Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
17 JULI 2003. - Besluit van de Waalse Regering houdende sectorale voorwaarden ivm de groeven en hun bijhorigheden. (Vertaling) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 06-10-2003 en tekstbijwerking tot 14-07-2009)
Titre
17 JUILLET 2003. - Arrêté du Gouvernement wallon portant conditions sectorielles relatives aux carrières et à leurs dépendances (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 06-10-2003 et mise à jour au 14-07-2009)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I.- Gemeenschappelijke bepalingen.
HOOFDSTUK II - Vestiging en bouw.
Afdeling 1. - Materiële definitie van de uitgra...
Afdeling 2. - Ruimten van geologisch belang.
HOOFDSTUK III. - Exploitatie en ongevallenpreve...
Afdeling 1. - Toegang tot de exploitatie.
Afdeling 2. - Behoud van de naburige terreinen.
Afdeling 3. - Het houden van plannen.
Afdeling 4. - Werktijden.
Afdeling 5. - Exploitatie met gebruik van sprin...
Onderafdeling 1. - Algemeen.
Onderafdeling 2. - Primaire schietverrichtingen.
Onderafdeling 3. - Secundaire en herinrichtings...
Afdeling 6. - Voertuigenverkeer.
Afdeling 7. - Exploitatie en herinrichting van ...
Onderafdeling 1. - Algemeen.
Onderafdeling 2. - Zekerheid.
Afdeling 8. [1 - Uitgravingskuilen]1
Onderafdeling 1. [1 - Algemeenheden]1
Onderafdeling 2. [1 - Opvulling van de uitgravi...
HOOFDSTUK IV. - Water.
Afdeling 1. - Bescherming van de grondwaterlaag...
Afdeling 2. - Lozingen in het oppervlaktewater ...
Afdeling 3. - Bezinkingsbekken.
HOOFDSTUK V. - Lucht.
Afdeling 1. - Bestrijding van stoffenemissies.
HOOFDSTUK VI. - Geluid en trillingen.
Afdeling 1. - Geluid.
Afdeling 2. - Trillingen.
Onderafdeling 1. - Trillingen veroorzaakt door ...
Onderafdeling 2. - Trillingen te wijten aan de ...
HOOFDSTUK VII. - Controle, zelfcontrole, zelfto...
HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen.
BIJLAGEN.
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
CHAPITRE II. - Implantation et construction.
Section 1re. - Définition matérielle de la limi...
Section 2. - Des sites d'intérêt géologique.
CHAPITRE III. - Exploitation et prévention des ...
Section 1re. - Accès à l'exploitation.
Section 2. - Conservation des terrains voisins.
Section 3. - Tenue des plans.
Section 4. - Horaires de travail.
Section 5. - Exploitation avec utilisation d'ex...
Sous-section 1re. - Généralités.
Sous-section 2. - Tirs primaires.
Sous-section 3. - Tirs secondaires et de réamén...
Section 6. - Charroi.
Section 7 - Exploitation et réaménagement des c...
Sous-section 1re. - Généralités.
Sous-section 2. - Sûreté.
Section 8. [1 - Trous d'excavation]1
Sous-section 1re. [1 - Généralités]1
Sous-section 2. [1 - Remblayage des trous d'exc...
CHAPITRE IV. - Eau.
Section 1re. - Protection de la nappe d'eau sou...
Section 2. - Rejets en eaux de surface ou en ég...
Section 3. - Bassins de décantation.
CHAPITRE V. - Air.
Section 1re. - Lutte contre les émissions de po...
CHAPITRE VI. - Bruit et vibrations.
Section 1re. - Bruits.
Section 2. - Vibrations.
Sous-section 1re. - Vibrations dues aux machine...
Sous-section 2. - Vibrations dues aux tirs de m...
CHAPITRE VII. - Contrôle, autocontrôle, auto-su...
CHAPITRE VIII. - Mesures finales.
ANNEXES.
Tekst (100)
Texte (100)
HOOFDSTUK I.- Gemeenschappelijke bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Artikel 1. Deze sectorale voorwaarden zijn van toepassing op de activiteiten betreffende de winning van steen, zand, klei, minerale zouten, bedoeld in de rubrieken 14.00.01, 14.00.02 en 14.00.03 op de aanhorigheden van groeven bedoeld in de rubrieken 14.90.01.01 en 14.90.01.02.
Article 1. Les présentes conditions sectorielles s'appliquent aux activités d'extraction de pierres, graviers, sables, argiles, sels minéraux visés aux rubriques 14.00.01, 14.00.02 et 14.00.03, aux dépendances de carrières visées aux rubriques 14.90.01.01 et 14.90.01.02.
Art. 2. In de zin van dit besluit wordt verstaan onder :
1° nieuwe groeven : de percelen waarop de winningen worden uitgevoerd en waarvoor het dossier betreffende de vergunningsaanvraag is ingediend na de datum van inwerkingtreding van dit besluit;
2° nieuwe bijhorigheden : de bijhorigheden waarvoor het dossier betreffende de vergunningsaanvraag is ingediend na de datum van inwerkingtreding van dit besluit;
3° bestaande installaties : de groeven en de bijhorigheden met inbegrip van de paden en wegen, gedekt door een vergunning die geldig is vanaf de inwerkingtreding van dit besluit;
4° omtrek van het winningsgebied : de grens van het winningsgebied opgenomen in de plannen van aanleg (gewestplannen of in de gemeentelijk plannen van aanleg);
5° uitgravingsgrens : de grens van alle percelen die in de milieuvergunning toegelaten zijn. Ze is altijd inbegrepen in de omtrek van het hierboven bepaalde winningsgebied en kan verwisseld worden met die omtrek;
6° eindbestemming : de bestemming van de grond aan het einde van de winning overeenkomstig het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;
7° herinrichting : het geheel van handelingen en werken gedurende en na de exploitatie om over te gaan tot de bij de vergunning opgelegde sanering;
8° intern circuit : het geheel van de verkeersruimten binnen het bedrijf, met inbegrip van welke die op de site zelf maar buiten de omtrek van het bedrijf worden aangelegd en die uitsluitend bestemd zijn voor het voertuigenverkeer van dit bedrijf.
1° nieuwe groeven : de percelen waarop de winningen worden uitgevoerd en waarvoor het dossier betreffende de vergunningsaanvraag is ingediend na de datum van inwerkingtreding van dit besluit;
2° nieuwe bijhorigheden : de bijhorigheden waarvoor het dossier betreffende de vergunningsaanvraag is ingediend na de datum van inwerkingtreding van dit besluit;
3° bestaande installaties : de groeven en de bijhorigheden met inbegrip van de paden en wegen, gedekt door een vergunning die geldig is vanaf de inwerkingtreding van dit besluit;
4° omtrek van het winningsgebied : de grens van het winningsgebied opgenomen in de plannen van aanleg (gewestplannen of in de gemeentelijk plannen van aanleg);
5° uitgravingsgrens : de grens van alle percelen die in de milieuvergunning toegelaten zijn. Ze is altijd inbegrepen in de omtrek van het hierboven bepaalde winningsgebied en kan verwisseld worden met die omtrek;
6° eindbestemming : de bestemming van de grond aan het einde van de winning overeenkomstig het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;
7° herinrichting : het geheel van handelingen en werken gedurende en na de exploitatie om over te gaan tot de bij de vergunning opgelegde sanering;
8° intern circuit : het geheel van de verkeersruimten binnen het bedrijf, met inbegrip van welke die op de site zelf maar buiten de omtrek van het bedrijf worden aangelegd en die uitsluitend bestemd zijn voor het voertuigenverkeer van dit bedrijf.
Art. 2. Au sens du présent arrêté, on entend par :
1° nouvelles carrières : les parcelles sur lesquelles auront lieu des opérations d'extraction et pour lesquelles le dossier de demande de permis a été introduit après la date d'entrée en vigueur du présent arrêté;
2° nouvelles dépendances : les dépendances pour lesquelles le dossier de demande de permis a été introduit après la date d'entrée en vigueur du présent arrêté;
3° installations existantes : les carrières et les dépendances, en ce compris les pistes et la voirie, couvertes par une autorisation en cours de validité à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté;
4° périmètre de la zone d'extraction : la limite de la zone d'extraction inscrite aux plans d'aménagement (plans de secteur ou plans communaux d'aménagement);
5° limite d'extraction : la limite de l'ensemble des parcelles autorisées dans le permis d'environnement. Elle se trouve toujours incluse dans le périmètre de la zone d'extraction définie ci-dessus et peut se confondre avec ce dernier;
6° destination finale : l'affectation donnée au sol au terme de l'activité extractive conformément aux prescriptions du Code wallon de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme et du Patrimoine;
7° réaménagement : l'ensemble des actes et travaux pendant et après la fin de l'exploitation en vue de réaliser la remise en état imposée par le permis;
8° circuit interne : l'ensemble des aires de circulation à l'intérieur de l'entreprise, en ce compris celles réalisées en site propre hors du périmètre de l'entreprise et exclusivement destinées au charroi de cette dernière.
1° nouvelles carrières : les parcelles sur lesquelles auront lieu des opérations d'extraction et pour lesquelles le dossier de demande de permis a été introduit après la date d'entrée en vigueur du présent arrêté;
2° nouvelles dépendances : les dépendances pour lesquelles le dossier de demande de permis a été introduit après la date d'entrée en vigueur du présent arrêté;
3° installations existantes : les carrières et les dépendances, en ce compris les pistes et la voirie, couvertes par une autorisation en cours de validité à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté;
4° périmètre de la zone d'extraction : la limite de la zone d'extraction inscrite aux plans d'aménagement (plans de secteur ou plans communaux d'aménagement);
5° limite d'extraction : la limite de l'ensemble des parcelles autorisées dans le permis d'environnement. Elle se trouve toujours incluse dans le périmètre de la zone d'extraction définie ci-dessus et peut se confondre avec ce dernier;
6° destination finale : l'affectation donnée au sol au terme de l'activité extractive conformément aux prescriptions du Code wallon de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme et du Patrimoine;
7° réaménagement : l'ensemble des actes et travaux pendant et après la fin de l'exploitation en vue de réaliser la remise en état imposée par le permis;
8° circuit interne : l'ensemble des aires de circulation à l'intérieur de l'entreprise, en ce compris celles réalisées en site propre hors du périmètre de l'entreprise et exclusivement destinées au charroi de cette dernière.
HOOFDSTUK II - Vestiging en bouw.
CHAPITRE II. - Implantation et construction.
Afdeling 1. - Materiële definitie van de uitgravingsgrens.
Section 1re. - Définition matérielle de la limite d'extraction.
Art. 3. De punten die nodig zijn om de uitgravingsgrens, de exploitatie- en herinrichtingsfasen ondubbelzinnig te bepalen alsmede de voor de bepaling van de bovenbedoelde gebieden nodige merkpalen zijn uitgedrukt in coördinaten (X, Y) in het Belgische cartografische systeem LAMBERT zoals bepaald door het Nationaal Geografisch Instituut (NGI).
Art. 3. Les points nécessaires pour définir sans ambiguïté la limite d'extraction, les phases d'exploitation et de réaménagement ainsi que les bornes de référence nécessaires à la définition des zones précitées sont connus en coordonnées (X, Y) dans le système cartographique LAMBERT belge, tel que défini par l'Institut géographique national (IGN).
Art. 4. De coördinaten van de in artikel 3 bedoelde punten alsmede afpalingsplannen liggen ter inzage van de technisch ambtenaar, de gemachtigd ambtenaar en de toezichthoudende ambtenaar en dit zodra de werken beginnen.
De exploitant moet elk ogenblik bij machte zijn om de bovenbedoelde ambtenaren te leiden naar de plaats van al deze vaste punten en van deze palen of om hun een liggingsplan te bezorgen opdat ze deze punten en palen vlug kunnen terugvinden.
De exploitant moet elk ogenblik bij machte zijn om de bovenbedoelde ambtenaren te leiden naar de plaats van al deze vaste punten en van deze palen of om hun een liggingsplan te bezorgen opdat ze deze punten en palen vlug kunnen terugvinden.
Art. 4. Les coordonnées des points visés à l'article 3 ainsi que les plans de bornage sont tenus à la disposition du fonctionnaire technique, du fonctionnaire délégué et du fonctionnaire chargé de la surveillance dès la date de commencement des travaux.
L'exploitant doit être en mesure, en tout temps, de conduire les fonctionnaires précités sur l'emplacement de chacun de ces points fixes et de ces bornes ou de leur fournir un plan de situation devant leur permettre de les retrouver rapidement.
L'exploitant doit être en mesure, en tout temps, de conduire les fonctionnaires précités sur l'emplacement de chacun de ces points fixes et de ces bornes ou de leur fournir un plan de situation devant leur permettre de les retrouver rapidement.
Afdeling 2. - Ruimten van geologisch belang.
Section 2. - Des sites d'intérêt géologique.
Art. 5. Mits voorafgaande aanvraag en met inachtneming van de veiligheidsregels zorgt de exploitant voor de vrije toegang tot de groeve voor de geologen belast met de herziening van de geologische kaart alsmede voor de contractanten van door het Waalse Gewest gefinancierde studieovereenkomsten die door hem daartoe behoorlijk gemachtigd zijn en die onder zijn gezag vallen.
Art. 5. Moyennant demande préalable et dans le respect des règles de sécurité, l'exploitant assure le libre accès de la carrière aux géologues chargés de la révision de la carte géologique ainsi qu'aux contractants des conventions d'études financées par la Région wallonne et dûment mandatés par elle à cet effet et sous sa responsabilité.
HOOFDSTUK III. - Exploitatie en ongevallenpreventie.
CHAPITRE III. - Exploitation et prévention des accidents.
Afdeling 1. - Toegang tot de exploitatie.
Section 1re. - Accès à l'exploitation.
Art. 6. Zichtbare en goed geplaatste panelen verbieden de toegang tot de groeve voor onbevoegden. Ze worden geplaatst op elke kruising van de toegangswegen tot de toegelaten omtrek met het openbaar domein. De groeve is voorzien van een omheining - ook na het einde van de exploitatie - langs de straten, wegen, paden alsmede langs de percelen waarvoor ze een gevaar zou kunnen vertonen. Deze omheining wordt geïnstalleerd op de geëxploiteerde percelen op een afstand van minstens 2 meter van de uitbaggeringsgrens.
Art. 6. Des panneaux bien apparents et judicieusement disposés interdisent l'accès de la carrière à toute personne étrangère à l'exploitation. Ils sont placés à chaque intersection des voies d'accès au périmètre autorisé avec le domaine public.
La carrière est pourvue d'une clôture - y compris après la fin de l'exploitation - établie le long des routes, chemins et sentiers ainsi que le long des parcelles pour lesquelles elle pourrait présenter un danger quelconque. Ladite clôture est établie sur les parcelles en exploitation, à une distance d'au moins deux mètres de la limite de l'excavation.
La carrière est pourvue d'une clôture - y compris après la fin de l'exploitation - établie le long des routes, chemins et sentiers ainsi que le long des parcelles pour lesquelles elle pourrait présenter un danger quelconque. Ladite clôture est établie sur les parcelles en exploitation, à une distance d'au moins deux mètres de la limite de l'excavation.
Afdeling 2. - Behoud van de naburige terreinen.
Section 2. - Conservation des terrains voisins.
Art. 7. De groeve wordt geëxploiteerd zodat geen grondverschuiving de uitbaggering verder dan de uitgravingsgrens kan uitbreiden en a fortiori om de integriteit van de eigendommen, waterlopen en van de naburige verkeerswegen te bewaren met inachtneming van de aanwezigheid van pylonen, hoogspanningslijnen en diverse leidingen. De onderste trap van de ontsluitingstrede is voldoende breed om het voorbijrijden van de ontsluitingsvoertuigen mogelijk te maken.
Als het exploitatiefront de integriteit van de naburige eigendommen in het gevaar brengt zelfs als de bovenvermelde voorwaarden worden vervuld, onderbreekt de exploitant de werken en verwittigt hij de toezichthoudende ambtenaar. Op advies van de technisch ambtenaar stelt de bevoegde overheid nieuwe beschermingsmaatregelen vóór het opnieuw beginnen van de werken voor.
De bovenbedoelde grensmuren kunnen op voorafgaand advies van de technisch ambtenaar en van de gemachtigd ambtenaar eventueel tot een kleinere afmeting teruggebracht worden en de exploitatie kan met name uitgebreid worden tot de uitgravingsgrens.
Als het exploitatiefront de integriteit van de naburige eigendommen in het gevaar brengt zelfs als de bovenvermelde voorwaarden worden vervuld, onderbreekt de exploitant de werken en verwittigt hij de toezichthoudende ambtenaar. Op advies van de technisch ambtenaar stelt de bevoegde overheid nieuwe beschermingsmaatregelen vóór het opnieuw beginnen van de werken voor.
De bovenbedoelde grensmuren kunnen op voorafgaand advies van de technisch ambtenaar en van de gemachtigd ambtenaar eventueel tot een kleinere afmeting teruggebracht worden en de exploitatie kan met name uitgebreid worden tot de uitgravingsgrens.
Art. 7. L'exploitation est conduite de façon qu'aucun éboulement ou glissement de terrain ne puisse étendre l'excavation au-delà de la limite d'extraction et, a fortiori, de manière à maintenir l'intégrité des propriétés, des cours d'eau et voies de communication voisines, tout en tenant compte de la présence de pylônes, de lignes à haute tension et de conduites diverses.
Le palier inférieur du gradin de découverture présente une largeur suffisante permettant le passage aux engins de découverture.
Si, nonobstant l'observation des conditions imposées ci-dessus, le front d'exploitation menaçait malgré tout l'intégrité des propriétés voisines, l'exploitant interrompt les travaux et prévient le fonctionnaire chargé de la surveillance. L'autorité compétente, après avis du fonctionnaire technique, propose alors de nouvelles mesures de protection avant la reprise des travaux.
Les espontes prévues ci-dessus peuvent, sur avis préalable du fonctionnaire technique et du fonctionnaire délégué, être éventuellement réduites et l'exploitation peut notamment s'étendre jusqu'à la limite d'extraction.
Le palier inférieur du gradin de découverture présente une largeur suffisante permettant le passage aux engins de découverture.
Si, nonobstant l'observation des conditions imposées ci-dessus, le front d'exploitation menaçait malgré tout l'intégrité des propriétés voisines, l'exploitant interrompt les travaux et prévient le fonctionnaire chargé de la surveillance. L'autorité compétente, après avis du fonctionnaire technique, propose alors de nouvelles mesures de protection avant la reprise des travaux.
Les espontes prévues ci-dessus peuvent, sur avis préalable du fonctionnaire technique et du fonctionnaire délégué, être éventuellement réduites et l'exploitation peut notamment s'étendre jusqu'à la limite d'extraction.
Art. 8. De exploitant treft de nodige maatregelen om te voorkomen dat steenafval, het slib en de aanslibbingsgronden die schade kunnen veroorzaken en die van de exploitatie afkomstig zijn, in de naburige eigendommen alsmede in de waterlopen, op de straten, wegen en paden storten. Hij moet onmiddellijk ervoor zorgen dat deze stoffen worden verwijderd, ingeval deze eventualiteit nochtans zou voorkomen.
Art. 8. L'exploitant prend les mesures nécessaires pour empêcher que les déblais, les boues et alluvions susceptibles de causer des dégâts et provenant de l'exploitation, ne dévalent dans les propriétés voisines ainsi que dans les cours d'eaux, sur les routes, les chemins et les sentiers. Il doit faire procéder immédiatement à l'enlèvement de ces matières, au cas où cette éventualité se présenterait néanmoins.
Afdeling 3. - Het houden van plannen.
Section 3. - Tenue des plans.
Art. 9. Zodra de werken beginnen, stelt de exploitant een afschrift van het kadastraal plan met de Lambert-coördinaten (X,Y) van de in artikel 3 bedoelde punten die nodig zijn voor de bepaling van de uitgravingsgrens, ter beschikking van de technisch ambtenaar, de gemachtigd ambtenaar en de toezichthoudende ambtenaar.
Art. 9. Dès la date de commencement des travaux, l'exploitant tient à la disposition du fonctionnaire technique, du fonctionnaire délégué et du fonctionnaire chargé de la surveillance une copie du plan cadastral reprenant les coordonnées Lambert (X, Y) des points, dont question à l'article 3, nécessaires à définir la limite d'extraction.
Afdeling 4. - Werktijden.
Section 4. - Horaires de travail.
Art. 10. De groeve en de bijhorigheden ervan kunnen doorlopend geëxploiteerd worden op voorwaarde dat de in artikel 45 van dit besluit bedoelde richtwaarden inzake geluid bij de immissie nageleefd worden.
Art. 10. L'exploitation de la carrière et de ses dépendances peut s'effectuer de manière continue pourvu que les valeurs guides en matière de bruit à l'immission définies à l'article 45 du présent arrêté soient respectées.
Afdeling 5. - Exploitatie met gebruik van springstoffen.
Section 5. - Exploitation avec utilisation d'explosifs.
Onderafdeling 1. - Algemeen.
Sous-section 1re. - Généralités.
Art. 11. De in deze onderafdeling bedoelde bepalingen zijn van toepassing voor elke exploitatie waarin springstoffen worden gebruikt onverminderd de bepalingen van het koninklijk besluit van 4 augustus 1959 tot reglementering van het gebruik van springstoffen en gesteente in open ontginningswerken van graverijen en groeven, zoals gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 25 maart 1966, 9 april 1976 en 9 oktober 1985 en inzonderheid op de artikelen 30 en 31 wat betreft de veiligheid van de buurt.
Art. 11. Les dispositions prévues à la présente sous-section sont d'application pour toute exploitation où il est fait usage d'explosifs, sans préjudice des dispositions prévues à l'arrêté royal du 4 août 1959 réglementant l'emploi des explosifs dans les exploitations à ciel ouvert des minières et des carrières tel que modifié par les arrêtés royaux des 25 mars 1966, 9 avril 1976 et 9 octobre 1985 et notamment ses articles 30 et 31 en ce qui concerne la sécurité du voisinage.
Art. 12. De bevoegde overheid bepaalt de werktijden waarin kan worden geschoten.
Art. 12. L'autorité compétente fixe les plages horaires pendant lesquelles les tirs peuvent être effectués.
Art. 13. Elk aan een schot gebonden incident moet onmiddellijk ter kennis worden gebracht van de technisch ambtenaar.
Art. 13. Tout incident lié à un tir doit être immédiatement signalé au fonctionnaire technique.
Onderafdeling 2. - Primaire schietverrichtingen.
Sous-section 2. - Tirs primaires.
Art. 14. De exploitant deelt minstens 24 uur van tevoren de dag en het uur die voorzien zijn voor de schietverrichtingen, aan de technisch ambtenaar mede en stelt een schietschema met de volgende gegevens te zijner beschikking :
a) de schikking van de boorgaten en hun stand ten opzichte van het winningsfront;
b) de lengte en de helling van deze gaten, evenals de diameter van het kaliber voor het controleren van het werktuig waarmee ze geboord worden;
c) de vermelding van de tijdens het boorwerk gedane waarnemingen (aanwezigheid van water, van een breuk of van een barst, afwijking van de gaten, enz.);
d) de aard, de hoeveelheid en de verdeling van de springstoffen die per gat gebruikt worden;
e) de aard en de plaats van de aanzetmiddelen;
f) de aard en de lengte van de opstopping.
Wanneer de exploitatie het mogelijk maakt, kan de steenhouwer een schootprogramma overmaken aan de technisch ambtenaar over een min of meer grote periode (maand, trimester).
Elke relevante wijziging van de schootdagen en -uren wordt onmiddellijk medegedeeld aan de technisch ambtenaar.
De werkelijk uitgevoerde schietschema's worden aangevuld met de aanwijzing van de datum en het uur van het schot. Ze liggen gedurende drie jaar ter inzage van de technisch ambtenaar.
a) de schikking van de boorgaten en hun stand ten opzichte van het winningsfront;
b) de lengte en de helling van deze gaten, evenals de diameter van het kaliber voor het controleren van het werktuig waarmee ze geboord worden;
c) de vermelding van de tijdens het boorwerk gedane waarnemingen (aanwezigheid van water, van een breuk of van een barst, afwijking van de gaten, enz.);
d) de aard, de hoeveelheid en de verdeling van de springstoffen die per gat gebruikt worden;
e) de aard en de plaats van de aanzetmiddelen;
f) de aard en de lengte van de opstopping.
Wanneer de exploitatie het mogelijk maakt, kan de steenhouwer een schootprogramma overmaken aan de technisch ambtenaar over een min of meer grote periode (maand, trimester).
Elke relevante wijziging van de schootdagen en -uren wordt onmiddellijk medegedeeld aan de technisch ambtenaar.
De werkelijk uitgevoerde schietschema's worden aangevuld met de aanwijzing van de datum en het uur van het schot. Ze liggen gedurende drie jaar ter inzage van de technisch ambtenaar.
Art. 14. L'exploitant signale, au moins 24 heures à l'avance au fonctionnaire technique le jour et l'heure prévus pour le(s) tir(s) et maintient à la disposition du fonctionnaire technique un schéma de tir comprenant au moins :
a) la disposition des trous de mines et leur position par rapport au front d'abattage;
b) la longueur et l'inclinaison de ces trous ainsi que le diamètre du calibre de vérification de l'outil utilisé pour leur forage;
c) l'indication des observations faites au cours des opérations de forage (présence d'eau, de failles, de crevasses, déviation des trous, etc.);
d) la nature, la quantité et la répartition des explosifs prévus par trou;
e) la nature et la localisation des dispositifs d'amorçage;
f) la nature et la longueur du bourrage.
Lorsque l'exploitation le permet, le carrier peut faire parvenir au fonctionnaire technique un programme de tirs sur une plus ou moins grande période (mois, trimestre).
Toute modification significative apportée aux dates et heures de tir est immédiatement communiquée au fonctionnaire technique.
Les schémas de tir réellement exécutés sont complétés par l'indication de la date et de l'heure du tir. Ils sont tenus pendant trois ans à la disposition du fonctionnaire technique.
a) la disposition des trous de mines et leur position par rapport au front d'abattage;
b) la longueur et l'inclinaison de ces trous ainsi que le diamètre du calibre de vérification de l'outil utilisé pour leur forage;
c) l'indication des observations faites au cours des opérations de forage (présence d'eau, de failles, de crevasses, déviation des trous, etc.);
d) la nature, la quantité et la répartition des explosifs prévus par trou;
e) la nature et la localisation des dispositifs d'amorçage;
f) la nature et la longueur du bourrage.
Lorsque l'exploitation le permet, le carrier peut faire parvenir au fonctionnaire technique un programme de tirs sur une plus ou moins grande période (mois, trimestre).
Toute modification significative apportée aux dates et heures de tir est immédiatement communiquée au fonctionnaire technique.
Les schémas de tir réellement exécutés sont complétés par l'indication de la date et de l'heure du tir. Ils sont tenus pendant trois ans à la disposition du fonctionnaire technique.
Art. 15. De ganse lengte van de slagkoord is gedekt met minstens 10 centimeter stofcarbid, borenspanen, enz., om het effect van de geluidstrilling te verminderen.
Art. 15. Toute la longueur du cordeau détonant à l'air libre est recouverte d'au moins 10 centimètres de poussier, copeaux de forage, etc., afin de diminuer l'effet de la vibration acoustique.
Art. 16. Op verzoek van de bevoegde overheid die op advies van de technisch ambtenaar handelt, worden de aan de mijnschietverrichtingen te wijten trillingen van de bodem en, indien nodig, van de lucht in geval van bijzondere moeilijkheden of risico's gemeten overeenkomstig de door haar aanbevolen voorschriften.
Art. 16. Sur requête de l'autorité compétente, laquelle agit sur avis du fonctionnaire technique, en cas de présomption de difficultés ou de risques particuliers, une campagne de mesures de vibrations du sol et, au besoin, de l'air dues aux tirs de mines est effectuée conformément aux dispositions préconisées par elle.
Onderafdeling 3. - Secundaire en herinrichtingsschietverrichtingen.
Sous-section 3. - Tirs secondaires et de réaménagement.
Art. 17. Het gebruik van opgelegde ladingen moet van tevoren medegedeeld worden aan de bevoegde overheid, die in overeenstemming met de technisch ambtenaar gepaste maatregelen kan bepalen.
Art. 17. L'utilisation de charges appliquées doit être préalablement signalée à l'autorité compétente, laquelle, en accord avec le fonctionnaire technique, peut définir des mesures appropriées.
Art. 18. Onderafdeling 2 is van toepassing op de herinrichtingsschietverrichtingen.
Art. 18. La sous-section 2 est applicable aux tirs de réaménagement.
Afdeling 6. - Voertuigenverkeer.
Section 6. - Charroi.
Art. 19. Het interne circuit wordt besproeid telkens als de toestand het rechtvaardigt.
Art. 19. L'arrosage du circuit interne est effectué chaque fois que la situation le justifie.
Art. 20. Het afvalwater afkomstig van het schoonmaken van de voertuigen en van het interne circuit wordt gezuiverd vóór zijn lozing naar buiten met inachtneming van de in hoofdstuk IV van dit besluit bedoelde richtwaarden.
Art. 20. Les eaux résiduaires provenant du nettoyage des véhicules et du circuit interne subissent une épuration avant leur rejet vers l'extérieur dans le respect des valeurs guides reprises au chapitre IV du présent arrêté.
Art. 21. De voertuigen en werktuigen uitgerust met verbrandingsmotoren en gebruikt voor de exploitatie van de groeve en van de bijhorigheden ervan moeten voorzien zijn van inlaat- en uitlaatdempers die met de wetgeving overeenstemmen en die in goede onderhouds- en werkingstoestand zijn.
Minstens één kit voor een noodorganisatie tegen verontreiniging is beschikbaar per blootgestelde werkplaats. De kit moet van dien aard zijn dat elke uitbreiding van de verontreiniging met name naar de grondwaterlaag wordt voorkomen.
Minstens één kit voor een noodorganisatie tegen verontreiniging is beschikbaar per blootgestelde werkplaats. De kit moet van dien aard zijn dat elke uitbreiding van de verontreiniging met name naar de grondwaterlaag wordt voorkomen.
Art. 21. Les véhicules et engins équipés de moteurs à combustion interne et utilisés à l'exploitation de la carrière et de ses dépendances doivent être équipés de silencieux d'admission et d'échappement conformes à la législation et en bon état d'entretien et de fonctionnement.
Au moins un kit d'intervention d'urgence anti-pollution est disponible par lieu de travail exposé. Ce kit doit être de nature à empêcher efficacement toute extension de la pollution, notamment vers la nappe phréatique.
Au moins un kit d'intervention d'urgence anti-pollution est disponible par lieu de travail exposé. Ce kit doit être de nature à empêcher efficacement toute extension de la pollution, notamment vers la nappe phréatique.
Afdeling 7. - Exploitatie en herinrichting van de groeven.
Section 7 - Exploitation et réaménagement des carrières.
Onderafdeling 1. - Algemeen.
Sous-section 1re. - Généralités.
Art. 22. De herinrichting van de groeve gebeurt overeenkomstig de eindbestemming zoals bepaald in het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium. Ze beoogt de verbetering van de biodiversiteit (pioniersomgevingen, open omgevingen, reservaten). Deze doelstelling wordt bereikt door natuurlijke pioniersomgevingen en open omgevingen bij voorkeur op te richten. De herinrichting beoogt tevens de beveiliging van de site. Ze kan bij opeenvolgende fasen uitgevoerd worden gedurende de exploitatie.
Art. 22. Le réaménagement de la carrière se fait en conformité avec la destination finale telle que définie par le Code wallon de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme et du Patrimoine. Il vise ainsi à l'amélioration de la biodiversité (milieux pionniers, milieux ouverts, zones de refuges). Cet objectif est atteint en recréant prioritairement des milieux naturels pionniers et de type " ouvert ". Le réaménagement vise également la sécurisation du site.
Le réaménagement peut se faire par phases successives pendant l'exploitation.
Le réaménagement peut se faire par phases successives pendant l'exploitation.
Art. 23. Binnen de perken van de voorschriften gebonden aan de veiligheid van de site of aan de installatie van gezichtsschermen of schermen tegen stoffen gebeurt de herinrichting met inachtneming van de geologische eigenschappen (los, vast, kalk en kalkarm gesteente), de pedologische eigenschappen (algemene edafische voorwaarden, met name de textuur, de structuur, de zuurheid, het hoge voedingsstoffengehalte) van de site alsmede de natuurlijke geografische verspreidingsgebieden van de gebruikte planten. Ze is van toepassing op alle bestanddelen van de groeve (opslagen van ontsluitingsgronden, van onvruchtbare gronden of merloenen, bodem van de groeve, trappen, pijlerfronten, bezinkingsbekkens).
Art. 23. Dans les limites des exigences liées à la sécurisation du site ou à la réalisation d'écrans visuels ou anti-poussières, le réaménagement respecte les caractéristiques géologiques (roches meubles, cohérentes, calcaires, non-calcaires), pédologiques (conditions édaphiques générales, en particulier la texture, la structure, l'acidité, la richesse en nutriments) du site ainsi que les aires de répartition géographique naturelle des végétaux utilisés. Il s'applique distinctement à tous les éléments constitutifs de la carrière (dépôts de terres de découverture, stériles ou merlons, fond de la carrière, paliers, fronts de taille, bassins de décantation).
Art. 24. De herinrichting omvat ook maatregelen bestemd om het nabeheer van de site te garanderen, met name de maatregelen met het oog op de veiligheid van de site (omheiningen, stabiliteit van de fronten) en het goed functioneren van de eindherinrichting (controle en onderhoud van de beplantingen).
Art. 24. Le réaménagement comprend également des dispositions destinées à assurer la post-gestion du site, à savoir les mesures visant à garantir la sécurité du site (clôtures, stabilité des fronts) et la bonne marche du réaménagement final (contrôle et entretien des plantations).
Art. 25. De Minister van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Leefmilieu bezorgt een gids van goede praktijk voor de uitvoering van de artikelen 22 tot 24.
Art. 25. Le Ministre ayant l'Aménagement du Territoire, l'Urbanisme et l'Environnement dans ses attributions fournit un guide de bonne pratique destiné à la mise en oeuvre des articles 22 à 24.
Onderafdeling 2. - Zekerheid.
Sous-section 2. - Sûreté.
Art. 26. De geraamde kosten van de herinrichtingswerken in de uitgravings- en nabeheersgrens bepaald in de vorige onderafdeling worden bepaald op grond van prijzen bepaald door derde-operatoren die niet van de exploitant afhangen.
Deze kosten worden jaarlijks geïndexeerd op grond van de volgende formule :
0,6 s/S + 0,2 i/I + 0,2
waar :
(S) gelijk is aan het gemiddelde van de tijdlonen van de geschoolde arbeiders, vakmannen en ongeschoolde arbeiders, bepaald door de Nationale Paritaire Commissie van de bouwnijverheid, vermeerderd met het globale percentage van de sociale lasten en verzekeringen zoals bepaald door het Ministerie van Openbare Werken op de dag waarop de vergunning wordt uitgevoerd;
(S) gelijk is aan hetzelfde gemiddelde op 31 januari van elk jaar;
(I) gelijk is aan de maandelijkse index berekend op grond van een jaarlijks verbruik van de voornaamste materialen en stoffen door de bouwnijverheid op de binnenmarkt. Deze index heeft betrekking op de vorige maand waarin de vergunning uitvoerbaar is geworden;
(i) gelijk is aan dezelfde index voor de maand januari van elk jaar.
Deze kosten worden jaarlijks geïndexeerd op grond van de volgende formule :
0,6 s/S + 0,2 i/I + 0,2
waar :
(S) gelijk is aan het gemiddelde van de tijdlonen van de geschoolde arbeiders, vakmannen en ongeschoolde arbeiders, bepaald door de Nationale Paritaire Commissie van de bouwnijverheid, vermeerderd met het globale percentage van de sociale lasten en verzekeringen zoals bepaald door het Ministerie van Openbare Werken op de dag waarop de vergunning wordt uitgevoerd;
(S) gelijk is aan hetzelfde gemiddelde op 31 januari van elk jaar;
(I) gelijk is aan de maandelijkse index berekend op grond van een jaarlijks verbruik van de voornaamste materialen en stoffen door de bouwnijverheid op de binnenmarkt. Deze index heeft betrekking op de vorige maand waarin de vergunning uitvoerbaar is geworden;
(i) gelijk is aan dezelfde index voor de maand januari van elk jaar.
Art. 26. Les coûts estimés des travaux de réaménagement dans la limite d'extraction et de post-gestion définis à la sous-section précédente sont établis sur base de prix qui sont pratiqués par des opérateurs tiers indépendants de l'exploitant.
Ces coûts sont indexés chaque année sur la base de la formule suivante :
0,6 s/S + 0,2 i/I + 0,2
Où :
(S) représente la moyenne des salaires horaires des ouvriers qualifiés, spécialisés et manoeuvres, fixée par la Commission paritaire nationale de l'Industrie de la Construction, majorée du pourcentage global des charges sociales et assurances, tel qu'il est admis par le Ministère des Travaux publics, le jour de la mise en oeuvre du permis;
(s) représente la même moyenne au 31 janvier de chaque année;
(I) représente l'indice mensuel calculé sur la base d'une consommation annuelle des principaux matériaux et matières par l'industrie de la Construction sur le marché intérieur. Cet indice se rapporte au mois précédent durant lequel le permis est devenu exécutoire;
(i) représente ce même indice pour le mois de janvier de chaque année.
Ces coûts sont indexés chaque année sur la base de la formule suivante :
0,6 s/S + 0,2 i/I + 0,2
Où :
(S) représente la moyenne des salaires horaires des ouvriers qualifiés, spécialisés et manoeuvres, fixée par la Commission paritaire nationale de l'Industrie de la Construction, majorée du pourcentage global des charges sociales et assurances, tel qu'il est admis par le Ministère des Travaux publics, le jour de la mise en oeuvre du permis;
(s) représente la même moyenne au 31 janvier de chaque année;
(I) représente l'indice mensuel calculé sur la base d'une consommation annuelle des principaux matériaux et matières par l'industrie de la Construction sur le marché intérieur. Cet indice se rapporte au mois précédent durant lequel le permis est devenu exécutoire;
(i) représente ce même indice pour le mois de janvier de chaque année.
Art. 27. De geraamde kosten van de herinrichting voortvloeiend uit de werken die moeten worden uitgevoerd tot 31 december van het jaar volgend op het jaar gedurende welke de vergunning uitvoerbaar is geworden, bepalen het bedrag van de vóór het begin van de werken te stellen zekerheid.
Art. 27. Le coût estimé du réaménagement, découlant des travaux à effectuer jusqu'au 31 décembre de l'année suivant celle durant laquelle le permis est devenu exécutoire, fixe le montant de la sûreté à engager avant le commencement des travaux.
Art. 28. § 1. Het bedrag van de zekerheid wordt jaarlijks aangepast behalve gedurende het jaar volgend op het begin van de werken.
Daartoe deelt de exploitant de volgende gegevens uiterlijk 31 januari van elk jaar mede aan de technisch ambtenaar en aan de gemachtigd ambtenaar :
- de totale oppervlakte die op 31 december van het afgelopen jaar al ontsloten is en het totale volume dat op dezelfde datum gewonnen is, volgens het geval;
- de waarde van de al verrichte herinrichtingswerken van de site;
- de bewijsstukken voor de verificatie van de medegedeelde waarden;
- de berekening van het bedrag van de zekerheid aangepast op grond van de hierboven vermelde inlichtingen en bepaald volgens één van beide volgende formules bedoeld in de milieuvergunning :
CE x S/ST - TR.
CE : geraamde kosten van de herinrichtingswerken.
S : op 31 december van het afgelopen jaar ontsloten oppervlakte;
ST : bij de milieuvergunning toegelaten totale oppervlakte;
TR : geraamde kosten van de herinrichtingswerken die op grond van dezelfde criteria als " CE " al verricht zijn.
CE x V/VT - TR.
CE : geraamde kosten van het geheel van de herinrichtingswerken;
V : het op 31 december van het afgelopen jaar geëxploiteerde volume;
VT : het te exploiteren totale volume;
TR geraamde kosten van de herinrichtingswerken die op grond van dezelfde criteria als " CE " al verricht zijn.
§ 2. Binnen zestig dagen na de in § 1 bedoelde mededeling en na verificatie en eventuele rectificatie deelt de bevoegde overheid op gezamenlijk advies van de technisch ambtenaar en van de gemachtigde ambtenaar het aangepaste bedrag van de zekerheid mede aan de exploitant.
Na deze termijn wordt het bedrag van de door de exploitant berekende aanpassing geacht goedgekeurd te zijn. Indien de exploitant de in § 1 bedoelde gegevens binnen de voorgeschreven termijnen niet mededeelt, wordt het bedrag van ambtswege en gezamenlijk door de technisch ambtenaar en de gemachtigd ambtenaar bepaald.
§ 3. Op grond van het aangepaste totale bedrag van de zekerheid dat wordt medegedeeld of geacht goedgekeurd te zijn, en voorzover er een verschil van meer dan tien procent is tussen dit bedrag en het vastgelegde bedrag, past de exploitant binnen dertig dagen deze zekerheid aan. Hij deelt er de rechtvaardiging van aan de technisch ambtenaar en aan de gemachtigd ambtenaar.
Daartoe deelt de exploitant de volgende gegevens uiterlijk 31 januari van elk jaar mede aan de technisch ambtenaar en aan de gemachtigd ambtenaar :
- de totale oppervlakte die op 31 december van het afgelopen jaar al ontsloten is en het totale volume dat op dezelfde datum gewonnen is, volgens het geval;
- de waarde van de al verrichte herinrichtingswerken van de site;
- de bewijsstukken voor de verificatie van de medegedeelde waarden;
- de berekening van het bedrag van de zekerheid aangepast op grond van de hierboven vermelde inlichtingen en bepaald volgens één van beide volgende formules bedoeld in de milieuvergunning :
CE x S/ST - TR.
CE : geraamde kosten van de herinrichtingswerken.
S : op 31 december van het afgelopen jaar ontsloten oppervlakte;
ST : bij de milieuvergunning toegelaten totale oppervlakte;
TR : geraamde kosten van de herinrichtingswerken die op grond van dezelfde criteria als " CE " al verricht zijn.
CE x V/VT - TR.
CE : geraamde kosten van het geheel van de herinrichtingswerken;
V : het op 31 december van het afgelopen jaar geëxploiteerde volume;
VT : het te exploiteren totale volume;
TR geraamde kosten van de herinrichtingswerken die op grond van dezelfde criteria als " CE " al verricht zijn.
§ 2. Binnen zestig dagen na de in § 1 bedoelde mededeling en na verificatie en eventuele rectificatie deelt de bevoegde overheid op gezamenlijk advies van de technisch ambtenaar en van de gemachtigde ambtenaar het aangepaste bedrag van de zekerheid mede aan de exploitant.
Na deze termijn wordt het bedrag van de door de exploitant berekende aanpassing geacht goedgekeurd te zijn. Indien de exploitant de in § 1 bedoelde gegevens binnen de voorgeschreven termijnen niet mededeelt, wordt het bedrag van ambtswege en gezamenlijk door de technisch ambtenaar en de gemachtigd ambtenaar bepaald.
§ 3. Op grond van het aangepaste totale bedrag van de zekerheid dat wordt medegedeeld of geacht goedgekeurd te zijn, en voorzover er een verschil van meer dan tien procent is tussen dit bedrag en het vastgelegde bedrag, past de exploitant binnen dertig dagen deze zekerheid aan. Hij deelt er de rechtvaardiging van aan de technisch ambtenaar en aan de gemachtigd ambtenaar.
Art. 28. § 1er. Le montant de la sûreté est ajusté chaque année, sauf celle qui suit le début des travaux.
A cette fin, l'exploitant communique au fonctionnaire technique et au fonctionnaire délégué, au plus tard le 31 janvier de chaque année :
-> la superficie totale déjà découverte au 31 décembre écoulé ou le volume total déjà extrait à cette même date, selon le cas;
-> la valeur des travaux de réaménagement du site déjà réalisés;
-> les pièces justificatives permettant la vérification des valeurs communiquées;
-> le calcul du montant de la sûreté ajusté sur la base des renseignements repris ci-dessus, et établi selon une des deux formules suivantes fixées par le permis d'environnement :
CE x S/ST - TR.
CE : coût estimé de l'ensemble des travaux de réaménagement.
S : superficie découverte au 31 décembre de l'année écoulée.
ST : superficie totale autorisée par le permis d'environnement.
TR : coût estimé des travaux de réaménagement déjà réalisés sur les mêmes critères que CE.
CE x V/VT - TR.
CE : coût estimé de l'ensemble des travaux de réaménagement.
V : volume exploité au 31 décembre de l'année écoulée.
VT : volume total à exploiter.
TR : coût estimé des travaux de réaménagement déjà réalisés sur les mêmes critères que CE.
§ 2. Dans les soixante jours de la communication visée au § 1er, et après vérification et rectification éventuelle, sur avis conjoint du fonctionnaire technique et du fonctionnaire délégué, l'autorité compétente notifie à l'exploitant le montant de la sûreté ajusté.
Passé ce délai, le montant de l'ajustement calculé par l'exploitant est réputé approuvé.
A défaut de communication par l'exploitant des renseignements visés au § 1er dans les délais requis, le montant est déterminé d'office et conjointement par le fonctionnaire technique et le fonctionnaire délégué.
§ 3. Sur la base du montant total de la sûreté réajusté, notifié ou réputé approuvé, et pour autant que ce montant s'écarte de plus de dix pour-cent du montant engagé, l'exploitant procède, dans les trente jours, au réajustement de cette sûreté. Il en communique la justification au fonctionnaire technique et au fonctionnaire délégué.
A cette fin, l'exploitant communique au fonctionnaire technique et au fonctionnaire délégué, au plus tard le 31 janvier de chaque année :
-> la superficie totale déjà découverte au 31 décembre écoulé ou le volume total déjà extrait à cette même date, selon le cas;
-> la valeur des travaux de réaménagement du site déjà réalisés;
-> les pièces justificatives permettant la vérification des valeurs communiquées;
-> le calcul du montant de la sûreté ajusté sur la base des renseignements repris ci-dessus, et établi selon une des deux formules suivantes fixées par le permis d'environnement :
CE x S/ST - TR.
CE : coût estimé de l'ensemble des travaux de réaménagement.
S : superficie découverte au 31 décembre de l'année écoulée.
ST : superficie totale autorisée par le permis d'environnement.
TR : coût estimé des travaux de réaménagement déjà réalisés sur les mêmes critères que CE.
CE x V/VT - TR.
CE : coût estimé de l'ensemble des travaux de réaménagement.
V : volume exploité au 31 décembre de l'année écoulée.
VT : volume total à exploiter.
TR : coût estimé des travaux de réaménagement déjà réalisés sur les mêmes critères que CE.
§ 2. Dans les soixante jours de la communication visée au § 1er, et après vérification et rectification éventuelle, sur avis conjoint du fonctionnaire technique et du fonctionnaire délégué, l'autorité compétente notifie à l'exploitant le montant de la sûreté ajusté.
Passé ce délai, le montant de l'ajustement calculé par l'exploitant est réputé approuvé.
A défaut de communication par l'exploitant des renseignements visés au § 1er dans les délais requis, le montant est déterminé d'office et conjointement par le fonctionnaire technique et le fonctionnaire délégué.
§ 3. Sur la base du montant total de la sûreté réajusté, notifié ou réputé approuvé, et pour autant que ce montant s'écarte de plus de dix pour-cent du montant engagé, l'exploitant procède, dans les trente jours, au réajustement de cette sûreté. Il en communique la justification au fonctionnaire technique et au fonctionnaire délégué.
Art. 29. Als de werkelijke verhoging van de kosten van de herinrichtingswerken niet overeenstemt met de volgens artikel 26 bepaalde waarde, gaat de exploitant over tot een nieuwe raming van deze kosten die hij aan de technisch ambtenaar en aan de gemachtigd ambtenaar onderwerpt. Overeenkomstig artikel 55, § 4, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kunnen deze laatsten een wijziging van het bedrag van de zekerheid voorstellen aan de bevoegde overheid.
Art. 29. Si l'augmentation réelle du coût des travaux de réaménagement ne correspond pas à la valeur établie suivant l'article 26, l'exploitant procède à une nouvelle estimation de ce coût et le soumet au fonctionnaire technique et au fonctionnaire délégué. Ces derniers peuvent proposer à l'autorité compétente, conformément à l'article 55, § 4 du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, une modification du montant de la sûreté.
Afdeling 8. [1 - Uitgravingskuilen]1
Section 8. [1 - Trous d'excavation]1
Onderafdeling 1. [1 - Algemeenheden]1
Sous-section 1re. [1 - Généralités]1
Art.29bis. [1 Deze afdeling is van toepassing op afvalstoffen afkomstig van de ontginning van groeven, hierna vermeld winningsafval, met uizondering van :
1° afvalstoffen die niet rechtstreeks afkomstig zijn van deze ontginning;
2° injectie van water om technische redenen, in geologische formaties waaruit de stoffen zijn gewonnen of in geologische formaties die van natuur blijvend ongeschikt zijn voor andere doeleinden. Deze injecties bevatten geen andere stoffen dan deze die uit bovenvermelde verrichtingen voortvloeien;
3° de herinjectie van uit groeven gepompt water.]1
1° afvalstoffen die niet rechtstreeks afkomstig zijn van deze ontginning;
2° injectie van water om technische redenen, in geologische formaties waaruit de stoffen zijn gewonnen of in geologische formaties die van natuur blijvend ongeschikt zijn voor andere doeleinden. Deze injecties bevatten geen andere stoffen dan deze die uit bovenvermelde verrichtingen voortvloeien;
3° de herinjectie van uit groeven gepompt water.]1
Art.29bis. [1 La présente section s'applique aux déchets résultant de l'exploitation de carrières, ci-après dénommés déchets d'extraction, à l'exclusion :
1° des déchets qui ne résultent pas directement de cette exploitation;
2° de l'injection d'eau pour des raisons techniques, dans les strates géologiques d'où les substances ont été extraites ou dans les strates géologiques que la nature rend en permanence impropres à d'autres utilisations. Ces injections ne contiennent pas d'autres substances que celles qui résultent des opérations susmentionnées;
3° de la réinjection d'eau extraite des carrières.]1
1° des déchets qui ne résultent pas directement de cette exploitation;
2° de l'injection d'eau pour des raisons techniques, dans les strates géologiques d'où les substances ont été extraites ou dans les strates géologiques que la nature rend en permanence impropres à d'autres utilisations. Ces injections ne contiennent pas d'autres substances que celles qui résultent des opérations susmentionnées;
3° de la réinjection d'eau extraite des carrières.]1
Art.29ter. [1 In de zin van deze afdeling wordt verstaan onder :
1° afvalstoffen : alle afvalstoffen zoals bedoeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;
2° verwerking : een mechanisch, fysisch, biologisch, thermisch of chemisch proces, of een combinatie van dergelijke processen die op minerale bronnen worden uitgevoerd met de bedoeling het mineraal te extraheren, inclusief het wijzigen van de grootte ervan, het classificeren, het scheiden en uitlogen, en het opnieuw verwerken van eerder weggegooid afval, maar exclusief smelten, thermische productieprocessen exclusief de verbranding van kalksteen, en metallurgische processen;
3° percolaat : elke vloeistof die door de gestorte afvalstoffen sijpelt en afkomstig is uit een afvalvoorziening of zich daarin bevindt, met inbegrip van verontreinigd afvoerwater dat, als het niet op de juiste wijze behandeld wordt, nadelige effecten op het milieu kan hebben;
4° gevaarlijke stof : een stof, mengsel of preparaat dat gevaarlijk is in de zin van Richtlijn 67/548/EEG betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen of Richtlijn 1999/45/EG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten;
5° oppervlaktewater : binnenwateren, met uitzondering van grondwater, overgangswater en kustwateren, en voor zover het de chemische toestand betreft, ook territoriale wateren;
6° grondwater : al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in rechtstreeks contact met de bodem of de ondergrond staat;
7° overgangswater : een oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een riviermonding, dat gedeeltelijk zout is door de nabijheid van kustwateren, maar dat in belangrijke mate door zoetwaterstromen wordt beïnvloed;
8° kustwateren : de oppervlaktewateren, gelegen aan de landzijde van een lijn waarvan elk punt zich op een afstand bevindt van één zeemijl zeewaarts van het dichtstbijzijnde punt van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten, zo nodig uitgebreid tot de buitengrens van een overgangswater;
9° exploitant : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het beheer van winningsafval, tevens met betrekking tot de tijdelijke opslag van winningsafval, alsmede de exploitatiefasen en de fase na de sluiting;
10° afvalhouder : de producent van het winningsafval of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het afval in bezit heeft;
11° terrein : alle land op een afzonderlijke geografische locatie onder de beheerscontrole van een exploitant.]1
1° afvalstoffen : alle afvalstoffen zoals bedoeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen;
2° verwerking : een mechanisch, fysisch, biologisch, thermisch of chemisch proces, of een combinatie van dergelijke processen die op minerale bronnen worden uitgevoerd met de bedoeling het mineraal te extraheren, inclusief het wijzigen van de grootte ervan, het classificeren, het scheiden en uitlogen, en het opnieuw verwerken van eerder weggegooid afval, maar exclusief smelten, thermische productieprocessen exclusief de verbranding van kalksteen, en metallurgische processen;
3° percolaat : elke vloeistof die door de gestorte afvalstoffen sijpelt en afkomstig is uit een afvalvoorziening of zich daarin bevindt, met inbegrip van verontreinigd afvoerwater dat, als het niet op de juiste wijze behandeld wordt, nadelige effecten op het milieu kan hebben;
4° gevaarlijke stof : een stof, mengsel of preparaat dat gevaarlijk is in de zin van Richtlijn 67/548/EEG betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen of Richtlijn 1999/45/EG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten;
5° oppervlaktewater : binnenwateren, met uitzondering van grondwater, overgangswater en kustwateren, en voor zover het de chemische toestand betreft, ook territoriale wateren;
6° grondwater : al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in rechtstreeks contact met de bodem of de ondergrond staat;
7° overgangswater : een oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een riviermonding, dat gedeeltelijk zout is door de nabijheid van kustwateren, maar dat in belangrijke mate door zoetwaterstromen wordt beïnvloed;
8° kustwateren : de oppervlaktewateren, gelegen aan de landzijde van een lijn waarvan elk punt zich op een afstand bevindt van één zeemijl zeewaarts van het dichtstbijzijnde punt van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten, zo nodig uitgebreid tot de buitengrens van een overgangswater;
9° exploitant : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het beheer van winningsafval, tevens met betrekking tot de tijdelijke opslag van winningsafval, alsmede de exploitatiefasen en de fase na de sluiting;
10° afvalhouder : de producent van het winningsafval of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het afval in bezit heeft;
11° terrein : alle land op een afzonderlijke geografische locatie onder de beheerscontrole van een exploitant.]1
Art.29ter. [1 Au sens de la présente section, on entend par :
1° déchet : tout déchet tel que défini à l'article 2, 1°, du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets;
2° traitement : un procédé mécanique, physique, biologique, thermique ou chimique, ou une combinaison de ces procédés, appliqué à des ressources minérales, destiné à extraire le minéral des ressources minérales, en ce compris la modification de la taille, le triage, la séparation et le lessivage, ainsi que le traitement secondaire de déchets précédemment mis au rebut, à l'exclusion de la fusion, des procédés de fabrication thermiques autres que la calcination de la pierre à chaux et des procédés métallurgiques;
3° lixiviat : tout liquide filtrant par percolation des déchets déposés et s'écoulant d'une installation de gestion de déchets ou contenu dans celle-ci, y compris les eaux de drainage polluées, et qui est susceptible de nuire à l'environnement s'il ne subit pas un traitement approprié;
4° substance dangereuse : une substance, un mélange ou une préparation dangereuse au sens de la Directive 67/548/CEE concernant le rapprochement des dispositions législatives, réglementaires et administratives relatives à la classification, l'emballage et l'étiquetage des substances dangereuses ou de la Directive 1999/45/CE concernant le rapprochement des dispositions législatives, réglementaires et administratives des Etats membres relatives à la classification, à l'emballage et à l'étiquetage des préparations dangereuses;
5° eaux de surface : les eaux intérieures, à l'exception des eaux souterraines, les eaux de transition et des eaux côtières, sauf en ce qui concerne leur état chimique, pour lequel les eaux territoriales sont également incluses;
6° eaux souterraines : toutes les eaux se trouvant sous la surface du sol dans la zone de saturation et en contact direct avec le sol ou le sous-sol;
7° eaux de transition : des masses d'eaux de surface à proximité des embouchures de rivières, qui sont partiellement salines en raison de leur proximité d'eaux côtières, mais qui sont fondamentalement influencées par des courants d'eau douce;
8° eaux côtières : les eaux de surface situées en-deçà d'une ligne dont tout point est situé à une distance d'un mille marin au-delà du point le plus proche de la ligne de base servant pour la mesure de la largeur des eaux territoriales et qui s'étendent, le cas échéant, jusqu'à la limite extérieure d'une eau de transition;
9° exploitant : la personne physique ou morale responsable de la gestion des déchets d'extraction, y compris en ce qui concerne le stockage temporaire des déchets d'extraction ainsi que pendant la période d'exploitation de l'installation et après sa fermeture;
10° détenteur de déchets : le producteur de déchets d'extraction ou la personne physique ou morale en possession de ces déchets;
11° site : la totalité d'un terrain situé dans un endroit géographique précis et qui est géré par un exploitant.]1
1° déchet : tout déchet tel que défini à l'article 2, 1°, du décret du 27 juin 1996 relatif aux déchets;
2° traitement : un procédé mécanique, physique, biologique, thermique ou chimique, ou une combinaison de ces procédés, appliqué à des ressources minérales, destiné à extraire le minéral des ressources minérales, en ce compris la modification de la taille, le triage, la séparation et le lessivage, ainsi que le traitement secondaire de déchets précédemment mis au rebut, à l'exclusion de la fusion, des procédés de fabrication thermiques autres que la calcination de la pierre à chaux et des procédés métallurgiques;
3° lixiviat : tout liquide filtrant par percolation des déchets déposés et s'écoulant d'une installation de gestion de déchets ou contenu dans celle-ci, y compris les eaux de drainage polluées, et qui est susceptible de nuire à l'environnement s'il ne subit pas un traitement approprié;
4° substance dangereuse : une substance, un mélange ou une préparation dangereuse au sens de la Directive 67/548/CEE concernant le rapprochement des dispositions législatives, réglementaires et administratives relatives à la classification, l'emballage et l'étiquetage des substances dangereuses ou de la Directive 1999/45/CE concernant le rapprochement des dispositions législatives, réglementaires et administratives des Etats membres relatives à la classification, à l'emballage et à l'étiquetage des préparations dangereuses;
5° eaux de surface : les eaux intérieures, à l'exception des eaux souterraines, les eaux de transition et des eaux côtières, sauf en ce qui concerne leur état chimique, pour lequel les eaux territoriales sont également incluses;
6° eaux souterraines : toutes les eaux se trouvant sous la surface du sol dans la zone de saturation et en contact direct avec le sol ou le sous-sol;
7° eaux de transition : des masses d'eaux de surface à proximité des embouchures de rivières, qui sont partiellement salines en raison de leur proximité d'eaux côtières, mais qui sont fondamentalement influencées par des courants d'eau douce;
8° eaux côtières : les eaux de surface situées en-deçà d'une ligne dont tout point est situé à une distance d'un mille marin au-delà du point le plus proche de la ligne de base servant pour la mesure de la largeur des eaux territoriales et qui s'étendent, le cas échéant, jusqu'à la limite extérieure d'une eau de transition;
9° exploitant : la personne physique ou morale responsable de la gestion des déchets d'extraction, y compris en ce qui concerne le stockage temporaire des déchets d'extraction ainsi que pendant la période d'exploitation de l'installation et après sa fermeture;
10° détenteur de déchets : le producteur de déchets d'extraction ou la personne physique ou morale en possession de ces déchets;
11° site : la totalité d'un terrain situé dans un endroit géographique précis et qui est géré par un exploitant.]1
Onderafdeling 2. [1 - Opvulling van de uitgravingskuilen]1
Sous-section 2. [1 - Remblayage des trous d'excavation]1
Art.29quater. [1 De exploitant, indien deze met het oog op rehabilitatie- en bouwdoeleinden winningsafval terugplaatst in de door bovengrondse of ondergrondse winning ontstane uitgravingskuilen, neemt de in de artikelen 29quinquies tot septies bedoelde maatregelen.]1
Art.29quater. [1 L'exploitant, lorsqu'il replace les déchets d'extraction dans les trous d'excavation à des fins de remise en état et de construction, qu'ils soient créés par une extraction en surface ou par une extraction souterraine, prend les mesures visées aux articles 29quinquies à septies.]1
Art.29quinquies. [1 De exploitant zorgt voor de stabiliteit van het winningsafval door te verzekeren dat :
1° de opvulling op een geschikt terrein gebeurt in het bijzonder ten aanzien van beschermde gebieden en geologische, hydrologische, hydrogeologische, seismische en geotechnische factoren, en dat hij aan de noodzakelijke voorwaarden voldoet om, op korte en lange termijn, verontreiniging van de bodem, de lucht, het grondwater of het oppervlaktewater te voorkomen, rekening houdend met het Waterwetboek, om te verzekeren dat verontreinigd water en percolaat op doelmatige wijze worden verzameld zoals en wanneer dat volgens de vergunning wordt verlangd, en erosie door water of wind tegen te gaan voorzover dat technisch mogelijk en haalbaar is;
2° de opvulling wordt beheerd en onderhouden, teneinde op de korte en lange de termijn zijn fysische stabiliteit te verzekeren en verontreiniging of besmetting van de bodem, de lucht, het oppervlaktewater of het grondwater te voorkomen en schade aan het landschap zoveel mogelijk te minimaliseren;
3° er passende plannen en regelingen zijn voor de periodieke monitoring en de inspectie van de uitgravingskuil door competente personen en voor het ondernemen van actie indien de resultaten wijzen op instabiliteit of verontreiniging van het water of de bodem;
4° passende regelingen zijn getroffen voor de rehabilitatie van het terrein en de sluiting van de afvalvoorziening;
5° passende regelingen zijn getroffen voor de fase na de sluiting van de uitgravingskuil.
De gegevens van de monitoring en de inspecties als bedoeld onder 1, 3°, worden, samen met de vergunningdocumentatie, bijgehouden, om de passende overdracht van informatie te verzekeren, met name in het geval van een wijziging van exploitant.]1
1° de opvulling op een geschikt terrein gebeurt in het bijzonder ten aanzien van beschermde gebieden en geologische, hydrologische, hydrogeologische, seismische en geotechnische factoren, en dat hij aan de noodzakelijke voorwaarden voldoet om, op korte en lange termijn, verontreiniging van de bodem, de lucht, het grondwater of het oppervlaktewater te voorkomen, rekening houdend met het Waterwetboek, om te verzekeren dat verontreinigd water en percolaat op doelmatige wijze worden verzameld zoals en wanneer dat volgens de vergunning wordt verlangd, en erosie door water of wind tegen te gaan voorzover dat technisch mogelijk en haalbaar is;
2° de opvulling wordt beheerd en onderhouden, teneinde op de korte en lange de termijn zijn fysische stabiliteit te verzekeren en verontreiniging of besmetting van de bodem, de lucht, het oppervlaktewater of het grondwater te voorkomen en schade aan het landschap zoveel mogelijk te minimaliseren;
3° er passende plannen en regelingen zijn voor de periodieke monitoring en de inspectie van de uitgravingskuil door competente personen en voor het ondernemen van actie indien de resultaten wijzen op instabiliteit of verontreiniging van het water of de bodem;
4° passende regelingen zijn getroffen voor de rehabilitatie van het terrein en de sluiting van de afvalvoorziening;
5° passende regelingen zijn getroffen voor de fase na de sluiting van de uitgravingskuil.
De gegevens van de monitoring en de inspecties als bedoeld onder 1, 3°, worden, samen met de vergunningdocumentatie, bijgehouden, om de passende overdracht van informatie te verzekeren, met name in het geval van een wijziging van exploitant.]1
Art.29quinquies. [1 L'exploitant assure la stabilité des déchets d'extraction en veillant à ce que :
1° le remblayage soit réalisé sur un site adéquat notamment en ce qui concerne les zones protégées et les conditions géologiques, hydrologiques, hydrogéologiques, sismiques et géotechniques, et qu'il remplisse les conditions nécessaires, à court et à long terme, pour prévenir la pollution du sol, de l'air, des eaux souterraines ou des eaux de surface, compte tenu notamment du Code de l'Eau, pour assurer une collecte efficace des lixiviats et des eaux contaminés dans les conditions prévues par l'autorisation et pour réduire l'érosion due à l'eau ou au vent dans la mesure où cela est techniquement possible et économiquement viable;
2° le remblayage soit géré et entretenu de manière à assurer sa stabilité physique et à prévenir la pollution ou la contamination du sol, de l'air, des eaux de surface ou des eaux souterraines, à court et à long terme, ainsi qu'à limiter autant que possible les dégâts causés au paysage;
3° les dispositions nécessaires aient été prises pour assurer la surveillance et l'inspection régulières du trou d'excavation par des personnes compétentes et pour intervenir au cas où l'on relèverait des signes d'instabilité ou de contamination de l'eau ou du sol;
4° les dispositions nécessaires aient été prises pour remettre le site en état et fermer l'installation;
5° les dispositions nécessaires aient été prises pour le suivi après fermeture du trou d'excavation.
Les rapports de surveillance et d'inspection mentionnés à l'alinéa 1er, 3°, sont conservés, ainsi que les documents relatifs à l'autorisation, de manière à garantir le transfert approprié des informations, notamment en cas de changement d'exploitant.]1
1° le remblayage soit réalisé sur un site adéquat notamment en ce qui concerne les zones protégées et les conditions géologiques, hydrologiques, hydrogéologiques, sismiques et géotechniques, et qu'il remplisse les conditions nécessaires, à court et à long terme, pour prévenir la pollution du sol, de l'air, des eaux souterraines ou des eaux de surface, compte tenu notamment du Code de l'Eau, pour assurer une collecte efficace des lixiviats et des eaux contaminés dans les conditions prévues par l'autorisation et pour réduire l'érosion due à l'eau ou au vent dans la mesure où cela est techniquement possible et économiquement viable;
2° le remblayage soit géré et entretenu de manière à assurer sa stabilité physique et à prévenir la pollution ou la contamination du sol, de l'air, des eaux de surface ou des eaux souterraines, à court et à long terme, ainsi qu'à limiter autant que possible les dégâts causés au paysage;
3° les dispositions nécessaires aient été prises pour assurer la surveillance et l'inspection régulières du trou d'excavation par des personnes compétentes et pour intervenir au cas où l'on relèverait des signes d'instabilité ou de contamination de l'eau ou du sol;
4° les dispositions nécessaires aient été prises pour remettre le site en état et fermer l'installation;
5° les dispositions nécessaires aient été prises pour le suivi après fermeture du trou d'excavation.
Les rapports de surveillance et d'inspection mentionnés à l'alinéa 1er, 3°, sont conservés, ainsi que les documents relatifs à l'autorisation, de manière à garantir le transfert approprié des informations, notamment en cas de changement d'exploitant.]1
Art.29sexies. [1 § 1. Om de verontreiniging van de bodem, het oppervlaktewater en het grondwater te voorkomen, neemt de exploitant de noodzakelijke maatregelen om, overeenkomstig het Waterwetboek, de verslechtering van de huidige toestand van het water te voorkomen, onder meer door :
1° de potentiële percolaatvorming te evalueren, met inbegrip van de verontreinigde bestanddelen van het percolaat, vanuit het gestorte afval tijdens de opvullingsfase, en de waterbalans te bepalen;
2° te voorkomen, of zoveel mogelijk te voorkomen, dat percolaat wordt gegenereerd en oppervlaktewater en grondwater of de bodem door het afval worden verontreinigd;
3° het verontreinigde water en percolaat van de afvalvoorziening te verzamelen en te behandelen totdat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde normen voor de lozing ervan.
§ 2. Als de bevoegde autoriteit op basis van een beoordeling van de milieurisico's en rekening houdend met de bepalingen van het Waterwetboek, voorzover van toepassing, heeft besloten dat het verzamelen en behandelen van percolaat niet nodig is, of als is vastgesteld dat de uitgravingskuil geen potentieel gevaar voor de bodem, het grondwater of het oppervlaktewater vormt, kunnen de in de § 1, 2° en 3° bedoelde voorschriften dienovereenkomstig worden afgezwakt of vervallen.
§ 3. Wanneer winningsafval terug in uitgravingskuilen wordt geplaatst, onstaan door bovengrondse of ondergrondse winning, die na sluiting mogen volstromen, neemt de exploitant de noodzakelijke maatregelen om de verslechtering van de water en bodemverontreiniging te voorkomen of tot een minimum te beperken, overeenkomstig § 1, 1° en 3°.
De exploitant voorziet de bevoegde overheid van de informaties die noodzakelijk zijn voor de naleving van zijn verplichtingen.]1
1° de potentiële percolaatvorming te evalueren, met inbegrip van de verontreinigde bestanddelen van het percolaat, vanuit het gestorte afval tijdens de opvullingsfase, en de waterbalans te bepalen;
2° te voorkomen, of zoveel mogelijk te voorkomen, dat percolaat wordt gegenereerd en oppervlaktewater en grondwater of de bodem door het afval worden verontreinigd;
3° het verontreinigde water en percolaat van de afvalvoorziening te verzamelen en te behandelen totdat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde normen voor de lozing ervan.
§ 2. Als de bevoegde autoriteit op basis van een beoordeling van de milieurisico's en rekening houdend met de bepalingen van het Waterwetboek, voorzover van toepassing, heeft besloten dat het verzamelen en behandelen van percolaat niet nodig is, of als is vastgesteld dat de uitgravingskuil geen potentieel gevaar voor de bodem, het grondwater of het oppervlaktewater vormt, kunnen de in de § 1, 2° en 3° bedoelde voorschriften dienovereenkomstig worden afgezwakt of vervallen.
§ 3. Wanneer winningsafval terug in uitgravingskuilen wordt geplaatst, onstaan door bovengrondse of ondergrondse winning, die na sluiting mogen volstromen, neemt de exploitant de noodzakelijke maatregelen om de verslechtering van de water en bodemverontreiniging te voorkomen of tot een minimum te beperken, overeenkomstig § 1, 1° en 3°.
De exploitant voorziet de bevoegde overheid van de informaties die noodzakelijk zijn voor de naleving van zijn verplichtingen.]1
Art.29sexies. [1 § 1er. L'exploitant prévient la pollution du sol, des eaux de surface et des eaux souterraines en prenant les mesures nécessaires pour prévenir, conformément au Code de l'Eau, la détérioration de la qualité actuelle de l'eau, en procédant, entre autres, aux opérations suivantes :
1° évaluer le potentiel de production de lixiviats, y compris le niveau de contaminants de ces derniers, des déchets déposés pendant la période de remblayage, et effectuer le bilan hydrique;
2° prévenir la production de lixiviats et la contamination des eaux de surface ou des eaux souterraines et du sol par les déchets, ou les réduire au minimum;
3° recueillir et traiter les eaux contaminées et les lixiviats provenant de l'installation afin qu'ils atteignent la qualité requise pour pouvoir être rejetés.
§ 2. Lorsque, sur la base d'une évaluation des risques environnementaux tenant compte en particulier, et selon leur applicabilité, des dispositions du Code de l'Eau, l'autorité compétente décide que la collecte et le traitement des lixiviats ne sont pas nécessaires, ou qu'il est établi que le trou d'excavation ne présente pas de danger pour le sol, les eaux souterraines ou les eaux de surface, les exigences visées au § 1er, 2° et 3° peuvent être assouplies ou il peut y être dérogé en conséquence.
§ 3. Lorsqu'il replace les déchets d'extraction et les autres matières extraites dans les trous d'excavation autorisés à être inondés après fermeture, qu'ils soient créés par une extraction en surface ou par une extraction souterraine, l'exploitant prend les mesures nécessaires pour prévenir ou réduire au minimum la détérioration de l'eau et la pollution du sol conformément au § 1er, 1° et 3°.
L'exploitant fournit à l'autorité compétente les informations nécessaires pour assurer le respect de ses obligations.]1
1° évaluer le potentiel de production de lixiviats, y compris le niveau de contaminants de ces derniers, des déchets déposés pendant la période de remblayage, et effectuer le bilan hydrique;
2° prévenir la production de lixiviats et la contamination des eaux de surface ou des eaux souterraines et du sol par les déchets, ou les réduire au minimum;
3° recueillir et traiter les eaux contaminées et les lixiviats provenant de l'installation afin qu'ils atteignent la qualité requise pour pouvoir être rejetés.
§ 2. Lorsque, sur la base d'une évaluation des risques environnementaux tenant compte en particulier, et selon leur applicabilité, des dispositions du Code de l'Eau, l'autorité compétente décide que la collecte et le traitement des lixiviats ne sont pas nécessaires, ou qu'il est établi que le trou d'excavation ne présente pas de danger pour le sol, les eaux souterraines ou les eaux de surface, les exigences visées au § 1er, 2° et 3° peuvent être assouplies ou il peut y être dérogé en conséquence.
§ 3. Lorsqu'il replace les déchets d'extraction et les autres matières extraites dans les trous d'excavation autorisés à être inondés après fermeture, qu'ils soient créés par une extraction en surface ou par une extraction souterraine, l'exploitant prend les mesures nécessaires pour prévenir ou réduire au minimum la détérioration de l'eau et la pollution du sol conformément au § 1er, 1° et 3°.
L'exploitant fournit à l'autorité compétente les informations nécessaires pour assurer le respect de ses obligations.]1
Art.29septies. [1 § 1. Na de opvulling is de exploitant verantwoordelijk voor het onderhoud, de monitoring en de controle van het terrein en de corrigerende maatregelen voor zolang de technisch ambtenaar zulks verlangt, rekening houdend met de aard en de duur van het gevaar, tenzij hij besluit dergelijke taken na de definitieve opvulling van de exploitant over te nemen, onverminderd eventuele nationale of communautaire wetgeving betreffende de aansprakelijkheid van de afvalhouder.
§ 2. Indien de technisch ambtenaar dat noodzakelijk acht, met het oog op voldoening aan de relevante milieuvoorwaarden voorzien in de gemeenschapswetgeving en in de Waterwetboek, zal de exploitant, onder meer, de fysische en chemische stabiliteit van de uitgravingskuil onder controle houden en eventuele negatieve milieueffecten tot een minimum beperken, in het bijzonder met betrekking tot het oppervlaktewater en grondwater, door te verzekeren dat :
1° alle structuren die deel uitmaken van de voorziening worden gemonitord en in stand gehouden, met controle- en meetapparatuur die altijd gebruiksklaar is;
2° voorzover van toepassing, overloopkanalen en afvoerkanalen schoon en vrij worden gehouden.]1
§ 2. Indien de technisch ambtenaar dat noodzakelijk acht, met het oog op voldoening aan de relevante milieuvoorwaarden voorzien in de gemeenschapswetgeving en in de Waterwetboek, zal de exploitant, onder meer, de fysische en chemische stabiliteit van de uitgravingskuil onder controle houden en eventuele negatieve milieueffecten tot een minimum beperken, in het bijzonder met betrekking tot het oppervlaktewater en grondwater, door te verzekeren dat :
1° alle structuren die deel uitmaken van de voorziening worden gemonitord en in stand gehouden, met controle- en meetapparatuur die altijd gebruiksklaar is;
2° voorzover van toepassing, overloopkanalen en afvoerkanalen schoon en vrij worden gehouden.]1
Art.29septies. [1 § 1er. Après le remblayage, l'exploitant est responsable de l'entretien, de la surveillance et du contrôle du site et des mesures correctives, pour toute la durée que le fonctionnaire technique, au vu de la nature et de la durée du danger, aura jugée nécessaire, sauf s'il décide d'assumer lui-même ces tâches à la place de l'exploitant, après le remblayage définitif et sans préjudice des dispositions communautaires, légales ou réglementaires relatives à la responsabilité du détenteur de déchets.
§ 2. Si le fonctionnaire technique l'estime nécessaire afin de satisfaire aux exigences environnementales applicables prévues dans la législation communautaire et dans le Code de l'Eau, l'exploitant surveille, entre autres, la stabilité physique et chimique du trou d'excavation et réduit au minimum les effets néfastes sur l'environnement, notamment pour ce qui est des eaux de surface et des eaux souterraines, en veillant à ce que :
1° toutes les structures constitutives de l'installation soient surveillées et entretenues, les appareils de contrôle et de mesure étant toujours prêts à être utilisés;
2° le cas échéant, les canaux de surverse et les déversoirs soient nettoyés et dégagés.]1
§ 2. Si le fonctionnaire technique l'estime nécessaire afin de satisfaire aux exigences environnementales applicables prévues dans la législation communautaire et dans le Code de l'Eau, l'exploitant surveille, entre autres, la stabilité physique et chimique du trou d'excavation et réduit au minimum les effets néfastes sur l'environnement, notamment pour ce qui est des eaux de surface et des eaux souterraines, en veillant à ce que :
1° toutes les structures constitutives de l'installation soient surveillées et entretenues, les appareils de contrôle et de mesure étant toujours prêts à être utilisés;
2° le cas échéant, les canaux de surverse et les déversoirs soient nettoyés et dégagés.]1
HOOFDSTUK IV. - Water.
CHAPITRE IV. - Eau.
Afdeling 1. - Bescherming van de grondwaterlaag en van het oppervlaktewater.
Section 1re. - Protection de la nappe d'eau souterraine et des eaux de surface.
Art. 30. De exploitatie wordt zodanig uitgevoerd dat er geen gevaar is voor de grondwaterlaag.
Art. 30. L'exploitation est conduite de manière telle qu'elle ne puisse constituer un quelconque danger pour la nappe d'eau souterraine.
Art. 31. Behalve in geval van overmacht worden de onderhouds- en herstelverrichtingen en de brandstofvoorziening voor de exploitatiewerktuigen uitgevoerd op een waterdichte gebetonneerde oppervlakte die een retentiekom vormt of aangesloten op een waterdichte kuil die de terugwinning van toevallig verspreide producten mogelijk maakt. Onverminderd het vorige lid kunnen de weinig mobiele werktuigen (rupswerktuigen en compressoren) in de groeve bevoorraadt worden.
Art. 31. Sauf cas de force majeure, les opérations d'entretien et de réparation, le ravitaillement en carburant des engins d'exploitation sont effectués sur une aire bétonnée étanche formant cuvette de rétention, ou reliée à une fosse elle-même étanche permettant la récupération des produits accidentellement répandus.
Par exception à l'alinéa précédent, les engins peu mobiles (engins chenillés et compresseurs) peuvent être ravitaillés en carrière.
Par exception à l'alinéa précédent, les engins peu mobiles (engins chenillés et compresseurs) peuvent être ravitaillés en carrière.
Afdeling 2. - Lozingen in het oppervlaktewater of in de rioleringen.
Section 2. - Rejets en eaux de surface ou en égouts.
Art. 32. De lozingen in het oppervlaktewater of in de rioleringen van de groeven en de bijhorigheden ervan moeten voldoen aan de in de volgende tabellen vermelde voorschriften :
Art. 32. Les rejets en eaux de surface ou en égouts des carrières et de leurs dépendances doivent satisfaire aux prescriptions reprises respectivement dans les tableaux suivants :
Lozingen in het oppervlaktewater
Industrieel Pathogene organismen Ontsmetting in aanwezigheid van
water pathogene organismen in
verhoudingen die een gevaarlijk
besmettingsrisico zouden
inhouden voor het opvangsysteem
PH-waarde 6,5 - 9
Biologische 15/30 mg/l
zuurstofbehoeften
gedurende 5 dagen
Temperatuur 30 °C
Bezinkbare stoffen (2 h) 0,5 (of 2 (*)) ml/l
Zwevende stoffen 60 (of 200 (*)) mg/l
Met CCl4 extraheerbare 5 mg/l
apolaire
koolwaterstoffen.
(anionactieve, 3 mg/l
kationactieve,
niet-ionogene)
wasmiddelen
Industrieel Pathogene organismen Ontsmetting in aanwezigheid van
water pathogene organismen in
verhoudingen die een gevaarlijk
besmettingsrisico zouden
inhouden voor het opvangsysteem
PH-waarde 6,5 - 9
Biologische 15/30 mg/l
zuurstofbehoeften
gedurende 5 dagen
Temperatuur 30 °C
Bezinkbare stoffen (2 h) 0,5 (of 2 (*)) ml/l
Zwevende stoffen 60 (of 200 (*)) mg/l
Met CCl4 extraheerbare 5 mg/l
apolaire
koolwaterstoffen.
(anionactieve, 3 mg/l
kationactieve,
niet-ionogene)
wasmiddelen
Rejets en eau de surface
Eaux Organismes pathogenes Desinfection en cas de presence
industrielles d'organismes pathogenes dans
des proportions risquant de
contaminer le milieu recepteur
pH 6,5 - 9
Demande biologique en 15/30 mg/l
O2 a 5 jours
Temperature 30 °C
Matieres sedimentables 0,5 (ou 2 (*)) ml/l
(2 h)
Matieres en suspension 60 (ou 200 (*)) mg/l
Hydrocarbures apolaires 5 mg/l
extractibles au CCl4.
Detergents (anioniques, 3 mg/l
cationiques,
non-ioniques)
Eaux Organismes pathogenes Desinfection en cas de presence
industrielles d'organismes pathogenes dans
des proportions risquant de
contaminer le milieu recepteur
pH 6,5 - 9
Demande biologique en 15/30 mg/l
O2 a 5 jours
Temperature 30 °C
Matieres sedimentables 0,5 (ou 2 (*)) ml/l
(2 h)
Matieres en suspension 60 (ou 200 (*)) mg/l
Hydrocarbures apolaires 5 mg/l
extractibles au CCl4.
Detergents (anioniques, 3 mg/l
cationiques,
non-ioniques)
(*) Afwijking : wanneer de op 1,5 meter hoogte gemeten windsnelheid hoger is dan 28 km/u. of wanneer het debiet van het geloosde water hoger is dan het maximale debiet droog weer bedoeld in de vergunning. De exploitant stelt een anemometer op 1,5 meter hoogte en bij de afvoerbuis van de bezinkingsbekken ter beschikking.
Bovendien mag het geloosde water, zonder uitdrukkelijke toelating, geen stoffen bevatten bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 29 juni 2000 betreffende de bescherming van het oppervlaktewater tegen de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen, gewijzigd op 12 september 2002. Een representatief monster van het geloosde water mag noch oliën, noch vetten, noch andere drijvende stoffen in zodanige hoeveelheden bevatten dat een drijflaag ondubbelzinnig vastgesteld kan worden. Bij twijfel kan de vaststelling gebeuren door het monster in een scheidsrechter te gieten en daarna te controleren of de twee fasen onderscheiden kunnen worden.
Bovendien mag het geloosde water, zonder uitdrukkelijke toelating, geen stoffen bevatten bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 29 juni 2000 betreffende de bescherming van het oppervlaktewater tegen de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen, gewijzigd op 12 september 2002. Een representatief monster van het geloosde water mag noch oliën, noch vetten, noch andere drijvende stoffen in zodanige hoeveelheden bevatten dat een drijflaag ondubbelzinnig vastgesteld kan worden. Bij twijfel kan de vaststelling gebeuren door het monster in een scheidsrechter te gieten en daarna te controleren of de twee fasen onderscheiden kunnen worden.
(*) Dérogation : lorsque la vitesse du vent mesurée à 1,5 mètre de hauteur sera supérieure à 28 km/h ou lorsque le débit des eaux déversées sera supérieur au débit maximum de temps sec renseigné dans le permis. L'exploitant met à disposition un anémomètre à 1,5 mètre de hauteur et à proximité de l'exutoire des bassins de décantation.
En outre, les eaux déversées ne peuvent, sans autorisation expresse, contenir les substances visées par l'arrêté du Gouvernement wallon du 29 juin 2000 relatif à la protection des eaux de surface contre la pollution causée par certaines substances dangereuses, modifié le 12 septembre 2002.
Un échantillon représentatif des eaux déversées ne peut contenir d'huiles, de graisses ou autres matières flottantes en quantités telles qu'une couche flottante puisse être constatée de manière non équivoque. En cas de doute cela peut être constaté en versant l'échantillon dans une ampoule à décanter et en vérifiant ensuite si les deux phases peuvent être considérées.
En outre, les eaux déversées ne peuvent, sans autorisation expresse, contenir les substances visées par l'arrêté du Gouvernement wallon du 29 juin 2000 relatif à la protection des eaux de surface contre la pollution causée par certaines substances dangereuses, modifié le 12 septembre 2002.
Un échantillon représentatif des eaux déversées ne peut contenir d'huiles, de graisses ou autres matières flottantes en quantités telles qu'une couche flottante puisse être constatée de manière non équivoque. En cas de doute cela peut être constaté en versant l'échantillon dans une ampoule à décanter et en vérifiant ensuite si les deux phases peuvent être considérées.
Lozingen in rioleringen
Industrieel PH-waarde 6 - 9,5
water Temperatuur 45 °C
Maximale diameter van de 10 mm
bezinkbare stoffen
Zwevende stoffen 1 000 mg/l
met petroleumether 0,5 g/l
extraheerbare stoffen
Industrieel PH-waarde 6 - 9,5
water Temperatuur 45 °C
Maximale diameter van de 10 mm
bezinkbare stoffen
Zwevende stoffen 1 000 mg/l
met petroleumether 0,5 g/l
extraheerbare stoffen
Rejets en egout
Eaux pH 6 - 9,5
industrielles Temperature 45 °C
Diametre maximal des 10 mm
matieres en suspension
Matieres en suspension 1 000 mg/l
Matieres extractibles a 0,5 g/l
l'ether de petrole
Eaux pH 6 - 9,5
industrielles Temperature 45 °C
Diametre maximal des 10 mm
matieres en suspension
Matieres en suspension 1 000 mg/l
Matieres extractibles a 0,5 g/l
l'ether de petrole
Bovendien :
1° mag het geloosde water geen opgelost ontvlambaar of ontplofbaar gas bevatten, noch producten die het vrijmaken van dergelijke gassen kunnen veroorzaken;
2° mag het geloosde water geen stoffen bevatten die zonder uitdrukkelijke toelating :
a) gevaarlijk kunnen zijn voor het personeel dat instaat voor het onderhoud van de rioleringen en zuiveringsinstallaties;
b) de leidingen kunnen beschadigen of verstoppen;
c) de vlotte werking van de stuwings- en zuiveringsinstallaties kunnen belemmeren;
d) het ontvangende oppervlaktewater, waarin het afvalwater na zuivering of gepaste behandeling wordt geloosd, ernstig kunnen verontreinigen.
1° mag het geloosde water geen opgelost ontvlambaar of ontplofbaar gas bevatten, noch producten die het vrijmaken van dergelijke gassen kunnen veroorzaken;
2° mag het geloosde water geen stoffen bevatten die zonder uitdrukkelijke toelating :
a) gevaarlijk kunnen zijn voor het personeel dat instaat voor het onderhoud van de rioleringen en zuiveringsinstallaties;
b) de leidingen kunnen beschadigen of verstoppen;
c) de vlotte werking van de stuwings- en zuiveringsinstallaties kunnen belemmeren;
d) het ontvangende oppervlaktewater, waarin het afvalwater na zuivering of gepaste behandeling wordt geloosd, ernstig kunnen verontreinigen.
En outre :
1) les eaux déversées ne peuvent contenir des gaz inflammables ou explosibles ou des produits susceptibles de provoquer le dégagement de tels gaz;
2) les eaux déversées ne peuvent contenir sans autorisation expresse, des substances susceptibles de provoquer :
a) un danger pour le personnel d'entretien des égouts et des installations d'épuration;
b) une détérioration ou obstruction des canalisations;
c) une entrave au bon fonctionnement des installations de refoulement et d'épuration;
d) une pollution grave de l'eau de surface réceptrice dans laquelle sont déversées les eaux usées après épuration ou après traitement approprié.
1) les eaux déversées ne peuvent contenir des gaz inflammables ou explosibles ou des produits susceptibles de provoquer le dégagement de tels gaz;
2) les eaux déversées ne peuvent contenir sans autorisation expresse, des substances susceptibles de provoquer :
a) un danger pour le personnel d'entretien des égouts et des installations d'épuration;
b) une détérioration ou obstruction des canalisations;
c) une entrave au bon fonctionnement des installations de refoulement et d'épuration;
d) une pollution grave de l'eau de surface réceptrice dans laquelle sont déversées les eaux usées après épuration ou après traitement approprié.
Afdeling 3. - Bezinkingsbekken.
Section 3. - Bassins de décantation.
Art. 33. De exploitant deelt de maatregelen die gepland zijn om de stabiliteit van de bezinkingsbekkens vóór hun exploitatie te verzekeren, aan de technisch ambtenaar en aan de gemachtigd ambtenaar mede.
Art. 33. L'exploitant communique les mesures prévues pour assurer la stabilité des bassins de décantation, avant leur mise en exploitation, au fonctionnaire technique et au fonctionnaire délégué.
Art. 34. De dijken worden voortdurend in goede waterdichtheidstoestand gehouden en worden periodiek gecontroleerd door de exploitant.
Art. 34. Les digues sont constamment entretenues en bon état d'étanchéité et surveillées périodiquement par l'exploitant.
Art. 35. Zichtbare en goed gelegen borden verbieden de toegang tot de dijken en bekkens voor onbevoegden. Deze borden wijzen op het wegzakkings- en verdrinkingsgevaar.
Art. 35. Des panneaux bien apparents et judicieusement disposés interdisent l'accès aux digues et bassins à toute personne non autorisée à être présente sur le site. Ces panneaux signalent le danger d'enlisement et de noyade.
Art. 36. De bezinkingsbekkens waartoe het publiek toegang heeft, worden afgesloten.
Art. 36. Les bassins de décantation auxquels le public est susceptible d'accéder sont clôturés.
HOOFDSTUK V. - Lucht.
CHAPITRE V. - Air.
Afdeling 1. - Bestrijding van stoffenemissies.
Section 1re. - Lutte contre les émissions de poussières.
Art. 37. Elk installatiegedeelte waarvan de stoffenemissie niet nadelig is voor het milieu en voor de buurt wegens zijn ligging, het gebruikte proces, de waterdichtheid, de korrelverdeling of de vochtigheid van de producten, moet voldoen aan de voorschriften bedoeld in de volgende artikelen wat betreft de bestrijding van stoffen.
Art. 37. Toute partie d'installation ne dégageant pas de poussières de manière préjudiciable à l'environnement et au voisinage en raison de sa localisation, en raison du procédé utilisé, en raison de son étanchéité, en raison de la granulométrie ou de l'humidité des produits est soustraite aux obligations décrites dans les articles suivants en ce qui concerne la lutte contre les poussières.
Art. 38. De installaties worden voortdurend in goede onderhouds- en werkingstoestand gehouden.
Art. 38. Les installations sont constamment maintenues en bon état d'entretien et de fonctionnement.
Art. 39. De stamp-, zeef- en kneedmachines staan in een gesloten ruimte, met uitzondering van de voedingstrap van de voorbreker.
Art. 39. Les concasseurs, les cribles et les malaxeurs fixes sont maintenus en enceintes fermées, à l'exception de l'étage d'alimentation du concasseur primaire.
Art. 40. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de transportbanden, apparaten en verbindingen tussen apparaten en de verbindingen transportbanden/apparaten alsmede de onderlinge stortingspunten van de verschillende banden voor wat betreft de delen die stoffen zouden kunnen vrijmaken. De aandrijftrommels van de transportbanden zijn gelegen in een voldoende ruimte met het oog op een gemakkelijke reiniging.
Ze worden in een bevredigende schoonheidstoestand gehouden.
Ze worden in een bevredigende schoonheidstoestand gehouden.
Art. 40. Les bandes transporteuses, les appareils, les jonctions entre appareils et les jonctions bandes transporteuses/appareils ainsi que les points de déversement des diverses bandes les unes sur les autres font l'objet d'une attention particulière pour ce qui concerne leurs parties susceptibles de dégager des poussières.
Les tambours de retour des bandes transporteuses sont disposés dans un espace suffisant pour permettre un nettoyage facile. Ils sont maintenus dans un état de propreté satisfaisant.
Les tambours de retour des bandes transporteuses sont disposés dans un espace suffisant pour permettre un nettoyage facile. Ils sont maintenus dans un état de propreté satisfaisant.
Art. 41. Als de opslag of de lading van de zeefproducten 0/2 mm noch in een gesloten gebouw, noch in een gesloten tank, noch in een andere voorziening die de stoffenemissies beperkt, wordt uitgevoerd, moet de bevochtiging van de producten voldoende zijn om de stoffenemissies te voorkomen. De opslag of de lading van grovere producten mag bovenmatige stoffen niet vrijmaken.
Art. 41. Si la mise en stock ou le chargement des produits criblés 0/2 mm ne s'effectuent pas dans un bâtiment fermé, en réservoir clos ou dans tout autre dispositif visant à limiter les émissions de poussières, l'humidification des produits doit être suffisante pour éviter les émissions de poussières.
La mise en stock ou le chargement des produits plus grossiers ne peuvent pas dégager de poussières excessives.
La mise en stock ou le chargement des produits plus grossiers ne peuvent pas dégager de poussières excessives.
Art. 42. Alle punten waaruit stoffen worden vrijgemaakt, samen met hun eventuele winningsmiddelen, worden vermeld op een schema van het vervaardigingsproces (flow-sheet) dat ter beschikking wordt gesteld van de technisch ambtenaar en de toezichthoudende ambtenaar. Voor de stofvrijmaking door filtratie of dmv een cycloon omvat de bijlage bij dit schema de volgende gegevens :
a) door de leverancier verzekerde lozing in mg/Nm3;
b) uurvermogen in Nm3.
Elke wijziging van de flow-sheet wordt vermeld in het register bedoeld in artikel 10, § 2, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, wanneer ze de toepassing van een andere indelingsrubriek dan een rubriek van klasse 3 niet tot gevolg heeft of wanneer ze het gevaar, de hindernissen of nadelen tegen de mens of het milieu al dan niet rechtstreeks niet verergert.
Elk gebrekkige element van een stofvrijmaking wordt snel vervangen. De defecten van de stofvrijmakingssystemen van meer dan 24 uur worden opgenomen in een register dat ter beschikking wordt gesteld van de technisch ambtenaar en de toezichthoudende ambtenaar.
a) door de leverancier verzekerde lozing in mg/Nm3;
b) uurvermogen in Nm3.
Elke wijziging van de flow-sheet wordt vermeld in het register bedoeld in artikel 10, § 2, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, wanneer ze de toepassing van een andere indelingsrubriek dan een rubriek van klasse 3 niet tot gevolg heeft of wanneer ze het gevaar, de hindernissen of nadelen tegen de mens of het milieu al dan niet rechtstreeks niet verergert.
Elk gebrekkige element van een stofvrijmaking wordt snel vervangen. De defecten van de stofvrijmakingssystemen van meer dan 24 uur worden opgenomen in een register dat ter beschikking wordt gesteld van de technisch ambtenaar en de toezichthoudende ambtenaar.
Art. 42. Tous les points d'émission de poussières, accompagnés de leurs moyens d'abattage éventuels, sont indiqués sur un schéma du processus de fabrication (flow-sheet), tenu à la disposition du fonctionnaire technique et du fonctionnaire chargé de la surveillance. Pour les dépoussiérages par filtration ou cyclonage, une annexe à ce schéma donne les renseignements suivants :
a) rejet garanti par le fournisseur, en mg/Nm3;
b) débit horaire, en Nm3.
Toute modification du flow-sheet, lorsqu'elle n'entraîne pas l'application d'une nouvelle rubrique de classement autre que de classe 3 ou lorsqu'elle n'est pas de nature à aggraver directement ou indirectement les dangers, nuisances ou inconvénients à l'égard de l'homme ou de l'environnement est inscrite dans le registre dont question à l'article 10, § 2, du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.
Tout élément défectueux d'un système de dépoussiérage est promptement remplacé.
Les défaillances des systèmes de dépoussiérage d'une durée excédant 24 heures sont consignées dans un registre tenu à la disposition du fonctionnaire technique et du fonctionnaire chargé de la surveillance.
a) rejet garanti par le fournisseur, en mg/Nm3;
b) débit horaire, en Nm3.
Toute modification du flow-sheet, lorsqu'elle n'entraîne pas l'application d'une nouvelle rubrique de classement autre que de classe 3 ou lorsqu'elle n'est pas de nature à aggraver directement ou indirectement les dangers, nuisances ou inconvénients à l'égard de l'homme ou de l'environnement est inscrite dans le registre dont question à l'article 10, § 2, du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.
Tout élément défectueux d'un système de dépoussiérage est promptement remplacé.
Les défaillances des systèmes de dépoussiérage d'une durée excédant 24 heures sont consignées dans un registre tenu à la disposition du fonctionnaire technique et du fonctionnaire chargé de la surveillance.
HOOFDSTUK VI. - Geluid en trillingen.
CHAPITRE VI. - Bruit et vibrations.
Afdeling 1. - Geluid.
Section 1re. - Bruits.
Art. 43. Wanneer de milieudruk het vereist, worden de installaties of installatiegedeelten die geluid produceren, in gebouwen geplaatst, die zo goed mogelijk gesloten zijn en, indien nodig, van geluidsisolatie zijn voorzien.
Art. 43. Lorsque la contrainte environnementale l'exige, les installations ou parties d'installations génératrices de bruit sont localisées dans des bâtiments fermés le plus complètement possible et insonorisés si nécessaire.
Art. 44. In afwijking van de voorschriften van artikel 21, eerste, tweede en vierde lid, van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld in het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning worden de maatregelen toegepast ofwel aan de grens van een gebied van het gewestplan naast de inrichting, ofwel aan de grens van een perceel naast een naburig gebouw, ofwel op de intersectie van de grens van het winningsgebied en van de grens van dit perceel volgens de hierna bepaalde gevallen.
1° In het geval van een nieuwe groeve of van een nieuwe bijhorigheid waarvan de uitvoering later gebeurt dan de opneming van een gebied in het gewestplan, worden de maatregelen aan de grens van dit gebied uitgevoerd. De betrokken gebieden van het gewestplan zijn de woongebieden of de woongebieden met een landelijk karakter, de recreatiegebieden of de gebieden voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, met uitzondering van de centra voor technische ingraving en de centra voor de verzameling van het baggerslib.
2° In het geval van een uitbreiding van een bestaande groeve of van een nieuwe bijhorigheid binnen een inrichting die al vóór de opneming van bovenvermelde gebieden in het gewestplan bestond, worden de maatregelen toegepast aan de in deze gebieden opgenomen perceelsgrenzen naast gebouwen die er zijn opgericht en die het dichtst bij de inrichting zijn gelegen. Het is ook het geval voor de exploitatie van bestaande gebouwen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een nieuwe milieuvergunning. Alleen betrokken zijn de gebouwen die bij de aanvraag van de milieuvergunning betreffende de uitbreiding van de groeve of de nieuwe bijhorigheid bestonden, en de gebouwen waarvan de aanvraag om stedenbouwkundige vergunning ingediend is vóór de aanvraag om milieuvergunning.
3° Wanneer het gaat om gebouwen die liggen naast de inrichting en die zijn opgericht buiten één van bovenvermelde gebieden, worden de maatregelen toegepast aan de perceelsgrenzen naast het gebouw. Dezelfde prioriteitsregels als die bedoeld in de punten 1° en 2° zijn van toepassing.
De in 2° en 3° bedoelde gebouwen zijn de woningen of de gebouwen bewoond door personen die voor geluid gevoelig zijn hetzij wegens de ligging van het gebouw, hetzij wegens de aard van de bewoners (met name rustoorden, ziekenhuizen, scholen,...).
1° In het geval van een nieuwe groeve of van een nieuwe bijhorigheid waarvan de uitvoering later gebeurt dan de opneming van een gebied in het gewestplan, worden de maatregelen aan de grens van dit gebied uitgevoerd. De betrokken gebieden van het gewestplan zijn de woongebieden of de woongebieden met een landelijk karakter, de recreatiegebieden of de gebieden voor openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, met uitzondering van de centra voor technische ingraving en de centra voor de verzameling van het baggerslib.
2° In het geval van een uitbreiding van een bestaande groeve of van een nieuwe bijhorigheid binnen een inrichting die al vóór de opneming van bovenvermelde gebieden in het gewestplan bestond, worden de maatregelen toegepast aan de in deze gebieden opgenomen perceelsgrenzen naast gebouwen die er zijn opgericht en die het dichtst bij de inrichting zijn gelegen. Het is ook het geval voor de exploitatie van bestaande gebouwen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een nieuwe milieuvergunning. Alleen betrokken zijn de gebouwen die bij de aanvraag van de milieuvergunning betreffende de uitbreiding van de groeve of de nieuwe bijhorigheid bestonden, en de gebouwen waarvan de aanvraag om stedenbouwkundige vergunning ingediend is vóór de aanvraag om milieuvergunning.
3° Wanneer het gaat om gebouwen die liggen naast de inrichting en die zijn opgericht buiten één van bovenvermelde gebieden, worden de maatregelen toegepast aan de perceelsgrenzen naast het gebouw. Dezelfde prioriteitsregels als die bedoeld in de punten 1° en 2° zijn van toepassing.
De in 2° en 3° bedoelde gebouwen zijn de woningen of de gebouwen bewoond door personen die voor geluid gevoelig zijn hetzij wegens de ligging van het gebouw, hetzij wegens de aard van de bewoners (met name rustoorden, ziekenhuizen, scholen,...).
Art. 44. Par dérogation aux prescriptions de l'article 21, alinéas 1er, 2 et 4, de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions générales des établissements visés par le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les mesures sont effectuées soit en limite d'une zone du plan de secteur voisine de l'établissement, soit en limite d'une parcelle attenante à un bâtiment proche, soit à l'intersection de la limite de la zone d'extraction avec celle de ladite parcelle, selon les cas définis ci-après.
1° Dans le cas d'une nouvelle carrière ou une d'une nouvelle dépendance dont la mise en oeuvre est postérieure à l'inscription d'une zone au plan de secteur, les mesures sont effectuées en limite de cette zone. Les zones du plan de secteur considérées sont les zones d'habitat ou d'habitat à caractère rural, de loisirs ou de services publics et d'équipements communautaires, à l'exception des centres d'enfouissement technique et des centres de regroupement des boues de dragage.
2° Dans le cas de l'extension d'une carrière existante ou d'une nouvelle dépendance au sein d'un établissement préexistant à l'inscription au plan de secteur des zones précitées, les mesures sont effectuées au niveau des limites parcellaires, inscrites dans lesdites zones, attenantes à des bâtiments qui y sont situés et qui sont les plus proches de l'établissement. Il en est de même pour l'exploitation d'établissements existants ayant fait l'objet d'un nouveau permis d'environnement.
Ne sont toutefois concernés que les bâtiments existants au moment de la demande de permis d'environnement concernant l'extension de carrière ou la nouvelle dépendance, ainsi que ceux dont la demande de permis d'urbanisme a été introduite antérieurement à l'introduction de la demande de permis d'environnement en question.
3° Lorsqu'il s'agit de bâtiments proches de l'établissement situés en dehors d'une des zones précitées, les mesures se font aux limites parcellaires attenantes au bâtiment. Les mêmes règles d'antériorité qu'aux points 1° et 2° sont d'application.
Les bâtiments considérés en 2° et 3° sont les habitations ou les bâtiments occupés par des personnes sensibles au bruit soit en raison de l'emplacement du bâtiment soit en raison de la nature des occupants (notamment homes, hôpitaux, écoles,...).
1° Dans le cas d'une nouvelle carrière ou une d'une nouvelle dépendance dont la mise en oeuvre est postérieure à l'inscription d'une zone au plan de secteur, les mesures sont effectuées en limite de cette zone. Les zones du plan de secteur considérées sont les zones d'habitat ou d'habitat à caractère rural, de loisirs ou de services publics et d'équipements communautaires, à l'exception des centres d'enfouissement technique et des centres de regroupement des boues de dragage.
2° Dans le cas de l'extension d'une carrière existante ou d'une nouvelle dépendance au sein d'un établissement préexistant à l'inscription au plan de secteur des zones précitées, les mesures sont effectuées au niveau des limites parcellaires, inscrites dans lesdites zones, attenantes à des bâtiments qui y sont situés et qui sont les plus proches de l'établissement. Il en est de même pour l'exploitation d'établissements existants ayant fait l'objet d'un nouveau permis d'environnement.
Ne sont toutefois concernés que les bâtiments existants au moment de la demande de permis d'environnement concernant l'extension de carrière ou la nouvelle dépendance, ainsi que ceux dont la demande de permis d'urbanisme a été introduite antérieurement à l'introduction de la demande de permis d'environnement en question.
3° Lorsqu'il s'agit de bâtiments proches de l'établissement situés en dehors d'une des zones précitées, les mesures se font aux limites parcellaires attenantes au bâtiment. Les mêmes règles d'antériorité qu'aux points 1° et 2° sont d'application.
Les bâtiments considérés en 2° et 3° sont les habitations ou les bâtiments occupés par des personnes sensibles au bruit soit en raison de l'emplacement du bâtiment soit en raison de la nature des occupants (notamment homes, hôpitaux, écoles,...).
Art. 45. In afwijking van de voorschriften van artikel 24 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld in het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning mogen de grenswaarden van de geluidsniveaus die van toepassing zijn op de groeven en hun bijhorigheden en die overeenkomstig artikel 44 zijn gemeten, de volgende niveaus niet overschrijden :
1° voor een nieuwe groeve en/of een nieuwe bijhorigheid alsmede voor de groeven en bijhorigheden betrokken bij de activiteit van een inrichting die al een vergunning heeft gekregen en waarvoor het geluidseffect afzonderlijk overwogen moet worden ten opzichte van dat van de bestaande inrichting :
1° voor een nieuwe groeve en/of een nieuwe bijhorigheid alsmede voor de groeven en bijhorigheden betrokken bij de activiteit van een inrichting die al een vergunning heeft gekregen en waarvoor het geluidseffect afzonderlijk overwogen moet worden ten opzichte van dat van de bestaande inrichting :
Art. 45. Par dérogation aux prescriptions de l'article 24 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions générales des établissements visés par le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement, les valeurs limites de niveaux de bruit applicables aux carrières et à leurs dépendances, mesurées conformément à l'article 44 ne peuvent dépasser :
1° pour une nouvelle carrière et/ou une nouvelle dépendance, ainsi que pour les carrières et dépendances intervenant dans le contexte d'un établissement déjà autorisé et pour lesquels l'impact sonore peut être envisagé séparément de celui de l'établissement existant :
1° pour une nouvelle carrière et/ou une nouvelle dépendance, ainsi que pour les carrières et dépendances intervenant dans le contexte d'un établissement déjà autorisé et pour lesquels l'impact sonore peut être envisagé séparément de celui de l'établissement existant :
a) 's nachts, van 22 tot 6 uur : LAeq,part,T = 45 dB(A)
b) tijdens de overgangsperiode, van 6 tot 7 uur : LAeq,part,T = 50 dB(A)
c) overdag, van 7 tot 19 uur : LAeq,part,T = 55 dB(A)
d) tijdens de overgangsperiode, van 19 tot 22 uur : LAeq,part,T = 50 dB(A)
b) tijdens de overgangsperiode, van 6 tot 7 uur : LAeq,part,T = 50 dB(A)
c) overdag, van 7 tot 19 uur : LAeq,part,T = 55 dB(A)
d) tijdens de overgangsperiode, van 19 tot 22 uur : LAeq,part,T = 50 dB(A)
a) en periode de nuit, de 22 h 00 a 6 h 00 : LAeq,part,T = 45 dB(A)
b) en periode de transition, de 6 h 00 a 7 h 00 : LAeq,part,T = 50 B(A)
c) en periode de jour, de 7 h 00 a 19 h 00 : LAeq,part,T = 55 dB(A)
d) en periode de transition, de 19 h 00 a 22 h 00 : LAeq,part,T = 50 dB(A)
b) en periode de transition, de 6 h 00 a 7 h 00 : LAeq,part,T = 50 B(A)
c) en periode de jour, de 7 h 00 a 19 h 00 : LAeq,part,T = 55 dB(A)
d) en periode de transition, de 19 h 00 a 22 h 00 : LAeq,part,T = 50 dB(A)
2° voor de projecten betrokken bij de activiteit van een inrichting die al een vergunning heeft gekregen en waarvoor het geluidseffect samen met dat van de bestaande inrichting overwogen moet worden :
2° pour les projets intervenant dans le contexte d'un établissement déjà autorisé et pour lesquels l'impact sonore doit être globalisé avec celui de l'établissement existant :
a) 's nachts, van 22 tot 6 uur : LAeq,part,T = 50 dB(A)
b) tijdens de overgangsperiode, van 6 tot 7 uur : LAeq,part,T = 55 dB(A)
c) overdag, van 7 tot 19 uur : LAeq,part,T = 60 dB(A)
d) tijdens de overgangsperiode, van 19 tot 22 uur : LAeq,part,T = 55 dB(A)
b) tijdens de overgangsperiode, van 6 tot 7 uur : LAeq,part,T = 55 dB(A)
c) overdag, van 7 tot 19 uur : LAeq,part,T = 60 dB(A)
d) tijdens de overgangsperiode, van 19 tot 22 uur : LAeq,part,T = 55 dB(A)
a) en periode de nuit, de 22 h 00 a 6 h 00 : LAeq,part,T = 50 dB(A)
b) en periode de transition, de 6 h 00 a 7 h 00 : LAeq,part,T = 55 dB(A)
c) en periode de jour, de 7 h 00 a 19 h 00 : LAeq,part,T = 60 dB(A)
d) en periode de transition, de 19 h 00 a 22 h 00 : LAeq,part,T = 55 dB(A)
b) en periode de transition, de 6 h 00 a 7 h 00 : LAeq,part,T = 55 dB(A)
c) en periode de jour, de 7 h 00 a 19 h 00 : LAeq,part,T = 60 dB(A)
d) en periode de transition, de 19 h 00 a 22 h 00 : LAeq,part,T = 55 dB(A)
Art. 46. De bepalingen van artikel 26 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de algemene voorwaarden voor de exploitatie van de inrichtingen bedoeld in het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning zijn van toepassing op de in artikel 45, 2o, van dit besluit bedoelde inrichtingen.
Art. 46. Les dispositions de l'article 26 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 fixant les conditions générales des établissements visés par le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement s'appliquent aux établissements visés à l'article 45, 2° du présent arrêté.
Afdeling 2. - Trillingen.
Section 2. - Vibrations.
Onderafdeling 1. - Trillingen veroorzaakt door roterende machines.
Sous-section 1re. - Vibrations dues aux machines tournantes.
Art. 47. Voorzorgsmaatregelen worden genomen zodat de trillingen die door de werking van de motors, transmissies, laad- en losmachines, enz. of door de werkprocessen kunnen worden veroorzaakt, de buurt niet storen, noch schadelijk zijn voor de stabiliteit van de bouwen.
Art. 47. Les précautions nécessaires sont prises pour que les vibrations qui pourraient être engendrées par le fonctionnement des moteurs, transmissions, engins de manutention, etc., ou par les procédés de travail mis en oeuvre ne puissent incommoder le voisinage ou nuire à la stabilité des constructions.
Onderafdeling 2. - Trillingen te wijten aan de mijnschietverrichtingen.
Sous-section 2. - Vibrations dues aux tirs de mines.
Art. 48. De exploitant treft alle nodige maatregelen zodat de aan de mijnschietverrichtingen te wijten trillingen de buurt niet storen, noch schadelijk zijn voor de stabiliteit van de bouwwerken. Daartoe zorgt hij ervoor dat de trillingssnelheid Vi (maximale partikelsnelheid volgens één van de drie assen van de ruimte) kleiner is dan de hierna vermelde waarden naar gelang van de categorie van het bezochte gebouw en naar gelang van de frequentie van de bezoeken.
Art. 48. L'exploitant prend toutes les dispositions nécessaires pour que les vibrations dues aux tirs de mines ne puissent incommoder le voisinage ou nuire à la stabilité des constructions. A cette fin, il veille à ce que la valeur de la vitesse de vibration Vi (vitesse particulaire maximale selon un des trois axes de l'espace) soit inférieure, en fonction de la catégorie de l'immeuble sollicité et en fonction de la fréquence de la sollicitation, aux valeurs reprises dans le tableau ci-dessous.
Categorie Type bouwwerk Referentiewaarden voor
de trillingssnelheid
in mm/s.
Fundering
Frequenties en Hz
< 10 10 - 50 50 - 100*
1 Gebouwen voor handelsgebruik, 20 20 - 40 40 - 50
industriele en gelijkwaardige
gebouwen
2 Woongebouwen en gelijkwaardige 5 5 - 15 15 - 20
gebouwen wegens hun gebruik of de
oprichting ervan
3 Zeer gevoelige waardevolle gebouwen 3 3 - 8 8 - 10
niet ingedeeld in klasse 1 en 2
(bv. de historische beschermde
gebouwen)
* voor frequenties hoger dan 100 Hz, moeten de referentiewaarden
overeenstemmen met die gelijk aan 100 Hz.
de trillingssnelheid
in mm/s.
Fundering
Frequenties en Hz
< 10 10 - 50 50 - 100*
1 Gebouwen voor handelsgebruik, 20 20 - 40 40 - 50
industriele en gelijkwaardige
gebouwen
2 Woongebouwen en gelijkwaardige 5 5 - 15 15 - 20
gebouwen wegens hun gebruik of de
oprichting ervan
3 Zeer gevoelige waardevolle gebouwen 3 3 - 8 8 - 10
niet ingedeeld in klasse 1 en 2
(bv. de historische beschermde
gebouwen)
* voor frequenties hoger dan 100 Hz, moeten de referentiewaarden
overeenstemmen met die gelijk aan 100 Hz.
Categorie Type de construction Valeurs de reference
pour la vitesse de
vibration Vi en mm/s
Fondation
Frequences en Hz
< 10 10 - 50 50 - 100*
1 Immeubles a usage commercial, 20 20 - 40 40 - 50
batiments industriels et de
structures semblables
2 Immeubles d'habitation et batiments 5 5 - 15 15 - 20
semblables de par leur utilisation
ou leur construction
3 Batiments tres sensibles de grande 3 3 - 8 8 - 10
valeur ne rentrant pas dans les
categories 1 et 2 (p.ex. classes
monuments historiques)
* pour les frequences superieures a 100 Hz, les valeurs de reference
utilisees doivent correspondre au moins a celles pour 100 Hz.
pour la vitesse de
vibration Vi en mm/s
Fondation
Frequences en Hz
< 10 10 - 50 50 - 100*
1 Immeubles a usage commercial, 20 20 - 40 40 - 50
batiments industriels et de
structures semblables
2 Immeubles d'habitation et batiments 5 5 - 15 15 - 20
semblables de par leur utilisation
ou leur construction
3 Batiments tres sensibles de grande 3 3 - 8 8 - 10
valeur ne rentrant pas dans les
categories 1 et 2 (p.ex. classes
monuments historiques)
* pour les frequences superieures a 100 Hz, les valeurs de reference
utilisees doivent correspondre au moins a celles pour 100 Hz.
Art. 49. De inzameling van de gegevens van trillingen te wijten aan mijnschietverrichtingen wordt verricht op een minimale meetzetel (woning of sokkel bij de exploitant) per schietverrichting.
De volgende voorschriften worden nageleefd :
1° voorzover de toegangen bruikbaar zijn, wordt de maatregel uitgevoerd op de laagste verdieping :
a) ofwel in de kelder (op de deklaag als ze afhankelijk is van de funderingen of op een structuur van de fundering van de kant die bij voorkeur wordt blootgesteld aan de opwekkingsbron);
b) ofwel op de gelijkvloers langs de dragende muur die bij voorkeur wordt blootgesteld aan de opwekkingsbron.
1° De overlangse component " L " wordt parallel met de dragende muur geplaatst.
2° als de toegang tot de kelder onmogelijk is, wordt de meting uitgevoerd op een deurdrempel die afhankelijk is van de structuur en die bij voorkeur wordt blootgesteld aan de opwekkingsbron (maximale hoogte van de opnemer 50 cm).
3° Het apparaat wordt in werking gesteld door seismische impulsie. De ontkoppelingsdrempel is zo laag als mogelijk gezien de aanwezigheid van storende trillingen (spoorwegverkeer, voertuigenverkeer, roterende machines,...).
4° de opnemingsduur is minimum 5 seconden;
5° in het geval van metingen op sokkel moet één van beide horizontale assen van het trillingsmeettoestel op ideale wijze georiënteerd zijn naar de oorsprong van de schietverrichting.
De volgende voorschriften worden nageleefd :
1° voorzover de toegangen bruikbaar zijn, wordt de maatregel uitgevoerd op de laagste verdieping :
a) ofwel in de kelder (op de deklaag als ze afhankelijk is van de funderingen of op een structuur van de fundering van de kant die bij voorkeur wordt blootgesteld aan de opwekkingsbron);
b) ofwel op de gelijkvloers langs de dragende muur die bij voorkeur wordt blootgesteld aan de opwekkingsbron.
1° De overlangse component " L " wordt parallel met de dragende muur geplaatst.
2° als de toegang tot de kelder onmogelijk is, wordt de meting uitgevoerd op een deurdrempel die afhankelijk is van de structuur en die bij voorkeur wordt blootgesteld aan de opwekkingsbron (maximale hoogte van de opnemer 50 cm).
3° Het apparaat wordt in werking gesteld door seismische impulsie. De ontkoppelingsdrempel is zo laag als mogelijk gezien de aanwezigheid van storende trillingen (spoorwegverkeer, voertuigenverkeer, roterende machines,...).
4° de opnemingsduur is minimum 5 seconden;
5° in het geval van metingen op sokkel moet één van beide horizontale assen van het trillingsmeettoestel op ideale wijze georiënteerd zijn naar de oorsprong van de schietverrichting.
Art. 49. L'acquisition des données de vibrations dues aux tirs de mines est réalisée sur un siège de mesure minimum (habitation ou socle chez l'exploitant) par tir.
Les dispositions opératoires suivantes sont respectées :
1° Pour autant que les accès soient possibles, la mesure est faite à l'étage le plus bas :
a) soit à la cave (sur la chape si cette dernière est solidaire des fondations ou sur une structure de la fondation du côté exposé préférentiellement à la source d'excitation);
b) sinon au rez-de-chaussée le long du mur porteur exposé préférentiellement à la source d'excitation.
1° La composante longitudinale " L " est placée parallèlement au mur porteur.
2° Si l'accès à la cave est impossible, la mesure s'effectue sur un seuil de porte solidaire de la structure et exposé préférentiellement à la source d'excitation (hauteur maximale du capteur 50 cm).
3° Le déclenchement de l'appareil se fait par impulsion sismique. Le seuil de déclenchement est le plus faible possible compte tenu de la présence de vibrations parasites (trafic ferroviaire, charroi, machines tournantes,...).
4° La durée d'enregistrement est de 5 secondes minimum.
5° Dans le cas de mesures sur socle, l'un des deux axes horizontaux du vibromètre doit être idéalement orienté vers l'origine du tir.
Les dispositions opératoires suivantes sont respectées :
1° Pour autant que les accès soient possibles, la mesure est faite à l'étage le plus bas :
a) soit à la cave (sur la chape si cette dernière est solidaire des fondations ou sur une structure de la fondation du côté exposé préférentiellement à la source d'excitation);
b) sinon au rez-de-chaussée le long du mur porteur exposé préférentiellement à la source d'excitation.
1° La composante longitudinale " L " est placée parallèlement au mur porteur.
2° Si l'accès à la cave est impossible, la mesure s'effectue sur un seuil de porte solidaire de la structure et exposé préférentiellement à la source d'excitation (hauteur maximale du capteur 50 cm).
3° Le déclenchement de l'appareil se fait par impulsion sismique. Le seuil de déclenchement est le plus faible possible compte tenu de la présence de vibrations parasites (trafic ferroviaire, charroi, machines tournantes,...).
4° La durée d'enregistrement est de 5 secondes minimum.
5° Dans le cas de mesures sur socle, l'un des deux axes horizontaux du vibromètre doit être idéalement orienté vers l'origine du tir.
HOOFDSTUK VII. - Controle, zelfcontrole, zelftoezicht.
CHAPITRE VII. - Contrôle, autocontrôle, auto-surveillance.
Art. 50. Alle verslagen, getuigschriften en notulen afkomstig van controle-instellingen, bezoekers of deskundigen en betreffende de openbare veiligheid of hygiëne liggen gedurende drie jaar ter inzage van de technisch ambtenaar en van de toezichthoudende ambtenaar.
Art. 50. Tous rapports, certificats et procès-verbaux émanant d'organismes de contrôle, de visiteurs ou d'experts et ayant trait à la sécurité ou à la salubrité publiques sont tenus à la disposition du fonctionnaire technique et du fonctionnaire chargé de la surveillance pendant trois ans.
Art. 51. De technisch ambtenaar en de toezichthoudende ambtenaar worden zo spoedig mogelijk ingelicht over de ongevallen of incidenten die de openbare veiligheid of hygiëne alsmede de integriteit van de goederen en personen in het gedrang hebben gebracht of zouden kunnen brengen.
Art. 51. Les accidents ou incidents qui ont compromis ou qui sont de nature à compromettre la sécurité ou la salubrité publiques ainsi que l'intégrité des biens et personnes sont immédiatement portés à la connaissance du fonctionnaire technique et du fonctionnaire chargé de la surveillance.
Art. 52. De bij de milieuvergunning opgelegde controle- en veiligheidstoestellen worden gecontroleerd door een erken de instelling op een in de milieuvergunning bepaalde frequentie en op advies van de technisch ambtenaar met inachtneming van hun gebruiksvoorwaarden.
De controlegetuigschriften liggen gedurende drie jaar ter inzage van de toezichthoudende ambtenaar.
De controlegetuigschriften liggen gedurende drie jaar ter inzage van de toezichthoudende ambtenaar.
Art. 52. Les appareils de contrôle et de sécurité imposés par le permis d'environnement, sont contrôlés par un organisme agréé à une fréquence fixée par le permis d'environnement, après avis du fonctionnaire technique, en tenant compte de leurs conditions d'utilisation.
Les certificats de contrôle sont tenus à la disposition du fonctionnaire chargé de la surveillance pendant trois ans.
Les certificats de contrôle sont tenus à la disposition du fonctionnaire chargé de la surveillance pendant trois ans.
Art. 53. De data en resultaten van de controles alsmede de namen en adressen van de erkende instellingen of vennootschappen die ze hebben uitgevoerd, de belangrijke herstellingen en de aanzienlijke wijzigingen in de installatie moeten worden vermeld in een register dat voortdurend ter inzage ligt van de toezichthoudende ambtenaar.
Bij dit register worden de verschillende notulen van de controles alsmede van de eventuele bezoeken door de territoriaal bevoegde brandweerdienst gevoegd.
Bij dit register worden de verschillende notulen van de controles alsmede van de eventuele bezoeken door de territoriaal bevoegde brandweerdienst gevoegd.
Art. 53. Les dates et résultats des contrôles ainsi que les noms et adresses des organismes ou sociétés agréés les ayant effectués, les réparations importantes et les modifications importantes à l'installation doivent figurer sur un registre tenu en permanence à la disposition du fonctionnaire chargé de la surveillance.
Il y est annexé les divers procès-verbaux des contrôles, ainsi que les procès-verbaux des visites effectuées éventuellement par le service d'incendie territorialement compétent.
Il y est annexé les divers procès-verbaux des contrôles, ainsi que les procès-verbaux des visites effectuées éventuellement par le service d'incendie territorialement compétent.
HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen.
CHAPITRE VIII. - Mesures finales.
Art. 54. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 54. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 55. De Minister van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Leefmilieu is belast met de uitvoering van dit besluit.
Namen, 17 juli 2003
De Minister-President,
J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
De Minister van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Leefmilieu,
M. FORET
Namen, 17 juli 2003
De Minister-President,
J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
De Minister van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Leefmilieu,
M. FORET
Art. 55. Le Ministre de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme et de l'Environnement, est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Namur, le 17 juillet 2003.
Le Ministre-Président,
J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
Le Ministre de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme et de l'Environnement,
M. FORET
Namur, le 17 juillet 2003.
Le Ministre-Président,
J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
Le Ministre de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme et de l'Environnement,
M. FORET
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N0. Gids van goede praktijk voor de uitvoering van artikel 25 van het besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2003 houdende sectorale voorwaarden ivm groeven en hun bijhorigheden.
0. Inleidende bepaling - Functioneel kader.
Dit " gids van goede praktijk " en zijn voorstellen zijn helemaal niet volledig; andere oplossingen kunnen worden aangenomen om beter te voldoen aan de bijzondere eigenschappen van een site.
1. Voorwerp.
Artikel 19, laatste lid, van het decreet van 4 juli 2002 op de groeven en houdende wijziging van sommige bepalingen van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning bepaalt... " De procedure bedoeld in het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning om de verplichtingen inzake reorganisatie en borgstelling vast te leggen zal van toepassing zijn. "
Bovendien bepaalt het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning in zijn artikel 4 dat de Waalse Regering sectorale voorwaarden vastlegt om de in artikel 2 van het decreet bedoelde doelstellingen, met name de bescherming van de biodiversiteit, te bereiken.
De sectorale voorwaarden kunnen met name betrekking op :
het stellen van financiële garanties;
de verplichting voor de exploitant tot sanering gedurende de exploitatie zo mogelijk en zeker na het verstrijken van de milieuvergunning.
Bovendien bepaalt artikel 16 van het decreet van 18 juli 2002 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium artikel 32 van dit Wetboek opnieuw, waarvan het derde lid als volgt luidt : " Bij het beëindigen van de exploitatie wordt het gebied een groengebied en de gehele of gedeeltelijke herinrichting ervan is vastgelegd in de ontginningsvergunning. "
Daartoe machtigt artikel 25 van het besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2003 houdende sectorale voorwaarden ivm groeven en hun bijhorigheden de Minister van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Leefmilieu om een gids van goede praktijk met voorstellen voor de herinrichting van de groeven te bezorgen.
Gezien de specificiteit van elke groeve is het moeilijk algemene bepalingen toepasselijk op alle groeven in de vorm van sectorale voorwaarden te bepalen.
Deze gids omvat dan ook een " catalogus " met regels van goede praktijk waarin de steenhouwer en de bevoegde overheid technieken vinden om een aan de betrokken exploitatie eigen herinrichtingsplan voor te leggen om de opvangcapaciteit van de biodiversiteit te vergroten zoals bedoeld in artikel 2 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.
Bovendien kunnen deze keuzen gewijzigd worden met inachtneming van de dringende behoeften voortvloeiend uit de zekerheid van de sites of door de installatie van gezichtsschermen of schermen tegen stoffen.
De herinrichtingsvoorstellen zijn gericht op de vier volgende grote categorieën groeven :
- groeven van los gesteente van het type zand en grind;
- groeven van los gesteente van het type styromolm, klei en kaolien;
- groeven van coherent carbonaatgesteente (kalksteen, krijt, tufkrijt);
- groeven van coherent kiezelhoudend gesteente (porfier, zandsteen, leisteen en lei);
en voor elke van deze categorieën, op de vijf volgende groevengedeelten :
- ontsluiting;
- opslagen van gesteenten zonder mineralen en merloenen;
- bodem van de groeve;
- pijlerfront;
- bezinkingsbekken.
De bijhorigheden kunnen na het verstrijken van de vergunning gesloopt worden en de niet-geologische gedeelten kunnen ontruimd worden behoudens eventuele afwijking die te verkrijgen is overeenkomstig een bepaling van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium - gemeentelijk plan van aanleg of een wijziging van het gewestplan (ruimten met loodsen, betontegel, parkings voor de activiteiten van kleine en middelgrote bedrijven, KMO's, recreatiegebieden, gebieden van gemeenschappelijk belang,...), enz.
2. Wettelijke basis.
Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium.
Decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.
Decreet van 4 juli 2002 op de groeven en houdende wijziging van sommige bepalingen van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.
Besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2003 houdende sectorale voorwaarden ivm groeven en hun bijhorigheden.
Besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.
3. Glossarium om deze gids van goede praktijk te begrijpen.
Opvulling : de verrichtingen die bestaan in het opvullen van de groeve met gesteenten zonder mineralen en ontsluitingsgronden naar gelang van de voortgang van de exploitatie ervan.
Bezinkingsbekken : het bekken waarin een watermassa haar sedimenten kan afzetten.
Berm : het horizontale of subhorizontale gedeelte van een trede. Deze oppervlakte bestaat in het algemeen uit exploitatiebanen;
Bufferheuvel : elke aardhoop met een beperkte hoogte die bestaat uit gesteenten zonder mineralen en die gelegen is aan de rand van de groeve binnen de grenzen van het in de gewestplannen opgenomen winningsgebied en die bestemd is om een gezichtsscherm, een scherm tegen lawaai en tegen stoffen te vormen tussen de winningsactiviteiten en de andere menselijke randactiviteiten, met inbegrip van de eventuele woongebieden. De bufferheuvel kan bestaan uit een gewoon merloen (zie dit woord) of uit een belangrijkere opslag vergelijkbaar met een opslag van gesteenten zonder mineralen (zie de begripsomschrijving hierna);
Groeve : groeven zijn bedrijven waarvan de activiteiten gericht zijn op de delving en de valorisatie van massa's ondergrondse of bovengrondse minerale of fossiele stoffen. Ze zijn niet onder de mijnen ingedeeld;
Ontsluitingsweg : zie ontsluitingsbaan;
WWROS : het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;
Bijhorigheid van groeve : de bijhorigheden van groeven zijn de installaties die opgericht worden in de nabijheid van de activiteiten en die nodig zijn voor de valorisatie van de gedolven producten (zie rubriek 14.90 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten);
" DGATLP " : het Directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Patrimonium;
Trap : zie trede (deze term " trap " wordt niet in de geologische zin gebruikt - " geologisch trap ");
Bemalingsput : het bekken of de zinkput voor de opvang van het afvloeiend hemelwater en van het grondwater gelegen op de bodem van de groeve op een laag punt waaruit het water wordt uitgepompt naar buiten om de onderwaterzetting van de groeve te voorkomen;
Winningsput : de zogenaamde holte van rand tot rand met uitzondering van de merloenen en van de andere periferische isolatievoorzieningen;
Pijlerfront : de verticale (of subverticale) wand van het winningsput. Dit front kan onderverdeeld worden in verschillende subeenheden van het pijlerfront die trappen (of treden) worden genoemd;
Trede : de subeenheid van het pijlerfront die bestaat uit een horizontale of subhorizontale bouwvrije strook;
Merloen : de beschermingsheuvel die in het algemeen uitgestrekt is met een driehoekige of trapeziumvormige doorsnede (zie bufferheuvel);
Mijn : mijnen zijn exploitatiesites voor de afzetting van minerale of fossiele ondergrondse of bovengrondse stoffen bekend omdat ze de volgende stoffen in de vorm van aders, lagen of ertslichamen bevatten : goud, zilver, platina, kwik, lood, in gangen, lagen, hopen; ijzer in gangen of lagen; koper, tin, zink, kalamijn, bismut, kobalt, arseen, mangaan, antimonium, molybdeen, grafiet of andere metalen stoffen alsmede hun zouden en oxide, zwavel, steenkool, fossiel hout, asfalt, aluin;
" Mijn " in de gewone zin op het exploitatieterrein : " mijnen " zijn inzake groeven ook het volume rotsen in voorbereiding ten gevolge van het leggen van mijnen (boring - lading van springstoffen) en ook het resultaat ervan, de hoop stenen losgehakt vóór het pijlerfront;
Hoogte : (zie slakkenberg);
Ontsluitingsbaan (of -weg) : de baan rond de groeve bestemd voor het voertuigenverkeer om de ontsluitingswerken uit te voeren (zie hierna de definitie van " ontsluitingsronden ");
Bodem van de groeve : de oppervlakte waarop de winning wordt uitgevoerd, en die zich vóór het laatste trap uitstrekt;
Nabeheer : de toezichts- en onderhoudverrichtingen bestemd om de ecologische blijvendheid van de site aan het einde van de herinrichting te verzekeren;
Gesteenten zonder mineralen : het geheel van de uit de afzetting gewonnen materialen die niet onderworpen worden aan een nuttige toepassing, met inbegrip van de ontsluitingsgronden, en die in het algemeen worden gebruikt voor de bouw van merloenen, bufferheuvels of voor de herinrichting door profilering;
" Stock-pile " : de tussenopslag van het proces bestemd voor het in-de-handel brengen van producten afkomstig van de exploitatie;
Ontsluitingsgronden : het geheel van aardmaterialen die niet geëxploiteerd worden en die de afzetting bedekken;
Slakkenberg : de opslag van ontsluitingsgronden en gesteenten zonder mineralen gelegen naast de winning;
Ontsluitingswerken : de werken met het oog op het onthullen van de afzetting door de gesteenten zonder mineralen (die ze bedekken) weg te nemen;
Hellend deel : het verticale deel van een trede (= front van de trede)
De andere volgende gebruikelijke termen worden bepaald naar gelang van hun korrelgrootteverdeling.
0. Inleidende bepaling - Functioneel kader.
Dit " gids van goede praktijk " en zijn voorstellen zijn helemaal niet volledig; andere oplossingen kunnen worden aangenomen om beter te voldoen aan de bijzondere eigenschappen van een site.
1. Voorwerp.
Artikel 19, laatste lid, van het decreet van 4 juli 2002 op de groeven en houdende wijziging van sommige bepalingen van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning bepaalt... " De procedure bedoeld in het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning om de verplichtingen inzake reorganisatie en borgstelling vast te leggen zal van toepassing zijn. "
Bovendien bepaalt het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning in zijn artikel 4 dat de Waalse Regering sectorale voorwaarden vastlegt om de in artikel 2 van het decreet bedoelde doelstellingen, met name de bescherming van de biodiversiteit, te bereiken.
De sectorale voorwaarden kunnen met name betrekking op :
het stellen van financiële garanties;
de verplichting voor de exploitant tot sanering gedurende de exploitatie zo mogelijk en zeker na het verstrijken van de milieuvergunning.
Bovendien bepaalt artikel 16 van het decreet van 18 juli 2002 tot wijziging van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium artikel 32 van dit Wetboek opnieuw, waarvan het derde lid als volgt luidt : " Bij het beëindigen van de exploitatie wordt het gebied een groengebied en de gehele of gedeeltelijke herinrichting ervan is vastgelegd in de ontginningsvergunning. "
Daartoe machtigt artikel 25 van het besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2003 houdende sectorale voorwaarden ivm groeven en hun bijhorigheden de Minister van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Leefmilieu om een gids van goede praktijk met voorstellen voor de herinrichting van de groeven te bezorgen.
Gezien de specificiteit van elke groeve is het moeilijk algemene bepalingen toepasselijk op alle groeven in de vorm van sectorale voorwaarden te bepalen.
Deze gids omvat dan ook een " catalogus " met regels van goede praktijk waarin de steenhouwer en de bevoegde overheid technieken vinden om een aan de betrokken exploitatie eigen herinrichtingsplan voor te leggen om de opvangcapaciteit van de biodiversiteit te vergroten zoals bedoeld in artikel 2 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.
Bovendien kunnen deze keuzen gewijzigd worden met inachtneming van de dringende behoeften voortvloeiend uit de zekerheid van de sites of door de installatie van gezichtsschermen of schermen tegen stoffen.
De herinrichtingsvoorstellen zijn gericht op de vier volgende grote categorieën groeven :
- groeven van los gesteente van het type zand en grind;
- groeven van los gesteente van het type styromolm, klei en kaolien;
- groeven van coherent carbonaatgesteente (kalksteen, krijt, tufkrijt);
- groeven van coherent kiezelhoudend gesteente (porfier, zandsteen, leisteen en lei);
en voor elke van deze categorieën, op de vijf volgende groevengedeelten :
- ontsluiting;
- opslagen van gesteenten zonder mineralen en merloenen;
- bodem van de groeve;
- pijlerfront;
- bezinkingsbekken.
De bijhorigheden kunnen na het verstrijken van de vergunning gesloopt worden en de niet-geologische gedeelten kunnen ontruimd worden behoudens eventuele afwijking die te verkrijgen is overeenkomstig een bepaling van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium - gemeentelijk plan van aanleg of een wijziging van het gewestplan (ruimten met loodsen, betontegel, parkings voor de activiteiten van kleine en middelgrote bedrijven, KMO's, recreatiegebieden, gebieden van gemeenschappelijk belang,...), enz.
2. Wettelijke basis.
Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium.
Decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.
Decreet van 4 juli 2002 op de groeven en houdende wijziging van sommige bepalingen van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.
Besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2003 houdende sectorale voorwaarden ivm groeven en hun bijhorigheden.
Besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.
3. Glossarium om deze gids van goede praktijk te begrijpen.
Opvulling : de verrichtingen die bestaan in het opvullen van de groeve met gesteenten zonder mineralen en ontsluitingsgronden naar gelang van de voortgang van de exploitatie ervan.
Bezinkingsbekken : het bekken waarin een watermassa haar sedimenten kan afzetten.
Berm : het horizontale of subhorizontale gedeelte van een trede. Deze oppervlakte bestaat in het algemeen uit exploitatiebanen;
Bufferheuvel : elke aardhoop met een beperkte hoogte die bestaat uit gesteenten zonder mineralen en die gelegen is aan de rand van de groeve binnen de grenzen van het in de gewestplannen opgenomen winningsgebied en die bestemd is om een gezichtsscherm, een scherm tegen lawaai en tegen stoffen te vormen tussen de winningsactiviteiten en de andere menselijke randactiviteiten, met inbegrip van de eventuele woongebieden. De bufferheuvel kan bestaan uit een gewoon merloen (zie dit woord) of uit een belangrijkere opslag vergelijkbaar met een opslag van gesteenten zonder mineralen (zie de begripsomschrijving hierna);
Groeve : groeven zijn bedrijven waarvan de activiteiten gericht zijn op de delving en de valorisatie van massa's ondergrondse of bovengrondse minerale of fossiele stoffen. Ze zijn niet onder de mijnen ingedeeld;
Ontsluitingsweg : zie ontsluitingsbaan;
WWROS : het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;
Bijhorigheid van groeve : de bijhorigheden van groeven zijn de installaties die opgericht worden in de nabijheid van de activiteiten en die nodig zijn voor de valorisatie van de gedolven producten (zie rubriek 14.90 van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten);
" DGATLP " : het Directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Patrimonium;
Trap : zie trede (deze term " trap " wordt niet in de geologische zin gebruikt - " geologisch trap ");
Bemalingsput : het bekken of de zinkput voor de opvang van het afvloeiend hemelwater en van het grondwater gelegen op de bodem van de groeve op een laag punt waaruit het water wordt uitgepompt naar buiten om de onderwaterzetting van de groeve te voorkomen;
Winningsput : de zogenaamde holte van rand tot rand met uitzondering van de merloenen en van de andere periferische isolatievoorzieningen;
Pijlerfront : de verticale (of subverticale) wand van het winningsput. Dit front kan onderverdeeld worden in verschillende subeenheden van het pijlerfront die trappen (of treden) worden genoemd;
Trede : de subeenheid van het pijlerfront die bestaat uit een horizontale of subhorizontale bouwvrije strook;
Merloen : de beschermingsheuvel die in het algemeen uitgestrekt is met een driehoekige of trapeziumvormige doorsnede (zie bufferheuvel);
Mijn : mijnen zijn exploitatiesites voor de afzetting van minerale of fossiele ondergrondse of bovengrondse stoffen bekend omdat ze de volgende stoffen in de vorm van aders, lagen of ertslichamen bevatten : goud, zilver, platina, kwik, lood, in gangen, lagen, hopen; ijzer in gangen of lagen; koper, tin, zink, kalamijn, bismut, kobalt, arseen, mangaan, antimonium, molybdeen, grafiet of andere metalen stoffen alsmede hun zouden en oxide, zwavel, steenkool, fossiel hout, asfalt, aluin;
" Mijn " in de gewone zin op het exploitatieterrein : " mijnen " zijn inzake groeven ook het volume rotsen in voorbereiding ten gevolge van het leggen van mijnen (boring - lading van springstoffen) en ook het resultaat ervan, de hoop stenen losgehakt vóór het pijlerfront;
Hoogte : (zie slakkenberg);
Ontsluitingsbaan (of -weg) : de baan rond de groeve bestemd voor het voertuigenverkeer om de ontsluitingswerken uit te voeren (zie hierna de definitie van " ontsluitingsronden ");
Bodem van de groeve : de oppervlakte waarop de winning wordt uitgevoerd, en die zich vóór het laatste trap uitstrekt;
Nabeheer : de toezichts- en onderhoudverrichtingen bestemd om de ecologische blijvendheid van de site aan het einde van de herinrichting te verzekeren;
Gesteenten zonder mineralen : het geheel van de uit de afzetting gewonnen materialen die niet onderworpen worden aan een nuttige toepassing, met inbegrip van de ontsluitingsgronden, en die in het algemeen worden gebruikt voor de bouw van merloenen, bufferheuvels of voor de herinrichting door profilering;
" Stock-pile " : de tussenopslag van het proces bestemd voor het in-de-handel brengen van producten afkomstig van de exploitatie;
Ontsluitingsgronden : het geheel van aardmaterialen die niet geëxploiteerd worden en die de afzetting bedekken;
Slakkenberg : de opslag van ontsluitingsgronden en gesteenten zonder mineralen gelegen naast de winning;
Ontsluitingswerken : de werken met het oog op het onthullen van de afzetting door de gesteenten zonder mineralen (die ze bedekken) weg te nemen;
Hellend deel : het verticale deel van een trede (= front van de trede)
De andere volgende gebruikelijke termen worden bepaald naar gelang van hun korrelgrootteverdeling.
Art. N0. Guide de bonne pratique destiné à la mise en oeuvre de l'article 25 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 17 juillet 2003 portant conditions sectorielles relatives aux carrières et à leurs dépendances.
0. Liminaire - Cadre fonctionnel.
Le présent " guide de bonne pratique " et ses propositions ne se veulent nullement exhaustifs, d'autres solutions peuvent être adoptées afin de mieux répondre aux caractéristiques spécifiques d'un site.
1. Objet.
Le " décret du 4 juillet 2002 sur les carrières et modifiant certaines dispositions du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement " stipule, en son article 19, dernier alinéa que " ... à La procédure fixée par le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement pour déterminer les obligations en matière de réaménagement et de cautionnement sera d'application. "
Par ailleurs, le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement prévoit en son article 4 que le Gouvernement arrête les conditions sectorielles en vue d'atteindre les objectifs visés à l'article 2 dudit décret, notamment les objectifs de préservation de la biodiversité.
Les conditions sectorielles peuvent porter notamment sur :
la constitution de garanties financières;
l'obligation pour l'exploitant de remise en état si possible en cours d'exploitation et certainement au terme du permis d'environnement.
En outre, l'article 16 du décret du 18 juillet 2002 modifiant le CWATUP, redéfinit l'article 32 du code, dont l'alinéa 3 stipule : " Au terme de l'exploitation, la zone devient une zone d'espaces verts et son réaménagement, en tout ou en partie, est fixé par le permis qui autorise l'extraction. "
Dans ce but, l'article 25 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 17 juillet 2003 portant conditions sectorielles relatives aux carrières et à leurs dépendances habilite le Ministre ayant l'Aménagement du territoire, l'Urbanisme et l'Environnement dans ses attributions à fournir un guide de bonne pratique proposant les modalités de réaménagement des carrières.
Etant donné la spécificité de chaque carrière, il est difficile de dégager, sous forme de conditions sectorielles, des dispositions générales applicables à chacune d'elles.
Dès lors, ce guide établit un " catalogue " de règles de bonnes pratiques dans lequel le carrier et l'autorité compétente puisent les techniques permettant de présenter un plan de réaménagement propre à l'exploitation en question en vue d'en accroître le potentiel d'accueil de la biodiversité tel que prescrit à l'article 2 du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.
En outre, ces choix peuvent être modulés en tenant compte des nécessités d'urgence imposées par la sécurisation des sites ou par l'élaboration d'écrans visuels ou anti-poussières.
Les propositions de réaménagement s'articulent en fonction des quatre grandes catégories de carrières suivantes :
- carrières de roches meubles de type sable et gravier;
- carrières de roches meubles de type terre plastique, argile et kaolin;
- carrières de roches cohérentes carbonatées (calcaire, craie, tuffeau);
- carrières de roches cohérentes siliceuses (porphyre, grès, schiste et ardoise);
et, pour chacune de ces catégories, des cinq " parties de carrières " suivantes :
découverture;
dépôts de stérile et merlons;
plancher de carrière;
front de taille;
bassins de décantation.
Les dépendances quant à elles peuvent, au terme du permis, être demolies et les parties non géologiques évacuées sauf dérogation éventuelle à obtenir par le biais d'une disposition du CWATUP - plan communal d'aménagement (PCA) ou d'une modification du plan de secteur (espaces avec hangars, dalle béton, parkings en vue d'activités de PMI, de PME, de loisirs, d'intérêt communautaire,...), etc.
2. Références légales.
Code wallon de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme et du Patrimoine.
Décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.
Décret du 4 juillet 2002 sur les carrières et modifiant certaines dispositions du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.
Arrêté du Gouvernement wallon du 17 juillet 2003 portant conditions sectorielles relatives aux carrières et à leurs dépendances.
Arrête du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif à la procédure et à diverses mesures d'exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.
3. Glossaire destiné à la compréhension du présent guide de bonne pratique.
Backfilling : les opérations consistant à combler la carrière avec les stériles et les terres de découverture au fur et à mesure de l'avancement de son exploitation.
Bassin de décantation : le bassin destiné à immobiliser une masse d'eau chargée de manière à lui permettre de déposer les sédiments qu'elle contient.
Berme : la partie horizontale ou sub-horizontale d'un gradin. Cette surface est généralement parcourue par des pistes d'exploitation.
Butte tampon : tout dépôt de terres d'une hauteur limitée, constitué de stériles, installé en périphérie de la carrière, dans les limites de la zone d'extraction inscrite aux plans d'aménagement, et destiné à constituer un écran visuel, anti-bruit et anti-poussières entre les activités extractives et les autres activités humaines périphériques, en ce compris les zones d'habitat éventuelles. La butte tampon peut être constituée d'un simple merlon (voir ce mot) ou d'un dépôt plus important, équivalent à un dépôt de stériles (voir la définition ci-après).
Carrière : les carrières sont les activités assurant l'extraction et la mise en valeur des masses de substances minérales ou fossiles renfermées dans le sein de la terre ou existant à la surface et qui ne sont pas classées comme mines.
Chemin de découverture : voir piste de découverture.
CWATUP : le Code wallon de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme et du Patrimoine.
Dépendance de carrière : les dépendances de carrières sont les installations établies au voisinage des activités, necessaires à la mise en valeur des produits y extraits (voir rubrique n° 14.90 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées).
DGATLP : la Direction générale de l'Aménagement du Territoire, du Logement et du Patrimoine.
Etage : voir gradin (ce terme " étage " n'est ici pas considéré au sens géologique - " étage geologique ").
Fosse d'exhaure : le bassin ou le puisard de récolte des eaux de ruissellement et souterraines, localisé en fond de carrière, en un point bas, d'où ces eaux sont pompées pour être refoulées vers l'extérieur de la carrière de manière à éviter son ennoyage.
Fosse d'extraction : l'excavation proprement dite, de bord à bord, à l'exclusion des merlons et des autres dispositifs d'isolement périphériques.
Front de taille : la paroi verticale (ou subverticale) de la fosse d'extraction. Ce front peut être subdivisé en plusieurs sous-fronts de taille, dénommés étages (ou gradins).
Gradin : la sous-unité du front de taille, comprenant une zone de recul horizontale ou sub-horizontale.
Merlon : la butte de protection, généralement allongée, de section triangulaire ou trapézoïdale (voir butte tampon).
Mine : les mines sont des sites d'exploitation de gisement de substances minérales ou fossiles renfermées dans le sein de la terre ou existant, à la surface, qui sont connues pour contenir en filons, en couches ou en amas, de l'or, de l'argent, du platine, du mercure, du plomb, du fer en filons ou en couches, du cuivre, de l'étain, du zinc, de la calamine, du bismuth, du cobalt, de l'arsenic, du manganèse, de l'antimoine, du molybdène, de la plombagine ou autres matières métalliques ainsi que leurs sels et oxydes, du soufre, du charbon de terre ou de pierre, du bois fossile, des bitumes, de l'alun.
" Mine " au sens commun sur le terrain d'exploitation : en carrière, les " mines " sont aussi le volume de roche en cours de préparation d'une opération de minage (forage - chargement d'explosifs) et également son résultat, le tas de roche qui a été abattue au pied du front de taille.
Motte : (voir terril).
Piste (ou chemin) de découverture : la piste ceinturant la carrière et destinée au charroi assurant les travaux de découverture (voir la définition " terres de découverture " ci-après).
Plancher de carrière : la surface en fond d'excavation, s'étendant au pied du dernier étage.
Post-gestion : les opérations de surveillance et d'entretien destinées à garantir la pérennité écologique du site à la fin du réaménagement.
Stériles : l'ensemble des matériaux extraits du gisement mais non valorisés, y comprises les terres de découverture, et utilisés généralement pour la construction de merlons, de buttes tampon ou de réaménagements par profilage.
Stock-pile : le dépôt intermédiaire du process ou destiné à la commercialisation de produits issus de l'exploitation.
Terres de découverture : l'ensemble des matériaux terreux non exploités recouvrant le gisement.
Terril : le dépôt de terres de découverture et de stériles établi à proximité de l'excavation.
Travaux de découverture : les travaux visant à mettre à nu le gisement en enlevant les stériles (le recouvrant.
Verse : partie verticale d'un gradin (= front du gradin).
Les autres termes usuels suivants sont définis en fonction de leur granulométrie :
0. Liminaire - Cadre fonctionnel.
Le présent " guide de bonne pratique " et ses propositions ne se veulent nullement exhaustifs, d'autres solutions peuvent être adoptées afin de mieux répondre aux caractéristiques spécifiques d'un site.
1. Objet.
Le " décret du 4 juillet 2002 sur les carrières et modifiant certaines dispositions du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement " stipule, en son article 19, dernier alinéa que " ... à La procédure fixée par le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement pour déterminer les obligations en matière de réaménagement et de cautionnement sera d'application. "
Par ailleurs, le décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement prévoit en son article 4 que le Gouvernement arrête les conditions sectorielles en vue d'atteindre les objectifs visés à l'article 2 dudit décret, notamment les objectifs de préservation de la biodiversité.
Les conditions sectorielles peuvent porter notamment sur :
la constitution de garanties financières;
l'obligation pour l'exploitant de remise en état si possible en cours d'exploitation et certainement au terme du permis d'environnement.
En outre, l'article 16 du décret du 18 juillet 2002 modifiant le CWATUP, redéfinit l'article 32 du code, dont l'alinéa 3 stipule : " Au terme de l'exploitation, la zone devient une zone d'espaces verts et son réaménagement, en tout ou en partie, est fixé par le permis qui autorise l'extraction. "
Dans ce but, l'article 25 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 17 juillet 2003 portant conditions sectorielles relatives aux carrières et à leurs dépendances habilite le Ministre ayant l'Aménagement du territoire, l'Urbanisme et l'Environnement dans ses attributions à fournir un guide de bonne pratique proposant les modalités de réaménagement des carrières.
Etant donné la spécificité de chaque carrière, il est difficile de dégager, sous forme de conditions sectorielles, des dispositions générales applicables à chacune d'elles.
Dès lors, ce guide établit un " catalogue " de règles de bonnes pratiques dans lequel le carrier et l'autorité compétente puisent les techniques permettant de présenter un plan de réaménagement propre à l'exploitation en question en vue d'en accroître le potentiel d'accueil de la biodiversité tel que prescrit à l'article 2 du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.
En outre, ces choix peuvent être modulés en tenant compte des nécessités d'urgence imposées par la sécurisation des sites ou par l'élaboration d'écrans visuels ou anti-poussières.
Les propositions de réaménagement s'articulent en fonction des quatre grandes catégories de carrières suivantes :
- carrières de roches meubles de type sable et gravier;
- carrières de roches meubles de type terre plastique, argile et kaolin;
- carrières de roches cohérentes carbonatées (calcaire, craie, tuffeau);
- carrières de roches cohérentes siliceuses (porphyre, grès, schiste et ardoise);
et, pour chacune de ces catégories, des cinq " parties de carrières " suivantes :
découverture;
dépôts de stérile et merlons;
plancher de carrière;
front de taille;
bassins de décantation.
Les dépendances quant à elles peuvent, au terme du permis, être demolies et les parties non géologiques évacuées sauf dérogation éventuelle à obtenir par le biais d'une disposition du CWATUP - plan communal d'aménagement (PCA) ou d'une modification du plan de secteur (espaces avec hangars, dalle béton, parkings en vue d'activités de PMI, de PME, de loisirs, d'intérêt communautaire,...), etc.
2. Références légales.
Code wallon de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme et du Patrimoine.
Décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.
Décret du 4 juillet 2002 sur les carrières et modifiant certaines dispositions du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.
Arrêté du Gouvernement wallon du 17 juillet 2003 portant conditions sectorielles relatives aux carrières et à leurs dépendances.
Arrête du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 relatif à la procédure et à diverses mesures d'exécution du décret du 11 mars 1999 relatif au permis d'environnement.
3. Glossaire destiné à la compréhension du présent guide de bonne pratique.
Backfilling : les opérations consistant à combler la carrière avec les stériles et les terres de découverture au fur et à mesure de l'avancement de son exploitation.
Bassin de décantation : le bassin destiné à immobiliser une masse d'eau chargée de manière à lui permettre de déposer les sédiments qu'elle contient.
Berme : la partie horizontale ou sub-horizontale d'un gradin. Cette surface est généralement parcourue par des pistes d'exploitation.
Butte tampon : tout dépôt de terres d'une hauteur limitée, constitué de stériles, installé en périphérie de la carrière, dans les limites de la zone d'extraction inscrite aux plans d'aménagement, et destiné à constituer un écran visuel, anti-bruit et anti-poussières entre les activités extractives et les autres activités humaines périphériques, en ce compris les zones d'habitat éventuelles. La butte tampon peut être constituée d'un simple merlon (voir ce mot) ou d'un dépôt plus important, équivalent à un dépôt de stériles (voir la définition ci-après).
Carrière : les carrières sont les activités assurant l'extraction et la mise en valeur des masses de substances minérales ou fossiles renfermées dans le sein de la terre ou existant à la surface et qui ne sont pas classées comme mines.
Chemin de découverture : voir piste de découverture.
CWATUP : le Code wallon de l'Aménagement du Territoire, de l'Urbanisme et du Patrimoine.
Dépendance de carrière : les dépendances de carrières sont les installations établies au voisinage des activités, necessaires à la mise en valeur des produits y extraits (voir rubrique n° 14.90 de l'arrêté du Gouvernement wallon du 4 juillet 2002 arrêtant la liste des projets soumis à étude d'incidences et des installations et activités classées).
DGATLP : la Direction générale de l'Aménagement du Territoire, du Logement et du Patrimoine.
Etage : voir gradin (ce terme " étage " n'est ici pas considéré au sens géologique - " étage geologique ").
Fosse d'exhaure : le bassin ou le puisard de récolte des eaux de ruissellement et souterraines, localisé en fond de carrière, en un point bas, d'où ces eaux sont pompées pour être refoulées vers l'extérieur de la carrière de manière à éviter son ennoyage.
Fosse d'extraction : l'excavation proprement dite, de bord à bord, à l'exclusion des merlons et des autres dispositifs d'isolement périphériques.
Front de taille : la paroi verticale (ou subverticale) de la fosse d'extraction. Ce front peut être subdivisé en plusieurs sous-fronts de taille, dénommés étages (ou gradins).
Gradin : la sous-unité du front de taille, comprenant une zone de recul horizontale ou sub-horizontale.
Merlon : la butte de protection, généralement allongée, de section triangulaire ou trapézoïdale (voir butte tampon).
Mine : les mines sont des sites d'exploitation de gisement de substances minérales ou fossiles renfermées dans le sein de la terre ou existant, à la surface, qui sont connues pour contenir en filons, en couches ou en amas, de l'or, de l'argent, du platine, du mercure, du plomb, du fer en filons ou en couches, du cuivre, de l'étain, du zinc, de la calamine, du bismuth, du cobalt, de l'arsenic, du manganèse, de l'antimoine, du molybdène, de la plombagine ou autres matières métalliques ainsi que leurs sels et oxydes, du soufre, du charbon de terre ou de pierre, du bois fossile, des bitumes, de l'alun.
" Mine " au sens commun sur le terrain d'exploitation : en carrière, les " mines " sont aussi le volume de roche en cours de préparation d'une opération de minage (forage - chargement d'explosifs) et également son résultat, le tas de roche qui a été abattue au pied du front de taille.
Motte : (voir terril).
Piste (ou chemin) de découverture : la piste ceinturant la carrière et destinée au charroi assurant les travaux de découverture (voir la définition " terres de découverture " ci-après).
Plancher de carrière : la surface en fond d'excavation, s'étendant au pied du dernier étage.
Post-gestion : les opérations de surveillance et d'entretien destinées à garantir la pérennité écologique du site à la fin du réaménagement.
Stériles : l'ensemble des matériaux extraits du gisement mais non valorisés, y comprises les terres de découverture, et utilisés généralement pour la construction de merlons, de buttes tampon ou de réaménagements par profilage.
Stock-pile : le dépôt intermédiaire du process ou destiné à la commercialisation de produits issus de l'exploitation.
Terres de découverture : l'ensemble des matériaux terreux non exploités recouvrant le gisement.
Terril : le dépôt de terres de découverture et de stériles établi à proximité de l'excavation.
Travaux de découverture : les travaux visant à mettre à nu le gisement en enlevant les stériles (le recouvrant.
Verse : partie verticale d'un gradin (= front du gradin).
Les autres termes usuels suivants sont définis en fonction de leur granulométrie :
Klei : minder dan 2 MUm
Leem : tussen 2 MUm en 50 MUm
Zand : tussen 50 MUm en 2 mm
Grind, rolsteen, keistenen, : tussen 2 mm en 200 mm
Blok : meer dan 200 mm
Breuksteen : blok voor de bouw (muren, dijken,
en eerder in kg uitgedrukt dan
in mm).
Leem : tussen 2 MUm en 50 MUm
Zand : tussen 50 MUm en 2 mm
Grind, rolsteen, keistenen, : tussen 2 mm en 200 mm
Blok : meer dan 200 mm
Breuksteen : blok voor de bouw (muren, dijken,
en eerder in kg uitgedrukt dan
in mm).
Argile : moins de 2 MUm;
Limon : entre 2 MUm et 50 MUm;
Sable : entre 50 MUm et 2 mm;
Gravier, galet, cailloux : entre 2 mm et 200 mm;
Bloc : plus de 200 mm.
Moellon : bloc pour usages en construction
(murs, digues,...) et defini le
plus souvent en kg plutot
qu'en mm.
Limon : entre 2 MUm et 50 MUm;
Sable : entre 50 MUm et 2 mm;
Gravier, galet, cailloux : entre 2 mm et 200 mm;
Bloc : plus de 200 mm.
Moellon : bloc pour usages en construction
(murs, digues,...) et defini le
plus souvent en kg plutot
qu'en mm.
4. Advies van de bevoegde administraties (" DGTALP-DGNRE ").
Bij de behandeling van de vergunningsaanvraag heeft het advies van de gemachtigd ambtenaar en van de technisch ambtenaar in het kader van de herinrichting met name betrekking op :
- de bestemming van de site na de exploitatie (naleving van de voorschriften van artikel 32 van het WWROS);
- het gedetailleerde onderzoek van de werken die moeten worden uitgevoerd voor de herinrichting van de site overeenkomstig de voorziene bestemming en hun totale kosten;
- het programma betreffende de uitvoering van deze werken gedurende of na de exploitatie (fasering);
- het bedrag van de voorziene borgstelling;
- de modaliteiten van het nabeheer (voorwaarden, duur,...).
Het advies van de Afdeling Natuur en Bossen en van het Centrum voor Natuur-, Bos- en Houtonderzoek wordt ook aangevraagd bij de behandeling van het dossier met het oog op de volledige en ontvankelijke aard van de aanvraag om milieuvergunning en/of om enige vergunning.
5. Aanbevelingen voor de herinrichting.
5.1. Algemene doelstellingen.
De herinrichting van een site moet de volledige doelstellingen bereiken :
- De beveiliging van de site door het kammen van de rots, profilering van de gevaarlijke taluds en omheiningen van de site;
- het behoud of de schepping van een maximum aan verscheidenheid in de blootstelling van de pijlerfronten aan wind en zon;
- de verscheidenheid van de microtopografie op de site door een wisseling van depressies en onregelmatigheden te scheppen of te behouden in het terrein, in de taluds of in de wanden,...;
- het behoud of de schepping van een maximum aan verscheidenheden in de wanden (overhangende rotsen, holten, spleten in de rots, puin van verschillende korrelverdeling...);
- de schepping van vijvers met bochtige oevers die wisselen met de lichte en steile hellingen;
- de handhaving van een blote grond die op het niveau van de bodem van de groeve en op de bermen verdicht is met het oog op het behoud van de pioniersstadiums van de vegetatie gedurende een lange periode, waarbij de sluiting van het milieu bijgevolg beperkt is;
- het gebruik van inheemse soorten van plaatselijke oorsprong voor de beplantingen en de zaaiingen; het planten van houtgewassen is beperkt om de opening van het milieu te bevorderen;
- het gebruik voor de vernieuwingen en andere werken (met inbegrip van de basis van de verkeersbanen en opslagplaatsen) van materialen die geen relevante wijzigingen van de aan de afzetting eigen edafische voorwaarden, met name wat betreft de nutriënten (in het bijzonder de stikstofhoudende verbindingen en fosfor) en van de gehaltes aan bepaalde ionen (met name calcium) tot gevolg hebben;
- de schepping of het behoud van de toegangsbanen bestemd voor het nabeheersonderhoud van de site.
5.2. Ontsluitingswerken.
Het vellen en het ontdoen van struikgewas vóór de ontsluitingswerken worden buiten de vegetatieve periode uitgevoerd.
In de gebieden voor het nestelen van soorten van rotsvogels of van diersoorten die in de losse wanden nestelen (wespennest, oeverzwaluwen, kauwen, nacht- en dagroofvogels) en tot 15 meter aan beide kanten van de koloniën en nesten worden de uitsluitingswerken (grondwerken) tussen 1 september en 15 februari uitgevoerd.
Als bouwland opnieuw gebruikt moet worden, wordt het gescheiden van de ontsluitingsgronden en van de steriele gronden en wordt het apart opgeslagen. Deze opslag moet niet lang duren (één vegetatieseizoen) vóór hergebruik. De opslagen zijn niet hoger dan 3 meter om de zelfverdichting te voorkomen. Elke verdichting van de gronden wordt beperkt, waarbij het verkeer van de grondwerkenvoertuigen erop wordt voorkomen. Deze voorlopige grondopslagen worden vlug gezaaid (mengsels van grasachtige planten - zie de lijst van de plantensoorten in bijlage 3) om elke erosie en elke afkalving te voorkomen en om de agronomische capaciteiten van de gronden te behouden.
Als dit bouwland niet onmiddellijk na het afgraven ervan of na zijn opslag onder de hierboven vermelde voorwaarden gebruikt wordt, kan het behandeld worden op dezelfde manier als de andere ontsluitingsterreinen, steriele en ermee gemengde terreinen.
Als weinig frequente natuurlijke omgevingen op de site vóór de werken aanwezig zijn op gronden met bijzondere eigenschappen (skelet-, kalk-, zandbodems...), worden ze afgegraven over een dikte van maximum 0,50 m. Deze gronden worden onmiddellijk verspreid op de bodem en andere platvlakken van de groeve in de holte of aan de rand daarvan om er deze omgevingen met de aanwezige opslagen van korrels opnieuw samen te stellen. De dikte van de verspreiding is niet hoger dan die van de afgenomen hoeveelheid. Als de verspreiding niet onmiddellijk kan worden uitgevoerd, worden deze gronden opgeslagen over hoogstens 2 of 3 meter hoogte gedurende maximum een vegetatieseizoen. Deze voorlopige opslagen worden niet gezaaid.
5.3. Opslagen van gesteenten zonder mineralen, bufferheuvels en merloenen.
Als de gesteenten zonder mineralen bij de holte opgeslagen worden,
- is de opslagplaats voorzover mogelijk definitief en wordt hij zodanig gekozen dat hij geen scherm vormt tussen de bedrijfsruimte en een :
- een natuurlijke omgeving die niet betrokken is bij de winningsactiviteit en die een oorsprongsbron (reservoir) kan zijn voor de soorten die de site na de exploitatie opnieuw kunnen koloniseren;
- een schuilplaats voor fauna en flora aanwezig in de omgevingen gelegen recht tegenover de winningsactiviteit;
- moeten de hellingen zich bevinden beneden de evenwichthelling van de materialen na natuurlijke inklinking;
- wordt het geheel van het opslaggebied gezaaid met een mengsel van grasachtige soorten (zie bijlage 3), behalve de gebieden die het voorwerp uitmaken van bijzondere inrichtingen voor flora en fauna die weinig of geen vegetatie nodig hebben, zoals bedoeld in de aan de verschillende soorten groeven eigen voorwaarden;
- en als soorten van het type " bloeiende planten " toegevoegd worden voor de inrichting van een bloeiende wei, gaat het gebiedend om korrels uit Waalse ecotypen en uit inheemse soorten, die aangepast zijn aan de plaatselijke edafische voorwaarden, die natuurlijk reeds aanwezig zijn in het betrokken geografische gebied en die opgenomen zijn in de lijst van bijlage 4;
- wordt de dichtheid van de zaaiingen bepaald naar gelang van de gekozen soorten en op grond van hun normale specifieke voederdichtheid. Wanneer er mogelijkheden tot het opnieuw koloniseren op snelle en natuurlijke wijze door de inheemse vegetatie bestaan (vanaf korrelsopslagen in de gronden of in de dichtbij gelegen en beschermde omgevingen), wordt de densiteit beperkt om de natuurlijke verschijning van inheemse soorten mogelijk te maken;
- worden de bosaanplantingen uitgevoerd met inheemse soorten die aangepast zijn aan de plaatselijke edafische voorwaarden en die natuurlijk reeds aanwezig zijn in het betrokken geografische gebied. Er wordt verwezen naar de in bijlage 1 vermelde lijst. De beplantingsdichtheid is inbegrepen tussen 1 000 en 2 500 aanplanten per hectare. De totale beboste oppervlakte overschrijdt niet 50 % van de totale oppervlakte om de open plekken en andere open ruimten te sparen. Deze open ruimten bestaan met name uit dreven die 10 tot 15 m breed zijn en die als grasachtig gebied behandeld worden, met bredere schermen aan de kant van de overheersende winden. De op het zuiden gelegen hellingen zijn minder bebost dan de hellingen die op de andere richtingen gelegen zijn;
- worden de randen van de bosgebieden zodanig ingericht dat er in openingen wordt voorzien, en worden ze beplant met een dubbele rij randsoorten die als struikgewas groeien en die boomvormig, van inheemse oorsprong en aangepast zijn aan de plaatselijke edafische voorwaarden en die natuurlijk reeds aanwezig zijn in het betrokken geografische gebied (er wordt verwezen naar de in bijlage 1 vermelde lijst) om een vegetatie van bosranden te herscheppen;
- en als een draineersloot wordt geïnstalleerd vóór de taluds, wordt het water afgevoerd buiten de holtegrenzen;
- wordt de verspreiding van de bosgebieden, de open gebieden en de struiken zodanig uitgevoerd dat ze zeer goed past in het plaatselijke landschap.
Als de gesteenten zonder mineralen in de holte (opvulling) en als de holte niet volledig opgevuld wordt :
- zijn de opslagen bij voorkeur gelegen in de gedeelten van de holte blootgesteld aan de noordelijke, noordwestelijke of noordoostelijke kant;
- vinden de zaaiingen en bosaanplantingen plaats onder dezelfde voorwaarden als die voor de opslagen van gesteenten zonder mineralen buiten de holte;
- in het geval van een groeve onder water of die onder water gezet zou kunnen worden na de exploitatie, wordt de opvulling zodanig ontworpen dat eerder de diepte van de waterspiegel dan zijn oppervlakte wordt beperkt. De oprichting van eilandjes en oevers met een lichte helling wordt bevorderd.
De bufferheuvels of de merloenen worden opgericht aan de rand van de winningsholte binnen de grenzen van het in de gewestplannen opgenomen winningsgebied. Dezelfde voorschriften als voor de opslagen van gesteenten zonder mineralen zijn van toepassing.
Wanneer een gezichtsscherm of een scherm tegen stoffen nodig is wegens de nabijheid van woningen, wordt een scherm op de heuvels of merloenen of op de bodem aan de rand van de groeve opgericht dmv een dichte haag over 2 of 3 rijen met bomen met hoge stammen, kreupelbossen en opvullingsheesters. Ze bestaat bij voorkeur uit loofsoorten met verwelkende bladeren (haagbeuk, beuk) en/of met groen blijvende bladeren (hulst, liguster). Men kiest soorten aangepast aan de plaatselijke edafische voorwaarden en aan het betrokken geografische gebied. Er wordt verwezen naar de in bijlage 1 vermelde lijst.
Het wezenlijke basisprincipe bestaat erin geen niet-inheemse soorten of soorten die niet eigen zijn aan het betrokken geografische gebied te gebruiken; ze mogen niet toegelaten worden omdat ze de doelstelling betreffende de verbetering van de biodiversiteit niet conform zijn. Deze bepalingen zijn evenwel slechts van toepassing met inachtneming van de grenzen die de oprichting van gezichtsschermen en schermen tegen stoffen vereisen of om taluds in veiligheid te stellen :
- in het geval van gezichtsschermen en schermen tegen stoffen vereist de behoefte aan soorten met snelle groei het eventuele gebruik van harsbomen en van bepaalde niet-inheemse soorten (witte elzenboom en gewone acacia);
- voor het veilig stellen en in het kader van de stabilisatie van de taluds is het gebruik van niet-inheemse soorten (witte elzenboom en gewone acacia) toegelaten maar in homogeen mengsel met soorten opgenomen in de bijgaande lijst en aangepast aan het terrein.
Het gebruik van deze niet-inheemse soorten is alleen toegelaten in de nabijheid van de woongebieden als de omwoners of de plaatselijke overheden er specifiek om hebben verzocht en op voorwaarde dat de inheemse loofsoorten geen voldoening hebben gegeven.
5.4. Bodem van de groeve.
Voor de gedeelten buiten het water :
- met uitzondering van de wegvoering van niet-geologische materialen, wordt de bodem van de groeve in de toestand zoals die na de exploitatie gehouden. Geen grondbeluchting, geen grondenaanvoer, geen beplanting of zaaiing wordt uitgevoerd. Als waardevolle natuurlijke omgevingen op de bodems recht tegenover de groeve aanwezig zijn vóór het afgraven van de ontsluitingswerken kan een in deze omgevingen gewonnen laag van gronden verspreid worden op de bodem van de groeve maar op een oppervlakte die niet hoger is dan 50 % van de hele bodem. Deze verspreiding wordt op homogene wijze uitgevoerd tussen de schaduwrijke en zonnige sectoren.
- De voorlopige depressies en vijvers aanwezig in de gebieden die door het verkeer van de werkterreinvoertuigen verdicht zijn, alsmede de bronnen en sijpelingsgebieden worden gehandhaafd;
- Als de bodem van de groeve uit losse materialen bestaat en als de grondwaterlaag bijna dagzomend is, worden kleine vijvers aangelegd. Hun oppervlakte is maximum 5 aren. De gehele oppervlakte van de vijvers dekt hoogstens 1/10 van de oppervlakte van de bodem van de groeve. De maximale diepte is 1 meter onder het niveau van het hoogwater. De helling van de oevers is licht (hoogstens 12/4). De vijvers staan bij voorkeur in zonnige sectoren. De oevers zijn zo onregelmatig mogelijk, niet geplant en niet gezaaid.
- In geval van opvulling van de holte wegens technische of landschapachtige voorschriften, wordt het grootste deel van de oppervlakte van de bodem van de groeve in de toestand zoals die na de exploitatie gehouden, en dit in de zonnige gebieden.
Voor de gedeelten onder water :
- Indien nodig worden de oevers alleen gestabiliseerd met methoden die geen materialen gebruiken, waarbij de fysisch-chemische natuurlijke eigenschappen van het water kan worden gewijzigd. Endogene materialen worden bij voorkeur aangewend.
- De oprichting van sectoren met een lage diepte en van eilandjes wordt bevorderd.
- In geval van opvulling van de holte wegens technische of landschapachtige voorschriften, wordt de aanwezige wateroppervlakte zo veel mogelijk gehandhaafd. Men vermindert liever de diepte dan de gehele oppervlakte van de waterspiegel.
- De herprofilering van oevers wordt volgens een niet-lineair tracé verricht met het oog op de inrichting van kreken die voldoende diep zijn om over minstens 0,5 meter in geval van laagwater onder water te zijn. De oppervlakte van deze kreken schommelt tussen enige m2 en enige aren.
- Indien nodig moet er op een oeversectie die het voorwerp heeft uitgemaakt van een herprofilering, en op enige meters ervan, worden voorzien in een " bankengebied voor de kust " waarvan het hoogste punt op minstens 0,5 meter boven het niveau van het hoogwater is, zodat een smal watergebied (soort lagune met een breedte van enige meters) wordt gescheiden van de waterspiegel. De diepte van deze lagune is voldoende om over minstens 0,5 meter in geval van laagwater onder water te zijn.
- Behalve voor de voor het vissen bestemde waterspiegels wordt geen vis toegevoegd in de waterspiegels.
Pijlerfront en treden :
- het front van de ontsluitingsgronden wordt gestabiliseerd door het remodelleren ervan volgens een helling beneden het evenwichtniveau van de aanwezige materialen om de fenomenen van de stoptransporten te voorkomen;
- de basis van het front van de ontsluitingsgronden wordt naar achteren verplaatst op een afstand van minstens 5 meter van het hoogste punt van het eerste front gehakt in de gewonnen materialen, zodat elke grondaanvoer (door erosie of verzakking) in de holte wordt voorkomen.
- De materialen gebruikt voor de opvulling van de sloten of draineergeulen die buiten de holte worden gegraven, en waarvan het water naar de winningsholte wordt afgevoerd, moeten gekozen worden zodat de fysisch-chemische eigenschappen van het water en van de gronden niet worden gewijzigd;
- De zaaiing en de bosaanplanting van de fronten van de ontsluitingsgronden vinden plaats volgens dezelfde princiepen als voor de opslagen van gesteenten zonder mineralen.
Bezinkingsbekkens :
- De bezinkingsbekkens moeten na de exploitatie in hun oorspronkelijke staat behouden worden, waarbij hun opvangmogelijkheid voor fauna en flora wordt verbeterd door de omtrek van de oevers op bepaalde plaatsen " te breken " via een storting van gesteenten zonder mineralen om een menigte oeverterreinen te herscheppen;
- Gedurende de exploitatie is het ideaal deze bekkens in een laag punt te installeren om er het water afkomstig van de sloten of draineergeulen naartoe af te voeren;
- Voorzover mogelijk wordt de storting op een zonnige oever van endogene rotsblokken verricht.
Ondergrondse galerijen en grotten :
Onmiddellijk vanaf het einde van de exploitatie van de betrokken sector worden de ingangen van de galerijen en andere gaten (luchtgaten) of de tijdens de exploitatie opnieuw gesneden natuurlijke grotten uitgerust met een sluitingssysteem om elke niet-toegelaten indringing te voorkomen maar, om de toegang voor vleermuizen mogelijk te maken en om de goede verluchting van de leidingen te verzekeren.
6. Bijzondere aanbevelingen volgens het type geëxploiteerde rots.
6.1. Groeve van losse rotsen van het type zand en grind.
Algemene doelstellingen.
Een herinrichting met het oog op een verhoging van de attractiviteit van de site voor fauna en flora beoogt specifiek de volgende doelstellingen :
- handhaving van de zandige of steenachtige aard van de site;
- handhaving van ruimten met een blote bodem of een discontinue en open vegetatie;
- weinig houtgewassen in de holte;
- aanwezigheid van waterspiegels met onregelmatige omtrekken en met een veranderlijke diepte;
- behoud van de oligotrofe eigenschappen (= arm aan voedsel) en zuren door de aanvoer van voedsel van buiten (met name door de afvloeiing van het water) te voorkomen. Gedurende de herinrichtingswerken wordt ook elke aanvoer van materialen die ionen calcium en magnesium kunnen vrijlaten, voorkomen (met name in geval van gebruik van keien voor de draineergeulen, of van voor de fundering van banen of wegen gebroken materialen);
- handhaving van verticale wanden op losse terreinen, waarbij in een later onderhoud (nabeheer) wordt voorzien om deze wanden op te knappen;
- handhaving of schepping van terreinen met een zeer lichte helling in de vochtigste sectoren;
- handhaving van puin en opslagen van " zandstenen " (geïndureerde horizons) en in voorkomend geval van ijzerachtige zandsteen (verscheidenheid in de korrelverdeling van de materialen).
Ontsluitingswerken.
Als voor zandige of steenachtige vormingen typerende natuurlijke omgevingen op de site vóór de winning aanwezig zijn, moet de oppervlakte van de bodem afgegraven worden over een te bepalen dikte (a priori kleiner dan 0,50 meter) en moeten deze materialen worden gebruikt voor de bedekking van een gedeelte van de zandige oppervlakten aan het einde van de exploitatie (bodem van de groeve, bermen). Als het hergebruik niet onmiddellijk kan worden verricht, worden deze producten opgeslagen gedurende een vegetatieseizoen over een dikte van maximum 2 tot 3 meter om elke verdichting te voorkomen. Deze opslagen worden niet gezaaid om elke invoering van exogene plantensoorten in de herschapen omgevingen te voorkomen.
Opslagen van gesteenten zonder mineralen, bufferheuvels en merloenen.
Elke afvloeiing van water of slib vanuit gesteenten zonder mineralen of ontsluitingsgronden naar de zandige gedeelten van de exploitatie, waarin voor zanden typerende natuurlijke omgevingen kunnen worden herschapen, moet voorkomen worden.
De steenachtige gesteenten zonder mineralen (geïndureerde horizons, zandstenen) worden gescheiden van gronden en gesteenten zonder mineralen en opgeslagen in zonnige sectoren langs de waterspiegels en aan de basis van het pijlerfront. Deze opslagen worden niet met gronden bedekt, noch gezaaid, noch bebost.
Als de ontsluitingsgronden en de gesteenten zonder mineralen in de holte (opvulling) opgeslagen zijn :
- worden de steenachtige gesteenten zonder mineralen (zandstenen) gescheiden van gronden en gesteenten zonder mineralen en opgeslagen in zonnige sectoren langs de waterspiegels en aan de basis van het pijlerfront. Deze opslagen worden noch gezaaid, noch bebost.
- mogen de steenachtige materialen gebruikt voor de opvulling van sloten of geulen waarvan het water naar de winningsholte wordt geloosd, of de materialen gebruikt voor de fundering van de verkeersbanen niet uit kalksteen bestaan.
Pijlerfront en treden.
De materialen gebruikt voor de opvulling van de sloten of draineergeulen die eventueel aan de basis van het pijlerfront van de ontsluitingsgronden zijn gelegen en waarvan het water naar de winningsholte wordt geloosd, mogen niet uit kalksteen bestaan.
Voor de exploitaties onder het piëzometrische niveau :
- wordt een deel van de oevers (de gedeelten buiten het water) zonder herprofilering gelaten en wordt het tot het einde van de exploitatie verticaal gehouden. De grond wordt via grondwerkzaamheden en/of door storting van endogene materialen onder nieuw profiel gebracht om oevers met een lichte helling en op het zuiden gelegen op te richten;
- moeten zandstenen (geïndureerde horizons) langs de waterspiegels opgeslagen worden, als deze materialen op de site beschikbaar zijn.
Bezinkingsbekkens.
Er moet worden voorzien in de storting van zandsteenblokken of van " zandstenen " (geïndureerde horizons) op een zonnige oever, als deze materialen ter plaatse beschikbaar zijn.
6.2. Groeve van losse rotsen van het type styromolm, klei en porseleinaarde.
Algemene voorwaarden.
Een heraanleg gunstig voor de verhoging van de attractiviteit van de site voor fauna en flora heeft specifiek als doel de volgende doelstellingen te bereiken :
- handhaving van weinig diepe waterspiegels;
- handhaving van voorlopige en goed zonnige vijvers;
- handhaving van ruimten met een blote draineerbodem of een discontinue en open vegetatie;
- aanwezigheid van weinig houtgewassen in de winningsholte;
- behoud van de oligotrofe eigenschappen (= arm aan voedsel) en zuren door de aanvoer van voedsel van buiten (met name door de afvloeiing van het water) te voorkomen.
Ontsluitingswerken.
Als voor bijzondere vormingen typerende natuurlijke omgevingen (zure en oligotrofe omgevingen, of kalkminnende vegetatie of op de bodem van een dal) op de site vóór de winning aanwezig zijn, moet de oppervlakte van de bodem afgegraven worden over een te bepalen dikte (a priori kleiner dan 0,50 meter) en moeten deze materialen worden gebruikt voor de bedekking van een gedeelte van de oppervlakten die niet onder water zullen zijn, aan het einde van de exploitatie (bodem van de groeve, bermen). Als het hergebruik niet onmiddellijk kan worden verricht, worden deze producten opgeslagen gedurende maximum een vegetatieseizoen over een dikte van maximum 2 tot 3 meter en door elke verdichting te voorkomen. Deze opslagen worden niet gezaaid om elke invoering van exogene plantensoorten in de herschapen omgevingen te voorkomen.
Opslagen van gesteenten zonder mineralen, bufferheuvels en merloenen.
Behoudens de kiezelhoudende of de zandige dekterreinen zijn de ontsluitingsgronden, wanneer ze aanwezig zijn, niet gunstig voor de ontwikkeling van een fauna en flora met een grote ecologische waarde. Elke afvloeiing van water of slib vanuit deze opslagen naar de holte (zie algemene voorschriften) moet voorkomen worden.
Pijlerfronten en treden.
Alle bemalingswerken worden voor zover mogelijk in werking gehouden zodat de toekomstige beheerders van de site een waterniveau kunnen handhaven dat verenigbaar is met een optimale ontwikkeling van de vegetatie en van de fauna.
Bezinkingsbekkens.
De herprofilering van oevers wordt volgens een niet-lineair tracé verricht met het oog op de inrichting van kreken die voldoende diep zijn om over minstens 0,5 meter in geval van laagwater onder water te zijn. De oppervlakte van deze kreken schommelt tussen enige m2 en enige aren.
Als de materialen op de site beschikbaar zijn, worden rotsen (blokken) bij de waterspiegels opgeslagen.
6.3. Groeve van coherente carbonaatrotsen : kalksteen, krijt, tufkrijt);
Een heraanleg gunstig voor de verhoging van de attractiviteit van de site voor fauna en flora heeft specifiek als doel de volgende doelstellingen te bereiken :
- handhaving van ruimten met een blote draineerbodem of een discontinue en open vegetatie, die bestaan uit een mengsel van kalkgronden en -grinden en die op het zuiden zijn gelegen;
- handhaving van hoge rotsachtige wanden;
- neergestorte stenen en breuksteenstorting op verschillende blootstellingen;
- aanwezigheid van voorlopige vijvers op de bermen of de bodem van de groeve;
- aanwezigheid van weinig houtgewassen in de winningsholte;
- handhaving van waterspiegels (vijvers op de bodem van de groeve, bezinkingsbekkens).
Ontsluitingswerken.
Als voor kalkminnende vormingen typerende natuurlijke omgevingen op de site vóór de winning aanwezig zijn, moet de oppervlakte van de bodem afgegraven worden over een te bepalen dikte (a priori kleiner dan 0,50 meter) en moeten deze materialen worden gebruikt voor de bedekking van een gedeelte van de oppervlakten aan het einde van de exploitatie (bodem van de groeve, bermen, taluds). Als het hergebruik niet onmiddellijk kan worden verricht, worden deze producten opgeslagen gedurende maximum een vegetatieseizoen over een dikte van maximum 2 tot 3 meter en door elke verdichting te voorkomen. Deze opslagen worden niet gezaaid om elke invoering van exogene plantensoorten in de herschapen omgevingen te voorkomen.
Opslagen van gesteenten zonder mineralen, bufferheuvels en merloenen.
Elke water- of slibafvloeiing vanaf de opslagen van gesteenten zonder mineralen en van ontsluitingsgronden naar de kalkgedeelten van de exploitatie, waar voor kalkgazons typerende natuurlijke omgevingen herschapen kunnen worden, moet voorkomen worden.
Als gesteenten zonder mineralen met een hoge verhouding van carbonaatrotsen beschikbaar zijn (lediging van karsten, scalp van de producten vóór de primaire vergruizing, afkrabbing van de afzetting,...), wordt het mengsel van al deze materialen met de andere gronden en gesteenten zonder mineralen voorkomen. Deze rotsen worden voorbehouden tot de herinrichting van de bodem. Meer van de verschillende omgevingen worden geschapen op de opslagen van gesteenten zonder mineralen en op ontsluitingsgronden :
- kalkachtige breuksteenstortingen met een hoge helling : op het zuiden worden hellingen (1/2) die bestaan uit een mengsel van rotsblokken, opgericht, waarop een kleihoudende of slib bevattende steenachtige bodem met een zeer kleine dikte (in de orde van de centimeter) wordt gestort, om de installatie van soorten typerend voor droge kalkachtige omgevingen te bevorderen;
- kalkachtige kapbreuksteenstortingen op de terrassen en toppen. De samenstelling is dezelfde maar de helling is verschillend;
- gebieden op het terras of met een kleine helling die bestaan uit een mengsel van gronden en steengruis (scalp, keiachtig gedeelte van de ontsluitingsgronden) bestemd voor het opnieuw scheppen van mesofiele kalkgazons;
- gronden die bestaan uit een heterogeen mengsel van de verschillende gedeelten van de gesteenten zonder mineralen en van de ontsluitingsgronden, die op het noorden gelegen zijn en die bestemd zijn om door houtgewassen bebost of gekoloniseerd te worden voor de schepping van hellingsbosaanplantingen (type esdoornbossen).
Als ontsluitingsgronden en gesteenten zonder mineralen in de holte (opvulling) worden opgeslagen :
- worden breuksteenstoringen en andere kalkomgevingen zoals hierboven vermeld herschapen;
- en als de groeve zich zelfs na de exploitatie onder het piëzometrische niveau bevindt, wordt een draineersloot opgericht aan de basis van de taluds van de ontsluitingsgronden en gesteenten zonder mineralen voor de afvoer van het water naar het laagste punt van de bodem van de groeve om elke slibaanvoer op de kalkachtige bodem van de groeve te voorkomen.
Pijlerfronten en treden.
Er wordt ervoor gezorgd dat hoge pijlerfronten worden behouden voor zover het veilig is.
Bezinkingsbekkens.
De bezinkingsbekkens moeten na de exploitatie in hun oorspronkelijke staat behouden worden, waarbij hun opvangmogelijkheid voor fauna en flora wordt verbeterd door de omtrek van de oevers op bepaalde plaatsen " te breken " via een storting van gesteenten zonder mineralen om een menigte oeverterreinen te herscheppen.
Systemen voor het pompen van het water moeten voor zover mogelijk behouden worden zodat de volgende beheerders met de watervoorziening van de bekkens kunnen voortzetten.
Struikboomgroepen en enige bomen worden gehandhaafd of geplant in de richting van de overheersende winden.
Blokken met een hoge korrelverdeling worden op een zonnige oever gestort.
6.4. Groeve van coherente kiezelhoudende rotsen : porfier, zandsteen, schist, lei
Algemene voorwaarden.
Een herinrichting gunstig voor de verhoging van de attractiviteit van de site voor fauna en flora heeft specifiek als doel de volgende doelstellingen te bereiken :
- handhaving van ruimten met een blote bodem of een discontinue en open vegetatie op zure en arme gronden;
- handhaving van hoge rotsachtige wanden;
- neergestorte stenen en breuksteenstortingen op verschillende blootstellingen;
- aanwezigheid van voorlopige vijvers op de bermen of de bodem van de groeve;
- aanwezigheid van weinig houtgewassen in de winningsholte;
- handhaving van waterspiegels (vijvers op de bodem van de groeve, bezinkingsbekkens).
Ontsluitingswerken.
Als voor zure en arme vormingen typerende natuurlijke omgevingen op de site vóór de winning aanwezig zijn, moet de oppervlakte van de bodem afgegraven worden over een te bepalen dikte (a priori kleiner dan 0,50 meter) en moeten deze materialen worden gebruikt voor de bedekking van een gedeelte van de oppervlakten aan het einde van de exploitatie (bodem van de groeve, bermen, taluds). Als het hergebruik niet onmiddellijk kan worden verricht, worden deze producten opgeslagen gedurende maximum een vegetatieseizoen over een dikte van maximum 2 tot 3 meter en door elke verdichting te voorkomen. Deze opslagen worden niet gezaaid om elke invoering van exogene plantensoorten in de herschapen omgevingen te voorkomen.
Opslagen van gesteenten zonder mineralen, bufferheuvels en merloenen.
Alle maatregelen worden genomen om elke water- of slibafvloeiing vanaf de opslagen van gesteenten zonder mineralen en van ontsluitingsgronden naar de zandsteenhoudende of kiezelhoudende gedeelten van de exploitatie te voorkomen, waar typerende natuurlijke omgevingen herschapen kunnen worden.
Als de onstsluitingsgronden en de gesteenten zonder mineralen bij de holte worden opgeslagen :
- mogen de materialen gebruikt voor de opvulling van de sloten of draineergeulen waarvan het water naar de winningsholte wordt geloosd, niet uit kalksteen bestaan.
Als gesteenten zonder mineralen met een hoge verhouding van kiezelhoudende rotsen beschikbaar zijn (scalp van de producten vóór de primaire vergruizing, afkrabbing van de afzetting,...), wordt het mengsel van al deze materialen met de andere gronden en gesteenten zonder mineralen voorkomen. Deze rotsen worden voorbehouden tot de eindherinrichting van de bodem. Meer van de verschillende omgevingen worden geschapen op de opslagen van gesteenten zonder mineralen en op ontsluitingsgronden :
- zandsteenhoudende breuksteenstortingen met een hoge helling : op het zuiden worden hellingen (1/2) die bestaan uit een mengsel van rotsblokken opgericht, waarop een bodem met een zeer kleine dikte (in de orde van de centimeter) wordt gestort, om de installatie van soorten typerend voor droge omgevingen te bevorderen;
- kapbreuksteenstortingen op de terrassen en toppen. De samenstelling is dezelfde maar de helling is verschillend;
- gebieden op het terras of met een kleine helling die bestaan uit een mengsel van gronden en steengruis (scalp, keiachtig gedeelte van de ontsluitingsgronden) bestemd voor het opnieuw scheppen van heiden en gazons;
- gronden die bestaan uit een heterogeen mengsel van de verschillende gedeelten van de gesteenten zonder mineralen en van de ontsluitingsgronden, die op het noorden gelegen zijn en die bestemd zijn om door houtgewassen bebost of gekoloniseerd te worden voor de schepping van hellingsbosaanplantingen (type esdoornbossen).
Als ontsluitingsgronden en gesteenten zonder mineralen in de holte (opvulling) worden opgeslagen :
- en als de groeve onder het piëzometrische niveau wordt geëxploiteerd, wordt een sloot opgericht aan de basis van de taluds voor de afvoer van het water naar het laagste punt van de bodem van de groeve om elke slibaanvoer op de bodem van de groeve te voorkomen. De steenachtige materialen gebruikt voor de opvulling van sloten of draineergeulen mogen niet uit kalksteen bestaan.
Pijlerfronten en treden.
De steenachtige materialen gebruikt voor de opvulling van sloten of draineergeulen waarvan het water naar de winningsholte wordt geloosd, mogen niet uit kalksteen bestaan.
Er wordt ervoor gezorgd dat hoge pijlerfronten worden behouden voor zover het veilig is.
Bezinkingsbekkens.
Systemen voor het pompen van het water moeten voorzover mogelijk behouden worden zodat de volgende beheerders met de watervoorziening van de bekkens kunnen voortzetten.
Struikboomgroepen en enige bomen worden gehandhaafd of geplant in de richting van de overheersende winden.
Blokken met een hoge korrelverdeling worden op een zonnige oever gestort.
7. Termijnbeheer van de sites - Nabeheer.
Als de oude groeven snel omgevingen kunnen vormen die zeer interessant zijn voor fauna en flora, leidt de natuurlijke ontwikkeling van deze omgevingen vaak en tamelijk vlug tot hun banalisatie.
In de meeste gevallen treedt deze banalisatie op wanneer :
- de open omgevingen ten gevolge van hun natuurlijke bosaanplanting verdwijnen;
- de wanden in losse terreinen instorten, waarbij ze minder attractief zijn voor de bijzondere avifauna;
- een eutrofiëring van de arme en zure omgevingen wordt vastgesteld;
- de omgevingen homogeen worden.
Het behoud van het biologische belang van de groeven voortvloeiend uit een bedachtzame inrichting en dus van het nut van de investeringen toegestaan door de exploitant om deze inrichting te verrichten, is niet mogelijk zonder een beheer aan het einde van de exploitatie (nabeheer).
Om het goede aangroeien van de beplantingen te verzekeren wordt de aan het einde van de herinrichting verrichte controle in twee fasen uitgeoefend; de eerste fase is de voorlopige controle, de tweede is definitief en draagt de verantwoordelijkheid over aan het nabeheer van de site.
Wanneer de vegetatieperiode volgend op de aanplanting op de datum van de voorlopige verificatie nog niet begonnen is en wanneer het onmogelijk is het goede aangroeien van de planten te controleren, kan de voorlopige verificatie aanvaard worden indien gewoon wordt vastgesteld dat alle plantensoorten in overeenstemming met de voorschriften van de vergunning worden gebruikt.
Gedurende de garantieperiode en vóór elke beplantingsperiode worden de dode, slecht opgekomen of niet-conforme beplantingen geteld. Deze laatste worden vervangen gedurende het volgende beplantingsseizoen door en ten laste van de exploitant.
De vrijstelling van de garantie vindt plaats gedurende het volgende seizoen tussen 1 juni en 30 september; ze wordt goedgekeurd als het aangroeien van de beplantingen volledig is.
Voorzover het aantal dode, slecht opgekomen of ontbrekende beplantingen 10 % van de bosbeplantingen en 5 % van de andere beplantingen niet overschrijdt, worden de opheffing van de garantie en de overdracht van de verantwoordelijkheid goedgekeurd.
Naast deze norm mogen de technisch ambtenaar en de gemachtigd ambtenaar eensgezind de opheffing van de garantie toekennen mits de toepassing van een inhouding op de betaling van de werken of op de vrijstelling van de zekerheid, waarvan de waarde gelijkwaardig is aan de vastgestelde tekortkomingen berekend op grond van de in de vergunning geactualiseerde eenheidswaarden.
Bij de behandeling van de vergunningsaanvraag heeft het advies van de gemachtigd ambtenaar en van de technisch ambtenaar in het kader van de herinrichting met name betrekking op :
- de bestemming van de site na de exploitatie (naleving van de voorschriften van artikel 32 van het WWROS);
- het gedetailleerde onderzoek van de werken die moeten worden uitgevoerd voor de herinrichting van de site overeenkomstig de voorziene bestemming en hun totale kosten;
- het programma betreffende de uitvoering van deze werken gedurende of na de exploitatie (fasering);
- het bedrag van de voorziene borgstelling;
- de modaliteiten van het nabeheer (voorwaarden, duur,...).
Het advies van de Afdeling Natuur en Bossen en van het Centrum voor Natuur-, Bos- en Houtonderzoek wordt ook aangevraagd bij de behandeling van het dossier met het oog op de volledige en ontvankelijke aard van de aanvraag om milieuvergunning en/of om enige vergunning.
5. Aanbevelingen voor de herinrichting.
5.1. Algemene doelstellingen.
De herinrichting van een site moet de volledige doelstellingen bereiken :
- De beveiliging van de site door het kammen van de rots, profilering van de gevaarlijke taluds en omheiningen van de site;
- het behoud of de schepping van een maximum aan verscheidenheid in de blootstelling van de pijlerfronten aan wind en zon;
- de verscheidenheid van de microtopografie op de site door een wisseling van depressies en onregelmatigheden te scheppen of te behouden in het terrein, in de taluds of in de wanden,...;
- het behoud of de schepping van een maximum aan verscheidenheden in de wanden (overhangende rotsen, holten, spleten in de rots, puin van verschillende korrelverdeling...);
- de schepping van vijvers met bochtige oevers die wisselen met de lichte en steile hellingen;
- de handhaving van een blote grond die op het niveau van de bodem van de groeve en op de bermen verdicht is met het oog op het behoud van de pioniersstadiums van de vegetatie gedurende een lange periode, waarbij de sluiting van het milieu bijgevolg beperkt is;
- het gebruik van inheemse soorten van plaatselijke oorsprong voor de beplantingen en de zaaiingen; het planten van houtgewassen is beperkt om de opening van het milieu te bevorderen;
- het gebruik voor de vernieuwingen en andere werken (met inbegrip van de basis van de verkeersbanen en opslagplaatsen) van materialen die geen relevante wijzigingen van de aan de afzetting eigen edafische voorwaarden, met name wat betreft de nutriënten (in het bijzonder de stikstofhoudende verbindingen en fosfor) en van de gehaltes aan bepaalde ionen (met name calcium) tot gevolg hebben;
- de schepping of het behoud van de toegangsbanen bestemd voor het nabeheersonderhoud van de site.
5.2. Ontsluitingswerken.
Het vellen en het ontdoen van struikgewas vóór de ontsluitingswerken worden buiten de vegetatieve periode uitgevoerd.
In de gebieden voor het nestelen van soorten van rotsvogels of van diersoorten die in de losse wanden nestelen (wespennest, oeverzwaluwen, kauwen, nacht- en dagroofvogels) en tot 15 meter aan beide kanten van de koloniën en nesten worden de uitsluitingswerken (grondwerken) tussen 1 september en 15 februari uitgevoerd.
Als bouwland opnieuw gebruikt moet worden, wordt het gescheiden van de ontsluitingsgronden en van de steriele gronden en wordt het apart opgeslagen. Deze opslag moet niet lang duren (één vegetatieseizoen) vóór hergebruik. De opslagen zijn niet hoger dan 3 meter om de zelfverdichting te voorkomen. Elke verdichting van de gronden wordt beperkt, waarbij het verkeer van de grondwerkenvoertuigen erop wordt voorkomen. Deze voorlopige grondopslagen worden vlug gezaaid (mengsels van grasachtige planten - zie de lijst van de plantensoorten in bijlage 3) om elke erosie en elke afkalving te voorkomen en om de agronomische capaciteiten van de gronden te behouden.
Als dit bouwland niet onmiddellijk na het afgraven ervan of na zijn opslag onder de hierboven vermelde voorwaarden gebruikt wordt, kan het behandeld worden op dezelfde manier als de andere ontsluitingsterreinen, steriele en ermee gemengde terreinen.
Als weinig frequente natuurlijke omgevingen op de site vóór de werken aanwezig zijn op gronden met bijzondere eigenschappen (skelet-, kalk-, zandbodems...), worden ze afgegraven over een dikte van maximum 0,50 m. Deze gronden worden onmiddellijk verspreid op de bodem en andere platvlakken van de groeve in de holte of aan de rand daarvan om er deze omgevingen met de aanwezige opslagen van korrels opnieuw samen te stellen. De dikte van de verspreiding is niet hoger dan die van de afgenomen hoeveelheid. Als de verspreiding niet onmiddellijk kan worden uitgevoerd, worden deze gronden opgeslagen over hoogstens 2 of 3 meter hoogte gedurende maximum een vegetatieseizoen. Deze voorlopige opslagen worden niet gezaaid.
5.3. Opslagen van gesteenten zonder mineralen, bufferheuvels en merloenen.
Als de gesteenten zonder mineralen bij de holte opgeslagen worden,
- is de opslagplaats voorzover mogelijk definitief en wordt hij zodanig gekozen dat hij geen scherm vormt tussen de bedrijfsruimte en een :
- een natuurlijke omgeving die niet betrokken is bij de winningsactiviteit en die een oorsprongsbron (reservoir) kan zijn voor de soorten die de site na de exploitatie opnieuw kunnen koloniseren;
- een schuilplaats voor fauna en flora aanwezig in de omgevingen gelegen recht tegenover de winningsactiviteit;
- moeten de hellingen zich bevinden beneden de evenwichthelling van de materialen na natuurlijke inklinking;
- wordt het geheel van het opslaggebied gezaaid met een mengsel van grasachtige soorten (zie bijlage 3), behalve de gebieden die het voorwerp uitmaken van bijzondere inrichtingen voor flora en fauna die weinig of geen vegetatie nodig hebben, zoals bedoeld in de aan de verschillende soorten groeven eigen voorwaarden;
- en als soorten van het type " bloeiende planten " toegevoegd worden voor de inrichting van een bloeiende wei, gaat het gebiedend om korrels uit Waalse ecotypen en uit inheemse soorten, die aangepast zijn aan de plaatselijke edafische voorwaarden, die natuurlijk reeds aanwezig zijn in het betrokken geografische gebied en die opgenomen zijn in de lijst van bijlage 4;
- wordt de dichtheid van de zaaiingen bepaald naar gelang van de gekozen soorten en op grond van hun normale specifieke voederdichtheid. Wanneer er mogelijkheden tot het opnieuw koloniseren op snelle en natuurlijke wijze door de inheemse vegetatie bestaan (vanaf korrelsopslagen in de gronden of in de dichtbij gelegen en beschermde omgevingen), wordt de densiteit beperkt om de natuurlijke verschijning van inheemse soorten mogelijk te maken;
- worden de bosaanplantingen uitgevoerd met inheemse soorten die aangepast zijn aan de plaatselijke edafische voorwaarden en die natuurlijk reeds aanwezig zijn in het betrokken geografische gebied. Er wordt verwezen naar de in bijlage 1 vermelde lijst. De beplantingsdichtheid is inbegrepen tussen 1 000 en 2 500 aanplanten per hectare. De totale beboste oppervlakte overschrijdt niet 50 % van de totale oppervlakte om de open plekken en andere open ruimten te sparen. Deze open ruimten bestaan met name uit dreven die 10 tot 15 m breed zijn en die als grasachtig gebied behandeld worden, met bredere schermen aan de kant van de overheersende winden. De op het zuiden gelegen hellingen zijn minder bebost dan de hellingen die op de andere richtingen gelegen zijn;
- worden de randen van de bosgebieden zodanig ingericht dat er in openingen wordt voorzien, en worden ze beplant met een dubbele rij randsoorten die als struikgewas groeien en die boomvormig, van inheemse oorsprong en aangepast zijn aan de plaatselijke edafische voorwaarden en die natuurlijk reeds aanwezig zijn in het betrokken geografische gebied (er wordt verwezen naar de in bijlage 1 vermelde lijst) om een vegetatie van bosranden te herscheppen;
- en als een draineersloot wordt geïnstalleerd vóór de taluds, wordt het water afgevoerd buiten de holtegrenzen;
- wordt de verspreiding van de bosgebieden, de open gebieden en de struiken zodanig uitgevoerd dat ze zeer goed past in het plaatselijke landschap.
Als de gesteenten zonder mineralen in de holte (opvulling) en als de holte niet volledig opgevuld wordt :
- zijn de opslagen bij voorkeur gelegen in de gedeelten van de holte blootgesteld aan de noordelijke, noordwestelijke of noordoostelijke kant;
- vinden de zaaiingen en bosaanplantingen plaats onder dezelfde voorwaarden als die voor de opslagen van gesteenten zonder mineralen buiten de holte;
- in het geval van een groeve onder water of die onder water gezet zou kunnen worden na de exploitatie, wordt de opvulling zodanig ontworpen dat eerder de diepte van de waterspiegel dan zijn oppervlakte wordt beperkt. De oprichting van eilandjes en oevers met een lichte helling wordt bevorderd.
De bufferheuvels of de merloenen worden opgericht aan de rand van de winningsholte binnen de grenzen van het in de gewestplannen opgenomen winningsgebied. Dezelfde voorschriften als voor de opslagen van gesteenten zonder mineralen zijn van toepassing.
Wanneer een gezichtsscherm of een scherm tegen stoffen nodig is wegens de nabijheid van woningen, wordt een scherm op de heuvels of merloenen of op de bodem aan de rand van de groeve opgericht dmv een dichte haag over 2 of 3 rijen met bomen met hoge stammen, kreupelbossen en opvullingsheesters. Ze bestaat bij voorkeur uit loofsoorten met verwelkende bladeren (haagbeuk, beuk) en/of met groen blijvende bladeren (hulst, liguster). Men kiest soorten aangepast aan de plaatselijke edafische voorwaarden en aan het betrokken geografische gebied. Er wordt verwezen naar de in bijlage 1 vermelde lijst.
Het wezenlijke basisprincipe bestaat erin geen niet-inheemse soorten of soorten die niet eigen zijn aan het betrokken geografische gebied te gebruiken; ze mogen niet toegelaten worden omdat ze de doelstelling betreffende de verbetering van de biodiversiteit niet conform zijn. Deze bepalingen zijn evenwel slechts van toepassing met inachtneming van de grenzen die de oprichting van gezichtsschermen en schermen tegen stoffen vereisen of om taluds in veiligheid te stellen :
- in het geval van gezichtsschermen en schermen tegen stoffen vereist de behoefte aan soorten met snelle groei het eventuele gebruik van harsbomen en van bepaalde niet-inheemse soorten (witte elzenboom en gewone acacia);
- voor het veilig stellen en in het kader van de stabilisatie van de taluds is het gebruik van niet-inheemse soorten (witte elzenboom en gewone acacia) toegelaten maar in homogeen mengsel met soorten opgenomen in de bijgaande lijst en aangepast aan het terrein.
Het gebruik van deze niet-inheemse soorten is alleen toegelaten in de nabijheid van de woongebieden als de omwoners of de plaatselijke overheden er specifiek om hebben verzocht en op voorwaarde dat de inheemse loofsoorten geen voldoening hebben gegeven.
5.4. Bodem van de groeve.
Voor de gedeelten buiten het water :
- met uitzondering van de wegvoering van niet-geologische materialen, wordt de bodem van de groeve in de toestand zoals die na de exploitatie gehouden. Geen grondbeluchting, geen grondenaanvoer, geen beplanting of zaaiing wordt uitgevoerd. Als waardevolle natuurlijke omgevingen op de bodems recht tegenover de groeve aanwezig zijn vóór het afgraven van de ontsluitingswerken kan een in deze omgevingen gewonnen laag van gronden verspreid worden op de bodem van de groeve maar op een oppervlakte die niet hoger is dan 50 % van de hele bodem. Deze verspreiding wordt op homogene wijze uitgevoerd tussen de schaduwrijke en zonnige sectoren.
- De voorlopige depressies en vijvers aanwezig in de gebieden die door het verkeer van de werkterreinvoertuigen verdicht zijn, alsmede de bronnen en sijpelingsgebieden worden gehandhaafd;
- Als de bodem van de groeve uit losse materialen bestaat en als de grondwaterlaag bijna dagzomend is, worden kleine vijvers aangelegd. Hun oppervlakte is maximum 5 aren. De gehele oppervlakte van de vijvers dekt hoogstens 1/10 van de oppervlakte van de bodem van de groeve. De maximale diepte is 1 meter onder het niveau van het hoogwater. De helling van de oevers is licht (hoogstens 12/4). De vijvers staan bij voorkeur in zonnige sectoren. De oevers zijn zo onregelmatig mogelijk, niet geplant en niet gezaaid.
- In geval van opvulling van de holte wegens technische of landschapachtige voorschriften, wordt het grootste deel van de oppervlakte van de bodem van de groeve in de toestand zoals die na de exploitatie gehouden, en dit in de zonnige gebieden.
Voor de gedeelten onder water :
- Indien nodig worden de oevers alleen gestabiliseerd met methoden die geen materialen gebruiken, waarbij de fysisch-chemische natuurlijke eigenschappen van het water kan worden gewijzigd. Endogene materialen worden bij voorkeur aangewend.
- De oprichting van sectoren met een lage diepte en van eilandjes wordt bevorderd.
- In geval van opvulling van de holte wegens technische of landschapachtige voorschriften, wordt de aanwezige wateroppervlakte zo veel mogelijk gehandhaafd. Men vermindert liever de diepte dan de gehele oppervlakte van de waterspiegel.
- De herprofilering van oevers wordt volgens een niet-lineair tracé verricht met het oog op de inrichting van kreken die voldoende diep zijn om over minstens 0,5 meter in geval van laagwater onder water te zijn. De oppervlakte van deze kreken schommelt tussen enige m2 en enige aren.
- Indien nodig moet er op een oeversectie die het voorwerp heeft uitgemaakt van een herprofilering, en op enige meters ervan, worden voorzien in een " bankengebied voor de kust " waarvan het hoogste punt op minstens 0,5 meter boven het niveau van het hoogwater is, zodat een smal watergebied (soort lagune met een breedte van enige meters) wordt gescheiden van de waterspiegel. De diepte van deze lagune is voldoende om over minstens 0,5 meter in geval van laagwater onder water te zijn.
- Behalve voor de voor het vissen bestemde waterspiegels wordt geen vis toegevoegd in de waterspiegels.
Pijlerfront en treden :
- het front van de ontsluitingsgronden wordt gestabiliseerd door het remodelleren ervan volgens een helling beneden het evenwichtniveau van de aanwezige materialen om de fenomenen van de stoptransporten te voorkomen;
- de basis van het front van de ontsluitingsgronden wordt naar achteren verplaatst op een afstand van minstens 5 meter van het hoogste punt van het eerste front gehakt in de gewonnen materialen, zodat elke grondaanvoer (door erosie of verzakking) in de holte wordt voorkomen.
- De materialen gebruikt voor de opvulling van de sloten of draineergeulen die buiten de holte worden gegraven, en waarvan het water naar de winningsholte wordt afgevoerd, moeten gekozen worden zodat de fysisch-chemische eigenschappen van het water en van de gronden niet worden gewijzigd;
- De zaaiing en de bosaanplanting van de fronten van de ontsluitingsgronden vinden plaats volgens dezelfde princiepen als voor de opslagen van gesteenten zonder mineralen.
Bezinkingsbekkens :
- De bezinkingsbekkens moeten na de exploitatie in hun oorspronkelijke staat behouden worden, waarbij hun opvangmogelijkheid voor fauna en flora wordt verbeterd door de omtrek van de oevers op bepaalde plaatsen " te breken " via een storting van gesteenten zonder mineralen om een menigte oeverterreinen te herscheppen;
- Gedurende de exploitatie is het ideaal deze bekkens in een laag punt te installeren om er het water afkomstig van de sloten of draineergeulen naartoe af te voeren;
- Voorzover mogelijk wordt de storting op een zonnige oever van endogene rotsblokken verricht.
Ondergrondse galerijen en grotten :
Onmiddellijk vanaf het einde van de exploitatie van de betrokken sector worden de ingangen van de galerijen en andere gaten (luchtgaten) of de tijdens de exploitatie opnieuw gesneden natuurlijke grotten uitgerust met een sluitingssysteem om elke niet-toegelaten indringing te voorkomen maar, om de toegang voor vleermuizen mogelijk te maken en om de goede verluchting van de leidingen te verzekeren.
6. Bijzondere aanbevelingen volgens het type geëxploiteerde rots.
6.1. Groeve van losse rotsen van het type zand en grind.
Algemene doelstellingen.
Een herinrichting met het oog op een verhoging van de attractiviteit van de site voor fauna en flora beoogt specifiek de volgende doelstellingen :
- handhaving van de zandige of steenachtige aard van de site;
- handhaving van ruimten met een blote bodem of een discontinue en open vegetatie;
- weinig houtgewassen in de holte;
- aanwezigheid van waterspiegels met onregelmatige omtrekken en met een veranderlijke diepte;
- behoud van de oligotrofe eigenschappen (= arm aan voedsel) en zuren door de aanvoer van voedsel van buiten (met name door de afvloeiing van het water) te voorkomen. Gedurende de herinrichtingswerken wordt ook elke aanvoer van materialen die ionen calcium en magnesium kunnen vrijlaten, voorkomen (met name in geval van gebruik van keien voor de draineergeulen, of van voor de fundering van banen of wegen gebroken materialen);
- handhaving van verticale wanden op losse terreinen, waarbij in een later onderhoud (nabeheer) wordt voorzien om deze wanden op te knappen;
- handhaving of schepping van terreinen met een zeer lichte helling in de vochtigste sectoren;
- handhaving van puin en opslagen van " zandstenen " (geïndureerde horizons) en in voorkomend geval van ijzerachtige zandsteen (verscheidenheid in de korrelverdeling van de materialen).
Ontsluitingswerken.
Als voor zandige of steenachtige vormingen typerende natuurlijke omgevingen op de site vóór de winning aanwezig zijn, moet de oppervlakte van de bodem afgegraven worden over een te bepalen dikte (a priori kleiner dan 0,50 meter) en moeten deze materialen worden gebruikt voor de bedekking van een gedeelte van de zandige oppervlakten aan het einde van de exploitatie (bodem van de groeve, bermen). Als het hergebruik niet onmiddellijk kan worden verricht, worden deze producten opgeslagen gedurende een vegetatieseizoen over een dikte van maximum 2 tot 3 meter om elke verdichting te voorkomen. Deze opslagen worden niet gezaaid om elke invoering van exogene plantensoorten in de herschapen omgevingen te voorkomen.
Opslagen van gesteenten zonder mineralen, bufferheuvels en merloenen.
Elke afvloeiing van water of slib vanuit gesteenten zonder mineralen of ontsluitingsgronden naar de zandige gedeelten van de exploitatie, waarin voor zanden typerende natuurlijke omgevingen kunnen worden herschapen, moet voorkomen worden.
De steenachtige gesteenten zonder mineralen (geïndureerde horizons, zandstenen) worden gescheiden van gronden en gesteenten zonder mineralen en opgeslagen in zonnige sectoren langs de waterspiegels en aan de basis van het pijlerfront. Deze opslagen worden niet met gronden bedekt, noch gezaaid, noch bebost.
Als de ontsluitingsgronden en de gesteenten zonder mineralen in de holte (opvulling) opgeslagen zijn :
- worden de steenachtige gesteenten zonder mineralen (zandstenen) gescheiden van gronden en gesteenten zonder mineralen en opgeslagen in zonnige sectoren langs de waterspiegels en aan de basis van het pijlerfront. Deze opslagen worden noch gezaaid, noch bebost.
- mogen de steenachtige materialen gebruikt voor de opvulling van sloten of geulen waarvan het water naar de winningsholte wordt geloosd, of de materialen gebruikt voor de fundering van de verkeersbanen niet uit kalksteen bestaan.
Pijlerfront en treden.
De materialen gebruikt voor de opvulling van de sloten of draineergeulen die eventueel aan de basis van het pijlerfront van de ontsluitingsgronden zijn gelegen en waarvan het water naar de winningsholte wordt geloosd, mogen niet uit kalksteen bestaan.
Voor de exploitaties onder het piëzometrische niveau :
- wordt een deel van de oevers (de gedeelten buiten het water) zonder herprofilering gelaten en wordt het tot het einde van de exploitatie verticaal gehouden. De grond wordt via grondwerkzaamheden en/of door storting van endogene materialen onder nieuw profiel gebracht om oevers met een lichte helling en op het zuiden gelegen op te richten;
- moeten zandstenen (geïndureerde horizons) langs de waterspiegels opgeslagen worden, als deze materialen op de site beschikbaar zijn.
Bezinkingsbekkens.
Er moet worden voorzien in de storting van zandsteenblokken of van " zandstenen " (geïndureerde horizons) op een zonnige oever, als deze materialen ter plaatse beschikbaar zijn.
6.2. Groeve van losse rotsen van het type styromolm, klei en porseleinaarde.
Algemene voorwaarden.
Een heraanleg gunstig voor de verhoging van de attractiviteit van de site voor fauna en flora heeft specifiek als doel de volgende doelstellingen te bereiken :
- handhaving van weinig diepe waterspiegels;
- handhaving van voorlopige en goed zonnige vijvers;
- handhaving van ruimten met een blote draineerbodem of een discontinue en open vegetatie;
- aanwezigheid van weinig houtgewassen in de winningsholte;
- behoud van de oligotrofe eigenschappen (= arm aan voedsel) en zuren door de aanvoer van voedsel van buiten (met name door de afvloeiing van het water) te voorkomen.
Ontsluitingswerken.
Als voor bijzondere vormingen typerende natuurlijke omgevingen (zure en oligotrofe omgevingen, of kalkminnende vegetatie of op de bodem van een dal) op de site vóór de winning aanwezig zijn, moet de oppervlakte van de bodem afgegraven worden over een te bepalen dikte (a priori kleiner dan 0,50 meter) en moeten deze materialen worden gebruikt voor de bedekking van een gedeelte van de oppervlakten die niet onder water zullen zijn, aan het einde van de exploitatie (bodem van de groeve, bermen). Als het hergebruik niet onmiddellijk kan worden verricht, worden deze producten opgeslagen gedurende maximum een vegetatieseizoen over een dikte van maximum 2 tot 3 meter en door elke verdichting te voorkomen. Deze opslagen worden niet gezaaid om elke invoering van exogene plantensoorten in de herschapen omgevingen te voorkomen.
Opslagen van gesteenten zonder mineralen, bufferheuvels en merloenen.
Behoudens de kiezelhoudende of de zandige dekterreinen zijn de ontsluitingsgronden, wanneer ze aanwezig zijn, niet gunstig voor de ontwikkeling van een fauna en flora met een grote ecologische waarde. Elke afvloeiing van water of slib vanuit deze opslagen naar de holte (zie algemene voorschriften) moet voorkomen worden.
Pijlerfronten en treden.
Alle bemalingswerken worden voor zover mogelijk in werking gehouden zodat de toekomstige beheerders van de site een waterniveau kunnen handhaven dat verenigbaar is met een optimale ontwikkeling van de vegetatie en van de fauna.
Bezinkingsbekkens.
De herprofilering van oevers wordt volgens een niet-lineair tracé verricht met het oog op de inrichting van kreken die voldoende diep zijn om over minstens 0,5 meter in geval van laagwater onder water te zijn. De oppervlakte van deze kreken schommelt tussen enige m2 en enige aren.
Als de materialen op de site beschikbaar zijn, worden rotsen (blokken) bij de waterspiegels opgeslagen.
6.3. Groeve van coherente carbonaatrotsen : kalksteen, krijt, tufkrijt);
Een heraanleg gunstig voor de verhoging van de attractiviteit van de site voor fauna en flora heeft specifiek als doel de volgende doelstellingen te bereiken :
- handhaving van ruimten met een blote draineerbodem of een discontinue en open vegetatie, die bestaan uit een mengsel van kalkgronden en -grinden en die op het zuiden zijn gelegen;
- handhaving van hoge rotsachtige wanden;
- neergestorte stenen en breuksteenstorting op verschillende blootstellingen;
- aanwezigheid van voorlopige vijvers op de bermen of de bodem van de groeve;
- aanwezigheid van weinig houtgewassen in de winningsholte;
- handhaving van waterspiegels (vijvers op de bodem van de groeve, bezinkingsbekkens).
Ontsluitingswerken.
Als voor kalkminnende vormingen typerende natuurlijke omgevingen op de site vóór de winning aanwezig zijn, moet de oppervlakte van de bodem afgegraven worden over een te bepalen dikte (a priori kleiner dan 0,50 meter) en moeten deze materialen worden gebruikt voor de bedekking van een gedeelte van de oppervlakten aan het einde van de exploitatie (bodem van de groeve, bermen, taluds). Als het hergebruik niet onmiddellijk kan worden verricht, worden deze producten opgeslagen gedurende maximum een vegetatieseizoen over een dikte van maximum 2 tot 3 meter en door elke verdichting te voorkomen. Deze opslagen worden niet gezaaid om elke invoering van exogene plantensoorten in de herschapen omgevingen te voorkomen.
Opslagen van gesteenten zonder mineralen, bufferheuvels en merloenen.
Elke water- of slibafvloeiing vanaf de opslagen van gesteenten zonder mineralen en van ontsluitingsgronden naar de kalkgedeelten van de exploitatie, waar voor kalkgazons typerende natuurlijke omgevingen herschapen kunnen worden, moet voorkomen worden.
Als gesteenten zonder mineralen met een hoge verhouding van carbonaatrotsen beschikbaar zijn (lediging van karsten, scalp van de producten vóór de primaire vergruizing, afkrabbing van de afzetting,...), wordt het mengsel van al deze materialen met de andere gronden en gesteenten zonder mineralen voorkomen. Deze rotsen worden voorbehouden tot de herinrichting van de bodem. Meer van de verschillende omgevingen worden geschapen op de opslagen van gesteenten zonder mineralen en op ontsluitingsgronden :
- kalkachtige breuksteenstortingen met een hoge helling : op het zuiden worden hellingen (1/2) die bestaan uit een mengsel van rotsblokken, opgericht, waarop een kleihoudende of slib bevattende steenachtige bodem met een zeer kleine dikte (in de orde van de centimeter) wordt gestort, om de installatie van soorten typerend voor droge kalkachtige omgevingen te bevorderen;
- kalkachtige kapbreuksteenstortingen op de terrassen en toppen. De samenstelling is dezelfde maar de helling is verschillend;
- gebieden op het terras of met een kleine helling die bestaan uit een mengsel van gronden en steengruis (scalp, keiachtig gedeelte van de ontsluitingsgronden) bestemd voor het opnieuw scheppen van mesofiele kalkgazons;
- gronden die bestaan uit een heterogeen mengsel van de verschillende gedeelten van de gesteenten zonder mineralen en van de ontsluitingsgronden, die op het noorden gelegen zijn en die bestemd zijn om door houtgewassen bebost of gekoloniseerd te worden voor de schepping van hellingsbosaanplantingen (type esdoornbossen).
Als ontsluitingsgronden en gesteenten zonder mineralen in de holte (opvulling) worden opgeslagen :
- worden breuksteenstoringen en andere kalkomgevingen zoals hierboven vermeld herschapen;
- en als de groeve zich zelfs na de exploitatie onder het piëzometrische niveau bevindt, wordt een draineersloot opgericht aan de basis van de taluds van de ontsluitingsgronden en gesteenten zonder mineralen voor de afvoer van het water naar het laagste punt van de bodem van de groeve om elke slibaanvoer op de kalkachtige bodem van de groeve te voorkomen.
Pijlerfronten en treden.
Er wordt ervoor gezorgd dat hoge pijlerfronten worden behouden voor zover het veilig is.
Bezinkingsbekkens.
De bezinkingsbekkens moeten na de exploitatie in hun oorspronkelijke staat behouden worden, waarbij hun opvangmogelijkheid voor fauna en flora wordt verbeterd door de omtrek van de oevers op bepaalde plaatsen " te breken " via een storting van gesteenten zonder mineralen om een menigte oeverterreinen te herscheppen.
Systemen voor het pompen van het water moeten voor zover mogelijk behouden worden zodat de volgende beheerders met de watervoorziening van de bekkens kunnen voortzetten.
Struikboomgroepen en enige bomen worden gehandhaafd of geplant in de richting van de overheersende winden.
Blokken met een hoge korrelverdeling worden op een zonnige oever gestort.
6.4. Groeve van coherente kiezelhoudende rotsen : porfier, zandsteen, schist, lei
Algemene voorwaarden.
Een herinrichting gunstig voor de verhoging van de attractiviteit van de site voor fauna en flora heeft specifiek als doel de volgende doelstellingen te bereiken :
- handhaving van ruimten met een blote bodem of een discontinue en open vegetatie op zure en arme gronden;
- handhaving van hoge rotsachtige wanden;
- neergestorte stenen en breuksteenstortingen op verschillende blootstellingen;
- aanwezigheid van voorlopige vijvers op de bermen of de bodem van de groeve;
- aanwezigheid van weinig houtgewassen in de winningsholte;
- handhaving van waterspiegels (vijvers op de bodem van de groeve, bezinkingsbekkens).
Ontsluitingswerken.
Als voor zure en arme vormingen typerende natuurlijke omgevingen op de site vóór de winning aanwezig zijn, moet de oppervlakte van de bodem afgegraven worden over een te bepalen dikte (a priori kleiner dan 0,50 meter) en moeten deze materialen worden gebruikt voor de bedekking van een gedeelte van de oppervlakten aan het einde van de exploitatie (bodem van de groeve, bermen, taluds). Als het hergebruik niet onmiddellijk kan worden verricht, worden deze producten opgeslagen gedurende maximum een vegetatieseizoen over een dikte van maximum 2 tot 3 meter en door elke verdichting te voorkomen. Deze opslagen worden niet gezaaid om elke invoering van exogene plantensoorten in de herschapen omgevingen te voorkomen.
Opslagen van gesteenten zonder mineralen, bufferheuvels en merloenen.
Alle maatregelen worden genomen om elke water- of slibafvloeiing vanaf de opslagen van gesteenten zonder mineralen en van ontsluitingsgronden naar de zandsteenhoudende of kiezelhoudende gedeelten van de exploitatie te voorkomen, waar typerende natuurlijke omgevingen herschapen kunnen worden.
Als de onstsluitingsgronden en de gesteenten zonder mineralen bij de holte worden opgeslagen :
- mogen de materialen gebruikt voor de opvulling van de sloten of draineergeulen waarvan het water naar de winningsholte wordt geloosd, niet uit kalksteen bestaan.
Als gesteenten zonder mineralen met een hoge verhouding van kiezelhoudende rotsen beschikbaar zijn (scalp van de producten vóór de primaire vergruizing, afkrabbing van de afzetting,...), wordt het mengsel van al deze materialen met de andere gronden en gesteenten zonder mineralen voorkomen. Deze rotsen worden voorbehouden tot de eindherinrichting van de bodem. Meer van de verschillende omgevingen worden geschapen op de opslagen van gesteenten zonder mineralen en op ontsluitingsgronden :
- zandsteenhoudende breuksteenstortingen met een hoge helling : op het zuiden worden hellingen (1/2) die bestaan uit een mengsel van rotsblokken opgericht, waarop een bodem met een zeer kleine dikte (in de orde van de centimeter) wordt gestort, om de installatie van soorten typerend voor droge omgevingen te bevorderen;
- kapbreuksteenstortingen op de terrassen en toppen. De samenstelling is dezelfde maar de helling is verschillend;
- gebieden op het terras of met een kleine helling die bestaan uit een mengsel van gronden en steengruis (scalp, keiachtig gedeelte van de ontsluitingsgronden) bestemd voor het opnieuw scheppen van heiden en gazons;
- gronden die bestaan uit een heterogeen mengsel van de verschillende gedeelten van de gesteenten zonder mineralen en van de ontsluitingsgronden, die op het noorden gelegen zijn en die bestemd zijn om door houtgewassen bebost of gekoloniseerd te worden voor de schepping van hellingsbosaanplantingen (type esdoornbossen).
Als ontsluitingsgronden en gesteenten zonder mineralen in de holte (opvulling) worden opgeslagen :
- en als de groeve onder het piëzometrische niveau wordt geëxploiteerd, wordt een sloot opgericht aan de basis van de taluds voor de afvoer van het water naar het laagste punt van de bodem van de groeve om elke slibaanvoer op de bodem van de groeve te voorkomen. De steenachtige materialen gebruikt voor de opvulling van sloten of draineergeulen mogen niet uit kalksteen bestaan.
Pijlerfronten en treden.
De steenachtige materialen gebruikt voor de opvulling van sloten of draineergeulen waarvan het water naar de winningsholte wordt geloosd, mogen niet uit kalksteen bestaan.
Er wordt ervoor gezorgd dat hoge pijlerfronten worden behouden voor zover het veilig is.
Bezinkingsbekkens.
Systemen voor het pompen van het water moeten voorzover mogelijk behouden worden zodat de volgende beheerders met de watervoorziening van de bekkens kunnen voortzetten.
Struikboomgroepen en enige bomen worden gehandhaafd of geplant in de richting van de overheersende winden.
Blokken met een hoge korrelverdeling worden op een zonnige oever gestort.
7. Termijnbeheer van de sites - Nabeheer.
Als de oude groeven snel omgevingen kunnen vormen die zeer interessant zijn voor fauna en flora, leidt de natuurlijke ontwikkeling van deze omgevingen vaak en tamelijk vlug tot hun banalisatie.
In de meeste gevallen treedt deze banalisatie op wanneer :
- de open omgevingen ten gevolge van hun natuurlijke bosaanplanting verdwijnen;
- de wanden in losse terreinen instorten, waarbij ze minder attractief zijn voor de bijzondere avifauna;
- een eutrofiëring van de arme en zure omgevingen wordt vastgesteld;
- de omgevingen homogeen worden.
Het behoud van het biologische belang van de groeven voortvloeiend uit een bedachtzame inrichting en dus van het nut van de investeringen toegestaan door de exploitant om deze inrichting te verrichten, is niet mogelijk zonder een beheer aan het einde van de exploitatie (nabeheer).
Om het goede aangroeien van de beplantingen te verzekeren wordt de aan het einde van de herinrichting verrichte controle in twee fasen uitgeoefend; de eerste fase is de voorlopige controle, de tweede is definitief en draagt de verantwoordelijkheid over aan het nabeheer van de site.
Wanneer de vegetatieperiode volgend op de aanplanting op de datum van de voorlopige verificatie nog niet begonnen is en wanneer het onmogelijk is het goede aangroeien van de planten te controleren, kan de voorlopige verificatie aanvaard worden indien gewoon wordt vastgesteld dat alle plantensoorten in overeenstemming met de voorschriften van de vergunning worden gebruikt.
Gedurende de garantieperiode en vóór elke beplantingsperiode worden de dode, slecht opgekomen of niet-conforme beplantingen geteld. Deze laatste worden vervangen gedurende het volgende beplantingsseizoen door en ten laste van de exploitant.
De vrijstelling van de garantie vindt plaats gedurende het volgende seizoen tussen 1 juni en 30 september; ze wordt goedgekeurd als het aangroeien van de beplantingen volledig is.
Voorzover het aantal dode, slecht opgekomen of ontbrekende beplantingen 10 % van de bosbeplantingen en 5 % van de andere beplantingen niet overschrijdt, worden de opheffing van de garantie en de overdracht van de verantwoordelijkheid goedgekeurd.
Naast deze norm mogen de technisch ambtenaar en de gemachtigd ambtenaar eensgezind de opheffing van de garantie toekennen mits de toepassing van een inhouding op de betaling van de werken of op de vrijstelling van de zekerheid, waarvan de waarde gelijkwaardig is aan de vastgestelde tekortkomingen berekend op grond van de in de vergunning geactualiseerde eenheidswaarden.
4. Avis des administrations compétentes (DGATLP - DGRNE).
Lors de l'instruction de la demande de permis, l'avis du fonctionnaire delégué et du fonctionnaire technique dans le cadre du réaménagement porte notamment sur :
- la destination du site après exploitation (respect du prescrit de l'article 32 du CWATUP);
- l'étude détaillée des travaux à effectuer pour réaménager le site conformément à la destination prévue et leur coût global;
- le programme d'exécution de ces travaux pendant ou après l'exploitation (phasage);
- le montant du cautionnement prévu;
- les modalités de la post-gestion (conditions, durée, à).
L'avis de la Division Nature et Forêt et du Centre Nature Forêts Bois sont également sollicités lors de l'instruction du dossier visant le caractère complet et recevable de la demande de permis d'environnement et/ou unique.
5. Recommandations de réaménagement.
5.1. Objectifs généraux.
Le réaménagement d'un site doit atteindre les objectifs suivants :
* la sécurisation du site par peignage du rocher, profilage des talus dangereux et clôture du site;
* la conservation ou la création d'un maximum de diversité dans l'exposition des fronts de taille au vent et au soleil;
* la diversification de la micro-topographie des lieux, en aménageant ou en conservant une alternance de dépressions, d'irrégularités dans le terrain, de talus, de parois,...;
* la conservation ou la création d'un maximum de diversite dans les parois (corniches, cavités, fracturations dans la roche, éboulis de granulométries variées,...);
* la création de mares aux berges sinueuses, alternant les pentes douces et les pentes abruptes;
* le maintien d'un sol nu et compacté au niveau du plancher de la carrière et sur les bermes, permettant la conservation des stades pionniers de la végétation durant une longue période et limitant par conséquent la fermeture du milieu;
* l'utilisation d'espèces indigènes, d'origine locale, pour les plantations et semis; la plantation de ligneux étant limitée de manière à favoriser l'ouverture du milieu;
* l'utilisation pour les remodelages et autres travaux (y compris l'assise des pistes de circulation et lieux de stockage), de matériaux n'entraînant pas de modification significative des conditions édaphiques spécifiques au gisement, notamment au niveau des nutriments (en particulier les composés azotés et le phosphore) et des teneurs en certains ions (calcium notamment);
* la création ou le maintien de pistes d'accès destinées à l'entretien de post-gestion du site.
5.2. Travaux de découverture.
Les abattages et les débroussaillages préalables aux travaux de découverture sont entrepris en dehors de la période végétative.
Dans les zones de nidification d'espèces d'oiseaux rupestres ou nichant dans les parois meubles, (Guêpier, Hirondelle de rivage, Choucas des tours, rapaces nocturnes et diurnes,...) et jusqu'à 15 mètres de part et d'autre des colonies ou nids, les travaux de découverture (terrassement) se déroulent autant que possible entre le 1er septembre et le 15 février.
Si un besoin de réemploi de terres arables est nécessaire, celles-ci seront séparées des terres de découverture et des stériles et stockées isolément. Ce stockage doit être de courte durée (une saison de végétation) avant réemploi. L'épaisseur des dépôts n'excède pas 3 metres de hauteur de manière à éviter l'auto-compression. On limite tout compactage des terres, en évitant notamment de circuler sur celles-ci avec les engins de terrassement. Ces stocks provisoires de terres sont ensemencés rapidement (mélange de plantes herbacées - voir liste des espèces en annexe 3), de manière à éviter toute érosion et affouillement, et à conserver les capacités agronomiques des terres.
Si ces terres arables ne sont pas mises en oeuvre immédiatement après leur décapage ou après leur stockage dans les conditions visées ci-dessus, elles peuvent être traitées de la même manière que les autres terrains de découverture et stériles, et mélangés à ceux-ci.
Si des milieux naturels peu fréquents sont présents au droit du site avant travaux, sur des sols présentant des caractéristiques particulières (sols squelettiques, sols calcaires, sols sableux,...) ces sols sont décapés sur une épaisseur n'excédant pas 0,50 m. Ces sols sont immédiatement epandus sur les fonds et autres surfaces planes de la carrière, dans l'excavation ou en périphérie, de manière à y reconstituer ces milieux au départ des stocks de graines présents. L'épandage est réalisé sur une épaisseur n'excédant pas celle du prélèvement. Si l'épandage ne peut être réalisé immédiatement, ces sols sont stockés sur une épaisseur ne dépassant pas 2 ou 3 mètres durant au maximum une saison de végétation. Ces stocks provisoires ne sont pas semes.
5.3. Dépôts de stériles, buttes tampons et merlons.
Si les stériles sont stockés à proximité de l'excavation :
* le lieu de stockage est autant que possible définitif et choisi de manière à ne pas constituer un écran entre le site d'activité et :
- un milieu naturel non concerné par l'activité extractive et susceptible de constituer une source d'origine (réservoir) pour les espèces pouvant recoloniser le site après exploitation;
- ou un lieu de refuge pour la faune et la flore occupant les milieux situés au droit de l'activite extractive;
* les pentes doivent être établies en dessous de la pente d'équilibre des matériaux, après tassement naturel;
* hormis les zones faisant l'objet d'aménagements spécifiques pour la flore et la faune, nécessitant peu ou pas de végétation, tels que détaillés dans les conditions spécifiques aux différents types de carrières, l'ensemble de la zone de stockage est semé d'un mélange d'espèces herbacées (voir liste des espèces en annexe 3);
* si des espèces du type " plantes à fleur " sont ajoutées pour la réalisation d'une prairie fleurie, il s'agira impérativement de graines issues d'écotypes wallons et d'espèces indigènes, adaptées aux conditions édaphiques locales et déjà naturellement presentes dans la région géographique concernée, choisies dans la liste figurant en annexe 4;
* la densité de semis est déterminée en fonction des espèces choisies et sur base de leur densité normale fourragère spécifique. Lorsque des possibilités de recolonisation naturelle rapide par la végétation indigène existent (au départ de stocks de graines dans les sols ou de milieux proches et préservés), la densité est réduite de manière à permettre l'apparition naturelle des espèces indigènes;
* les boisements sont réalisés à l'aide d'espèces indigènes, adaptées aux conditions édaphiques locales et déjà naturellement présentes dans la région géographique concernée. On se réfère à la liste publiée en annexe 1re. La densité de plantation est comprise entre 1 000 et 2 500 plants à l'hectare. La surface totale boisée n'excède pas 50 % de la surface totale, de manière à ménager des clairières et autres espaces ouverts. Ces espaces ouverts sont notamment constitués d'allées de 10 à 15 m de large, traitées en zone herbacée, avec des écrans végétaux plus larges du côté des vents dominants. Les versants exposés vers le sud sont moins densément boisés que ceux exposés dans les autres directions;
* les lisières des zones boisées sont aménagées en créneaux et plantées d'une double rangée d'espèces buissonnantes et arborescentes de bordure, d'origine indigène et adaptées aux conditions édaphiques locales et déjà naturellement présentes dans la région géographique concernée (on se réfère a la liste publiée en annexe 1re), de manière à recréer une végétation d'ourlet forestier;
* si un fossé drainant est établi en pied de talus, les eaux sont évacuées en dehors des limites de l'excavation;
* la répartition des zones boisées, des zones ouvertes et des buissons est réalisée de manière à s'inscrire au mieux dans le paysage local.
Si les stériles sont entreposés dans l'excavation (backfilling ) et si l'excavation n'est pas totalement comblée :
* les dépôts se font préférentiellement dans les parties de l'excavation exposées au nord, nord-ouest ou nord-est;
* les semis et boisements se font dans les mêmes conditions que pour les dépôts de stériles à l'extérieur de l'excavation;
* dans le cas d'une carrière sous eau, ou susceptible de le devenir après exploitation, le remblayage est conçu de manière à réduire la profondeur du plan d'eau plutôt que sa superficie. La création d'îlots et de berges en pente douce est favorisée.
Les buttes tampons ou les merlons sont édifiés en périphérie de la fosse d'extraction, dans les limites de la zone d'extraction inscrite aux plans de secteur. Ils sont établis suivant les mêmes prescriptions que pour les dépôts de stériles.
Lorsque la nécessité d'un écran visuel ou anti-poussières est avérée, du fait de la proximité d'habitations, on crée, sur les buttes ou merlons, ou sur le sol en place en périphérie de la carrière, un écran constitué par une haie dense sur 2 ou 3 rangs associant des arbres à mener en haut jet, des arbres à mener en taillis et des arbustes de bourrage. Elle est préférentiellement constituée d'espèces feuillues à feuilles marcescentes (charme, hêtre) et/ou persistantes (houx, troène). On choisit des espèces adaptées aux conditions édaphiques locales et à la région géographique concernée. On se réfère à la liste présentée en annexe 1re.
Le principe de base essentiel est de ne pas utiliser d'especes non-indigènes ou non naturelles à la région géographique considérée; celles-ci ne peuvent être autorisées car non conforme à l'objectif d'amelioration de la biodiversité. Toutefois, ces dispositions ne s'appliquent qu'en tenant compte des limites qui exigent la création d'écrans visuels et anti-poussières ou pour sécuriser des talus :
- dans le cas des écrans visuels et anti-poussières, le besoin d'espèces à croissance rapide exige l'usage éventuel de résineux et de certaines espèces non indigènes (aulne blanc et robinier);
- pour la sécurisation et dans le cadre de la stabilisation des talus, l'ancrage rapide étant nécessaire, l'emploi d'espèces non indigènes (aulne blanc et robinier) est autorisé mais en mélange homogène avec des espèces de la liste en annexe adaptees au terrain.
L'utilisation de ces espèces non-indigènes est autorisée uniquement à proximité immédiate des zones d'habitats, si les riverains ou les autorités locales en ont fait spécifiquement la demande et à la condition que les espèces feuillues indigènes n'aient pas montré satisfaction.
5.4. Plancher de la carrière.
Pour les parties hors eaux :
* à l'exception de l'évacuation des matériaux non-géologiques, le plancher de la carrière est maintenu dans son état tel que laissé après exploitation. Aucun décompactage, aucun apport de terres, aucune plantation ou semis ne sont réalisés. Toutefois, si des milieux naturels présentant un intérêt sont présents sur les sols en place au droit de la carrière, avant décapage des terrains de découverture, l'épandage d'une couche de sols prélevée dans ces milieux peut être réalisé sur le plancher de la carrière, mais sur une superficie n'excédant pas 50 % du total du plancher. Cet épandage est réparti de manière homogène entre les secteurs ombragés et les secteurs ensoleillés;
* les dépressions et mares temporaires apparues dans les zones compactées par le charroi des véhicules de chantier sont maintenues, de même que les sources, zones de suintements et de ruissellement;
* si le plancher de la carrière est constitué de matériaux meubles et si la nappe phréatique est sub-affleurante, la création de petites mares est envisagée. Leur superficie sera de 5 ares chacune au maximum. La superficie totale des mares couvre au plus 1/10 de la superficie du plancher de la carrière. La profondeur maximale est d'1 mètre sous le niveau des hautes eaux. La pente des berges est faible, de l'ordre de 12/4 au plus. Les mares sont préférentiellement placées dans les secteurs ensoleillés. Les rives sont aussi irrégulières que possible, non plantees et non semées;
* en cas de backfilling ou de comblement de la fosse d'extraction, imposé par des impératifs techniques ou paysager, le maximum de surface du plancher de la carrière est maintenu en l'état tel qu'en fin d'exploitation, et ce dans les zones ensoleillées.
Pour les parties sous eau :
* si nécessaire, les berges sont uniquement stabilisées avec des méthodes ne faisant pas appel à des matériaux pouvant modifier les caractéristiques physico-chimiques naturelles des eaux. La préférence est accordée aux matériaux endogènes;
* la création de secteurs de faible profondeur et d'îlots est favorisée;
* en cas de backfilling ou de comblement de la fosse d'extraction, imposé par des impératifs techniques ou paysager, on maintient autant que possible la surface d'eau présente. Une réduction de la profondeur du plan d'eau est préférée à une réduction de sa superficie totale;
* les berges sont reprofilées en suivant un tracé non linéaire, de manière à ménager des criques d'une profondeur suffisante pour être sous eau sur au moins 0,5 mètre lors des basses eaux. La superficie de ces criques varie entre quelques m2 et quelques ares;
* si possible, il convient de prévoir sur une section de berge reprofilée la création,... quelques mètres de celle-ci, d'un " cordon littoral ", dont le sommet se situe à au moins 0,5 mètre au-dessus du niveau des hautes eaux, de manière à séparer une étroite zone d'eau (sorte de " lagune " de quelques mètres de largeur au plus) du reste du plan d'eau. La profondeur de cette lagune est suffisante pour être en eau sur au moins 0,5 mètre lors des basses eaux;
* hormis pour les plans d'eau destinés à la pêche, aucune introduction de poissons n'est réalisée dans les plans d'eau.
Front de taille et gradins :
* le front des terres de découvertures est stabilisé par un remodelage suivant une pente en dessous du niveau d'équilibre des matériaux présents de manière à éviter des phénomènes de transports en masse;
* le pied du front des terres de découverture est reculé d'au moins 5 m par rapport au sommet du premier front taillé dans les matériaux extraits, de manière à éviter tout apport de terres (par érosion ou éboulement) dans l'excavation;
* les matériaux utilises pour le remplissage des fossés ou tranchées drainantes, réalisés en dehors de l'excavation, et dont les eaux sont évacuées vers la fosse d'extraction, doivent être choisis de manière à ne pas modifier les caractéristiques physico-chimiques des eaux et des sols présents dans l'excavation;
* le semis et le boisement des fronts des terres de découvertures sont réalisés suivant les mêmes principes que pour les dépôts de stériles.
Bassins de décantation :
* il faut favoriser la conservation des bassins de décantation tels quels en fin d'exploitation, tout en veillant à améliorer leur potentialité d'accueil pour la faune et la flore en " cassant " par endroit le contour des berges par déversement de stériles pour recréer une multitude de territoires riverains;
* idéalement, en cours d'exploitation, il faut installer ces bassins dans un point bas, de manière à pouvoir y diriger des eaux issues des fossés ou tranchées drainantes;
* dans la mesure du possible, on envisage le déversement sur une rive ensoleillée de blocs de roches endogènes.
Galeries souterraines et grottes.
Dès la fin de l'exploitation du secteur concerné, les entrées des galeries et autres trous (trous de ventilation) ou grottes naturelles recoupées lors de l'exploitation, et facilement accessibles, sont munies d'un système de fermeture destiné à éviter toute intrusion non autorisée, mais permettant l'accès aux chauves-souris et assurant une bonne ventilation des conduits.
6. Recommandations particulières suivant le type de roche exploitée.
6.1. Carrière de roches meubles de type sable et gravier.
Objectifs généraux.
Un réaménagement favorable à une augmentation de l'attractivité du site pour la faune et la flore vise à atteindre spécifiquement les objectifs suivants :
* maintien du caractère sableux ou graveleux du site;
* maintien d'espaces de sols nus ou à végetation discontinue et rase;
* présence de peu de ligneux dans la fosse d'extraction;
* présence de pièces d'eau aux contours irréguliers et de profondeur variable;
* conservation des caractéristiques oligotrophes (= pauvres en nutriments) et acides, en évitant des apports de nutriments depuis l'extérieur (notamment par le ruissellement des eaux). Lors des travaux réaménagement, on évitera également tout apport de matériaux pouvant libérer des ions calcium et magnésium (notamment en cas d'utilisation de cailloux pour les tranchées drainantes, ou de matériaux concassés pour l'assise de pistes ou de chemins);
* maintien de parois verticales en terrain meuble, en prévoyant un entretien ultérieur (post-gestion) pour rafraîchir ces parois;
* maintien ou création dans les secteurs plus humides, de terrains en pente très douce;
* maintien d'éboulis et de dépôts de " pierres de sable " (horizons indurés) et s'il échet, de roches de grès ferrugineux (diversité dans la granulométrie des materiaux).
Travaux de découverture.
Si des milieux naturels typiques des formations sableuses ou graveleuses sont présents au droit du site avant l'extraction, il convient de décaper la surface du sol sur une epaisseur à déterminer, a priori inférieure à 0,50 mètre, et d'utiliser ces matériaux pour le recouvrement d'une partie des surfaces sableuses en fin d'exploitation (plancher de carrière, bermes). Si le réemploi ne peut être réalisé immédiatement, ces produits sont stockés durant une période n'excédant pas une saison " végétative ", sur une épaisseur de 2 a 3 mètres au maximum, en évitant tout compactage. Ces dépôts ne sont pas ensemencés, de manière à éviter toute introduction d'espèces végétales exogènes dans les milieux recréés.
Dépôts de stériles, buttes tampons et merlons.
Tout ruissellement d'eau ou de boues au départ des stériles ou des terres de découverture vers les parties sableuses de l'exploitation, où des milieux naturels typiques des sables peuvent être reconstitues, sont à éviter.
Les stériles pierreux (horizons indurés, grès) sont séparés des terres et stériles, et entreposés en tas dans des secteurs ensoleillés, en bordure des plans d'eau et en pied de front de taille. Ces dépôts ne sont pas recouverts de terres, ni semés ni boisés.
Si les terres de decouvertures et stériles sont entreposés dans l'excavation (backfilling ) :
* les stériles pierreux (pierres de sables ou grès) sont séparés des terres et entreposés en tas dans des secteurs ensoleillés, en bordure des plans d'eau et en pied de front de taille. Ces dépôts ne sont ni semés ni boisés;
* les matériaux pierreux utilisés pour le remplissage des fossés ou des tranchées dont les eaux sont évacuées vers la fosse d'extraction, ou les matériaux d'assise des pistes de circulation, ne peuvent être de composition calcaire.
Front de taille et gradins.
Les matériaux pierreux utilisés pour le remplissage des fossés ou des tranchées drainantes, éventuellement réalisés en pied de front des terres de découvertures et dont les eaux sont évacuées vers la fosse d'extraction ne peuvent être de composition calcaire.
Pour les exploitations sous le niveau piézométrique :
* une partie des berges (pour ce qui concerne leurs parties hors eau) sont laissées sans reprofilage, maintenues verticales telles qu'après la fin de l'exploitation. Le solde est reprofilé par terrassement et/ou par déversement de matériaux endogènes de manière à créer des berges en pentes douces en exposition sud;
* si ces matériaux sont disponibles sur le site, il convient de réaliser des dépots de " pierres de sables " (horizons indurés) et de grès aux abords des plans d'eau.
Bassins de décantation.
Prévoir le déversement, sur une rive ensoleillée, de blocs de grès ou de " pierres de sables " (horizons indurés), si ces matériaux sont disponibles sur place.
6.2. Carrière de roches meubles de type terre plastique, argile et kaolin.
Conditions genérales.
Un réaménagement favorable à une augmentation de l'attractivité du site pour la faune et la flore vise spécifiquement à atteindre les objectifs suivants :
* maintien de plans d'eau peu profonds;
* maintien de mares temporaires bien ensoleillées;
* maintien d'espaces de sols nus ou à végétation discontinue;
* présence de peu de ligneux dans la fosse d'extraction;
* conservation des caractéristiques oligotrophes (= pauvres en nutriments) et acides, en évitant des apports de nutriments depuis l'extérieur (notamment par le ruissellement des eaux);
* maintien de parois verticales en terrain meuble;
* limitation des apports de matériaux exogènes.
Travaux de découverture.
Si des milieux naturels particuliers (milieux acides et oligotrophes, ou végétation calcicoles ou de fond de vallée) sont présents au droit du site avant extraction, il convient de décaper la surface du sol sur une épaisseur à déterminer, a priori inférieure à 0,50 mètre, et d'utiliser ces matériaux pour le recouvrement d'une partie des surfaces qui ne seront pas sous eau en fin d'exploitation (plancher de carrière, bermes). Si le réemploi ne peut être réalisé immédiatement, ces produits sont stockes durant une période n'excédant pas une saison " végétative ", sur une épaisseur de 2 à 3 metres au maximum, en évitant tout compactage. Ces dépôts ne sont pas ensemencés, de manière à éviter toute introduction d'espèces végétales exogènes dans les milieux recréés.
Dépots de stériles, buttes tampons et merlons.
Hormis les terrains de couverture siliceux ou sablonneux, les terres de découvertures, lorsqu'il y en a, ne sont pas favorables au développement d'une faune et d'une flore de grande valeur écologique. Il faut veiller à limiter tout ruissellement d'eau ou de boues de ces dépôts vers l'excavation (voir prescriptions générales).
Plancher de la carrière.
Tous les ouvrages d'exhaure sont, dans la mesure du possible, maintenus fonctionnels de manière à permettre aux gestionnaires ultérieurs du site de maintenir un niveau d'eau compatible avec un développement optimal de la végétation et de la faune.
Front de taille et gradins.
Les berges sont reprofilées en suivant un tracé non linéaire, de manière à ménager des criques d'une profondeur suffisante pour être en eau sur au moins 0,5 mètre lors des basses eaux. La superficie de ces " criques " varie entre quelques m2 et quelques ares.
Si ces matériaux sont disponibles sur le site, on réalise des dépôts de roches (blocs) aux abords des plans d'eau.
6.3. Carrière de roches cohérentes carbonatées : calcaire, craie et tuffeau.
Conditions générales.
Un réaménagement favorable à une augmentation de l'attractivité du site pour la faune et la flore vise à atteindre spécifiquement les objectifs suivants :
* maintien d'espaces de sols drainants, nus ou à végétation rase et discontinue, constitués d'un mélange de terres et de cailloutis calcaire, en exposition sud;
* maintien de parois rocheuses hautes;
* réalisation d'éboulis et d'enrochements à différentes expositions;
* présence de mares temporaires sur les bermes ou le plancher de la carrière;
* présence de peu de ligneux dans la fosse d'extraction;
* maintien de plans d'eau (mares de fond de carrière, bassins de décantation).
Travaux de découverture.
Si des milieux naturels typiques des formations calcicoles sont présents au droit du site avant extraction, il convient de décaper la surface du sol sur une épaisseur à déterminer (mais a priori inférieure à 0,50 mètre) et d'utiliser ces matériaux pour le recouvrement d'une partie des surfaces en fin d'exploitation (plancher de carrière, bermes, talus). Si le réemploi ne peut être réalisé immédiatement, ces produits sont stockés durant une période n'excédant pas une saison " végétative ", sur une épaisseur de 2 à 3 mètres au maximum, en évitant tout compactage. Ces dépôts ne sont pas ensemencés, de maniere à éviter toute introduction d'espèces végetales exogènes dans les milieux recrées.
Dépôts de stériles, buttes tampons et merlons.
Il convient d'éviter tout ruissellement d'eau ou de boues depuis les dépôts de stériles et de découverture vers les parties calcaires de l'exploitation, où des milieux naturels typiques des pelouses calcaires peuvent être reconstitués.
Si des stériles contenant une forte proportion de roches carbonatées sont disponibles (vidanges de karst, scalp des produits avant concassage primaire, raclage du gisement,...), on évite de mélanger la totalité de ces materiaux aux autres terres et stériles. Ces roches sont réservées jusqu'au réaménagement du sol. On procède de manière à créer plusieurs des milieux suivants sur les dépôts de stériles et de découvertures :
* des enrochements calcaires à forte pente : on crée, en exposition sud, des pentes (1/2) composées d'un mélange de blocs de roche, surmonté d'un sol argilo- ou limono-graveleux de très faible épaisseur (de l'ordre du centimètre), de manière à favoriser l'installation d'espèces caracteristiques de milieux xériques calcaires;
* des enrochements calcaires de crête, sur les replats et les sommets. La composition est identique, seule la pente sera differente;
* des zones sur replat ou à faible pente, constituées d'un mélange de terres et de cailloutis (scalp, partie caillouteuse des terres de découvertures), destinées à la reconstitution de pelouses calcaires mésophiles;
* des sols constitués d'un mélange hétérogène des différents parties de stériles et de terres de découvertures, placés en exposition nord et destinés à être boisés ou colonisés naturellement par les ligneux, pour la création de boisements de pentes (types erablières).
Si des terres de découverture et des stériles sont entreposés dans l'excavation (backfilling ) :
* des zones d'enrochements et autres milieux calcaires sont reconstitués tels mentionnés ci-avant;
* si la carrière est en totalité au dessus du niveau piézométrique, même après exploitation, un fossé drainant est établi en pied de talus des terres de découverture et stériles, et conduit les eaux vers le point bas du plancher de la carrière, de manière à éviter tout apport de boue sur le plancher calcaire de la carrière.
Front de taille et gradins.
On veille à conserver des fronts de tailles élevés, pour autant que la sécurité le permette.
Bassins de décantation.
On veille à conserver des bassins de décantation en l'état en fin d'exploitation, tout en améliorant leur potentialité d'accueil pour la faune et la flore, en " cassant " par endroit le contour des berges par le déversement de stériles pour recréer une multitude de territoires riverains.
Il convient de conserver, dans la mesure du possible, des systèmes de pompage des eaux pour permettre aux gestionnaires ultérieurs des lieux de poursuivre l'alimentation en eau des bassins.
Des massifs arbustifs et quelques arbres sont maintenus ou plantés du côté des vents dominants.
Des blocs de granulométrie élevée sont déversés sur une rive ensoleillée.
6.4. Carrière de roches cohérentes siliceuses : porphyre, grès, schiste et ardoise.
Conditions générales.
Un réaménagement favorable à une augmentation de l'attractivité du site pour la faune et la flore vise spécifiquement à atteindre les objectifs suivants :
* maintien d'espaces de sols nus ou à végétation rase et discontinue, sur sols acides et pauvres;
* maintien de parois rocheuses élevées;
* réalisation d'éboulis et d'enrochements à différentes expositions;
* présence de mares temporaires sur les bermes ou le plancher de la carrière;
* présence de peu de ligneux dans la fosse d'extraction;
* maintien de plans d'eau (mares de fond de carrière, bassins de décantation).
Travaux de découverture.
Si des milieux naturels typiques des formations acides et pauvres sont présents au droit du site avant extraction, il convient de décaper la surface du sol sur une épaisseur a déterminer, a priori inférieure à 0,50 mètre, et d'utiliser ces matériaux pour le recouvrement d'une partie des surfaces en fin d'exploitation (plancher de carrière, bermes, talus). Si le réemploi ne peut être réalisé immédiatement, ces produits sont stockés durant une période n'excédant pas une saison " végétative ", sur une épaisseur de 2 à 3 mètres au maximum, en évitant tout compactage. Ces dépôts ne sont pas ensemencés, de manière à éviter toute introduction d'espèces végétales exogènes dans les milieux recréés.
Dépôts de stériles, buttes tampons et merlons.
Toutes les mesures nécessaires sont prises pour à éviter tout ruissellement d'eau ou de boues depuis les dépôts de stériles ou de découverture vers les parties greseuses ou siliceuses, où des milieux naturels typiques peuvent être reconstitués.
Si les terres de découvertures et stériles sont stockés à proximité de l'excavation :
* les matériaux pierreux utilisés pour le remplissage des fosses ou tranchées drainantes dont les eaux sont évacuées vers la fosse d'extraction ne peuvent être de composition calcaire.
Si des stériles contenant une forte proportion de roches siliceuses sont disponibles (scalp des produits avant concassage primaire, raclage du gisement,...), on évite de mélanger la totalité de ces matériaux aux autres terres et stériles. Ces roches sont réservées jusqu'au réaménagement final du sol. On procede de manière à créer les milieux suivants sur les dépôts de stériles et de découvertures :
* des enrochements gréseux à forte pente : on crée en exposition sud, des pentes (1/2) composées d'un mélange de blocs de roche surmontés d'un sol de très faible épaisseur (de l'ordre du centimètre), de manière à favoriser l'installation d'espèces caractéristiques de milieux xériques;
* des enrochements de crête, sur les replats et sommets. La composition sera identique, seule la pente est différente (surface à eu près plane);
* des zones sur replat ou faible pente constituées cette fois d'un mélange de terres et de cailloutis (scalp, partie caillouteuse des terres de découvertures), destinés à la reconstitution de landes et pelouses;
* des sols constitués d'un mélange hétérogène des différents parties de stériles et terres de découvertures, placées en exposition nord, destinés à être boisés ou colonisés naturellement par les ligneux, pour la création de boisements de pentes (types érablières).
Si les terres de découvertures et stériles sont entreposés dans l'excavation (backfilling) :
* si la carrière est exploitée au dessus du niveau piézométrique, un fossé est établi en pied de talus, et conduit les eaux vers le point bas du fond de la carrière, de manière à éviter tout apport de boue sur le plancher de la carrière. Les matériaux pierreux éventuellement utilisés pour le remplissage des fossés ou tranchées drainantes sont impérativement non-calcaires.
Fronts de taille et gradins.
Les matériaux pierreux utilisés pour le remplissage des fossés ou des tranchées drainantes dont les eaux sont évacuées vers la fosse d'extraction ne peuvent être de composition calcaire.
On veille à conserver des fronts de taille élevés, pour autant que la sécurité le permette.
Bassins de décantation.
Il convient de conserver des systèmes de pompage des eaux pour permettre aux gestionnaires ultérieurs des lieux de poursuivre l'alimentation en eau des bassins.
Des massifs arbustifs et quelques arbres sont maintenus ou plantés du côté des vents dominants.
Des blocs de granulométrie élevée sont déversés sur une rive ensoleillée.
7. Gestion à terme des sites - Post-gestion.
Si les anciennes carrières peuvent rapidement constituer des milieux très intéressants pour la faune et la flore, l'évolution naturelle de ces milieux conduit souvent et plus ou moins rapidement à leur banalisation.
Dans la plupart des cas, cette banalisation intervient lorsque :
* les milieux ouverts régressent suite à leur boisement naturel;
* les parois en terrains meubles s'éboulent, devenant moins attractives pour l'avifaune spécifique;
* on observe une eutrophisation des milieux pauvres et acides;
* les milieux s'homogenéisent.
La préservation de l'intérêt biologique des carrières consécutif à un aménagement réfléchi, et donc de l'utilite des investissements consentis par l'exploitant pour réaliser cet aménagement, ne peut se concevoir sans la mise en place d'une gestion après la fin de l'exploitation (post-gestion).
Afin de garantir une bonne reprise des plantations, le contrôle de fin de réaménagement est effectué en deux étapes, la première est le contrôle provisoire, le second est définitif et transfèrera alors la responsabilité a la post-gestion du site.
Lorsqu'à la date de la vérification provisoire, la période de végétation suivant la plantation n'est pas commencée et qu'il n'est pas possible de vérifier la bonne reprise des plantes, la vérification provisoire peut être admise sur simple constatation de la mise en place de la totalité des essences en conformité avec les impositions du permis.
Durant la période de garantie, préalablement à chaque période de plantation, un comptage des plants morts, malvenants ou non conformes est effectué. Ces plants sont remplacés durant la saison de plantation suivante par et à charge de l'exploitant.
La libération de la garantie a lieu la saison suivante entre le 1er juin et le 30 septembre, elle est accordée si la reprise des plantations est complète.
Toutefois, pour autant que le nombre de plants morts, malvenants ou manquants, n'excède pas 10 % pour les forestiers et 5 % pour les autres plants, la levée de garantie et le transfert de responsabilité sont accordés.
Au-delà de cette norme, le fonctionnaire technique et le fonctionnaire délégué peuvent de concert accorder la levée de garantie moyennant l'application d'une retenue sur le payement des travaux ou sur la libération de la sûreté d'une valeur équivalente aux manquements constatés et calculés sur base des valeurs unitaires actualisés du permis.
Lors de l'instruction de la demande de permis, l'avis du fonctionnaire delégué et du fonctionnaire technique dans le cadre du réaménagement porte notamment sur :
- la destination du site après exploitation (respect du prescrit de l'article 32 du CWATUP);
- l'étude détaillée des travaux à effectuer pour réaménager le site conformément à la destination prévue et leur coût global;
- le programme d'exécution de ces travaux pendant ou après l'exploitation (phasage);
- le montant du cautionnement prévu;
- les modalités de la post-gestion (conditions, durée, à).
L'avis de la Division Nature et Forêt et du Centre Nature Forêts Bois sont également sollicités lors de l'instruction du dossier visant le caractère complet et recevable de la demande de permis d'environnement et/ou unique.
5. Recommandations de réaménagement.
5.1. Objectifs généraux.
Le réaménagement d'un site doit atteindre les objectifs suivants :
* la sécurisation du site par peignage du rocher, profilage des talus dangereux et clôture du site;
* la conservation ou la création d'un maximum de diversité dans l'exposition des fronts de taille au vent et au soleil;
* la diversification de la micro-topographie des lieux, en aménageant ou en conservant une alternance de dépressions, d'irrégularités dans le terrain, de talus, de parois,...;
* la conservation ou la création d'un maximum de diversite dans les parois (corniches, cavités, fracturations dans la roche, éboulis de granulométries variées,...);
* la création de mares aux berges sinueuses, alternant les pentes douces et les pentes abruptes;
* le maintien d'un sol nu et compacté au niveau du plancher de la carrière et sur les bermes, permettant la conservation des stades pionniers de la végétation durant une longue période et limitant par conséquent la fermeture du milieu;
* l'utilisation d'espèces indigènes, d'origine locale, pour les plantations et semis; la plantation de ligneux étant limitée de manière à favoriser l'ouverture du milieu;
* l'utilisation pour les remodelages et autres travaux (y compris l'assise des pistes de circulation et lieux de stockage), de matériaux n'entraînant pas de modification significative des conditions édaphiques spécifiques au gisement, notamment au niveau des nutriments (en particulier les composés azotés et le phosphore) et des teneurs en certains ions (calcium notamment);
* la création ou le maintien de pistes d'accès destinées à l'entretien de post-gestion du site.
5.2. Travaux de découverture.
Les abattages et les débroussaillages préalables aux travaux de découverture sont entrepris en dehors de la période végétative.
Dans les zones de nidification d'espèces d'oiseaux rupestres ou nichant dans les parois meubles, (Guêpier, Hirondelle de rivage, Choucas des tours, rapaces nocturnes et diurnes,...) et jusqu'à 15 mètres de part et d'autre des colonies ou nids, les travaux de découverture (terrassement) se déroulent autant que possible entre le 1er septembre et le 15 février.
Si un besoin de réemploi de terres arables est nécessaire, celles-ci seront séparées des terres de découverture et des stériles et stockées isolément. Ce stockage doit être de courte durée (une saison de végétation) avant réemploi. L'épaisseur des dépôts n'excède pas 3 metres de hauteur de manière à éviter l'auto-compression. On limite tout compactage des terres, en évitant notamment de circuler sur celles-ci avec les engins de terrassement. Ces stocks provisoires de terres sont ensemencés rapidement (mélange de plantes herbacées - voir liste des espèces en annexe 3), de manière à éviter toute érosion et affouillement, et à conserver les capacités agronomiques des terres.
Si ces terres arables ne sont pas mises en oeuvre immédiatement après leur décapage ou après leur stockage dans les conditions visées ci-dessus, elles peuvent être traitées de la même manière que les autres terrains de découverture et stériles, et mélangés à ceux-ci.
Si des milieux naturels peu fréquents sont présents au droit du site avant travaux, sur des sols présentant des caractéristiques particulières (sols squelettiques, sols calcaires, sols sableux,...) ces sols sont décapés sur une épaisseur n'excédant pas 0,50 m. Ces sols sont immédiatement epandus sur les fonds et autres surfaces planes de la carrière, dans l'excavation ou en périphérie, de manière à y reconstituer ces milieux au départ des stocks de graines présents. L'épandage est réalisé sur une épaisseur n'excédant pas celle du prélèvement. Si l'épandage ne peut être réalisé immédiatement, ces sols sont stockés sur une épaisseur ne dépassant pas 2 ou 3 mètres durant au maximum une saison de végétation. Ces stocks provisoires ne sont pas semes.
5.3. Dépôts de stériles, buttes tampons et merlons.
Si les stériles sont stockés à proximité de l'excavation :
* le lieu de stockage est autant que possible définitif et choisi de manière à ne pas constituer un écran entre le site d'activité et :
- un milieu naturel non concerné par l'activité extractive et susceptible de constituer une source d'origine (réservoir) pour les espèces pouvant recoloniser le site après exploitation;
- ou un lieu de refuge pour la faune et la flore occupant les milieux situés au droit de l'activite extractive;
* les pentes doivent être établies en dessous de la pente d'équilibre des matériaux, après tassement naturel;
* hormis les zones faisant l'objet d'aménagements spécifiques pour la flore et la faune, nécessitant peu ou pas de végétation, tels que détaillés dans les conditions spécifiques aux différents types de carrières, l'ensemble de la zone de stockage est semé d'un mélange d'espèces herbacées (voir liste des espèces en annexe 3);
* si des espèces du type " plantes à fleur " sont ajoutées pour la réalisation d'une prairie fleurie, il s'agira impérativement de graines issues d'écotypes wallons et d'espèces indigènes, adaptées aux conditions édaphiques locales et déjà naturellement presentes dans la région géographique concernée, choisies dans la liste figurant en annexe 4;
* la densité de semis est déterminée en fonction des espèces choisies et sur base de leur densité normale fourragère spécifique. Lorsque des possibilités de recolonisation naturelle rapide par la végétation indigène existent (au départ de stocks de graines dans les sols ou de milieux proches et préservés), la densité est réduite de manière à permettre l'apparition naturelle des espèces indigènes;
* les boisements sont réalisés à l'aide d'espèces indigènes, adaptées aux conditions édaphiques locales et déjà naturellement présentes dans la région géographique concernée. On se réfère à la liste publiée en annexe 1re. La densité de plantation est comprise entre 1 000 et 2 500 plants à l'hectare. La surface totale boisée n'excède pas 50 % de la surface totale, de manière à ménager des clairières et autres espaces ouverts. Ces espaces ouverts sont notamment constitués d'allées de 10 à 15 m de large, traitées en zone herbacée, avec des écrans végétaux plus larges du côté des vents dominants. Les versants exposés vers le sud sont moins densément boisés que ceux exposés dans les autres directions;
* les lisières des zones boisées sont aménagées en créneaux et plantées d'une double rangée d'espèces buissonnantes et arborescentes de bordure, d'origine indigène et adaptées aux conditions édaphiques locales et déjà naturellement présentes dans la région géographique concernée (on se réfère a la liste publiée en annexe 1re), de manière à recréer une végétation d'ourlet forestier;
* si un fossé drainant est établi en pied de talus, les eaux sont évacuées en dehors des limites de l'excavation;
* la répartition des zones boisées, des zones ouvertes et des buissons est réalisée de manière à s'inscrire au mieux dans le paysage local.
Si les stériles sont entreposés dans l'excavation (backfilling ) et si l'excavation n'est pas totalement comblée :
* les dépôts se font préférentiellement dans les parties de l'excavation exposées au nord, nord-ouest ou nord-est;
* les semis et boisements se font dans les mêmes conditions que pour les dépôts de stériles à l'extérieur de l'excavation;
* dans le cas d'une carrière sous eau, ou susceptible de le devenir après exploitation, le remblayage est conçu de manière à réduire la profondeur du plan d'eau plutôt que sa superficie. La création d'îlots et de berges en pente douce est favorisée.
Les buttes tampons ou les merlons sont édifiés en périphérie de la fosse d'extraction, dans les limites de la zone d'extraction inscrite aux plans de secteur. Ils sont établis suivant les mêmes prescriptions que pour les dépôts de stériles.
Lorsque la nécessité d'un écran visuel ou anti-poussières est avérée, du fait de la proximité d'habitations, on crée, sur les buttes ou merlons, ou sur le sol en place en périphérie de la carrière, un écran constitué par une haie dense sur 2 ou 3 rangs associant des arbres à mener en haut jet, des arbres à mener en taillis et des arbustes de bourrage. Elle est préférentiellement constituée d'espèces feuillues à feuilles marcescentes (charme, hêtre) et/ou persistantes (houx, troène). On choisit des espèces adaptées aux conditions édaphiques locales et à la région géographique concernée. On se réfère à la liste présentée en annexe 1re.
Le principe de base essentiel est de ne pas utiliser d'especes non-indigènes ou non naturelles à la région géographique considérée; celles-ci ne peuvent être autorisées car non conforme à l'objectif d'amelioration de la biodiversité. Toutefois, ces dispositions ne s'appliquent qu'en tenant compte des limites qui exigent la création d'écrans visuels et anti-poussières ou pour sécuriser des talus :
- dans le cas des écrans visuels et anti-poussières, le besoin d'espèces à croissance rapide exige l'usage éventuel de résineux et de certaines espèces non indigènes (aulne blanc et robinier);
- pour la sécurisation et dans le cadre de la stabilisation des talus, l'ancrage rapide étant nécessaire, l'emploi d'espèces non indigènes (aulne blanc et robinier) est autorisé mais en mélange homogène avec des espèces de la liste en annexe adaptees au terrain.
L'utilisation de ces espèces non-indigènes est autorisée uniquement à proximité immédiate des zones d'habitats, si les riverains ou les autorités locales en ont fait spécifiquement la demande et à la condition que les espèces feuillues indigènes n'aient pas montré satisfaction.
5.4. Plancher de la carrière.
Pour les parties hors eaux :
* à l'exception de l'évacuation des matériaux non-géologiques, le plancher de la carrière est maintenu dans son état tel que laissé après exploitation. Aucun décompactage, aucun apport de terres, aucune plantation ou semis ne sont réalisés. Toutefois, si des milieux naturels présentant un intérêt sont présents sur les sols en place au droit de la carrière, avant décapage des terrains de découverture, l'épandage d'une couche de sols prélevée dans ces milieux peut être réalisé sur le plancher de la carrière, mais sur une superficie n'excédant pas 50 % du total du plancher. Cet épandage est réparti de manière homogène entre les secteurs ombragés et les secteurs ensoleillés;
* les dépressions et mares temporaires apparues dans les zones compactées par le charroi des véhicules de chantier sont maintenues, de même que les sources, zones de suintements et de ruissellement;
* si le plancher de la carrière est constitué de matériaux meubles et si la nappe phréatique est sub-affleurante, la création de petites mares est envisagée. Leur superficie sera de 5 ares chacune au maximum. La superficie totale des mares couvre au plus 1/10 de la superficie du plancher de la carrière. La profondeur maximale est d'1 mètre sous le niveau des hautes eaux. La pente des berges est faible, de l'ordre de 12/4 au plus. Les mares sont préférentiellement placées dans les secteurs ensoleillés. Les rives sont aussi irrégulières que possible, non plantees et non semées;
* en cas de backfilling ou de comblement de la fosse d'extraction, imposé par des impératifs techniques ou paysager, le maximum de surface du plancher de la carrière est maintenu en l'état tel qu'en fin d'exploitation, et ce dans les zones ensoleillées.
Pour les parties sous eau :
* si nécessaire, les berges sont uniquement stabilisées avec des méthodes ne faisant pas appel à des matériaux pouvant modifier les caractéristiques physico-chimiques naturelles des eaux. La préférence est accordée aux matériaux endogènes;
* la création de secteurs de faible profondeur et d'îlots est favorisée;
* en cas de backfilling ou de comblement de la fosse d'extraction, imposé par des impératifs techniques ou paysager, on maintient autant que possible la surface d'eau présente. Une réduction de la profondeur du plan d'eau est préférée à une réduction de sa superficie totale;
* les berges sont reprofilées en suivant un tracé non linéaire, de manière à ménager des criques d'une profondeur suffisante pour être sous eau sur au moins 0,5 mètre lors des basses eaux. La superficie de ces criques varie entre quelques m2 et quelques ares;
* si possible, il convient de prévoir sur une section de berge reprofilée la création,... quelques mètres de celle-ci, d'un " cordon littoral ", dont le sommet se situe à au moins 0,5 mètre au-dessus du niveau des hautes eaux, de manière à séparer une étroite zone d'eau (sorte de " lagune " de quelques mètres de largeur au plus) du reste du plan d'eau. La profondeur de cette lagune est suffisante pour être en eau sur au moins 0,5 mètre lors des basses eaux;
* hormis pour les plans d'eau destinés à la pêche, aucune introduction de poissons n'est réalisée dans les plans d'eau.
Front de taille et gradins :
* le front des terres de découvertures est stabilisé par un remodelage suivant une pente en dessous du niveau d'équilibre des matériaux présents de manière à éviter des phénomènes de transports en masse;
* le pied du front des terres de découverture est reculé d'au moins 5 m par rapport au sommet du premier front taillé dans les matériaux extraits, de manière à éviter tout apport de terres (par érosion ou éboulement) dans l'excavation;
* les matériaux utilises pour le remplissage des fossés ou tranchées drainantes, réalisés en dehors de l'excavation, et dont les eaux sont évacuées vers la fosse d'extraction, doivent être choisis de manière à ne pas modifier les caractéristiques physico-chimiques des eaux et des sols présents dans l'excavation;
* le semis et le boisement des fronts des terres de découvertures sont réalisés suivant les mêmes principes que pour les dépôts de stériles.
Bassins de décantation :
* il faut favoriser la conservation des bassins de décantation tels quels en fin d'exploitation, tout en veillant à améliorer leur potentialité d'accueil pour la faune et la flore en " cassant " par endroit le contour des berges par déversement de stériles pour recréer une multitude de territoires riverains;
* idéalement, en cours d'exploitation, il faut installer ces bassins dans un point bas, de manière à pouvoir y diriger des eaux issues des fossés ou tranchées drainantes;
* dans la mesure du possible, on envisage le déversement sur une rive ensoleillée de blocs de roches endogènes.
Galeries souterraines et grottes.
Dès la fin de l'exploitation du secteur concerné, les entrées des galeries et autres trous (trous de ventilation) ou grottes naturelles recoupées lors de l'exploitation, et facilement accessibles, sont munies d'un système de fermeture destiné à éviter toute intrusion non autorisée, mais permettant l'accès aux chauves-souris et assurant une bonne ventilation des conduits.
6. Recommandations particulières suivant le type de roche exploitée.
6.1. Carrière de roches meubles de type sable et gravier.
Objectifs généraux.
Un réaménagement favorable à une augmentation de l'attractivité du site pour la faune et la flore vise à atteindre spécifiquement les objectifs suivants :
* maintien du caractère sableux ou graveleux du site;
* maintien d'espaces de sols nus ou à végetation discontinue et rase;
* présence de peu de ligneux dans la fosse d'extraction;
* présence de pièces d'eau aux contours irréguliers et de profondeur variable;
* conservation des caractéristiques oligotrophes (= pauvres en nutriments) et acides, en évitant des apports de nutriments depuis l'extérieur (notamment par le ruissellement des eaux). Lors des travaux réaménagement, on évitera également tout apport de matériaux pouvant libérer des ions calcium et magnésium (notamment en cas d'utilisation de cailloux pour les tranchées drainantes, ou de matériaux concassés pour l'assise de pistes ou de chemins);
* maintien de parois verticales en terrain meuble, en prévoyant un entretien ultérieur (post-gestion) pour rafraîchir ces parois;
* maintien ou création dans les secteurs plus humides, de terrains en pente très douce;
* maintien d'éboulis et de dépôts de " pierres de sable " (horizons indurés) et s'il échet, de roches de grès ferrugineux (diversité dans la granulométrie des materiaux).
Travaux de découverture.
Si des milieux naturels typiques des formations sableuses ou graveleuses sont présents au droit du site avant l'extraction, il convient de décaper la surface du sol sur une epaisseur à déterminer, a priori inférieure à 0,50 mètre, et d'utiliser ces matériaux pour le recouvrement d'une partie des surfaces sableuses en fin d'exploitation (plancher de carrière, bermes). Si le réemploi ne peut être réalisé immédiatement, ces produits sont stockés durant une période n'excédant pas une saison " végétative ", sur une épaisseur de 2 a 3 mètres au maximum, en évitant tout compactage. Ces dépôts ne sont pas ensemencés, de manière à éviter toute introduction d'espèces végétales exogènes dans les milieux recréés.
Dépôts de stériles, buttes tampons et merlons.
Tout ruissellement d'eau ou de boues au départ des stériles ou des terres de découverture vers les parties sableuses de l'exploitation, où des milieux naturels typiques des sables peuvent être reconstitues, sont à éviter.
Les stériles pierreux (horizons indurés, grès) sont séparés des terres et stériles, et entreposés en tas dans des secteurs ensoleillés, en bordure des plans d'eau et en pied de front de taille. Ces dépôts ne sont pas recouverts de terres, ni semés ni boisés.
Si les terres de decouvertures et stériles sont entreposés dans l'excavation (backfilling ) :
* les stériles pierreux (pierres de sables ou grès) sont séparés des terres et entreposés en tas dans des secteurs ensoleillés, en bordure des plans d'eau et en pied de front de taille. Ces dépôts ne sont ni semés ni boisés;
* les matériaux pierreux utilisés pour le remplissage des fossés ou des tranchées dont les eaux sont évacuées vers la fosse d'extraction, ou les matériaux d'assise des pistes de circulation, ne peuvent être de composition calcaire.
Front de taille et gradins.
Les matériaux pierreux utilisés pour le remplissage des fossés ou des tranchées drainantes, éventuellement réalisés en pied de front des terres de découvertures et dont les eaux sont évacuées vers la fosse d'extraction ne peuvent être de composition calcaire.
Pour les exploitations sous le niveau piézométrique :
* une partie des berges (pour ce qui concerne leurs parties hors eau) sont laissées sans reprofilage, maintenues verticales telles qu'après la fin de l'exploitation. Le solde est reprofilé par terrassement et/ou par déversement de matériaux endogènes de manière à créer des berges en pentes douces en exposition sud;
* si ces matériaux sont disponibles sur le site, il convient de réaliser des dépots de " pierres de sables " (horizons indurés) et de grès aux abords des plans d'eau.
Bassins de décantation.
Prévoir le déversement, sur une rive ensoleillée, de blocs de grès ou de " pierres de sables " (horizons indurés), si ces matériaux sont disponibles sur place.
6.2. Carrière de roches meubles de type terre plastique, argile et kaolin.
Conditions genérales.
Un réaménagement favorable à une augmentation de l'attractivité du site pour la faune et la flore vise spécifiquement à atteindre les objectifs suivants :
* maintien de plans d'eau peu profonds;
* maintien de mares temporaires bien ensoleillées;
* maintien d'espaces de sols nus ou à végétation discontinue;
* présence de peu de ligneux dans la fosse d'extraction;
* conservation des caractéristiques oligotrophes (= pauvres en nutriments) et acides, en évitant des apports de nutriments depuis l'extérieur (notamment par le ruissellement des eaux);
* maintien de parois verticales en terrain meuble;
* limitation des apports de matériaux exogènes.
Travaux de découverture.
Si des milieux naturels particuliers (milieux acides et oligotrophes, ou végétation calcicoles ou de fond de vallée) sont présents au droit du site avant extraction, il convient de décaper la surface du sol sur une épaisseur à déterminer, a priori inférieure à 0,50 mètre, et d'utiliser ces matériaux pour le recouvrement d'une partie des surfaces qui ne seront pas sous eau en fin d'exploitation (plancher de carrière, bermes). Si le réemploi ne peut être réalisé immédiatement, ces produits sont stockes durant une période n'excédant pas une saison " végétative ", sur une épaisseur de 2 à 3 metres au maximum, en évitant tout compactage. Ces dépôts ne sont pas ensemencés, de manière à éviter toute introduction d'espèces végétales exogènes dans les milieux recréés.
Dépots de stériles, buttes tampons et merlons.
Hormis les terrains de couverture siliceux ou sablonneux, les terres de découvertures, lorsqu'il y en a, ne sont pas favorables au développement d'une faune et d'une flore de grande valeur écologique. Il faut veiller à limiter tout ruissellement d'eau ou de boues de ces dépôts vers l'excavation (voir prescriptions générales).
Plancher de la carrière.
Tous les ouvrages d'exhaure sont, dans la mesure du possible, maintenus fonctionnels de manière à permettre aux gestionnaires ultérieurs du site de maintenir un niveau d'eau compatible avec un développement optimal de la végétation et de la faune.
Front de taille et gradins.
Les berges sont reprofilées en suivant un tracé non linéaire, de manière à ménager des criques d'une profondeur suffisante pour être en eau sur au moins 0,5 mètre lors des basses eaux. La superficie de ces " criques " varie entre quelques m2 et quelques ares.
Si ces matériaux sont disponibles sur le site, on réalise des dépôts de roches (blocs) aux abords des plans d'eau.
6.3. Carrière de roches cohérentes carbonatées : calcaire, craie et tuffeau.
Conditions générales.
Un réaménagement favorable à une augmentation de l'attractivité du site pour la faune et la flore vise à atteindre spécifiquement les objectifs suivants :
* maintien d'espaces de sols drainants, nus ou à végétation rase et discontinue, constitués d'un mélange de terres et de cailloutis calcaire, en exposition sud;
* maintien de parois rocheuses hautes;
* réalisation d'éboulis et d'enrochements à différentes expositions;
* présence de mares temporaires sur les bermes ou le plancher de la carrière;
* présence de peu de ligneux dans la fosse d'extraction;
* maintien de plans d'eau (mares de fond de carrière, bassins de décantation).
Travaux de découverture.
Si des milieux naturels typiques des formations calcicoles sont présents au droit du site avant extraction, il convient de décaper la surface du sol sur une épaisseur à déterminer (mais a priori inférieure à 0,50 mètre) et d'utiliser ces matériaux pour le recouvrement d'une partie des surfaces en fin d'exploitation (plancher de carrière, bermes, talus). Si le réemploi ne peut être réalisé immédiatement, ces produits sont stockés durant une période n'excédant pas une saison " végétative ", sur une épaisseur de 2 à 3 mètres au maximum, en évitant tout compactage. Ces dépôts ne sont pas ensemencés, de maniere à éviter toute introduction d'espèces végetales exogènes dans les milieux recrées.
Dépôts de stériles, buttes tampons et merlons.
Il convient d'éviter tout ruissellement d'eau ou de boues depuis les dépôts de stériles et de découverture vers les parties calcaires de l'exploitation, où des milieux naturels typiques des pelouses calcaires peuvent être reconstitués.
Si des stériles contenant une forte proportion de roches carbonatées sont disponibles (vidanges de karst, scalp des produits avant concassage primaire, raclage du gisement,...), on évite de mélanger la totalité de ces materiaux aux autres terres et stériles. Ces roches sont réservées jusqu'au réaménagement du sol. On procède de manière à créer plusieurs des milieux suivants sur les dépôts de stériles et de découvertures :
* des enrochements calcaires à forte pente : on crée, en exposition sud, des pentes (1/2) composées d'un mélange de blocs de roche, surmonté d'un sol argilo- ou limono-graveleux de très faible épaisseur (de l'ordre du centimètre), de manière à favoriser l'installation d'espèces caracteristiques de milieux xériques calcaires;
* des enrochements calcaires de crête, sur les replats et les sommets. La composition est identique, seule la pente sera differente;
* des zones sur replat ou à faible pente, constituées d'un mélange de terres et de cailloutis (scalp, partie caillouteuse des terres de découvertures), destinées à la reconstitution de pelouses calcaires mésophiles;
* des sols constitués d'un mélange hétérogène des différents parties de stériles et de terres de découvertures, placés en exposition nord et destinés à être boisés ou colonisés naturellement par les ligneux, pour la création de boisements de pentes (types erablières).
Si des terres de découverture et des stériles sont entreposés dans l'excavation (backfilling ) :
* des zones d'enrochements et autres milieux calcaires sont reconstitués tels mentionnés ci-avant;
* si la carrière est en totalité au dessus du niveau piézométrique, même après exploitation, un fossé drainant est établi en pied de talus des terres de découverture et stériles, et conduit les eaux vers le point bas du plancher de la carrière, de manière à éviter tout apport de boue sur le plancher calcaire de la carrière.
Front de taille et gradins.
On veille à conserver des fronts de tailles élevés, pour autant que la sécurité le permette.
Bassins de décantation.
On veille à conserver des bassins de décantation en l'état en fin d'exploitation, tout en améliorant leur potentialité d'accueil pour la faune et la flore, en " cassant " par endroit le contour des berges par le déversement de stériles pour recréer une multitude de territoires riverains.
Il convient de conserver, dans la mesure du possible, des systèmes de pompage des eaux pour permettre aux gestionnaires ultérieurs des lieux de poursuivre l'alimentation en eau des bassins.
Des massifs arbustifs et quelques arbres sont maintenus ou plantés du côté des vents dominants.
Des blocs de granulométrie élevée sont déversés sur une rive ensoleillée.
6.4. Carrière de roches cohérentes siliceuses : porphyre, grès, schiste et ardoise.
Conditions générales.
Un réaménagement favorable à une augmentation de l'attractivité du site pour la faune et la flore vise spécifiquement à atteindre les objectifs suivants :
* maintien d'espaces de sols nus ou à végétation rase et discontinue, sur sols acides et pauvres;
* maintien de parois rocheuses élevées;
* réalisation d'éboulis et d'enrochements à différentes expositions;
* présence de mares temporaires sur les bermes ou le plancher de la carrière;
* présence de peu de ligneux dans la fosse d'extraction;
* maintien de plans d'eau (mares de fond de carrière, bassins de décantation).
Travaux de découverture.
Si des milieux naturels typiques des formations acides et pauvres sont présents au droit du site avant extraction, il convient de décaper la surface du sol sur une épaisseur a déterminer, a priori inférieure à 0,50 mètre, et d'utiliser ces matériaux pour le recouvrement d'une partie des surfaces en fin d'exploitation (plancher de carrière, bermes, talus). Si le réemploi ne peut être réalisé immédiatement, ces produits sont stockés durant une période n'excédant pas une saison " végétative ", sur une épaisseur de 2 à 3 mètres au maximum, en évitant tout compactage. Ces dépôts ne sont pas ensemencés, de manière à éviter toute introduction d'espèces végétales exogènes dans les milieux recréés.
Dépôts de stériles, buttes tampons et merlons.
Toutes les mesures nécessaires sont prises pour à éviter tout ruissellement d'eau ou de boues depuis les dépôts de stériles ou de découverture vers les parties greseuses ou siliceuses, où des milieux naturels typiques peuvent être reconstitués.
Si les terres de découvertures et stériles sont stockés à proximité de l'excavation :
* les matériaux pierreux utilisés pour le remplissage des fosses ou tranchées drainantes dont les eaux sont évacuées vers la fosse d'extraction ne peuvent être de composition calcaire.
Si des stériles contenant une forte proportion de roches siliceuses sont disponibles (scalp des produits avant concassage primaire, raclage du gisement,...), on évite de mélanger la totalité de ces matériaux aux autres terres et stériles. Ces roches sont réservées jusqu'au réaménagement final du sol. On procede de manière à créer les milieux suivants sur les dépôts de stériles et de découvertures :
* des enrochements gréseux à forte pente : on crée en exposition sud, des pentes (1/2) composées d'un mélange de blocs de roche surmontés d'un sol de très faible épaisseur (de l'ordre du centimètre), de manière à favoriser l'installation d'espèces caractéristiques de milieux xériques;
* des enrochements de crête, sur les replats et sommets. La composition sera identique, seule la pente est différente (surface à eu près plane);
* des zones sur replat ou faible pente constituées cette fois d'un mélange de terres et de cailloutis (scalp, partie caillouteuse des terres de découvertures), destinés à la reconstitution de landes et pelouses;
* des sols constitués d'un mélange hétérogène des différents parties de stériles et terres de découvertures, placées en exposition nord, destinés à être boisés ou colonisés naturellement par les ligneux, pour la création de boisements de pentes (types érablières).
Si les terres de découvertures et stériles sont entreposés dans l'excavation (backfilling) :
* si la carrière est exploitée au dessus du niveau piézométrique, un fossé est établi en pied de talus, et conduit les eaux vers le point bas du fond de la carrière, de manière à éviter tout apport de boue sur le plancher de la carrière. Les matériaux pierreux éventuellement utilisés pour le remplissage des fossés ou tranchées drainantes sont impérativement non-calcaires.
Fronts de taille et gradins.
Les matériaux pierreux utilisés pour le remplissage des fossés ou des tranchées drainantes dont les eaux sont évacuées vers la fosse d'extraction ne peuvent être de composition calcaire.
On veille à conserver des fronts de taille élevés, pour autant que la sécurité le permette.
Bassins de décantation.
Il convient de conserver des systèmes de pompage des eaux pour permettre aux gestionnaires ultérieurs des lieux de poursuivre l'alimentation en eau des bassins.
Des massifs arbustifs et quelques arbres sont maintenus ou plantés du côté des vents dominants.
Des blocs de granulométrie élevée sont déversés sur une rive ensoleillée.
7. Gestion à terme des sites - Post-gestion.
Si les anciennes carrières peuvent rapidement constituer des milieux très intéressants pour la faune et la flore, l'évolution naturelle de ces milieux conduit souvent et plus ou moins rapidement à leur banalisation.
Dans la plupart des cas, cette banalisation intervient lorsque :
* les milieux ouverts régressent suite à leur boisement naturel;
* les parois en terrains meubles s'éboulent, devenant moins attractives pour l'avifaune spécifique;
* on observe une eutrophisation des milieux pauvres et acides;
* les milieux s'homogenéisent.
La préservation de l'intérêt biologique des carrières consécutif à un aménagement réfléchi, et donc de l'utilite des investissements consentis par l'exploitant pour réaliser cet aménagement, ne peut se concevoir sans la mise en place d'une gestion après la fin de l'exploitation (post-gestion).
Afin de garantir une bonne reprise des plantations, le contrôle de fin de réaménagement est effectué en deux étapes, la première est le contrôle provisoire, le second est définitif et transfèrera alors la responsabilité a la post-gestion du site.
Lorsqu'à la date de la vérification provisoire, la période de végétation suivant la plantation n'est pas commencée et qu'il n'est pas possible de vérifier la bonne reprise des plantes, la vérification provisoire peut être admise sur simple constatation de la mise en place de la totalité des essences en conformité avec les impositions du permis.
Durant la période de garantie, préalablement à chaque période de plantation, un comptage des plants morts, malvenants ou non conformes est effectué. Ces plants sont remplacés durant la saison de plantation suivante par et à charge de l'exploitant.
La libération de la garantie a lieu la saison suivante entre le 1er juin et le 30 septembre, elle est accordée si la reprise des plantations est complète.
Toutefois, pour autant que le nombre de plants morts, malvenants ou manquants, n'excède pas 10 % pour les forestiers et 5 % pour les autres plants, la levée de garantie et le transfert de responsabilité sont accordés.
Au-delà de cette norme, le fonctionnaire technique et le fonctionnaire délégué peuvent de concert accorder la levée de garantie moyennant l'application d'une retenue sur le payement des travaux ou sur la libération de la sûreté d'une valeur équivalente aux manquements constatés et calculés sur base des valeurs unitaires actualisés du permis.
Art. N1. Bijlage 1. - Lijst van de plantensoorten die moeten worden gebruikt voor de herinrichting van de groeven.
Art. N1. ANNEXE 1. - Liste des espèces végétales à utiliser pour le réaménagement des carrières. - Espèces ligneuses.
Nederlandse Latijnse max. Beplantingsaanwijzingen Geografische
naam naam grootte beperkingen
(in m.)
Veldesdoorn Acer 20 Op kalkachtige, droge
campestre bodems
Noorse esdoorn Acer 30 Op milde humus
platanoides
Gewone esdoorn Acer pseudo- 30 (40) Op verschillende
platanus bodems, noch te droog,
noch te vochtig
Zwarte els Alnus 20 (30) Op vochtige tot zeer
glutinosa vochtige bodems,
weerstaat de
voorlopige
overstroming,
stabiliseert de
oevers (bekkens,
sloten, waterlopen),
verrijkt de bodem met
stikstof
Zachte berk Betula alba 25 Op zure en tamelijk
(=pubescens) vochtige bodems
Ruwe berk Betula 30 Op arme, niet te
pendula vochtige, zure of
kalkbodems,
pionierssoorten
Haagbeuk Carpinus 25 Op rijke maar niet te
betulus zure bodems
Kastanje Castanea 30 Op zure en In de
sativa kiezelhoudende bodems Ardennen
en in
Lotharingen
niet te
gebruiken
Gele Cornus mas 2 - 5 Op kalkachtige, droge ten noorden
kornoelje tot zeer droge bodems van de lijn
Samber-Maas
niet te
gebruiken
Rode Cornus 1 - 4 Op vruchtbare, frisse
kornoelje sanguinea of droge bodems
Hazelaar Corylus 7 (15) Op rijke, zelfs
avellana vochtige bodems
Tweestijlige Crataegus 2 - 10 Op gevarieerde bodems
meidoorn laevigata
Eenstijlige Crataegus 2 - 10 Op gevarieerde bodems
meidoorn monogyna
Kwee Cydonia 7 Kleine vruchtboom -
oblonga voor de oprichting
van hagen voor te
behouden
Brem Cytisus 0,5 - Op zure bodems
scoparius 2,5
Wilde Euonymus 1,5 - 6 Op rijke, neutrale of In de
kardinaals- europaeus kalkachtige, frisse Ardennen
muts of vochtige bodems niet te
gebruiken
Beuk Fagus 40 Op zure of basische
sylvatica maar altijd goed
gedraineerde bodems
Sporkehout Frangula 1,5 - 5 Vooral op zure bodems
alnus
Gewone es Fraxinus 30 Op frisse of vochtige
excelsior maar niet te zure
bodems
Hulst Ilex 2 - 10 Op zure en tamelijk In de
aquilifolium droge bodems hoge
Ardennen
niet te
gebruiken
Okkernoot Juglans 20 - 25 Voor de hagen voor te
regia behouden of in
geisoleerde
beplantingen, op
gevarieerde maar niet
zure bodems
Wilde liguster Ligustrum 1 - 2 Op kalkachtige en droge In de
vulgare bodems op de warme Ardennen
plaatsen niet te
gebruiken
Wilde Lonicera 2 - 4 Op zure bodems
kamperfoelie periclymenum
(wilde) Appel Malus 10 Kleine vruchtboom
sylvestris - voor de
subsp. mitis oprichting van
ou subsp. hagen voor te
sylvestris behouden - op droge
en warme plaatsen
Mispel Mespilus 6 Op tamelijk zure
germanica bodems
Witte abeel Populus alba 30 Op gevarieerde maar
niet te droge bodems
(Witte abeel Populus 30 Op gevarieerde
x Ratel- canescens maar niet te
populier) droge bodems
Grauwe abeel
Ratelpopulier Populus 20 Op gevarieerde,
of Esp tremula tamelijk zure
bodems maar nooit in
de schaduw
Zoete kers Prunus avium 3 - 20 Op milde humus
Kerspruim Prunus 8 Kleine vruchtboom -
cerasifera voor de oprichting
van hagen voor te
behouden
Zure Prunus 2 - 6 Kleine vruchtboom -
kerseboom cerasus voor de
oprichting van hagen
voor te behouden
Kroos Prunus 3 - 9 Kleine vruchtboom -
insititia voor de oprichting
van hagen voor te
behouden
Vogelkers Prunus padus 3 - 15 Op tamelijk vochtige en
zure bodems
Sleedoorn Prunus 2 - 5 Op rijke of kalkachtige,
spinosa droge of frisse bodems
(wilde) Peer Pyrus 20 Kleine vruchtboom -
communis voor de oprichting
van hagen voor te
behouden, op droge
bodems
Wintereik Quercus 35 (40) Op droge, zelfs zeer
petraea droge bodems
Zomereik Quercus robur 30 (40) Op gevarieerde maar
altijd, ja zelfs
vochtige bodems
Wegedoorn Rhamnus 3 - 6 Op kalkachtige, droge Niet in de
cathartica of natte bodems Ardennen of
ten noorden
van de lijn
Samber-Maas
Zwarte bes Ribes nigrum 0,5 - Op rijke, frisse of
1,5 vochtige bodems
Aalbes Ribes rubrum 0,5 - Op rijke en frisse
1,5 bodems
Kruisbes Ribes 0,6 - Op gevarieerde maar
uva-crispa 1,2 niet zure bodems
Bosroos Rosa arvensis 0,5 - 2 Op milde humus
Hondsroos Rosa canina 5 Op gevarieerde bodems
Framboos Rubus idaeus 0,5 - Op tamelijk zure bodems
1,5
Schietwilg Salix alba 6 - 20 Op frisse of vochtige
bodems
Katwilg Salix 2 - 10 Op frisse of vochtige
viminalis bodems, oevers en
taluds
Gewone vlier Sambucus 1 - 10 Rijke maar niet te
nigra droge bodems
Trosvlier Sambucus 1 - 4 Zure bodems Niet in het
racemosa westen van
Henegouwen
Wilde Sorbus 2 - 20 Op zure bodems
lijsterbes aucuparia
Winterlinde Tilia 25 (35) Rijke en droge bodems
cordata
Zomerlinde Tilia 30 (40) Rijke, kalkachtige
platyphyllos bodems op warme
plaatsen
Ruwe iep (of Ulmus glabra 30 noordelijke hellingen
Bergiep)
Gladde iep Ulmus minor 10 - 30 Op gevarieerde maar
(of Veldiep) altijd frisse bodems
Wollige Viburnum 1 - 4 Op kalkachtige, droge Niet ten
sneeuwbal lantana of zeer droge bodems noorden van
de lijn
Samber-Maas
Gelderse roos Viburnum 1 - 4 Op gevarieerde, frisse
opulus of vochtige bodems
naam naam grootte beperkingen
(in m.)
Veldesdoorn Acer 20 Op kalkachtige, droge
campestre bodems
Noorse esdoorn Acer 30 Op milde humus
platanoides
Gewone esdoorn Acer pseudo- 30 (40) Op verschillende
platanus bodems, noch te droog,
noch te vochtig
Zwarte els Alnus 20 (30) Op vochtige tot zeer
glutinosa vochtige bodems,
weerstaat de
voorlopige
overstroming,
stabiliseert de
oevers (bekkens,
sloten, waterlopen),
verrijkt de bodem met
stikstof
Zachte berk Betula alba 25 Op zure en tamelijk
(=pubescens) vochtige bodems
Ruwe berk Betula 30 Op arme, niet te
pendula vochtige, zure of
kalkbodems,
pionierssoorten
Haagbeuk Carpinus 25 Op rijke maar niet te
betulus zure bodems
Kastanje Castanea 30 Op zure en In de
sativa kiezelhoudende bodems Ardennen
en in
Lotharingen
niet te
gebruiken
Gele Cornus mas 2 - 5 Op kalkachtige, droge ten noorden
kornoelje tot zeer droge bodems van de lijn
Samber-Maas
niet te
gebruiken
Rode Cornus 1 - 4 Op vruchtbare, frisse
kornoelje sanguinea of droge bodems
Hazelaar Corylus 7 (15) Op rijke, zelfs
avellana vochtige bodems
Tweestijlige Crataegus 2 - 10 Op gevarieerde bodems
meidoorn laevigata
Eenstijlige Crataegus 2 - 10 Op gevarieerde bodems
meidoorn monogyna
Kwee Cydonia 7 Kleine vruchtboom -
oblonga voor de oprichting
van hagen voor te
behouden
Brem Cytisus 0,5 - Op zure bodems
scoparius 2,5
Wilde Euonymus 1,5 - 6 Op rijke, neutrale of In de
kardinaals- europaeus kalkachtige, frisse Ardennen
muts of vochtige bodems niet te
gebruiken
Beuk Fagus 40 Op zure of basische
sylvatica maar altijd goed
gedraineerde bodems
Sporkehout Frangula 1,5 - 5 Vooral op zure bodems
alnus
Gewone es Fraxinus 30 Op frisse of vochtige
excelsior maar niet te zure
bodems
Hulst Ilex 2 - 10 Op zure en tamelijk In de
aquilifolium droge bodems hoge
Ardennen
niet te
gebruiken
Okkernoot Juglans 20 - 25 Voor de hagen voor te
regia behouden of in
geisoleerde
beplantingen, op
gevarieerde maar niet
zure bodems
Wilde liguster Ligustrum 1 - 2 Op kalkachtige en droge In de
vulgare bodems op de warme Ardennen
plaatsen niet te
gebruiken
Wilde Lonicera 2 - 4 Op zure bodems
kamperfoelie periclymenum
(wilde) Appel Malus 10 Kleine vruchtboom
sylvestris - voor de
subsp. mitis oprichting van
ou subsp. hagen voor te
sylvestris behouden - op droge
en warme plaatsen
Mispel Mespilus 6 Op tamelijk zure
germanica bodems
Witte abeel Populus alba 30 Op gevarieerde maar
niet te droge bodems
(Witte abeel Populus 30 Op gevarieerde
x Ratel- canescens maar niet te
populier) droge bodems
Grauwe abeel
Ratelpopulier Populus 20 Op gevarieerde,
of Esp tremula tamelijk zure
bodems maar nooit in
de schaduw
Zoete kers Prunus avium 3 - 20 Op milde humus
Kerspruim Prunus 8 Kleine vruchtboom -
cerasifera voor de oprichting
van hagen voor te
behouden
Zure Prunus 2 - 6 Kleine vruchtboom -
kerseboom cerasus voor de
oprichting van hagen
voor te behouden
Kroos Prunus 3 - 9 Kleine vruchtboom -
insititia voor de oprichting
van hagen voor te
behouden
Vogelkers Prunus padus 3 - 15 Op tamelijk vochtige en
zure bodems
Sleedoorn Prunus 2 - 5 Op rijke of kalkachtige,
spinosa droge of frisse bodems
(wilde) Peer Pyrus 20 Kleine vruchtboom -
communis voor de oprichting
van hagen voor te
behouden, op droge
bodems
Wintereik Quercus 35 (40) Op droge, zelfs zeer
petraea droge bodems
Zomereik Quercus robur 30 (40) Op gevarieerde maar
altijd, ja zelfs
vochtige bodems
Wegedoorn Rhamnus 3 - 6 Op kalkachtige, droge Niet in de
cathartica of natte bodems Ardennen of
ten noorden
van de lijn
Samber-Maas
Zwarte bes Ribes nigrum 0,5 - Op rijke, frisse of
1,5 vochtige bodems
Aalbes Ribes rubrum 0,5 - Op rijke en frisse
1,5 bodems
Kruisbes Ribes 0,6 - Op gevarieerde maar
uva-crispa 1,2 niet zure bodems
Bosroos Rosa arvensis 0,5 - 2 Op milde humus
Hondsroos Rosa canina 5 Op gevarieerde bodems
Framboos Rubus idaeus 0,5 - Op tamelijk zure bodems
1,5
Schietwilg Salix alba 6 - 20 Op frisse of vochtige
bodems
Katwilg Salix 2 - 10 Op frisse of vochtige
viminalis bodems, oevers en
taluds
Gewone vlier Sambucus 1 - 10 Rijke maar niet te
nigra droge bodems
Trosvlier Sambucus 1 - 4 Zure bodems Niet in het
racemosa westen van
Henegouwen
Wilde Sorbus 2 - 20 Op zure bodems
lijsterbes aucuparia
Winterlinde Tilia 25 (35) Rijke en droge bodems
cordata
Zomerlinde Tilia 30 (40) Rijke, kalkachtige
platyphyllos bodems op warme
plaatsen
Ruwe iep (of Ulmus glabra 30 noordelijke hellingen
Bergiep)
Gladde iep Ulmus minor 10 - 30 Op gevarieerde maar
(of Veldiep) altijd frisse bodems
Wollige Viburnum 1 - 4 Op kalkachtige, droge Niet ten
sneeuwbal lantana of zeer droge bodems noorden van
de lijn
Samber-Maas
Gelderse roos Viburnum 1 - 4 Op gevarieerde, frisse
opulus of vochtige bodems
Nom francais Nom latin Taille Indications de Restrictions
max. plantation geographi-
(en m.) ques
Erable Acer 20 sur sols calcaires,
champetre campestre secs
Erable plane Acer 30 sur humus doux
platanoides
Erable Acer pseudo- 30 (40) sur sols divers, ni
sycomore platanus trop secs, ni
trop humides
Aulne Alnus 20 (30) sur sols humides a tres
glutineux glutinosa humides, supporte
l'inondation
temporaire, fixe les
berges (bassins,
fosses, cours d'eau),
enrichit le sol en
azote
Bouleau Betula alba 25 sur sols acides, plutot
pubescent (=pubescens) humides
Bouleau Betula 30 sur sols pauvres, pas
verruqueux pendula trop humides, acides
ou calcaires, espece
pionniere
Charme commun Carpinus 25 sur sols riches, mais
betulus pas trop acides
Chataignier Castanea 30 sur sols acides, a ne pas
sativa siliceux utiliser en
Ardenne et
Lorraine
Cornouiller Cornus mas 2 - 5 sur sols calcaires, a ne pas
male secs a tres secs utiliser au
nord du
Sillon
Sambre-et-
Meuse
Cornouiller Cornus 1 - 4 sur sols fertiles,
sanguin sanguinea frais ou secs
Noisetier Corylus 7 (15) sur sols riches, meme
avellana humides
Aubepine a Crataegus 2 - 10 sur sols varies
deux styles laevigata
Aubepine a un Crataegus 2 - 10 sur sols varies
style monogyna
Cognassier Cydonia 7 petit fruitier - a
oblonga reserver pour la
creation de haies
Genet a balais Cytisus 0,5 - sur sols acides
scoparius 2,5
Fusain Euonymus 1,5 - 6 sur sols riches, a ne pas
d'Europe europaeus neutres ou calcaires, utiliser en
frais ou humides Ardenne
Hetre commun Fagus 40 sur sols acides ou
sylvatica basiques, mais
toujours bien draines
Bourdaine Frangula 1,5 - 5 surtout sur sols acides
alnus
Frene commun Fraxinus 30 sur sols frais ou
excelsior humides, pas trop
acides
Houx Ilex 2 - 10 sur sols acides, plutot a ne pas
aquilifolium secs utiliser en
Haute
Ardenne
Noyer commun Juglans 20 - 25 a reserver pour les
regia haies, ou en plant
isoles, sur sols
varies, mais pas
acides
Troene Ligustrum 1 - 2 sur sols calcaires et a ne pas
vulgare secs, aux endroits utiliser en
chauds Ardenne
Chevrefeuille Lonicera 2 - 4 sur sols acides
des bois periclymenum
Pommier Malus 10 petit fruitier - a
sylvestris reserver pour la
subsp. mitis creation de haies -
ou subsp. aux endroits
sylvestris secs et chauds
Neflier Mespilus 6 sur sols plus ou
germanica moins acides
Peuplier blanc Populus alba 30 sur sols varies, mais
pas trop secs
Peuplier Populus 30 sur sols varies, mais
grisard canescens pas trop secs
Peuplier Populus 20 sur sols varies,
tremble tremula plutot acides, mais
jamais a l'ombre
Merisier Prunus avium 3 - 20 sur humus doux
Myrobolan Prunus 8 petit fruitier - a
cerasifera reserver pour la
creation de haies
Griottier Prunus 2 - 6 petit fruitier - a
cerasus reserver pour la
creation de haies
Prunier Prunus 3 - 9 petit fruitier - a
creque insititia reserver pour la
creation de haies
Cerisier a Prunus 3 - 15 sur sols plutot
grappes padus humides et acides
Prunellier Prunus 2 - 5 sur sols riches ou
spinosa calcaires, secs
ou frais
Poirier Pyrus 20 fruitier - a reserver
commun communis pour la creation
de haies, sur sols
secs
Chene rouvre Quercus 35 (40) sur sols varies, meme
(sessile) petraea tres secs
Chene Quercus 30 (40) sur sols varies, mais
pedoncule robur toujours frais
voire humides
Nerprun Rhamnus 3 - 6 sur sols calcaires, pas en
purgatif cathartica secs ou mouilles Ardenne ou
au nord du
Sillon
Sambre-et-
Meuse
Groseillier Ribes nigrum 0,5 - sur sols riches, frais
noir 1,5 ou humides
Groseillier Ribes rubrum 0,5 - sur sols riches et
rouge 1,5 frais
Groseillier Ribes 0,6 - sur sols varies, mais
a maquereaux uva-crispa 1,2 pas acides
Rosier des Rosa arvensis 0,5 - 2 sur humus doux
champs
Eglantier Rosa canina 5 sur sols varies
Framboisier Rubus idaeus 0,5 - sur sols plutot acides
1,5
Saule blanc Salix alba 6 - 20 sols frais ou humides
Saule des Salix 2 - 10 sols frais ou humides,
vanniers viminalis berges et talus
Sureau noir Sambucus 1 - 10 sols riches, pas trop
nigra secs
Sureau a Sambucus 1 - 4 sols acides pas dans
grappes racemosa l'Ouest du
Hainaut
Sorbier des Sorbus 2 - 20 sur sols acides
oiseleurs aucuparia
Tilleul a Tilia 25 (35) sols riches et secs
petites cordata
feuilles
Tilleul a Tilia 30 (40) sols riches, calcaires,
grandes platyphyllos aux endroits chauds
feuilles
Orme de Ulmus glabra 30 versants en exposition
montagne Nord
Orme Ulmus minor 10 - 30 sur sols varies, mais
champetre toujours frais
Viorne lantane Viburnum 1 - 4 sur sols calcaires, pas au Nord
lantana secs ou tres secs du Sillon
Sambre-et-
Meuse
Viorne obier Viburnum 1 - 4 sur sols varies, frais
opulus ou humides
max. plantation geographi-
(en m.) ques
Erable Acer 20 sur sols calcaires,
champetre campestre secs
Erable plane Acer 30 sur humus doux
platanoides
Erable Acer pseudo- 30 (40) sur sols divers, ni
sycomore platanus trop secs, ni
trop humides
Aulne Alnus 20 (30) sur sols humides a tres
glutineux glutinosa humides, supporte
l'inondation
temporaire, fixe les
berges (bassins,
fosses, cours d'eau),
enrichit le sol en
azote
Bouleau Betula alba 25 sur sols acides, plutot
pubescent (=pubescens) humides
Bouleau Betula 30 sur sols pauvres, pas
verruqueux pendula trop humides, acides
ou calcaires, espece
pionniere
Charme commun Carpinus 25 sur sols riches, mais
betulus pas trop acides
Chataignier Castanea 30 sur sols acides, a ne pas
sativa siliceux utiliser en
Ardenne et
Lorraine
Cornouiller Cornus mas 2 - 5 sur sols calcaires, a ne pas
male secs a tres secs utiliser au
nord du
Sillon
Sambre-et-
Meuse
Cornouiller Cornus 1 - 4 sur sols fertiles,
sanguin sanguinea frais ou secs
Noisetier Corylus 7 (15) sur sols riches, meme
avellana humides
Aubepine a Crataegus 2 - 10 sur sols varies
deux styles laevigata
Aubepine a un Crataegus 2 - 10 sur sols varies
style monogyna
Cognassier Cydonia 7 petit fruitier - a
oblonga reserver pour la
creation de haies
Genet a balais Cytisus 0,5 - sur sols acides
scoparius 2,5
Fusain Euonymus 1,5 - 6 sur sols riches, a ne pas
d'Europe europaeus neutres ou calcaires, utiliser en
frais ou humides Ardenne
Hetre commun Fagus 40 sur sols acides ou
sylvatica basiques, mais
toujours bien draines
Bourdaine Frangula 1,5 - 5 surtout sur sols acides
alnus
Frene commun Fraxinus 30 sur sols frais ou
excelsior humides, pas trop
acides
Houx Ilex 2 - 10 sur sols acides, plutot a ne pas
aquilifolium secs utiliser en
Haute
Ardenne
Noyer commun Juglans 20 - 25 a reserver pour les
regia haies, ou en plant
isoles, sur sols
varies, mais pas
acides
Troene Ligustrum 1 - 2 sur sols calcaires et a ne pas
vulgare secs, aux endroits utiliser en
chauds Ardenne
Chevrefeuille Lonicera 2 - 4 sur sols acides
des bois periclymenum
Pommier Malus 10 petit fruitier - a
sylvestris reserver pour la
subsp. mitis creation de haies -
ou subsp. aux endroits
sylvestris secs et chauds
Neflier Mespilus 6 sur sols plus ou
germanica moins acides
Peuplier blanc Populus alba 30 sur sols varies, mais
pas trop secs
Peuplier Populus 30 sur sols varies, mais
grisard canescens pas trop secs
Peuplier Populus 20 sur sols varies,
tremble tremula plutot acides, mais
jamais a l'ombre
Merisier Prunus avium 3 - 20 sur humus doux
Myrobolan Prunus 8 petit fruitier - a
cerasifera reserver pour la
creation de haies
Griottier Prunus 2 - 6 petit fruitier - a
cerasus reserver pour la
creation de haies
Prunier Prunus 3 - 9 petit fruitier - a
creque insititia reserver pour la
creation de haies
Cerisier a Prunus 3 - 15 sur sols plutot
grappes padus humides et acides
Prunellier Prunus 2 - 5 sur sols riches ou
spinosa calcaires, secs
ou frais
Poirier Pyrus 20 fruitier - a reserver
commun communis pour la creation
de haies, sur sols
secs
Chene rouvre Quercus 35 (40) sur sols varies, meme
(sessile) petraea tres secs
Chene Quercus 30 (40) sur sols varies, mais
pedoncule robur toujours frais
voire humides
Nerprun Rhamnus 3 - 6 sur sols calcaires, pas en
purgatif cathartica secs ou mouilles Ardenne ou
au nord du
Sillon
Sambre-et-
Meuse
Groseillier Ribes nigrum 0,5 - sur sols riches, frais
noir 1,5 ou humides
Groseillier Ribes rubrum 0,5 - sur sols riches et
rouge 1,5 frais
Groseillier Ribes 0,6 - sur sols varies, mais
a maquereaux uva-crispa 1,2 pas acides
Rosier des Rosa arvensis 0,5 - 2 sur humus doux
champs
Eglantier Rosa canina 5 sur sols varies
Framboisier Rubus idaeus 0,5 - sur sols plutot acides
1,5
Saule blanc Salix alba 6 - 20 sols frais ou humides
Saule des Salix 2 - 10 sols frais ou humides,
vanniers viminalis berges et talus
Sureau noir Sambucus 1 - 10 sols riches, pas trop
nigra secs
Sureau a Sambucus 1 - 4 sols acides pas dans
grappes racemosa l'Ouest du
Hainaut
Sorbier des Sorbus 2 - 20 sur sols acides
oiseleurs aucuparia
Tilleul a Tilia 25 (35) sols riches et secs
petites cordata
feuilles
Tilleul a Tilia 30 (40) sols riches, calcaires,
grandes platyphyllos aux endroits chauds
feuilles
Orme de Ulmus glabra 30 versants en exposition
montagne Nord
Orme Ulmus minor 10 - 30 sur sols varies, mais
champetre toujours frais
Viorne lantane Viburnum 1 - 4 sur sols calcaires, pas au Nord
lantana secs ou tres secs du Sillon
Sambre-et-
Meuse
Viorne obier Viburnum 1 - 4 sur sols varies, frais
opulus ou humides
Art. N2. Bijlage 2. - Peulgewassen (Fabaceae).
De lijst van de peulgewassen is beperkt tot 4 soorten die weinig overweldigend zijn, waarbij de omgeving niet ruderaal wordt door een te belangrijke fixatie.
De lijst van de peulgewassen is beperkt tot 4 soorten die weinig overweldigend zijn, waarbij de omgeving niet ruderaal wordt door een te belangrijke fixatie.
Art. N2. ANNEXE 2. - Légumineuses (Fabaceae).
La liste des légumineuses est limitée à 4 espèces, peu envahissantes, et ne générant pas une rudéralisation du milieu par fixation trop importante du milieu.
La liste des légumineuses est limitée à 4 espèces, peu envahissantes, et ne générant pas une rudéralisation du milieu par fixation trop importante du milieu.
Trifolium incarnatum incarnaatklaver
Lotus corniculatus Subsp. corniculatus gewone rolklaver
Anthyllis vulneraria wondklaver
Onobrychis viciifolia esparcette
Lotus corniculatus Subsp. corniculatus gewone rolklaver
Anthyllis vulneraria wondklaver
Onobrychis viciifolia esparcette
Trifolium incarnatum Trefle incarnat
Lotus corniculatus subsp. corniculatus Lotier cornicule
Anthyllis vulneraria Vulneraire
Onobrychis viciifolia Sainfoin
Lotus corniculatus subsp. corniculatus Lotier cornicule
Anthyllis vulneraria Vulneraire
Onobrychis viciifolia Sainfoin
Art. N3. Bijlage 3. - Grasachtige planten.
Alleen de soorten grasachtige planten van deze lijst worden toegelaten. De soorten die in deze lijst niet opgenomen zijn, maar die gewoonlijk aanwezig zijn in de in de handel voorgestelde mengsels, zijn niet in aanmerking genomen wegens hun te grote productiviteit die elke latere ontwikkeling van een natuurlijke rijke en afwisselende vegetatie verhindert.
Alleen de soorten grasachtige planten van deze lijst worden toegelaten. De soorten die in deze lijst niet opgenomen zijn, maar die gewoonlijk aanwezig zijn in de in de handel voorgestelde mengsels, zijn niet in aanmerking genomen wegens hun te grote productiviteit die elke latere ontwikkeling van een natuurlijke rijke en afwisselende vegetatie verhindert.
Art. N3. ANNEXE 3. - Graminées.
Seules les especes de graminées de cette liste sont autorisées. Les espèces ne figurant pas dans cette liste, mais se rencontrant habituellement dans les melanges proposés dans le commerce, ont été écartées du fait de leur trop grande productivité, empechant tout développement ultérieur d'une végétation naturelle riche et diversifiée.
Seules les especes de graminées de cette liste sont autorisées. Les espèces ne figurant pas dans cette liste, mais se rencontrant habituellement dans les melanges proposés dans le commerce, ont été écartées du fait de leur trop grande productivité, empechant tout développement ultérieur d'une végétation naturelle riche et diversifiée.
Anthoxanthum odoratum reukgras
Alopecurus pratensis grote vossestaart
Agrostis tenuis gewoon struisgras
Agrostis stolonifera fioringras
Poa trivialis ruwbeemdgras
Poa pratensis veldbeemdgras
Festuca rubra rood zwenkgras
Trisetum flavescens goudhaver
Briza media bevertjes
Alopecurus pratensis grote vossestaart
Agrostis tenuis gewoon struisgras
Agrostis stolonifera fioringras
Poa trivialis ruwbeemdgras
Poa pratensis veldbeemdgras
Festuca rubra rood zwenkgras
Trisetum flavescens goudhaver
Briza media bevertjes
Anthoxanthum odoratum Flouve odorante
Alopecurus pratensis Vulpin des pres
Agrostis tenuis Agrostis commun
Agrostis stolonifera Agrostis stolonifere
Poa trivialis Paturin commun
Poa pratensis Paturin des pres
Festuca rubra Fetuque rouge
Trisetum flavescens Avoine doree
Briza media Amourette commune
Alopecurus pratensis Vulpin des pres
Agrostis tenuis Agrostis commun
Agrostis stolonifera Agrostis stolonifere
Poa trivialis Paturin commun
Poa pratensis Paturin des pres
Festuca rubra Fetuque rouge
Trisetum flavescens Avoine doree
Briza media Amourette commune
Het gebruik van Engels raaigras (Lolium perenne) is toegelaten onder de strikte volgende voorwaarden :
- zijn gebruik is beperkt tot de fixatie van taluds (zijn kiemingsnelheid garandeert een snellere fixatie dan met de andere soorten grasachtige planten);
- het mag niet meer bedragen dan maximum 15 % van het totale gewicht van de gezaaide zaden;
- het mag niet gelijkgesteld worden met peulgewassen (die wegens hun stikstofgehalte het Engelse raaigras duurzaam zouden kunnen fixeren en een banalisatie van de vegetatie als gevolg zouden kunnen hebben);
- het mag gelijkgesteld worden met bloeiende dicotylen die in de volgende lijst worden gekozen.
- zijn gebruik is beperkt tot de fixatie van taluds (zijn kiemingsnelheid garandeert een snellere fixatie dan met de andere soorten grasachtige planten);
- het mag niet meer bedragen dan maximum 15 % van het totale gewicht van de gezaaide zaden;
- het mag niet gelijkgesteld worden met peulgewassen (die wegens hun stikstofgehalte het Engelse raaigras duurzaam zouden kunnen fixeren en een banalisatie van de vegetatie als gevolg zouden kunnen hebben);
- het mag gelijkgesteld worden met bloeiende dicotylen die in de volgende lijst worden gekozen.
L'utilisation du Ray-grass anglais (Lolium perenne ) est admise aux strictes conditions suivantes :
* son usage est limité a la fixation de talus (sa rapidité de germination garantit une fixation plus rapide qu'avec les autres espèces de graminées);
* il ne peut entrer qu'à concurrence d'un maximum de 15 % du poids total des graines semées;
* il ne peut être associé a des légumineuses (qui, par leur apport d'azote, pourraient fixer durablement le Ray-grass et entraîner une banalisation de la végétation);
* il est associe avec des dicotylées à fleurs choisies dans la liste ci-après :
* son usage est limité a la fixation de talus (sa rapidité de germination garantit une fixation plus rapide qu'avec les autres espèces de graminées);
* il ne peut entrer qu'à concurrence d'un maximum de 15 % du poids total des graines semées;
* il ne peut être associé a des légumineuses (qui, par leur apport d'azote, pourraient fixer durablement le Ray-grass et entraîner une banalisation de la végétation);
* il est associe avec des dicotylées à fleurs choisies dans la liste ci-après :
Art. N4. Bijlage 4. - Bloeiende dicotylen voor de schepping van bloemenweiden.
Het mengsel van gezaaide grasachtige planten kan soorten van deze lijst bevatten op voorwaarde dat het om ecotypen van gewestelijke gecertificeerde oorsprong gaat.
Het mengsel van gezaaide grasachtige planten kan soorten van deze lijst bevatten op voorwaarde dat het om ecotypen van gewestelijke gecertificeerde oorsprong gaat.
Art. N4. ANNEXE 4. - Dicotylées à fleurs pour la création de prairies fleuries.
Le mélange d'herbacées semées peut contenir des espèces de cette liste,... la condition qu'il s'agisse d'ecotypes d'origine régionale certifiée.
Le mélange d'herbacées semées peut contenir des espèces de cette liste,... la condition qu'il s'agisse d'ecotypes d'origine régionale certifiée.
Achillea millefolium duizendblad
Centaurea cyanus korenbloem
Centaurea thuillieri echt knoopkruid
Chrysanthemum segetum gele ganzebloem
Daucus carota wilde peen
Dipsacus fullonum weverskaarde
Echium vulgare gewoon slangekruid
Hypericum perforatum sint-janskruid
Hypochoeris radicata gewoon biggekruid
Knautia arvensis beemdkroon
Leucanthemum vulgare margriet
Malva moschata muskuskaasjeskruid
Origanum vulgare wilde marjolein
Papaver rhoeas gewone klaproos
Prunella vulgaris gewone brunel
Silene latifolia alba avondkoekoeksbloem
Tragopogon pratensis gele morgenster
Verbascum thapsus koningskaars
Verbascum nigrum zwarte koningskaars
Centaurea cyanus korenbloem
Centaurea thuillieri echt knoopkruid
Chrysanthemum segetum gele ganzebloem
Daucus carota wilde peen
Dipsacus fullonum weverskaarde
Echium vulgare gewoon slangekruid
Hypericum perforatum sint-janskruid
Hypochoeris radicata gewoon biggekruid
Knautia arvensis beemdkroon
Leucanthemum vulgare margriet
Malva moschata muskuskaasjeskruid
Origanum vulgare wilde marjolein
Papaver rhoeas gewone klaproos
Prunella vulgaris gewone brunel
Silene latifolia alba avondkoekoeksbloem
Tragopogon pratensis gele morgenster
Verbascum thapsus koningskaars
Verbascum nigrum zwarte koningskaars
Achillea millefolium Achillee millefeuille
Centaurea cyanus Bleuet
Centaurea thuillieri Centauree jacee
Chrysanthemum segetum Chrysantheme des moissons
Daucus carota Carotte sauvage
Dipsacus fullonum Cabaret des oiseaux
Echium vulgare Vperine commune
Hypericum perforatum Millepertuis perfore
Hypochoeris radicata Porcelle enracinee
Knautia arvensis Knautie des champs
Leucanthemum vulgare Grande marguerite
Malva moschata Mauve musquee
Origanum vulgare Origan
Papaver rhoeas Coquelicot
Prunella vulgaris Prunelle commune
Silene latifolia alba Compagnon blanc
Tragopogon pratensis Salsifis des pres
Verbascum thapsus Bouillon blanc
Verbascum nigrum Molene noire
Centaurea cyanus Bleuet
Centaurea thuillieri Centauree jacee
Chrysanthemum segetum Chrysantheme des moissons
Daucus carota Carotte sauvage
Dipsacus fullonum Cabaret des oiseaux
Echium vulgare Vperine commune
Hypericum perforatum Millepertuis perfore
Hypochoeris radicata Porcelle enracinee
Knautia arvensis Knautie des champs
Leucanthemum vulgare Grande marguerite
Malva moschata Mauve musquee
Origanum vulgare Origan
Papaver rhoeas Coquelicot
Prunella vulgaris Prunelle commune
Silene latifolia alba Compagnon blanc
Tragopogon pratensis Salsifis des pres
Verbascum thapsus Bouillon blanc
Verbascum nigrum Molene noire