été ouvert pendant 36 à 39 semaines;
  a) 20 pour cent si le cours ou la section du cours a été ouvert pendant 32 à 35 semaines;
  a) 30 pour cent si le cours ou la section du cours a été ouvert pendant 28 à 31 semaines;
  a) 40 pour cent si le cours ou la section du cours a été ouvert pendant 24 à 27 semaines;
  a) 50 pour cent si le cours ou la section du cours a été ouvert pendant moins de 24 semaines.
  Le nombre de semaines devant ĂȘtre pris en considĂ©ration pour la fixation du pourcentage de la diminution susvisĂ©e si les cours n'ont pas une durĂ©e normale, est dĂ©terminĂ© au moyen de la formule suivante : le nombre rĂ©el de semaines pendant lesquelles le cours ou la section du cours a Ă©tĂ© ouvert, multipliĂ© par le durĂ©e des cours en minutes, divisĂ© par cinquante;
  4° dans les périodes visées aux litteras j, k, l, n, o, p de l'article 16 :
  a) si ces périodes sont déjà prises en considération pour la détermination du traitement du membre du personnel;
  b) si, pendant la période avant le 1er septembre 1955, le membre du personnel n'a pas au moins un (1) mois de service entrant en ligne de compte, en vertu de son statut pécuniaire, pour la fixation de son traitement dans l'échelle lui étant accordée;
  5° dans une fonction non exclusive si les services auraient été considérés comme fonction accessoire, supposé que le concept " fonction non exclusive " n'eût existé.
  § 2. Les dispositions du § 1er, 3°, entrent en vigueur le 1er septembre 2000 pour la détermination de l'ancienneté pécuniaire :
  1° des membres du personnel visés au décret du 13 juillet 1994 relatif aux universités en Communauté flamande;
  2° des membres du personnel non visĂ©s au point 1° auxquels s'applique ce statut pĂ©cuniaire, uniquement pour la prise en compte des services ayant Ă©tĂ© prestĂ©s avant le 1er septembre 2000. Pour ces membres du personnel, les dispositions du § 1er, 3°, cessent d'ĂȘtre en vigueur le 31 aoĂ»t 2002. "
  " Art. 18. § 1er. Par dérogation aux articles 16 et 17, sont toujours rejetés les services que l'agent a prestés :
  1° comme titulaire d'une fonction accessoire;
  2° a) avant l'année scolaire 1982-1983, comme titulaire d'une fonction dont la rémunération brute était inférieure à celle dont il bénéficiait du chef de toute autre occupation ou du chef de la jouissance d'une pension à charge du Trésor public;
  b) à partir de l'année scolaire 1982-1983, comme titulaire d'une fonction dont la rémunération brute que le membre du personnel aurait obtenue s'il avait exercé sa fonction à prestations complÚtes, mais calculée au minimum de l'échelle de traitement, est égale ou inférieure à celle dont il bénéficiait du chef de toute autre occupation ou du chef de la jouissance d'une pension à charge du Trésor public;
  3° comme titulaire d'une fonction exercée dans une école ou un établissement de promotion sociale ou à horaire réduit.
  Dans la mesure oĂč ils ne sont plus prestĂ©s, sont nĂ©anmoins admissibles les services effectifs prestĂ©s par le membre du personnel dans un cours Ă horaire rĂ©duit organisĂ© ou subventionnĂ© par l'Etat, ou dans un cours Ă horaire rĂ©duit organisĂ© ou subventionnĂ© par la CommunautĂ©, comme titulaire d'une fonction rĂ©munĂ©rĂ©e qui, en vertu de l'article 5 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, aurait Ă©tĂ© considĂ©rĂ©e comme " fonction principale " si elle avait Ă©tĂ© exercĂ©e dans l'enseignement de plein exercice.
  Si les services visés à l'alinéa précédent ont été dispensés dans une fonction à prestations incomplÚtes, ils ne sont admissibles que pour leur durée relative. Cette durée relative est déterminée par une fraction, dont le numérateur est la durée réelle des services, exprimée en heures de cours hebdomadaires sur l'année, et dont le dénominateur est égal au nombre minimum d'heures de cours fixé pour la fonction en question.
  Si les services visés aux alinéas précédents ont été prestés dans un cours à horaires réduits n'ayant pas été ouvert pendant quarante semaines, la durée ou, le cas échéant, la durée relative de ces services est diminuée. Si les cours ont une durée normale, cette diminution s'élÚve à :
  a) 10 pour cent si le cours ou la section du cours a été ouvert pendant 36 à 39 semaines;
  a) 20 pour cent si le cours ou la section du cours a été ouvert pendant 32 à 35 semaines;
  a) 30 pour cent si le cours ou la section du cours a été ouvert pendant 28 à 31 semaines;
  a) 40 pour cent si le cours ou la section du cours a été ouvert pendant 24 à 27 semaines;
  a) 50 pour cent si le cours ou la section du cours a été ouvert pendant moins de 24 semaines.
  Le nombre de semaines devant ĂȘtre pris en considĂ©ration pour la fixation du pourcentage de la diminution susvisĂ©e si les cours n'ont pas une durĂ©e normale, est dĂ©terminĂ© au moyen de la formule suivante : le nombre rĂ©el de semaines pendant lesquelles le cours ou la section du cours a Ă©tĂ© ouvert, multipliĂ© par le durĂ©e des cours en minutes, divisĂ© par cinquante;
  4° dans les périodes visées aux litteras j, k, l, n, o, p de l'article 16 :
  a) si ces périodes sont déjà prises en considération pour la détermination du traitement du membre du personnel;
  b) si, pendant la période avant le 1er septembre 1955, le membre du personnel n'a pas au moins un (1) mois de service entrant en ligne de compte, en vertu de son statut pécuniaire, pour la fixation de son traitement dans l'échelle lui étant accordée;
  5° dans une fonction non exclusive si les services auraient été considérés comme fonction accessoire, supposé que le concept " fonction non exclusive " n'eût existé.
  § 2. Les dispositions du § 1er, 3°, entrent en vigueur le 1er septembre 2000 pour la détermination de l'ancienneté pécuniaire :
  1° des membres du personnel visés au décret du 13 juillet 1994 relatif aux universités en Communauté flamande;
  2° des membres du personnel non visĂ©s au point 1° auxquels s'applique ce statut pĂ©cuniaire, uniquement pour la prise en compte des services ayant Ă©tĂ© prestĂ©s avant le 1er septembre 2000. Pour ces membres du personnel, les dispositions du § 1er, 3°, cessent d'ĂȘtre en vigueur le 31 aoĂ»t 2002. "
Art. 3. In artikel 13, § 1, van het koninklijk besluit van 10 maart 1965 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der leergangen met beperkt leerplan afhangend van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 november 1976 en bij de besluiten van de Vlaamse regering van 18 december 1991 en 19 juli 1995, worden de woorden " voor zover ze niet werden meegerekend voor het bepalen van de bezoldigingsanciënniteit in het kader van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs " geschrapt.
Art. 3. Dans l'article 13, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 10 mars 1965 portant statut pĂ©cuniaire du personnel des cours Ă horaire rĂ©duit relevant du MinistĂšre de l'Education nationale et de la Culture, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 4 novembre 1976 et par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 18 dĂ©cembre 1991 et 19 juillet 1995, les mots " pour autant qu'ils ne sont pas valorisĂ©s pour le calcul de l'anciennetĂ© pĂ©cuniaire dans le cadre de l'arrĂȘtĂ© royal du 15 avril 1958 portant statut pĂ©cuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilĂ© du MinistĂšre de l'Instruction publique " sont supprimĂ©s.
Art. 4. Artikel 13bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse regering van 18 december 1991, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 13bis. In afwijking van artikel 13 komen bovendien de diensten en perioden in aanmerking, die vermeld worden in artikel 16 en 17 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs.
  Die diensten en perioden komen voor de vermelde personeelsleden in aanmerking onder de voorwaarden, gesteld in voormeld koninklijk besluit van 15 april 1958. "
  " Art. 13bis. In afwijking van artikel 13 komen bovendien de diensten en perioden in aanmerking, die vermeld worden in artikel 16 en 17 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs.
  Die diensten en perioden komen voor de vermelde personeelsleden in aanmerking onder de voorwaarden, gesteld in voormeld koninklijk besluit van 15 april 1958. "
Art. 4. L'article 13bis du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 18 dĂ©cembre 1991, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Art. 13bis. Par dĂ©rogation Ă l'article 13, sont Ă©galement admissibles, les services et pĂ©riodes mentionnĂ©s aux articles 16 et 17 de l'arrĂȘtĂ© royal du 15 avril 1958 portant statut pĂ©cuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilĂ© du MinistĂšre de l'Instruction publique.
  Pour les membres du personnel susvisĂ©s, ces services et pĂ©riodes sont admissibles aux conditions prĂ©vues par l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 15 avril 1958. "
  " Art. 13bis. Par dĂ©rogation Ă l'article 13, sont Ă©galement admissibles, les services et pĂ©riodes mentionnĂ©s aux articles 16 et 17 de l'arrĂȘtĂ© royal du 15 avril 1958 portant statut pĂ©cuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilĂ© du MinistĂšre de l'Instruction publique.
  Pour les membres du personnel susvisĂ©s, ces services et pĂ©riodes sont admissibles aux conditions prĂ©vues par l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 15 avril 1958. "
Art. 5. Artikel 13ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 1995, wordt opgeheven.
Art. 5. L'article 13ter du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 19 juillet 1995, est supprimĂ©.
Art. 6. In artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 houdende harmonisering van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 9 februari 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 2 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 2. De bezoldiging van het in § 1 bedoelde personeelslid wordt als volgt vastgesteld :
  1° volgens de bepalingen van titel III, " Hoofdambten met onvolledige prestaties ", van voormeld koninklijk besluit van 15 april 1958, wat de prestaties betreft die verstrekt zijn in het onderwijs met volledig leerplan;
  2° volgens de bepalingen van titel IV, " Ambten met onvolledige prestaties ", van voormeld koninklijk besluit van 10 maart 1965, wat de prestaties betreft die verstrekt zijn in het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan. ";
  2° §§ 4, 4bis en 5 worden opgeheven.
  1° § 2 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 2. De bezoldiging van het in § 1 bedoelde personeelslid wordt als volgt vastgesteld :
  1° volgens de bepalingen van titel III, " Hoofdambten met onvolledige prestaties ", van voormeld koninklijk besluit van 15 april 1958, wat de prestaties betreft die verstrekt zijn in het onderwijs met volledig leerplan;
  2° volgens de bepalingen van titel IV, " Ambten met onvolledige prestaties ", van voormeld koninklijk besluit van 10 maart 1965, wat de prestaties betreft die verstrekt zijn in het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan. ";
  2° §§ 4, 4bis en 5 worden opgeheven.
Art. 6. A l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 29 aoĂ»t 1985 portant harmonisation des dispositions des statuts pĂ©cuniaires applicables au personnel enseignant et assimilĂ© de l'enseignement de plein exercice et de l'enseignement de promotion sociale ou Ă horaire rĂ©duit, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 9 fĂ©vrier 2001, les modifications suivantes sont apportĂ©es :
  1° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 2. La rémunération du membre du personnel visé au § 1er est fixée comme suit :
  1° selon les dispositions du titre III, " Des fonctions principales Ă prestations incomplĂštes ", de l'arrĂȘtĂ© royal du 15 avril 1958 prĂ©citĂ©, pour ce qui est des prestations effectuĂ©es dans l'enseignement de plein exercice;
  2° selon les dispositions du titre IV, " Des fonctions Ă prestations incomplĂštes ", de l'arrĂȘtĂ© royal du 10 mars 1965 prĂ©citĂ©, pour ce qui est des prestations effectuĂ©es dans l'enseignement de promotion sociale ou Ă horaire rĂ©duit. ";
  2° les §§ 4, 4bis et 5 sont abrogés.
  1° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 2. La rémunération du membre du personnel visé au § 1er est fixée comme suit :
  1° selon les dispositions du titre III, " Des fonctions principales Ă prestations incomplĂštes ", de l'arrĂȘtĂ© royal du 15 avril 1958 prĂ©citĂ©, pour ce qui est des prestations effectuĂ©es dans l'enseignement de plein exercice;
  2° selon les dispositions du titre IV, " Des fonctions Ă prestations incomplĂštes ", de l'arrĂȘtĂ© royal du 10 mars 1965 prĂ©citĂ©, pour ce qui est des prestations effectuĂ©es dans l'enseignement de promotion sociale ou Ă horaire rĂ©duit. ";
  2° les §§ 4, 4bis et 5 sont abrogés.
Art. 7. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002, met uitzondering van :
  1° artikel 1, 3°, 4° en 6°, die uitwerking hebben met ingang van 1 november 1996;
  2° artikel 1, 2°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2000.
  1° artikel 1, 3°, 4° en 6°, die uitwerking hebben met ingang van 1 november 1996;
  2° artikel 1, 2°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2000.
Art. 7. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© produit ses effets le 1er septembre 2002, Ă l'exception :
  1° de l'article 1er, 3°, 4° et 6°, qui produisent leurs effets le 1er novembre 1996;
  2° de l'article 1er, 2°, qui produit ses effets le 1er septembre 2000.
  1° de l'article 1er, 3°, 4° et 6°, qui produisent leurs effets le 1er novembre 1996;
  2° de l'article 1er, 2°, qui produit ses effets le 1er septembre 2000.
Art. 8. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Brussel, 26 september 2003.
  De minister-president van de Vlaamse regering,
  B. SOMERS
  De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
  M. VANDERPOORTEN.
  Brussel, 26 september 2003.
  De minister-president van de Vlaamse regering,
  B. SOMERS
  De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
  M. VANDERPOORTEN.
Art. 8. La Ministre flamande qui a l'Enseignement dans ses attributions est chargĂ©e de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Bruxelles, le 26 septembre 2003.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  B. SOMERS
  La Ministre flamande de l'Enseignement et de la Formation,
  M. VANDERPOORTEN.
  Bruxelles, le 26 septembre 2003.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  B. SOMERS
  La Ministre flamande de l'Enseignement et de la Formation,
  M. VANDERPOORTEN.