Artikel 1. Aan artikel 3, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichting 'Beeldende kunst', wordt de volgende zin toegevoegd :
" In de gevallen waarvoor toepassing gemaakt wordt van artikel 5 kan een bekwaamheidsbewijs bestaan uit artistieke ervaring. "
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
14 FEBRUARI 2003. - Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichting 'Beeldende kunst', en van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen 'Muziek', 'Woordkunst' en 'Dans'.
Titre
14 FEVRIER 2003. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 relatif aux titres, aux traitements, au régime de prestations et au statut pécuniaire des membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation des établissements d'enseignement artistique à temps partiel, orientation " Arts plastiques " et l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 relatif aux titres, aux traitements, au régime de prestations et au statut pécuniaire des membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation des établissements d'enseignement artistique à temps partiel, orientations " Musique ", " Arts de la parole " et " Danse " (TRADUCTION).
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (34)
Texte (33)
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichting 'Beeldende kunst'.
CHAPITRE I. - Modifications à l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 relatif aux titres, aux traitements, au régime de prestations et au statut pécuniaire des membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation des établissements d'enseignement artistique à temps partiel, orientation " Arts plastiques ".
Article 1. A l'article 3, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 relatif aux titres, aux traitements, au régime de prestations et au statut pécuniaire des membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation des établissements d'enseignement artistique à temps partiel, orientation " Arts plastiques ", la phrase suivante est ajoutée :
" Dans les cas auxquels s'applique l'article 5, un titre peut consister en de l'expérience artistique. "
" Dans les cas auxquels s'applique l'article 5, un titre peut consister en de l'expérience artistique. "
Art. 2. In artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 maart 1998, wordt § 2 vervangen door wat volgt :
" § 2. Onder bewijs van pedagogische bekwaamheid wordt een van de volgende diploma's of getuigschriften verstaan :
1° het diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs;
2° het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 2;
3° het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs;
4° het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1;
5° het diploma van geaggregeerde voor het onderwijs;
6° het getuigschrift van middelbare technische normaalleergangen;
7° het getuigschrift van normaalleergangen;
8° het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid;
9° het getuigschrift van pedagogische leergangen;
10° het diploma van leraar dans;
11° het diploma van onderwijzer(es);
12° het diploma van kleuteronderwijzer(es). "
" § 2. Onder bewijs van pedagogische bekwaamheid wordt een van de volgende diploma's of getuigschriften verstaan :
1° het diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs;
2° het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 2;
3° het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs;
4° het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1;
5° het diploma van geaggregeerde voor het onderwijs;
6° het getuigschrift van middelbare technische normaalleergangen;
7° het getuigschrift van normaalleergangen;
8° het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid;
9° het getuigschrift van pedagogische leergangen;
10° het diploma van leraar dans;
11° het diploma van onderwijzer(es);
12° het diploma van kleuteronderwijzer(es). "
Art. 2. A l'article 3 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 1998, le § 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Par certificat d'aptitudes pédagogiques on entend un des diplômes ou certificats suivants :
1° le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur;
2° le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire-groupe 2;
3° le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur;
4° le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1;
5° le diplôme d'agrégé de l'enseignement;
6° le certificat des cours normaux techniques moyens;
7° le certificat de cours normaux;
8° le certificat d'aptitudes pédagogiques;
9° le certificat de cours pédagogiques;
10° le diplôme d'enseignant de danse;
11° le diplôme d'instituteur primaire;
12° le diplôme d'instituteur préscolaire;
" § 2. Par certificat d'aptitudes pédagogiques on entend un des diplômes ou certificats suivants :
1° le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur;
2° le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire-groupe 2;
3° le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur;
4° le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1;
5° le diplôme d'agrégé de l'enseignement;
6° le certificat des cours normaux techniques moyens;
7° le certificat de cours normaux;
8° le certificat d'aptitudes pédagogiques;
9° le certificat de cours pédagogiques;
10° le diplôme d'enseignant de danse;
11° le diplôme d'instituteur primaire;
12° le diplôme d'instituteur préscolaire;
Art. 3. Aan artikel 3, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 maart 1998, wordt een 3° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 3° Voor de houder van het diploma van meester in beeldende kunst, meester in audiovisuele kunst of meester in productdesign die tevens houder is van een bewijs van pedagogische bekwaamheid dat uiterlijk tijdens het academiejaar 1999-2000 uitgereikt is, wordt het bewijs van pedagogische bekwaamheid gelijkgesteld met het diploma van geaggregeerde voor het onderwijs. Die gelijkstelling geldt ook voor bewijzen van pedagogische bekwaamheid die uiterlijk in juni 2001 uitgereikt werden, op voorwaarde dat de pedagogische opleiding uiterlijk in 1998 aangevat werd. "
" 3° Voor de houder van het diploma van meester in beeldende kunst, meester in audiovisuele kunst of meester in productdesign die tevens houder is van een bewijs van pedagogische bekwaamheid dat uiterlijk tijdens het academiejaar 1999-2000 uitgereikt is, wordt het bewijs van pedagogische bekwaamheid gelijkgesteld met het diploma van geaggregeerde voor het onderwijs. Die gelijkstelling geldt ook voor bewijzen van pedagogische bekwaamheid die uiterlijk in juni 2001 uitgereikt werden, op voorwaarde dat de pedagogische opleiding uiterlijk in 1998 aangevat werd. "
Art. 3. A l'article 3, § 3, du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 1998, il est ajouté un 3°, rédigé comme suit :
" 3° Pour le porteur d'un diplôme de Maître en arts plastiques, Maître en arts audiovisuels ou Maître en esthétique industrielle qui est également porteur d'un certificat d'aptitudes pédagogiques délivré au plus tard durant l'année académique 1999-2000, le certificat d'aptitudes pédagogiques est assimilé au diplôme d'agrégé de l'enseignement. Cette assimilation vaut également pour les certificats d'aptitudes pédagogiques délivrés au plus tard en juin 2001, à condition que la formation pédagogique soit entamée au plus tard en 1998. "
" 3° Pour le porteur d'un diplôme de Maître en arts plastiques, Maître en arts audiovisuels ou Maître en esthétique industrielle qui est également porteur d'un certificat d'aptitudes pédagogiques délivré au plus tard durant l'année académique 1999-2000, le certificat d'aptitudes pédagogiques est assimilé au diplôme d'agrégé de l'enseignement. Cette assimilation vaut également pour les certificats d'aptitudes pédagogiques délivrés au plus tard en juin 2001, à condition que la formation pédagogique soit entamée au plus tard en 1998. "
Art. 4. In hetzelfde besluit wordt een artikel 3bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 3bis. Voor experimenten zoals bedoeld in artikel 8, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting 'Beeldende kunst', kan de Vlaamse minister van Onderwijs de bekwaamheidsbewijzen vaststellen. "
" Art. 3bis. Voor experimenten zoals bedoeld in artikel 8, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting 'Beeldende kunst', kan de Vlaamse minister van Onderwijs de bekwaamheidsbewijzen vaststellen. "
Art. 4. Dans le même arrêté, il est inséré un article 3bis, rédigé comme suit :
" Art. 3bis. Pour des expériences telles que visées à l'article 8, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientation " Arts plastiques ", le Ministre flamand de l'Enseignement peut fixer les titres. "
" Art. 3bis. Pour des expériences telles que visées à l'article 8, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientation " Arts plastiques ", le Ministre flamand de l'Enseignement peut fixer les titres. "
Art. 5. Artikel 5 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 5. § 1. Voor de leraar in kunstvakken kan een bekwaamheidsbewijs bestaan uit artistieke ervaring, erkend zoals bepaald in dit artikel.
§ 2. Voor de erkenning van de artistieke ervaring wordt de volgende procedure gevolgd :
1° de directeur van de instelling voor deeltijds kunstonderwijs die de kandidaat wil aanstellen, stelt een dossier samen dat ten minste de volgende documenten bevat :
a) het curriculum vitae van de kandidaat, met identiteitsgegevens, opleiding en werkervaring;
b) een beschrijving van de activiteiten en de ervaring die voor de erkenning van de artistieke bekwaamheid nuttig kunnen zijn, eventueel aangevuld met relevante documentatie en referenties;
c) een nauwkeurige beschrijving van de betrekking (ambt, studierichting, graad, vak, specialiteit) in het deeltijds kunstonderwijs waarvoor de erkenning als bekwaamheidsbewijs gevraagd wordt;
2° de inrichtende macht of haar gemandateerde roept een adviesverlenende commissie samen, die minstens bestaat uit twee directeurs van andere instellingen voor deeltijds kunstonderwijs die de studierichting in kwestie organiseren en twee docenten, verbonden aan verschillende hogescholen voor het studiegebied van de vakken waarvoor de artistieke ervaring van de kandidaat erkend moet worden. Voor een kandidaat die verbonden is aan een hogeschool of aan een project hoger kunstonderwijs voor het studiegebied van het vak waarvoor hij aangesteld wordt in het deeltijds kunstonderwijs, hoeven geen docenten van hogescholen deel uit te maken van de commissie. Als datum van de samenroeping geldt de postdatum van de schriftelijke uitnodiging aan de commissieleden;
3° de commissie beoordeelt of de kandidaat op basis van artistieke ervaring beschikt over de nodige vakbekwaamheid voor de conform 1°, c), omschreven betrekking in het deeltijds kunstonderwijs. Hierbij houdt de commissie er rekening mee dat de kandidaat minstens 6 jaar artistieke ervaring moet kunnen voorleggen. De commissie verstrekt binnen 90 dagen een advies waarin ze zich duidelijk uitspreekt over de erkenning van de artistieke ervaring. Het advies is bindend;
4° de inrichtende macht beslist op een gemotiveerde wijze. Daarbij geeft ze de uitzonderlijke toestand weer die ertoe geleid heeft om tot een aanstelling op basis van artistieke ervaring over te gaan en toont ze aan dat de kandidaat een autoriteit is in het kunstvak in kwestie;
5° de beslissing van de inrichtende macht houdt de erkenning in van de artistieke ervaring van de kandidaat als voldoende geacht bekwaamheidsbewijs' voor een conform 1°, c), omschreven ambt in het deeltijds kunstonderwijs;
6° de inrichtende macht of haar gemandateerde deelt de beslissing mee aan de voor het deeltijds kunstonderwijs bevoegde dienst van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, en voegt een kopie van het advies toe dat tot de beslissing aanleiding gegeven heeft.
§ 3. Voor de procedure van § 2 afgerond is, kan, voor een personeelslid dat al aangesteld wordt, alleen een wedde(ntoelage) uitbetaald worden als hij effectief beschikt over een bekwaamheidsbewijs dat als andere' geldt voor het ambt en vak in kwestie. De weddeschaal is dan die voor andere bekwaamheidsbewijzen'.
§ 4. Voor een personeelslid dat met de procedure van § 2 een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs verworven heeft, kan een wedde(ntoelage) uitbetaald worden in de weddeschaal 301 voor opdrachten in de lagere en de middelbare graad en in de weddeschaal 302 in de hogere graad en de specialisatiegraad. "
" Art. 5. § 1. Voor de leraar in kunstvakken kan een bekwaamheidsbewijs bestaan uit artistieke ervaring, erkend zoals bepaald in dit artikel.
§ 2. Voor de erkenning van de artistieke ervaring wordt de volgende procedure gevolgd :
1° de directeur van de instelling voor deeltijds kunstonderwijs die de kandidaat wil aanstellen, stelt een dossier samen dat ten minste de volgende documenten bevat :
a) het curriculum vitae van de kandidaat, met identiteitsgegevens, opleiding en werkervaring;
b) een beschrijving van de activiteiten en de ervaring die voor de erkenning van de artistieke bekwaamheid nuttig kunnen zijn, eventueel aangevuld met relevante documentatie en referenties;
c) een nauwkeurige beschrijving van de betrekking (ambt, studierichting, graad, vak, specialiteit) in het deeltijds kunstonderwijs waarvoor de erkenning als bekwaamheidsbewijs gevraagd wordt;
2° de inrichtende macht of haar gemandateerde roept een adviesverlenende commissie samen, die minstens bestaat uit twee directeurs van andere instellingen voor deeltijds kunstonderwijs die de studierichting in kwestie organiseren en twee docenten, verbonden aan verschillende hogescholen voor het studiegebied van de vakken waarvoor de artistieke ervaring van de kandidaat erkend moet worden. Voor een kandidaat die verbonden is aan een hogeschool of aan een project hoger kunstonderwijs voor het studiegebied van het vak waarvoor hij aangesteld wordt in het deeltijds kunstonderwijs, hoeven geen docenten van hogescholen deel uit te maken van de commissie. Als datum van de samenroeping geldt de postdatum van de schriftelijke uitnodiging aan de commissieleden;
3° de commissie beoordeelt of de kandidaat op basis van artistieke ervaring beschikt over de nodige vakbekwaamheid voor de conform 1°, c), omschreven betrekking in het deeltijds kunstonderwijs. Hierbij houdt de commissie er rekening mee dat de kandidaat minstens 6 jaar artistieke ervaring moet kunnen voorleggen. De commissie verstrekt binnen 90 dagen een advies waarin ze zich duidelijk uitspreekt over de erkenning van de artistieke ervaring. Het advies is bindend;
4° de inrichtende macht beslist op een gemotiveerde wijze. Daarbij geeft ze de uitzonderlijke toestand weer die ertoe geleid heeft om tot een aanstelling op basis van artistieke ervaring over te gaan en toont ze aan dat de kandidaat een autoriteit is in het kunstvak in kwestie;
5° de beslissing van de inrichtende macht houdt de erkenning in van de artistieke ervaring van de kandidaat als voldoende geacht bekwaamheidsbewijs' voor een conform 1°, c), omschreven ambt in het deeltijds kunstonderwijs;
6° de inrichtende macht of haar gemandateerde deelt de beslissing mee aan de voor het deeltijds kunstonderwijs bevoegde dienst van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, en voegt een kopie van het advies toe dat tot de beslissing aanleiding gegeven heeft.
§ 3. Voor de procedure van § 2 afgerond is, kan, voor een personeelslid dat al aangesteld wordt, alleen een wedde(ntoelage) uitbetaald worden als hij effectief beschikt over een bekwaamheidsbewijs dat als andere' geldt voor het ambt en vak in kwestie. De weddeschaal is dan die voor andere bekwaamheidsbewijzen'.
§ 4. Voor een personeelslid dat met de procedure van § 2 een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs verworven heeft, kan een wedde(ntoelage) uitbetaald worden in de weddeschaal 301 voor opdrachten in de lagere en de middelbare graad en in de weddeschaal 302 in de hogere graad en de specialisatiegraad. "
Art. 5. L'article 5 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 5. § 1er. Pour l'enseignant de cours artistiques, un titre peut consister en de l'expérience artistique, agréée tel que fixé au présent article.
§ 2. Pour l'agrément de l'expérience artistique, la procédure suivante est suivie :
1° le directeur de l'établissement d'enseignement artistique à temps partiel qui souhaite désigner le candidat, établit un dossier contenant au moins les documents suivants :
a) le curriculum vitae du candidat, contenant les coordonnées, la formation et l'expérience professionnelle;
b) une description des activités et de l'expérience pouvant être utiles à l'agrément de l'aptitude artistique, éventuellement complétée de documentation et de références pertinentes;
c) une description détaillée de l'emploi (fonction, orientation d'études, degré, branche, spécialité) dans l'enseignement artistique à temps partiel pour lequel l'agrément est demandé comme titre;
2° le pouvoir organisateur ou son mandataire convoque une commission consultative, consistant d'au moins deux directeurs d'autres établissements d'enseignement artistique à temps partiel organisant l'orientation d'études en question et de deux chargés de cours associés à des instituts supérieurs différents pour la discipline des branches pour lesquelles l'expérience artistique du candidat doit être agréée. Pour un candidat associé à un institut supérieur ou à un projet enseignement supérieur artistique pour la discipline de la branche pour laquelle il est désigné dans l'enseignement artistique à temps partiel, il n'est pas nécessaire que des chargés de cours fassent partie de la commission. La date de la poste de l'invitation écrite aux membres de la commission sert de date de la convocation;
3° la commission juge si le candidat dispose, sur la base de son expérience artistique, de la qualification professionnelle nécessaire pour l'emploi dans l'enseignement artistique à temps partiel décrit conformément au 1°, c). La commission prend en compte que le candidat doit pouvoir démontrer avoir au moins 6 ans d'expérience artistique. La commission donne un avis dans les 90 jours, dans lequel elle se prononce clairement sur l'agrément de l'expérience artistique. L'avis est impératif;
4° le pouvoir organisateur décide de façon motivée, en décrivant les circonstances exceptionnelles qui ont mené à une désignation sur la base d'expérience artistique et en démontrant que le candidat est une autorité dans le cours artistique en question;
5° la décision du pouvoir organisateur implique l'agrément de l'expérience artistique du candidat comme titre jugé suffisant' pour un emploi dans l'enseignement artistique à temps partiel décrit conformément au 1°, c);
6° le pouvoir organisateur ou son mandataire communique sa décision au service compétent pour l'enseignement artistique à temps partiel du Département de l'Enseignement du Ministère de la Communauté flamande, et joint à la décision une copie de l'avis qui y a mené.
§ 3. Avant que la procédure du § 2 ne soit arrondie, un membre du personnel déjà désigné peut seulement recevoir un traitement ou une subvention-traitement s'il dispose effectivement d'un titre de la catégorie autres' pour l'emploi et la branche en question. L'échelle de traitement est celle des autres titres'.
§ 4. Un membre du personnel ayant obtenu un titre jugé suffisant suivant la procédure du § 2, peut recevoir un traitement ou une subvention-traitement dans l'échelle de traitement 301 pour des charges dans les degrés inférieur et moyen et dans l'échelle de traitement 302 dans le degré supérieur et dans le degré de spécialisation. "
" Art. 5. § 1er. Pour l'enseignant de cours artistiques, un titre peut consister en de l'expérience artistique, agréée tel que fixé au présent article.
§ 2. Pour l'agrément de l'expérience artistique, la procédure suivante est suivie :
1° le directeur de l'établissement d'enseignement artistique à temps partiel qui souhaite désigner le candidat, établit un dossier contenant au moins les documents suivants :
a) le curriculum vitae du candidat, contenant les coordonnées, la formation et l'expérience professionnelle;
b) une description des activités et de l'expérience pouvant être utiles à l'agrément de l'aptitude artistique, éventuellement complétée de documentation et de références pertinentes;
c) une description détaillée de l'emploi (fonction, orientation d'études, degré, branche, spécialité) dans l'enseignement artistique à temps partiel pour lequel l'agrément est demandé comme titre;
2° le pouvoir organisateur ou son mandataire convoque une commission consultative, consistant d'au moins deux directeurs d'autres établissements d'enseignement artistique à temps partiel organisant l'orientation d'études en question et de deux chargés de cours associés à des instituts supérieurs différents pour la discipline des branches pour lesquelles l'expérience artistique du candidat doit être agréée. Pour un candidat associé à un institut supérieur ou à un projet enseignement supérieur artistique pour la discipline de la branche pour laquelle il est désigné dans l'enseignement artistique à temps partiel, il n'est pas nécessaire que des chargés de cours fassent partie de la commission. La date de la poste de l'invitation écrite aux membres de la commission sert de date de la convocation;
3° la commission juge si le candidat dispose, sur la base de son expérience artistique, de la qualification professionnelle nécessaire pour l'emploi dans l'enseignement artistique à temps partiel décrit conformément au 1°, c). La commission prend en compte que le candidat doit pouvoir démontrer avoir au moins 6 ans d'expérience artistique. La commission donne un avis dans les 90 jours, dans lequel elle se prononce clairement sur l'agrément de l'expérience artistique. L'avis est impératif;
4° le pouvoir organisateur décide de façon motivée, en décrivant les circonstances exceptionnelles qui ont mené à une désignation sur la base d'expérience artistique et en démontrant que le candidat est une autorité dans le cours artistique en question;
5° la décision du pouvoir organisateur implique l'agrément de l'expérience artistique du candidat comme titre jugé suffisant' pour un emploi dans l'enseignement artistique à temps partiel décrit conformément au 1°, c);
6° le pouvoir organisateur ou son mandataire communique sa décision au service compétent pour l'enseignement artistique à temps partiel du Département de l'Enseignement du Ministère de la Communauté flamande, et joint à la décision une copie de l'avis qui y a mené.
§ 3. Avant que la procédure du § 2 ne soit arrondie, un membre du personnel déjà désigné peut seulement recevoir un traitement ou une subvention-traitement s'il dispose effectivement d'un titre de la catégorie autres' pour l'emploi et la branche en question. L'échelle de traitement est celle des autres titres'.
§ 4. Un membre du personnel ayant obtenu un titre jugé suffisant suivant la procédure du § 2, peut recevoir un traitement ou une subvention-traitement dans l'échelle de traitement 301 pour des charges dans les degrés inférieur et moyen et dans l'échelle de traitement 302 dans le degré supérieur et dans le degré de spécialisation. "
Art. 6. Artikel 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 maart 1998, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 6. Voor de toepassing van dit besluit worden als een in artikel 3, § 1, bedoeld basisdiploma beschouwd :
1° de diploma's van arts, tandarts, dierenarts, doctor, ingenieur, apotheker of licentiaat, uitgereikt overeenkomstig de wetgeving op de academische graden;
2° de andere diploma's van arts, tandarts, dierenarts, doctor, ingenieur, apotheker of licentiaat, uitgereikt door een Belgische universiteit of een daarmee gelijkgestelde instelling, door een door de wet of door het decreet daartoe gemachtigde instelling of door een door de Staat of de Gemeenschap opgerichte examencommissie, als de duur van de studie ten minste vier jaar bedraagt, zelfs als een gedeelte van de studie niet in één van de voormelde onderwijsinstellingen werd volbracht;
3° het diploma van hoger technisch onderwijs van de derde graad;
4° a) het diploma van hoger kunstonderwijs van de derde graad met volledig leerplan;
b) het diploma van voortgezet hoger kunstonderwijs met volledig leerplan;
c) het diploma van hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste vijf studiejaren;
d) het laureaatsattest van het Nationaal Hoger Instituut van Antwerpen, verleend na een cyclus van ten minste 5 studiejaren;
e) de prijs Lemmens-Tinel, uitgereikt door het Lemmensinstituut in Leuven;
f) het diploma van meester, uitgereikt overeenkomstig de wetgeving op het hoger onderwijs;
5° het diploma van de officieren die voor 1 januari 1965 met vrucht hun studie hebben volbracht aan de Oefenschool bij de Koninklijke Militaire School of aan de polytechnische afdeling van die school;
6° het diploma van architect, interieurarchitect of van industrieel ingenieur;
7° het diploma van technisch ingenieur;
8° het universitaire diploma van burgerlijk conducteur;
9° het diploma van een hogere technische school van de tweede graad;
10° a) het diploma van het hoger kunstonderwijs van de tweede graad met volledig leerplan;
b) het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste vier studiejaren;
c) het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, voor 1 september 1969 uitgereikt na een cyclus van ten minste drie studiejaren door een instelling voor de beeldende kunsten;
d) het diploma van de tweede cyclus, uiterlijk in academiejaar 1994-1995 uitgereikt door een Koninklijk Muziekconservatorium;
e) het laureaatsdiploma, uitgereikt door het Lemmensinstituut in Leuven;
f) het laureaatsdiploma, uitgereikt door het Hoger Instituut voor Dramatische Kunst in Antwerpen;
11° het diploma van aspirant-officier ter lange omvaart;
12° het diploma van officier-werktuigkundige eerste klasse;
13° a) het diploma van het hoger kunstonderwijs van de eerste graad met volledig leerplan;
b) het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste twee studiejaren;
c) het diploma van de eerste cyclus, uiterlijk in academiejaar 1994-1995 uitgereikt door een Koninklijk Muziekconservatorium en met uitzondering van het diploma van kandidaat;
14° a) het diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan;
b) het diploma van een hogere technische school van de eerste graad;
c) het diploma van onderwijzer(es);
d) het diploma van kleuteronderwijzer(es);
e) het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs of het diploma van regent(es);
f) het diploma van geaggregeerde leraar van het middelbaar onderwijs van de lagere graad of van regent(es) voor de middelbare scholen;
g) het diploma van geaggregeerde voor het middelbaar en technisch onderwijs van de lagere graad;
h) het diploma van gegradueerde, uitgereikt door een hogeschool;
i) het diploma van een basisopleiding van één cyclus;
j) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1;
k) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 1, met uitdieping;
15° a) het diploma van virtuositeit, het hoger diploma en het diploma van eerste prijs, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs;
b) het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid dans;
c) het diploma van leraar dans;
16° het diploma van een hogere technische leergang van de tweede graad;
17° het diploma van het hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie of van een hogere technische leergang van de eerste graad;
18° het diploma van kandidaat, uitgereikt krachtens de wet op het toekennen van de academische graden;
19° de andere diploma's van kandidaat, uitgereikt door een Belgische universiteit of een daarmee gelijkgestelde instelling, door een door de wet of door het decreet daartoe gemachtigde instelling of door een door de Staat of de Gemeenschap opgerichte examencommissie;
20° a) het brevet van een aanvullende secundaire beroepsschool of leergang;
b) het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de vierde graad van het secundair onderwijs;
c) het diploma in de psychiatrische verpleegkunde;
d) het diploma in de ziekenhuisverpleegkunde;
21° het finaliteitsdiploma van het kunstonderwijs, georganiseerd met beperkt leerplan;
22° a) het gehomologeerde getuigschrift van hoger secundair onderwijs;
b) het gehomologeerde getuigschrift van het middelbaar onderwijs van de hogere graad;
c) het gehomologeerde diploma van secundair onderwijs;
d) het diploma van secundair onderwijs;
23° a) een studiebewijs van het niveau van hoger secundair technisch onderwijs;
b) een studiebewijs van het niveau van de derde graad van het technisch secundair onderwijs;
24° a) een studiebewijs van het niveau van hoger kunstsecundair onderwijs;
b) een studiebewijs van het niveau van de derde graad van het kunstsecundair onderwijs;
25° a) een studiebewijs van het niveau van hoger beroepssecundair onderwijs;
b) een studiebewijs van het niveau van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs;
26° een getuigschrift van secundair onderwijs van het DKO of van de hogere graad van het DKO;
27° een kwalificatiegetuigschrift van de specialisatiegraad van het DKO. "
" Art. 6. Voor de toepassing van dit besluit worden als een in artikel 3, § 1, bedoeld basisdiploma beschouwd :
1° de diploma's van arts, tandarts, dierenarts, doctor, ingenieur, apotheker of licentiaat, uitgereikt overeenkomstig de wetgeving op de academische graden;
2° de andere diploma's van arts, tandarts, dierenarts, doctor, ingenieur, apotheker of licentiaat, uitgereikt door een Belgische universiteit of een daarmee gelijkgestelde instelling, door een door de wet of door het decreet daartoe gemachtigde instelling of door een door de Staat of de Gemeenschap opgerichte examencommissie, als de duur van de studie ten minste vier jaar bedraagt, zelfs als een gedeelte van de studie niet in één van de voormelde onderwijsinstellingen werd volbracht;
3° het diploma van hoger technisch onderwijs van de derde graad;
4° a) het diploma van hoger kunstonderwijs van de derde graad met volledig leerplan;
b) het diploma van voortgezet hoger kunstonderwijs met volledig leerplan;
c) het diploma van hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste vijf studiejaren;
d) het laureaatsattest van het Nationaal Hoger Instituut van Antwerpen, verleend na een cyclus van ten minste 5 studiejaren;
e) de prijs Lemmens-Tinel, uitgereikt door het Lemmensinstituut in Leuven;
f) het diploma van meester, uitgereikt overeenkomstig de wetgeving op het hoger onderwijs;
5° het diploma van de officieren die voor 1 januari 1965 met vrucht hun studie hebben volbracht aan de Oefenschool bij de Koninklijke Militaire School of aan de polytechnische afdeling van die school;
6° het diploma van architect, interieurarchitect of van industrieel ingenieur;
7° het diploma van technisch ingenieur;
8° het universitaire diploma van burgerlijk conducteur;
9° het diploma van een hogere technische school van de tweede graad;
10° a) het diploma van het hoger kunstonderwijs van de tweede graad met volledig leerplan;
b) het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste vier studiejaren;
c) het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, voor 1 september 1969 uitgereikt na een cyclus van ten minste drie studiejaren door een instelling voor de beeldende kunsten;
d) het diploma van de tweede cyclus, uiterlijk in academiejaar 1994-1995 uitgereikt door een Koninklijk Muziekconservatorium;
e) het laureaatsdiploma, uitgereikt door het Lemmensinstituut in Leuven;
f) het laureaatsdiploma, uitgereikt door het Hoger Instituut voor Dramatische Kunst in Antwerpen;
11° het diploma van aspirant-officier ter lange omvaart;
12° het diploma van officier-werktuigkundige eerste klasse;
13° a) het diploma van het hoger kunstonderwijs van de eerste graad met volledig leerplan;
b) het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste twee studiejaren;
c) het diploma van de eerste cyclus, uiterlijk in academiejaar 1994-1995 uitgereikt door een Koninklijk Muziekconservatorium en met uitzondering van het diploma van kandidaat;
14° a) het diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan;
b) het diploma van een hogere technische school van de eerste graad;
c) het diploma van onderwijzer(es);
d) het diploma van kleuteronderwijzer(es);
e) het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs of het diploma van regent(es);
f) het diploma van geaggregeerde leraar van het middelbaar onderwijs van de lagere graad of van regent(es) voor de middelbare scholen;
g) het diploma van geaggregeerde voor het middelbaar en technisch onderwijs van de lagere graad;
h) het diploma van gegradueerde, uitgereikt door een hogeschool;
i) het diploma van een basisopleiding van één cyclus;
j) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1;
k) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 1, met uitdieping;
15° a) het diploma van virtuositeit, het hoger diploma en het diploma van eerste prijs, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs;
b) het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid dans;
c) het diploma van leraar dans;
16° het diploma van een hogere technische leergang van de tweede graad;
17° het diploma van het hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie of van een hogere technische leergang van de eerste graad;
18° het diploma van kandidaat, uitgereikt krachtens de wet op het toekennen van de academische graden;
19° de andere diploma's van kandidaat, uitgereikt door een Belgische universiteit of een daarmee gelijkgestelde instelling, door een door de wet of door het decreet daartoe gemachtigde instelling of door een door de Staat of de Gemeenschap opgerichte examencommissie;
20° a) het brevet van een aanvullende secundaire beroepsschool of leergang;
b) het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de vierde graad van het secundair onderwijs;
c) het diploma in de psychiatrische verpleegkunde;
d) het diploma in de ziekenhuisverpleegkunde;
21° het finaliteitsdiploma van het kunstonderwijs, georganiseerd met beperkt leerplan;
22° a) het gehomologeerde getuigschrift van hoger secundair onderwijs;
b) het gehomologeerde getuigschrift van het middelbaar onderwijs van de hogere graad;
c) het gehomologeerde diploma van secundair onderwijs;
d) het diploma van secundair onderwijs;
23° a) een studiebewijs van het niveau van hoger secundair technisch onderwijs;
b) een studiebewijs van het niveau van de derde graad van het technisch secundair onderwijs;
24° a) een studiebewijs van het niveau van hoger kunstsecundair onderwijs;
b) een studiebewijs van het niveau van de derde graad van het kunstsecundair onderwijs;
25° a) een studiebewijs van het niveau van hoger beroepssecundair onderwijs;
b) een studiebewijs van het niveau van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs;
26° een getuigschrift van secundair onderwijs van het DKO of van de hogere graad van het DKO;
27° een kwalificatiegetuigschrift van de specialisatiegraad van het DKO. "
Art. 6. L'article 6 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 1998, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 6. Pour l'application du présent arrêté, sont considérés comme un diplôme de base tel que visé à l'article 3, § 1er :
1° les diplômes de médecin, de dentiste, de médecin vétérinaire, de docteur, d'ingénieur, de pharmacien ou de licencié, délivrés conformément à la législation sur les grades académiques;
2° les autres diplômes de médecin, de dentiste, de médecin vétérinaire, de docteur, d'ingénieur, de pharmacien ou de licencié, délivrés par une université belge ou un établissement y assimilé, par un établissement habilité par la loi ou par le décret ou par un jury institué à cet effet par l'Etat ou la Communauté, si la durée des études comprend quatre années au moins, même si une partie des études n'a pas été parcourue dans un des établissements d'enseignement susmentionnés;
3° le diplôme de l'enseignement technique supérieur du troisième degré;
4° a) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique du troisième degré de plein exercice;
b) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique continu de plein exercice;
c) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique de plein exercice, délivré après un cycle d'au moins cinq années d'études;
d) l'attestation de lauréat du " Nationaal Hoger Instituut " à Anvers, délivrée après un cycle d'au moins cinq années d'études;
e) le prix Lemmens-Tinel, délivré par le " Lemmensinstituut " à Louvain;
f) le diplôme de maître, délivré conformément à la législation sur l'enseignement supérieur;
5° le diplôme des officiers qui, avant le 1er janvier 1965, ont terminé avec succès leurs études à l'Ecole d'application de l'Ecole royale militaire ou à la section polytechnique de cette Ecole;
6° le diplôme d'architecte, d'architecte d'intérieur ou d'ingénieur industriel;
7° le diplôme d'ingénieur technique;
8° le diplôme universitaire de conducteur civil;
9° le diplôme d'une école supérieure technique du deuxième degré;
10° a) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique du deuxième degré de plein exercice;
b) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique de plein exercice, délivré après un cycle d'au moins quatre années d'études;
c) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique de plein exercice, délivré avant le 1er septembre 1969 après un cycle d'au moins trois années d'études par un établissement des arts plastiques;
d) le diplôme du deuxième cycle, délivré au plus tard dans l'année académique 1994-1995 par un Conservatoire royal de Musique;
e) le diplôme de lauréat, délivré par le " Lemmensinstituut " à Louvain;
f) le diplôme de lauréat, délivré par le " Hoger Instituut voor Dramatische Kunst " à Anvers;
11° le diplôme d'aspirant-officier au long cours;
12° le diplôme d'officier-mécanicien de 1re classe;
13° a) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique du premier degré de plein exercice;
b) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique de plein exercice, délivré après un cycle d'au moins deux années d'études;
c) le diplôme du premier cycle, délivré au plus tard dans l'année académique 1994-1995 par un Conservatoire royal de Musique et à l'exception du diplôme de candidat;
14° a) le diplôme de l'enseignement supérieur de type court de plein exercice;
b) le diplôme d'une école supérieure technique du premier degré;
c) le diplôme d'instituteur primaire;
d) le diplôme d'instituteur préscolaire;
e) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur ou le diplôme de régent;
f) le diplôme de professeur agrégé de l'enseignement moyen du degré inférieur ou de régent pour les écoles moyennes;
g) le diplôme d'agrégé de l'enseignement moyen et technique du degré inférieur;
h) le diplôme de gradué, délivré par un institut supérieur;
i) le diplôme d'une formation initiale d'un cycle;
j) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1;
k) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1, avec approfondissement;
15° a) le diplôme de virtuosité, le diplôme supérieur et le diplôme du premier prix, délivrés par un établissement de l'enseignement musical supérieur;
b) le certificat d'aptitudes pédagogiques en danse;
c) le diplôme d'enseignant de danse;
16° le diplôme d'un cours technique supérieur du deuxième degré;
17° le diplôme de l'enseignement supérieur de promotion sociale de type court ou d'un cours technique supérieur du premier degré;
18° le diplôme de candidat, délivré en vertu de la loi sur la collation des grades académiques;
19° les autres diplômes de candidat délivrés par une université belge ou un établissement y assimilé, par un établissement y autorisé par la loi ou par le décret ou par un jury créé par l'Etat ou la Communauté;
20° a) le brevet d'une école ou d'un cours secondaire professionnel(le) complémentaire;
b) le certificat d'études de la deuxième année d'études du quatrième degré de l'enseignement secondaire;
c) le diplôme en nursing psychiatrique;
d) le diplôme en nursing hospitalier;
21° le diplôme de finalité de l'enseignement artistique à horaire réduit;
22° a) le certificat homologué de l'enseignement secondaire supérieur;
b) le certificat homologué de l'enseignement moyen du degré supérieur;
c) le diplôme homologué de l'enseignement secondaire;
d) le diplôme de l'enseignement secondaire;
23° a) un titre du niveau supérieur de l'enseignement secondaire technique;
b) un titre du niveau du troisième degré de l'enseignement secondaire technique;
24° a) un titre du niveau supérieur de l'enseignement secondaire artistique;
b) un titre du niveau du troisième degré de l'enseignement secondaire artistique;
25° a) un titre du niveau supérieur de l'enseignement secondaire professionnel;
b) un titre du niveau du troisième degré de l'enseignement secondaire professionnel;
26° un certificat de l'enseignement secondaire artistique à temps partiel ou du degré supérieur de l'enseignement artistique à temps partiel;
27° un certificat de qualification du degré de spécialisation de l'enseignement artistique à temps partiel. "
" Art. 6. Pour l'application du présent arrêté, sont considérés comme un diplôme de base tel que visé à l'article 3, § 1er :
1° les diplômes de médecin, de dentiste, de médecin vétérinaire, de docteur, d'ingénieur, de pharmacien ou de licencié, délivrés conformément à la législation sur les grades académiques;
2° les autres diplômes de médecin, de dentiste, de médecin vétérinaire, de docteur, d'ingénieur, de pharmacien ou de licencié, délivrés par une université belge ou un établissement y assimilé, par un établissement habilité par la loi ou par le décret ou par un jury institué à cet effet par l'Etat ou la Communauté, si la durée des études comprend quatre années au moins, même si une partie des études n'a pas été parcourue dans un des établissements d'enseignement susmentionnés;
3° le diplôme de l'enseignement technique supérieur du troisième degré;
4° a) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique du troisième degré de plein exercice;
b) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique continu de plein exercice;
c) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique de plein exercice, délivré après un cycle d'au moins cinq années d'études;
d) l'attestation de lauréat du " Nationaal Hoger Instituut " à Anvers, délivrée après un cycle d'au moins cinq années d'études;
e) le prix Lemmens-Tinel, délivré par le " Lemmensinstituut " à Louvain;
f) le diplôme de maître, délivré conformément à la législation sur l'enseignement supérieur;
5° le diplôme des officiers qui, avant le 1er janvier 1965, ont terminé avec succès leurs études à l'Ecole d'application de l'Ecole royale militaire ou à la section polytechnique de cette Ecole;
6° le diplôme d'architecte, d'architecte d'intérieur ou d'ingénieur industriel;
7° le diplôme d'ingénieur technique;
8° le diplôme universitaire de conducteur civil;
9° le diplôme d'une école supérieure technique du deuxième degré;
10° a) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique du deuxième degré de plein exercice;
b) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique de plein exercice, délivré après un cycle d'au moins quatre années d'études;
c) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique de plein exercice, délivré avant le 1er septembre 1969 après un cycle d'au moins trois années d'études par un établissement des arts plastiques;
d) le diplôme du deuxième cycle, délivré au plus tard dans l'année académique 1994-1995 par un Conservatoire royal de Musique;
e) le diplôme de lauréat, délivré par le " Lemmensinstituut " à Louvain;
f) le diplôme de lauréat, délivré par le " Hoger Instituut voor Dramatische Kunst " à Anvers;
11° le diplôme d'aspirant-officier au long cours;
12° le diplôme d'officier-mécanicien de 1re classe;
13° a) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique du premier degré de plein exercice;
b) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique de plein exercice, délivré après un cycle d'au moins deux années d'études;
c) le diplôme du premier cycle, délivré au plus tard dans l'année académique 1994-1995 par un Conservatoire royal de Musique et à l'exception du diplôme de candidat;
14° a) le diplôme de l'enseignement supérieur de type court de plein exercice;
b) le diplôme d'une école supérieure technique du premier degré;
c) le diplôme d'instituteur primaire;
d) le diplôme d'instituteur préscolaire;
e) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur ou le diplôme de régent;
f) le diplôme de professeur agrégé de l'enseignement moyen du degré inférieur ou de régent pour les écoles moyennes;
g) le diplôme d'agrégé de l'enseignement moyen et technique du degré inférieur;
h) le diplôme de gradué, délivré par un institut supérieur;
i) le diplôme d'une formation initiale d'un cycle;
j) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1;
k) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1, avec approfondissement;
15° a) le diplôme de virtuosité, le diplôme supérieur et le diplôme du premier prix, délivrés par un établissement de l'enseignement musical supérieur;
b) le certificat d'aptitudes pédagogiques en danse;
c) le diplôme d'enseignant de danse;
16° le diplôme d'un cours technique supérieur du deuxième degré;
17° le diplôme de l'enseignement supérieur de promotion sociale de type court ou d'un cours technique supérieur du premier degré;
18° le diplôme de candidat, délivré en vertu de la loi sur la collation des grades académiques;
19° les autres diplômes de candidat délivrés par une université belge ou un établissement y assimilé, par un établissement y autorisé par la loi ou par le décret ou par un jury créé par l'Etat ou la Communauté;
20° a) le brevet d'une école ou d'un cours secondaire professionnel(le) complémentaire;
b) le certificat d'études de la deuxième année d'études du quatrième degré de l'enseignement secondaire;
c) le diplôme en nursing psychiatrique;
d) le diplôme en nursing hospitalier;
21° le diplôme de finalité de l'enseignement artistique à horaire réduit;
22° a) le certificat homologué de l'enseignement secondaire supérieur;
b) le certificat homologué de l'enseignement moyen du degré supérieur;
c) le diplôme homologué de l'enseignement secondaire;
d) le diplôme de l'enseignement secondaire;
23° a) un titre du niveau supérieur de l'enseignement secondaire technique;
b) un titre du niveau du troisième degré de l'enseignement secondaire technique;
24° a) un titre du niveau supérieur de l'enseignement secondaire artistique;
b) un titre du niveau du troisième degré de l'enseignement secondaire artistique;
25° a) un titre du niveau supérieur de l'enseignement secondaire professionnel;
b) un titre du niveau du troisième degré de l'enseignement secondaire professionnel;
26° un certificat de l'enseignement secondaire artistique à temps partiel ou du degré supérieur de l'enseignement artistique à temps partiel;
27° un certificat de qualification du degré de spécialisation de l'enseignement artistique à temps partiel. "
Art. 7. In artikel 7 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 maart 1998, wordt § 1 vervangen door wat volgt :
" § 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger onderwijs van het lange type (afgekort : ten minste HOLT) : een van de basisdiploma's, vermeld onder de punten 1° tot en met 6°, van artikel 6 van dit besluit;
2° HOLT :
a) een bekwaamheidsbewijs van het hoger onderwijs van het lange type;
b) een diploma van een basisopleiding van twee cycli;
3° een bekwaamheidsbewijs van hoger kunstonderwijs van de derde graad : een van de basisdiploma's, vermeld onder punt 4°, van artikel 6 van dit besluit;
4° een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger kunstonderwijs van de tweede graad : een van de basisdiploma's, vermeld onder de punten 4° en 10°, van artikel 6 van dit besluit;
5° een bekwaamheidsbewijs van hoger kunstonderwijs van de tweede graad : een van de basisdiploma's, vermeld onder punt 10°, van artikel 6 van dit besluit;
6° een bekwaamheidsbewijs van ten minste het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan (afgekort : ten minste HOKTVL) : een van de basisdiploma's, vermeld onder de punten 1° tot en met 14°, van artikel 6 van dit besluit;
7° een bekwaamheidsbewijs van het hoger onderwijs van het korte type (afgekort : HOKT) : een van de basisdiploma's, vermeld onder de punten 7°, 13°, 14°, 16° of 17°, van artikel 6 van dit besluit.
Voor het onderwijs van kunstvakken, technische vakken of praktische vakken wordt met dit bekwaamheidsbewijs (HOKT) evenwel niet bedoeld :
a)het diploma of het getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan of voor sociale promotie, en evenmin het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen;
b) het diploma van onderwijzer(es);
c) het diploma van kleuteronderwijzer(es);
d) het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs of het diploma van regent(es);
e) het diploma van geaggregeerd leraar van het middelbaar onderwijs van de lagere graad of van regent(es) voor de middelbare scholen;
f) het diploma van geaggregeerde voor het middelbaar en technisch onderwijs van de lagere graad;
g) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1;
h) het diploma van leraar dans;
i) het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid dans;
8° een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger onderwijs van het korte type (afgekort ten minste HOKT) : de bekwaamheidsbewijzen, bedoeld onder de punten 6° en 7°, met uitzondering van het diploma of het getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, alsmede van het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen;
9° een bekwaamheidsbewijs van hoger kunstonderwijs van de eerste graad met volledig leerplan : een van de basisdiploma's, vermeld onder punt 13°, van artikel 6 van dit besluit;
10° GHSO :
a) het diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs;
b) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 2;
c) het diploma van geaggregeerde voor het onderwijs;
11° GLSO :
a) het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs;
b) het diploma van geaggregeerd leraar van het middelbaar onderwijs van de lagere graad of van regent(es) voor de middelbare scholen;
c) het diploma van geaggregeerde voor het middelbaar en technisch onderwijs van de lagere graad;
d) het diploma van regent(es);
e) het diploma van de middelbare en technische normaalschool;
f) het diploma van de technische normaalafdelingen met volledig leerplan, gerangschikt in de categorie D;
g) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1;
h) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1 samen met het diploma van de voortgezette lerarenopleiding voor de aanvullende uitdieping van een opleidingseenheid;
12° GVSO-groep 1 : het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1;
13° ASBS met gehomologeerd getuigschrift HSO :
a) het gehomologeerde getuigschrift van hoger secundair onderwijs, uitgereikt na het eerste jaar van het aanvullend secundair beroepsonderwijs;
b) het gehomologeerde diploma van secundair onderwijs, uitgereikt na het eerste jaar van het aanvullend secundair beroepsonderwijs;
c) het diploma van secundair onderwijs, uitgereikt na het eerste jaar van het aanvullend secundair beroepsonderwijs;
14° ASBO : het brevet van het aanvullend secundair beroepsonderwijs met volledig leerplan of voor sociale promotie;
15° HSBS met gehomologeerd getuigschrift HSO :
a) het gehomologeerde of door een examencommissie van de Staat uitgereikte getuigschrift van hoger secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);
b) het gehomologeerde of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap uitgereikte diploma van secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);
c) het diploma van secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);
16° HSBO :
a) het brevet van een hogere secundaire beroepsschool of leergang;
b) het studieattest of -getuigschrift van het zesde leerjaar van het beroepssecundair onderwijs;
c) het studieattest of -getuigschrift van het zevende vervolmakings- of specialisatiejaar van het beroepssecundair onderwijs;
d) het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);
e) het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar (beroepssecundair onderwijs);
17° HSTO :
a) het diploma van een hogere secundaire technische school of leergang;
b) het gehomologeerde of door de examencommissie van de Staat uitgereikte getuigschrift van hoger secundair technisch onderwijs;
c) het studieattest of -getuigschrift van het zevende vervolmakings- of specialisatiejaar van het technisch secundair onderwijs;
d) het gehomologeerde of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap uitgereikte diploma van secundair onderwijs (technisch secundair onderwijs);
e) het diploma van secundair onderwijs (technisch secundair onderwijs);
f) het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar (technisch secundair onderwijs);
18° HSKO :
a) het diploma of getuigschrift van het hoger secundair kunstonderwijs met volledig leerplan of met beperkt leerplan of het getuigschrift van secundair onderwijs, uitgereikt in de hogere graad van het DKO;
b) het diploma van graad van uitmuntendheid van het kunstonderwijs, georganiseerd in beperkt leerplan;
c) het studieattest of -getuigschrift van het zevende vervolmakings- of specialisatiejaar van het kunstsecundair onderwijs of het kwalificatiegetuigschrift, uitgereikt in de specialisatiegraad van het DKO;
d) het gehomologeerde of door de examencommissie van de Staat uitgereikte getuigschrift van hoger secundair kunstonderwijs;
e) het gehomologeerde of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap uitgereikte diploma van secundair onderwijs (kunstsecundair onderwijs);
f) het diploma van secundair onderwijs (kunstsecundair onderwijs);
g) het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar (kunstsecundair onderwijs);
19° ten minste HSO :
a) een van de basisdiploma's, vermeld onder de punten 1° tot en met 22°, van artikel 6 van dit besluit;
b) de studiebewijzen die hierboven vermeld zijn als ASBO, HSBO, HSTO en HSKO;
20° GMTN : het getuigschrift van middelbare technische normaalleergangen;
21° GPB : het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid;
22° GPL : het getuigschrift van pedagogische leergangen;
23° NE : nuttige ervaring;
24° ASO : algemeen secundair onderwijs;
25° TSO : technisch secundair onderwijs;
26° KSO : kunstsecundair onderwijs;
27° BSO : beroepssecundair onderwijs;
28° BPB : bewijs van pedagogische bekwaamheid : een van de studiebewijzen, opgesomd in artikel 3, § 2;
29° DKO : deeltijds kunstonderwijs;
30° KV : kunstvak;
31° AV : algemeen vak;
32° TV : technisch vak. "
" § 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger onderwijs van het lange type (afgekort : ten minste HOLT) : een van de basisdiploma's, vermeld onder de punten 1° tot en met 6°, van artikel 6 van dit besluit;
2° HOLT :
a) een bekwaamheidsbewijs van het hoger onderwijs van het lange type;
b) een diploma van een basisopleiding van twee cycli;
3° een bekwaamheidsbewijs van hoger kunstonderwijs van de derde graad : een van de basisdiploma's, vermeld onder punt 4°, van artikel 6 van dit besluit;
4° een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger kunstonderwijs van de tweede graad : een van de basisdiploma's, vermeld onder de punten 4° en 10°, van artikel 6 van dit besluit;
5° een bekwaamheidsbewijs van hoger kunstonderwijs van de tweede graad : een van de basisdiploma's, vermeld onder punt 10°, van artikel 6 van dit besluit;
6° een bekwaamheidsbewijs van ten minste het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan (afgekort : ten minste HOKTVL) : een van de basisdiploma's, vermeld onder de punten 1° tot en met 14°, van artikel 6 van dit besluit;
7° een bekwaamheidsbewijs van het hoger onderwijs van het korte type (afgekort : HOKT) : een van de basisdiploma's, vermeld onder de punten 7°, 13°, 14°, 16° of 17°, van artikel 6 van dit besluit.
Voor het onderwijs van kunstvakken, technische vakken of praktische vakken wordt met dit bekwaamheidsbewijs (HOKT) evenwel niet bedoeld :
a)het diploma of het getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan of voor sociale promotie, en evenmin het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen;
b) het diploma van onderwijzer(es);
c) het diploma van kleuteronderwijzer(es);
d) het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs of het diploma van regent(es);
e) het diploma van geaggregeerd leraar van het middelbaar onderwijs van de lagere graad of van regent(es) voor de middelbare scholen;
f) het diploma van geaggregeerde voor het middelbaar en technisch onderwijs van de lagere graad;
g) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1;
h) het diploma van leraar dans;
i) het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid dans;
8° een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger onderwijs van het korte type (afgekort ten minste HOKT) : de bekwaamheidsbewijzen, bedoeld onder de punten 6° en 7°, met uitzondering van het diploma of het getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, alsmede van het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen;
9° een bekwaamheidsbewijs van hoger kunstonderwijs van de eerste graad met volledig leerplan : een van de basisdiploma's, vermeld onder punt 13°, van artikel 6 van dit besluit;
10° GHSO :
a) het diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs;
b) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 2;
c) het diploma van geaggregeerde voor het onderwijs;
11° GLSO :
a) het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs;
b) het diploma van geaggregeerd leraar van het middelbaar onderwijs van de lagere graad of van regent(es) voor de middelbare scholen;
c) het diploma van geaggregeerde voor het middelbaar en technisch onderwijs van de lagere graad;
d) het diploma van regent(es);
e) het diploma van de middelbare en technische normaalschool;
f) het diploma van de technische normaalafdelingen met volledig leerplan, gerangschikt in de categorie D;
g) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1;
h) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1 samen met het diploma van de voortgezette lerarenopleiding voor de aanvullende uitdieping van een opleidingseenheid;
12° GVSO-groep 1 : het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1;
13° ASBS met gehomologeerd getuigschrift HSO :
a) het gehomologeerde getuigschrift van hoger secundair onderwijs, uitgereikt na het eerste jaar van het aanvullend secundair beroepsonderwijs;
b) het gehomologeerde diploma van secundair onderwijs, uitgereikt na het eerste jaar van het aanvullend secundair beroepsonderwijs;
c) het diploma van secundair onderwijs, uitgereikt na het eerste jaar van het aanvullend secundair beroepsonderwijs;
14° ASBO : het brevet van het aanvullend secundair beroepsonderwijs met volledig leerplan of voor sociale promotie;
15° HSBS met gehomologeerd getuigschrift HSO :
a) het gehomologeerde of door een examencommissie van de Staat uitgereikte getuigschrift van hoger secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);
b) het gehomologeerde of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap uitgereikte diploma van secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);
c) het diploma van secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);
16° HSBO :
a) het brevet van een hogere secundaire beroepsschool of leergang;
b) het studieattest of -getuigschrift van het zesde leerjaar van het beroepssecundair onderwijs;
c) het studieattest of -getuigschrift van het zevende vervolmakings- of specialisatiejaar van het beroepssecundair onderwijs;
d) het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);
e) het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar (beroepssecundair onderwijs);
17° HSTO :
a) het diploma van een hogere secundaire technische school of leergang;
b) het gehomologeerde of door de examencommissie van de Staat uitgereikte getuigschrift van hoger secundair technisch onderwijs;
c) het studieattest of -getuigschrift van het zevende vervolmakings- of specialisatiejaar van het technisch secundair onderwijs;
d) het gehomologeerde of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap uitgereikte diploma van secundair onderwijs (technisch secundair onderwijs);
e) het diploma van secundair onderwijs (technisch secundair onderwijs);
f) het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar (technisch secundair onderwijs);
18° HSKO :
a) het diploma of getuigschrift van het hoger secundair kunstonderwijs met volledig leerplan of met beperkt leerplan of het getuigschrift van secundair onderwijs, uitgereikt in de hogere graad van het DKO;
b) het diploma van graad van uitmuntendheid van het kunstonderwijs, georganiseerd in beperkt leerplan;
c) het studieattest of -getuigschrift van het zevende vervolmakings- of specialisatiejaar van het kunstsecundair onderwijs of het kwalificatiegetuigschrift, uitgereikt in de specialisatiegraad van het DKO;
d) het gehomologeerde of door de examencommissie van de Staat uitgereikte getuigschrift van hoger secundair kunstonderwijs;
e) het gehomologeerde of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap uitgereikte diploma van secundair onderwijs (kunstsecundair onderwijs);
f) het diploma van secundair onderwijs (kunstsecundair onderwijs);
g) het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar (kunstsecundair onderwijs);
19° ten minste HSO :
a) een van de basisdiploma's, vermeld onder de punten 1° tot en met 22°, van artikel 6 van dit besluit;
b) de studiebewijzen die hierboven vermeld zijn als ASBO, HSBO, HSTO en HSKO;
20° GMTN : het getuigschrift van middelbare technische normaalleergangen;
21° GPB : het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid;
22° GPL : het getuigschrift van pedagogische leergangen;
23° NE : nuttige ervaring;
24° ASO : algemeen secundair onderwijs;
25° TSO : technisch secundair onderwijs;
26° KSO : kunstsecundair onderwijs;
27° BSO : beroepssecundair onderwijs;
28° BPB : bewijs van pedagogische bekwaamheid : een van de studiebewijzen, opgesomd in artikel 3, § 2;
29° DKO : deeltijds kunstonderwijs;
30° KV : kunstvak;
31° AV : algemeen vak;
32° TV : technisch vak. "
Art. 7. A l'article 7 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 1998, le § 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1° un titre de l'enseignement supérieur de type long au moins (abrégé : au moins l'ESTL) : un des diplômes de base mentionnés aux points 1° à 6° inclus de l'article 6 du présent arrêté;
2° ESTL :
a) un titre de l'enseignement supérieur de type long;
b) un diplôme d'une formation initiale de deux cycles;
3° un titre de l'enseignement supérieur artistique du troisième degré : un des diplômes de base mentionnés au point 4° de l'article 6 du présent arrêté;
4° un titre de l'enseignement supérieur artistique du deuxième degré au moins : un des diplômes de base mentionnés aux points 4° et 10° de l'article 6 du présent arrêté;
5° un titre de l'enseignement supérieur artistique du deuxième degré : un des diplômes de base mentionnés au point 10° de l'article 6 du présent arrêté;
6° un titre de l'enseignement supérieur de type court de plein exercice au moins (abrégé : au moins ESTCPE) : un des diplômes de base mentionnés aux points 1° à 14° inclus de l'article 6 du présent arrêté;
7° un titre de l'enseignement supérieur de type court (abrégé : ESTC) : un des diplômes de base mentionnés aux points 7°, 13°, 14°, 16° ou 17° de l'article 6 du présent arrêté.
Pour l'enseignement de cours artistiques, techniques ou pratiques, il ne faut toutefois pas entendre par le présent titre (ESTC) :
a) le diplôme ou le certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de type court de plein exercice ou de promotion sociale, et non plus le certificat des cours normaux techniques moyens ou des cours pédagogiques;
b) le diplôme d'instituteur primaire;
c) le diplôme d'instituteur préscolaire;
d) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur ou le diplôme de régent;
e) le diplôme de professeur agrégé de l'enseignement moyen du degré inférieur ou de régent pour les écoles moyennes;
f) le diplôme d'agrégé de l'enseignement moyen et technique du degré inférieur;
g) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1;
h) le diplôme d'enseignant de danse;
i) le certificat d'aptitudes pédagogiques en danse;
8° un titre de l'enseignement supérieur de type court au moins (abrégé : au moins ESTC) : les titres visés aux points 6° et 7°, à l'exception du diplôme ou du certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de type court de promotion sociale, ainsi que du certificat des cours normaux techniques moyens ou des cours pédagogiques;
9° un titre de l'enseignement supérieur artistique du premier degré de plein exercice : un des diplômes de base mentionnés au point 13° de l'article 6 du présent arrêté;
10° AESS :
a) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur;
b) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 2;
c) le diplôme d'agrégé de l'enseignement;
11° AESI :
a) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur;
b) le diplôme de professeur agrégé de l'enseignement moyen du degré inférieur ou de régent pour les écoles moyennes;
c) le diplôme d'agrégé de l'enseignement moyen et technique du degré inférieur;
d) le diplôme de régent;
e) le diplôme de l'école normale moyenne et technique;
f) le diplôme des sections normales techniques de plein exercice classées dans la catégorie D;
g) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1;
h) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1, ainsi que le diplôme de la formation continue des enseignants pour l'approfondissement supplémentaire d'une unité de formation;
12° AES-groupe 1 : le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1;
13° ESPC avec certificat homologué de l'ESS :
a) le certificat homologué de l'enseignement secondaire supérieur, délivré après la première année de l'enseignement secondaire professionnel complémentaire;
b) le diplôme homologué de l'enseignement secondaire, délivré après la première année de l'enseignement secondaire professionnel complémentaire;
c) le diplôme de l'enseignement secondaire, délivré après la première année de l'enseignement secondaire professionnel complémentaire;
14° BESPC : le brevet de l'enseignement secondaire professionnel complémentaire de plein exercice ou de promotion sociale;
15° CEPSS avec certificat homologué de l'ESS :
a) le certificat de l'enseignement secondaire supérieur (enseignement secondaire professionnel), homologué ou délivré par un jury de l'Etat;
b) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire professionnel), homologué ou délivré par le jury de la Communauté flamande;
c) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire professionnel);
16° EPSS :
a) le brevet d'une école ou d'un cours secondaire professionnel(le) supérieur(e);
b) l'attestation ou le certificat d'études de la sixième année d'études de l'enseignement secondaire professionnel;
c) l'attestation ou le certificat d'études de la septième année de perfectionnement ou de spécialisation de l'enseignement secondaire professionnel;
d) le certificat d'études de la deuxième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire professionnel);
e) le certificat d'études de la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire, organisée sous la forme d'une année de spécialisation (enseignement secondaire professionnel);
17° ETSS :
a) le diplôme d'une école ou d'un cours secondaire technique supérieur(e);
b) le certificat du degré supérieur de l'enseignement secondaire technique, homologué ou délivré par un jury de l'Etat;
c) l'attestation ou le certificat d'études de la septième année de perfectionnement ou de spécialisation de l'enseignement secondaire technique;
d) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire technique), homologué ou délivré par le jury de la Communauté flamande;
e) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire technique);
f) le certificat d'études de la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire, organisée sous la forme d'une année de spécialisation (enseignement secondaire technique);
18° ESSA :
a) le diplôme ou le certificat de l'enseignement secondaire supérieur artistique de plein exercice ou à horaire réduit, ou le certificat de l'enseignement secondaire, délivré dans le degré supérieur de l'enseignement artistique à temps partiel;
b) le diplôme du degré d'excellence de l'enseignement artistique, organisé à horaire réduit;
c) l'attestation ou le certificat d'études de la septième année de perfectionnement ou de spécialisation de l'enseignement secondaire artistique ou le certificat de qualification, délivré dans le degré de spécialisation de l'enseignement artistique à temps partiel;
d) le certificat de l'enseignement secondaire supérieur artistique, homologué ou délivré par le jury de l'Etat;
e) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire artistique), homologué ou délivré par le jury de la Communauté flamande;
f) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire artistique);
g) le certificat d'études de la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire, organisée sous la forme d'une année de spécialisation (enseignement secondaire artistique);
19° au moins ESS :
a) un des diplômes de base mentionnés aux points 1° à 22° inclus de l'article 6 du présent arrêté;
b) les titres susmentionnés comme BESPC, EPSS, ETSS et ESSA;
20° CCNTM : le certificat des cours normaux techniques moyens;
21° CAP : le certificat d'aptitudes pédagogiques;
22° CCP : le certificat de cours pédagogiques;
23° EU : expérience utile :
24° ESG : enseignement secondaire général;
25° EST : enseignement secondaire technique;
26° ESA : enseignement secondaire artistique;
27° ESP : enseignement secondaire professionnel;
28° CAP : certificat d'aptitudes pédagogiques : un des titres énumérés à l'article 3, § 2;
29° EATP : enseignement artistique à temps partiel;
30° CA : cours artistique;
31° CG : cours général;
32° CT : cours technique. "
" § 1er. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1° un titre de l'enseignement supérieur de type long au moins (abrégé : au moins l'ESTL) : un des diplômes de base mentionnés aux points 1° à 6° inclus de l'article 6 du présent arrêté;
2° ESTL :
a) un titre de l'enseignement supérieur de type long;
b) un diplôme d'une formation initiale de deux cycles;
3° un titre de l'enseignement supérieur artistique du troisième degré : un des diplômes de base mentionnés au point 4° de l'article 6 du présent arrêté;
4° un titre de l'enseignement supérieur artistique du deuxième degré au moins : un des diplômes de base mentionnés aux points 4° et 10° de l'article 6 du présent arrêté;
5° un titre de l'enseignement supérieur artistique du deuxième degré : un des diplômes de base mentionnés au point 10° de l'article 6 du présent arrêté;
6° un titre de l'enseignement supérieur de type court de plein exercice au moins (abrégé : au moins ESTCPE) : un des diplômes de base mentionnés aux points 1° à 14° inclus de l'article 6 du présent arrêté;
7° un titre de l'enseignement supérieur de type court (abrégé : ESTC) : un des diplômes de base mentionnés aux points 7°, 13°, 14°, 16° ou 17° de l'article 6 du présent arrêté.
Pour l'enseignement de cours artistiques, techniques ou pratiques, il ne faut toutefois pas entendre par le présent titre (ESTC) :
a) le diplôme ou le certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de type court de plein exercice ou de promotion sociale, et non plus le certificat des cours normaux techniques moyens ou des cours pédagogiques;
b) le diplôme d'instituteur primaire;
c) le diplôme d'instituteur préscolaire;
d) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur ou le diplôme de régent;
e) le diplôme de professeur agrégé de l'enseignement moyen du degré inférieur ou de régent pour les écoles moyennes;
f) le diplôme d'agrégé de l'enseignement moyen et technique du degré inférieur;
g) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1;
h) le diplôme d'enseignant de danse;
i) le certificat d'aptitudes pédagogiques en danse;
8° un titre de l'enseignement supérieur de type court au moins (abrégé : au moins ESTC) : les titres visés aux points 6° et 7°, à l'exception du diplôme ou du certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de type court de promotion sociale, ainsi que du certificat des cours normaux techniques moyens ou des cours pédagogiques;
9° un titre de l'enseignement supérieur artistique du premier degré de plein exercice : un des diplômes de base mentionnés au point 13° de l'article 6 du présent arrêté;
10° AESS :
a) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur;
b) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 2;
c) le diplôme d'agrégé de l'enseignement;
11° AESI :
a) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur;
b) le diplôme de professeur agrégé de l'enseignement moyen du degré inférieur ou de régent pour les écoles moyennes;
c) le diplôme d'agrégé de l'enseignement moyen et technique du degré inférieur;
d) le diplôme de régent;
e) le diplôme de l'école normale moyenne et technique;
f) le diplôme des sections normales techniques de plein exercice classées dans la catégorie D;
g) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1;
h) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1, ainsi que le diplôme de la formation continue des enseignants pour l'approfondissement supplémentaire d'une unité de formation;
12° AES-groupe 1 : le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1;
13° ESPC avec certificat homologué de l'ESS :
a) le certificat homologué de l'enseignement secondaire supérieur, délivré après la première année de l'enseignement secondaire professionnel complémentaire;
b) le diplôme homologué de l'enseignement secondaire, délivré après la première année de l'enseignement secondaire professionnel complémentaire;
c) le diplôme de l'enseignement secondaire, délivré après la première année de l'enseignement secondaire professionnel complémentaire;
14° BESPC : le brevet de l'enseignement secondaire professionnel complémentaire de plein exercice ou de promotion sociale;
15° CEPSS avec certificat homologué de l'ESS :
a) le certificat de l'enseignement secondaire supérieur (enseignement secondaire professionnel), homologué ou délivré par un jury de l'Etat;
b) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire professionnel), homologué ou délivré par le jury de la Communauté flamande;
c) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire professionnel);
16° EPSS :
a) le brevet d'une école ou d'un cours secondaire professionnel(le) supérieur(e);
b) l'attestation ou le certificat d'études de la sixième année d'études de l'enseignement secondaire professionnel;
c) l'attestation ou le certificat d'études de la septième année de perfectionnement ou de spécialisation de l'enseignement secondaire professionnel;
d) le certificat d'études de la deuxième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire professionnel);
e) le certificat d'études de la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire, organisée sous la forme d'une année de spécialisation (enseignement secondaire professionnel);
17° ETSS :
a) le diplôme d'une école ou d'un cours secondaire technique supérieur(e);
b) le certificat du degré supérieur de l'enseignement secondaire technique, homologué ou délivré par un jury de l'Etat;
c) l'attestation ou le certificat d'études de la septième année de perfectionnement ou de spécialisation de l'enseignement secondaire technique;
d) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire technique), homologué ou délivré par le jury de la Communauté flamande;
e) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire technique);
f) le certificat d'études de la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire, organisée sous la forme d'une année de spécialisation (enseignement secondaire technique);
18° ESSA :
a) le diplôme ou le certificat de l'enseignement secondaire supérieur artistique de plein exercice ou à horaire réduit, ou le certificat de l'enseignement secondaire, délivré dans le degré supérieur de l'enseignement artistique à temps partiel;
b) le diplôme du degré d'excellence de l'enseignement artistique, organisé à horaire réduit;
c) l'attestation ou le certificat d'études de la septième année de perfectionnement ou de spécialisation de l'enseignement secondaire artistique ou le certificat de qualification, délivré dans le degré de spécialisation de l'enseignement artistique à temps partiel;
d) le certificat de l'enseignement secondaire supérieur artistique, homologué ou délivré par le jury de l'Etat;
e) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire artistique), homologué ou délivré par le jury de la Communauté flamande;
f) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire artistique);
g) le certificat d'études de la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire, organisée sous la forme d'une année de spécialisation (enseignement secondaire artistique);
19° au moins ESS :
a) un des diplômes de base mentionnés aux points 1° à 22° inclus de l'article 6 du présent arrêté;
b) les titres susmentionnés comme BESPC, EPSS, ETSS et ESSA;
20° CCNTM : le certificat des cours normaux techniques moyens;
21° CAP : le certificat d'aptitudes pédagogiques;
22° CCP : le certificat de cours pédagogiques;
23° EU : expérience utile :
24° ESG : enseignement secondaire général;
25° EST : enseignement secondaire technique;
26° ESA : enseignement secondaire artistique;
27° ESP : enseignement secondaire professionnel;
28° CAP : certificat d'aptitudes pédagogiques : un des titres énumérés à l'article 3, § 2;
29° EATP : enseignement artistique à temps partiel;
30° CA : cours artistique;
31° CG : cours général;
32° CT : cours technique. "
Art. 8. Aan artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 2 december 1992 en 10 maart 1998, wordt een § 6 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 6. Voor de toepassing van dit besluit worden de diploma's 'beeldende kunsten' zonder vermelding van de specialiteit, uitgereikt door instellingen voor hoger kunstonderwijs met volledig leerplan in de periode van 1 september 1981 tot en met het academiejaar 1993-1994, samen met het verklarende attest met vermelding van de specialiteit, gelijkgesteld met de diploma's van deze instellingen waarop de specialiteit vermeld staat. "
" § 6. Voor de toepassing van dit besluit worden de diploma's 'beeldende kunsten' zonder vermelding van de specialiteit, uitgereikt door instellingen voor hoger kunstonderwijs met volledig leerplan in de periode van 1 september 1981 tot en met het academiejaar 1993-1994, samen met het verklarende attest met vermelding van de specialiteit, gelijkgesteld met de diploma's van deze instellingen waarop de specialiteit vermeld staat. "
Art. 8. A l'article 8 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 2 décembre 1992 et 10 mars 1998, il est ajouté un § 6, rédigé comme suit :
" § 6. Pour l'application du présent arrêté, les diplômes de l'orientation " Arts plastiques ", sans mention de la spécialité, délivrés par les établissements d'enseignement supérieur artistique de plein exercice dans la période du 1er septembre 1981 jusqu'à l'année académique 1993-1994 incluse, et accompagnés de l'attestation explicative avec mention de la spécialité, sont assimilés aux diplômes de ces établissements mentionnant la spécialité. "
" § 6. Pour l'application du présent arrêté, les diplômes de l'orientation " Arts plastiques ", sans mention de la spécialité, délivrés par les établissements d'enseignement supérieur artistique de plein exercice dans la période du 1er septembre 1981 jusqu'à l'année académique 1993-1994 incluse, et accompagnés de l'attestation explicative avec mention de la spécialité, sont assimilés aux diplômes de ces établissements mentionnant la spécialité. "
Art. 9. In artikel 14, § 3, van hetzelfde besluit worden de woorden " die een hoofdambt uitoefenen " geschrapt.
Art. 9. A l'article 14, § 3 du même arrêté, les mots " qui exercent une fonction principale " sont supprimés.
Art. 10. De bijlagen I tot V bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 maart 1998, worden vervangen door de bijlagen I tot V, gevoegd als bijlage 1 bij dit besluit.
Art. 10. Les annexes I à V du même arrêté, remplacées par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 1998, sont remplacées par les annexes I à V, jointes comme annexe 1 au présent arrêté.
Art. 11. De bepalingen van dit hoofdstuk hebben uitwerking met ingang van 1 september 2002, met uitzondering van :
1° artikel 8 en 9 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 1990;
2° artikel 3 dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 1998;
3° artikel 2 dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2000.
1° artikel 8 en 9 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 1990;
2° artikel 3 dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 1998;
3° artikel 2 dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2000.
Art. 11. Les dispositions du présent chapitre produisent leurs effets le 1er septembre 2002, à l'exception :
1° des articles 8 et 9, qui produisent leurs effets le 1er septembre 1990;
2° de l'article 3, qui produit ses effets le 1er septembre 1998;
3° de l'article 2, qui produit ses effets le 1er septembre 2000.
1° des articles 8 et 9, qui produisent leurs effets le 1er septembre 1990;
2° de l'article 3, qui produit ses effets le 1er septembre 1998;
3° de l'article 2, qui produit ses effets le 1er septembre 2000.
HOOFDSTUK II. - Wijziging in het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen 'Muziek', 'Woordkunst' en 'Dans'.
CHAPITRE II. - Modifications à l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 relatif aux titres, aux traitements, au régime de prestations et au statut pécuniaire des membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation des établissements d'enseignement artistique à temps partiel, orientations " Musique ", " Arts de la parole " et " Danse ".
Art. 12. Aan artikel 3, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen 'Muziek', 'Woordkunst' en 'Dans', wordt de volgende zin toegevoegd :
" In de gevallen waarvoor toepassing gemaakt wordt van artikel 5 kan een bekwaamheidsbewijs bestaan uit artistieke ervaring. "
" In de gevallen waarvoor toepassing gemaakt wordt van artikel 5 kan een bekwaamheidsbewijs bestaan uit artistieke ervaring. "
Art. 12. A l'article 3, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 relatif aux titres, aux traitements, au régime de prestations et au statut pécuniaire des membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation des établissements d'enseignement artistique à temps partiel, orientations " Musique ", " Arts de la parole " et " Danse ", la phrase suivante est ajoutée :
" Dans les cas auxquels s'applique l'article 5, un titre peut consister en de l'expérience artistique. "
" Dans les cas auxquels s'applique l'article 5, un titre peut consister en de l'expérience artistique. "
Art. 13. In artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 maart 1998, wordt § 2 vervangen door wat volgt :
" § 2. Onder bewijs van pedagogische bekwaamheid wordt een van de volgende diploma's of getuigschriften verstaan :
1° het diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs;
2° het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 2;
3° het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs;
4° het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1;
5° het diploma van geaggregeerde voor het onderwijs;
6° het getuigschrift van middelbare technische normaalleergangen;
7° het getuigschrift van normaalleergangen;
8° het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid;
9° het getuigschrift van pedagogische leergangen;
10° het diploma van leraar dans;
11° het diploma van onderwijzer(es);
12° het diploma van kleuteronderwijzer(es). "
" § 2. Onder bewijs van pedagogische bekwaamheid wordt een van de volgende diploma's of getuigschriften verstaan :
1° het diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs;
2° het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 2;
3° het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs;
4° het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1;
5° het diploma van geaggregeerde voor het onderwijs;
6° het getuigschrift van middelbare technische normaalleergangen;
7° het getuigschrift van normaalleergangen;
8° het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid;
9° het getuigschrift van pedagogische leergangen;
10° het diploma van leraar dans;
11° het diploma van onderwijzer(es);
12° het diploma van kleuteronderwijzer(es). "
Art. 13. A l'article 3 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 1998, le § 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Par certificat d'aptitudes pédagogiques on entend un des diplômes ou certificats suivants :
1° le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur;
2° le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 2;
3° le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur;
4° le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1;
5° le diplôme d'agrégé de l'enseignement;
6° le certificat des cours normaux techniques moyens;
7° le certificat de cours normaux;
8° le certificat d'aptitudes pédagogiques;
9° le certificat de cours pédagogiques;
10° le diplôme d'enseignant de danse;
11° le diplôme d'instituteur primaire;
12° le diplôme d'instituteur préscolaire;
" § 2. Par certificat d'aptitudes pédagogiques on entend un des diplômes ou certificats suivants :
1° le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur;
2° le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 2;
3° le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur;
4° le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1;
5° le diplôme d'agrégé de l'enseignement;
6° le certificat des cours normaux techniques moyens;
7° le certificat de cours normaux;
8° le certificat d'aptitudes pédagogiques;
9° le certificat de cours pédagogiques;
10° le diplôme d'enseignant de danse;
11° le diplôme d'instituteur primaire;
12° le diplôme d'instituteur préscolaire;
Art. 14. Aan artikel 3, § 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 maart 1998, wordt een 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 4° de houder van een diploma van meester in muziek of meester in dramatische kunst, uitgereikt in de academiejaren 1994-1995 en 1995-1996, met aanvullende vermelding " en muziekopvoeding " of " en muziekopvoeding van (specialiteit) " of " en opvoeding van (specialiteit) " wordt beschouwd als houder van een diploma van geaggregeerde voor het onderwijs. "
" 4° de houder van een diploma van meester in muziek of meester in dramatische kunst, uitgereikt in de academiejaren 1994-1995 en 1995-1996, met aanvullende vermelding " en muziekopvoeding " of " en muziekopvoeding van (specialiteit) " of " en opvoeding van (specialiteit) " wordt beschouwd als houder van een diploma van geaggregeerde voor het onderwijs. "
Art. 14. A l'article 3, § 3, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 1998, il est ajouté un 4°, rédigé comme suit :
" 4° le porteur d'un diplôme de Maître en musique ou Maître en art dramatique, délivré dans les années académiques 1994-1995 et 1995-1996, avec mention complémentaire " et éducation musicale " ou " et éducation musicale de (spécialité) " ou " et éducation de (spécialité) " est considéré comme porteur d'un diplôme d'agrégé de l'enseignement. "
" 4° le porteur d'un diplôme de Maître en musique ou Maître en art dramatique, délivré dans les années académiques 1994-1995 et 1995-1996, avec mention complémentaire " et éducation musicale " ou " et éducation musicale de (spécialité) " ou " et éducation de (spécialité) " est considéré comme porteur d'un diplôme d'agrégé de l'enseignement. "
Art. 15. In hetzelfde besluit wordt een artikel 3bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 3bis. Voor experimenten zoals bedoeld in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen 'Muziek', 'Woordkunst' en 'Dans', kan de Vlaamse minister van Onderwijs de bekwaamheidsbewijzen vaststellen. "
" Art. 3bis. Voor experimenten zoals bedoeld in artikel 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen 'Muziek', 'Woordkunst' en 'Dans', kan de Vlaamse minister van Onderwijs de bekwaamheidsbewijzen vaststellen. "
Art. 15. Dans le même arrêté, il est inséré un article 3bis, rédigé comme suit :
" Art. 3bis. Pour des expériences telles que visées à l'article 13 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientations " Musique ", " Arts de la Parole " et " Danse ", le Ministre flamand de l'Enseignement peut fixer les titres. "
" Art. 3bis. Pour des expériences telles que visées à l'article 13 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientations " Musique ", " Arts de la Parole " et " Danse ", le Ministre flamand de l'Enseignement peut fixer les titres. "
Art. 16. Artikel 5 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 5. § 1. Voor de leraar in kunstvakken kan een bekwaamheidsbewijs bestaan uit artistieke ervaring, erkend zoals bepaald in dit artikel.
§ 2. Voor de erkenning van de artistieke ervaring wordt de volgende procedure gevolgd :
1° de directeur van de instelling voor deeltijds kunstonderwijs die de kandidaat wil aanstellen, stelt een dossier samen dat tenminste de volgende documenten bevat :
a) het curriculum vitae van de kandidaat, met identiteitsgegevens, opleiding en werkervaring;
b) een beschrijving van de activiteiten en de ervaring die voor de erkenning van de artistieke bekwaamheid nuttig kunnen zijn, eventueel aangevuld met relevante documentatie en referenties;
c) een nauwkeurige beschrijving van de betrekking (ambt, studierichting, graad, vak, specialiteit) in het deeltijds kunstonderwijs waarvoor de erkenning als bekwaamheidsbewijs gevraagd wordt;
2° de inrichtende macht of haar gemandateerde roept een adviesverlenende commissie samen, die minstens bestaat uit twee directeurs van andere instellingen voor deeltijds kunstonderwijs die de betrokken studierichting organiseren en twee docenten, verbonden aan verschillende hogescholen voor het studiegebied van de vakken waarvoor de artistieke ervaring van de kandidaat erkend moet worden. Voor de studierichting dans mogen de twee docenten tot dezelfde hogeschool behoren. Voor een kandidaat die verbonden is aan een hogeschool of aan een project hoger kunstonderwijs voor het studiegebied van het vak waarvoor hij aangesteld wordt in het deeltijds kunstonderwijs, hoeven geen docenten van hogescholen deel uit te maken van de commissie. Als datum van de samenroeping geldt de postdatum van de schriftelijke uitnodiging aan de commissieleden;
3° de commissie beoordeelt of de kandidaat op basis van artistieke ervaring beschikt over de nodige vakbekwaamheid voor de conform 1°,c), omschreven betrekking in het deeltijds kunstonderwijs. Hierbij houdt de commissie er rekening mee dat de kandidaat minstens 6 jaar artistieke ervaring moet kunnen voorleggen. De commissie verstrekt binnen 90 dagen een advies waarin ze zich duidelijk uitspreekt over de erkenning van de artistieke ervaring. Het advies is bindend;
4° de inrichtende macht beslist op een gemotiveerde wijze. Daarbij geeft ze de uitzonderlijke toestand weer die ertoe geleid heeft om tot een aanstelling op basis van artistieke ervaring over te gaan en toont ze aan dat de kandidaat een autoriteit is in het kunstvak in kwestie;
5° de beslissing van de inrichtende macht houdt de erkenning in van de artistieke ervaring van de kandidaat als voldoende geacht bekwaamheidsbewijs' voor een conform 1°, c), omschreven ambt in het deeltijds kunstonderwijs;
6° de inrichtende macht of haar gemandateerde deelt de beslissing mee aan de voor het deeltijds kunstonderwijs bevoegde dienst van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, en voegt een kopie van het advies toe dat tot de beslissing aanleiding gegeven heeft.
§ 3. Voor de procedure van § 2 afgerond is, kan, voor een personeelslid dat al aangesteld wordt, alleen een wedde(ntoelage) uitbetaald worden als hij effectief beschikt over een bekwaamheidsbewijs dat als 'andere' geldt voor het ambt en vak in kwestie. De weddeschaal is dan die voor 'andere bekwaamheidsbewijzen'.
§ 4. Voor een personeelslid dat met de procedure van § 2 een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs verworven heeft, kan een wedde(ntoelage) uitbetaald worden in de weddeschaal 301 voor opdrachten in de lagere en de middelbare graad en in de weddeschaal 302 in de hogere graad. "
" Art. 5. § 1. Voor de leraar in kunstvakken kan een bekwaamheidsbewijs bestaan uit artistieke ervaring, erkend zoals bepaald in dit artikel.
§ 2. Voor de erkenning van de artistieke ervaring wordt de volgende procedure gevolgd :
1° de directeur van de instelling voor deeltijds kunstonderwijs die de kandidaat wil aanstellen, stelt een dossier samen dat tenminste de volgende documenten bevat :
a) het curriculum vitae van de kandidaat, met identiteitsgegevens, opleiding en werkervaring;
b) een beschrijving van de activiteiten en de ervaring die voor de erkenning van de artistieke bekwaamheid nuttig kunnen zijn, eventueel aangevuld met relevante documentatie en referenties;
c) een nauwkeurige beschrijving van de betrekking (ambt, studierichting, graad, vak, specialiteit) in het deeltijds kunstonderwijs waarvoor de erkenning als bekwaamheidsbewijs gevraagd wordt;
2° de inrichtende macht of haar gemandateerde roept een adviesverlenende commissie samen, die minstens bestaat uit twee directeurs van andere instellingen voor deeltijds kunstonderwijs die de betrokken studierichting organiseren en twee docenten, verbonden aan verschillende hogescholen voor het studiegebied van de vakken waarvoor de artistieke ervaring van de kandidaat erkend moet worden. Voor de studierichting dans mogen de twee docenten tot dezelfde hogeschool behoren. Voor een kandidaat die verbonden is aan een hogeschool of aan een project hoger kunstonderwijs voor het studiegebied van het vak waarvoor hij aangesteld wordt in het deeltijds kunstonderwijs, hoeven geen docenten van hogescholen deel uit te maken van de commissie. Als datum van de samenroeping geldt de postdatum van de schriftelijke uitnodiging aan de commissieleden;
3° de commissie beoordeelt of de kandidaat op basis van artistieke ervaring beschikt over de nodige vakbekwaamheid voor de conform 1°,c), omschreven betrekking in het deeltijds kunstonderwijs. Hierbij houdt de commissie er rekening mee dat de kandidaat minstens 6 jaar artistieke ervaring moet kunnen voorleggen. De commissie verstrekt binnen 90 dagen een advies waarin ze zich duidelijk uitspreekt over de erkenning van de artistieke ervaring. Het advies is bindend;
4° de inrichtende macht beslist op een gemotiveerde wijze. Daarbij geeft ze de uitzonderlijke toestand weer die ertoe geleid heeft om tot een aanstelling op basis van artistieke ervaring over te gaan en toont ze aan dat de kandidaat een autoriteit is in het kunstvak in kwestie;
5° de beslissing van de inrichtende macht houdt de erkenning in van de artistieke ervaring van de kandidaat als voldoende geacht bekwaamheidsbewijs' voor een conform 1°, c), omschreven ambt in het deeltijds kunstonderwijs;
6° de inrichtende macht of haar gemandateerde deelt de beslissing mee aan de voor het deeltijds kunstonderwijs bevoegde dienst van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, en voegt een kopie van het advies toe dat tot de beslissing aanleiding gegeven heeft.
§ 3. Voor de procedure van § 2 afgerond is, kan, voor een personeelslid dat al aangesteld wordt, alleen een wedde(ntoelage) uitbetaald worden als hij effectief beschikt over een bekwaamheidsbewijs dat als 'andere' geldt voor het ambt en vak in kwestie. De weddeschaal is dan die voor 'andere bekwaamheidsbewijzen'.
§ 4. Voor een personeelslid dat met de procedure van § 2 een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs verworven heeft, kan een wedde(ntoelage) uitbetaald worden in de weddeschaal 301 voor opdrachten in de lagere en de middelbare graad en in de weddeschaal 302 in de hogere graad. "
Art. 16. L'article 5 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 5. § 1er. Pour l'enseignant de cours artistiques, un titre peut consister en de l'expérience artistique, agréée tel que fixé au présent article.
§ 2. Pour l'agrément de l'expérience artistique, la procédure suivante est suivie :
1° le directeur de l'établissement d'enseignement artistique à temps partiel qui souhaite désigner le candidat, établit un dossier contenant au moins les documents suivants :
a) le curriculum vitae du candidat, contenant les coordonnées, la formation et l'expérience professionnelle;
b) une description des activités et de l'expérience pouvant être utiles à l'agrément de l'aptitude artistique, éventuellement complétée de documentation et de références pertinentes;
c) une description détaillée de l'emploi (fonction, orientation d'études, degré, branche, spécialité) dans l'enseignement artistique à temps partiel pour lequel l'agrément est demandé comme titre;
2° le pouvoir organisateur ou son mandataire convoque une commission consultative, consistant d'au moins deux directeurs d'autres établissements d'enseignement artistique à temps partiel organisant l'orientation d'études concernée et de deux chargés de cours associés à des instituts supérieurs différents pour la discipline des branches pour lesquelles l'expérience artistique du candidat doit être agréée. Quant à l'orientation d'études " danse ", les deux chargés de cours peuvent appartenir au même institut supérieur. Pour un candidat associé à un institut supérieur ou à un projet enseignement supérieur artistique pour la discipline de la branche pour laquelle il est désigné dans l'enseignement artistique à temps partiel, il n'est pas nécessaire que des chargés de cours fassent partie de la commission. La date de la poste de l'invitation écrite aux membres de la commission sert de date de la convocation;
3° la commission juge si le candidat dispose, sur la base de son expérience artistique, de la qualification professionnelle nécessaire pour l'emploi dans l'enseignement artistique à temps partiel décrit conformément au 1°, c). La commission prend en compte que le candidat doit pouvoir démontrer avoir au moins 6 ans d'expérience artistique. La commission donne un avis dans les 90 jours, dans lequel elle se prononce clairement sur l'agrément de l'expérience artistique. L'avis est impératif;
4° le pouvoir organisateur décide de façon motivée, en décrivant les circonstances exceptionnelles qui ont mené à une désignation sur la base d'expérience artistique et en démontrant que le candidat est une autorité dans le cours artistique en question;
5° la décision du pouvoir organisateur implique l'agrément de l'expérience artistique du candidat comme titre jugé suffisant' pour un emploi dans l'enseignement artistique à temps partiel décrit conformément au 1°, c);
6° le pouvoir organisateur ou son mandataire communique sa décision au service compétent pour l'enseignement artistique à temps partiel du Département de l'Enseignement du Ministère de la Communauté flamande, et joint à la décision une copie de l'avis qui y a mené.
§ 3. Avant que la procédure du § 2 ne soit arrondie, un membre du personnel déjà désigné peut seulement recevoir un traitement ou une subvention-traitement s'il dispose effectivement d'un titre de la catégorie autres' pour l'emploi et la branche en question. L'échelle de traitement est celle des autres titres'.
§ 4. Un membre du personnel ayant obtenu un titre jugé suffisant suivant la procédure du § 2, peut recevoir un traitement ou une subvention-traitement dans l'échelle de traitement 301 pour des charges dans les degrés inférieur et moyen et dans l'échelle de traitement 302 dans le degré supérieur. "
" Art. 5. § 1er. Pour l'enseignant de cours artistiques, un titre peut consister en de l'expérience artistique, agréée tel que fixé au présent article.
§ 2. Pour l'agrément de l'expérience artistique, la procédure suivante est suivie :
1° le directeur de l'établissement d'enseignement artistique à temps partiel qui souhaite désigner le candidat, établit un dossier contenant au moins les documents suivants :
a) le curriculum vitae du candidat, contenant les coordonnées, la formation et l'expérience professionnelle;
b) une description des activités et de l'expérience pouvant être utiles à l'agrément de l'aptitude artistique, éventuellement complétée de documentation et de références pertinentes;
c) une description détaillée de l'emploi (fonction, orientation d'études, degré, branche, spécialité) dans l'enseignement artistique à temps partiel pour lequel l'agrément est demandé comme titre;
2° le pouvoir organisateur ou son mandataire convoque une commission consultative, consistant d'au moins deux directeurs d'autres établissements d'enseignement artistique à temps partiel organisant l'orientation d'études concernée et de deux chargés de cours associés à des instituts supérieurs différents pour la discipline des branches pour lesquelles l'expérience artistique du candidat doit être agréée. Quant à l'orientation d'études " danse ", les deux chargés de cours peuvent appartenir au même institut supérieur. Pour un candidat associé à un institut supérieur ou à un projet enseignement supérieur artistique pour la discipline de la branche pour laquelle il est désigné dans l'enseignement artistique à temps partiel, il n'est pas nécessaire que des chargés de cours fassent partie de la commission. La date de la poste de l'invitation écrite aux membres de la commission sert de date de la convocation;
3° la commission juge si le candidat dispose, sur la base de son expérience artistique, de la qualification professionnelle nécessaire pour l'emploi dans l'enseignement artistique à temps partiel décrit conformément au 1°, c). La commission prend en compte que le candidat doit pouvoir démontrer avoir au moins 6 ans d'expérience artistique. La commission donne un avis dans les 90 jours, dans lequel elle se prononce clairement sur l'agrément de l'expérience artistique. L'avis est impératif;
4° le pouvoir organisateur décide de façon motivée, en décrivant les circonstances exceptionnelles qui ont mené à une désignation sur la base d'expérience artistique et en démontrant que le candidat est une autorité dans le cours artistique en question;
5° la décision du pouvoir organisateur implique l'agrément de l'expérience artistique du candidat comme titre jugé suffisant' pour un emploi dans l'enseignement artistique à temps partiel décrit conformément au 1°, c);
6° le pouvoir organisateur ou son mandataire communique sa décision au service compétent pour l'enseignement artistique à temps partiel du Département de l'Enseignement du Ministère de la Communauté flamande, et joint à la décision une copie de l'avis qui y a mené.
§ 3. Avant que la procédure du § 2 ne soit arrondie, un membre du personnel déjà désigné peut seulement recevoir un traitement ou une subvention-traitement s'il dispose effectivement d'un titre de la catégorie autres' pour l'emploi et la branche en question. L'échelle de traitement est celle des autres titres'.
§ 4. Un membre du personnel ayant obtenu un titre jugé suffisant suivant la procédure du § 2, peut recevoir un traitement ou une subvention-traitement dans l'échelle de traitement 301 pour des charges dans les degrés inférieur et moyen et dans l'échelle de traitement 302 dans le degré supérieur. "
Art. 17. Artikel 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 maart 1998, wordt vervangen door wat volgt : " Art. 6. Voor de toepassing van dit besluit worden als een in artikel 3, § 1, bedoeld basisdiploma beschouwd :
1° de diploma's van arts, tandarts, dierenarts, doctor, ingenieur, apotheker of licentiaat, uitgereikt overeenkomstig de wetgeving op de academische graden;
2° de andere diploma's van arts, tandarts, dierenarts, doctor, ingenieur, apotheker of licentiaat, uitgereikt door een Belgische universiteit of een daarmee gelijkgestelde instelling, door een door de wet of door het decreet daartoe gemachtigde instelling of door een door de Staat of de Gemeenschap opgerichte examencommissie, als de duur van de studie ten minste vier jaar bedraagt, zelfs als een gedeelte van de studie niet in één van de voormelde onderwijsinstellingen werd volbracht;
3° het diploma van hoger technisch onderwijs van de derde graad;
4°a) het diploma van hoger kunstonderwijs van de derde graad met volledig leerplan;
b) het diploma van voortgezet hoger kunstonderwijs met volledig leerplan;
c) het diploma van hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste vijf studiejaren;
d) het laureaatsattest van het Nationaal Hoger Instituut van Antwerpen, verleend na een cyclus van ten minste 5 studiejaren;
e) de prijs Lemmens-Tinel, uitgereikt door het Lemmensinstituut in Leuven;
f) het diploma van meester, uitgereikt overeenkomstig de wetgeving op het hoger onderwijs;
5° het diploma van de officieren die voor 1 januari 1965 met vrucht hun studie hebben volbracht aan de Oefenschool bij de Koninklijke Militaire School of aan de polytechnische afdeling van die school;
6° het diploma van architect, interieurarchitect of van industrieel ingenieur;
7° het diploma van technisch ingenieur;
8° het universitaire diploma van burgerlijk conducteur;
9° het diploma van een hogere technische school van de tweede graad;
10° a) het diploma van het hoger kunstonderwijs van de tweede graad met volledig leerplan;
b) het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste vier studiejaren;
c) het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, voor 1 september 1969 uitgereikt na een cyclus van ten minste drie studiejaren door een instelling voor de beeldende kunsten;
d) het diploma van de tweede cyclus, uiterlijk in academiejaar 1994-1995 uitgereikt door een Koninklijk Muziekconservatorium;
e) het laureaatsdiploma, uitgereikt door het Lemmensinstituut in Leuven;
f) het laureaatsdiploma, uitgereikt door het Hoger Instituut voor Dramatische Kunst in Antwerpen;
11° het diploma van aspirant-officier ter lange omvaart;
12° het diploma van officier-werktuigkundige eerste klasse;
13° a) het diploma van het hoger kunstonderwijs van de eerste graad met volledig leerplan;
b) het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste twee studiejaren;
c) het diploma van de eerste cyclus, uiterlijk in academiejaar 1994-1995 uitgereikt door een Koninklijk Muziekconservatorium en met uitzondering van het diploma van kandidaat;
14° a) het diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan;
b) het diploma van een hogere technische school van de eerste graad;
c) het diploma van onderwijzer(es);
d) het diploma van kleuteronderwijzer(es);
e) het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs of het diploma van regent(es);
f) het diploma van geaggregeerde leraar van het middelbaar onderwijs van de lagere graad of van regent(es) voor de middelbare scholen;
g) het diploma van geaggregeerde voor het middelbaar en technisch onderwijs van de lagere graad;
h) het diploma van gegradueerde, uitgereikt door een hogeschool;
i) het diploma van een basisopleiding van één cyclus;
j) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1;
k) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 1, met uitdieping;
15° a) het diploma van virtuositeit, het hoger diploma en het diploma van eerste prijs, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs;
b) het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid dans;
c) het diploma van leraar dans;
16° het diploma van een hogere technische leergang van de tweede graad;
17° het diploma van het hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie of van een hogere technische leergang van de eerste graad;
18° het diploma van kandidaat, uitgereikt krachtens de wet op het toekennen van de academische graden;
19° de andere diploma's van kandidaat, uitgereikt door een Belgische universiteit of een daarmee gelijkgestelde instelling, door een door de wet of door het decreet daartoe gemachtigde instelling of door een door de Staat of de Gemeenschap opgerichte examencommissie;
20° a) het brevet van een aanvullende secundaire beroepsschool of leergang;
b) het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de vierde graad van het secundair onderwijs;
c) het diploma in de psychiatrische verpleegkunde;
d) het diploma in de ziekenhuisverpleegkunde;
21° het finaliteitsdiploma van het kunstonderwijs, georganiseerd met beperkt leerplan;
22° a) het gehomologeerde getuigschrift van hoger secundair onderwijs;
b) het gehomologeerde getuigschrift van het middelbaar onderwijs van de hogere graad;
c) het gehomologeerde diploma van secundair onderwijs;
d) het diploma van secundair onderwijs;
23° a) een studiebewijs van het niveau van hoger secundair technisch onderwijs;
b) een studiebewijs van het niveau van de derde graad van het technisch secundair onderwijs;
24° a) een studiebewijs van het niveau van hoger kunstsecundair onderwijs;
b) een studiebewijs van het niveau van de derde graad van het kunstsecundair onderwijs;
25° a) een studiebewijs van het niveau van hoger beroepssecundair onderwijs;
b) een studiebewijs van het niveau van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs;
26° een getuigschrift van secundair onderwijs van het DKO of van de hogere graad van het DKO;
27° een kwalificatiegetuigschrift van de specialisatiegraad van het DKO. "
1° de diploma's van arts, tandarts, dierenarts, doctor, ingenieur, apotheker of licentiaat, uitgereikt overeenkomstig de wetgeving op de academische graden;
2° de andere diploma's van arts, tandarts, dierenarts, doctor, ingenieur, apotheker of licentiaat, uitgereikt door een Belgische universiteit of een daarmee gelijkgestelde instelling, door een door de wet of door het decreet daartoe gemachtigde instelling of door een door de Staat of de Gemeenschap opgerichte examencommissie, als de duur van de studie ten minste vier jaar bedraagt, zelfs als een gedeelte van de studie niet in één van de voormelde onderwijsinstellingen werd volbracht;
3° het diploma van hoger technisch onderwijs van de derde graad;
4°a) het diploma van hoger kunstonderwijs van de derde graad met volledig leerplan;
b) het diploma van voortgezet hoger kunstonderwijs met volledig leerplan;
c) het diploma van hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste vijf studiejaren;
d) het laureaatsattest van het Nationaal Hoger Instituut van Antwerpen, verleend na een cyclus van ten minste 5 studiejaren;
e) de prijs Lemmens-Tinel, uitgereikt door het Lemmensinstituut in Leuven;
f) het diploma van meester, uitgereikt overeenkomstig de wetgeving op het hoger onderwijs;
5° het diploma van de officieren die voor 1 januari 1965 met vrucht hun studie hebben volbracht aan de Oefenschool bij de Koninklijke Militaire School of aan de polytechnische afdeling van die school;
6° het diploma van architect, interieurarchitect of van industrieel ingenieur;
7° het diploma van technisch ingenieur;
8° het universitaire diploma van burgerlijk conducteur;
9° het diploma van een hogere technische school van de tweede graad;
10° a) het diploma van het hoger kunstonderwijs van de tweede graad met volledig leerplan;
b) het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste vier studiejaren;
c) het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, voor 1 september 1969 uitgereikt na een cyclus van ten minste drie studiejaren door een instelling voor de beeldende kunsten;
d) het diploma van de tweede cyclus, uiterlijk in academiejaar 1994-1995 uitgereikt door een Koninklijk Muziekconservatorium;
e) het laureaatsdiploma, uitgereikt door het Lemmensinstituut in Leuven;
f) het laureaatsdiploma, uitgereikt door het Hoger Instituut voor Dramatische Kunst in Antwerpen;
11° het diploma van aspirant-officier ter lange omvaart;
12° het diploma van officier-werktuigkundige eerste klasse;
13° a) het diploma van het hoger kunstonderwijs van de eerste graad met volledig leerplan;
b) het diploma van het hoger kunstonderwijs met volledig leerplan, uitgereikt na een cyclus van ten minste twee studiejaren;
c) het diploma van de eerste cyclus, uiterlijk in academiejaar 1994-1995 uitgereikt door een Koninklijk Muziekconservatorium en met uitzondering van het diploma van kandidaat;
14° a) het diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan;
b) het diploma van een hogere technische school van de eerste graad;
c) het diploma van onderwijzer(es);
d) het diploma van kleuteronderwijzer(es);
e) het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs of het diploma van regent(es);
f) het diploma van geaggregeerde leraar van het middelbaar onderwijs van de lagere graad of van regent(es) voor de middelbare scholen;
g) het diploma van geaggregeerde voor het middelbaar en technisch onderwijs van de lagere graad;
h) het diploma van gegradueerde, uitgereikt door een hogeschool;
i) het diploma van een basisopleiding van één cyclus;
j) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1;
k) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs-groep 1, met uitdieping;
15° a) het diploma van virtuositeit, het hoger diploma en het diploma van eerste prijs, uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs;
b) het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid dans;
c) het diploma van leraar dans;
16° het diploma van een hogere technische leergang van de tweede graad;
17° het diploma van het hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie of van een hogere technische leergang van de eerste graad;
18° het diploma van kandidaat, uitgereikt krachtens de wet op het toekennen van de academische graden;
19° de andere diploma's van kandidaat, uitgereikt door een Belgische universiteit of een daarmee gelijkgestelde instelling, door een door de wet of door het decreet daartoe gemachtigde instelling of door een door de Staat of de Gemeenschap opgerichte examencommissie;
20° a) het brevet van een aanvullende secundaire beroepsschool of leergang;
b) het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de vierde graad van het secundair onderwijs;
c) het diploma in de psychiatrische verpleegkunde;
d) het diploma in de ziekenhuisverpleegkunde;
21° het finaliteitsdiploma van het kunstonderwijs, georganiseerd met beperkt leerplan;
22° a) het gehomologeerde getuigschrift van hoger secundair onderwijs;
b) het gehomologeerde getuigschrift van het middelbaar onderwijs van de hogere graad;
c) het gehomologeerde diploma van secundair onderwijs;
d) het diploma van secundair onderwijs;
23° a) een studiebewijs van het niveau van hoger secundair technisch onderwijs;
b) een studiebewijs van het niveau van de derde graad van het technisch secundair onderwijs;
24° a) een studiebewijs van het niveau van hoger kunstsecundair onderwijs;
b) een studiebewijs van het niveau van de derde graad van het kunstsecundair onderwijs;
25° a) een studiebewijs van het niveau van hoger beroepssecundair onderwijs;
b) een studiebewijs van het niveau van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs;
26° een getuigschrift van secundair onderwijs van het DKO of van de hogere graad van het DKO;
27° een kwalificatiegetuigschrift van de specialisatiegraad van het DKO. "
Art. 17. L'article 6 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 1998, est remplacé par ce qui suit : " Art. 6. Pour l'application du présent arrêté, sont considérés comme un diplôme de base tel que visé à l'article 3, § 1er :
1° les diplômes de médecin, de dentiste, de médecin vétérinaire, de docteur, d'ingénieur, de pharmacien ou de licencié, délivrés conformément à la législation sur les grades académiques;
2° les autres diplômes de médecin, de dentiste, de médecin vétérinaire, de docteur, d'ingénieur, de pharmacien ou de licencié, délivrés par une université belge ou un établissement y assimilé, par un établissement habilité par la loi ou par le décret ou par un jury institué à cet effet par l'Etat ou la Communauté, si la durée des études comprend quatre années au moins, même si une partie des études n'a pas été parcourue dans un des établissements d'enseignement susmentionnés;
3° le diplôme de l'enseignement technique supérieur du troisième degré;
4° a) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique du troisième degré de plein exercice;
b) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique continu de plein exercice;
c) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique de plein exercice, délivré après un cycle d'au moins cinq années d'études;
d) l'attestation de lauréat du " Nationaal Hoger Instituut " à Anvers, délivrée après un cycle d'au moins cinq années d'études;
e) le prix Lemmens-Tinel, délivré par le " Lemmensinstituut " à Louvain;
f) le diplôme de maître, délivré conformément à la législation sur l'enseignement supérieur;
5° le diplôme des officiers qui, avant le 1er janvier 1965, ont terminé avec succès leurs études à l'Ecole d'application de l'Ecole royale militaire ou à la section polytechnique de cette Ecole;
6° le diplôme d'architecte, d'architecte d'intérieur ou d'ingénieur industriel;
7° le diplôme d'ingénieur technique;
8° le diplôme universitaire de conducteur civil;
9° le diplôme d'une école supérieure technique du deuxième degré;
10° a) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique du deuxième degré de plein exercice;
b) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique de plein exercice, délivré après un cycle d'au moins quatre années d'études;
c) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique de plein exercice, délivré avant le 1er septembre 1969 après un cycle d'au moins trois années d'études par un établissement des arts plastiques;
d) le diplôme du deuxième cycle, délivré au plus tard dans l'année académique 1994-1995 par un Conservatoire royal de Musique;
e) le diplôme de lauréat, délivré par le " Lemmensinstituut " à Louvain;
f) le diplôme de lauréat, délivré par le " Hoger Instituut voor Dramatische Kunst " à Anvers;
11° le diplôme d'aspirant-officier au long cours;
12° le diplôme d'officier-mécanicien de 1re classe;
13° a) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique du premier degré de plein exercice;
b) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique de plein exercice, délivré après un cycle d'au moins deux années d'études;
c) le diplôme du premier cycle, délivré au plus tard dans l'année académique 1994-1995 par un Conservatoire royal de Musique et à l'exception du diplôme de candidat;
14° a) le diplôme de l'enseignement supérieur de type court de plein exercice;
b) le diplôme d'une école supérieure technique du premier degré;
c) le diplôme d'instituteur primaire;
d) le diplôme d'instituteur préscolaire;
e) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur ou le diplôme de régent;
f) le diplôme de professeur agrégé de l'enseignement moyen du degré inférieur ou de régent pour les écoles moyennes;
g) le diplôme d'agrégé de l'enseignement moyen et technique du degré inférieur;
h) le diplôme de gradué, délivré par un institut supérieur;
i) le diplôme d'une formation initiale d'un cycle;
j) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1;
k) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1, avec approfondissement;
15° a) le diplôme de virtuosité, le diplôme supérieur et le diplôme du premier prix, délivrés par un établissement de l'enseignement musical supérieur;
b) le certificat d'aptitudes pédagogiques en danse;
c) le diplôme d'enseignant de danse;
16° le diplôme d'un cours technique supérieur du deuxième degré;
17° le diplôme de l'enseignement supérieur de promotion sociale de type court ou d'un cours technique supérieur du premier degré;
18° le diplôme de candidat, délivré en vertu de la loi sur la collation des grades académiques;
19° les autres diplomes de candidat délivrés par une université belge ou un établissement y assimilé, par un établissement y autorisé par la loi ou par le décret ou par un jury créé par l'Etat ou la Communauté;
20° a) le brevet d'une école ou d'un cours secondaire professionnel(le) complémentaire;
b) le certificat d'études de la deuxième année d'études du quatrième degré de l'enseignement secondaire;
c) le diplôme en nursing psychiatrique;
d) le diplôme en nursing hospitalier;
21° le diplôme de finalité de l'enseignement artistique à horaire réduit;
22° a) le certificat homologué de l'enseignement secondaire supérieur;
b) le certificat homologué de l'enseignement moyen du degré supérieur;
c) le diplôme homologué de l'enseignement secondaire;
d) le diplôme de l'enseignement secondaire;
23° a) un titre du niveau supérieur de l'enseignement secondaire technique;
b) un titre du niveau du troisième degré de l'enseignement secondaire technique;
24° a) un titre du niveau supérieur de l'enseignement secondaire artistique;
b) un titre du niveau du troisième degré de l'enseignement secondaire artistique;
25° a) un titre du niveau supérieur de l'enseignement secondaire professionnel;
b) un titre du niveau du troisième degré de l'enseignement secondaire professionnel;
26° un certificat de l'enseignement secondaire artistique à temps partiel ou du degré supérieur de l'enseignement artistique à temps partiel;
27° un certificat de qualification du degré de spécialisation de l'enseignement artistique à temps partiel. "
1° les diplômes de médecin, de dentiste, de médecin vétérinaire, de docteur, d'ingénieur, de pharmacien ou de licencié, délivrés conformément à la législation sur les grades académiques;
2° les autres diplômes de médecin, de dentiste, de médecin vétérinaire, de docteur, d'ingénieur, de pharmacien ou de licencié, délivrés par une université belge ou un établissement y assimilé, par un établissement habilité par la loi ou par le décret ou par un jury institué à cet effet par l'Etat ou la Communauté, si la durée des études comprend quatre années au moins, même si une partie des études n'a pas été parcourue dans un des établissements d'enseignement susmentionnés;
3° le diplôme de l'enseignement technique supérieur du troisième degré;
4° a) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique du troisième degré de plein exercice;
b) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique continu de plein exercice;
c) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique de plein exercice, délivré après un cycle d'au moins cinq années d'études;
d) l'attestation de lauréat du " Nationaal Hoger Instituut " à Anvers, délivrée après un cycle d'au moins cinq années d'études;
e) le prix Lemmens-Tinel, délivré par le " Lemmensinstituut " à Louvain;
f) le diplôme de maître, délivré conformément à la législation sur l'enseignement supérieur;
5° le diplôme des officiers qui, avant le 1er janvier 1965, ont terminé avec succès leurs études à l'Ecole d'application de l'Ecole royale militaire ou à la section polytechnique de cette Ecole;
6° le diplôme d'architecte, d'architecte d'intérieur ou d'ingénieur industriel;
7° le diplôme d'ingénieur technique;
8° le diplôme universitaire de conducteur civil;
9° le diplôme d'une école supérieure technique du deuxième degré;
10° a) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique du deuxième degré de plein exercice;
b) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique de plein exercice, délivré après un cycle d'au moins quatre années d'études;
c) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique de plein exercice, délivré avant le 1er septembre 1969 après un cycle d'au moins trois années d'études par un établissement des arts plastiques;
d) le diplôme du deuxième cycle, délivré au plus tard dans l'année académique 1994-1995 par un Conservatoire royal de Musique;
e) le diplôme de lauréat, délivré par le " Lemmensinstituut " à Louvain;
f) le diplôme de lauréat, délivré par le " Hoger Instituut voor Dramatische Kunst " à Anvers;
11° le diplôme d'aspirant-officier au long cours;
12° le diplôme d'officier-mécanicien de 1re classe;
13° a) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique du premier degré de plein exercice;
b) le diplôme de l'enseignement supérieur artistique de plein exercice, délivré après un cycle d'au moins deux années d'études;
c) le diplôme du premier cycle, délivré au plus tard dans l'année académique 1994-1995 par un Conservatoire royal de Musique et à l'exception du diplôme de candidat;
14° a) le diplôme de l'enseignement supérieur de type court de plein exercice;
b) le diplôme d'une école supérieure technique du premier degré;
c) le diplôme d'instituteur primaire;
d) le diplôme d'instituteur préscolaire;
e) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur ou le diplôme de régent;
f) le diplôme de professeur agrégé de l'enseignement moyen du degré inférieur ou de régent pour les écoles moyennes;
g) le diplôme d'agrégé de l'enseignement moyen et technique du degré inférieur;
h) le diplôme de gradué, délivré par un institut supérieur;
i) le diplôme d'une formation initiale d'un cycle;
j) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1;
k) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1, avec approfondissement;
15° a) le diplôme de virtuosité, le diplôme supérieur et le diplôme du premier prix, délivrés par un établissement de l'enseignement musical supérieur;
b) le certificat d'aptitudes pédagogiques en danse;
c) le diplôme d'enseignant de danse;
16° le diplôme d'un cours technique supérieur du deuxième degré;
17° le diplôme de l'enseignement supérieur de promotion sociale de type court ou d'un cours technique supérieur du premier degré;
18° le diplôme de candidat, délivré en vertu de la loi sur la collation des grades académiques;
19° les autres diplomes de candidat délivrés par une université belge ou un établissement y assimilé, par un établissement y autorisé par la loi ou par le décret ou par un jury créé par l'Etat ou la Communauté;
20° a) le brevet d'une école ou d'un cours secondaire professionnel(le) complémentaire;
b) le certificat d'études de la deuxième année d'études du quatrième degré de l'enseignement secondaire;
c) le diplôme en nursing psychiatrique;
d) le diplôme en nursing hospitalier;
21° le diplôme de finalité de l'enseignement artistique à horaire réduit;
22° a) le certificat homologué de l'enseignement secondaire supérieur;
b) le certificat homologué de l'enseignement moyen du degré supérieur;
c) le diplôme homologué de l'enseignement secondaire;
d) le diplôme de l'enseignement secondaire;
23° a) un titre du niveau supérieur de l'enseignement secondaire technique;
b) un titre du niveau du troisième degré de l'enseignement secondaire technique;
24° a) un titre du niveau supérieur de l'enseignement secondaire artistique;
b) un titre du niveau du troisième degré de l'enseignement secondaire artistique;
25° a) un titre du niveau supérieur de l'enseignement secondaire professionnel;
b) un titre du niveau du troisième degré de l'enseignement secondaire professionnel;
26° un certificat de l'enseignement secondaire artistique à temps partiel ou du degré supérieur de l'enseignement artistique à temps partiel;
27° un certificat de qualification du degré de spécialisation de l'enseignement artistique à temps partiel. "
Art. 18. In artikel 7 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 maart 1998, wordt § 1 vervangen door wat volgt :
" § 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger onderwijs van het lange type (afgekort : ten minste HOLT) : een van de basisdiploma's, vermeld onder de punten 1° tot en met 6°, van artikel 6 van dit besluit;
2° HOLT :
a)een bekwaamheidsbewijs van het hoger onderwijs van het lange type;
b) een diploma van een basisopleiding van twee cycli;
3° een bekwaamheidsbewijs van hoger kunstonderwijs van de derde graad : een van de basisdiploma's, vermeld onder punt 4°, van artikel 6 van dit besluit;
4° een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger kunstonderwijs van de tweede graad : een van de basisdiploma's, vermeld onder de punten 4° en 10°, van artikel 6 van dit besluit;
5° een bekwaamheidsbewijs van hoger kunstonderwijs van de tweede graad : een van de basisdiploma's, vermeld onder punt 10°, van artikel 6 van dit besluit;
6° een bekwaamheidsbewijs van ten minste het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan (afgekort : ten minste HOKTVL) : een van de basisdiploma's, vermeld onder de punten 1° tot en met 14°, van artikel 6 van dit besluit;
7° een bekwaamheidsbewijs van het hoger onderwijs van het korte type (afgekort : HOKT) : een van de basisdiploma's, vermeld onder de punten 7°, 13°, 14°, 16° of 17°, van artikel 6 van dit besluit.
Voor het onderwijs van kunstvakken, technische vakken of praktische vakken wordt met dit bekwaamheidsbewijs (HOKT) evenwel niet bedoeld :
a)het diploma of het getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan of voor sociale promotie, en evenmin het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen;
b) het diploma van onderwijzer(es);
c) het diploma van kleuteronderwijzer(es);
d) het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs of het diploma van regent(es);
e) het diploma van geaggregeerd leraar van het middelbaar onderwijs van de lagere graad of van regent(es) voor de middelbare scholen;
f) het diploma van geaggregeerde voor het middelbaar en technisch onderwijs van de lagere graad;
g) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1;
h) het diploma van leraar dans;
i) het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid dans;
8° een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger onderwijs van het korte type (afgekort ten minste HOKT) : de bekwaamheidsbewijzen, bedoeld onder de punten 6° en 7°, met uitzondering van het diploma of het getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, alsmede van het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen;
9° een bekwaamheidsbewijs van hoger kunstonderwijs van de eerste graad met volledig leerplan : een van de basisdiploma's, vermeld onder punt 13°, van artikel 6 van dit besluit;
10° GHSO :
a) het diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs;
b) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 2;
c) het diploma van geaggregeerde voor het onderwijs;
11° GLSO :
a) het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs;
b) het diploma van geaggregeerd leraar van het middelbaar onderwijs van de lagere graad of van regent(es) voor de middelbare scholen;
c) het diploma van geaggregeerde voor het middelbaar en technisch onderwijs van de lagere graad;
d) het diploma van regent(es);
e) het diploma van de middelbare en technische normaalschool;
f) het diploma van de technische normaalafdelingen met volledig leerplan, gerangschikt in de categorie D;
g) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1;
h) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1 samen met het diploma van de voortgezette lerarenopleiding voor de aanvullende uitdieping van een opleidingseenheid;
12° GVSO-groep 1 : het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1;
13° ASBS met gehomologeerd getuigschrift HSO :
a) het gehomologeerde getuigschrift van hoger secundair onderwijs, uitgereikt na het eerste jaar van het aanvullend secundair beroepsonderwijs;
b) het gehomologeerde diploma van secundair onderwijs, uitgereikt na het eerste jaar van het aanvullend secundair beroepsonderwijs;
c) het diploma van secundair onderwijs, uitgereikt na het eerste jaar van het aanvullend secundair beroepsonderwijs;
14° ASBO : het brevet van het aanvullend secundair beroepsonderwijs met volledig leerplan of voor sociale promotie;
15° HSBS met gehomologeerd getuigschrift HSO :
a) het gehomologeerde of door een examencommissie van de Staat uitgereikte getuigschrift van hoger secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);
b) het gehomologeerde of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap uitgereikte diploma van secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);
c) het diploma van secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);
16° HSBO :
a) het brevet van een hogere secundaire beroepsschool of leergang;
b) het studieattest of -getuigschrift van het zesde leerjaar van het beroepssecundair onderwijs;
c) het studieattest of -getuigschrift van het zevende vervolmakings- of specialisatiejaar van het beroepssecundair onderwijs;
d) het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);
e) het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar (beroepssecundair onderwijs);
17° HSTO :
a) het diploma van een hogere secundaire technische school of leergang;
b) het gehomologeerde of door de examencommissie van de Staat uitgereikte getuigschrift van hoger secundair technisch onderwijs;
c) het studieattest of -getuigschrift van het zevende vervolmakings- of specialisatiejaar van het technisch secundair onderwijs;
d) het gehomologeerde of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap uitgereikte diploma van secundair onderwijs (technisch secundair onderwijs);
e) het diploma van secundair onderwijs (technisch secundair onderwijs);
f) het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar (technisch secundair onderwijs);
18° HSKO :
a) het diploma of getuigschrift van het hoger secundair kunstonderwijs met volledig leerplan of met beperkt leerplan of het getuigschrift van secundair onderwijs, uitgereikt in de hogere graad van het DKO;
b) het diploma van graad van uitmuntendheid van het kunstonderwijs, georganiseerd in beperkt leerplan;
c) het studieattest of -getuigschrift van het zevende vervolmakings- of specialisatiejaar van het kunstsecundair onderwijs of het kwalificatiegetuigschrift, uitgereikt in de specialisatiegraad van het DKO;
d) het gehomologeerde of door de examencommissie van de Staat uitgereikte getuigschrift van hoger secundair kunstonderwijs;
e) het gehomologeerde of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap uitgereikte diploma van secundair onderwijs (kunstsecundair onderwijs);
f) het diploma van secundair onderwijs (kunstsecundair onderwijs);
g) het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar (kunstsecundair onderwijs);
19° ten minste HSO :
a) een van de basisdiploma's, vermeld onder de punten 1° tot en met 22°, van artikel 6 van dit besluit;
b) de studiebewijzen die hierboven vermeld zijn als ASBO, HSBO, HSTO en HSKO;
20° GMTN : het getuigschrift van middelbare technische normaalleergangen;
21° GPB : het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid;
22° GPL : het getuigschrift van pedagogische leergangen;
23° NE : nuttige ervaring;
24° ASO : algemeen secundair onderwijs;
25° TSO : technisch secundair onderwijs;
26° KSO : kunstsecundair onderwijs;
27° BSO : beroepssecundair onderwijs;
28° BPB : bewijs van pedagogische bekwaamheid : een van de studiebewijzen, opgesomd in artikel 3, § 2;
29° DKO : deeltijds kunstonderwijs;
30° KV : kunstvak;
31° AV : algemeen vak;
32° TV : technisch vak. "
" § 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger onderwijs van het lange type (afgekort : ten minste HOLT) : een van de basisdiploma's, vermeld onder de punten 1° tot en met 6°, van artikel 6 van dit besluit;
2° HOLT :
a)een bekwaamheidsbewijs van het hoger onderwijs van het lange type;
b) een diploma van een basisopleiding van twee cycli;
3° een bekwaamheidsbewijs van hoger kunstonderwijs van de derde graad : een van de basisdiploma's, vermeld onder punt 4°, van artikel 6 van dit besluit;
4° een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger kunstonderwijs van de tweede graad : een van de basisdiploma's, vermeld onder de punten 4° en 10°, van artikel 6 van dit besluit;
5° een bekwaamheidsbewijs van hoger kunstonderwijs van de tweede graad : een van de basisdiploma's, vermeld onder punt 10°, van artikel 6 van dit besluit;
6° een bekwaamheidsbewijs van ten minste het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan (afgekort : ten minste HOKTVL) : een van de basisdiploma's, vermeld onder de punten 1° tot en met 14°, van artikel 6 van dit besluit;
7° een bekwaamheidsbewijs van het hoger onderwijs van het korte type (afgekort : HOKT) : een van de basisdiploma's, vermeld onder de punten 7°, 13°, 14°, 16° of 17°, van artikel 6 van dit besluit.
Voor het onderwijs van kunstvakken, technische vakken of praktische vakken wordt met dit bekwaamheidsbewijs (HOKT) evenwel niet bedoeld :
a)het diploma of het getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan of voor sociale promotie, en evenmin het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen;
b) het diploma van onderwijzer(es);
c) het diploma van kleuteronderwijzer(es);
d) het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs of het diploma van regent(es);
e) het diploma van geaggregeerd leraar van het middelbaar onderwijs van de lagere graad of van regent(es) voor de middelbare scholen;
f) het diploma van geaggregeerde voor het middelbaar en technisch onderwijs van de lagere graad;
g) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1;
h) het diploma van leraar dans;
i) het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid dans;
8° een bekwaamheidsbewijs van ten minste hoger onderwijs van het korte type (afgekort ten minste HOKT) : de bekwaamheidsbewijzen, bedoeld onder de punten 6° en 7°, met uitzondering van het diploma of het getuigschrift van het pedagogisch hoger onderwijs van het korte type voor sociale promotie, alsmede van het getuigschrift van de middelbare technische normaalleergangen of van de pedagogische leergangen;
9° een bekwaamheidsbewijs van hoger kunstonderwijs van de eerste graad met volledig leerplan : een van de basisdiploma's, vermeld onder punt 13°, van artikel 6 van dit besluit;
10° GHSO :
a) het diploma van geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs;
b) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 2;
c) het diploma van geaggregeerde voor het onderwijs;
11° GLSO :
a) het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs;
b) het diploma van geaggregeerd leraar van het middelbaar onderwijs van de lagere graad of van regent(es) voor de middelbare scholen;
c) het diploma van geaggregeerde voor het middelbaar en technisch onderwijs van de lagere graad;
d) het diploma van regent(es);
e) het diploma van de middelbare en technische normaalschool;
f) het diploma van de technische normaalafdelingen met volledig leerplan, gerangschikt in de categorie D;
g) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1;
h) het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1 samen met het diploma van de voortgezette lerarenopleiding voor de aanvullende uitdieping van een opleidingseenheid;
12° GVSO-groep 1 : het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs, groep 1;
13° ASBS met gehomologeerd getuigschrift HSO :
a) het gehomologeerde getuigschrift van hoger secundair onderwijs, uitgereikt na het eerste jaar van het aanvullend secundair beroepsonderwijs;
b) het gehomologeerde diploma van secundair onderwijs, uitgereikt na het eerste jaar van het aanvullend secundair beroepsonderwijs;
c) het diploma van secundair onderwijs, uitgereikt na het eerste jaar van het aanvullend secundair beroepsonderwijs;
14° ASBO : het brevet van het aanvullend secundair beroepsonderwijs met volledig leerplan of voor sociale promotie;
15° HSBS met gehomologeerd getuigschrift HSO :
a) het gehomologeerde of door een examencommissie van de Staat uitgereikte getuigschrift van hoger secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);
b) het gehomologeerde of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap uitgereikte diploma van secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);
c) het diploma van secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);
16° HSBO :
a) het brevet van een hogere secundaire beroepsschool of leergang;
b) het studieattest of -getuigschrift van het zesde leerjaar van het beroepssecundair onderwijs;
c) het studieattest of -getuigschrift van het zevende vervolmakings- of specialisatiejaar van het beroepssecundair onderwijs;
d) het studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs (beroepssecundair onderwijs);
e) het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar (beroepssecundair onderwijs);
17° HSTO :
a) het diploma van een hogere secundaire technische school of leergang;
b) het gehomologeerde of door de examencommissie van de Staat uitgereikte getuigschrift van hoger secundair technisch onderwijs;
c) het studieattest of -getuigschrift van het zevende vervolmakings- of specialisatiejaar van het technisch secundair onderwijs;
d) het gehomologeerde of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap uitgereikte diploma van secundair onderwijs (technisch secundair onderwijs);
e) het diploma van secundair onderwijs (technisch secundair onderwijs);
f) het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar (technisch secundair onderwijs);
18° HSKO :
a) het diploma of getuigschrift van het hoger secundair kunstonderwijs met volledig leerplan of met beperkt leerplan of het getuigschrift van secundair onderwijs, uitgereikt in de hogere graad van het DKO;
b) het diploma van graad van uitmuntendheid van het kunstonderwijs, georganiseerd in beperkt leerplan;
c) het studieattest of -getuigschrift van het zevende vervolmakings- of specialisatiejaar van het kunstsecundair onderwijs of het kwalificatiegetuigschrift, uitgereikt in de specialisatiegraad van het DKO;
d) het gehomologeerde of door de examencommissie van de Staat uitgereikte getuigschrift van hoger secundair kunstonderwijs;
e) het gehomologeerde of door de examencommissie van de Vlaamse Gemeenschap uitgereikte diploma van secundair onderwijs (kunstsecundair onderwijs);
f) het diploma van secundair onderwijs (kunstsecundair onderwijs);
g) het studiegetuigschrift van het derde leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, georganiseerd in de vorm van een specialisatiejaar (kunstsecundair onderwijs);
19° ten minste HSO :
a) een van de basisdiploma's, vermeld onder de punten 1° tot en met 22°, van artikel 6 van dit besluit;
b) de studiebewijzen die hierboven vermeld zijn als ASBO, HSBO, HSTO en HSKO;
20° GMTN : het getuigschrift van middelbare technische normaalleergangen;
21° GPB : het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid;
22° GPL : het getuigschrift van pedagogische leergangen;
23° NE : nuttige ervaring;
24° ASO : algemeen secundair onderwijs;
25° TSO : technisch secundair onderwijs;
26° KSO : kunstsecundair onderwijs;
27° BSO : beroepssecundair onderwijs;
28° BPB : bewijs van pedagogische bekwaamheid : een van de studiebewijzen, opgesomd in artikel 3, § 2;
29° DKO : deeltijds kunstonderwijs;
30° KV : kunstvak;
31° AV : algemeen vak;
32° TV : technisch vak. "
Art. 18. A l'article 7 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 1998, le § 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1° un titre de l'enseignement supérieur de type long au moins (abrégé : au moins ESTL) : un des diplômes de base mentionnés aux points 1° à 6° inclus de l'article 6 du présent arrêté;
2° ESTL :
a) un titre de l'enseignement supérieur de type long;
b) un diplôme d'une formation initiale de deux cycles;
3° un titre de l'enseignement supérieur artistique du troisième degré : un des diplômes de base mentionnés au point 4° de l'article 6 du présent arrêté;
4° un titre de l'enseignement supérieur artistique du deuxième degré au moins : un des diplômes de base mentionnés aux points 4° et 10° de l'article 6 du présent arrêté;
5° un titre de l'enseignement supérieur artistique du deuxième degré : un des diplômes de base mentionnés au point 10° de l'article 6 du présent arrêté;
6° un titre de l'enseignement supérieur de type court de plein exercice au moins (abrégé : au moins ESTCPE) : un des diplômes de base mentionnés aux points 1° à 14° inclus de l'article 6 du présent arrêté;
7° un titre de l'enseignement supérieur de type court (abrégé : ESTC) : un des diplômes de base mentionnes aux points 7°, 13°, 14°, 16° ou 17° de l'article 6 du présent arrêté.
Pour l'enseignement de cours artistiques, techniques ou pratiques, il ne faut toutefois pas entendre par le présent titre (ESTC) :
a) le diplôme ou le certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de type court de plein exercice ou de promotion sociale, et non plus le certificat des cours normaux techniques moyens ou des cours pédagogiques;
b) le diplôme d'instituteur primaire;
c) le diplôme d'instituteur préscolaire;
d) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur ou le diplôme de régent;
e) le diplôme de professeur agrégé de l'enseignement moyen du degré inférieur ou de régent pour les écoles moyennes;
f) le diplôme d'agrégé de l'enseignement moyen et technique du degré inférieur;
g) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1;
h) le diplôme d'enseignant de danse;
i) le certificat d'aptitudes pédagogiques en danse;
8° un titre de l'enseignement supérieur de type court au moins (abrégé : au moins ESTC) : les titres visés aux points 6° et 7°, à l'exception du diplôme ou du certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de type court de promotion sociale, ainsi que du certificat des cours normaux techniques moyens ou des cours pédagogiques;
9° un titre de l'enseignement supérieur artistique du premier degré de plein exercice : un des diplômes de base mentionnés au point 13° de l'article 6 du présent arrêté;
10° AESS :
a) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur;
b) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 2;
c) le diplôme d'agrégé de l'enseignement;
11° AESI :
a) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur;
b) le diplôme de professeur agrégé de l'enseignement moyen du degré inferieur ou de régent pour les écoles moyennes;
c) le diplôme d'agrégé de l'enseignement moyen et technique du degré inférieur;
d) le diplôme de régent;
e) le diplôme de l'école normale moyenne et technique;
f) le diplôme des sections normales techniques de plein exercice classées dans la catégorie D;
g) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1;
h) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1, ainsi que le diplôme de la formation continue des enseignants pour l'approfondissement supplémentaire d'une unité de formation;
12° AES-groupe 1 : le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1;
13° ESPC avec certificat homologué de l'ESS :
a) le certificat homologué de l'enseignement secondaire supérieur, délivré après la première année de l'enseignement secondaire professionnel complémentaire;
b) le diplôme homologué de l'enseignement secondaire, delivré après la première année de l'enseignement secondaire professionnel complémentaire;
c) le diplôme de l'enseignement secondaire, délivré après la première année de l'enseignement secondaire professionnel complémentaire;
14° BESPC : le brevet de l'enseignement secondaire professionnel complementaire de plein exercice ou de promotion sociale;
15° CEPSS avec certificat homologué de l'ESS :
a) le certificat de l'enseignement secondaire supérieur (enseignement secondaire professionnel), homologué ou délivré par un jury de l'Etat;
b) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire professionnel), homologué ou délivré par le jury de la Communauté flamande;
c) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire professionnel);
16° EPSS :
a) le brevet d'une école ou d'un cours secondaire professionnel(le) supérieur(e);
b) l'attestation ou le certificat d'études de la sixième année d'études de l'enseignement secondaire professionnel;
c) l'attestation ou le certificat d'études de la septième année de perfectionnement ou de spécialisation de l'enseignement secondaire professionnel;
d) le certificat d'études de la deuxième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire professionnel);
e) le certificat d'études de la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire, organisée sous la forme d'une année de spécialisation (enseignement secondaire professionnel);
17° ETSS :
a) le diplôme d'une école ou d'un cours secondaire technique supérieur(e);
b) le certificat du degré supérieur de l'enseignement secondaire technique, homologué ou délivré par un jury de l'Etat;
c) l'attestation ou le certificat d'études de la septième année de perfectionnement ou de specialisation de l'enseignement secondaire technique;
d) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire technique), homologué ou délivré par le jury de la Communauté flamande;
e) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire technique);
f) le certificat d'études de la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire, organisée sous la forme d'une année de spécialisation (enseignement secondaire technique);
18° ESSA :
a) le diplôme ou le certificat de l'enseignement secondaire supérieur artistique de plein exercice ou à horaire reduit, ou le certificat de l'enseignement secondaire, délivré dans le degré supérieur de l'enseignement artistique à temps partiel;
b) le diplôme du degré d'excellence de l'enseignement artistique, organisé à horaire réduit;
c) l'attestation ou le certificat d'études de la septième année de perfectionnement ou de spécialisation de l'enseignement secondaire artistique ou le certificat de qualification, delivre dans le degré de spécialisation de l'enseignement artistique à temps partiel;
d) le certificat de l'enseignement secondaire supérieur artistique, homologué ou délivré par le jury de l'Etat;
e) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire artistique), homologué ou délivré par le jury de la Communauté flamande;
f) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire artistique);
g) le certificat d'études de la troisième année d'etudes du troisième degré de l'enseignement secondaire, organisée sous la forme d'une année de spécialisation (enseignement secondaire artistique);
19° au moins ESS :
a) un des diplômes de base mentionnés aux points 1° à 22° inclus de l'article 6 du présent arrêté;
b) les titres susmentionnés comme BESPC, EPSS, ETSS et ESSA;
20° CCNTM : le certificat des cours normaux techniques moyens;
21° CAP : le certificat d'aptitudes pédagogiques;
22° CCP : le certificat de cours pedagogiques;
23° EU : expérience utile :
24° ESG : enseignement secondaire général;
25° EST : enseignement secondaire technique;
26° ESA : enseignement secondaire artistique;
27° ESP : enseignement secondaire professionnel;
28° CAP : certificat d'aptitudes pédagogiques : un des titres énumérés à l'article 3, § 2;
29° EATP : enseignement artistique à temps partiel;
30° CA : cours artistique;
31° CG : cours général;
32° CT : cours technique. "
" § 1er. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1° un titre de l'enseignement supérieur de type long au moins (abrégé : au moins ESTL) : un des diplômes de base mentionnés aux points 1° à 6° inclus de l'article 6 du présent arrêté;
2° ESTL :
a) un titre de l'enseignement supérieur de type long;
b) un diplôme d'une formation initiale de deux cycles;
3° un titre de l'enseignement supérieur artistique du troisième degré : un des diplômes de base mentionnés au point 4° de l'article 6 du présent arrêté;
4° un titre de l'enseignement supérieur artistique du deuxième degré au moins : un des diplômes de base mentionnés aux points 4° et 10° de l'article 6 du présent arrêté;
5° un titre de l'enseignement supérieur artistique du deuxième degré : un des diplômes de base mentionnés au point 10° de l'article 6 du présent arrêté;
6° un titre de l'enseignement supérieur de type court de plein exercice au moins (abrégé : au moins ESTCPE) : un des diplômes de base mentionnés aux points 1° à 14° inclus de l'article 6 du présent arrêté;
7° un titre de l'enseignement supérieur de type court (abrégé : ESTC) : un des diplômes de base mentionnes aux points 7°, 13°, 14°, 16° ou 17° de l'article 6 du présent arrêté.
Pour l'enseignement de cours artistiques, techniques ou pratiques, il ne faut toutefois pas entendre par le présent titre (ESTC) :
a) le diplôme ou le certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de type court de plein exercice ou de promotion sociale, et non plus le certificat des cours normaux techniques moyens ou des cours pédagogiques;
b) le diplôme d'instituteur primaire;
c) le diplôme d'instituteur préscolaire;
d) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur ou le diplôme de régent;
e) le diplôme de professeur agrégé de l'enseignement moyen du degré inférieur ou de régent pour les écoles moyennes;
f) le diplôme d'agrégé de l'enseignement moyen et technique du degré inférieur;
g) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1;
h) le diplôme d'enseignant de danse;
i) le certificat d'aptitudes pédagogiques en danse;
8° un titre de l'enseignement supérieur de type court au moins (abrégé : au moins ESTC) : les titres visés aux points 6° et 7°, à l'exception du diplôme ou du certificat de l'enseignement supérieur pédagogique de type court de promotion sociale, ainsi que du certificat des cours normaux techniques moyens ou des cours pédagogiques;
9° un titre de l'enseignement supérieur artistique du premier degré de plein exercice : un des diplômes de base mentionnés au point 13° de l'article 6 du présent arrêté;
10° AESS :
a) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur;
b) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 2;
c) le diplôme d'agrégé de l'enseignement;
11° AESI :
a) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur;
b) le diplôme de professeur agrégé de l'enseignement moyen du degré inferieur ou de régent pour les écoles moyennes;
c) le diplôme d'agrégé de l'enseignement moyen et technique du degré inférieur;
d) le diplôme de régent;
e) le diplôme de l'école normale moyenne et technique;
f) le diplôme des sections normales techniques de plein exercice classées dans la catégorie D;
g) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1;
h) le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1, ainsi que le diplôme de la formation continue des enseignants pour l'approfondissement supplémentaire d'une unité de formation;
12° AES-groupe 1 : le diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire, groupe 1;
13° ESPC avec certificat homologué de l'ESS :
a) le certificat homologué de l'enseignement secondaire supérieur, délivré après la première année de l'enseignement secondaire professionnel complémentaire;
b) le diplôme homologué de l'enseignement secondaire, delivré après la première année de l'enseignement secondaire professionnel complémentaire;
c) le diplôme de l'enseignement secondaire, délivré après la première année de l'enseignement secondaire professionnel complémentaire;
14° BESPC : le brevet de l'enseignement secondaire professionnel complementaire de plein exercice ou de promotion sociale;
15° CEPSS avec certificat homologué de l'ESS :
a) le certificat de l'enseignement secondaire supérieur (enseignement secondaire professionnel), homologué ou délivré par un jury de l'Etat;
b) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire professionnel), homologué ou délivré par le jury de la Communauté flamande;
c) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire professionnel);
16° EPSS :
a) le brevet d'une école ou d'un cours secondaire professionnel(le) supérieur(e);
b) l'attestation ou le certificat d'études de la sixième année d'études de l'enseignement secondaire professionnel;
c) l'attestation ou le certificat d'études de la septième année de perfectionnement ou de spécialisation de l'enseignement secondaire professionnel;
d) le certificat d'études de la deuxième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire professionnel);
e) le certificat d'études de la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire, organisée sous la forme d'une année de spécialisation (enseignement secondaire professionnel);
17° ETSS :
a) le diplôme d'une école ou d'un cours secondaire technique supérieur(e);
b) le certificat du degré supérieur de l'enseignement secondaire technique, homologué ou délivré par un jury de l'Etat;
c) l'attestation ou le certificat d'études de la septième année de perfectionnement ou de specialisation de l'enseignement secondaire technique;
d) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire technique), homologué ou délivré par le jury de la Communauté flamande;
e) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire technique);
f) le certificat d'études de la troisième année d'études du troisième degré de l'enseignement secondaire, organisée sous la forme d'une année de spécialisation (enseignement secondaire technique);
18° ESSA :
a) le diplôme ou le certificat de l'enseignement secondaire supérieur artistique de plein exercice ou à horaire reduit, ou le certificat de l'enseignement secondaire, délivré dans le degré supérieur de l'enseignement artistique à temps partiel;
b) le diplôme du degré d'excellence de l'enseignement artistique, organisé à horaire réduit;
c) l'attestation ou le certificat d'études de la septième année de perfectionnement ou de spécialisation de l'enseignement secondaire artistique ou le certificat de qualification, delivre dans le degré de spécialisation de l'enseignement artistique à temps partiel;
d) le certificat de l'enseignement secondaire supérieur artistique, homologué ou délivré par le jury de l'Etat;
e) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire artistique), homologué ou délivré par le jury de la Communauté flamande;
f) le diplôme de l'enseignement secondaire (enseignement secondaire artistique);
g) le certificat d'études de la troisième année d'etudes du troisième degré de l'enseignement secondaire, organisée sous la forme d'une année de spécialisation (enseignement secondaire artistique);
19° au moins ESS :
a) un des diplômes de base mentionnés aux points 1° à 22° inclus de l'article 6 du présent arrêté;
b) les titres susmentionnés comme BESPC, EPSS, ETSS et ESSA;
20° CCNTM : le certificat des cours normaux techniques moyens;
21° CAP : le certificat d'aptitudes pédagogiques;
22° CCP : le certificat de cours pedagogiques;
23° EU : expérience utile :
24° ESG : enseignement secondaire général;
25° EST : enseignement secondaire technique;
26° ESA : enseignement secondaire artistique;
27° ESP : enseignement secondaire professionnel;
28° CAP : certificat d'aptitudes pédagogiques : un des titres énumérés à l'article 3, § 2;
29° EATP : enseignement artistique à temps partiel;
30° CA : cours artistique;
31° CG : cours général;
32° CT : cours technique. "
Art. 19. Aan artikel 8, § 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 2 december 1992 en 10 maart 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 2° wordt vervangen door wat volgt :
" 2° met de houder van het G.P.L. wordt eveneens gelijkgesteld, de houder van het diploma van laureaat met aanvullende vermelding " ... en muziekopvoeding van ... (specialiteit)", " en opvoeding van ... (specialiteit) of ... en muziekopvoeding", uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs. De houder van het diploma laureaat muziekopvoeding wordt beschouwd als houder van een getuigschrift pedagogische leergangen; ";
2° er worden een 6° en 7° toegevoegd, die luiden als volgt :
" 6° het getuigschrift van bekwaamheid tot het geven van deeltijds kunstonderwijs, uitgereikt door een Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium;
7° het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs, uitgereikt door de examencommissie, bedoeld in artikel 110 van het decreet van 2 juni 1998 houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan, gesubsidieerd door de Franse gemeenschap. "
1° punt 2° wordt vervangen door wat volgt :
" 2° met de houder van het G.P.L. wordt eveneens gelijkgesteld, de houder van het diploma van laureaat met aanvullende vermelding " ... en muziekopvoeding van ... (specialiteit)", " en opvoeding van ... (specialiteit) of ... en muziekopvoeding", uitgereikt door een instelling voor hoger muziekonderwijs. De houder van het diploma laureaat muziekopvoeding wordt beschouwd als houder van een getuigschrift pedagogische leergangen; ";
2° er worden een 6° en 7° toegevoegd, die luiden als volgt :
" 6° het getuigschrift van bekwaamheid tot het geven van deeltijds kunstonderwijs, uitgereikt door een Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium;
7° het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs, uitgereikt door de examencommissie, bedoeld in artikel 110 van het decreet van 2 juni 1998 houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan, gesubsidieerd door de Franse gemeenschap. "
Art. 19. A l'article 8, § 3, du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 2 décembre 1992 et 10 mars 1998, sont apportées les modifications suivantes :
1° le 2° est remplacé par la disposition suivante :
" 2° est également assimilé au porteur du C.C.P., le titulaire du diplôme de lauréat avec mention complementaire " et éducation musicale en (spécialité) ", " et éducation en (spécialité) " ou " et éducation musicale ", délivré par un établissement supérieur de la musique. Le porteur du diplôme de lauréat en éducation musicale est considéré comme porteur d'un certificat de cours pédagogiques; ";
2° il est ajouté un 6° et 7°, rédigés comme suit :
" 6° le certificat d'aptitude à l'enseignement artistique à temps partiel, délivré par un Conservatoire royal de Musique flamand;
7° le certificat d'aptitudes pédagogiques pour l'enseignement, délivré par un jury, visé à l'article 110 du décret du 2 juin 1998 organisant l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française. "
1° le 2° est remplacé par la disposition suivante :
" 2° est également assimilé au porteur du C.C.P., le titulaire du diplôme de lauréat avec mention complementaire " et éducation musicale en (spécialité) ", " et éducation en (spécialité) " ou " et éducation musicale ", délivré par un établissement supérieur de la musique. Le porteur du diplôme de lauréat en éducation musicale est considéré comme porteur d'un certificat de cours pédagogiques; ";
2° il est ajouté un 6° et 7°, rédigés comme suit :
" 6° le certificat d'aptitude à l'enseignement artistique à temps partiel, délivré par un Conservatoire royal de Musique flamand;
7° le certificat d'aptitudes pédagogiques pour l'enseignement, délivré par un jury, visé à l'article 110 du décret du 2 juin 1998 organisant l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française. "
Art. 20. § 1. Aan artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 2 december 1992 en 10 maart 1998, wordt een § 5 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 5. De diploma's, uitgereikt in het academiejaar 1994-1995 door instellingen voor hoger onderwijs in het studiegebied muziek en dramatische kunst, met toepassing van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, met een optiebenaming uit de linkerkolom, worden voor de toepassing van dit besluit beschouwd als diploma's met de overeenstemmende optiebenaming uit de rechterkolom.
" § 5. De diploma's, uitgereikt in het academiejaar 1994-1995 door instellingen voor hoger onderwijs in het studiegebied muziek en dramatische kunst, met toepassing van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, met een optiebenaming uit de linkerkolom, worden voor de toepassing van dit besluit beschouwd als diploma's met de overeenstemmende optiebenaming uit de rechterkolom.
Art. 20. § 1er. A l'article 8 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 2 décembre 1992 et 10 mars 1998, il est ajouté un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. Les diplômes délivrés dans l'année académique 1994-1995 par les établissements d'enseignement supérieur dans les disciplines de musique et d'art dramatique, en application du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande, avec mention d'une option de la colonne gauche, sont considérés, en application du présent arrêté, comme des diplômes avec mention de l'option correspondante de la colonne droite.
" § 5. Les diplômes délivrés dans l'année académique 1994-1995 par les établissements d'enseignement supérieur dans les disciplines de musique et d'art dramatique, en application du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande, avec mention d'une option de la colonne gauche, sont considérés, en application du présent arrêté, comme des diplômes avec mention de l'option correspondante de la colonne droite.
Instrument (+melding) Instrument-zang (+ melding instrument)
Jazz en lichte muziek Jazz en lichte muziek
Kamermuziek Instrument-zang (+ melding kamermuziek)
Muziekagogiek Muziektheorie en schriftuur, muziekpedagogie of
-therapie
Muziekschriftuur en Muziektheorie en schriftuur, directie
directie
Zang Instrument-zang (+ melding zang) "
§ 2. Aan artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 2 december 1992 en 10 maart 1998, wordt een § 6 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 6. Het diploma van het hoger kunstonderwijs van de eerste graad toneelspeelkunst, uitgereikt door het Hoger Instituut voor Dramatische Kunst, wordt voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld met het diploma van eerste prijs toneel. "
§ 3. Aan artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 2 december 1992 en 10 maart 1998, wordt een § 7 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 7. Voor de toepassing van dit besluit worden de volgende studiebewijzen gelijkgesteld met het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs, muzikale opvoeding :
1° het bekwaamheidsdiploma van leraar (lerares) muzikale opvoeding aan de onderwijsinrichtingen van lager secundair onderwijs en van de observatiecyclus en van de oriënteringscyclus (finaliteit), uitgereikt door de Centrale Examencommissie van de Staat;
2° het diploma van leraar (lerares) muzikale opvoeding van de eerste en de tweede graad, uitgereikt door de daartoe samengestelde centrale examencommissie;
3° het diploma van zangleraar (-lerares) van de eerste en de tweede graad, uitgereikt door de daartoe samengestelde centrale examencommissie. "
§ 4. Aan artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 2 december 1992 en 10 maart 1998, wordt een § 8 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 8. Voor de toepassing van dit besluit worden de volgende studiebewijzen gelijkgesteld met het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid dans :
1° het getuigschrift van pedagogische leergang afdeling klassieke dans en bewegingsleer of dans en bewegingsleer, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie;
2° het getuigschrift van bekwaamheid tot het geven van onderwijs in ballet of bewegingsleer, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie;
3° het getuigschrift van bekwaamheid tot het geven van dansonderwijs, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie;
4° het pedagogisch getuigschrift van hedendaagse dans of klassiek ballet, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie;
5° het specialisatiegetuigschrift klassieke dans, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie. "
Jazz en lichte muziek Jazz en lichte muziek
Kamermuziek Instrument-zang (+ melding kamermuziek)
Muziekagogiek Muziektheorie en schriftuur, muziekpedagogie of
-therapie
Muziekschriftuur en Muziektheorie en schriftuur, directie
directie
Zang Instrument-zang (+ melding zang) "
§ 2. Aan artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 2 december 1992 en 10 maart 1998, wordt een § 6 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 6. Het diploma van het hoger kunstonderwijs van de eerste graad toneelspeelkunst, uitgereikt door het Hoger Instituut voor Dramatische Kunst, wordt voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld met het diploma van eerste prijs toneel. "
§ 3. Aan artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 2 december 1992 en 10 maart 1998, wordt een § 7 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 7. Voor de toepassing van dit besluit worden de volgende studiebewijzen gelijkgesteld met het diploma van geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs, muzikale opvoeding :
1° het bekwaamheidsdiploma van leraar (lerares) muzikale opvoeding aan de onderwijsinrichtingen van lager secundair onderwijs en van de observatiecyclus en van de oriënteringscyclus (finaliteit), uitgereikt door de Centrale Examencommissie van de Staat;
2° het diploma van leraar (lerares) muzikale opvoeding van de eerste en de tweede graad, uitgereikt door de daartoe samengestelde centrale examencommissie;
3° het diploma van zangleraar (-lerares) van de eerste en de tweede graad, uitgereikt door de daartoe samengestelde centrale examencommissie. "
§ 4. Aan artikel 8 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 2 december 1992 en 10 maart 1998, wordt een § 8 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 8. Voor de toepassing van dit besluit worden de volgende studiebewijzen gelijkgesteld met het getuigschrift van pedagogische bekwaamheid dans :
1° het getuigschrift van pedagogische leergang afdeling klassieke dans en bewegingsleer of dans en bewegingsleer, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie;
2° het getuigschrift van bekwaamheid tot het geven van onderwijs in ballet of bewegingsleer, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie;
3° het getuigschrift van bekwaamheid tot het geven van dansonderwijs, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie;
4° het pedagogisch getuigschrift van hedendaagse dans of klassiek ballet, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie;
5° het specialisatiegetuigschrift klassieke dans, uitgereikt door de Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek of het Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie. "
Instrument (+mention) Instrument-chant (+mention de l'instrument)
Jazz et musique legere Jazz et musique legere
Musique de chambre Instrument-chant (+mention de musique de chambre)
Animation musicale Theorie musicale et ecritures musicales,
pedagogie ou therapie musicale
Ecritures musicales et Theorie musicale et ecritures musicales,
direction direction
Chant Instrument-chant (+mention chant) "
§ 2. A l'article 8 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 2 décembre 1992 et 10 mars 1998, il est ajouté un § 6, rédigé comme suit :
" § 6. Le diplôme de l'enseignement supérieur artistique du premier degré d'art théâtrale, délivré par le " Hoger Instituut voor Dramatische Kunst " est assimile, pour ce qui est de l'application du présent arrêté, au diplôme de premier prix d'art dramatique. "
§ 3. A l'article 8 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 2 décembre 1992 et 10 mars 1998, il est ajouté un § 7, rédigé comme suit :
" § 7. Pour l'application du présent arrêté, les titres suivants sont assimilés au diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur, éducation musicale :
1° le diplôme d'aptitude d'enseignant(e) d'éducation musicale aux établissements d'enseignement secondaire inférieur et du cycle d'observation et du cycle d'orientation (finalité), délivrés par le jury central de l'Etat;
2° le diplôme d'enseignant(e) d'éducation musicale des premier et deuxième degrés, délivré par le jury central composé à cet effet;
3° le diplôme d'enseignant(e) de chant des premier et deuxième degrés, délivré par le jury central composé à cet effet. "
§ 4. A l'article 8 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 2 décembre 1992 et 10 mars 1998, il est ajouté un § 8, rédigé comme suit :
" § 8. Pour l'application du présent arrêté, les titres suivants sont assimilés au certificat d'aptitudes pédagogiques " danse " :
1° le certificat de cours pédagogiques, division danse classique et étude du mouvement ou danse et étude du mouvement, délivré par les " Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek " ou le " Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie ";
2° le certificat d'aptitude à l'enseignement de ballet ou de l'étude du mouvement, délivré par les " Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek " ou le " Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie ";
3° le certificat d'aptitude à l'enseignement de la danse, délivré par les " Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek " ou le " Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie ";
4° le certificat pédagogique de la danse moderne ou du ballet classique, délivré par les " Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek " ou le " Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie ";
5° le certificat de spécialisation en danse classique, délivré par les " Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek " ou le " Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie ". "
Jazz et musique legere Jazz et musique legere
Musique de chambre Instrument-chant (+mention de musique de chambre)
Animation musicale Theorie musicale et ecritures musicales,
pedagogie ou therapie musicale
Ecritures musicales et Theorie musicale et ecritures musicales,
direction direction
Chant Instrument-chant (+mention chant) "
§ 2. A l'article 8 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 2 décembre 1992 et 10 mars 1998, il est ajouté un § 6, rédigé comme suit :
" § 6. Le diplôme de l'enseignement supérieur artistique du premier degré d'art théâtrale, délivré par le " Hoger Instituut voor Dramatische Kunst " est assimile, pour ce qui est de l'application du présent arrêté, au diplôme de premier prix d'art dramatique. "
§ 3. A l'article 8 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 2 décembre 1992 et 10 mars 1998, il est ajouté un § 7, rédigé comme suit :
" § 7. Pour l'application du présent arrêté, les titres suivants sont assimilés au diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur, éducation musicale :
1° le diplôme d'aptitude d'enseignant(e) d'éducation musicale aux établissements d'enseignement secondaire inférieur et du cycle d'observation et du cycle d'orientation (finalité), délivrés par le jury central de l'Etat;
2° le diplôme d'enseignant(e) d'éducation musicale des premier et deuxième degrés, délivré par le jury central composé à cet effet;
3° le diplôme d'enseignant(e) de chant des premier et deuxième degrés, délivré par le jury central composé à cet effet. "
§ 4. A l'article 8 du même arrêté, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 2 décembre 1992 et 10 mars 1998, il est ajouté un § 8, rédigé comme suit :
" § 8. Pour l'application du présent arrêté, les titres suivants sont assimilés au certificat d'aptitudes pédagogiques " danse " :
1° le certificat de cours pédagogiques, division danse classique et étude du mouvement ou danse et étude du mouvement, délivré par les " Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek " ou le " Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie ";
2° le certificat d'aptitude à l'enseignement de ballet ou de l'étude du mouvement, délivré par les " Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek " ou le " Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie ";
3° le certificat d'aptitude à l'enseignement de la danse, délivré par les " Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek " ou le " Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie ";
4° le certificat pédagogique de la danse moderne ou du ballet classique, délivré par les " Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek " ou le " Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie ";
5° le certificat de spécialisation en danse classique, délivré par les " Hogere Rijksleergangen voor Dans en Danspedagogiek " ou le " Hoger Instituut voor Dans en Danspedagogie ". "
Art. 21. In artikel 14, § 3, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 maart 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in 10° en 11° worden telkens in de rechterkolom de volgende woorden toegevoegd : " - repertoirestudie woordkunst-drama ";
2° in 12° worden in de rechterkolom de volgende woorden toegevoegd : " - repertoirestudie woordkunst ".
1° in 10° en 11° worden telkens in de rechterkolom de volgende woorden toegevoegd : " - repertoirestudie woordkunst-drama ";
2° in 12° worden in de rechterkolom de volgende woorden toegevoegd : " - repertoirestudie woordkunst ".
Art. 21. A l'article 14, § 3, du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 1998, sont apportées les modifications suivantes :
1° aux 10° et 11° les mots suivants sont chaque fois ajoutés dans la colonne droite : " - étude de répertoire arts de la parole'- drame ";
2° au 12° les mots suivants sont ajoutés dans la colonne droite : " - etude de répertoire arts de la parole' ".
1° aux 10° et 11° les mots suivants sont chaque fois ajoutés dans la colonne droite : " - étude de répertoire arts de la parole'- drame ";
2° au 12° les mots suivants sont ajoutés dans la colonne droite : " - etude de répertoire arts de la parole' ".
Art. 22. In artikel 14, § 4, van hetzelfde besluit worden de woorden " die een hoofdambt uitoefenen " geschrapt.
Art. 22. A l'article 14, § 4 du même arrêté, les mots " qui exercent une fonction principale " sont supprimés.
Art. 23. In hetzelfde besluit wordt een artikel 15bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 15bis. § 1. Deze overgangsregeling is van toepassing op :
1° het personeelslid dat in een instelling voor deeltijds kunstonderwijs uiterlijk op 1 januari 2002 vastbenoemd is en als zodanig erkend is door de Vlaamse Gemeenschap;
2° het tijdelijke personeelslid in een instelling voor deeltijds kunstonderwijs dat, behoudens de in artikel 14, § 1, vermelde verloven en afwezigheden, vanaf 1 september 2000 ononderbroken in dienst geweest is in het deeltijds kunstonderwijs in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en als dusdanig bezoldigd geweest is door de Vlaamse Gemeenschap.
Deze overgangsregeling geldt voor het ambt, het vak en de specialiteit waarmee het personeelslid belast was op 1 juni 2002 en eveneens voor het ambt, het vak en de specialiteit waarvan het op die datum titularis was. Onder titularis wordt het personeelslid verstaan dat in een vacante betrekking vastbenoemd, tijdelijk aangesteld of tot de proeftijd toegelaten is, met uitzondering van wie voor een tijd een tijdelijke titularis vervangt.
Het personeelslid dat op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2002, in het bezit was van een vereist bekwaamheidsbewijs en geen vereist bekwaamheidsbewijs meer bezit bij de toepassing van dit besluit, wordt voor de rechtspositie en de bezoldiging bij overgangsmaatregel beschouwd een vereist bekwaamheidsbewijs te hebben.
Het personeelslid dat op basis van de reglementering die van kracht voor 1 september 2002, in het bezit was van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs en geen vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs meer bezit bij de toepassing van dit besluit, wordt voor de rechtspositie en de bezoldiging bij overgangsmaatregel beschouwd een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs te hebben.
§ 2. Het personeelslid dat in een instelling voor deeltijds kunstonderwijs die met de instemming van het departement Onderwijs de optie samenspel met stijlrichting jazz en lichte muziek organiseerde, uiterlijk op 31 augustus 2001 vastbenoemd titularis was van een lesopdracht in deze optie, en in de schooljaren 2001-2002 of 2002-2003 bij dezelfde inrichtende macht een lesopdracht uitoefent in de optie jazz en lichte muziek waarvoor het een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs heeft, wordt voor de rechtspositie bij overgangsmaatregel beschouwd voor deze opdracht een vereist bekwaamheidsbewijs te hebben. Het personeelslid behoudt de weddeschaal waar het volgens de regelgeving die van kracht was voor 1 september 2002 recht op had, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het beschikt recht geeft op een hogere weddeschaal.
§ 3. Het personeelslid dat in een instelling voor deeltijds kunstonderwijs uiterlijk in het schooljaar 2000-2001 een lesopdracht uitoefende in een erkend experiment literaire creatie en dat op basis van de voor het experiment geldende voorwaarden een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs had, wordt vanaf het schooljaar 2001-2002 voor een lesopdracht in de vakken van de optie literaire creatie voor de rechtspositie en voor de bezoldiging beschouwd bij overgangsmaatregel een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs te hebben, als de studiebewijzen waarover het beschikt volgens dit besluit niet langer opgenomen zijn als voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor deze vakken.
§ 4. Voor de personeelsleden bedoeld in § 1 tot § 3, zijn de bepalingen van artikel 9 van het koninklijk besluit van 10 maart 1965 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der leergangen met beperkt leerplan afhangend van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur, niet van toepassing op de bekwaamheidsbewijzen en weddeschalen. "
" Art. 15bis. § 1. Deze overgangsregeling is van toepassing op :
1° het personeelslid dat in een instelling voor deeltijds kunstonderwijs uiterlijk op 1 januari 2002 vastbenoemd is en als zodanig erkend is door de Vlaamse Gemeenschap;
2° het tijdelijke personeelslid in een instelling voor deeltijds kunstonderwijs dat, behoudens de in artikel 14, § 1, vermelde verloven en afwezigheden, vanaf 1 september 2000 ononderbroken in dienst geweest is in het deeltijds kunstonderwijs in een ambt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en als dusdanig bezoldigd geweest is door de Vlaamse Gemeenschap.
Deze overgangsregeling geldt voor het ambt, het vak en de specialiteit waarmee het personeelslid belast was op 1 juni 2002 en eveneens voor het ambt, het vak en de specialiteit waarvan het op die datum titularis was. Onder titularis wordt het personeelslid verstaan dat in een vacante betrekking vastbenoemd, tijdelijk aangesteld of tot de proeftijd toegelaten is, met uitzondering van wie voor een tijd een tijdelijke titularis vervangt.
Het personeelslid dat op basis van de reglementering die van kracht was voor 1 september 2002, in het bezit was van een vereist bekwaamheidsbewijs en geen vereist bekwaamheidsbewijs meer bezit bij de toepassing van dit besluit, wordt voor de rechtspositie en de bezoldiging bij overgangsmaatregel beschouwd een vereist bekwaamheidsbewijs te hebben.
Het personeelslid dat op basis van de reglementering die van kracht voor 1 september 2002, in het bezit was van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs en geen vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs meer bezit bij de toepassing van dit besluit, wordt voor de rechtspositie en de bezoldiging bij overgangsmaatregel beschouwd een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs te hebben.
§ 2. Het personeelslid dat in een instelling voor deeltijds kunstonderwijs die met de instemming van het departement Onderwijs de optie samenspel met stijlrichting jazz en lichte muziek organiseerde, uiterlijk op 31 augustus 2001 vastbenoemd titularis was van een lesopdracht in deze optie, en in de schooljaren 2001-2002 of 2002-2003 bij dezelfde inrichtende macht een lesopdracht uitoefent in de optie jazz en lichte muziek waarvoor het een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs heeft, wordt voor de rechtspositie bij overgangsmaatregel beschouwd voor deze opdracht een vereist bekwaamheidsbewijs te hebben. Het personeelslid behoudt de weddeschaal waar het volgens de regelgeving die van kracht was voor 1 september 2002 recht op had, tenzij het bekwaamheidsbewijs waarover het beschikt recht geeft op een hogere weddeschaal.
§ 3. Het personeelslid dat in een instelling voor deeltijds kunstonderwijs uiterlijk in het schooljaar 2000-2001 een lesopdracht uitoefende in een erkend experiment literaire creatie en dat op basis van de voor het experiment geldende voorwaarden een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs had, wordt vanaf het schooljaar 2001-2002 voor een lesopdracht in de vakken van de optie literaire creatie voor de rechtspositie en voor de bezoldiging beschouwd bij overgangsmaatregel een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs te hebben, als de studiebewijzen waarover het beschikt volgens dit besluit niet langer opgenomen zijn als voldoend geacht bekwaamheidsbewijs voor deze vakken.
§ 4. Voor de personeelsleden bedoeld in § 1 tot § 3, zijn de bepalingen van artikel 9 van het koninklijk besluit van 10 maart 1965 houdende bezoldigingsregeling van het personeel der leergangen met beperkt leerplan afhangend van het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur, niet van toepassing op de bekwaamheidsbewijzen en weddeschalen. "
Art. 23. Dans le même arrêté, il est inséré un article 15bis, rédigé comme suit :
" Art. 15bis. § 1er. Le régime transitoire est applicable :
1° au membre du personnel nommé à titre définitif dans un établissement d'enseignement artistique à temps partiel au plus tard le 1er janvier 2002 et reconnu comme tel par la Communauté flamande;
2° au membre du personnel temporaire dans un établissement d'enseignement artistique à temps partiel, qui, sauf les congés et les absences visés à l'article 14, § 1er, est resté, dès le 1er septembre 2000 et sans interruption, en service dans l'enseignement artistique à temps partiel dans une fonction du personnel directeur et enseignant, et qui a été rémunéré comme tel par la Communauté flamande.
Ce régime transitoire s'applique à la fonction, au cours et à la spécialité dont le membre du personnel était chargé le 1er juin 2002, ainsi qu'à la fonction, au cours et à la spécialité dont il était titulaire à cette date. Il faut entendre par titulaire, le membre du personnel nomme à titre définitif dans un emploi vacant, désigné à titre temporaire ou admis au stage, à l'exception de ceux qui remplacent un titulaire temporaire pour un certain temps.
Le membre du personnel qui était titulaire d'un titre requis sur la base de la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2002 et qui n'en est plus titulaire en application du présent arrêté, est considéré, à titre transitoire, comme porteur d'un titre requis quant au statut et à la rémunération.
Le membre du personnel qui était titulaire d'un titre jugé suffisant sur la base de la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2002 et qui n'est plus titulaire d'un titre requis ou jugé suffisant en application du présent arrêté, est considéré, à titre transitoire, comme porteur d'un titre jugé suffisant quant au statut et à la rémuneration.
§ 2. Le membre du personnel qui était, au plus tard le 31 août 2001, titulaire nommé à titre définitif d'une charge d'enseignement pour l'option jeu d'ensemble', genre jazz et musique légère' dans un établissement d'enseignement artistique a temps partiel organisant cette option avec l'accord du Département de l'Enseignement, et qui exerce durant les années scolaires 2001-2002 ou 2002-2003 une charge d'enseignement auprès du même pouvoir organisateur dans l'option jazz et musique légère pour laquelle il est porteur d'un titre jugé suffisant, est considéré, quant au statut et à titre transitoire, comme porteur d'un titre requis pour cette charge. Le membre du personnel garde l'échelle de traitement à laquelle il avait droit selon la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2002, sauf si le titre dont il est porteur donne droit à une échelle de traitement supérieure.
§ 3. Le membre du personnel qui exerçait une charge d'enseignement dans un établissement d'enseignement artistique a temps partiel au plus tard dans l'année scolaire 2000-2001 pour une expérience agréée création littéraire et qui était titulaire d'un titre jugé suffisant sur la base des conditions de l'expérience, est considéré, à titre transitoire, comme porteur d'un titre jugé suffisant dès l'année scolaire 2001-2002 pour une charge d'enseignement pour les cours de l'option création littéraire quant au statut et à la rémunération, si les titres dont il est titulaire ne sont plus considérés, conformément au présent arrêté, comme titre jugé suffisant pour ces cours.
§ 4. Pour les membres du personnel visés aux §§ 1er à 3, les dispositions de l'article 9 de l'arrêté royal du 10 mars 1965 portant statut pécuniaire du personnel des cours à horaire réduit relevant du Ministère de l'Education nationale et de la Culture, ne sont pas applicables aux titres et aux échelles de traitement. "
" Art. 15bis. § 1er. Le régime transitoire est applicable :
1° au membre du personnel nommé à titre définitif dans un établissement d'enseignement artistique à temps partiel au plus tard le 1er janvier 2002 et reconnu comme tel par la Communauté flamande;
2° au membre du personnel temporaire dans un établissement d'enseignement artistique à temps partiel, qui, sauf les congés et les absences visés à l'article 14, § 1er, est resté, dès le 1er septembre 2000 et sans interruption, en service dans l'enseignement artistique à temps partiel dans une fonction du personnel directeur et enseignant, et qui a été rémunéré comme tel par la Communauté flamande.
Ce régime transitoire s'applique à la fonction, au cours et à la spécialité dont le membre du personnel était chargé le 1er juin 2002, ainsi qu'à la fonction, au cours et à la spécialité dont il était titulaire à cette date. Il faut entendre par titulaire, le membre du personnel nomme à titre définitif dans un emploi vacant, désigné à titre temporaire ou admis au stage, à l'exception de ceux qui remplacent un titulaire temporaire pour un certain temps.
Le membre du personnel qui était titulaire d'un titre requis sur la base de la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2002 et qui n'en est plus titulaire en application du présent arrêté, est considéré, à titre transitoire, comme porteur d'un titre requis quant au statut et à la rémunération.
Le membre du personnel qui était titulaire d'un titre jugé suffisant sur la base de la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2002 et qui n'est plus titulaire d'un titre requis ou jugé suffisant en application du présent arrêté, est considéré, à titre transitoire, comme porteur d'un titre jugé suffisant quant au statut et à la rémuneration.
§ 2. Le membre du personnel qui était, au plus tard le 31 août 2001, titulaire nommé à titre définitif d'une charge d'enseignement pour l'option jeu d'ensemble', genre jazz et musique légère' dans un établissement d'enseignement artistique a temps partiel organisant cette option avec l'accord du Département de l'Enseignement, et qui exerce durant les années scolaires 2001-2002 ou 2002-2003 une charge d'enseignement auprès du même pouvoir organisateur dans l'option jazz et musique légère pour laquelle il est porteur d'un titre jugé suffisant, est considéré, quant au statut et à titre transitoire, comme porteur d'un titre requis pour cette charge. Le membre du personnel garde l'échelle de traitement à laquelle il avait droit selon la réglementation en vigueur avant le 1er septembre 2002, sauf si le titre dont il est porteur donne droit à une échelle de traitement supérieure.
§ 3. Le membre du personnel qui exerçait une charge d'enseignement dans un établissement d'enseignement artistique a temps partiel au plus tard dans l'année scolaire 2000-2001 pour une expérience agréée création littéraire et qui était titulaire d'un titre jugé suffisant sur la base des conditions de l'expérience, est considéré, à titre transitoire, comme porteur d'un titre jugé suffisant dès l'année scolaire 2001-2002 pour une charge d'enseignement pour les cours de l'option création littéraire quant au statut et à la rémunération, si les titres dont il est titulaire ne sont plus considérés, conformément au présent arrêté, comme titre jugé suffisant pour ces cours.
§ 4. Pour les membres du personnel visés aux §§ 1er à 3, les dispositions de l'article 9 de l'arrêté royal du 10 mars 1965 portant statut pécuniaire du personnel des cours à horaire réduit relevant du Ministère de l'Education nationale et de la Culture, ne sont pas applicables aux titres et aux échelles de traitement. "
Art. 24. In hetzelfde besluit wordt een artikel 15ter ingevoegd dat luidt als volgt :
" Art. 15ter. Voor de toepassing van de overgangsbepalingen van artikel 14, 15 en 15bis worden de ambten en opdrachten, in dezelfde specialiteit uitgeoefend op het lager secundair en hoger secundair niveau door leraars, belast met individuele vakken in de studierichtingen muziek, woordkunst en dans van het deeltijds kunstonderwijs, beschouwd als één ambt en opdracht. Een leraar die het recht op overgangsbepalingen van artikel 14 en 15 verkrijgt op grond van een opdracht in een individueel vak in één graad, heeft het recht voor dezelfde specialiteit ook voor de andere graden.
Onder individueel vak wordt verstaan : een kunstvak waarbij met toepassing van artikel 11 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen muziek, woordkunst en dans, de leerlingen maximaal per 4 kunnen worden gegroepeerd. "
" Art. 15ter. Voor de toepassing van de overgangsbepalingen van artikel 14, 15 en 15bis worden de ambten en opdrachten, in dezelfde specialiteit uitgeoefend op het lager secundair en hoger secundair niveau door leraars, belast met individuele vakken in de studierichtingen muziek, woordkunst en dans van het deeltijds kunstonderwijs, beschouwd als één ambt en opdracht. Een leraar die het recht op overgangsbepalingen van artikel 14 en 15 verkrijgt op grond van een opdracht in een individueel vak in één graad, heeft het recht voor dezelfde specialiteit ook voor de andere graden.
Onder individueel vak wordt verstaan : een kunstvak waarbij met toepassing van artikel 11 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen muziek, woordkunst en dans, de leerlingen maximaal per 4 kunnen worden gegroepeerd. "
Art. 24. Dans le même arrêté, il est inséré un article 15ter, rédigé comme suit :
" Art. 15ter. Pour l'application des dispositions transitoires des articles 14, 15 et 15bis, les fonctions et les charges, exercées pour la même spécialité sur les niveaux secondaires inférieur et supérieur par des enseignants chargés de cours individuels dans les orientations d'études musique, arts de la parole et danse de l'enseignement artistique à temps partiel, sont considérées comme une seule fonction et charge. Un enseignant qui obtient le droit aux dispositions transitoires des articles 14 et 15 sur la base d'une charge pour un cours individuel dans un seul degré, a également ce droit pour la même spécialité dans les autres degrés.
Il faut entendre par cours individuel : un cours artistique qui permet, en application de l'article 11 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientations " Musique ", " Arts de la parole " et " Danse ", de mettre les élèves en groupes de 4 au maximum. "
" Art. 15ter. Pour l'application des dispositions transitoires des articles 14, 15 et 15bis, les fonctions et les charges, exercées pour la même spécialité sur les niveaux secondaires inférieur et supérieur par des enseignants chargés de cours individuels dans les orientations d'études musique, arts de la parole et danse de l'enseignement artistique à temps partiel, sont considérées comme une seule fonction et charge. Un enseignant qui obtient le droit aux dispositions transitoires des articles 14 et 15 sur la base d'une charge pour un cours individuel dans un seul degré, a également ce droit pour la même spécialité dans les autres degrés.
Il faut entendre par cours individuel : un cours artistique qui permet, en application de l'article 11 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientations " Musique ", " Arts de la parole " et " Danse ", de mettre les élèves en groupes de 4 au maximum. "
Art. 25. De bijlagen I tot IV van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 maart 1998, worden vervangen door de bijlagen I tot IV, gevoegd als bijlage 2 bij dit besluit.
Art. 25. Les annexes I à IV du même arrêté, remplacées par l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 mars 1998, sont remplacées par les annexes I à IV, jointes en annexe 2 au présent arrêté.
Art. 26. De bepalingen van dit hoofdstuk hebben uitwerking met ingang van 1 september 2002, met uitzondering van :
1° artikel 19, artikel 20, § 2, en artikel 22 en 24 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 1990;
2° artikel 14 en artikel 20, § 1, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 1995;
3° artikel 13 en artikel 20, § 3 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2000;
4° artikel 21 dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2001.
1° artikel 19, artikel 20, § 2, en artikel 22 en 24 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 1990;
2° artikel 14 en artikel 20, § 1, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 1995;
3° artikel 13 en artikel 20, § 3 die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2000;
4° artikel 21 dat uitwerking heeft met ingang van 1 september 2001.
Art. 26. Les dispositions du présent chapitre produisent leurs effets le 1er septembre 2002, à l'exception :
1° de l'article 19, de l'article 20, § 2, et des articles 22 et 24, qui produisent leurs effets le 1er septembre 1990;
2° des articles 14 et 20, § 1er, qui produisent leurs effets le 1er septembre 1995;
3° des articles 13 et 20, § 3, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2000;
4° de l'article 21, qui produit ses effets le 1er septembre 2001.
1° de l'article 19, de l'article 20, § 2, et des articles 22 et 24, qui produisent leurs effets le 1er septembre 1990;
2° des articles 14 et 20, § 1er, qui produisent leurs effets le 1er septembre 1995;
3° des articles 13 et 20, § 3, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2000;
4° de l'article 21, qui produit ses effets le 1er septembre 2001.
HOOFDSTUK III. - Slotbepalingen.
CHAPITRE III. - Dispositions finales.
Art. 27. Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming, worden de beslissingen inzake bekwaamheidsbewijzen die voor schooljaar 1999-2000 genomen werden met toepassing van de omzendbrief 13EA/MQ/GDS van 12 juli 2000, en voor schooljaar 2000-2001 met toepassing van de omzendbrief 13EA/gds/bekw2001 van 25 juli 2001, beschouwd in overeenstemming te zijn met het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichting 'Beeldende kunst', en met het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen 'Muziek', 'Woordkunst' en 'Dans'.
Art. 27. Sans préjudice de la protection juridique organisée par la loi en vertu de l'article 146 de la Constitution, les décisions concernant les titres prises pour l'année scolaire 1999-2000 en application de la circulaire 13EA/MQ/GDS du 12 juillet 2000, et pour l'année scolaire 2000-2001 en application de la circulaire 13EA/gds/bekw2001 du 25 juillet 2001, sont considérées être conformes à l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 relatif aux titres, aux traitements, au régime de prestations et au statut pécuniaire des membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation des établissements d'enseignement artistique à temps partiel, orientation " Arts plastiques " et à l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 relatif aux titres, aux traitements, au régime de prestations et au statut pécuniaire des membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation des établissements d'enseignement artistique à temps partiel, orientations " Musique ", " Arts de la parole " et " Danse ".
Art. 28. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 14 februari 2003.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
M. VANDERPOORTEN
Brussel, 14 februari 2003.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
M. VANDERPOORTEN
Art. 28. La Ministre flamande qui a l'enseignement dans ses attributions est chargée de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 14 février 2003.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
P. DEWAEL
La Ministre flamande de l'Enseignement et de la Formation,
M. VANDERPOORTEN
Bruxelles, le 14 février 2003.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
P. DEWAEL
La Ministre flamande de l'Enseignement et de la Formation,
M. VANDERPOORTEN
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. Beeldende kunst.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-2003, p. 23434-23501).
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 14 februari 2003 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichting 'Beeldende kunst', en van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen 'Muziek', 'Woordkunst' en 'Dans'.
Brussel, 14 februari 2003.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
M. VANDERPOORTEN
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-2003, p. 23434-23501).
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 14 februari 2003 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichting 'Beeldende kunst', en van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen 'Muziek', 'Woordkunst' en 'Dans'.
Brussel, 14 februari 2003.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
M. VANDERPOORTEN
Art. N. (Annexes non traduites. Voir original néerlandais).
Art. N2. Bijlage 2. Muziek, Woordkunst en Dans.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-2003, p. 23502-23553).
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 14 februari 2003 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichting 'Beeldende kunst', en van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen 'Muziek', 'Woordkunst' en 'Dans'.
Brussel, 14 februari 2003.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
M. VANDERPOORTEN.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 30-04-2003, p. 23502-23553).
Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 14 februari 2003 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichting 'Beeldende kunst', en van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen, het prestatiestelsel en de bezoldigingsregeling van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de onderwijsinstellingen voor deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen 'Muziek', 'Woordkunst' en 'Dans'.
Brussel, 14 februari 2003.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
M. VANDERPOORTEN.
-