Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° wettelijke feestdagen : 1 januari, Paasmaandag, 1 mei, Hemelvaartdag, Pinkstermaandag, 21 juli, 15 augustus, 1 november, 11 november, 25 december;
  2° decretale feestdag : 11 juli;
  3° reglementaire feestdagen : 2 november, 15 november, 26 december.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
12 SEPTEMBER 2003. - Besluit van de Vlaamse regering betreffende sommige bepalingen met betrekking tot het meesters-, vak- en dienstpersoneel in het Gemeenschapsonderwijs.
Titre
12 SEPTEMBRE 2003. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand fixant certaines dispositions relatives aux membres du personnel de maĂźtrise, gens de mĂ©tier et de service dans l'Enseignement communautaire (TRADUCTION).
Documentinformatie
Info du document
Tekst (6)
Texte (6)
Article 1. Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
  1° jours fériés légaux : le 1er janvier, le lundi de Pùques, le 1er mai, l'Ascension, le lundi de PentecÎte, le 21 juillet, le 15 août, le 1er novembre, le 11 novembre, le 25 décembre;
  2° jour férié décrétal : le 11 juillet;
  3° jours fériés réglementaires : le 2 novembre, le 15 novembre, le 26 décembre.
  1° jours fériés légaux : le 1er janvier, le lundi de Pùques, le 1er mai, l'Ascension, le lundi de PentecÎte, le 21 juillet, le 15 août, le 1er novembre, le 11 novembre, le 25 décembre;
  2° jour férié décrétal : le 11 juillet;
  3° jours fériés réglementaires : le 2 novembre, le 15 novembre, le 26 décembre.
Art. 2. § 1. Dit besluit is van toepassing op het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel bedoeld in artikel 2, § 1 van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs;
  § 2. Dit besluit is eveneens van toepassing op de in § 1 bedoelde tijdelijke personeelsleden voorzover de in dit besluit vermelde vakantieperiodes vallen binnen de periode van hun tijdelijke aanstelling.
  § 2. Dit besluit is eveneens van toepassing op de in § 1 bedoelde tijdelijke personeelsleden voorzover de in dit besluit vermelde vakantieperiodes vallen binnen de periode van hun tijdelijke aanstelling.
Art. 2. § 1er. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© est applicable aux membres statutaires du personnel de maĂźtrise, des gens de mĂ©tier et de service visĂ©s Ă l'article 2, § 1er du dĂ©cret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'Enseignement communautaire;.
  § 2. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© est Ă©galement applicable aux membres du personnel temporaires visĂ©s au § 1er pour autant que les pĂ©riodes de vacances mentionnĂ©es au prĂ©sent arrĂȘtĂ© tombent dans la pĂ©riode de leur dĂ©signation temporaire.
  § 2. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© est Ă©galement applicable aux membres du personnel temporaires visĂ©s au § 1er pour autant que les pĂ©riodes de vacances mentionnĂ©es au prĂ©sent arrĂȘtĂ© tombent dans la pĂ©riode de leur dĂ©signation temporaire.
Art. 3. § 1. De leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel hebben jaarlijks recht op 35 dagen vakantie waarvan zij minstens 20 werkdagen opeenvolgend nemen in de periode van 1 juli tot 31 augustus.
  § 2. Naast de vakantiedagen zoals bepaald in § 1 heeft het personeelslid recht op de wettelijke, decretale en reglementaire feestdagen.
  Ter vervanging van voormelde feestdagen die samenvallen met een zaterdag of zondag, heeft het personeelslid vakantie in de periode tussen Kerstmis en nieuwjaar.
  § 3. Het personeelslid dat verplicht is om op één van de in § 2 vermelde dagen of in de periode tussen Kerstmis en nieuwjaar te werken ten gevolge van behoeften van de dienst, krijgt in evenredige mate vervangende vakantiedagen die hij onder dezelfde voorwaarden als de jaarlijkse vakantiedagen kan nemen.
  § 4. Onverminderd de bepalingen in § 1, § 2 en § 3 neemt het personeelslid de vakantiedagen naar keuze doch met inachtneming van de behoeften van de dienst onder verantwoordelijkheid van de directeur.
  In afwijking van het eerste lid heeft het personeelslid evenwel het recht om binnen het aantal van 35 dagen, 4 dagen vakantieverlof te nemen zonder dat het dienstbelang daar tegenover kan worden gesteld.
  § 5. De jaarlijkse vakantie wordt opgenomen binnen het kalenderjaar. In uitzonderlijke gevallen kan aan het personeelslid toegestaan worden om vijf werkdagen over te dragen naar het volgende jaar. Die dagen moeten worden opgenomen vóór het einde van de paasvakantie. De procedure hiervoor wordt als volgt vastgelegd. Het personeelslid richt een gemotiveerde aanvraag aan de directeur van de betrokken instelling. Het college van directeurs beslist over het al dan niet toestaan van deze afwijking.
  § 6. Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijkse vakantiedagen. Wanneer een personeelslid in de loop van het jaar in dienst treedt of zijn ambt definitief neerlegt, wordt het vakantieverlof in evenredige mate verminderd tijdens het lopende jaar. Het aantal vakantiedagen vermindert in evenredige mate met het aantal onbezoldigde verlofdagen tijdens het lopende jaar en, indien niet meer mogelijk, tijdens het daaropvolgende jaar. Het aantal aldus berekende vakantiedagen bedraagt steeds een halve of volledige dag. De afronding gebeurt naar de hogere halve dag.
  § 7. Voor het personeelslid dat deeltijds werkt, wordt het jaarlijks vakantieverlof in evenredige mate verminderd.
  § 8. De vakantiedagen zoals bepaald in artikel 3, worden met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Zij worden niet opgeschort bij ziekte doch wel bij hospitalisatie van het personeelslid.
  § 9. Het jaarlijkse vakantieverlof wordt vergoed.
  § 2. Naast de vakantiedagen zoals bepaald in § 1 heeft het personeelslid recht op de wettelijke, decretale en reglementaire feestdagen.
  Ter vervanging van voormelde feestdagen die samenvallen met een zaterdag of zondag, heeft het personeelslid vakantie in de periode tussen Kerstmis en nieuwjaar.
  § 3. Het personeelslid dat verplicht is om op één van de in § 2 vermelde dagen of in de periode tussen Kerstmis en nieuwjaar te werken ten gevolge van behoeften van de dienst, krijgt in evenredige mate vervangende vakantiedagen die hij onder dezelfde voorwaarden als de jaarlijkse vakantiedagen kan nemen.
  § 4. Onverminderd de bepalingen in § 1, § 2 en § 3 neemt het personeelslid de vakantiedagen naar keuze doch met inachtneming van de behoeften van de dienst onder verantwoordelijkheid van de directeur.
  In afwijking van het eerste lid heeft het personeelslid evenwel het recht om binnen het aantal van 35 dagen, 4 dagen vakantieverlof te nemen zonder dat het dienstbelang daar tegenover kan worden gesteld.
  § 5. De jaarlijkse vakantie wordt opgenomen binnen het kalenderjaar. In uitzonderlijke gevallen kan aan het personeelslid toegestaan worden om vijf werkdagen over te dragen naar het volgende jaar. Die dagen moeten worden opgenomen vóór het einde van de paasvakantie. De procedure hiervoor wordt als volgt vastgelegd. Het personeelslid richt een gemotiveerde aanvraag aan de directeur van de betrokken instelling. Het college van directeurs beslist over het al dan niet toestaan van deze afwijking.
  § 6. Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijkse vakantiedagen. Wanneer een personeelslid in de loop van het jaar in dienst treedt of zijn ambt definitief neerlegt, wordt het vakantieverlof in evenredige mate verminderd tijdens het lopende jaar. Het aantal vakantiedagen vermindert in evenredige mate met het aantal onbezoldigde verlofdagen tijdens het lopende jaar en, indien niet meer mogelijk, tijdens het daaropvolgende jaar. Het aantal aldus berekende vakantiedagen bedraagt steeds een halve of volledige dag. De afronding gebeurt naar de hogere halve dag.
  § 7. Voor het personeelslid dat deeltijds werkt, wordt het jaarlijks vakantieverlof in evenredige mate verminderd.
  § 8. De vakantiedagen zoals bepaald in artikel 3, worden met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Zij worden niet opgeschort bij ziekte doch wel bij hospitalisatie van het personeelslid.
  § 9. Het jaarlijkse vakantieverlof wordt vergoed.
Art. 3. § 1er. Les membres du personnel de maĂźtrise, gens de mĂ©tier et de service peuvent prĂ©tendre Ă des congĂ©s annuels de vacances de 35 jours dont au moins 20 jours ouvrables doivent ĂȘtre pris de suite dans la pĂ©riode du 1er juillet au 31 aoĂ»t.
  § 2. Outre les jours de vacances tels que définis au § 1er, le membre du personnel a droit aux jours fériés légaux, décrétaux et réglementaires.
  En compensation des jours fériés précités qui coïncident avec un samedi ou un dimanche, le membre du personnel est en congé dans la période entre Noël et le Nouvel An.
  § 3. Le membre du personnel qui est obligĂ© de travailler l'un des jours mentionnĂ©s au § 2 ou au cours de la pĂ©riode entre NoĂ«l et le Nouvel An, en raison des nĂ©cessitĂ©s de service, reçoit en compensation et dans une mesure proportionnelle, des jours de vacances qui peuvent ĂȘtre pris aux mĂȘmes conditions que les congĂ©s annuels de vacances.
  § 4. Sans préjudice des dispositions des §§ 1er, 2 et 3, les congés de vacances sont pris selon les convenances du membre du personnel et les nécessités du service, sous la responsabilité du directeur.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, le membre du personnel a le droit de prendre, dans les limites des 35 jours ouvrables, 4 jours ouvrables de congĂ©s de vacances sans que l'intĂ©rĂȘt du service puisse lui ĂȘtre opposĂ©.
  § 5. Les congĂ©s annuels de vacances sont pris au cours de l'annĂ©e calendaire. Dans des cas exceptionnels, le membre du personnel est autorisĂ© Ă reporter cinq jours ouvrables de congĂ©s de vacances Ă l'annĂ©e suivante. Ces jours doivent ĂȘtre pris avant la fin des vacances de PĂąques. La procĂ©dure Ă suivre est la suivante. Le membre du personnel adresse une demande motivĂ©e au directeur de l'Ă©tablissement en question. Le collĂšge des directeurs dĂ©cide d'autoriser ou non cette dĂ©rogation.
  § 6. Chaque période d'activité de service donne droit à des jours de congés annuels de vacances. Lorsqu'un membre du personnel entre en service ou cesse définitivement ses fonctions au cours de l'année, ses congés de vacances seront réduits proportionnellement pendant l'année en cours. Le nombre de jours de vacances est réduit proportionnellement du nombre de jours de congés non rémunérés pendant l'année en cours et, en cas d'impossibilité, pendant l'année suivante. Le nombre de jours de vacances ainsi calculé est toujours un demi-jour ou un jour entier. Ce nombre est arrondi au demi-jour supérieur.
  § 7. Pour le membre du personnel qui travaille à temps partiel, les congés annuels de vacances sont réduits proportionnellement.
  § 8. Les jours de vacances tels que fixés à l'article 3 sont assimilés à une période d'activité de service. Ils ne sont pas suspendus en cas de maladie mais bien en cas d'hospitalisation du membre du personnel.
  § 9. Les congés annuels de vacances sont rémunérés.
  § 2. Outre les jours de vacances tels que définis au § 1er, le membre du personnel a droit aux jours fériés légaux, décrétaux et réglementaires.
  En compensation des jours fériés précités qui coïncident avec un samedi ou un dimanche, le membre du personnel est en congé dans la période entre Noël et le Nouvel An.
  § 3. Le membre du personnel qui est obligĂ© de travailler l'un des jours mentionnĂ©s au § 2 ou au cours de la pĂ©riode entre NoĂ«l et le Nouvel An, en raison des nĂ©cessitĂ©s de service, reçoit en compensation et dans une mesure proportionnelle, des jours de vacances qui peuvent ĂȘtre pris aux mĂȘmes conditions que les congĂ©s annuels de vacances.
  § 4. Sans préjudice des dispositions des §§ 1er, 2 et 3, les congés de vacances sont pris selon les convenances du membre du personnel et les nécessités du service, sous la responsabilité du directeur.
  Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, le membre du personnel a le droit de prendre, dans les limites des 35 jours ouvrables, 4 jours ouvrables de congĂ©s de vacances sans que l'intĂ©rĂȘt du service puisse lui ĂȘtre opposĂ©.
  § 5. Les congĂ©s annuels de vacances sont pris au cours de l'annĂ©e calendaire. Dans des cas exceptionnels, le membre du personnel est autorisĂ© Ă reporter cinq jours ouvrables de congĂ©s de vacances Ă l'annĂ©e suivante. Ces jours doivent ĂȘtre pris avant la fin des vacances de PĂąques. La procĂ©dure Ă suivre est la suivante. Le membre du personnel adresse une demande motivĂ©e au directeur de l'Ă©tablissement en question. Le collĂšge des directeurs dĂ©cide d'autoriser ou non cette dĂ©rogation.
  § 6. Chaque période d'activité de service donne droit à des jours de congés annuels de vacances. Lorsqu'un membre du personnel entre en service ou cesse définitivement ses fonctions au cours de l'année, ses congés de vacances seront réduits proportionnellement pendant l'année en cours. Le nombre de jours de vacances est réduit proportionnellement du nombre de jours de congés non rémunérés pendant l'année en cours et, en cas d'impossibilité, pendant l'année suivante. Le nombre de jours de vacances ainsi calculé est toujours un demi-jour ou un jour entier. Ce nombre est arrondi au demi-jour supérieur.
  § 7. Pour le membre du personnel qui travaille à temps partiel, les congés annuels de vacances sont réduits proportionnellement.
  § 8. Les jours de vacances tels que fixés à l'article 3 sont assimilés à une période d'activité de service. Ils ne sont pas suspendus en cas de maladie mais bien en cas d'hospitalisation du membre du personnel.
  § 9. Les congés annuels de vacances sont rémunérés.
Art. 4. Hoofdstuk 1 en artikel 4bis van het koninklijk besluit van 8 december 1967, genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak-, en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager-, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs is met ingang van 1 januari 2003 niet meer van toepassing op de in artikel 1 bedoelde personeelsleden van het meesters-, vak-, en dienstpersoneel.
Art. 4. Le chapitre 1er et l'article 4bis de l'arrĂȘtĂ© royal du 8 dĂ©cembre 1967 pris en application de l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 fĂ©vrier 1967 dĂ©terminant les positions administratives du personnel administratif, du personnel de maĂźtrise, gens de mĂ©tier et de service des Ă©tablissements d'enseignement gardien, primaire, spĂ©cial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, ne sont plus applicables aux personnels de maĂźtrise, aux gens de mĂ©tier et de service visĂ©s Ă l'article 1er Ă compter du 1er janvier 2003.
Art. 5. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2003.
Art. 5. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© produit ses effets le 1er janvier 2003.
Art. 6. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Brussel, 12 september 2003.
  De minister-president van de Vlaamse regering,
  B. SOMERS
  De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
  M. VANDERPOORTEN.
  Brussel, 12 september 2003.
  De minister-president van de Vlaamse regering,
  B. SOMERS
  De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
  M. VANDERPOORTEN.
Art. 6. La Ministre flamande qui a l'Enseignement dans ses attributions est chargĂ©e de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Bruxelles, le 12 septembre 2003.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  B. SOMERS
  La Ministre flamande de l'Enseignement et de la Formation,
  M. VANDERPOORTEN.
  Bruxelles, le 12 septembre 2003.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  B. SOMERS
  La Ministre flamande de l'Enseignement et de la Formation,
  M. VANDERPOORTEN.