Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
18 DECEMBER 2002. - Decreet tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 13-02-2003 en tekstbijwerking tot 13-05-2005).
Titre
18 DECEMBRE 2002. - Décret complétant le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement par un titre relatif à l'évaluation des incidences sur l'environnement et la sécurité (TRADUCTION). (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 13-02-2003 et mise à jour au 13-05-2005).
Documentinformatie
Numac: 2003035183
Datum: 2002-12-18
Info du document
Numac: 2003035183
Date: 2002-12-18
Tekst (17)
Texte (17)
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Article 1. Le présent décret règle une matière régionale.
Art.2. Aan artikel 1.1.2, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid wordt een 8° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 8° milieutechnische eenheid : verschillende inrichtingen en/of activiteiten, met inbegrip van hun exploitatieterrein en de overige onroerende goederen waarmee ze verbonden zijn, die als één geheel moeten worden beschouwd met het oog op het beoordelen van het nadeel dat ze kunnen berokkenen aan mens of milieu. Een gegeven dat kan wijzen op de aanwezigheid van een milieutechnische eenheid is de onderlinge geografische, materiële of operationele samenhang van inrichtingen en activiteiten, die gepaard gaat met een relatieve afscheiding van het geheel van deze inrichtingen en activiteiten ten opzichte van andere inrichtingen en activiteiten.
Het feit dat verschillende inrichtingen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat zij een milieutechnische eenheid kunnen vormen. ".
" 8° milieutechnische eenheid : verschillende inrichtingen en/of activiteiten, met inbegrip van hun exploitatieterrein en de overige onroerende goederen waarmee ze verbonden zijn, die als één geheel moeten worden beschouwd met het oog op het beoordelen van het nadeel dat ze kunnen berokkenen aan mens of milieu. Een gegeven dat kan wijzen op de aanwezigheid van een milieutechnische eenheid is de onderlinge geografische, materiële of operationele samenhang van inrichtingen en activiteiten, die gepaard gaat met een relatieve afscheiding van het geheel van deze inrichtingen en activiteiten ten opzichte van andere inrichtingen en activiteiten.
Het feit dat verschillende inrichtingen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat zij een milieutechnische eenheid kunnen vormen. ".
Art.2. Dans l'article 1.1.2, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, il est inséré un 8°, rédigé comme suit :
" 8° unité environnementale : différents établissements et/ou activités, en ce compris leur terrain d'exploitation et les autres biens immeubles auxquels ils sont liés, qu'il convient de considérer comme un ensemble en vue de l'évaluation du préjudice qu'ils sont susceptibles de causer à l'homme ou à l'environnement. Un élément susceptible de démontrer la présence d'une unité environnementale est la cohésion interne en termes géographiques, matériels ou opérationnels des établissements ou activités, allant de pair avec une séparation relative entre l'ensemble de ces établissements et activités et d'autres établissements et activités.
Le fait que plusieurs établissements ont un statut différent en matière de propriété n'empêche pas qu'ils puissent constituer une seule unité environnementale. "
" 8° unité environnementale : différents établissements et/ou activités, en ce compris leur terrain d'exploitation et les autres biens immeubles auxquels ils sont liés, qu'il convient de considérer comme un ensemble en vue de l'évaluation du préjudice qu'ils sont susceptibles de causer à l'homme ou à l'environnement. Un élément susceptible de démontrer la présence d'une unité environnementale est la cohésion interne en termes géographiques, matériels ou opérationnels des établissements ou activités, allant de pair avec une séparation relative entre l'ensemble de ces établissements et activités et d'autres établissements et activités.
Le fait que plusieurs établissements ont un statut différent en matière de propriété n'empêche pas qu'ils puissent constituer une seule unité environnementale. "
Art.3. Artikel 3.1.2, 4°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995, wordt opgeheven.
Art.3. L'article 3.1.2, 4°, du même décret, inséré par le décret du 19 avril 1995, est abrogé.
Art.4. Aan hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 april 1995, 8 juli 1996 en 17 juli 2000, wordt een Titel IV toegevoegd, die luidt als volgt :
"TITEL IV. - Milieueffect- en veiligheidsrapportage
HOOFDSTUK I. - Definities, procedurele bepalingen, doelstellingen en kenmerken van de milieueffect- en veiligheidsrapportage.
Afdeling I. - Definities.
Art. 4.1.1. § 1. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, wordt verstaan onder :
1° milieueffectrapportage : de procedure die al dan niet leidt tot het opstellen en goedkeuren van een milieueffectrapport over een voorgenomen actie en in voorkomend geval tot het gebruik ervan als hulpmiddel bij de besluitvorming omtrent deze actie, hierna m.e.r. te noemen;
2° veiligheidsrapportage : de procedure die al dan niet leidt tot het opstellen en goedkeuren van een ruimtelijk veiligheidsrapport of een omgevingsveiligheidsrapport over een voorgenomen actie en in voorkomend geval tot het gebruik ervan als hulpmiddel bij de besluitvorming omtrent deze actie, hierna v.r. te noemen;
3° actie : een plan, programma en/of project;
4° plan of programma : een document waarin beleidsvoornemens, beleidsontwikkelingen of grootschalige overheids-, particuliere of gemengde activiteiten worden aangekondigd en dat wordt opgemaakt en vastgesteld, gewijzigd of herzien op initiatief of onder toezicht van het Vlaamse Gewest, de provincies, de intercommunales en/of de gemeenten, en/of van de federale overheid of waarvoor medefinanciering voorzien is door de Europese Gemeenschap of door het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap in het kader van de internationale samenwerking, voorzover het voorgenomen plan of programma aanzienlijke milieu- of veiligheidseffecten kan hebben op het grondgebied van het Vlaamse Gewest;
5° project :
a) een voorgenomen vergunningsplichtige activiteit of een vergunningsplichtige activiteit die moet worden hervergund bij het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende vergunning en die bestaat uit :
- de uitvoering van bouwwerken, de totstandbrenging en in voorkomend geval de exploitatie van andere installaties, werkzaamheden of andere ingrepen in het milieu, inclusief de grondwaterwinningen en de ingrepen voor de ontginning van natuurlijke rijkdommen; of
- de exploitatie van een inrichting; dit is het hele door een exploitant beheerde gebied waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in een of meer installaties, met inbegrip van gemeenschappelijke of bijbehorende infrastructuur of activiteiten; of
b) een voorgenomen activiteit met negatieve gevolgen voor het milieu die wordt meegefinancierd door het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap in het kader van de internationale samenwerking;
6° rapport : een milieueffectrapport over een plan of programma, een milieueffectrapport over een project, een ruimtelijk veiligheidsrapport of een omgevingsveiligheidsrapport;
7° milieueffectrapport over een plan of programma : een openbaar document waarin, van een voorgenomen plan of programma en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven, de te verwachten gevolgen voor mens en milieu in hun onderlinge samenhang op een systematische en wetenschappelijk verantwoorde wijze worden geanalyseerd en geëvalueerd, en aangegeven wordt op welke wijze de aanzienlijke milieueffecten vermeden, beperkt, verholpen of gecompenseerd kunnen worden, hierna plan-MER te noemen;
8° milieueffectrapport over een project : een openbaar document waarin, van een voorgenomen project en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven, de te verwachten gevolgen voor mens en milieu in hun onderlinge samenhang op een systematische en wetenschappelijk verantwoorde wijze worden geanalyseerd en geëvalueerd, en aangegeven wordt op welke wijze de aanzienlijke milieueffecten vermeden, beperkt, verholpen of gecompenseerd kunnen worden, hierna project-MER te noemen;
9° ruimtelijk veiligheidsrapport : een openbaar document waarin, van een voorontwerp van ruimtelijke uitvoeringsplan en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven, een wetenschappelijke beoordeling wordt gegeven van de geplande ontwikkelingen met betrekking tot nieuwe of bestaande inrichtingen en hun omgeving, wanneer de plaats van vestiging ervan of de ontwikkelingen zelf het risico op een zwaar ongeval kunnen vergroten of de gevolgen ervan ernstiger kunnen maken, hierna RVR te noemen;
10° omgevingsveiligheidsrapport : een openbaar document waarin - naast een beschrijving van het veiligheidsbeheersysteem van een inrichting - van een project en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven, de scenario's voor zware ongevallen in hun onderlinge samenhang op een systematische en wetenschappelijk verantwoorde wijze worden geïdentificeerd, geanalyseerd en geëvalueerd, en wordt aangetoond welke maatregelen kunnen en zullen worden getroffen om die zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen ervan voor mens en milieu te beperken, hierna OVR te noemen;
11° niet-technische samenvatting : een samenvatting van een rapport die begrijpelijk is voor het publiek en toelaat om een voldoende zicht te krijgen op de milieueffecten of de mogelijke zware ongevallen en de mogelijke of te nemen maatregelen;
12° administratie : de door de Vlaamse regering aangewezen diensten die bevoegd zijn voor het leefmilieu;
13° initiatiefnemer :
a) voor wat de verplichtingen inzake de ruimtelijke uitvoeringsplannen betreft : de overheid die het initiatief neemt tot opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan overeenkomstig artikelen 41, 44 en 48 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening;
b) voor wat de verplichtingen inzake de overige plannen en programma's betreft, in dalende volgorde van voorkeur : de publiek- of privaatrechtelijke organisatie die verantwoordelijk is voor de opmaak van een plan of programma; of de overheid die verantwoordelijk is voor de vaststelling van een plan of programma of voor het toezicht daarop;
c) voor wat de verplichtingen inzake projecten betreft : de aanvrager of houder van een vergunning voor een project;
14° het samenwerkingsakkoord : het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, goedgekeurd bij het decreet van 17 juli 2000;
15° betekening : het verzenden bij ter post aangetekende brief, met bericht van ontvangst;
16° ontvangstbewijs : de schriftelijke bevestiging van ontvangst van een zending, getekend door de geadresseerde of zijn gemachtigde;
17° dag : kalenderdag;
18° publiek : een of meer natuurlijke of rechtspersonen en hun verenigingen, organisaties of groepen.
§ 2. De definities in het samenwerkingsakkoord gelden voor alle bepalingen van deze titel die betrekking hebben op de veiligheidsrapportage.
Afdeling II. - Algemene bepalingen met betrekking tot de procedures.
Art. 4.1.2. § 1. De termijnen gaan in :
1° in geval van betekening, op de dag na de datum van de poststempel;
2° in geval van afgifte tegen ontvangstbewijs, op de dag na de datum van het ontvangstbewijs.
Betekeningen en mededelingen van eenzelfde beslissing of document aan meer dan één persoon, gebeuren op dezelfde dag.
§ 2. De termijnen verstrijken om middernacht van de laatste dag.
Art. 4.1.3. De initiatiefnemer doet bij de kennisgeving of de aanmelding of het verzoek tot vrijstelling of ontheffing keuze van woonst in België. Alle betekeningen en mededelingen geschieden aan de gekozen woonplaats.
Wijziging van keuze van woonplaats wordt betekend aan de administratie.
Afdeling III. - Doelstelling en kenmerken.
Art. 4.1.4. § 1. De milieueffect- en veiligheidsrapportage beoogt, in de besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken en/of die een zwaar ongeval teweeg kunnen brengen, aan het milieubelang en de veiligheid en de gezondheid van de mens een plaats toe te kennen die evenwaardig is aan de sociale, economische en andere maatschappelijke belangen.
§ 2. Ter realisatie van de doelstelling, bedoeld in § 1, heeft de milieueffect- en veiligheidsrapportage als essentiële kenmerken :
1° de systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie van de te verwachten, of in het geval van zware ongevallen mogelijke, gevolgen voor mens en milieu, van een voorgenomen actie en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven voor de actie of onderdelen ervan, en de beschrijving en evaluatie van de mogelijke maatregelen om de gevolgen van de voorgenomen actie op een samenhangende wijze te vermijden, te beperken, te verhelpen of te compenseren;
2° de kwaliteitsbeoordeling van de verzamelde informatie;
3° de actieve openbaarheid van de rapportage en de besluitvorming over de voorgenomen actie.
Afdeling IV. - Relaties tussen rapportages.
Art. 4.1.5. In voorkomend geval wordt in latere rapportages, die worden opgesteld krachtens deze titel, rekening gehouden met de rapportages die krachtens deze titel werden uitgevoerd in eerdere stadia van de besluitvorming en met de goedgekeurde rapporten die daarvan het resultaat waren.
Art. 4.1.6. § 1. Als meerdere rapportages moeten worden uitgevoerd, hetzij krachtens deze titel, hetzij krachtens deze titel en andere gewestelijke en/of federale regelgeving, neemt de administratie op eigen initiatief of op verzoek van de initiatiefnemer(s) een beslissing over de mogelijkheid tot afstemming of integratie van de verschillende rapporten en voorzover mogelijk van de verschillende rapportages. Er wordt in ieder geval naar gestreefd dat de verschillende rapportages zoveel mogelijk gelijktijdig worden uitgevoerd.
De administratie neemt een beslissing over de wenselijkheid van de afstemming of integratie uiterlijk bij haar beslissing over de inhoud van het rapport, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1, 4.3.5, § 1, en 4.5.3, § 1.
De administratie en de initiatiefnemer(s) plegen hierover vooraf overleg.
§ 2. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de modaliteiten van de afstemming en integratie van de rapportages en rapporten in de gevallen bedoeld in dit artikel.
Deze afstemming of integratie kan betrekking hebben op rapportages in verschillende beleidsdomeinen.
Afdeling V. - Doorwerking in de besluitvorming.
Art. 4.1.7. De overheid houdt bij haar beslissing over de voorgenomen actie, en in voorkomend geval ook bij de uitwerking ervan, rekening met het goedgekeurde rapport of de goedgekeurde rapporten en met de opmerkingen en commentaren die daarover werden uitgebracht.
Zij motiveert elke beslissing over de voorgenomen actie in het bijzonder op volgende punten :
1° de keuze voor de voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde deelalternatieven, behalve dan voor wat het omgevingsveiligheidsrapport betreft;
2° de aanvaardbaarheid van te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens of milieu van het gekozen alternatief;
3° de in het rapport of de rapporten voorgestelde maatregelen.
HOOFDSTUK II. - Milieueffectrapportage over plannen en programma's.
Afdeling I. - Toepassingsgebied.
Art. 4.2.1. Voorgenomen plannen en programma's worden, alvorens ze kunnen worden goedgekeurd, aan een milieueffectrapportage onderworpen in de gevallen bepaald in dit hoofdstuk.
Art. 4.2.2. § 1. De Vlaamse regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage I, de plannen en programma's aan die worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffectrapportage.
§ 2. De Vlaamse regering beslist geval per geval en aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage I, of andere plannen en programma's dan die vermeld in §§ 1 en 3 al dan niet worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffect-rapportage omdat zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.
§ 3. De Vlaamse regering wijst de plannen en programma's aan die niet worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffectrapportage omdat de desbetreffende besluitvormingsprocedure de in artikel 4.1.4, § 2, opgesomde essentiële kenmerken van de milieueffectrapportage heeft.
§ 4. Vooraleer zij een beslissing neemt overeenkomstig §§ 1, 2 of 3, raadpleegt de Vlaamse regering de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen.
Bij een beslissing overeenkomstig §§ 1 of 2 duidt de Vlaamse regering eveneens de administraties, overheidsinstellingen en organisaties die een vertegenwoordiger hebben in SERV of MINA-Raad aan, die overeenkomstig artikel 4.2.4, § 4, eerste lid, een afschrift van de kennisgeving moeten ontvangen.
De beslissingen van de Vlaamse regering, alsmede de motivatie ervoor, worden bekendgemaakt.
§ 5. Wanneer een plan of programma dat overeenkomstig dit artikel al dan niet aan milieueffectrapportage moet worden onderworpen en dat is opgesteld met het doel om te worden omgezet in een thematisch gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, bedoeld in artikel 37 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, nadien wordt omgezet in een thematisch gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan dat wel valt onder de toepassing van dit hoofdstuk, dan is voor dat ruimtelijk uitvoeringsplan voldaan aan de bepalingen van dit hoofdstuk als :
- het daaraan voorafgaande planningsproces beantwoordt aan de in artikel 4.1.4, § 2, bedoelde essentiële kenmerken; of
- het daarvoor opgestelde plan-MER is opgesteld conform de bepalingen van dit hoofdstuk en kan gelden als plan-MER voor het thematisch gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan.
De plenaire vergadering, bedoeld in artikel 41 of 44 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wordt slechts aangekondigd nadat de initiatiefnemer van het plan of programma, respectievelijk van het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan ten aanzien van de administratie heeft aangetoond dat aan de in het eerste lid bedoelde verplichtingen is voldaan.
De Vlaamse regering bepaalt wat moet worden verstaan onder een thematisch ruimtelijk uitvoeringsplan.
Ze kan nadere regelen vaststellen inzake de in het eerste lid bedoelde verplichtingen.
Art. 4.2.3. § 1. De Vlaamse regering kan op gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer een voorgenomen plan of programma dat overeenkomstig artikel 4.2.2 aan milieueffectrapportage moet worden onderworpen, vrijstellen van milieueffectrapportage als de bescherming van het algemeen belang noodzakelijk maakt dat op een noodsituatie wordt gereageerd met het onverwijld opmaken, vaststellen en uitvoeren van het plan of programma.
De Vlaamse regering gaat in dit geval na of er geen andere vorm van beoordeling geschikt is en of de aldus verzamelde informatie ter beschikking van het publiek wordt gesteld.
§ 2. Onverminderd § 5, kan de administratie op gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer een voorgenomen plan of programma dat overeenkomstig artikel 4.2.2 aan milieueffectrapportage moet worden onderworpen, toch ontheffen van milieueffectrapportage als ze oordeelt dat :
1° een toetsing aan de criteria van bijlage I uitwijst dat het voorgenomen plan of programma geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu omdat het plan of programma het gebruik van een klein gebied op lokaal niveau bepaalt of omdat het kleine wijzigingen aan een plan of programma betreft; of
2° het voorgenomen plan of programma een uitwerking, herziening of voortzetting inhoudt van een plan of programma waarvoor reeds eerder een plan-MER werd goedgekeurd, en een nieuw plan-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens betreffende aanzienlijke milieueffecten kan bevatten; of
3° een toetsing aan de criteria van bijlage I uitwijst dat het voorgenomen plan of programma geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu en het geen plan of programma betreft als bedoeld in artikel 3, § 2, van de Richtlijn betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's.
§ 3. Het verzoek, bedoeld in §§ 1 of 2, bevat ten minste :
1° een beschrijving en verduidelijking van het voorgenomen plan of programma, in voorkomend geval met inbegrip van een afbakening van het gebied waarop het plan of programma betrekking heeft;
2° in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft voor het aanvangen van de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling, bedoeld in § 5;
3° de verantwoording voor het verzoek en alle relevante gegevens ter staving ervan.
§ 4. De initiatiefnemer bezorgt het verzoek aan de administratie door betekening of tegen ontvangstbewijs.
§ 5. Als het voorgenomen plan of programma, waarvoor een ontheffingsverzoek werd ingediend overeenkomstig § 2, aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie en/of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend in Espoo op 25 februari 1991 en/of in andere gewesten of als de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten daarom verzoeken, bezorgt de administratie onverwijld de volgende informatie aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten :
1° een afschrift van het verzoek, bedoeld in § 2;
2° een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen plan of programma van toepassing is;
3° een aanduiding van de besluitvorming waaraan het voorgenomen plan of programma is onderworpen en een beschrijving van het doel ervan, alsook van de toepasselijke besluitvormingsprocedure.
De zending bevat de vermelding dat de bevoegde autoriteiten binnen een termijn van dertig dagen na de verzending van het afschrift, hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen.
§ 6. De Vlaamse regering, respectievelijk de administratie neemt onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het verzoek tot vrijstelling of ontheffing een beslissing. In voorkomend geval bevat de beslissing tevens de voorwaarden die eraan zijn verbonden.
De beslissing wordt binnen een termijn van veertig dagen na ontvangst van het verzoek bekendgemaakt, ter inzage gelegd bij de administratie en aan de initiatiefnemer betekend.
Als de Vlaamse regering of de administratie dit gemotiveerd beslissen, worden de termijnen, bedoeld in het eerste en tweede lid van deze bepaling, verlengd tot zestig, respectievelijk zeventig dagen. In dit geval brengt de administratie de initiatiefnemer op de hoogte van de termijnverlenging.
§ 7. De definitieve beslissing wordt door de initiatiefnemer gevoegd bij het ontwerp van plan of programma dat het voorwerp zal uitmaken van besluitvorming.
§ 8. De administratie zorgt ervoor dat een afschrift van de definitieve beslissing tot vrijstelling of ontheffing, bedoeld in §§ 1 en 2, onverwijld en in ieder geval voor de beslissing over het voorgenomen plan of programma wordt verstuurd naar :
1° de Commissie van de Europese Gemeenschap;
2° in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten van de gewesten, lidstaten en verdragspartijen, bedoeld in § 5.
§ 9. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen inzake de vrijstelling en de ontheffing.
Afdeling II. - Kennisgeving en inhoudsafbakening van het voorgenomen plan-MER.
Art. 4.2.4. § 1. De initiatiefnemer brengt de administratie tijdig en door betekening of tegen ontvangstbewijs in kennis van het voorgenomen plan-MER.
§ 2. De kennisgeving bevat ten minste :
1° een beschrijving en verduidelijking van de intenties inzake het voorgenomen plan of programma en een afbakening van het gebied waarop het plan of programma betrekking heeft;
2° in voorkomend geval een afschrift van het ontwerpplan of -programma en een verwijzing naar de besluitvormingsprocedure die ervoor van toepassing is;
3° in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft voor het aanvangen van de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling, bedoeld in § 5;
4° in voorkomend geval de relevante gegevens uit vorige rapportages en uit de goedgekeurde rapporten die daaruit zijn voortgekomen;
5° een document waarin, steunend op de vereisten van artikel 4.2.7 en van het m.e.r.-richtlijnenboek, de inhoudelijke aanpak - met inbegrip van de methodologie - van het plan-MER wordt voorgesteld;
6° een beknopte beschrijving van de alternatieven voor het ontwerpplan of -programma of voor onderdelen ervan, die de initiatiefnemer heeft overwogen en, bondig weergegeven, zijn bedenkingen over de voor- en nadelen van de verschillende alternatieven;
7° de relevante gegevens over de voorgestelde erkende MER-coördinator en het voorgestelde team van MER-deskundigen, bedoeld in artikel 4.2.6, en de taakverdeling tussen de deskundigen;
8° in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging van de kennisgeving of aangeduide delen ervan.
§ 3. De administratie neemt een beslissing over de volledigheid van de kennisgeving. De beslissing vermeldt alle punten van onvolledigheid van de kennisgeving. De kennisgeving is onvolledig als gegevens of documenten ontbreken die vereist zijn op grond van § 2.
Als de initiatiefnemer in de kennisgeving een vraag stelde tot onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging van de kennisgeving of delen ervan, maakt de administratie in haar beslissing een belangenafweging overeenkomstig artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur. De administratie kan de bedoelde gegevens geheel of gedeeltelijk onttrekken aan bekendmaking en terinzagelegging. Als ze beslist tot hele of gedeeltelijke onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging van de aangeduide gegevens, moet ze de relevante gegevens opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet ter inzage gelegd van het publiek.
Tegen de beslissing tot onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging staat beroep open overeenkomstig artikel 14 tot en met 18 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur.
De procedure kan slechts worden verdergezet wanneer de kennisgeving volledig is.
De administratie betekent haar beslissing aan de initiatiefnemer onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van twintig dagen na ontvangst van de kennisgeving.
§ 4. De administratie zorgt voor de bekendmaking en de terinzagelegging van de kennisgeving binnen een termijn van tien dagen na volledigverklaring van de kennisgeving. Ze bezorgt een afschrift van de kennisgeving aan de overeenkomstig artikel 4.2.2, § 4, door de Vlaamse regering per categorie van plan of programma of geval per geval aangeduide administraties, overheidsinstellingen en/of organisaties die een vertegenwoordiger hebben in de SERV of MINA-Raad.
De administratie bezorgt de initiatiefnemer onverwijld een afschrift van de bekendmaking en informeert de initiatiefnemer over de aanvangs- en afsluitingsdatum van de terinzagelegging.
Voor de door de Vlaamse regering aangewezen plannen en programma's maakt de administratie binnen de in het eerste lid bedoelde termijn tevens een afschrift van de volledig verklaarde kennisgeving over aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente of gemeenten en/of de bestendige deputatie van de provincie of provincies, waarvoor het plan of programma relevant is. De gemeenten en/of provincies leggen het afschrift ter inzage van het publiek binnen een termijn van tien dagen na ontvangst ervan.
Bij de bekendmaking of terinzagelegging wordt duidelijk aangegeven dat eventuele opmerkingen over de inhoudsafbakening van het voorgenomen plan-MER binnen een termijn van dertig dagen na de bekendmaking of terinzagelegging, al dan niet via de gemeente, aan de administratie moeten worden bezorgd, behoudens verlenging van deze termijn.
§ 5. Als het voorgenomen plan of programma aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie en/of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend in Espoo op 25 februari 1991 en/of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten daarom verzoeken, bezorgt de administratie onverwijld de volgende informatie aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten :
1° een afschrift van de volledig verklaarde kennisgeving;
2° een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen plan of programma van toepassing is;
3° een aanduiding van de besluitvorming waaraan het voorgenomen plan of programma is onderworpen en een beschrijving van het doel ervan, alsook van de toepasselijke besluitvormingsprocedure.
Deze zending vermeldt dat de bevoegde autoriteiten binnen een termijn van veertig dagen na verzending van het afschrift hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen.
Art. 4.2.5. § 1. De administratie neemt onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van zestig dagen na de volledigverklaring van de kennisgeving een beslissing over :
1° de inhoud van het plan-MER en de inhoudelijke aanpak van de rapportage, met inbegrip van de methodologie;
2° de bijzondere richtlijnen voor het opstellen van het plan-MER;
3° de aanstelling van de opstellers van het plan-MER, bedoeld in artikel 4.2.6.
In voorkomend geval geeft deze beslissing invulling aan artikel 4.2.7, § 2. Ze kan tevens bepalingen bevatten inzake het beknopt of niet behandelen van de minder of niet relevante milieueffecten, bedoeld in artikel 4.2.7, § 1, 2°.
De administratie houdt bij haar beslissing rekening met de opmerkingen en commentaren inzake de inhoudsafbakening van het voorgenomen plan-MER van de instanties en in voorkomend geval het publiek, bedoeld in artikel 4.2.4, §§ 4 en 5, en in het bijzonder met die opmerkingen en commentaren die handelen over te onderzoeken effecten, alternatieven of maatregelen.
§ 2. De administratie maakt haar beslissing bekend en deelt ze binnen een termijn van zeventig dagen na de volledigverklaring van de kennisgeving mee aan :
1° de initiatiefnemer, door betekening;
2° de administraties, overheidsinstellingen en/of organisaties, bedoeld in artikel 4.2.4, § 4, eerste lid;
3° in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten, bedoeld in artikel 4.2.4, § 5. § 3. Als artikel 4.2.4, § 5, van toepassing is, of als de in artikel 4.2.4, § 4, eerste lid, bedoelde administraties, overheidsinstellingen en/of organisaties hierom verzoeken, worden de termijnen, bedoeld in §§ 1en 2, verlengd tot tachtig, respectievelijk negentig dagen.
§ 4. De initiatiefnemer en de in artikel 4.2.4, § 4, eerste lid, bedoelde administraties, overheidsinstellingen en/of organisaties kunnen een gemotiveerd verzoek tot heroverweging van deze beslissing aan de administratie betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs. Artikel 4.6.4 is van overeenkomstige toepassing.
§ 5. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen inzake de kennisgeving, de bekendmaking, de terinzagelegging, de mogelijkheid om opmerkingen en commentaren uit te brengen en de inhoudsafbakening.
Afdeling III. - Het opstellen van het plan-MER.
Art. 4.2.6. § 1. Het plan-MER wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid en op kosten van de initiatiefnemer.
De initiatiefnemer moet hiervoor een beroep doen op een erkende MER-coördinator. Hij stelt aan de MER-coördinator alle relevante informatie ter beschikking die voorhanden is. Hij verleent alle medewerking opdat de MER-coördinator zijn taak naar behoren kan vervullen.
§ 2. De erkende MER-coördinator mag geen belang hebben bij het voorgenomen plan of programma of de alternatieven, noch betrokken worden bij de latere uitvoering van het plan of programma. Hij voert zijn opdracht volledig onafhankelijk uit en geeft in voorkomend geval leiding aan een team van medewerkers dat geheel of gedeeltelijk door de initiatiefnemer ter beschikking wordt gesteld.
De erkende MER-coördinator waakt erover dat de samenstelling van het team van medewerkers het mogelijk maakt om het plan-MER op te stellen in overeenstemming met het m.e.r.-richtlijnenboek en met de in artikel 4.2.5, § 1, bedoelde inhoudsafbakening en bijzondere richtlijnen.
§ 3. Tijdens het opstellen van het plan-MER is de erkende MER-coördinator gehouden tot overleg met de administratie. De MER-coördinator moet in voorkomend geval de aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van de administratie, als aanvulling op de afgebakende inhoud en de bijzondere richtlijnen, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1, in acht nemen.
Art. 4.2.7. § 1. Tenzij anders is bepaald in de beslissing, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1, bestaat het plan-MER ten minste uit de volgende onderdelen :
1° een algemeen deel dat de volgende informatie bevat :
a) een beschrijving van de doelstellingen en krachtlijnen van het voorgenomen plan of programma en van het verband met andere, relevante plannen en programma's;
b) een overzicht van de motieven voor het voorgenomen plan of programma;
c) een schets van de beschikbare alternatieven voor het voorgenomen plan of programma of onderdelen ervan; onder meer inzake doelstellingen, locaties en wijze van uitvoering of inzake de bescherming van het milieu;
d) een vergelijking tussen het voorgenomen plan of programma en de beschikbare alternatieven die redelijkerwijze onderzocht kunnen worden, alsmede de motivatie voor de selectie van de te onderzoeken alternatieven;
e) een verwijzing naar de wettelijke, decretale en reglementaire voorschriften die vanuit het oogpunt van het milieubeleid relevant zijn bij de uitvoering van het voorgenomen plan of programma of voor de onderzochte alternatieven, en een onderzoek naar de mate waarin het voorgenomen plan of programma of de alternatieven ermee verenigbaar zijn, alsmede de op internationaal, communautair, nationaal of gewestelijk niveau vastgestelde doelstellingen ter bescherming van het milieu, die relevant zijn voor het plan of programma, alsook de wijze waarop met deze doelstellingen en andere milieuoverwegingen rekening is gehouden bij de voorbereiding van het plan of programma;
f) een beschrijving van de bestaande toestand van het milieu (met inbegrip van de milieukenmerken van gebieden waarvoor de gevolgen aanzienlijk kunnen zijn en van alle bestaande milieuproblemen), voorzover de tenuitvoerlegging van het voorgenomen plan of programma of van één van de onderzochte alternatieven daarvoor gevolgen kan hebben, en een beschrijving van de te verwachten ontwikkeling van dat milieu indien noch het voorgenomen plan of programma, noch één van de alternatieven wordt uitgevoerd;
2° een deel betreffende de milieueffecten dat de volgende informatie bevat :
a) een beschrijving van de methodieken die werden gebruikt voor de bepaling en de beoordeling van de milieueffecten;
b) een beschrijving en onderbouwde beoordeling van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen plan of programma en van de onderzochte alternatieven op of inzake, in voorkomend geval, de gezondheid en veiligheid van de mens, de ruimtelijke ontwikkeling, de biodiversiteit, de fauna en flora, de energie- en grondstoffenvoorraden, de bodem, het water, de atmosfeer, de klimatologische factoren, het geluid, het licht, de stoffelijke goederen, het cultureel erfgoed met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap, de mobiliteit, en de samenhang tussen de genoemde factoren; deze beschrijving van de milieueffecten omvat de directe, en in voorkomend geval de indirecte, secundaire, cumulatieve en synergetische effecten, permanent en tijdelijk, positief en negatief, op korte, middellange en lange termijn van het voorgenomen plan of programma; de beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten gebeurt onder meer in het licht van de overeenkomstig Hoofdstuk II van Titel II van dit decreet vastgestelde milieukwaliteitsnormen;
c) een beschrijving en evaluatie van de mogelijke maatregelen om de aanzienlijke negatieve milieueffecten van het voorgenomen plan of programma op een samenhangende wijze te vermijden, te beperken, te verhelpen of te compenseren;
d) een beschrijving van de voorzieningen die redelijkerwijze kunnen worden getroffen voor een behoorlijke monitoring en evaluatie van de effecten van het voorgenomen plan of programma;
e) een globale evaluatie van het voorgenomen plan en programma en de onderzochte alternatieven;
3° een opgave van de moeilijkheden, technische leemten of ontbrekende kennis die de initiatiefnemer en/of de erkende MER-coördinator en zijn medewerkers hebben ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste informatie en de gevolgen daarvan voor de wetenschappelijkheid van het rapport;
4° een niet-technische samenvatting van de verstrekte informatie zoals omschreven in 1° tot en met 3°.
§ 2. Het plan-MER moet de in § 1 genoemde informatie slechts bevatten :
1° voorzover ze relevant is voor het stadium van het planningsproces waarin de milieueffectrapportage wordt uitgevoerd en voorzover ze relevant is in het licht van de inhoud en het detailleringsniveau van het voorgenomen plan of programma;
2° voorzover de bestaande kennis en de bestaande effectanalyse- en beoordelingsmethodes redelijkerwijze toelaten om deze informatie te verzamelen en te verwerken;
3° voorzover de uitvoerigheid van het voorgenomen plan of programma dit redelijkerwijze toelaat.
§ 3. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen inzake de inhoud van het plan-MER.
Afdeling IV. - Het onderzoek en het gebruik van het plan-MER.
Art. 4.2.8. § 1. De initiatiefnemer bezorgt het voltooide plan-MER door betekening of tegen ontvangstbewijs aan de administratie.
§ 2. De administratie toetst het plan-MER inhoudelijk aan :
1° de beslissing, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1;
2° in voorkomend geval, de overeenkomstig artikel 4.2.6, § 3, door haar verstrekte aanvullende bijzondere richtlijnen;
3° de overeenkomstig artikel 4.2.7 vereiste gegevens.
Het resultaat van de toetsing wordt opgenomen in het plan-MER-verslag en leidt tot de goed- of afkeuring van het plan-MER. Als de administratie het plan-MER afkeurt, vermeldt het verslag alle punten waarop het plan-MER tekortschiet. De administratie keurt het plan-MER onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van vijftig dagen na ontvangst ervan, goed of af.
§ 3. De administratie bezorgt haar beslissing betreffende de goed- of afkeuring van het plan-MER binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst ervan aan :
1° de initiatiefnemer, door betekening;
2° de administraties, overheidsinstellingen en/of organisaties, bedoeld in artikel 4.2.4, § 4, eerste lid;
3° in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten, bedoeld in artikel 4.2.4, § 5;
4° de erkende MER-coördinator, bedoeld in artikel 4.2.6.
De beslissing bevat ook een afschrift van het plan-MER-verslag, bedoeld in § 2, en vermeldt dat de initiatiefnemer tegen de beslissing een gemotiveerd verzoek tot heroverweging kan betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van twintig dagen.
§ 4. De initiatiefnemer kan een gemotiveerd verzoek tot heroverweging van deze beslissing aan de administratie betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs. Artikel 4.6.4 is van overeenkomstige toepassing.
Art. 4.2.9. § 1. Vanaf de betekening van de beslissing, bedoeld in artikel 4.2.8, § 3, liggen het goedgekeurde plan-MER, het plan-MER-verslag, bedoeld in artikel 4.2.8, § 2, de beslissing, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1, en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, bedoeld in artikel 4.2.6, § 3, ter inzage bij de administratie en in voorkomend geval bij de initiatiefnemer.
§ 2. De initiatiefnemer kan aan de administratie vragen om te onderzoeken of ze, overeenkomstig artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur, gegevens in de in § 1 bedoelde stukken aan terinzagelegging moet onttrekken. Hij stelt zijn vraag aan de administratie uiterlijk op het moment dat hij het voltooide plan-MER aan de administratie bezorgt. Hij duidt in zijn vraag aan over welke gegevens het gaat en op welke gronden de onttrekking aan de terinzagelegging moet gebeuren.
De administratie neemt een beslissing over de vraag van de initiatiefnemer uiterlijk op het moment van de goed- of afkeuring van het plan-MER. Ze maakt een belangenafweging overeenkomstig het bedoelde artikel. De administratie kan de bedoelde gegevens geheel of gedeeltelijk aan terinzagelegging onttrekken. Als ze beslist tot hele of gedeeltelijke onttrekking aan de terinzagelegging van de aangeduide gegevens, moet ze de relevante gegevens opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet ter inzage gelegd van het publiek.
§ 3. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen inzake het gebruik van het plan-MER bij de verdere besluitvorming over het voorgenomen plan of programma en inzake de bekendmaking van het definitieve besluit over het plan of programma.
§ 4. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de wijze waarop de bevoegde autoriteiten en de burgers van de lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, bedoeld in artikel 4.2.4, § 5, hun commentaar op het goedgekeurde plan-MER en het voorgenomen plan of programma kunnen meedelen, en betreffende de wijze waarop hierover overleg wordt gepleegd.
Het gemotiveerde besluit waarmee het plan of programma definitief wordt vastgesteld en een exemplaar van het plan of programma worden opgestuurd aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, bedoeld in artikel 4.2.4, § 5.
HOOFDSTUK III. - Milieueffectrapportage over projecten.
Afdeling I. - Toepassingsgebied.
Art. 4.3.1. Voorgenomen projecten worden, alvorens een vergunning kan worden aangevraagd voor de vergunningsplichtige activiteit die het voorwerp uitmaakt van het project, aan een milieueffectrapportage onderworpen in de gevallen bepaald in dit hoofdstuk.
Art. 4.3.2. § 1. De Vlaamse regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage II, de categorieën van projecten aan die worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffectrapportage.
De verplichting tot het uitvoeren van een project-m.e.r. geldt ook indien wegens het verstrijken van de lopende vergunning van het project een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd.
§ 2. De Vlaamse regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage II, de andere dan in § 1 bedoelde categorieën van projecten aan waarvoor overeenkomstig dit hoofdstuk al dan niet een milieueffectrapport moet worden opgesteld op grond van een beslissing, geval per geval, van de administratie.
Deze mogelijkheid geldt ook indien wegens het verstrijken van de lopende vergunning van het project een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd.
§ 3. De Vlaamse regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage II, aan voor welke veranderingen aan reeds bestaande projecten van de categorieën, bedoeld in §§ 1 en 2, overeenkomstig dit hoofdstuk al dan niet een milieueffectrapport moet worden opgesteld op grond van een beslissing, geval per geval, van de administratie.
§ 4. De Vlaamse regering stelt, aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage II, de selectiecriteria vast op grond waarvan de administratie geval per geval beslist of voor de in §§ 2 en 3 bedoelde projecten overeenkomstig dit hoofdstuk al dan niet een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Deze selectiecriteria moeten toelaten uit te maken of aan een bepaald project, dan wel aan een verandering daarvan, al dan niet aanzienlijke milieueffecten verbonden kunnen zijn.
Bij een beslissing overeenkomstig §§ 1, 2 of 3 duidt de Vlaamse regering eveneens de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen aan die, overeenkomstig artikel 4.3.4, § 4, een afschrift van de kennisgeving moeten ontvangen.
De selectiecriteria worden minstens om de vijf jaar herzien maar blijven geldig tot ze vervangen zijn door nieuwe. Ze worden meegedeeld aan de Europese Commissie.
Art. 4.3.3. § 1. Onverminderd § 5 kan de Vlaamse regering op gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer een welbepaald project dat overeenkomstig artikel 4.3.2 en dit artikel aan milieueffectrapportage moet worden onderworpen, vrijstellen van milieueffectrapportage als de bescherming van het algemeen belang noodzakelijk maakt dat op uitzonderlijke omstandigheden wordt gereageerd met het onverwijld uitvoeren van het project.
De Vlaamse regering gaat in dit geval na of er geen andere vorm van beoordeling geschikt is en of de aldus verzamelde informatie ter beschikking van het publiek wordt gesteld.
§ 2. Onverminderd § 5 neemt de administratie op gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer een beslissing over de toepassing van de rapportageverplichting, bedoeld in artikel 4.3.2, §§ 2, 3 en 4.
§ 3. In de gevallen bedoeld in artikel 4.3.2 kan de initiatiefnemer een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de administratie.
Onverminderd § 5 en voor zover het voorgenomen project niet valt onder de toepassing van de lijst van projecten die door de Vlaamse regering overeenkomstig artikel 4.3.2., § 1, is vastgesteld, kan de administratie een project toch ontheffen van milieueffectrapportage als ze oordeelt dat :
1° vroeger al een plan-MER werd goedgekeurd betreffende een plan of programma waarin het project past of een project-MER werd goedgekeurd betreffende een project waarvan het voorgenomen initiatief een herhaling, voortzetting of alternatief is, en een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten; of
2° een toetsing aan de criteria van bijlage II uitwijst dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten.
§ 4. Het verzoek, bedoeld in §§ 1, 2 of 3, bevat ten minste :
1° een beschrijving en verduidelijking van het voorgenomen project met inbegrip van de ruimtelijke situering ervan; de ruimtelijke situering bevat minstens een uittreksel van de ruimtelijke uitvoeringsplannen of de vigerende plannen van aanleg en van de topografische kaarten van de omgeving;
2° in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft voor het aanvangen van de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling, bedoeld in § 5;
3° de verantwoording voor het verzoek en alle relevante gegevens ter staving ervan.
De initiatiefnemer bezorgt het verzoek aan de administratie door betekening of tegen ontvangstbewijs.
§ 5. Als het project aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie en/of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend in Espoo op 25 februari 1991 en/of in andere gewesten of als de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten daarom verzoeken, bezorgt de administratie onverwijld de volgende informatie aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten :
1° een afschrift van het verzoek, bedoeld in §§ 1, 2 of 3;
2° een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen project van toepassing is;
3° een aanduiding van de vergunningsplicht waaraan het voorgenomen project is onderworpen en een beschrijving van het doel ervan, alsook van de toepasselijke vergunningsprocedure(s).
De zending bevat de vermelding dat de bevoegde autoriteiten binnen een termijn van dertig dagen na de verzending van het afschrift, hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen.
§ 6. De Vlaamse regering, respectievelijk de administratie, neemt onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het verzoek een beslissing. In voorkomend geval bevat de beslissing tevens de voorwaarden die aan de vrijstelling of de ontheffing zijn verbonden.
De vrijstelling, bedoeld in § 1, wordt verleend voor een beperkte duur. Ze vervalt als het project niet wordt aangevangen binnen een termijn die in de beslissing wordt vastgesteld. Die termijn mag in geen geval langer zijn dan twee jaar.
De ontheffing, bedoeld in § 3, wordt verleend voor een beperkte duur. Ze vervalt als het project niet wordt aangevangen binnen een termijn die in de beslissing wordt vastgesteld. Die termijn mag in geen geval langer zijn dan vier jaar.
De beslissing wordt binnen een termijn van zeventig dagen na ontvangst van het verzoek bekendgemaakt, ter inzage gelegd bij de administratie en aan de initiatiefnemer betekend. In voorkomend geval maakt de initiatiefnemer de beslissing over aan het Comité voor de Preventie en Bescherming op het Werk en de milieucoördinator.
§ 7. De initiatiefnemer kan een gemotiveerd verzoek tot heroverweging van de beslissing, bedoeld in §§ 2 of 3, aan de administratie betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs. Artikel 4.6.4 is van overeenkomstige toepassing.
§ 8. De definitieve beslissing wordt door de initiatiefnemer gevoegd bij de vergunningsaanvraag.
§ 9. De administratie zorgt ervoor dat een afschrift van de definitieve beslissing onverwijld en in ieder geval voor de vergunningsbeslissing wordt verstuurd naar :
1° in de gevallen bedoeld in §§ 1 en 3, de Commissie van de Europese Gemeenschap;
2° in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten van de gewesten, lidstaten en verdragspartijen, bedoeld in § 5.
§ 10. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen inzake de vrijstelling, de ontheffing en de toepassing van de rapportageverplichting.
Afdeling II. - Kennisgeving en inhoudsafbakening van het voorgenomen project-MER.
Art. 4.3.4. § 1. De initiatiefnemer brengt de administratie tijdig en door betekening of tegen ontvangstbewijs in kennis van het voorgenomen project-MER.
§ 2. De kennisgeving bevat ten minste :
1° een beschrijving en verduidelijking van het project met inbegrip van de ruimtelijke situering ervan en in voorkomend geval het exploitatieadres van de inrichting; de ruimtelijke situering bevat minstens een uittreksel van de ruimtelijke uitvoeringsplannen of de vigerende plannen van aanleg en van de topografische kaarten van de omgeving;
2° de vergunningen die moeten worden aangevraagd en in voorkomend geval de bestaande vergunningstoestand voor de exploitatie van de inrichting;
3° in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft voor het aanvangen van de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling, bedoeld in § 5;
4° in voorkomend geval de relevante gegevens uit vorige rapportages en uit de goedgekeurde rapporten die daaruit zijn voortgekomen;
5° een document waarin, steunend op de vereisten van artikel 4.3.7 en van het m.e.r.-richtlijnenboek, de inhoudelijke aanpak - met inbegrip van de methodologie - van het project-MER wordt voorgesteld;
6° een beknopte beschrijving van de alternatieven voor het project of voor onderdelen ervan die de initiatiefnemer heeft overwogen en, bondig weergegeven, zijn bedenkingen over de voor- en nadelen van de verschillende alternatieven;
7° de relevante gegevens over de voorgestelde erkende MER-coördinator en het voorgestelde team van erkende MER-deskundigen, bedoeld in artikel 4.3.6, en de taakverdeling tussen de deskundigen;
8° in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging van de kennisgeving of aangeduide delen ervan.
§ 3. De administratie neemt een beslissing over de volledigheid van de kennisgeving. De beslissing vermeldt alle punten van onvolledigheid van de kennisgeving. De kennisgeving is onvolledig als gegevens of documenten ontbreken die vereist zijn op grond van § 2.
Als de initiatiefnemer in de kennisgeving een vraag stelde tot onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging van de kennisgeving of delen ervan, maakt de administratie in haar beslissing een belangenafweging overeenkomstig artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur. De administratie kan de bedoelde gegevens geheel of gedeeltelijk onttrekken aan bekendmaking en terinzagelegging. Als ze beslist tot hele of gedeeltelijke onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging van de aangeduide gegevens, moet ze de relevante gegevens opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet ter inzage gelegd van het publiek.
Tegen de beslissing tot onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging staat beroep open overeenkomstig artikelen 14 tot en met 18 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur.
De procedure kan slechts worden verdergezet wanneer de kennisgeving volledig is.
De administratie betekent haar beslissing aan de initiatiefnemer onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van twintig dagen na ontvangst van de kennisgeving.
§ 4. De initiatiefnemer betekent een afschrift van de volledig verklaarde kennisgeving en van de beslissing van de administratie ter zake binnen een termijn van tien dagen na ontvangst, tegelijkertijd aan tenminste :
1° de overheid die in voorkomend geval in eerste aanleg een beslissing zal nemen over de vergunningsaanvraag betreffende het project;
2° het college van burgemeester en schepenen van de gemeente of gemeenten waar het project plaatsvindt of plaats zal vinden;
3° de door de Vlaamse regering aangewezen administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen;
4° in voorkomend geval de ondernemingsraad en het Comité voor Preventie en Bescherming op het werk die bestaan in het bedrijf van de initiatiefnemer - of bij ontstentenis van deze organen, de vakbondsafvaardiging - en de milieucoördinator.
De gemeente of gemeenten, bedoeld het eerste lid, 2°, leggen het afschrift van de kennisgeving ter inzage van het publiek binnen een termijn van tien dagen na de ontvangst ervan. Ze kondigen de terinzagelegging en de doelstelling ervan op passende wijze aan en informeren de administratie en de initiatiefnemer onverwijld over de aanvangs- en afsluitingsdatum van de terinzagelegging.
Bij de bekendmaking of terinzagelegging wordt duidelijk aangegeven dat eventuele opmerkingen over de inhoudsafbakening van het voorgenomen project-MER binnen een termijn van dertig dagen na de bekendmaking of terinzagelegging, al dan niet via de gemeente, aan de administratie moeten worden bezorgd.
§ 5. Als het project aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie en/of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend te Espoo op 25 februari 1991 en/of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten daarom verzoeken, bezorgt de administratie onverwijld de volgende informatie aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten :
1° een afschrift van de volledig verklaarde kennisgeving;
2° een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen project van toepassing is;
3° een aanduiding van de vergunningsplicht waaraan het voorgenomen project is onderworpen en een beschrijving van het doel ervan alsook van de toepasselijke vergunningsprocedure(s).
Deze zending vermeldt dat de bevoegde autoriteiten binnen een termijn van veertig dagen na verzending van het afschrift hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen.
Art. 4.3.5. § 1. De administratie neemt onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van zestig dagen na de volledigverklaring van de kennisgeving een beslissing over :
1° de inhoud van het project-MER en de inhoudelijke aanpak van de rapportage, met inbegrip van de methodologie;
2° de bijzondere richtlijnen voor het opstellen van het project-MER;
3° de aanstelling van de opstellers van het project-MER, bedoeld in artikel 4.3.6.
In voorkomend geval geeft deze beslissing invulling aan artikel 4.3.7, § 2, en omvat ze bepalingen inzake het beknopt of niet behandelen :
1° van de minder of niet relevante milieueffecten, bedoeld in artikel 4.3.7, § 1, 2°; en
2° van de gegevens bedoeld in artikel 4.3.7, § 1, 1° en 3°, indien wegens het verstrijken van de lopende vergunning van het project een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd.
De administratie houdt bij haar beslissing rekening met de opmerkingen en commentaren inzake de inhoudsafbakening van het voorgenomen project-MER van de instanties en het publiek, bedoeld in artikel 4.3.4, §§ 4 en 5, en in het bijzonder met die opmerkingen en commentaren die handelen over te onderzoeken effecten, alternatieven of maatregelen.
§ 2. De administratie maakt haar beslissing bekend en deelt ze binnen een termijn van zeventig dagen na volledigverklaring van de kennisgeving mee aan :
1° de initiatiefnemer, door betekening;
2° de instanties, bedoeld in artikel 4.3.4, § 4, eerste lid;
3° in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten, bedoeld in artikel 4.3.4, § 5. § 3. Als artikel 4.3.4, § 5, van toepassing is worden de termijnen, bedoeld in § 1en § 2, verlengd tot tachtig, respectievelijk negentig dagen.
§ 4. De initiatiefnemer kan een gemotiveerd verzoek tot heroverweging van deze beslissing aan de administratie betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs. Artikel 4.6.4 is van overeenkomstige toepassing.
§ 5. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen inzake de kennisgeving, de bekendmaking, de terinzagelegging, de mogelijkheid om opmerkingen en commentaren uit te brengen en de inhoudsafbakening.
Afdeling III. - Het opstellen van het project-MER.
Art. 4.3.6. § 1. Het project-MER wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid en op kosten van de initiatiefnemer.
De initiatiefnemer moet hiervoor een beroep doen op een team van erkende MER-deskundigen onder leiding van een erkende MER-coördinator. Hij stelt aan de MER-coördinator alle relevante informatie ter beschikking die voorhanden is. Hij verleent alle medewerking opdat de MER-coördinator zijn taak naar behoren kan vervullen.
§ 2. De erkende MER-coördinator en de erkende MER-deskundigen mogen geen belang hebben bij het voorgenomen project of de alternatieven, noch betrokken worden bij de latere uitvoering van het project. Ze voeren hun opdracht volledig onafhankelijk uit.
De samenstelling van het team van erkende MER-deskundigen maakt het opstellen mogelijk van het project-MER in overeenstemming met het m.e.r.-richtlijnenboek en de in artikel 4.3.5, § 1, bedoelde inhoudsafbakening en bijzondere richtlijnen.
§ 3. Tijdens het opstellen van het project-MER zijn de erkende MER-coördinator en in voorkomend geval de erkende MER-deskundigen gehouden tot overleg met de administratie. De MER-coördinator en zijn team moeten in voorkomend geval de aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van de administratie, als aanvulling op de afgebakende inhoud en de bijzondere richtlijnen, bedoeld in artikel 4.3.5, § 1, in acht nemen.
Art. 4.3.7. § 1. Tenzij anders bepaald in de beslissing, bedoeld in artikel 4.3.5, § 1, bestaat het project-MER uit ten minste volgende onderdelen :
1° een algemeen deel dat de volgende informatie bevat :
a) een beschrijving van de doelstellingen van het voorgenomen project;
b) een overzicht van de motieven voor het voorgenomen project;
c) een beschrijving van de krachtlijnen van het voorgenomen project waarbij in voorkomend geval het begrip milieutechnische eenheid het uitgangspunt vormt en met in het bijzonder;
1) een beschrijving van de fysieke kenmerken van het hele project en de vereisten met betrekking tot het gebruik van grond en terrein tijdens de constructie en bedrijfsfasen alsook de aard en hoeveelheden van de gebruikte materialen;
2) in voorkomend geval een beschrijving van de voornaamste kenmerken van de constructie- en/of productieprocessen met betrekking tot de aanwending van energie en grondstoffen;
3) een beschrijving van de wijze waarop bij het uitwerken van het voorgenomen project rekening werd gehouden met de te verwachten betekenisvolle milieueffecten en een prognose van de aard en hoeveelheid van de verwachte residuen en emissies ten gevolge van het functioneren en in voorkomend geval stopzetten en ontmantelen van het project;
d) een schets van de beschikbare alternatieven voor het project of onderdelen ervan; onder meer inzake doelstellingen, locaties en wijze van uitvoering of inzake de bescherming van het milieu;
e) een vergelijking tussen het voorgenomen project en de beschikbare alternatieven die de redelijkerwijze onderzocht kunnen worden, alsmede de redenen voor de selectie van de te onderzoeken alternatieven;
f) een verwijzing naar de wettelijke, decretale en reglementaire voorschriften die vanuit het oogpunt van het milieubeleid relevant zijn bij de uitvoering van het voorgenomen project of voor de onderzochte alternatieven, en een onderzoek naar de mate waarin het voorgenomen project of de alternatieven ermee verenigbaar zijn;
g) een beschrijving van de bestaande toestand van het milieu (met inbegrip van de milieukenmerken van gebieden waarvoor de gevolgen aanzienlijk kunnen zijn en van alle bestaande milieuproblemen), voorzover de tenuitvoerlegging van het project of van één van de onderzochte alternatieven daarvoor gevolgen kan hebben, en een beschrijving van de te verwachten ontwikkeling van dat milieu indien noch het project noch één van de alternatieven wordt uitgevoerd;
2° een deel betreffende de milieueffecten dat de volgende informatie bevat :
a) een beschrijving van de methodieken die werden gebruikt voor de bepaling en de beoordeling van de milieueffecten;
b) een beschrijving en onderbouwde beoordeling van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen project en van de onderzochte alternatieven op of inzake, in voorkomend geval, de gezondheid en veiligheid van de mens, de ruimtelijke ontwikkeling, de biodiversiteit, de fauna en flora, de energie- en grondstoffenvoorraden, de bodem, het water, de atmosfeer, de klimatologische factoren, het geluid, het licht, de stoffelijke goederen, het cultureel erfgoed met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap, de mobiliteit en de samenhang tussen de genoemde factoren; deze beschrijving van de milieueffecten omvat de directe, en in voorkomend geval de indirecte, secundaire, cumulatieve en synergetische effecten, permanent en tijdelijk, positief en negatief, op korte, middellange en lange termijn van het project; De beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten gebeurt onder meer in het licht van de overeenkomstig Hoofdstuk II van Titel II van dit decreet vastgestelde milieukwaliteitsnormen;
c) een beschrijving en evaluatie van de mogelijke maatregelen om de aanzienlijke nadelige milieueffecten van het voorgenomen project op een samenhangende wijze te vermijden, te beperken, te verhelpen of te compenseren;
d) een beschrijving van de voorzieningen die redelijkerwijze kunnen worden getroffen voor een behoorlijke monitoring en evaluatie van de effecten van het voorgenomen project;
e) een globale evaluatie van het voorgenomen project en de onderzochte alternatieven.
3° een gedetailleerde opgave van de directe en indirecte, tijdelijke en permanente tewerkstellingseffecten van het voorgenomen project en een overzicht van de totale geplande investering met inbegrip van (te) ontvangen subsidies en andere steunmaatregelen, alsook een overzicht van de aard, hoeveelheid en herkomst van de gebruikte materialen en de aard, hoeveelheid en bestemming van de te produceren goederen;
4° een opgave van de moeilijkheden, technische leemten of ontbrekende kennis die de initiatiefnemer en/of het team van erkende deskundigen eventueel hebben ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste informatie en de gevolgen daarvan voor de wetenschappelijkheid van het rapport;
5° een niet-technische samenvatting van de verstrekte informatie, zoals omschreven in 1° tot en met 4°.
§ 2. Het project-MER moet de in § 1 genoemde informatie slechts bevatten :
1° voorzover ze relevant is voor het stadium van het vergunningsproces waarin de milieueffect-rapportage wordt uitgevoerd en voor zover ze relevant is in het licht van de specifieke kenmerken van een bepaald project of de categorie van projecten waartoe de onderzochte actie behoort en de milieuaspecten die door het voorgenomen project kunnen worden beïnvloed;
2° voorzover de bestaande kennis en de bestaande effectanalyse- en beoordelingsmethodes redelijkerwijze toelaten om deze informatie te verzamelen en te verwerken.
§ 3. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen inzake de inhoud van het project-MER.
Afdeling IV. - Het onderzoek en het gebruik van het project-MER.
Art. 4.3.8. § 1. De initiatiefnemer bezorgt het voltooide project-MER door betekening of tegen ontvangstbewijs aan de administratie.
§ 2. De administratie toetst het project-MER inhoudelijk :
1° aan de beslissing, bedoeld in artikel 4.3.5, § 1;
2° in voorkomend geval aan de overeenkomstig artikel 4.3.6, § 3, door haar verstrekte aanvullende bijzondere richtlijnen;
3° aan de overeenkomstig artikel 4.3.7 vereiste gegevens.
Het resultaat van de toetsing wordt opgenomen in het project-MER-verslag en leidt tot de goed- of afkeuring van het project-MER. Als de administratie het project-MER afkeurt, vermeldt het verslag alle punten waarop het project-MER tekortschiet. De administratie keurt het project-MER onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst ervan, goed of af. De administratie kan gemotiveerd beslissen om deze termijn te verlengen tot vijftig dagen. Zij betekent de verlengingsbeslissing binnen de hiervoor bedoelde termijn van dertig dagen.
§ 3. De administratie bezorgt haar beslissing betreffende de goed- of afkeuring van het project-MER binnen een termijn van veertig dagen, respectievelijk zestig dagen in geval van termijnverlenging, na ontvangst ervan aan :
1° de initiatiefnemer, door betekening;
2° de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen, bedoeld in artikel 4.3.4, § 4, eerste lid;
3° in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten, bedoeld in artikel 4.3.4, § 5;
4° de erkende MER-coördinator, bedoeld in artikel 4.3.6.
De beslissing bevat ook een afschrift van het project-MER-verslag, bedoeld in § 2, en vermeldt dat de initiatiefnemer tegen de beslissing een gemotiveerd verzoek tot heroverweging kan betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van twintig dagen.
§ 4. De initiatiefnemer kan een gemotiveerd verzoek tot heroverweging van deze beslissing aan de administratie betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs. Artikel 4.6.4 is van overeenkomstige toepassing.
Art. 4.3.9. § 1. Vanaf de betekening van de beslissing, bedoeld in artikel 4.3.8, § 3, liggen het goedgekeurde project-MER, het project-MER-verslag, bedoeld in artikel 4.3.8, § 2, de beslissing, bedoeld in artikel 4.3.5, § 1, en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, bedoeld in artikel 4.3.6, § 3, ter inzage bij de administratie.
§ 2. De initiatiefnemer kan aan de administratie vragen om te onderzoeken of ze, overeenkomstig artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur, gegevens in de in § 1 bedoelde stukken aan terinzagelegging moet onttrekken. Hij stelt zijn vraag aan de administratie uiterlijk op het moment dat hij het voltooide project-MER aan de administratie bezorgt. Hij duidt in zijn vraag aan over welke gegevens het gaat en op welke gronden de onttrekking aan de terinzagelegging moet gebeuren.
De administratie neemt een beslissing over de vraag van de initiatiefnemer uiterlijk op het moment van de goed- of afkeuring van het project-MER. Ze maakt een belangenafweging overeenkomstig het bedoelde artikel. De administratie kan de bedoelde gegevens geheel of gedeeltelijk aan terinzagelegging onttrekken. Als ze beslist tot hele of gedeeltelijke onttrekking aan de terinzagelegging van de aangeduide gegevens, moet ze de relevante gegevens opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet ter inzage gelegd van het publiek.
§ 3. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen inzake het gebruik van het project-MER bij de verdere besluitvorming over het voorgenomen project en inzake de bekendmaking van het definitieve besluit over het project.
§ 4. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de wijze waarop de bevoegde autoriteiten en de burgers van de lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, bedoeld in artikel 4.3.4, § 5, hun commentaar op het goedgekeurde project-MER en het voorgenomen project kunnen meedelen, en betreffende de wijze waarop hierover overleg wordt gepleegd.
Het definitieve vergunningsbesluit wordt opgestuurd aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, bedoeld in artikel 4.3.4, § 5.
HOOFDSTUK IV. - Veiligheidsrapportage over ruimtelijke uitvoeringsplannen.
Art. 4.4.1. § 1. De veiligheidsrapportage, bedoeld in dit hoofdstuk, heeft betrekking op de opmaak van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, bedoeld in het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, teneinde uitvoering te geven aan de verplichtingen, bepaald in artikel 24 van het samenwerkingsakkoord.
§ 2. De Vlaamse regering stelt de criteria vast op basis waarvan de administratie beslist of de opmaak van een ruimtelijke veiligheidsrapport al dan niet vereist is.
Art. 4.4.2. § 1. Het ruimtelijk veiligheidsrapport wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid en op kosten van de initiatiefnemer.
De initiatiefnemer moet hiervoor een beroep doen op een erkende VR-deskundige. Hij stelt aan de erkende deskundige alle relevante informatie die voorhanden is ter beschikking. Hij verleent alle medewerking opdat de erkende deskundige zijn taak naar behoren kan vervullen.
§ 2. De erkende deskundige mag geen belang hebben bij de exploitatie van bestaande of voorgenomen inrichtingen die eventueel in het RVR aan bod komen. Hij voert zijn opdracht volledig onafhankelijk uit.
§ 3. Tijdens het opstellen van het ruimtelijk veiligheidsrapport is de erkende deskundige gehouden tot overleg met de administratie. De erkende deskundige moet in voorkomend geval de schriftelijke richtlijnen van de administratie in acht nemen.
Art. 4.4.3. Het ruimtelijk veiligheidsrapport bestaat uit ten minste volgende onderdelen :
1° een algemeen deel dat de volgende informatie bevat :
a) een beschrijving van de doelstellingen en krachtlijnen van het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan, met inbegrip van een kaart op aangepaste schaal;
b) een overzicht van de motieven voor de opmaak van het ruimtelijk uitvoeringplan;
c) een beschrijving van de in beschouwing genomen alternatieven voor het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan of een schets van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven voor bepaalde onderdelen ervan, telkens met inbegrip van de overwegingen ter zake van de initiatiefnemer;
d) een vergelijking tussen de beschreven alternatieven en het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan of de desbetreffende onderdelen ervan;
2° een deel betreffende de invloed van het ruimtelijk uitvoeringsplan op de risico's op zware ongevallen voor mens en milieu dat de volgende informatie bevat :
a) een beschrijving van de methodieken die werden gebruikt voor de bepaling en de beoordeling van de risico's op zware ongevallen voor mens en milieu met inbegrip van een opsomming en omschrijving van de relevante criteria die in het ruimtelijk veiligheidsrapport gebruikt worden voor de afbakening van de risicozones;
b) in voorkomend geval informatie over de aan de bestaande inrichtingen verbonden risico's op zware ongevallen voor mens en milieu en over de veiligheidsmaatregelen die bestaande inrichtingen hebben genomen en/of kunnen nemen ter voorkoming van zware ongevallen en ter beperking van de gevolgen ervan voor mens en milieu;
c) voor het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan en de beschreven alternatieven, een wetenschappelijke beoordeling van de invloed van de in beschouwing genomen ontwikkelingen rond bestaande inrichtingen en/of van de mogelijke vestiging van nieuwe inrichtingen op de risico's op zware ongevallen voor mens en milieu met inbegrip van de afgebakende risicozones;
d) op basis van de in c) bedoelde beoordeling, aanbevelingen over :
1) de voorziene stedenbouwkundige voorschriften onder meer in het licht van de vereiste om ook op lange termijn voldoende afstand te bewaren tussen de onder het samenwerkingsakkoord vallende inrichtingen en bepaalde kwetsbare gebieden, bedoeld in artikel 24, § 1, laatste lid, van het samenwerkingsakkoord;
2) de aanvullende maatregelen die bestaande inrichtingen kunnen nemen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken teneinde de risico's niet te vergroten;
e) een globale evaluatie van het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan en van de beschreven alternatieven in het kader van het beleid inzake voorkoming van zware ongevallen en beperking van de gevolgen ervan voor mens en milieu;
3° een opgave van de moeilijkheden, technische leemten of ontbrekende kennis die de initiatiefnemer en/of de erkende deskundige eventueel hebben ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste informatie en de daaruit voortvloeiende implicaties voor de wetenschappelijkheid van het rapport;
4° een niet-technische samenvatting van de verstrekte gegevens zoals omschreven in 1° tot en met 3°.
Art. 4.4.4. § 1. De initiatiefnemer bezorgt het voltooide ruimtelijk veiligheidsrapport door betekening of tegen ontvangstbewijs aan de administratie.
§ 2. De administratie toetst het RVR inhoudelijk aan :
1° de overeenkomstig artikel 4.4.3 vereiste gegevens;
2° de eventuele schriftelijke richtlijnen, bedoeld in artikel 4.4.2, § 3.
Het resultaat van de toetsing wordt opgenomen in het RVR-verslag en leidt tot de goed- of afkeuring van het ruimtelijk veiligheidsrapport. Als de administratie het ruimtelijk veiligheidsrapport afkeurt, vermeldt het verslag alle punten waarop het rapport tekortschiet. De administratie keurt het voltooide ruimtelijk veiligheidsrapport onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van vijftig dagen na ontvangst ervan, goed of af.
§ 3. De administratie betekent haar beslissing betreffende de goed- of afkeuring van het ruimtelijk veiligheidsrapport binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst ervan aan :
1° de initiatiefnemer;
2° de erkende deskundige die het ruimtelijk veiligheidsrapport heeft opgesteld.
De beslissing bevat ook een afschrift van het RVR-verslag, bedoeld in § 2, en vermeldt dat de initiatiefnemer tegen de beslissing een gemotiveerd verzoek tot heroverweging kan betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van twintig dagen.
§ 4. De initiatiefnemer kan een gemotiveerd verzoek tot heroverweging van deze beslissing aan de administratie betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs. Artikel 4.6.4 is van overeenkomstige toepassing.
Art. 4.4.5. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen inzake de opmaak, het onderzoek en het verdere gebruik van het ruimtelijk veiligheidsrapport.
HOOFDSTUK V. - Veiligheidsrapportage over de exploitatie van inrichtingen.
Afdeling I. - Toepassingsgebied.
Art. 4.5.1. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op alle inrichtingen waarvoor :
1° overeenkomstig artikel 12 van het samenwerkingsakkoord, een veiligheidsrapport moet worden opgesteld of, overeenkomstig artikel 13 van het samenwerkingsakkoord, het veiligheidsrapport opnieuw moet worden beoordeeld ingevolge een wijzing aan de inrichting; en
2° overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning een aanvraag voor een milieuvergunning of een wijziging van de milieuvergunning moet worden ingediend.
§ 2. De Vlaamse regering kan andere categorieën van inrichtingen aanwijzen waarvoor een omgevingsveiligheidsrapport moet worden opgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. De Vlaamse regering kan, in afwijking van artikel 4.5.6, bepalen dat voor deze categorieën van inrichtingen, het omgevingsveiligheidsrapport bepaalde gegevens niet hoeft te bevatten.
Afdeling II. - Aanmelding en inhoudsafbakening van het voorgenomen omgevingsveiligheidsrapport.
Art. 4.5.2. § 1. De initiatiefnemer meldt de administratie tijdig en door betekening of tegen ontvangstbewijs haar voornemen om een omgevingsveiligheidsrapport op te stellen.
§ 2. De aanmelding bevat ten minste :
1° een beschrijving en verduidelijking van het project met inbegrip van de ruimtelijke situering ervan en het exploitatieadres van de inrichting; de ruimtelijke situering bevat minstens een uittreksel van de ruimtelijke uitvoeringsplannen of de vigerende plannen van aanleg en van de topografische kaarten van de omgeving;
2° de reden van de rapportageplicht van de inrichting;
3° de vergunningen die aangevraagd moeten worden en in voorkomend geval de bestaande vergunningstoestand voor de exploitatie van de inrichting;
4° in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft voor het aanvangen van de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling, bedoeld in § 4;
5° in voorkomend geval de relevante gegevens uit vorige rapportages en uit de goedgekeurde rapporten die daaruit zijn voortgekomen;
6° in voorkomend geval de gegevens die de administratie in staat moeten stellen om te beslissen tot een beperking van het omgevingsveiligheidsrapport overeenkomstig artikel 4.5.4;
7° een document waarin, steunende op de vereisten van artikel 4.5.6 en van het v.r.-richtlijnenboek, de inhoudelijke aanpak - met inbegrip van de methodologie - van het omgevingsveiligheidsrapport wordt voorgesteld;
8° de relevante gegevens over de voorgestelde erkende deskundige, bedoeld in artikel 4.5.5, in voorkomend geval aangevuld met de lijst van deskundigen die de erkende deskundige zullen bijstaan en de taakverdeling tussen de deskundigen.
9° in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan passieve openbaarheid van de aanmelding of aangeduide delen ervan.
§ 3. De administratie neemt een beslissing over de volledigheid van de aanmelding. De beslissing vermeldt alle punten van onvolledigheid van de aanmelding. De aanmelding is onvolledig als gegevens of documenten ontbreken die vereist zijn op grond van § 2.
Als de initiatiefnemer in de aanmelding een vraag stelde tot onttrekking aan passieve openbaarheid van de aanmelding of delen ervan, maakt de administratie in haar beslissing een belangenafweging overeenkomstig artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur. De administratie kan de bedoelde gegevens geheel of gedeeltelijk onttrekken aan passieve openbaarheid. Als ze beslist tot hele of gedeeltelijke onttrekking aan passieve openbaarheid van de aangeduide gegevens, moet ze de gegevens die aan passieve openbaarheid worden onttrokken opnemen in een bijlage.
Tegen de beslissing tot onttrekking aan passieve openbaarheid staat beroep open overeenkomstig artikelen 14 tot en met 18 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur.
De procedure kan slechts worden verdergezet wanneer de aanmelding volledig is.
De administratie betekent haar beslissing aan de initiatiefnemer onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van twintig dagen na ontvangst van de aanmelding.
§ 4. Als het project ten gevolge van een zwaar ongeval waarschijnlijk betekenisvolle effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Gemeenschap en/of in verdragspartijen bij het Verdrag betreffende de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen, ondertekend in Helsinki op 17 maart 1992 en/of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten daarom verzoeken, bezorgt de administratie onverwijld aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten :
1° een afschrift van de volledig verklaarde aanmelding;
2° een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen project van toepassing is;
3° een aanduiding van de vergunningsplicht waaraan het voorgenomen project is onderworpen en een beschrijving van het doel ervan, alsook van de toepasselijke vergunningsprocedure(s).
De zending vermeldt dat de bevoegde autoriteiten binnen een termijn van veertig dagen na verzending van het afschrift, hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen.
Art. 4.5.3. § 1. De administratie neemt onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van twintig dagen na de volledigheidsverklaring van de aanmelding een beslissing over :
1° de inhoud van het omgevingsveiligheidsrapport en de inhoudelijke aanpak van de rapportage, met inbegrip van de methodologie;
2° de eventuele bijzondere richtlijnen voor het opstellen van het omgevingsveiligheidsrapport;
3° de aanstelling van de erkende deskundige die het OVR zal opstellen;
In voorkomend geval bevat de beslissing bepalingen inzake de beperking van de inhoud van het omgevingsveiligheidsrapport overeenkomstig artikel 4.5.4.
In voorkomend geval houdt de administratie bij haar beslissing rekening met de commentaren, bedoeld in artikel 4.5.2, § 4.
§ 2. De administratie deelt haar beslissing binnen een termijn van dertig dagen na de volledigverklaring van de aanmelding mee aan de initiatiefnemer, door betekening, en in voorkomend geval aan de bevoegde autoriteiten, bedoeld in artikel 4.5.2, § 4.
§ 3. Als artikel 4.5.2, § 4 van toepassing is, worden de termijnen, bedoeld in §§ 1 en 2, verlengd tot tachtig, respectievelijk negentig dagen.
§ 4. De initiatiefnemer kan een gemotiveerd verzoek tot heroverweging van deze beslissing aan de administratie betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs. Artikel 4.6.4 is van overeenkomstige toepassing.
§ 5. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen inzake de aanmelding, de bezorging van het afschrift, de mogelijkheid om commentaren uit te brengen en de inhoudsafbakening.
Art. 4.5.4. Als de initiatiefnemer aantoont dat bepaalde in de inrichting of in een deel van de inrichting zelf aanwezige stoffen geen zwaar ongeval teweeg kunnen brengen overeenkomstig de criteria, bedoeld in artikel 12, § 5, van het samenwerkingsakkoord, kan de administratie beslissen dat de gegevens van het omgevingsveiligheidsrapport beperkt worden tot diegene die van belang zijn voor de voorkoming van de resterende risico's op zware ongevallen en voor de beperking van de gevolgen daarvan voor mens en milieu.
Als de administratie beslist om de gegevens van het omgevingsveiligheidsrapport te beperken, stuurt ze haar beslissing en alle nodige informatie onmiddellijk en in ieder geval voor de vergunningsbeslissing naar de Commissie van de Europese Gemeenschap.
Afdeling III. - Opstellen van het omgevingsveiligheidsrapport.
Art. 4.5.5. § 1. Het omgevingsveiligheidsrapport wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid en op kosten van de initiatiefnemer.
De initiatiefnemer moet hiervoor een beroep doen op een erkende deskundige. Hij stelt aan de erkende deskundige alle relevante informatie ter beschikking die voorhanden is. Hij verleent alle medewerking opdat de erkende deskundige zijn taak naar behoren kan vervullen.
§ 2. De erkende deskundige mag geen belang hebben bij de desbetreffende exploitatie. Hij voert zijn opdracht volledig onafhankelijk uit.
§ 3. Tijdens het opstellen van het omgevingsveiligheidsrapport is de erkende deskundige gehouden tot overleg met de administratie. De erkende deskundige moet in voorkomend geval de aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van de administratie als aanvulling op de afgebakende inhoud, bedoeld in artikel 4.5.3, § 1, 1° en 2°, in acht nemen.
Art. 4.5.6. Onverminderd de toepassing van artikel 4.5.4 bevat het omgevingsveiligheidsrapport tenminste de volgende gegevens, in de mate dat die beschikbaar kunnen zijn :
1° inlichtingen over het beheersysteem en de organisatie van de inrichting met het oog op de preventie van zware ongevallen. Deze inlichtingen moeten de punten bestrijken die in artikel 10 van het samenwerkingsakkoord zijn vervat.
2° presentatie van de omgeving van de inrichting :
a) een beschrijving van de locatie, met inbegrip van de geografische ligging, de meteorologische, geologische en hydrografische gegevens met inbegrip van de voor de veiligheid relevante elementen van de voorgeschiedenis;
b) een identificatie van de externe gevaarbronnen en gevoelige omgevingsobjecten alsmede de informatie die over deze bronnen beschikbaar is;
c) een beschrijving van de zones die door een zwaar ongeval kunnen worden getroffen;
3° beschrijving van de inrichting :
a) identificatie van de installaties en activiteiten binnen de inrichting die een zwaar ongeval teweeg kunnen brengen;
b) beschrijving van de activiteiten en producten uit de gedeelten van de inrichting die belangrijk zijn vanuit het oogpunt van de veiligheid;
c) beschrijving van procédés en werkwijzen;
d) beschrijving van de gevaarlijke stoffen :
1) een lijst van de gevaarlijke stoffen, die bestaat uit :
- de beschrijving van de gevaarlijke stoffen : chemische naam, CAS-nummer, naam volgens de IUPAC-nomenclatuur;
- de maximale hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen die aanwezig zijn of kunnen zijn;
2) fysische, chemische en toxicologische kenmerken en gegevens, zowel over de onmiddellijk als over later optredende gevaren voor mens en milieu;
3) het fysische of chemische gedrag onder normale gebruiksvoorwaarden of bij voorzienbare ongevallen;
4° identificatie en analyse van de zware ongevallen met mogelijke gevolgen voor de omgeving (mens en milieu) en de preventiemiddelen :
a) gedetailleerde beschrijving van de scenario's voor mogelijke zware ongevallen en de omstandigheden waarin die zich kunnen voordoen, inclusief een samenvatting van de voorvallen die bij het op gang brengen van deze scenario's een belangrijke rol kunnen spelen, ongeacht of de oorzaken binnen of buiten de installatie liggen;
b) beschrijving van de mogelijke oorzaken van zware ongevallen en van de omstandigheden waarin zo'n zwaar ongeval zich zou kunnen voordoen, vergezeld van een beschrijving van de genomen preventieve maatregelen;
c) kwantificering van de risico's, zoals aangegeven in het v.r.-richtlijnenboek, verbonden aan de in a) beschreven scenario's;
d) beoordeling van de omvang en de ernst van de mogelijke gevolgen van de geïdentificeerde zware ongevallen;
e) beschrijving van de technische parameters die van belang zijn voor de veiligheid van de installaties en van de apparatuur die werd gepland voor de veiligheid van de installaties;
5° beschermings- en interventiemaatregelen om de gevolgen van een zwaar ongeval te beperken :
a) beschrijving van de technische parameters die van belang zijn voor de veiligheid van de installaties en van de apparatuur die werd gepland voor de veiligheid van de installaties;
b) beschrijving van de apparatuur die op de installatie is aangebracht om de gevolgen van zware ongevallen te beperken; organisatie van het alarm en de interventie;
c) beschrijving van de inzetbare interne of externe middelen;
d) beschrijving van het interne noodplan, bedoeld in artikel 15 van het samenwerkingsakkoord;
6° een beschrijving en beoordeling van de preventieve en gevolgbeperkende maatregelen van technische en organisatorische aard die de initiatiefnemer zal nemen, met inbegrip van de termijn waarop die verwezenlijkt zullen worden;
7° een schets van alternatieven die redelijkerwijze in beschouwing kunnen worden genomen naar locatie, inplanting, procédé en hoeveelheden gevaarlijke stoffen, inbegrepen het nulalternatief en de sluiting van de inrichting;
8° een opgave van de moeilijkheden, technische leemten of ontbrekende kennis die de initiatiefnemer en/of de deskundigen eventueel hebben ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste informatie en de gevolgen daarvan voor de wetenschappelijkheid van het rapport;
9° een niet-technische samenvatting van de verstrekte gegevens zoals omschreven in 1° tot en met 8°.
Afdeling IV. - Het onderzoek en het gebruik van het omgevingsveiligheidsrapport.
Art. 4.5.7. § 1. De initiatiefnemer bezorgt het voltooide omgevingsveiligheidsrapport door betekening of tegen ontvangstbewijs aan de administratie.
§ 2. De administratie toetst het OVR inhoudelijk aan :
1° de beslissing, bedoeld in artikel 4.5.3, § 1;
2° de eventuele aanvullende bijzondere richtlijnen, bedoeld in artikel 4.5.5, § 3;
3° de overeenkomstig artikel 4.5.6 vereiste gegevens.
Het resultaat van de toetsing wordt opgenomen in het OVR-verslag en leidt tot de goed- of afkeuring van het omgevingsveiligheidsrapport. Als de administratie het omgevingsveiligheidsrapport afkeurt, vermeldt het verslag alle punten waarop het omgevingsveiligheidsrapport tekortschiet. De administratie keurt het omgevingsveiligheidsrapport onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst ervan, goed of af. De administratie kan gemotiveerd beslissen om deze termijn te verlengen tot vijftig dagen. Zij betekent de verlengingsbeslissing binnen de hiervoor bedoelde termijn van dertig dagen.
§ 3. De administratie bezorgt haar beslissing betreffende de goed- of afkeuring van het omgevingsveiligheidsrapport binnen een termijn van veertig dagen, respectievelijk zestig dagen in geval van termijnverlenging, na ontvangst ervan aan :
1° de initiatiefnemer, door betekening;
2° de overheden die in voorkomend geval uitspraak zullen moeten doen over een vergunningsaanvraag voor de exploitatie van de inrichting;
3° het college van burgemeester en schepenen van de gemeente of gemeenten waar de inrichting is gelegen;
4° in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten, bedoeld in artikel 4.5.2, § 4;
5° de erkende deskundige die het rapport heeft opgesteld.
Deze beslissing bevat ook een afschrift van het OVR-verslag, bedoeld in § 2, en vermeldt dat de initiatiefnemer tegen de beslissing een gemotiveerd verzoek tot heroverweging kan betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van twintig dagen.
§ 4. De initiatiefnemer kan een gemotiveerd verzoek tot heroverweging van deze beslissing aan de administratie betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs. Artikel 4.6.4 is van overeenkomstige toepassing.
Art. 4.5.8. § 1. Vanaf de betekening van de beslissing, bedoeld in artikel 4.5.7, § 3, liggen het goedgekeurde omgevingsveiligheidsrapport, het OVR-verslag, bedoeld in artikel 4.5.7, § 2, de beslissing, bedoeld in artikel 4.5.3, § 1, en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, bedoeld in artikel 4.5.5, § 3, ter inzage bij de administratie.
§ 2. De initiatiefnemer kan aan de administratie vragen om te onderzoeken of ze, overeenkomstig artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur, gegevens in de in § 1 bedoelde stukken aan terinzagelegging moet onttrekken. Hij stelt zijn vraag aan de administratie uiterlijk op het moment dat hij het voltooide OVR aan de administratie bezorgt. Hij duidt in zijn vraag aan over welke gegevens het gaat en op welke gronden de onttrekking aan de terinzagelegging moet gebeuren.
De administratie neemt een beslissing over de vraag van de initiatiefnemer uiterlijk op het moment van de goed- of afkeuring van het OVR. Ze maakt een belangenafweging overeenkomstig het bedoelde artikel. De administratie kan de bedoelde gegevens geheel of gedeeltelijk aan terinzagelegging onttrekken. Als ze beslist tot hele of gedeeltelijke onttrekking aan de terinzagelegging van de aangeduide gegevens, moet ze de relevante gegevens opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet ter inzage gelegd van het publiek.
§ 3. Bij de verdere besluitvorming over het voorgenomen project moet rekening worden gehouden met de noodzaak om risicoactiviteiten gescheiden en op voldoende afstand te houden van woongebieden, door publiek bezochte gebieden, ruimtelijk kwetsbare gebieden en door de Vlaamse regering nader te omschrijven bijzonder kwetsbare gebieden.
De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen inzake het gebruik van het omgevingsveiligheidsrapport bij de verdere besluitvorming over het voorgenomen project en inzake de bekendmaking van het besluit over het project.
§ 4. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de wijze waarop de bevoegde autoriteiten en de burgers van de lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, bedoeld in artikel 4.5.2, § 4, hun commentaar op het goedgekeurde omgevingsveiligheidsrapport en het voorgenomen project kunnen meedelen, en betreffende de wijze waarop hierover overleg wordt gepleegd.
Het definitieve vergunningsbesluit betreffende het project wordt opgestuurd aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, bedoeld in artikel 4.5.2, § 4.
HOOFDSTUK VI. - Gemeenschappelijke aspecten van kwaliteitszorg.
Afdeling I. - De erkenning van deskundigen en coördinatoren.
Art. 4.6.1. § 1. Natuurlijke personen en publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen kunnen worden erkend :
1° voor het opstellen van milieueffectrapporten, als :
a) coördinator die een team van erkende MER-deskundigen leidt;
b) deskundige voor het meewerken in teamverband aan plan- en/of project-MER's;
2° voor het opstellen van veiligheidsrapporten, als deskundige voor het opstellen van ruimtelijke veiligheidsrapporten en/of omgevingsveiligheidsrapporten.
§ 2. De erkenning geldt voor een periode van maximaal vijf jaar en kan steeds worden ingetrokken als niet meer aan één of meer erkenningsvoorwaarden is voldaan of als de deskundige en/of coördinator zijn verplichtingen krachtens deze titel niet reglementair of objectief uitvoert.
§ 3. De voorwaarden voor erkenning hebben onder meer betrekking op :
1° de opleiding en/of ervaring van de aanvrager;
2° de beschikking over of toegang tot de relevante informatie, geschikte faciliteiten en eventuele omkadering;
3° in voorkomend geval de kwaliteit van de uitgevoerde rapportages.
§ 4. De Vlaamse regering kan bijkomende voorwaarden voor de erkenning bepalen en nadere regelen vaststellen inzake het verlenen en het intrekken van de erkenning.
Afdeling II. - De richtlijnenboeken, evaluatie en monitoring.
Art. 4.6.2. § 1. De administratie stelt een richtlijnenboek inzake milieueffectrapportage op. Dit m.e.r.-richtlijnenboek is het referentiewerk waarop de administratie, de initiatiefnemer, de erkende coördinatoren en de deskundigen zich baseren voor het goede verloop van de rapportage en voor de inhoud van een plan-MER of project-MER, met inbegrip van de methodologische aspecten.
De bijzondere en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen kunnen op gemotiveerde wijze het m.e.r.-richtlijnenboek aanvullen, strengere voorschriften bevatten of er in minder strenge zin van afwijken.
§ 2. De administratie stelt een richtlijnenboek inzake veiligheidsrapportage op. Dit v.r.-richtlijnenboek is het referentiewerk waarop de administratie, de initiatiefnemer en de deskundigen zich baseren voor het goede verloop van de rapportage en de inhoud van een ruimtelijk veiligheidsrapport of een omgevingsveiligheidsrapport, met inbegrip van de methodologische aspecten.
De bijzondere en in voorkomend geval aanvullende bijzondere richtlijnen kunnen op gemotiveerde wijze het v.r.-richtlijnenboek aanvullen, strengere voorschriften bevatten of er in minder strenge zin van afwijken.
§ 3. De administratie is verantwoordelijk voor de geregelde actualisering van de richtlijnenboeken op basis van de wetenschappelijke en maatschappelijke ontwikkelingen, alsook de evaluatie van de ervaringen met milieueffect- en veiligheidsrapportages.
Art. 4.6.3. § 1. De administratie kan over een gerealiseerde actie of over categorieën van acties die gedurende een bepaalde periode werden uitgevoerd en waarvoor een project-MER of plan-MER werd opgesteld, een evaluatie of een monitoringonderzoek organiseren.
§ 2. Als de administratie een evaluatie of monitoringonderzoek organiseert, moet de initiatiefnemer alle medewerking verlenen en alle inlichtingen verstrekken die redelijkerwijs nuttig zijn voor dit onderzoek.
§ 3. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen voor de procedure van de evaluatie en het monitoringonderzoek.
Afdeling III. - De adviescommissie.
Art. 4.6.4. § 1. Op gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer kan de administratie na advies van een adviescommissie de door de initiatiefnemer gespecificeerde elementen van volgende beslissingen in heroverweging nemen :
1° inzake milieueffectrapportage :
a) het toepassen van de verplichting tot het opstellen van een project-MER, bedoeld in artikel 4.3.3, §§ 2 en 3;
b) de inhoudelijke vereisten en de verstrekte richtlijnen betreffende het plan-MER of project-MER, bedoeld in respectievelijk artikel 4.2.5, § 1, en artikel 4.3.5, § 1;
c) de afkeuring van het plan-MER of project-MER, bedoeld in respectievelijk artikel 4.2.8, § 2, en artikel 4.3.8, § 2;
2° inzake veiligheidsrapportage :
a) de inhoudelijke vereisten en de verstrekte richtlijnen betreffende het omgevingsveiligheidsrapport, bedoeld in artikel 4.5.3, § 1;
b) de afkeuring van het ruimtelijk veiligheidsrapport of het omgevingsveiligheidsrapport, bedoeld in respectievelijk artikel 4.4.4 en artikel 4.5.7.
Op gemotiveerd verzoek van de administraties, overheidsinstellingen of organisaties, bedoeld in artikel 4.2.4, § 4, eerste lid, kan de administratie na advies van een adviescommissie de door de verzoeker gespecificeerde elementen van de beslissing over de inhoudelijke vereisten en de verstrekte richtlijnen betreffende het plan-MER bedoeld in artikel 4.2.5, § 1, in heroverweging nemen.
§ 2. De verzoeker betekent zijn verzoek aan de administratie, of geeft het af tegen ontvangstbewijs, binnen een termijn van twintig dagen na ontvangst van de beslissing, bedoeld in § 1.
§ 3. Binnen een termijn van twintig dagen na ontvangst van het verzoek, bedoeld in § 2, wijst de leidend ambtenaar van de administratie drie of vijf leden van de adviescommissie aan. Deze leden zijn :
1° ofwel, deskundigen met ervaring op het gebied van de beoordeling van milieueffecten of risico's op zware ongevallen die geen rapporten opstellen overeenkomstig dit decreet; ze kunnen wel actief zijn in andere gewesten, in het kader van federale regelgeving of in het buitenland;
2° ofwel, deskundigen op het vlak van de problematiek die aan de adviescommissie wordt voorgelegd die evenwel geen erkende deskundigen zijn.
De leden van de adviescommissie wijzen een voorzitter aan.
Ze mogen geen belang hebben bij het al dan niet realiseren van de voorgenomen actie of de alternatieven en mogen niet hebben deelgenomen aan de beslissingen in het kader van de desbetreffende rapportages.
§ 4. De adviescommissie formuleert een advies binnen een termijn van veertig dagen na ontvangst van het verzoek, bedoeld in § 2, en deelt het advies onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van tien dagen mee aan de administratie.
Voor zover het advies unaniem is, is het bindend.
§ 5. Als het advies bindend is, volgt de administratie het onverwijld op.
In alle andere gevallen neemt de administratie een beslissing onverwijld en binnen een termijn van zeventig dagen na ontvangst van het verzoek, bedoeld in § 2. Ze houdt daarbij rekening met het advies.
De administratie keurt het rapport goed of af. Als de administratie het rapport afkeurt, geeft ze alle punten aan waarop het tekortschiet.
§ 6. De administratie bezorgt de beslissing onverwijld en binnen een termijn van tachtig dagen na ontvangst van het verzoek, bedoeld in § 2, aan :
1° de initiatiefnemer en de verzoeker, door betekening;
2° in voorkomend geval de door de Vlaamse regering aangewezen betrokkenen.
§ 7. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de instelling, de vergoeding en de werking van de adviescommissie.
HOOFDSTUK VII. - Toezichts- en strafbepalingen.
Art. 4.7.1. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie houden de ambtenaren van de door de Vlaamse regering aangewezen dienst toezicht op de naleving van de verplichting tot het opstellen van de rapporten.
Art. 4.7.2. De initiatiefnemer die verplicht is om een rapport op te stellen, maar dit verzuimt, wordt gestraft met een geldboete van 30 tot 30.000 euro. "
"TITEL IV. - Milieueffect- en veiligheidsrapportage
HOOFDSTUK I. - Definities, procedurele bepalingen, doelstellingen en kenmerken van de milieueffect- en veiligheidsrapportage.
Afdeling I. - Definities.
Art. 4.1.1. § 1. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, wordt verstaan onder :
1° milieueffectrapportage : de procedure die al dan niet leidt tot het opstellen en goedkeuren van een milieueffectrapport over een voorgenomen actie en in voorkomend geval tot het gebruik ervan als hulpmiddel bij de besluitvorming omtrent deze actie, hierna m.e.r. te noemen;
2° veiligheidsrapportage : de procedure die al dan niet leidt tot het opstellen en goedkeuren van een ruimtelijk veiligheidsrapport of een omgevingsveiligheidsrapport over een voorgenomen actie en in voorkomend geval tot het gebruik ervan als hulpmiddel bij de besluitvorming omtrent deze actie, hierna v.r. te noemen;
3° actie : een plan, programma en/of project;
4° plan of programma : een document waarin beleidsvoornemens, beleidsontwikkelingen of grootschalige overheids-, particuliere of gemengde activiteiten worden aangekondigd en dat wordt opgemaakt en vastgesteld, gewijzigd of herzien op initiatief of onder toezicht van het Vlaamse Gewest, de provincies, de intercommunales en/of de gemeenten, en/of van de federale overheid of waarvoor medefinanciering voorzien is door de Europese Gemeenschap of door het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap in het kader van de internationale samenwerking, voorzover het voorgenomen plan of programma aanzienlijke milieu- of veiligheidseffecten kan hebben op het grondgebied van het Vlaamse Gewest;
5° project :
a) een voorgenomen vergunningsplichtige activiteit of een vergunningsplichtige activiteit die moet worden hervergund bij het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende vergunning en die bestaat uit :
- de uitvoering van bouwwerken, de totstandbrenging en in voorkomend geval de exploitatie van andere installaties, werkzaamheden of andere ingrepen in het milieu, inclusief de grondwaterwinningen en de ingrepen voor de ontginning van natuurlijke rijkdommen; of
- de exploitatie van een inrichting; dit is het hele door een exploitant beheerde gebied waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in een of meer installaties, met inbegrip van gemeenschappelijke of bijbehorende infrastructuur of activiteiten; of
b) een voorgenomen activiteit met negatieve gevolgen voor het milieu die wordt meegefinancierd door het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap in het kader van de internationale samenwerking;
6° rapport : een milieueffectrapport over een plan of programma, een milieueffectrapport over een project, een ruimtelijk veiligheidsrapport of een omgevingsveiligheidsrapport;
7° milieueffectrapport over een plan of programma : een openbaar document waarin, van een voorgenomen plan of programma en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven, de te verwachten gevolgen voor mens en milieu in hun onderlinge samenhang op een systematische en wetenschappelijk verantwoorde wijze worden geanalyseerd en geëvalueerd, en aangegeven wordt op welke wijze de aanzienlijke milieueffecten vermeden, beperkt, verholpen of gecompenseerd kunnen worden, hierna plan-MER te noemen;
8° milieueffectrapport over een project : een openbaar document waarin, van een voorgenomen project en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven, de te verwachten gevolgen voor mens en milieu in hun onderlinge samenhang op een systematische en wetenschappelijk verantwoorde wijze worden geanalyseerd en geëvalueerd, en aangegeven wordt op welke wijze de aanzienlijke milieueffecten vermeden, beperkt, verholpen of gecompenseerd kunnen worden, hierna project-MER te noemen;
9° ruimtelijk veiligheidsrapport : een openbaar document waarin, van een voorontwerp van ruimtelijke uitvoeringsplan en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven, een wetenschappelijke beoordeling wordt gegeven van de geplande ontwikkelingen met betrekking tot nieuwe of bestaande inrichtingen en hun omgeving, wanneer de plaats van vestiging ervan of de ontwikkelingen zelf het risico op een zwaar ongeval kunnen vergroten of de gevolgen ervan ernstiger kunnen maken, hierna RVR te noemen;
10° omgevingsveiligheidsrapport : een openbaar document waarin - naast een beschrijving van het veiligheidsbeheersysteem van een inrichting - van een project en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven, de scenario's voor zware ongevallen in hun onderlinge samenhang op een systematische en wetenschappelijk verantwoorde wijze worden geïdentificeerd, geanalyseerd en geëvalueerd, en wordt aangetoond welke maatregelen kunnen en zullen worden getroffen om die zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen ervan voor mens en milieu te beperken, hierna OVR te noemen;
11° niet-technische samenvatting : een samenvatting van een rapport die begrijpelijk is voor het publiek en toelaat om een voldoende zicht te krijgen op de milieueffecten of de mogelijke zware ongevallen en de mogelijke of te nemen maatregelen;
12° administratie : de door de Vlaamse regering aangewezen diensten die bevoegd zijn voor het leefmilieu;
13° initiatiefnemer :
a) voor wat de verplichtingen inzake de ruimtelijke uitvoeringsplannen betreft : de overheid die het initiatief neemt tot opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan overeenkomstig artikelen 41, 44 en 48 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening;
b) voor wat de verplichtingen inzake de overige plannen en programma's betreft, in dalende volgorde van voorkeur : de publiek- of privaatrechtelijke organisatie die verantwoordelijk is voor de opmaak van een plan of programma; of de overheid die verantwoordelijk is voor de vaststelling van een plan of programma of voor het toezicht daarop;
c) voor wat de verplichtingen inzake projecten betreft : de aanvrager of houder van een vergunning voor een project;
14° het samenwerkingsakkoord : het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, goedgekeurd bij het decreet van 17 juli 2000;
15° betekening : het verzenden bij ter post aangetekende brief, met bericht van ontvangst;
16° ontvangstbewijs : de schriftelijke bevestiging van ontvangst van een zending, getekend door de geadresseerde of zijn gemachtigde;
17° dag : kalenderdag;
18° publiek : een of meer natuurlijke of rechtspersonen en hun verenigingen, organisaties of groepen.
§ 2. De definities in het samenwerkingsakkoord gelden voor alle bepalingen van deze titel die betrekking hebben op de veiligheidsrapportage.
Afdeling II. - Algemene bepalingen met betrekking tot de procedures.
Art. 4.1.2. § 1. De termijnen gaan in :
1° in geval van betekening, op de dag na de datum van de poststempel;
2° in geval van afgifte tegen ontvangstbewijs, op de dag na de datum van het ontvangstbewijs.
Betekeningen en mededelingen van eenzelfde beslissing of document aan meer dan één persoon, gebeuren op dezelfde dag.
§ 2. De termijnen verstrijken om middernacht van de laatste dag.
Art. 4.1.3. De initiatiefnemer doet bij de kennisgeving of de aanmelding of het verzoek tot vrijstelling of ontheffing keuze van woonst in België. Alle betekeningen en mededelingen geschieden aan de gekozen woonplaats.
Wijziging van keuze van woonplaats wordt betekend aan de administratie.
Afdeling III. - Doelstelling en kenmerken.
Art. 4.1.4. § 1. De milieueffect- en veiligheidsrapportage beoogt, in de besluitvorming over acties die aanzienlijke milieueffecten kunnen veroorzaken en/of die een zwaar ongeval teweeg kunnen brengen, aan het milieubelang en de veiligheid en de gezondheid van de mens een plaats toe te kennen die evenwaardig is aan de sociale, economische en andere maatschappelijke belangen.
§ 2. Ter realisatie van de doelstelling, bedoeld in § 1, heeft de milieueffect- en veiligheidsrapportage als essentiële kenmerken :
1° de systematische en wetenschappelijk verantwoorde analyse en evaluatie van de te verwachten, of in het geval van zware ongevallen mogelijke, gevolgen voor mens en milieu, van een voorgenomen actie en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven voor de actie of onderdelen ervan, en de beschrijving en evaluatie van de mogelijke maatregelen om de gevolgen van de voorgenomen actie op een samenhangende wijze te vermijden, te beperken, te verhelpen of te compenseren;
2° de kwaliteitsbeoordeling van de verzamelde informatie;
3° de actieve openbaarheid van de rapportage en de besluitvorming over de voorgenomen actie.
Afdeling IV. - Relaties tussen rapportages.
Art. 4.1.5. In voorkomend geval wordt in latere rapportages, die worden opgesteld krachtens deze titel, rekening gehouden met de rapportages die krachtens deze titel werden uitgevoerd in eerdere stadia van de besluitvorming en met de goedgekeurde rapporten die daarvan het resultaat waren.
Art. 4.1.6. § 1. Als meerdere rapportages moeten worden uitgevoerd, hetzij krachtens deze titel, hetzij krachtens deze titel en andere gewestelijke en/of federale regelgeving, neemt de administratie op eigen initiatief of op verzoek van de initiatiefnemer(s) een beslissing over de mogelijkheid tot afstemming of integratie van de verschillende rapporten en voorzover mogelijk van de verschillende rapportages. Er wordt in ieder geval naar gestreefd dat de verschillende rapportages zoveel mogelijk gelijktijdig worden uitgevoerd.
De administratie neemt een beslissing over de wenselijkheid van de afstemming of integratie uiterlijk bij haar beslissing over de inhoud van het rapport, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1, 4.3.5, § 1, en 4.5.3, § 1.
De administratie en de initiatiefnemer(s) plegen hierover vooraf overleg.
§ 2. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de modaliteiten van de afstemming en integratie van de rapportages en rapporten in de gevallen bedoeld in dit artikel.
Deze afstemming of integratie kan betrekking hebben op rapportages in verschillende beleidsdomeinen.
Afdeling V. - Doorwerking in de besluitvorming.
Art. 4.1.7. De overheid houdt bij haar beslissing over de voorgenomen actie, en in voorkomend geval ook bij de uitwerking ervan, rekening met het goedgekeurde rapport of de goedgekeurde rapporten en met de opmerkingen en commentaren die daarover werden uitgebracht.
Zij motiveert elke beslissing over de voorgenomen actie in het bijzonder op volgende punten :
1° de keuze voor de voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde deelalternatieven, behalve dan voor wat het omgevingsveiligheidsrapport betreft;
2° de aanvaardbaarheid van te verwachten of mogelijke gevolgen voor mens of milieu van het gekozen alternatief;
3° de in het rapport of de rapporten voorgestelde maatregelen.
HOOFDSTUK II. - Milieueffectrapportage over plannen en programma's.
Afdeling I. - Toepassingsgebied.
Art. 4.2.1. Voorgenomen plannen en programma's worden, alvorens ze kunnen worden goedgekeurd, aan een milieueffectrapportage onderworpen in de gevallen bepaald in dit hoofdstuk.
Art. 4.2.2. § 1. De Vlaamse regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage I, de plannen en programma's aan die worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffectrapportage.
§ 2. De Vlaamse regering beslist geval per geval en aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage I, of andere plannen en programma's dan die vermeld in §§ 1 en 3 al dan niet worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffect-rapportage omdat zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.
§ 3. De Vlaamse regering wijst de plannen en programma's aan die niet worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffectrapportage omdat de desbetreffende besluitvormingsprocedure de in artikel 4.1.4, § 2, opgesomde essentiële kenmerken van de milieueffectrapportage heeft.
§ 4. Vooraleer zij een beslissing neemt overeenkomstig §§ 1, 2 of 3, raadpleegt de Vlaamse regering de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen.
Bij een beslissing overeenkomstig §§ 1 of 2 duidt de Vlaamse regering eveneens de administraties, overheidsinstellingen en organisaties die een vertegenwoordiger hebben in SERV of MINA-Raad aan, die overeenkomstig artikel 4.2.4, § 4, eerste lid, een afschrift van de kennisgeving moeten ontvangen.
De beslissingen van de Vlaamse regering, alsmede de motivatie ervoor, worden bekendgemaakt.
§ 5. Wanneer een plan of programma dat overeenkomstig dit artikel al dan niet aan milieueffectrapportage moet worden onderworpen en dat is opgesteld met het doel om te worden omgezet in een thematisch gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, bedoeld in artikel 37 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, nadien wordt omgezet in een thematisch gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan dat wel valt onder de toepassing van dit hoofdstuk, dan is voor dat ruimtelijk uitvoeringsplan voldaan aan de bepalingen van dit hoofdstuk als :
- het daaraan voorafgaande planningsproces beantwoordt aan de in artikel 4.1.4, § 2, bedoelde essentiële kenmerken; of
- het daarvoor opgestelde plan-MER is opgesteld conform de bepalingen van dit hoofdstuk en kan gelden als plan-MER voor het thematisch gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan.
De plenaire vergadering, bedoeld in artikel 41 of 44 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, wordt slechts aangekondigd nadat de initiatiefnemer van het plan of programma, respectievelijk van het ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan ten aanzien van de administratie heeft aangetoond dat aan de in het eerste lid bedoelde verplichtingen is voldaan.
De Vlaamse regering bepaalt wat moet worden verstaan onder een thematisch ruimtelijk uitvoeringsplan.
Ze kan nadere regelen vaststellen inzake de in het eerste lid bedoelde verplichtingen.
Art. 4.2.3. § 1. De Vlaamse regering kan op gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer een voorgenomen plan of programma dat overeenkomstig artikel 4.2.2 aan milieueffectrapportage moet worden onderworpen, vrijstellen van milieueffectrapportage als de bescherming van het algemeen belang noodzakelijk maakt dat op een noodsituatie wordt gereageerd met het onverwijld opmaken, vaststellen en uitvoeren van het plan of programma.
De Vlaamse regering gaat in dit geval na of er geen andere vorm van beoordeling geschikt is en of de aldus verzamelde informatie ter beschikking van het publiek wordt gesteld.
§ 2. Onverminderd § 5, kan de administratie op gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer een voorgenomen plan of programma dat overeenkomstig artikel 4.2.2 aan milieueffectrapportage moet worden onderworpen, toch ontheffen van milieueffectrapportage als ze oordeelt dat :
1° een toetsing aan de criteria van bijlage I uitwijst dat het voorgenomen plan of programma geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu omdat het plan of programma het gebruik van een klein gebied op lokaal niveau bepaalt of omdat het kleine wijzigingen aan een plan of programma betreft; of
2° het voorgenomen plan of programma een uitwerking, herziening of voortzetting inhoudt van een plan of programma waarvoor reeds eerder een plan-MER werd goedgekeurd, en een nieuw plan-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens betreffende aanzienlijke milieueffecten kan bevatten; of
3° een toetsing aan de criteria van bijlage I uitwijst dat het voorgenomen plan of programma geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu en het geen plan of programma betreft als bedoeld in artikel 3, § 2, van de Richtlijn betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's.
§ 3. Het verzoek, bedoeld in §§ 1 of 2, bevat ten minste :
1° een beschrijving en verduidelijking van het voorgenomen plan of programma, in voorkomend geval met inbegrip van een afbakening van het gebied waarop het plan of programma betrekking heeft;
2° in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft voor het aanvangen van de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling, bedoeld in § 5;
3° de verantwoording voor het verzoek en alle relevante gegevens ter staving ervan.
§ 4. De initiatiefnemer bezorgt het verzoek aan de administratie door betekening of tegen ontvangstbewijs.
§ 5. Als het voorgenomen plan of programma, waarvoor een ontheffingsverzoek werd ingediend overeenkomstig § 2, aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie en/of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend in Espoo op 25 februari 1991 en/of in andere gewesten of als de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten daarom verzoeken, bezorgt de administratie onverwijld de volgende informatie aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten :
1° een afschrift van het verzoek, bedoeld in § 2;
2° een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen plan of programma van toepassing is;
3° een aanduiding van de besluitvorming waaraan het voorgenomen plan of programma is onderworpen en een beschrijving van het doel ervan, alsook van de toepasselijke besluitvormingsprocedure.
De zending bevat de vermelding dat de bevoegde autoriteiten binnen een termijn van dertig dagen na de verzending van het afschrift, hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen.
§ 6. De Vlaamse regering, respectievelijk de administratie neemt onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van het verzoek tot vrijstelling of ontheffing een beslissing. In voorkomend geval bevat de beslissing tevens de voorwaarden die eraan zijn verbonden.
De beslissing wordt binnen een termijn van veertig dagen na ontvangst van het verzoek bekendgemaakt, ter inzage gelegd bij de administratie en aan de initiatiefnemer betekend.
Als de Vlaamse regering of de administratie dit gemotiveerd beslissen, worden de termijnen, bedoeld in het eerste en tweede lid van deze bepaling, verlengd tot zestig, respectievelijk zeventig dagen. In dit geval brengt de administratie de initiatiefnemer op de hoogte van de termijnverlenging.
§ 7. De definitieve beslissing wordt door de initiatiefnemer gevoegd bij het ontwerp van plan of programma dat het voorwerp zal uitmaken van besluitvorming.
§ 8. De administratie zorgt ervoor dat een afschrift van de definitieve beslissing tot vrijstelling of ontheffing, bedoeld in §§ 1 en 2, onverwijld en in ieder geval voor de beslissing over het voorgenomen plan of programma wordt verstuurd naar :
1° de Commissie van de Europese Gemeenschap;
2° in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten van de gewesten, lidstaten en verdragspartijen, bedoeld in § 5.
§ 9. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen inzake de vrijstelling en de ontheffing.
Afdeling II. - Kennisgeving en inhoudsafbakening van het voorgenomen plan-MER.
Art. 4.2.4. § 1. De initiatiefnemer brengt de administratie tijdig en door betekening of tegen ontvangstbewijs in kennis van het voorgenomen plan-MER.
§ 2. De kennisgeving bevat ten minste :
1° een beschrijving en verduidelijking van de intenties inzake het voorgenomen plan of programma en een afbakening van het gebied waarop het plan of programma betrekking heeft;
2° in voorkomend geval een afschrift van het ontwerpplan of -programma en een verwijzing naar de besluitvormingsprocedure die ervoor van toepassing is;
3° in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft voor het aanvangen van de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling, bedoeld in § 5;
4° in voorkomend geval de relevante gegevens uit vorige rapportages en uit de goedgekeurde rapporten die daaruit zijn voortgekomen;
5° een document waarin, steunend op de vereisten van artikel 4.2.7 en van het m.e.r.-richtlijnenboek, de inhoudelijke aanpak - met inbegrip van de methodologie - van het plan-MER wordt voorgesteld;
6° een beknopte beschrijving van de alternatieven voor het ontwerpplan of -programma of voor onderdelen ervan, die de initiatiefnemer heeft overwogen en, bondig weergegeven, zijn bedenkingen over de voor- en nadelen van de verschillende alternatieven;
7° de relevante gegevens over de voorgestelde erkende MER-coördinator en het voorgestelde team van MER-deskundigen, bedoeld in artikel 4.2.6, en de taakverdeling tussen de deskundigen;
8° in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging van de kennisgeving of aangeduide delen ervan.
§ 3. De administratie neemt een beslissing over de volledigheid van de kennisgeving. De beslissing vermeldt alle punten van onvolledigheid van de kennisgeving. De kennisgeving is onvolledig als gegevens of documenten ontbreken die vereist zijn op grond van § 2.
Als de initiatiefnemer in de kennisgeving een vraag stelde tot onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging van de kennisgeving of delen ervan, maakt de administratie in haar beslissing een belangenafweging overeenkomstig artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur. De administratie kan de bedoelde gegevens geheel of gedeeltelijk onttrekken aan bekendmaking en terinzagelegging. Als ze beslist tot hele of gedeeltelijke onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging van de aangeduide gegevens, moet ze de relevante gegevens opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet ter inzage gelegd van het publiek.
Tegen de beslissing tot onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging staat beroep open overeenkomstig artikel 14 tot en met 18 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur.
De procedure kan slechts worden verdergezet wanneer de kennisgeving volledig is.
De administratie betekent haar beslissing aan de initiatiefnemer onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van twintig dagen na ontvangst van de kennisgeving.
§ 4. De administratie zorgt voor de bekendmaking en de terinzagelegging van de kennisgeving binnen een termijn van tien dagen na volledigverklaring van de kennisgeving. Ze bezorgt een afschrift van de kennisgeving aan de overeenkomstig artikel 4.2.2, § 4, door de Vlaamse regering per categorie van plan of programma of geval per geval aangeduide administraties, overheidsinstellingen en/of organisaties die een vertegenwoordiger hebben in de SERV of MINA-Raad.
De administratie bezorgt de initiatiefnemer onverwijld een afschrift van de bekendmaking en informeert de initiatiefnemer over de aanvangs- en afsluitingsdatum van de terinzagelegging.
Voor de door de Vlaamse regering aangewezen plannen en programma's maakt de administratie binnen de in het eerste lid bedoelde termijn tevens een afschrift van de volledig verklaarde kennisgeving over aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente of gemeenten en/of de bestendige deputatie van de provincie of provincies, waarvoor het plan of programma relevant is. De gemeenten en/of provincies leggen het afschrift ter inzage van het publiek binnen een termijn van tien dagen na ontvangst ervan.
Bij de bekendmaking of terinzagelegging wordt duidelijk aangegeven dat eventuele opmerkingen over de inhoudsafbakening van het voorgenomen plan-MER binnen een termijn van dertig dagen na de bekendmaking of terinzagelegging, al dan niet via de gemeente, aan de administratie moeten worden bezorgd, behoudens verlenging van deze termijn.
§ 5. Als het voorgenomen plan of programma aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie en/of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend in Espoo op 25 februari 1991 en/of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten daarom verzoeken, bezorgt de administratie onverwijld de volgende informatie aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten :
1° een afschrift van de volledig verklaarde kennisgeving;
2° een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen plan of programma van toepassing is;
3° een aanduiding van de besluitvorming waaraan het voorgenomen plan of programma is onderworpen en een beschrijving van het doel ervan, alsook van de toepasselijke besluitvormingsprocedure.
Deze zending vermeldt dat de bevoegde autoriteiten binnen een termijn van veertig dagen na verzending van het afschrift hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen.
Art. 4.2.5. § 1. De administratie neemt onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van zestig dagen na de volledigverklaring van de kennisgeving een beslissing over :
1° de inhoud van het plan-MER en de inhoudelijke aanpak van de rapportage, met inbegrip van de methodologie;
2° de bijzondere richtlijnen voor het opstellen van het plan-MER;
3° de aanstelling van de opstellers van het plan-MER, bedoeld in artikel 4.2.6.
In voorkomend geval geeft deze beslissing invulling aan artikel 4.2.7, § 2. Ze kan tevens bepalingen bevatten inzake het beknopt of niet behandelen van de minder of niet relevante milieueffecten, bedoeld in artikel 4.2.7, § 1, 2°.
De administratie houdt bij haar beslissing rekening met de opmerkingen en commentaren inzake de inhoudsafbakening van het voorgenomen plan-MER van de instanties en in voorkomend geval het publiek, bedoeld in artikel 4.2.4, §§ 4 en 5, en in het bijzonder met die opmerkingen en commentaren die handelen over te onderzoeken effecten, alternatieven of maatregelen.
§ 2. De administratie maakt haar beslissing bekend en deelt ze binnen een termijn van zeventig dagen na de volledigverklaring van de kennisgeving mee aan :
1° de initiatiefnemer, door betekening;
2° de administraties, overheidsinstellingen en/of organisaties, bedoeld in artikel 4.2.4, § 4, eerste lid;
3° in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten, bedoeld in artikel 4.2.4, § 5. § 3. Als artikel 4.2.4, § 5, van toepassing is, of als de in artikel 4.2.4, § 4, eerste lid, bedoelde administraties, overheidsinstellingen en/of organisaties hierom verzoeken, worden de termijnen, bedoeld in §§ 1en 2, verlengd tot tachtig, respectievelijk negentig dagen.
§ 4. De initiatiefnemer en de in artikel 4.2.4, § 4, eerste lid, bedoelde administraties, overheidsinstellingen en/of organisaties kunnen een gemotiveerd verzoek tot heroverweging van deze beslissing aan de administratie betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs. Artikel 4.6.4 is van overeenkomstige toepassing.
§ 5. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen inzake de kennisgeving, de bekendmaking, de terinzagelegging, de mogelijkheid om opmerkingen en commentaren uit te brengen en de inhoudsafbakening.
Afdeling III. - Het opstellen van het plan-MER.
Art. 4.2.6. § 1. Het plan-MER wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid en op kosten van de initiatiefnemer.
De initiatiefnemer moet hiervoor een beroep doen op een erkende MER-coördinator. Hij stelt aan de MER-coördinator alle relevante informatie ter beschikking die voorhanden is. Hij verleent alle medewerking opdat de MER-coördinator zijn taak naar behoren kan vervullen.
§ 2. De erkende MER-coördinator mag geen belang hebben bij het voorgenomen plan of programma of de alternatieven, noch betrokken worden bij de latere uitvoering van het plan of programma. Hij voert zijn opdracht volledig onafhankelijk uit en geeft in voorkomend geval leiding aan een team van medewerkers dat geheel of gedeeltelijk door de initiatiefnemer ter beschikking wordt gesteld.
De erkende MER-coördinator waakt erover dat de samenstelling van het team van medewerkers het mogelijk maakt om het plan-MER op te stellen in overeenstemming met het m.e.r.-richtlijnenboek en met de in artikel 4.2.5, § 1, bedoelde inhoudsafbakening en bijzondere richtlijnen.
§ 3. Tijdens het opstellen van het plan-MER is de erkende MER-coördinator gehouden tot overleg met de administratie. De MER-coördinator moet in voorkomend geval de aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van de administratie, als aanvulling op de afgebakende inhoud en de bijzondere richtlijnen, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1, in acht nemen.
Art. 4.2.7. § 1. Tenzij anders is bepaald in de beslissing, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1, bestaat het plan-MER ten minste uit de volgende onderdelen :
1° een algemeen deel dat de volgende informatie bevat :
a) een beschrijving van de doelstellingen en krachtlijnen van het voorgenomen plan of programma en van het verband met andere, relevante plannen en programma's;
b) een overzicht van de motieven voor het voorgenomen plan of programma;
c) een schets van de beschikbare alternatieven voor het voorgenomen plan of programma of onderdelen ervan; onder meer inzake doelstellingen, locaties en wijze van uitvoering of inzake de bescherming van het milieu;
d) een vergelijking tussen het voorgenomen plan of programma en de beschikbare alternatieven die redelijkerwijze onderzocht kunnen worden, alsmede de motivatie voor de selectie van de te onderzoeken alternatieven;
e) een verwijzing naar de wettelijke, decretale en reglementaire voorschriften die vanuit het oogpunt van het milieubeleid relevant zijn bij de uitvoering van het voorgenomen plan of programma of voor de onderzochte alternatieven, en een onderzoek naar de mate waarin het voorgenomen plan of programma of de alternatieven ermee verenigbaar zijn, alsmede de op internationaal, communautair, nationaal of gewestelijk niveau vastgestelde doelstellingen ter bescherming van het milieu, die relevant zijn voor het plan of programma, alsook de wijze waarop met deze doelstellingen en andere milieuoverwegingen rekening is gehouden bij de voorbereiding van het plan of programma;
f) een beschrijving van de bestaande toestand van het milieu (met inbegrip van de milieukenmerken van gebieden waarvoor de gevolgen aanzienlijk kunnen zijn en van alle bestaande milieuproblemen), voorzover de tenuitvoerlegging van het voorgenomen plan of programma of van één van de onderzochte alternatieven daarvoor gevolgen kan hebben, en een beschrijving van de te verwachten ontwikkeling van dat milieu indien noch het voorgenomen plan of programma, noch één van de alternatieven wordt uitgevoerd;
2° een deel betreffende de milieueffecten dat de volgende informatie bevat :
a) een beschrijving van de methodieken die werden gebruikt voor de bepaling en de beoordeling van de milieueffecten;
b) een beschrijving en onderbouwde beoordeling van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen plan of programma en van de onderzochte alternatieven op of inzake, in voorkomend geval, de gezondheid en veiligheid van de mens, de ruimtelijke ontwikkeling, de biodiversiteit, de fauna en flora, de energie- en grondstoffenvoorraden, de bodem, het water, de atmosfeer, de klimatologische factoren, het geluid, het licht, de stoffelijke goederen, het cultureel erfgoed met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap, de mobiliteit, en de samenhang tussen de genoemde factoren; deze beschrijving van de milieueffecten omvat de directe, en in voorkomend geval de indirecte, secundaire, cumulatieve en synergetische effecten, permanent en tijdelijk, positief en negatief, op korte, middellange en lange termijn van het voorgenomen plan of programma; de beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten gebeurt onder meer in het licht van de overeenkomstig Hoofdstuk II van Titel II van dit decreet vastgestelde milieukwaliteitsnormen;
c) een beschrijving en evaluatie van de mogelijke maatregelen om de aanzienlijke negatieve milieueffecten van het voorgenomen plan of programma op een samenhangende wijze te vermijden, te beperken, te verhelpen of te compenseren;
d) een beschrijving van de voorzieningen die redelijkerwijze kunnen worden getroffen voor een behoorlijke monitoring en evaluatie van de effecten van het voorgenomen plan of programma;
e) een globale evaluatie van het voorgenomen plan en programma en de onderzochte alternatieven;
3° een opgave van de moeilijkheden, technische leemten of ontbrekende kennis die de initiatiefnemer en/of de erkende MER-coördinator en zijn medewerkers hebben ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste informatie en de gevolgen daarvan voor de wetenschappelijkheid van het rapport;
4° een niet-technische samenvatting van de verstrekte informatie zoals omschreven in 1° tot en met 3°.
§ 2. Het plan-MER moet de in § 1 genoemde informatie slechts bevatten :
1° voorzover ze relevant is voor het stadium van het planningsproces waarin de milieueffectrapportage wordt uitgevoerd en voorzover ze relevant is in het licht van de inhoud en het detailleringsniveau van het voorgenomen plan of programma;
2° voorzover de bestaande kennis en de bestaande effectanalyse- en beoordelingsmethodes redelijkerwijze toelaten om deze informatie te verzamelen en te verwerken;
3° voorzover de uitvoerigheid van het voorgenomen plan of programma dit redelijkerwijze toelaat.
§ 3. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen inzake de inhoud van het plan-MER.
Afdeling IV. - Het onderzoek en het gebruik van het plan-MER.
Art. 4.2.8. § 1. De initiatiefnemer bezorgt het voltooide plan-MER door betekening of tegen ontvangstbewijs aan de administratie.
§ 2. De administratie toetst het plan-MER inhoudelijk aan :
1° de beslissing, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1;
2° in voorkomend geval, de overeenkomstig artikel 4.2.6, § 3, door haar verstrekte aanvullende bijzondere richtlijnen;
3° de overeenkomstig artikel 4.2.7 vereiste gegevens.
Het resultaat van de toetsing wordt opgenomen in het plan-MER-verslag en leidt tot de goed- of afkeuring van het plan-MER. Als de administratie het plan-MER afkeurt, vermeldt het verslag alle punten waarop het plan-MER tekortschiet. De administratie keurt het plan-MER onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van vijftig dagen na ontvangst ervan, goed of af.
§ 3. De administratie bezorgt haar beslissing betreffende de goed- of afkeuring van het plan-MER binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst ervan aan :
1° de initiatiefnemer, door betekening;
2° de administraties, overheidsinstellingen en/of organisaties, bedoeld in artikel 4.2.4, § 4, eerste lid;
3° in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten, bedoeld in artikel 4.2.4, § 5;
4° de erkende MER-coördinator, bedoeld in artikel 4.2.6.
De beslissing bevat ook een afschrift van het plan-MER-verslag, bedoeld in § 2, en vermeldt dat de initiatiefnemer tegen de beslissing een gemotiveerd verzoek tot heroverweging kan betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van twintig dagen.
§ 4. De initiatiefnemer kan een gemotiveerd verzoek tot heroverweging van deze beslissing aan de administratie betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs. Artikel 4.6.4 is van overeenkomstige toepassing.
Art. 4.2.9. § 1. Vanaf de betekening van de beslissing, bedoeld in artikel 4.2.8, § 3, liggen het goedgekeurde plan-MER, het plan-MER-verslag, bedoeld in artikel 4.2.8, § 2, de beslissing, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1, en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, bedoeld in artikel 4.2.6, § 3, ter inzage bij de administratie en in voorkomend geval bij de initiatiefnemer.
§ 2. De initiatiefnemer kan aan de administratie vragen om te onderzoeken of ze, overeenkomstig artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur, gegevens in de in § 1 bedoelde stukken aan terinzagelegging moet onttrekken. Hij stelt zijn vraag aan de administratie uiterlijk op het moment dat hij het voltooide plan-MER aan de administratie bezorgt. Hij duidt in zijn vraag aan over welke gegevens het gaat en op welke gronden de onttrekking aan de terinzagelegging moet gebeuren.
De administratie neemt een beslissing over de vraag van de initiatiefnemer uiterlijk op het moment van de goed- of afkeuring van het plan-MER. Ze maakt een belangenafweging overeenkomstig het bedoelde artikel. De administratie kan de bedoelde gegevens geheel of gedeeltelijk aan terinzagelegging onttrekken. Als ze beslist tot hele of gedeeltelijke onttrekking aan de terinzagelegging van de aangeduide gegevens, moet ze de relevante gegevens opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet ter inzage gelegd van het publiek.
§ 3. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen inzake het gebruik van het plan-MER bij de verdere besluitvorming over het voorgenomen plan of programma en inzake de bekendmaking van het definitieve besluit over het plan of programma.
§ 4. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de wijze waarop de bevoegde autoriteiten en de burgers van de lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, bedoeld in artikel 4.2.4, § 5, hun commentaar op het goedgekeurde plan-MER en het voorgenomen plan of programma kunnen meedelen, en betreffende de wijze waarop hierover overleg wordt gepleegd.
Het gemotiveerde besluit waarmee het plan of programma definitief wordt vastgesteld en een exemplaar van het plan of programma worden opgestuurd aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, bedoeld in artikel 4.2.4, § 5.
HOOFDSTUK III. - Milieueffectrapportage over projecten.
Afdeling I. - Toepassingsgebied.
Art. 4.3.1. Voorgenomen projecten worden, alvorens een vergunning kan worden aangevraagd voor de vergunningsplichtige activiteit die het voorwerp uitmaakt van het project, aan een milieueffectrapportage onderworpen in de gevallen bepaald in dit hoofdstuk.
Art. 4.3.2. § 1. De Vlaamse regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage II, de categorieën van projecten aan die worden onderworpen aan de in dit hoofdstuk bedoelde vorm van milieueffectrapportage.
De verplichting tot het uitvoeren van een project-m.e.r. geldt ook indien wegens het verstrijken van de lopende vergunning van het project een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd.
§ 2. De Vlaamse regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bij dit decreet gevoegde bijlage II, de andere dan in § 1 bedoelde categorieën van projecten aan waarvoor overeenkomstig dit hoofdstuk al dan niet een milieueffectrapport moet worden opgesteld op grond van een beslissing, geval per geval, van de administratie.
Deze mogelijkheid geldt ook indien wegens het verstrijken van de lopende vergunning van het project een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd.
§ 3. De Vlaamse regering wijst, aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage II, aan voor welke veranderingen aan reeds bestaande projecten van de categorieën, bedoeld in §§ 1 en 2, overeenkomstig dit hoofdstuk al dan niet een milieueffectrapport moet worden opgesteld op grond van een beslissing, geval per geval, van de administratie.
§ 4. De Vlaamse regering stelt, aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage II, de selectiecriteria vast op grond waarvan de administratie geval per geval beslist of voor de in §§ 2 en 3 bedoelde projecten overeenkomstig dit hoofdstuk al dan niet een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Deze selectiecriteria moeten toelaten uit te maken of aan een bepaald project, dan wel aan een verandering daarvan, al dan niet aanzienlijke milieueffecten verbonden kunnen zijn.
Bij een beslissing overeenkomstig §§ 1, 2 of 3 duidt de Vlaamse regering eveneens de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen aan die, overeenkomstig artikel 4.3.4, § 4, een afschrift van de kennisgeving moeten ontvangen.
De selectiecriteria worden minstens om de vijf jaar herzien maar blijven geldig tot ze vervangen zijn door nieuwe. Ze worden meegedeeld aan de Europese Commissie.
Art. 4.3.3. § 1. Onverminderd § 5 kan de Vlaamse regering op gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer een welbepaald project dat overeenkomstig artikel 4.3.2 en dit artikel aan milieueffectrapportage moet worden onderworpen, vrijstellen van milieueffectrapportage als de bescherming van het algemeen belang noodzakelijk maakt dat op uitzonderlijke omstandigheden wordt gereageerd met het onverwijld uitvoeren van het project.
De Vlaamse regering gaat in dit geval na of er geen andere vorm van beoordeling geschikt is en of de aldus verzamelde informatie ter beschikking van het publiek wordt gesteld.
§ 2. Onverminderd § 5 neemt de administratie op gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer een beslissing over de toepassing van de rapportageverplichting, bedoeld in artikel 4.3.2, §§ 2, 3 en 4.
§ 3. In de gevallen bedoeld in artikel 4.3.2 kan de initiatiefnemer een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de administratie.
Onverminderd § 5 en voor zover het voorgenomen project niet valt onder de toepassing van de lijst van projecten die door de Vlaamse regering overeenkomstig artikel 4.3.2., § 1, is vastgesteld, kan de administratie een project toch ontheffen van milieueffectrapportage als ze oordeelt dat :
1° vroeger al een plan-MER werd goedgekeurd betreffende een plan of programma waarin het project past of een project-MER werd goedgekeurd betreffende een project waarvan het voorgenomen initiatief een herhaling, voortzetting of alternatief is, en een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten; of
2° een toetsing aan de criteria van bijlage II uitwijst dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten.
§ 4. Het verzoek, bedoeld in §§ 1, 2 of 3, bevat ten minste :
1° een beschrijving en verduidelijking van het voorgenomen project met inbegrip van de ruimtelijke situering ervan; de ruimtelijke situering bevat minstens een uittreksel van de ruimtelijke uitvoeringsplannen of de vigerende plannen van aanleg en van de topografische kaarten van de omgeving;
2° in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft voor het aanvangen van de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling, bedoeld in § 5;
3° de verantwoording voor het verzoek en alle relevante gegevens ter staving ervan.
De initiatiefnemer bezorgt het verzoek aan de administratie door betekening of tegen ontvangstbewijs.
§ 5. Als het project aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie en/of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend in Espoo op 25 februari 1991 en/of in andere gewesten of als de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten daarom verzoeken, bezorgt de administratie onverwijld de volgende informatie aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten :
1° een afschrift van het verzoek, bedoeld in §§ 1, 2 of 3;
2° een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen project van toepassing is;
3° een aanduiding van de vergunningsplicht waaraan het voorgenomen project is onderworpen en een beschrijving van het doel ervan, alsook van de toepasselijke vergunningsprocedure(s).
De zending bevat de vermelding dat de bevoegde autoriteiten binnen een termijn van dertig dagen na de verzending van het afschrift, hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen.
§ 6. De Vlaamse regering, respectievelijk de administratie, neemt onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst van het verzoek een beslissing. In voorkomend geval bevat de beslissing tevens de voorwaarden die aan de vrijstelling of de ontheffing zijn verbonden.
De vrijstelling, bedoeld in § 1, wordt verleend voor een beperkte duur. Ze vervalt als het project niet wordt aangevangen binnen een termijn die in de beslissing wordt vastgesteld. Die termijn mag in geen geval langer zijn dan twee jaar.
De ontheffing, bedoeld in § 3, wordt verleend voor een beperkte duur. Ze vervalt als het project niet wordt aangevangen binnen een termijn die in de beslissing wordt vastgesteld. Die termijn mag in geen geval langer zijn dan vier jaar.
De beslissing wordt binnen een termijn van zeventig dagen na ontvangst van het verzoek bekendgemaakt, ter inzage gelegd bij de administratie en aan de initiatiefnemer betekend. In voorkomend geval maakt de initiatiefnemer de beslissing over aan het Comité voor de Preventie en Bescherming op het Werk en de milieucoördinator.
§ 7. De initiatiefnemer kan een gemotiveerd verzoek tot heroverweging van de beslissing, bedoeld in §§ 2 of 3, aan de administratie betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs. Artikel 4.6.4 is van overeenkomstige toepassing.
§ 8. De definitieve beslissing wordt door de initiatiefnemer gevoegd bij de vergunningsaanvraag.
§ 9. De administratie zorgt ervoor dat een afschrift van de definitieve beslissing onverwijld en in ieder geval voor de vergunningsbeslissing wordt verstuurd naar :
1° in de gevallen bedoeld in §§ 1 en 3, de Commissie van de Europese Gemeenschap;
2° in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten van de gewesten, lidstaten en verdragspartijen, bedoeld in § 5.
§ 10. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen inzake de vrijstelling, de ontheffing en de toepassing van de rapportageverplichting.
Afdeling II. - Kennisgeving en inhoudsafbakening van het voorgenomen project-MER.
Art. 4.3.4. § 1. De initiatiefnemer brengt de administratie tijdig en door betekening of tegen ontvangstbewijs in kennis van het voorgenomen project-MER.
§ 2. De kennisgeving bevat ten minste :
1° een beschrijving en verduidelijking van het project met inbegrip van de ruimtelijke situering ervan en in voorkomend geval het exploitatieadres van de inrichting; de ruimtelijke situering bevat minstens een uittreksel van de ruimtelijke uitvoeringsplannen of de vigerende plannen van aanleg en van de topografische kaarten van de omgeving;
2° de vergunningen die moeten worden aangevraagd en in voorkomend geval de bestaande vergunningstoestand voor de exploitatie van de inrichting;
3° in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft voor het aanvangen van de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling, bedoeld in § 5;
4° in voorkomend geval de relevante gegevens uit vorige rapportages en uit de goedgekeurde rapporten die daaruit zijn voortgekomen;
5° een document waarin, steunend op de vereisten van artikel 4.3.7 en van het m.e.r.-richtlijnenboek, de inhoudelijke aanpak - met inbegrip van de methodologie - van het project-MER wordt voorgesteld;
6° een beknopte beschrijving van de alternatieven voor het project of voor onderdelen ervan die de initiatiefnemer heeft overwogen en, bondig weergegeven, zijn bedenkingen over de voor- en nadelen van de verschillende alternatieven;
7° de relevante gegevens over de voorgestelde erkende MER-coördinator en het voorgestelde team van erkende MER-deskundigen, bedoeld in artikel 4.3.6, en de taakverdeling tussen de deskundigen;
8° in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging van de kennisgeving of aangeduide delen ervan.
§ 3. De administratie neemt een beslissing over de volledigheid van de kennisgeving. De beslissing vermeldt alle punten van onvolledigheid van de kennisgeving. De kennisgeving is onvolledig als gegevens of documenten ontbreken die vereist zijn op grond van § 2.
Als de initiatiefnemer in de kennisgeving een vraag stelde tot onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging van de kennisgeving of delen ervan, maakt de administratie in haar beslissing een belangenafweging overeenkomstig artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur. De administratie kan de bedoelde gegevens geheel of gedeeltelijk onttrekken aan bekendmaking en terinzagelegging. Als ze beslist tot hele of gedeeltelijke onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging van de aangeduide gegevens, moet ze de relevante gegevens opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet ter inzage gelegd van het publiek.
Tegen de beslissing tot onttrekking aan bekendmaking en terinzagelegging staat beroep open overeenkomstig artikelen 14 tot en met 18 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur.
De procedure kan slechts worden verdergezet wanneer de kennisgeving volledig is.
De administratie betekent haar beslissing aan de initiatiefnemer onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van twintig dagen na ontvangst van de kennisgeving.
§ 4. De initiatiefnemer betekent een afschrift van de volledig verklaarde kennisgeving en van de beslissing van de administratie ter zake binnen een termijn van tien dagen na ontvangst, tegelijkertijd aan tenminste :
1° de overheid die in voorkomend geval in eerste aanleg een beslissing zal nemen over de vergunningsaanvraag betreffende het project;
2° het college van burgemeester en schepenen van de gemeente of gemeenten waar het project plaatsvindt of plaats zal vinden;
3° de door de Vlaamse regering aangewezen administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen;
4° in voorkomend geval de ondernemingsraad en het Comité voor Preventie en Bescherming op het werk die bestaan in het bedrijf van de initiatiefnemer - of bij ontstentenis van deze organen, de vakbondsafvaardiging - en de milieucoördinator.
De gemeente of gemeenten, bedoeld het eerste lid, 2°, leggen het afschrift van de kennisgeving ter inzage van het publiek binnen een termijn van tien dagen na de ontvangst ervan. Ze kondigen de terinzagelegging en de doelstelling ervan op passende wijze aan en informeren de administratie en de initiatiefnemer onverwijld over de aanvangs- en afsluitingsdatum van de terinzagelegging.
Bij de bekendmaking of terinzagelegging wordt duidelijk aangegeven dat eventuele opmerkingen over de inhoudsafbakening van het voorgenomen project-MER binnen een termijn van dertig dagen na de bekendmaking of terinzagelegging, al dan niet via de gemeente, aan de administratie moeten worden bezorgd.
§ 5. Als het project aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie en/of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend te Espoo op 25 februari 1991 en/of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten daarom verzoeken, bezorgt de administratie onverwijld de volgende informatie aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten :
1° een afschrift van de volledig verklaarde kennisgeving;
2° een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen project van toepassing is;
3° een aanduiding van de vergunningsplicht waaraan het voorgenomen project is onderworpen en een beschrijving van het doel ervan alsook van de toepasselijke vergunningsprocedure(s).
Deze zending vermeldt dat de bevoegde autoriteiten binnen een termijn van veertig dagen na verzending van het afschrift hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen.
Art. 4.3.5. § 1. De administratie neemt onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van zestig dagen na de volledigverklaring van de kennisgeving een beslissing over :
1° de inhoud van het project-MER en de inhoudelijke aanpak van de rapportage, met inbegrip van de methodologie;
2° de bijzondere richtlijnen voor het opstellen van het project-MER;
3° de aanstelling van de opstellers van het project-MER, bedoeld in artikel 4.3.6.
In voorkomend geval geeft deze beslissing invulling aan artikel 4.3.7, § 2, en omvat ze bepalingen inzake het beknopt of niet behandelen :
1° van de minder of niet relevante milieueffecten, bedoeld in artikel 4.3.7, § 1, 2°; en
2° van de gegevens bedoeld in artikel 4.3.7, § 1, 1° en 3°, indien wegens het verstrijken van de lopende vergunning van het project een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd.
De administratie houdt bij haar beslissing rekening met de opmerkingen en commentaren inzake de inhoudsafbakening van het voorgenomen project-MER van de instanties en het publiek, bedoeld in artikel 4.3.4, §§ 4 en 5, en in het bijzonder met die opmerkingen en commentaren die handelen over te onderzoeken effecten, alternatieven of maatregelen.
§ 2. De administratie maakt haar beslissing bekend en deelt ze binnen een termijn van zeventig dagen na volledigverklaring van de kennisgeving mee aan :
1° de initiatiefnemer, door betekening;
2° de instanties, bedoeld in artikel 4.3.4, § 4, eerste lid;
3° in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten, bedoeld in artikel 4.3.4, § 5. § 3. Als artikel 4.3.4, § 5, van toepassing is worden de termijnen, bedoeld in § 1en § 2, verlengd tot tachtig, respectievelijk negentig dagen.
§ 4. De initiatiefnemer kan een gemotiveerd verzoek tot heroverweging van deze beslissing aan de administratie betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs. Artikel 4.6.4 is van overeenkomstige toepassing.
§ 5. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen inzake de kennisgeving, de bekendmaking, de terinzagelegging, de mogelijkheid om opmerkingen en commentaren uit te brengen en de inhoudsafbakening.
Afdeling III. - Het opstellen van het project-MER.
Art. 4.3.6. § 1. Het project-MER wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid en op kosten van de initiatiefnemer.
De initiatiefnemer moet hiervoor een beroep doen op een team van erkende MER-deskundigen onder leiding van een erkende MER-coördinator. Hij stelt aan de MER-coördinator alle relevante informatie ter beschikking die voorhanden is. Hij verleent alle medewerking opdat de MER-coördinator zijn taak naar behoren kan vervullen.
§ 2. De erkende MER-coördinator en de erkende MER-deskundigen mogen geen belang hebben bij het voorgenomen project of de alternatieven, noch betrokken worden bij de latere uitvoering van het project. Ze voeren hun opdracht volledig onafhankelijk uit.
De samenstelling van het team van erkende MER-deskundigen maakt het opstellen mogelijk van het project-MER in overeenstemming met het m.e.r.-richtlijnenboek en de in artikel 4.3.5, § 1, bedoelde inhoudsafbakening en bijzondere richtlijnen.
§ 3. Tijdens het opstellen van het project-MER zijn de erkende MER-coördinator en in voorkomend geval de erkende MER-deskundigen gehouden tot overleg met de administratie. De MER-coördinator en zijn team moeten in voorkomend geval de aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van de administratie, als aanvulling op de afgebakende inhoud en de bijzondere richtlijnen, bedoeld in artikel 4.3.5, § 1, in acht nemen.
Art. 4.3.7. § 1. Tenzij anders bepaald in de beslissing, bedoeld in artikel 4.3.5, § 1, bestaat het project-MER uit ten minste volgende onderdelen :
1° een algemeen deel dat de volgende informatie bevat :
a) een beschrijving van de doelstellingen van het voorgenomen project;
b) een overzicht van de motieven voor het voorgenomen project;
c) een beschrijving van de krachtlijnen van het voorgenomen project waarbij in voorkomend geval het begrip milieutechnische eenheid het uitgangspunt vormt en met in het bijzonder;
1) een beschrijving van de fysieke kenmerken van het hele project en de vereisten met betrekking tot het gebruik van grond en terrein tijdens de constructie en bedrijfsfasen alsook de aard en hoeveelheden van de gebruikte materialen;
2) in voorkomend geval een beschrijving van de voornaamste kenmerken van de constructie- en/of productieprocessen met betrekking tot de aanwending van energie en grondstoffen;
3) een beschrijving van de wijze waarop bij het uitwerken van het voorgenomen project rekening werd gehouden met de te verwachten betekenisvolle milieueffecten en een prognose van de aard en hoeveelheid van de verwachte residuen en emissies ten gevolge van het functioneren en in voorkomend geval stopzetten en ontmantelen van het project;
d) een schets van de beschikbare alternatieven voor het project of onderdelen ervan; onder meer inzake doelstellingen, locaties en wijze van uitvoering of inzake de bescherming van het milieu;
e) een vergelijking tussen het voorgenomen project en de beschikbare alternatieven die de redelijkerwijze onderzocht kunnen worden, alsmede de redenen voor de selectie van de te onderzoeken alternatieven;
f) een verwijzing naar de wettelijke, decretale en reglementaire voorschriften die vanuit het oogpunt van het milieubeleid relevant zijn bij de uitvoering van het voorgenomen project of voor de onderzochte alternatieven, en een onderzoek naar de mate waarin het voorgenomen project of de alternatieven ermee verenigbaar zijn;
g) een beschrijving van de bestaande toestand van het milieu (met inbegrip van de milieukenmerken van gebieden waarvoor de gevolgen aanzienlijk kunnen zijn en van alle bestaande milieuproblemen), voorzover de tenuitvoerlegging van het project of van één van de onderzochte alternatieven daarvoor gevolgen kan hebben, en een beschrijving van de te verwachten ontwikkeling van dat milieu indien noch het project noch één van de alternatieven wordt uitgevoerd;
2° een deel betreffende de milieueffecten dat de volgende informatie bevat :
a) een beschrijving van de methodieken die werden gebruikt voor de bepaling en de beoordeling van de milieueffecten;
b) een beschrijving en onderbouwde beoordeling van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen project en van de onderzochte alternatieven op of inzake, in voorkomend geval, de gezondheid en veiligheid van de mens, de ruimtelijke ontwikkeling, de biodiversiteit, de fauna en flora, de energie- en grondstoffenvoorraden, de bodem, het water, de atmosfeer, de klimatologische factoren, het geluid, het licht, de stoffelijke goederen, het cultureel erfgoed met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap, de mobiliteit en de samenhang tussen de genoemde factoren; deze beschrijving van de milieueffecten omvat de directe, en in voorkomend geval de indirecte, secundaire, cumulatieve en synergetische effecten, permanent en tijdelijk, positief en negatief, op korte, middellange en lange termijn van het project; De beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten gebeurt onder meer in het licht van de overeenkomstig Hoofdstuk II van Titel II van dit decreet vastgestelde milieukwaliteitsnormen;
c) een beschrijving en evaluatie van de mogelijke maatregelen om de aanzienlijke nadelige milieueffecten van het voorgenomen project op een samenhangende wijze te vermijden, te beperken, te verhelpen of te compenseren;
d) een beschrijving van de voorzieningen die redelijkerwijze kunnen worden getroffen voor een behoorlijke monitoring en evaluatie van de effecten van het voorgenomen project;
e) een globale evaluatie van het voorgenomen project en de onderzochte alternatieven.
3° een gedetailleerde opgave van de directe en indirecte, tijdelijke en permanente tewerkstellingseffecten van het voorgenomen project en een overzicht van de totale geplande investering met inbegrip van (te) ontvangen subsidies en andere steunmaatregelen, alsook een overzicht van de aard, hoeveelheid en herkomst van de gebruikte materialen en de aard, hoeveelheid en bestemming van de te produceren goederen;
4° een opgave van de moeilijkheden, technische leemten of ontbrekende kennis die de initiatiefnemer en/of het team van erkende deskundigen eventueel hebben ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste informatie en de gevolgen daarvan voor de wetenschappelijkheid van het rapport;
5° een niet-technische samenvatting van de verstrekte informatie, zoals omschreven in 1° tot en met 4°.
§ 2. Het project-MER moet de in § 1 genoemde informatie slechts bevatten :
1° voorzover ze relevant is voor het stadium van het vergunningsproces waarin de milieueffect-rapportage wordt uitgevoerd en voor zover ze relevant is in het licht van de specifieke kenmerken van een bepaald project of de categorie van projecten waartoe de onderzochte actie behoort en de milieuaspecten die door het voorgenomen project kunnen worden beïnvloed;
2° voorzover de bestaande kennis en de bestaande effectanalyse- en beoordelingsmethodes redelijkerwijze toelaten om deze informatie te verzamelen en te verwerken.
§ 3. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen inzake de inhoud van het project-MER.
Afdeling IV. - Het onderzoek en het gebruik van het project-MER.
Art. 4.3.8. § 1. De initiatiefnemer bezorgt het voltooide project-MER door betekening of tegen ontvangstbewijs aan de administratie.
§ 2. De administratie toetst het project-MER inhoudelijk :
1° aan de beslissing, bedoeld in artikel 4.3.5, § 1;
2° in voorkomend geval aan de overeenkomstig artikel 4.3.6, § 3, door haar verstrekte aanvullende bijzondere richtlijnen;
3° aan de overeenkomstig artikel 4.3.7 vereiste gegevens.
Het resultaat van de toetsing wordt opgenomen in het project-MER-verslag en leidt tot de goed- of afkeuring van het project-MER. Als de administratie het project-MER afkeurt, vermeldt het verslag alle punten waarop het project-MER tekortschiet. De administratie keurt het project-MER onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst ervan, goed of af. De administratie kan gemotiveerd beslissen om deze termijn te verlengen tot vijftig dagen. Zij betekent de verlengingsbeslissing binnen de hiervoor bedoelde termijn van dertig dagen.
§ 3. De administratie bezorgt haar beslissing betreffende de goed- of afkeuring van het project-MER binnen een termijn van veertig dagen, respectievelijk zestig dagen in geval van termijnverlenging, na ontvangst ervan aan :
1° de initiatiefnemer, door betekening;
2° de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen, bedoeld in artikel 4.3.4, § 4, eerste lid;
3° in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten, bedoeld in artikel 4.3.4, § 5;
4° de erkende MER-coördinator, bedoeld in artikel 4.3.6.
De beslissing bevat ook een afschrift van het project-MER-verslag, bedoeld in § 2, en vermeldt dat de initiatiefnemer tegen de beslissing een gemotiveerd verzoek tot heroverweging kan betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van twintig dagen.
§ 4. De initiatiefnemer kan een gemotiveerd verzoek tot heroverweging van deze beslissing aan de administratie betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs. Artikel 4.6.4 is van overeenkomstige toepassing.
Art. 4.3.9. § 1. Vanaf de betekening van de beslissing, bedoeld in artikel 4.3.8, § 3, liggen het goedgekeurde project-MER, het project-MER-verslag, bedoeld in artikel 4.3.8, § 2, de beslissing, bedoeld in artikel 4.3.5, § 1, en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, bedoeld in artikel 4.3.6, § 3, ter inzage bij de administratie.
§ 2. De initiatiefnemer kan aan de administratie vragen om te onderzoeken of ze, overeenkomstig artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur, gegevens in de in § 1 bedoelde stukken aan terinzagelegging moet onttrekken. Hij stelt zijn vraag aan de administratie uiterlijk op het moment dat hij het voltooide project-MER aan de administratie bezorgt. Hij duidt in zijn vraag aan over welke gegevens het gaat en op welke gronden de onttrekking aan de terinzagelegging moet gebeuren.
De administratie neemt een beslissing over de vraag van de initiatiefnemer uiterlijk op het moment van de goed- of afkeuring van het project-MER. Ze maakt een belangenafweging overeenkomstig het bedoelde artikel. De administratie kan de bedoelde gegevens geheel of gedeeltelijk aan terinzagelegging onttrekken. Als ze beslist tot hele of gedeeltelijke onttrekking aan de terinzagelegging van de aangeduide gegevens, moet ze de relevante gegevens opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet ter inzage gelegd van het publiek.
§ 3. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen inzake het gebruik van het project-MER bij de verdere besluitvorming over het voorgenomen project en inzake de bekendmaking van het definitieve besluit over het project.
§ 4. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de wijze waarop de bevoegde autoriteiten en de burgers van de lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, bedoeld in artikel 4.3.4, § 5, hun commentaar op het goedgekeurde project-MER en het voorgenomen project kunnen meedelen, en betreffende de wijze waarop hierover overleg wordt gepleegd.
Het definitieve vergunningsbesluit wordt opgestuurd aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, bedoeld in artikel 4.3.4, § 5.
HOOFDSTUK IV. - Veiligheidsrapportage over ruimtelijke uitvoeringsplannen.
Art. 4.4.1. § 1. De veiligheidsrapportage, bedoeld in dit hoofdstuk, heeft betrekking op de opmaak van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, bedoeld in het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, teneinde uitvoering te geven aan de verplichtingen, bepaald in artikel 24 van het samenwerkingsakkoord.
§ 2. De Vlaamse regering stelt de criteria vast op basis waarvan de administratie beslist of de opmaak van een ruimtelijke veiligheidsrapport al dan niet vereist is.
Art. 4.4.2. § 1. Het ruimtelijk veiligheidsrapport wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid en op kosten van de initiatiefnemer.
De initiatiefnemer moet hiervoor een beroep doen op een erkende VR-deskundige. Hij stelt aan de erkende deskundige alle relevante informatie die voorhanden is ter beschikking. Hij verleent alle medewerking opdat de erkende deskundige zijn taak naar behoren kan vervullen.
§ 2. De erkende deskundige mag geen belang hebben bij de exploitatie van bestaande of voorgenomen inrichtingen die eventueel in het RVR aan bod komen. Hij voert zijn opdracht volledig onafhankelijk uit.
§ 3. Tijdens het opstellen van het ruimtelijk veiligheidsrapport is de erkende deskundige gehouden tot overleg met de administratie. De erkende deskundige moet in voorkomend geval de schriftelijke richtlijnen van de administratie in acht nemen.
Art. 4.4.3. Het ruimtelijk veiligheidsrapport bestaat uit ten minste volgende onderdelen :
1° een algemeen deel dat de volgende informatie bevat :
a) een beschrijving van de doelstellingen en krachtlijnen van het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan, met inbegrip van een kaart op aangepaste schaal;
b) een overzicht van de motieven voor de opmaak van het ruimtelijk uitvoeringplan;
c) een beschrijving van de in beschouwing genomen alternatieven voor het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan of een schets van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven voor bepaalde onderdelen ervan, telkens met inbegrip van de overwegingen ter zake van de initiatiefnemer;
d) een vergelijking tussen de beschreven alternatieven en het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan of de desbetreffende onderdelen ervan;
2° een deel betreffende de invloed van het ruimtelijk uitvoeringsplan op de risico's op zware ongevallen voor mens en milieu dat de volgende informatie bevat :
a) een beschrijving van de methodieken die werden gebruikt voor de bepaling en de beoordeling van de risico's op zware ongevallen voor mens en milieu met inbegrip van een opsomming en omschrijving van de relevante criteria die in het ruimtelijk veiligheidsrapport gebruikt worden voor de afbakening van de risicozones;
b) in voorkomend geval informatie over de aan de bestaande inrichtingen verbonden risico's op zware ongevallen voor mens en milieu en over de veiligheidsmaatregelen die bestaande inrichtingen hebben genomen en/of kunnen nemen ter voorkoming van zware ongevallen en ter beperking van de gevolgen ervan voor mens en milieu;
c) voor het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan en de beschreven alternatieven, een wetenschappelijke beoordeling van de invloed van de in beschouwing genomen ontwikkelingen rond bestaande inrichtingen en/of van de mogelijke vestiging van nieuwe inrichtingen op de risico's op zware ongevallen voor mens en milieu met inbegrip van de afgebakende risicozones;
d) op basis van de in c) bedoelde beoordeling, aanbevelingen over :
1) de voorziene stedenbouwkundige voorschriften onder meer in het licht van de vereiste om ook op lange termijn voldoende afstand te bewaren tussen de onder het samenwerkingsakkoord vallende inrichtingen en bepaalde kwetsbare gebieden, bedoeld in artikel 24, § 1, laatste lid, van het samenwerkingsakkoord;
2) de aanvullende maatregelen die bestaande inrichtingen kunnen nemen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken teneinde de risico's niet te vergroten;
e) een globale evaluatie van het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan en van de beschreven alternatieven in het kader van het beleid inzake voorkoming van zware ongevallen en beperking van de gevolgen ervan voor mens en milieu;
3° een opgave van de moeilijkheden, technische leemten of ontbrekende kennis die de initiatiefnemer en/of de erkende deskundige eventueel hebben ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste informatie en de daaruit voortvloeiende implicaties voor de wetenschappelijkheid van het rapport;
4° een niet-technische samenvatting van de verstrekte gegevens zoals omschreven in 1° tot en met 3°.
Art. 4.4.4. § 1. De initiatiefnemer bezorgt het voltooide ruimtelijk veiligheidsrapport door betekening of tegen ontvangstbewijs aan de administratie.
§ 2. De administratie toetst het RVR inhoudelijk aan :
1° de overeenkomstig artikel 4.4.3 vereiste gegevens;
2° de eventuele schriftelijke richtlijnen, bedoeld in artikel 4.4.2, § 3.
Het resultaat van de toetsing wordt opgenomen in het RVR-verslag en leidt tot de goed- of afkeuring van het ruimtelijk veiligheidsrapport. Als de administratie het ruimtelijk veiligheidsrapport afkeurt, vermeldt het verslag alle punten waarop het rapport tekortschiet. De administratie keurt het voltooide ruimtelijk veiligheidsrapport onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van vijftig dagen na ontvangst ervan, goed of af.
§ 3. De administratie betekent haar beslissing betreffende de goed- of afkeuring van het ruimtelijk veiligheidsrapport binnen een termijn van zestig dagen na ontvangst ervan aan :
1° de initiatiefnemer;
2° de erkende deskundige die het ruimtelijk veiligheidsrapport heeft opgesteld.
De beslissing bevat ook een afschrift van het RVR-verslag, bedoeld in § 2, en vermeldt dat de initiatiefnemer tegen de beslissing een gemotiveerd verzoek tot heroverweging kan betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van twintig dagen.
§ 4. De initiatiefnemer kan een gemotiveerd verzoek tot heroverweging van deze beslissing aan de administratie betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs. Artikel 4.6.4 is van overeenkomstige toepassing.
Art. 4.4.5. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen inzake de opmaak, het onderzoek en het verdere gebruik van het ruimtelijk veiligheidsrapport.
HOOFDSTUK V. - Veiligheidsrapportage over de exploitatie van inrichtingen.
Afdeling I. - Toepassingsgebied.
Art. 4.5.1. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op alle inrichtingen waarvoor :
1° overeenkomstig artikel 12 van het samenwerkingsakkoord, een veiligheidsrapport moet worden opgesteld of, overeenkomstig artikel 13 van het samenwerkingsakkoord, het veiligheidsrapport opnieuw moet worden beoordeeld ingevolge een wijzing aan de inrichting; en
2° overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning een aanvraag voor een milieuvergunning of een wijziging van de milieuvergunning moet worden ingediend.
§ 2. De Vlaamse regering kan andere categorieën van inrichtingen aanwijzen waarvoor een omgevingsveiligheidsrapport moet worden opgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. De Vlaamse regering kan, in afwijking van artikel 4.5.6, bepalen dat voor deze categorieën van inrichtingen, het omgevingsveiligheidsrapport bepaalde gegevens niet hoeft te bevatten.
Afdeling II. - Aanmelding en inhoudsafbakening van het voorgenomen omgevingsveiligheidsrapport.
Art. 4.5.2. § 1. De initiatiefnemer meldt de administratie tijdig en door betekening of tegen ontvangstbewijs haar voornemen om een omgevingsveiligheidsrapport op te stellen.
§ 2. De aanmelding bevat ten minste :
1° een beschrijving en verduidelijking van het project met inbegrip van de ruimtelijke situering ervan en het exploitatieadres van de inrichting; de ruimtelijke situering bevat minstens een uittreksel van de ruimtelijke uitvoeringsplannen of de vigerende plannen van aanleg en van de topografische kaarten van de omgeving;
2° de reden van de rapportageplicht van de inrichting;
3° de vergunningen die aangevraagd moeten worden en in voorkomend geval de bestaande vergunningstoestand voor de exploitatie van de inrichting;
4° in voorkomend geval de gegevens die de administratie nodig heeft voor het aanvangen van de grensoverschrijdende informatie-uitwisseling, bedoeld in § 4;
5° in voorkomend geval de relevante gegevens uit vorige rapportages en uit de goedgekeurde rapporten die daaruit zijn voortgekomen;
6° in voorkomend geval de gegevens die de administratie in staat moeten stellen om te beslissen tot een beperking van het omgevingsveiligheidsrapport overeenkomstig artikel 4.5.4;
7° een document waarin, steunende op de vereisten van artikel 4.5.6 en van het v.r.-richtlijnenboek, de inhoudelijke aanpak - met inbegrip van de methodologie - van het omgevingsveiligheidsrapport wordt voorgesteld;
8° de relevante gegevens over de voorgestelde erkende deskundige, bedoeld in artikel 4.5.5, in voorkomend geval aangevuld met de lijst van deskundigen die de erkende deskundige zullen bijstaan en de taakverdeling tussen de deskundigen.
9° in voorkomend geval de gronden voor de vraag tot onttrekking aan passieve openbaarheid van de aanmelding of aangeduide delen ervan.
§ 3. De administratie neemt een beslissing over de volledigheid van de aanmelding. De beslissing vermeldt alle punten van onvolledigheid van de aanmelding. De aanmelding is onvolledig als gegevens of documenten ontbreken die vereist zijn op grond van § 2.
Als de initiatiefnemer in de aanmelding een vraag stelde tot onttrekking aan passieve openbaarheid van de aanmelding of delen ervan, maakt de administratie in haar beslissing een belangenafweging overeenkomstig artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur. De administratie kan de bedoelde gegevens geheel of gedeeltelijk onttrekken aan passieve openbaarheid. Als ze beslist tot hele of gedeeltelijke onttrekking aan passieve openbaarheid van de aangeduide gegevens, moet ze de gegevens die aan passieve openbaarheid worden onttrokken opnemen in een bijlage.
Tegen de beslissing tot onttrekking aan passieve openbaarheid staat beroep open overeenkomstig artikelen 14 tot en met 18 van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur.
De procedure kan slechts worden verdergezet wanneer de aanmelding volledig is.
De administratie betekent haar beslissing aan de initiatiefnemer onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van twintig dagen na ontvangst van de aanmelding.
§ 4. Als het project ten gevolge van een zwaar ongeval waarschijnlijk betekenisvolle effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Gemeenschap en/of in verdragspartijen bij het Verdrag betreffende de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen, ondertekend in Helsinki op 17 maart 1992 en/of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten daarom verzoeken, bezorgt de administratie onverwijld aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten :
1° een afschrift van de volledig verklaarde aanmelding;
2° een beschrijving van de rapportageprocedure die op het voorgenomen project van toepassing is;
3° een aanduiding van de vergunningsplicht waaraan het voorgenomen project is onderworpen en een beschrijving van het doel ervan, alsook van de toepasselijke vergunningsprocedure(s).
De zending vermeldt dat de bevoegde autoriteiten binnen een termijn van veertig dagen na verzending van het afschrift, hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen.
Art. 4.5.3. § 1. De administratie neemt onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van twintig dagen na de volledigheidsverklaring van de aanmelding een beslissing over :
1° de inhoud van het omgevingsveiligheidsrapport en de inhoudelijke aanpak van de rapportage, met inbegrip van de methodologie;
2° de eventuele bijzondere richtlijnen voor het opstellen van het omgevingsveiligheidsrapport;
3° de aanstelling van de erkende deskundige die het OVR zal opstellen;
In voorkomend geval bevat de beslissing bepalingen inzake de beperking van de inhoud van het omgevingsveiligheidsrapport overeenkomstig artikel 4.5.4.
In voorkomend geval houdt de administratie bij haar beslissing rekening met de commentaren, bedoeld in artikel 4.5.2, § 4.
§ 2. De administratie deelt haar beslissing binnen een termijn van dertig dagen na de volledigverklaring van de aanmelding mee aan de initiatiefnemer, door betekening, en in voorkomend geval aan de bevoegde autoriteiten, bedoeld in artikel 4.5.2, § 4.
§ 3. Als artikel 4.5.2, § 4 van toepassing is, worden de termijnen, bedoeld in §§ 1 en 2, verlengd tot tachtig, respectievelijk negentig dagen.
§ 4. De initiatiefnemer kan een gemotiveerd verzoek tot heroverweging van deze beslissing aan de administratie betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs. Artikel 4.6.4 is van overeenkomstige toepassing.
§ 5. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen inzake de aanmelding, de bezorging van het afschrift, de mogelijkheid om commentaren uit te brengen en de inhoudsafbakening.
Art. 4.5.4. Als de initiatiefnemer aantoont dat bepaalde in de inrichting of in een deel van de inrichting zelf aanwezige stoffen geen zwaar ongeval teweeg kunnen brengen overeenkomstig de criteria, bedoeld in artikel 12, § 5, van het samenwerkingsakkoord, kan de administratie beslissen dat de gegevens van het omgevingsveiligheidsrapport beperkt worden tot diegene die van belang zijn voor de voorkoming van de resterende risico's op zware ongevallen en voor de beperking van de gevolgen daarvan voor mens en milieu.
Als de administratie beslist om de gegevens van het omgevingsveiligheidsrapport te beperken, stuurt ze haar beslissing en alle nodige informatie onmiddellijk en in ieder geval voor de vergunningsbeslissing naar de Commissie van de Europese Gemeenschap.
Afdeling III. - Opstellen van het omgevingsveiligheidsrapport.
Art. 4.5.5. § 1. Het omgevingsveiligheidsrapport wordt opgesteld onder de verantwoordelijkheid en op kosten van de initiatiefnemer.
De initiatiefnemer moet hiervoor een beroep doen op een erkende deskundige. Hij stelt aan de erkende deskundige alle relevante informatie ter beschikking die voorhanden is. Hij verleent alle medewerking opdat de erkende deskundige zijn taak naar behoren kan vervullen.
§ 2. De erkende deskundige mag geen belang hebben bij de desbetreffende exploitatie. Hij voert zijn opdracht volledig onafhankelijk uit.
§ 3. Tijdens het opstellen van het omgevingsveiligheidsrapport is de erkende deskundige gehouden tot overleg met de administratie. De erkende deskundige moet in voorkomend geval de aanvullende bijzondere schriftelijke richtlijnen van de administratie als aanvulling op de afgebakende inhoud, bedoeld in artikel 4.5.3, § 1, 1° en 2°, in acht nemen.
Art. 4.5.6. Onverminderd de toepassing van artikel 4.5.4 bevat het omgevingsveiligheidsrapport tenminste de volgende gegevens, in de mate dat die beschikbaar kunnen zijn :
1° inlichtingen over het beheersysteem en de organisatie van de inrichting met het oog op de preventie van zware ongevallen. Deze inlichtingen moeten de punten bestrijken die in artikel 10 van het samenwerkingsakkoord zijn vervat.
2° presentatie van de omgeving van de inrichting :
a) een beschrijving van de locatie, met inbegrip van de geografische ligging, de meteorologische, geologische en hydrografische gegevens met inbegrip van de voor de veiligheid relevante elementen van de voorgeschiedenis;
b) een identificatie van de externe gevaarbronnen en gevoelige omgevingsobjecten alsmede de informatie die over deze bronnen beschikbaar is;
c) een beschrijving van de zones die door een zwaar ongeval kunnen worden getroffen;
3° beschrijving van de inrichting :
a) identificatie van de installaties en activiteiten binnen de inrichting die een zwaar ongeval teweeg kunnen brengen;
b) beschrijving van de activiteiten en producten uit de gedeelten van de inrichting die belangrijk zijn vanuit het oogpunt van de veiligheid;
c) beschrijving van procédés en werkwijzen;
d) beschrijving van de gevaarlijke stoffen :
1) een lijst van de gevaarlijke stoffen, die bestaat uit :
- de beschrijving van de gevaarlijke stoffen : chemische naam, CAS-nummer, naam volgens de IUPAC-nomenclatuur;
- de maximale hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen die aanwezig zijn of kunnen zijn;
2) fysische, chemische en toxicologische kenmerken en gegevens, zowel over de onmiddellijk als over later optredende gevaren voor mens en milieu;
3) het fysische of chemische gedrag onder normale gebruiksvoorwaarden of bij voorzienbare ongevallen;
4° identificatie en analyse van de zware ongevallen met mogelijke gevolgen voor de omgeving (mens en milieu) en de preventiemiddelen :
a) gedetailleerde beschrijving van de scenario's voor mogelijke zware ongevallen en de omstandigheden waarin die zich kunnen voordoen, inclusief een samenvatting van de voorvallen die bij het op gang brengen van deze scenario's een belangrijke rol kunnen spelen, ongeacht of de oorzaken binnen of buiten de installatie liggen;
b) beschrijving van de mogelijke oorzaken van zware ongevallen en van de omstandigheden waarin zo'n zwaar ongeval zich zou kunnen voordoen, vergezeld van een beschrijving van de genomen preventieve maatregelen;
c) kwantificering van de risico's, zoals aangegeven in het v.r.-richtlijnenboek, verbonden aan de in a) beschreven scenario's;
d) beoordeling van de omvang en de ernst van de mogelijke gevolgen van de geïdentificeerde zware ongevallen;
e) beschrijving van de technische parameters die van belang zijn voor de veiligheid van de installaties en van de apparatuur die werd gepland voor de veiligheid van de installaties;
5° beschermings- en interventiemaatregelen om de gevolgen van een zwaar ongeval te beperken :
a) beschrijving van de technische parameters die van belang zijn voor de veiligheid van de installaties en van de apparatuur die werd gepland voor de veiligheid van de installaties;
b) beschrijving van de apparatuur die op de installatie is aangebracht om de gevolgen van zware ongevallen te beperken; organisatie van het alarm en de interventie;
c) beschrijving van de inzetbare interne of externe middelen;
d) beschrijving van het interne noodplan, bedoeld in artikel 15 van het samenwerkingsakkoord;
6° een beschrijving en beoordeling van de preventieve en gevolgbeperkende maatregelen van technische en organisatorische aard die de initiatiefnemer zal nemen, met inbegrip van de termijn waarop die verwezenlijkt zullen worden;
7° een schets van alternatieven die redelijkerwijze in beschouwing kunnen worden genomen naar locatie, inplanting, procédé en hoeveelheden gevaarlijke stoffen, inbegrepen het nulalternatief en de sluiting van de inrichting;
8° een opgave van de moeilijkheden, technische leemten of ontbrekende kennis die de initiatiefnemer en/of de deskundigen eventueel hebben ondervonden bij het verzamelen en verwerken van de vereiste informatie en de gevolgen daarvan voor de wetenschappelijkheid van het rapport;
9° een niet-technische samenvatting van de verstrekte gegevens zoals omschreven in 1° tot en met 8°.
Afdeling IV. - Het onderzoek en het gebruik van het omgevingsveiligheidsrapport.
Art. 4.5.7. § 1. De initiatiefnemer bezorgt het voltooide omgevingsveiligheidsrapport door betekening of tegen ontvangstbewijs aan de administratie.
§ 2. De administratie toetst het OVR inhoudelijk aan :
1° de beslissing, bedoeld in artikel 4.5.3, § 1;
2° de eventuele aanvullende bijzondere richtlijnen, bedoeld in artikel 4.5.5, § 3;
3° de overeenkomstig artikel 4.5.6 vereiste gegevens.
Het resultaat van de toetsing wordt opgenomen in het OVR-verslag en leidt tot de goed- of afkeuring van het omgevingsveiligheidsrapport. Als de administratie het omgevingsveiligheidsrapport afkeurt, vermeldt het verslag alle punten waarop het omgevingsveiligheidsrapport tekortschiet. De administratie keurt het omgevingsveiligheidsrapport onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst ervan, goed of af. De administratie kan gemotiveerd beslissen om deze termijn te verlengen tot vijftig dagen. Zij betekent de verlengingsbeslissing binnen de hiervoor bedoelde termijn van dertig dagen.
§ 3. De administratie bezorgt haar beslissing betreffende de goed- of afkeuring van het omgevingsveiligheidsrapport binnen een termijn van veertig dagen, respectievelijk zestig dagen in geval van termijnverlenging, na ontvangst ervan aan :
1° de initiatiefnemer, door betekening;
2° de overheden die in voorkomend geval uitspraak zullen moeten doen over een vergunningsaanvraag voor de exploitatie van de inrichting;
3° het college van burgemeester en schepenen van de gemeente of gemeenten waar de inrichting is gelegen;
4° in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten, bedoeld in artikel 4.5.2, § 4;
5° de erkende deskundige die het rapport heeft opgesteld.
Deze beslissing bevat ook een afschrift van het OVR-verslag, bedoeld in § 2, en vermeldt dat de initiatiefnemer tegen de beslissing een gemotiveerd verzoek tot heroverweging kan betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs binnen een termijn van twintig dagen.
§ 4. De initiatiefnemer kan een gemotiveerd verzoek tot heroverweging van deze beslissing aan de administratie betekenen of afgeven tegen ontvangstbewijs. Artikel 4.6.4 is van overeenkomstige toepassing.
Art. 4.5.8. § 1. Vanaf de betekening van de beslissing, bedoeld in artikel 4.5.7, § 3, liggen het goedgekeurde omgevingsveiligheidsrapport, het OVR-verslag, bedoeld in artikel 4.5.7, § 2, de beslissing, bedoeld in artikel 4.5.3, § 1, en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen, bedoeld in artikel 4.5.5, § 3, ter inzage bij de administratie.
§ 2. De initiatiefnemer kan aan de administratie vragen om te onderzoeken of ze, overeenkomstig artikel 8, § 5, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de openbaarheid van bestuur, gegevens in de in § 1 bedoelde stukken aan terinzagelegging moet onttrekken. Hij stelt zijn vraag aan de administratie uiterlijk op het moment dat hij het voltooide OVR aan de administratie bezorgt. Hij duidt in zijn vraag aan over welke gegevens het gaat en op welke gronden de onttrekking aan de terinzagelegging moet gebeuren.
De administratie neemt een beslissing over de vraag van de initiatiefnemer uiterlijk op het moment van de goed- of afkeuring van het OVR. Ze maakt een belangenafweging overeenkomstig het bedoelde artikel. De administratie kan de bedoelde gegevens geheel of gedeeltelijk aan terinzagelegging onttrekken. Als ze beslist tot hele of gedeeltelijke onttrekking aan de terinzagelegging van de aangeduide gegevens, moet ze de relevante gegevens opnemen in een bijlage. De bijlage wordt niet ter inzage gelegd van het publiek.
§ 3. Bij de verdere besluitvorming over het voorgenomen project moet rekening worden gehouden met de noodzaak om risicoactiviteiten gescheiden en op voldoende afstand te houden van woongebieden, door publiek bezochte gebieden, ruimtelijk kwetsbare gebieden en door de Vlaamse regering nader te omschrijven bijzonder kwetsbare gebieden.
De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen inzake het gebruik van het omgevingsveiligheidsrapport bij de verdere besluitvorming over het voorgenomen project en inzake de bekendmaking van het besluit over het project.
§ 4. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de wijze waarop de bevoegde autoriteiten en de burgers van de lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, bedoeld in artikel 4.5.2, § 4, hun commentaar op het goedgekeurde omgevingsveiligheidsrapport en het voorgenomen project kunnen meedelen, en betreffende de wijze waarop hierover overleg wordt gepleegd.
Het definitieve vergunningsbesluit betreffende het project wordt opgestuurd aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, bedoeld in artikel 4.5.2, § 4.
HOOFDSTUK VI. - Gemeenschappelijke aspecten van kwaliteitszorg.
Afdeling I. - De erkenning van deskundigen en coördinatoren.
Art. 4.6.1. § 1. Natuurlijke personen en publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen kunnen worden erkend :
1° voor het opstellen van milieueffectrapporten, als :
a) coördinator die een team van erkende MER-deskundigen leidt;
b) deskundige voor het meewerken in teamverband aan plan- en/of project-MER's;
2° voor het opstellen van veiligheidsrapporten, als deskundige voor het opstellen van ruimtelijke veiligheidsrapporten en/of omgevingsveiligheidsrapporten.
§ 2. De erkenning geldt voor een periode van maximaal vijf jaar en kan steeds worden ingetrokken als niet meer aan één of meer erkenningsvoorwaarden is voldaan of als de deskundige en/of coördinator zijn verplichtingen krachtens deze titel niet reglementair of objectief uitvoert.
§ 3. De voorwaarden voor erkenning hebben onder meer betrekking op :
1° de opleiding en/of ervaring van de aanvrager;
2° de beschikking over of toegang tot de relevante informatie, geschikte faciliteiten en eventuele omkadering;
3° in voorkomend geval de kwaliteit van de uitgevoerde rapportages.
§ 4. De Vlaamse regering kan bijkomende voorwaarden voor de erkenning bepalen en nadere regelen vaststellen inzake het verlenen en het intrekken van de erkenning.
Afdeling II. - De richtlijnenboeken, evaluatie en monitoring.
Art. 4.6.2. § 1. De administratie stelt een richtlijnenboek inzake milieueffectrapportage op. Dit m.e.r.-richtlijnenboek is het referentiewerk waarop de administratie, de initiatiefnemer, de erkende coördinatoren en de deskundigen zich baseren voor het goede verloop van de rapportage en voor de inhoud van een plan-MER of project-MER, met inbegrip van de methodologische aspecten.
De bijzondere en in voorkomend geval de aanvullende bijzondere richtlijnen kunnen op gemotiveerde wijze het m.e.r.-richtlijnenboek aanvullen, strengere voorschriften bevatten of er in minder strenge zin van afwijken.
§ 2. De administratie stelt een richtlijnenboek inzake veiligheidsrapportage op. Dit v.r.-richtlijnenboek is het referentiewerk waarop de administratie, de initiatiefnemer en de deskundigen zich baseren voor het goede verloop van de rapportage en de inhoud van een ruimtelijk veiligheidsrapport of een omgevingsveiligheidsrapport, met inbegrip van de methodologische aspecten.
De bijzondere en in voorkomend geval aanvullende bijzondere richtlijnen kunnen op gemotiveerde wijze het v.r.-richtlijnenboek aanvullen, strengere voorschriften bevatten of er in minder strenge zin van afwijken.
§ 3. De administratie is verantwoordelijk voor de geregelde actualisering van de richtlijnenboeken op basis van de wetenschappelijke en maatschappelijke ontwikkelingen, alsook de evaluatie van de ervaringen met milieueffect- en veiligheidsrapportages.
Art. 4.6.3. § 1. De administratie kan over een gerealiseerde actie of over categorieën van acties die gedurende een bepaalde periode werden uitgevoerd en waarvoor een project-MER of plan-MER werd opgesteld, een evaluatie of een monitoringonderzoek organiseren.
§ 2. Als de administratie een evaluatie of monitoringonderzoek organiseert, moet de initiatiefnemer alle medewerking verlenen en alle inlichtingen verstrekken die redelijkerwijs nuttig zijn voor dit onderzoek.
§ 3. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen voor de procedure van de evaluatie en het monitoringonderzoek.
Afdeling III. - De adviescommissie.
Art. 4.6.4. § 1. Op gemotiveerd verzoek van de initiatiefnemer kan de administratie na advies van een adviescommissie de door de initiatiefnemer gespecificeerde elementen van volgende beslissingen in heroverweging nemen :
1° inzake milieueffectrapportage :
a) het toepassen van de verplichting tot het opstellen van een project-MER, bedoeld in artikel 4.3.3, §§ 2 en 3;
b) de inhoudelijke vereisten en de verstrekte richtlijnen betreffende het plan-MER of project-MER, bedoeld in respectievelijk artikel 4.2.5, § 1, en artikel 4.3.5, § 1;
c) de afkeuring van het plan-MER of project-MER, bedoeld in respectievelijk artikel 4.2.8, § 2, en artikel 4.3.8, § 2;
2° inzake veiligheidsrapportage :
a) de inhoudelijke vereisten en de verstrekte richtlijnen betreffende het omgevingsveiligheidsrapport, bedoeld in artikel 4.5.3, § 1;
b) de afkeuring van het ruimtelijk veiligheidsrapport of het omgevingsveiligheidsrapport, bedoeld in respectievelijk artikel 4.4.4 en artikel 4.5.7.
Op gemotiveerd verzoek van de administraties, overheidsinstellingen of organisaties, bedoeld in artikel 4.2.4, § 4, eerste lid, kan de administratie na advies van een adviescommissie de door de verzoeker gespecificeerde elementen van de beslissing over de inhoudelijke vereisten en de verstrekte richtlijnen betreffende het plan-MER bedoeld in artikel 4.2.5, § 1, in heroverweging nemen.
§ 2. De verzoeker betekent zijn verzoek aan de administratie, of geeft het af tegen ontvangstbewijs, binnen een termijn van twintig dagen na ontvangst van de beslissing, bedoeld in § 1.
§ 3. Binnen een termijn van twintig dagen na ontvangst van het verzoek, bedoeld in § 2, wijst de leidend ambtenaar van de administratie drie of vijf leden van de adviescommissie aan. Deze leden zijn :
1° ofwel, deskundigen met ervaring op het gebied van de beoordeling van milieueffecten of risico's op zware ongevallen die geen rapporten opstellen overeenkomstig dit decreet; ze kunnen wel actief zijn in andere gewesten, in het kader van federale regelgeving of in het buitenland;
2° ofwel, deskundigen op het vlak van de problematiek die aan de adviescommissie wordt voorgelegd die evenwel geen erkende deskundigen zijn.
De leden van de adviescommissie wijzen een voorzitter aan.
Ze mogen geen belang hebben bij het al dan niet realiseren van de voorgenomen actie of de alternatieven en mogen niet hebben deelgenomen aan de beslissingen in het kader van de desbetreffende rapportages.
§ 4. De adviescommissie formuleert een advies binnen een termijn van veertig dagen na ontvangst van het verzoek, bedoeld in § 2, en deelt het advies onverwijld en uiterlijk binnen een termijn van tien dagen mee aan de administratie.
Voor zover het advies unaniem is, is het bindend.
§ 5. Als het advies bindend is, volgt de administratie het onverwijld op.
In alle andere gevallen neemt de administratie een beslissing onverwijld en binnen een termijn van zeventig dagen na ontvangst van het verzoek, bedoeld in § 2. Ze houdt daarbij rekening met het advies.
De administratie keurt het rapport goed of af. Als de administratie het rapport afkeurt, geeft ze alle punten aan waarop het tekortschiet.
§ 6. De administratie bezorgt de beslissing onverwijld en binnen een termijn van tachtig dagen na ontvangst van het verzoek, bedoeld in § 2, aan :
1° de initiatiefnemer en de verzoeker, door betekening;
2° in voorkomend geval de door de Vlaamse regering aangewezen betrokkenen.
§ 7. De Vlaamse regering kan nadere regelen vaststellen betreffende de instelling, de vergoeding en de werking van de adviescommissie.
HOOFDSTUK VII. - Toezichts- en strafbepalingen.
Art. 4.7.1. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie houden de ambtenaren van de door de Vlaamse regering aangewezen dienst toezicht op de naleving van de verplichting tot het opstellen van de rapporten.
Art. 4.7.2. De initiatiefnemer die verplicht is om een rapport op te stellen, maar dit verzuimt, wordt gestraft met een geldboete van 30 tot 30.000 euro. "
Art.4. Au même décret, modifié par les décrets des 19 avril 1995, 8 juin 1996 et 17 juillet 2000, il est ajouté un Titre IV, rédigé comme suit :
"
TITRE IV. - Evaluation des incidences sur l'environnement et la sécurité
CHAPITRE I. - Définitions, dispositions de procédure, objectifs et caractéristiques de l'évaluation des incidences sur l'environnement et la sécurité.
Section I. - Définitions.
Art. 4.1.1. § 1. Sauf dispositions explicites contraires, on entend par :
1° évaluation des incidences sur l'environnement : la procédure qui aboutit ou non à l'établissement et à l'approbation d'un rapport d'incidence sur l'environnement par rapport à une action envisagée et le cas échéant à son utilisation comme instrument lors du processus décisionnel concernant cette action, ci-après appelée m.e.r.;
2° évaluation des incidences sur la sécurité : la procédure qui aboutit ou non à l'établissement et à l'approbation d'un rapport de sécurité spatiale ou d'un rapport de sécurité environnementale par rapport à une action envisagée et le cas échéant à son utilisation comme instrument lors du processus décisionnel concernant cette action, ci-après appelée v.r.;
3° action : un plan, programme et/ou projet;
4° plan ou programme : un document dans lequel sont annoncés des intentions politiques, des développements politiques ou des activités publiques, privées ou mixtes de grande envergure, et qui est établi et fixé, modifié ou revu à l'initiative ou sous la supervision de la Région flamande, des provinces, des intercommunales et/ou des communes, et/ou de l'autorité fédérale ou pour lesquels un cofinancement est prévu par la Communauté européenne ou par la Région flamande ou la Communauté flamande dans le cadre de la coopération internationale, pour autant que le plan ou programme envisagé puisse avoir des incidences importantes sur l'environnement ou la sécurité sur le territoire de la Région flamande;
5° projet :
a) une activité envisagée soumise à autorisation ou une activité soumise à autorisation pour laquelle une nouvelle autorisation doit être sollicitée à l'expiration de la validité de l'autorisation en cours et qui consiste :
- dans l'exécution de travaux de construction, la réalisation et le cas échéant l'exploitation d'autres établissements, travaux ou autres interventions dans l'environnement, en ce compris les captages d'eaux souterraines et les interventions pour l'exploitation de ressources naturelles; soit
- dans l'exploitation d'un établissement; il s'agit de l'ensemble de la zone gérée par un exploitant où se trouvent des substances dangereuses dans un ou plusieurs établissements, en ce compris l'infrastructure ou les activités communes ou correspondantes; soit
b) une activité envisagée ayant des incidences négatives sur l'environnement qui est cofinancée par la Région flamande ou la Communauté flamande dans le cadre de la coopération internationale;
6° rapport : un rapport d'incidence sur l'environnement concernant un plan ou programme, un rapport d'incidence sur l'environnement concernant un projet, un rapport sur la sécurité spatiale ou un rapport sur la sécurité environnementale;
7° rapport d'incidence sur l'environnement concernant un plan ou programme : un document public dans lequel les conséquences attendues pour l'homme et l'environnement d'un plan ou programme envisagé et des alternatives à prendre raisonnablement en compte sont analysées et évaluées dans leur cohérence interne de manière systématique et scientifiquement étayée et qui indique de quelle façon des incidences substantielles sur l'environnement peuvent être évitées, limitées, remédiées ou compensées, ci-après dénommé plan MER;
8° rapport d'incidence sur l'environnement concernant un projet : un document public dans lequel les conséquences attendues pour l'homme et l'environnement d'un projet envisagé et des alternatives à prendre raisonnablement en compte sont analysées et évaluées dans leur cohérence interne de manière systématique et scientifiquement étayée et qui indique de quelle façon des incidences substantielles sur l'environnement peuvent être évitées, limitées, remédiées ou compensées, ci-après dénommé projet MER;
9° rapport de sécurité spatiale : un document public qui comporte, par rapport à un avant-projet de plan d'exécution spatiale et des alternatives à prendre raisonnablement en compte, une évaluation scientifique des évolutions prévues pour ce qui concerne des établissements nouveaux ou existants et leur environnement, lorsque leur lieu d'établissement ou les développements mêmes sont susceptibles d'augmenter le risque d'accidents majeurs ou d'en aggraver les conséquences, ci-après dénommé RVR;
10° rapport de sécurité environnementale : un document public dans lequel - outre une description du système de gestion de la sécurité d'un établissement - par rapport à un projet et des alternatives à prendre raisonnablement en compte, sont identifiés, analysés et évalués de manière systématique et étayée les scénarios d'accidents majeurs dans leur cohérence interne, et qui démontrera les mesures (pouvant être) prises pour éviter ces accidents majeurs et pour en limiter les conséquences pour l'homme et l'environnement, ci-après dénommé OVR;
11° résumé non technique : un résumé d'un rapport qui est compréhensible pour le public et qui permet de se faire une idée adéquate des incidences sur l'environnement ou des accidents majeurs potentiels et des mesures potentielles ou à prendre;
12° administration : les services désignés par le Gouvernement flamand qui sont compétents pour l'environnement;
13° initiateur :
pour ce qui concerne les obligations relatives aux plans d'exécution spatiale : l'autorité qui prend l'initiative d'établir un plan d'exécution spatiale conformément aux articles 41, 44 et 48 du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire;
b) pour ce qui concerne les obligations relatives aux autres plans et programmes, dans l'ordre décroissant de préférence : l'organisation de droit public ou de droit privé qui est responsable pour l'établissement d'un plan ou programme; ou l'autorité qui est responsable pour l'établissement d'un plan ou programme ou pour le contrôle en la matière;
c) pour ce qui concerne les obligations liées aux projets : le demandeur ou le titulaire d'une autorisation pour un projet;
14° accord de coopération : l'accord de coopération du 21 juin 1999 conclu entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses, approuvé par le décret du 17 juillet 2000;
15° signification : l'envoi par lettre recommandée à la poste, moyennant accusé de réception;
16° récépissé : la confirmation écrite de réception d'un courrier, signée par le destinataire ou son mandataire;
17° jour : jour calendrier;
18° public : une ou plusieurs personnes physiques ou morales et leurs associations, organisations ou groupes.
§ 2. Les définitions contenues dans l'accord de coopération s'appliquent à toutes les dispositions du présent titre qui se rapportent à l'évaluation en matière de sécurité.
Section II. - Dispositions générales relatives aux procédures.
Art. 4.1.2. § 1. Les délais prennent effet :
1° en cas de signification, le lendemain de la date du cachet de la poste;
2° en cas de remise contre récépissé, le lendemain de la date du récépissé.
Les significations et communications d'une seule décision ou d'un seul document adressées à plus d'une personne, se font le même jour.
§ 2. Les délais expirent le dernier jour, à minuit.
Art. 4.1.3. Pour la notification ou la communication ou la demande de dispense ou d'exemption, l'initiateur élit domicile en Belgique. Toutes les significations et communications sont valablement faites au domicile choisi.
La modification du choix du domicile est signifiée à l'administration.
Section III. - Objectif et caractéristiques.
Art. 4.1.4. § 1. L'évaluation des incidences sur l'environnement et la sécurité vise à réserver, dans le cadre du processus décisionnel relatif à des actions susceptibles de provoquer des incidences importantes sur l'environnement et/ou de provoquer un accident majeur, une place importante à l'environnement et à la sécurité et la santé de l'homme, une place qui est équivalente aux intérêts sociaux, économiques et autres.
§ 2. Afin de réaliser l'objectif visé au 1er, l'évaluation des incidences sur l'environnement et la sécurité présente comme caractéristiques essentielles :
1° l'analyse et l'évaluation systématiques et scientifiquement étayées des conséquences prévues ou des conséquences potentielles en cas d'accidents majeurs pour l'homme et l'environnement, d'une action envisagée et des alternatives à prendre raisonnablement en compte pour l'action en question ou des parties de celle-ci, ainsi que la description et l'évaluation des mesures envisageables pour éviter, atténuer, remédier à ou compenser de manière cohérente les conséquences de l'action envisagée;
2° l'évaluation de la qualité des informations rassemblées;
3° la publicité active de l'évaluation et du processus décisionnel concernant l'action envisagée.
Section IV. - Relations entre les évaluations.
Art. 4.1.5. Le cas échéant il sera tenu compte dans des évaluations ultérieures, qui sont établies en vertu du présent titre, des évaluations effectuées dans les phases antérieures du processus décisionnel ainsi que des rapports approuvés qui en étaient le résultat.
Art. 4.1.6. § 1. Lorsqu'il faut procéder à différentes évaluations, soit en vertu du présent titre, soit en vertu du présent titre et d'une autre réglementation régionale et/ou fédérale, l'administration prendra d'initiative ou à la demande de l'initiateur ou des initiateurs une décision concernant la possibilité d'adéquation ou d'intégration des différents rapports et dans la mesure du possible des différentes évaluations. Quoi qu'il en soit, l'objectif est d'assurer dans la mesure du possible l'exécution simultanée des différentes évaluations.
L'administration prend une décision concernant l'opportunité de l'adéquation ou de l'intégration, au plus tard lors de sa décision concernant le contenu du rapport, visée à l'article 4.2.5, § 1er, 4.3.5, § 1er, et 4.5.3, § 1.
L'administration et le ou les initiateurs se concerteront au préalable sur le sujet.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant l'adéquation et l'intégration des évaluations et des rapports dans le cas visés au présent article.
Cette adéquation ou intégration peut porter sur des évaluations dans différents domaines politiques.
Section V. - Traduction dans le processus décisionnel.
Art. 4.1.7. Lors de sa décision concernant l'action envisagée et le cas échéant lors de l'exécution de celle-ci, l'autorité tiendra compte du rapport approuvé ou des rapports approuvés et des remarques et commentaires émis à ce sujet.
Elle motivera toute décision concernant l'action envisagée, en particulier pour ce qui concerne les points suivants :
1° le choix en faveur de l'action envisagée, d'une alternative déterminée ou de certaines alternatives partielles, sauf pour ce qui concerne le rapport de sécurité environnementale;
2° l'acceptabilité des conséquences prévues ou potentielles pour l'homme et l'environnement de l'alternative choisie;
3° les mesures proposées dans le ou les rapport(s).
CHAPITRE II. - Evaluation des incidences sur l'environnement concernant des plans et programmes.
Section I. - Champ d'application.
Art. 4.2.1. Avant de pouvoir être approuvés, les plans et programmes envisagés sont soumis à une évaluation des incidences sur l'environnement dans les cas déterminés au présent chapitre.
Art. 4.2.2. § 1. Sur la base des critères définis dans l'annexe I jointe au présent décret, le Gouvernement flamand indique les plans et programmes qui sont soumis au type d'évaluation des incidences sur l'environnement visé au présent chapitre.
§ 2. Le Gouvernement flamand décide au cas par cas et sur la base des critères définis dans l'annexe I jointe au présent décret, si d'autres plans et programmes que ceux visés aux §§ 1er et 3 doivent ou non être soumis au type d'évaluation des incidences sur l'environnement visé au présent chapitre, compte tenu du fait qu'ils peuvent avoir des incidences importantes sur l'environnement.
§ 3. Le Gouvernement flamand indique les plans et programmes qui ne sont pas soumis au type d'évaluation des incidences sur l'environnement visé au présent chapitre eu égard au fait que la procédure décisionnelle concernée présente les caractéristiques essentielles de l'évaluation des incidences sur l'environnement énumérées à l'article 4.1.4, § 2.
§ 4. Avant de prendre une décision conformément aux §§ 1er, 2 ou 3, le Gouvernement flamand consultera le Conseil socioéconomique de la Flandre (SERV) et le Conseil de l'Environnement et de la Nature de la Flandre (MINA).
Lors de toute décision prise conformément aux §§ 1er ou 2, le Gouvernement flamand désignera aussi les administrations, institutions publiques et organisations qui ont un représentant au sein du SERV ou du conseil MINA et qui doivent recevoir une copie de la notification, conformément à l'article 4.2.4, § 4, alinéa premier.
Les décisions du Gouvernement flamand, ainsi que leur motivation, sont rendues publiques.
§ 5. Lorsqu'un plan ou programme qui doit ou non être soumis à une évaluation des incidences sur l'environnement en vertu du présent article et qui est établi dans le but d'être transposé en un plan d'exécution spatiale thématique régional ou provincial, tel que visé à l'article 37 du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire, est ensuite transformé en un plan d'exécution spatiale thématique régional ou provincial qui relève de l'application du présent chapitre, les dispositions du présent chapitre auront été respectées pour ce plan d'exécution spatiale dans la mesure où :
- le processus de planification préalable répond aux caractéristiques essentielles visées à l'article 4.1.4, § 2,; soit
- le plan MER rédigé à cette fin est établi conformément aux dispositions du présent chapitre et peut tenir lieu de plan MER pour le plan d'exécution spatiale thématique régional ou provincial.
La séance plénière, visée à l'article 41 ou 44 du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire, ne sera annoncée qu'après que l'initiateur du plan ou programme, respectivement du projet de plan d'exécution spatiale a démontré à l'égard de l'administration que les obligations visées à l'alinéa premier ont été remplies.
Le Gouvernement flamand déterminera ce qu'il convient d'entendre par plan d'exécution spatiale thématique.
Il peut déterminer d'autres modalités par rapport aux obligations visées à l'alinéa premier.
Art. 4.2.3. § 1. A la demande motivée de l'initiateur, le Gouvernement flamand peut exempter de l'évaluation des incidences sur l'environnement un plan ou programme envisagé qui, en vertu de l'article 4.2. doit être soumis à l'évaluation des incidences sur l'environnement, lorsque la protection de l'intérêt général requiert une réaction à une situation d'urgence par le biais de l'établissement, de la fixation et de l'exécution immédiate du plan ou du programme.
Dans ce cas, le Gouvernement flamand vérifiera s'il n'y a pas d'autre type d'évaluation qui convient et si les informations ainsi rassemblées sont mises à la disposition du public.
§ 2. Sans préjudice du § 5 et à la demande motivée de l'initiateur, l'administration peut exempter un plan ou programme envisagé qui doit être soumis à l'évaluation des incidences sur l'environnement conformément à l'article 4.2.2., de cette évaluation lorsqu'elle est d'avis :
1° qu'une analyse en fonction des critères définis en annexe I démontre que le plan ou programme envisagé ne peut avoir des incidences importantes sur l'environnement étant donné que le plan ou programme détermine l'utilisation d'une petite zone au niveau local ou parce qu'il s'agit de modifications légères à un plan ou programme; soit
2° que le plan ou programme envisagé implique l'élaboration, la révision ou la continuation d'un plan ou programme pour lequel un plan MER a déjà été approuvé, et qu'un nouveau plan MER ne pourrait raisonnablement contenir des données nouvelles ou complémentaires concernant des incidences importantes sur l'environnement; soit
3° qu'une analyse en fonction des critères définis en annexe I démontre que le plan ou programme envisagé ne peut avoir des incidences importantes sur l'environnement et qu'il ne s'agit pas d'un plan ou programme tel que visé à l'article 3, § 2, de la Directive concernant l'évaluation des conséquences pour l'environnement de certains plans et programmes.
§ 3. La demande, visée aux §§ 1er ou 2, comporte au moins :
1° une description et une précision du plan ou programme envisagé, le cas échéant en ce compris une délimitation de la zone à laquelle se rapporte le plan ou programme;
2° le cas échéant les données dont a besoin l'administration pour entamer l'échange d'informations transfrontalier, visé au § 5;
3° la justification de la demande et toutes les données pertinentes attestant celle-ci.
§ 4. L'initiateur transmet la demande à l'administration par signification ou contre récépissé.
§ 5. Lorsque le plan ou programme envisagé, pour lequel une demande d'exemption a été introduite conformément au § 2, peut avoir des incidences importantes pour l'homme ou l'environnement dans d'autres Etats membres de l'Union européenne et/ou des parties signataires de la Convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, signée à Espoo le 25 février 1991 et/ou dans d'autres régions ou lorsque les autorités compétentes de ces Etats membres, parties à la convention et/ou régions en font la demande, l'administration fait parvenir sans délai les informations suivantes aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention et/ou régions concernés :
1° une copie de la demande, visée au § 2;
2° une description de la procédure d'évaluation qui s'applique au plan ou programme envisagé;
3° une indication du processus décisionnel auquel est soumis le plan ou programme envisagé et une description de son objectif, ainsi que de la procédure décisionnelle applicable.
Le courrier comportera une mention signalant aux autorités compétentes qu'elles peuvent communiquer leurs commentaires à l'administration dans un délai de trente jours suivant l'expédition de la copie.
§ 6. Le Gouvernement flamand, respectivement l'administration prendra une décision sans tarder et au plus tard dans un délai de trente jours suivant la réception de la demande de dispense ou d'exemption. Le cas échéant la décision précisera aussi les conditions qui y sont liées.
Dans un délai de quarante jours suivant la réception de la demande, la décision est rendue publique, soumise à la consultation auprès de l'administration et signifiée à l'initiateur.
En cas de décision motivée du Gouvernement flamand ou de l'administration, les délais visés aux premier et deuxième alinéas de cette disposition, sont prolongés jusqu'à soixante, respectivement septante jours. Dans ce cas, l'administration informera l'initiateur de la prolongation des délais.
§ 7. L'initiateur joindra la décision définitive au projet de plan ou programme qui fera l'objet du processus décisionnel.
§ 8. L'administration veillera à ce qu'une copie de la décision définitive de dispense ou d'exemption, visée aux §§ 1er et 2, soit envoyée sans délai et en tout cas avant la décision relative au plan ou programme envisagé :
1° à la Commission des Communautés européennes;
2° le cas échéant aux autorités compétentes des régions, Etats membres et parties à la convention, visés au § 5.
§ 9. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités en matière de dispense et d'exemption.
Section II. - Notification et délimitation du contenu du plan MER envisagé.
Art. 4.2.4. § 1. L'initiateur informera l'administration du plan MER envisagé en temps utile et par signification ou par remise contre récépissé.
§ 2. La notification comprend au moins :
1° une description et une précision des intentions relatives au plan ou programme envisagé et une délimitation de la zone à laquelle se rapporte le plan ou programme;
2° le cas échéant une copie du projet de plan ou programme et une référence à la procédure décisionnelle qui est d'application;
3° le cas échéant les données dont l'administration a besoin pour entamer l'échange d'informations transfrontalier, visé au § 5;
4° le cas échéant les données pertinentes des évaluations précédentes et des rapports approuvés qui en étaient le résultat;
5° un document dans lequel l'approche de fond du plan MER - en ce compris la méthodologie - est présentée, compte tenu des exigences prévues à l'article 4.2.7 et du livre d'instructions m.e.r.;
6° une description succincte des alternatives au projet de plan ou programme ou à des parties de celui-ci, que l'initiateur a envisagées et, de manière concise, ses réflexions sur les avantages et inconvénients des différentes alternatives;
7° les données pertinentes concernant le coordinateur MER agréé proposé et l'équipe proposée d'experts MER, visés à l'article 4.2.6, et la répartition des missions entre les experts;
8° le cas échéant les motifs de la demande de soustraction à la publication et la mise en consultation de la notification ou de certaines parties indiquées de celle-ci.
§ 3. L'administration statue sur l'exhaustivité de la notification. La décision mentionnera tous les points incomplets de la notification. La notification est incomplète lorsque des données ou documents requis en vertu du § 2 sont manquants.
Lorsque l'initiateur a formulé dans la notification une demande de soustraction à la publication et la mise en consultation de la notification ou de parties de celle-ci, l'administration procédera dans sa décision à une pondération des intérêts conformément à l'article 8, § 5, du décret du 18 mai 1999 relatif à la publicité de l'administration. L'administration peut entièrement ou partiellement soustraire les données visées à la publication et à la mise en consultation. Lorsqu'elle décide de soustraire totalement ou partiellement les données indiquées à la publication et à la mise en consultation, elle est tenue de reprendre les données pertinentes dans une annexe. L'annexe ne pourra pas être consultée par le public.
Un recours peut être introduit contre la décision de soustraction à la publication et la mise en consultation, conformément aux articles 14 à 18 inclus du décret du 18 mai 1999 relatif à la publicité de l'administration.
La procédure ne pourra être poursuivie que lorsque la notification est complète.
L'administration signifie sa décision à l'initiateur sans délai et au plus tard dans un délai de vingt jours suivant la réception de la notification.
§ 4. L'administration veille à la publication et à la mise en consultation de la notification dans un délai de dix jours suivant la date à laquelle la notification est déclarée complète. Elle fait parvenir une copie de la notification aux administrations, institutions publiques et/ou organisations ayant un représentant au sein du SERV ou du conseil MINA, désignées par le Gouvernement flamand par catégorie de plan ou programme ou au cas par cas, conformément à l'article 4.2.2, § 4.
L'administration transmet sans délai une copie de la publication à l'initiateur et informe ce dernier de la date d'ouverture et de clôture de la consultation.
Pour les plans et programmes indiqués par le Gouvernement flamand, l'administration transmettra en outre dans le délai visé à l'alinéa premier une copie de la notification déclarée complète au collège des bourgmestre et échevins de la commune ou des communes et/ou à la députation permanente de la province ou des provinces, pour lesquelles le plan ou programme a une importance. Les communes et/ou les provinces soumettent la copie à la consultation du public dans un délai de dix jours suivant sa réception.
Lors de la publication ou de la mise en consultation, il sera clairement indiqué que toute remarque éventuelle concernant la délimitation du contenu du plan MER envisagé doit être communiqué à l'administration, le cas échéant par le biais de la commune, dans un délai de trente jours suivant la publication ou la mise en consultation, sauf prolongation de ce délai.
§ 5. Lorsque le plan ou programme envisagé est susceptible d'avoir des effets importants sur l'homme ou l'environnement dans d'autres Etats membres de l'Union européenne et/ou dans des parties signataires de la Convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, signée à Espoo le 25 février 1991 et/ou dans d'autres régions, ou que les autorités compétentes de ces Etats membres, parties à la convention et/ou régions en font la demande, l'administration transmettra sans délai les informations suivantes aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention et/ou régions concernés :
1° une copie de la notification déclarée complète;
2° une description de la procédure d'évaluation qui s'applique au plan ou programme envisagé;
3° une indication du processus décisionnel auquel est soumis le plan ou programme envisagé et une description de son objet, ainsi que de la procédure décisionnelle applicable.
Ce courrier précisera que les autorités compétentes peuvent communiquer leurs commentaires à l'administration dans un délai de quarante jours suivant l'envoi de la copie.
Art. 4.2.5. § 1. L'administration statuera sans délai et au plus tard dans un délai de soixante jours suivant la date à laquelle la notification est déclarée complète sur :
1° le contenu du plan MER et l'approche de fond de l'évaluation, en ce compris la méthodologie;
2° les instructions particulières pour l'établissement du plan MER;
3° la désignation des auteurs du plan MER, visés à l'article 4.2.6.
Le cas échéant, cette décision concrétisera l'article 4.2.7, § 2. Elle peut aussi comporter des dispositions concernant le traitement succinct ou le non-traitement des effets environnementaux moins ou non pertinents, visés à l'article 4.2.7, § 1, 2°.
Lors de sa décision, l'administration tiendra compte des remarques et commentaires relatifs à la délimitation du contenu du plan MER envisagé émanant des instances et le cas échéant du public, visés à l'article 4.2.4, §§ 4 et 5, et en particulier des remarques et commentaires qui portent sur les effets, alternatives ou mesures à examiner.
§ 2. L'administration rendra sa décision publique et communiquera celle-ci dans un délai de septante jours suivant la date à laquelle la notification est déclarée complète :
1° à l'initiateur, par signification;
2° aux administrations, institutions publiques et/ou organisations, visées à l'article 4.2.4, § 4, alinéa premier;
3° le cas échéant aux autorités compétentes, visées à l'article 4.2.4, § 5. § 3. Lorsque l'article 4.2.4, § 5, est d'application, ou que les administrations, institutions publiques et/ou organisations visées à l'article 4.2.4, § 4, alinéa premier, en font la demande, les délais visés aux §§ 1er et 2, sont prolongés jusqu'à quatre-vingts, respectivement nonante jours.
§ 4. L'initiateur et les administrations, institutions publiques et/ou organisations visées à l'article 4.2.4, § 4, alinéa premier, peuvent signifier à l'administration une demande motivée de reconsidération de cette décision, ou faire remettre cette demande contre récépissé. L'article 4.6.4 s'applique par analogie.
§ 5. Le Gouvernement flamand peut déterminer les modalités relatives à la notification, la publication, la mise en consultation, la possibilité d'émettre des remarques et commentaires et la délimitation du contenu.
Section III. - L'établissement du plan MER.
Art. 4.2.6. § 1. Le plan MER est établi sous la responsabilité et aux frais de l'initiateur.
A cette fin, l'initiateur doit faire appel à un coordinateur MER agréé. Il transmet au coordinateur MER toutes les informations pertinentes qui sont disponibles. Il apporte toute sa collaboration afin que le coordinateur MER puisse dûment remplir sa mission.
§ 2. Le coordinateur MER agréé ne peut avoir aucun intérêt au plan ou programme envisagé ni aux alternatives, ni être associé à l'exécution ultérieure du plan ou programme. Il exécute sa mission en toute indépendance et le cas échéant il dirigera une équipe de collaborateurs qui est entièrement ou partiellement mise à disposition par l'initiateur.
Le coordinateur MER agréé veillera à ce que la composition de l'équipe de collaborateurs permette d'établir le plan MER conformément aux livre d'instructions m.e.r. et à la délimitation du contenu et aux instructions particulières visées à l'article 4.2.5, § 1.
§ 3. Pendant l'établissement du plan MER, le coordinateur MER agréé est tenu de se concerter avec l'administration. Le cas échéant, le coordinateur MER doit respecter les instructions écrites particulières et complémentaires de l'administration, qui constituent un complément au contenu délimité et aux instructions particulières, visés à l'article 4.2.5, § 1.
Art. 4.2.7. § 1. Sauf dispositions contraires dans la décision, visée à l'article 4.2.5, § 1er, le plan MER comprendra au moins les volets suivants :
1° un volet général qui contient les informations suivantes :
a) une description des objectifs et lignes de force du plan ou programme envisagé et du lien avec d'autres plans et programmes pertinents;
b) un aperçu des motifs pour le plan ou programme envisagé;
c) un résumé des alternatives disponibles pour le plan ou programme envisagé ou des parties de celui-ci; notamment pour ce qui concerne les objectifs, les sites et le mode d'exécution ou concernant la protection de l'environnement;
d) une comparaison entre le plan ou programme envisagé et les alternatives disponibles qui peuvent raisonnablement être examinées, ainsi que la motivation de la sélection des alternatives à examiner;
e) une référence aux prescriptions légales, décrétales et réglementaires qui sont pertinentes du point de vue de la politique environnementale dans le cadre de l'exécution du plan ou programme envisagé ou des alternatives qui sont conciliables avec ce dernier, ainsi que les objectifs fixés au niveau international, communautaire, national ou régional en vue de la protection de l'environnement, qui sont pertinents pour le plan ou programme, ainsi que la façon dont il a été tenu compte de ces objectifs et autres considérations écologiques lors de la préparation du plan ou programme;
f) une description de la situation actuelle de l'environnement (en ce compris les caractéristiques écologiques des zones pour lesquelles les conséquences peuvent être considérables et de tous les problèmes écologiques existants), dans la mesure où l'exécution du plan ou programme envisagé ou de l'une des alternatives examinées peut avoir des conséquences en la matière, et une description de l'évolution attendue de cet environnement dans l'hypothèse où ni le plan ou programme envisagé, ni l'une des alternatives ne serait exécuté;
2° un volet concernant les effets écologiques contenant les informations suivantes :
a) une description des méthodiques utilisées pour définir et évaluer les effets écologiques;
b) une description et une évaluation étayée des importantes incidences écologiques potentielles du plan ou programme envisagé et des alternatives examinées sur ou, le cas échéant, par rapport à la santé et la sécurité de l'homme, le développement spatial, la biodiversité, la faune et la flore, les réserves d'énergies et de matières premières, le sol, l'eau, l'atmosphère, les facteurs climatologiques, le bruit, la lumière, les biens matériels, le patrimoine culturel en ce compris le patrimoine architectonique et archéologique, le paysage, la mobilité, et la cohésion entre les différents facteurs cités; cette description des incidences écologiques comprend les effets directs et le cas échéant les effets indirects, secondaires, cumulatifs et synergétiques, permanents et temporaires, positifs et négatifs, à court, à moyen et à long terme du plan ou programme envisagé; l'évaluation des importantes incidences écologiques se fait notamment à la lumière des normes de qualité de l'environnement fixées au Chapitre II du Titre II du présent décret;
c) une description et une évaluation des mesures potentielles pour éviter, limiter, remédier à ou compenser de manière cohérente les importantes incidences écologiques négatives du plan ou programme envisagé;
d) une description des mesures pouvant raisonnablement être prises en vue d'un monitoring et d'une évaluation adéquats des incidences du plan ou programme envisagé;
e) une évaluation globale du plan et programme envisagé et des alternatives examinees;
3° un aperçu des difficultés, lacunes techniques ou connaissances manquantes constatées par l'initiateur et/ou le coordinateur MER agréé et ses collaborateurs lors de la collecte et du traitement des informations requises et de leurs conséquences pour la valeur scientifique du rapport;
4° un résumé non technique des informations fournies telles que décrites aux points 1° jusqu'à 3° inclus.
§ 2. Le plan MER ne doit contenir les informations visées au § 1er :
1° que pour autant qu'elles soient pertinentes pour la phase du processus de planification dans laquelle l'évaluation des incidences sur l'environnement a lieu et pour autant qu'elles soient pertinentes compte tenu du contenu et du niveau de détail du plan ou programme envisagé;
2° que pour autant que les connaissances existantes et les actuelles méthodes d'analyse et d'évaluation des incidences permettent raisonnablement de rassembler et de traiter ces informations;
3° que pour autant que le degré de détail du plan ou programme envisagé le permette raisonnablement.
§ 3. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités concernant le contenu du plan MER.
Section IV. - L'analyse et l'utilisation du plan MER.
Art. 4.2.8. § 1. L'initiateur transmet le plan MER finalisé à l'administration par signification ou par remise contre récépissé.
§ 2. L'administration analysera le contenu du plan MER en fonction :
1° de la décision, visée à l'article 4.2.5, § 1er;
2° le cas échéant, des instructions particulières complémentaires fournies par elle conformément à l'article 4.2.6, § 3;
3° des données requises en vertu de l'article 4.2.7.
Le résultat de l'analyse est intégré dans le rapport relatif au plan MER et débouche sur l'adoption ou le refus du plan MER. Lorsque l'administration rejette le plan MER, le rapport fera mention de tous les points sur lesquels le plan MER présente des lacunes. L'administration approuvera ou rejettera le plan MER sans délai et au plus tard dans un délai de cinquante jours suivant sa réception.
§ 3. L'administration communique sa décision concernant l'approbation ou le refus du plan MER dans un délai de soixante jours :
1° à l'initiateur, par signification;
2° aux administrations, institutions publiques et/ou organisations, visées à l'article 4.2.4, § 4, alinéa premier;
3° le cas échéant aux autorités compétentes, visées à l'article 4.2.4, § 5;
4° au coordinateur MER agréé, visé à l'article 4.2.6.
La décision comprend aussi une copie du rapport relatif au plan MER, visé au § 2, et précisera que l'initiateur peut signifier une demande motivée de reconsidération de la décision ou remettre cette demande contre récépissé et ce, dans un délai de vingt jours.
§ 4. L'initiateur peut signifier une demande motivée de reconsidération de cette décision à l'administration ou remettre sa demande contre récépissé. L'article 4.6.4 s'applique par analogie.
Art. 4.2.9. § 1. Dès signification de la décision, visée à l'article 4.2.8, § 3, le plan MER approuvé, le rapport relatif au plan MER, visé à l'article 4.2.8, § 2, la décision, visée a l'article 4.2.5, § 1er, et le cas échéant les instructions particulières complémentaires, visées à l'article 4.2.6, § 3, peuvent être consultés auprès de l'administration et le cas échéant auprès de l'initiateur.
§ 2. L'initiateur peut demander à l'administration d'examiner si, conformément à l'article 8, § 5, du décret du 18 mai 1999 relatif à la publicite de l'administration, des données contenues dans les pièces visées au § 1er doivent être soustraites à la consultation. Il soumet sa question à l'administration au plus tard au moment de la remise du plan MER finalisé à l'administration. Il précise dans sa demande les données en question et les motifs pour lesquels celles-ci devraient être soustraites à la consultation.
L'administration prend une décision concernant la demande de l'initiateur au plus tard au moment de l'approbation ou du refus du plan MER. Elle fera une pondération des intérêts conformément à l'article visé. L'administration peut soustraire totalement ou partiellement les données visées à la mise en consultation. Lorsqu'elle décide d'une soustraction totale ou partielle des données indiquées à la mise en consultation, elle doit reprendre les données pertinentes dans une annexe. L'annexe ne pourra pas être consultée par le public.
§ 3. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités concernant l'utilisation du plan MER dans le cadre du processus décisionnel ultérieur relatif au plan ou programme envisagé et concernant la publication de l'arrêté définitif relatif au plan ou programme.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités concernant la façon dont les autorités compétentes et les citoyens des Etats membres, parties à la convention et/ou régions, visés à l'article 4.2.4, § 5, peuvent communiquer leurs commentaires concernant le plan MER approuvé et le plan ou programme envisagé, et concernant les modalités selon lesquelles une concertation est organisée à ce sujet.
L'arrêté motivé par lequel le plan ou programme est définitivement établi et un exemplaire du plan ou programme sont envoyés aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention et/ou régions concernés, visés à l'article 4.2.4, § 5.
CHAPITRE III. - L'évaluation des incidences sur l'environnement concernant des projets.
Section I. - Champ d'application.
Art. 4.3.1. Avant qu'une autorisation puisse être demandée pour l'activité soumise à autorisation qui fait l'objet du projet, les projets envisagés sont soumis à une évaluation des incidences sur l'environnement dans les cas définis au présent chapitre.
Art. 4.3.2. § 1. Sur la base des critères définis dans l'annexe II jointe au présent décret, le Gouvernement flamand désigne les catégories de projets qui sont soumises au type d'evaluation des incidences sur l'environnement visé dans le présent chapitre.
L'obligation d'exécution d'un projet-m.e.r. s'applique également lorsqu'une nouvelle autorisation doit être demandée suite à l'expiration de l'autorisation en cours pour le projet en question.
§ 2. Sur la base des criteres définis dans l'annexe II jointe au présent décret II, le Gouvernement flamand désigne les autres catégories de projets que celles visées au § 1er pour lesquelles il convient d'établir ou non un rapport d'incidence sur l'environnement conformément au présent chapitre, en vertu d'une décision, prise au cas par cas, par l'administration.
Cette possibilité s'applique aussi lorsque, en raison de l'expiration de l'autorisation en cours pour le projet, une nouvelle autorisation doit être demandée.
§ 3. Sur la base des critères définis à l'annexe II, le Gouvernement flamand indique les modifications apportées aux projets existants des catégories, visées aux §§ 1er et 2, pour lesquelles il convient d'établir ou non un rapport d'incidence sur l'environnement en vertu d'une décision, prise au cas par cas, par l'administration.
§ 4. Sur la base des critères définis à l'annexe II, le Gouvernement flamand définit les critères de sélection sur la base desquels l'administration décide au cas par cas s'il convient ou non d'établir un rapport d'incidence sur l'environnement conformément au présent chapitre pour les projets visés aux §§ 2 et 3. Ces critères de sélection doivent permettre d'évaluer si d'importantes incidences écologiques peuvent être liées à un projet déterminé, voire à une modification de ce projet.
Lors de toute décision prise conformément aux §§ 1er, 2 ou 3, le Gouvernement flamand désigne également les administrations, institutions publiques et administrations publiques qui doivent recevoir une copie de la notification, conformément à l'article 4.3.4, § 4.
Les critères de sélection sont revus au moins tous les cinq ans mais restent valables jusqu'à ce qu'ils soient remplacés par des nouveaux. Ils sont communiqués à la Commission européenne.
Art. 4.3.3. § 1. Sans préjudice du § 5, le Gouvernement flamand peut, à la demande motivée de l'initiateur et par rapport à un projet déterminé qui doit être soumis à une évaluation des incidences sur l'environnement conformément à l'article 4.3.2 et au présent article, dispenser ce projet de l'évaluation des incidences sur l'environnement lorsque la protection de l'intéret général requiert une réaction à des circonstances exceptionnelles par le biais de l'exécution immédiate du projet.
Dans ce cas, le Gouvernement flamand vérifiera si aucune autre forme d'évaluation ne convient et si les informations ainsi rassemblees sont mises à la disposition du public.
§ 2. Sans préjudice du § 5, l'administration prend à la demande motivée de l'initiateur une décision concernant l'application de l'obligation d'évaluation, visée à l'article 4.3.2, §§ 2, 3 et 4.
§ 3. Dans les cas visés à l'article 4.3.2, l'initiateur peut introduire une demande motivée d'exemption de l'obligation d'évaluation auprès de l'administration.
Sans préjudice du § 5 et pour autant que le projet envisagé ne relève pas de l'application de la liste de projets fixée par le Gouvernement flamand conformément à l'article 4.3.2., § 1er, l'administration peut néanmoins exempter un projet de l'évaluation des incidences sur l'environnement lorsqu'elle est d'avis :
1° qu'un plan MER a déjà été approuvé antérieurement concernant un plan ou programme dans lequel le projet s'inscrit ou qu'un projet MER a été approuvé concernant un projet dont l'initiative envisagée constitue une répétition, continuation ou alternative, et qu'un nouveau projet MER ne peut raisonnablement contenir des données nouvelles ou supplémentaires concernant les importantes incidences sur l'environnement; ou
2° qu'une analyse en fonction des critères en annexe II démontre que le projet envisagé ne peut avoir des incidences importantes sur l'environnement et qu'un projet MER ne peut raisonnablement contenir des données nouvelles ou importantes concernant les importantes incidences sur l'environnement.
§ 4. La demande visée au §§ 1er, 2 ou 3, comporte au moins :
1° une description et une précision du projet envisagé en ce compris sa localisation dans l'espace; celle-ci comprend au moins un extrait des plans d'exécution spatiale ou des plans d'aménagement en vigueur et des cartes topographiques des environs;
2° le cas échéant les données dont l'administration a besoin pour entamer l'échange d'informations transfrontalier, visé au § 5;
3° la justification de la demande et toutes les données pertinentes appuyant celle-ci.
L'initiateur transmet la demande à l'administration par signification ou par remise contre récépissé.
§ 5. Lorsque le projet est susceptible d'avoir des effets importants sur l'homme ou l'environnement dans d'autres Etats membres de l'Union européenne et/ou dans des parties signataires de la Convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, signee à Espoo le 25 février 1991 et/ou dans d'autres régions, ou que les autorités compétentes de ces Etats membres, parties à la convention et/ou régions en font la demande, l'administration transmettra sans délai les informations suivantes aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention et/ou régions concernés :
1° une copie de la demande, visée au § 1er, 2 ou 3;
2° une description de la procédure d'évaluation qui s'applique au projet envisagé;
3° une indication de l'obligation de demande d'autorisation à laquelle est soumis le projet envisagé et une description de son objet, ainsi que de la ou des procédures applicables en matière d'octroi d'autorisation.
Ce courrier précisera que les autorités compétentes peuvent communiquer leurs commentaires à l'administration dans un délai de trente jours suivant l'envoi de la copie.
§ 6. Le Gouvernement flamand, respectivement l'administration, prend une décision sans délai et au plus tard dans un délai de soixante jours suivant la réception de la demande. Le cas échéant, la décision comprendra aussi les conditions qui sont liées à la dispense ou l'exemption.
La dispense, visée au § 1er, est accordée pour une durée limitée. Elle expire lorsque le projet n'est pas entamé dans le délai fixé dans la décision. Ce délai ne peut en aucun cas dépasser deux ans.
L'exemption visée au § 3, est accordée pour une durée restreinte. Elle expire lorsque le projet n'est pas entamé dans le délai fixee dans la décision. Ce délai ne peut en aucun cas dépasser quatre ans.
Dans un délai de septante jours suivant la réception de la demande, la décision est rendue publique, ouverte à la consultation auprès de l'administration et signifiée à l'initiateur. Le cas échéant, ce dernier communiquera la décision au Comité de Prévention et de Protection au travail et au coordinateur écologique.
§ 7. L'initiateur peut signifier à l'administration une demande motivée de reconsidération de la décision, visée au §§ 2 ou 3, ou remettre sa demande contre récépisse. L'article 4.6.4 s'applique par analogie.
§ 8. L'initiateur joindra la décision définitive à la demande d'autorisation.
§ 9. L'administration veillera à ce qu'une copie de la décision définitive soit transmise sans délai et en tout cas avant la décision relative à l'autorisation :
1° dans les cas visés au §§ 1er et 3, à la Commission des communautés européennes;
2° le cas échéant aux autorités compétentes des regions, Etats membres et parties à la convention, visés au § 5.
§ 10. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités en matière d'exemption, de dispense et d'application de l'obligation d'évaluation.
Section II. - Notification et délimitation du contenu du projet MER envisagé.
Art. 4.3.4. § 1. L'initiateur informera l'administration en temps utile et par signification ou contre remise de récépissé du projet MER envisagé.
§ 2. La notification comprend au moins :
1° une description et une precision du projet en ce compris sa localisation dans l'espace et le cas échéant l'adresse d'exploitation de l'établissement; la localisation dans l'espace comprend au moins un extrait des plans d'exécution spatiale ou des plans d'aménagement en vigueur et des cartes topographiques des environs;
2° les autorisations qui doivent être demandées et le cas échéant la situation actuelle en matière d'autorisation pour l'exploitation de l'établissement;
3° le cas échéant les données dont l'administration a besoin pour entamer l'échange d'informations transfrontalier, visé au § 5;
4° le cas échéant les données pertinentes des évaluations précédentes et les rapports approuvés qui en étaient le résultat;
5° un document présentant, compte tenu des exigences de l'article 4.3.7 et du livre d'instructions m.e.r., l'approche de fond du projet MER - en ce compris la méthodologie;
6° une description succincte des alternatives au projet ou à des parties de celui-ci que l'initiateur a envisagées, et, de manière concise, ses réflexions sur les avantages et inconvénients des différentes initiatives;
7° les données pertinentes concernant le coordinateur MER agréé proposé et l'équipe d'experts MER agréés proposée, visée à l'article 4.3.6, ainsi que la répartition des missions entre les experts;
8° le cas échéant les motifs de la demande de soustraction à la publication et la mise en consultation de la notification ou des parties indiquées de celle-ci.
§ 3. L'administration statue sur l'exhaustivité de la notification. La décision mentionnera tous les points incomplets de la notification. La notification est incomplète lorsqu'elle ne comprend pas tous les données ou documents requis en vertu du § 2.
Lorsque l'initiateur a formulé dans la notification une demande de soustraction à la publication et la mise en consultation de la notification ou de parties de celle-ci, l'administration fera dans sa décision une pondération des intérêts conformément à l'article 8, § 5, du décret du 18 mai 1999 relatif à la publicité de l'administration. L'administration peut soustraire les données visées entièrement ou partiellement à la publication et la mise en consultation. Lorsqu'elle decide de soustraire totalement ou partiellement les données indiquées à la publication et la mise en consultation, elle est tenue de reprendre les données pertinentes dans une annexe. L'annexe ne pourra pas être consultée par le public.
Un recours peut être introduit contre la décision de soustraction à la publication et la mise en consultation, conformément aux articles 14 à 18 inclus du décret du 18 mai 1999 relatif à la publicité de l'administration.
La procédure ne pourra être poursuivie que lorsque la notification est complète..
L'administration signifie sa décision sans délai à l'initiateur et au plus tard dans un délai de vingt jours suivant la réception de la notification.
§ 4. L'initiateur signifie une copie de la notification déclarée complète et de la décision de l'administration en la matière dans un délai de dix jours suivant la reception, simultanément au moins :
1° à l'autorité qui le cas écheant prendra une décision en première instance concernant la demande d'autorisation relative au projet;
2° au collège des bourgmestre et échevins de la commune ou des communes où le projet a ou aura lieu;
3° aux administrations, institutions publiques et administrations publiques désignées par le Gouvernement flamand;
4° le cas échéant au conseil d'entreprise et au Comité de prévention et de protection du travail qui existent au sein de l'entreprise de l'initiateur - ou a défaut de ces organes, à la délégation syndicale - et au coordinateur écologique.
La commune ou les communes, visées à l'alinéa premier, 2°, soumettent la copie de la notification à la consultation du public dans un délai de dix jours suivant sa réception. Elles annoncent la mise en consultation et son objectif de manière adéquate et informeront l'administration et l'initiateur sans délai de la date d'ouverture et de clôture de la mise en consultation.
Lors de la publication ou de la mise en consultation, il sera clairement indiqué que toute remarque éventuelle concernant la délimitation du contenu du projet MER envisagé doit être communiquée à l'administration, le cas echéant par le biais de la commune, dans un délai de trente jours suivant la publication ou la mise en consultation.
§ 5. Lorsque le projet est susceptible d'avoir des incidences importantes sur l'homme ou l'environnement dans d'autres Etats membres de l'Union européenne et/ou dans des parties signataires de la Convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, signée à Espoo le 25 février 1991 et/ou dans d'autres régions, ou que les autorités competentes de ces Etats membres, parties à la convention et/ou régions en font la demande, l'administration transmettra sans délai les informations suivantes aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention et/ou regions concernés :
1° une copie de la notification déclarée complète;
2° une description de la procédure d'évaluation qui s'applique au projet envisagé;
3° une indication de l'obligation de demande d'autorisation à laquelle est soumis le projet envisagé et une description de son objet, ainsi que de la procédure d'octroi d'autorisation applicable.
Ce courrier précisera que les autorités compétentes peuvent communiquer leurs commentaires à l'administration dans un délai de quarante jours suivant l'envoi de la copie.
Art. 4.3.5. § 1. L'administration statuera sans délai et au plus tard dans un délai de soixante jours suivant la date à laquelle la notification est déclarée complète sur :
1° le contenu du projet MER et l'approche de fond de l'évaluation, en ce compris la méthodologie;
2° les directives particulières pour l'établissement du projet MER;
3° la désignation des auteurs du projet MER, visés à l'article 4.3.6.
Le cas échéant cette décision concrétisera l'article 4.3.7, § 2. Elle peut aussi comporter des dispositions concernant le traitement succinct ou non :
1° des incidences sur l'environnement moins pertinentes ou non pertinentes, visées à l'article 4.3.7, § 1er, 2°; et
2° des données visées à l'article 4.3.7, § 1er, 1° et 3°, lorsqu'une nouvelle autorisation doit être demandée en raison de l'expiration de l'autorisation en cours. Lors de sa décision, l'administration tiendra compte des remarques et commentaires relatifs à la délimitation du contenu du projet MER émanant des instances et du public, visés à l'article 4.3.4, §§ 4 et 5, et en particulier des remarques et commentaires qui portent sur les effets, alternatives ou mesures à examiner.
§ 2. L'administration rendra sa décision publique et communiquera celle-ci dans un délai de septante jours suivant la date a laquelle la notification est déclarée complète :
1° à l'initiateur, par signification;
2° aux instances, visées à l'article 4.3.4, § 4, alinéa premier;
3° le cas échéant aux autorités compétentes, visées à l'article 4.3.4, § 5. § 3. Lorsque l'article 4.3.4, § 5, est d'application, les délais visés aux §§ 1er et 2, sont prolongés jusqu'à quatre-vingts, respectivement nonante jours.
§ 4. L'initiateur peut signifier à l'administration une demande motivée de reconsidération de cette décision, ou la faire remettre contre récépissé. L'article 4.6.4 s'applique par analogie.
§ 5. Le Gouvernement flamand peut déterminer les modalités relatives à la notification, la publication, la mise en consultation, la possibilité d'émettre des remarques et commentaires et la délimitation du contenu.
Section III. - L'etablissement du projet MER.
Art. 4.3.6. § 1. Le projet MER est établi sous la responsabilité et aux frais de l'initiateur.
A cette fin, l'initiateur doit faire appel à une équipe d'experts MER agréés sous la direction d'un coordinateur MER agréé. Il transmet au coordinateur MER toutes les informations pertinentes qui sont disponibles. Il apporte toute sa collaboration afin que le coordinateur MER puisse dûment accomplir sa mission.
§ 2. Le coordinateur MER agréé et les experts MER agréés ne peuvent avoir aucun intérêt au projet envisagé ni aux alternatives, ni être associé à l'exécution ultérieure du projet. Ils exécutent leur mission en toute indépendance.
La composition de l'équipe d'experts MER agréés permet d'établir le projet MER conformément aux livre d'instructions m.e.r. et à la delimitation du contenu et aux directives particulières visées à l'article 4.3.5, § 1.
§ 3. Pendant l'établissement du projet MER, le coordinateur MER agréé et le cas écheant les experts MER agréés sont tenus de se concerter avec l'administration. Le cas échéant, le coordinateur MER et son équipe doivent respecter les instructions écrites particulières et complémentaires de l'administration, qui constituent un complément au contenu délimité et aux directives particulières, visés à l'article 4.3.5, § 1.
Art. 4.3.7. § 1. Sauf dispositions contraires dans la décision visée à l'article 4.3.5, § 1er, le projet MER se compose au moins des volets suivants :
1° un volet général qui contient les informations suivantes :
a) une description des objectifs du projet envisagé;
b) un aperçu des motifs pour le projet envisagé;
c) une description des lignes de force du projet envisagé basée le cas échéant sur le concept d'unité environnementale, avec en particulier;
1) une description des caractéristiques physiques de l'ensemble du projet et des exigences relatives à l'utilisation du sol et du terrain pendant les phases de construction et d'exploitation ainsi que la nature et les quantités de matériaux utilisés;
2) le cas échéant une description des principales caractéristiques des processus de construction et/ou de production par rapport à la consommation d'énergie et de matières premières;
une description de la façon dont il a été tenu compte lors de l'élaboration du projet envisagé des incidences significatives sur l'environnement prévues et un pronostic de la nature et de la quantité des résidus et émissions prévus suite au fonctionnement et le cas échéant à la cessation et au démantèlement du projet;
d) un résumé des alternatives disponibles pour le projet ou des parties de celui-ci; notamment pour ce qui concerne les objectifs, les localisations et le mode d'exécution ou concernant la protection de l'environnement;
e) une comparaison entre le projet envisagé et les alternatives disponibles qui peuvent raisonnablement être examinées, ainsi que la motivation pour la sélection des alternatives à examiner;
f) une référence aux prescriptions légales, décrétales et réglementaires qui sont pertinentes du point de vue de la politique environnementale lors de l'exécution du projet envisagé ou des alternatives examinées, et une étude sur la compatibilité entre le projet envisagé ou les alternatives et ces prescriptions;
g) une description de la situation actuelle de l'environnement (en ce compris les caractéristiques écologiques des zones pour lesquelles les conséquences peuvent être considérables et de tous les problèmes écologiques existants), pour autant que l'exécution du projet ou de l'une des alternatives examinées peut avoir des conséquences en la matière, et une description de l'évolution attendue de cet environnement dans l'hypothèse où ni le projet, ni l'une des alternatives ne serait exécuté;
2° un volet concernant les incidences écologiques qui comporte les informations suivantes :
a) une description des méthodiques utilisées pour déterminer et évaluer les incidences sur l'environnement;
b) une description et une évaluation étayée des importantes incidences écologiques probables du projet envisagé et des alternatives examinées sur ou, le cas échéant, par rapport à la santé et la sécurité de l'homme, le développement spatial, la biodiversité, la faune et la flore, les réserves d'énergies et de matières premières, le sol, l'eau, l'atmosphère, les facteurs climatologiques, le bruit, la lumière, les biens matériels, le patrimoine culturel en ce compris le patrimoine architectonique et archéologique, le paysage, la mobilité, et la cohésion entre les différents facteurs cités; cette description des incidences ecologiques comprend les effets directs et le cas échéant les effets indirects, secondaires, cumulatifs et synergétiques, permanents et temporaires, positifs et négatifs, à court, à moyen et à long terme du projet; l'évaluation des importantes incidences écologiques se fait notamment à la lumière des normes de qualité de l'environnement fixées au Chapitre II du Titre II du présent décret;
c) une description et une évaluation des mesures envisageables pour éviter, limiter, remédier à ou compenser de manière cohérente les importantes incidences écologiques négatives du projet envisagé;
d) une description des mesures pouvant raisonnablement être prises pour un monitoring et une évaluation adéquats des incidences du projet envisagé;
e) une évaluation globale du projet envisagé et des alternatives examinées;
3° un aperçu détaille des effets directs et indirects, temporaires et permanents sur l'emploi du projet envisagé et un aperçu des investissements globaux prévus en ce compris les subventions reçues (à recevoir) et autres mesures d'aide, ainsi qu'un aperçu de la nature, la quantité et l'origine des matériaux utilisés et la nature, la quantité et la destination des marchandises à produire;
4° un aperçu des difficultés, lacunes techniques ou connaissances manquantes constatées par l'initiateur et/ou l'équipe d'experts agréés lors de la collecte et du traitement des informations requises et de leurs conséquences pour la valeur scientifique du rapport;
5° un résumé non technique des informations fournies telles que décrites aux points 1° jusqu'à 4° inclus.
§ 2. Le projet MER ne doit contenir les informations visées au § 1er :
1° que pour autant qu'elles soient pertinentes pour la phase du processus d'octroi d'autorisation dans laquelle l'évaluation des incidences sur l'environnement a lieu et pour autant qu'elles soient pertinentes compte tenu des caractéristiques spécifiques d'un projet déterminé ou de la catégorie de projets dont fait partie l'action examinée et des aspects écologiques qui peuvent être influencés par le projet envisagé;
2° que pour autant que les connaissances existantes et les actuelles méthodes d'analyse et d'évaluation des incidences permettent raisonnablement de rassembler et de traiter ces informations;
§ 3. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités concernant le contenu du projet MER.
Section IV. - L'analyse et l'utilisation du projet MER.
Art. 4.3.8. § 1. L'initiateur transmet le projet MER finalisé à l'administration par signification ou contre récépissé.
§ 2. L'administration analysera le contenu du projet MER en fonction :
1° de la décision, visée à l'article 4.3.5, § 1er;
2° le cas échéant, des instructions particulières complémentaires fournies par elle conformément à l'article 4.3.6, § 3;
3° des données requises en vertu de l'article 4.3.7.
Le résultat de l'analyse est intégré dans le rapport relatif au projet MER et débouche sur l'adoption ou le refus du projet MER. Lorsque l'administration rejette le projet MER, le rapport fera mention de tous les points sur lesquels le projet MER présente des lacunes. L'administration approuvera ou rejettera le projet MER sans délai et au plus tard dans un délai de trente jours suivant sa réception. L'administration peut prendre la décision motivée de prolonger ce délai jusqu'à cinquante jours. Elle signifiera la décision de prolongation dans le délai précité de trente jours.
§ 3. L'administration communique sa décision concernant l'approbation ou le refus du projet MER dans un délai de quarante, respectivement soixante jours en cas de prolongation du délai, suivant la réception :
1° à l'initiateur, par signification;
2° aux administrations, institutions publiques et/ou organisations, visées à l'article 4.3.4, § 4, alinéa premier;
3° le cas échéant aux autorités compétentes, visées à l'article 4.3.4, § 5;
4° au coordinateur MER agrée, visé à l'article 4.3.6.
La décision comprend aussi une copie du rapport relatif au projet MER, visé au § 2, et précisera que l'initiateur peut signifier une demande motivée de reconsidération de la décision ou remettre sa demande contre récépissé et ce, dans un délai de vingt jours.
§ 4. L'initiateur peut signifier à l'administration une demande motivée de reconsidération de cette décision ou remettre cette demande contre récépissé. L'article 4.6.4 s'applique par analogie.
Art. 4.3.9. § 1. Dès signification de la décision, visée à l'article 4.3.8, § 3, le projet MER approuvé, le rapport relatif au projet MER, visé à l'article 4.3.8, § 2, la décision, visée à l'article 4.3.5, § 1er, et le cas écheant les instructions particulières complementaires, visées à l'article 4.3.6, § 3, peuvent être consultés auprès de l'administration.
§ 2. L'initiateur peut demander à l'administration d'examiner si, conformément à l'article 8, § 5, du décret du 18 mai 1999 relatif à la publicité de l'administration, des données contenues dans les pièces visées au § 1er doivent être soustraites à la consultation. Il soumet sa question à l'administration au plus tard au moment de remettre le projet MER finalisé à l'administration. Il précise dans sa demande les données en question et les motifs de la soustraction à la consultation par le public.
L'administration prend une décision concernant la demande de l'initiateur au plus tard au moment de l'approbation ou du refus du projet MER. Elle fera une pondération des intérêts conformément à l'article précité. L'administration peut soustraire totalement ou partiellement les données visées à la mise en consultation. Lorsqu'elle décide d'une soustraction totale ou partielle des données indiquées à la mise en consultation, elle doit reprendre les donnees pertinentes dans une annexe. L'annexe ne pourra pas être consultée par le public.
§ 3. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités concernant l'utilisation du projet MER dans le cadre du processus décisionnel ultérieur concernant le projet envisagé et concernant la publication de l'arrêté définitif relatif au projet.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités concernant la façon dont les autorités compétentes et les citoyens des Etats membres, parties à la convention et/ou régions, visés à l'article 4.3.4, § 5, peuvent communiquer leurs commentaires concernant le projet MER approuvé et le projet envisagé, et concernant les modalités selon lesquelles une concertation est organisée à ce sujet.
L'arrêté définitif d'octroi de l'autorisation est envoyé aux autorités competentes des Etats membres, parties à la convention et/ou régions concernés, visés à l'article 4.3.4, § 5.
CHAPITRE IV. - Evaluation de la sécurité concernant les plans d'exécution spatiale.
Art. 4.4.1. § 1. L'évaluation en matière de sécurité, visée au présent chapitre, porte sur l'établissement des plans d'exécution spatiale, visés au décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'amenagement du territoire, afin de donner exécution aux obligations définies à l'article 24 de l'accord de coopération.
§ 2. Le Gouvernement flamand définit les critères sur la base desquels l'administration décide si l'établissement d'un rapport sur la sécurité spatiale est requis ou non.
Art. 4.4.2. § 1. Le plan de sécurité spatiale est établi sous la responsabilité et aux frais de l'initiateur.
A cette fin, l'initiateur doit faire appel à un expert VR agréé. Il transmet à l'expert agréé toutes les informations pertinentes qui sont disponibles. Il apporte toute sa collaboration afin que l'expert agréé puisse dûment remplir sa mission.
§ 2. L'expert agréé ne peut avoir aucun intérêt à l'exploitation des établissements existants ou envisagés qui sont éventuellement retenus dans le RVR. Il exécute sa mission en toute indépendance.
§ 3. Pendant l'établissement du plan de sécurité spatiale, l'expert agréé est tenu de se concerter avec l'administration. L'expert agréé doit le cas échéant respecter les instructions écrites de l'administration.
Art. 4.4.3. Le rapport sur la sécurité spatiale comprendra au moins les volets suivants :
1° un volet général qui contient les informations suivantes :
a) une description des objectifs et lignes de force de l'avant-projet du plan d'exécution spatiale, en ce compris une carte à une échelle adaptée;
b) un aperçu des motifs de l'établissement du plan d'exécution spatiale;
c) une description des alternatives examinées pour l'avant-projet de plan d'exécution spatiale ou un résumé succinct des alternatives à prendre raisonnablement en compte pour certaines parties du plan, chaque fois en ce compris les considérations en la matière de l'initiateur;
d) une comparaison entre les alternatives décrites et l'avant-projet de plan d'exécution spatiale ou de certaines parties de ce plan;
2° un volet concernant l'impact du plan d'exécution spatiale sur les risques d'accidents majeurs pour l'homme et l'environnement qui contient les informations suivantes :
a) une description des méthodiques utilisées pour déterminer et évaluer les risques d'accidents majeurs pour l'homme et l'environnement en ce compris une énumération et définition des critères pertinents qui sont utilisés dans le rapport de sécurité spatiale pour la délimitation des zones à risque;
b) le cas échéant des informations sur les risques d'accidents majeurs pour l'homme et l'environnement liés aux établissements existants et sur les mesures de sécurité qu'ont adoptées et/ou que peuvent adopter des établissements existants afin d'éviter des accidents majeurs et d'en limiter les conséquences pour l'homme et l'environnement;
c) pour l'avant-projet de plan d'exécution spatiale et les alternatives décrites, une évaluation scientifique de l'impact des développements pris en considération autour d'établissements existants et/ou de l'implantation éventuelle de nouveaux établissements sur les risques d'accidents majeurs pour l'homme et l'environnement en ce compris les zones à risque délimitées;
d) sur la base de l'évaluation visée au c), des recommandations sur :
1) les prescriptions urbanistiques prévues notamment compte tenu de l'exigence de conserver à long terme également une distance appropriée entre les établissements relevant de l'accord de coopération et certaines zones ayant un caractère particulièrement sensible, telles que visées à l'article 24, § 1er, dernier alinéa, de l'accord de coopération;
2) les mesures complémentaires que peuvent prendre des établissements existants pour éviter des accidents majeurs et d'en atténuer les conséquences pour l'homme et l'environnement afin de pas augmenter les risques;
e) une évaluation globale de l'avant-projet de plan d'exécution spatiale et des alternatives décrites dans le cadre de la politique de prévention d'accidents majeurs et de limitation de leurs conséquences pour l'homme et l'environnement;
3° un relevé des difficultés, lacunes techniques ou connaissances manquantes constatées eventuellement par l'initiateur et/ou l'expert agrée lors de la collecte et du traitement des informations requises et des implications qui en découlent pour la valeur scientifique du rapport;
4° un résumé non technique des données fournies telles que décrites du point 1° jusqu'à 3° inclus.
Art. 4.4.4. § 1. L'initiateur transmet le plan de sécurité spatiale finalisé à l'administration par signification ou par remise contre récépissé.
§ 2. L'administration analysera le contenu du RVR en fonction :
1° des données requises en vertu de l'article 4.4.3.
2° des éventuelles instructions écrites, visées à l'article 4.4.2, § 3.
Le résultat de l'analyse est intégré dans le rapport relatif au RVR et débouche sur l'adoption ou le refus du rapport de sécurité spatiale. Lorsque l'administration rejette le rapport de sécurité spatiale, le rapport fera mention de tous les points sur lesquels le RVR présente des lacunes. L'administration approuvera ou rejettera le rapport de sécurité spatiale finalisé sans délai et au plus tard dans un délai de cinquante jours suivant sa réception.
§ 3. L'administration signifie sa décision concernant l'approbation ou le refus du rapport de sécurité spatiale dans un délai de soixante jours suivant sa réception :
1° à l'initiateur;
2° à l'expert agréé qui a rédigé le rapport de sécurité spatiale.
La décision comprend aussi une copie du rapport RVR, visé au § 2, et précisera que l'initiateur peut signifier une demande motivée de reconsidération de la décision ou faire remettre cette demande contre récépissé et ce, dans un délai de vingt jours.
§ 4. L'initiateur peut signifier ou remettre contre recépissé une demande motivée de reconsidération de cette décision à l'administration. L'article 4.6.4 s'applique par analogie.
Art. 4.4.5. Le Gouvernement flamand peut determiner d'autres modalités en matière d'établissement, d'analyse et d'utilisation ultérieure du rapport de sécurité spatiale.
CHAPITRE V. - Evaluation de la sécurité dans le cadre de l'exploitation d'établissements.
Section I. - Champ d'application.
Art. 4.5.1. § 1. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent à tous les établissements pour lesquels :
1° il convient d'établir un rapport de sécurité conformément à l'article 12 de l'accord de coopération ou, conformément à l'article 13 de l'accord de coopération, de soumettre le rapport de sécurité à une nouvelle évaluation suite à une modification apportée à l'établissement; et
2° il convient d'introduire une demande d'autorisation ecologique ou de modification de l'autorisation écologique conformément au décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation anti-pollution.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut désigner d'autres catégories d'établissements pour lesquels il faut établir un rapport de sécurité environnementale conformément aux dispositions du présent chapitre. Par dérogation à l'article 4.5.6, le Gouvernement flamand peut décider que le rapport de sécurité environnementale ne doit pas comprendre certaines données pour ces catégories d'établissements.
Section II. - Notification et délimitation du contenu du rapport de sécurité environnementale envisagé.
Art. 4.5.2. § 1. L'initiateur informera l'administration en temps utile et par signification ou par remise contre récépissé de son intention d'établir un rapport de sécurité environnementale.
§ 2. La notification comprendra au moins :
1° une description et explicitation du projet, en ce compris sa situation dans l'espace et l'adresse d'exploitation de l'établissement; la situation dans l'espace comprend au moins un extrait des plans d'exécution spatiale ou des plans d'aménagement en vigueur et des cartes topographiques des environs;
2° le motif de l'obligation d'évaluation qui incombe à l'établissement;
3° les autorisations devant être demandées et le cas echeant la situation actuelle en matière d'autorisation pour l'exploitation de l'établissement;
4° le cas échéant, les données dont l'administration a besoin pour entamer l'échange d'informations transfrontalier, visé au § 4;
5° le cas échéant, les donnees pertinentes des évaluations précedentes et des rapports approuvés qui en étaient le résultat;
6° le cas échéant, les informations devant permettre à l'administration de décider d'une limitation du rapport de securité environnementale conformément à l'article 4.5.4;
7° un document qui présente, en fonction des exigences prévues a l'article 4.5.6 et au livre d'instructions v.r., l'approche de fond - en ce compris la méthodologie - du rapport de sécurité environnementale;
8° les données pertinentes sur l'expert agréé proposé, vise à l'article 4.5.5, le cas échéant complétées par la liste des experts qui assisteront l'expert agréé et la répartition des tâches entre les experts;
9° le cas échéant les motifs de la demande d'exemption de publicité passive de la notification ou de certaines parties de celle-ci.
§ 3. L'administration statue sur l'exhaustivité de la notification. La décision mentionnera tous les points incomplets de la notification. La notification est incomplète lorsqu'elle ne comprend pas tous les données ou documents requis en vertu du § 2.
Lorsque l'initiateur a formulé dans la notification une demande de soustraction à la publication et la mise en consultation de la notification ou de parties de celle-ci, l'administration fera dans sa décision une ponderation des intérêts conformément à l'article 8, § 5, du décret du 18 mai 1999 relatif à la publicité de l'administration. L'administration peut soustraire les données visées entièrement ou partiellement à la publication et la mise en consultation. Lorsqu'elle décide de soustraire totalement ou partiellement les données indiquées à la publication et la mise en consultation, elle est tenue de reprendre les données pertinentes dans une annexe.
Un recours peut être introduit contre la décision d'exemption de publicité passive, conformément aux articles 14 à 18 inclus du décret du 18 mai 1999 relatif à la publicité de l'administration.
La procédure ne pourra être poursuivie que lorsque la notification est complète.
L'administration signifie sa décision à l'initiateur sans délai et au plus tard dans un délai de vingt jours suivant la réception de la notification.
§ 4. Lorsque le projet est susceptible d'avoir, suite à un accident majeur, des incidences importantes sur l'homme ou l'environnement dans d'autres Etats membres de l'Union européenne et/ou dans des parties signataires de la Convention sur les effets transfrontières des accidents industriels majeurs, signée à Helsinki le 17 mars 1992 et/ou dans d'autres régions, ou que les autorités compétentes de ces Etats membres, parties à la convention et/ou régions en font la demande, l'administration transmettra sans délai les informations suivantes aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention et/ou régions concernés :
1° une copie de la notification déclarée complète;
2° une description de la procédure d'évaluation qui s'applique au projet envisagé;
3° une indication de l'obligation de demande d'autorisation à laquelle est soumis le projet envisagé et une description de son objet, ainsi que des procédures d'octroi d'autorisation applicables.
Ce courrier précisera que les autorités compétentes peuvent communiquer leurs commentaires à l'administration dans un délai de quarante jours suivant l'envoi de la copie
Art. 4.5.3. § 1. L'administration statuera sans tarder et au plus tard dans un délai de vingt jours suivant la date à laquelle la notification est déclarée complète sur :
1° le contenu du rapport de sécurité environnementale et l'approche de fond de l'évaluation, en ce compris la méthodologie;
2° les eventuelles instructions particulières pour l'établissement du rapport de sécurité environnementale;
3° la désignation de l'expert agréé qui établira le OVR.
Le cas écheant cette décision comprendra des dispositions relatives à la limitation du contenu du rapport de sécurité environnementale conformément à l'article 4.5.4.
Lors de sa décision, l'administration tiendra le cas échéant compte des commentaires, visés à l'article 4.5.2, § 4.
§ 2. L'administration communiquera sa décision dans un délai de trente jours suivant la date à laquelle la notification est déclarée complète, à l'initiateur, par signification et le cas échéant aux autorités compétentes, visées à l'article 4.5.2., § 4. § 3. Lorsque l'article 4.5.2., § 4, est d'application, les délais visés aux §§ 1er et 2, sont prolongés jusqu'à quatre-vingts, respectivement nonante jours.
§ 4. L'initiateur peut signifier à l'administration une demande motivée de reconsidération de cette décision, ou la faire remettre contre récépissé. L'article 4.6.4 s'applique par analogie.
§ 5. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités en matière de notification, de remise de la copie, de possibilité d'émettre des commentaires et de délimitation du contenu.
Art. 4.5.4. Lorsque l'initiateur démontre que certaines substances présentes dans l'établissement ou dans une partie de l'établissement ne peuvent provoquer un accident majeur conformément aux critères visés à l'article 12, § 5, de l'accord de coopération, l'administration peut décider que les données du rapport de sécurité environnementale sont limitées a celles qui sont importantes pour la prévention des risques résiduels d'accidents majeurs et pour l'atténuation de leurs conséquences pour l'homme et l'environnement.
Lorsque l'administration décide de limiter les données du rapport de sécurité environnementale, elle communique sa décision et toutes les informations nécessaires immédiatement et en tout cas avant la décision relative à l'autorisation, à la Commission des Communautés européennes.
Section III. - Etablissement du rapport de sécurité environnementale.
Art. 4.5.5. § 1. Le rapport de securité environnementale est établi sous la responsabilité et aux frais de l'initiateur.
A cette fin, l'initiateur doit faire appel à un expert agréé. Il transmet à l'expert agréé toutes les informations pertinentes qui sont disponibles. Il apporte toute sa collaboration afin que l'expert agréé puisse dûment s'accomplir de sa mission.
§ 2. L'expert agréé ne peut avoir aucun intérêt à l'exploitation en question. Il exécute sa mission en toute indépendance.
§ 3. Pendant l'établissement du rapport de sécurité environnementale, l'expert agréé est tenu de se concerter avec l'administration. L'expert agréé doit le cas échéant respecter les instructions écrites particulières et complémentaires de l'administration qui constituent un complément au contenu délimité, visé à l'article 4.5.3, § 1er, 1° et 2°.
Art. 4.5.6. Sans préjudice de l'application de l'article 4.5.4, le rapport de sécurité environnementale comprend au moins les données suivantes, dans la mesure où celles-ci peuvent être disponibles :
1° des informations sur le système de gestion et l'organisation de l'établissement en vue de la prévention d'accidents majeurs. Ces informations doivent couvrir tous les points prévus à l'article 10 de l'accord de coopération.
2° une présentation des environs de l'établissement :
a) une description du site, en ce compris la situation géographique, les données météorologiques, géologiques et hydrographiques ainsi que les éléments de l'historique du site pertinents pour la sécurité;
b) une identification des sources de danger externes et des objets environnementaux sensibles ainsi que les informations disponibles concernant ces sources;
c) une description des zones susceptibles d'être touchées par un accident majeur;
3° description de l'établissement :
a) identification des établissements et activités au sein de l'établissement susceptibles de provoquer un accident majeur;
b) description des activités et produits des parties de l'établissement qui sont importantes du point de vue securité;
c) description des procédés et méthodes de travail;
d) description des substances dangereuses :
1) une liste des substances dangereuses, qui comprend :
- la description des substances dangereuses : nom chimique, numéro CAS, nom selon la nomenclature IUPAC;
- la quantité maximale de substances dangereuses présentes ou pouvant être présentes;
2) les propriétés et données physiques, chimiques et toxicologiques, tant du point de vue des dangers immédiats que des dangers ultérieurs pour l'homme et l'environnement;
3) le comportement physique ou chimique dans des conditions d'utilisation normale ou lors d'incidents prévisibles;
4° identification et analyse des accidents majeurs avec les conséquences potentielles pour l'homme et l'environnement et les moyens de prévention :
a) description détaillée des scénarios pour des accidents majeurs potentiels et les circonstances dans lesquelles ces accidents peuvent se produire, en ce compris un résumé des incidents susceptibles de jouer un rôle important lors du déclenchement de ces scénarios, indépendamment du fait que ces causes se situent en dehors ou au sein de l'établissement;
b) description des causes possibles d'accidents majeurs et des circonstances dans lesquelles un tel accident majeur pourrait se produire, accompagnée d'une description des mesures préventives adoptées;
c) quantification des risques, telle qu'indiquée dans le livre d'instructions v.r., liés aux scénarios décrits au point a);
d) évaluation de l'ampleur et de la gravité des conséquences potentielles des accidents majeurs identifiés;
e) description des paramètres techniques qui sont importants pour la sécurité des établissements et des appareils prévus pour assurer la sécurité des établissements;
5° mesures de protection et d'intervention pour attenuer les conséquences d'un accident majeur :
a) description des paramètres techniques qui sont importants pour la sécurité des établissements et des appareils prévus pour assurer la sécurite des établissements;
b) description des appareils aménages sur les installations pour atténuer les conséquences d'accidents majeurs; organisation de l'alarme et de l'intervention;
c) description des moyens internes ou externes pouvant être mis en oeuvre;
d) description du plan d'urgence interne, visé à l'article 15 de l'accord de coopération;
6° une description et évaluation des mesures de prévention et de limitation des conséquences d'ordre technique et organisationnel que prendra l'initiateur, en ce compris le délai dans lequel ces mesures se réaliseront;
7° un aperçu des alternatives pouvant être raisonnablement prises en considération en termes de situation, d'implantation, de procédé et de quantités de substances dangereuses, en ce compris l'alternative zéro et la fermeture de l'établissement;
8° une indication des difficultés, lacunes techniques ou connaissances manquantes constatées le cas échéant par l'initiateur et/ou les experts lors de la collecte et du traitement des informations requises et de leurs conséquences pour la valeur scientifique du rapport;
9° un résumé non technique des données fournies, telles que décrites aux points 1° jusqu'à 8°.
Section IV. - L'analyse et l'utilisation du rapport de sécurité environnementale.
Art. 4.5.7. § 1. L'initiateur transmet le rapport de sécurité environnementale finalisé à l'administration par signification ou par remise contre récépissé.
§ 2. L'administration analysera le contenu du OVR en fonction :
1° de la décision visée à l'article 4.5.3, § 1er;
2° des eventuelles instructions particulières complémentaires visées à l'article 4.5.5, § 3;
3° des données requises conformément a l'article 4.5.6.
Le résultat de l'analyse est intégré dans le rapport OVR et débouche sur l'adoption ou le refus du. rapport de sécurité environnementale. Lorsque l'administration rejette le rapport de sécurité spatiale, le rapport fera mention de tous les points sur lesquels le OVR présente des lacunes. L'administration approuvera ou rejettera le rapport de sécurité environnementale. sans délai et au plus tard dans un délai de trente jours suivant sa réception. L'administration peut prendre la décision motivée de prolonger ce délai jusqu'à cinquante jours. Elle signifiera la décision de prolongation dans le délai précité de trente jours.
§ 3. L'administration communique sa décision concernant l'approbation ou le rejet du rapport de sécurité environnementale dans un délai de quarante jours suivant la réception, respectivement soixante jours en cas de prolongation du délai :
1° à l'initiateur, par signification;
2° aux autorités qui devront se prononcer le cas échéant sur une demande d'autorisation pour l'exploitation de l'établissement;
3° au collège des bourgmestre et échevins de la commune ou des communes où se situe l'établissement;
4° le cas échéant aux autorités competentes, visées à l'article 4.5.2, § 4;
5° à l'expert agréé qui a rédigé le rapport.
Cette décision comprend aussi une copie du rapport OVR, visé au § 2, et précisera que l'initiateur peut signifier une demande motivée de reconsidération de la décision ou remettre cette demande contre récepissé dans un délai de vingt jours.
§ 4. L'initiateur peut signifier à l'administration une demande motivée de reconsidération de cette décision ou remettre cette demande contre récépissé. L'article 4.6.4 s'applique par analogie.
Art. 4.5.8. § 1. Dès signification de la décision, visée à l'article 4.5.7, § 3, le rapport de sécurité environnementale approuvé, le rapport OVR, visé à l'article 4.5.7, § 2, la decision, visée à l'article 4.5.3, § 1er, et le cas échéant les instructions particulières complémentaires, visées à l'article 4.5.5, § 3, peuvent être consultés auprès de l'administration.
§ 2. L'initiateur peut demander à l'administration d'examiner si, conformément à l'article 8, § 5, du décret du 18 mai 1999 relatif à la publicité de l'administration, des données contenues dans les pièces visées au § 1er doivent être soustraites à la consultation. Il soumet sa question à l'administration au plus tard au moment de la remise du OVR finalisé à l'administration. Il précise dans sa demande les données en question et les motifs de la soustraction à la consultation.
L'administration prend une décision concernant la demande de l'initiateur au plus tard au moment de l'approbation ou du refus du OVR. Elle fera une pondération des intérêts conformément à l'article précité. L'administration peut soustraire totalement ou partiellement les données visées à la mise en consultation. Lorsqu'elle décide d'une soustraction totale ou partielle des données indiquées à la mise en consultation, elle doit reprendre les données pertinentes dans une annexe. L'annexe ne pourra pas être consultée par le public.
§ 3. Lors du processus décisionnel ultérieur concernant le projet envisagé, il convient de tenir compte de la nécessité de garder les activités à risque isolées et à une distance appropriée des zones d'habitation, de zones fréquentées par le public, de zones vulnérables en termes spatiaux et de zones vulnérables particulières à définir par le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités concernant l'utilisation du rapport de sécurité environnementale lors de toute décision ultérieure concernant le projet envisagé et concernant la publication de l'arrêté relatif au projet.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres règles concernant les modalités selon lesquelles les autorités compétentes et les citoyens des Etats membres, parties à la convention et/ou régions, visés à l'article 4.5.2, § 4, peuvent faire part de leurs commentaires sur le rapport de sécurité environnementale approuvé et le projet envisagé, et concernant les modalités de concertation à ce sujet.
L'arrêté définitif d'octroi de l'autorisation pour le projet en question est envoyé aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention et/ou régions concernés, visés à l'article 4.5.2, § 4.
CHAPITRE VI. - Aspects communs de gestion de la qualité.
Section I. - L'agrément des experts et coordinateurs.
Art. 4.6.1. § 1. Des personnes physiques et des personnes morales de droit public ou de droit privé peuvent être agréées :
1° pour l'établissement de rapports d'incidence sur l'environnement, en qualité :
a) de coordinateur dirigeant une équipe d'experts MER agréés;
b) d'expert pour participer au travail d'équipe dans le cadre de plans et/ou projets MER;
2° pour l'établissement de rapports de sécurité, en qualité d'expert pour l'établissement des rapports de sécurité spatiale et/ou des rapport de sécurité environnementale.
§ 2. L'agrément est accordé pour une période de cinq ans maximum et peut être retiré à tout moment lorsqu'une ou plusieurs conditions d'agrément ne sont plus remplies ou que l'expert et/ou le coordinateur n'execute pas de manière réglementaire ou objective les obligations qui leur incombent en vertu de ce titre.
§ 3. Les conditions d'agrément portent notamment sur :
1° la formation et/ou l'expérience du demandeur;
2° la possession des ou l'accès aux informations pertinentes, facilités adéquates et encadrement éventuel;
3° le cas échéant la qualité des évaluations effectuées.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut déterminer des conditions complémentaires pour l'agrément et déterminer d'autres modalités pour l'octroi et le retrait de l'agrément.
Section II. - Les livres d'instructions, évaluation et monitoring.
Art. 4.6.2. § 1. L'administration établit un livre d'instructions concernant l'évaluation des incidences sur l'environnement. Ce livre d'instructions m.e.r. est l'ouvrage de référence sur lequel l'administration, l'initiateur, les coordinateurs agréés et les experts se basent pour le bon déroulement de l'évaluation et pour le contenu d'un plan MER ou projet MER, en ce compris les aspects méthodologiques.
Les instructions particulières et le cas échéant les instructions particulières complémentaires peuvent compléter le livre d'instructions m.e.r. sur base motivée, contenir des prescriptions plus strictes ou y déroger par des prescriptions moins strictes.
§ 2. L'administration établit un livre d'instructions concernant le rapport de sécurité. Ce livre d'instructions v.r. est l'ouvrage de référence sur lequel l'administration, l'initiateur et les experts se basent pour le bon déroulement de l'évaluation et pour le contenu d'un rapport de sécurité spatiale ou un rapport de sécurité environnementale, en ce compris les aspects méthodologiques.
Les instructions particulières et le cas échéant les instructions particulières complémentaires peuvent compléter le livre d'instructions v.r. sur base motivée, contenir des prescriptions plus strictes ou y déroger par des prescriptions moins strictes.
§ 3. L'administration est responsable pour la mise à jour régulière des livres d'instructions sur la base des évolutions scientifiques et sociales, ainsi que de l'évaluation des expériences acquises dans le cadre de l'évaluation des incidences sur l'environnement et la sécurité.
Art. 4.6.3. § 1. Par rapport à une action réalisée ou à des catégories d'actions menées pendant une période déterminée et pour lesquelles un projet MER ou plan MER a été établi, l'administration peut organiser une évaluation ou une enquête de monitoring.
§ 2. Lorsque l'administration organise une évaluation ou une enquête de monitoring, l'initiateur doit apporter sa pleine collaboration et fournir toutes les informations jugées raisonnablement utiles pour cette enquête.
§ 3. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités pour la procédure de l'évaluation et du monitoring.
Section III. - La commission consultative.
Art. 4.6.4. § 1. A la demande motivée de l'initiateur, l'administration peut reconsidérer après avis d'une commission consultative les éléments précisés par l'initiateur dans les décisions suivantes :
1° pour ce qui concerne l'évaluation des incidences sur l'environnement :
a) l'application de l'obligation d'établir un projet MER, visée à l'article 4.3.3, §§ 2 et 3;
b) les exigences de fond et les instructions fournies concernant le plan MER ou le projet MER, visées respectivement à l'article 4.2.5, § 1er, et à l'article 4.3.5, § 1er;
c) le refus du plan MER ou du projet MER, visé respectivement à l'article 4.2.8, § 2, et à l'article 4.3.8, § 2;
2° pour ce qui concerne les rapports de sécurité :
a) les exigences de fond et les instructions fournies concernant le rapport de sécurité environnementale, visées à l'article 4.5.3, § 1er;
b) le refus du rapport de sécurité spatiale ou du rapport de sécurité environnementale, visé à l'article 4.4.4 respectivement l'article 4.5.7.
A la demande motivée des administrations, institutions publiques ou organisations, visées à l'article 4.2.4, § 4, alinéa premier, l'administration peut reconsidérer après avis d'une commission consultative les éléments précisés par le demandeur de la décision relative aux exigences de fond et aux instructions fournies concernant le plan MER visé à l'article 4.2.5, § 1.
§ 2. Le demandeur signifie sa demande à l'administration, ou remet sa demande contre récépissé, dans un délai de vingt jours suivant la réception de la décision, visée au § 1.
§ 3. Dans un délai de vingt jours suivant la réception de la demande, visée au § 2, le fonctionnaire dirigeant de l'administration désigne trois ou cinq membres de la commission consultative. Ces membres sont :
1° soit, des experts ayant une certaine expérience dans le domaine de l'évaluation des incidences sur l'environnement ou des risques d'accidents majeurs qui n'établissent pas de rapports conformément au présent décret; ils peuvent toutefois être actifs dans d'autres régions, dans le cadre de la réglementation fédérale ou à l'étranger;
2° soit, des experts dans la problématique qui est soumise à la commission consultative tout en n'étant pas des experts agréés.
Les membres de la commission consultative désignent un président.
Ils ne peuvent avoir aucun intéret à la réalisation ou la non-réalisation de l'action envisagée ou des alternatives et ils ne peuvent pas avoir participé aux décisions prises dans le cadre des évaluations en question.
§ 4. La commission consultative formule un avis dans un délai de quarante jours suivant la réception de la demande visée au § 2, et communique son avis sans délai et au plus tard dans un délai de dix jours à l'administration.
Pour autant que l'avis soit unanime, il est contraignant.
§ 5. Lorsque l'avis est contraignant, l'administration y donnera suite sans délai.
Dans tous les autres cas, l'administration prend une décision immédiatement et dans un délai de septante jours suivant la réception de la demande, visée au § 2. Elle tiendra compte de l'avis.
L'administration approuve ou rejette le rapport. En cas de refus, l'administration indiquera tous les points sur lesquels le rapport présente des lacunes.
§ 6. L'administration communique la décision immédiatement et dans un délai de quatre-vingts jours suivant la réception de la demande, visée au § 2, :
1° à l'initiateur et au demandeur, par signification;
2° le cas échéant aux intéressés désignés par le Gouvernement flamand.
§ 7. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités concernant l'institution, la rémunération et le fonctionnement de la commission consultative.
CHAPITRE VII. - Dispositions de surveillance et dispositions pénales.
Art. 4.7.1. Sans préjudice des compétences des officiers de police judiciaire, les fonctionnaires du service désigné par le Gouvernement flamand veillent au respect des obligations en matière d'établissement des rapports.
Art. 4.7.2. L'initiateur ne respectant pas son obligation d'établir un rapport, sera puni d'une amende de 30 à 30.000 euro. "
"
TITRE IV. - Evaluation des incidences sur l'environnement et la sécurité
CHAPITRE I. - Définitions, dispositions de procédure, objectifs et caractéristiques de l'évaluation des incidences sur l'environnement et la sécurité.
Section I. - Définitions.
Art. 4.1.1. § 1. Sauf dispositions explicites contraires, on entend par :
1° évaluation des incidences sur l'environnement : la procédure qui aboutit ou non à l'établissement et à l'approbation d'un rapport d'incidence sur l'environnement par rapport à une action envisagée et le cas échéant à son utilisation comme instrument lors du processus décisionnel concernant cette action, ci-après appelée m.e.r.;
2° évaluation des incidences sur la sécurité : la procédure qui aboutit ou non à l'établissement et à l'approbation d'un rapport de sécurité spatiale ou d'un rapport de sécurité environnementale par rapport à une action envisagée et le cas échéant à son utilisation comme instrument lors du processus décisionnel concernant cette action, ci-après appelée v.r.;
3° action : un plan, programme et/ou projet;
4° plan ou programme : un document dans lequel sont annoncés des intentions politiques, des développements politiques ou des activités publiques, privées ou mixtes de grande envergure, et qui est établi et fixé, modifié ou revu à l'initiative ou sous la supervision de la Région flamande, des provinces, des intercommunales et/ou des communes, et/ou de l'autorité fédérale ou pour lesquels un cofinancement est prévu par la Communauté européenne ou par la Région flamande ou la Communauté flamande dans le cadre de la coopération internationale, pour autant que le plan ou programme envisagé puisse avoir des incidences importantes sur l'environnement ou la sécurité sur le territoire de la Région flamande;
5° projet :
a) une activité envisagée soumise à autorisation ou une activité soumise à autorisation pour laquelle une nouvelle autorisation doit être sollicitée à l'expiration de la validité de l'autorisation en cours et qui consiste :
- dans l'exécution de travaux de construction, la réalisation et le cas échéant l'exploitation d'autres établissements, travaux ou autres interventions dans l'environnement, en ce compris les captages d'eaux souterraines et les interventions pour l'exploitation de ressources naturelles; soit
- dans l'exploitation d'un établissement; il s'agit de l'ensemble de la zone gérée par un exploitant où se trouvent des substances dangereuses dans un ou plusieurs établissements, en ce compris l'infrastructure ou les activités communes ou correspondantes; soit
b) une activité envisagée ayant des incidences négatives sur l'environnement qui est cofinancée par la Région flamande ou la Communauté flamande dans le cadre de la coopération internationale;
6° rapport : un rapport d'incidence sur l'environnement concernant un plan ou programme, un rapport d'incidence sur l'environnement concernant un projet, un rapport sur la sécurité spatiale ou un rapport sur la sécurité environnementale;
7° rapport d'incidence sur l'environnement concernant un plan ou programme : un document public dans lequel les conséquences attendues pour l'homme et l'environnement d'un plan ou programme envisagé et des alternatives à prendre raisonnablement en compte sont analysées et évaluées dans leur cohérence interne de manière systématique et scientifiquement étayée et qui indique de quelle façon des incidences substantielles sur l'environnement peuvent être évitées, limitées, remédiées ou compensées, ci-après dénommé plan MER;
8° rapport d'incidence sur l'environnement concernant un projet : un document public dans lequel les conséquences attendues pour l'homme et l'environnement d'un projet envisagé et des alternatives à prendre raisonnablement en compte sont analysées et évaluées dans leur cohérence interne de manière systématique et scientifiquement étayée et qui indique de quelle façon des incidences substantielles sur l'environnement peuvent être évitées, limitées, remédiées ou compensées, ci-après dénommé projet MER;
9° rapport de sécurité spatiale : un document public qui comporte, par rapport à un avant-projet de plan d'exécution spatiale et des alternatives à prendre raisonnablement en compte, une évaluation scientifique des évolutions prévues pour ce qui concerne des établissements nouveaux ou existants et leur environnement, lorsque leur lieu d'établissement ou les développements mêmes sont susceptibles d'augmenter le risque d'accidents majeurs ou d'en aggraver les conséquences, ci-après dénommé RVR;
10° rapport de sécurité environnementale : un document public dans lequel - outre une description du système de gestion de la sécurité d'un établissement - par rapport à un projet et des alternatives à prendre raisonnablement en compte, sont identifiés, analysés et évalués de manière systématique et étayée les scénarios d'accidents majeurs dans leur cohérence interne, et qui démontrera les mesures (pouvant être) prises pour éviter ces accidents majeurs et pour en limiter les conséquences pour l'homme et l'environnement, ci-après dénommé OVR;
11° résumé non technique : un résumé d'un rapport qui est compréhensible pour le public et qui permet de se faire une idée adéquate des incidences sur l'environnement ou des accidents majeurs potentiels et des mesures potentielles ou à prendre;
12° administration : les services désignés par le Gouvernement flamand qui sont compétents pour l'environnement;
13° initiateur :
pour ce qui concerne les obligations relatives aux plans d'exécution spatiale : l'autorité qui prend l'initiative d'établir un plan d'exécution spatiale conformément aux articles 41, 44 et 48 du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire;
b) pour ce qui concerne les obligations relatives aux autres plans et programmes, dans l'ordre décroissant de préférence : l'organisation de droit public ou de droit privé qui est responsable pour l'établissement d'un plan ou programme; ou l'autorité qui est responsable pour l'établissement d'un plan ou programme ou pour le contrôle en la matière;
c) pour ce qui concerne les obligations liées aux projets : le demandeur ou le titulaire d'une autorisation pour un projet;
14° accord de coopération : l'accord de coopération du 21 juin 1999 conclu entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses, approuvé par le décret du 17 juillet 2000;
15° signification : l'envoi par lettre recommandée à la poste, moyennant accusé de réception;
16° récépissé : la confirmation écrite de réception d'un courrier, signée par le destinataire ou son mandataire;
17° jour : jour calendrier;
18° public : une ou plusieurs personnes physiques ou morales et leurs associations, organisations ou groupes.
§ 2. Les définitions contenues dans l'accord de coopération s'appliquent à toutes les dispositions du présent titre qui se rapportent à l'évaluation en matière de sécurité.
Section II. - Dispositions générales relatives aux procédures.
Art. 4.1.2. § 1. Les délais prennent effet :
1° en cas de signification, le lendemain de la date du cachet de la poste;
2° en cas de remise contre récépissé, le lendemain de la date du récépissé.
Les significations et communications d'une seule décision ou d'un seul document adressées à plus d'une personne, se font le même jour.
§ 2. Les délais expirent le dernier jour, à minuit.
Art. 4.1.3. Pour la notification ou la communication ou la demande de dispense ou d'exemption, l'initiateur élit domicile en Belgique. Toutes les significations et communications sont valablement faites au domicile choisi.
La modification du choix du domicile est signifiée à l'administration.
Section III. - Objectif et caractéristiques.
Art. 4.1.4. § 1. L'évaluation des incidences sur l'environnement et la sécurité vise à réserver, dans le cadre du processus décisionnel relatif à des actions susceptibles de provoquer des incidences importantes sur l'environnement et/ou de provoquer un accident majeur, une place importante à l'environnement et à la sécurité et la santé de l'homme, une place qui est équivalente aux intérêts sociaux, économiques et autres.
§ 2. Afin de réaliser l'objectif visé au 1er, l'évaluation des incidences sur l'environnement et la sécurité présente comme caractéristiques essentielles :
1° l'analyse et l'évaluation systématiques et scientifiquement étayées des conséquences prévues ou des conséquences potentielles en cas d'accidents majeurs pour l'homme et l'environnement, d'une action envisagée et des alternatives à prendre raisonnablement en compte pour l'action en question ou des parties de celle-ci, ainsi que la description et l'évaluation des mesures envisageables pour éviter, atténuer, remédier à ou compenser de manière cohérente les conséquences de l'action envisagée;
2° l'évaluation de la qualité des informations rassemblées;
3° la publicité active de l'évaluation et du processus décisionnel concernant l'action envisagée.
Section IV. - Relations entre les évaluations.
Art. 4.1.5. Le cas échéant il sera tenu compte dans des évaluations ultérieures, qui sont établies en vertu du présent titre, des évaluations effectuées dans les phases antérieures du processus décisionnel ainsi que des rapports approuvés qui en étaient le résultat.
Art. 4.1.6. § 1. Lorsqu'il faut procéder à différentes évaluations, soit en vertu du présent titre, soit en vertu du présent titre et d'une autre réglementation régionale et/ou fédérale, l'administration prendra d'initiative ou à la demande de l'initiateur ou des initiateurs une décision concernant la possibilité d'adéquation ou d'intégration des différents rapports et dans la mesure du possible des différentes évaluations. Quoi qu'il en soit, l'objectif est d'assurer dans la mesure du possible l'exécution simultanée des différentes évaluations.
L'administration prend une décision concernant l'opportunité de l'adéquation ou de l'intégration, au plus tard lors de sa décision concernant le contenu du rapport, visée à l'article 4.2.5, § 1er, 4.3.5, § 1er, et 4.5.3, § 1.
L'administration et le ou les initiateurs se concerteront au préalable sur le sujet.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut fixer d'autres modalités concernant l'adéquation et l'intégration des évaluations et des rapports dans le cas visés au présent article.
Cette adéquation ou intégration peut porter sur des évaluations dans différents domaines politiques.
Section V. - Traduction dans le processus décisionnel.
Art. 4.1.7. Lors de sa décision concernant l'action envisagée et le cas échéant lors de l'exécution de celle-ci, l'autorité tiendra compte du rapport approuvé ou des rapports approuvés et des remarques et commentaires émis à ce sujet.
Elle motivera toute décision concernant l'action envisagée, en particulier pour ce qui concerne les points suivants :
1° le choix en faveur de l'action envisagée, d'une alternative déterminée ou de certaines alternatives partielles, sauf pour ce qui concerne le rapport de sécurité environnementale;
2° l'acceptabilité des conséquences prévues ou potentielles pour l'homme et l'environnement de l'alternative choisie;
3° les mesures proposées dans le ou les rapport(s).
CHAPITRE II. - Evaluation des incidences sur l'environnement concernant des plans et programmes.
Section I. - Champ d'application.
Art. 4.2.1. Avant de pouvoir être approuvés, les plans et programmes envisagés sont soumis à une évaluation des incidences sur l'environnement dans les cas déterminés au présent chapitre.
Art. 4.2.2. § 1. Sur la base des critères définis dans l'annexe I jointe au présent décret, le Gouvernement flamand indique les plans et programmes qui sont soumis au type d'évaluation des incidences sur l'environnement visé au présent chapitre.
§ 2. Le Gouvernement flamand décide au cas par cas et sur la base des critères définis dans l'annexe I jointe au présent décret, si d'autres plans et programmes que ceux visés aux §§ 1er et 3 doivent ou non être soumis au type d'évaluation des incidences sur l'environnement visé au présent chapitre, compte tenu du fait qu'ils peuvent avoir des incidences importantes sur l'environnement.
§ 3. Le Gouvernement flamand indique les plans et programmes qui ne sont pas soumis au type d'évaluation des incidences sur l'environnement visé au présent chapitre eu égard au fait que la procédure décisionnelle concernée présente les caractéristiques essentielles de l'évaluation des incidences sur l'environnement énumérées à l'article 4.1.4, § 2.
§ 4. Avant de prendre une décision conformément aux §§ 1er, 2 ou 3, le Gouvernement flamand consultera le Conseil socioéconomique de la Flandre (SERV) et le Conseil de l'Environnement et de la Nature de la Flandre (MINA).
Lors de toute décision prise conformément aux §§ 1er ou 2, le Gouvernement flamand désignera aussi les administrations, institutions publiques et organisations qui ont un représentant au sein du SERV ou du conseil MINA et qui doivent recevoir une copie de la notification, conformément à l'article 4.2.4, § 4, alinéa premier.
Les décisions du Gouvernement flamand, ainsi que leur motivation, sont rendues publiques.
§ 5. Lorsqu'un plan ou programme qui doit ou non être soumis à une évaluation des incidences sur l'environnement en vertu du présent article et qui est établi dans le but d'être transposé en un plan d'exécution spatiale thématique régional ou provincial, tel que visé à l'article 37 du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire, est ensuite transformé en un plan d'exécution spatiale thématique régional ou provincial qui relève de l'application du présent chapitre, les dispositions du présent chapitre auront été respectées pour ce plan d'exécution spatiale dans la mesure où :
- le processus de planification préalable répond aux caractéristiques essentielles visées à l'article 4.1.4, § 2,; soit
- le plan MER rédigé à cette fin est établi conformément aux dispositions du présent chapitre et peut tenir lieu de plan MER pour le plan d'exécution spatiale thématique régional ou provincial.
La séance plénière, visée à l'article 41 ou 44 du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire, ne sera annoncée qu'après que l'initiateur du plan ou programme, respectivement du projet de plan d'exécution spatiale a démontré à l'égard de l'administration que les obligations visées à l'alinéa premier ont été remplies.
Le Gouvernement flamand déterminera ce qu'il convient d'entendre par plan d'exécution spatiale thématique.
Il peut déterminer d'autres modalités par rapport aux obligations visées à l'alinéa premier.
Art. 4.2.3. § 1. A la demande motivée de l'initiateur, le Gouvernement flamand peut exempter de l'évaluation des incidences sur l'environnement un plan ou programme envisagé qui, en vertu de l'article 4.2. doit être soumis à l'évaluation des incidences sur l'environnement, lorsque la protection de l'intérêt général requiert une réaction à une situation d'urgence par le biais de l'établissement, de la fixation et de l'exécution immédiate du plan ou du programme.
Dans ce cas, le Gouvernement flamand vérifiera s'il n'y a pas d'autre type d'évaluation qui convient et si les informations ainsi rassemblées sont mises à la disposition du public.
§ 2. Sans préjudice du § 5 et à la demande motivée de l'initiateur, l'administration peut exempter un plan ou programme envisagé qui doit être soumis à l'évaluation des incidences sur l'environnement conformément à l'article 4.2.2., de cette évaluation lorsqu'elle est d'avis :
1° qu'une analyse en fonction des critères définis en annexe I démontre que le plan ou programme envisagé ne peut avoir des incidences importantes sur l'environnement étant donné que le plan ou programme détermine l'utilisation d'une petite zone au niveau local ou parce qu'il s'agit de modifications légères à un plan ou programme; soit
2° que le plan ou programme envisagé implique l'élaboration, la révision ou la continuation d'un plan ou programme pour lequel un plan MER a déjà été approuvé, et qu'un nouveau plan MER ne pourrait raisonnablement contenir des données nouvelles ou complémentaires concernant des incidences importantes sur l'environnement; soit
3° qu'une analyse en fonction des critères définis en annexe I démontre que le plan ou programme envisagé ne peut avoir des incidences importantes sur l'environnement et qu'il ne s'agit pas d'un plan ou programme tel que visé à l'article 3, § 2, de la Directive concernant l'évaluation des conséquences pour l'environnement de certains plans et programmes.
§ 3. La demande, visée aux §§ 1er ou 2, comporte au moins :
1° une description et une précision du plan ou programme envisagé, le cas échéant en ce compris une délimitation de la zone à laquelle se rapporte le plan ou programme;
2° le cas échéant les données dont a besoin l'administration pour entamer l'échange d'informations transfrontalier, visé au § 5;
3° la justification de la demande et toutes les données pertinentes attestant celle-ci.
§ 4. L'initiateur transmet la demande à l'administration par signification ou contre récépissé.
§ 5. Lorsque le plan ou programme envisagé, pour lequel une demande d'exemption a été introduite conformément au § 2, peut avoir des incidences importantes pour l'homme ou l'environnement dans d'autres Etats membres de l'Union européenne et/ou des parties signataires de la Convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, signée à Espoo le 25 février 1991 et/ou dans d'autres régions ou lorsque les autorités compétentes de ces Etats membres, parties à la convention et/ou régions en font la demande, l'administration fait parvenir sans délai les informations suivantes aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention et/ou régions concernés :
1° une copie de la demande, visée au § 2;
2° une description de la procédure d'évaluation qui s'applique au plan ou programme envisagé;
3° une indication du processus décisionnel auquel est soumis le plan ou programme envisagé et une description de son objectif, ainsi que de la procédure décisionnelle applicable.
Le courrier comportera une mention signalant aux autorités compétentes qu'elles peuvent communiquer leurs commentaires à l'administration dans un délai de trente jours suivant l'expédition de la copie.
§ 6. Le Gouvernement flamand, respectivement l'administration prendra une décision sans tarder et au plus tard dans un délai de trente jours suivant la réception de la demande de dispense ou d'exemption. Le cas échéant la décision précisera aussi les conditions qui y sont liées.
Dans un délai de quarante jours suivant la réception de la demande, la décision est rendue publique, soumise à la consultation auprès de l'administration et signifiée à l'initiateur.
En cas de décision motivée du Gouvernement flamand ou de l'administration, les délais visés aux premier et deuxième alinéas de cette disposition, sont prolongés jusqu'à soixante, respectivement septante jours. Dans ce cas, l'administration informera l'initiateur de la prolongation des délais.
§ 7. L'initiateur joindra la décision définitive au projet de plan ou programme qui fera l'objet du processus décisionnel.
§ 8. L'administration veillera à ce qu'une copie de la décision définitive de dispense ou d'exemption, visée aux §§ 1er et 2, soit envoyée sans délai et en tout cas avant la décision relative au plan ou programme envisagé :
1° à la Commission des Communautés européennes;
2° le cas échéant aux autorités compétentes des régions, Etats membres et parties à la convention, visés au § 5.
§ 9. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités en matière de dispense et d'exemption.
Section II. - Notification et délimitation du contenu du plan MER envisagé.
Art. 4.2.4. § 1. L'initiateur informera l'administration du plan MER envisagé en temps utile et par signification ou par remise contre récépissé.
§ 2. La notification comprend au moins :
1° une description et une précision des intentions relatives au plan ou programme envisagé et une délimitation de la zone à laquelle se rapporte le plan ou programme;
2° le cas échéant une copie du projet de plan ou programme et une référence à la procédure décisionnelle qui est d'application;
3° le cas échéant les données dont l'administration a besoin pour entamer l'échange d'informations transfrontalier, visé au § 5;
4° le cas échéant les données pertinentes des évaluations précédentes et des rapports approuvés qui en étaient le résultat;
5° un document dans lequel l'approche de fond du plan MER - en ce compris la méthodologie - est présentée, compte tenu des exigences prévues à l'article 4.2.7 et du livre d'instructions m.e.r.;
6° une description succincte des alternatives au projet de plan ou programme ou à des parties de celui-ci, que l'initiateur a envisagées et, de manière concise, ses réflexions sur les avantages et inconvénients des différentes alternatives;
7° les données pertinentes concernant le coordinateur MER agréé proposé et l'équipe proposée d'experts MER, visés à l'article 4.2.6, et la répartition des missions entre les experts;
8° le cas échéant les motifs de la demande de soustraction à la publication et la mise en consultation de la notification ou de certaines parties indiquées de celle-ci.
§ 3. L'administration statue sur l'exhaustivité de la notification. La décision mentionnera tous les points incomplets de la notification. La notification est incomplète lorsque des données ou documents requis en vertu du § 2 sont manquants.
Lorsque l'initiateur a formulé dans la notification une demande de soustraction à la publication et la mise en consultation de la notification ou de parties de celle-ci, l'administration procédera dans sa décision à une pondération des intérêts conformément à l'article 8, § 5, du décret du 18 mai 1999 relatif à la publicité de l'administration. L'administration peut entièrement ou partiellement soustraire les données visées à la publication et à la mise en consultation. Lorsqu'elle décide de soustraire totalement ou partiellement les données indiquées à la publication et à la mise en consultation, elle est tenue de reprendre les données pertinentes dans une annexe. L'annexe ne pourra pas être consultée par le public.
Un recours peut être introduit contre la décision de soustraction à la publication et la mise en consultation, conformément aux articles 14 à 18 inclus du décret du 18 mai 1999 relatif à la publicité de l'administration.
La procédure ne pourra être poursuivie que lorsque la notification est complète.
L'administration signifie sa décision à l'initiateur sans délai et au plus tard dans un délai de vingt jours suivant la réception de la notification.
§ 4. L'administration veille à la publication et à la mise en consultation de la notification dans un délai de dix jours suivant la date à laquelle la notification est déclarée complète. Elle fait parvenir une copie de la notification aux administrations, institutions publiques et/ou organisations ayant un représentant au sein du SERV ou du conseil MINA, désignées par le Gouvernement flamand par catégorie de plan ou programme ou au cas par cas, conformément à l'article 4.2.2, § 4.
L'administration transmet sans délai une copie de la publication à l'initiateur et informe ce dernier de la date d'ouverture et de clôture de la consultation.
Pour les plans et programmes indiqués par le Gouvernement flamand, l'administration transmettra en outre dans le délai visé à l'alinéa premier une copie de la notification déclarée complète au collège des bourgmestre et échevins de la commune ou des communes et/ou à la députation permanente de la province ou des provinces, pour lesquelles le plan ou programme a une importance. Les communes et/ou les provinces soumettent la copie à la consultation du public dans un délai de dix jours suivant sa réception.
Lors de la publication ou de la mise en consultation, il sera clairement indiqué que toute remarque éventuelle concernant la délimitation du contenu du plan MER envisagé doit être communiqué à l'administration, le cas échéant par le biais de la commune, dans un délai de trente jours suivant la publication ou la mise en consultation, sauf prolongation de ce délai.
§ 5. Lorsque le plan ou programme envisagé est susceptible d'avoir des effets importants sur l'homme ou l'environnement dans d'autres Etats membres de l'Union européenne et/ou dans des parties signataires de la Convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, signée à Espoo le 25 février 1991 et/ou dans d'autres régions, ou que les autorités compétentes de ces Etats membres, parties à la convention et/ou régions en font la demande, l'administration transmettra sans délai les informations suivantes aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention et/ou régions concernés :
1° une copie de la notification déclarée complète;
2° une description de la procédure d'évaluation qui s'applique au plan ou programme envisagé;
3° une indication du processus décisionnel auquel est soumis le plan ou programme envisagé et une description de son objet, ainsi que de la procédure décisionnelle applicable.
Ce courrier précisera que les autorités compétentes peuvent communiquer leurs commentaires à l'administration dans un délai de quarante jours suivant l'envoi de la copie.
Art. 4.2.5. § 1. L'administration statuera sans délai et au plus tard dans un délai de soixante jours suivant la date à laquelle la notification est déclarée complète sur :
1° le contenu du plan MER et l'approche de fond de l'évaluation, en ce compris la méthodologie;
2° les instructions particulières pour l'établissement du plan MER;
3° la désignation des auteurs du plan MER, visés à l'article 4.2.6.
Le cas échéant, cette décision concrétisera l'article 4.2.7, § 2. Elle peut aussi comporter des dispositions concernant le traitement succinct ou le non-traitement des effets environnementaux moins ou non pertinents, visés à l'article 4.2.7, § 1, 2°.
Lors de sa décision, l'administration tiendra compte des remarques et commentaires relatifs à la délimitation du contenu du plan MER envisagé émanant des instances et le cas échéant du public, visés à l'article 4.2.4, §§ 4 et 5, et en particulier des remarques et commentaires qui portent sur les effets, alternatives ou mesures à examiner.
§ 2. L'administration rendra sa décision publique et communiquera celle-ci dans un délai de septante jours suivant la date à laquelle la notification est déclarée complète :
1° à l'initiateur, par signification;
2° aux administrations, institutions publiques et/ou organisations, visées à l'article 4.2.4, § 4, alinéa premier;
3° le cas échéant aux autorités compétentes, visées à l'article 4.2.4, § 5. § 3. Lorsque l'article 4.2.4, § 5, est d'application, ou que les administrations, institutions publiques et/ou organisations visées à l'article 4.2.4, § 4, alinéa premier, en font la demande, les délais visés aux §§ 1er et 2, sont prolongés jusqu'à quatre-vingts, respectivement nonante jours.
§ 4. L'initiateur et les administrations, institutions publiques et/ou organisations visées à l'article 4.2.4, § 4, alinéa premier, peuvent signifier à l'administration une demande motivée de reconsidération de cette décision, ou faire remettre cette demande contre récépissé. L'article 4.6.4 s'applique par analogie.
§ 5. Le Gouvernement flamand peut déterminer les modalités relatives à la notification, la publication, la mise en consultation, la possibilité d'émettre des remarques et commentaires et la délimitation du contenu.
Section III. - L'établissement du plan MER.
Art. 4.2.6. § 1. Le plan MER est établi sous la responsabilité et aux frais de l'initiateur.
A cette fin, l'initiateur doit faire appel à un coordinateur MER agréé. Il transmet au coordinateur MER toutes les informations pertinentes qui sont disponibles. Il apporte toute sa collaboration afin que le coordinateur MER puisse dûment remplir sa mission.
§ 2. Le coordinateur MER agréé ne peut avoir aucun intérêt au plan ou programme envisagé ni aux alternatives, ni être associé à l'exécution ultérieure du plan ou programme. Il exécute sa mission en toute indépendance et le cas échéant il dirigera une équipe de collaborateurs qui est entièrement ou partiellement mise à disposition par l'initiateur.
Le coordinateur MER agréé veillera à ce que la composition de l'équipe de collaborateurs permette d'établir le plan MER conformément aux livre d'instructions m.e.r. et à la délimitation du contenu et aux instructions particulières visées à l'article 4.2.5, § 1.
§ 3. Pendant l'établissement du plan MER, le coordinateur MER agréé est tenu de se concerter avec l'administration. Le cas échéant, le coordinateur MER doit respecter les instructions écrites particulières et complémentaires de l'administration, qui constituent un complément au contenu délimité et aux instructions particulières, visés à l'article 4.2.5, § 1.
Art. 4.2.7. § 1. Sauf dispositions contraires dans la décision, visée à l'article 4.2.5, § 1er, le plan MER comprendra au moins les volets suivants :
1° un volet général qui contient les informations suivantes :
a) une description des objectifs et lignes de force du plan ou programme envisagé et du lien avec d'autres plans et programmes pertinents;
b) un aperçu des motifs pour le plan ou programme envisagé;
c) un résumé des alternatives disponibles pour le plan ou programme envisagé ou des parties de celui-ci; notamment pour ce qui concerne les objectifs, les sites et le mode d'exécution ou concernant la protection de l'environnement;
d) une comparaison entre le plan ou programme envisagé et les alternatives disponibles qui peuvent raisonnablement être examinées, ainsi que la motivation de la sélection des alternatives à examiner;
e) une référence aux prescriptions légales, décrétales et réglementaires qui sont pertinentes du point de vue de la politique environnementale dans le cadre de l'exécution du plan ou programme envisagé ou des alternatives qui sont conciliables avec ce dernier, ainsi que les objectifs fixés au niveau international, communautaire, national ou régional en vue de la protection de l'environnement, qui sont pertinents pour le plan ou programme, ainsi que la façon dont il a été tenu compte de ces objectifs et autres considérations écologiques lors de la préparation du plan ou programme;
f) une description de la situation actuelle de l'environnement (en ce compris les caractéristiques écologiques des zones pour lesquelles les conséquences peuvent être considérables et de tous les problèmes écologiques existants), dans la mesure où l'exécution du plan ou programme envisagé ou de l'une des alternatives examinées peut avoir des conséquences en la matière, et une description de l'évolution attendue de cet environnement dans l'hypothèse où ni le plan ou programme envisagé, ni l'une des alternatives ne serait exécuté;
2° un volet concernant les effets écologiques contenant les informations suivantes :
a) une description des méthodiques utilisées pour définir et évaluer les effets écologiques;
b) une description et une évaluation étayée des importantes incidences écologiques potentielles du plan ou programme envisagé et des alternatives examinées sur ou, le cas échéant, par rapport à la santé et la sécurité de l'homme, le développement spatial, la biodiversité, la faune et la flore, les réserves d'énergies et de matières premières, le sol, l'eau, l'atmosphère, les facteurs climatologiques, le bruit, la lumière, les biens matériels, le patrimoine culturel en ce compris le patrimoine architectonique et archéologique, le paysage, la mobilité, et la cohésion entre les différents facteurs cités; cette description des incidences écologiques comprend les effets directs et le cas échéant les effets indirects, secondaires, cumulatifs et synergétiques, permanents et temporaires, positifs et négatifs, à court, à moyen et à long terme du plan ou programme envisagé; l'évaluation des importantes incidences écologiques se fait notamment à la lumière des normes de qualité de l'environnement fixées au Chapitre II du Titre II du présent décret;
c) une description et une évaluation des mesures potentielles pour éviter, limiter, remédier à ou compenser de manière cohérente les importantes incidences écologiques négatives du plan ou programme envisagé;
d) une description des mesures pouvant raisonnablement être prises en vue d'un monitoring et d'une évaluation adéquats des incidences du plan ou programme envisagé;
e) une évaluation globale du plan et programme envisagé et des alternatives examinees;
3° un aperçu des difficultés, lacunes techniques ou connaissances manquantes constatées par l'initiateur et/ou le coordinateur MER agréé et ses collaborateurs lors de la collecte et du traitement des informations requises et de leurs conséquences pour la valeur scientifique du rapport;
4° un résumé non technique des informations fournies telles que décrites aux points 1° jusqu'à 3° inclus.
§ 2. Le plan MER ne doit contenir les informations visées au § 1er :
1° que pour autant qu'elles soient pertinentes pour la phase du processus de planification dans laquelle l'évaluation des incidences sur l'environnement a lieu et pour autant qu'elles soient pertinentes compte tenu du contenu et du niveau de détail du plan ou programme envisagé;
2° que pour autant que les connaissances existantes et les actuelles méthodes d'analyse et d'évaluation des incidences permettent raisonnablement de rassembler et de traiter ces informations;
3° que pour autant que le degré de détail du plan ou programme envisagé le permette raisonnablement.
§ 3. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités concernant le contenu du plan MER.
Section IV. - L'analyse et l'utilisation du plan MER.
Art. 4.2.8. § 1. L'initiateur transmet le plan MER finalisé à l'administration par signification ou par remise contre récépissé.
§ 2. L'administration analysera le contenu du plan MER en fonction :
1° de la décision, visée à l'article 4.2.5, § 1er;
2° le cas échéant, des instructions particulières complémentaires fournies par elle conformément à l'article 4.2.6, § 3;
3° des données requises en vertu de l'article 4.2.7.
Le résultat de l'analyse est intégré dans le rapport relatif au plan MER et débouche sur l'adoption ou le refus du plan MER. Lorsque l'administration rejette le plan MER, le rapport fera mention de tous les points sur lesquels le plan MER présente des lacunes. L'administration approuvera ou rejettera le plan MER sans délai et au plus tard dans un délai de cinquante jours suivant sa réception.
§ 3. L'administration communique sa décision concernant l'approbation ou le refus du plan MER dans un délai de soixante jours :
1° à l'initiateur, par signification;
2° aux administrations, institutions publiques et/ou organisations, visées à l'article 4.2.4, § 4, alinéa premier;
3° le cas échéant aux autorités compétentes, visées à l'article 4.2.4, § 5;
4° au coordinateur MER agréé, visé à l'article 4.2.6.
La décision comprend aussi une copie du rapport relatif au plan MER, visé au § 2, et précisera que l'initiateur peut signifier une demande motivée de reconsidération de la décision ou remettre cette demande contre récépissé et ce, dans un délai de vingt jours.
§ 4. L'initiateur peut signifier une demande motivée de reconsidération de cette décision à l'administration ou remettre sa demande contre récépissé. L'article 4.6.4 s'applique par analogie.
Art. 4.2.9. § 1. Dès signification de la décision, visée à l'article 4.2.8, § 3, le plan MER approuvé, le rapport relatif au plan MER, visé à l'article 4.2.8, § 2, la décision, visée a l'article 4.2.5, § 1er, et le cas échéant les instructions particulières complémentaires, visées à l'article 4.2.6, § 3, peuvent être consultés auprès de l'administration et le cas échéant auprès de l'initiateur.
§ 2. L'initiateur peut demander à l'administration d'examiner si, conformément à l'article 8, § 5, du décret du 18 mai 1999 relatif à la publicite de l'administration, des données contenues dans les pièces visées au § 1er doivent être soustraites à la consultation. Il soumet sa question à l'administration au plus tard au moment de la remise du plan MER finalisé à l'administration. Il précise dans sa demande les données en question et les motifs pour lesquels celles-ci devraient être soustraites à la consultation.
L'administration prend une décision concernant la demande de l'initiateur au plus tard au moment de l'approbation ou du refus du plan MER. Elle fera une pondération des intérêts conformément à l'article visé. L'administration peut soustraire totalement ou partiellement les données visées à la mise en consultation. Lorsqu'elle décide d'une soustraction totale ou partielle des données indiquées à la mise en consultation, elle doit reprendre les données pertinentes dans une annexe. L'annexe ne pourra pas être consultée par le public.
§ 3. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités concernant l'utilisation du plan MER dans le cadre du processus décisionnel ultérieur relatif au plan ou programme envisagé et concernant la publication de l'arrêté définitif relatif au plan ou programme.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités concernant la façon dont les autorités compétentes et les citoyens des Etats membres, parties à la convention et/ou régions, visés à l'article 4.2.4, § 5, peuvent communiquer leurs commentaires concernant le plan MER approuvé et le plan ou programme envisagé, et concernant les modalités selon lesquelles une concertation est organisée à ce sujet.
L'arrêté motivé par lequel le plan ou programme est définitivement établi et un exemplaire du plan ou programme sont envoyés aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention et/ou régions concernés, visés à l'article 4.2.4, § 5.
CHAPITRE III. - L'évaluation des incidences sur l'environnement concernant des projets.
Section I. - Champ d'application.
Art. 4.3.1. Avant qu'une autorisation puisse être demandée pour l'activité soumise à autorisation qui fait l'objet du projet, les projets envisagés sont soumis à une évaluation des incidences sur l'environnement dans les cas définis au présent chapitre.
Art. 4.3.2. § 1. Sur la base des critères définis dans l'annexe II jointe au présent décret, le Gouvernement flamand désigne les catégories de projets qui sont soumises au type d'evaluation des incidences sur l'environnement visé dans le présent chapitre.
L'obligation d'exécution d'un projet-m.e.r. s'applique également lorsqu'une nouvelle autorisation doit être demandée suite à l'expiration de l'autorisation en cours pour le projet en question.
§ 2. Sur la base des criteres définis dans l'annexe II jointe au présent décret II, le Gouvernement flamand désigne les autres catégories de projets que celles visées au § 1er pour lesquelles il convient d'établir ou non un rapport d'incidence sur l'environnement conformément au présent chapitre, en vertu d'une décision, prise au cas par cas, par l'administration.
Cette possibilité s'applique aussi lorsque, en raison de l'expiration de l'autorisation en cours pour le projet, une nouvelle autorisation doit être demandée.
§ 3. Sur la base des critères définis à l'annexe II, le Gouvernement flamand indique les modifications apportées aux projets existants des catégories, visées aux §§ 1er et 2, pour lesquelles il convient d'établir ou non un rapport d'incidence sur l'environnement en vertu d'une décision, prise au cas par cas, par l'administration.
§ 4. Sur la base des critères définis à l'annexe II, le Gouvernement flamand définit les critères de sélection sur la base desquels l'administration décide au cas par cas s'il convient ou non d'établir un rapport d'incidence sur l'environnement conformément au présent chapitre pour les projets visés aux §§ 2 et 3. Ces critères de sélection doivent permettre d'évaluer si d'importantes incidences écologiques peuvent être liées à un projet déterminé, voire à une modification de ce projet.
Lors de toute décision prise conformément aux §§ 1er, 2 ou 3, le Gouvernement flamand désigne également les administrations, institutions publiques et administrations publiques qui doivent recevoir une copie de la notification, conformément à l'article 4.3.4, § 4.
Les critères de sélection sont revus au moins tous les cinq ans mais restent valables jusqu'à ce qu'ils soient remplacés par des nouveaux. Ils sont communiqués à la Commission européenne.
Art. 4.3.3. § 1. Sans préjudice du § 5, le Gouvernement flamand peut, à la demande motivée de l'initiateur et par rapport à un projet déterminé qui doit être soumis à une évaluation des incidences sur l'environnement conformément à l'article 4.3.2 et au présent article, dispenser ce projet de l'évaluation des incidences sur l'environnement lorsque la protection de l'intéret général requiert une réaction à des circonstances exceptionnelles par le biais de l'exécution immédiate du projet.
Dans ce cas, le Gouvernement flamand vérifiera si aucune autre forme d'évaluation ne convient et si les informations ainsi rassemblees sont mises à la disposition du public.
§ 2. Sans préjudice du § 5, l'administration prend à la demande motivée de l'initiateur une décision concernant l'application de l'obligation d'évaluation, visée à l'article 4.3.2, §§ 2, 3 et 4.
§ 3. Dans les cas visés à l'article 4.3.2, l'initiateur peut introduire une demande motivée d'exemption de l'obligation d'évaluation auprès de l'administration.
Sans préjudice du § 5 et pour autant que le projet envisagé ne relève pas de l'application de la liste de projets fixée par le Gouvernement flamand conformément à l'article 4.3.2., § 1er, l'administration peut néanmoins exempter un projet de l'évaluation des incidences sur l'environnement lorsqu'elle est d'avis :
1° qu'un plan MER a déjà été approuvé antérieurement concernant un plan ou programme dans lequel le projet s'inscrit ou qu'un projet MER a été approuvé concernant un projet dont l'initiative envisagée constitue une répétition, continuation ou alternative, et qu'un nouveau projet MER ne peut raisonnablement contenir des données nouvelles ou supplémentaires concernant les importantes incidences sur l'environnement; ou
2° qu'une analyse en fonction des critères en annexe II démontre que le projet envisagé ne peut avoir des incidences importantes sur l'environnement et qu'un projet MER ne peut raisonnablement contenir des données nouvelles ou importantes concernant les importantes incidences sur l'environnement.
§ 4. La demande visée au §§ 1er, 2 ou 3, comporte au moins :
1° une description et une précision du projet envisagé en ce compris sa localisation dans l'espace; celle-ci comprend au moins un extrait des plans d'exécution spatiale ou des plans d'aménagement en vigueur et des cartes topographiques des environs;
2° le cas échéant les données dont l'administration a besoin pour entamer l'échange d'informations transfrontalier, visé au § 5;
3° la justification de la demande et toutes les données pertinentes appuyant celle-ci.
L'initiateur transmet la demande à l'administration par signification ou par remise contre récépissé.
§ 5. Lorsque le projet est susceptible d'avoir des effets importants sur l'homme ou l'environnement dans d'autres Etats membres de l'Union européenne et/ou dans des parties signataires de la Convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, signee à Espoo le 25 février 1991 et/ou dans d'autres régions, ou que les autorités compétentes de ces Etats membres, parties à la convention et/ou régions en font la demande, l'administration transmettra sans délai les informations suivantes aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention et/ou régions concernés :
1° une copie de la demande, visée au § 1er, 2 ou 3;
2° une description de la procédure d'évaluation qui s'applique au projet envisagé;
3° une indication de l'obligation de demande d'autorisation à laquelle est soumis le projet envisagé et une description de son objet, ainsi que de la ou des procédures applicables en matière d'octroi d'autorisation.
Ce courrier précisera que les autorités compétentes peuvent communiquer leurs commentaires à l'administration dans un délai de trente jours suivant l'envoi de la copie.
§ 6. Le Gouvernement flamand, respectivement l'administration, prend une décision sans délai et au plus tard dans un délai de soixante jours suivant la réception de la demande. Le cas échéant, la décision comprendra aussi les conditions qui sont liées à la dispense ou l'exemption.
La dispense, visée au § 1er, est accordée pour une durée limitée. Elle expire lorsque le projet n'est pas entamé dans le délai fixé dans la décision. Ce délai ne peut en aucun cas dépasser deux ans.
L'exemption visée au § 3, est accordée pour une durée restreinte. Elle expire lorsque le projet n'est pas entamé dans le délai fixee dans la décision. Ce délai ne peut en aucun cas dépasser quatre ans.
Dans un délai de septante jours suivant la réception de la demande, la décision est rendue publique, ouverte à la consultation auprès de l'administration et signifiée à l'initiateur. Le cas échéant, ce dernier communiquera la décision au Comité de Prévention et de Protection au travail et au coordinateur écologique.
§ 7. L'initiateur peut signifier à l'administration une demande motivée de reconsidération de la décision, visée au §§ 2 ou 3, ou remettre sa demande contre récépisse. L'article 4.6.4 s'applique par analogie.
§ 8. L'initiateur joindra la décision définitive à la demande d'autorisation.
§ 9. L'administration veillera à ce qu'une copie de la décision définitive soit transmise sans délai et en tout cas avant la décision relative à l'autorisation :
1° dans les cas visés au §§ 1er et 3, à la Commission des communautés européennes;
2° le cas échéant aux autorités compétentes des regions, Etats membres et parties à la convention, visés au § 5.
§ 10. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités en matière d'exemption, de dispense et d'application de l'obligation d'évaluation.
Section II. - Notification et délimitation du contenu du projet MER envisagé.
Art. 4.3.4. § 1. L'initiateur informera l'administration en temps utile et par signification ou contre remise de récépissé du projet MER envisagé.
§ 2. La notification comprend au moins :
1° une description et une precision du projet en ce compris sa localisation dans l'espace et le cas échéant l'adresse d'exploitation de l'établissement; la localisation dans l'espace comprend au moins un extrait des plans d'exécution spatiale ou des plans d'aménagement en vigueur et des cartes topographiques des environs;
2° les autorisations qui doivent être demandées et le cas échéant la situation actuelle en matière d'autorisation pour l'exploitation de l'établissement;
3° le cas échéant les données dont l'administration a besoin pour entamer l'échange d'informations transfrontalier, visé au § 5;
4° le cas échéant les données pertinentes des évaluations précédentes et les rapports approuvés qui en étaient le résultat;
5° un document présentant, compte tenu des exigences de l'article 4.3.7 et du livre d'instructions m.e.r., l'approche de fond du projet MER - en ce compris la méthodologie;
6° une description succincte des alternatives au projet ou à des parties de celui-ci que l'initiateur a envisagées, et, de manière concise, ses réflexions sur les avantages et inconvénients des différentes initiatives;
7° les données pertinentes concernant le coordinateur MER agréé proposé et l'équipe d'experts MER agréés proposée, visée à l'article 4.3.6, ainsi que la répartition des missions entre les experts;
8° le cas échéant les motifs de la demande de soustraction à la publication et la mise en consultation de la notification ou des parties indiquées de celle-ci.
§ 3. L'administration statue sur l'exhaustivité de la notification. La décision mentionnera tous les points incomplets de la notification. La notification est incomplète lorsqu'elle ne comprend pas tous les données ou documents requis en vertu du § 2.
Lorsque l'initiateur a formulé dans la notification une demande de soustraction à la publication et la mise en consultation de la notification ou de parties de celle-ci, l'administration fera dans sa décision une pondération des intérêts conformément à l'article 8, § 5, du décret du 18 mai 1999 relatif à la publicité de l'administration. L'administration peut soustraire les données visées entièrement ou partiellement à la publication et la mise en consultation. Lorsqu'elle decide de soustraire totalement ou partiellement les données indiquées à la publication et la mise en consultation, elle est tenue de reprendre les données pertinentes dans une annexe. L'annexe ne pourra pas être consultée par le public.
Un recours peut être introduit contre la décision de soustraction à la publication et la mise en consultation, conformément aux articles 14 à 18 inclus du décret du 18 mai 1999 relatif à la publicité de l'administration.
La procédure ne pourra être poursuivie que lorsque la notification est complète..
L'administration signifie sa décision sans délai à l'initiateur et au plus tard dans un délai de vingt jours suivant la réception de la notification.
§ 4. L'initiateur signifie une copie de la notification déclarée complète et de la décision de l'administration en la matière dans un délai de dix jours suivant la reception, simultanément au moins :
1° à l'autorité qui le cas écheant prendra une décision en première instance concernant la demande d'autorisation relative au projet;
2° au collège des bourgmestre et échevins de la commune ou des communes où le projet a ou aura lieu;
3° aux administrations, institutions publiques et administrations publiques désignées par le Gouvernement flamand;
4° le cas échéant au conseil d'entreprise et au Comité de prévention et de protection du travail qui existent au sein de l'entreprise de l'initiateur - ou a défaut de ces organes, à la délégation syndicale - et au coordinateur écologique.
La commune ou les communes, visées à l'alinéa premier, 2°, soumettent la copie de la notification à la consultation du public dans un délai de dix jours suivant sa réception. Elles annoncent la mise en consultation et son objectif de manière adéquate et informeront l'administration et l'initiateur sans délai de la date d'ouverture et de clôture de la mise en consultation.
Lors de la publication ou de la mise en consultation, il sera clairement indiqué que toute remarque éventuelle concernant la délimitation du contenu du projet MER envisagé doit être communiquée à l'administration, le cas echéant par le biais de la commune, dans un délai de trente jours suivant la publication ou la mise en consultation.
§ 5. Lorsque le projet est susceptible d'avoir des incidences importantes sur l'homme ou l'environnement dans d'autres Etats membres de l'Union européenne et/ou dans des parties signataires de la Convention sur l'évaluation de l'impact sur l'environnement dans un contexte transfrontière, signée à Espoo le 25 février 1991 et/ou dans d'autres régions, ou que les autorités competentes de ces Etats membres, parties à la convention et/ou régions en font la demande, l'administration transmettra sans délai les informations suivantes aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention et/ou regions concernés :
1° une copie de la notification déclarée complète;
2° une description de la procédure d'évaluation qui s'applique au projet envisagé;
3° une indication de l'obligation de demande d'autorisation à laquelle est soumis le projet envisagé et une description de son objet, ainsi que de la procédure d'octroi d'autorisation applicable.
Ce courrier précisera que les autorités compétentes peuvent communiquer leurs commentaires à l'administration dans un délai de quarante jours suivant l'envoi de la copie.
Art. 4.3.5. § 1. L'administration statuera sans délai et au plus tard dans un délai de soixante jours suivant la date à laquelle la notification est déclarée complète sur :
1° le contenu du projet MER et l'approche de fond de l'évaluation, en ce compris la méthodologie;
2° les directives particulières pour l'établissement du projet MER;
3° la désignation des auteurs du projet MER, visés à l'article 4.3.6.
Le cas échéant cette décision concrétisera l'article 4.3.7, § 2. Elle peut aussi comporter des dispositions concernant le traitement succinct ou non :
1° des incidences sur l'environnement moins pertinentes ou non pertinentes, visées à l'article 4.3.7, § 1er, 2°; et
2° des données visées à l'article 4.3.7, § 1er, 1° et 3°, lorsqu'une nouvelle autorisation doit être demandée en raison de l'expiration de l'autorisation en cours. Lors de sa décision, l'administration tiendra compte des remarques et commentaires relatifs à la délimitation du contenu du projet MER émanant des instances et du public, visés à l'article 4.3.4, §§ 4 et 5, et en particulier des remarques et commentaires qui portent sur les effets, alternatives ou mesures à examiner.
§ 2. L'administration rendra sa décision publique et communiquera celle-ci dans un délai de septante jours suivant la date a laquelle la notification est déclarée complète :
1° à l'initiateur, par signification;
2° aux instances, visées à l'article 4.3.4, § 4, alinéa premier;
3° le cas échéant aux autorités compétentes, visées à l'article 4.3.4, § 5. § 3. Lorsque l'article 4.3.4, § 5, est d'application, les délais visés aux §§ 1er et 2, sont prolongés jusqu'à quatre-vingts, respectivement nonante jours.
§ 4. L'initiateur peut signifier à l'administration une demande motivée de reconsidération de cette décision, ou la faire remettre contre récépissé. L'article 4.6.4 s'applique par analogie.
§ 5. Le Gouvernement flamand peut déterminer les modalités relatives à la notification, la publication, la mise en consultation, la possibilité d'émettre des remarques et commentaires et la délimitation du contenu.
Section III. - L'etablissement du projet MER.
Art. 4.3.6. § 1. Le projet MER est établi sous la responsabilité et aux frais de l'initiateur.
A cette fin, l'initiateur doit faire appel à une équipe d'experts MER agréés sous la direction d'un coordinateur MER agréé. Il transmet au coordinateur MER toutes les informations pertinentes qui sont disponibles. Il apporte toute sa collaboration afin que le coordinateur MER puisse dûment accomplir sa mission.
§ 2. Le coordinateur MER agréé et les experts MER agréés ne peuvent avoir aucun intérêt au projet envisagé ni aux alternatives, ni être associé à l'exécution ultérieure du projet. Ils exécutent leur mission en toute indépendance.
La composition de l'équipe d'experts MER agréés permet d'établir le projet MER conformément aux livre d'instructions m.e.r. et à la delimitation du contenu et aux directives particulières visées à l'article 4.3.5, § 1.
§ 3. Pendant l'établissement du projet MER, le coordinateur MER agréé et le cas écheant les experts MER agréés sont tenus de se concerter avec l'administration. Le cas échéant, le coordinateur MER et son équipe doivent respecter les instructions écrites particulières et complémentaires de l'administration, qui constituent un complément au contenu délimité et aux directives particulières, visés à l'article 4.3.5, § 1.
Art. 4.3.7. § 1. Sauf dispositions contraires dans la décision visée à l'article 4.3.5, § 1er, le projet MER se compose au moins des volets suivants :
1° un volet général qui contient les informations suivantes :
a) une description des objectifs du projet envisagé;
b) un aperçu des motifs pour le projet envisagé;
c) une description des lignes de force du projet envisagé basée le cas échéant sur le concept d'unité environnementale, avec en particulier;
1) une description des caractéristiques physiques de l'ensemble du projet et des exigences relatives à l'utilisation du sol et du terrain pendant les phases de construction et d'exploitation ainsi que la nature et les quantités de matériaux utilisés;
2) le cas échéant une description des principales caractéristiques des processus de construction et/ou de production par rapport à la consommation d'énergie et de matières premières;
une description de la façon dont il a été tenu compte lors de l'élaboration du projet envisagé des incidences significatives sur l'environnement prévues et un pronostic de la nature et de la quantité des résidus et émissions prévus suite au fonctionnement et le cas échéant à la cessation et au démantèlement du projet;
d) un résumé des alternatives disponibles pour le projet ou des parties de celui-ci; notamment pour ce qui concerne les objectifs, les localisations et le mode d'exécution ou concernant la protection de l'environnement;
e) une comparaison entre le projet envisagé et les alternatives disponibles qui peuvent raisonnablement être examinées, ainsi que la motivation pour la sélection des alternatives à examiner;
f) une référence aux prescriptions légales, décrétales et réglementaires qui sont pertinentes du point de vue de la politique environnementale lors de l'exécution du projet envisagé ou des alternatives examinées, et une étude sur la compatibilité entre le projet envisagé ou les alternatives et ces prescriptions;
g) une description de la situation actuelle de l'environnement (en ce compris les caractéristiques écologiques des zones pour lesquelles les conséquences peuvent être considérables et de tous les problèmes écologiques existants), pour autant que l'exécution du projet ou de l'une des alternatives examinées peut avoir des conséquences en la matière, et une description de l'évolution attendue de cet environnement dans l'hypothèse où ni le projet, ni l'une des alternatives ne serait exécuté;
2° un volet concernant les incidences écologiques qui comporte les informations suivantes :
a) une description des méthodiques utilisées pour déterminer et évaluer les incidences sur l'environnement;
b) une description et une évaluation étayée des importantes incidences écologiques probables du projet envisagé et des alternatives examinées sur ou, le cas échéant, par rapport à la santé et la sécurité de l'homme, le développement spatial, la biodiversité, la faune et la flore, les réserves d'énergies et de matières premières, le sol, l'eau, l'atmosphère, les facteurs climatologiques, le bruit, la lumière, les biens matériels, le patrimoine culturel en ce compris le patrimoine architectonique et archéologique, le paysage, la mobilité, et la cohésion entre les différents facteurs cités; cette description des incidences ecologiques comprend les effets directs et le cas échéant les effets indirects, secondaires, cumulatifs et synergétiques, permanents et temporaires, positifs et négatifs, à court, à moyen et à long terme du projet; l'évaluation des importantes incidences écologiques se fait notamment à la lumière des normes de qualité de l'environnement fixées au Chapitre II du Titre II du présent décret;
c) une description et une évaluation des mesures envisageables pour éviter, limiter, remédier à ou compenser de manière cohérente les importantes incidences écologiques négatives du projet envisagé;
d) une description des mesures pouvant raisonnablement être prises pour un monitoring et une évaluation adéquats des incidences du projet envisagé;
e) une évaluation globale du projet envisagé et des alternatives examinées;
3° un aperçu détaille des effets directs et indirects, temporaires et permanents sur l'emploi du projet envisagé et un aperçu des investissements globaux prévus en ce compris les subventions reçues (à recevoir) et autres mesures d'aide, ainsi qu'un aperçu de la nature, la quantité et l'origine des matériaux utilisés et la nature, la quantité et la destination des marchandises à produire;
4° un aperçu des difficultés, lacunes techniques ou connaissances manquantes constatées par l'initiateur et/ou l'équipe d'experts agréés lors de la collecte et du traitement des informations requises et de leurs conséquences pour la valeur scientifique du rapport;
5° un résumé non technique des informations fournies telles que décrites aux points 1° jusqu'à 4° inclus.
§ 2. Le projet MER ne doit contenir les informations visées au § 1er :
1° que pour autant qu'elles soient pertinentes pour la phase du processus d'octroi d'autorisation dans laquelle l'évaluation des incidences sur l'environnement a lieu et pour autant qu'elles soient pertinentes compte tenu des caractéristiques spécifiques d'un projet déterminé ou de la catégorie de projets dont fait partie l'action examinée et des aspects écologiques qui peuvent être influencés par le projet envisagé;
2° que pour autant que les connaissances existantes et les actuelles méthodes d'analyse et d'évaluation des incidences permettent raisonnablement de rassembler et de traiter ces informations;
§ 3. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités concernant le contenu du projet MER.
Section IV. - L'analyse et l'utilisation du projet MER.
Art. 4.3.8. § 1. L'initiateur transmet le projet MER finalisé à l'administration par signification ou contre récépissé.
§ 2. L'administration analysera le contenu du projet MER en fonction :
1° de la décision, visée à l'article 4.3.5, § 1er;
2° le cas échéant, des instructions particulières complémentaires fournies par elle conformément à l'article 4.3.6, § 3;
3° des données requises en vertu de l'article 4.3.7.
Le résultat de l'analyse est intégré dans le rapport relatif au projet MER et débouche sur l'adoption ou le refus du projet MER. Lorsque l'administration rejette le projet MER, le rapport fera mention de tous les points sur lesquels le projet MER présente des lacunes. L'administration approuvera ou rejettera le projet MER sans délai et au plus tard dans un délai de trente jours suivant sa réception. L'administration peut prendre la décision motivée de prolonger ce délai jusqu'à cinquante jours. Elle signifiera la décision de prolongation dans le délai précité de trente jours.
§ 3. L'administration communique sa décision concernant l'approbation ou le refus du projet MER dans un délai de quarante, respectivement soixante jours en cas de prolongation du délai, suivant la réception :
1° à l'initiateur, par signification;
2° aux administrations, institutions publiques et/ou organisations, visées à l'article 4.3.4, § 4, alinéa premier;
3° le cas échéant aux autorités compétentes, visées à l'article 4.3.4, § 5;
4° au coordinateur MER agrée, visé à l'article 4.3.6.
La décision comprend aussi une copie du rapport relatif au projet MER, visé au § 2, et précisera que l'initiateur peut signifier une demande motivée de reconsidération de la décision ou remettre sa demande contre récépissé et ce, dans un délai de vingt jours.
§ 4. L'initiateur peut signifier à l'administration une demande motivée de reconsidération de cette décision ou remettre cette demande contre récépissé. L'article 4.6.4 s'applique par analogie.
Art. 4.3.9. § 1. Dès signification de la décision, visée à l'article 4.3.8, § 3, le projet MER approuvé, le rapport relatif au projet MER, visé à l'article 4.3.8, § 2, la décision, visée à l'article 4.3.5, § 1er, et le cas écheant les instructions particulières complementaires, visées à l'article 4.3.6, § 3, peuvent être consultés auprès de l'administration.
§ 2. L'initiateur peut demander à l'administration d'examiner si, conformément à l'article 8, § 5, du décret du 18 mai 1999 relatif à la publicité de l'administration, des données contenues dans les pièces visées au § 1er doivent être soustraites à la consultation. Il soumet sa question à l'administration au plus tard au moment de remettre le projet MER finalisé à l'administration. Il précise dans sa demande les données en question et les motifs de la soustraction à la consultation par le public.
L'administration prend une décision concernant la demande de l'initiateur au plus tard au moment de l'approbation ou du refus du projet MER. Elle fera une pondération des intérêts conformément à l'article précité. L'administration peut soustraire totalement ou partiellement les données visées à la mise en consultation. Lorsqu'elle décide d'une soustraction totale ou partielle des données indiquées à la mise en consultation, elle doit reprendre les donnees pertinentes dans une annexe. L'annexe ne pourra pas être consultée par le public.
§ 3. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités concernant l'utilisation du projet MER dans le cadre du processus décisionnel ultérieur concernant le projet envisagé et concernant la publication de l'arrêté définitif relatif au projet.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités concernant la façon dont les autorités compétentes et les citoyens des Etats membres, parties à la convention et/ou régions, visés à l'article 4.3.4, § 5, peuvent communiquer leurs commentaires concernant le projet MER approuvé et le projet envisagé, et concernant les modalités selon lesquelles une concertation est organisée à ce sujet.
L'arrêté définitif d'octroi de l'autorisation est envoyé aux autorités competentes des Etats membres, parties à la convention et/ou régions concernés, visés à l'article 4.3.4, § 5.
CHAPITRE IV. - Evaluation de la sécurité concernant les plans d'exécution spatiale.
Art. 4.4.1. § 1. L'évaluation en matière de sécurité, visée au présent chapitre, porte sur l'établissement des plans d'exécution spatiale, visés au décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'amenagement du territoire, afin de donner exécution aux obligations définies à l'article 24 de l'accord de coopération.
§ 2. Le Gouvernement flamand définit les critères sur la base desquels l'administration décide si l'établissement d'un rapport sur la sécurité spatiale est requis ou non.
Art. 4.4.2. § 1. Le plan de sécurité spatiale est établi sous la responsabilité et aux frais de l'initiateur.
A cette fin, l'initiateur doit faire appel à un expert VR agréé. Il transmet à l'expert agréé toutes les informations pertinentes qui sont disponibles. Il apporte toute sa collaboration afin que l'expert agréé puisse dûment remplir sa mission.
§ 2. L'expert agréé ne peut avoir aucun intérêt à l'exploitation des établissements existants ou envisagés qui sont éventuellement retenus dans le RVR. Il exécute sa mission en toute indépendance.
§ 3. Pendant l'établissement du plan de sécurité spatiale, l'expert agréé est tenu de se concerter avec l'administration. L'expert agréé doit le cas échéant respecter les instructions écrites de l'administration.
Art. 4.4.3. Le rapport sur la sécurité spatiale comprendra au moins les volets suivants :
1° un volet général qui contient les informations suivantes :
a) une description des objectifs et lignes de force de l'avant-projet du plan d'exécution spatiale, en ce compris une carte à une échelle adaptée;
b) un aperçu des motifs de l'établissement du plan d'exécution spatiale;
c) une description des alternatives examinées pour l'avant-projet de plan d'exécution spatiale ou un résumé succinct des alternatives à prendre raisonnablement en compte pour certaines parties du plan, chaque fois en ce compris les considérations en la matière de l'initiateur;
d) une comparaison entre les alternatives décrites et l'avant-projet de plan d'exécution spatiale ou de certaines parties de ce plan;
2° un volet concernant l'impact du plan d'exécution spatiale sur les risques d'accidents majeurs pour l'homme et l'environnement qui contient les informations suivantes :
a) une description des méthodiques utilisées pour déterminer et évaluer les risques d'accidents majeurs pour l'homme et l'environnement en ce compris une énumération et définition des critères pertinents qui sont utilisés dans le rapport de sécurité spatiale pour la délimitation des zones à risque;
b) le cas échéant des informations sur les risques d'accidents majeurs pour l'homme et l'environnement liés aux établissements existants et sur les mesures de sécurité qu'ont adoptées et/ou que peuvent adopter des établissements existants afin d'éviter des accidents majeurs et d'en limiter les conséquences pour l'homme et l'environnement;
c) pour l'avant-projet de plan d'exécution spatiale et les alternatives décrites, une évaluation scientifique de l'impact des développements pris en considération autour d'établissements existants et/ou de l'implantation éventuelle de nouveaux établissements sur les risques d'accidents majeurs pour l'homme et l'environnement en ce compris les zones à risque délimitées;
d) sur la base de l'évaluation visée au c), des recommandations sur :
1) les prescriptions urbanistiques prévues notamment compte tenu de l'exigence de conserver à long terme également une distance appropriée entre les établissements relevant de l'accord de coopération et certaines zones ayant un caractère particulièrement sensible, telles que visées à l'article 24, § 1er, dernier alinéa, de l'accord de coopération;
2) les mesures complémentaires que peuvent prendre des établissements existants pour éviter des accidents majeurs et d'en atténuer les conséquences pour l'homme et l'environnement afin de pas augmenter les risques;
e) une évaluation globale de l'avant-projet de plan d'exécution spatiale et des alternatives décrites dans le cadre de la politique de prévention d'accidents majeurs et de limitation de leurs conséquences pour l'homme et l'environnement;
3° un relevé des difficultés, lacunes techniques ou connaissances manquantes constatées eventuellement par l'initiateur et/ou l'expert agrée lors de la collecte et du traitement des informations requises et des implications qui en découlent pour la valeur scientifique du rapport;
4° un résumé non technique des données fournies telles que décrites du point 1° jusqu'à 3° inclus.
Art. 4.4.4. § 1. L'initiateur transmet le plan de sécurité spatiale finalisé à l'administration par signification ou par remise contre récépissé.
§ 2. L'administration analysera le contenu du RVR en fonction :
1° des données requises en vertu de l'article 4.4.3.
2° des éventuelles instructions écrites, visées à l'article 4.4.2, § 3.
Le résultat de l'analyse est intégré dans le rapport relatif au RVR et débouche sur l'adoption ou le refus du rapport de sécurité spatiale. Lorsque l'administration rejette le rapport de sécurité spatiale, le rapport fera mention de tous les points sur lesquels le RVR présente des lacunes. L'administration approuvera ou rejettera le rapport de sécurité spatiale finalisé sans délai et au plus tard dans un délai de cinquante jours suivant sa réception.
§ 3. L'administration signifie sa décision concernant l'approbation ou le refus du rapport de sécurité spatiale dans un délai de soixante jours suivant sa réception :
1° à l'initiateur;
2° à l'expert agréé qui a rédigé le rapport de sécurité spatiale.
La décision comprend aussi une copie du rapport RVR, visé au § 2, et précisera que l'initiateur peut signifier une demande motivée de reconsidération de la décision ou faire remettre cette demande contre récépissé et ce, dans un délai de vingt jours.
§ 4. L'initiateur peut signifier ou remettre contre recépissé une demande motivée de reconsidération de cette décision à l'administration. L'article 4.6.4 s'applique par analogie.
Art. 4.4.5. Le Gouvernement flamand peut determiner d'autres modalités en matière d'établissement, d'analyse et d'utilisation ultérieure du rapport de sécurité spatiale.
CHAPITRE V. - Evaluation de la sécurité dans le cadre de l'exploitation d'établissements.
Section I. - Champ d'application.
Art. 4.5.1. § 1. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent à tous les établissements pour lesquels :
1° il convient d'établir un rapport de sécurité conformément à l'article 12 de l'accord de coopération ou, conformément à l'article 13 de l'accord de coopération, de soumettre le rapport de sécurité à une nouvelle évaluation suite à une modification apportée à l'établissement; et
2° il convient d'introduire une demande d'autorisation ecologique ou de modification de l'autorisation écologique conformément au décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation anti-pollution.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut désigner d'autres catégories d'établissements pour lesquels il faut établir un rapport de sécurité environnementale conformément aux dispositions du présent chapitre. Par dérogation à l'article 4.5.6, le Gouvernement flamand peut décider que le rapport de sécurité environnementale ne doit pas comprendre certaines données pour ces catégories d'établissements.
Section II. - Notification et délimitation du contenu du rapport de sécurité environnementale envisagé.
Art. 4.5.2. § 1. L'initiateur informera l'administration en temps utile et par signification ou par remise contre récépissé de son intention d'établir un rapport de sécurité environnementale.
§ 2. La notification comprendra au moins :
1° une description et explicitation du projet, en ce compris sa situation dans l'espace et l'adresse d'exploitation de l'établissement; la situation dans l'espace comprend au moins un extrait des plans d'exécution spatiale ou des plans d'aménagement en vigueur et des cartes topographiques des environs;
2° le motif de l'obligation d'évaluation qui incombe à l'établissement;
3° les autorisations devant être demandées et le cas echeant la situation actuelle en matière d'autorisation pour l'exploitation de l'établissement;
4° le cas échéant, les données dont l'administration a besoin pour entamer l'échange d'informations transfrontalier, visé au § 4;
5° le cas échéant, les donnees pertinentes des évaluations précedentes et des rapports approuvés qui en étaient le résultat;
6° le cas échéant, les informations devant permettre à l'administration de décider d'une limitation du rapport de securité environnementale conformément à l'article 4.5.4;
7° un document qui présente, en fonction des exigences prévues a l'article 4.5.6 et au livre d'instructions v.r., l'approche de fond - en ce compris la méthodologie - du rapport de sécurité environnementale;
8° les données pertinentes sur l'expert agréé proposé, vise à l'article 4.5.5, le cas échéant complétées par la liste des experts qui assisteront l'expert agréé et la répartition des tâches entre les experts;
9° le cas échéant les motifs de la demande d'exemption de publicité passive de la notification ou de certaines parties de celle-ci.
§ 3. L'administration statue sur l'exhaustivité de la notification. La décision mentionnera tous les points incomplets de la notification. La notification est incomplète lorsqu'elle ne comprend pas tous les données ou documents requis en vertu du § 2.
Lorsque l'initiateur a formulé dans la notification une demande de soustraction à la publication et la mise en consultation de la notification ou de parties de celle-ci, l'administration fera dans sa décision une ponderation des intérêts conformément à l'article 8, § 5, du décret du 18 mai 1999 relatif à la publicité de l'administration. L'administration peut soustraire les données visées entièrement ou partiellement à la publication et la mise en consultation. Lorsqu'elle décide de soustraire totalement ou partiellement les données indiquées à la publication et la mise en consultation, elle est tenue de reprendre les données pertinentes dans une annexe.
Un recours peut être introduit contre la décision d'exemption de publicité passive, conformément aux articles 14 à 18 inclus du décret du 18 mai 1999 relatif à la publicité de l'administration.
La procédure ne pourra être poursuivie que lorsque la notification est complète.
L'administration signifie sa décision à l'initiateur sans délai et au plus tard dans un délai de vingt jours suivant la réception de la notification.
§ 4. Lorsque le projet est susceptible d'avoir, suite à un accident majeur, des incidences importantes sur l'homme ou l'environnement dans d'autres Etats membres de l'Union européenne et/ou dans des parties signataires de la Convention sur les effets transfrontières des accidents industriels majeurs, signée à Helsinki le 17 mars 1992 et/ou dans d'autres régions, ou que les autorités compétentes de ces Etats membres, parties à la convention et/ou régions en font la demande, l'administration transmettra sans délai les informations suivantes aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention et/ou régions concernés :
1° une copie de la notification déclarée complète;
2° une description de la procédure d'évaluation qui s'applique au projet envisagé;
3° une indication de l'obligation de demande d'autorisation à laquelle est soumis le projet envisagé et une description de son objet, ainsi que des procédures d'octroi d'autorisation applicables.
Ce courrier précisera que les autorités compétentes peuvent communiquer leurs commentaires à l'administration dans un délai de quarante jours suivant l'envoi de la copie
Art. 4.5.3. § 1. L'administration statuera sans tarder et au plus tard dans un délai de vingt jours suivant la date à laquelle la notification est déclarée complète sur :
1° le contenu du rapport de sécurité environnementale et l'approche de fond de l'évaluation, en ce compris la méthodologie;
2° les eventuelles instructions particulières pour l'établissement du rapport de sécurité environnementale;
3° la désignation de l'expert agréé qui établira le OVR.
Le cas écheant cette décision comprendra des dispositions relatives à la limitation du contenu du rapport de sécurité environnementale conformément à l'article 4.5.4.
Lors de sa décision, l'administration tiendra le cas échéant compte des commentaires, visés à l'article 4.5.2, § 4.
§ 2. L'administration communiquera sa décision dans un délai de trente jours suivant la date à laquelle la notification est déclarée complète, à l'initiateur, par signification et le cas échéant aux autorités compétentes, visées à l'article 4.5.2., § 4. § 3. Lorsque l'article 4.5.2., § 4, est d'application, les délais visés aux §§ 1er et 2, sont prolongés jusqu'à quatre-vingts, respectivement nonante jours.
§ 4. L'initiateur peut signifier à l'administration une demande motivée de reconsidération de cette décision, ou la faire remettre contre récépissé. L'article 4.6.4 s'applique par analogie.
§ 5. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités en matière de notification, de remise de la copie, de possibilité d'émettre des commentaires et de délimitation du contenu.
Art. 4.5.4. Lorsque l'initiateur démontre que certaines substances présentes dans l'établissement ou dans une partie de l'établissement ne peuvent provoquer un accident majeur conformément aux critères visés à l'article 12, § 5, de l'accord de coopération, l'administration peut décider que les données du rapport de sécurité environnementale sont limitées a celles qui sont importantes pour la prévention des risques résiduels d'accidents majeurs et pour l'atténuation de leurs conséquences pour l'homme et l'environnement.
Lorsque l'administration décide de limiter les données du rapport de sécurité environnementale, elle communique sa décision et toutes les informations nécessaires immédiatement et en tout cas avant la décision relative à l'autorisation, à la Commission des Communautés européennes.
Section III. - Etablissement du rapport de sécurité environnementale.
Art. 4.5.5. § 1. Le rapport de securité environnementale est établi sous la responsabilité et aux frais de l'initiateur.
A cette fin, l'initiateur doit faire appel à un expert agréé. Il transmet à l'expert agréé toutes les informations pertinentes qui sont disponibles. Il apporte toute sa collaboration afin que l'expert agréé puisse dûment s'accomplir de sa mission.
§ 2. L'expert agréé ne peut avoir aucun intérêt à l'exploitation en question. Il exécute sa mission en toute indépendance.
§ 3. Pendant l'établissement du rapport de sécurité environnementale, l'expert agréé est tenu de se concerter avec l'administration. L'expert agréé doit le cas échéant respecter les instructions écrites particulières et complémentaires de l'administration qui constituent un complément au contenu délimité, visé à l'article 4.5.3, § 1er, 1° et 2°.
Art. 4.5.6. Sans préjudice de l'application de l'article 4.5.4, le rapport de sécurité environnementale comprend au moins les données suivantes, dans la mesure où celles-ci peuvent être disponibles :
1° des informations sur le système de gestion et l'organisation de l'établissement en vue de la prévention d'accidents majeurs. Ces informations doivent couvrir tous les points prévus à l'article 10 de l'accord de coopération.
2° une présentation des environs de l'établissement :
a) une description du site, en ce compris la situation géographique, les données météorologiques, géologiques et hydrographiques ainsi que les éléments de l'historique du site pertinents pour la sécurité;
b) une identification des sources de danger externes et des objets environnementaux sensibles ainsi que les informations disponibles concernant ces sources;
c) une description des zones susceptibles d'être touchées par un accident majeur;
3° description de l'établissement :
a) identification des établissements et activités au sein de l'établissement susceptibles de provoquer un accident majeur;
b) description des activités et produits des parties de l'établissement qui sont importantes du point de vue securité;
c) description des procédés et méthodes de travail;
d) description des substances dangereuses :
1) une liste des substances dangereuses, qui comprend :
- la description des substances dangereuses : nom chimique, numéro CAS, nom selon la nomenclature IUPAC;
- la quantité maximale de substances dangereuses présentes ou pouvant être présentes;
2) les propriétés et données physiques, chimiques et toxicologiques, tant du point de vue des dangers immédiats que des dangers ultérieurs pour l'homme et l'environnement;
3) le comportement physique ou chimique dans des conditions d'utilisation normale ou lors d'incidents prévisibles;
4° identification et analyse des accidents majeurs avec les conséquences potentielles pour l'homme et l'environnement et les moyens de prévention :
a) description détaillée des scénarios pour des accidents majeurs potentiels et les circonstances dans lesquelles ces accidents peuvent se produire, en ce compris un résumé des incidents susceptibles de jouer un rôle important lors du déclenchement de ces scénarios, indépendamment du fait que ces causes se situent en dehors ou au sein de l'établissement;
b) description des causes possibles d'accidents majeurs et des circonstances dans lesquelles un tel accident majeur pourrait se produire, accompagnée d'une description des mesures préventives adoptées;
c) quantification des risques, telle qu'indiquée dans le livre d'instructions v.r., liés aux scénarios décrits au point a);
d) évaluation de l'ampleur et de la gravité des conséquences potentielles des accidents majeurs identifiés;
e) description des paramètres techniques qui sont importants pour la sécurité des établissements et des appareils prévus pour assurer la sécurité des établissements;
5° mesures de protection et d'intervention pour attenuer les conséquences d'un accident majeur :
a) description des paramètres techniques qui sont importants pour la sécurité des établissements et des appareils prévus pour assurer la sécurite des établissements;
b) description des appareils aménages sur les installations pour atténuer les conséquences d'accidents majeurs; organisation de l'alarme et de l'intervention;
c) description des moyens internes ou externes pouvant être mis en oeuvre;
d) description du plan d'urgence interne, visé à l'article 15 de l'accord de coopération;
6° une description et évaluation des mesures de prévention et de limitation des conséquences d'ordre technique et organisationnel que prendra l'initiateur, en ce compris le délai dans lequel ces mesures se réaliseront;
7° un aperçu des alternatives pouvant être raisonnablement prises en considération en termes de situation, d'implantation, de procédé et de quantités de substances dangereuses, en ce compris l'alternative zéro et la fermeture de l'établissement;
8° une indication des difficultés, lacunes techniques ou connaissances manquantes constatées le cas échéant par l'initiateur et/ou les experts lors de la collecte et du traitement des informations requises et de leurs conséquences pour la valeur scientifique du rapport;
9° un résumé non technique des données fournies, telles que décrites aux points 1° jusqu'à 8°.
Section IV. - L'analyse et l'utilisation du rapport de sécurité environnementale.
Art. 4.5.7. § 1. L'initiateur transmet le rapport de sécurité environnementale finalisé à l'administration par signification ou par remise contre récépissé.
§ 2. L'administration analysera le contenu du OVR en fonction :
1° de la décision visée à l'article 4.5.3, § 1er;
2° des eventuelles instructions particulières complémentaires visées à l'article 4.5.5, § 3;
3° des données requises conformément a l'article 4.5.6.
Le résultat de l'analyse est intégré dans le rapport OVR et débouche sur l'adoption ou le refus du. rapport de sécurité environnementale. Lorsque l'administration rejette le rapport de sécurité spatiale, le rapport fera mention de tous les points sur lesquels le OVR présente des lacunes. L'administration approuvera ou rejettera le rapport de sécurité environnementale. sans délai et au plus tard dans un délai de trente jours suivant sa réception. L'administration peut prendre la décision motivée de prolonger ce délai jusqu'à cinquante jours. Elle signifiera la décision de prolongation dans le délai précité de trente jours.
§ 3. L'administration communique sa décision concernant l'approbation ou le rejet du rapport de sécurité environnementale dans un délai de quarante jours suivant la réception, respectivement soixante jours en cas de prolongation du délai :
1° à l'initiateur, par signification;
2° aux autorités qui devront se prononcer le cas échéant sur une demande d'autorisation pour l'exploitation de l'établissement;
3° au collège des bourgmestre et échevins de la commune ou des communes où se situe l'établissement;
4° le cas échéant aux autorités competentes, visées à l'article 4.5.2, § 4;
5° à l'expert agréé qui a rédigé le rapport.
Cette décision comprend aussi une copie du rapport OVR, visé au § 2, et précisera que l'initiateur peut signifier une demande motivée de reconsidération de la décision ou remettre cette demande contre récepissé dans un délai de vingt jours.
§ 4. L'initiateur peut signifier à l'administration une demande motivée de reconsidération de cette décision ou remettre cette demande contre récépissé. L'article 4.6.4 s'applique par analogie.
Art. 4.5.8. § 1. Dès signification de la décision, visée à l'article 4.5.7, § 3, le rapport de sécurité environnementale approuvé, le rapport OVR, visé à l'article 4.5.7, § 2, la decision, visée à l'article 4.5.3, § 1er, et le cas échéant les instructions particulières complémentaires, visées à l'article 4.5.5, § 3, peuvent être consultés auprès de l'administration.
§ 2. L'initiateur peut demander à l'administration d'examiner si, conformément à l'article 8, § 5, du décret du 18 mai 1999 relatif à la publicité de l'administration, des données contenues dans les pièces visées au § 1er doivent être soustraites à la consultation. Il soumet sa question à l'administration au plus tard au moment de la remise du OVR finalisé à l'administration. Il précise dans sa demande les données en question et les motifs de la soustraction à la consultation.
L'administration prend une décision concernant la demande de l'initiateur au plus tard au moment de l'approbation ou du refus du OVR. Elle fera une pondération des intérêts conformément à l'article précité. L'administration peut soustraire totalement ou partiellement les données visées à la mise en consultation. Lorsqu'elle décide d'une soustraction totale ou partielle des données indiquées à la mise en consultation, elle doit reprendre les données pertinentes dans une annexe. L'annexe ne pourra pas être consultée par le public.
§ 3. Lors du processus décisionnel ultérieur concernant le projet envisagé, il convient de tenir compte de la nécessité de garder les activités à risque isolées et à une distance appropriée des zones d'habitation, de zones fréquentées par le public, de zones vulnérables en termes spatiaux et de zones vulnérables particulières à définir par le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités concernant l'utilisation du rapport de sécurité environnementale lors de toute décision ultérieure concernant le projet envisagé et concernant la publication de l'arrêté relatif au projet.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres règles concernant les modalités selon lesquelles les autorités compétentes et les citoyens des Etats membres, parties à la convention et/ou régions, visés à l'article 4.5.2, § 4, peuvent faire part de leurs commentaires sur le rapport de sécurité environnementale approuvé et le projet envisagé, et concernant les modalités de concertation à ce sujet.
L'arrêté définitif d'octroi de l'autorisation pour le projet en question est envoyé aux autorités compétentes des Etats membres, parties à la convention et/ou régions concernés, visés à l'article 4.5.2, § 4.
CHAPITRE VI. - Aspects communs de gestion de la qualité.
Section I. - L'agrément des experts et coordinateurs.
Art. 4.6.1. § 1. Des personnes physiques et des personnes morales de droit public ou de droit privé peuvent être agréées :
1° pour l'établissement de rapports d'incidence sur l'environnement, en qualité :
a) de coordinateur dirigeant une équipe d'experts MER agréés;
b) d'expert pour participer au travail d'équipe dans le cadre de plans et/ou projets MER;
2° pour l'établissement de rapports de sécurité, en qualité d'expert pour l'établissement des rapports de sécurité spatiale et/ou des rapport de sécurité environnementale.
§ 2. L'agrément est accordé pour une période de cinq ans maximum et peut être retiré à tout moment lorsqu'une ou plusieurs conditions d'agrément ne sont plus remplies ou que l'expert et/ou le coordinateur n'execute pas de manière réglementaire ou objective les obligations qui leur incombent en vertu de ce titre.
§ 3. Les conditions d'agrément portent notamment sur :
1° la formation et/ou l'expérience du demandeur;
2° la possession des ou l'accès aux informations pertinentes, facilités adéquates et encadrement éventuel;
3° le cas échéant la qualité des évaluations effectuées.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut déterminer des conditions complémentaires pour l'agrément et déterminer d'autres modalités pour l'octroi et le retrait de l'agrément.
Section II. - Les livres d'instructions, évaluation et monitoring.
Art. 4.6.2. § 1. L'administration établit un livre d'instructions concernant l'évaluation des incidences sur l'environnement. Ce livre d'instructions m.e.r. est l'ouvrage de référence sur lequel l'administration, l'initiateur, les coordinateurs agréés et les experts se basent pour le bon déroulement de l'évaluation et pour le contenu d'un plan MER ou projet MER, en ce compris les aspects méthodologiques.
Les instructions particulières et le cas échéant les instructions particulières complémentaires peuvent compléter le livre d'instructions m.e.r. sur base motivée, contenir des prescriptions plus strictes ou y déroger par des prescriptions moins strictes.
§ 2. L'administration établit un livre d'instructions concernant le rapport de sécurité. Ce livre d'instructions v.r. est l'ouvrage de référence sur lequel l'administration, l'initiateur et les experts se basent pour le bon déroulement de l'évaluation et pour le contenu d'un rapport de sécurité spatiale ou un rapport de sécurité environnementale, en ce compris les aspects méthodologiques.
Les instructions particulières et le cas échéant les instructions particulières complémentaires peuvent compléter le livre d'instructions v.r. sur base motivée, contenir des prescriptions plus strictes ou y déroger par des prescriptions moins strictes.
§ 3. L'administration est responsable pour la mise à jour régulière des livres d'instructions sur la base des évolutions scientifiques et sociales, ainsi que de l'évaluation des expériences acquises dans le cadre de l'évaluation des incidences sur l'environnement et la sécurité.
Art. 4.6.3. § 1. Par rapport à une action réalisée ou à des catégories d'actions menées pendant une période déterminée et pour lesquelles un projet MER ou plan MER a été établi, l'administration peut organiser une évaluation ou une enquête de monitoring.
§ 2. Lorsque l'administration organise une évaluation ou une enquête de monitoring, l'initiateur doit apporter sa pleine collaboration et fournir toutes les informations jugées raisonnablement utiles pour cette enquête.
§ 3. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités pour la procédure de l'évaluation et du monitoring.
Section III. - La commission consultative.
Art. 4.6.4. § 1. A la demande motivée de l'initiateur, l'administration peut reconsidérer après avis d'une commission consultative les éléments précisés par l'initiateur dans les décisions suivantes :
1° pour ce qui concerne l'évaluation des incidences sur l'environnement :
a) l'application de l'obligation d'établir un projet MER, visée à l'article 4.3.3, §§ 2 et 3;
b) les exigences de fond et les instructions fournies concernant le plan MER ou le projet MER, visées respectivement à l'article 4.2.5, § 1er, et à l'article 4.3.5, § 1er;
c) le refus du plan MER ou du projet MER, visé respectivement à l'article 4.2.8, § 2, et à l'article 4.3.8, § 2;
2° pour ce qui concerne les rapports de sécurité :
a) les exigences de fond et les instructions fournies concernant le rapport de sécurité environnementale, visées à l'article 4.5.3, § 1er;
b) le refus du rapport de sécurité spatiale ou du rapport de sécurité environnementale, visé à l'article 4.4.4 respectivement l'article 4.5.7.
A la demande motivée des administrations, institutions publiques ou organisations, visées à l'article 4.2.4, § 4, alinéa premier, l'administration peut reconsidérer après avis d'une commission consultative les éléments précisés par le demandeur de la décision relative aux exigences de fond et aux instructions fournies concernant le plan MER visé à l'article 4.2.5, § 1.
§ 2. Le demandeur signifie sa demande à l'administration, ou remet sa demande contre récépissé, dans un délai de vingt jours suivant la réception de la décision, visée au § 1.
§ 3. Dans un délai de vingt jours suivant la réception de la demande, visée au § 2, le fonctionnaire dirigeant de l'administration désigne trois ou cinq membres de la commission consultative. Ces membres sont :
1° soit, des experts ayant une certaine expérience dans le domaine de l'évaluation des incidences sur l'environnement ou des risques d'accidents majeurs qui n'établissent pas de rapports conformément au présent décret; ils peuvent toutefois être actifs dans d'autres régions, dans le cadre de la réglementation fédérale ou à l'étranger;
2° soit, des experts dans la problématique qui est soumise à la commission consultative tout en n'étant pas des experts agréés.
Les membres de la commission consultative désignent un président.
Ils ne peuvent avoir aucun intéret à la réalisation ou la non-réalisation de l'action envisagée ou des alternatives et ils ne peuvent pas avoir participé aux décisions prises dans le cadre des évaluations en question.
§ 4. La commission consultative formule un avis dans un délai de quarante jours suivant la réception de la demande visée au § 2, et communique son avis sans délai et au plus tard dans un délai de dix jours à l'administration.
Pour autant que l'avis soit unanime, il est contraignant.
§ 5. Lorsque l'avis est contraignant, l'administration y donnera suite sans délai.
Dans tous les autres cas, l'administration prend une décision immédiatement et dans un délai de septante jours suivant la réception de la demande, visée au § 2. Elle tiendra compte de l'avis.
L'administration approuve ou rejette le rapport. En cas de refus, l'administration indiquera tous les points sur lesquels le rapport présente des lacunes.
§ 6. L'administration communique la décision immédiatement et dans un délai de quatre-vingts jours suivant la réception de la demande, visée au § 2, :
1° à l'initiateur et au demandeur, par signification;
2° le cas échéant aux intéressés désignés par le Gouvernement flamand.
§ 7. Le Gouvernement flamand peut déterminer d'autres modalités concernant l'institution, la rémunération et le fonctionnement de la commission consultative.
CHAPITRE VII. - Dispositions de surveillance et dispositions pénales.
Art. 4.7.1. Sans préjudice des compétences des officiers de police judiciaire, les fonctionnaires du service désigné par le Gouvernement flamand veillent au respect des obligations en matière d'établissement des rapports.
Art. 4.7.2. L'initiateur ne respectant pas son obligation d'établir un rapport, sera puni d'une amende de 30 à 30.000 euro. "
Art.5. Het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid wordt aangevuld met de bijlagen I en II, gevoegd als bijlage bij dit decreet.
Art.5. Le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions genérales concernant la politique de l'environnement est complété par les annexes I et II, jointes au présent décret.
Art.6. Artikel 7 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning wordt opgeheven.
Art.6. L'article 7 du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation anti-pollution est abrogé.
Art.7. In artikel 16 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering wordt § 2 vervangen door wat volgt :
" § 2. Indien de uitvoering van de bodemsaneringswerken het exploiteren of veranderen impliceert van een inrichting waarvoor een milieueffectrapport of een omgevingsveiligheidsrapport is vereist, dan moet de inhoud van het bodemsaneringsproject worden aangevuld met de gegevens, bedoeld in artikel 4.3.7 of 4.5.6 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. "
" § 2. Indien de uitvoering van de bodemsaneringswerken het exploiteren of veranderen impliceert van een inrichting waarvoor een milieueffectrapport of een omgevingsveiligheidsrapport is vereist, dan moet de inhoud van het bodemsaneringsproject worden aangevuld met de gegevens, bedoeld in artikel 4.3.7 of 4.5.6 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. "
Art.7. A l'article 16 du décret du 22 février 1995 relatif à l'assainissement du sol, le § 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Si l'exécution des travaux d'assainissement du sol implique l'exploitation ou la transformation d'un établissement soumis à une évaluation des incidences sur l'environnement ou à un rapport de sécurité environnementale, le contenu du projet d'assainissement du sol doit être complété par les données visées à l'article 4.3.7 ou 4.5.6 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions genérales concernant la politique de l'environnement. "
" § 2. Si l'exécution des travaux d'assainissement du sol implique l'exploitation ou la transformation d'un établissement soumis à une évaluation des incidences sur l'environnement ou à un rapport de sécurité environnementale, le contenu du projet d'assainissement du sol doit être complété par les données visées à l'article 4.3.7 ou 4.5.6 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions genérales concernant la politique de l'environnement. "
Art.8. § 1. Milieueffectrapportages waarvoor de volledigverklaring van de kennisgeving gebeurde vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, worden uitgevoerd overeenkomstig de procedure die van toepassing was op dat ogenblik.
§ 2. Veiligheidsrapportages waarvoor de volledigverklaring van de aanmelding gebeurde vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, worden uitgevoerd overeenkomstig de procedure die van toepassing was op dat ogenblik.
§ 2. Veiligheidsrapportages waarvoor de volledigverklaring van de aanmelding gebeurde vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, worden uitgevoerd overeenkomstig de procedure die van toepassing was op dat ogenblik.
Art.8. § 1. Les évaluations des incidences sur l'environnement pour lesquelles la notification a été déclarée complète avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont exécutées conformément à la procédure qui était d'application à ce moment-là.
§ 2. Les évaluations de sécurité pour lesquelles la notification a été déclarée complète avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont exécutées conformément à la procédure qui était d'application à ce moment-là.
§ 2. Les évaluations de sécurité pour lesquelles la notification a été déclarée complète avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont exécutées conformément à la procédure qui était d'application à ce moment-là.
Art.9. In de uitvoeringsbesluiten bedoeld in artikel 4.3.2 en artikel 4.5.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid die de categorieën van projecten aanwijzen waarvoor in voorkomend geval een project-m.e.r., respectievelijk een omgevingsveiligheidsrapport moet worden opgesteld, kunnen overgangstermijnen worden voorzien voor het van kracht worden van de verplichtingen. Dit voor zover voor deze categorieën van projecten overeenkomstig de regelgeving die van kracht was voor de inwerkingtreding van dit decreet geen project-m.e.r., respectievelijk omgevingsveiligheidsrapport moest worden opgesteld en voor zover deze categorieën van projecten op dat moment niet vallen onder het toepassingsgebied van richtlijn 85/337/EG, respectievelijk richtlijn 96/82/EG.
Art.9. Les arrêtés d'exécution visés a l'article 4.3.2 et à l'article 4.5.1 du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement désignant les catégories de projets pour lesquelles le cas échéant un projet de m.e.r., respectivement un rapport de sécurité environnementale doit être établi, peuvent prévoir des délais de transition pour l'entrée en vigueur des obligations. Et ce dans la mesure ou, conformément à la reglementation en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret, ces catégories de projets n'étaient pas soumises à l'obligation d'établir un projet de m.e.r., respectivement un rapport de sécurité environnementale et que ces catégories de projets ne relevaient pas à ce moment-là du champ d'application de la directive 85/337/CE, respectivement la directive 96/82/CE.
Art.10. § 1. Erkenningsaanvragen van MER- of VR-deskundigen die worden ingediend vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, worden behandeld overeenkomstig de regelgeving die van toepassing was op dat ogenblik.
§ 2. Erkenningen van MER- of VR-deskundigen die werden verleend vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet of overeenkomstig § 1, blijven gelden voor de in de erkenning bepaalde periode. Ze kunnen evenwel worden ingetrokken overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.
§ 3. (De Vlaamse Regering bepaalt de datum vanaf wanneer een MER-coördinator over een erkenning als MER-coördinator moet beschikken voor het leiden van een team van erkende MER-deskundigen. Tot die datum kan hij op voorstel van de initiatiefnemer door de administratie worden gekozen uit het team van erkende MER-deskundigen dat het rapport opstelt.)
§ 4. (De Vlaamse Regering bepaalt de datum vanaf wanneer een deskundige voor het opstellen van ruimtelijke veiligheidsrapporten over deze erkenning moet beschikken. Tot die datum geldt de erkenning als deskundige voor het opstellen van omgevingsveiligheidsrapporten als erkenning voor het opstellen van ruimtelijke veiligheidsrapporten.)
§ 2. Erkenningen van MER- of VR-deskundigen die werden verleend vóór de datum van de inwerkingtreding van dit decreet of overeenkomstig § 1, blijven gelden voor de in de erkenning bepaalde periode. Ze kunnen evenwel worden ingetrokken overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.
§ 3. (De Vlaamse Regering bepaalt de datum vanaf wanneer een MER-coördinator over een erkenning als MER-coördinator moet beschikken voor het leiden van een team van erkende MER-deskundigen. Tot die datum kan hij op voorstel van de initiatiefnemer door de administratie worden gekozen uit het team van erkende MER-deskundigen dat het rapport opstelt.)
§ 4. (De Vlaamse Regering bepaalt de datum vanaf wanneer een deskundige voor het opstellen van ruimtelijke veiligheidsrapporten over deze erkenning moet beschikken. Tot die datum geldt de erkenning als deskundige voor het opstellen van omgevingsveiligheidsrapporten als erkenning voor het opstellen van ruimtelijke veiligheidsrapporten.)
Art.10. § 1. Les demandes d'agrément des experts MER ou VR qui sont introduites avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont traitées conformément à la réglementation qui était applicable à ce moment-là.
§ 2. Les agréments des experts MER ou VR qui ont été accordés avant la date d'entrée en vigueur du présent décret ou conformément au § 1er, restent valables pour la période déterminée dans l'agrément. Ils peuvent toutefois être retirés conformément aux dispositions du présent décret.
§ 3.
(Le Gouvernement flamand fixe la date à partir de laquelle un coordinateur MER doit disposer d'un agrément comme coordinateur MER pour diriger une équipe d'experts MER agréés. Jusqu'à cette date, il peut être choisi par l'administration, sur la proposition de l'initiateur, parmi l'équipe d'experts MER agrées qui établit le rapport.)
§ 4. (Le Gouvernement flamand fixe la date à laquelle un expert doit disposer de l'agrément susvisé pour l'établissement de rapports de sécurité spatiale.
Jusqu'à cette date, l'agrément comme expert pour l'établissement de rapports de sécurité environnementale tient également lieu d'agrément pour l'établissement de rapports de sécurité spatiale.)
§ 2. Les agréments des experts MER ou VR qui ont été accordés avant la date d'entrée en vigueur du présent décret ou conformément au § 1er, restent valables pour la période déterminée dans l'agrément. Ils peuvent toutefois être retirés conformément aux dispositions du présent décret.
§ 3.
(Le Gouvernement flamand fixe la date à partir de laquelle un coordinateur MER doit disposer d'un agrément comme coordinateur MER pour diriger une équipe d'experts MER agréés. Jusqu'à cette date, il peut être choisi par l'administration, sur la proposition de l'initiateur, parmi l'équipe d'experts MER agrées qui établit le rapport.)
§ 4. (Le Gouvernement flamand fixe la date à laquelle un expert doit disposer de l'agrément susvisé pour l'établissement de rapports de sécurité spatiale.
Jusqu'à cette date, l'agrément comme expert pour l'établissement de rapports de sécurité environnementale tient également lieu d'agrément pour l'établissement de rapports de sécurité spatiale.)
Art.11. De bepalingen die betrekking hebben op het gebruik van richtlijnenboeken zijn niet van toepassing voor een bepaalde vorm van rapportage zolang de administratie voor deze vorm van rapportage geen richtlijnenboek heeft opgesteld overeenkomstig artikel 4.6.2. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
Art.11. Les dispositions qui portent sur l'utilisation de livres d'instructions ne sont pas d'application à un type déterminé d'évaluation aussi longtemps que l'administration n'a pas établi de livre d'instructions pour ce type d'évaluation conformément à l'article 4.6.2. du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
Art.12. De bepalingen die voorkomen in de onderstaande besluiten en die werden genomen op grond van artikel 7 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning of vallen onder het toepassingsgebied van artikel 200 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, blijven gelden tot ze worden opgeheven of gewijzigd :
1° het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 houdende organisatie van de milieueffectrapportage van bepaalde categorieën van hinderlijke inrichtingen, gewijzigd bij besluiten van de Vlaamse regering van 27 april 1994, 25 januari 1995, 24 mei 1995, 4 februari 1997 en 10 maart 1998;
2° het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 houdende bepaling voor het Vlaamse Gewest van de categorieën van werken en handelingen, andere dan hinderlijke inrichtingen, waarvoor een milieueffectrapport is vereist voor de volledigheid van de aanvraag om bouwvergunning, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 25 januari 1995, 4 februari 1997 en 10 maart 1998;
3° het besluit van de Vlaamse regering van 4 november 1997 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier van de aanvraag om een bouwvergunning;
4° het koninklijk besluit van 6 februari 1971 betreffende de behandeling en de openbaarmaking van de bouwaanvragen, gewijzigd bij de koninklijk besluiten van 25 april 1973, van 16 december 1961, bij besluiten van de Vlaamse regering van 16 maart 1983, van 3 oktober 1984, van 23 maart 1989, van 30 september 1993, van 20 juli 1994 en van 5 mei 2000;
5° hoofdstuk IV 'preventie van zware ongevallen', van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en de bijlagen bij dit hoofdstuk (5, 6 en 7), voor zover dit nodig is voor de toepassing van de artikelen 7 en 8 van dit decreet;
6° besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne.
1° het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 houdende organisatie van de milieueffectrapportage van bepaalde categorieën van hinderlijke inrichtingen, gewijzigd bij besluiten van de Vlaamse regering van 27 april 1994, 25 januari 1995, 24 mei 1995, 4 februari 1997 en 10 maart 1998;
2° het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 houdende bepaling voor het Vlaamse Gewest van de categorieën van werken en handelingen, andere dan hinderlijke inrichtingen, waarvoor een milieueffectrapport is vereist voor de volledigheid van de aanvraag om bouwvergunning, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 25 januari 1995, 4 februari 1997 en 10 maart 1998;
3° het besluit van de Vlaamse regering van 4 november 1997 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier van de aanvraag om een bouwvergunning;
4° het koninklijk besluit van 6 februari 1971 betreffende de behandeling en de openbaarmaking van de bouwaanvragen, gewijzigd bij de koninklijk besluiten van 25 april 1973, van 16 december 1961, bij besluiten van de Vlaamse regering van 16 maart 1983, van 3 oktober 1984, van 23 maart 1989, van 30 september 1993, van 20 juli 1994 en van 5 mei 2000;
5° hoofdstuk IV 'preventie van zware ongevallen', van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en de bijlagen bij dit hoofdstuk (5, 6 en 7), voor zover dit nodig is voor de toepassing van de artikelen 7 en 8 van dit decreet;
6° besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne.
Art.12. Les dispositions figurant dans les arrêtés mentionnés ci-dessous et qui ont été adoptées en vertu de l'article 7 du décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation anti-pollution ou relèvent du champ d'application de l'article 200 du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire, restent valables jusqu'à ce qu'elles soient abrogées ou modifiées :
1° l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 mars 1989 portant organisation de l'évaluation des incidences sur l'environnement de certaines catégories d'établissements incommodants, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 27 avril 1994, 25 janvier 1995, 24 mai 1995, 4 février 1997 et 10 mars 1998;
2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 mars 1989 fixant pour la Région flamande les catégories de travaux et d'actes autres que des établissements incommodants pour lesquelles la demande de permis de bâtir doit contenir une évaluation des incidences sur l'environnement, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 25 janvier 1995, 4 février 1997 et 10 mars 1998;
3° l'arreté du Gouvernement flamand du 4 novembre 1997 fixant la composition du dossier de demande d'un permis de bâtir;
4° l'arrêté royal du 6 février 1971 relatif au traitement et à la publicité des demandes de permis de bâtir, modifié par les arrêtés royaux du 25 avril 1973, du 16 décembre 1961, par les arrêtés du Gouvernement flamand des 16 mars 1983, 3 octobre 1984, 23 mars 1989, 30 septembre 1993, 20 juillet 1994 et 5 mai 2000;
5° le chapitre IV 'prévention d'accidents majeurs', de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand relatif à l'autorisation écologique et les annexes à ce chapitre (5, 6 et 7), pour autant que ce soit nécessaire pour l'application des articles 7 et 8 du présent décret;
6° l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matiere d'hygiène de l'environnement.
1° l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 mars 1989 portant organisation de l'évaluation des incidences sur l'environnement de certaines catégories d'établissements incommodants, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 27 avril 1994, 25 janvier 1995, 24 mai 1995, 4 février 1997 et 10 mars 1998;
2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 mars 1989 fixant pour la Région flamande les catégories de travaux et d'actes autres que des établissements incommodants pour lesquelles la demande de permis de bâtir doit contenir une évaluation des incidences sur l'environnement, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 25 janvier 1995, 4 février 1997 et 10 mars 1998;
3° l'arreté du Gouvernement flamand du 4 novembre 1997 fixant la composition du dossier de demande d'un permis de bâtir;
4° l'arrêté royal du 6 février 1971 relatif au traitement et à la publicité des demandes de permis de bâtir, modifié par les arrêtés royaux du 25 avril 1973, du 16 décembre 1961, par les arrêtés du Gouvernement flamand des 16 mars 1983, 3 octobre 1984, 23 mars 1989, 30 septembre 1993, 20 juillet 1994 et 5 mai 2000;
5° le chapitre IV 'prévention d'accidents majeurs', de l'arrêté du Gouvernement flamand du 6 février 1991 fixant le règlement flamand relatif à l'autorisation écologique et les annexes à ce chapitre (5, 6 et 7), pour autant que ce soit nécessaire pour l'application des articles 7 et 8 du présent décret;
6° l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matiere d'hygiène de l'environnement.
Art.13. In voorkomend geval brengt de administratie binnen de termijn voorzien voor het advies en op grond van de criteria, bepaald overeenkomstig artikel 4.4.1, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende de algemene bepalingen van het milieubeleid, in het raam van het vooroverleg over gemeentelijke plannen van aanleg, bedoeld in artikel 18 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, aan de gemeente ter kennis dat er een ruimtelijk veiligheidsrapport vereist is.
Hoofdstuk IV van Titel IV van het van decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid is van overeenkomstige toepassing.
In dit geval wordt onder initiatiefnemer verstaan : de gemeente die het initiatief neemt tot opmaak van een gemeentelijk plan van aanleg.
Hoofdstuk IV van Titel IV van het van decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid is van overeenkomstige toepassing.
In dit geval wordt onder initiatiefnemer verstaan : de gemeente die het initiatief neemt tot opmaak van een gemeentelijk plan van aanleg.
Art.13. Le cas échéant, l'administration informera la commune dans le délai prévu pour l'avis et sur la base des criteres fixes conformément à l'article 4.4.1, § 2, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, dans le cadre de la concertation préalable sur les plans d'aménagement communaux, conformément à l'article 18 du décret 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire, coordonné le 22 octobre 1996, du fait qu'un rapport de sécurité spatiale est requis.
Le chapitre IV du Titre IV du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement s'applique par analogie.
Dans ce cas, il convient d'entendre par initiateur : la commune qui prend l'initiative d'établir un plan d'aménagement communal.
Le chapitre IV du Titre IV du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement s'applique par analogie.
Dans ce cas, il convient d'entendre par initiateur : la commune qui prend l'initiative d'établir un plan d'aménagement communal.
Art.14. § 1. Dit decreet treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
§ 2. Hoofdstuk II van Titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid treedt slechts in werking op een per plan of programma of per categorie van plan of programma nader door de Vlaamse regering te bepalen datum en uiterlijk op 21 juli 2004.
De in Hoofdstuk II van Titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid bedoelde verplichtingen zijn van toepassing op plannen en programma's waarvoor :
1° de eerste formele voorbereidende handeling plaatsvindt na de in het eerste lid bedoelde datum; of
2° de eerste formele voorbereidende handeling plaatsvindt voor de in het eerste lid bedoelde datum en het definitieve besluit over het plan of programma als bedoeld in artikel 4.2.9, § 3, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid meer dan 24 maanden na het hiervoor vermelde tijdstip wordt genomen, tenzij de Vlaamse regering geval per geval beslist dat dit niet haalbaar is en deze beslissing openbaar maakt.
Voor de gewestelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen met algemene draagwijdte die worden geïnitieerd door de gewestelijke of provinciale diensten van ruimtelijke ordening ter uitvoering van de intersectorale doelstellingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen of van het provinciaal ruimtelijk structuurplan geldt als eerste formele voorbereidende handeling, als bedoeld in het tweede lid, de aankondiging van de plenaire vergadering bedoeld in artikel 41 of 44 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening.
§ 3. Onverminderd artikel 12, treedt Hoofdstuk IV van Titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid evenwel slechts in werking op de datum waarop de wijzigingsbepalingen van hoofdstuk II van Titel II van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening in werking treden waarmee uitvoering wordt gegeven aan de verplichtingen, bepaald in artikel 24 van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 18 december 2002.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw
V. DUA
De Vlaamse minister van Economie, Buitenlands Beleid, Buitenlandse Handel en Huisvesting,
J. GABRIELS
§ 2. Hoofdstuk II van Titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid treedt slechts in werking op een per plan of programma of per categorie van plan of programma nader door de Vlaamse regering te bepalen datum en uiterlijk op 21 juli 2004.
De in Hoofdstuk II van Titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid bedoelde verplichtingen zijn van toepassing op plannen en programma's waarvoor :
1° de eerste formele voorbereidende handeling plaatsvindt na de in het eerste lid bedoelde datum; of
2° de eerste formele voorbereidende handeling plaatsvindt voor de in het eerste lid bedoelde datum en het definitieve besluit over het plan of programma als bedoeld in artikel 4.2.9, § 3, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid meer dan 24 maanden na het hiervoor vermelde tijdstip wordt genomen, tenzij de Vlaamse regering geval per geval beslist dat dit niet haalbaar is en deze beslissing openbaar maakt.
Voor de gewestelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen met algemene draagwijdte die worden geïnitieerd door de gewestelijke of provinciale diensten van ruimtelijke ordening ter uitvoering van de intersectorale doelstellingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen of van het provinciaal ruimtelijk structuurplan geldt als eerste formele voorbereidende handeling, als bedoeld in het tweede lid, de aankondiging van de plenaire vergadering bedoeld in artikel 41 of 44 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening.
§ 3. Onverminderd artikel 12, treedt Hoofdstuk IV van Titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid evenwel slechts in werking op de datum waarop de wijzigingsbepalingen van hoofdstuk II van Titel II van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening in werking treden waarmee uitvoering wordt gegeven aan de verplichtingen, bepaald in artikel 24 van het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 18 december 2002.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw
V. DUA
De Vlaamse minister van Economie, Buitenlands Beleid, Buitenlandse Handel en Huisvesting,
J. GABRIELS
Art.14. § 1. Le présent décret entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
§ 2. Le chapitre II du Titre IV du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement n'entrera en vigueur qu'à une date à fixer ultérieurement par le Gouvernement flamand par plan ou programme ou par catégorie de plan ou programme et au plus tard le 21 juillet 2004.
Les obligations visées au Chapitre II du Titre IV du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement sont d'application aux plans et programmes pour lesquels :
1° le premier acte préparatoire formel a lieu après la date visée au à l'alinéa premier; ou
2° le premier acte préparatoire formel a lieu avant la date visée à l'alinéa premier et l'arrêté définitif concernant le plan ou programme tel que visé à l'article 4.2.9, § 3, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement est pris plus de 24 mois après la date précitée, à moins que le Gouvernement flamand ne décide au cas par cas que cela n'est pas faisable et rend cette décision publique.
Pour les plans d'exécution spatiale régionaux ou provinciaux à portée générale qui sont initiés par les services régionaux ou provinciaux d'aménagement du territoire en exécution des objectifs intersectoriels du Schéma de structure d'aménagement de la Flandre ou du schéma de structure d'aménagement provincial, l'annonce de la séance pléniere visée à l'article 41 ou 44 du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire tient lieu de premier acte préparatoire formel tel que visé au deuxième alinéa.
§ 3. Sans préjudice de l'article 12, le Chapitre IV du Titre IV du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement n'entrera toutefois en vigueur qu'à la date à laquelle les dispositions de modification du chapitre II du Titre II du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire entrent en vigueur, donnant execution aux obligations définies à l'article 24 de l'accord de cooperation du 21 juin 1999 conclu entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Region wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses.
Promulguons le présent décret, ordonnons qu'il soit publié au Moniteur belge.
Bruxelles, le 18 décembre 2002.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
P. DEWAEL
La Ministre flamande de l'Environnement et de l'Agriculture,
V. DUA
Le Ministre flamand de l'Econome, de la Politique extérieure, du Commerce extérieur et du Logement,
J. GABRIELS
§ 2. Le chapitre II du Titre IV du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement n'entrera en vigueur qu'à une date à fixer ultérieurement par le Gouvernement flamand par plan ou programme ou par catégorie de plan ou programme et au plus tard le 21 juillet 2004.
Les obligations visées au Chapitre II du Titre IV du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement sont d'application aux plans et programmes pour lesquels :
1° le premier acte préparatoire formel a lieu après la date visée au à l'alinéa premier; ou
2° le premier acte préparatoire formel a lieu avant la date visée à l'alinéa premier et l'arrêté définitif concernant le plan ou programme tel que visé à l'article 4.2.9, § 3, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement est pris plus de 24 mois après la date précitée, à moins que le Gouvernement flamand ne décide au cas par cas que cela n'est pas faisable et rend cette décision publique.
Pour les plans d'exécution spatiale régionaux ou provinciaux à portée générale qui sont initiés par les services régionaux ou provinciaux d'aménagement du territoire en exécution des objectifs intersectoriels du Schéma de structure d'aménagement de la Flandre ou du schéma de structure d'aménagement provincial, l'annonce de la séance pléniere visée à l'article 41 ou 44 du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire tient lieu de premier acte préparatoire formel tel que visé au deuxième alinéa.
§ 3. Sans préjudice de l'article 12, le Chapitre IV du Titre IV du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement n'entrera toutefois en vigueur qu'à la date à laquelle les dispositions de modification du chapitre II du Titre II du décret du 18 mai 1999 portant organisation de l'aménagement du territoire entrent en vigueur, donnant execution aux obligations définies à l'article 24 de l'accord de cooperation du 21 juin 1999 conclu entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Region wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale concernant la maîtrise des dangers liés aux accidents majeurs impliquant des substances dangereuses.
Promulguons le présent décret, ordonnons qu'il soit publié au Moniteur belge.
Bruxelles, le 18 décembre 2002.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
P. DEWAEL
La Ministre flamande de l'Environnement et de l'Agriculture,
V. DUA
Le Ministre flamand de l'Econome, de la Politique extérieure, du Commerce extérieur et du Logement,
J. GABRIELS
BIJLAGEN.
ANNEXES
Art. N1. Bijlage I. De criteria overeenkomstig artikel 4.2.2, §§ 1 en 2, en artikel 4.2.3, § 2 zijn :
1. De kenmerken van plannen en programma's, in het bijzonder gelet op :
a. de mate waarin het plan of programma een kader vormt voor projecten en andere activiteiten met betrekking tot de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden, alsmede wat betreft de toewijzing van hulpbronnen;
b. de mate waarin het plan of programma andere plannen en programma's, met inbegrip van die welke deel zijn van een hiërarchisch geheel, beïnvloedt;
c. de relevantie van het plan of programma voor de integratie van milieuoverwegingen, vooral met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling;
d. milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma;
e. de relevantie van het plan of programma voor de toepassing van de milieuwetgeving van de Europese Gemeenschap (bijvoorbeeld plannen en programma's in verband met afvalstoffenbeheer of waterbescherming).
2. Kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed, in het bijzonder gelet op :
a. de waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten;
b. de cumulatieve aard van de effecten;
c. de grensoverschrijdende aard van de effecten;
d. de risico's voor de menselijke veiligheid of gezondheid of voor het milieu (bijvoorbeeld door ongevallen);
e. de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden);
f. de waarde en kwetsbaarheid van het gebied dat kan worden beïnvloed gelet op :
- bijzondere natuurlijke kenmerken of cultureel erfgoed;
- de overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van grenswaarden;
- intensief grondgebruik;
g. de effecten op gebieden en landschappen die door een lidstaat, door de Europese Gemeenschap, dan wel in internationaal verband als beschermd gebied zijn erkend.
1. De kenmerken van plannen en programma's, in het bijzonder gelet op :
a. de mate waarin het plan of programma een kader vormt voor projecten en andere activiteiten met betrekking tot de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden, alsmede wat betreft de toewijzing van hulpbronnen;
b. de mate waarin het plan of programma andere plannen en programma's, met inbegrip van die welke deel zijn van een hiërarchisch geheel, beïnvloedt;
c. de relevantie van het plan of programma voor de integratie van milieuoverwegingen, vooral met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling;
d. milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma;
e. de relevantie van het plan of programma voor de toepassing van de milieuwetgeving van de Europese Gemeenschap (bijvoorbeeld plannen en programma's in verband met afvalstoffenbeheer of waterbescherming).
2. Kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed, in het bijzonder gelet op :
a. de waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten;
b. de cumulatieve aard van de effecten;
c. de grensoverschrijdende aard van de effecten;
d. de risico's voor de menselijke veiligheid of gezondheid of voor het milieu (bijvoorbeeld door ongevallen);
e. de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden);
f. de waarde en kwetsbaarheid van het gebied dat kan worden beïnvloed gelet op :
- bijzondere natuurlijke kenmerken of cultureel erfgoed;
- de overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van grenswaarden;
- intensief grondgebruik;
g. de effecten op gebieden en landschappen die door een lidstaat, door de Europese Gemeenschap, dan wel in internationaal verband als beschermd gebied zijn erkend.
Art. N1. Annexe I. Les critères conformément à l'article 4.2.2, §§ 1er et 2, et à l'article 4.2.3, § 2 sont :
1. Les caractéristiques des plans et programmes, plus particulièrement compte tenu :
a. de la mesure dans laquelle le plan ou programme constitue un cadre pour des projets et autres activités liés à la situation, la nature, l'ampleur et les conditions d'utilisation, ainsi que pour ce qui concerne l'affectation de ressources;
b. du degré dans lequel le plan ou programme influence d'autres plans et programmes, en ce compris ceux qui font partie d'un ensemble hiérarchique;
c. de la pertinence du plan ou programme pour l'intégration de considérations écologiques, plus particulièrement en vue de la promotion du développement durable;
d. des problèmes écologiques qui sont pertinents pour le plan ou programme;
e. de la pertinence du plan ou programme pour l'application de la législation environnementale des Communautés européennes (par exemple, des plans et programmes dans le cadre de la gestion des déchets ou de la protection des eaux).
2. Les caractéristiques des incidences et des zones pouvant être influencées, plus particulièrement compte tenu :
a. de la probabilité, de la durée, la fréquence et le caractère réversible des incidences;
b. de la nature cumulative des incidences;
c. du caractère transfrontalier des incidences;
d. des risques pour la sécurite ou la santé humaines ou pour l'environnement (par exemple par des accidents);
e. de l'ordre de grandeur et de l'étendue spatiale des incidences (zone géographique et ampleur de la population susceptible d'être touchée);
f. de la valeur et la vulnérabilité de la zone susceptible d'être influencée, compte tenu :
- des propriétés naturelles spécifiques ou du patrimoine culturel;
- du dépassement des normes de qualité environnementale ou de valeurs-limite;
- d'un usage intensif du sol;
g. des incidences sur des zones et paysages reconnus comme site protégé par un Etat membre, par la Communauté européenne, ou dans un contexte international.
1. Les caractéristiques des plans et programmes, plus particulièrement compte tenu :
a. de la mesure dans laquelle le plan ou programme constitue un cadre pour des projets et autres activités liés à la situation, la nature, l'ampleur et les conditions d'utilisation, ainsi que pour ce qui concerne l'affectation de ressources;
b. du degré dans lequel le plan ou programme influence d'autres plans et programmes, en ce compris ceux qui font partie d'un ensemble hiérarchique;
c. de la pertinence du plan ou programme pour l'intégration de considérations écologiques, plus particulièrement en vue de la promotion du développement durable;
d. des problèmes écologiques qui sont pertinents pour le plan ou programme;
e. de la pertinence du plan ou programme pour l'application de la législation environnementale des Communautés européennes (par exemple, des plans et programmes dans le cadre de la gestion des déchets ou de la protection des eaux).
2. Les caractéristiques des incidences et des zones pouvant être influencées, plus particulièrement compte tenu :
a. de la probabilité, de la durée, la fréquence et le caractère réversible des incidences;
b. de la nature cumulative des incidences;
c. du caractère transfrontalier des incidences;
d. des risques pour la sécurite ou la santé humaines ou pour l'environnement (par exemple par des accidents);
e. de l'ordre de grandeur et de l'étendue spatiale des incidences (zone géographique et ampleur de la population susceptible d'être touchée);
f. de la valeur et la vulnérabilité de la zone susceptible d'être influencée, compte tenu :
- des propriétés naturelles spécifiques ou du patrimoine culturel;
- du dépassement des normes de qualité environnementale ou de valeurs-limite;
- d'un usage intensif du sol;
g. des incidences sur des zones et paysages reconnus comme site protégé par un Etat membre, par la Communauté européenne, ou dans un contexte international.
Art. N2. Bijlage II.
De criteria overeenkomstig artikel 4.3.2, §§ 1, 2, 3 en 4, en artikel 4.3.3., § 2 zijn :
1. Kenmerken van de projecten.
Bij de kenmerken van de projecten moeten in het bijzonder de volgende aspecten in overweging worden genomen :
a. de omvang van het project;
b. de cumulatie met andere projecten;
c. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;
d. de productie van afvalstoffen;
e. verontreiniging en hinder;
f. risico op ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën.
2. Plaats van de projecten.
Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moeten in het bijzonder de volgende aspecten in overweging worden genomen :
a. het bestaande grondgebruik;
b. de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied;
c. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden :
- wetlands;
- kustgebieden;
- berg- en bosgebieden;
- reservaten en natuurparken;
- gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG en Richtlijn 92/43/EEG;
- gebieden waarin de normen inzake milieukwaliteit die door de communautaire wetgeving zijn vastgesteld, al worden overschreden;
- gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid;
- landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.
3. Kenmerken van het potentiële effect.
Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder de volgende aspecten in overweging worden genomen :
a. het bereik van het effect (geografische zone en omvang van de getroffen bevolking);
b. het grensoverschrijdende karakter van het effect;
c. de orde van grootte en de complexiteit van het effect;
d. de waarschijnlijkheid van het effect;
e. de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.
Gezien om gevoegd te worden bij Titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
De criteria overeenkomstig artikel 4.3.2, §§ 1, 2, 3 en 4, en artikel 4.3.3., § 2 zijn :
1. Kenmerken van de projecten.
Bij de kenmerken van de projecten moeten in het bijzonder de volgende aspecten in overweging worden genomen :
a. de omvang van het project;
b. de cumulatie met andere projecten;
c. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;
d. de productie van afvalstoffen;
e. verontreiniging en hinder;
f. risico op ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën.
2. Plaats van de projecten.
Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moeten in het bijzonder de volgende aspecten in overweging worden genomen :
a. het bestaande grondgebruik;
b. de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied;
c. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden :
- wetlands;
- kustgebieden;
- berg- en bosgebieden;
- reservaten en natuurparken;
- gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG en Richtlijn 92/43/EEG;
- gebieden waarin de normen inzake milieukwaliteit die door de communautaire wetgeving zijn vastgesteld, al worden overschreden;
- gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid;
- landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.
3. Kenmerken van het potentiële effect.
Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder de volgende aspecten in overweging worden genomen :
a. het bereik van het effect (geografische zone en omvang van de getroffen bevolking);
b. het grensoverschrijdende karakter van het effect;
c. de orde van grootte en de complexiteit van het effect;
d. de waarschijnlijkheid van het effect;
e. de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.
Gezien om gevoegd te worden bij Titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
Art. N2. Annexe II. Les critères conformément à l'article 4.3.2, §§ 1, 2, 3 et 4, et à l'article 4.3.3., § 2 sont :
1. Caractéristiques des projets
Pour les caractéristiques des projets, il convient de tenir compte en particulier des aspects suivants :
a. l'ampleur du projet;
b. le cumul avec d'autres projets;
c. l'utilisation de ressources naturelles;
d. la production de déchets;
e. la pollution et les nuisances;
f. le risque d'accidents, notamment eu égard aux substances ou technologies utilisées.
2. Localisation des projets
Pour ce qui concerne le degre de vulnérabilité de l'environnement dans les zones sur lesquelles les projets peuvent avoir un impact, il convient de prendre particulièrement en considération les aspects suivants :
a. l'utilisation actuelle du sol;
b. la richesse relative en et la qualité et le pouvoir de régénération des ressources naturelles de la zone;
c. la capacité d'absorption de l'environnement naturel, moyennant une attention particulière pour les types suivants de zones :
- zones humides;
- zones côtières;
- zones montagneuses et boisees;
- réserves et parcs naturels;
- zones indiquées dans la législation des Etats membres ou protégées par cette législation; zones de protection spéciale, indiquées par les Etats membres en vertu de la Directive 79/409/CEE et de la Directive 92/43/CEE;
- zones dans lesquelles les normes en matière de qualité de l'environnement définies par la législation communautaire sont déjà dépassées;
- zones a haute densité de population;
- paysages d'intérêt historique, culturel ou archéologique.
3. Caractéristiques de l'incidence potentielle.
En cas d'incidences potentielles considérables du projet les aspects suivants doivent être particulièrement pris en considération conjointement avec les critères définis aux points 1 et 2 :
a. l'étendue potentielle de l'incidence (zone géographique et ampleur de la population touchée);
b. le caractère transfrontalier de l'incidence;
c. l'ordre de grandeur et la complexité de l'incidence;
d. la probabilité de l'incidence;
e. la durée, la fréquence et le caractère réversible de l'incidence.
Vu pour être annexé au Titre IV du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.
1. Caractéristiques des projets
Pour les caractéristiques des projets, il convient de tenir compte en particulier des aspects suivants :
a. l'ampleur du projet;
b. le cumul avec d'autres projets;
c. l'utilisation de ressources naturelles;
d. la production de déchets;
e. la pollution et les nuisances;
f. le risque d'accidents, notamment eu égard aux substances ou technologies utilisées.
2. Localisation des projets
Pour ce qui concerne le degre de vulnérabilité de l'environnement dans les zones sur lesquelles les projets peuvent avoir un impact, il convient de prendre particulièrement en considération les aspects suivants :
a. l'utilisation actuelle du sol;
b. la richesse relative en et la qualité et le pouvoir de régénération des ressources naturelles de la zone;
c. la capacité d'absorption de l'environnement naturel, moyennant une attention particulière pour les types suivants de zones :
- zones humides;
- zones côtières;
- zones montagneuses et boisees;
- réserves et parcs naturels;
- zones indiquées dans la législation des Etats membres ou protégées par cette législation; zones de protection spéciale, indiquées par les Etats membres en vertu de la Directive 79/409/CEE et de la Directive 92/43/CEE;
- zones dans lesquelles les normes en matière de qualité de l'environnement définies par la législation communautaire sont déjà dépassées;
- zones a haute densité de population;
- paysages d'intérêt historique, culturel ou archéologique.
3. Caractéristiques de l'incidence potentielle.
En cas d'incidences potentielles considérables du projet les aspects suivants doivent être particulièrement pris en considération conjointement avec les critères définis aux points 1 et 2 :
a. l'étendue potentielle de l'incidence (zone géographique et ampleur de la population touchée);
b. le caractère transfrontalier de l'incidence;
c. l'ordre de grandeur et la complexité de l'incidence;
d. la probabilité de l'incidence;
e. la durée, la fréquence et le caractère réversible de l'incidence.
Vu pour être annexé au Titre IV du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement.