Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
10 JANUARI 2003. - Besluit van de Vlaamse regering inzake ICT-coördinatie in het onderwijs.
Titre
10 JANVIER 2003. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif à la coordination TIC dans l'enseignement (TRADUCTION).
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (14)
Texte (14)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
Artikel 1. Dit besluit geldt voor het schooljaar 2002-2003.
Article 1er. Le présent arrêté s'applique à l'année scolaire 2002-2003.
HOOFDSTUK II. - Toekenning en aard van de middelen.
CHAPITRE II. - Octroi et nature des moyens.
Art. 2. Er worden binnen de beschikbare begrotingskredieten middelen voor ICT-coördinatie in het onderwijs toegekend.
De in het eerste lid bedoelde middelen bestaan uit :
1° werkingsmiddelen die uitsluitend worden aangewend voor de logistieke en materiële ondersteuning van ICT-coördinatoren;
2° puntenenveloppen die uitsluitend worden aangewend voor personeelsomkadering inzake ICT-coördinatie.
De in het eerste lid bedoelde middelen bestaan uit :
1° werkingsmiddelen die uitsluitend worden aangewend voor de logistieke en materiële ondersteuning van ICT-coördinatoren;
2° puntenenveloppen die uitsluitend worden aangewend voor personeelsomkadering inzake ICT-coördinatie.
Art. 2. Des moyens sont accordés pour la coordination TIC dans l'enseignement, dans les limites des crédits budgétaires.
Les moyens visés au premier alinéa se composent :
1° de moyens de fonctionnement qui sont uniquement utilisés pour l'encadrement logistique et matériel de coordinateurs TIC;
2° d'enveloppes de points qui sont uniquement utilisées pour l'encadrement des personnels dans le domaine de la coordination TIC.
Les moyens visés au premier alinéa se composent :
1° de moyens de fonctionnement qui sont uniquement utilisés pour l'encadrement logistique et matériel de coordinateurs TIC;
2° d'enveloppes de points qui sont uniquement utilisées pour l'encadrement des personnels dans le domaine de la coordination TIC.
Art. 3. § 1. De in artikel 2 bedoelde middelen worden toegekend aan :
1° een scholengemeenschap in het secundair onderwijs, of;
2° een scholengroep, of;
3° een school, instelling of centrum binnen een samenwerkingsplatform tussen :
a) (een) scho(o)l(en) voor gewoon en/of buitengewoon basisonderwijs en/of;
b) (een) scholengemeenschap(pen) in het secundair onderwijs en/of;
c) (een) scholengroep(en) en/of;
d) (een) onderwijsinstelling(en) voor gewoon secundair onderwijs, voor zover deze niet beho(o)r(t)(en) tot een scholengemeenschap in het secundair onderwijs en/of;
e) (een) onderwijsinstelling(en) voor buitengewoon secundair onderwijs en/of;
f) (een) centr(um)(a) voor volwassenenonderwijs en/of;
g) (een) instelling(en) voor deeltijds kunstonderwijs.
Het aantal overeenkomstig artikel 4 gewogen leerlingen moet per samenwerkingsplatform 1.100 te bedragen, behalve als :
1° een scholengemeenschap en/of een scholengroep deel uitma(a)k(t)(en) van bedoelde samenwerkingsplatformen;
2° het samenwerkingsplatform uitsluitend bestaat uit (een) scho(o)l(en) voor gewoon en/of buitengewoon basisonderwijs.
§ 2. Aan de scholen voor gewoon en/of buitengewoon basisonderwijs worden de middelen apart toegekend, behalve als ze deel uitmaken van een in § 1, eerste lid, 3°, bedoeld samenwerkingsplatform.
1° een scholengemeenschap in het secundair onderwijs, of;
2° een scholengroep, of;
3° een school, instelling of centrum binnen een samenwerkingsplatform tussen :
a) (een) scho(o)l(en) voor gewoon en/of buitengewoon basisonderwijs en/of;
b) (een) scholengemeenschap(pen) in het secundair onderwijs en/of;
c) (een) scholengroep(en) en/of;
d) (een) onderwijsinstelling(en) voor gewoon secundair onderwijs, voor zover deze niet beho(o)r(t)(en) tot een scholengemeenschap in het secundair onderwijs en/of;
e) (een) onderwijsinstelling(en) voor buitengewoon secundair onderwijs en/of;
f) (een) centr(um)(a) voor volwassenenonderwijs en/of;
g) (een) instelling(en) voor deeltijds kunstonderwijs.
Het aantal overeenkomstig artikel 4 gewogen leerlingen moet per samenwerkingsplatform 1.100 te bedragen, behalve als :
1° een scholengemeenschap en/of een scholengroep deel uitma(a)k(t)(en) van bedoelde samenwerkingsplatformen;
2° het samenwerkingsplatform uitsluitend bestaat uit (een) scho(o)l(en) voor gewoon en/of buitengewoon basisonderwijs.
§ 2. Aan de scholen voor gewoon en/of buitengewoon basisonderwijs worden de middelen apart toegekend, behalve als ze deel uitmaken van een in § 1, eerste lid, 3°, bedoeld samenwerkingsplatform.
Art. 3. § 1er. Les moyens visés à l'article 2 sont octroyés à :
1° un centre scolaire dans l'enseignement secondaire, ou;
2° un groupe d'écoles, ou;
3° une école, un établissement ou un centre au sein d'une plate-forme de coopération entre :
a) une école/des écoles de l'enseignement fondamental ordinaire et/ou spécial et/ou;
b) un/des centre(s) scolaire(s) dans l'enseignement secondaire et/ou;
c) un/des groupe(s) d'écoles et/ou;
d) un/des établissement(s) d'enseignement secondaire ordinaire, dans la mesure où celui/ceux-ci n'appartienne(-nt) pas à un centre scolaire dans l'enseignement secondaire et/ou;
e) un/des centre(s) scolaire(s) dans l'enseignement secondaire spécial et/ou;
f) un/des centre(s) d'éducation des adultes et/ou;
g) un/des établissement(s) d'enseignement artistique à temps partiel.
Le nombre d'élèves pondérés conformément à l'article 4 doit s'élever par plate-forme de coopération à 1.100, sauf si :
1° un centre scolaire et/ou un groupe d'écoles fait/font partie des plateformes de coopération visées;
2° la plate-forme de coopération se compose uniquement d'une école/d'écoles de l'enseignement fondamental ordinaire et/ou spécial.
§ 2. Les moyens sont accordés séparément aux écoles de l'enseignement fondamental ordinaire et/ou spécial, sauf si celles-ci appartiennent à une plate-forme de coopération visée au § 1er, premier alinéa, 3°.
1° un centre scolaire dans l'enseignement secondaire, ou;
2° un groupe d'écoles, ou;
3° une école, un établissement ou un centre au sein d'une plate-forme de coopération entre :
a) une école/des écoles de l'enseignement fondamental ordinaire et/ou spécial et/ou;
b) un/des centre(s) scolaire(s) dans l'enseignement secondaire et/ou;
c) un/des groupe(s) d'écoles et/ou;
d) un/des établissement(s) d'enseignement secondaire ordinaire, dans la mesure où celui/ceux-ci n'appartienne(-nt) pas à un centre scolaire dans l'enseignement secondaire et/ou;
e) un/des centre(s) scolaire(s) dans l'enseignement secondaire spécial et/ou;
f) un/des centre(s) d'éducation des adultes et/ou;
g) un/des établissement(s) d'enseignement artistique à temps partiel.
Le nombre d'élèves pondérés conformément à l'article 4 doit s'élever par plate-forme de coopération à 1.100, sauf si :
1° un centre scolaire et/ou un groupe d'écoles fait/font partie des plateformes de coopération visées;
2° la plate-forme de coopération se compose uniquement d'une école/d'écoles de l'enseignement fondamental ordinaire et/ou spécial.
§ 2. Les moyens sont accordés séparément aux écoles de l'enseignement fondamental ordinaire et/ou spécial, sauf si celles-ci appartiennent à une plate-forme de coopération visée au § 1er, premier alinéa, 3°.
HOOFDSTUK III. - Berekening van de middelen.
CHAPITRE III. - Calcul des moyens.
Art. 4. § 1. De middelen worden berekend door per school, instelling of centrum het aantal regelmatige leerlingen/cursisten, respectievelijk het aantal lesurencursist te vermenigvuldigen met een coëfficiënt en een wegingsfactor.
§ 2. Het aantal regelmatige leerlingen/cursisten wordt geteld op de eerste schooldag van februari van het voorafgaande schooljaar. Voor het type 5 van het buitengewoon basis- en secundair onderwijs geldt daarentegen de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen, vastgesteld overeenkomstig de vigerende regelgeving.
Het aantal lesurencursist wordt geteld binnen de gebruikelijke referteperiode.
§ 3. De in § 1 bedoelde wegingsfactor bedraagt :
1° 1,25 voor de leerlingen in het basisonderwijs, de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, de B-stroom van de eerste graad van het voltijds secundair onderwijs, de leerlingen van de tweede, derde en vierde graad van het beroepssecundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs, het deeltijds secundair zeevisserij- onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs;
2° 1 voor de leerlingen in de A-stroom van de eerste graad van het voltijds secundair onderwijs, de tweede en de derde graad van het algemeen secundair onderwijs, het kunstsecundair onderwijs en het technisch secundair onderwijs;
3° 0,00136 voor de lesurencursist in de centra voor volwassenenonderwijs;
4° 0,25 voor de leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs.
§ 4. De in § 1 bedoelde coëfficiënt bedraagt :
1° 0,03969 voor de berekening van de puntenenveloppen;
2° 0,7163 voor de berekening van de werkingsmiddelen.
§ 2. Het aantal regelmatige leerlingen/cursisten wordt geteld op de eerste schooldag van februari van het voorafgaande schooljaar. Voor het type 5 van het buitengewoon basis- en secundair onderwijs geldt daarentegen de gemiddelde aanwezigheid van de regelmatige leerlingen, vastgesteld overeenkomstig de vigerende regelgeving.
Het aantal lesurencursist wordt geteld binnen de gebruikelijke referteperiode.
§ 3. De in § 1 bedoelde wegingsfactor bedraagt :
1° 1,25 voor de leerlingen in het basisonderwijs, de onthaalklas voor anderstalige nieuwkomers, de B-stroom van de eerste graad van het voltijds secundair onderwijs, de leerlingen van de tweede, derde en vierde graad van het beroepssecundair onderwijs, het deeltijds beroepssecundair onderwijs, het deeltijds secundair zeevisserij- onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs;
2° 1 voor de leerlingen in de A-stroom van de eerste graad van het voltijds secundair onderwijs, de tweede en de derde graad van het algemeen secundair onderwijs, het kunstsecundair onderwijs en het technisch secundair onderwijs;
3° 0,00136 voor de lesurencursist in de centra voor volwassenenonderwijs;
4° 0,25 voor de leerlingen in het deeltijds kunstonderwijs.
§ 4. De in § 1 bedoelde coëfficiënt bedraagt :
1° 0,03969 voor de berekening van de puntenenveloppen;
2° 0,7163 voor de berekening van de werkingsmiddelen.
Art. 4. § 1er. Les moyens sont calculés en multipliant, par école, établissement ou centre, le nombre d'élèves/d'apprenants réguliers, respectivement le nombre d'heures de cours/apprenant par un coefficient et un facteur de pondération.
§ 2. Le nombre d'élèves/apprenants réguliers est compté le premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente. Pour le type 5 de l'enseignement fondamental et secondaire spécial cependant, c'est la présence moyenne des élèves réguliers, constatée conformément à la réglementation en vigueur, qui est prise en compte.
Le nombre d'heures de cours/apprenant est compté dans la période de référence habituelle.
§ 3. Le facteur de pondération visé au § 1er s'élève à :
1° 1,25 pour les élèves dans l'enseignement fondamental, la classe d'accueil pour les primo-arrivants allophones, la filière B du premier degré de l'enseignement secondaire à temps plein, les élèves des deuxième, troisième et quatrième degrés de l'enseignement secondaire professionnel, de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, de l'enseignement secondaire de la pêche maritime à temps partiel et de l'enseignement secondaire spécial;
2° 1 pour les élèves dans la filière A du premier degré de l'enseignement secondaire à temps plein, des deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire général, de l'enseignement secondaire artistique et de l'enseignement secondaire technique;
3° 0,00136 pour les heures de cours/apprenant dans les centres d'éducation des adultes;
4° 0,25 pour les élèves dans l'enseignement artistique à temps partiel.
§ 4. Le coefficient de pondération visé au § 1er s'élève à :
1° 0,03969 pour le calcul des enveloppes de points;
2° 0,7163 pour le calcul des moyens de fonctionnement.
§ 2. Le nombre d'élèves/apprenants réguliers est compté le premier jour de classe du mois de février de l'année scolaire précédente. Pour le type 5 de l'enseignement fondamental et secondaire spécial cependant, c'est la présence moyenne des élèves réguliers, constatée conformément à la réglementation en vigueur, qui est prise en compte.
Le nombre d'heures de cours/apprenant est compté dans la période de référence habituelle.
§ 3. Le facteur de pondération visé au § 1er s'élève à :
1° 1,25 pour les élèves dans l'enseignement fondamental, la classe d'accueil pour les primo-arrivants allophones, la filière B du premier degré de l'enseignement secondaire à temps plein, les élèves des deuxième, troisième et quatrième degrés de l'enseignement secondaire professionnel, de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel, de l'enseignement secondaire de la pêche maritime à temps partiel et de l'enseignement secondaire spécial;
2° 1 pour les élèves dans la filière A du premier degré de l'enseignement secondaire à temps plein, des deuxième et troisième degrés de l'enseignement secondaire général, de l'enseignement secondaire artistique et de l'enseignement secondaire technique;
3° 0,00136 pour les heures de cours/apprenant dans les centres d'éducation des adultes;
4° 0,25 pour les élèves dans l'enseignement artistique à temps partiel.
§ 4. Le coefficient de pondération visé au § 1er s'élève à :
1° 0,03969 pour le calcul des enveloppes de points;
2° 0,7163 pour le calcul des moyens de fonctionnement.
HOOFDSTUK IV. - Aanwending van de puntenenveloppen.
CHAPITRE IV. - Utilisation des enveloppes de points.
Art. 5. § 1. De punten van de enveloppe kunnen worden aangewend om één of meer betrekkingen op te richten in ambten van het ondersteunend personeel, administratief personeel, opvoedend hulppersoneel, onderwijzend en/of bestuurspersoneel, met uitzondering van de ambten van adjunct-directeur en directeur, rekening houdend met wat volgt :
1° als een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel wordt opgericht, gebeurt dit conform de bepalingen, opgenomen in artikel 97 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;
2° als een betrekking in een ambt van het opvoedend hulppersoneel, in een ambt van het administratief personeel of in een ambt van administratief medewerker in een centrum voor volwassenenonderwijs wordt opgericht waarin een personeelslid wordt aangesteld dat recht heeft op weddeschaal 200, 201, 202, 203, 122, worden voor een voltijdse betrekking 63 punten in rekening gebracht. Voor een halftijdse betrekking worden 31,5 punten in rekening gebracht. Voor een deeltijdse betrekking in het deeltijds kunstonderwijs en in een centrum voor volwassenenonderwijs wordt per uur 1,5 punten in rekening gebracht;
3° als een betrekking in een ambt van het opvoedend hulppersoneel, in een ambt van het administratief personeel of in een ambt van administratief medewerker in een centrum voor volwassenenonderwijs wordt opgericht waarin een personeelslid wordt aangesteld dat recht heeft op weddeschaal 158, 106, 163, 164, 100, 208, 104, 123, 126, worden voor een voltijdse betrekking 82 punten in rekening gebracht. Voor een halftijdse betrekking worden 41 punten in rekening gebracht. Voor een deeltijdse betrekking in het deeltijds kunstonderwijs en in een centrum voor volwassenenonderwijs worden per uur 2,5 punten in rekening gebracht;
4° als een betrekking in een ambt van het onderwijzend personeel wordt opgericht waarin een personeelslid wordt aangesteld dat recht heeft op weddeschaal 501, worden voor een voltijdse betrekking 120 punten in rekening gebracht. Voor een halftijdse betrekking worden 60 punten in rekening gebracht. Voor een deeltijdse betrekking komt 1 uur leraar of 1 lesuur overeen met 6 punten;
5° als een betrekking in een ambt van het onderwijzend personeel wordt opgericht waarin een personeelslid wordt aangesteld dat recht heeft op een andere weddeschaal dan weddeschaal 501, worden voor een voltijdse betrekking 82 punten in rekening gebracht. Voor een halftijdse betrekking worden 41 punten in rekening gebracht. Voor een deeltijdse betrekking komt 1 lestijd, 1 uur leraar of 1 lesuur overeen met 4 punten;
6° als een betrekking in een ambt van het bestuurspersoneel met uitzondering van de ambten van adjunct-directeur en directeur wordt opgericht, worden voor een voltijdse betrekking 120 punten in rekening gebracht. Voor een halftijdse betrekking worden 60 punten in rekening gebracht.
In de verschillende onderwijsniveaus kunnen alleen betrekkingen worden opgericht in de voor dat niveau vigerende ambten.
§ 2. Het personeelslid dat in de betrekking, bedoeld in § 1, eerste lid, wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, blijven verder van toepassing, met uitzondering van de volgende bepalingen :
1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. De inrichtende macht van de instelling waaraan de betrekking wordt toegewezen, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling wordt beschouwd als een reaffectatie of een wedertewerkstelling. Deze reaffectatie of wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid;
2° de inrichtende macht van de instelling waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in deze betrekking een personeelslid aan te stellen dat voorrang heeft voor een tijdelijke aanstelling of dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikel 21 en 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en artikel 23 en 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;
3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. De inrichtende macht kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.
1° als een betrekking in een ambt van het ondersteunend personeel wordt opgericht, gebeurt dit conform de bepalingen, opgenomen in artikel 97 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs;
2° als een betrekking in een ambt van het opvoedend hulppersoneel, in een ambt van het administratief personeel of in een ambt van administratief medewerker in een centrum voor volwassenenonderwijs wordt opgericht waarin een personeelslid wordt aangesteld dat recht heeft op weddeschaal 200, 201, 202, 203, 122, worden voor een voltijdse betrekking 63 punten in rekening gebracht. Voor een halftijdse betrekking worden 31,5 punten in rekening gebracht. Voor een deeltijdse betrekking in het deeltijds kunstonderwijs en in een centrum voor volwassenenonderwijs wordt per uur 1,5 punten in rekening gebracht;
3° als een betrekking in een ambt van het opvoedend hulppersoneel, in een ambt van het administratief personeel of in een ambt van administratief medewerker in een centrum voor volwassenenonderwijs wordt opgericht waarin een personeelslid wordt aangesteld dat recht heeft op weddeschaal 158, 106, 163, 164, 100, 208, 104, 123, 126, worden voor een voltijdse betrekking 82 punten in rekening gebracht. Voor een halftijdse betrekking worden 41 punten in rekening gebracht. Voor een deeltijdse betrekking in het deeltijds kunstonderwijs en in een centrum voor volwassenenonderwijs worden per uur 2,5 punten in rekening gebracht;
4° als een betrekking in een ambt van het onderwijzend personeel wordt opgericht waarin een personeelslid wordt aangesteld dat recht heeft op weddeschaal 501, worden voor een voltijdse betrekking 120 punten in rekening gebracht. Voor een halftijdse betrekking worden 60 punten in rekening gebracht. Voor een deeltijdse betrekking komt 1 uur leraar of 1 lesuur overeen met 6 punten;
5° als een betrekking in een ambt van het onderwijzend personeel wordt opgericht waarin een personeelslid wordt aangesteld dat recht heeft op een andere weddeschaal dan weddeschaal 501, worden voor een voltijdse betrekking 82 punten in rekening gebracht. Voor een halftijdse betrekking worden 41 punten in rekening gebracht. Voor een deeltijdse betrekking komt 1 lestijd, 1 uur leraar of 1 lesuur overeen met 4 punten;
6° als een betrekking in een ambt van het bestuurspersoneel met uitzondering van de ambten van adjunct-directeur en directeur wordt opgericht, worden voor een voltijdse betrekking 120 punten in rekening gebracht. Voor een halftijdse betrekking worden 60 punten in rekening gebracht.
In de verschillende onderwijsniveaus kunnen alleen betrekkingen worden opgericht in de voor dat niveau vigerende ambten.
§ 2. Het personeelslid dat in de betrekking, bedoeld in § 1, eerste lid, wordt aangesteld, wordt steeds aangesteld als tijdelijk personeelslid. De bepalingen van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs, blijven verder van toepassing, met uitzondering van de volgende bepalingen :
1° de betrekking is niet onderworpen aan de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. De inrichtende macht van de instelling waaraan de betrekking wordt toegewezen, kan evenwel op vrijwillige basis een personeelslid aanstellen dat ter beschikking is gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Deze aanstelling wordt beschouwd als een reaffectatie of een wedertewerkstelling. Deze reaffectatie of wedertewerkstelling gebeurt steeds met instemming van het terbeschikkinggestelde personeelslid;
2° de inrichtende macht van de instelling waaraan de betrekking wordt toegewezen, is niet verplicht om in deze betrekking een personeelslid aan te stellen dat voorrang heeft voor een tijdelijke aanstelling of dat het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven, overeenkomstig artikel 21 en 21bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs en artikel 23 en 23bis van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs;
3° de betrekking kan niet vacant worden verklaard. De inrichtende macht kan in geen geval een personeelslid vast benoemen, affecteren of muteren in deze betrekking.
Art. 5. § 1er. Les points de l'enveloppe peuvent être utilisés pour l'organisation d'un ou de plusieurs emplois dans des fonctions du personnel d'appui, du personnel administratif, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel enseignant et/ou directeur, à l'exception des fonctions de directeur-adjoint et de directeur, tout en tenant compte de ce qui suit :
1° s'il est créé un emploi dans une fonction du personnel d'appui, cela doit se faire conformément aux dispositions de l'article 97 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental;
2° s'il est créé un emploi dans une fonction du personnel auxiliaire d'éducation, dans une fonction du personnel administratif ou dans un emploi de collaborateur administratif auprès d'un centre d'éducation des adultes, auquel est désigné un membre du personnel ayant droit à l'échelle de traitement 200, 201, 202, 203, 122, 63 points sont portés en compte pour un emploi à temps plein. Pour un emploi à mi-temps, 31,5 points sont portés en compte. Pour un emploi à temps partiel dans l'enseignement artistique à temps partiel et auprès d'un centre d'éducation des adultes, 1,5 points sont portés en compte par heure;
3° s'il est créé un emploi dans une fonction du personnel auxiliaire d'éducation, dans une fonction du personnel administratif ou dans un emploi de collaborateur administratif auprès d'un centre d'éducation des adultes, auquel est désigné un membre du personnel ayant droit à l'échelle de traitement 158, 106, 163, 164, 100, 208, 104, 123, 126, 82 points sont portés en compte pour un emploi à temps plein. Pour un emploi à mi-temps, 41 points sont portés en compte. Pour un emploi à temps partiel dans l'enseignement artistique à temps partiel et auprès d'un centre d'éducation des adultes, 2,5 points sont portés en compte par heure;
4° s'il est créé un emploi dans une fonction du personnel enseignant, auquel est désigné un membre du personnel ayant droit à l'échelle de traitement 501, 120 points sont portés en compte pour un emploi à temps plein. Pour un emploi à mi-temps, 60 points sont portés en compte. Pour un emploi à temps partiel, 1 heure/enseignant ou 1 heure de cours correspond à 6 points;
5° s'il est créé un emploi dans une fonction du personnel enseignant, auquel est désigné un membre du personnel ayant droit à une échelle de traitement autre que l'échelle de traitement 501, 82 points sont portés en compte pour un emploi à temps plein. Pour un emploi à mi-temps, 41 points sont portés en compte. Pour un emploi à temps partiel, 1 période de cours, 1 heure/enseignant ou 1 heure de cours correspond à 4 points;
6° s'il est créé un emploi dans une fonction du personnel directeur, à l'exception des fonctions de directeur adjoint et de directeur, 120 points sont portés en compte pour un emploi à temps plein. Pour un emploi à mi-temps, 60 points sont portés en compte.
Dans les différents niveaux d'enseignement, des emplois ne peuvent être créés que dans les fonctions qui sont prévues pour le niveau en question.
§ 2. Le membre du personnel qui est désigné à l'emploi visé au § 1er, premier alinéa, l'est toujours en qualité de membre du personnel temporaire. Les dispositions du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné continuent à être applicables, à l'exception des dispositions suivantes :
1° l'emploi n'est pas régi par la réglementation relative à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation et à la remise au travail. Le pouvoir organisateur de l'établissement auquel l'emploi est attribué peut toutefois désigner, sur une base volontaire, un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi. Cette désignation est considérée comme une réaffectation ou une remise au travail. Cette réaffectation ou remise au travail se fait toujours avec le consentement du membre du personnel mis en disponibilité;
2° le pouvoir organisateur de l'établissement auquel l'emploi est attribué n'est pas obligé de désigner à cet emploi un membre du personnel ayant la priorité pour une désignation temporaire ou ayant acquis le droit à une désignation temporaire d'une durée interrompue, conformément aux articles 21 et 21bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et aux articles 23 et 23bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné;
3° l'emploi ne peut être déclaré vacant. Le pouvoir organisateur ne peut nommer en aucun cas un membre du personnel à titre définitif, ni l'affecter ou le muter dans cet emploi.
1° s'il est créé un emploi dans une fonction du personnel d'appui, cela doit se faire conformément aux dispositions de l'article 97 du décret du 14 juillet 1998 contenant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental;
2° s'il est créé un emploi dans une fonction du personnel auxiliaire d'éducation, dans une fonction du personnel administratif ou dans un emploi de collaborateur administratif auprès d'un centre d'éducation des adultes, auquel est désigné un membre du personnel ayant droit à l'échelle de traitement 200, 201, 202, 203, 122, 63 points sont portés en compte pour un emploi à temps plein. Pour un emploi à mi-temps, 31,5 points sont portés en compte. Pour un emploi à temps partiel dans l'enseignement artistique à temps partiel et auprès d'un centre d'éducation des adultes, 1,5 points sont portés en compte par heure;
3° s'il est créé un emploi dans une fonction du personnel auxiliaire d'éducation, dans une fonction du personnel administratif ou dans un emploi de collaborateur administratif auprès d'un centre d'éducation des adultes, auquel est désigné un membre du personnel ayant droit à l'échelle de traitement 158, 106, 163, 164, 100, 208, 104, 123, 126, 82 points sont portés en compte pour un emploi à temps plein. Pour un emploi à mi-temps, 41 points sont portés en compte. Pour un emploi à temps partiel dans l'enseignement artistique à temps partiel et auprès d'un centre d'éducation des adultes, 2,5 points sont portés en compte par heure;
4° s'il est créé un emploi dans une fonction du personnel enseignant, auquel est désigné un membre du personnel ayant droit à l'échelle de traitement 501, 120 points sont portés en compte pour un emploi à temps plein. Pour un emploi à mi-temps, 60 points sont portés en compte. Pour un emploi à temps partiel, 1 heure/enseignant ou 1 heure de cours correspond à 6 points;
5° s'il est créé un emploi dans une fonction du personnel enseignant, auquel est désigné un membre du personnel ayant droit à une échelle de traitement autre que l'échelle de traitement 501, 82 points sont portés en compte pour un emploi à temps plein. Pour un emploi à mi-temps, 41 points sont portés en compte. Pour un emploi à temps partiel, 1 période de cours, 1 heure/enseignant ou 1 heure de cours correspond à 4 points;
6° s'il est créé un emploi dans une fonction du personnel directeur, à l'exception des fonctions de directeur adjoint et de directeur, 120 points sont portés en compte pour un emploi à temps plein. Pour un emploi à mi-temps, 60 points sont portés en compte.
Dans les différents niveaux d'enseignement, des emplois ne peuvent être créés que dans les fonctions qui sont prévues pour le niveau en question.
§ 2. Le membre du personnel qui est désigné à l'emploi visé au § 1er, premier alinéa, l'est toujours en qualité de membre du personnel temporaire. Les dispositions du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné continuent à être applicables, à l'exception des dispositions suivantes :
1° l'emploi n'est pas régi par la réglementation relative à la mise en disponibilité par défaut d'emploi, à la réaffectation et à la remise au travail. Le pouvoir organisateur de l'établissement auquel l'emploi est attribué peut toutefois désigner, sur une base volontaire, un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi. Cette désignation est considérée comme une réaffectation ou une remise au travail. Cette réaffectation ou remise au travail se fait toujours avec le consentement du membre du personnel mis en disponibilité;
2° le pouvoir organisateur de l'établissement auquel l'emploi est attribué n'est pas obligé de désigner à cet emploi un membre du personnel ayant la priorité pour une désignation temporaire ou ayant acquis le droit à une désignation temporaire d'une durée interrompue, conformément aux articles 21 et 21bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement communautaire et aux articles 23 et 23bis du décret relatif au statut des membres du personnel de l'enseignement subventionné;
3° l'emploi ne peut être déclaré vacant. Le pouvoir organisateur ne peut nommer en aucun cas un membre du personnel à titre définitif, ni l'affecter ou le muter dans cet emploi.
HOOFDSTUK V. - Administratieve toewijzing.
CHAPITRE V. - Affectation administrative.
Art. 6. Binnen de scholengemeenschap, scholengroep of samenwerkingsplatform, bedoeld in artikel 3, § 1, wordt vastgelegd aan welke school/scholen, onderwijsinstelling(en), centr(a)um voor volwassenenonderwijs of instelling(en) voor deeltijds kunstonderwijs de betrokken ICT-coördinator administratief wordt aangesteld.
Art. 6. Il est fixé au sein du centre scolaire, du groupe d'écoles ou de la plate-forme de coopération, visés à l'article 3, § 1er, à quelle(s) école(s), quel(s) établissement(s) d'enseignement, centre(s) d'éducation des adultes ou établissement(s) d'enseignement artistique à temps partiel le coordinateur TIC est administrativement désigné.
HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen.
CHAPITRE VI. - Dispositions finales.
Art. 7. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002.
Art. 7. Le présent arrêté produit ses effets le 1er septembre 2002.
Art. 8. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 10 januari 2003.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
M. VANDERPOORTEN.
Brussel, 10 januari 2003.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
M. VANDERPOORTEN.
Art. 8. La Ministre flamande qui a l'enseignement dans ses attributions est chargée de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 10 janvier 2003.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
P. DEWAEL
La Ministre flamande de l'Enseignement et de la Formation,
M. VANDERPOORTEN.
Bruxelles, le 10 janvier 2003.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
P. DEWAEL
La Ministre flamande de l'Enseignement et de la Formation,
M. VANDERPOORTEN.