Artikel 1. Artikel 1, 6°, van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, wordt vervangen als volgt :
  " 6° wettig verblijf : de verblijfssituatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk of die gemachtigd is er zich te vestigen krachtens de wet van 15 december 1980 of de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, met uitzondering van de verblijfssituatie van de vreemdeling die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden. "
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
6 FEBRUARI 2003. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.
Titre
6 FEVRIER 2003. - ArrĂȘtĂ© royal modifiant l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1999 portant exĂ©cution de la loi du 30 avril 1999 relative Ă l'occupation des travailleurs Ă©trangers.
Documentinformatie
Info du document
Tekst (13)
Texte (13)
Article 1er. L'article 1er, 6°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1999 portant exĂ©cution de la loi du 30 avril 1999 relative Ă l'occupation des travailleurs Ă©trangers est remplacĂ© par le texte suivant :
  " 6° séjour légal : la situation de séjour de l'étranger admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume ou autorisé à s'y établir, en vertu de la loi du 15 décembre 1980 ou de la loi du 22 décembre 1999 relative à la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume, à l'exception de la situation de séjour de l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période de trois mois maximum. "
  " 6° séjour légal : la situation de séjour de l'étranger admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume ou autorisé à s'y établir, en vertu de la loi du 15 décembre 1980 ou de la loi du 22 décembre 1999 relative à la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume, à l'exception de la situation de séjour de l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période de trois mois maximum. "
Art. 2. In artikel 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 februari 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid, 3°, wordt vervangen als volgt :
  " 3° a) de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een vestigingsvergunning;
  b) de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden om onbeperkt te verblijven met toepassing van de wet van 15 december 1980 of van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, behalve de personen bedoeld in artikel 9, eerste lid, 16° en 17°; ";
  2° in het eerste lid, 14°, d) , worden de woorden " een jaar " vervangen door de woorden " zes maanden ";
  3° het eerste lid, 16°, wordt vervangen als volgt :
  " 16° personen die in het buitenland verblijven, er tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om aan internationale sportwedstrijden deel te nemen evenals de scheidsrechters, begeleiders, officiële vertegenwoordigers, personeelsleden en alle andere personen geaccrediteerd en/of erkend door internationale of nationale sportfederaties, voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt; ";
  4° in het eerste lid worden 19°, 20°, 21°, 22° en 23°, vervangen als volgt :
  " 19° de studenten die ten behoeve van hun studies in België, verplichte stages verrichten;
  20° de personen die tewerkgesteld worden in uitvoering van internationale akkoorden die werden goedgekeurd door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden;
  21° a) stagiairs die tewerkgesteld worden door een Belgische overheid;
  b) stagiairs die tewerkgesteld worden door een internationale instelling van publiek recht in België gevestigd en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, of die tewerkgesteld worden in het kader van een programma goedgekeurd door die instelling;
  22° a) leerlingen die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt hebben, die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;
  b) leerlingen die wettig in België verblijven en die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;
  23° de werknemers in het bezit van een arbeidskaart A, B of C, zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit, voor de arbeid verricht op het grondgebied van een andere bevoegde overheid dan deze die de arbeidskaart heeft afgeleverd en wanneer het een werknemer betreft die in het bezit is van een arbeidskaart B om hetzelfde beroep uit te oefenen bij dezelfde werkgever als deze tot wie de tewerkstelling beperkt is; ";
  5° het eerste lid wordt aangevuld als volgt :
  " 24° de personen die tewerkgesteld worden door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
  25° de postdoctorale vreemdelingen die houder zijn van een doctorsgraad of een gelijkwaardige kwalificatie hebben, die genieten van een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek en die in het kader van de internationale mobiliteit een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in een gastuniversiteit tot een goed einde brengen met het oog op de valorisering van hun wetenschappelijke kennis opgedaan in het kader van het doctoraat en dit voor een periode van maximum drie jaar; de universiteit moet de bevoegde overheid informeren van de komst van de postdoctorandus, ten laatste binnen de maand van aankomst. ";
  6° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Behalve in de gevallen bedoeld in het eerste lid, 19° en 22°, a), gelden de vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld onder dit artikel slechts als de begunstigden ervan voldoen aan het vereiste inzake wettig verblijf, zoals omschreven in artikel 1, 6°.
  In afwijking op het voorgaande lid wordt de verblijfstoestand van de buitenlandse onderdaan die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden als wettig verblijf beschouwd voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17° en 20°. "
  1° het eerste lid, 3°, wordt vervangen als volgt :
  " 3° a) de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een vestigingsvergunning;
  b) de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden om onbeperkt te verblijven met toepassing van de wet van 15 december 1980 of van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, behalve de personen bedoeld in artikel 9, eerste lid, 16° en 17°; ";
  2° in het eerste lid, 14°, d) , worden de woorden " een jaar " vervangen door de woorden " zes maanden ";
  3° het eerste lid, 16°, wordt vervangen als volgt :
  " 16° personen die in het buitenland verblijven, er tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om aan internationale sportwedstrijden deel te nemen evenals de scheidsrechters, begeleiders, officiële vertegenwoordigers, personeelsleden en alle andere personen geaccrediteerd en/of erkend door internationale of nationale sportfederaties, voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt; ";
  4° in het eerste lid worden 19°, 20°, 21°, 22° en 23°, vervangen als volgt :
  " 19° de studenten die ten behoeve van hun studies in België, verplichte stages verrichten;
  20° de personen die tewerkgesteld worden in uitvoering van internationale akkoorden die werden goedgekeurd door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden;
  21° a) stagiairs die tewerkgesteld worden door een Belgische overheid;
  b) stagiairs die tewerkgesteld worden door een internationale instelling van publiek recht in België gevestigd en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, of die tewerkgesteld worden in het kader van een programma goedgekeurd door die instelling;
  22° a) leerlingen die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt hebben, die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;
  b) leerlingen die wettig in België verblijven en die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;
  23° de werknemers in het bezit van een arbeidskaart A, B of C, zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit, voor de arbeid verricht op het grondgebied van een andere bevoegde overheid dan deze die de arbeidskaart heeft afgeleverd en wanneer het een werknemer betreft die in het bezit is van een arbeidskaart B om hetzelfde beroep uit te oefenen bij dezelfde werkgever als deze tot wie de tewerkstelling beperkt is; ";
  5° het eerste lid wordt aangevuld als volgt :
  " 24° de personen die tewerkgesteld worden door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
  25° de postdoctorale vreemdelingen die houder zijn van een doctorsgraad of een gelijkwaardige kwalificatie hebben, die genieten van een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek en die in het kader van de internationale mobiliteit een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in een gastuniversiteit tot een goed einde brengen met het oog op de valorisering van hun wetenschappelijke kennis opgedaan in het kader van het doctoraat en dit voor een periode van maximum drie jaar; de universiteit moet de bevoegde overheid informeren van de komst van de postdoctorandus, ten laatste binnen de maand van aankomst. ";
  6° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Behalve in de gevallen bedoeld in het eerste lid, 19° en 22°, a), gelden de vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld onder dit artikel slechts als de begunstigden ervan voldoen aan het vereiste inzake wettig verblijf, zoals omschreven in artikel 1, 6°.
  In afwijking op het voorgaande lid wordt de verblijfstoestand van de buitenlandse onderdaan die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden als wettig verblijf beschouwd voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17° en 20°. "
Art. 2. A l'article 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 15 fĂ©vrier 2000, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 1er, 3°, est remplacé par la disposition suivante :
  " 3° a) les ressortissants étrangers en possession d'un titre d'établissement;
  b) les ressortissants étrangers autorisés ou admis au séjour illimité en application de la loi du 15 décembre 1980 ou de la loi du 22 décembre 1999 relative à la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume, sauf les personnes visées à l'article 9, alinéa 1er, 16° et 17°; ";
  2° à l'alinéa 1er, 14, d) , les mots " un an " sont remplacés par " six mois ";
  3° l'alinéa 1er, 16°, est remplacé par le texte :
  " 16° les personnes résidant à l'étranger, occupées par un employeur situé à l'étranger et venant en Belgique pour participer à des épreuves sportives internationales ainsi que les arbitres, accompagnateurs, délégués officiels, membres du personnel et autres personnes accréditées et/ou agréées par les fédérations sportives internationales ou nationales, pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs; ";
  4° à l'alinéa 1er, les 19°, 20°, 21°, 22° et 23°, sont remplacés par les dispositions suivantes :
  " 19° les étudiants qui effectuent des stages obligatoires pour les besoins de leurs études en Belgique;
  20° les personnes qui sont occupées en exécution d'accords internationaux qui ont été approuvés par une autorité fédérale, régionale ou communautaire dans le cadre de leurs compétences respectives;
  21° a) les stagiaires occupés par un pouvoir public belge;
  b) les stagiaires occupés par une organisation internationale de droit public établie en Belgique et dont le statut est régi par un traité en vigueur, ou occupés dans le cadre d'un programme approuvé par cette organisation;
  22° a) les apprentis engagés avant l'ùge de dix-huit ans dans les liens d'un contrat d'apprentissage ou de formation en alternance agréé par l'autorité qui en a la compétence;
  b) les apprentis séjournant légalement en Belgique et engagés dans les liens d'un contrat d'apprentissage ou de formation en alternance agréé par l'autorité qui en a la compétence;
  23° les travailleurs en possession d'un permis de travail A, B ou C, visĂ©s Ă l'article 3 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, pour les prestations effectuĂ©es sur le territoire d'une autre autoritĂ© compĂ©tente que celle qui a dĂ©livrĂ© le permis de travail et, lorsqu'il s'agit d'un travailleur en possession d'un permis B, pour exercer la mĂȘme profession au service du mĂȘme employeur que celui auprĂšs duquel est limitĂ©e l'occupation; ";
  5° l'alinéa 1er est complété comme suit :
  " 24° les personnes occupées par une agence locale pour l'emploi;
  25° les postdoctorants étrangers titulaires d'un titre de docteur ou d'une qualification équivalente, bénéficiaires d'un subside à savant et qui mÚnent à bien, dans le cadre de la mobilité internationale, une recherche scientifique fondamentale dans une université d'accueil en vue de valoriser leur compétence scientifique acquise dans le cadre du doctorat et ce pour une période de maximum trois ans; l'université est tenue d'informer l'autorité compétente de la venue du postdoctorant, au plus tard dans le mois de celle-ci. ";
  6° l'article est complété par l'alinéa suivant :
  " A l'exception des cas visés à l'alinéa 1er, 19° et 22°, a) , les dispenses de l'obligation d'obtenir un permis de travail mentionnées au présent article ne valent que si leurs bénéficiaires satisfont à la condition en matiÚre de séjour légal, définie à l'article 1er, 6°.
  Par dérogation à l'alinéa précédent, la situation de séjour de l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période de trois mois maximum est considérée comme séjour légal pour l'application de l'article 2, alinéa 1er, 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17° et 20°. "
  1° l'alinéa 1er, 3°, est remplacé par la disposition suivante :
  " 3° a) les ressortissants étrangers en possession d'un titre d'établissement;
  b) les ressortissants étrangers autorisés ou admis au séjour illimité en application de la loi du 15 décembre 1980 ou de la loi du 22 décembre 1999 relative à la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume, sauf les personnes visées à l'article 9, alinéa 1er, 16° et 17°; ";
  2° à l'alinéa 1er, 14, d) , les mots " un an " sont remplacés par " six mois ";
  3° l'alinéa 1er, 16°, est remplacé par le texte :
  " 16° les personnes résidant à l'étranger, occupées par un employeur situé à l'étranger et venant en Belgique pour participer à des épreuves sportives internationales ainsi que les arbitres, accompagnateurs, délégués officiels, membres du personnel et autres personnes accréditées et/ou agréées par les fédérations sportives internationales ou nationales, pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs; ";
  4° à l'alinéa 1er, les 19°, 20°, 21°, 22° et 23°, sont remplacés par les dispositions suivantes :
  " 19° les étudiants qui effectuent des stages obligatoires pour les besoins de leurs études en Belgique;
  20° les personnes qui sont occupées en exécution d'accords internationaux qui ont été approuvés par une autorité fédérale, régionale ou communautaire dans le cadre de leurs compétences respectives;
  21° a) les stagiaires occupés par un pouvoir public belge;
  b) les stagiaires occupés par une organisation internationale de droit public établie en Belgique et dont le statut est régi par un traité en vigueur, ou occupés dans le cadre d'un programme approuvé par cette organisation;
  22° a) les apprentis engagés avant l'ùge de dix-huit ans dans les liens d'un contrat d'apprentissage ou de formation en alternance agréé par l'autorité qui en a la compétence;
  b) les apprentis séjournant légalement en Belgique et engagés dans les liens d'un contrat d'apprentissage ou de formation en alternance agréé par l'autorité qui en a la compétence;
  23° les travailleurs en possession d'un permis de travail A, B ou C, visĂ©s Ă l'article 3 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, pour les prestations effectuĂ©es sur le territoire d'une autre autoritĂ© compĂ©tente que celle qui a dĂ©livrĂ© le permis de travail et, lorsqu'il s'agit d'un travailleur en possession d'un permis B, pour exercer la mĂȘme profession au service du mĂȘme employeur que celui auprĂšs duquel est limitĂ©e l'occupation; ";
  5° l'alinéa 1er est complété comme suit :
  " 24° les personnes occupées par une agence locale pour l'emploi;
  25° les postdoctorants étrangers titulaires d'un titre de docteur ou d'une qualification équivalente, bénéficiaires d'un subside à savant et qui mÚnent à bien, dans le cadre de la mobilité internationale, une recherche scientifique fondamentale dans une université d'accueil en vue de valoriser leur compétence scientifique acquise dans le cadre du doctorat et ce pour une période de maximum trois ans; l'université est tenue d'informer l'autorité compétente de la venue du postdoctorant, au plus tard dans le mois de celle-ci. ";
  6° l'article est complété par l'alinéa suivant :
  " A l'exception des cas visés à l'alinéa 1er, 19° et 22°, a) , les dispenses de l'obligation d'obtenir un permis de travail mentionnées au présent article ne valent que si leurs bénéficiaires satisfont à la condition en matiÚre de séjour légal, définie à l'article 1er, 6°.
  Par dérogation à l'alinéa précédent, la situation de séjour de l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période de trois mois maximum est considérée comme séjour légal pour l'application de l'article 2, alinéa 1er, 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17° et 20°. "
Art. 3. Artikel 3 van hetzelfde besluit wordt aangevuld als volgt :
  " 3° de arbeidskaart C : de arbeidskaart voor bepaalde tijd en die voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen geldt. ".
  " 3° de arbeidskaart C : de arbeidskaart voor bepaalde tijd en die voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen geldt. ".
Art. 3. L'article 3 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© par la disposition suivante :
  " 3° le permis de travail C : le permis de travail d'une durée limitée et valable pour toutes les professions salariées. "
  " 3° le permis de travail C : le permis de travail d'une durée limitée et valable pour toutes les professions salariées. "
Art. 4. Artikel 4, § 3, van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " § 3. Wanneer de werknemer houder is van een arbeidskaart C, is geen arbeidsvergunning vereist in hoofde van de werkgever.
  De arbeidskaart C verliest alle geldigheid indien de houder ervan zijn recht op of machtiging tot verblijf verliest. "
  " § 3. Wanneer de werknemer houder is van een arbeidskaart C, is geen arbeidsvergunning vereist in hoofde van de werkgever.
  De arbeidskaart C verliest alle geldigheid indien de houder ervan zijn recht op of machtiging tot verblijf verliest. "
Art. 4. L'article 4, § 3, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " § 3. Lorsque le travailleur est titulaire d'un permis de travail C, aucune autorisation d'occupation n'est requise dans le chef de l'employeur.
  Le permis de travail C perd toute validité si le détenteur de ce permis perd son droit ou son autorisation de séjour. "
  " § 3. Lorsque le travailleur est titulaire d'un permis de travail C, aucune autorisation d'occupation n'est requise dans le chef de l'employeur.
  Le permis de travail C perd toute validité si le détenteur de ce permis perd son droit ou son autorisation de séjour. "
Art. 5. In artikel 9, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 juli 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° 1° tot 4° worden opgeheven;
  2° 6° wordt vervangen als volgt :
  " 6° hooggeschoold personeel, voor zover de duur van hun tewerkstelling de vier jaar niet overschrijdt en hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 67 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet; deze periode van vier jaar kan éénmaal worden verlengd met een nieuwe periode van vier jaar. De overheid die bevoegd is voor de aflevering van de arbeidskaart kan de hernieuwing van deze ondergeschikt maken aan het respecteren door de werkgever van de voorwaarden die hem bij de aflevering van de eerste arbeidskaart door die overheid werden opgelegd in het vooruitzicht van een eventuele hernieuwing ervan, en die het pro-actief bestrijden van het tekort op de arbeidsmarkt beogen en waarbij wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging van de risicogroepen.
  De beperking van duur van de tewerkstelling bedoeld in het vorig lid is niet van toepassing voorzover de tewerkstelling niet plaatsvindt in het kader van een terbeschikkingstelling van werknemers in loondienst en voorzover :
  - ofwel de werknemer onderdaan is van een land, met hetwelk de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie heeft afgesloten;
  - ofwel zijn jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 69 van de voormelde wet van 3 juli 1978 aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet ";
  3° in 7° vervallen de woorden " in een bijhuis of een filiaal van een firma uit hun land ";
  4° 15°, 16° en 17° worden vervangen als volgt :
  " 15° schouwspelartiesten voor zover hun jaarlijkse bezoldiging niet lager ligt dan het in artikel 65, § 2, eerste lid, van de voormelde wet van 3 juli 1978 aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet;
  16° de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan van wie het recht op verblijf beperkt wordt tot de geldigheid van zijn arbeidskaart of van zijn beroepskaart, of tot de uitoefening van een zelfstandig beroep, voor de geldigheidsduur van dit recht op verblijf;
  17° de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan bedoeld in artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 12°, 14, 15° en 25°, voor de geldigheidsduur van het recht op verblijf van die persoon. "
  1° 1° tot 4° worden opgeheven;
  2° 6° wordt vervangen als volgt :
  " 6° hooggeschoold personeel, voor zover de duur van hun tewerkstelling de vier jaar niet overschrijdt en hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 67 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet; deze periode van vier jaar kan éénmaal worden verlengd met een nieuwe periode van vier jaar. De overheid die bevoegd is voor de aflevering van de arbeidskaart kan de hernieuwing van deze ondergeschikt maken aan het respecteren door de werkgever van de voorwaarden die hem bij de aflevering van de eerste arbeidskaart door die overheid werden opgelegd in het vooruitzicht van een eventuele hernieuwing ervan, en die het pro-actief bestrijden van het tekort op de arbeidsmarkt beogen en waarbij wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging van de risicogroepen.
  De beperking van duur van de tewerkstelling bedoeld in het vorig lid is niet van toepassing voorzover de tewerkstelling niet plaatsvindt in het kader van een terbeschikkingstelling van werknemers in loondienst en voorzover :
  - ofwel de werknemer onderdaan is van een land, met hetwelk de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie heeft afgesloten;
  - ofwel zijn jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 69 van de voormelde wet van 3 juli 1978 aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet ";
  3° in 7° vervallen de woorden " in een bijhuis of een filiaal van een firma uit hun land ";
  4° 15°, 16° en 17° worden vervangen als volgt :
  " 15° schouwspelartiesten voor zover hun jaarlijkse bezoldiging niet lager ligt dan het in artikel 65, § 2, eerste lid, van de voormelde wet van 3 juli 1978 aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet;
  16° de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan van wie het recht op verblijf beperkt wordt tot de geldigheid van zijn arbeidskaart of van zijn beroepskaart, of tot de uitoefening van een zelfstandig beroep, voor de geldigheidsduur van dit recht op verblijf;
  17° de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan bedoeld in artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 12°, 14, 15° en 25°, voor de geldigheidsduur van het recht op verblijf van die persoon. "
Art. 5. A l'article 9, alinĂ©a 1er, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 19 juillet 2000, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
  1° les 1° à 4° sont abrogés;
  2° le 6° est remplacé par la disposition suivante :
  " 6° du personnel hautement qualifiĂ© pour autant que la durĂ©e de leur occupation n'excĂšde pas quatre ans et que leur rĂ©munĂ©ration annuelle dĂ©passe le montant indiquĂ© Ă l'article 67 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, calculĂ© et adaptĂ© suivant l'article 131 de la mĂȘme loi; cette pĂ©riode de quatre ans peut ĂȘtre renouvelĂ©e une fois pour une nouvelle pĂ©riode de quatre ans. L'autoritĂ© compĂ©tente pour dĂ©livrer le permis peut subordonner le renouvellement de celui-ci au respect par l'employeur des conditions qui lui ont Ă©tĂ© imposĂ©es par cette autoritĂ©, au moment de la premiĂšre dĂ©livrance du permis et dans la perspective d'un renouvellement Ă©ventuel de celui-ci, et qui visent la lutte proactive contre la pĂ©nurie sur le marchĂ© de l'emploi et le fait de tendre vers une participation au travail Ă©quilibrĂ©e des groupes Ă risque.
  La limitation de la durée de l'occupation visée à l'alinéa précédent, n'est pas d'application si l'occupation ne s'exerce pas dans le cadre d'un détachement de travailleurs salariés et pour autant :
  - que le travailleur soit ressortissant d'un pays avec lequel l'Union européenne a clÎturé les négociations d'adhésion dans le cadre de l'élargissement de l'Union européenne;
  ou que sa rĂ©munĂ©ration annuelle dĂ©passe le montant indiquĂ© Ă l'article 69 de la loi prĂ©citĂ©e du 3 juillet 1978, calculĂ© et adaptĂ© suivant l'article 131 de la mĂȘme loi ";
  3° au 7°, les mots " dans une succursale ou une filiale d'une firme de leur pays " sont supprimés;
  4° les 15°, 16° et 17° sont remplacés par les dispositions suivantes :
  " 15° d'artistes de spectacle, pour autant que leur rĂ©munĂ©ration annuelle ne soit pas infĂ©rieure au montant indiquĂ© Ă l'article 65, § 2, alinĂ©a 1er, de la loi du 3 juillet 1978 prĂ©citĂ©e, calculĂ© et adaptĂ© suivant l'article 131 de la mĂȘme loi;
  16° du conjoint et enfants du ressortissant étranger dont le droit au séjour est limite à la validité de son permis de travail ou de sa carte professionnelle, ou a l'exercice d'une activité professionnelle independante, pour la durée de validité de ce droit au séjour;
  17° du conjoint et enfants du ressortissant etranger visé à l'article 2, alinéa 1er, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15° et 25°, pour la durée de validité du droit au séjour de celui-ci. "
  1° les 1° à 4° sont abrogés;
  2° le 6° est remplacé par la disposition suivante :
  " 6° du personnel hautement qualifiĂ© pour autant que la durĂ©e de leur occupation n'excĂšde pas quatre ans et que leur rĂ©munĂ©ration annuelle dĂ©passe le montant indiquĂ© Ă l'article 67 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, calculĂ© et adaptĂ© suivant l'article 131 de la mĂȘme loi; cette pĂ©riode de quatre ans peut ĂȘtre renouvelĂ©e une fois pour une nouvelle pĂ©riode de quatre ans. L'autoritĂ© compĂ©tente pour dĂ©livrer le permis peut subordonner le renouvellement de celui-ci au respect par l'employeur des conditions qui lui ont Ă©tĂ© imposĂ©es par cette autoritĂ©, au moment de la premiĂšre dĂ©livrance du permis et dans la perspective d'un renouvellement Ă©ventuel de celui-ci, et qui visent la lutte proactive contre la pĂ©nurie sur le marchĂ© de l'emploi et le fait de tendre vers une participation au travail Ă©quilibrĂ©e des groupes Ă risque.
  La limitation de la durée de l'occupation visée à l'alinéa précédent, n'est pas d'application si l'occupation ne s'exerce pas dans le cadre d'un détachement de travailleurs salariés et pour autant :
  - que le travailleur soit ressortissant d'un pays avec lequel l'Union européenne a clÎturé les négociations d'adhésion dans le cadre de l'élargissement de l'Union européenne;
  ou que sa rĂ©munĂ©ration annuelle dĂ©passe le montant indiquĂ© Ă l'article 69 de la loi prĂ©citĂ©e du 3 juillet 1978, calculĂ© et adaptĂ© suivant l'article 131 de la mĂȘme loi ";
  3° au 7°, les mots " dans une succursale ou une filiale d'une firme de leur pays " sont supprimés;
  4° les 15°, 16° et 17° sont remplacés par les dispositions suivantes :
  " 15° d'artistes de spectacle, pour autant que leur rĂ©munĂ©ration annuelle ne soit pas infĂ©rieure au montant indiquĂ© Ă l'article 65, § 2, alinĂ©a 1er, de la loi du 3 juillet 1978 prĂ©citĂ©e, calculĂ© et adaptĂ© suivant l'article 131 de la mĂȘme loi;
  16° du conjoint et enfants du ressortissant étranger dont le droit au séjour est limite à la validité de son permis de travail ou de sa carte professionnelle, ou a l'exercice d'une activité professionnelle independante, pour la durée de validité de ce droit au séjour;
  17° du conjoint et enfants du ressortissant etranger visé à l'article 2, alinéa 1er, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15° et 25°, pour la durée de validité du droit au séjour de celui-ci. "
Art. 6. Artikel 16 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " Art. 16. De arbeidskaart A wordt toegekend aan de buitenlandse onderdaan die, over een maximale periode van tien jaar wettig en ononderbroken verblijf onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, bewijst dat hij vier jaar arbeid met een arbeidskaart B heeft verricht.
  De termijn van vier jaar arbeid bepaald in het eerste lid wordt teruggebracht tot drie jaar voor de onderdanen van de landen waarmee België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers verbonden is.
  De termijn van vier jaar arbeid bedoeld in het eerste lid en de termijn van drie jaar arbeid bedoeld in het tweede lid worden respectievelijk verminderd met één jaar, indien de echtgenote of de kinderen van de buitenlandse onderdaan samen met hem wettig verblijven.
  Voor de toepassing van de voorgaande leden worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van algehele arbeidsongeschiktheid als gevolg van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich voordeden op een moment dat de betrokkene op regelmatige wijze door een in België gevestigde werkgever werd tewerkgesteld.
  Het verblijf wordt geacht ononderbroken te zijn :
  a) wanneer de onderbreking tussen twee opeenvolgende verblijfsperioden niet meer dan een jaar beloopt;
  b) wanneer de afwezigheid het gevolg is van de dienstplicht, op voorwaarde dat de betrokkene binnen zestig dagen na het volbrengen van de dienstperiode naar België terugkeert.
  Komen niet in aanmerking de jaren arbeid gedekt door arbeidskaarten die werden toegekend :
  a) aan de gespecialiseerde techniekers, bedoeld in artikel 9, eerste lid, 9°;
  b) aan de stagiairs, bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
  c) aan de au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk VI;
  d) aan werknemers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven;
  e) om te werken als navorser of gasthoogleraar aan een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling;
  f) om te werken als hooggeschoold personeel, bedoeld bij artikel 9, eerste lid, 6°;
  g) op grond van artikel 9, eerste lid, 16° of 17°. "
  " Art. 16. De arbeidskaart A wordt toegekend aan de buitenlandse onderdaan die, over een maximale periode van tien jaar wettig en ononderbroken verblijf onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, bewijst dat hij vier jaar arbeid met een arbeidskaart B heeft verricht.
  De termijn van vier jaar arbeid bepaald in het eerste lid wordt teruggebracht tot drie jaar voor de onderdanen van de landen waarmee België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers verbonden is.
  De termijn van vier jaar arbeid bedoeld in het eerste lid en de termijn van drie jaar arbeid bedoeld in het tweede lid worden respectievelijk verminderd met één jaar, indien de echtgenote of de kinderen van de buitenlandse onderdaan samen met hem wettig verblijven.
  Voor de toepassing van de voorgaande leden worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van algehele arbeidsongeschiktheid als gevolg van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich voordeden op een moment dat de betrokkene op regelmatige wijze door een in België gevestigde werkgever werd tewerkgesteld.
  Het verblijf wordt geacht ononderbroken te zijn :
  a) wanneer de onderbreking tussen twee opeenvolgende verblijfsperioden niet meer dan een jaar beloopt;
  b) wanneer de afwezigheid het gevolg is van de dienstplicht, op voorwaarde dat de betrokkene binnen zestig dagen na het volbrengen van de dienstperiode naar België terugkeert.
  Komen niet in aanmerking de jaren arbeid gedekt door arbeidskaarten die werden toegekend :
  a) aan de gespecialiseerde techniekers, bedoeld in artikel 9, eerste lid, 9°;
  b) aan de stagiairs, bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
  c) aan de au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk VI;
  d) aan werknemers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven;
  e) om te werken als navorser of gasthoogleraar aan een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling;
  f) om te werken als hooggeschoold personeel, bedoeld bij artikel 9, eerste lid, 6°;
  g) op grond van artikel 9, eerste lid, 16° of 17°. "
Art. 6. L'article 16 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Art. 16. Le permis de travail A est accordé au ressortissant étranger qui justifie, sur une période maximale de dix ans de séjour légal et ininterrompu précédant immédiatement la demande, de quatre années de travail couvertes par un permis B.
  Le délai de quatre années de travail prévu au 1er alinéa est réduit à trois années pour les ressortissants des pays avec lesquels la Belgique est liée par des conventions ou des accords internationaux en matiÚre d'occupation de travailleurs.
  Le délai de quatre années de travail prévu au 1er alinéa et le délai de trois années de travail prévu en deuxiÚme alinéa sont respectivement réduits d'une année si le conjoint ou les enfants du ressortissant étranger séjournent légalement avec lui.
  Pour l'application des alinéas précédents, sont assimilées à des périodes de travail, les périodes d'incapacité totale de travail résultant d'une maladie professionnelle, d'un accident du travail ou d'un accident survenu sur le chemin du travail alors que l'intéressé était occupé réguliÚrement par un employeur établi en Belgique.
  Le séjour est réputé ininterrompu :
  a) si l'interruption entre deux périodes successives de séjour n'est pas supérieure à un an;
  b) si l'absence résulte des obligations militaires à condition que le travailleur soit rentré en Belgique au plus tard soixante jours aprÚs l'accomplissement de la période de service.
  Ne sont pas prises en considération les années de travail couvertes par des permis de travail accordés :
  a) aux techniciens spécialisés visés à l'article 9, alinéa 1er, 9°;
  b) aux stagiaires visés à la section 1re du chapitre VI;
  c) aux jeunes au pair visés à la section 2 du chapitre VI;
  d) à des travailleurs qui restent liés par contrat de travail avec un employeur établi à l'étranger;
  e) pour travailler comme chercheur ou professeur invité dans une université, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu;
  f) pour travailler comme personnel hautement qualifié, visé à l'article 9, alinéa 1er, 6°;
  g) sur base de l'article 9, alinéa 1er, 16° ou 17°. "
  " Art. 16. Le permis de travail A est accordé au ressortissant étranger qui justifie, sur une période maximale de dix ans de séjour légal et ininterrompu précédant immédiatement la demande, de quatre années de travail couvertes par un permis B.
  Le délai de quatre années de travail prévu au 1er alinéa est réduit à trois années pour les ressortissants des pays avec lesquels la Belgique est liée par des conventions ou des accords internationaux en matiÚre d'occupation de travailleurs.
  Le délai de quatre années de travail prévu au 1er alinéa et le délai de trois années de travail prévu en deuxiÚme alinéa sont respectivement réduits d'une année si le conjoint ou les enfants du ressortissant étranger séjournent légalement avec lui.
  Pour l'application des alinéas précédents, sont assimilées à des périodes de travail, les périodes d'incapacité totale de travail résultant d'une maladie professionnelle, d'un accident du travail ou d'un accident survenu sur le chemin du travail alors que l'intéressé était occupé réguliÚrement par un employeur établi en Belgique.
  Le séjour est réputé ininterrompu :
  a) si l'interruption entre deux périodes successives de séjour n'est pas supérieure à un an;
  b) si l'absence résulte des obligations militaires à condition que le travailleur soit rentré en Belgique au plus tard soixante jours aprÚs l'accomplissement de la période de service.
  Ne sont pas prises en considération les années de travail couvertes par des permis de travail accordés :
  a) aux techniciens spécialisés visés à l'article 9, alinéa 1er, 9°;
  b) aux stagiaires visés à la section 1re du chapitre VI;
  c) aux jeunes au pair visés à la section 2 du chapitre VI;
  d) à des travailleurs qui restent liés par contrat de travail avec un employeur établi à l'étranger;
  e) pour travailler comme chercheur ou professeur invité dans une université, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu;
  f) pour travailler comme personnel hautement qualifié, visé à l'article 9, alinéa 1er, 6°;
  g) sur base de l'article 9, alinéa 1er, 16° ou 17°. "
Art. 7. In hoofdstuk IV van hetzelfde besluit wordt een afdeling 3 ingevoegd, waarbij de huidige artikelen 17 en 18 worden vervangen als volgt :
  " Afdeling 3 . - De arbeidskaart C.
  Art. 17. De arbeidskaart C wordt toegekend :
  1° aan de buitenlandse onderdanen die gemachtigd werden te verblijven in de hoedanigheid van ontvankelijk verklaarde kandidaat-vluchteling door de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheden heeft of diens gemachtigde, of, in geval van beroep, door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen, tot wanneer een beslissing wordt genomen inzake de gegrondheid van hun aanvraag tot erkenning als vluchteling door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen of, in geval van beroep, door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen;
  2° aan de buitenlandse onderdanen die, in het kader van de strijd tegen de mensenhandel, een aankomstverklaring hebben ontvangen overeenkomstig artikel 5 van de wet van 15 december 1980, tot wanneer zij gemachtigd worden tot een verblijf van meer dan drie maanden voor een beperkte duur in het kader van dezelfde maatregelen of tot wanneer een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten wordt betekend;
  3° aan de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden tot een verblijf van beperkte duur wanneer de mogelijkheid voor een machtiging tot verblijf voor onbepaalde duur uitdrukkelijk wordt voorzien door een wettelijke of reglementaire bepaling of een richtlijn van de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheden heeft of van diens gemachtigde, behalve als die verblijfsvergunning afgeleverd werd met het oog op de uitoefening van een zelfstandig beroep;
  4° aan de buitenlandse onderdanen die tot een verblijf gemachtigd werden in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980, voorzover de verlenging van de machtiging tot verblijf afhankelijk wordt gemaakt van tewerkstelling, behalve als het buitenlandse onderdanen betreft die een verblijfsvergunning toegekend kregen nadat een werkgever in België voor hen een aanvraag om arbeidsvergunning had ingediend;
  5° aan de buitenlandse onderdanen die het voorrecht inroepen van een recht op verblijf op grond van artikel 10 van de wet van 15 december 1980, gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf en gedurende de periode van onderzoek van de vraag om herziening ingediend tegen een eventuele beslissing tot weigering van het verblijf, behalve wanneer het gezinsleden betreft van buitenlandse onderdanen van wie het verblijf beperkt is tot de geldigheidsduur van een arbeidskaart of van een beroepskaart of van de uitoefening van een zelfstandig beroep of indien het buitenlandse onderdanen betreft bedoeld in artikel 2, eerste lid, 4°, behalve indien het onderdanen betreft van een land dat met België verbonden is door een overeenkomst gebaseerd op wederkerigheid, 6°, 7°, 12°, 14° 15° en 25°;
  6° aan de studenten die wettig in België verblijven en die in een onderwijsinrichting in België ingeschreven zijn voor het volgen van onderwijs met een volledig leerplan, voor arbeidsprestaties buiten de schoolvakanties, voor zover hun tewerkstelling twintig uren per week niet overschrijdt en deze verenigbaar is met hun studies;
  7° de echtgenoot van een onderdaan van de Europese Economische Ruimte, als die onderdaan van de Europese Economische Ruimte in België tewerkgesteld wordt sedert ten minste een jaar met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur;
  8° de echtgenoot en de kinderen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt van diplomaten en consuls, alsook de echtgenoot van andere titularissen van een bijzondere verblijfstitel indien zij onderdaan zijn van een land waarmee België verbonden is via een wederkerigheidsakkoord.
  Art. 18. De maximale duur van de arbeidskaart C bedraagt een jaar; zij kan worden hernieuwd. "
  " Afdeling 3 . - De arbeidskaart C.
  Art. 17. De arbeidskaart C wordt toegekend :
  1° aan de buitenlandse onderdanen die gemachtigd werden te verblijven in de hoedanigheid van ontvankelijk verklaarde kandidaat-vluchteling door de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheden heeft of diens gemachtigde, of, in geval van beroep, door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen, tot wanneer een beslissing wordt genomen inzake de gegrondheid van hun aanvraag tot erkenning als vluchteling door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen of, in geval van beroep, door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen;
  2° aan de buitenlandse onderdanen die, in het kader van de strijd tegen de mensenhandel, een aankomstverklaring hebben ontvangen overeenkomstig artikel 5 van de wet van 15 december 1980, tot wanneer zij gemachtigd worden tot een verblijf van meer dan drie maanden voor een beperkte duur in het kader van dezelfde maatregelen of tot wanneer een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten wordt betekend;
  3° aan de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden tot een verblijf van beperkte duur wanneer de mogelijkheid voor een machtiging tot verblijf voor onbepaalde duur uitdrukkelijk wordt voorzien door een wettelijke of reglementaire bepaling of een richtlijn van de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheden heeft of van diens gemachtigde, behalve als die verblijfsvergunning afgeleverd werd met het oog op de uitoefening van een zelfstandig beroep;
  4° aan de buitenlandse onderdanen die tot een verblijf gemachtigd werden in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980, voorzover de verlenging van de machtiging tot verblijf afhankelijk wordt gemaakt van tewerkstelling, behalve als het buitenlandse onderdanen betreft die een verblijfsvergunning toegekend kregen nadat een werkgever in België voor hen een aanvraag om arbeidsvergunning had ingediend;
  5° aan de buitenlandse onderdanen die het voorrecht inroepen van een recht op verblijf op grond van artikel 10 van de wet van 15 december 1980, gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf en gedurende de periode van onderzoek van de vraag om herziening ingediend tegen een eventuele beslissing tot weigering van het verblijf, behalve wanneer het gezinsleden betreft van buitenlandse onderdanen van wie het verblijf beperkt is tot de geldigheidsduur van een arbeidskaart of van een beroepskaart of van de uitoefening van een zelfstandig beroep of indien het buitenlandse onderdanen betreft bedoeld in artikel 2, eerste lid, 4°, behalve indien het onderdanen betreft van een land dat met België verbonden is door een overeenkomst gebaseerd op wederkerigheid, 6°, 7°, 12°, 14° 15° en 25°;
  6° aan de studenten die wettig in België verblijven en die in een onderwijsinrichting in België ingeschreven zijn voor het volgen van onderwijs met een volledig leerplan, voor arbeidsprestaties buiten de schoolvakanties, voor zover hun tewerkstelling twintig uren per week niet overschrijdt en deze verenigbaar is met hun studies;
  7° de echtgenoot van een onderdaan van de Europese Economische Ruimte, als die onderdaan van de Europese Economische Ruimte in België tewerkgesteld wordt sedert ten minste een jaar met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur;
  8° de echtgenoot en de kinderen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt van diplomaten en consuls, alsook de echtgenoot van andere titularissen van een bijzondere verblijfstitel indien zij onderdaan zijn van een land waarmee België verbonden is via een wederkerigheidsakkoord.
  Art. 18. De maximale duur van de arbeidskaart C bedraagt een jaar; zij kan worden hernieuwd. "
Art. 7. Il est insĂ©rĂ© dans le chapitre IV du mĂȘme arrĂȘtĂ©, une section 3, remplaçant les articles 17 et 18 actuels, rĂ©digĂ©e comme suit :
  " Section 3 . - Le permis de travail C.
  Art. 17. Le permis de travail C est accordé :
  1° aux ressortissants étrangers autorisés à séjourner en qualité de candidat réfugié recevable par le Ministre qui a l'accÚs au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers dans ses compétences ou son délégué, ou, en cas de recours, par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, jusqu'à ce qu'une décision soit prise quant au bien-fondé de leur demande de reconnaissance de la qualité de réfugié par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou, en cas de recours, par la Commission permanente de recours des réfugiés;
  2° aux ressortissants Ă©trangers qui, dans le cadre des mesures de lutte contre la traite des ĂȘtres humains, se sont vus dĂ©livrer une dĂ©claration d'arrivĂ©e conformĂ©ment Ă l'article 5 de la loi du 15 dĂ©cembre 1980, jusqu'Ă ce qu'ils soient autorisĂ©s au sĂ©jour de plus de trois mois pour une durĂ©e limitĂ©e dans le cadre des mĂȘme mesures ou se voient notifier un ordre de quitter le territoire exĂ©cutoire;
  3° aux ressortissants étrangers autorisés ou admis au séjour pour une durée limitée lorsque la possibilité d'une autorisation de séjour pour une durée indéterminée est expressément prévue par une disposition légale ou réglementaire ou une directive du Ministre qui a l'accÚs au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers dans ses compétences ou de son délégué, sauf si cette autorisation de séjour est délivrée en vue de l'exercice d'une activité professionnelle indépendante;
  4° aux ressortissants étrangers autorisés au séjour en application de l'article 9, alinéa 3, de la loi du 15 décembre 1980, pour autant que la prolongation de l'autorisation de séjour soit soumise à la condition d'occuper un emploi sauf s'il s'agit de ressortissants étrangers pour lesquels l'autorisation de séjour a été accordée aprÚs qu'un employeur en Belgique ait introduit pour eux une demande d'autorisation d'occupation;
  5° aux ressortissants étrangers invoquant le bénéfice d'un droit de séjour sur la base de l'article 10 de la loi du 15 décembre 1980, pendant la période d'examen de la demande de reconnaissance du droit de séjour et pendant la période d'examen de la demande en révision introduite contre la décision de refus de séjour éventuelle, sauf s'il s'agit de membres de la famille de ressortissants étrangers dont le séjour est limite à la durée de validité d'un permis de travail ou d'une carte professionnelle ou de l'exercice d'une activité indépendante ou s'il s'agit de ressortissants étrangers visés à l'article 2, alinéa 1er, 4°, sauf s'ils sont ressortissants d'un pays lié avec la Belgique par un accord de reciprocité, 6°, 7°, 12°, 14°, 15° et 25°;
  6° aux étudiants séjournant légalement en Belgique qui sont inscrits dans un établissement d'enseignement en Belgique pour suivre un enseignement de plein exercice, pour des prestations en dehors des vacances scolaires, pour autant que leur occupation n'excÚde pas vingt heures par semaine et qu'elle soit compatible avec leurs etudes;
  7° le conjoint d'un ressortissant de l'Espace économique européen, lorsque ce ressortissant de l'Espace économique européen travaille en Belgique depuis au moins un an dans les liens d'un contrat de travail à durée indéterminée;
  8° le conjoint et les enfants ùgés de moins de dix-huit ans des agents diplomatiques et consulaires, ainsi que le conjoint des autres titulaires d'un titre de séjour spécial s'ils sont ressortissants d'un pays lié avec la Belgique par un accord de réciprocité.
  Art. 18. Le permis C a une durĂ©e maximale d'une annĂ©e; il peut ĂȘtre renouvelĂ©. "
  " Section 3 . - Le permis de travail C.
  Art. 17. Le permis de travail C est accordé :
  1° aux ressortissants étrangers autorisés à séjourner en qualité de candidat réfugié recevable par le Ministre qui a l'accÚs au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers dans ses compétences ou son délégué, ou, en cas de recours, par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides, jusqu'à ce qu'une décision soit prise quant au bien-fondé de leur demande de reconnaissance de la qualité de réfugié par le Commissaire général aux réfugiés et aux apatrides ou, en cas de recours, par la Commission permanente de recours des réfugiés;
  2° aux ressortissants Ă©trangers qui, dans le cadre des mesures de lutte contre la traite des ĂȘtres humains, se sont vus dĂ©livrer une dĂ©claration d'arrivĂ©e conformĂ©ment Ă l'article 5 de la loi du 15 dĂ©cembre 1980, jusqu'Ă ce qu'ils soient autorisĂ©s au sĂ©jour de plus de trois mois pour une durĂ©e limitĂ©e dans le cadre des mĂȘme mesures ou se voient notifier un ordre de quitter le territoire exĂ©cutoire;
  3° aux ressortissants étrangers autorisés ou admis au séjour pour une durée limitée lorsque la possibilité d'une autorisation de séjour pour une durée indéterminée est expressément prévue par une disposition légale ou réglementaire ou une directive du Ministre qui a l'accÚs au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers dans ses compétences ou de son délégué, sauf si cette autorisation de séjour est délivrée en vue de l'exercice d'une activité professionnelle indépendante;
  4° aux ressortissants étrangers autorisés au séjour en application de l'article 9, alinéa 3, de la loi du 15 décembre 1980, pour autant que la prolongation de l'autorisation de séjour soit soumise à la condition d'occuper un emploi sauf s'il s'agit de ressortissants étrangers pour lesquels l'autorisation de séjour a été accordée aprÚs qu'un employeur en Belgique ait introduit pour eux une demande d'autorisation d'occupation;
  5° aux ressortissants étrangers invoquant le bénéfice d'un droit de séjour sur la base de l'article 10 de la loi du 15 décembre 1980, pendant la période d'examen de la demande de reconnaissance du droit de séjour et pendant la période d'examen de la demande en révision introduite contre la décision de refus de séjour éventuelle, sauf s'il s'agit de membres de la famille de ressortissants étrangers dont le séjour est limite à la durée de validité d'un permis de travail ou d'une carte professionnelle ou de l'exercice d'une activité indépendante ou s'il s'agit de ressortissants étrangers visés à l'article 2, alinéa 1er, 4°, sauf s'ils sont ressortissants d'un pays lié avec la Belgique par un accord de reciprocité, 6°, 7°, 12°, 14°, 15° et 25°;
  6° aux étudiants séjournant légalement en Belgique qui sont inscrits dans un établissement d'enseignement en Belgique pour suivre un enseignement de plein exercice, pour des prestations en dehors des vacances scolaires, pour autant que leur occupation n'excÚde pas vingt heures par semaine et qu'elle soit compatible avec leurs etudes;
  7° le conjoint d'un ressortissant de l'Espace économique européen, lorsque ce ressortissant de l'Espace économique européen travaille en Belgique depuis au moins un an dans les liens d'un contrat de travail à durée indéterminée;
  8° le conjoint et les enfants ùgés de moins de dix-huit ans des agents diplomatiques et consulaires, ainsi que le conjoint des autres titulaires d'un titre de séjour spécial s'ils sont ressortissants d'un pays lié avec la Belgique par un accord de réciprocité.
  Art. 18. Le permis C a une durĂ©e maximale d'une annĂ©e; il peut ĂȘtre renouvelĂ©. "
Art. 8. Artikel 32 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " Art. 32. De bepalingen van de artikelen 8 tot 11, 12, eerste lid, en 13 zijn van toepassing op de aanvragen om hernieuwing van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten.
  Wanneer de arbeidsvergunning of de arbeidskaart werden toegekend met toepassing van artikel 38, § 2, zijn echter de artikelen 8 en 10 niet van toepassing op de aanvragen om hernieuwing, behalve evenwel als het tegendeel uitdrukkelijk wordt vermeld door de bevoegde overheid. "
  " Art. 32. De bepalingen van de artikelen 8 tot 11, 12, eerste lid, en 13 zijn van toepassing op de aanvragen om hernieuwing van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten.
  Wanneer de arbeidsvergunning of de arbeidskaart werden toegekend met toepassing van artikel 38, § 2, zijn echter de artikelen 8 en 10 niet van toepassing op de aanvragen om hernieuwing, behalve evenwel als het tegendeel uitdrukkelijk wordt vermeld door de bevoegde overheid. "
Art. 8. L'article 32 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " Art. 32. Les dispositions des articles 8 à 11, 12, alinéa 1er, et 13 sont applicables aux demandes de renouvellement des autorisations d'occupation et des permis de travail.
  Toutefois, sauf si l'autorité compétente a fait mention expresse du contraire, lorsque l'autorisation d'occupation ou le permis de travail ont été attribués en application de l'article 38, § 2, les articles 8 et 10 ne sont pas applicables aux demandes de renouvellement. ".
  " Art. 32. Les dispositions des articles 8 à 11, 12, alinéa 1er, et 13 sont applicables aux demandes de renouvellement des autorisations d'occupation et des permis de travail.
  Toutefois, sauf si l'autorité compétente a fait mention expresse du contraire, lorsque l'autorisation d'occupation ou le permis de travail ont été attribués en application de l'article 38, § 2, les articles 8 et 10 ne sont pas applicables aux demandes de renouvellement. ".
Art. 9. Artikel 34 van hetzelfde besluit wordt aangevuld als volgt :
  " 7° op het ogenblik van de indiening van de aanvraag, de betrokken buitenlandse werknemer, wat zijn recht op of zijn machtiging tot verblijf betreft, het voorwerp is van een negatieve beslissing, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort. "
  " 7° op het ogenblik van de indiening van de aanvraag, de betrokken buitenlandse werknemer, wat zijn recht op of zijn machtiging tot verblijf betreft, het voorwerp is van een negatieve beslissing, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort. "
Art. 9. L'article 34 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est complĂ©tĂ© comme suit :
  " 7° lorsqu'au moment de l'introduction de la demande, le travailleur étranger concerné fait l'objet d'une décision négative, quant à son droit ou son autorisation de séjour, qui ne fait pas l'objet d'un recours suspensif ou n'a pas été suspendue par le juge. "
  " 7° lorsqu'au moment de l'introduction de la demande, le travailleur étranger concerné fait l'objet d'une décision négative, quant à son droit ou son autorisation de séjour, qui ne fait pas l'objet d'un recours suspensif ou n'a pas été suspendue par le juge. "
Art. 10. Artikel 35, § 2, 3°, van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " 3° een negatieve beslissing over het recht op of de machtiging tot verblijf van zijn titularis werd genomen, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort; ".
  " 3° een negatieve beslissing over het recht op of de machtiging tot verblijf van zijn titularis werd genomen, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort; ".
Art. 10. L'article 35, § 2, 3°, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, est remplacĂ© par la disposition suivante :
  " 3° lorsqu'une décision négative sur le droit ou l'autorisation de séjour de son titulaire, qui ne fait pas l'objet d'un recours suspensif ou n'a pas été suspendue par le juge, est intervenue; ".
  " 3° lorsqu'une décision négative sur le droit ou l'autorisation de séjour de son titulaire, qui ne fait pas l'objet d'un recours suspensif ou n'a pas été suspendue par le juge, est intervenue; ".
Art. 11. Hoofdstuk X van hetzelfde besluit, dat artikel 37 omvat, wordt opgeheven.
Art. 11. Le chapitre X du mĂȘme arrĂȘtĂ©, comprenant l'article 37, est abrogĂ©.
Art. 12. Dit besluit treedt in werking op 1 april 2003.
Art. 12. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er avril 2003.
Art. 13. Onze Minister van Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 6 februari 2003.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Werkgelegenheid,
  Mevr. L. ONKELINX.
  Gegeven te Brussel, 6 februari 2003.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Werkgelegenheid,
  Mevr. L. ONKELINX.
Art. 13. Notre Ministre de l'Emploi est chargĂ©e de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Donné à Bruxelles, le 6 février 2003.
  ALBERT
  Par le Roi :
  La Ministre de l'Emploi,
  Mme L. ONKELINX.
  Donné à Bruxelles, le 6 février 2003.
  ALBERT
  Par le Roi :
  La Ministre de l'Emploi,
  Mme L. ONKELINX.