Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
19 DECEMBER 2003. - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-12-2003 en tekstbijwerking tot 29-12-2023)
Titre
19 DECEMBRE 2003. - Décret contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2004. (Traduction). (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 31-12-2003 et mise à jour au 29-12-2023)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
HOOFDSTUK II. - Gezondheid.
HOOFDSTUK III. - Schade aan het wegdek wegens g...
HOOFDSTUK IV. - Toerisme Vlaanderen.
HOOFDSTUK V. - Gemeentefonds.
HOOFDSTUK VI. - Provinciefonds.
HOOFDSTUK VII. - Stedenfonds.
HOOFDSTUK VIII. - Stadsvernieuwingsprojecten.
HOOFDSTUK IX. - Sociaal-cultureel vormingswerk.
HOOFDSTUK X. - Literaire prijzen.
HOOFDSTUK XI. - Beeldende kunsten en musea.
HOOFDSTUK XII. - Universitaire onderwijsgebouwen.
HOOFDSTUK XIII. - Vererfpachting en eigendomsov...
HOOFDSTUK XIV. - Bodembeschermingsfonds.
HOOFDSTUK XV. - Bodemsanering.
HOOFDSTUK XVI. - Kringloopcentra.
HOOFDSTUK XVII. - Riviervisserij.
HOOFDSTUK XVIII. - Stookolietechnici.
HOOFDSTUK XIX. - Oppervlaktewater.
HOOFDSTUK XX. - Onroerende voorheffing.
HOOFDSTUK XXI. - Schenkingsrechten.
HOOFDSTUK XXII. - Successierechten.
HOOFDSTUK XXIII. - Leegstand van bedrijfsruimten.
HOOFDSTUK XXIV. - Economisch ondersteuningsbeleid.
HOOFDSTUK XXV. - VZW BAN Vlaanderen.
HOOFDSTUK XXVI. - Bedrijventerreinen.
HOOFDSTUK XXVII. - Opleidingscheques.
HOOFDSTUK XXVIII. - Infrastructuur niet-hoger o...
HOOFDSTUK XXIX. - Volwassenenonderwijs.
HOOFDSTUK XXX. - Hogescholen.
HOOFDSTUK XXXI. - Universiteiten en aanverwante...
HOOFDSTUK XXXII. - Nascholing.
HOOFDSTUK XXXIII. - Wijziging van het decreet v...
HOOFDSTUK XXXIV. - Woonrecht Doel.
HOOFDSTUK XXXV. - Domein van de wegen, de water...
HOOFDSTUK XXXVI. - Energiefonds.
HOOFDSTUK XXXVII. - Beroepsopleiding.
HOOFDSTUK XXXVIII. - Slotbepalingen.
Inhoud
CHAPITRE Ier. - Généralités.
CHAPITRE II. - Santé.
CHAPITRE III. - Dégâts aux revêtements de route...
CHAPITRE IV. - " Toerisme Vlaanderen ".
CHAPITRE V. - Fonds flamand des Communes.
CHAPITRE VI. - Fonds flamand des Provinces.
CHAPITRE VII. - " Stedenfonds " (Fonds flamand ...
CHAPITRE VIII. - Projets de rénovation urbaine.
CHAPITRE IX. - Animation socioculturelle.
CHAPITRE X. - Prix littéraires.
CHAPITRE XI. - Arts plastiques et musées.
CHAPITRE XII. - Bâtiments universitaires destin...
CHAPITRE XIII. - Emphytéose et transmission de ...
CHAPITRE XIV. - Fonds de Protection du Sol.
CHAPITRE XV. - Assainissement du sol.
CHAPITRE XVI. - Centres de récupération.
CHAPITRE XVII. - Pêche fluviale.
CHAPITRE XVIII. - Techniciens en mazout.
CHAPITRE XIX. - Eaux de surface.
CHAPITRE XX. - Précompte immobilier.
CHAPITRE XXI. - Droits de donation.
CHAPITRE XXII. - Droits de succession.
CHAPITRE XXIII. - Désaffectation de sites d'act...
CHAPITRE XXIV. - Politique d'aide économique.
CHAPITRE XXV. - " VZW BAN Vlaanderen ".
CHAPITRE XXVI. - Zones d'activité économique.
CHAPITRE XXVII. - Chèques-formation.
CHAPITRE XXVIII. - Infrastructure enseignement ...
CHAPITRE XXIX. - Education des adultes.
CHAPITRE XXX. - Instituts supérieurs.
CHAPITRE XXXI. - Universités et institutions co...
CHAPITRE XXXII. - Formation continuée.
CHAPITRE XXXIII. - Modification du décret du 23...
CHAPITRE XXXIV. - " Woonrecht Doel " (Droit à l...
CHAPITRE XXXV. - Domaine public des routes, des...
CHAPITRE XXXVI. - Fonds de l'Energie.
CHAPITRE XXXVII. - Formation professionnelle.
CHAPITRE XXXVIII. - Dispositions finales.
Tekst (141)
Texte (141)
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
CHAPITRE Ier. - Généralités.
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
Article 1. Le présent décret règle une matière communautaire et régionale.
HOOFDSTUK II. - Gezondheid.
CHAPITRE II. - Santé.
Art. 2. Artikel 2 van het decreet van 7 juli 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1998 wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 2.
§ 1. Het Fonds voor verwerking en analyse van gezondheidsindicatoren ten behoeve van derden en de uitvoering van het protocolakkoord van 20 maart 2003 gesloten tussen de Federale Overheid en de Overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet betreffende de harmonisering van het vaccinatiebeleid en het aanhangsel bij het protocolakkoord van 20 maart 2003, over de harmonisering van het vaccinatiebeleid inzake het netwerk voor de distributie van vaccins en inzake het akkoord gesloten tussen de Gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, wordt opgericht, hierna het Fonds te noemen. Het Fonds is een begrotingsfonds als bedoeld in artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit.
§ 2. Het Fonds wordt gespijsd met de middelen die in uitvoering van een overeenkomst tussen de Vlaamse Gemeenschap en derden worden betaald voor contractonderzoek dat door de administratie Gezondheidszorg wordt uitgevoerd, door de verkoop van publicaties en door de inkomsten in uitvoering van het protocolakkoord bedoeld in § 1.
§ 3. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven van de administratie Gezondheidszorg aangerekend, zowel voor personeel, als voor werking of uitrusting, voorzover deze uitgaven verband houden met onderzoek dat door derden wordt betaald, betrekking hebben op het centraal beheer van het informatiesysteem, op de kosten gegenereerd door de uitvoering van het protocolakkoord van 20 maart 2003 gesloten tussen de Federale Overheid en de Overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet betreffende de harmonisering van het vaccinatiebeleid en het aanhangsel bij het protocolakkoord van 20 maart 2003, over de harmonisering van het vaccinatiebeleid inzake het netwerk voor de distributie van vaccins en inzake het akkoord gesloten tussen de Gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad of op het preventief gezondheidsbeleid.
§ 4. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het Fonds. ".
" Artikel 2.
§ 1. Het Fonds voor verwerking en analyse van gezondheidsindicatoren ten behoeve van derden en de uitvoering van het protocolakkoord van 20 maart 2003 gesloten tussen de Federale Overheid en de Overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet betreffende de harmonisering van het vaccinatiebeleid en het aanhangsel bij het protocolakkoord van 20 maart 2003, over de harmonisering van het vaccinatiebeleid inzake het netwerk voor de distributie van vaccins en inzake het akkoord gesloten tussen de Gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, wordt opgericht, hierna het Fonds te noemen. Het Fonds is een begrotingsfonds als bedoeld in artikel 45 van de gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit.
§ 2. Het Fonds wordt gespijsd met de middelen die in uitvoering van een overeenkomst tussen de Vlaamse Gemeenschap en derden worden betaald voor contractonderzoek dat door de administratie Gezondheidszorg wordt uitgevoerd, door de verkoop van publicaties en door de inkomsten in uitvoering van het protocolakkoord bedoeld in § 1.
§ 3. Ten laste van dit Fonds worden alle soorten uitgaven van de administratie Gezondheidszorg aangerekend, zowel voor personeel, als voor werking of uitrusting, voorzover deze uitgaven verband houden met onderzoek dat door derden wordt betaald, betrekking hebben op het centraal beheer van het informatiesysteem, op de kosten gegenereerd door de uitvoering van het protocolakkoord van 20 maart 2003 gesloten tussen de Federale Overheid en de Overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet betreffende de harmonisering van het vaccinatiebeleid en het aanhangsel bij het protocolakkoord van 20 maart 2003, over de harmonisering van het vaccinatiebeleid inzake het netwerk voor de distributie van vaccins en inzake het akkoord gesloten tussen de Gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad of op het preventief gezondheidsbeleid.
§ 4. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het Fonds. ".
Art. 2. L'article 2 du décret du 7 juillet 1998 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 1998, est remplacé par ce qui suit :
" Article 2.
§ 1er. Il est créé un Fonds de traitement et d'analyse des indices de santé à l'usage de tiers et d'exécution du protocole d'accord conclu le 20 mars 2003 entre l'Autorité fédérale et les Autorités visées aux articles 128, 130 et 135 de la Constitution en ce qui concerne l'harmonisation de la politique de vaccination et de l'avenant au protocole d'accord du 20 mars 2003 sur l'harmonisation de la politique de vaccination relatif au réseau de distribution des vaccins et relatif à l'accord conclu entre les Communautés et la Commission communautaire commune de la Région bilingue de Bruxelles-Capitale, dénommé ci-après le Fonds. Le Fonds est un fonds budgétaire tel que visé à l'article 45 des lois coordonnées sur la Comptabilité de l'Etat.
§ 2. Le Fonds est alimenté par les ressources acquises en application d'une convention conclue entre la Communauté flamande et des tiers pour des recherches contractuelles effectuées par l'Administration de la Santé, ou par la vente de publications et par les recettes en exécution du protocole d'accord visé au § 1er.
§ 3. Sont imputées sur le Fonds, les dépenses de toute nature de l'Administration de la Santé, à savoir les frais tant de personnel que de fonctionnement et d'équipement, dans la mesure où elles ont trait aux recherches rémunérées par des tiers, ou à la gestion centrale du système informatique, aux frais exposés en exécution du protocole d'accord conclu le 20 mars 2003 entre l'Autorité fédérale et les Autorités visées aux articles 128, 130 et 135 de la Constitution en ce qui concerne l'harmonisation de la politique de vaccination et de l'avenant au protocole d'accord du 20 mars 2003 sur l'harmonisation de la politique de vaccination relatif au réseau de distribution des vaccins et relatif à l'accord conclu entre les Communautés et la Commission communautaire commune de la Région bilingue de Bruxelles-Capitale ou à la politique de santé préventive.
§ 4. L'agent comptable ayant perçu les recettes dispose directement des crédits du Fonds. "
" Article 2.
§ 1er. Il est créé un Fonds de traitement et d'analyse des indices de santé à l'usage de tiers et d'exécution du protocole d'accord conclu le 20 mars 2003 entre l'Autorité fédérale et les Autorités visées aux articles 128, 130 et 135 de la Constitution en ce qui concerne l'harmonisation de la politique de vaccination et de l'avenant au protocole d'accord du 20 mars 2003 sur l'harmonisation de la politique de vaccination relatif au réseau de distribution des vaccins et relatif à l'accord conclu entre les Communautés et la Commission communautaire commune de la Région bilingue de Bruxelles-Capitale, dénommé ci-après le Fonds. Le Fonds est un fonds budgétaire tel que visé à l'article 45 des lois coordonnées sur la Comptabilité de l'Etat.
§ 2. Le Fonds est alimenté par les ressources acquises en application d'une convention conclue entre la Communauté flamande et des tiers pour des recherches contractuelles effectuées par l'Administration de la Santé, ou par la vente de publications et par les recettes en exécution du protocole d'accord visé au § 1er.
§ 3. Sont imputées sur le Fonds, les dépenses de toute nature de l'Administration de la Santé, à savoir les frais tant de personnel que de fonctionnement et d'équipement, dans la mesure où elles ont trait aux recherches rémunérées par des tiers, ou à la gestion centrale du système informatique, aux frais exposés en exécution du protocole d'accord conclu le 20 mars 2003 entre l'Autorité fédérale et les Autorités visées aux articles 128, 130 et 135 de la Constitution en ce qui concerne l'harmonisation de la politique de vaccination et de l'avenant au protocole d'accord du 20 mars 2003 sur l'harmonisation de la politique de vaccination relatif au réseau de distribution des vaccins et relatif à l'accord conclu entre les Communautés et la Commission communautaire commune de la Région bilingue de Bruxelles-Capitale ou à la politique de santé préventive.
§ 4. L'agent comptable ayant perçu les recettes dispose directement des crédits du Fonds. "
HOOFDSTUK III. - Schade aan het wegdek wegens gewichtsoverschrijding.
CHAPITRE III. - Dégâts aux revêtements de routes suite aux excès de poids.
Art. 3. In artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999, gewijzigd bij het decreet van 22 december 1999 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2000, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
" Het is verboden het wegdek te beschadigen door een overschrijding van de maximale toegelaten massa's of de massa's onder de assen zoals bepaald in de artikelen 18, §§ 1, 2 of 32bis, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen. "
" Het is verboden het wegdek te beschadigen door een overschrijding van de maximale toegelaten massa's of de massa's onder de assen zoals bepaald in de artikelen 18, §§ 1, 2 of 32bis, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen. "
Art. 3. Dans l'article 56 du décret du 19 décembre 1998 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1999, modifié par le décret du 22 décembre 1999 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2000, l'alinéa premier est remplacé par ce qui suit :
" Il est interdit de causer des dégâts au revêtement routier en excédant les poids maximums autorisés ou les poids sous les essieux maximums autorisés comme prévus par les articles 18, §§ 1er, 2 ou 32bis de l'arrêté royal du 15 mars 1968 portant règlement général sur les conditions techniques auxquelles doivent répondre les véhicules automobiles, leurs remorques, pièces et dispositifs de sécurité. "
" Il est interdit de causer des dégâts au revêtement routier en excédant les poids maximums autorisés ou les poids sous les essieux maximums autorisés comme prévus par les articles 18, §§ 1er, 2 ou 32bis de l'arrêté royal du 15 mars 1968 portant règlement général sur les conditions techniques auxquelles doivent répondre les véhicules automobiles, leurs remorques, pièces et dispositifs de sécurité. "
HOOFDSTUK IV. - Toerisme Vlaanderen.
CHAPITRE IV. - " Toerisme Vlaanderen ".
Art. 4. Binnen de perken van de begrotingskredieten kunnen, in het kader van toeristische tewerkstelling, personeels- en werkingssubsidies verleend worden aan verenigingen.
De personeelsleden van Toerisme Vlaanderen zijn bevoegd ter plaatse of op stukken de aanvragen te onderzoeken, de naleving van de voorwaarden en de aanwending van de subsidies te controleren. De in het eerste lid bedoelde verenigingen zijn er toe gehouden op eenvoudig verzoek van Toerisme Vlaanderen alle nodige informatie te verstrekken die verband houdt met dit toezicht.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure voor de toekenning van de subsidies.
De personeelsleden van Toerisme Vlaanderen zijn bevoegd ter plaatse of op stukken de aanvragen te onderzoeken, de naleving van de voorwaarden en de aanwending van de subsidies te controleren. De in het eerste lid bedoelde verenigingen zijn er toe gehouden op eenvoudig verzoek van Toerisme Vlaanderen alle nodige informatie te verstrekken die verband houdt met dit toezicht.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure voor de toekenning van de subsidies.
Art. 4. Dans les limites des crédits budgétaires, des subventions de personnel et de fonctionnement peuvent être octroyées à des associations dans le cadre de l'emploi dans le secteur touristique.
Les membres du personnel de " Toerisme Vlaanderen " sont compétents pour contrôler sur place ou sur pièces les demandes, l'observation des conditions de subventionnement et l'utilisation de ces subventions. Les associations visées au premier alinéa sont tenues de fournir, sur simple demande, toute information utile relative à ce contrôle.
Le Gouvernement flamand fixe les conditions et la procédure d'octroi de ces subventions.
Les membres du personnel de " Toerisme Vlaanderen " sont compétents pour contrôler sur place ou sur pièces les demandes, l'observation des conditions de subventionnement et l'utilisation de ces subventions. Les associations visées au premier alinéa sont tenues de fournir, sur simple demande, toute information utile relative à ce contrôle.
Le Gouvernement flamand fixe les conditions et la procédure d'octroi de ces subventions.
HOOFDSTUK V. - Gemeentefonds.
CHAPITRE V. - Fonds flamand des Communes.
Art. 5. Aan artikel 22 van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds wordt een § 8 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 8. In afwijking van artikel 3, § 2, bedraagt het evolutiepercentage voor 2004 : 3,26 %. "
" § 8. In afwijking van artikel 3, § 2, bedraagt het evolutiepercentage voor 2004 : 3,26 %. "
Art. 5. A l'article 22 du décret du 5 juillet 2002 réglant la dotation et la répartition du Fonds flamand des Communes, il est ajouté un § 8, rédigé comme suit :
" § 8. Par dérogation à l'article 3, § 2, le pourcentage d'évolution s'élève pour 2004 à 3,26 %. "
" § 8. Par dérogation à l'article 3, § 2, le pourcentage d'évolution s'élève pour 2004 à 3,26 %. "
HOOFDSTUK VI. - Provinciefonds.
CHAPITRE VI. - Fonds flamand des Provinces.
Art. 6. In het decreet van 29 april 1991 betreffende het Vlaams Provinciefonds wordt voor artikel 14, dat artikel 14bis wordt, een nieuw artikel 14 ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 14.
Het vierde kwartaaloverschot wordt, in afwijking van artikel 9, in 2004 berekend op de dotatie van het voorgaande jaar, verminderd met 9 973 000 euro. In 2005 bedraagt de vermindering 7 978 400 euro, in 2006, 5 983 800 euro; in 2007, 3 989 200 euro en in 2008, 1 994 600 euro. Het saldo wordt samen met het eerste kwartaalvoorschot van het volgende jaar uitbetaald. "
" Artikel 14.
Het vierde kwartaaloverschot wordt, in afwijking van artikel 9, in 2004 berekend op de dotatie van het voorgaande jaar, verminderd met 9 973 000 euro. In 2005 bedraagt de vermindering 7 978 400 euro, in 2006, 5 983 800 euro; in 2007, 3 989 200 euro en in 2008, 1 994 600 euro. Het saldo wordt samen met het eerste kwartaalvoorschot van het volgende jaar uitbetaald. "
Art. 6. Au décret du 29 avril 1991 relatif au Fonds flamand des Provinces, il est inséré avant l'article 14, qui devient l'article 14bis, un nouvel article 14, rédigé comme suit :
" Article 14.
Par dérogation à l'article 9, le quatrième surplus trimestriel est calculé en 2004 sur la base de la dotation de l'année précédente, diminué de 9 973 000 euros. En 2005, la diminution s'élève à 7 978 400 euros, en 2006 à 5 983 800 euros, en 2007 à 3 989 200 euros et en 2008 à 1 994 600 euros. Le solde est payé conjointement avec la première avance trimestrielle de l'année suivante. "
" Article 14.
Par dérogation à l'article 9, le quatrième surplus trimestriel est calculé en 2004 sur la base de la dotation de l'année précédente, diminué de 9 973 000 euros. En 2005, la diminution s'élève à 7 978 400 euros, en 2006 à 5 983 800 euros, en 2007 à 3 989 200 euros et en 2008 à 1 994 600 euros. Le solde est payé conjointement avec la première avance trimestrielle de l'année suivante. "
HOOFDSTUK VII. - Stedenfonds.
CHAPITRE VII. - " Stedenfonds " (Fonds flamand des Villes).
Art. 7. In het decreet van 13 december 2002 tot vaststelling van de regels inzake de werking en de verdeling van het Vlaams Stedenfonds wordt artikel 14 vervangen door wat volgt :
" Artikel 14.
De Vlaamse regering betaalt voor het einde van de maanden april, augustus en december telkens een derde van het trekkingsrecht, waarvoor ze haar toestemming tot gebruik ter uitvoering van de beleidsovereenkomst heeft verleend aan de stad of de VGC. "
" Artikel 14.
De Vlaamse regering betaalt voor het einde van de maanden april, augustus en december telkens een derde van het trekkingsrecht, waarvoor ze haar toestemming tot gebruik ter uitvoering van de beleidsovereenkomst heeft verleend aan de stad of de VGC. "
Art. 7. Dans le décret du 13 décembre 2002 réglant le fonctionnement et la répartition du " Vlaams Stedenfonds " (Fonds flamand des Villes), l'article 14 est remplacé par ce qui suit :
" Article 14.
Le Gouvernement flamand paie à la ville ou à la VGC, avant la fin des mois d'avril, d'août et de décembre, chaque fois un tiers du droit de tirage pour lequel il a autorisé l'affectation en exécution du contrat de gestion. "
" Article 14.
Le Gouvernement flamand paie à la ville ou à la VGC, avant la fin des mois d'avril, d'août et de décembre, chaque fois un tiers du droit de tirage pour lequel il a autorisé l'affectation en exécution du contrat de gestion. "
HOOFDSTUK VIII. - Stadsvernieuwingsprojecten.
CHAPITRE VIII. - Projets de rénovation urbaine.
Art. 8. In het decreet van 22 maart 2002 houdende de ondersteuning van stadsvernieuwingsprojecten wordt artikel 2 vervangen door wat volgt :
" Artikel 2.
Ten laste van het Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven kunnen uitgaven voor stadsvernieuwing worden aangerekend ten bedrage van 37,289 miljoen euro. "
" Artikel 2.
Ten laste van het Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven kunnen uitgaven voor stadsvernieuwing worden aangerekend ten bedrage van 37,289 miljoen euro. "
Art. 8. Dans le décret du 22 mars 2002 portant aide aux projets de rénovation urbaine, l'article 2 est remplacé par ce qui suit :
" Article 2.
Des dépenses pour la rénovation urbaine à concurrence de 37,289 millions d'euros peuvent être imputées à charge du Fonds de Financement pour la Suppression des Dettes et les Dépenses uniques d'Investissement. "
" Article 2.
Des dépenses pour la rénovation urbaine à concurrence de 37,289 millions d'euros peuvent être imputées à charge du Fonds de Financement pour la Suppression des Dettes et les Dépenses uniques d'Investissement. "
HOOFDSTUK IX. - Sociaal-cultureel vormingswerk.
CHAPITRE IX. - Animation socioculturelle.
Art. 9. In artikel 59 van het decreet van 4 april 2003 betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk wordt 4° opgeheven.
Art. 9. A l'article 59 du décret du 4 avril 2003 relatif à l'animation socioculturelle des adultes, le point 4° est abrogé.
Art. 10. In hetzelfde decreet wordt een artikel 59bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 59bis.
§ 1. De sociaal-culturele vormingsinstelling die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet erkend en gesubsidieerd was krachtens het decreet van 19 april 1995 houdende een subsidieregeling voor instellingen voor volksontwikkelingswerk en die op basis van artikel 58, § 5, niet of slechts gedeeltelijk door de Vlaamse regering wordt aanvaard voor een gespecialiseerde werking, kan voor haar personeelsleden, die op 1 januari 2003 voor subsidiëring in aanmerking kwamen en die gelet op de toepassing van het decreet van 4 april 2003 niet langer in aanmerking komen voor subsidiëring, aan de administratie vóór 15 januari 2004 een lijst overmaken waarin zij per personeelslid de wens aangeeft om hetzij tewerkgesteld te worden in een volkshogeschool of in een bibliotheekvoorziening voor blinden en slechtzienden, hetzij tewerkgesteld te worden in een andere sector in het sociaal-cultureel volwassenenwerk of de sector van de amateurkunsten.
§ 2. Voor de personeelsleden die wensen tewerkgesteld te worden in een volkshogeschool wordt tevens een lijst aan de administratie overgemaakt met hierin de drie volkshogescholen in de gewenste volgorde.
§ 3. Voor de personeelsleden die opteren om elders dan in een volkshogeschool tewerkgesteld te worden, moet tevens worden aangegeven welke sector en zo mogelijk welke organisatie hun hoofdvoorkeur geniet : hetzij een blindenbibliotheek, hetzij een sociaal-culturele vereniging, hetzij een syndicale vormingsinstelling, hetzij een gespecialiseerde vormingsinstelling, hetzij een vormingsinstelling voor bijzondere doelgroepen, hetzij het steunpunt voor het sociaal-cultureel volwassenenwerk, hetzij een gesubsidieerde organisatie uit de amateurkunsten.
§ 4. De personeelsleden, vermeld in § 3, kunnen in tweede orde ook nog in aanmerking komen om tewerkgesteld te worden in een volkshogeschool indien zij deze optie op de lijst ook kenbaar maken.
§ 5. De vormingsinstellingen, bedoeld in § 1, kunnen een subsidie krijgen voor de financiering van een ontslagregeling voor de personeelsleden die geen hertewerkstelling, zoals in dit artikel bedoeld, willen en die vóór 15 januari 2004 door deze vormingsinstellingen zijn ontslagen.
§ 6. De subsidiëring, bedoeld in § 5, wordt enerzijds beperkt tot een maximale subsidie van 12 maanden die eindigt op 31 december 2004 en gebaseerd is op de subsidiebedragen die verbonden waren aan hun personeelsfunctie in het raam van het decreet van 19 april 1995, en anderzijds door het aantal dienstjaren dat de begunstigde in de vormingsinstelling werkzaam was, gebaseerd op het principe van 3 maanden vergoeding per 5 jaar dienst.
§ 7. De organisaties, bedoeld in § 3, kunnen vóór 15 januari 2004 bij de administratie een aanvraag indienen waarin zij te kennen geven personeelsleden wensen aan te werven die geopteerd hebben voor een hertewerkstelling, zoals in dit artikel bedoeld, en dit voor maximum twee personeelsleden gesubsidieerd op basis van de subsidiebedragen die verbonden waren aan hun personeelsfunctie in het raam van het decreet van 19 april 1995.
§ 8. De personeelsleden die reeds een keuze hebben gemaakt op basis van artikel 58, § 6, kunnen vóór 15 januari 2004 bij de administratie een voorstel indienen om alsnog tewerkgesteld te worden zoals voorzien in § 3.
§ 9. De personeelsleden die gebruik hebben gemaakt van de in dit artikel bepaalde aanvullende maatregelen worden, tot zolang ze een nieuwe arbeidsovereenkomst hebben afgesloten, gesubsidieerd in de vormingsinstelling waarin zij op het ogenblik van de overdracht tewerkgesteld waren en dit tot uiterlijk 30 juni 2004.
§ 10. Voor de personeelsleden, bedoeld in § 1 en die geen gebruik hebben gemaakt van de in dit artikel bepaalde aanvullende maatregelen, worden aan de vormingsinstellingen waarin zij zijn tewerkgesteld, vanaf 1 februari 2004 geen subsidies meer uitgekeerd. "
" Artikel 59bis.
§ 1. De sociaal-culturele vormingsinstelling die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet erkend en gesubsidieerd was krachtens het decreet van 19 april 1995 houdende een subsidieregeling voor instellingen voor volksontwikkelingswerk en die op basis van artikel 58, § 5, niet of slechts gedeeltelijk door de Vlaamse regering wordt aanvaard voor een gespecialiseerde werking, kan voor haar personeelsleden, die op 1 januari 2003 voor subsidiëring in aanmerking kwamen en die gelet op de toepassing van het decreet van 4 april 2003 niet langer in aanmerking komen voor subsidiëring, aan de administratie vóór 15 januari 2004 een lijst overmaken waarin zij per personeelslid de wens aangeeft om hetzij tewerkgesteld te worden in een volkshogeschool of in een bibliotheekvoorziening voor blinden en slechtzienden, hetzij tewerkgesteld te worden in een andere sector in het sociaal-cultureel volwassenenwerk of de sector van de amateurkunsten.
§ 2. Voor de personeelsleden die wensen tewerkgesteld te worden in een volkshogeschool wordt tevens een lijst aan de administratie overgemaakt met hierin de drie volkshogescholen in de gewenste volgorde.
§ 3. Voor de personeelsleden die opteren om elders dan in een volkshogeschool tewerkgesteld te worden, moet tevens worden aangegeven welke sector en zo mogelijk welke organisatie hun hoofdvoorkeur geniet : hetzij een blindenbibliotheek, hetzij een sociaal-culturele vereniging, hetzij een syndicale vormingsinstelling, hetzij een gespecialiseerde vormingsinstelling, hetzij een vormingsinstelling voor bijzondere doelgroepen, hetzij het steunpunt voor het sociaal-cultureel volwassenenwerk, hetzij een gesubsidieerde organisatie uit de amateurkunsten.
§ 4. De personeelsleden, vermeld in § 3, kunnen in tweede orde ook nog in aanmerking komen om tewerkgesteld te worden in een volkshogeschool indien zij deze optie op de lijst ook kenbaar maken.
§ 5. De vormingsinstellingen, bedoeld in § 1, kunnen een subsidie krijgen voor de financiering van een ontslagregeling voor de personeelsleden die geen hertewerkstelling, zoals in dit artikel bedoeld, willen en die vóór 15 januari 2004 door deze vormingsinstellingen zijn ontslagen.
§ 6. De subsidiëring, bedoeld in § 5, wordt enerzijds beperkt tot een maximale subsidie van 12 maanden die eindigt op 31 december 2004 en gebaseerd is op de subsidiebedragen die verbonden waren aan hun personeelsfunctie in het raam van het decreet van 19 april 1995, en anderzijds door het aantal dienstjaren dat de begunstigde in de vormingsinstelling werkzaam was, gebaseerd op het principe van 3 maanden vergoeding per 5 jaar dienst.
§ 7. De organisaties, bedoeld in § 3, kunnen vóór 15 januari 2004 bij de administratie een aanvraag indienen waarin zij te kennen geven personeelsleden wensen aan te werven die geopteerd hebben voor een hertewerkstelling, zoals in dit artikel bedoeld, en dit voor maximum twee personeelsleden gesubsidieerd op basis van de subsidiebedragen die verbonden waren aan hun personeelsfunctie in het raam van het decreet van 19 april 1995.
§ 8. De personeelsleden die reeds een keuze hebben gemaakt op basis van artikel 58, § 6, kunnen vóór 15 januari 2004 bij de administratie een voorstel indienen om alsnog tewerkgesteld te worden zoals voorzien in § 3.
§ 9. De personeelsleden die gebruik hebben gemaakt van de in dit artikel bepaalde aanvullende maatregelen worden, tot zolang ze een nieuwe arbeidsovereenkomst hebben afgesloten, gesubsidieerd in de vormingsinstelling waarin zij op het ogenblik van de overdracht tewerkgesteld waren en dit tot uiterlijk 30 juni 2004.
§ 10. Voor de personeelsleden, bedoeld in § 1 en die geen gebruik hebben gemaakt van de in dit artikel bepaalde aanvullende maatregelen, worden aan de vormingsinstellingen waarin zij zijn tewerkgesteld, vanaf 1 februari 2004 geen subsidies meer uitgekeerd. "
Art. 10. Dans le même décret, il est inséré un article 59bis, rédigé comme suit :
" Article 59bis.
§ 1er. L'institution de formation socioculturelle qui était agréée et subventionnée en vertu du décret du 19 avril 1995 réglant l'octroi de subventions aux institutions d'éducation populaire au moment de l'entrée en vigueur du présent décret et qui n'est pas ou qu'en partie acceptée par le Gouvernement flamand pour ses activités spécialisées, peut, pour ses membres du personnel qui étaient admis aux subventions le 1er janvier 2003 et qui ne le sont plus en application du décret du 4 avril 2003, faire parvenir à l'administration, avant le 15 janvier 2004, une liste dans laquelle elle précise pour chaque membre du personnel l'emploi souhaité soit dans une université populaire ou dans un service de bibliothèque pour aveugles et malvoyants, soit dans un autre secteur de l'animation socioculturelle des adultes ou dans le secteur des arts amateurs.
§ 2. Pour les membres du personnel souhaitant être employés dans une université populaire, une liste est également transmise à l'administration mentionnant les trois universités populaires selon l'ordre souhaité.
§ 3. Pour les membres du personnel optant pour un emploi ailleurs que dans une université populaire, il y a lieu d'indiquer le secteur et si possible l'organisation de leur préférence : soit une bibliothèque pour aveugles, soit une association socioculturelle, soit une institution de formation syndicale, soit une institution de formation spécialisée, soit une institution de formation pour groupes cibles spécifiques, soit le point d'appui pour l'animation socioculturelle des adultes, soit une organisation subventionnée dans le domaine des arts amateurs.
§ 4. Les membres du personnel visés au § 3 sont subsidiairement également éligibles à un emploi dans une université populaire s'ils expriment cette option dans la liste.
§ 5. Les institutions de formation, visées au § 1er, peuvent recevoir une subvention couvrant le financement d'un régime de licenciement pour les membres du personnel ne souhaitant aucun réemploi tel que visé au présent article et étant licenciés par ces institutions de formation avant le 15 janvier 2004.
§ 6. Le subventionnement visé au § 5 est limité d'une part à un maximum de 12 mois, se terminant le 31 décembre 2004 et basé sur les subventions rattachées à leur fonction dans le cadre du décret du 19 avril 1995, et d'autre part par le nombre d'années de service durant lesquelles le bénéficiaire a été actif dans l'institution de formation, basé sur le principe de 3 mois d'indemnité pour chaque 5 ans de service.
§ 7. Les organisations visées au § 3 peuvent introduire, avant le 15 janvier 2004, une demande auprès de l'administration dans laquelle elles expriment le souhait de recruter des membres du personnel ayant opté pour un réemploi, tel que visé dans le présent article, et ce pour au maximum deux membres du personnel subventionnés sur la base des montants rattachés à leur fonction dans le cadre du décret du 19 avril 1995.
§ 8. Les membres du personnel ayant déjà fait un choix sur la base de l'article 58, § 6, peuvent introduire, avant le 15 janvier 2004, une proposition auprès de l'administration visant le régime d'emploi, tel que prévu au § 3.
§ 9. Les membres du personnel profitant des mesures complémentaires visées au présent article, sont subventionnés, tant qu'ils ont conclu un nouveau contrat de travail, dans l'institution de formation dans laquelle ils étaient actifs au moment du transfert et ce jusqu'au 30 juin 2004 au plus tard.
§ 10. Quant aux membres du personnel visés au § 1er, n'ayant pas profité des mesures complémentaires visées au présent article, à partir du 1er février 2004 les subventions ne sont plus attribuées aux institutions de formation dans lesquelles ils sont actifs. "
" Article 59bis.
§ 1er. L'institution de formation socioculturelle qui était agréée et subventionnée en vertu du décret du 19 avril 1995 réglant l'octroi de subventions aux institutions d'éducation populaire au moment de l'entrée en vigueur du présent décret et qui n'est pas ou qu'en partie acceptée par le Gouvernement flamand pour ses activités spécialisées, peut, pour ses membres du personnel qui étaient admis aux subventions le 1er janvier 2003 et qui ne le sont plus en application du décret du 4 avril 2003, faire parvenir à l'administration, avant le 15 janvier 2004, une liste dans laquelle elle précise pour chaque membre du personnel l'emploi souhaité soit dans une université populaire ou dans un service de bibliothèque pour aveugles et malvoyants, soit dans un autre secteur de l'animation socioculturelle des adultes ou dans le secteur des arts amateurs.
§ 2. Pour les membres du personnel souhaitant être employés dans une université populaire, une liste est également transmise à l'administration mentionnant les trois universités populaires selon l'ordre souhaité.
§ 3. Pour les membres du personnel optant pour un emploi ailleurs que dans une université populaire, il y a lieu d'indiquer le secteur et si possible l'organisation de leur préférence : soit une bibliothèque pour aveugles, soit une association socioculturelle, soit une institution de formation syndicale, soit une institution de formation spécialisée, soit une institution de formation pour groupes cibles spécifiques, soit le point d'appui pour l'animation socioculturelle des adultes, soit une organisation subventionnée dans le domaine des arts amateurs.
§ 4. Les membres du personnel visés au § 3 sont subsidiairement également éligibles à un emploi dans une université populaire s'ils expriment cette option dans la liste.
§ 5. Les institutions de formation, visées au § 1er, peuvent recevoir une subvention couvrant le financement d'un régime de licenciement pour les membres du personnel ne souhaitant aucun réemploi tel que visé au présent article et étant licenciés par ces institutions de formation avant le 15 janvier 2004.
§ 6. Le subventionnement visé au § 5 est limité d'une part à un maximum de 12 mois, se terminant le 31 décembre 2004 et basé sur les subventions rattachées à leur fonction dans le cadre du décret du 19 avril 1995, et d'autre part par le nombre d'années de service durant lesquelles le bénéficiaire a été actif dans l'institution de formation, basé sur le principe de 3 mois d'indemnité pour chaque 5 ans de service.
§ 7. Les organisations visées au § 3 peuvent introduire, avant le 15 janvier 2004, une demande auprès de l'administration dans laquelle elles expriment le souhait de recruter des membres du personnel ayant opté pour un réemploi, tel que visé dans le présent article, et ce pour au maximum deux membres du personnel subventionnés sur la base des montants rattachés à leur fonction dans le cadre du décret du 19 avril 1995.
§ 8. Les membres du personnel ayant déjà fait un choix sur la base de l'article 58, § 6, peuvent introduire, avant le 15 janvier 2004, une proposition auprès de l'administration visant le régime d'emploi, tel que prévu au § 3.
§ 9. Les membres du personnel profitant des mesures complémentaires visées au présent article, sont subventionnés, tant qu'ils ont conclu un nouveau contrat de travail, dans l'institution de formation dans laquelle ils étaient actifs au moment du transfert et ce jusqu'au 30 juin 2004 au plus tard.
§ 10. Quant aux membres du personnel visés au § 1er, n'ayant pas profité des mesures complémentaires visées au présent article, à partir du 1er février 2004 les subventions ne sont plus attribuées aux institutions de formation dans lesquelles ils sont actifs. "
Art. 11. In afwijking van artikel 3, § 2, tweede lid, van het decreet van 6 juli 2001 houdende ondersteuning van de Federatie van Erkende Organisaties voor volksontwikkeling, wordt in 2004 de tussenkomst van de Vlaamse Gemeenschap rechtstreeks uitgekeerd aan de FOV.
Art. 11. Par dérogation à l'article 3, § 2, deuxième alinéa, du décret du 6 juillet 2001 relatif au soutien apporté à la fédération des organisations d'éducation populaire, en 2004, l'intervention de la Communauté flamande est directement payée à la fédération des organisations d'éducation populaire.
HOOFDSTUK X. - Literaire prijzen.
CHAPITRE X. - Prix littéraires.
Art. 12. Het decreet van 27 juni 1973 betreffende de toekenning van staatsprijzen voor de Nederlandse letterkunde wordt opgeheven.
Art. 12. Le décret du 27 juin 1973 relatif à l'attribution des prix de l'Etat pour la littérature néerlandaise est abrogé.
Art. 13. Het decreet van 16 november 1983 houdende instelling van een prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor vertaling van Nederlandse letterkunde wordt opgeheven.
Art. 13. Le décret du 16 novembre 1983 instaurant un prix de la Communauté flamande pour la traduction de littérature néerlandaise est abrogé.
HOOFDSTUK XI. - Beeldende kunsten en musea.
CHAPITRE XI. - Arts plastiques et musées.
Art. 14. In het decreet van 19 juli 2002 houdende de privaatrechtelijke culturele archiefwerking worden opgeheven :
1° artikel 12, § 2;
2° artikel 13, tweede lid.
1° artikel 12, § 2;
2° artikel 13, tweede lid.
Art. 14. Dans le décret du 19 juillet 2002 relatif à la gestion d'archives culturelles de droit privé, il est abrogé :
1° article 12, § 2;
2° article 13, deuxième alinéa.
1° article 12, § 2;
2° article 13, deuxième alinéa.
HOOFDSTUK XII. - Universitaire onderwijsgebouwen.
CHAPITRE XII. - Bâtiments universitaires destinés à l'enseignement.
Art. 15. Aan artikel 1, 12°, van het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 20 september 2002, wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Voor wat de universiteiten betreft, worden onder onderwijsgebouwen verstaan de gebouwen waar de universiteiten effectief werkzaam zijn op het gebied van het academisch onderwijs, het wetenschappelijk onderzoek en de wetenschappelijke dienstverlening, volgens de bepalingen van artikel 4 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap. "
" Voor wat de universiteiten betreft, worden onder onderwijsgebouwen verstaan de gebouwen waar de universiteiten effectief werkzaam zijn op het gebied van het academisch onderwijs, het wetenschappelijk onderzoek en de wetenschappelijke dienstverlening, volgens de bepalingen van artikel 4 van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap. "
Art. 15. A l'article 1er, 12°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2001 instaurant un régime de primes pour les travaux de restauration aux monuments protégés, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 septembre 2002, il est ajouté un alinéa, rédigé comme suit :
" Pour ce qui est des universités, on entend par bâtiments destinés à l'enseignement les bâtiments dans lesquels les universités sont effectivement actives dans le domaine de l'enseignement académique, des recherches et des services scientifiques, selon les dispositions de l'article 4 du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande. "
" Pour ce qui est des universités, on entend par bâtiments destinés à l'enseignement les bâtiments dans lesquels les universités sont effectivement actives dans le domaine de l'enseignement académique, des recherches et des services scientifiques, selon les dispositions de l'article 4 du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande. "
HOOFDSTUK XIII. - Vererfpachting en eigendomsoverdracht.
CHAPITRE XIII. - Emphytéose et transmission de propriété.
HOOFDSTUK XIV. - Bodembeschermingsfonds.
CHAPITRE XIV. - Fonds de Protection du Sol.
Art. 17. Bij de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest, hierna genoemd OVAM, wordt een Bodembeschermingsfonds OVAM opgericht, hierna het Fonds te noemen.
Het Fonds wordt opgericht als een fonds voor de aanleg van reserves en provisies in de zin van artikel 7 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut.
Het Fonds wordt opgericht als een fonds voor de aanleg van reserves en provisies in de zin van artikel 7 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut.
Art. 17. Il est créé, auprès de la " Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaams Gewest " (Société publique des Déchets pour la Région flamande), dénommée ci-après OVAM, le Fonds de Protection du Sol OVAM, dénommé ci-après le Fonds.
Le Fonds est créé sous forme d'un fonds pour la constitution de réserves et de provisions dans le sens de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public.
Le Fonds est créé sous forme d'un fonds pour la constitution de réserves et de provisions dans le sens de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public.
Art. 18. Het Fonds kan gespijsd worden door :
1° dotaties van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap;
2° dotaties ten laste van het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur (MINA-fonds);
3° teruggevorderde en gerecupereerde uitgaven voor ambtshalve werken en vrijwillige werken voor rekening van derden die vanuit het Fonds werden gefinancierd;
4° verkoopopbrengsten en andere opbrengsten van terreinen, aangekocht door het Fonds;
5° aanwending van financiële zekerheden, gesteld voor de ambtshalve werken;
6° toelagen toegekend voor projecten die door het Fonds worden gefinancierd;
7° renten, aflossingen, terugbetalingen, bijdragen en opbrengsten van verkopen en van andere verrichtingen naar gelang het geval, voortkomende uit of gerealiseerd met de middelen uit het Fonds;
8° alle dotaties, overdrachten, heffingen, vergoedingen en andere middelen die ingevolge wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen toekomen of worden toegewezen aan het Fonds;
[1 De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om de in het eerste lid, 8°, bedoelde middelen toe te wijzen aan het Fonds en de voorwaarden te bepalen waaronder die toewijzing kan gebeuren.]1
9° het gebeurlijke saldo op het einde van het voorafgaande begrotingsjaar op het Fonds.
1° dotaties van de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap;
2° dotaties ten laste van het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur (MINA-fonds);
3° teruggevorderde en gerecupereerde uitgaven voor ambtshalve werken en vrijwillige werken voor rekening van derden die vanuit het Fonds werden gefinancierd;
4° verkoopopbrengsten en andere opbrengsten van terreinen, aangekocht door het Fonds;
5° aanwending van financiële zekerheden, gesteld voor de ambtshalve werken;
6° toelagen toegekend voor projecten die door het Fonds worden gefinancierd;
7° renten, aflossingen, terugbetalingen, bijdragen en opbrengsten van verkopen en van andere verrichtingen naar gelang het geval, voortkomende uit of gerealiseerd met de middelen uit het Fonds;
8° alle dotaties, overdrachten, heffingen, vergoedingen en andere middelen die ingevolge wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen toekomen of worden toegewezen aan het Fonds;
[1 De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om de in het eerste lid, 8°, bedoelde middelen toe te wijzen aan het Fonds en de voorwaarden te bepalen waaronder die toewijzing kan gebeuren.]1
9° het gebeurlijke saldo op het einde van het voorafgaande begrotingsjaar op het Fonds.
Art. 18. Le Fonds peut être alimenté par :
1° des dotations du budget général des dépenses de la Communauté flamande;
2° des dotations à charge du " Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur (Fonds MINA) " (Fonds de Prévention et d'Assainissement en matière de l'Environnement et de la Nature);
3° des dépenses réclamées et récupérées pour travaux d'office et bénévoles pour compte de tiers financés par le Fonds;
4° des produits de la vente et d'autres produits de terrains achetés par le Fonds;
5° l'affectation de garanties financières, constituées pour les travaux d'office;
6° des allocations accordées pour des projets financés par le Fonds;
7° des intérêts, des amortissements, des remboursements, des contributions et des produits de ventes et d'autres opérations selon le cas, provenant de ou réalisés avec les moyens du Fonds;
8° des dotations, transferts, redevances, indemnités et autres moyens revenant ou attribués au Fonds suite aux dispositions légales, décrétales ou réglementaires;
[1 Le Gouvernement flamand est autorisé à attribuer les moyens, visés à l'alinéa premier, 8°, au Fonds et à arrêter les conditions auxquelles cette attribution peut avoir lieu.]1
9° le solde éventuel du Fonds au terme de l'exercice budgétaire précédent.
1° des dotations du budget général des dépenses de la Communauté flamande;
2° des dotations à charge du " Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur (Fonds MINA) " (Fonds de Prévention et d'Assainissement en matière de l'Environnement et de la Nature);
3° des dépenses réclamées et récupérées pour travaux d'office et bénévoles pour compte de tiers financés par le Fonds;
4° des produits de la vente et d'autres produits de terrains achetés par le Fonds;
5° l'affectation de garanties financières, constituées pour les travaux d'office;
6° des allocations accordées pour des projets financés par le Fonds;
7° des intérêts, des amortissements, des remboursements, des contributions et des produits de ventes et d'autres opérations selon le cas, provenant de ou réalisés avec les moyens du Fonds;
8° des dotations, transferts, redevances, indemnités et autres moyens revenant ou attribués au Fonds suite aux dispositions légales, décrétales ou réglementaires;
[1 Le Gouvernement flamand est autorisé à attribuer les moyens, visés à l'alinéa premier, 8°, au Fonds et à arrêter les conditions auxquelles cette attribution peut avoir lieu.]1
9° le solde éventuel du Fonds au terme de l'exercice budgétaire précédent.
Wijzigingen
Art. 19. De middelen van het Fonds kunnen aangewend worden voor de gehele of gedeeltelijk financiering van :
1° [1 de vrijwillige en ambtshalve uitvoering van bodemonderzoeken en bodemsaneringen op verontreinigde terreinen, met inbegrip van de verwerving van de bedoelde terreinen;]1
2° toelagen voor de sanering van terreinen;
3° [2 het vrijwillig en ambtshalve wegnemen, inzamelen, vervoeren en verwerken van materialen;]2;
4° aanvullende uitgaven die betrekking hebben op de uitgaven vermeld onder 1°, 2° en 3° van dit artikel.
Het Vlaams Parlement bepaalt elk jaar via het decreet houdende de begroting van de Vlaamse Gemeenschap het bedrag aan vastleggingskredieten en ordonnanceringskredieten die voor het Fonds in de begroting van OVAM worden ingeschreven en de aard van de uitgaven.
1° [1 de vrijwillige en ambtshalve uitvoering van bodemonderzoeken en bodemsaneringen op verontreinigde terreinen, met inbegrip van de verwerving van de bedoelde terreinen;]1
2° toelagen voor de sanering van terreinen;
3° [2 het vrijwillig en ambtshalve wegnemen, inzamelen, vervoeren en verwerken van materialen;]2;
4° aanvullende uitgaven die betrekking hebben op de uitgaven vermeld onder 1°, 2° en 3° van dit artikel.
Het Vlaams Parlement bepaalt elk jaar via het decreet houdende de begroting van de Vlaamse Gemeenschap het bedrag aan vastleggingskredieten en ordonnanceringskredieten die voor het Fonds in de begroting van OVAM worden ingeschreven en de aard van de uitgaven.
Art. 19. Les ressources du Fonds peuvent être affectées au financement intégral ou partiel :
1° [1 de l'exécution volontaire et d'office d'études du sol et d'assainissements du sol de terrains pollués, y compris l'acquisition des terrains visés;]1
2° des allocations pour l'assainissement de terrains;
3°[2 l'enlèvement, la collecte, le transport et le traitement volontaires et d'office des matériaux]2;
4° de dépenses complémentaires relatives aux dépenses mentionnées aux points 1°, 2° et 3° du présent article.
Le Parlement flamand fixe annuellement, au moyen du décret portant le budget de la Communauté flamande, le montant des crédits d'engagements et des crédits d'ordonnancement inscrits pour le Fonds dans le budget de l' " OVAM " ainsi que la nature des dépenses.
1° [1 de l'exécution volontaire et d'office d'études du sol et d'assainissements du sol de terrains pollués, y compris l'acquisition des terrains visés;]1
2° des allocations pour l'assainissement de terrains;
3°[2 l'enlèvement, la collecte, le transport et le traitement volontaires et d'office des matériaux]2;
4° de dépenses complémentaires relatives aux dépenses mentionnées aux points 1°, 2° et 3° du présent article.
Le Parlement flamand fixe annuellement, au moyen du décret portant le budget de la Communauté flamande, le montant des crédits d'engagements et des crédits d'ordonnancement inscrits pour le Fonds dans le budget de l' " OVAM " ainsi que la nature des dépenses.
Art. 20. Het besluit van de Vlaamse Regering van 30 juli 1985 houdende de oprichting van financiële fondsen bij de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest wordt opgeheven. Het per 31 december 2003 beschikbaar saldo en de op die datum nog openstaande vorderingen, verbintenissen en verplichtingen van het Investeringsfonds en het Fonds Ambtshalve Verwijdering, beide ingesteld bij de OVAM bij besluit van de Vlaamse Regering van 30 juli 1985, worden overgedragen naar het Fonds. De uitgaven die effectief aan de OVAM reeds werden terugbetaald, worden definitief toegewezen aan het Bodembeschermingsfonds. Ook alle toekomstige teruggevorderde en gerecupereerde uitgaven zullen aan het BBF worden toegewezen.
Art. 20. L'arrêté du Gouvernement flamand du 30 juillet 1985 portant constitution de fonds financiers auprès de la " Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest " est abrogé. Le solde disponible le 31 décembre 2003 et les créances non réglées à cette date, les engagements et les obligations du Fonds d'Investissement et le Fonds d'élimination d'office, tous les deux institués auprès d'OVAM par l'arrêté du Gouvernement flamand du 30 juillet 1985, sont reportés au Fonds. Les dépenses déjà effectivement remboursées à OVAM sont attribuées définitivement au " Bodembeschermingsfonds ". De même, toutes les dépenses futures réclamées et récupérées seront attribuées au BBF.
HOOFDSTUK XV. - Bodemsanering.
CHAPITRE XV. - Assainissement du sol.
Art. 21. Aan artikel 47ter, tweede lid, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, zoals ingevoegd bij decreet van 18 mei 2001, worden de volgende zinnen toegevoegd :
" In de vaststelling van een site kan de Vlaamse regering afwijken van de regeling vastgesteld krachtens artikel 48bis. In dat geval kan de Vlaamse regering bepalen dat artikel 47quinquies niet van toepassing is op de site. "
" In de vaststelling van een site kan de Vlaamse regering afwijken van de regeling vastgesteld krachtens artikel 48bis. In dat geval kan de Vlaamse regering bepalen dat artikel 47quinquies niet van toepassing is op de site. "
Art. 21. A l'article 47ter, deuxième alinéa, du décret du 22 février 1995 relatif à l'assainissement du sol, tel qu'inséré par le décret du 18 mai 2001, sont ajoutées les phrases suivantes :
" En ce qui concerne la constatation d'un site, le Gouvernement flamand peut dévier de la réglementation fixée en vertu de l'article 48bis. Dans ce cas, le Gouvernement flamand peut déterminer que l'article 47quinquies ne s'applique pas au site. "
" En ce qui concerne la constatation d'un site, le Gouvernement flamand peut dévier de la réglementation fixée en vertu de l'article 48bis. Dans ce cas, le Gouvernement flamand peut déterminer que l'article 47quinquies ne s'applique pas au site. "
HOOFDSTUK XVI. - Kringloopcentra.
CHAPITRE XVI. - Centres de récupération.
Art. 22. (Aan artikel 14 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, vervangen bij het decreet van 20 april 1994, wordt een § 9 toegevoegd, die luidt als volgt :)
" § 9. De rechtspersonen die een kringloopcentrum uitbaten, waar afgedankte goederen die in aanmerking komen voor producthergebruik, worden ingezameld voor selectie met het oog op hergebruik, opgeslagen, gesorteerd, gereinigd en/of hersteld en verkocht, zijn onderworpen aan een door de Vlaamse regering te verlenen erkenning. De Vlaamse regering stelt de nadere regels vast met betrekking tot de erkenning. "
" § 9. De rechtspersonen die een kringloopcentrum uitbaten, waar afgedankte goederen die in aanmerking komen voor producthergebruik, worden ingezameld voor selectie met het oog op hergebruik, opgeslagen, gesorteerd, gereinigd en/of hersteld en verkocht, zijn onderworpen aan een door de Vlaamse regering te verlenen erkenning. De Vlaamse regering stelt de nadere regels vast met betrekking tot de erkenning. "
Art. 22. (A l'article 14 du décret du 2 juillet 1981 relatif à la prévention et à la gestion des déchets, remplacé par le décret du 20 avril 1994, il est ajouté un § 9, libellé comme suit :)
" § 9. Les personnes morales exploitant un centre de récupération, dans lequel des produits usés susceptibles d'être réutilisés comme produit, sont collectés et sélectionnés en vue de leur réutilisation, stockés, triés, nettoyés et/ou réparés et vendus, sont soumises à un agrément à octroyer par le Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand fixe les modalités d'agrément. "
" § 9. Les personnes morales exploitant un centre de récupération, dans lequel des produits usés susceptibles d'être réutilisés comme produit, sont collectés et sélectionnés en vue de leur réutilisation, stockés, triés, nettoyés et/ou réparés et vendus, sont soumises à un agrément à octroyer par le Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand fixe les modalités d'agrément. "
Art. 23. Aan artikel 16 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 20 april 1994 en gewijzigd bij het decreet van 5 juli 2002 wordt een § 8 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 8. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, kan de Vlaamse regering aan de in artikel 14, § 9, bedoelde rechtspersonen die een kringloopcentrum uitbaten, een financiële bijdrage verlenen in de kosten voor werking, investeringen en/of personeel, ten laste van het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden voor de toekenning van deze financiële bijdrage. "
" § 8. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, kan de Vlaamse regering aan de in artikel 14, § 9, bedoelde rechtspersonen die een kringloopcentrum uitbaten, een financiële bijdrage verlenen in de kosten voor werking, investeringen en/of personeel, ten laste van het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden voor de toekenning van deze financiële bijdrage. "
Art. 23. A l'article 16 du même décret, remplacé par le décret du 20 avril 1994 et modifié par le décret du 5 juillet 2002, il est ajouté un § 8, rédigé comme suit :
" § 8. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement flamand peut octroyer une intervention financière aux personnes morales visées à l'article 14, § 9, exploitant un centre de récupération, pour couvrir les frais de fonctionnement, d'investissement et/ou de personnel, à charge du " Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur " Le Gouvernement flamand fixe les conditions d'octroi de ces contributions financières. "
" § 8. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement flamand peut octroyer une intervention financière aux personnes morales visées à l'article 14, § 9, exploitant un centre de récupération, pour couvrir les frais de fonctionnement, d'investissement et/ou de personnel, à charge du " Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur " Le Gouvernement flamand fixe les conditions d'octroi de ces contributions financières. "
HOOFDSTUK XVII. - Riviervisserij.
CHAPITRE XVII. - Pêche fluviale.
Art. 24. Artikel 9 van de wet van 1 juli 1954 op de riviervisserij, gewijzigd bij de decreten van 21 december 1990, 21 december 1994 en 21 december 2001, wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 9.
De belasting op de afgifte van visverloven wordt als volgt vastgesteld :
1° 3,72 euro voor het visverlof waarmee kinderen beneden de volle veertien jaar en niet vergezeld van hun vader, moeder of voogd, alle dagen met één hengel mogen vissen.
Een visverlof afgegeven tijdens het jaar waarin het kind veertien jaar oud wordt, blijft geldig tot het einde van dat jaar;
2° 11,16 euro voor het visverlof waarmee men alle dagen met één of met twee hengels mag vissen vanaf de oever, inclusief vanop een plateau of een steiger die verankerd of verbonden zijn met de oever;
3° 45,86 euro voor het visverlof waarmee men alle dagen mag vissen met één of met twee hengels :
- anders dan vanaf de oever;
- van twee uur na zonsondergang tot twee uur voor zonsopgang.
Voor het vissen met een ander geoorloofd vistuig dan de hengel is een tweede visverlof van dezelfde prijs vereist. "
" Artikel 9.
De belasting op de afgifte van visverloven wordt als volgt vastgesteld :
1° 3,72 euro voor het visverlof waarmee kinderen beneden de volle veertien jaar en niet vergezeld van hun vader, moeder of voogd, alle dagen met één hengel mogen vissen.
Een visverlof afgegeven tijdens het jaar waarin het kind veertien jaar oud wordt, blijft geldig tot het einde van dat jaar;
2° 11,16 euro voor het visverlof waarmee men alle dagen met één of met twee hengels mag vissen vanaf de oever, inclusief vanop een plateau of een steiger die verankerd of verbonden zijn met de oever;
3° 45,86 euro voor het visverlof waarmee men alle dagen mag vissen met één of met twee hengels :
- anders dan vanaf de oever;
- van twee uur na zonsondergang tot twee uur voor zonsopgang.
Voor het vissen met een ander geoorloofd vistuig dan de hengel is een tweede visverlof van dezelfde prijs vereist. "
Art. 24. L'article 9 de la loi du 1er juillet 1954 sur la pêche fluviale, modifiée par les décrets des 21 décembre 1990, 21 décembre 1994 et 21 décembre 2001, est remplacé par ce qui suit :
" Article 9.
La taxe levée sur l'octroi de permis de pêche est fixée comme suit :
1° 3,72 euros pour le permis de pêche autorisant aux enfants de moins de quatorze ans accomplis, qui ne sont pas accompagnés de leur père, mère ou tuteur, la pêche quotidienne à une seule ligne à main.
Un permis délivré au cours de l'année pendant laquelle l'enfant atteint l'âge de quatorze ans, reste valable jusqu'à la fin de l'année;
2° 11,16 euros pour le permis de pêche autorisant la pêche quotidienne de la berge, y compris d'un plateau ou d'un embarcadère ancré ou lié à la berge, à une ou deux lignes à main;
3° 45,86 euros pour le permis de pêche autorisant la pêche quotidienne, à une ou deux lignes à main :
- autrement que de la berge;
- de deux heures après le coucher du soleil jusqu'à deux heures avant le lever du soleil.
Un deuxième permis au même prix est requis pour la pêche à l'aide d'autres engins de pêche autorisés. "
" Article 9.
La taxe levée sur l'octroi de permis de pêche est fixée comme suit :
1° 3,72 euros pour le permis de pêche autorisant aux enfants de moins de quatorze ans accomplis, qui ne sont pas accompagnés de leur père, mère ou tuteur, la pêche quotidienne à une seule ligne à main.
Un permis délivré au cours de l'année pendant laquelle l'enfant atteint l'âge de quatorze ans, reste valable jusqu'à la fin de l'année;
2° 11,16 euros pour le permis de pêche autorisant la pêche quotidienne de la berge, y compris d'un plateau ou d'un embarcadère ancré ou lié à la berge, à une ou deux lignes à main;
3° 45,86 euros pour le permis de pêche autorisant la pêche quotidienne, à une ou deux lignes à main :
- autrement que de la berge;
- de deux heures après le coucher du soleil jusqu'à deux heures avant le lever du soleil.
Un deuxième permis au même prix est requis pour la pêche à l'aide d'autres engins de pêche autorisés. "
HOOFDSTUK XVIII. - Stookolietechnici.
CHAPITRE XVIII. - Techniciens en mazout.
Art. 25. § 1. Er wordt een Fonds voor de controle op de uitvoerende taken van de technici (brander- en stookolietechnici) op het veld, in de zin van artikel 45 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, opgericht.
§ 2. Een dossierrecht, voortvloeiend uit de toepassing van artikel 5.3. van het besluit van de Vlaamse regering betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater, waarvan de opbrengst rechtstreeks en integraal in het Fonds voor de controle op de uitvoerende taken van de technici (brander- en stookolietechnici) op het veld wordt gestort, wordt geheven ten laste van elke technicus (vloeibare brandstof centrale verwarming, vloeibare brandstof oliekachel, gasvormige brandstof) of firma (vloeibare brandstof centrale verwarming, vloeibare brandstof oliekachel, gasvormige brandstof) die een aanvraag indient met het oog op het verkrijgen van een erkenning, overeenkomstig de bepalingen van voormeld besluit. Zonder dit gestort dossierrecht zal de aanvraag niet in behandeling worden genomen.
§ 3. Het in § 2 bedoelde dossierrecht is verschuldigd op de datum waarop de aanvrager een aanvraag tot erkenning indient. Het bedrag van het dossierrecht zal door de Vlaamse regering worden vastgelegd.
§ 4. Een bewijs van betaling van voormeld dossierrecht moet worden gevoegd bij de aanvraag tot erkenning. Het niet bijvoegen van het bewijs van volledige betaling van het verschuldigd dossierrecht bij de erkenningsaanvraag, heeft van rechtswege de onvolledigheid van de erkenningsaanvraag tot gevolg.
§ 5. De Vlaamse regering wijst de ambtenaren van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aan die belast zijn met de controle op de naleving van de verplichting inzake het dossierrecht en bepaalt de nadere regels met betrekking tot hun bevoegdheid.
§ 6. De middelen van het Fonds voor de controle op de uitvoerende taken van de technici (brander- en stookolietechnici) op het veld dienen aangewend te worden voor het uitvoeren van allerhande uitgaven mbt de controle op de uitvoerende taken van de technici (brander- en stookolietechnici) op het veld in het kader van artikel 5.3. van het besluit van de Vlaamse regering betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater.
§ 7. Indien uit de controle op het werk van de erkende technicus, uitgeoefend door de geaccrediteerde keuringsinstelling, blijkt dat de technicus de taken waarmee hij werd belast niet reglementair, niet objectief of niet naar behoren heeft uitgevoerd, waardoor een herkeuring in aanwezigheid van beide partijen noodzakelijk wordt, dan zullen de kosten welke deze herkeuring met zich meebrengt B en ingeval de technicus niet in staat is de installatie opnieuw reglementair af te stellen B te zijnen laste komen te vallen. Slaagt hij er wel in de installatie correct af te stellen, dan worden hem voor deze herkeuring geen kosten ten laste gelegd.
§ 2. Een dossierrecht, voortvloeiend uit de toepassing van artikel 5.3. van het besluit van de Vlaamse regering betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater, waarvan de opbrengst rechtstreeks en integraal in het Fonds voor de controle op de uitvoerende taken van de technici (brander- en stookolietechnici) op het veld wordt gestort, wordt geheven ten laste van elke technicus (vloeibare brandstof centrale verwarming, vloeibare brandstof oliekachel, gasvormige brandstof) of firma (vloeibare brandstof centrale verwarming, vloeibare brandstof oliekachel, gasvormige brandstof) die een aanvraag indient met het oog op het verkrijgen van een erkenning, overeenkomstig de bepalingen van voormeld besluit. Zonder dit gestort dossierrecht zal de aanvraag niet in behandeling worden genomen.
§ 3. Het in § 2 bedoelde dossierrecht is verschuldigd op de datum waarop de aanvrager een aanvraag tot erkenning indient. Het bedrag van het dossierrecht zal door de Vlaamse regering worden vastgelegd.
§ 4. Een bewijs van betaling van voormeld dossierrecht moet worden gevoegd bij de aanvraag tot erkenning. Het niet bijvoegen van het bewijs van volledige betaling van het verschuldigd dossierrecht bij de erkenningsaanvraag, heeft van rechtswege de onvolledigheid van de erkenningsaanvraag tot gevolg.
§ 5. De Vlaamse regering wijst de ambtenaren van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aan die belast zijn met de controle op de naleving van de verplichting inzake het dossierrecht en bepaalt de nadere regels met betrekking tot hun bevoegdheid.
§ 6. De middelen van het Fonds voor de controle op de uitvoerende taken van de technici (brander- en stookolietechnici) op het veld dienen aangewend te worden voor het uitvoeren van allerhande uitgaven mbt de controle op de uitvoerende taken van de technici (brander- en stookolietechnici) op het veld in het kader van artikel 5.3. van het besluit van de Vlaamse regering betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater.
§ 7. Indien uit de controle op het werk van de erkende technicus, uitgeoefend door de geaccrediteerde keuringsinstelling, blijkt dat de technicus de taken waarmee hij werd belast niet reglementair, niet objectief of niet naar behoren heeft uitgevoerd, waardoor een herkeuring in aanwezigheid van beide partijen noodzakelijk wordt, dan zullen de kosten welke deze herkeuring met zich meebrengt B en ingeval de technicus niet in staat is de installatie opnieuw reglementair af te stellen B te zijnen laste komen te vallen. Slaagt hij er wel in de installatie correct af te stellen, dan worden hem voor deze herkeuring geen kosten ten laste gelegd.
Art. 25. § 1er. Il est créé un Fonds de contrôle des missions exécutives des techniciens (techniciens de brûleur et techniciens en mazout) sur le terrain, dans le sens de l'article 45 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991.
§ 2. Un droit de dossier, résultant de l'application de l'article 5.3 de l'arrêté du Gouvernement flamand relatif à l'entretien et la révision de chaudières pour le chauffage de bâtiments ou la production d'eau chaude de consommation, dont le produit est versé directement et intégralement au Fonds de contrôle des missions exécutives des techniciens (techniciens de brûleur et techniciens en mazout) sur le terrain, est levé à charge de tout technicien (combustible liquide chauffage central, combustible liquide poêle à mazout, combustible gazeux) ou toute firme (combustible liquide chauffage central, combustible liquide poêle à mazout, combustible gazeux) qui introduit une demande en vue d'obtenir un agrément, conformément aux dispositions de l'arrêté précité. Sans ce droit de dossier versé, la demande ne sera pas traitée.
§ 3. Le droit de dossier visé au § 2 est dû à la date d'introduction, par le demandeur, d'une demande d'agrément. Le montant du droit de dossier sera fixé par le Gouvernement flamand.
§ 4. Une preuve de paiement du droit de dossier précité doit être jointe à la demande d'agrément. Le fait de ne pas joindre la preuve de paiement complet du droit de dossier dû à la demande d'agrément, entraîne de plein droit le caractère incomplet de la demande d'agrément.
§ 5. Le Gouvernement flamand désigne les fonctionnaires du Ministère de la Communauté flamande qui sont chargés du contrôle de l'observation de l'obligation relative au droit de dossier, et détermine les modalités relatives à leur compétence.
§ 6. Les moyens du Fonds de contrôle des missions exécutives des techniciens (techniciens de brûleur et techniciens en mazout) sur le terrain doivent être utilisés pour couvrir diverses dépenses relatives au contrôle des missions exécutives des techniciens (techniciens de brûleur et techniciens en mazout) sur le terrain dans le cadre de l'article 5.3 de l'arrêté du Gouvernement flamand relatif à l'entretien et la révision de chaudières pour le chauffage de bâtiments ou la production d'eau chaude de consommation.
§ 7. S'il résulte du contrôle du travail du technicien agréé, effectué par l'organisme de contrôle accrédité, que le technicien a exécuté les missions dont il a été chargé, de façon non réglementaire, non objective ou non convenable, ce qui requiert un nouveau contrôle en présence des deux parties, les frais occasionnés par le nouveau contrôle B et dans le cas où le technicien ne serait pas en état de régler l'installation à nouveau réglementairement B seront à sa charge. S'il réussit à correctement régler l'installation, aucuns frais pour ce nouveau contrôle ne seront à sa charge.
§ 2. Un droit de dossier, résultant de l'application de l'article 5.3 de l'arrêté du Gouvernement flamand relatif à l'entretien et la révision de chaudières pour le chauffage de bâtiments ou la production d'eau chaude de consommation, dont le produit est versé directement et intégralement au Fonds de contrôle des missions exécutives des techniciens (techniciens de brûleur et techniciens en mazout) sur le terrain, est levé à charge de tout technicien (combustible liquide chauffage central, combustible liquide poêle à mazout, combustible gazeux) ou toute firme (combustible liquide chauffage central, combustible liquide poêle à mazout, combustible gazeux) qui introduit une demande en vue d'obtenir un agrément, conformément aux dispositions de l'arrêté précité. Sans ce droit de dossier versé, la demande ne sera pas traitée.
§ 3. Le droit de dossier visé au § 2 est dû à la date d'introduction, par le demandeur, d'une demande d'agrément. Le montant du droit de dossier sera fixé par le Gouvernement flamand.
§ 4. Une preuve de paiement du droit de dossier précité doit être jointe à la demande d'agrément. Le fait de ne pas joindre la preuve de paiement complet du droit de dossier dû à la demande d'agrément, entraîne de plein droit le caractère incomplet de la demande d'agrément.
§ 5. Le Gouvernement flamand désigne les fonctionnaires du Ministère de la Communauté flamande qui sont chargés du contrôle de l'observation de l'obligation relative au droit de dossier, et détermine les modalités relatives à leur compétence.
§ 6. Les moyens du Fonds de contrôle des missions exécutives des techniciens (techniciens de brûleur et techniciens en mazout) sur le terrain doivent être utilisés pour couvrir diverses dépenses relatives au contrôle des missions exécutives des techniciens (techniciens de brûleur et techniciens en mazout) sur le terrain dans le cadre de l'article 5.3 de l'arrêté du Gouvernement flamand relatif à l'entretien et la révision de chaudières pour le chauffage de bâtiments ou la production d'eau chaude de consommation.
§ 7. S'il résulte du contrôle du travail du technicien agréé, effectué par l'organisme de contrôle accrédité, que le technicien a exécuté les missions dont il a été chargé, de façon non réglementaire, non objective ou non convenable, ce qui requiert un nouveau contrôle en présence des deux parties, les frais occasionnés par le nouveau contrôle B et dans le cas où le technicien ne serait pas en état de régler l'installation à nouveau réglementairement B seront à sa charge. S'il réussit à correctement régler l'installation, aucuns frais pour ce nouveau contrôle ne seront à sa charge.
HOOFDSTUK XIX. - Oppervlaktewater.
CHAPITRE XIX. - Eaux de surface.
Art. 26. Artikel 35bis, § 4, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van oppervlaktewateren tegen verontreiniging, wordt vervangen door wat volgt :
" § 4. Elke rechtspersoon die in het Vlaamse Gewest een zuiveringstechnisch werk exploiteert waarin uitsluitend afvalwater van de openbare riolering (met inbegrip van afvalstoffen afkomstig van septische putten en vetvangers waarin uitsluitend huishoudelijk afvalwater wordt geleid, per as aangevoerde afvalwaters, slibs afkomstig van openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties en/of slibs afkomstig van het onderhoud van collectoren en pompstations) wordt behandeld en dat aangesloten is op het openbaar hydrografisch net, is van heffing vrijgesteld voor wat betreft de lozing van de effluentwaters van voornoemde openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties. "
" § 4. Elke rechtspersoon die in het Vlaamse Gewest een zuiveringstechnisch werk exploiteert waarin uitsluitend afvalwater van de openbare riolering (met inbegrip van afvalstoffen afkomstig van septische putten en vetvangers waarin uitsluitend huishoudelijk afvalwater wordt geleid, per as aangevoerde afvalwaters, slibs afkomstig van openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties en/of slibs afkomstig van het onderhoud van collectoren en pompstations) wordt behandeld en dat aangesloten is op het openbaar hydrografisch net, is van heffing vrijgesteld voor wat betreft de lozing van de effluentwaters van voornoemde openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties. "
Art. 26. L'article 35bis, § 4, de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution, est remplacé par la disposition suivante :
" § 4. Toute personne morale exploitant en Région flamande une installation d'épuration traitant exclusivement les eaux usées des égouts publics (y compris les déchets provenant des fosses septiques et collecteurs de graisse utilisés uniquement pour des eaux usées d'origine domestique, les eaux usées amenées par axe, les boues en provenance d'installations d'épuration des eaux d'égout et/ou les boues en provenance de l'entretien de collecteurs et stations de pompage) et qui est raccordée au réseau hydrographique public, est exonérée de la redevance, en ce qui concerne le déversement d'effluents provenant des installations d'épuration des eaux publiques susvisées. "
" § 4. Toute personne morale exploitant en Région flamande une installation d'épuration traitant exclusivement les eaux usées des égouts publics (y compris les déchets provenant des fosses septiques et collecteurs de graisse utilisés uniquement pour des eaux usées d'origine domestique, les eaux usées amenées par axe, les boues en provenance d'installations d'épuration des eaux d'égout et/ou les boues en provenance de l'entretien de collecteurs et stations de pompage) et qui est raccordée au réseau hydrographique public, est exonérée de la redevance, en ce qui concerne le déversement d'effluents provenant des installations d'épuration des eaux publiques susvisées. "
Art. 27. Artikel 35ter, § 4, van dezelfde wet wordt vervangen door wat volgt :
" § 4. Voor elke heffingsplichtige die door investeringen in het productieproces en/of in zuiveringstechnische werken komt tot een totale niet-lozing van afvalwater uit het productieproces en dit op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, wordt het bedrag van de heffing gelijkgesteld aan het minimumbedrag vermeld in § 3 van dit artikel.
Elke heffingsplichtige welke van bovenstaande regeling gebruik wenst te maken, dient daartoe een door een milieudeskundige, erkend krachtens artikel 7, § 5, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, opgesteld dossier bij de aangifte bedoeld in artikel 35octies, § 1, te voegen.
Het bedoelde dossier geldt voor het heffingsjaar waarvoor de aanvraag is ingediend en voor de negen daaropvolgende heffingsjaren behoudens in geval van wijzigingen die tot gevolg hebben dat niet meer aan de hierboven vermelde voorwaarden is voldaan. Iedere wijziging betreffende de lozingsituatie moet onmiddellijk per aangetekend schrijven worden gemeld aan de leidendambtenaar van de Maatschappij.
Na afloop van de geldigheidsduur van het bedoelde dossier kan de heffingsplichtige bij de aangifte bedoeld in artikel 35octies, § 1, een hernieuwingsaanvraag voegen samen met een attest afgeleverd van een milieudeskundige, erkend krachtens artikel 7, § 5, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, waarin het aanvankelijk ingediende dossier wordt herbevestigd.
De heffingsplichtige mag bovendien op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar niet beschikken over een milieu- of lozingsvergunning die hem toelaat ander afvalwater dan normaal huisafvalwater te lozen.
Indien de Vlaamse Milieumaatschappij evenwel beschikt over gegevens omtrent enige lozing uit dit productieproces wordt de heffing bepaald conform artikel 35quinquies of artikel 35septies. "
" § 4. Voor elke heffingsplichtige die door investeringen in het productieproces en/of in zuiveringstechnische werken komt tot een totale niet-lozing van afvalwater uit het productieproces en dit op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, wordt het bedrag van de heffing gelijkgesteld aan het minimumbedrag vermeld in § 3 van dit artikel.
Elke heffingsplichtige welke van bovenstaande regeling gebruik wenst te maken, dient daartoe een door een milieudeskundige, erkend krachtens artikel 7, § 5, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, opgesteld dossier bij de aangifte bedoeld in artikel 35octies, § 1, te voegen.
Het bedoelde dossier geldt voor het heffingsjaar waarvoor de aanvraag is ingediend en voor de negen daaropvolgende heffingsjaren behoudens in geval van wijzigingen die tot gevolg hebben dat niet meer aan de hierboven vermelde voorwaarden is voldaan. Iedere wijziging betreffende de lozingsituatie moet onmiddellijk per aangetekend schrijven worden gemeld aan de leidendambtenaar van de Maatschappij.
Na afloop van de geldigheidsduur van het bedoelde dossier kan de heffingsplichtige bij de aangifte bedoeld in artikel 35octies, § 1, een hernieuwingsaanvraag voegen samen met een attest afgeleverd van een milieudeskundige, erkend krachtens artikel 7, § 5, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, waarin het aanvankelijk ingediende dossier wordt herbevestigd.
De heffingsplichtige mag bovendien op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar niet beschikken over een milieu- of lozingsvergunning die hem toelaat ander afvalwater dan normaal huisafvalwater te lozen.
Indien de Vlaamse Milieumaatschappij evenwel beschikt over gegevens omtrent enige lozing uit dit productieproces wordt de heffing bepaald conform artikel 35quinquies of artikel 35septies. "
Art. 27. L'article 35ter, § 4, de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" § 4. Pour tout redevable qui, le 1er janvier de l'année précédant l'année d'imposition, n'a effectué au total aucun déversement d'eaux usées provenant du processus de production grâce à des investissements se rapportant au processus de production et/ou à des ouvrages d'épuration, le montant de la redevance est égal au montant minimum mentionné au § 3 du présent article.
Tout redevable qui souhaite bénéficier du régime susvisé devra joindre à cet effet à la déclaration visée à l'article 35octies, § 1er, un dossier établi par un expert de l'environnement agréé en vertu de l'article 7, § 5, du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique.
Le dossier susvisé porte sur l'année d'imposition pour laquelle la demande est introduite et pour les neuf années d'imposition suivantes, sauf en cas de modifications entraînant le non-respect des conditions précitées. Toute modification relative à la situation de déversement doit être communiquée sans délai, par lettre recommandée, au fonctionnaire dirigeant de la Société.
A l'expiration de la durée de validité du dossier susvisé, le redevable peut joindre à la déclaration visée à l'article 35octies, § 1er, une demande de renouvellement et une attestation délivrée par un expert de l'environnement agréé en vertu de l'article 7, § 5, du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique, dans laquelle le dossier introduit initialement est reconfirmé.
En plus, le redevable ne peut être porteur le 1er janvier de l'année précédant l'année d'imposition d'une autorisation écologique ou de déversement lui permettant de déverser des eaux usées autres que les eaux usées ménagères normales.
Lorsque la " Vlaamse Milieumaatschappij " est au courant d'un déversement quelconque provenant du processus de production, la redevance est calculée conformément à l'article 35quinquies ou à l'article 35septies. "
" § 4. Pour tout redevable qui, le 1er janvier de l'année précédant l'année d'imposition, n'a effectué au total aucun déversement d'eaux usées provenant du processus de production grâce à des investissements se rapportant au processus de production et/ou à des ouvrages d'épuration, le montant de la redevance est égal au montant minimum mentionné au § 3 du présent article.
Tout redevable qui souhaite bénéficier du régime susvisé devra joindre à cet effet à la déclaration visée à l'article 35octies, § 1er, un dossier établi par un expert de l'environnement agréé en vertu de l'article 7, § 5, du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique.
Le dossier susvisé porte sur l'année d'imposition pour laquelle la demande est introduite et pour les neuf années d'imposition suivantes, sauf en cas de modifications entraînant le non-respect des conditions précitées. Toute modification relative à la situation de déversement doit être communiquée sans délai, par lettre recommandée, au fonctionnaire dirigeant de la Société.
A l'expiration de la durée de validité du dossier susvisé, le redevable peut joindre à la déclaration visée à l'article 35octies, § 1er, une demande de renouvellement et une attestation délivrée par un expert de l'environnement agréé en vertu de l'article 7, § 5, du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation écologique, dans laquelle le dossier introduit initialement est reconfirmé.
En plus, le redevable ne peut être porteur le 1er janvier de l'année précédant l'année d'imposition d'une autorisation écologique ou de déversement lui permettant de déverser des eaux usées autres que les eaux usées ménagères normales.
Lorsque la " Vlaamse Milieumaatschappij " est au courant d'un déversement quelconque provenant du processus de production, la redevance est calculée conformément à l'article 35quinquies ou à l'article 35septies. "
Art. 28. (Artikel 35ter, § 5, vijfde lid, van dezelfde wet wordt vervangen door wat volgt :)
" Deze aanvraag dient vergezeld te zijn van :
1° ofwel, een attest afgeleverd door de Rijksdienst voor Pensioenen waaruit blijkt dat de op het heffingsbiljet vermelde heffingsplichtige genoten heeft van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden of van de inkomensgarantie voor ouderen;
2° ofwel, een attest afgeleverd door het OCMW waaruit blijkt dat de op het heffingsbiljet vermelde heffingsplichtige genoten heeft van een door het OCMW toegekend leefloon of levensminimum;
3° ofwel, een attest afgeleverd door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid waaruit blijkt dat de op het heffingsbiljet vermelde heffingsplichtige genoten heeft van de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, en/of de tegemoetkoming hulp aan bejaarden en/of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap;
4° de afscheurstrook van het overeenkomstig heffingsbiljet. "
" Deze aanvraag dient vergezeld te zijn van :
1° ofwel, een attest afgeleverd door de Rijksdienst voor Pensioenen waaruit blijkt dat de op het heffingsbiljet vermelde heffingsplichtige genoten heeft van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden of van de inkomensgarantie voor ouderen;
2° ofwel, een attest afgeleverd door het OCMW waaruit blijkt dat de op het heffingsbiljet vermelde heffingsplichtige genoten heeft van een door het OCMW toegekend leefloon of levensminimum;
3° ofwel, een attest afgeleverd door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid waaruit blijkt dat de op het heffingsbiljet vermelde heffingsplichtige genoten heeft van de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, en/of de tegemoetkoming hulp aan bejaarden en/of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap;
4° de afscheurstrook van het overeenkomstig heffingsbiljet. "
Art. 28. (L'article 35ter, § 5, cinquième alinéa, de la même loi est remplacé par la disposition suivante :)
" Cette demande doit être accompagnée :
1° soit, d'une attestation délivrée par l'Office national des Pensions, faisant apparaître que le redevable figurant sur la feuille d'impôt a bénéficié d'un revenu garanti pour personnes âgées ou de la garantie de revenus pour personnes âgées;
2° soit, d'une attestation délivrée par le CPAS qui fait apparaître que le redevable mentionné sur la feuille de redevance a bénéficié d'un revenu d'intégration ou du minimex accordé par le CPAS;
3° soit, d'une attestation délivrée par le Service public fédéral Sécurité sociale, faisant apparaître que le redevable figurant sur la feuille d'impôt a bénéficié de l'allocation de remplacement de revenus pour handicapés et/ou de l'allocation de l'aide aux personnes âgées, et/ou l'allocation d'intégration pour personnes handicapées;
4° du volant détachable de la feuille d'impôts correspondante. "
" Cette demande doit être accompagnée :
1° soit, d'une attestation délivrée par l'Office national des Pensions, faisant apparaître que le redevable figurant sur la feuille d'impôt a bénéficié d'un revenu garanti pour personnes âgées ou de la garantie de revenus pour personnes âgées;
2° soit, d'une attestation délivrée par le CPAS qui fait apparaître que le redevable mentionné sur la feuille de redevance a bénéficié d'un revenu d'intégration ou du minimex accordé par le CPAS;
3° soit, d'une attestation délivrée par le Service public fédéral Sécurité sociale, faisant apparaître que le redevable figurant sur la feuille d'impôt a bénéficié de l'allocation de remplacement de revenus pour handicapés et/ou de l'allocation de l'aide aux personnes âgées, et/ou l'allocation d'intégration pour personnes handicapées;
4° du volant détachable de la feuille d'impôts correspondante. "
Art. 29. Aan artikel 35ter van dezelfde wet worden een § 7 en een § 8 toegevoegd, die luiden als volgt :
" § 7. Worden eveneens vrijgesteld van de verplichting tot betaling van de in § 1 bedoelde heffing, de sociale instellingen, buiten het medische kader, met een verzorgende finaliteit en zonder productieactiviteit, waar overwegend personen worden opgevangen die omwille van hun handicap of lichamelijke toestand, zorgenbehoevend zijn.
De vrijstelling geldt slechts indien de bedoelde rechtspersonen gedurende het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar uitsluitend huishoudelijke afvalwaters hebben geloosd en ze hebben gezuiverd of hebben laten zuiveren in een private waterzuiveringsinstallatie in eigen beheer of in gemeenschappelijk beheer :
a) waarvan, in zoverre het gaat om een overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijk ingedeelde inrichting, de exploitatie is gemeld en/of vergund overeenkomstig de voorschriften van titel I van het Vlarem;
b) die gebouwd is en geëxploiteerd wordt volgens een code van goede praktijk.
De vrijstelling geldt niet voor waterzuiveringsinstallaties die werden aangelegd nadat de instelling reeds aansluitbaar was op een RWZI.
De heffingsplichtige die van bovenstaande vrijstelling wenst te genieten, dient, op straffe van verval van het recht van vrijstelling, uiterlijk binnen de drie maanden vanaf de verzending van het heffingsbiljet, of ingeval de heffingsplichtige een aangifte indient samen met de aangifte, een schriftelijke aanvraag in te dienen bij de Maatschappij met de volgende bijlagen :
a) in zoverre het gaat om een overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijk ingedeelde inrichting, een voor eensluidend verklaard afschrift van de melding of lopende vergunning voor de exploitatie van de afvalwaterzuiveringsinstallatie;
b) een attest afgeleverd door de burgemeester, na verplicht advies van de afdeling Milieu-inspectie van Aminal, waaruit blijkt dat de zuiveringsinstallatie is gebouwd en wordt geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het Vlarem.
Het bedoelde attest heeft een geldigheidsduur van 5 jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de burgemeester het attest afleverde, tenzij de VMM beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de zuiveringsinfrastructuur tijdens deze periode niet wordt uitgebaat volgens de code van goede praktijk of gewijzigd werd. Indien aan de VMM een attest werd bezorgd als bedoeld in het tweede lid, b), kan de VMM de heffingsplichtige ambtshalve vrijstellen van heffing zonder dat de heffingsplichtige een schriftelijke aanvraag indient. In voorkomend geval ontvangt de heffingsplichtige geen heffingsbiljet. Voor heffingsplichtigen die gedurende de geldigheidstermijn van het attest een heffingsbiljet hebben gekregen, wordt de vrijstelling enkel op schriftelijke aanvraag verleend. Daarin mag worden verwezen naar het eerder ingediende attest.
In afwijking van het eerste tot en met het derde lid, kan een vrijstelling van de heffing worden toegekend aan de heffingsplichtigen waarvan de woongelegenheid met een gecertificeerde zuiveringsinstallatie is uitgerust en onderhouden volgens de door de regering vastgestelde regels.
§ 8. De in § 6 bedoelde persoon kan de in § 6 bedoelde terugbetaling niet bekomen voor zijn aandeel van het waterverbruik waarvan de instelling bedoeld in § 7 werd vrijgesteld. "
" § 7. Worden eveneens vrijgesteld van de verplichting tot betaling van de in § 1 bedoelde heffing, de sociale instellingen, buiten het medische kader, met een verzorgende finaliteit en zonder productieactiviteit, waar overwegend personen worden opgevangen die omwille van hun handicap of lichamelijke toestand, zorgenbehoevend zijn.
De vrijstelling geldt slechts indien de bedoelde rechtspersonen gedurende het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar uitsluitend huishoudelijke afvalwaters hebben geloosd en ze hebben gezuiverd of hebben laten zuiveren in een private waterzuiveringsinstallatie in eigen beheer of in gemeenschappelijk beheer :
a) waarvan, in zoverre het gaat om een overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijk ingedeelde inrichting, de exploitatie is gemeld en/of vergund overeenkomstig de voorschriften van titel I van het Vlarem;
b) die gebouwd is en geëxploiteerd wordt volgens een code van goede praktijk.
De vrijstelling geldt niet voor waterzuiveringsinstallaties die werden aangelegd nadat de instelling reeds aansluitbaar was op een RWZI.
De heffingsplichtige die van bovenstaande vrijstelling wenst te genieten, dient, op straffe van verval van het recht van vrijstelling, uiterlijk binnen de drie maanden vanaf de verzending van het heffingsbiljet, of ingeval de heffingsplichtige een aangifte indient samen met de aangifte, een schriftelijke aanvraag in te dienen bij de Maatschappij met de volgende bijlagen :
a) in zoverre het gaat om een overeenkomstig titel I van het Vlarem als hinderlijk ingedeelde inrichting, een voor eensluidend verklaard afschrift van de melding of lopende vergunning voor de exploitatie van de afvalwaterzuiveringsinstallatie;
b) een attest afgeleverd door de burgemeester, na verplicht advies van de afdeling Milieu-inspectie van Aminal, waaruit blijkt dat de zuiveringsinstallatie is gebouwd en wordt geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het Vlarem.
Het bedoelde attest heeft een geldigheidsduur van 5 jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de burgemeester het attest afleverde, tenzij de VMM beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de zuiveringsinfrastructuur tijdens deze periode niet wordt uitgebaat volgens de code van goede praktijk of gewijzigd werd. Indien aan de VMM een attest werd bezorgd als bedoeld in het tweede lid, b), kan de VMM de heffingsplichtige ambtshalve vrijstellen van heffing zonder dat de heffingsplichtige een schriftelijke aanvraag indient. In voorkomend geval ontvangt de heffingsplichtige geen heffingsbiljet. Voor heffingsplichtigen die gedurende de geldigheidstermijn van het attest een heffingsbiljet hebben gekregen, wordt de vrijstelling enkel op schriftelijke aanvraag verleend. Daarin mag worden verwezen naar het eerder ingediende attest.
In afwijking van het eerste tot en met het derde lid, kan een vrijstelling van de heffing worden toegekend aan de heffingsplichtigen waarvan de woongelegenheid met een gecertificeerde zuiveringsinstallatie is uitgerust en onderhouden volgens de door de regering vastgestelde regels.
§ 8. De in § 6 bedoelde persoon kan de in § 6 bedoelde terugbetaling niet bekomen voor zijn aandeel van het waterverbruik waarvan de instelling bedoeld in § 7 werd vrijgesteld. "
Art. 29. A l'article 35ter de la même loi sont ajoutés un § 7 et un § 8, rédigés comme suit :
" § 7. Sont également exemptées de l'obligation de payer la redevance visée au § 1er, les institutions sociales en dehors du cadre médical, à finalité soignante et sans activité de production, accueillant principalement des personnes nécessitant des soins en raison de leur handicap ou condition physique.
L'exemption n'est valable que si, pendant toute l'année précédant l'année d'imposition, les personnes morales visées ont uniquement déversé des eaux usées d'origine domestique et ont procédé à leur épuration dans une installation privée d'épuration des eaux en gestion directe ou en cogérance :
a) dont l'exploitation a été déclarée et/ou autorisée conformément aux dispositions du Titre Ier du Vlarem, pour autant qu'il s'agisse d'une installation incommode aux termes du Titre Ier du Vlarem;
b) qui a été construite et exploitée selon un code de bonne pratique.
L'exemption ne s'applique pas aux installations d'épuration d'eau qui ont été construites après que l'institution était raccordable à une installation d'épuration des eaux d'égout.
Tout redevable qui souhaite bénéficier de l'exemption susvisée doit, sous peine de déchéance du droit à l'exemption, présenter à la Société dans les trois mois de l'envoi de la feuille d'impôts, ou ensemble avec la déclaration dans le cas où le redevable introduit une déclaration, une demande écrite accompagnée des documents suivants :
a) une copie certifiée conforme de la déclaration ou de l'autorisation courante relative à l'exploitation de l'installation d'épuration, pour autant qu'il s'agisse d'une installation incommode en vertu du Titre Ier du Vlarem;
b) une attestation délivrée par le bourgmestre, après avoir pris l'avis obligatoire du Service de l'Inspection de l'Environnement de l'Administration de la Gestion de l'Environnement, de la Nature, du Sol et des Eaux, et certifiant que l'installation d'épuration a été construite et est exploitée selon un code de bonne pratique, conformément aux dispositions du Titre II du Vlarem.
L'attestation en question a une durée de validité de 5 ans à partir du 1er janvier de l'année au cours de laquelle le bourgmestre l'a délivrée, à moins que la VMM ne dispose de données faisant apparaître que l'infrastructure d'épuration n'a pas été exploitée suivant le code de bonne pratique ou a été modifiée au cours de cette période. Si une attestation a été transmise à la VMM comme prévue au deuxième alinéa b), la VMM peut exempter d'office le redevable sans que ce dernier doive introduire une demande écrite. Le cas échéant, le redevable ne reçoit pas de feuille d'impôts. Pour les redevables ayant reçu une feuille d'impôts au cours du délai de validité de l'attestation, l'exemption n'est accordée que sur demande écrite. Cette dernière peut référer à l'attestation antérieurement présentée.
Par dérogation aux alinéas premier à trois incluse, une exemption d'imposition peut être accordée aux redevables dont le logement est équipé d'une installation d'épuration certifiée et entretenue suivant les règles prescrites par le Gouvernement flamand.
§ 8. La personne visée au § 6 ne peut obtenir le remboursement visé au § 6 de sa quote-part de la consommation d'eau dont l'institution visée au § 7 a été exemptée. "
" § 7. Sont également exemptées de l'obligation de payer la redevance visée au § 1er, les institutions sociales en dehors du cadre médical, à finalité soignante et sans activité de production, accueillant principalement des personnes nécessitant des soins en raison de leur handicap ou condition physique.
L'exemption n'est valable que si, pendant toute l'année précédant l'année d'imposition, les personnes morales visées ont uniquement déversé des eaux usées d'origine domestique et ont procédé à leur épuration dans une installation privée d'épuration des eaux en gestion directe ou en cogérance :
a) dont l'exploitation a été déclarée et/ou autorisée conformément aux dispositions du Titre Ier du Vlarem, pour autant qu'il s'agisse d'une installation incommode aux termes du Titre Ier du Vlarem;
b) qui a été construite et exploitée selon un code de bonne pratique.
L'exemption ne s'applique pas aux installations d'épuration d'eau qui ont été construites après que l'institution était raccordable à une installation d'épuration des eaux d'égout.
Tout redevable qui souhaite bénéficier de l'exemption susvisée doit, sous peine de déchéance du droit à l'exemption, présenter à la Société dans les trois mois de l'envoi de la feuille d'impôts, ou ensemble avec la déclaration dans le cas où le redevable introduit une déclaration, une demande écrite accompagnée des documents suivants :
a) une copie certifiée conforme de la déclaration ou de l'autorisation courante relative à l'exploitation de l'installation d'épuration, pour autant qu'il s'agisse d'une installation incommode en vertu du Titre Ier du Vlarem;
b) une attestation délivrée par le bourgmestre, après avoir pris l'avis obligatoire du Service de l'Inspection de l'Environnement de l'Administration de la Gestion de l'Environnement, de la Nature, du Sol et des Eaux, et certifiant que l'installation d'épuration a été construite et est exploitée selon un code de bonne pratique, conformément aux dispositions du Titre II du Vlarem.
L'attestation en question a une durée de validité de 5 ans à partir du 1er janvier de l'année au cours de laquelle le bourgmestre l'a délivrée, à moins que la VMM ne dispose de données faisant apparaître que l'infrastructure d'épuration n'a pas été exploitée suivant le code de bonne pratique ou a été modifiée au cours de cette période. Si une attestation a été transmise à la VMM comme prévue au deuxième alinéa b), la VMM peut exempter d'office le redevable sans que ce dernier doive introduire une demande écrite. Le cas échéant, le redevable ne reçoit pas de feuille d'impôts. Pour les redevables ayant reçu une feuille d'impôts au cours du délai de validité de l'attestation, l'exemption n'est accordée que sur demande écrite. Cette dernière peut référer à l'attestation antérieurement présentée.
Par dérogation aux alinéas premier à trois incluse, une exemption d'imposition peut être accordée aux redevables dont le logement est équipé d'une installation d'épuration certifiée et entretenue suivant les règles prescrites par le Gouvernement flamand.
§ 8. La personne visée au § 6 ne peut obtenir le remboursement visé au § 6 de sa quote-part de la consommation d'eau dont l'institution visée au § 7 a été exemptée. "
Art. 30. Aan artikel 35quinquies van dezelfde wet worden volgende wijzigingen aangebracht.
1° aan § 4 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Indien de heffingsplichtige en de Maatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar monsternemingen hebben laten uitvoeren en de overeenkomstig § 1 vastgestelde N1-waarde berekend op basis van de resultaten van de Maatschappij 30 % hoger ligt dan de N1-waarde bepaald op grond van de resultaten van de heffingsplichtige, worden de componenten N1, N2 en N3 bedoeld in § 1 uitsluitend berekend op basis van de resultaten van de Maatschappij.
In dit geval worden de kosten voor monsterneming en analyses die als basis dienen voor bedoelde heffing ten laste gelegd aan de heffingsplichtige. ";
2° aan artikel 35quinquies wordt een § 10 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 10. Vanaf het heffingsjaar 2005 wordt Qj als volgt bepaald :
Qj : Het jaarvolume geloosd afvalwater (Qj) is de gedurende het volledig kalenderjaar voorafgaand aan het heffingsjaar geloosde hoeveelheid afvalwater, uitgedrukt in m3, vastgesteld met behulp van een continu werkend debietmeetsysteem waarbij doorlopend het geloosde dagdebiet wordt gemeten en dagelijks geregistreerd volgens de door de regering vastgestelde regels. Bij ontstentenis van deze meting wordt Qj vastgesteld als de som van het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar door de drinkwatermaatschappij geleverde drinkwater en van de gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar ontvangen hoeveelheid oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en ander water uitgedrukt in m3, verminderd met de hoeveelheid water gebruikt als koelwater voorzover dit koelwater niet samen met het afvalwater geloosd wordt.
De af te trekken hoeveelheid water gebruikt als koelwater is gelijk aan het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels.
Indien de hoeveelheid gebruikt als koelwater niet is vastgesteld door middel van debietmeetapparatuur wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het geloosde volume vergund koelwater zoals bedoeld in § 1.
De opgenomen hoeveelheid grondwater is gelijk aan het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels.
Indien de heffingsplichtige het opgenomen grondwater niet kan aantonen met behulp van een verzegelde debietmeting met registratie wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan het grondwatervolume bepaald overeenkomstig artikel 28quater, § 2, van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer met uitzondering van de bepaling onder 2°, a).
De opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater is gelijk aan het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels.
Wanneer de hoeveelheid opgenomen oppervlaktewater niet vastgesteld is door middel van een verzegelde debietmeting met registratie wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het gecapteerde volume water dat de beheerder van de betrokken waterweg het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in aanmerking heeft genomen voor het bepalen van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang in het kader van de wetgeving inzake het capteren van oppervlaktewater vastgesteld bij decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991.
Bij captaties uit onbevaarbare oppervlaktewateren en captaties van minder dan 500 m3 per jaar wordt onweerlegbaar vermoed dat de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater gelijk is aan :
de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m3 per uur vermenigvuldigd met T : daarbij is :
- voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit : T = 200;
- voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur : T = 10 x het reële aantal dagen dat de oppervlaktewaterwinning in gebruik geweest is;
- in de overige gevallen T : 2000.
Het overeenkomstig vorig lid berekende volume oppervlaktewater van meer dan 500 m3 wordt teruggebracht tot 500 m3.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder hemelwater verstaan, het hemelwater dat gebruikt wordt voor de activiteiten van de in bijlage vermelde sectoren en/of vervuild wordt en/of samen met het afvalwater geloosd wordt.
De ontvangen hoeveelheid hemelwater is gelijk aan het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels.
Indien de heffingsplichtige het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar volume ontvangen hemelwater niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmeting voorzien van registratie, wordt de hoeveelheid hemelwater gelijkgesteld aan 800 l/m2 afspoelbare of vervuilde oppervlakte tenzij de heffingsplichtige aan de hand van de gegevens afkomstig van het Koninklijk Metereologisch Instituut, kan aantonen dat de neerslag kleiner is dan 800 l/m2.
In afwijking van de vorige paragrafen moeten de systemen voor de registratie van het debiet die vóór 1 januari 2004 in gebruik werden genomen, uiterlijk op 1 januari 2008 zijn verzegeld door de maatschappij. De overige debietmetingssystemen moeten bij de indienstname worden verzegeld indien de heffingsplichtige hiervan gebruik wil maken voor de bepaling van Qj. ";
3° aan artikel 35quinquies wordt een § 11 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 11. Indien de maatschappij onvergunde lozingen bewijst, zal de heffingsplichtige voor de jaren waarin de onregelmatigheden zich hebben voorgedaan, geen aanspraak meer kunnen maken op de berekening van de heffing volgens artikel 35quinquies.
De betreffende meet- en bemonsteringsresultaten worden onweerlegbaar vermoed onjuist te zijn en de heffing wordt herberekend overeenkomstig artikel 35septies en artikel 35terdecies § 2. ";
4° aan artikel 35quinquies wordt een § 12 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 12. Wanneer geldige tegenanalyses zijn uitgevoerd conform de bepalingen van artikel 35quinquies van de wet en de in uitvoering hiervan genomen besluiten wordt voor de bepaling van de componenten N1, N2 en N3 bedoeld in § 1 op dagbasis per parameter het gemiddelde genomen van de resultaten van de analyses en tegenanalyses. "
1° aan § 4 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Indien de heffingsplichtige en de Maatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar monsternemingen hebben laten uitvoeren en de overeenkomstig § 1 vastgestelde N1-waarde berekend op basis van de resultaten van de Maatschappij 30 % hoger ligt dan de N1-waarde bepaald op grond van de resultaten van de heffingsplichtige, worden de componenten N1, N2 en N3 bedoeld in § 1 uitsluitend berekend op basis van de resultaten van de Maatschappij.
In dit geval worden de kosten voor monsterneming en analyses die als basis dienen voor bedoelde heffing ten laste gelegd aan de heffingsplichtige. ";
2° aan artikel 35quinquies wordt een § 10 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 10. Vanaf het heffingsjaar 2005 wordt Qj als volgt bepaald :
Qj : Het jaarvolume geloosd afvalwater (Qj) is de gedurende het volledig kalenderjaar voorafgaand aan het heffingsjaar geloosde hoeveelheid afvalwater, uitgedrukt in m3, vastgesteld met behulp van een continu werkend debietmeetsysteem waarbij doorlopend het geloosde dagdebiet wordt gemeten en dagelijks geregistreerd volgens de door de regering vastgestelde regels. Bij ontstentenis van deze meting wordt Qj vastgesteld als de som van het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar door de drinkwatermaatschappij geleverde drinkwater en van de gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar ontvangen hoeveelheid oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en ander water uitgedrukt in m3, verminderd met de hoeveelheid water gebruikt als koelwater voorzover dit koelwater niet samen met het afvalwater geloosd wordt.
De af te trekken hoeveelheid water gebruikt als koelwater is gelijk aan het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels.
Indien de hoeveelheid gebruikt als koelwater niet is vastgesteld door middel van debietmeetapparatuur wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het geloosde volume vergund koelwater zoals bedoeld in § 1.
De opgenomen hoeveelheid grondwater is gelijk aan het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels.
Indien de heffingsplichtige het opgenomen grondwater niet kan aantonen met behulp van een verzegelde debietmeting met registratie wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan het grondwatervolume bepaald overeenkomstig artikel 28quater, § 2, van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer met uitzondering van de bepaling onder 2°, a).
De opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater is gelijk aan het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels.
Wanneer de hoeveelheid opgenomen oppervlaktewater niet vastgesteld is door middel van een verzegelde debietmeting met registratie wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het gecapteerde volume water dat de beheerder van de betrokken waterweg het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in aanmerking heeft genomen voor het bepalen van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang in het kader van de wetgeving inzake het capteren van oppervlaktewater vastgesteld bij decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991.
Bij captaties uit onbevaarbare oppervlaktewateren en captaties van minder dan 500 m3 per jaar wordt onweerlegbaar vermoed dat de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater gelijk is aan :
de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m3 per uur vermenigvuldigd met T : daarbij is :
- voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit : T = 200;
- voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur : T = 10 x het reële aantal dagen dat de oppervlaktewaterwinning in gebruik geweest is;
- in de overige gevallen T : 2000.
Het overeenkomstig vorig lid berekende volume oppervlaktewater van meer dan 500 m3 wordt teruggebracht tot 500 m3.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder hemelwater verstaan, het hemelwater dat gebruikt wordt voor de activiteiten van de in bijlage vermelde sectoren en/of vervuild wordt en/of samen met het afvalwater geloosd wordt.
De ontvangen hoeveelheid hemelwater is gelijk aan het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels.
Indien de heffingsplichtige het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar volume ontvangen hemelwater niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmeting voorzien van registratie, wordt de hoeveelheid hemelwater gelijkgesteld aan 800 l/m2 afspoelbare of vervuilde oppervlakte tenzij de heffingsplichtige aan de hand van de gegevens afkomstig van het Koninklijk Metereologisch Instituut, kan aantonen dat de neerslag kleiner is dan 800 l/m2.
In afwijking van de vorige paragrafen moeten de systemen voor de registratie van het debiet die vóór 1 januari 2004 in gebruik werden genomen, uiterlijk op 1 januari 2008 zijn verzegeld door de maatschappij. De overige debietmetingssystemen moeten bij de indienstname worden verzegeld indien de heffingsplichtige hiervan gebruik wil maken voor de bepaling van Qj. ";
3° aan artikel 35quinquies wordt een § 11 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 11. Indien de maatschappij onvergunde lozingen bewijst, zal de heffingsplichtige voor de jaren waarin de onregelmatigheden zich hebben voorgedaan, geen aanspraak meer kunnen maken op de berekening van de heffing volgens artikel 35quinquies.
De betreffende meet- en bemonsteringsresultaten worden onweerlegbaar vermoed onjuist te zijn en de heffing wordt herberekend overeenkomstig artikel 35septies en artikel 35terdecies § 2. ";
4° aan artikel 35quinquies wordt een § 12 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 12. Wanneer geldige tegenanalyses zijn uitgevoerd conform de bepalingen van artikel 35quinquies van de wet en de in uitvoering hiervan genomen besluiten wordt voor de bepaling van de componenten N1, N2 en N3 bedoeld in § 1 op dagbasis per parameter het gemiddelde genomen van de resultaten van de analyses en tegenanalyses. "
Art. 30. A l'article 35quinquies de la même loi sont apportées les modifications suivantes.
1° le § 4 est complété par un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
" Si, pendant l'année précédant l'année d'imposition, le redevable et la " Vlaamse Milieumaatschappij " ont fait procéder à des échantillonnages, et la valeur N1 fixée conformément au § 1er et calculée sur la base des résultats de la Société, est de 30 % supérieur à la valeur N1 fixée sur la base des résultats du redevable, les composants N1, N2 et N3 visés au § 1er sont calculés uniquement sur la base des résultats de la Société.
Dans ce cas, les frais des échantillonnages et analyses servant de base à la redevance susvisée, sont à charge du redevable. ";
2° l'article 35quinquies est complété par un § 10, rédigé comme suit :
" § 10. A partir de l'année d'imposition 2005, Qj sera déterminé comme suit :
Qj : Le volume annuel des eaux usées déversées (Qj) est le volume, exprimé en mètres cubes, des eaux usées déversées au cours de l'année précédant l'année d'imposition, fixé à l'aide d'un système de mesure du débit en continu, qui mesure continuellement et enregistre quotidiennement le débit journalier déversé suivant les règles prescrites par le Gouvernement flamand. A défaut de ce mesurage, Qj sera fixé comme la somme des eaux alimentaires fournies par la société publique de distribution d'eau au cours de l'année précédant l'année d'imposition, et de la quantité des eaux de surface, eaux souterraines, eaux pluviales et autres eaux, exprimée en m3, reçues au cours de l'année précédant l'année d'imposition, diminuée de la quantité des eaux utilisées comme eaux de refroidissement dans la mesure où ces eaux de refroidissement ne sont pas déversées ensemble avec les eaux usées.
La quantité des eaux à déduire comme des eaux de refroidissement, est égale au volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement flamand.
Lorsque la quantité qui est utilisée comme des eaux de refroidissement n'a pas été déterminée à l'aide d'un appareil de mesure du débit, cette quantité est présumée irréfragablement être égale au volume déversé des eaux de refroidissement autorisées, tel que visé au § 1er.
La quantité prélevée des eaux souterraines est égale au volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement flamand.
Si le redevable ne peut pas démontrer les eaux souterraines prélevées à l'aide d'une mesure du débit scellée avec enregistrement, cette quantité est présumée irréfragablement être égale au volume des eaux souterraines fixé conformément à l'article 28quater, § 2, du décret du 24 janvier 1984 portant de mesures en matière de gestion des eaux souterraines, à l'exception de la disposition sous 2°, a).
La quantité prélevée des eaux de surface est égale au volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement flamand.
Lorsque la quantité prélevée des eaux de surface n'a pas été déterminée à l'aide d'une mesure du débit scellée avec enregistrement, cette quantité est présumée irréfragablement être égale au volume d'eau captée pris en compte par le gestionnaire de la voie d'eau concernée pendant l'année précédant l'année d'imposition pour la détermination de l'indemnité pour l'autorisation de prise d'eau dans le cadre de la législation en matière de captage d'eau de surface, fixée par le décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions budgétaires techniques ainsi que des dispositions accompagnant le budget 1991.
En cas de captages d'eaux de surface non navigables et captages de moins de 500 m3 par an, la quantité des eaux de surface prélevées est présumée irréfragablement être égale à :
la somme de la capacité nominale des pompes, exprimée en m3 par heure, multipliée par T : où
- pour l'irrigation saisonnière en plein air dans le cadre d'activités agricoles ou horticoles exercées à titre principal : T = 200;
- pour les autres activités saisonnières ou les activités de durée limitée : T = 10 x le nombre réel de jours que la prise d'eau de surface a été en service;
- dans les autres cas T : 2000.
Le volume d'eau de surface de plus de 500 m3, calculé conformément à l'alinéa précédent, est réduit à 500 m3.
Pour l'application du présent article, on entend par eaux pluviales, les eaux pluviales utilisées pour les secteurs mentionnés en annexe et/ou sont polluées et/ou sont déversées avec les eaux usées.
La quantité reçue des eaux pluviales est égale au volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement flamand.
Si le redevable ne peut pas démontrer le volume des eaux pluviales reçues pendant l'année précédant l'année d'imposition, à l'aide d'une mesure du débit scellée avec enregistrement, la quantité des eaux pluviales est assimilée à 800 l/m2 de surface lessivable ou polluée, à moins que le redevable ne puisse démontrer, à l'aide des données provenant de l'Institut royal météorologique, que les précipitations sont inférieures à 800 l/m2.
Par dérogation aux paragraphes précédents, les systèmes d'enregistrement du débit mis en service avant le 1er janvier 2004, devront être scellés par la société le 1er janvier 2008 au plus tard. Les autres systèmes de mesurage du débit doivent être scellés au moment de leur mise en service si le redevable veut les utiliser afin de déterminer Qj. ";
3° l'article 35quinquies est complété par un § 11, rédigé comme suit :
" § 11. Si la société prouve des déversements non autorisés, le redevable ne pourra plus prétendre au calcul de la redevance selon l'article 35quinquies pour les années pendant lesquelles les irrégularités se sont produites.
Les résultats de mesure et d'échantillonnage sont présumés irréfragablement être incorrects et la redevance est recalculée conformément à l'article 35septies et l'article 35terdecies, § 2. ";
4° l'article 35quinquies est complété par un § 12, rédigé comme suit :
" § 12. Lorsque des contre-analyses ont été effectuées conformément aux dispositions de l'article 35quinquies de la loi et des arrêtés pris en exécution de cette loi, on prend, pour la détermination des composants N1, N2 et N3, visés au § 1er, la moyenne des résultats des analyses et contre-analyses sur base journalière et par paramètre. "
1° le § 4 est complété par un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
" Si, pendant l'année précédant l'année d'imposition, le redevable et la " Vlaamse Milieumaatschappij " ont fait procéder à des échantillonnages, et la valeur N1 fixée conformément au § 1er et calculée sur la base des résultats de la Société, est de 30 % supérieur à la valeur N1 fixée sur la base des résultats du redevable, les composants N1, N2 et N3 visés au § 1er sont calculés uniquement sur la base des résultats de la Société.
Dans ce cas, les frais des échantillonnages et analyses servant de base à la redevance susvisée, sont à charge du redevable. ";
2° l'article 35quinquies est complété par un § 10, rédigé comme suit :
" § 10. A partir de l'année d'imposition 2005, Qj sera déterminé comme suit :
Qj : Le volume annuel des eaux usées déversées (Qj) est le volume, exprimé en mètres cubes, des eaux usées déversées au cours de l'année précédant l'année d'imposition, fixé à l'aide d'un système de mesure du débit en continu, qui mesure continuellement et enregistre quotidiennement le débit journalier déversé suivant les règles prescrites par le Gouvernement flamand. A défaut de ce mesurage, Qj sera fixé comme la somme des eaux alimentaires fournies par la société publique de distribution d'eau au cours de l'année précédant l'année d'imposition, et de la quantité des eaux de surface, eaux souterraines, eaux pluviales et autres eaux, exprimée en m3, reçues au cours de l'année précédant l'année d'imposition, diminuée de la quantité des eaux utilisées comme eaux de refroidissement dans la mesure où ces eaux de refroidissement ne sont pas déversées ensemble avec les eaux usées.
La quantité des eaux à déduire comme des eaux de refroidissement, est égale au volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement flamand.
Lorsque la quantité qui est utilisée comme des eaux de refroidissement n'a pas été déterminée à l'aide d'un appareil de mesure du débit, cette quantité est présumée irréfragablement être égale au volume déversé des eaux de refroidissement autorisées, tel que visé au § 1er.
La quantité prélevée des eaux souterraines est égale au volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement flamand.
Si le redevable ne peut pas démontrer les eaux souterraines prélevées à l'aide d'une mesure du débit scellée avec enregistrement, cette quantité est présumée irréfragablement être égale au volume des eaux souterraines fixé conformément à l'article 28quater, § 2, du décret du 24 janvier 1984 portant de mesures en matière de gestion des eaux souterraines, à l'exception de la disposition sous 2°, a).
La quantité prélevée des eaux de surface est égale au volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement flamand.
Lorsque la quantité prélevée des eaux de surface n'a pas été déterminée à l'aide d'une mesure du débit scellée avec enregistrement, cette quantité est présumée irréfragablement être égale au volume d'eau captée pris en compte par le gestionnaire de la voie d'eau concernée pendant l'année précédant l'année d'imposition pour la détermination de l'indemnité pour l'autorisation de prise d'eau dans le cadre de la législation en matière de captage d'eau de surface, fixée par le décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions budgétaires techniques ainsi que des dispositions accompagnant le budget 1991.
En cas de captages d'eaux de surface non navigables et captages de moins de 500 m3 par an, la quantité des eaux de surface prélevées est présumée irréfragablement être égale à :
la somme de la capacité nominale des pompes, exprimée en m3 par heure, multipliée par T : où
- pour l'irrigation saisonnière en plein air dans le cadre d'activités agricoles ou horticoles exercées à titre principal : T = 200;
- pour les autres activités saisonnières ou les activités de durée limitée : T = 10 x le nombre réel de jours que la prise d'eau de surface a été en service;
- dans les autres cas T : 2000.
Le volume d'eau de surface de plus de 500 m3, calculé conformément à l'alinéa précédent, est réduit à 500 m3.
Pour l'application du présent article, on entend par eaux pluviales, les eaux pluviales utilisées pour les secteurs mentionnés en annexe et/ou sont polluées et/ou sont déversées avec les eaux usées.
La quantité reçue des eaux pluviales est égale au volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement flamand.
Si le redevable ne peut pas démontrer le volume des eaux pluviales reçues pendant l'année précédant l'année d'imposition, à l'aide d'une mesure du débit scellée avec enregistrement, la quantité des eaux pluviales est assimilée à 800 l/m2 de surface lessivable ou polluée, à moins que le redevable ne puisse démontrer, à l'aide des données provenant de l'Institut royal météorologique, que les précipitations sont inférieures à 800 l/m2.
Par dérogation aux paragraphes précédents, les systèmes d'enregistrement du débit mis en service avant le 1er janvier 2004, devront être scellés par la société le 1er janvier 2008 au plus tard. Les autres systèmes de mesurage du débit doivent être scellés au moment de leur mise en service si le redevable veut les utiliser afin de déterminer Qj. ";
3° l'article 35quinquies est complété par un § 11, rédigé comme suit :
" § 11. Si la société prouve des déversements non autorisés, le redevable ne pourra plus prétendre au calcul de la redevance selon l'article 35quinquies pour les années pendant lesquelles les irrégularités se sont produites.
Les résultats de mesure et d'échantillonnage sont présumés irréfragablement être incorrects et la redevance est recalculée conformément à l'article 35septies et l'article 35terdecies, § 2. ";
4° l'article 35quinquies est complété par un § 12, rédigé comme suit :
" § 12. Lorsque des contre-analyses ont été effectuées conformément aux dispositions de l'article 35quinquies de la loi et des arrêtés pris en exécution de cette loi, on prend, pour la détermination des composants N1, N2 et N3, visés au § 1er, la moyenne des résultats des analyses et contre-analyses sur base journalière et par paramètre. "
Art. 31. 1° (in artikel35septies van dezelfde wet wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :)
" (§ 1.) Onverminderd de toepassing van artikel 35quinquies, § 5, wordt bij het niet of onvolledig voorhanden zijn van de gegevens bedoeld in artikel 35quinquies, § 4, eerste alinea, de vuilvracht voor één of meer van de termen N1, N2 en N3 als volgt berekend ";
2° aan artikel 35septies wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 2. Vanaf het heffingsjaar 2005 wordt Q als volgt berekend :
Q : Het waterverbruik berekend als de som van het door de drinkwatermaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar gefactureerd waterverbruik en van de gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op een andere wijze ontvangen hoeveelheid oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en ander water, uitgedrukt in m3; ingeval de facturen het waterverbruik niet vermelden, wordt door de Maatschappij aangenomen dat dit verbruik gelijk is aan het quotiënt van enerzijds de door de drinkwatermaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar totaal gefactureerde tariefeenheden, inclusief de gratis geleverde tariefeenheden en anderzijds de deelfactor 2.37 (aangepast aan het ontwerp van programmadecreet).
De opgenomen hoeveelheid grondwater is gelijk aan het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels.
Indien de heffingsplichtige het opgenomen grondwater niet kan aantonen met behulp van een verzegelde debietmeting met registratie wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan het grondwatervolume bepaald overeenkomstig artikel 28quater, § 2, van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer met uitzondering van de bepaling onder 2°, a).
De opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater is gelijk aan het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels.
Wanneer de heffingsplichtige het volume opgenomen oppervlaktewater niet kan aantonen op basis van een verzegelde debietmeting voorzien van registratie, wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het gecapteerde volume water dat de beheerder van de betrokken waterweg het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in aanmerking heeft genomen voor het bepalen van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang in het kader van de wetgeving inzake het capteren van oppervlaktewater vastgesteld bij decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991.
Bij captaties uit onbevaarbare oppervlaktewateren en captaties van minder dan 500 m3 per jaar wordt onweerlegbaar vermoed dat de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater gelijk is aan : de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m3 per uur vermenigvuldigd met T : daarbij is :
- voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit : T = 200;
- voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur : T = 10 x het reële aantal dagen dat de oppervlaktewaterwinning in gebruik geweest is;
- in de overige gevallen T = 2000.
Het overeenkomstig vorig lid berekende volume oppervlaktewater van meer dan 500 m3, wordt teruggebracht tot 500 m3.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder hemelwater verstaan, het hemelwater dat gebruikt wordt voor de activiteiten van de in bijlage vermelde sectoren en/of vervuild wordt.
De ontvangen hoeveelheid hemelwater is gelijk aan het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels.
Indien de heffingsplichtige het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar volume gebruikt of vervuild hemelwater niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmeting voorzien van registratie, wordt de hoeveelheid hemelwater gelijkgesteld aan 800 l/m2 afspoelbare of vervuilde oppervlakte, tenzij de heffingsplichtige aan de hand van de gegevens afkomstig van het Koninklijk Meteorologisch Instituut kan aantonen dat de neerslag kleiner is dan 800 l/m2.
In afwijking van de vorige paragrafen moeten de systemen voor de registratie van het debiet die vóór 1 januari 2004 in gebruik werden genomen uiterlijk op 1 januari 2008 zijn verzegeld door de maatschappij. De overige debietmetingssystemen moeten bij de indienstname worden verzegeld indien de heffingsplichtige hiervan gebruik wil maken voor de bepaling van Q. "
" (§ 1.) Onverminderd de toepassing van artikel 35quinquies, § 5, wordt bij het niet of onvolledig voorhanden zijn van de gegevens bedoeld in artikel 35quinquies, § 4, eerste alinea, de vuilvracht voor één of meer van de termen N1, N2 en N3 als volgt berekend ";
2° aan artikel 35septies wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 2. Vanaf het heffingsjaar 2005 wordt Q als volgt berekend :
Q : Het waterverbruik berekend als de som van het door de drinkwatermaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar gefactureerd waterverbruik en van de gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op een andere wijze ontvangen hoeveelheid oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en ander water, uitgedrukt in m3; ingeval de facturen het waterverbruik niet vermelden, wordt door de Maatschappij aangenomen dat dit verbruik gelijk is aan het quotiënt van enerzijds de door de drinkwatermaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar totaal gefactureerde tariefeenheden, inclusief de gratis geleverde tariefeenheden en anderzijds de deelfactor 2.37 (aangepast aan het ontwerp van programmadecreet).
De opgenomen hoeveelheid grondwater is gelijk aan het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels.
Indien de heffingsplichtige het opgenomen grondwater niet kan aantonen met behulp van een verzegelde debietmeting met registratie wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan het grondwatervolume bepaald overeenkomstig artikel 28quater, § 2, van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer met uitzondering van de bepaling onder 2°, a).
De opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater is gelijk aan het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels.
Wanneer de heffingsplichtige het volume opgenomen oppervlaktewater niet kan aantonen op basis van een verzegelde debietmeting voorzien van registratie, wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het gecapteerde volume water dat de beheerder van de betrokken waterweg het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in aanmerking heeft genomen voor het bepalen van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang in het kader van de wetgeving inzake het capteren van oppervlaktewater vastgesteld bij decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991.
Bij captaties uit onbevaarbare oppervlaktewateren en captaties van minder dan 500 m3 per jaar wordt onweerlegbaar vermoed dat de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater gelijk is aan : de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m3 per uur vermenigvuldigd met T : daarbij is :
- voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit : T = 200;
- voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur : T = 10 x het reële aantal dagen dat de oppervlaktewaterwinning in gebruik geweest is;
- in de overige gevallen T = 2000.
Het overeenkomstig vorig lid berekende volume oppervlaktewater van meer dan 500 m3, wordt teruggebracht tot 500 m3.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder hemelwater verstaan, het hemelwater dat gebruikt wordt voor de activiteiten van de in bijlage vermelde sectoren en/of vervuild wordt.
De ontvangen hoeveelheid hemelwater is gelijk aan het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels.
Indien de heffingsplichtige het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar volume gebruikt of vervuild hemelwater niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmeting voorzien van registratie, wordt de hoeveelheid hemelwater gelijkgesteld aan 800 l/m2 afspoelbare of vervuilde oppervlakte, tenzij de heffingsplichtige aan de hand van de gegevens afkomstig van het Koninklijk Meteorologisch Instituut kan aantonen dat de neerslag kleiner is dan 800 l/m2.
In afwijking van de vorige paragrafen moeten de systemen voor de registratie van het debiet die vóór 1 januari 2004 in gebruik werden genomen uiterlijk op 1 januari 2008 zijn verzegeld door de maatschappij. De overige debietmetingssystemen moeten bij de indienstname worden verzegeld indien de heffingsplichtige hiervan gebruik wil maken voor de bepaling van Q. "
Art. 31. 1° (dans l'article 35septies de la même loi, l'alinéa unique, qui devient § 1er, est remplacé par :)
" (§ 1er.) Sans préjudice de l'application de l'article 35quinquies, § 5, si les données visées à l'article 35quinquies, § 4, premier alinéa, ne sont pas ou qu'en partie disponibles, la charge polluante pour un ou plusieurs des facteurs N1, N2 et N3 est calculée comme suit ";
2° l'article 35septies est complété par un § 2, rédigé comme suit :
" § 2. A partir de l'année d'imposition 2005, Qj sera calculé comme suit :
Q : La consommation d'eau calculée en tant que somme de la consommation d'eau facturée par la société publique de distribution d'eau au cours de l'année précédant l'année d'imposition et la quantité d'eau de surface, d'eau souterraine, d'eau pluviale et autre, captée d'une manière différente pendant la même période, exprimée en m3; au cas où les factures ne mentionnent pas la consommation d'eau, la Société admet que cette consommation soit égale au quotient se composant des unités tarifaires globales facturées par la société publique de distribution d'eau au cours de l'année précédant l'année d'imposition, y compris les unités tarifaires fournies gratuitement, d'une part, et du diviseur 2,37, d'autre part (adapté au projet de décret programme).
La quantité prélevée des eaux souterraines est égale au volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement flamand.
Si le redevable ne peut pas démontrer les eaux souterraines prélevées à l'aide d'une mesure du débit scellée avec enregistrement, cette quantité est présumée irréfragablement être égale au volume des eaux souterraines fixé conformément à l'article 28quater, § 2, du décret du 24 janvier 1984 portant de mesures en matière de gestion des eaux souterraines, à l'exception de la disposition sous 2°, a).
La quantité prélevée des eaux de surface est égale au volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement flamand.
Lorsque le redevable ne peut pas démontrer le volume prélevé des eaux de surface sur la base d'une mesure du débit scellée avec enregistrement, cette quantité est présumée irréfragablement être égale au volume d'eau captée pris en compte par le gestionnaire de la voie d'eau concernée pendant l'année précédant l'année d'imposition pour la détermination de l'indemnité pour l'autorisation de prise d'eau dans le cadre de la législation en matière de captage d'eau de surface, fixée par le décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions budgétaires techniques ainsi que des dispositions accompagnant le budget 1991.
En cas de captages d'eaux de surface non navigables et captages de moins de 500 m3 par an, la quantité des eaux de surface prélevées est présumée irréfragablement être égale à : la somme de la capacité nominale des pompes, exprimée en m3 par heure, multipliée par T : où
- pour l'irrigation saisonnière en plein air dans le cadre d'activités agricoles ou horticoles exercées à titre principal : T = 200;
- pour les autres activités saisonnières ou les activités de durée limitée : T = 10 x le nombre réel de jours que la prise d'eau de surface a été en service;
- dans les autres cas T = 2000.
Le volume d'eau de surface de plus de 500 m3, calculé conformément à l'alinéa précédent, est réduit à 500 m3.
Pour l'application du présent article, on entend par eaux pluviales, les eaux pluviales qui sont utilisées pour les activités des secteurs mentionnés en annexe et/ou sont polluées.
La quantité reçue des eaux pluviales est égale au volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement flamand.
Si le redevable ne peut pas démontrer le volume des eaux pluviales utilisées ou polluées pendant l'année précédant l'année d'imposition, à l'aide d'une mesure du débit scellée avec enregistrement, la quantité des eaux pluviales est assimilée à 800 l/m2 de surface lessivable ou polluée, à moins que le redevable ne puisse démontrer, à l'aide des données provenant de l'Institut royal météorologique, que les précipitations sont inférieures à 800 l/m2.
Par dérogation aux paragraphes précédents, les systèmes d'enregistrement du débit mis en service avant le 1er janvier 2004, devront être scellés par la société le 1er janvier 2008 au plus tard. Les autres systèmes de mesurage du débit doivent être scellés au moment de leur mise en service si le redevable veut les utiliser afin de déterminer Q. "
" (§ 1er.) Sans préjudice de l'application de l'article 35quinquies, § 5, si les données visées à l'article 35quinquies, § 4, premier alinéa, ne sont pas ou qu'en partie disponibles, la charge polluante pour un ou plusieurs des facteurs N1, N2 et N3 est calculée comme suit ";
2° l'article 35septies est complété par un § 2, rédigé comme suit :
" § 2. A partir de l'année d'imposition 2005, Qj sera calculé comme suit :
Q : La consommation d'eau calculée en tant que somme de la consommation d'eau facturée par la société publique de distribution d'eau au cours de l'année précédant l'année d'imposition et la quantité d'eau de surface, d'eau souterraine, d'eau pluviale et autre, captée d'une manière différente pendant la même période, exprimée en m3; au cas où les factures ne mentionnent pas la consommation d'eau, la Société admet que cette consommation soit égale au quotient se composant des unités tarifaires globales facturées par la société publique de distribution d'eau au cours de l'année précédant l'année d'imposition, y compris les unités tarifaires fournies gratuitement, d'une part, et du diviseur 2,37, d'autre part (adapté au projet de décret programme).
La quantité prélevée des eaux souterraines est égale au volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement flamand.
Si le redevable ne peut pas démontrer les eaux souterraines prélevées à l'aide d'une mesure du débit scellée avec enregistrement, cette quantité est présumée irréfragablement être égale au volume des eaux souterraines fixé conformément à l'article 28quater, § 2, du décret du 24 janvier 1984 portant de mesures en matière de gestion des eaux souterraines, à l'exception de la disposition sous 2°, a).
La quantité prélevée des eaux de surface est égale au volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement flamand.
Lorsque le redevable ne peut pas démontrer le volume prélevé des eaux de surface sur la base d'une mesure du débit scellée avec enregistrement, cette quantité est présumée irréfragablement être égale au volume d'eau captée pris en compte par le gestionnaire de la voie d'eau concernée pendant l'année précédant l'année d'imposition pour la détermination de l'indemnité pour l'autorisation de prise d'eau dans le cadre de la législation en matière de captage d'eau de surface, fixée par le décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions budgétaires techniques ainsi que des dispositions accompagnant le budget 1991.
En cas de captages d'eaux de surface non navigables et captages de moins de 500 m3 par an, la quantité des eaux de surface prélevées est présumée irréfragablement être égale à : la somme de la capacité nominale des pompes, exprimée en m3 par heure, multipliée par T : où
- pour l'irrigation saisonnière en plein air dans le cadre d'activités agricoles ou horticoles exercées à titre principal : T = 200;
- pour les autres activités saisonnières ou les activités de durée limitée : T = 10 x le nombre réel de jours que la prise d'eau de surface a été en service;
- dans les autres cas T = 2000.
Le volume d'eau de surface de plus de 500 m3, calculé conformément à l'alinéa précédent, est réduit à 500 m3.
Pour l'application du présent article, on entend par eaux pluviales, les eaux pluviales qui sont utilisées pour les activités des secteurs mentionnés en annexe et/ou sont polluées.
La quantité reçue des eaux pluviales est égale au volume mesuré à l'aide d'une mesure continue du débit avec enregistrement suivant les règles prescrites par le Gouvernement flamand.
Si le redevable ne peut pas démontrer le volume des eaux pluviales utilisées ou polluées pendant l'année précédant l'année d'imposition, à l'aide d'une mesure du débit scellée avec enregistrement, la quantité des eaux pluviales est assimilée à 800 l/m2 de surface lessivable ou polluée, à moins que le redevable ne puisse démontrer, à l'aide des données provenant de l'Institut royal météorologique, que les précipitations sont inférieures à 800 l/m2.
Par dérogation aux paragraphes précédents, les systèmes d'enregistrement du débit mis en service avant le 1er janvier 2004, devront être scellés par la société le 1er janvier 2008 au plus tard. Les autres systèmes de mesurage du débit doivent être scellés au moment de leur mise en service si le redevable veut les utiliser afin de déterminer Q. "
Art. 32. In artikel 35terdecies, § 2, van dezelfde wet wordt na het eerste lid de volgende bepaling ingevoegd :
" Indien in een proces-verbaal van overtreding onvergunde lozingen zijn vastgesteld, wordt voor de jaren waarin de onregelmatigheden zich hebben voorgedaan, de in vorige lid bedoelde termijn geschorst vanaf de datum van het proces-verbaal tot de datum waarop de Maatschappij kennis krijgt van de definitieve gerechtelijke beslissing. "
" Indien in een proces-verbaal van overtreding onvergunde lozingen zijn vastgesteld, wordt voor de jaren waarin de onregelmatigheden zich hebben voorgedaan, de in vorige lid bedoelde termijn geschorst vanaf de datum van het proces-verbaal tot de datum waarop de Maatschappij kennis krijgt van de definitieve gerechtelijke beslissing. "
Art. 32. Dans l'article 35terdecies, § 2, de la même loi, la disposition suivante est insérée après le premier alinéa :
" Si des déversements non autorisés ont été constatés dans un procès-verbal de contravention, le délai visé à l'alinéa précédent sera suspendu, pour les années pendant lesquelles les irrégularités se sont produites, à partir de la date du procès-verbal jusqu'à la date à laquelle la Société prend connaissance de la décision judiciaire définitive. "
" Si des déversements non autorisés ont été constatés dans un procès-verbal de contravention, le délai visé à l'alinéa précédent sera suspendu, pour les années pendant lesquelles les irrégularités se sont produites, à partir de la date du procès-verbal jusqu'à la date à laquelle la Société prend connaissance de la décision judiciaire définitive. "
HOOFDSTUK XX. - Onroerende voorheffing.
CHAPITRE XX. - Précompte immobilier.
Art. 33. Artikel 255, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt, wat het Vlaamse Gewest betreft, vervangen door wat volgt :
" De onroerende voorheffing bedraagt 2,5 % van het kadastraal inkomen, zoals dit is vastgesteld op 1 januari van het aanslagjaar. ".
" De onroerende voorheffing bedraagt 2,5 % van het kadastraal inkomen, zoals dit is vastgesteld op 1 januari van het aanslagjaar. ".
Art. 33. A l'article 255, alinéa premier du Code des impôts sur les revenus 1992 est remplacé par ce qui suit :
" Le précompte immobilier s'élève à 2,5 pc du revenu cadastral tel que celui-ci est établi au 1er janvier de l'exercice d'imposition. "
" Le précompte immobilier s'élève à 2,5 pc du revenu cadastral tel que celui-ci est établi au 1er janvier de l'exercice d'imposition. "
Art. 34. In artikel 255, tweede lid, van hetzelfde Wetboek worden, wat het Vlaamse Gewest betreft, de woorden " 0,8 pct. " vervangen door de woorden " 1,6 % ".
Art. 34. Dans l'article 255, deuxième alinéa du même Code, les mots " 0,8 pc " sont remplacés par les mots " 1,6 pc ", en ce qui concerne la Région flamande.
Art. 35. Artikel 255, tweede lid, van hetzelfde Wetboek wordt, wat het Vlaamse Gewest betreft, aangevuld met de volgende bepaling :
" Voor de huurwoningen behorende tot de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij zelf of behorende tot de door haar erkende maatschappijen enerzijds en voor de woningen die door het Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen in het kader van zijn operaties van huurhulp worden verhuurd, anderzijds, wordt de onroerende voorheffing eveneens vastgesteld op 1,6 %. "
" Voor de huurwoningen behorende tot de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij zelf of behorende tot de door haar erkende maatschappijen enerzijds en voor de woningen die door het Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen in het kader van zijn operaties van huurhulp worden verhuurd, anderzijds, wordt de onroerende voorheffing eveneens vastgesteld op 1,6 %. "
Art. 35. A l'article 255, alinéa premier du même Code est complété par la disposition suivante :
" En ce qui concerne les logements locatifs appartenant à la " Vlaamse Huisvestingsmaatschappij " (Société flamande du Logement) ou aux sociétés agréées par elle, d'une part, et les logements donnés en location par le " Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen " (Fonds flamand du Logement des Familles nombreuses) dans le cadre de ses opérations d'aide locative, d'autre part, le précompte immobilier est fixé également à 1,6 %. "
" En ce qui concerne les logements locatifs appartenant à la " Vlaamse Huisvestingsmaatschappij " (Société flamande du Logement) ou aux sociétés agréées par elle, d'une part, et les logements donnés en location par le " Vlaams Woningfonds van de Grote Gezinnen " (Fonds flamand du Logement des Familles nombreuses) dans le cadre de ses opérations d'aide locative, d'autre part, le précompte immobilier est fixé également à 1,6 %. "
Art. 36. In artikel 257, § 1, 2°, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek worden, wat het Vlaamse Gewest betreft, de woorden " decimale frankgedeelten " vervangen door de woorden " centgedeelten na de tweede decimaal ".
Art. 36. Dans l'article 257, § 1er, 2°, cinquième alinéa du même Code, les mots " décimales de franc " sont remplacés par les mots " parts de centimes après la deuxième décimale ", en ce qui concerne la Région flamande.
Art. 37. In hetzelfde Wetboek wordt, wat het Vlaamse Gewest betreft, een artikel 260ter ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 260ter. Aan de belastingplichtige rechtspersoon wordt een belastingkrediet toegekend dat gelijk is aan het bedrag van de onroerende voorheffing, zoals bepaald in artikel 255.
Dit belastingkrediet komt volledig ten laste van het Vlaamse Gewest. "
" Art. 260ter. Aan de belastingplichtige rechtspersoon wordt een belastingkrediet toegekend dat gelijk is aan het bedrag van de onroerende voorheffing, zoals bepaald in artikel 255.
Dit belastingkrediet komt volledig ten laste van het Vlaamse Gewest. "
Art. 37. Dans le même Code, il est inséré, en ce qui concerne la Région flamande, un article 260ter, rédigé comme suit :
" Article 260ter. Il est alloué à la personne morale contribuable un crédit d'impôt égal au montant du précompte immobilier tel que fixé à l'article 255.
Ce crédit d'impôt est entièrement à charge de la Région flamande. "
" Article 260ter. Il est alloué à la personne morale contribuable un crédit d'impôt égal au montant du précompte immobilier tel que fixé à l'article 255.
Ce crédit d'impôt est entièrement à charge de la Région flamande. "
Art. 38. Artikel 376, § 3, 2°, van hetzelfde Wetboek wordt, wat het Vlaamse Gewest betreft, vervangen door wat volgt :
" 2° van de verminderingen en vrijstellingen voortvloeiend uit de toepassing van de artikelen 88, 131 tot 135, 138, 139, 146 tot 156, 253, 7° en 8°, en 257, voorzover het tot die verminderingen of vrijstellingen aanleiding gevend feit door de administratie werd vastgesteld of door de belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, aan de administratie werd bekendgemaakt binnen drie jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar waartoe de belasting behoort waarop die verminderingen of vrijstellingen moeten worden verleend. "
" 2° van de verminderingen en vrijstellingen voortvloeiend uit de toepassing van de artikelen 88, 131 tot 135, 138, 139, 146 tot 156, 253, 7° en 8°, en 257, voorzover het tot die verminderingen of vrijstellingen aanleiding gevend feit door de administratie werd vastgesteld of door de belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, aan de administratie werd bekendgemaakt binnen drie jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar waartoe de belasting behoort waarop die verminderingen of vrijstellingen moeten worden verleend. "
Art. 38. En ce qui concerne la Région flamande, l'article 376, § 3, 2° du même Code est remplacé par ce qui suit :
" 2° des réductions et exemptions résultant de l'application des articles 88, 131 à 135, 138, 139, 146 à 156, 253, 7° et 8°, et 257, pour autant que le fait générateur de ces réductions ou exemptions ait été constaté par l'administration ou signalé à celle-ci par le redevable ou par son conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement, dans les trois ans à partir du 1er janvier de l'exercice d'imposition auquel appartient l'impôt sur lequel ces réductions ou exemptions doivent être accordées. "
" 2° des réductions et exemptions résultant de l'application des articles 88, 131 à 135, 138, 139, 146 à 156, 253, 7° et 8°, et 257, pour autant que le fait générateur de ces réductions ou exemptions ait été constaté par l'administration ou signalé à celle-ci par le redevable ou par son conjoint sur les biens duquel l'imposition est mise en recouvrement, dans les trois ans à partir du 1er janvier de l'exercice d'imposition auquel appartient l'impôt sur lequel ces réductions ou exemptions doivent être accordées. "
Art. 39. In artikel 433 van hetzelfde Wetboek worden, wat het Vlaamse Gewest betreft, de wijzigingen aangebracht door het koninklijk besluit van 31 maart 2003 houdende invoering van een elektronisch systeem van notificaties tussen de Federale Overheidsdienst Financiën en sommige ministeriële officieren, openbare ambtenaren en andere personen, bekrachtigd.
Art. 39. Dans l'article 433 du même Code, les modifications apportées par l'arrêté royal du 31 mars 2003 instaurant un système de notifications électroniques entre le Service public fédéral Finances et certains officiers ministériels, fonctionnaires publics et autres personnes sont ratifiées en ce qui concerne la Région flamande.
Art. 40. In artikel 434 van hetzelfde Wetboek worden, wat het Vlaamse Gewest betreft, de woorden " in artikel 433 " vervangen door de woorden " naargelang van het geval, in artikel 433, §§ 1 of 2, " en worden de woorden " en bij een ter post aangetekende brief " vervangen door de woorden " en bij een ter post aangetekende brief of door gebruikmaking van informatica- of telegeleidingstechnieken ".
Art. 40. En ce qui concerne la Région flamande, à l'article 434 du même Code, les mots " à l'article 433 " sont remplaces par les mots " selon le cas, à l'article 433, §§ 1er ou 2 ", et les mots " et par lettre recommandée à la poste " sont remplacés par les mots " et par lettre recommandée à la poste ou en utilisant les techniques de l'informatique et de la télématique "
Art. 41. Aan artikel 434 van hetzelfde Wetboek wordt, wat het Vlaamse Gewest betreft, een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden en toepassingsmodaliteiten van dit artikel. "
" De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden en toepassingsmodaliteiten van dit artikel. "
Art. 41. A l'article 434 du même Code, il est ajouté, en ce qui concerne la Région flamande, un deuxième alinéa, libellé comme suit :
" Le Gouvernement flamand arrête les conditions et modalités d'application du présent article. "
" Le Gouvernement flamand arrête les conditions et modalités d'application du présent article. "
Art. 42. Artikel 60 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede de bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991 wordt opgeheven.
Art. 42. L'article 60 du décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions techniques budgétaires ainsi que les dispositions accompagnant le budget 1991, est abrogé.
HOOFDSTUK XXI. - Schenkingsrechten.
CHAPITRE XXI. - Droits de donation.
Art. 43. Artikel 131 van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 131. § 1. Voor de schenkingen onder de levenden van onroerende goederen wordt over het bruto-aandeel van elk der begiftigden een evenredig recht geheven volgens het tarief in onderstaande tabellen aangeduid.
Hierin wordt vermeld :
onder a : het percentage dat toepasselijk is op het overeenstemmende gedeelte;
onder b : het totale bedrag van de belasting over de voorgaande gedeelten.
TABEL I. - Tarief in rechte lijn en tussen echtgenoten.
Gedeelte van de schenking.
" Art. 131. § 1. Voor de schenkingen onder de levenden van onroerende goederen wordt over het bruto-aandeel van elk der begiftigden een evenredig recht geheven volgens het tarief in onderstaande tabellen aangeduid.
Hierin wordt vermeld :
onder a : het percentage dat toepasselijk is op het overeenstemmende gedeelte;
onder b : het totale bedrag van de belasting over de voorgaande gedeelten.
TABEL I. - Tarief in rechte lijn en tussen echtgenoten.
Gedeelte van de schenking.
Art. 43. L'article 131 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe est remplacé par ce qui suit :
" Art. 131. § 1er. Pour les donations entre vifs de biens immeubles, il est perçu un droit proportionnel sur l'émolument brut de chacun des donataires d'après le tarif indiqué dans les tableaux ci-après.
Ceux-ci mentionnent :
sous la lettre a : le pourcentage applicable à la tranche correspondante;
sous la lettre b : le montant total de l'impôt sur les tranches précédentes.
TABLEAU I. - Tarif en ligne directe entre époux.
Tranche de la donation.
" Art. 131. § 1er. Pour les donations entre vifs de biens immeubles, il est perçu un droit proportionnel sur l'émolument brut de chacun des donataires d'après le tarif indiqué dans les tableaux ci-après.
Ceux-ci mentionnent :
sous la lettre a : le pourcentage applicable à la tranche correspondante;
sous la lettre b : le montant total de l'impôt sur les tranches précédentes.
TABLEAU I. - Tarif en ligne directe entre époux.
Tranche de la donation.
| Van EUR | tot inbegrepen EUR | a t.h. | b EUR |
| 0,01 | 12 500 | 3 | - |
| 12 500 | 25 000 | 4 | 375 |
| 25 000 | 50 000 | 5 | 875 |
| 50 000 | 100 000 | 7 | 2 125 |
| 100 000 | 150 000 | 10 | 5 625 |
| 150 000 | 200 000 | 14 | 10 625 |
| 200 000 | 250 000 | 18 | 17 625 |
| 250 000 | 500 000 | 24 | 26 625 |
| Boven de | 500 000 | 30 | 86 625 |
EURtot inbegrepen
EURa
t.h.b
EUR0,0112 5003-12 50025 000437525 00050 000587550 000100 00072 125100 000150 000105 625150 000200 0001410 625200 000250 0001817 625250 000500 0002426 625Boven de500 0003086 625
TABEL II. - Tarief tussen broers en zusters.
Gedeelte van de schenking.
| De EUR | à inclus EUR | a pc | b EUR |
| 0,01 | 12.500 | 3 | - |
| 12.500 | 25.000 | 4 | 375 |
| 25.000 | 50.000 | 5 | 875 |
| 50.000 | 100.000 | 7 | 2.125 |
| 100.000 | 150.000 | 10 | 5.625 |
| 150.000 | 200.000 | 14 | 10.625 |
| 200.000 | 250.000 | 18 | 17.625 |
| 250.000 | 500.000 | 24 | 26.625 |
| Au-delà de | 500.000 | 30 | 86.625 |
EURà inclus
EURa
pcb
EUR0,0112.5003-12.50025.000437525.00050.000587550.000100.00072.125100.000150.000105.625150.000200.0001410.625200.000250.0001817.625250.000500.0002426.625Au-delà de500.0003086.625
TABLEAU II. - Tarif entre frères et soeurs.
Tranche de la donation.
| Van EUR | tot inbegrepen EUR | a t.h. | b EUR |
| 0,01 | 12 500 | 20 | - |
| 12 500 | 25 000 | 25 | 2 500 |
| 25 000 | 75 000 | 35 | 5 625 |
| 75 000 | 175 000 | 50 | 23 125 |
| Boven de | 175 000 | 65 | 73 125 |
EURtot inbegrepen
EURa
t.h.b
EUR0,0112 50020-12 50025 000252 50025 00075 000355 62575 000175 0005023 125Boven de175 0006573 125
TABEL III. - Tarief tussen ooms of tantes en neven en nichten.
Gedeelte van de schenking.
| De EUR | à inclus EUR | a pc | b EUR |
| 0,01 | 12.500 | 20 | - |
| 12.500 | 25.000 | 25 | 2.500 |
| 25.000 | 75.000 | 35 | 5.625 |
| 75.000 | 175.000 | 50 | 23.125 |
| Au-delà de | 175.000 | 65 | 73.125 |
EURà inclus
EURa
pcb
EUR0,0112.50020-12.50025.000252.50025.00075.000355.62575.000175.0005023.125Au-delà de175.0006573.125
TABLEAU III. - Tarif entre oncles ou tantes et neveux ou nièces.
Tranche de la donation.
| Van EUR | tot inbegrepen EUR | a t.h. | b EUR |
| 0,01 | 12 500 | 25 | - |
| 12 500 | 25 000 | 30 | 3 125 |
| 25 000 | 75.000 | 40 | 6 875 |
| 75 000 | 175.000 | 55 | 26 875 |
| Boven de | 175.000 | 70 | 81 875 |
EURtot inbegrepen
EURa
t.h.b
EUR0,0112 50025-12 50025 000303 12525 00075.000406 87575 000175.0005526 875Boven de175.0007081 875
TABEL IV. - Tarief tussen alle andere personen.
Gedeelte van de schenking.
| De EUR | à inclus EUR | a pc | b EUR |
| 0,01 | 12.500 | 25 | - |
| 12.500 | 25.000 | 30 | 3.125 |
| 25.000 | 75.000 | 40 | 6.875 |
| 75.000 | 175.000 | 55 | 26.875 |
| Au-delà de | 175.000 | 70 | 81.875 |
EURà inclus
EURa
pcb
EUR0,0112.50025-12.50025.000303.12525.00075.000406.87575.000175.0005526.875Au-delà de175.0007081.875
TABLEAU IV. - Tarif entre toutes autres personnes.
Tranche de la donation.
| Van EUR | tot inbegrepen EUR | a t.h. | b EUR |
| 0,01 | 12 500 | 30 | - |
| 12 500 | 25 000 | 35 | 3 750 |
| 25 000 | 75 000 | 50 | 8 125 |
| 75 000 | 175 000 | 65 | 33 125 |
| Boven de | 175 000 | 80 | 98 125 |
EURtot inbegrepen
EURa
t.h.b
EUR0,0112 50030-12 50025 000353 75025 00075 000508 12575 000175 0006533 125Boven de175 0008098 125
§ 2. Voor de schenkingen onder de levenden van roerende goederen wordt over het bruto-aandeel van elk der begiftigden een recht geheven van :
1° 3 % voor schenkingen in de rechte lijn en tussen echtgenoten;
2° 7 % voor schenkingen aan andere personen. "
| De EUR | à inclus EUR | a pc | b EUR |
| 0,01 | 12.500 | 30 | |
| 12 500 | 25.000 | 35 | 3.750 |
| 25 000 | 75.000 | 50 | 8.125 |
| 75 000 | 175.000 | 65 | 33.125 |
| Au-delà de | 175.000 | 80 | 98.125 |
EURà inclus
EURa
pcb
EUR0,0112.5003012 50025.000353.75025 00075.000508.12575 000175.0006533.125Au-delà de175.0008098.125
§ 2. Pour les donations entre vifs de biens meubles, il est perçu, sur l'émolument brut de chacun des donataires, un droit de :
1° 3 % pour les donations en ligne directe entre époux;
2° 7 % pour les donations à d'autres personnes. "
Art. 44. Artikel 132.1 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 132.1. Onder echtgenoten worden voor de toepassing van deze afdeling eveneens geacht begrepen te zijn :
1° de persoon die op de dag van de schenking, overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek met de schenker wettelijk samenwoont;
of
2° de persoon of de personen die op de dag van de schenking ten minste één jaar ononderbroken met de schenker samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren. Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de schenker aansluitend op de bedoelde periode van één jaar tot op de dag van de schenking, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. "
" Art. 132.1. Onder echtgenoten worden voor de toepassing van deze afdeling eveneens geacht begrepen te zijn :
1° de persoon die op de dag van de schenking, overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het Burgerlijk Wetboek met de schenker wettelijk samenwoont;
of
2° de persoon of de personen die op de dag van de schenking ten minste één jaar ononderbroken met de schenker samenwonen en er een gemeenschappelijke huishouding mee voeren. Deze voorwaarden worden geacht ook vervuld te zijn indien het samenwonen en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding met de schenker aansluitend op de bedoelde periode van één jaar tot op de dag van de schenking, ingevolge overmacht onmogelijk is geworden. Een uittreksel uit het bevolkingsregister houdt een weerlegbaar vermoeden in van ononderbroken samenwoning en van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. "
Art. 44. L'article 132.1 du même Code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 132.1. Pour l'application de la présente section, on est censé entendre par époux :
1° la personne qui, le jour de la donation, se trouve en situation de cohabitation légale avec le donateur au sens du titre Vbis du livre III du Code civil;
ou
2° la personne ou les personnes qui, le jour de la donation, cohabitent au moins pendant un an de façon ininterrompue avec le donateur, vivant en ménage commun. Ces conditions sont censées être remplies également si la cohabitation et la vie en ménage commun avec le donateur consécutivement à la période susvisée d'un an jusqu'au jour de la donation, sont devenues impossible par force majeure. Un extrait du registre de la population constitue une présomption réfutable de cohabitation ininterrompue et de vie en ménage commun. "
" Art. 132.1. Pour l'application de la présente section, on est censé entendre par époux :
1° la personne qui, le jour de la donation, se trouve en situation de cohabitation légale avec le donateur au sens du titre Vbis du livre III du Code civil;
ou
2° la personne ou les personnes qui, le jour de la donation, cohabitent au moins pendant un an de façon ininterrompue avec le donateur, vivant en ménage commun. Ces conditions sont censées être remplies également si la cohabitation et la vie en ménage commun avec le donateur consécutivement à la période susvisée d'un an jusqu'au jour de la donation, sont devenues impossible par force majeure. Un extrait du registre de la population constitue une présomption réfutable de cohabitation ininterrompue et de vie en ménage commun. "
Art. 45. In artikel 132.2 van hetzelfde Wetboek wordt in het tweede lid 3° vervangen door wat volgt :
" 3° wanneer het adoptief kind, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren hoofdzakelijk van de adoptant, of van deze en zijn levenspartner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen. "
" 3° wanneer het adoptief kind, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren hoofdzakelijk van de adoptant, of van deze en zijn levenspartner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen. "
Art. 45. Dans l'article 132.2, deuxième alinéa du même Code, le 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° lorsque l'enfant adoptif a, avant d'avoir atteint l'âge de vingt et un ans et pendant trois années consécutives, reçu essentiellement de l'adoptant ou de l'adoptant et de son conjoint, les secours et les soins que les enfants reçoivent normalement de leurs parents. "
" 3° lorsque l'enfant adoptif a, avant d'avoir atteint l'âge de vingt et un ans et pendant trois années consécutives, reçu essentiellement de l'adoptant ou de l'adoptant et de son conjoint, les secours et les soins que les enfants reçoivent normalement de leurs parents. "
Art. 46. Artikel 133 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 133. Het recht wordt berekend over de verkoopwaarde van de geschonken goederen, zonder aftrek van lasten.
Evenwel, voor schenkingen van ter beurze genoteerde effecten geldt als belastinggrondslag de waarde volgens de laatste prijscourant op last van de regering bekendgemaakt vóór de datum waarop het recht opeisbaar is geworden.
Voor de schenking van het vruchtgebruik of de blote eigendom van een onroerend goed wordt de belastinggrondslag vastgesteld zoals in de artikelen 47 tot 50 is bepaald.
Voor de schenkingen van het op het leven van de begiftigde of een derde gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen geldt als belastinggrondslag het bedrag verkregen door de vermenigvuldiging van de jaarlijkse opbrengst van de goederen, forfaitair vastgesteld op 4 ten honderd van de volle eigendom van de goederen, met het getal dat in artikel 47, eerste lid, wordt aangegeven tegenover de leeftijdsklasse waartoe diegene op wiens leven het vruchtgebruik gevestigd is, behoort op de datum van de schenking.
Voor de schenkingen van het voor een bepaalde tijd gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen geldt als belastinggrondslag het bedrag verkregen door kapitalisatie van de jaarlijkse opbrengst tegen 4 ten honderd over de duur van het vruchtgebruik bepaald in de schenkingsakte. De jaarlijkse opbrengst van de roerende goederen wordt forfaitair vastgesteld op 4 ten honderd van de volle eigendom van die goederen. Het aldus verkregen bedrag van de belastinggrondslag mag evenwel niet gaan boven de waarde berekend volgens het vierde lid indien het vruchtgebruik gevestigd is ten bate van een natuurlijk persoon, hetzij boven twintigmaal de opbrengst indien het vruchtgebruik gevestigd is ten bate van een rechtspersoon.
Voor de schenkingen van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker is voorbehouden, is de belastinggrondslag de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen.
Voor de schenkingen van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker niet is voorbehouden, is de belastinggrondslag de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik, berekend volgens het vierde of vijfde lid van dit artikel.
Voor schenkingen van een lijfrente of een levenslang pensioen wordt het recht berekend over het jaarlijks bedrag van de uitkering, vermenigvuldigd met de leeftijdscoëfficiënt die volgens de tabel in artikel 47 op de begiftigde moet worden toegepast.
Voor schenkingen van een altijd durende rente wordt het recht berekend over het jaarlijks bedrag van de rente vermenigvuldigd met twintig. "
" Art. 133. Het recht wordt berekend over de verkoopwaarde van de geschonken goederen, zonder aftrek van lasten.
Evenwel, voor schenkingen van ter beurze genoteerde effecten geldt als belastinggrondslag de waarde volgens de laatste prijscourant op last van de regering bekendgemaakt vóór de datum waarop het recht opeisbaar is geworden.
Voor de schenking van het vruchtgebruik of de blote eigendom van een onroerend goed wordt de belastinggrondslag vastgesteld zoals in de artikelen 47 tot 50 is bepaald.
Voor de schenkingen van het op het leven van de begiftigde of een derde gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen geldt als belastinggrondslag het bedrag verkregen door de vermenigvuldiging van de jaarlijkse opbrengst van de goederen, forfaitair vastgesteld op 4 ten honderd van de volle eigendom van de goederen, met het getal dat in artikel 47, eerste lid, wordt aangegeven tegenover de leeftijdsklasse waartoe diegene op wiens leven het vruchtgebruik gevestigd is, behoort op de datum van de schenking.
Voor de schenkingen van het voor een bepaalde tijd gevestigde vruchtgebruik van roerende goederen geldt als belastinggrondslag het bedrag verkregen door kapitalisatie van de jaarlijkse opbrengst tegen 4 ten honderd over de duur van het vruchtgebruik bepaald in de schenkingsakte. De jaarlijkse opbrengst van de roerende goederen wordt forfaitair vastgesteld op 4 ten honderd van de volle eigendom van die goederen. Het aldus verkregen bedrag van de belastinggrondslag mag evenwel niet gaan boven de waarde berekend volgens het vierde lid indien het vruchtgebruik gevestigd is ten bate van een natuurlijk persoon, hetzij boven twintigmaal de opbrengst indien het vruchtgebruik gevestigd is ten bate van een rechtspersoon.
Voor de schenkingen van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker is voorbehouden, is de belastinggrondslag de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen.
Voor de schenkingen van de blote eigendom van roerende goederen waarvan het vruchtgebruik door de schenker niet is voorbehouden, is de belastinggrondslag de verkoopwaarde van de volle eigendom van de goederen, verminderd met de waarde van het vruchtgebruik, berekend volgens het vierde of vijfde lid van dit artikel.
Voor schenkingen van een lijfrente of een levenslang pensioen wordt het recht berekend over het jaarlijks bedrag van de uitkering, vermenigvuldigd met de leeftijdscoëfficiënt die volgens de tabel in artikel 47 op de begiftigde moet worden toegepast.
Voor schenkingen van een altijd durende rente wordt het recht berekend over het jaarlijks bedrag van de rente vermenigvuldigd met twintig. "
Art. 46. L'article 133 du même Code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 133. Le droit est liquidé sur la valeur vénale des biens donnés, sans distraction des charges.
Toutefois, si la donation a pour objet des effets publics cotés en bourse, la base imposable est déterminée par la valeur résultant du dernier prix courant publié par ordre du gouvernement avant la date où le droit est devenu exigible.
Si la donation a pour objet l'usufruit ou la nue-propriété d'un immeuble, la base imposable est déterminée de la manière indiquée aux articles 47 à 50.
Si la donation a pour objet l'usufruit de biens meubles établi sur la tête du donataire ou d'un tiers, la base imposable est le montant obtenu en multipliant le montant annuel de la prestation, fixé de manière forfaitaire à 4 pour cent de la pleine propriété des biens, par le coefficient mentionné à l'article 47, alinéa premier, en regard de la catégorie d'âge à laquelle appartient, à la date de la donation, celui sur la tête duquel l'usufruit a été établi.
Si l'usufruit de biens meubles est établi pour un temps limité, la base imposable est représentée par la somme obtenue en capitalisant au taux de 4 pour cent le revenu annuel pour la durée assignée à l'usufruit par la convention. Le revenu annuel des biens meubles est fixé de manière forfaitaire à 4 pc de la pleine propriété de ces biens. Le montant ainsi obtenu de la base imposable ne peut toutefois excéder la valeur déterminée selon le quatrième alinéa, s'il s'agit d'un usufruit constitué au profit d'une personne physique, soit le montant de vingt fois le revenu s'il s'agit d'un usufruit constitué au profit d'une personne morale.
En ce qui concerne les donations de la nue-propriété de bien meubles dont l'usufruit est réservé par le donateur, la base imposable est la valeur vénale de la pleine propriété des biens.
En ce qui concerne les donations de la nue-propriété de bien meubles dont l'usufruit n'est pas réservé par le donateur, la base imposable est la valeur vénale de la pleine propriété des biens, déduction faite de la valeur de l'usufruit déterminée selon le quatrième ou cinquième alinéa du présent article.
Si la donation a pour objet une rente ou une pension viagère, le droit est liquidé sur le montant annuel de la prestation multiplié par le coefficient indique, selon l'âge du bénéficiaire, au tableau à l'article 47.
Pour les donations d'une rente perpétuelle, le droit est liquidé sur le montant annuel de la rente multiplié par vingt. "
" Art. 133. Le droit est liquidé sur la valeur vénale des biens donnés, sans distraction des charges.
Toutefois, si la donation a pour objet des effets publics cotés en bourse, la base imposable est déterminée par la valeur résultant du dernier prix courant publié par ordre du gouvernement avant la date où le droit est devenu exigible.
Si la donation a pour objet l'usufruit ou la nue-propriété d'un immeuble, la base imposable est déterminée de la manière indiquée aux articles 47 à 50.
Si la donation a pour objet l'usufruit de biens meubles établi sur la tête du donataire ou d'un tiers, la base imposable est le montant obtenu en multipliant le montant annuel de la prestation, fixé de manière forfaitaire à 4 pour cent de la pleine propriété des biens, par le coefficient mentionné à l'article 47, alinéa premier, en regard de la catégorie d'âge à laquelle appartient, à la date de la donation, celui sur la tête duquel l'usufruit a été établi.
Si l'usufruit de biens meubles est établi pour un temps limité, la base imposable est représentée par la somme obtenue en capitalisant au taux de 4 pour cent le revenu annuel pour la durée assignée à l'usufruit par la convention. Le revenu annuel des biens meubles est fixé de manière forfaitaire à 4 pc de la pleine propriété de ces biens. Le montant ainsi obtenu de la base imposable ne peut toutefois excéder la valeur déterminée selon le quatrième alinéa, s'il s'agit d'un usufruit constitué au profit d'une personne physique, soit le montant de vingt fois le revenu s'il s'agit d'un usufruit constitué au profit d'une personne morale.
En ce qui concerne les donations de la nue-propriété de bien meubles dont l'usufruit est réservé par le donateur, la base imposable est la valeur vénale de la pleine propriété des biens.
En ce qui concerne les donations de la nue-propriété de bien meubles dont l'usufruit n'est pas réservé par le donateur, la base imposable est la valeur vénale de la pleine propriété des biens, déduction faite de la valeur de l'usufruit déterminée selon le quatrième ou cinquième alinéa du présent article.
Si la donation a pour objet une rente ou une pension viagère, le droit est liquidé sur le montant annuel de la prestation multiplié par le coefficient indique, selon l'âge du bénéficiaire, au tableau à l'article 47.
Pour les donations d'une rente perpétuelle, le droit est liquidé sur le montant annuel de la rente multiplié par vingt. "
Art. 47. Aan artikel 134 van hetzelfde Wetboek wordt de volgende zin toegevoegd :
" In de mate dat de schenking betrekking heeft op onroerende goederen, wordt de last in hoofde van de derde als schenking belast volgens de in artikel 131, § 1, geldende tarieven. "
" In de mate dat de schenking betrekking heeft op onroerende goederen, wordt de last in hoofde van de derde als schenking belast volgens de in artikel 131, § 1, geldende tarieven. "
Art. 47. A l'article 134 du même Code, la phrase suivante est ajoutée :
" Dans la mesure où la donation a pour objet des biens immeubles, la charge est imposée à titre de donation dans le chef du tiers selon les tarifs fixés à l'article 131, § 1er. "
" Dans la mesure où la donation a pour objet des biens immeubles, la charge est imposée à titre de donation dans le chef du tiers selon les tarifs fixés à l'article 131, § 1er. "
Art. 48. In de eerste zin van artikel 135 van hetzelfde Wetboek worden tussen de woorden " Het bedrag van het " en " recht " de woorden " bij artikel 131, § 1, vastgestelde " toegevoegd.
Art. 48. Dans la première phrase de l'article 135 du même Code, les mots " fixé à l'article 131, § 1er " sont insérés entre les mots " droit " et " liquidé "
Art. 49. In het laatste lid van artikel 136 van hetzelfde Wetboek wordt het woord " wettige " geschrapt.
Art. 49. Au dernier alinéa de l'article 136 du même Code, le mot " légitimes " est supprimé.
Art. 50. In artikel 137 van hetzelfde Wetboek worden tussen de woorden " schenking " en " toepasselijk tarief " en tussen de woorden " heffing op de schenkingen " en " welke reeds " de woorden " van onroerende goederen " toegevoegd.
Art. 50. A l'article 137 du même Code, les mots " de biens immeubles " sont insérés après les mots " donation " et " perception sur les donations ".
Art. 51. In artikel 138.1 van hetzelfde Wetboek worden tussen de woorden " de akten van schenking " en " vermelding " en tussen de woorden " één of meer schenkingen " en " zijn voorgekomen " de woorden " van onroerende goederen " toegevoegd.
Art. 51. A l'article 138.1 du même Code, les mots " de biens immeubles " sont insérés après les mots " actes de donation " et " donations ".
Art. 52. Artikel 139 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 139. Benevens het ontdoken recht zijn de schenker en begiftigde een ondeelbare boete, gelijk aan dat recht verschuldigd bij een onjuiste opgave van :
- hun graad van verwantschap;
- het tussen hen bestaan van een samenwoningsrelatie zoals bedoeld in artikel 132.1. "
" Art. 139. Benevens het ontdoken recht zijn de schenker en begiftigde een ondeelbare boete, gelijk aan dat recht verschuldigd bij een onjuiste opgave van :
- hun graad van verwantschap;
- het tussen hen bestaan van een samenwoningsrelatie zoals bedoeld in artikel 132.1. "
Art. 52. L'article 139 du même Code est remplacé par ce qui suit :
" Article 139. Outre le droit éludé, il est dû indivisiblement par le donateur et le donataire une amende égale audit droit, en cas de désignation inexacte :
- de leur degré de parenté;
- l'existence entre eux d'une relation de cohabitation telle que visée à l'article 132.1. "
" Article 139. Outre le droit éludé, il est dû indivisiblement par le donateur et le donataire une amende égale audit droit, en cas de désignation inexacte :
- de leur degré de parenté;
- l'existence entre eux d'une relation de cohabitation telle que visée à l'article 132.1. "
Art. 53. Artikel 140 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 140. De bij artikel 131 vastgestelde rechten worden gebracht op :
1° 5,5 pct. voor schenkingen aan :
a. provincies, gemeenten, provinciale en gemeentelijke openbare instellingen gelegen in het Vlaamse Gewest;
b. de door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij erkende maatschappijen;
c. de coöperatieve vennootschap " Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen ";
d. dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen zoals bedoeld in het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
2° 7 pct. voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, beroepsverenigingen en internationale verenigingen zonder winstoogmerk, aan de private stichtingen en stichtingen van openbaar nut;
3° 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan stichtingen of rechtspersonen bedoeld in 2°, zo de schenker zelf een dezer stichtingen of rechtspersonen is;
4° 1,10 pct. voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan door de gemeenten aan de pensioenfondsen die zij onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk hebben opgericht in uitvoering van een door de voogdijoverheid goedgekeurd saneringsplan.
De verlagingen vermeld sub 2° en 3° zijn enkel toepasselijk op de Belgische rechtspersonen en op gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben. "
" Art. 140. De bij artikel 131 vastgestelde rechten worden gebracht op :
1° 5,5 pct. voor schenkingen aan :
a. provincies, gemeenten, provinciale en gemeentelijke openbare instellingen gelegen in het Vlaamse Gewest;
b. de door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij erkende maatschappijen;
c. de coöperatieve vennootschap " Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen ";
d. dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen zoals bedoeld in het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
2° 7 pct. voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, aan verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, beroepsverenigingen en internationale verenigingen zonder winstoogmerk, aan de private stichtingen en stichtingen van openbaar nut;
3° 100 euro voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan aan stichtingen of rechtspersonen bedoeld in 2°, zo de schenker zelf een dezer stichtingen of rechtspersonen is;
4° 1,10 pct. voor de schenkingen, inclusief inbrengen om niet, gedaan door de gemeenten aan de pensioenfondsen die zij onder de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk hebben opgericht in uitvoering van een door de voogdijoverheid goedgekeurd saneringsplan.
De verlagingen vermeld sub 2° en 3° zijn enkel toepasselijk op de Belgische rechtspersonen en op gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben. "
Art. 53. L'article 140 du même Code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 140. Les droits fixés à l'article 131 sont portés à :
1° 5,5 pc pour des donations faites :
a. aux provinces, communes, établissements publics provinciaux ou communaux situés en Région flamande;
b. aux sociétés agréées par la Vlaamse Huisvestingsmaatschappij (Société flamande du Logement);
c. à la société coopérative " Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen " (Fonds flamand du Logement des Familles nombreuses);
d. à des associations prestataires de services et chargées de missions, telles que visées dans le décret du 6 juillet 2001 portant réglementation de la coopération intercommunale;
2° 7 pc pour les donations, y compris les apports à titre gratuit, faites aux associations sans but lucratif, aux mutualités ou unions nationales de mutualités, aux unions professionnelles et associations internationales sans but lucratif, aux fondations privées et fondations d'utilité publique;
3° 100 euros pour les donations, y compris les apports à titre gratuit, faites aux fondations ou personnes morales visées au 2°, lorsque le donateur est lui-même l'une de ces fondations ou personnes morales :
4° 1,10 pc pour les donations, y compris les apports à titre gratuit, faites par les communes aux fonds de pension créées par elles sous forme d'association sans but lucratif en exécution d'un plan d'assainissement financier approuvé par l'autorité de tutelle.
Les réductions visées aux 2° et 3° ne sont applicables qu'aux personnes morales belges et aux personnes morales analogues créées conformément et assujetties à la législation d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen et ayant leur siège statutaire, leur direction générale ou leur établissement principal dans l'Espace économique européen. "
" Art. 140. Les droits fixés à l'article 131 sont portés à :
1° 5,5 pc pour des donations faites :
a. aux provinces, communes, établissements publics provinciaux ou communaux situés en Région flamande;
b. aux sociétés agréées par la Vlaamse Huisvestingsmaatschappij (Société flamande du Logement);
c. à la société coopérative " Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen " (Fonds flamand du Logement des Familles nombreuses);
d. à des associations prestataires de services et chargées de missions, telles que visées dans le décret du 6 juillet 2001 portant réglementation de la coopération intercommunale;
2° 7 pc pour les donations, y compris les apports à titre gratuit, faites aux associations sans but lucratif, aux mutualités ou unions nationales de mutualités, aux unions professionnelles et associations internationales sans but lucratif, aux fondations privées et fondations d'utilité publique;
3° 100 euros pour les donations, y compris les apports à titre gratuit, faites aux fondations ou personnes morales visées au 2°, lorsque le donateur est lui-même l'une de ces fondations ou personnes morales :
4° 1,10 pc pour les donations, y compris les apports à titre gratuit, faites par les communes aux fonds de pension créées par elles sous forme d'association sans but lucratif en exécution d'un plan d'assainissement financier approuvé par l'autorité de tutelle.
Les réductions visées aux 2° et 3° ne sont applicables qu'aux personnes morales belges et aux personnes morales analogues créées conformément et assujetties à la législation d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen et ayant leur siège statutaire, leur direction générale ou leur établissement principal dans l'Espace économique européen. "
Art. 54. In artikel 140bis, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek worden tussen de woorden " de schenking " en " van aandelen " de woorden " van de eigendom of het vruchtgebruik " toegevoegd.
In artikel 140bis, § 1, 3°, van hetzelfde Wetboek worden tussen de woorden " de schenking " en " van vorderingen " de woorden " van de eigendom of het vruchtgebruik " toegevoegd.
In artikel 140bis, § 1, 3°, van hetzelfde Wetboek worden tussen de woorden " de schenking " en " van vorderingen " de woorden " van de eigendom of het vruchtgebruik " toegevoegd.
Art. 54. A l'article 140bis, § 1er, 2° du même Code, les mots " de la propriété ou de l'usufruit " sont insérés entre les mots " la donation " et les mots " d'actions "
A l'article 140bis, § 1er, 3° du même Code, les mots " de la propriété ou de l'usufruit " sont insérés entre les mots " la donation " et les mots " de créances "
A l'article 140bis, § 1er, 3° du même Code, les mots " de la propriété ou de l'usufruit " sont insérés entre les mots " la donation " et les mots " de créances "
Art. 55. Het tweede lid van artikel 140bis, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :
" De aandelen dienen minstens 10 % van de stemrechten in de algemene vergadering of van de totaliteit van de aandelen van de vennootschap te vertegenwoordigen. "
" De aandelen dienen minstens 10 % van de stemrechten in de algemene vergadering of van de totaliteit van de aandelen van de vennootschap te vertegenwoordigen. "
Art. 55. Le deuxième alinéa de l'article 140bis, § 1er, 2° du même Code est remplacé par ce qui suit :
" Les actions doivent représenter au moins 10 % des droits de vote à l'assemblée générale ou de la totalité des actions de la société. "
" Les actions doivent représenter au moins 10 % des droits de vote à l'assemblée générale ou de la totalité des actions de la société. "
Art. 56. Artikel 140bis, § 1, 2°, derde lid, b), van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :
" b) de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van aandelen van de betreffende vennootschap, op voorwaarde dat de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder. "
" b) de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van aandelen van de betreffende vennootschap, op voorwaarde dat de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder. "
Art. 56. L'article 140bis, § 1er, 2°, troisième alinéa du même Code est remplacé par ce qui suit :
" b) les certificats d'actions délivrés par des personnes morales ayant leur siège dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, à titre de représentation d'actions de la société concernée, à condition que la personne morale ait l'obligation de transmettre sans délai et au plus tard dans le mois, les dividendes et autres plus-values au porteur du certificat. "
" b) les certificats d'actions délivrés par des personnes morales ayant leur siège dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, à titre de représentation d'actions de la société concernée, à condition que la personne morale ait l'obligation de transmettre sans délai et au plus tard dans le mois, les dividendes et autres plus-values au porteur du certificat. "
Art. 57. In artikel 140bis, § 1, 3°, tweede lid, van hetzelfde Wetboek wordt de tweede zin vervangen door wat volgt :
" Onder vorderingen worden tevens begrepen de certificaten van vorderingen uitgereikt door rechtspersonen met zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van vorderingen op een dergelijke vennootschap, op voorwaarde dat de rechtspersoon de verplichting heeft om de interesten en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder. "
" Onder vorderingen worden tevens begrepen de certificaten van vorderingen uitgereikt door rechtspersonen met zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van vorderingen op een dergelijke vennootschap, op voorwaarde dat de rechtspersoon de verplichting heeft om de interesten en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder. "
Art. 57. Dans l'article 140bis, § 1er, 3°, deuxième alinéa du même Code, la deuxième phrase est remplacée par ce qui suit :
" Par créances on entend également les certificats de créances délivrés par des personnes morales ayant leur siège dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, à titre de représentation de créances sur une telle société, à condition que la personne morale ait l'obligation de transmettre sans délai et au plus tard dans le mois, les intérêts et autres plus-values au porteur du certificat. "
" Par créances on entend également les certificats de créances délivrés par des personnes morales ayant leur siège dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, à titre de représentation de créances sur une telle société, à condition que la personne morale ait l'obligation de transmettre sans délai et au plus tard dans le mois, les intérêts et autres plus-values au porteur du certificat. "
Art. 58. De derde en de vierde zin van artikel 140bis, § 2, van hetzelfde Wetboek worden vervangen als volgt :
" In geval van een schenking als bedoeld in § 1, 2°, van dit artikel moet bovendien de notaris, in of onder aan de akte, naargelang het geval, bevestigen dat de geschonken aandelen hetzij minstens 10 % van de stemrechten in de algemene vergadering van de vennootschap vertegenwoordigen, hetzij minstens 10 % van de totaliteit van de aandelen van de vennootschap vertegenwoordigen. Die bevestiging door de notaris kan vervangen worden door een attest van een bedrijfsrevisor of accountant, dat aan de akte wordt gehecht. "
" In geval van een schenking als bedoeld in § 1, 2°, van dit artikel moet bovendien de notaris, in of onder aan de akte, naargelang het geval, bevestigen dat de geschonken aandelen hetzij minstens 10 % van de stemrechten in de algemene vergadering van de vennootschap vertegenwoordigen, hetzij minstens 10 % van de totaliteit van de aandelen van de vennootschap vertegenwoordigen. Die bevestiging door de notaris kan vervangen worden door een attest van een bedrijfsrevisor of accountant, dat aan de akte wordt gehecht. "
Art. 58. Les troisième et quatrième phrases de l'article 140bis, § 2 du même Code est remplacé par ce qui suit :
" Dans le cas d'une donation telle que visée au § 1er, 2° du présent article, le notaire est en outre tenu de certifier dans l'acte ou au pied de l'acte, selon le cas, que les actions données représentent soit au moins 10 % des droits de vote dans l'assemblée générale de la société, soit au moins 10 % de la totalité des actions de la société. Cette certification par le notaire peut être remplacée par une attestation d'un réviseur d'entreprise ou d'un expert-comptable, annexée à l'acte. "
" Dans le cas d'une donation telle que visée au § 1er, 2° du présent article, le notaire est en outre tenu de certifier dans l'acte ou au pied de l'acte, selon le cas, que les actions données représentent soit au moins 10 % des droits de vote dans l'assemblée générale de la société, soit au moins 10 % de la totalité des actions de la société. Cette certification par le notaire peut être remplacée par une attestation d'un réviseur d'entreprise ou d'un expert-comptable, annexée à l'acte. "
Art. 59. In artikel 140quater van hetzelfde Wetboek wordt het derde lid vervangen door wat volgt :
" Van het niet langer vervuld zijn van een voorwaarde voor het behoud van het verlaagde recht moet de begiftigde kennis geven aan de ontvanger van het kantoor waar de schenkingsakte werd geregistreerd binnen vier maanden te rekenen van het tijdstip waarop de voorwaarde niet meer wordt vervuld. "
" Van het niet langer vervuld zijn van een voorwaarde voor het behoud van het verlaagde recht moet de begiftigde kennis geven aan de ontvanger van het kantoor waar de schenkingsakte werd geregistreerd binnen vier maanden te rekenen van het tijdstip waarop de voorwaarde niet meer wordt vervuld. "
Art. 59. Dans l'article 140quater du même Code, l'alinéa 3 est remplacé par la disposition suivante :
" Le fait qu'une condition requise pour le maintien du droit réduit n'est plus remplie doit être notifié par le donataire dans les quatre mois à compter du moment où la condition n'est plus remplie, au receveur du bureau où l'acte de donation a été enregistré. "
" Le fait qu'une condition requise pour le maintien du droit réduit n'est plus remplie doit être notifié par le donataire dans les quatre mois à compter du moment où la condition n'est plus remplie, au receveur du bureau où l'acte de donation a été enregistré. "
Art. 60. In artikel 140quinquies van hetzelfde Wetboek wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
" In geval het vervuld zijn van de voorwaarden voor het behoud van het verlaagde recht onvoldoende is aangetoond, worden de in het eerste lid van artikel 140quater bedoelde aanvullende rechten opeisbaar alsmede de wettelijke interesten te rekenen van de datum van de registratie van de schenking. "
" In geval het vervuld zijn van de voorwaarden voor het behoud van het verlaagde recht onvoldoende is aangetoond, worden de in het eerste lid van artikel 140quater bedoelde aanvullende rechten opeisbaar alsmede de wettelijke interesten te rekenen van de datum van de registratie van de schenking. "
Art. 60. Dans l'article 140quinquies du même Code, l'alinéa 2 est remplacé par la disposition suivante :
" En cas de preuve insuffisante que les conditions requises pour le maintien du droit réduit ont été remplies, les droits additionnels et l'intérêt légal visés au premier alinéa de l'article 140quater deviennent exigibles, à compter de la date de l'enregistrement de la donation. "
" En cas de preuve insuffisante que les conditions requises pour le maintien du droit réduit ont été remplies, les droits additionnels et l'intérêt légal visés au premier alinéa de l'article 140quater deviennent exigibles, à compter de la date de l'enregistrement de la donation. "
HOOFDSTUK XXII. - Successierechten.
CHAPITRE XXII. - Droits de succession.
Art. 61. Artikel 59 van het Wetboek van successierechten wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 59. De rechten van successie en van overgang bij overlijden worden verlaagd :
1° tot 6,6 procent voor de legaten aan :
a. provincies, gemeenten, provinciale en gemeentelijke openbare instellingen in het Vlaamse Gewest;
b. de door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij erkende maatschappijen;
c. de coöperatieve vennootschap " Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen ";
d. dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen zoals bedoeld in het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
2° tot 8,80 pct. voor de legaten gedaan aan de verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, beroepsverenigingen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk, private stichtingen en stichtingen van openbaar nut. "
" Art. 59. De rechten van successie en van overgang bij overlijden worden verlaagd :
1° tot 6,6 procent voor de legaten aan :
a. provincies, gemeenten, provinciale en gemeentelijke openbare instellingen in het Vlaamse Gewest;
b. de door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij erkende maatschappijen;
c. de coöperatieve vennootschap " Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen ";
d. dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen zoals bedoeld in het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
2° tot 8,80 pct. voor de legaten gedaan aan de verenigingen zonder winstoogmerk, ziekenfondsen en landsbonden van ziekenfondsen, beroepsverenigingen, internationale verenigingen zonder winstoogmerk, private stichtingen en stichtingen van openbaar nut. "
Art. 61. L'article 59 du Code des droits de succession est remplacé par ce qui suit :
" Art. 59. Les droits de succession en cas de décès sont réduits :
1° à 6,6 pour cent pour les legs faits :
a. aux provinces, communes, établissements publics provinciaux ou communaux en Région flamande;
b. aux sociétés agréées par la " Vlaamse Huisvestingsmaatschappij " (Société flamande du Logement);
c. à la société coopérative " Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen " (Fonds flamand du Logement des Familles nombreuses);
d. à des associations prestataires de services et chargées de missions, telles que visées dans le décret du 6 juillet 2001 portant réglementation de la coopération intercommunale;
2° jusqu'à 8,80 pc pour les legs, y compris les apports faits aux associations sans but lucratif, aux mutualités ou unions nationales de mutualités, aux fédérations professionnelles et associations internationales sans but lucratif, aux fondations privées et fondations d'utilité publique. "
" Art. 59. Les droits de succession en cas de décès sont réduits :
1° à 6,6 pour cent pour les legs faits :
a. aux provinces, communes, établissements publics provinciaux ou communaux en Région flamande;
b. aux sociétés agréées par la " Vlaamse Huisvestingsmaatschappij " (Société flamande du Logement);
c. à la société coopérative " Vlaams Woningfonds van de grote gezinnen " (Fonds flamand du Logement des Familles nombreuses);
d. à des associations prestataires de services et chargées de missions, telles que visées dans le décret du 6 juillet 2001 portant réglementation de la coopération intercommunale;
2° jusqu'à 8,80 pc pour les legs, y compris les apports faits aux associations sans but lucratif, aux mutualités ou unions nationales de mutualités, aux fédérations professionnelles et associations internationales sans but lucratif, aux fondations privées et fondations d'utilité publique. "
Art. 62. Artikel 60 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 60. De verlagingen bepaald in artikel 59, 2°, zijn enkel toepasselijk op de Belgische rechtspersonen en op gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben. "
" Art. 60. De verlagingen bepaald in artikel 59, 2°, zijn enkel toepasselijk op de Belgische rechtspersonen en op gelijkaardige rechtspersonen die opgericht zijn volgens en onderworpen zijn aan de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en die bovendien hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging binnen de Europese Economische Ruimte hebben. "
Art. 62. L'article 60 du même Code est remplacé par ce qui suit :
" Art. 60. Les réductions visées à l'article 59, 2°, ne sont applicables qu'aux personnes morales belges et aux personnes morales analogues créées conformément et assujetties à la législation d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen et ayant leur siège statutaire, leur direction générale ou leur établissement principal dans l'Espace économique européen. "
" Art. 60. Les réductions visées à l'article 59, 2°, ne sont applicables qu'aux personnes morales belges et aux personnes morales analogues créées conformément et assujetties à la législation d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen et ayant leur siège statutaire, leur direction générale ou leur établissement principal dans l'Espace économique européen. "
Art. 63. Artikel 60bis, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :
" Voor de berekening van de 50 procent wordt tevens rekening gehouden met de activa of de aandelen :
- die in het bezit zijn of waren van ascendenten of descendenten en hun echtgenoten, of van zijverwanten van de overledene tot en met de tweede graad en hun echtgenoten;
- die in het bezit zijn van kinderen van vooroverleden broers en zusters van de overledene. "
" Voor de berekening van de 50 procent wordt tevens rekening gehouden met de activa of de aandelen :
- die in het bezit zijn of waren van ascendenten of descendenten en hun echtgenoten, of van zijverwanten van de overledene tot en met de tweede graad en hun echtgenoten;
- die in het bezit zijn van kinderen van vooroverleden broers en zusters van de overledene. "
Art. 63. L'article 60bis, § 1er, deuxième alinéa, du même Code est remplacé par ce qui suit :
" Pour le calcul des 50 pour cent, il est tenu compte également des actifs ou actions :
- qui sont ou étaient détenus par des ascendants ou descendants et leurs époux, ou de parents latéraux du défunt jusqu'au deuxième degré inclus, et leurs époux;
- détenus par des enfants de frères et soeurs du défunt décédés antérieurement. "
" Pour le calcul des 50 pour cent, il est tenu compte également des actifs ou actions :
- qui sont ou étaient détenus par des ascendants ou descendants et leurs époux, ou de parents latéraux du défunt jusqu'au deuxième degré inclus, et leurs époux;
- détenus par des enfants de frères et soeurs du défunt décédés antérieurement. "
Art. 64. Artikel 60bis, § 4, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :
" § 4. Onder aandelen wordt tevens begrepen :
- maatschappelijke rechten in vennootschappen;
- de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van aandelen van familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder.
Onder vorderingen wordt tevens begrepen : de certificaten van vorderingen, uitgereikt door rechtspersonen met zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van vorderingen op familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de intresten en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder. "
" § 4. Onder aandelen wordt tevens begrepen :
- maatschappelijke rechten in vennootschappen;
- de certificaten van aandelen, uitgereikt door rechtspersonen met zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van aandelen van familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de dividenden en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder.
Onder vorderingen wordt tevens begrepen : de certificaten van vorderingen, uitgereikt door rechtspersonen met zetel in een van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ter vertegenwoordiging van vorderingen op familiale vennootschappen die aan de gestelde voorwaarden voldoen en waarvan de rechtspersoon de verplichting heeft om de intresten en andere vermogensvoordelen onmiddellijk en ten laatste binnen de maand door te storten aan de certificaathouder. "
Art. 64. L'article 60bis, § 4 du même Code est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Par actions on entend également :
- les droits sociaux dans des sociétés;
- les certificats d'actions délivrés par des personnes morales ayant leur siège dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, à titre de représentation d'actions de sociétés familiales qui remplissent les conditions posées et dont la personne morale à l'obligation de transmettre sans délai et au plus tard dans le mois, les dividendes et autres plus-values au porteur du certificat.
Par créances on entend également : les certificats de créances délivrés par des personnes morales ayant leur siège dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, à titre de représentation de créances sur des sociétés familiales qui remplissent les conditions posées et dont la personne morale à l'obligation de transmettre sans délai et au plus tard dans le mois, les intérêts et autres plus-values au porteur du certificat. "
" § 4. Par actions on entend également :
- les droits sociaux dans des sociétés;
- les certificats d'actions délivrés par des personnes morales ayant leur siège dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, à titre de représentation d'actions de sociétés familiales qui remplissent les conditions posées et dont la personne morale à l'obligation de transmettre sans délai et au plus tard dans le mois, les dividendes et autres plus-values au porteur du certificat.
Par créances on entend également : les certificats de créances délivrés par des personnes morales ayant leur siège dans l'un des Etats membres de l'Espace économique européen, à titre de représentation de créances sur des sociétés familiales qui remplissent les conditions posées et dont la personne morale à l'obligation de transmettre sans délai et au plus tard dans le mois, les intérêts et autres plus-values au porteur du certificat. "
Art. 65. Artikel 66bis, tweede lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :
" Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor :
- schenkingen van percelen grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd zijn voor woningbouw en waarop het in artikel 140nonies, sub a), van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten bepaalde evenredig recht werd geheven;
- schenkingen van roerende goederen waarop het in artikel 131, § 2, van hetzelfde Wetboek bepaalde evenredig recht werd geheven;
- schenkingen van ondernemingen waarop het in artikel 140bis van hetzelfde Wetboek bepaalde evenredig recht werd geheven. "
" Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor :
- schenkingen van percelen grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd zijn voor woningbouw en waarop het in artikel 140nonies, sub a), van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten bepaalde evenredig recht werd geheven;
- schenkingen van roerende goederen waarop het in artikel 131, § 2, van hetzelfde Wetboek bepaalde evenredig recht werd geheven;
- schenkingen van ondernemingen waarop het in artikel 140bis van hetzelfde Wetboek bepaalde evenredig recht werd geheven. "
Art. 65. L'article 66bis, deuxième alinéa, du même Code est remplacé par ce qui suit :
" La disposition de l'alinéa premier n'est pas applicable :
- aux donations de parcelles de terrain destinées à la construction d'habitations selon les prescriptions d'urbanisme et ayant fait l'objet du droit proportionnel fixé à l'article 140nonies, a), du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe;
- aux donations de biens meubles ayant fait l'objet du droit proportionnel fixé à l'article 131, § 2, du même Code;
- aux donations d'entreprises ayant fait l'objet du droit proportionnel fixé à l'article 140bis, du même Code. "
" La disposition de l'alinéa premier n'est pas applicable :
- aux donations de parcelles de terrain destinées à la construction d'habitations selon les prescriptions d'urbanisme et ayant fait l'objet du droit proportionnel fixé à l'article 140nonies, a), du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe;
- aux donations de biens meubles ayant fait l'objet du droit proportionnel fixé à l'article 131, § 2, du même Code;
- aux donations d'entreprises ayant fait l'objet du droit proportionnel fixé à l'article 140bis, du même Code. "
HOOFDSTUK XXIII. - Leegstand van bedrijfsruimten.
CHAPITRE XXIII. - Désaffectation de sites d'activité économique.
Art. 66. Artikel 2, 2°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten wordt vervangen door wat volgt :
" 2° Economische activiteit : iedere industriële, ambachtelijke, handels-, diensten-, landbouw- of tuinbouw-, opslag of administratieve activiteit. "
" 2° Economische activiteit : iedere industriële, ambachtelijke, handels-, diensten-, landbouw- of tuinbouw-, opslag of administratieve activiteit. "
Art. 66. L'article 2, 2° du décret du 19 avril 1995 portant des mesures visant à lutter contre et à prévenir la désaffectation et l'abandon de sites d'activité économique est remplacé par ce qui suit :
" 2° Activité économique : toute activité industrielle, artisanale, commerciale, de services, agricole ou horticole, de stockage ou administrative. "
" 2° Activité économique : toute activité industrielle, artisanale, commerciale, de services, agricole ou horticole, de stockage ou administrative. "
Art. 67. Artikel 27 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 27. § 1. Voor het ontduiken van de heffing is een administratieve geldboete verschuldigd die gelijk is aan het dubbele van de ontdoken heffing.
§ 2. Indien blijkt dat de heffing ingevolge een beslissing tot ambtshalve ontheffing of ingevolge een beslissing bedoeld in artikel 26, § 6, niet verschuldigd is, zal eveneens de reeds ingekohierde administratieve geldboete wegens ontduiking van die heffing niet verschuldigd zijn.
Indien blijkt dat de heffing ingevolge een beslissing tot ambtshalve ontheffing of ingevolge een beslissing bedoeld in artikel 26, § 6, slechts gedeeltelijk verschuldigd is, is de administratieve geldboete wegens ontduiking gelijk aan het dubbele van het verschuldigd gedeelte van de heffing, en zal bijgevolg de eventueel reeds ingekohierde administratieve geldboete niet verschuldigd zijn voor het bedrag dat het dubbele van het verschuldigd gedeelte van de heffing overstijgt. "
" Art. 27. § 1. Voor het ontduiken van de heffing is een administratieve geldboete verschuldigd die gelijk is aan het dubbele van de ontdoken heffing.
§ 2. Indien blijkt dat de heffing ingevolge een beslissing tot ambtshalve ontheffing of ingevolge een beslissing bedoeld in artikel 26, § 6, niet verschuldigd is, zal eveneens de reeds ingekohierde administratieve geldboete wegens ontduiking van die heffing niet verschuldigd zijn.
Indien blijkt dat de heffing ingevolge een beslissing tot ambtshalve ontheffing of ingevolge een beslissing bedoeld in artikel 26, § 6, slechts gedeeltelijk verschuldigd is, is de administratieve geldboete wegens ontduiking gelijk aan het dubbele van het verschuldigd gedeelte van de heffing, en zal bijgevolg de eventueel reeds ingekohierde administratieve geldboete niet verschuldigd zijn voor het bedrag dat het dubbele van het verschuldigd gedeelte van de heffing overstijgt. "
Art. 67. L'article 27 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 27. § 1. En cas de fraude, une amende administrative égale au double de la redevance éludée est due.
§ 2. S'il s'avère que la redevance n'est pas due suite à une décision d'exonération d'office ou suite à une décision visée à l'article 26, § 6, l'amende administrative déjà enrôlée pour avoir éludé cette redevance ne sera pas due non plus.
S'il s'avère que la redevance n'est due que partiellement, suite à une décision d'exonération d'office ou à une décision telle que visée à l'article 26, § 6, l'amende administrative due pour fraude égale le double de la partie due de la redevance et, par conséquent, l'amende administrative éventuellement déjà enrôlée ne sera pas due à concurrence du montant excédant le double de la partie due de la redevance. "
" Art. 27. § 1. En cas de fraude, une amende administrative égale au double de la redevance éludée est due.
§ 2. S'il s'avère que la redevance n'est pas due suite à une décision d'exonération d'office ou suite à une décision visée à l'article 26, § 6, l'amende administrative déjà enrôlée pour avoir éludé cette redevance ne sera pas due non plus.
S'il s'avère que la redevance n'est due que partiellement, suite à une décision d'exonération d'office ou à une décision telle que visée à l'article 26, § 6, l'amende administrative due pour fraude égale le double de la partie due de la redevance et, par conséquent, l'amende administrative éventuellement déjà enrôlée ne sera pas due à concurrence du montant excédant le double de la partie due de la redevance. "
Art. 68. In artikel 30 van hetzelfde decreet wordt de eerste zin vervangen door wat volgt :
" Als de heffing, intresten en administratieve geldboete niet voldaan worden, kunnen de met de invordering belaste ambtenaren een dwangbevel uitvaardigen. "
" Als de heffing, intresten en administratieve geldboete niet voldaan worden, kunnen de met de invordering belaste ambtenaren een dwangbevel uitvaardigen. "
Art. 68. Dans l'article 30 du même décret, la première phrase est remplacée par la disposition suivante :
" Si la redevance, les intérêts et l'amende administrative ne sont pas acquittés, les fonctionnaires chargés du recouvrement sont autorisés à lancer une contrainte. "
" Si la redevance, les intérêts et l'amende administrative ne sont pas acquittés, les fonctionnaires chargés du recouvrement sont autorisés à lancer une contrainte. "
Art. 69. Artikel 32 van hetzelfde decreet wordt vervangen door hetgeen volgt :
" Art. 32. § 1. Tot zekerheid van de voldoening van de heffing, intresten, administratieve geldboete en de kosten heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de heffingsplichtige. Het kan een wettelijke hypotheek vestigen op alle goederen die daarvoor vatbaar zijn en in het Vlaamse Gewest gelegen zijn van de persoon op wiens naam de aanslag is ingekohierd.
§ 2. Het voorrecht bedoeld in § 1 neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de Hypotheekwet.
§ 3. De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt.
§ 4. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaren, bedoeld in artikel 30.
§ 5. Artikel 19 van de Faillissementswet is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de verschuldigde heffing waarvoor de inschrijving is genomen voor en waarvan betekening aan de heffingsschuldige is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring. "
" Art. 32. § 1. Tot zekerheid van de voldoening van de heffing, intresten, administratieve geldboete en de kosten heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de heffingsplichtige. Het kan een wettelijke hypotheek vestigen op alle goederen die daarvoor vatbaar zijn en in het Vlaamse Gewest gelegen zijn van de persoon op wiens naam de aanslag is ingekohierd.
§ 2. Het voorrecht bedoeld in § 1 neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de Hypotheekwet.
§ 3. De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt.
§ 4. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaren, bedoeld in artikel 30.
§ 5. Artikel 19 van de Faillissementswet is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de verschuldigde heffing waarvoor de inschrijving is genomen voor en waarvan betekening aan de heffingsschuldige is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring. "
Art. 69. L'article 32 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 32. § 1er. Dans le but de s'assurer du paiement de la redevance, des intérêts, de l'amende administrative et des frais, la Région flamande jouit d'un privilège général sur tous les biens meubles du redevable. Elle peut constituer une hypothèque légale sur tous les biens susceptibles d'être pris en considération à cette fin situés dans la Région flamande et appartenant à la personne au nom de laquelle l'impôt est enrôlé.
§ 2. Le privilège visé au § 1er prend rang immédiatement après les privilèges mentionnés aux articles 19 et 20 de la Loi hypothécaire.
§ 3. Le rang de l'hypothèque légale est fixé par la date de l'inscription prise.
§ 4. L'hypothèque est inscrite à la demande des fonctionnaires visés à l'article 30.
§ 5. L'article 19 de la Loi sur les faillites ne s'applique pas à l'hypothèque légale en matière de redevance due pour laquelle l'inscription est prise et qui est signifiée au redevable avant le jugement déclaratif de faillite. "
" Art. 32. § 1er. Dans le but de s'assurer du paiement de la redevance, des intérêts, de l'amende administrative et des frais, la Région flamande jouit d'un privilège général sur tous les biens meubles du redevable. Elle peut constituer une hypothèque légale sur tous les biens susceptibles d'être pris en considération à cette fin situés dans la Région flamande et appartenant à la personne au nom de laquelle l'impôt est enrôlé.
§ 2. Le privilège visé au § 1er prend rang immédiatement après les privilèges mentionnés aux articles 19 et 20 de la Loi hypothécaire.
§ 3. Le rang de l'hypothèque légale est fixé par la date de l'inscription prise.
§ 4. L'hypothèque est inscrite à la demande des fonctionnaires visés à l'article 30.
§ 5. L'article 19 de la Loi sur les faillites ne s'applique pas à l'hypothèque légale en matière de redevance due pour laquelle l'inscription est prise et qui est signifiée au redevable avant le jugement déclaratif de faillite. "
Art. 70. Artikel 41 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 41. § 1. Indien de krachtens artikelen 34, 36 en 38 toegestane opschortingen bij het verstrijken van de toegestane opschortingstermijnen niet resulteren in een beëindiging van de vernieuwing en/of de leegstand, is de opgeschorte heffing alsnog verschuldigd voor deze termijnen vermeerderd met de intresten.
§ 2. Indien de eigenaar aan wie een opschorting van de heffing krachtens artikelen 34, 36 of 38 is toegestaan, overgaat tot overdracht van het aan de heffing onderworpen goed, is de opgeschorte heffing, vermeerderd met de intresten, voor de termijn waarvoor de opschorting werd verkregen tot de datum van de authentieke akte van overdracht, alsnog verschuldigd.
§ 3. Indien de eigenaar aan wie een opschorting van de heffing krachtens artikel 40 is toegestaan, overgaat tot overdracht van het aan de heffing onderworpen goed, is de opgeschorte heffing, vermeerderd met de intresten, alsnog verschuldigd vanaf de datum van betekening met een aangetekende brief zoals vermeld onder artikel 12. "
" Art. 41. § 1. Indien de krachtens artikelen 34, 36 en 38 toegestane opschortingen bij het verstrijken van de toegestane opschortingstermijnen niet resulteren in een beëindiging van de vernieuwing en/of de leegstand, is de opgeschorte heffing alsnog verschuldigd voor deze termijnen vermeerderd met de intresten.
§ 2. Indien de eigenaar aan wie een opschorting van de heffing krachtens artikelen 34, 36 of 38 is toegestaan, overgaat tot overdracht van het aan de heffing onderworpen goed, is de opgeschorte heffing, vermeerderd met de intresten, voor de termijn waarvoor de opschorting werd verkregen tot de datum van de authentieke akte van overdracht, alsnog verschuldigd.
§ 3. Indien de eigenaar aan wie een opschorting van de heffing krachtens artikel 40 is toegestaan, overgaat tot overdracht van het aan de heffing onderworpen goed, is de opgeschorte heffing, vermeerderd met de intresten, alsnog verschuldigd vanaf de datum van betekening met een aangetekende brief zoals vermeld onder artikel 12. "
Art. 70. L'article 41 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 41. § 1er. Lorsque, à l'expiration des délais de suspension autorisés, les suspensions accordées en vertu des articles 34, 36 et 38 ne se traduisent pas par l'achèvement de la rénovation et/ou la cessation de la désaffectation, la redevance suspendue reste due pendant ces délais, majorée des intérêts.
§ 2. Lorsque le propriétaire qui a bénéficié d'une suspension de la redevance en vertu des articles 34, 36 ou 38, procède au transfert du bien soumis à la redevance, la redevance suspendue, majorée des intérêts, reste due pendant le délai pour lequel une suspension a été accordée et jusqu'à la date de l'acte authentique de transfert.
§ 3. Lorsque le propriétaire qui a bénéficié d'une suspension de redevance en vertu de l'article 40 procède au transfert du bien soumis à la redevance, la redevance suspendue, majorée des intérêts, reste due à partir de la date de la notification par lettre recommandée comme mentionné à l'article 12. "
" Art. 41. § 1er. Lorsque, à l'expiration des délais de suspension autorisés, les suspensions accordées en vertu des articles 34, 36 et 38 ne se traduisent pas par l'achèvement de la rénovation et/ou la cessation de la désaffectation, la redevance suspendue reste due pendant ces délais, majorée des intérêts.
§ 2. Lorsque le propriétaire qui a bénéficié d'une suspension de la redevance en vertu des articles 34, 36 ou 38, procède au transfert du bien soumis à la redevance, la redevance suspendue, majorée des intérêts, reste due pendant le délai pour lequel une suspension a été accordée et jusqu'à la date de l'acte authentique de transfert.
§ 3. Lorsque le propriétaire qui a bénéficié d'une suspension de redevance en vertu de l'article 40 procède au transfert du bien soumis à la redevance, la redevance suspendue, majorée des intérêts, reste due à partir de la date de la notification par lettre recommandée comme mentionné à l'article 12. "
HOOFDSTUK XXIV. - Economisch ondersteuningsbeleid.
CHAPITRE XXIV. - Politique d'aide économique.
Art. 71. § 1. Artikel 17 van het decreet van 31 januari 2003 betreffende het economisch ondersteuningsbeleid wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 17. De Vlaamse regering kan steun verlenen aan kleine en middelgrote ondernemingen voor extern(e) advies en studie onder de voorwaarden vermeld in de KMO-verordening, dit decreet en de uitvoeringsbesluiten en aan natuurlijke personen voor extern(e) advies en studie onder de voorwaarden van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten. "
§ 2. Artikel 18, § 2, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Diensten van permanente of periodieke aard van de onderneming en diensten die tot de gewone bedrijfsuitgaven van de onderneming behoren, komen niet in aanmerking. "
§ 3. Artikel 19 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 19. De Vlaamse regering kan voor studie en advies, tot maximaal 50 % steun verlenen aan ondernemingen en tot maximaal 75 % steun verlenen aan natuurlijke personen.
De Vlaamse regering bepaalt de verdere uitvoeringsmodaliteiten. "
" Art. 17. De Vlaamse regering kan steun verlenen aan kleine en middelgrote ondernemingen voor extern(e) advies en studie onder de voorwaarden vermeld in de KMO-verordening, dit decreet en de uitvoeringsbesluiten en aan natuurlijke personen voor extern(e) advies en studie onder de voorwaarden van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten. "
§ 2. Artikel 18, § 2, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Diensten van permanente of periodieke aard van de onderneming en diensten die tot de gewone bedrijfsuitgaven van de onderneming behoren, komen niet in aanmerking. "
§ 3. Artikel 19 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 19. De Vlaamse regering kan voor studie en advies, tot maximaal 50 % steun verlenen aan ondernemingen en tot maximaal 75 % steun verlenen aan natuurlijke personen.
De Vlaamse regering bepaalt de verdere uitvoeringsmodaliteiten. "
Art. 71. § 1er. L'article 17 du décret du 31 janvier 2003 relatif à la politique d'aide économique est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 17. Le Gouvernement flamand peut accorder des aides aux petites et moyennes entreprises pour des études et services de conseil extérieurs aux conditions énoncées dans le règlement PME, le présent décret et les arrêtés d'exécution et à des personnes physiques pour des études et services de conseil extérieurs aux conditions énoncées dans le présent décret et les arrêtés d'exécution. "
§ 2. L'article 18, § 2, deuxième alinéa, du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Les services de nature permanente ou périodique de l'entreprise et les services qui font partie des dépenses normales d'exploitation de l'entreprise, ne sont pas admissibles. "
§ 3. L'article 19 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 19. Le Gouvernement flamand peut accorder des aides pour des études et des services de conseil jusqu'à 50 % au maximum pour les entreprises et jusqu'à 75 % pour des personnes physiques.
Le Gouvernement flamand détermine les modalités d'exécution plus détaillées. "
" Art. 17. Le Gouvernement flamand peut accorder des aides aux petites et moyennes entreprises pour des études et services de conseil extérieurs aux conditions énoncées dans le règlement PME, le présent décret et les arrêtés d'exécution et à des personnes physiques pour des études et services de conseil extérieurs aux conditions énoncées dans le présent décret et les arrêtés d'exécution. "
§ 2. L'article 18, § 2, deuxième alinéa, du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Les services de nature permanente ou périodique de l'entreprise et les services qui font partie des dépenses normales d'exploitation de l'entreprise, ne sont pas admissibles. "
§ 3. L'article 19 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 19. Le Gouvernement flamand peut accorder des aides pour des études et des services de conseil jusqu'à 50 % au maximum pour les entreprises et jusqu'à 75 % pour des personnes physiques.
Le Gouvernement flamand détermine les modalités d'exécution plus détaillées. "
HOOFDSTUK XXV. - VZW BAN Vlaanderen.
CHAPITRE XXV. - " VZW BAN Vlaanderen ".
Art. 72. § 1. De Vlaamse regering wordt gemachtigd toe te treden tot de VZW BAN Vlaanderen.
§ 2. Met haar toetreding tot deze VZW heeft de Vlaamse regering tot doel actief mee te werken aan de promotie van business angel financiering als financieringsinstrument voor kleinere ondernemingen die omwille van het risicovol karakter van de projecten of de hoge due diligence kost moeilijk of geen reguliere financieringsbronnen vinden.
§ 2. Met haar toetreding tot deze VZW heeft de Vlaamse regering tot doel actief mee te werken aan de promotie van business angel financiering als financieringsinstrument voor kleinere ondernemingen die omwille van het risicovol karakter van de projecten of de hoge due diligence kost moeilijk of geen reguliere financieringsbronnen vinden.
Art. 72. § 1er. Le Gouvernement flamand est autorisé à adhérer à la " VZW BAN Vlaanderen ".
§ 2. En adhérant à cette asbl, le Gouvernement flamand vise à soutenir activement la promotion des investissements par les Business Angels comme outil de financement pour des petites entreprises qui, de par le caractère risqué des projets ou du coût élevé de la due diligence, n'ont pas ou ont à peine accès aux sources de financement normales.
§ 2. En adhérant à cette asbl, le Gouvernement flamand vise à soutenir activement la promotion des investissements par les Business Angels comme outil de financement pour des petites entreprises qui, de par le caractère risqué des projets ou du coût élevé de la due diligence, n'ont pas ou ont à peine accès aux sources de financement normales.
HOOFDSTUK XXVI. - Bedrijventerreinen.
CHAPITRE XXVI. - Zones d'activité économique.
HOOFDSTUK XXVII. - Opleidingscheques.
CHAPITRE XXVII. - Chèques-formation.
Art. 79. De Vlaamse regering kan steun verlenen aan ondernemingen voor opleiding van werkenden.
De Vlaamse regering bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten.
Voor de toepassing van deze bepaling wordt verstaan onder onderneming : " de natuurlijke personen die koopman zijn of een zelfstandig beroep uitoefenen, de vennootschappen die de rechtsvorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen, de verenigingen zonder winstoogmerk, de Europese economische samenwerkingsverbanden, en de economische samenwerkingsverbanden die beschikken over een exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest of zich ertoe verbinden in het Vlaamse Gewest een exploitatiezetel te vestigen ".
De Vlaamse regering bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten.
Voor de toepassing van deze bepaling wordt verstaan onder onderneming : " de natuurlijke personen die koopman zijn of een zelfstandig beroep uitoefenen, de vennootschappen die de rechtsvorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen, de verenigingen zonder winstoogmerk, de Europese economische samenwerkingsverbanden, en de economische samenwerkingsverbanden die beschikken over een exploitatiezetel in het Vlaamse Gewest of zich ertoe verbinden in het Vlaamse Gewest een exploitatiezetel te vestigen ".
Art. 79. Le Gouvernement flamand peut accorder un soutien aux entreprises pour la formation de travailleurs.
Le Gouvernement flamand détermine les modalités d'exécution.
Pour l'application de cette disposition, il faut entendre par entreprise : " les personnes physiques qui sont négociants ou exercent une profession indépendante, les sociétés ayant adopté le statut de société commerciale, les associations sans but lucratif, les groupements européens d'intérêt économique, qui disposent d'un siège d'exploitation en Région flamande ou qui s'engagent à y établir un siège d'exploitation ".
Le Gouvernement flamand détermine les modalités d'exécution.
Pour l'application de cette disposition, il faut entendre par entreprise : " les personnes physiques qui sont négociants ou exercent une profession indépendante, les sociétés ayant adopté le statut de société commerciale, les associations sans but lucratif, les groupements européens d'intérêt économique, qui disposent d'un siège d'exploitation en Région flamande ou qui s'engagent à y établir un siège d'exploitation ".
HOOFDSTUK XXVIII. - Infrastructuur niet-hoger onderwijs.
CHAPITRE XXVIII. - Infrastructure enseignement non supérieur.
Art. 80. Artikel 169quinquies van het decreet van 21 december 1994 betreffende het onderwijs VI, ingevoegd bij decreet van 21 december 2001 en gewijzigd bij decreet van 20 december 2002, wordt als volgt gewijzigd :
1° in 1° worden tussen de woorden " 29 773 000 euro " en de woorden " voor grote en kleine infrastructuurwerken " de woorden " voor het begrotingsjaar 2002 en 2003 en 26 435 000 euro voor het begrotingsjaar 2004 " ingevoegd;
2° in 2° worden tussen de woorden " 19 815 000 euro " en de woorden " voor het gesubsidieerd officieel onderwijs " de woorden " voor het begrotingsjaar 2002 en 2003 en 17 617 000 euro voor het begrotingsjaar 2004 " ingevoegd en worden tussen de woorden " 83 206 000 euro " en de woorden " voor het gesubsidieerd vrij onderwijs " de woorden " voor het begrotingsjaar 2002 en 2003 en 73 976 000 euro voor het begrotingsjaar 2004 " ingevoegd.
1° in 1° worden tussen de woorden " 29 773 000 euro " en de woorden " voor grote en kleine infrastructuurwerken " de woorden " voor het begrotingsjaar 2002 en 2003 en 26 435 000 euro voor het begrotingsjaar 2004 " ingevoegd;
2° in 2° worden tussen de woorden " 19 815 000 euro " en de woorden " voor het gesubsidieerd officieel onderwijs " de woorden " voor het begrotingsjaar 2002 en 2003 en 17 617 000 euro voor het begrotingsjaar 2004 " ingevoegd en worden tussen de woorden " 83 206 000 euro " en de woorden " voor het gesubsidieerd vrij onderwijs " de woorden " voor het begrotingsjaar 2002 en 2003 en 73 976 000 euro voor het begrotingsjaar 2004 " ingevoegd.
Art. 80. L'article 169quinquies du décret du 21 décembre 1994 relatif à l'enseignement VI, inséré par l'arrêté du décret du 21 décembre 2001 et modifié par le décret du 20 décembre 2002, est modifié comme suit :
1° au point 1°, les mots " pour les années budgétaires 2002 et 2003 et de 26 435 000 euros pour l'année budgétaire 2004 " sont insérés entre les mots " 29 773 000 euros " et les mots " pour les grands et petits travaux d'infrastructure ";
2° au point 2°, les mots " pour les années budgétaires 2002 et 2003 et de 17 617 000 euros pour l'année budgétaire 2004 " sont insérés entre les mots " 19 815 000 euros " et les mots " pour l'enseignement officiel subventionné " et les mots " pour les années budgétaires 2002 et 2003 et de 73 976 000 euros pour l'année budgétaire 2004 " sont insérés entre les mots " 83 206 000 euros " et les mots " pour l'enseignement libre subventionne ".
1° au point 1°, les mots " pour les années budgétaires 2002 et 2003 et de 26 435 000 euros pour l'année budgétaire 2004 " sont insérés entre les mots " 29 773 000 euros " et les mots " pour les grands et petits travaux d'infrastructure ";
2° au point 2°, les mots " pour les années budgétaires 2002 et 2003 et de 17 617 000 euros pour l'année budgétaire 2004 " sont insérés entre les mots " 19 815 000 euros " et les mots " pour l'enseignement officiel subventionné " et les mots " pour les années budgétaires 2002 et 2003 et de 73 976 000 euros pour l'année budgétaire 2004 " sont insérés entre les mots " 83 206 000 euros " et les mots " pour l'enseignement libre subventionne ".
HOOFDSTUK XXIX. - Volwassenenonderwijs.
CHAPITRE XXIX. - Education des adultes.
Art. 81. Artikel 48 van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal aangelegenheden van het volwassenenonderwijs, gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999 en van 13 juli 2001, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 48. § 1. Het aantal financierbare of subsidieerbare leraarsuren wordt per studiegebied of categorie per schooljaar berekend volgens de volgende formule :
LTPsg/cat = LUCsg/cat/d waarbij :
LTPsg/cat = het aantal financierbare of subsidieerbare leraarsuren van het betrokken studiegebied of categorie;
LUCsg/cat = het aantal lesurencursist voor het betrokken studiegebied of de betrokken categorie vanaf 1 februari van het vorig jaar tot en met 31 januari van het lopend jaar;
d = een omkaderingscoëfficiënt begrepen tussen 5 en 17 die door de Vlaamse regering wordt vastgelegd in functie van het betrokken studiegebied of de betrokken categorie.
§ 2. Het totaal aantal financierbare of subsidieerbare leraarsuren van een centrum per schooljaar is de som van het aantal financierbare of subsidieerbare leraarsuren van alle door het betrokken centrum ingerichte studiegebieden of categorieën.
§ 3. Als in een studiegebied of categorie een opleiding, optie of afdeling wordt overgeschakeld naar modulair onderwijs dan is, éénmalig voor dat studiegebied of die categorie, gedurende de drie daaropvolgende schooljaren in dat studiegebied of die categorie het aantal financierbare of subsidieerbare leraarsuren in geen geval kleiner dan het aantal financierbare of subsidieerbare leraarsuren van het jaar vóór de omschakeling.
Het centrum kiest vrij of deze waarborgregeling ingaat vanaf het schooljaar van de omschakeling of vanaf het schooljaar volgend op de omschakeling.
Het centrum deelt deze keuze mee aan het departement op het ogenblik van de omschakeling.
§ 4. Als centra nieuwe studiegebieden of categorieën inrichten, wordt het aantal LUCsg/cat voor dat schooljaar vermenigvuldigd met 2.
§ 5. Als een studiegebied wordt overgedragen van het ene centrum naar het andere zonder dat de betrokken centra een fusie aangaan, wordt voor het centrum dat het studiegebied verwerft het aantal leraarsuren voor dat studiegebied verhoogd als volgt :
1° het eerste jaar na de overdracht met 20 %;
2° het tweedejaar na de overdracht met 10 %.
Als twee of meer centra fuseren, dan wordt het aantal leraarsuren de eerste drie jaar verhoogd met 1 % als de fusie ten minste 300 000 lesurencursist telt.
§ 6. Voor de toepassing van dit artikel worden de delingen telkens gemaakt tot en met de eerste decimaal. Het aantal financierbare of subsidieerbare leraarsuren dat op basis van die berekening verkregen wordt, wordt per centrum afgerond tot de hogere eenheid.
§ 7. Voor de toepassing van dit artikel worden binnen het studiegebied talen de richtgraden 1 en 2 en de richtgraden 3 en 4 als twee aparte studiegebieden beschouwd. "
" Art. 48. § 1. Het aantal financierbare of subsidieerbare leraarsuren wordt per studiegebied of categorie per schooljaar berekend volgens de volgende formule :
LTPsg/cat = LUCsg/cat/d waarbij :
LTPsg/cat = het aantal financierbare of subsidieerbare leraarsuren van het betrokken studiegebied of categorie;
LUCsg/cat = het aantal lesurencursist voor het betrokken studiegebied of de betrokken categorie vanaf 1 februari van het vorig jaar tot en met 31 januari van het lopend jaar;
d = een omkaderingscoëfficiënt begrepen tussen 5 en 17 die door de Vlaamse regering wordt vastgelegd in functie van het betrokken studiegebied of de betrokken categorie.
§ 2. Het totaal aantal financierbare of subsidieerbare leraarsuren van een centrum per schooljaar is de som van het aantal financierbare of subsidieerbare leraarsuren van alle door het betrokken centrum ingerichte studiegebieden of categorieën.
§ 3. Als in een studiegebied of categorie een opleiding, optie of afdeling wordt overgeschakeld naar modulair onderwijs dan is, éénmalig voor dat studiegebied of die categorie, gedurende de drie daaropvolgende schooljaren in dat studiegebied of die categorie het aantal financierbare of subsidieerbare leraarsuren in geen geval kleiner dan het aantal financierbare of subsidieerbare leraarsuren van het jaar vóór de omschakeling.
Het centrum kiest vrij of deze waarborgregeling ingaat vanaf het schooljaar van de omschakeling of vanaf het schooljaar volgend op de omschakeling.
Het centrum deelt deze keuze mee aan het departement op het ogenblik van de omschakeling.
§ 4. Als centra nieuwe studiegebieden of categorieën inrichten, wordt het aantal LUCsg/cat voor dat schooljaar vermenigvuldigd met 2.
§ 5. Als een studiegebied wordt overgedragen van het ene centrum naar het andere zonder dat de betrokken centra een fusie aangaan, wordt voor het centrum dat het studiegebied verwerft het aantal leraarsuren voor dat studiegebied verhoogd als volgt :
1° het eerste jaar na de overdracht met 20 %;
2° het tweedejaar na de overdracht met 10 %.
Als twee of meer centra fuseren, dan wordt het aantal leraarsuren de eerste drie jaar verhoogd met 1 % als de fusie ten minste 300 000 lesurencursist telt.
§ 6. Voor de toepassing van dit artikel worden de delingen telkens gemaakt tot en met de eerste decimaal. Het aantal financierbare of subsidieerbare leraarsuren dat op basis van die berekening verkregen wordt, wordt per centrum afgerond tot de hogere eenheid.
§ 7. Voor de toepassing van dit artikel worden binnen het studiegebied talen de richtgraden 1 en 2 en de richtgraden 3 en 4 als twee aparte studiegebieden beschouwd. "
Art. 81. L'article 48 du décret du 2 mars 1999 réglant certaines matières relatives à l'éducation des adultes, modifié par les décrets des 18 mai 1999 et 13 juillet 2001, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 48. § 1er. Le nombre de périodes/enseignant admises au financement ou aux subventions est calculé par discipline ou catégorie par année scolaire suivant la formule suivante :
LTPsg/cat = LUCsg/cat./d Dans cette formule :
LTPsg/cat = le nombre de périodes/enseignant admises au financement ou aux subventions de la discipline ou catégorie concernée;
LUCsg/cat = le nombre de périodes/apprenant pour la discipline ou catégorie concernée à partie du 1er février de l'année précédente jusqu'au 31 janvier inclus de l'année en cours;
d = un coefficient d'encadrement repris entre 5 et 17 établi par le Gouvernement flamand en fonction de la discipline ou catégorie concernée.
§ 2. Le nombre total des périodes/enseignant admises au financement ou aux subventions d'un centre par année scolaire est la somme du nombre de périodes/enseignant admises au financement ou aux subventions de toutes les disciplines ou catégories organisées par le centre concerné.
§ 3. Si, dans une discipline ou catégorie, une formation, option ou section est convertie en un enseignement modulaire, le nombre de périodes/enseignant admissibles au financement ou aux subventions n'est en aucun cas inférieur au nombre de périodes/enseignant de l'année précédant la conversion pendant les trois années scolaires suivantes dans ladite discipline ou catégorie. Cette règle n'est applicable qu'une seule fois pour ladite discipline ou catégorie.
Le centre est libre d'opter soit pour un règlement de la garantie à partir de l'année scolaire de la conversion, soit à partir de l'année scolaire suivante.
Le centre communique ce choix au Département au moment de la conversion.
§ 4. Si des centres organisent de nouvelles disciplines ou catégories, le nombre de LUCsg/cat pour l'année scolaire en question est multiplié par 2.
§ 5. Lorsqu'une discipline est transférée d'un centre à un autre centre sans que les centres concernés ne fusionnent pour autant, le nombre de périodes/enseignant attribuées au centre recevant la discipline pour la discipline transférée est majoré de la façon suivante :
1° la première année du transfert : de 20 %;
2° la deuxième année du transfert : de 10 %.
Lorsque deux centres ou plus fusionnent, le nombre de périodes/enseignant est majoré pendant les trois premières années de 1 %, si la fusion compte au moins 300 000 périodes/apprenant.
§ 6. Pour l'application du présent article, les divisions sont chaque fois faites jusqu'à la première décimale. Le nombre de périodes/enseignant admissibles au financement ou aux subventions obtenu sur la base de ce calcul est arrondi à l'unité supérieure.
§ 7. Pour l'application du présent article, les degres-guides 1 et 2 et les degrés-guides 3 et 4 dans la discipline " langues " sont considérés comme deux disciplines séparées. "
" Art. 48. § 1er. Le nombre de périodes/enseignant admises au financement ou aux subventions est calculé par discipline ou catégorie par année scolaire suivant la formule suivante :
LTPsg/cat = LUCsg/cat./d Dans cette formule :
LTPsg/cat = le nombre de périodes/enseignant admises au financement ou aux subventions de la discipline ou catégorie concernée;
LUCsg/cat = le nombre de périodes/apprenant pour la discipline ou catégorie concernée à partie du 1er février de l'année précédente jusqu'au 31 janvier inclus de l'année en cours;
d = un coefficient d'encadrement repris entre 5 et 17 établi par le Gouvernement flamand en fonction de la discipline ou catégorie concernée.
§ 2. Le nombre total des périodes/enseignant admises au financement ou aux subventions d'un centre par année scolaire est la somme du nombre de périodes/enseignant admises au financement ou aux subventions de toutes les disciplines ou catégories organisées par le centre concerné.
§ 3. Si, dans une discipline ou catégorie, une formation, option ou section est convertie en un enseignement modulaire, le nombre de périodes/enseignant admissibles au financement ou aux subventions n'est en aucun cas inférieur au nombre de périodes/enseignant de l'année précédant la conversion pendant les trois années scolaires suivantes dans ladite discipline ou catégorie. Cette règle n'est applicable qu'une seule fois pour ladite discipline ou catégorie.
Le centre est libre d'opter soit pour un règlement de la garantie à partir de l'année scolaire de la conversion, soit à partir de l'année scolaire suivante.
Le centre communique ce choix au Département au moment de la conversion.
§ 4. Si des centres organisent de nouvelles disciplines ou catégories, le nombre de LUCsg/cat pour l'année scolaire en question est multiplié par 2.
§ 5. Lorsqu'une discipline est transférée d'un centre à un autre centre sans que les centres concernés ne fusionnent pour autant, le nombre de périodes/enseignant attribuées au centre recevant la discipline pour la discipline transférée est majoré de la façon suivante :
1° la première année du transfert : de 20 %;
2° la deuxième année du transfert : de 10 %.
Lorsque deux centres ou plus fusionnent, le nombre de périodes/enseignant est majoré pendant les trois premières années de 1 %, si la fusion compte au moins 300 000 périodes/apprenant.
§ 6. Pour l'application du présent article, les divisions sont chaque fois faites jusqu'à la première décimale. Le nombre de périodes/enseignant admissibles au financement ou aux subventions obtenu sur la base de ce calcul est arrondi à l'unité supérieure.
§ 7. Pour l'application du présent article, les degres-guides 1 et 2 et les degrés-guides 3 et 4 dans la discipline " langues " sont considérés comme deux disciplines séparées. "
Art. 82. In artikel 50 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 4 wordt het tweede lid, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001, vervangen door wat volgt :
" De besturen ontvangen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap de gederfde lesgelden, naar rato van 0,37 euro per lestijd waarvoor een vrijstelling werd bekomen. ";
2° aan § 4 worden een derde en een vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
" De betaling van de gederfde inschrijvingsgelden gebeurt in schijven vanaf het begrotingsjaar 2004.
De eerste schijf is een voorschot en wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar. Het voorschot bedraagt 50 % van het totale bedrag waarop het centrum het voorgaande begrotingsjaar recht had. ";
3° § 5, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001, wordt vervangen door wat volgt :
" § 5. De basisbedragen van § 1 worden jaarlijks met ingang van 1 september aangepast aan de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen, zoals bedoeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
De basisindex is deze van de maand september 2003. De nieuwe index is deze van de maand februari van het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin de nieuwe bedragen van toepassing zijn. Het eindbedrag wordt afgerond in euro tot het lagere honderdste. ";
4° een § 6 wordt toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 6. De bedragen van §§ 1 en 4, zoals bepaald tot en met 1 september 2003, worden geacht rechtens te zijn vastgesteld. "
1° in § 4 wordt het tweede lid, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001, vervangen door wat volgt :
" De besturen ontvangen ten laste van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap de gederfde lesgelden, naar rato van 0,37 euro per lestijd waarvoor een vrijstelling werd bekomen. ";
2° aan § 4 worden een derde en een vierde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
" De betaling van de gederfde inschrijvingsgelden gebeurt in schijven vanaf het begrotingsjaar 2004.
De eerste schijf is een voorschot en wordt betaald gedurende het eerste trimester van het begrotingsjaar. Het voorschot bedraagt 50 % van het totale bedrag waarop het centrum het voorgaande begrotingsjaar recht had. ";
3° § 5, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001, wordt vervangen door wat volgt :
" § 5. De basisbedragen van § 1 worden jaarlijks met ingang van 1 september aangepast aan de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen, zoals bedoeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
De basisindex is deze van de maand september 2003. De nieuwe index is deze van de maand februari van het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin de nieuwe bedragen van toepassing zijn. Het eindbedrag wordt afgerond in euro tot het lagere honderdste. ";
4° een § 6 wordt toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 6. De bedragen van §§ 1 en 4, zoals bepaald tot en met 1 september 2003, worden geacht rechtens te zijn vastgesteld. "
Art. 82. A l'article 50 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 4, le deuxième alinéa, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2001, est remplacé par la disposition suivante :
" Les directions reçoivent à charge du budget de la Communauté flamande les droits d'inscription dont ils sont privées, au prorata de 0,37 euro par période pour laquelle une exemption a été obtenue. ";
2° au § 4, il est ajouté un troisième et un quatrième alinéas, rédigés comme suit :
" Le paiement des droits d'inscription perdus se fait en tranches à partir de l'année budgétaire 2004.
La première tranche est une avance et est payée durant le premier trimestre de l'année budgétaire. L'avance s'élève à 50 % du montant total auquel le centre avait droit l'année budgétaire précédente. ";
3° le § 5, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2001, est remplace par la disposition suivante :
" § 5. Les montants de base du § 1er sont ajustés annuellement le 1er septembre à l'évolution de l'indice des prix à la consommation, visé dans le chapitre II de arrêté royal du 24 décembre 1993 de sauvegarde de la compétitivité du pays.
L'indice de base est celui du mois de septembre 2003. Le nouvel indice est celui du mois de février de l'année scolaire qui précède l'année scolaire pendant laquelle les nouveaux montants s'appliquent.Le total est arrondi en euro jusqu'à la centaine inférieure;
4° il est ajouté un § 6, rédigé comme suit :
" § 6. Les montants des §§ 1er et 4, tels que fixés jusqu'au 1er septembre 2003 inclus, sont censés être fixés de droit. ".
1° au § 4, le deuxième alinéa, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2001, est remplacé par la disposition suivante :
" Les directions reçoivent à charge du budget de la Communauté flamande les droits d'inscription dont ils sont privées, au prorata de 0,37 euro par période pour laquelle une exemption a été obtenue. ";
2° au § 4, il est ajouté un troisième et un quatrième alinéas, rédigés comme suit :
" Le paiement des droits d'inscription perdus se fait en tranches à partir de l'année budgétaire 2004.
La première tranche est une avance et est payée durant le premier trimestre de l'année budgétaire. L'avance s'élève à 50 % du montant total auquel le centre avait droit l'année budgétaire précédente. ";
3° le § 5, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2001, est remplace par la disposition suivante :
" § 5. Les montants de base du § 1er sont ajustés annuellement le 1er septembre à l'évolution de l'indice des prix à la consommation, visé dans le chapitre II de arrêté royal du 24 décembre 1993 de sauvegarde de la compétitivité du pays.
L'indice de base est celui du mois de septembre 2003. Le nouvel indice est celui du mois de février de l'année scolaire qui précède l'année scolaire pendant laquelle les nouveaux montants s'appliquent.Le total est arrondi en euro jusqu'à la centaine inférieure;
4° il est ajouté un § 6, rédigé comme suit :
" § 6. Les montants des §§ 1er et 4, tels que fixés jusqu'au 1er septembre 2003 inclus, sont censés être fixés de droit. ".
HOOFDSTUK XXX. - Hogescholen.
CHAPITRE XXX. - Instituts supérieurs.
Art. 83. Artikel 178 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen, gewijzigd bij decreet van 19 april 1995, 18 mei 1999, 16 april 1996, 22 december 2000, 20 april 2001 en 20 december 2002 en bij besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2001, wordt als volgt gewijzigd :
1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. Het bedrag bestemd voor het hoger onderwijs verstrekt door de hogescholen is in het begrotingsjaar 2004 gelijk aan 527 915 584,59 euro.
Dit bedrag wordt in 2004 verhoogd met 3 818 000 euro, in 2005 met 5 602 000 euro en vanaf 2006 met 7 362 000 euro. ";
2° § 3 wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. Het bedrag bedoeld in § 1 wordt in 2004 vermeerderd met 8 214 207,90 euro, in 2005 met 11 191 858,26 euro en in 2006 met 13 245 410,24 euro. Deze bedragen worden vanaf 2005 jaarlijks op volgende wijze aangepast :
(0,8 x BB x Ln/L04) + (0,2 x BB x Cn/C04) waarbij :
1° BB gelijk is aan het basisbedrag voor het desbetreffende jaar;
2° Ln/L04 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begrotingsjaar 2004;
3° Cn/C04 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van het begrotingsjaar 2004. "
1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. Het bedrag bestemd voor het hoger onderwijs verstrekt door de hogescholen is in het begrotingsjaar 2004 gelijk aan 527 915 584,59 euro.
Dit bedrag wordt in 2004 verhoogd met 3 818 000 euro, in 2005 met 5 602 000 euro en vanaf 2006 met 7 362 000 euro. ";
2° § 3 wordt vervangen door wat volgt :
" § 3. Het bedrag bedoeld in § 1 wordt in 2004 vermeerderd met 8 214 207,90 euro, in 2005 met 11 191 858,26 euro en in 2006 met 13 245 410,24 euro. Deze bedragen worden vanaf 2005 jaarlijks op volgende wijze aangepast :
(0,8 x BB x Ln/L04) + (0,2 x BB x Cn/C04) waarbij :
1° BB gelijk is aan het basisbedrag voor het desbetreffende jaar;
2° Ln/L04 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begrotingsjaar 2004;
3° Cn/C04 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van het begrotingsjaar 2004. "
Art. 83. L'article 178 du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs, modifié par les décrets des 19 avril 1995, 18 mai 1999, 16 avril 1996, 22 décembre 2000, 20 avril 2001 et 20 décembre 2002 et par l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2001, est modifié comme suit :
1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Le montant destiné à l'enseignement supérieur dispensé par les instituts supérieurs est égal à 527 915 584,59 euros pour l'année budgétaire 2004.
Ce montant est majoré en 2004 de 3 818 000 euros, en 2005 de 5 602 000 euros et à partir de 2006 de 7 362 000 euros. ";
2° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Le montant visé au § 1er est majoré en 2004 de 8 214 207,90 euros, en 2005 de 11 191 858,26 euros et en 2006 de 13 063 185,00 euros. A partir de 2005, ces montants sont ajustées annuellement de la façon suivante :
(0,8 x BB x Ln/L04) + (0,2 x BB x Cn/C04). Dans cette formule :
1° BB est égal au montant de base pour l'année en question;
2° Ln/L04 égale la proportion entre l'indice estimé des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire 2004;
3° Cn/C04 égale la proportion entre l'indice estimé des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire 2004. "
1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Le montant destiné à l'enseignement supérieur dispensé par les instituts supérieurs est égal à 527 915 584,59 euros pour l'année budgétaire 2004.
Ce montant est majoré en 2004 de 3 818 000 euros, en 2005 de 5 602 000 euros et à partir de 2006 de 7 362 000 euros. ";
2° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Le montant visé au § 1er est majoré en 2004 de 8 214 207,90 euros, en 2005 de 11 191 858,26 euros et en 2006 de 13 063 185,00 euros. A partir de 2005, ces montants sont ajustées annuellement de la façon suivante :
(0,8 x BB x Ln/L04) + (0,2 x BB x Cn/C04). Dans cette formule :
1° BB est égal au montant de base pour l'année en question;
2° Ln/L04 égale la proportion entre l'indice estimé des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire 2004;
3° Cn/C04 égale la proportion entre l'indice estimé des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire 2004. "
Art. 84. Artikel 184 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 20 december 2002, wordt als volgt gewijzigd :
1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. Vanaf 2005 worden de werkingsuitkeringen jaarlijks op de volgende wijze aangepast :
0,8 x (Ln/L04) + 0,2 x (Cn/C04), waarbij :
Ln/L04 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begrotingsjaar 2004;
Cn/C04 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van het begrotingsjaar 2004. ";
2° in § 2 wordt het jaartal " 2003 " vervangen door het jaartal " 2004 ".
1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. Vanaf 2005 worden de werkingsuitkeringen jaarlijks op de volgende wijze aangepast :
0,8 x (Ln/L04) + 0,2 x (Cn/C04), waarbij :
Ln/L04 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begrotingsjaar 2004;
Cn/C04 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van het begrotingsjaar 2004. ";
2° in § 2 wordt het jaartal " 2003 " vervangen door het jaartal " 2004 ".
Art. 84. L'article 184 du même décret, modifié par le décret du 20 décembre 2002, est remplacé par la disposition suivante :
1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1. A partir de 2005, les allocations de fonctionnement sont ajustées annuellement de la façon suivante :
0,8 x (Ln/L04) + 0,2 x (Cn/C04). Dans cette formule :
Ln/L04 égale la proportion entre l'indice estimé des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire 2004;
Cn/C04 représente le rapport entre l'indice estimé des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire en question et l'indice des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire 2004. ";
2° au § 2, l'année " 2003 " est remplacée par l'année " 2004 ".
1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1. A partir de 2005, les allocations de fonctionnement sont ajustées annuellement de la façon suivante :
0,8 x (Ln/L04) + 0,2 x (Cn/C04). Dans cette formule :
Ln/L04 égale la proportion entre l'indice estimé des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire 2004;
Cn/C04 représente le rapport entre l'indice estimé des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire en question et l'indice des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire 2004. ";
2° au § 2, l'année " 2003 " est remplacée par l'année " 2004 ".
Art. 85. Artikel 195bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 19 december 1997, wordt als volgt gewijzigd :
1° § 4 wordt vervangen door wat volgt :
" § 4. Aan het fonds worden alle ontvangsten voortvloeiend uit de terugstorting van onverschuldigde salarissen en vergoedingen toegewezen, eveneens alle ontvangsten die voortvloeien uit het terugstorten van de 70 % van het bruto aanvangssalaris bedoeld in artikel 339quater en artikel 339quinquies. ";
2° § 5 wordt vervangen door wat volgt :
" § 5. Vanaf 1 september 1998 worden de personeelsleden bedoeld in artikel 318, voor het volume van de opdracht waarvoor zij op 1 januari 1998 verbonden waren aan de optie kinesitherapie, opgenomen in een apart personeelsbestand. Zij behouden hun statutaire toestand en blijven de salarisschaal genieten die hun op 1 januari 1998 was toegekend. Zij behouden hun statuut van personeelslid van de hogeschool waarvan zij personeelslid waren op 1 januari 1998. ";
3° een § 6 wordt toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 6. De in § 5 bedoelde personeelsleden blijven gedurende de academiejaren 1998-1999 tot en met 2001-2002 betaald op de werkingsuitkering van de betrokken hogescholen. ";
4° een § 7 wordt toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 7. Elke hogeschool die tijdens het academiejaar 1997-1998 de optie kinesitherapie organiseerde, ontvangt gedurende de in § 6 bedoelde periode een bijkomende toelage die gelijk is aan LK - LO, waarbij LK gelijk is aan de brutoloonkost van alle in § 1 bedoelde personeelsleden van de hogeschool;
LO gelijk is aan de brutoloonkost van alle in § 1 bedoelde personeelsleden die de hogeschool tewerkstelt in de optie kinesitherapie in afbouw of in de opleiding kinesitherapie.
De hogeschool ontvangt een voorschot gelijk aan 50 % van het geraamde bedrag in het begin van het begrotingsjaar. Het saldo wordt uitbetaald na de betaling van het laatste maandsalaris van het betrokken begrotingsjaar. ";
5° een § 8 wordt toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 8. Vanaf het academiejaar 2002-2003 worden de in § 1 bedoelde personeelsleden die geen tewerkstelling hebben in de opleiding kinesitherapie, niet meer betaald ten laste van de werkingsuitkeringen van de hogeschool. De Vlaamse Gemeenschap betaalt deze personeelsleden centraal. Zij neemt hiervoor een bedrag op in de begroting, gelijk aan de brutoloonkost van deze personeelsleden verminderd met een raming van de terugstorting van de 70 % van het bruto aanvangssalaris bedoeld in artikel 339quater en artikel 339quinquies. ";
6° een § 9 wordt toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 9. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het fonds. ".
1° § 4 wordt vervangen door wat volgt :
" § 4. Aan het fonds worden alle ontvangsten voortvloeiend uit de terugstorting van onverschuldigde salarissen en vergoedingen toegewezen, eveneens alle ontvangsten die voortvloeien uit het terugstorten van de 70 % van het bruto aanvangssalaris bedoeld in artikel 339quater en artikel 339quinquies. ";
2° § 5 wordt vervangen door wat volgt :
" § 5. Vanaf 1 september 1998 worden de personeelsleden bedoeld in artikel 318, voor het volume van de opdracht waarvoor zij op 1 januari 1998 verbonden waren aan de optie kinesitherapie, opgenomen in een apart personeelsbestand. Zij behouden hun statutaire toestand en blijven de salarisschaal genieten die hun op 1 januari 1998 was toegekend. Zij behouden hun statuut van personeelslid van de hogeschool waarvan zij personeelslid waren op 1 januari 1998. ";
3° een § 6 wordt toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 6. De in § 5 bedoelde personeelsleden blijven gedurende de academiejaren 1998-1999 tot en met 2001-2002 betaald op de werkingsuitkering van de betrokken hogescholen. ";
4° een § 7 wordt toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 7. Elke hogeschool die tijdens het academiejaar 1997-1998 de optie kinesitherapie organiseerde, ontvangt gedurende de in § 6 bedoelde periode een bijkomende toelage die gelijk is aan LK - LO, waarbij LK gelijk is aan de brutoloonkost van alle in § 1 bedoelde personeelsleden van de hogeschool;
LO gelijk is aan de brutoloonkost van alle in § 1 bedoelde personeelsleden die de hogeschool tewerkstelt in de optie kinesitherapie in afbouw of in de opleiding kinesitherapie.
De hogeschool ontvangt een voorschot gelijk aan 50 % van het geraamde bedrag in het begin van het begrotingsjaar. Het saldo wordt uitbetaald na de betaling van het laatste maandsalaris van het betrokken begrotingsjaar. ";
5° een § 8 wordt toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 8. Vanaf het academiejaar 2002-2003 worden de in § 1 bedoelde personeelsleden die geen tewerkstelling hebben in de opleiding kinesitherapie, niet meer betaald ten laste van de werkingsuitkeringen van de hogeschool. De Vlaamse Gemeenschap betaalt deze personeelsleden centraal. Zij neemt hiervoor een bedrag op in de begroting, gelijk aan de brutoloonkost van deze personeelsleden verminderd met een raming van de terugstorting van de 70 % van het bruto aanvangssalaris bedoeld in artikel 339quater en artikel 339quinquies. ";
6° een § 9 wordt toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 9. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het fonds. ".
Art. 85. L'article 195bis du même décret, inséré par le décret du 19 décembre 1997, est remplacé par la disposition suivante :
1° le § 4 est remplacé par la disposition suivante :
" § 4. Toutes les recettes résultant du remboursement des traitements et indemnités indus sont attribuées au Fonds, ainsi que toutes les recettes résultant du remboursement des 70 % du traitement initial brut visé aux articles 339quater et 339quinquies. ";
2° le § 5 est remplacé par la disposition suivante :
" § 5. A partir du 1er septembre 1998, les membres du personnel visés à l'article 318 sont intégrés dans un effectif distinct, pour ce qui concerne le volume de la charge pour laquelle ils étaient rattachés à l'option kinésithérapie en date du 1er janvier 1998. Ils conservent leur situation statutaire et continuent de bénéficier de l'échelle de traitement qui leur était attribué le 1er janvier 1998. Ils maintiennent le statut de membre du personnel de l'institut supérieur dont ils étaient membres du personnel le 1er janvier 1998. ";
3° il est ajouté un § 6, rédigé comme suit :
" § 6. Durant les années académiques 1998-1999 et jusqu'en 2001-2002, les membres du personnel visés au § 5 continuent à être rémunérés à charge de l'allocation de fonctionnement des instituts supérieurs concernes. ";
4° il est ajouté un § 7, rédige comme suit :
" § 7. Tout institut supérieur qui a organisé l'option kinésithérapie durant l'année académique 1997-1998, reçoit durant la période visée au § 6 une allocation supplémentaire, égale à LK-LO, où LK correspond au coût salarial brut de tous les membres du personnel de l'institut supérieur vises au § 1er;
LO correspond au coût salarial brut de tous les membres du personnel visés au § 1er, employés par l'institut supérieur dans l'option kinésithérapie qui sera supprimée progressivement ou dans la formation kinésithérapie.
L'institut supérieur perçoit une avance égale à 50 % du montant estimé au début de l'année budgétaire. Le solde est réglé après paiement du dernier traitement mensuel de l'année budgétaire concernée. ";
5° il est ajouté un § 8, rédigé comme suit :
" § 8. A partir de l'année académique 2002-2003, les membres du personnel visés au § 1er qui ne sont pas titulaires d'un emploi dans la formation kinésithérapie, ne sont plus rémunérés à charge des allocations de fonctionnement de l'institut supérieur. Ces membres du personnel sont rémunérés d'une manière centralisée par la Communauté flamande. A cette fin, la Communauté flamande inscrit un montant à son budget, équivalant au coût salarial brut de ces membres du personnel, sous déduction d'une estimation du remboursement de 70 % du traitement initial brut visé aux articles 339quater et 339quinquies. ";
6° il est ajouté un § 9, rédigé comme suit :
" § 9. L'agent comptable ayant perçu les recettes dispose directement des crédits du Fonds. "
1° le § 4 est remplacé par la disposition suivante :
" § 4. Toutes les recettes résultant du remboursement des traitements et indemnités indus sont attribuées au Fonds, ainsi que toutes les recettes résultant du remboursement des 70 % du traitement initial brut visé aux articles 339quater et 339quinquies. ";
2° le § 5 est remplacé par la disposition suivante :
" § 5. A partir du 1er septembre 1998, les membres du personnel visés à l'article 318 sont intégrés dans un effectif distinct, pour ce qui concerne le volume de la charge pour laquelle ils étaient rattachés à l'option kinésithérapie en date du 1er janvier 1998. Ils conservent leur situation statutaire et continuent de bénéficier de l'échelle de traitement qui leur était attribué le 1er janvier 1998. Ils maintiennent le statut de membre du personnel de l'institut supérieur dont ils étaient membres du personnel le 1er janvier 1998. ";
3° il est ajouté un § 6, rédigé comme suit :
" § 6. Durant les années académiques 1998-1999 et jusqu'en 2001-2002, les membres du personnel visés au § 5 continuent à être rémunérés à charge de l'allocation de fonctionnement des instituts supérieurs concernes. ";
4° il est ajouté un § 7, rédige comme suit :
" § 7. Tout institut supérieur qui a organisé l'option kinésithérapie durant l'année académique 1997-1998, reçoit durant la période visée au § 6 une allocation supplémentaire, égale à LK-LO, où LK correspond au coût salarial brut de tous les membres du personnel de l'institut supérieur vises au § 1er;
LO correspond au coût salarial brut de tous les membres du personnel visés au § 1er, employés par l'institut supérieur dans l'option kinésithérapie qui sera supprimée progressivement ou dans la formation kinésithérapie.
L'institut supérieur perçoit une avance égale à 50 % du montant estimé au début de l'année budgétaire. Le solde est réglé après paiement du dernier traitement mensuel de l'année budgétaire concernée. ";
5° il est ajouté un § 8, rédigé comme suit :
" § 8. A partir de l'année académique 2002-2003, les membres du personnel visés au § 1er qui ne sont pas titulaires d'un emploi dans la formation kinésithérapie, ne sont plus rémunérés à charge des allocations de fonctionnement de l'institut supérieur. Ces membres du personnel sont rémunérés d'une manière centralisée par la Communauté flamande. A cette fin, la Communauté flamande inscrit un montant à son budget, équivalant au coût salarial brut de ces membres du personnel, sous déduction d'une estimation du remboursement de 70 % du traitement initial brut visé aux articles 339quater et 339quinquies. ";
6° il est ajouté un § 9, rédigé comme suit :
" § 9. L'agent comptable ayant perçu les recettes dispose directement des crédits du Fonds. "
Art. 86. Artikel 195ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 23 juni 1998, wordt opgeheven.
Art. 86. L'article 195ter du même décret, inséré par le décret du 23 juin 1998, est abrogé.
Art. 87. Aan artikel 196 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 22 december 1999, 22 december 2000 en 21 december 2001, wordt een § 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 4. In afwijking van § 3 bedragen de investeringsmiddelen voor het begrotingsjaar 2004 :
1° voor de Vlaamse Autonome hogescholen : 6 871 000 euro;
2° voor de gesubsidieerde officiële hogescholen : 1 194 000 euro;
3° voor de gesubsidieerde vrije hogescholen : 11 107 000 euro. ".
" § 4. In afwijking van § 3 bedragen de investeringsmiddelen voor het begrotingsjaar 2004 :
1° voor de Vlaamse Autonome hogescholen : 6 871 000 euro;
2° voor de gesubsidieerde officiële hogescholen : 1 194 000 euro;
3° voor de gesubsidieerde vrije hogescholen : 11 107 000 euro. ".
Art. 87. A l'article 196 du même décret, modifié par les décrets des 22 décembre 1999, 22 décembre 2000 et 21 décembre 2001, il est ajouté un § 4, rédigé comme suit :
" § 4. Par dérogation au § 3, les moyens d'investissement pour l'année budgétaire 2004 s'élèvent à :
1° pour les instituts supérieurs autonomes flamands : 6 871 000 euros;
2° pour les instituts supérieurs officiels subventionnés : 1 194 000 euros;
3° pour les instituts supérieurs libres subventionnés : 11 107 000 euros. "
" § 4. Par dérogation au § 3, les moyens d'investissement pour l'année budgétaire 2004 s'élèvent à :
1° pour les instituts supérieurs autonomes flamands : 6 871 000 euros;
2° pour les instituts supérieurs officiels subventionnés : 1 194 000 euros;
3° pour les instituts supérieurs libres subventionnés : 11 107 000 euros. "
Art. 88. Opgeheven worden :
1° artikel 340ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 8 juli 1996 en gewijzigd bij decreet van 14 juli 1998, 22 december 1999 en 21 december 2001;
2° artikel 340quater van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 8 juli 1996 en gewijzigd bij decreet van 14 juli 1998 en 22 december 1999;
3° artikel 340quinquies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 8 juli 1996 en gewijzigd bij decreet van 14 juli 1998 en 20 april 2001.
1° artikel 340ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 8 juli 1996 en gewijzigd bij decreet van 14 juli 1998, 22 december 1999 en 21 december 2001;
2° artikel 340quater van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 8 juli 1996 en gewijzigd bij decreet van 14 juli 1998 en 22 december 1999;
3° artikel 340quinquies van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 8 juli 1996 en gewijzigd bij decreet van 14 juli 1998 en 20 april 2001.
Art. 88. Sont abrogés :
1° l'article 340ter du même décret, inséré par le décret du 8 juillet 1996 et modifié par les décrets des 14 juillet 1998, 22 décembre 1999 et 21 décembre 2001;
2° l'article 340quater du même décret, inséré par le décret du 8 juillet 1996 et modifié par les décrets des 14 juillet 1998 et 22 décembre 1999;
3° l'article 340quinquies du même décret, inséré par le décret du 8 juillet 1996 et modifié par les décrets des 14 juillet 1998 et 20 avril 2001.
1° l'article 340ter du même décret, inséré par le décret du 8 juillet 1996 et modifié par les décrets des 14 juillet 1998, 22 décembre 1999 et 21 décembre 2001;
2° l'article 340quater du même décret, inséré par le décret du 8 juillet 1996 et modifié par les décrets des 14 juillet 1998 et 22 décembre 1999;
3° l'article 340quinquies du même décret, inséré par le décret du 8 juillet 1996 et modifié par les décrets des 14 juillet 1998 et 20 avril 2001.
Art. 89. Artikel 340sexies, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 22 december 1999 en gewijzigd bij decreet van 21 december 2001 en 5 juli 2002, wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. De Vlaamse regering kan in de vorm van een jaarlijkse toelage bijdragen in de financiering van de hogere instituten voor schone kunsten en van instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren.
Het totale bedrag van de toelage wordt vastgesteld op 2 478 000 euro vanaf 1 januari 2004.
Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2005 jaarlijks op de volgende wijze aangepast :
0,8 x (Ln/04) + (Cn/C04)
waarbij :
- Ln/L04 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begrotingsjaar 2004;
- Cn/C04 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van het begrotingsjaar 2004. ".
" § 1. De Vlaamse regering kan in de vorm van een jaarlijkse toelage bijdragen in de financiering van de hogere instituten voor schone kunsten en van instellingen die excellente kunstopleidingen organiseren.
Het totale bedrag van de toelage wordt vastgesteld op 2 478 000 euro vanaf 1 januari 2004.
Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2005 jaarlijks op de volgende wijze aangepast :
0,8 x (Ln/04) + (Cn/C04)
waarbij :
- Ln/L04 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begrotingsjaar 2004;
- Cn/C04 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van het begrotingsjaar 2004. ".
Art. 89. L'article 340sexies, § 1er, du même décret, inséré par le décret du 22 décembre 1999 et modifié par les décrets des 21 décembre 2001 et 5 juillet 2002, est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Le Gouvernement flamand peut participer au financement de la formation de lauréats, sous forme d'une subvention annuelle.
Le montant total de cette subvention est fixé à 2 478 000 euros à partir du 1er janvier 2004.
A partir de l'année budgétaire 2005, ce montant est ajusté annuellement de la façon suivante :
0,8 x (Ln/L04) + 0,2 x (Cn/C04).
Dans cette formule :
- Ln/L04 égale la proportion entre l'indice estimé des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire 2004;
- Cn/C04 égale la proportion entre l'indice estimé des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire 2004. "
" § 1er. Le Gouvernement flamand peut participer au financement de la formation de lauréats, sous forme d'une subvention annuelle.
Le montant total de cette subvention est fixé à 2 478 000 euros à partir du 1er janvier 2004.
A partir de l'année budgétaire 2005, ce montant est ajusté annuellement de la façon suivante :
0,8 x (Ln/L04) + 0,2 x (Cn/C04).
Dans cette formule :
- Ln/L04 égale la proportion entre l'indice estimé des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des coûts salariaux unitaires à la fin de l'année budgétaire 2004;
- Cn/C04 égale la proportion entre l'indice estimé des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire concernée et l'indice des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire 2004. "
Art. 90. In het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen wordt een artikel 158bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 158bis.
De artikelen van Titel II hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2003.
In afwijking van het eerste lid heeft artikel 152 uitwerking met ingang van 1 oktober 2002, met uitzondering van 2°, dat in werking treedt op 1 januari 2004. ".
" Artikel 158bis.
De artikelen van Titel II hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2003.
In afwijking van het eerste lid heeft artikel 152 uitwerking met ingang van 1 oktober 2002, met uitzondering van 2°, dat in werking treedt op 1 januari 2004. ".
Art. 90. Dans le décret du 4 avril 2003 relatif à la restructuration de l'enseignement supérieur en Flandre, il est inséré un article 158bis, rédigé comme suit :
" Art. 158bis.
Pas de traduction
Par dérogation au premier alinéa, l'article 152 produit ses effets le 1er octobre 2002, à l'exception du point 2°, qui entre en vigueur le 1er janvier 2004. "
" Art. 158bis.
Pas de traduction
Par dérogation au premier alinéa, l'article 152 produit ses effets le 1er octobre 2002, à l'exception du point 2°, qui entre en vigueur le 1er janvier 2004. "
HOOFDSTUK XXXI. - Universiteiten en aanverwante instellingen.
CHAPITRE XXXI. - Universités et institutions connexes.
Art. 91. In artikel 130, § 5, 2°, van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, ingevoegd bij het decreet van 7 december 2001 en vervangen bij het decreet van 4 april 2003, wordt de tabel met de bedragen onder 2004 het getal " 14 096 " vervangen door het getal " 9 574 ".
Art. 91. Dans l'article 130, § 5, 2°, du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande, inséré par le décret du 7 décembre 2001 et remplacé par le décret du 4 avril 2003, le chiffre " 14 096 " figurant sous 2004 dans le tableau des montants est remplacé par le chiffre " 9 574 ".
Art. 92. In artikel 136, § 2, 2°, van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, ingevoegd bij het decreet van 7 december 2001 en vervangen bij het decreet van 4 april 2003, wordt de volgende wijziging aangebracht : in de tabel met de bedragen worden onder 2004 de bedragen : " 5 303 ", " 1 606 ", " 397 ", " 25 " en " 104 " vervangen door de bedragen " 3 109 ", " 840 ", " 292 ", " 32 " en " 63 ".
Art. 92. Dans l'article 136, § 2, 2°, du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande, inséré par le décret du 7 décembre 2001 et remplacé par le décret du 4 avril 2003, la modification suivante est apportée : dans le tableau des montants, les montants : " 5 303 ", " 1 606 ", " 397 ", " 25 " et " 104 " figurant sous 2004 sont remplacés par les montants " 3 109 ", " 840 ", " 292 ", " 32 " et " 63 ".
Art. 93. Artikel 140, § 1, van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, ingevoegd bij het decreet van 7 december 2001 en gewijzigd bij het decreet van 4 april 2003, wordt als volgt gewijzigd :
1° in 2° wordt het jaartal " 2004 " geschrapt;
2° een 3° wordt toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 3° Voor het begrotingsjaar 2004 bedraagt het basisbedrag van de investeringskredieten voor de Universiteiten, uitgedrukt in duizend euro :
1. Katholieke Universiteit Leuven : 7 853.
2. Vrije Universiteit Brussel : 2 582.
3. Universiteit Antwerpen : 2 319.
4. Limburgs Universitair Centrum : 505.
5. Katholieke Universiteit Brussel : 120.
6. Universiteit Gent : 5 472.
Deze basisbedragen (prijsniveau 2001) worden geïndexeerd zoals vermeld in § 2. "
1° in 2° wordt het jaartal " 2004 " geschrapt;
2° een 3° wordt toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 3° Voor het begrotingsjaar 2004 bedraagt het basisbedrag van de investeringskredieten voor de Universiteiten, uitgedrukt in duizend euro :
1. Katholieke Universiteit Leuven : 7 853.
2. Vrije Universiteit Brussel : 2 582.
3. Universiteit Antwerpen : 2 319.
4. Limburgs Universitair Centrum : 505.
5. Katholieke Universiteit Brussel : 120.
6. Universiteit Gent : 5 472.
Deze basisbedragen (prijsniveau 2001) worden geïndexeerd zoals vermeld in § 2. "
Art. 93. L'article 140, § 1er, du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande, inséré par le décret du 7 décembre 2001 et remplacé par le décret du 4 avril 2003, est modifié comme suit :
1° dans le point 2°, l'année " 2004 " est supprimé;
2° un point 3° est ajouté, rédigé comme suit :
" 3° Le montant de base des crédits d'investissement des universités, exprimé en milliers d'euros est fixé comme suit pour l'année budgétaire 2004 :
1. Katholieke Universiteit Leuven : 7 853.
2. Vrije Universiteit Brussel : 2 582.
3. Universiteit Antwerpen : 2 319.
4. Limburgs Universitair Centrum : 505.
5. Katholieke Universiteit Brussel : 120.
6. Universiteit Gent : 5 472.
Ces montants de base (niveau des prix 2001) sont indexés conformément au § 2. "
1° dans le point 2°, l'année " 2004 " est supprimé;
2° un point 3° est ajouté, rédigé comme suit :
" 3° Le montant de base des crédits d'investissement des universités, exprimé en milliers d'euros est fixé comme suit pour l'année budgétaire 2004 :
1. Katholieke Universiteit Leuven : 7 853.
2. Vrije Universiteit Brussel : 2 582.
3. Universiteit Antwerpen : 2 319.
4. Limburgs Universitair Centrum : 505.
5. Katholieke Universiteit Brussel : 120.
6. Universiteit Gent : 5 472.
Ces montants de base (niveau des prix 2001) sont indexés conformément au § 2. "
Art. 94. Artikel 15 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende sommige instellingen van openbaar nut voor postinitieel onderwijs, wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke dienstverlening, zoals gewijzigd bij het decreet van 20 april 2001, het decreet van 7 december 2001, het decreet van 21 december 2001, het decreet van 14 februari 2003 en het decreet van 4 april 2003, wordt als volgt gewijzigd :
1° in § 2 worden de woorden " 8 332 000 euro " vervangen door de woorden " 8 319 000 euro ";
2° aan § 4 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Voor het begrotingsjaar 2004 bedraagt de investeringssubsidie 446 000 euro (prijsniveau 2001). "
1° in § 2 worden de woorden " 8 332 000 euro " vervangen door de woorden " 8 319 000 euro ";
2° aan § 4 wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Voor het begrotingsjaar 2004 bedraagt de investeringssubsidie 446 000 euro (prijsniveau 2001). "
Art. 94. L'article 15 du décret du 18 mai 1999 relatif à certains établissements d'intérêt public pour l'enseignement postinitial, la recherche et les services scientifiques, tel que modifié par les décrets des 20 avril 2001, 7 décembre 2001, 21 décembre 2001, 14 février 2003 et 4 avril 2003, est modifié comme suit :
1° dans le § 2, les mots " 8 332 000 euros " sont remplacés par les mots " 8 319 000 euros ";
2° le § 4 est complété par un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
" Pour l'année budgétaire 2004, la subvention d'investissement s'élève à 446 000 euros (niveau des prix 2001). "
1° dans le § 2, les mots " 8 332 000 euros " sont remplacés par les mots " 8 319 000 euros ";
2° le § 4 est complété par un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
" Pour l'année budgétaire 2004, la subvention d'investissement s'élève à 446 000 euros (niveau des prix 2001). "
HOOFDSTUK XXXII. - Nascholing.
CHAPITRE XXXII. - Formation continuée.
Art. 95. Aan het decreet van 16 april 1996 betreffende de lerarenopleiding en de nascholing wordt een artikel 44bis toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 44bis.
Vanaf het begrotingsjaar 2004 stelt de Vlaamse Gemeenschap volgende middelen ter beschikking voor de nascholing :
1° scholen basisonderwijs : 4 214 000;
2° scholen secundair onderwijs : 5 949 000;
3° koepels : 1 487 000. ".
" Artikel 44bis.
Vanaf het begrotingsjaar 2004 stelt de Vlaamse Gemeenschap volgende middelen ter beschikking voor de nascholing :
1° scholen basisonderwijs : 4 214 000;
2° scholen secundair onderwijs : 5 949 000;
3° koepels : 1 487 000. ".
Art. 95. Au décret du 16 avril 1996 relatif à la formation des enseignants et la formation continuée, il est ajouté un article 44bis rédigé comme suit :
" Art. 44bis.
A partir de l'année budgétaire 2004, la Communauté flamande met les moyens suivants à disposition de la formation continuée :
1° les écoles de l'enseignement fondamental : 4 214 000;
2° écoles de l'enseignement secondaire : 5 949 000;
3° organisations coordinatrices : 1 487 000. "
" Art. 44bis.
A partir de l'année budgétaire 2004, la Communauté flamande met les moyens suivants à disposition de la formation continuée :
1° les écoles de l'enseignement fondamental : 4 214 000;
2° écoles de l'enseignement secondaire : 5 949 000;
3° organisations coordinatrices : 1 487 000. "
HOOFDSTUK XXXIII. - Wijziging van het decreet van 23 januari 1991 tot oprichting van het Fonds voor preventie en sanering inzake leefmilieu en natuur als gewestdienst met afzonderlijk beheer.
CHAPITRE XXXIII. - Modification du décret du 23 janvier 1991 portant création du Fonds de prévention et d'assainissement en matière de l'environnement et de la nature comme service régional à gestion séparée.
Art. 96. Aan artikel 3, 13°, van het decreet van 23 januari 1991 tot oprichting van het Fonds voor Preventie en sanering inzake Leefmilieu en Natuur als Gewestdienst met Afzonderlijk Beheer, gewijzigd bij decreet van 23 november 1994, wordt volgende zinsnede toegevoegd :
" , en het aan het Vlaamse Gewest toegewezen gedeelte van de opbrengst van de federale regelgeving met betrekking tot de vleestaks ".
" , en het aan het Vlaamse Gewest toegewezen gedeelte van de opbrengst van de federale regelgeving met betrekking tot de vleestaks ".
Art. 96. Le membre de phrase suivant est ajouté à l'article 3, 13°, du décret du 23 janvier 1991 portant création du " Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur " comme service régional à gestion séparée, modifié par le décret du 23 novembre 1994 :
" , et la part du produit de la réglementation fédérale relative à la taxe sur la viande, qui est attribuée à la Région flamande ".
" , et la part du produit de la réglementation fédérale relative à la taxe sur la viande, qui est attribuée à la Région flamande ".
HOOFDSTUK XXXIV. - Woonrecht Doel.
CHAPITRE XXXIV. - " Woonrecht Doel " (Droit à l'habitation Doel).
Art. 97. In afwijking van de bepalingen van Titel I, Hoofdstuk IV, afdeling 1, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, worden kosteloos geregistreerd de akten houdende vestiging van een recht van bewoning op woningen die, in het kader van het tijdelijk bewoningsrecht ter garantie van de woonzekerheid en van de woonkwaliteit in Doel, eigendom zijn van de Maatschappij voor het haven-, grond- en industrialisatiebeleid van het Linkerscheldeoevergebied.
Art. 97. Par dérogation aux dispositions du Titre Ier, Chapitre IV, Section 1re, du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, sont enregistrés gratuitement les actes portant établissement d'un droit à l'habitation d'habitations qui, dans le cadre du droit à l'habitation temporaire garantissant la sécurité d'habitation et la qualité d'habitation à Doel, sont propriété de la Société de Politique portuaire, terrienne et d'industrialisation de la Rive gauche de l'Escaut.
HOOFDSTUK XXXV. - Domein van de wegen, de waterwegen en hun aanhorigheden, zeewering en de dijken.
CHAPITRE XXXV. - Domaine public des routes, des voies navigables et leurs attenances, les digues maritimes et les digues.
Art. 98. In artikel 40 van het decreet van 18 december 1992 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1993, wordt § 2 vervangen door wat volgt :
" § 2. Het verkrijgen van een vergunning is onderworpen aan het betalen van een retributie, die bestaat uit vaste retributie en variabele retributie, tenzij de ingebruikneming van vaste en variabele retributie of van variabele retributie is vrijgesteld overeenkomstig artikel 43. De verschuldigde retributie kan eenmalig of periodiek worden geheven. "
" § 2. Het verkrijgen van een vergunning is onderworpen aan het betalen van een retributie, die bestaat uit vaste retributie en variabele retributie, tenzij de ingebruikneming van vaste en variabele retributie of van variabele retributie is vrijgesteld overeenkomstig artikel 43. De verschuldigde retributie kan eenmalig of periodiek worden geheven. "
Art. 98. Dans l'article 40 du décret du 18 décembre 1992 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1993, le § 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. L'obtention d'une autorisation est soumise au paiement d'une rétribution qui est composée d'une rétribution fixe et d'une rétribution variable, à moins que la prise en usage ne soit exonérée de rétribution fixe ou de rétribution variable, conformément à l'article 43. La rétribution due peut être levée une fois ou périodiquement. ".
" § 2. L'obtention d'une autorisation est soumise au paiement d'une rétribution qui est composée d'une rétribution fixe et d'une rétribution variable, à moins que la prise en usage ne soit exonérée de rétribution fixe ou de rétribution variable, conformément à l'article 43. La rétribution due peut être levée une fois ou périodiquement. ".
Art. 99. In artikel 43, derde lid, van het decreet van 18 december 1992 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1993, zoals gewijzigd door artikel 59 van het decreet van 5 juli 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen de woorden " vrijstellen van " en " variabele retributie " worden de woorden " vaste en " ingevoegd;
2° in 1° worden de woorden " zonder winstoogmerk " geschrapt;
3° er wordt een 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 4° de toegangen tot woningen ".
1° tussen de woorden " vrijstellen van " en " variabele retributie " worden de woorden " vaste en " ingevoegd;
2° in 1° worden de woorden " zonder winstoogmerk " geschrapt;
3° er wordt een 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 4° de toegangen tot woningen ".
Art. 99. Dans l'article 43, troisième alinéa, du décret du 18 décembre 1992 contenant des mesures d'accompagnement du budget 1993, tel que modifié par l'article 59 du décret du 5 juillet 2002 contenant des mesures d'accompagnement du budget 2002, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " de la rétribution fixe et " sont insérés entre les mots " dispenser " et " de la rétribution variable ";
2° dans le point 1°, les mots " sans but lucratif " sont supprimés;
3° il est ajouté un 4°, rédigé comme suit :
" 4° les accès aux habitations ".
1° les mots " de la rétribution fixe et " sont insérés entre les mots " dispenser " et " de la rétribution variable ";
2° dans le point 1°, les mots " sans but lucratif " sont supprimés;
3° il est ajouté un 4°, rédigé comme suit :
" 4° les accès aux habitations ".
Art. 100. In het decreet van 18 december 1992 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1993 wordt een artikel 43bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 43bis. § 1. De domeinbeheerder kan bij het verlenen van de vergunning voor het gebruik van een kaaimuur of aanlegplaats voor het laden of lossen van schepen aan de vergunninghouder per kalenderjaar en per strekkende meter kaaimuur een tonnageverplichting opleggen.
§ 2. De modaliteiten met betrekking tot de in § 1 vermelde tonnageverplichting worden vastgesteld door de domeinbeheerder en worden opgenomen in de bijzondere vergunningsvoorwaarden.
§ 3. 1° De domeinbeheerder kan van de vergunninghouder bij het niet-bereiken van de opgelegde tonnage per kalenderjaar een vergoeding per ontbrekende ton vorderen, zoals in de volgende tabel bepaald :
" Art. 43bis. § 1. De domeinbeheerder kan bij het verlenen van de vergunning voor het gebruik van een kaaimuur of aanlegplaats voor het laden of lossen van schepen aan de vergunninghouder per kalenderjaar en per strekkende meter kaaimuur een tonnageverplichting opleggen.
§ 2. De modaliteiten met betrekking tot de in § 1 vermelde tonnageverplichting worden vastgesteld door de domeinbeheerder en worden opgenomen in de bijzondere vergunningsvoorwaarden.
§ 3. 1° De domeinbeheerder kan van de vergunninghouder bij het niet-bereiken van de opgelegde tonnage per kalenderjaar een vergoeding per ontbrekende ton vorderen, zoals in de volgende tabel bepaald :
Art. 100. Dans le décret du 18 décembre 1992 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1993 est inséré un article 43bis, rédigé comme suit :
" Art. 43bis. § 1. Le gestionnaire du domaine peut, lors de l'octroi au détenteur de l'autorisation pour l'utilisation d'un mur de quai ou d'un quai pour le chargement ou le déchargement de navires, imposer une obligation de tonnage par année calendaire et au mètre courant de mur de quai.
§ 2. Les modalités relatives à l'obligation de tonnage citée au § 1er sont fixées par le gestionnaire du domaine et sont reprises dans les conditions particulières d'autorisation.
§ 3. 1° Le gestionnaire peut réclamer du détenteur de l'autorisation, si le tonnage imposé par année calendaire n'est pas atteint, une indemnité par tonne manquante, telle que fixée dans le tableau ci-dessous :
" Art. 43bis. § 1. Le gestionnaire du domaine peut, lors de l'octroi au détenteur de l'autorisation pour l'utilisation d'un mur de quai ou d'un quai pour le chargement ou le déchargement de navires, imposer une obligation de tonnage par année calendaire et au mètre courant de mur de quai.
§ 2. Les modalités relatives à l'obligation de tonnage citée au § 1er sont fixées par le gestionnaire du domaine et sont reprises dans les conditions particulières d'autorisation.
§ 3. 1° Le gestionnaire peut réclamer du détenteur de l'autorisation, si le tonnage imposé par année calendaire n'est pas atteint, une indemnité par tonne manquante, telle que fixée dans le tableau ci-dessous :
| tonnage verhandeld in het afgelopen kalenderjaar bedraagt | verschuldigde vergoeding per ontbrekende ton |
| tot 25 % van de opgelegde tonnage | 0,26 euro |
| meer dan 25 % en minder dan 50 % van de opgelegde tonnage | 0,195 euro |
| meer dan 50 % en minder dan 75 % van de opgelegde tonnage | 0,145 euro |
| meer dan 75 % en minder dan 100 % van de opgelegde tonnage | 0,11 euro |
kalenderjaar bedraagtverschuldigde vergoeding
per ontbrekende tontot 25 % van de opgelegde tonnage0,26 euromeer dan 25 % en minder dan 50 % van de opgelegde tonnage0,195 euromeer dan 50 % en minder dan 75 % van de opgelegde tonnage0,145 euromeer dan 75 % en minder dan 100 % van de opgelegde tonnage0,11 euro
2° Voor de kalenderjaren volgend op een kalenderjaar waarvoor de vergoeding zoals bepaald in 1 is verschuldigd, wordt de vergoeding per ontbrekende ton gevorderd zoals bepaald in de volgende tabel :
| le tonnage vendu dans l'année calendaire écoulée s'élève : | l'indemnité due par tonne manquante |
| jusqu'à 25 % du tonnage imposé | 0,26 euro |
| à plus de 25 % et moins de 50 % du tonnage imposé | 0,195 euro |
| à plus de 50 % et moins de 75 % du tonnage imposé | 0,145 euro |
| à plus de 75 % et moins de 100 % du tonnage imposé | 0,11 euro |
écoulée s'élève :l'indemnité due
par tonne manquantejusqu'à 25 % du tonnage imposé0,26 euroà plus de 25 % et moins de 50 % du tonnage imposé0,195 euroà plus de 50 % et moins de 75 % du tonnage imposé0,145 euroà plus de 75 % et moins de 100 % du tonnage imposé0,11 euro
2° Pour les années calendaires suivant une année calendaire pour laquelle l'indemnité fixée au 1 est due, l'indemnité est exigée par tonne manquante telle que fixée dans le tableau suivant :
| tonnage verhandeld in het afgelopen kalenderjaar bedraagt | verschuldigde vergoeding per ontbrekende ton | |
| tot 25 % van de opgelegde tonnage | 0,325 euro | |
| meer dan 25 % en minder dan 50 % van de opgelegde tonnage | 0,245 euro | |
| meer dan 50 % en minder dan 75 % van de opgelegde tonnage | 0,18 euro | |
| meer dan 75 % en minder dan 100 % van de opgelegde tonnage | 0,135 euro; |
kalenderjaar bedraagtverschuldigde vergoeding
per ontbrekende tontot 25 % van de opgelegde tonnage0,325 euromeer dan 25 % en minder dan 50 % van de opgelegde tonnage0,245 euromeer dan 50 % en minder dan 75 % van de opgelegde tonnage0,18 euromeer dan 75 % en minder dan 100 % van de opgelegde tonnage0,135 euro;
3° De vergoeding bepaald in 1° en 2° wordt jaarlijks aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen.
§ 4. Het bevoegde personeel van de domeinbeheerder stelt binnen de zestig kalenderdagen na het verstrijken van het kalenderjaar de eventuele inbreuken op de verplicht te verhandelen tonnage vast.
§ 5. De domeinbeheerder vordert van de vergunninghouder bij aangetekende brief de in § 3 vermelde vergoeding binnen de 30 kalenderdagen na de vaststelling van de inbreuk op de tonnageverplichting.
De vordering vermeldt in bijzonder :
- de duidelijke identificatie van de vergunning en de daarin opgenomen tonnageverplichting;
- de periode waarop de vordering betrekking heeft;
- de berekening van de vergoeding overeenkomstig § 3;
- de mogelijkheid tot het indienen van een schriftelijk verweer volgens de in § 6 vermelde procedure.
§ 6. De vergunninghouder kan bij de domeinbeheerder binnen de 30 kalenderdagen na verzending van de in § 5 vermelde vordering bij aangetekende brief zijn schriftelijk verweer indienen tegen de opgelegde vergoeding.
De domeinbeheerder brengt binnen de 30 kalenderdagen na het indienen van het verweer de vergunninghouder bij aangetekende brief in kennis van de genomen beslissing. Als de domeinbeheerder binnen deze termijn zijn beslissing niet aan de vergunninghouder heeft meegedeeld, wordt het verweer als ingewilligd beschouwd.
§ 7. De in gebreke gebleven vergunninghouder dient de in § 5 vermelde vergoeding binnen de 30 dagen na het verzenden van de vordering aan de domeinbeheerder te betalen, tenzij hij binnen diezelfde termijn zijn schriftelijk verweer conform § 6 kenbaar maakt. In dat geval dient de vergunninghouder te betalen binnen 30 dagen na het verzenden van de definitieve beslissing van de domeinbeheerder, voorzover zijn verweer door de domeinbeheerder niet of slechts gedeeltelijk werd aanvaard. "
| le tonnage vendu dans année calendaire écoulée s'élève : | l'indemnité due par tonne manquante |
| jusqu'à 25 % du tonnage imposé | 0,325 euro |
| à plus de 25 % et moins de 50 % du tonnage imposé | 0,245 euro |
| à plus de 50 % et moins de 75 % du tonnage imposé | 0,18 euro |
| à plus de 75 % et moins de 100 % du tonnage imposé | 0,135 euro; |
écoulée s'élève :l'indemnité due
par tonne manquantejusqu'à 25 % du tonnage imposé0,325 euroà plus de 25 % et moins de 50 % du tonnage imposé0,245 euroà plus de 50 % et moins de 75 % du tonnage imposé0,18 euroà plus de 75 % et moins de 100 % du tonnage imposé0,135 euro;
3° L'indemnité fixée aux points 1° et 2° est adaptée annuellement aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation.
§ 4. Le personnel compétent du gestionnaire du domaine constate les infractions éventuelles au tonnage à vendre obligatoirement dans les soixante jours calendaires de l'expiration de l'année calendaire.
§ 5. Le gestionnaire du domaine réclame du détenteur de l'autorisation, dans les trente jours calendaires de la constatation de l'infraction à l'obligation de tonnage et par lettre recommandée, l'indemnité mentionnée au § 3.
La réclamation mentionne notamment :
- l'identification précise de l'autorisation et l'obligation de tonnage y reprise;
- la période sur laquelle porte la réclamation;
- le calcul de l'indemnité conformément au § 3;
- la possibilité d'introduire un contredit suivant la procédure citée au § 6.
§ 6. Le détenteur de l'autorisation peut introduire par lettre recommandée son contredit contre l'autorisation imposée auprès du gestionnaire du domaine, dans les 30 jours calendaires de l'envoi de la réclamation citée au § 5.
Dans les 30 jours calendaires de l'introduction du contredit, le gestionnaire du domaine notifie, par lettre recommandée, la décision prise au détenteur de l'autorisation. Si le gestionnaire du domaine n'a pas communiqué sa décision au détenteur de l'autorisation dans ce délai, le contredit est censé être recueilli.
§ 7. Le détenteur de l'autorisation ayant fait défaut est tenu de payer au gestionnaire du domaine l'indemnité citée au § 5 dans les 30 jours de l'envoi de la réclamation, à moins qu'il ne notifie, dans le même délai, son contredit écrit conformément au § 6. Dans ce cas, le détenteur de l'autorisation doit payer dans les 30 jours de l'envoi de la décision définitive du gestionnaire du domaine, dans la mesure où son contredit n'a pas été accepté ou n'a été accepté que partiellement par le gestionnaire du domaine. "
HOOFDSTUK XXXVI. - Energiefonds.
CHAPITRE XXXVI. - Fonds de l'Energie.
Art. 101. In artikel 37 van het Elektriciteitsdecreet van 17 juli 2000 wordt § 7, gewijzigd bij het decreet van 21 december 2001, vervangen door wat volgt :
" § 7. De opbrengst van de administratieve geldboeten, vermeld in § 1, wordt gestort in de Vlaamse middelenbegroting.
De opbrengst van de administratieve geldboeten, vermeld in § 2, wordt gestort in het Fonds Hernieuwbare Energiebronnen, bedoeld in artikel 26.
De opbrengst van de administratieve geldboeten, vermeld in § 2bis en § 2ter, wordt gestort in het Energiefonds, bedoeld in artikel 20. ".
" § 7. De opbrengst van de administratieve geldboeten, vermeld in § 1, wordt gestort in de Vlaamse middelenbegroting.
De opbrengst van de administratieve geldboeten, vermeld in § 2, wordt gestort in het Fonds Hernieuwbare Energiebronnen, bedoeld in artikel 26.
De opbrengst van de administratieve geldboeten, vermeld in § 2bis en § 2ter, wordt gestort in het Energiefonds, bedoeld in artikel 20. ".
Art. 101. Dans l'article 37 du décret relatif à l'organisation du marché de l'électricité du 17 juillet 2000, le § 7, inséré par le décret du 21 décembre 2001, est remplacé par la disposition suivante :
" § 7. Le produit des amendes administratives, visées au § 1er, est versé au budget flamand des voies et moyens.
Le produit des amendes administratives, visées au § 2, alimente le Fonds des Sources d'énergie renouvelables, visé à l'article 26.
Le produit des amendes administratives, visées aux §§ 2bis et 2ter, alimente le Fonds de l'Energie, visé à l'article 20. "
" § 7. Le produit des amendes administratives, visées au § 1er, est versé au budget flamand des voies et moyens.
Le produit des amendes administratives, visées au § 2, alimente le Fonds des Sources d'énergie renouvelables, visé à l'article 26.
Le produit des amendes administratives, visées aux §§ 2bis et 2ter, alimente le Fonds de l'Energie, visé à l'article 20. "
HOOFDSTUK XXXVII. - Beroepsopleiding.
CHAPITRE XXXVII. - Formation professionnelle.
Art. 102. Binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten voorziet de Vlaamse regering in een steunregeling inzake loopbaandienstverlening ten voordele van werkenden.
Als werkenden worden beschouwd de personen die tewerkgesteld zijn in de private of de publieke sector, krachtens een arbeidsovereenkomst of die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon, alsook de personen die aangesloten zijn bij het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekering van Zelfstandigen of bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen.
Onder loopbaandienstverlening wordt verstaan de dienstverlening op grond van individuele contacten tussen de werkende en de loopbaandienstverlener, al dan niet aangevuld met collectieve sessies, die volgende stappen omvat :
a) een intake waarin de interesse en de behoefte aan loopbaandienstverlening wordt afgetoetst en waarin tevens in de mogelijkheid wordt voorzien om korte maar sluitende adviezen te verschaffen;
b) een diagnose waarbij een coherent inzicht in competenties, motivaties en verwachtingen wordt verzameld;
c) de opstelling van een persoonlijk actieplan met een loopbaanpad, al dan niet gekoppeld aan opleidingsadviezen;
d) de evolutie en de toestand van de werkende op het einde van de loopbaandienstverlening wordt aan het persoonlijk actieplan getoetst tijdens een afsluitend gesprek.
De Vlaamse regering bepaalt de nadere voorwaarden en regels in verband met het toepassingsgebied, de aard en de inhoud van de loopbaandienstverlening, de criteria en de procedure tot erkenning en subsidiëring van centra inzake loopbaandienstverlening, het toezicht en de controle.
Als werkenden worden beschouwd de personen die tewerkgesteld zijn in de private of de publieke sector, krachtens een arbeidsovereenkomst of die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon, alsook de personen die aangesloten zijn bij het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekering van Zelfstandigen of bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen.
Onder loopbaandienstverlening wordt verstaan de dienstverlening op grond van individuele contacten tussen de werkende en de loopbaandienstverlener, al dan niet aangevuld met collectieve sessies, die volgende stappen omvat :
a) een intake waarin de interesse en de behoefte aan loopbaandienstverlening wordt afgetoetst en waarin tevens in de mogelijkheid wordt voorzien om korte maar sluitende adviezen te verschaffen;
b) een diagnose waarbij een coherent inzicht in competenties, motivaties en verwachtingen wordt verzameld;
c) de opstelling van een persoonlijk actieplan met een loopbaanpad, al dan niet gekoppeld aan opleidingsadviezen;
d) de evolutie en de toestand van de werkende op het einde van de loopbaandienstverlening wordt aan het persoonlijk actieplan getoetst tijdens een afsluitend gesprek.
De Vlaamse regering bepaalt de nadere voorwaarden en regels in verband met het toepassingsgebied, de aard en de inhoud van de loopbaandienstverlening, de criteria en de procedure tot erkenning en subsidiëring van centra inzake loopbaandienstverlening, het toezicht en de controle.
Art. 102. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement flamand prévoit un régime d'aides dans le domaine des services carrière en faveur des travailleurs.
Sont considérés comme des travailleurs, les personnes occupées dans le secteur privé ou public, en vertu d'un contrat de travail ou autrement sous l'autorité d'une autre personne, ainsi que les personnes affiliées à l'Institut national d'Assurance sociale pour Travailleurs indépendants ou à une Caisse de Sécurité sociale pour les Travailleurs indépendants.
Par services carrière il faut entendre la prestation de services en vertu de contacts individuels entre le travailleur et le prestataire de services carrière, complétée ou non par des sessions collectives, comprenant les étapes suivantes :
a) un entretien d'entrée pendant lequel sont examinés l'intérêt et les besoins de services carrière et où il y a la possibilité de donner des conseils brefs mais cohérents;
b) une diagnose donnant un aperçu cohérent des compétences, motivations et espérances;
c) l'élaboration d'un plan d'action personnel assorti d'une trajectoire de carrière, liée ou non à des conseils quant aux formations à suivre;
d) l'évolution et la situation du travailleur au terme des services carrière sont confrontées au plan d'action pendant un entretien conclusif.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités et les règles relatives au champ d'application, à la nature et au contenu des services carrière, aux critères et à la procédure d'agrément et de subventionnement de centres de services carrière, à la surveillance et au contrôle.
Sont considérés comme des travailleurs, les personnes occupées dans le secteur privé ou public, en vertu d'un contrat de travail ou autrement sous l'autorité d'une autre personne, ainsi que les personnes affiliées à l'Institut national d'Assurance sociale pour Travailleurs indépendants ou à une Caisse de Sécurité sociale pour les Travailleurs indépendants.
Par services carrière il faut entendre la prestation de services en vertu de contacts individuels entre le travailleur et le prestataire de services carrière, complétée ou non par des sessions collectives, comprenant les étapes suivantes :
a) un entretien d'entrée pendant lequel sont examinés l'intérêt et les besoins de services carrière et où il y a la possibilité de donner des conseils brefs mais cohérents;
b) une diagnose donnant un aperçu cohérent des compétences, motivations et espérances;
c) l'élaboration d'un plan d'action personnel assorti d'une trajectoire de carrière, liée ou non à des conseils quant aux formations à suivre;
d) l'évolution et la situation du travailleur au terme des services carrière sont confrontées au plan d'action pendant un entretien conclusif.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités et les règles relatives au champ d'application, à la nature et au contenu des services carrière, aux critères et à la procédure d'agrément et de subventionnement de centres de services carrière, à la surveillance et au contrôle.
HOOFDSTUK XXXVIII. - Slotbepalingen.
CHAPITRE XXXVIII. - Dispositions finales.
Art. 103. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2004, met uitzondering van :
1° artikel 15 treedt in werking met ingang van (1 maart 1999);
2° artikel 94, 1°, treedt in werking met ingang van 1 januari 2003;
3° artikel 97 treedt in werking op de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad;
4° de Vlaamse regering is gemachtigd om de datum van inwerkingtreding van artikel 25 te bepalen;
5° artikel 82, waarvan 1° en 2° uitwerking hebben met ingang van 1 februari 2003, 4° uitwerking heeft met ingang van 1 september 2003 en 3° in werking treedt op 1 september 2004.
1° artikel 15 treedt in werking met ingang van (1 maart 1999);
2° artikel 94, 1°, treedt in werking met ingang van 1 januari 2003;
3° artikel 97 treedt in werking op de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad;
4° de Vlaamse regering is gemachtigd om de datum van inwerkingtreding van artikel 25 te bepalen;
5° artikel 82, waarvan 1° en 2° uitwerking hebben met ingang van 1 februari 2003, 4° uitwerking heeft met ingang van 1 september 2003 en 3° in werking treedt op 1 september 2004.
Art. 103. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2004, à l'exception de ce qui suit :
1° l'article 15 entre en vigueur le (1er mars 1999);
2° l'article 94, 1°, entre en vigueur le 1er janvier 2003;
3° l'article 97 entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge;
4° le Gouvernement flamand est autorisé à fixer la date d'entrée en vigueur de l'article 25;
5° l'article 82, dont les points 1° et 2° produisent leurs effets le 1er février 2003, dont le point 4° produit ses effets le 1er septembre 2003 et dont le point 3° entre en vigueur le 1er septembre 2004.
1° l'article 15 entre en vigueur le (1er mars 1999);
2° l'article 94, 1°, entre en vigueur le 1er janvier 2003;
3° l'article 97 entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge;
4° le Gouvernement flamand est autorisé à fixer la date d'entrée en vigueur de l'article 25;
5° l'article 82, dont les points 1° et 2° produisent leurs effets le 1er février 2003, dont le point 4° produit ses effets le 1er septembre 2003 et dont le point 3° entre en vigueur le 1er septembre 2004.