Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
17 JANUARI 2003. - Wet betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-01-2003 en tekstbijwerking tot 01-08-2022)
Titre
17 JANVIER 2003. - Loi concernant les recours et le traitement des litiges à l'occasion de la loi du 17 janvier 2003 relative au statut du régulateur des secteurs des postes et télécommunications belges. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 24-01-2003 et mise à jour au 01-08-2022)
Documentinformatie
Numac: 2003014010
Datum: 2003-01-17
Info du document
Numac: 2003014010
Date: 2003-01-17
Inhoud
Tekst (14)
Texte (14)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
CHAPITRE I. - Disposition générale.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 77 de la Constitution.
Art. 1/1. [1 Deze wet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie.]1
Art. 1/1. [1 La présente loi transpose partiellement la directive (UE) 2018/1972 du Parlement européen et du Conseil du 11 décembre 2018 établissant le code des communications électroniques européen.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. - De Rechtsmiddelen.
CHAPITRE II. - Les recours.
Art.2. [1 § 1. Tegen de besluiten van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie kan beroep met volle rechtsmacht worden ingesteld bij het [4 Marktenhof]4, rechtsprekend zoals in kort geding. [3 Het Instituut is verweerder in de procedure.]3 [5 Wanneer het beroep gericht is tegen een besluit van reglementaire aard, beschikt het Marktenhof slechts over een vernietigingsrecht.]5
Iedere persoon die een belang heeft om op te treden, mag het in het eerste lid bedoelde beroep indienen.
De [2 Minister die bevoegd is voor Telecommunicatie of de minister die bevoegd is voor de postsector]2 kan een beroep zoals vermeld in het eerste lid instellen.
§ 2. Het beroep wordt, [5 op straffe van onontvankelijkheid die ambtshalve wordt uitgesproken, ingesteld door middel van een verzoekschrift, waarbij het aangevochten besluit is bijgevoegd en dat wordt ingediend ter griffie van het hof van beroep van Brussel binnen een termijn van zestig dagen]5 na de kennisgeving van het besluit of bij gebreke aan een kennisgeving, na de publicatie van het besluit of bij gebreke aan een publicatie, na de kennisname van het besluit.
Het verzoekschrift bevat op straffe van nietigheid :
1° de aanduiding van dag, maand en jaar;
2° indien de verzoeker een natuurlijke persoon is, zijn naam, voornaam, beroep en woonplaats, alsook, in voorkomend geval, zijn ondernemingsnummer; indien de verzoeker een rechtspersoon is, de benaming, de rechtsvorm, de maatschappelijke zetel en de hoedanigheid van de persoon die of het orgaan dat hem vertegenwoordigt, alsook, in voorkomend geval, zijn ondernemingsnummer; indien het beroep uitgaat van de [2 Minister die bevoegd is voor Telecommunicatie of de Minister die bevoegd is voor de Postsector]2, de benaming en het adres van de dienst die hem vertegenwoordigt;
3° [5 het precieze adres van het Instituut;]5
4° [3 ...]3
5° de [3 volledige]3 uiteenzetting van de middelen [3 , onverminderd artikel 748 van het Gerechtelijk Wetboek zal geen enkel nieuw middel door de verzoeker ontwikkeld kunnen worden tijdens de instaatstelling van de zaak, met uitzondering van de middelen van openbare orde die op elk ogenblik tijdens de procedure door het [4 Marktenhof]4 en door de partijen kunnen worden ingeroepen, tot de sluiting van de debatten]3;
6° de plaats, de dag en het uur van de verschijning vastgesteld door de griffie van het hof van beroep;
7° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
[3 Indien het verzoekschrift elementen bevat die de verzoeker als vertrouwelijk beschouwt, dan geeft hij dit op expliciete wijze aan en legt hij, op straffe van nietigheid, een niet-vertrouwelijke versie hiervan neer.
[5 De griffie van het hof van beroep brengt het Instituut onverwijld op de hoogte van het verzoekschrift, in voorkomend geval, in de vertrouwelijke versie ervan, alsook de minister, tenzij deze laatste de verzoeker is. De melding aan het Instituut geschiedt via gerechtsbrief of via e-mail op zijn gerechtelijke elektronische adres. De niet-vertrouwelijke versie van het verzoekschrift wordt gepubliceerd op de website van het Instituut.]5
Elke belanghebbende partij kan tussenkomen in de zaak. Deze tussenkomst zal alleen dan ontvankelijk zijn, indien zij ingeleid is met eerbied voor de voorwaarden en binnen de grenzen zoals vastgesteld in het tweede lid, binnen dertig dagen die volgen op publicatie van het verzoekschrift door het Instituut op zijn website.]3
[5 De inleidende zitting heeft ten vroegste plaats acht dagen na de kennisgeving van het verzoekschrift bedoeld in het vierde lid.]5
Het [4 Marktenhof]4 stelt de termijn vast waarbinnen de partijen elkaar hun schriftelijke opmerkingen moeten meedelen en ze bij de griffie moeten indienen.
De [2 Minister die bevoegd is voor Telecommunicatie of de minister die bevoegd is voor de postsector]2 kan zijn schriftelijke opmerkingen bij de griffie van het hof van beroep te Brussel indienen en het dossier ter plaatse op de griffie raadplegen. Het [4 Marktenhof]4 stelt de termijnen vast om deze opmerkingen voor te leggen. De griffie brengt deze opmerkingen ter kennis van de partijen.
§ 3. Het oorspronkelijke administratieve dossier van het Instituut wordt tegelijk met de opmerkingen van het Instituut aan de overige partijen overgezonden.
[3 Het Instituut geeft met betrekking tot elk stuk van zijn dossier aan of dit niet-vertrouwelijk of vertrouwelijk is. De vertrouwelijke stukken worden niet overgezonden aan de partijen. Indien het mogelijk is een niet-vertrouwelijke versie van de vertrouwelijke stukken op te stellen, wordt alleen deze niet-vertrouwelijke versie overgezonden aan de partijen.]3
Het definitieve dossier van de procedure, zoals dit aan de overige partijen is overgezonden met elke opmerkingen van het Instituut, wordt tegelijk met de laatste opmerkingen van het Instituut ingediend bij de griffie van het [4 Marktenhof]4.
§ 4. Het beroep schorst de besluiten van het Instituut niet.
Het [4 Marktenhof]4 kan echter, [5 indien dit wordt gevraagd door de verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift]5 en bij beslissing alvorens recht te doen, de tenuitvoerlegging van het besluit van het Instituut geheel of gedeeltelijk schorsen tot op de dag van de uitspraak van het arrest.
De schorsing van de tenuitvoerlegging kan slechts bevolen worden wanneer ernstige middelen worden ingeroepen die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen rechtvaardigen en op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het besluit ernstige [3 en moeilijk te herstellen]3 gevolgen kan hebben voor [5 de verzoeker en voor zover de afweging van de belangen in het voordeel pleit van de gevraagde schorsing]5.
Het [4 Marktenhof]4 kan, in voorkomend geval, bevelen dat het betaalde bedrag van de geldboeten aan de betrokkene wordt terugbetaald.
Het hoeft zich ook niet onmiddellijk uit te spreken over de teruggave van de betaalde geldboeten.
§ 5. Het [4 Marktenhof]4 draagt er zorg voor dat de vertrouwelijkheid van het dossier bezorgd door het Instituut, wordt bewaard gedurende de hele procedure voor het hof.]1
[5 § 6. Op verzoek van een partij kan het Marktenhof, als het dat noodzakelijk acht, die gevolgen van de vernietigde individuele besluiten of, via algemene bepaling, die gevolgen van de vernietigde besluiten van reglementaire aard aangeven die als definitief moeten worden beschouwd of die voorlopig gehandhaafd moeten worden voor de termijn die het hof bepaalt.]5
Iedere persoon die een belang heeft om op te treden, mag het in het eerste lid bedoelde beroep indienen.
De [2 Minister die bevoegd is voor Telecommunicatie of de minister die bevoegd is voor de postsector]2 kan een beroep zoals vermeld in het eerste lid instellen.
§ 2. Het beroep wordt, [5 op straffe van onontvankelijkheid die ambtshalve wordt uitgesproken, ingesteld door middel van een verzoekschrift, waarbij het aangevochten besluit is bijgevoegd en dat wordt ingediend ter griffie van het hof van beroep van Brussel binnen een termijn van zestig dagen]5 na de kennisgeving van het besluit of bij gebreke aan een kennisgeving, na de publicatie van het besluit of bij gebreke aan een publicatie, na de kennisname van het besluit.
Het verzoekschrift bevat op straffe van nietigheid :
1° de aanduiding van dag, maand en jaar;
2° indien de verzoeker een natuurlijke persoon is, zijn naam, voornaam, beroep en woonplaats, alsook, in voorkomend geval, zijn ondernemingsnummer; indien de verzoeker een rechtspersoon is, de benaming, de rechtsvorm, de maatschappelijke zetel en de hoedanigheid van de persoon die of het orgaan dat hem vertegenwoordigt, alsook, in voorkomend geval, zijn ondernemingsnummer; indien het beroep uitgaat van de [2 Minister die bevoegd is voor Telecommunicatie of de Minister die bevoegd is voor de Postsector]2, de benaming en het adres van de dienst die hem vertegenwoordigt;
3° [5 het precieze adres van het Instituut;]5
4° [3 ...]3
5° de [3 volledige]3 uiteenzetting van de middelen [3 , onverminderd artikel 748 van het Gerechtelijk Wetboek zal geen enkel nieuw middel door de verzoeker ontwikkeld kunnen worden tijdens de instaatstelling van de zaak, met uitzondering van de middelen van openbare orde die op elk ogenblik tijdens de procedure door het [4 Marktenhof]4 en door de partijen kunnen worden ingeroepen, tot de sluiting van de debatten]3;
6° de plaats, de dag en het uur van de verschijning vastgesteld door de griffie van het hof van beroep;
7° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
[3 Indien het verzoekschrift elementen bevat die de verzoeker als vertrouwelijk beschouwt, dan geeft hij dit op expliciete wijze aan en legt hij, op straffe van nietigheid, een niet-vertrouwelijke versie hiervan neer.
[5 De griffie van het hof van beroep brengt het Instituut onverwijld op de hoogte van het verzoekschrift, in voorkomend geval, in de vertrouwelijke versie ervan, alsook de minister, tenzij deze laatste de verzoeker is. De melding aan het Instituut geschiedt via gerechtsbrief of via e-mail op zijn gerechtelijke elektronische adres. De niet-vertrouwelijke versie van het verzoekschrift wordt gepubliceerd op de website van het Instituut.]5
Elke belanghebbende partij kan tussenkomen in de zaak. Deze tussenkomst zal alleen dan ontvankelijk zijn, indien zij ingeleid is met eerbied voor de voorwaarden en binnen de grenzen zoals vastgesteld in het tweede lid, binnen dertig dagen die volgen op publicatie van het verzoekschrift door het Instituut op zijn website.]3
[5 De inleidende zitting heeft ten vroegste plaats acht dagen na de kennisgeving van het verzoekschrift bedoeld in het vierde lid.]5
Het [4 Marktenhof]4 stelt de termijn vast waarbinnen de partijen elkaar hun schriftelijke opmerkingen moeten meedelen en ze bij de griffie moeten indienen.
De [2 Minister die bevoegd is voor Telecommunicatie of de minister die bevoegd is voor de postsector]2 kan zijn schriftelijke opmerkingen bij de griffie van het hof van beroep te Brussel indienen en het dossier ter plaatse op de griffie raadplegen. Het [4 Marktenhof]4 stelt de termijnen vast om deze opmerkingen voor te leggen. De griffie brengt deze opmerkingen ter kennis van de partijen.
§ 3. Het oorspronkelijke administratieve dossier van het Instituut wordt tegelijk met de opmerkingen van het Instituut aan de overige partijen overgezonden.
[3 Het Instituut geeft met betrekking tot elk stuk van zijn dossier aan of dit niet-vertrouwelijk of vertrouwelijk is. De vertrouwelijke stukken worden niet overgezonden aan de partijen. Indien het mogelijk is een niet-vertrouwelijke versie van de vertrouwelijke stukken op te stellen, wordt alleen deze niet-vertrouwelijke versie overgezonden aan de partijen.]3
Het definitieve dossier van de procedure, zoals dit aan de overige partijen is overgezonden met elke opmerkingen van het Instituut, wordt tegelijk met de laatste opmerkingen van het Instituut ingediend bij de griffie van het [4 Marktenhof]4.
§ 4. Het beroep schorst de besluiten van het Instituut niet.
Het [4 Marktenhof]4 kan echter, [5 indien dit wordt gevraagd door de verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift]5 en bij beslissing alvorens recht te doen, de tenuitvoerlegging van het besluit van het Instituut geheel of gedeeltelijk schorsen tot op de dag van de uitspraak van het arrest.
De schorsing van de tenuitvoerlegging kan slechts bevolen worden wanneer ernstige middelen worden ingeroepen die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen rechtvaardigen en op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het besluit ernstige [3 en moeilijk te herstellen]3 gevolgen kan hebben voor [5 de verzoeker en voor zover de afweging van de belangen in het voordeel pleit van de gevraagde schorsing]5.
Het [4 Marktenhof]4 kan, in voorkomend geval, bevelen dat het betaalde bedrag van de geldboeten aan de betrokkene wordt terugbetaald.
Het hoeft zich ook niet onmiddellijk uit te spreken over de teruggave van de betaalde geldboeten.
§ 5. Het [4 Marktenhof]4 draagt er zorg voor dat de vertrouwelijkheid van het dossier bezorgd door het Instituut, wordt bewaard gedurende de hele procedure voor het hof.]1
[5 § 6. Op verzoek van een partij kan het Marktenhof, als het dat noodzakelijk acht, die gevolgen van de vernietigde individuele besluiten of, via algemene bepaling, die gevolgen van de vernietigde besluiten van reglementaire aard aangeven die als definitief moeten worden beschouwd of die voorlopig gehandhaafd moeten worden voor de termijn die het hof bepaalt.]5
Wijzigingen
Art.2. [1 § 1er. Les décisions de l'Institut belge des services postaux et des télécommunications peuvent faire l'objet d'un recours en pleine juridiction devant la [4 Cour des marchés]4 statuant comme en référé. [3 L'Institut est partie adverse à la procédure.]3 [5 Lorsque le recours est dirigé contre une décision à caractère réglementaire, la Cour des marchés ne dispose que d'un pouvoir d'annulation.]5
Toute personne ayant un intérêt pour agir peut introduire le recours visé à l'alinéa 1er.
[2 Le Ministre qui a les Télécommunications dans ses attributions ou le Ministre qui a le Secteur postal dans ses attributions]2 peut introduire le recours visé à l'alinéa 1er.
§ 2. Les recours sont formés, [5 à peine d'irrecevabilité prononcée d'office, par requête déposée au greffe de la cour d'appel de Bruxelles, à laquelle est jointe la décision attaquée, dans un délai de soixante jours]5 à partir de la notification de la décision ou à défaut de notification, après la publication de la décision ou à défaut de publication, après la prise de connaissance de la décision.
A peine de nullité, la requête contient :
1° l'indication des jour, mois et an;
2° si le demandeur est une personne physique, ses nom, prénoms, profession et domicile, ainsi que, le cas échéant, son numéro d'entreprise; si le demandeur est une personne morale, sa dénomination, sa forme juridique, son siège social et la qualité de la personne ou de l'organe qui la représente, ainsi que, le cas échéant, son numéro d'entreprise; si le recours émane du [2 Ministre qui a les Télécommunications dans ses attributions ou le Ministre qui a le Secteur postal dans ses attributions]2, la dénomination et l'adresse du service qui le représente;
3° [5 l'adresse exacte de l'Institut;]5
4° [3 ...]3
5° l'exposé [3 complet]3 des moyens [3 , sans préjudice de l'article 748 du Code judiciaire, aucun nouveau moyen ne pourra être développé par le requérant pendant la mise en état de la cause, à l'exception des moyens d'ordre public qui peuvent être soulevés à tout moment de la procédure, jusqu'à clôture des débats, par la [4 Cour des marchés]4 et par les parties]3;
6° l'indication des lieu, jour et heure de la comparution fixés par le greffe de la cour d'appel;
7° la signature du requérant ou de son avocat.
[3 Si la requête contient des éléments que le requérant considère comme confidentiels, il l'indique de manière explicite et il dépose, à peine de nullité, une version non-confidentielle de celle-ci.
[5 Le greffe de la cour d'appel notifie sans délai la requête à l'Institut, le cas échéant, dans sa version confidentielle, ainsi qu'au ministre sauf si celui-ci est le requérant. La notification à l'Institut est effectuée par pli judiciaire ou par courrier électronique à son adresse judiciaire électronique. La version non-confidentielle de la requête est publiée sur le site internet de l'Institut.]5
Toute partie intéressée peut intervenir à la cause. Cette intervention ne sera recevable que si elle est introduite dans le respect des conditions et dans les limites fixées à l'alinéa 2, dans les trente jours qui suivent la publication de la requête par l'Institut sur son site Internet.]3
[5 L'audience d'introduction a lieu au plus tôt huit jours après la notification de la requête visée à l'alinéa 4.]5
La [4 Cour des marchés]4 fixe le délai dans lequel les parties doivent se communiquer leurs observations écrites et les déposer au greffe.
[2 Le Ministre qui a les Télécommunications dans ses attributions ou le Ministre qui a le Secteur postal dans ses attributions]2 peut déposer ses observations écrites au greffe de la cour d'appel de Bruxelles et consulter le dossier au greffe sans déplacement. La [4 Cour des marchés]4 fixe les délais de production de ces observations. Elles sont portées par le greffe à la connaissance des parties.
§ 3. Le dossier administratif initial de l'Institut est communiqué aux autres parties en même temps que les observations de l'Institut.
[3 L'Institut indique au regard de chaque pièce de son dossier si celle-ci est confidentielle ou non. Les pièces confidentielles ne sont pas transmises aux parties. S'il est possible d'établir une version publique des pièces confidentielles, seule cette version non-confidentielle est transmise aux parties.]3
Le dossier définitif de procédure, tel que communiqué aux autres parties avec chaques observations de l'Institut, est déposé au greffe de la [4 Cour des marchés]4 de Bruxelles en même temps que les dernières observations de l'Institut.
§ 4. Le recours ne suspend pas les décisions de l'Institut.
La [4 Cour des marchés]4 peut toutefois, [5 si la demande en est faite par le requérant dans sa requête introductive]5 et par décision avant dire droit, suspendre, en tout ou en partie, l'exécution de la décision de l'Institut et ce, jusqu'au jour du prononcé de l'arrêt.
La suspension de l'exécution ne peut être ordonnée que si des moyens sérieux susceptibles de justifier l'annulation de la décision attaquée sont invoqués et à condition que l'exécution immédiate de la décision risque d'avoir des conséquences graves [2 et difficilement réparables]2 pour [5 le requérant et pour autant que la balance des intérêts penche en faveur de la suspension demandée]5.
La [4 Cour des marchés]4 peut, le cas échéant, ordonner la restitution à l'intéressé du montant versé des amendes.
Elle peut également ne pas se prononcer immédiatement sur la restitution des amendes payées.
§ 5. La [4 Cour des marchés]4 veille à ce que la confidentialité du dossier transmis par l'Institut soit préservée tout au long de la procédure devant la cour.]1
[5 § 6. A la demande d'une partie, la Cour des marchés, si elle l'estime nécessaire, peut indiquer ceux des effets des décisions individuelles annulées ou, par voie de disposition générale, ceux des effets des décisions à caractère réglementaire annulées qui doivent être considérés comme définitifs ou maintenus provisoirement pour le délai qu'elle détermine.]5
Toute personne ayant un intérêt pour agir peut introduire le recours visé à l'alinéa 1er.
[2 Le Ministre qui a les Télécommunications dans ses attributions ou le Ministre qui a le Secteur postal dans ses attributions]2 peut introduire le recours visé à l'alinéa 1er.
§ 2. Les recours sont formés, [5 à peine d'irrecevabilité prononcée d'office, par requête déposée au greffe de la cour d'appel de Bruxelles, à laquelle est jointe la décision attaquée, dans un délai de soixante jours]5 à partir de la notification de la décision ou à défaut de notification, après la publication de la décision ou à défaut de publication, après la prise de connaissance de la décision.
A peine de nullité, la requête contient :
1° l'indication des jour, mois et an;
2° si le demandeur est une personne physique, ses nom, prénoms, profession et domicile, ainsi que, le cas échéant, son numéro d'entreprise; si le demandeur est une personne morale, sa dénomination, sa forme juridique, son siège social et la qualité de la personne ou de l'organe qui la représente, ainsi que, le cas échéant, son numéro d'entreprise; si le recours émane du [2 Ministre qui a les Télécommunications dans ses attributions ou le Ministre qui a le Secteur postal dans ses attributions]2, la dénomination et l'adresse du service qui le représente;
3° [5 l'adresse exacte de l'Institut;]5
4° [3 ...]3
5° l'exposé [3 complet]3 des moyens [3 , sans préjudice de l'article 748 du Code judiciaire, aucun nouveau moyen ne pourra être développé par le requérant pendant la mise en état de la cause, à l'exception des moyens d'ordre public qui peuvent être soulevés à tout moment de la procédure, jusqu'à clôture des débats, par la [4 Cour des marchés]4 et par les parties]3;
6° l'indication des lieu, jour et heure de la comparution fixés par le greffe de la cour d'appel;
7° la signature du requérant ou de son avocat.
[3 Si la requête contient des éléments que le requérant considère comme confidentiels, il l'indique de manière explicite et il dépose, à peine de nullité, une version non-confidentielle de celle-ci.
[5 Le greffe de la cour d'appel notifie sans délai la requête à l'Institut, le cas échéant, dans sa version confidentielle, ainsi qu'au ministre sauf si celui-ci est le requérant. La notification à l'Institut est effectuée par pli judiciaire ou par courrier électronique à son adresse judiciaire électronique. La version non-confidentielle de la requête est publiée sur le site internet de l'Institut.]5
Toute partie intéressée peut intervenir à la cause. Cette intervention ne sera recevable que si elle est introduite dans le respect des conditions et dans les limites fixées à l'alinéa 2, dans les trente jours qui suivent la publication de la requête par l'Institut sur son site Internet.]3
[5 L'audience d'introduction a lieu au plus tôt huit jours après la notification de la requête visée à l'alinéa 4.]5
La [4 Cour des marchés]4 fixe le délai dans lequel les parties doivent se communiquer leurs observations écrites et les déposer au greffe.
[2 Le Ministre qui a les Télécommunications dans ses attributions ou le Ministre qui a le Secteur postal dans ses attributions]2 peut déposer ses observations écrites au greffe de la cour d'appel de Bruxelles et consulter le dossier au greffe sans déplacement. La [4 Cour des marchés]4 fixe les délais de production de ces observations. Elles sont portées par le greffe à la connaissance des parties.
§ 3. Le dossier administratif initial de l'Institut est communiqué aux autres parties en même temps que les observations de l'Institut.
[3 L'Institut indique au regard de chaque pièce de son dossier si celle-ci est confidentielle ou non. Les pièces confidentielles ne sont pas transmises aux parties. S'il est possible d'établir une version publique des pièces confidentielles, seule cette version non-confidentielle est transmise aux parties.]3
Le dossier définitif de procédure, tel que communiqué aux autres parties avec chaques observations de l'Institut, est déposé au greffe de la [4 Cour des marchés]4 de Bruxelles en même temps que les dernières observations de l'Institut.
§ 4. Le recours ne suspend pas les décisions de l'Institut.
La [4 Cour des marchés]4 peut toutefois, [5 si la demande en est faite par le requérant dans sa requête introductive]5 et par décision avant dire droit, suspendre, en tout ou en partie, l'exécution de la décision de l'Institut et ce, jusqu'au jour du prononcé de l'arrêt.
La suspension de l'exécution ne peut être ordonnée que si des moyens sérieux susceptibles de justifier l'annulation de la décision attaquée sont invoqués et à condition que l'exécution immédiate de la décision risque d'avoir des conséquences graves [2 et difficilement réparables]2 pour [5 le requérant et pour autant que la balance des intérêts penche en faveur de la suspension demandée]5.
La [4 Cour des marchés]4 peut, le cas échéant, ordonner la restitution à l'intéressé du montant versé des amendes.
Elle peut également ne pas se prononcer immédiatement sur la restitution des amendes payées.
§ 5. La [4 Cour des marchés]4 veille à ce que la confidentialité du dossier transmis par l'Institut soit préservée tout au long de la procédure devant la cour.]1
[5 § 6. A la demande d'une partie, la Cour des marchés, si elle l'estime nécessaire, peut indiquer ceux des effets des décisions individuelles annulées ou, par voie de disposition générale, ceux des effets des décisions à caractère réglementaire annulées qui doivent être considérés comme définitifs ou maintenus provisoirement pour le délai qu'elle détermine.]5
Wijzigingen
Art. 2/1. [1 De voorzieningen in cassatie gericht tegen de arresten van het [3 Marktenhof]3 gewezen met toepassing van dit hoofdstuk kunnen eveneens worden ingeleid door de [2 Minister die bevoegd is voor Telecommunicatie of de Minister die bevoegd is voor de Postsector]2, zonder dat hij een belang moet aantonen en zonder dat hij partij is geweest voor het [3 Marktenhof]3.]1
Art. 2/1. [1 Les pourvois en cassation dirigés contre les arrêts rendus par la [3 Cour des marchés]3 en application du présent chapitre peuvent également être introduits par le [2 Ministre qui a les Télécommunications dans ses attributions ou le Ministre qui a le Secteur postal dans ses attributions]2, sans que celui-ci doive justifier d'un intérêt et sans qu'il ait été partie devant la cour d'appel de Bruxelles.]1
Art.3. [1 Voor alle aspecten die betrekking hebben op de procedure voor het [2 Marktenhof]2 en die niet worden behandeld in dit hoofdstuk, gelden de bepalingen uit het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het beroep.]1
Art.3. [1 Pour l'ensemble des aspects ayant trait à la procédure devant la [2 Cour des marchés]2 qui ne sont pas traités par ce chapitre, les dispositions du Code judiciaire relatives à l'appel sont d'application]1
HOOFDSTUK III. - Geschillenbehandeling.
CHAPITRE III. - Traitement des litiges.
Art.4. [1 Onverminderd het recht voor elke partij om de zaak aanhangig te maken bij een rechtbank, in geval van geschil tussen aanbieders [2 van elektronische-communicatienetwerken, van elektronische-communicatiediensten, van elektronische communicatieapparatuur, of van bijbehorende faciliteiten, of in geval van een geschil tussen aanbieders van postdiensten overeenkomstig de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, of in geval van een geschil tussen aanbieders van elektronische-communicatiediensten of -netwerken of tussen de in de wet van 5 mei 2017 betreffende de audiovisuele mediadiensten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad bedoelde aanbieders van audiovisuele mediadiensten]2 [3 of in het geval van het uitblijven van akkoord in de zin van artikel XI.216/2, § 2, van het Wetboek van economisch recht]3, neemt het Instituut binnen een termijn van vier maanden, met uitzondering van uitzonderlijke omstandigheden, en volgens de procedure vastgesteld door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad, een bindende administratieve beslissing.
Er is slechts een geschil in de zin van het eerste lid van dit artikel indien de partijen geen onderhandelde oplossing bereiken binnen de vier maanden na een gemotiveerd verzoek om de onderhandelingen te openen.
Uitzonderlijke omstandigheden daargelaten, wordt de in het eerste lid bedoelde termijn teruggebracht tot twee maanden voor de geschillen bedoeld [2 in de artikelen 28/1, § 3 en 28/4, § 4,]2 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie.
Het Instituut kan, op verzoek van een partij, en binnen de tien werkdagen na de indiening van zulk verzoek, kennelijk onontvankelijke of ongegronde verzoeken tot geschillenbeslechting bij gemotiveerde beslissing afwijzen. Alvorens een verzoek als kennelijk onontvankelijk of ongegrond af te wijzen, hoort het Instituut alle betrokken partijen.
Een verzoek om geschillenbeslechting in de zin van dit artikel maakt een einde aan de verzoeningsprocedure bedoeld in artikel 14, § 1, 4°, van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector.
Tegen de besluiten van het Instituut genomen ter uitvoering van dit artikel en van artikel 4/1 kan het in artikel 2 bepaalde rechtsmiddel worden ingesteld.]1
Er is slechts een geschil in de zin van het eerste lid van dit artikel indien de partijen geen onderhandelde oplossing bereiken binnen de vier maanden na een gemotiveerd verzoek om de onderhandelingen te openen.
Uitzonderlijke omstandigheden daargelaten, wordt de in het eerste lid bedoelde termijn teruggebracht tot twee maanden voor de geschillen bedoeld [2 in de artikelen 28/1, § 3 en 28/4, § 4,]2 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie.
Het Instituut kan, op verzoek van een partij, en binnen de tien werkdagen na de indiening van zulk verzoek, kennelijk onontvankelijke of ongegronde verzoeken tot geschillenbeslechting bij gemotiveerde beslissing afwijzen. Alvorens een verzoek als kennelijk onontvankelijk of ongegrond af te wijzen, hoort het Instituut alle betrokken partijen.
Een verzoek om geschillenbeslechting in de zin van dit artikel maakt een einde aan de verzoeningsprocedure bedoeld in artikel 14, § 1, 4°, van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector.
Tegen de besluiten van het Instituut genomen ter uitvoering van dit artikel en van artikel 4/1 kan het in artikel 2 bepaalde rechtsmiddel worden ingesteld.]1
Art.4. [1 Sans préjudice du droit pour toute partie de saisir une juridiction, en cas de litige entre fournisseurs [2 de réseaux de communications électroniques, de services de communications électroniques, d'équipements de communications électronique, ou de ressources associées, ou en cas de litige entre des prestataires de services postaux conformément à la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, ou en cas de litige entre des fournisseurs de services ou de réseaux de communications électroniques ou des fournisseurs de services de médias audiovisuels visés par la loi du 5 mai 2017 relative aux services de médias audiovisuels en région bilingue de Bruxelles-Capitale]2 [3 ou en l'absence d'accord au sens de l'article XI.216/2, § 2, du Code de droit économique]3, l'Institut prend une décision administrative contraignante dans un délai de quatre mois, sauf dans des circonstances exceptionnelles, et selon la procédure fixée par le Roi, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
Il ne peut y avoir de litige au sens du premier alinéa de cet article que si les parties n'aboutissent pas à une solution négociée dans un délai de quatre mois après la demande motivée d'ouvrir les négociations.
Sauf circonstances exceptionnelles, le délai visé à l'alinéa premier est ramené à deux mois pour les litiges visés [2 aux articles 28/1, § 3 et 28/4, § 4,]2 de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques.
L'Institut peut, à la demande d'une partie, dans un délai de dix jours ouvrables après le dépôt de cette demande, rejeter par décision motivée des demandes de règlement de litiges manifestement irrecevables ou manifestement non fondées. Avant de déclarer une demande de règlement de litiges manifestement irrecevable ou manifestement non fondée, l'Institut entend toutes les parties concernées.
Une demande de règlement de litiges au sens du présent article met fin à la procédure de conciliation visée à l'article 14, § 1er, 4°, de la loi du 17 janvier 2003 relative au statut du régulateur des secteurs des postes et des télécommunications belges.
Les décisions de l'Institut rendues en exécution du présent article et de l'article 4/1 peuvent faire l'objet du recours prévu à l'article 2.]1
Il ne peut y avoir de litige au sens du premier alinéa de cet article que si les parties n'aboutissent pas à une solution négociée dans un délai de quatre mois après la demande motivée d'ouvrir les négociations.
Sauf circonstances exceptionnelles, le délai visé à l'alinéa premier est ramené à deux mois pour les litiges visés [2 aux articles 28/1, § 3 et 28/4, § 4,]2 de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques.
L'Institut peut, à la demande d'une partie, dans un délai de dix jours ouvrables après le dépôt de cette demande, rejeter par décision motivée des demandes de règlement de litiges manifestement irrecevables ou manifestement non fondées. Avant de déclarer une demande de règlement de litiges manifestement irrecevable ou manifestement non fondée, l'Institut entend toutes les parties concernées.
Une demande de règlement de litiges au sens du présent article met fin à la procédure de conciliation visée à l'article 14, § 1er, 4°, de la loi du 17 janvier 2003 relative au statut du régulateur des secteurs des postes et des télécommunications belges.
Les décisions de l'Institut rendues en exécution du présent article et de l'article 4/1 peuvent faire l'objet du recours prévu à l'article 2.]1
Art. 4/1. [1 § 1. Elke partij kan het Instituut een geschil voorleggen dat ontstaan is tussen een onderneming in België en een onderneming in een andere lidstaat van de Europese Unie. Indien het geschil gevolgen heeft voor de handel tussen lidstaten, wordt het door het Instituut ter kennis van Berec gebracht om er een consistente beslechting van het geschil voor te vinden, overeenkomstig de doelstellingen van artikel 6 van de wet van 13 juni 2005 betreffende elektronische communicatie.
§ 2. Indien een dergelijke kennisgeving is gedaan, brengt Berec een advies uit waarin het Instituut en de andere betrokken nationale regelgevende instanties worden verzocht specifieke maatregelen te nemen om het geschil te beslechten of om geen maatregelen te nemen, zulks op zo kort mogelijke termijn en in elk geval binnen vier maanden behalve in uitzonderlijke omstandigheden.
§ 3. De betrokken nationale regelgevende instanties wachten het advies van Berec af alvorens maatregelen te nemen om het geschil te beslechten. In uitzonderlijke omstandigheden kan het Instituut, indien er een dringende noodzaak is om te handelen teneinde de mededinging of de belangen van eindgebruikers te beschermen, hetzij op verzoek van de partijen, hetzij op eigen initiatief, voorlopige maatregelen vaststellen.
§ 4. De door het Instituut aan een onderneming opgelegde verplichtingen als onderdeel van de oplossing van een geschil nemen deze wet in acht, houden zoveel mogelijk rekening met het door Berec uitgebrachte advies en worden binnen een maand na dat advies vastgesteld.
§ 5. De procedure van paragraaf 1 laat het recht van elk van beide partijen onverlet om een zaak bij de rechtbank aanhangig te maken.]1
§ 2. Indien een dergelijke kennisgeving is gedaan, brengt Berec een advies uit waarin het Instituut en de andere betrokken nationale regelgevende instanties worden verzocht specifieke maatregelen te nemen om het geschil te beslechten of om geen maatregelen te nemen, zulks op zo kort mogelijke termijn en in elk geval binnen vier maanden behalve in uitzonderlijke omstandigheden.
§ 3. De betrokken nationale regelgevende instanties wachten het advies van Berec af alvorens maatregelen te nemen om het geschil te beslechten. In uitzonderlijke omstandigheden kan het Instituut, indien er een dringende noodzaak is om te handelen teneinde de mededinging of de belangen van eindgebruikers te beschermen, hetzij op verzoek van de partijen, hetzij op eigen initiatief, voorlopige maatregelen vaststellen.
§ 4. De door het Instituut aan een onderneming opgelegde verplichtingen als onderdeel van de oplossing van een geschil nemen deze wet in acht, houden zoveel mogelijk rekening met het door Berec uitgebrachte advies en worden binnen een maand na dat advies vastgesteld.
§ 5. De procedure van paragraaf 1 laat het recht van elk van beide partijen onverlet om een zaak bij de rechtbank aanhangig te maken.]1
Art. 4/1. [1 § 1er. Toute partie peut soumettre à l'Institut un litige entre une entreprise établie en Belgique et une entreprise établie dans un autre Etat membre de l'Union européenne. Lorsque le litige a une incidence sur les échanges entre les Etats membres, l'Institut notifie le litige à l'ORECE afin que le litige soit réglé de façon cohérente, conformément aux objectifs énoncés à l'article 6 de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques.
§ 2. Lorsqu'il a été procédé à une telle notification, l'ORECE émet un avis invitant l'Institut et les autres autorités de régulation nationales concernées à prendre des mesures spécifiques pour régler le litige, ou à s'abstenir d'agir, dans les meilleurs délais, et en tout état de cause dans un délai de quatre mois, sauf dans des circonstances exceptionnelles.
§ 3. Les autorités de régulation nationales concernées attendent l'avis de l'ORECE avant de prendre toute mesure pour régler le litige. Dans des circonstances exceptionnelles, lorsqu'il est urgent d'agir afin de préserver la concurrence ou de protéger les intérêts des utilisateurs finaux, l'Institut peut, à la demande des parties ou de sa propre initiative, adopter des mesures provisoires.
§ 4. Les obligations imposées à une entreprise par l'Institut dans le cadre du règlement d'un litige respectent la présente loi, tiennent le plus grand compte de l'avis émis par l'ORECE et sont adoptées dans un délai d'un mois à compter dudit avis.
§ 5. La procédure visée au paragraphe 1er ne fait pas obstacle à ce que l'une des parties engage une action devant une juridiction.]1
§ 2. Lorsqu'il a été procédé à une telle notification, l'ORECE émet un avis invitant l'Institut et les autres autorités de régulation nationales concernées à prendre des mesures spécifiques pour régler le litige, ou à s'abstenir d'agir, dans les meilleurs délais, et en tout état de cause dans un délai de quatre mois, sauf dans des circonstances exceptionnelles.
§ 3. Les autorités de régulation nationales concernées attendent l'avis de l'ORECE avant de prendre toute mesure pour régler le litige. Dans des circonstances exceptionnelles, lorsqu'il est urgent d'agir afin de préserver la concurrence ou de protéger les intérêts des utilisateurs finaux, l'Institut peut, à la demande des parties ou de sa propre initiative, adopter des mesures provisoires.
§ 4. Les obligations imposées à une entreprise par l'Institut dans le cadre du règlement d'un litige respectent la présente loi, tiennent le plus grand compte de l'avis émis par l'ORECE et sont adoptées dans un délai d'un mois à compter dudit avis.
§ 5. La procédure visée au paragraphe 1er ne fait pas obstacle à ce que l'une des parties engage une action devant une juridiction.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK IV. - Diverse bepalingen.
CHAPITRE IV. - Dispositions diverses.
Art.5. § 1. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, (vóór 31 december 2007), de bepalingen van deze wet opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen om alle noodzakelijke maatregelen te nemen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de inwerkingtreding van richtlijnen van de Europese Unie. <W 2007-04-25/38, art. 164, 005; Inwerkingtreding : 18-05-2007>
Het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State wordt gelijktijdig gepubliceerd met het verslag aan de Koning over het desbetreffende koninklijk besluit.
§ 2. Het koninklijk besluit genomen ter uitvoering van § 1 van dit artikel wordt opgeheven indien het niet bij wet bekrachtigd wordt binnen vijftien maanden die volgen op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
[1 § 3. Aan alle verplichtingen opgenomen in deze en alle andere wetten die betrekking hebben op aangelegenheden als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet en hun uitvoeringsbesluiten die betreffende de aangetekende zendingen de woorden " bij de post ", " per post " of elke andere soortgelijke verwijzing bevatten is voldaan wanneer gebruik wordt gemaakt van een aangetekende zending zoals gedefinieerd in artikel 131, 9° van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven of wanneer gebruik wordt gemaakt van een elektronisch aangetekende zending overeenkomstig de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen, de elektronisch aangetekende zending en certificatiediensten.]1
Het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State wordt gelijktijdig gepubliceerd met het verslag aan de Koning over het desbetreffende koninklijk besluit.
§ 2. Het koninklijk besluit genomen ter uitvoering van § 1 van dit artikel wordt opgeheven indien het niet bij wet bekrachtigd wordt binnen vijftien maanden die volgen op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
[1 § 3. Aan alle verplichtingen opgenomen in deze en alle andere wetten die betrekking hebben op aangelegenheden als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet en hun uitvoeringsbesluiten die betreffende de aangetekende zendingen de woorden " bij de post ", " per post " of elke andere soortgelijke verwijzing bevatten is voldaan wanneer gebruik wordt gemaakt van een aangetekende zending zoals gedefinieerd in artikel 131, 9° van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven of wanneer gebruik wordt gemaakt van een elektronisch aangetekende zending overeenkomstig de wet van 9 juli 2001 houdende vaststelling van bepaalde regels in verband met het juridisch kader voor elektronische handtekeningen, de elektronisch aangetekende zending en certificatiediensten.]1
Art.5. § 1er. Le Roi peut, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, (avant le 31 décembre 2007), abroger, compléter, modifier ou remplacer les dispositions de cette loi, afin de prendre toutes les mesures nécessaires pour exécuter les obligations découlant des directives en vigueur de l'Union européenne. <L 2007-04-25/38, art. 164, 005; En vigueur : 18-05-2007>
L'avis de la section législation du Conseil d'Etat est publié en même temps que le rapport au Roi de l'arrêté royal y relatif.
§ 2. L'arrêté royal pris en exécution du § 1er de cet article est abrogé lorsqu'il n'est pas confirmé par la loi dans les quinze mois qui suivent sa publication au Moniteur belge.
[1 § 3. Toutes les obligations reprises dans la présente loi et dans toutes les autres lois relatives aux matières visées à l'article 77 de la Constitution et leurs arrêtés d'exécution qui, concernant les envois recommandés, contiennent les mots " à la poste ", " par la poste " ou toute autre référence du même type sont remplies lorsqu'un envoi recommandé tel que défini à l'article 131, 9° de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques est utilisé ou lorsqu'un envoi recommandé électronique est utilisé conformément à la loi du 9 juillet 2001 fixant certaines règles relatives au cadre juridique pour les signatures électroniques, le recommandé électronique et les services de certification.]1
L'avis de la section législation du Conseil d'Etat est publié en même temps que le rapport au Roi de l'arrêté royal y relatif.
§ 2. L'arrêté royal pris en exécution du § 1er de cet article est abrogé lorsqu'il n'est pas confirmé par la loi dans les quinze mois qui suivent sa publication au Moniteur belge.
[1 § 3. Toutes les obligations reprises dans la présente loi et dans toutes les autres lois relatives aux matières visées à l'article 77 de la Constitution et leurs arrêtés d'exécution qui, concernant les envois recommandés, contiennent les mots " à la poste ", " par la poste " ou toute autre référence du même type sont remplies lorsqu'un envoi recommandé tel que défini à l'article 131, 9° de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques est utilisé ou lorsqu'un envoi recommandé électronique est utilisé conformément à la loi du 9 juillet 2001 fixant certaines règles relatives au cadre juridique pour les signatures électroniques, le recommandé électronique et les services de certification.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK V. - Inwerkingtreding.
CHAPITRE V. - Entrée en vigueur.
Art. 6. Deze wet treedt in werking de dag waarop het besluit bedoeld in artikel 17, § 2, van de hoger vermelde wet van 17 januari 2003, in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 6. La présente loi entre en vigueur le jour de la publication au Moniteur belge de l'arrêté royal visé à l'article 17, § 2, de la loi du 17 janvier 2003 précitée.
-
(NOTE : les arrêtés royaux concernés du 07-04-2003, ont été publiés par mention le 23-04-2003 avec entrée en vigueur le 23-04-2003)