Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de pilootscholen van de aangeduide pilootregio voor de schooljaren 2002-2003 tot en met 2005-2006 en is onderworpen aan de bepalingen van artikel 81 van het onderwijsdecreet XII.
De overeenkomsten met de betrokken onderwijsinstellingen in het kader van dit besluit worden telkens voor de duur van 1 schooljaar afgesloten.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
10 JANUARI 2003. - Besluit van de Vlaamse regering houdende een tijdelijk pilootproject " optimalisatie van de overgang van het secundair naar het hoger onderwijs " in het secundair onderwijs.
Titre
10 JANVIER 2003. - Arrêté du Gouvernement flamand portant un projet pilote temporaire " optimalisation du passage de l'enseignement secondaire à l'enseignement supérieur " dans l'enseignement secondaire (TRADUCTION).
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (12)
Texte (12)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
Article 1. Le présent arrêté s'applique aux écoles pilotes de la région pilote indiquée pour les années scolaires 2002-2003 à 2005-2006 incluses et est régi par les dispositions de l'article 81 du décret relatif à l'enseignement XII.
Les conventions avec les établissements d'enseignement dans le cadre du présent arrêté sont chaque fois conclues pour une durée d'une (1) année scolaire.
Les conventions avec les établissements d'enseignement dans le cadre du présent arrêté sont chaque fois conclues pour une durée d'une (1) année scolaire.
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° pilootschool : onderwijsinstelling gelegen in de pilootregio, die een tweede en een derde graad van het algemeen secundair onderwijs en/of het kunst secundair onderwijs en/of het technisch secundair onderwijs inricht en die toetreedt tot het project;
2° pilootregio : regio omvattende de onderwijszone 7, als bepaald in de bijlage van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, uitgebreid met de gemeenten Heist-op-den-Berg en Berlaar;
3° pilootproject : geheel van acties voor het optimaliseren van de studie- en beroepskeuze bij de overgang naar het hoger onderwijs en waarvan de bindende bepalingen zijn vastgelegd in een overeenkomst tussen de pilootscholen van een bepaalde scholengemeenschap en het departement Onderwijs;
4° SOHO-coördinator : leraar of godsdienstleraar van de pilootschool, waaraan de uren-leraar zijn toegekend om specifieke opdrachten in het kader van het pilootproject uit te voeren.
1° pilootschool : onderwijsinstelling gelegen in de pilootregio, die een tweede en een derde graad van het algemeen secundair onderwijs en/of het kunst secundair onderwijs en/of het technisch secundair onderwijs inricht en die toetreedt tot het project;
2° pilootregio : regio omvattende de onderwijszone 7, als bepaald in de bijlage van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, uitgebreid met de gemeenten Heist-op-den-Berg en Berlaar;
3° pilootproject : geheel van acties voor het optimaliseren van de studie- en beroepskeuze bij de overgang naar het hoger onderwijs en waarvan de bindende bepalingen zijn vastgelegd in een overeenkomst tussen de pilootscholen van een bepaalde scholengemeenschap en het departement Onderwijs;
4° SOHO-coördinator : leraar of godsdienstleraar van de pilootschool, waaraan de uren-leraar zijn toegekend om specifieke opdrachten in het kader van het pilootproject uit te voeren.
Art. 2. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1° école pilote : établissement d'enseignement situé dans la région pilote, qui organise un deuxième et un troisième degré de l'enseignement secondaire général et/ou artistique et/ou technique et qui s'associe au projet;
2° région pilote : région comprenant la zone 7, visée à l'annexe au décret du 14 juillet 1998 portant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, élargie par les communes de Heist-op-den-Berg et de Berlaar;
3° projet pilote : ensemble d'actions pour l'optimalisation du choix des études et de l'orientation professionnelle lors du passage à l'enseignement supérieur et dont les dispositions obligatoires sont fixées dans une convention conclue entre les écoles pilotes d'un centre d'enseignement déterminé et le Département de l'Enseignement;
4° coordinateur CSES : professeur ou professeur de religion de l'école pilote, dont les périodes-professeur sont attribuées pour effectuer des charges spécifiques dans le cadre du projet pilote.
1° école pilote : établissement d'enseignement situé dans la région pilote, qui organise un deuxième et un troisième degré de l'enseignement secondaire général et/ou artistique et/ou technique et qui s'associe au projet;
2° région pilote : région comprenant la zone 7, visée à l'annexe au décret du 14 juillet 1998 portant diverses mesures relatives à l'enseignement secondaire et modifiant le décret du 25 février 1997 relatif à l'enseignement fondamental, élargie par les communes de Heist-op-den-Berg et de Berlaar;
3° projet pilote : ensemble d'actions pour l'optimalisation du choix des études et de l'orientation professionnelle lors du passage à l'enseignement supérieur et dont les dispositions obligatoires sont fixées dans une convention conclue entre les écoles pilotes d'un centre d'enseignement déterminé et le Département de l'Enseignement;
4° coordinateur CSES : professeur ou professeur de religion de l'école pilote, dont les périodes-professeur sont attribuées pour effectuer des charges spécifiques dans le cadre du projet pilote.
HOOFDSTUK II. - Toekenning van extra uren-leraar.
CHAPITRE II. - Attribution de périodes-professeur supplémentaires.
Art. 3. Met toepassing van artikel 80 van het decreet van 20 oktober 2000 betreffende het onderwijs XII-Ensor en binnen de vastgestelde begrotingskredieten kunnen extra uren-leraar toegekend worden aan de pilootscholen.
De pilootscholen krijgen voor de duurtijd van het project extra uren-leraar; voor de berekening van het aantal wekelijkse extra uren-leraar gelden volgende criteria :
1° Voor de bepaling van het aantal uren-leraar per pilootschool komen alleen de regelmatige leerlingen van de tweede en de derde graad van het ASO en/of het KSO en/of het TSO, per deelnemende pilootschool in aanmerking;
2° De leerlingentelling van februari voorafgaand aan het betreffende schooljaar;
3° Aan elke deelnemende pilootschool wordt 3 uren-leraar toegekend, vermeerderd met 0,5 uren-leraar per begonnen schijf van 100 leerlingen boven de 200 leerlingen bedoeld sub 1° en 2°;
4° Binnen het totale pakket uren-leraar van een scholengemeenschap, met inbegrip van de ermee ad hoc samenwerkende scholen, kunnen halve uren overgedragen worden tussen pilootscholen teneinde opdrachten met volledige uren te bekomen;
5° De uren-leraar worden toegekend aan één SOHO-coördinator, behorende tot het lerarenkorps van de betreffende instelling, per pilootschool; een afwijking hiervan kan enkel om gegronde redenen ten bate van het pilootproject door het departement Onderwijs toegestaan worden.
De pilootscholen krijgen voor de duurtijd van het project extra uren-leraar; voor de berekening van het aantal wekelijkse extra uren-leraar gelden volgende criteria :
1° Voor de bepaling van het aantal uren-leraar per pilootschool komen alleen de regelmatige leerlingen van de tweede en de derde graad van het ASO en/of het KSO en/of het TSO, per deelnemende pilootschool in aanmerking;
2° De leerlingentelling van februari voorafgaand aan het betreffende schooljaar;
3° Aan elke deelnemende pilootschool wordt 3 uren-leraar toegekend, vermeerderd met 0,5 uren-leraar per begonnen schijf van 100 leerlingen boven de 200 leerlingen bedoeld sub 1° en 2°;
4° Binnen het totale pakket uren-leraar van een scholengemeenschap, met inbegrip van de ermee ad hoc samenwerkende scholen, kunnen halve uren overgedragen worden tussen pilootscholen teneinde opdrachten met volledige uren te bekomen;
5° De uren-leraar worden toegekend aan één SOHO-coördinator, behorende tot het lerarenkorps van de betreffende instelling, per pilootschool; een afwijking hiervan kan enkel om gegronde redenen ten bate van het pilootproject door het departement Onderwijs toegestaan worden.
Art. 3. En application de l'article 80 du décret du 20 octobre 2000 relatif à l'enseignement XII - Ensor et dans les limites des crédits budgétaires fixés, des périodes-professeur supplémentaires peuvent être accordées aux écoles pilotes.
Pour la durée du projet, les écoles pilotes reçoivent des périodes-professeur supplémentaires; le nombre de périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires est calculé sur la base des critères suivants :
1° Pour la détermination du nombre de périodes-professeur par école pilote, seul les élèves réguliers des deuxième et troisième degrés de l'ESG et/ou de l'ESA et/ou de l'EST par école pilote participante entrent en ligne de compte;
2° Le comptage des élèves du mois de février précédant l'année scolaire en question;
3° A chaque école pilote participante sont accordées 3 périodes-professeur, majorées de 0,5 périodes-professeur par tranche commencée de 100 élèves au-delà des 200 élèves visés aux points 1° et 2°;
4° Au sein du capital " périodes-professeur " global d'un centre d'enseignement, y compris les écoles coopérant ad hoc avec ledit centre, des demi-périodes peuvent être transférées entre des écoles pilotes, en vue d'obtenir des charges constituées de périodes entières;
5° Les périodes-professeur sont accordées à un (1) coordinateur CSES, qui appartient au corps de professeurs de l'établissement concerné, par école pilote; une dérogation à cette règle ne peut être accordée par le Département de l'Enseignement que pour des raisons bien fondées au profit du projet pilote.
Pour la durée du projet, les écoles pilotes reçoivent des périodes-professeur supplémentaires; le nombre de périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires est calculé sur la base des critères suivants :
1° Pour la détermination du nombre de périodes-professeur par école pilote, seul les élèves réguliers des deuxième et troisième degrés de l'ESG et/ou de l'ESA et/ou de l'EST par école pilote participante entrent en ligne de compte;
2° Le comptage des élèves du mois de février précédant l'année scolaire en question;
3° A chaque école pilote participante sont accordées 3 périodes-professeur, majorées de 0,5 périodes-professeur par tranche commencée de 100 élèves au-delà des 200 élèves visés aux points 1° et 2°;
4° Au sein du capital " périodes-professeur " global d'un centre d'enseignement, y compris les écoles coopérant ad hoc avec ledit centre, des demi-périodes peuvent être transférées entre des écoles pilotes, en vue d'obtenir des charges constituées de périodes entières;
5° Les périodes-professeur sont accordées à un (1) coordinateur CSES, qui appartient au corps de professeurs de l'établissement concerné, par école pilote; une dérogation à cette règle ne peut être accordée par le Département de l'Enseignement que pour des raisons bien fondées au profit du projet pilote.
Art. 4. De wekelijkse extra uren-leraar worden beschouwd als " uren die geen lesuren zijn " voor de reglementering inzake bekwaamheidsbewijzen, weddeschalen, prestatiestelsel en bezoldigingsregeling en inzake de ter beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en reaffectatie;
In de wekelijkse extra uren-leraar bedoeld in het eerste lid kunnen personeelsleden niet vast benoemd worden. Een vaste benoeming in deze uren-leraar heeft geen uitwerking ten aanzien van de overheid. De betrekkingen die ontstaan uit deze wekelijkse extra uren-leraar kunnen niet vacant verklaard worden.
In de wekelijkse extra uren-leraar bedoeld in het eerste lid kunnen personeelsleden niet vast benoemd worden. Een vaste benoeming in deze uren-leraar heeft geen uitwerking ten aanzien van de overheid. De betrekkingen die ontstaan uit deze wekelijkse extra uren-leraar kunnen niet vacant verklaard worden.
Art. 4. Les périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires sont considérées comme " des heures qui ne sont pas des heures de cours " pour la réglementation relative aux titres, aux échelles de traitement, au régime de prestations et au statut pécuniaire et relative à la mise en disponibilité par défaut d'emploi et la réaffectation;
Les membres du personnel ne peuvent pas être nommés à titre définitif dans les périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires visés au premier alinéa. Une nomination à titre définitif dans ces périodes-professeur ne produit pas ses effets vis-à-vis de l'autorité. Les emplois engendrés par ces périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires ne peuvent être déclarés vacants.
Les membres du personnel ne peuvent pas être nommés à titre définitif dans les périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires visés au premier alinéa. Une nomination à titre définitif dans ces périodes-professeur ne produit pas ses effets vis-à-vis de l'autorité. Les emplois engendrés par ces périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires ne peuvent être déclarés vacants.
Art. 5. Het gebruik van de wekelijkse extra uren-leraar en de naleving van de bepalingen van de overeenkomst door de pilootscholen wordt beoordeeld door de onderwijsinspectie. Die beoordeling kan aanleiding geven tot de stopzetting van de toekenning van de extra uren-leraar aan de betrokken pilootschool met ingang van het schooljaar volgend op de negatieve beoordeling in deze.
Art. 5. L'utilisation des périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires et le respect des dispositions de la convention par les écoles pilotes sont évalués par l'Inspection de l'Enseignement. Cette évaluation peut occasionner l'arrêt de l'octroi des périodes-professeur supplémentaires à l'école pilote concernée, à partir de l'année scolaire qui suit l'évaluation négative en question.
HOOFDSTUK III. - Onkosten eigen aan het pilootproject.
CHAPITRE III. - Frais propres au projet pilote.
Art. 6. Het binnen de vastgestelde begrotingskredieten voorziene budget voor specifieke werkingskosten in het kader van het pilootproject wordt beheerd door het departement Onderwijs.
Onder specifieke werkingskosten van het pilootproject worden verstaan de meerkosten gemaakt in het kader van SOHO-pilootproject voor :
1° vorming van SOHO-coördinatoren, leraars en godsdienstleraars;
2° specifieke onkosten van de SOHO-coördinatoren bij de uitoefening van hun taken;
3° materialen en diensten ter ondersteuning van het studiekeuzeproces van de leerlingen;
4° materialen en diensten ter ondersteuning van de valorisatie en disseminatie van de resultaten van het pilootproject;
5° het inschakelen van deskundigen.
Van het budget voor de specifieke werkingskosten voor het pilootproject is een derde voorbehouden voor ondersteunende en vormende initiatieven door het departement Onderwijs ten bate van alle pilootscholen of alle SOHO-coördinatoren.
Specifieke werkingskosten gemaakt door de scholengemeenschappen, pilootscholen en/of de SOHO-coördinatoren in het kader van de pilootproject kunnen via de in de overeenkomst aangeduide instelling bij het departement Onderwijs worden verhaald met een maximum dat in de overeenkomst wordt vastgelegd.
De in het vierde lid vermelde maxima worden berekend uitgaande van het voor de pilootscholen gereserveerde gedeelte van het beschikbare budget dat verdeeld wordt naar rato van het volgens artikel 3, tweede lid, toegekende totale aantal uren-leraar per scholengemeenschap.
Onder specifieke werkingskosten van het pilootproject worden verstaan de meerkosten gemaakt in het kader van SOHO-pilootproject voor :
1° vorming van SOHO-coördinatoren, leraars en godsdienstleraars;
2° specifieke onkosten van de SOHO-coördinatoren bij de uitoefening van hun taken;
3° materialen en diensten ter ondersteuning van het studiekeuzeproces van de leerlingen;
4° materialen en diensten ter ondersteuning van de valorisatie en disseminatie van de resultaten van het pilootproject;
5° het inschakelen van deskundigen.
Van het budget voor de specifieke werkingskosten voor het pilootproject is een derde voorbehouden voor ondersteunende en vormende initiatieven door het departement Onderwijs ten bate van alle pilootscholen of alle SOHO-coördinatoren.
Specifieke werkingskosten gemaakt door de scholengemeenschappen, pilootscholen en/of de SOHO-coördinatoren in het kader van de pilootproject kunnen via de in de overeenkomst aangeduide instelling bij het departement Onderwijs worden verhaald met een maximum dat in de overeenkomst wordt vastgelegd.
De in het vierde lid vermelde maxima worden berekend uitgaande van het voor de pilootscholen gereserveerde gedeelte van het beschikbare budget dat verdeeld wordt naar rato van het volgens artikel 3, tweede lid, toegekende totale aantal uren-leraar per scholengemeenschap.
Art. 6. Le budget prévu dans les limites des crédits budgétaires fixés pour les frais spécifiques de fonctionnement dans le cadre du projet pilote est géré par le Département de l'Enseignement.
Il faut entendre par frais spécifiques de fonctionnement du projet pilote, les frais en plus faits dans le cadre du projet pilote CSES pour :
1° la formation des coordinateurs CSES, professeurs et professeurs de religion;
2° des frais spécifiques des coordinateurs CSES pour l'exercice de leurs tâches;
3° des matériaux et services à l'appui du processus du choix des études des élèves;
4° des matériaux et services à l'appui de la valorisation et dissémination des résultats du projet pilote;
5° l'appel à des experts.
Un tiers du budget destiné aux frais spécifiques de fonctionnement pour le projet pilote est réservé à des initiatives d'appui et de formation par le Département de l'Enseignement au profit de toutes les écoles pilotes ou de tous les coordinateurs CSES.
Les frais spécifiques de fonctionnement engagés, dans le cadre du projet pilote, par les centres d'enseignement, les écoles pilotes et/ou les coordinateurs CSES peuvent être répétés, via l'établissement indiqué dans la convention, auprès du Département de l'Enseignement, avec un maximum fixé dans la convention.
Les maxima cités au quatrième alinéa sont calculés à partir de la partie réservée aux écoles pilotes du budget disponible, qui est réparti au prorata du nombre total de périodes-professeur par centre d'enseignement, accordées suivant les critères de l'article 3, deuxième alinéa.
Il faut entendre par frais spécifiques de fonctionnement du projet pilote, les frais en plus faits dans le cadre du projet pilote CSES pour :
1° la formation des coordinateurs CSES, professeurs et professeurs de religion;
2° des frais spécifiques des coordinateurs CSES pour l'exercice de leurs tâches;
3° des matériaux et services à l'appui du processus du choix des études des élèves;
4° des matériaux et services à l'appui de la valorisation et dissémination des résultats du projet pilote;
5° l'appel à des experts.
Un tiers du budget destiné aux frais spécifiques de fonctionnement pour le projet pilote est réservé à des initiatives d'appui et de formation par le Département de l'Enseignement au profit de toutes les écoles pilotes ou de tous les coordinateurs CSES.
Les frais spécifiques de fonctionnement engagés, dans le cadre du projet pilote, par les centres d'enseignement, les écoles pilotes et/ou les coordinateurs CSES peuvent être répétés, via l'établissement indiqué dans la convention, auprès du Département de l'Enseignement, avec un maximum fixé dans la convention.
Les maxima cités au quatrième alinéa sont calculés à partir de la partie réservée aux écoles pilotes du budget disponible, qui est réparti au prorata du nombre total de périodes-professeur par centre d'enseignement, accordées suivant les critères de l'article 3, deuxième alinéa.
HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen.
CHAPITRE IV. - Dispositions finales.
Art. 7. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 2002.
Art. 7. Le présent arrêté produit ses effets le 1er septembre 2002.
Art. 8. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 10 januari 2003.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
M. VANDERPOORTEN.
Brussel, 10 januari 2003.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
M. VANDERPOORTEN.
Art. 8. La Ministre flamande qui a l'Enseignement dans ses attributions est chargée de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 10 janvier 2003.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
P. DEWAEL
La Ministre flamande de l'Enseignement et de la Formation,
M. VANDERPOORTEN.
Bruxelles, le 10 janvier 2003.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
P. DEWAEL
La Ministre flamande de l'Enseignement et de la Formation,
M. VANDERPOORTEN.