Artikel 1. Voor de toepassing van het onderhavige besluit, wordt verstaan onder :
1° Wet van 24 december 2002 : de Programmawet (I) van 24 december 2002;
2° Wet van 24 december 1999 : de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid;
3° Koninklijk besluit van 19 december 2001 : het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van de langdurig werkzoekende;
4° Werkzoekende : de niet-werkende werknemer als bepaald in het koninklijk besluit van 19 december 2001;
5° Periode van werkzoekend zijn : de periode zoals bepaald in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 19 december 2001;
6° (opgeheven) <KB 2004-01-21/33, art. 51, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
7° Gerechtigde op maatschappelijke integratie : de rechthebbende bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief en tot vaststelling van de vrijstelling van werkgeversbijdragen;
8° Rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp : de rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief en tot vaststelling van de vrijstelling van werkgeversbijdragen;
9° (...) leerling : de leerling of de stagiair verbonden met een [1 overeenkomst]1 zoals gedefinieerd in artikel 27, eerste lid, 3° van de wet van 24 december 1999; <KB 2004-01-21/33, art. 51, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
10° Dienstbode : de werknemer die krachtens een arbeidsovereenkomst voor dienstboden, hoofdzakelijk huishoudelijke arbeid van lichamelijke aard uitvoert voor de behoeften van de huishouding van de werkgever of van zijn gezin;
11° [2 Deeltijds leerplichtige: de werknemer bedoeld bij artikel 5bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;]2
[2 12° Gelegenheidswerknemer: de werknemer bedoeld in artikel 8bis en 31ter van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
13° Flexi-jobwerknemer: de werknemer met een flexi-job bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken.]2
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
16 MEI 2003. - Koninklijk besluit tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 06-06-2003 en tekstbijwerking tot 31-12-2025)
Titre
16 MAI 2003. - ArrĂȘtĂ© royal pris en exĂ©cution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 (I), visant Ă harmoniser et Ă simplifier les rĂ©gimes de rĂ©ductions de cotisations de sĂ©curitĂ© sociale. (NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă partir du 06-06-2003 et mise Ă jour au 31-12-2025)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
TITEL I. - Algemene bepalingen.
TITEL II. - De structurele vermindering.
TITEL III. - De doelgroepvermindering.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
HOOFDSTUK II. - Oudere werknemers.
HOOFDSTUK III. - Langdurig werkzoekenden.
HOOFDSTUK IV. - Eerste aanwervingen.
HOOFDSTUK V. - Jonge werknemers.
HOOFDSTUK Vbis. [1 - Mentors 1.]1
HOOFDSTUK Vbis. WAALS_GEWEST.
HOOFDSTUK VI. - Collectieve arbeidsduurverminde...
HOOFDSTUK VII. - Herstructureringen.
HOOFDSTUK VIII. [1 Tijdelijke crisis-aanpassing...
HOOFDSTUK VIII/1. [1 - Tijdelijke arbeidsduurve...
HOOFDSTUK IX. [1 - Forfaitaire bijdrageverminde...
HOOFDSTUK X. [1 - Gesubsidieerde contractuelen.]1
HOOFDSTUK XI. [1 - Huispersoneel.]1
HOOFDSTUK XII. [1 - Onthaalouders.]1
HOOFDSTUK XIII. [1 - Kunstenaars.]1
HOOFDSTUK XIV. [1 - Werknemers tewerkgesteld in...
HOOFDSTUK XV. [1 - Betaalde sportbeoefenaars.]1
Hoofdstuk XVI_VLAAMS_GEWEST.[1 Personen zonder ...
TITEL IV. - Opheffende en wijzigende bepalingen.
HOOFDSTUK I. - Opheffende bepalingen.
HOOFDSTUK II. - Wijzigende bepalingen.
TITEL V. - Overgangsbepalingen.
TITEL VI. - Slotbepalingen.
Inhoud
TITRE I. - Dispositions générales.
TITRE II. - La réduction structurelle.
TITRE III. - Réduction groupe-cible.
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
CHAPITRE II. - Travailleurs ùgés.
CHAPITRE III. - Demandeurs d'emploi de longue d...
CHAPITRE IV. - Premiers engagements.
CHAPITRE V. - Jeunes travailleurs.
CHAPITRE Vbis. [1 - Tuteurs]1
CHAPITRE Vbis. REGION_WALLONNE.
CHAPITRE VI. - Réduction collective du temps de...
CHAPITRE VII. - Restructurations.
Chapitre VIII. [1 Adaptation temporaire de cris...
CHAPITRE VIII/1. [1 - Réduction temporaire de l...
CHAPITRE IX. [1 - Réduction forfaitaire de coti...
Chapitre X. [1 - Agents contractuels subvention...
Chapitre XI. [1 - Personnel de maison.]1
Chapitre XII. [1 - Parents d'accueil.]1
Chapitre XIII. [1 - Artistes.]1
Chapitre XIV. [1 - Travailleurs occupés en appl...
Chapitre XV. [1 - Sportifs rémunérés.]1
Chapitre XVI_REGION_FLAMANDE.[1 Personnes sans ...
TITRE IV. - Dispositions abrogatoires et modifi...
CHAPITRE I. - Dispositions abrogatoires.
CHAPITRE II. - Dispositions modificatives.
TITRE V. - Dispositions transitoires.
TITRE VI. - Dispositions finales.
Tekst (229)
Texte (229)
TITEL I. - Algemene bepalingen.
TITRE I. - Dispositions générales.
Article 1. Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
1° Loi du 24 décembre 2002 : la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
2° Loi du 24 décembre 1999 : la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi;
3° ArrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 : l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 de promotion de mise Ă l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durĂ©e;
4° Demandeur d'emploi : le travailleur inoccupĂ© tel que dĂ©fini Ă l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001;
5° PĂ©riode pendant laquelle on est demandeur d'emploi : la pĂ©riode telle que dĂ©finie Ă l'article 2, § 2, de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001;
6° (abrogé) <AR 2004-01-21/33, art. 51, 002; En vigueur : 01-01-2004>
7° Ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale : l'ayant droit visĂ© par l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 11 juillet 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale mis au travail dans une initiative d'insertion sociale et dĂ©terminant la dispense de cotisations patronales;
8° Ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre : un ayant droit Ă une aide sociale financiĂšre visĂ©e par l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 novembre 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă une aide sociale financiĂšre mis au travail dans une initiative d'insertion sociale et dĂ©terminant la dispense de cotisations patronales;
9° Apprenti (...) : l'apprenti ou le stagiaire lié par un [1 contrat]1 tel que défini à l'article 27, premier alinéa, 3° de la loi du 24 décembre 1999; <AR 2004-01-21/33, art. 51, 002; En vigueur : 01-01-2004>
10° Employé domestique : le travailleur qui, en vertu d'un contrat de travail pour employés domestiques, est principalement employé pour l'exécution de travaux ménagers de nature physique pour le besoin du ménage de l'employeur ou de sa famille;
11° [2 Jeune soumis Ă l'obligation scolaire Ă temps partiel : le travailleur visĂ© Ă l'article 5bis de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 sur la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs;]2
[2 12° Travailleur occasionnel: le travailleur occasionnel visĂ© Ă l'article 8bis et 31ter de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 sur la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs;
13° Travailleur exerçant un flexi-job: le travailleur salarié occupé avec un contrat de travail flexi-job, visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matiÚre sociale.]2
1° Loi du 24 décembre 2002 : la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
2° Loi du 24 décembre 1999 : la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi;
3° ArrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 : l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 de promotion de mise Ă l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durĂ©e;
4° Demandeur d'emploi : le travailleur inoccupĂ© tel que dĂ©fini Ă l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001;
5° PĂ©riode pendant laquelle on est demandeur d'emploi : la pĂ©riode telle que dĂ©finie Ă l'article 2, § 2, de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001;
6° (abrogé) <AR 2004-01-21/33, art. 51, 002; En vigueur : 01-01-2004>
7° Ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale : l'ayant droit visĂ© par l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 11 juillet 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale mis au travail dans une initiative d'insertion sociale et dĂ©terminant la dispense de cotisations patronales;
8° Ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre : un ayant droit Ă une aide sociale financiĂšre visĂ©e par l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 novembre 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă une aide sociale financiĂšre mis au travail dans une initiative d'insertion sociale et dĂ©terminant la dispense de cotisations patronales;
9° Apprenti (...) : l'apprenti ou le stagiaire lié par un [1 contrat]1 tel que défini à l'article 27, premier alinéa, 3° de la loi du 24 décembre 1999; <AR 2004-01-21/33, art. 51, 002; En vigueur : 01-01-2004>
10° Employé domestique : le travailleur qui, en vertu d'un contrat de travail pour employés domestiques, est principalement employé pour l'exécution de travaux ménagers de nature physique pour le besoin du ménage de l'employeur ou de sa famille;
11° [2 Jeune soumis Ă l'obligation scolaire Ă temps partiel : le travailleur visĂ© Ă l'article 5bis de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 sur la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs;]2
[2 12° Travailleur occasionnel: le travailleur occasionnel visĂ© Ă l'article 8bis et 31ter de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 sur la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs;
13° Travailleur exerçant un flexi-job: le travailleur salarié occupé avec un contrat de travail flexi-job, visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matiÚre sociale.]2
Art. 2. <KB 2004-01-21/33, art. 52, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004> De berekening van de vermindering van de bijdragen bedoeld in het hoofdstuk 7 van titel IV van de programmawet van 24 december 2002 wordt per tewerkstelling gedaan. Ten behoeve van deze berekening, wordt verstaan onder :
1° tewerkstelling : een arbeidsverhouding als werknemer waarvan de volgende kenmerken ongewijzigd blijven :
- de werkgeverscategorie waartoe de werkgever behoort, bepaald door de instelling belast met het innen van de socialezekerheidsbijdragen;
- de werknemerscategorie waartoe de werknemer behoort, bepaald door de voornoemde instelling belast met de inning;
- de begindatum van de arbeidsverhouding;
- de einddatum van de arbeidsverhouding;
- het nummer van het paritair comité of subcomité dat bevoegd is voor de uitgeoefende activiteit;
- het aantal dagen per week van het arbeidsstelsel;
- de contractueel gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de werknemer;
- de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de maatpersoon;
- het type arbeidsovereenkomst : voltijds of deeltijds;
- in het voorkomend geval, het type maatregel tot reorganisatie van de arbeidstijd, waaronder de tewerkstelling gebeurt, zoals gedefinieerd door de voornoemde instelling belast met de inning;
- in het voorkomend geval, het type maatregel ter bevordering van de werkgelegenheid, waaronder de tewerkstelling gebeurt, zoals gedefinieerd door de voornoemde instelling belast met de inning;
- in het voorkomend geval, het bijzonder statuut van de werknemer; zoals gedefinieerd door de voornoemde instelling belast met de inning;
- in het voorkomend geval, het feit dat de werknemer gepensioneerd is;
- in het voorkomend geval, het type leerovereenkomst, zoals gedefinieerd door de voornoemde instelling belast met de inning;
- in het voorkomend geval, de bijzondere bezoldigingswijze : per stuk, per taak, per prestatie, op commissie, zoals gedefinieerd door de voornoemde instelling belast met de inning;
- bij werknemers die geheel of gedeeltelijk met fooien of bedieningsgeld worden bezoldigd, voor de gelegenheidsarbeiders in de landbouw- en tuinbouwsectoren en voor de zeevissers, het functienummer, zoals gedefinieerd door de voornoemde instelling belast met de inning;
- bij werknemers van luchtvaartmaatschappijen die aan boord van vliegtuigen werken en de militaire piloten, de categorie vliegend personeel waartoe zij behoren, zoals gedefinieerd door de voornoemde instelling belast met de inning;
- bij onderwijzend personeel, de wijze van betaling van het loon : in tienden of in twaalfden.
Bij wijziging van minstens één van deze kenmerken heeft men te maken met een andere tewerkstelling van dezelfde werknemer. Periodes gedekt door een verbrekingsvergoeding vormen een onderscheiden tewerkstelling van periodes gedekt door een loon voor effectieve prestaties.
2° de factoren betreffende de arbeidsduur :
a) J = het aantal arbeidsdagen van een uitsluitend met dagen aangegeven tewerkstelling, zoals bedoeld in artikel 24 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met uitsluiting van de dagen wettelijke vakantie voor handarbeiders, de dagen " inhaalrust bouwbedrijf" en de bijkomende vakantiedagen toegekend bij algemeen bindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, die niet door de werkgever betaald zijn [18 , en met uitsluiting van de prestaties geleverd in het kader van de in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken bedoelde flexi-job-arbeidsovereenkomst, en met uitsluiting van de in artikel 3, 5°, van dezelfde wet bedoelde overuren in de horeca-sector]18 [28 , en met uitsluiting van de vakantiedagen opgenomen na het vakantiejaar in toepassing van artikel 64, 1°/1, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers]28.
De dagen gedekt door een verbrekingsvergoeding komen niet in aanmerking voor de berekening van J.
b) X = J, plus de dagen wettelijke vakantie voor handarbeiders, plus de dagen "inhaalrust bouwbedrijf", plus de dagen van de tewerkstelling, bedoeld in het artikel 50 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en de bijkomende vakantiedagen toegekend bij algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten, die niet door de werkgever betaald zijn [28 , plus de vakantiedagen opgenomen na het vakantiejaar in toepassing van artikel 64, 1°/1, van het voormeld koninklijk besluit van 30 maart 1967]28.
Deze dagen komen in aanmerking voor zover ze binnen de tewerkstelling van de werknemer liggen.
c) H = het aantal arbeidsuren van een met dagen en uren aangegeven tewerkstelling, overeenkomstig de hierboven gedefinieerde factor J.
d) Z = het aantal arbeidsuren van een met dagen en uren aangegeven tewerkstelling, overeenkomstig de hierboven gedefinieerde factor X.
e) U = het gemiddeld aantal uren per week van de maatpersoon.
f) D = het aantal arbeidsdagen per week van het arbeidsstelsel.
g) 'mu' = de prestatiebreuk van de prestaties. 'mu' wordt op de volgende manier berekend :
voor de tewerkstellingen die uitsluitend in dagen werden aangegeven :
'mu' = X/13 x D
voor de tewerkstellingen die in dagen en uren werden aangegeven :
'mu' = Z/13 x U
'mu' wordt tot op de tweede decimaal na de komma afgerond, waarbij 0,005 naar boven wordt afgerond.
h) 'mu' (glob) = de som van alle tewerkstellingen van een werknemer bij een en dezelfde werkgever tijdens een kwartaal.
i) [15 'beta' = de vaste multiplicatiefactor bedoeld in artikelen 332 en 337 van de programmawet van 24 december 2002.
Als mu(glob) groter is dan of gelijk aan 0,80 dan is beta gelijk aan 1/mu(glob).
Voor de structurele vermindering zoals bedoeld in Titel II van dit besluit geldt het volgende :
- als mu(glob) kleiner is dan 0,55 dan is beta gelijk aan 1,18;
- als mu(glob) groter is dan of gelijk aan 0,55 en kleiner dan 0,80 dan is beta gelijk aan 1,18 + ((mu(glob) - 0,55) * 0,28).
Voor de doelgroepvermindering zoals bedoeld in Titel III van dit besluit geldt het volgende :
- als mu(glob) kleiner is dan 0,55 dan is beta gelijk aan 1;
- als mu(glob) groter is dan of gelijk aan 0,55 en kleiner dan 0,80 dan is beta gelijk aan 1 + (mu(glob) - 0,55).
Indien 'mu'(glob) kleiner is dan 0,275, dan wordt beta van elke tewerkstelling beschouwd als zijnde gelijk aan nul zowel voor de structurele vermindering als voor de doelgroepvermindering, behalve :
- voor de tewerkstellingen van een werknemer behorende tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002;
- vanaf 1 april 2004, voor de voltijdse tewerkstellingen;
- vanaf 1 april 2004, voor de deeltijdse tewerkstellingen waarvan de contractueel gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de werknemer ten minste de helft bedraagt van de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de maatpersoon. Het gaat hierbij telkens om de arbeidsduur zoals deze in de trimestriële aangifte aan de instelling die belast is met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen wordt aangegeven;
- voor wat de structurele vermindering betreft, vanaf 1 april 2007, voor de tewerkstellingen van een werknemer bij een werkgever die onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf ressorteren;
[12 - Vanaf 1 januari 2014 voor de tewerkstellingen van een werknemer zoals bedoeld in de artikelen 353bis/9 en 353bis/10 van de programmawet van 24 december 2002;
- Vanaf 1 januari 2014 voor de tewerkstellingen van een werknemer zoals bedoeld in artikel 353bis/13 van de programmawet van 24 december 2002;
- Vanaf 1 januari 2014 voor de tewerkstellingen van een werknemer zoals bedoeld in artikel 353bis/14 van de programmawet van 24 december 2002.]12
Beta wordt nooit afgerond.]15
3° de factoren betreffende het loon :
a) W = de loonmassa die per tewerkstelling en per kwartaal wordt aangegeven (tegen 100 %), met uitzondering van de vergoedingen die worden betaald ingevolge een verbreking van de arbeidsovereenkomst en die in arbeidsduur worden uitgedrukt en van de eindejaarspremies die betaald worden door tussenkomst van een derde persoon [28 en van het vakantiegeld bedoeld in artikel 67bis, tweede lid, van het voormeld koninklijk besluit van 30 maart 1967.]28
(Het enkel vertrekvakantiegeld zoals bedoeld in artikel 23bis, § 1, 3°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers [24 en het positief saldo bij de eindafrekening van het vertrekvakantiegeld in het enkel vakantiegeld van de werknemer, zoals bedoeld in de artikelen 48, vierde lid, en 49, vierde lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, maken]24 geen deel uit van deze loonmassa. Het gedeelte van het vakantiegeld dat overeenstemt met het normale loon voor de vakantiedagen bedoeld bij artikel 19, § 1, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en dat vervroegd werd uitbetaald door de vroegere werkgever, maakt wel deel uit van deze loonmassa.) <W 2006-12-27/30, art. 262, 035; Inwerkingtreding : 07-01-2007, voor wat het vertrekvakantiegeld uitbetaald na 31 december 2006 betreft, zie W 2006-12-27/30, art. 185>
Werkgevers die verbonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair orgaan vóór 1 januari 1994 en algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit, die voorziet in de toekenning van vergoedingen voor uren die geen arbeidsuren zijn in de zin van de arbeidswet van 16 maart 1971, moeten die vergoedingen in mindering brengen op de voor de tewerkstelling uitgekeerde loonmassa.
De loonmassa van elke tewerkstelling van het vierde kwartaal van elk jaar wordt vermenigvuldigd met 1,25 voor de categorieën van werknemers voor wie de eindejaarspremie door tussenkomst van een derde wordt uitbetaald. Voor de uitzendkrachten tewerkgesteld door een uitzendbureau echter wordt de loonmassa van elke tewerkstelling van het eerste kwartaal van elk jaar, vermenigvuldigd met 1,15. De resultaten van deze vermenigvuldigingen worden tot de dichtstbijzijnde cent afgerond, waarbij 0,005 EUR naar 0,01 EUR afgerond wordt.
b) S1 = de loongrens S1 bedoeld in artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002; S1 = 12.000,00 EUR.
[13 Vanaf het tweede kwartaal 2012 is S1 gelijk aan 12.240,00 EUR.]13
[15 Vanaf het 2e kwartaal 2013 is S1 gelijk aan 13.359,80 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
Vanaf het 1e kwartaal 2014 is S1 gelijk aan 13.401,07 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.]15
[17 Van 1 april 2016 tot 31 december 2017 is S1 gelijk aan 12.484,80 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorieën 2 en 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
Vanaf het eerste kwartaal 2018 is S1 gelijk aan [19 12.990,00]19 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
Vanaf het eerste kwartaal 2018 is S1 gelijk aan 0,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorieën 1 en 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002.]17
[13 bbis) Het bedrag van de loongrens S1, zoals bepaald in dit besluit in uitvoering van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002, wordt verhoogd met 2 % voor elke verhoging van de loongrenzen bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering, ten gevolge van de koppeling aan de index zoals bedoeld in artikel 2, § 2, derde lid, van voornoemde wet van 20 december 1999, met ingang van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin deze loongrenzen verhoogd worden of, indien deze verhoging samenvalt met het begin van een kwartaal, met ingang van dat kwartaal.
Het resultaat van de berekeningen bedoeld in het vorig lid wordt tot de dichtstbijzijnde cent afgerond, waarbij 0,005 EUR naar 0,01 EUR afgerond wordt.
Deze bepaling wordt toegepast vanaf het kwartaal volgend op het kwartaal waarin het bedrag van de loongrens S1 werd vastgesteld in dit besluit, in toepassing van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002. [15 In afwijking op het voorgaande wordt de loongrens S1 die geldt vanaf het 1e kwartaal 2014 voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002 verhoogd met een factor 1,02 voor elke spilindexoverschrijding in de periode van 1 april 2013 tot en met 1 januari 2014.]15
De berekening bedoeld in het eerste lid is kwartaal na kwartaal cumulatief tot een nieuw bedrag S1 wordt vastgesteld in uitvoering van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002.]13
c) S = het refertekwartaalloon, m.a.w. de loonmassa die in aanmerking wordt genomen om het basisbedrag van de vermindering R te bepalen. S wordt op volgende wijze verkregen :
a. voor de uitsluitend in dagen aangegeven tewerkstellingen :
S = W x (13 x D/J)
Het resultaat van de berekening (13 x D/J) wordt afgerond tot op het tweede cijfer na de komma, waarbij 0,005 wordt afgerond op 0,01;
b. voor de tewerkstellingen aangegeven in dagen en uren :
S = W x (13 x U/H)
Het resultaat van de berekening (13 x U/H) wordt afgerond tot op het tweede cijfer na de komma, waarbij 0,005 wordt afgerond op 0,01.
S wordt afgerond tot op de cent, waarbij 0,005 EUR afgerond wordt op 0,01 EUR.
De factor S wordt forfaitair verminderd met 241,70 EUR per tewerkstelling indien, voor de tewerkstelling, één van de verminderingen wordt toegekend voorzien in artikelen 367, 369 of 370 van de programmawet van 24 december 2002.
d) (S0 = de loongrens bedoeld in artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002.
S0 is gelijk aan 5 310,00 EUR voor de kwartalen gelegen in het jaar 2004.
Vanaf het eerste kwartaal 2005 is S0 gelijk aan 5 870,71 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 en 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
Vanaf het eerste kwartaal 2005 is S0 gelijk aan 5 988,12 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.) <KB 2005-11-10/58, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
(Vanaf het eerste kwartaal 2006 is S0 gelijk aan 6157,78 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
Vanaf het eerste kwartaal 2007 is S0 gelijk aan 6260,58 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
Vanaf het eerste kwartaal 2008 is S0 gelijk aan 6230,04 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.) <KB 2007-04-26/62, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
[1 Vanaf het tweede kwartaal 2009 is S0 gelijk aan 7.075,20 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
Vanaf het eerste kwartaal 2010 is S0 gelijk aan 6.611,36 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.]1
[15 Vanaf het eerste kwartaal 2010 tot het vierde kwartaal 2011 is S0 gelijk aan 6.030,00 euro voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de wet van 24 december 2002.]15
[12 Vanaf het eerste kwartaal 2011 is S0 gelijk aan 6.787,67 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
[14 Vanaf het eerste kwartaal 2012 is S0 gelijk aan 6.968,37 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
Vanaf het eerste kwartaal 2013 is S0 gelijk aan [15 7.225,00]15 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.]14]12
[15 Vanaf het 1ste kwartaal van 2013 is S0 gelijk aan 5.900,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
Vanaf het 1ste kwartaal van 2013 is S0 gelijk aan 6.150,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.]15
[15 Vanaf het 2e kwartaal van 2013 is S0 gelijk aan 5.575,93 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
Vanaf het 1e kwartaal van 2014 is S0 gelijk aan 5.560,49 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.]15
[17 Vanaf het tweede kwartaal van 2016 is S0 gelijk aan 6.900,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
Vanaf het tweede kwartaal van 2016 is S0 gelijk aan 7.110,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
Vanaf het tweede kwartaal van 2016 is S0 gelijk aan 8.185,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002 waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is en aan 7.500,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is;
Vanaf het eerste kwartaal van 2018 is S0 gelijk aan 8.850,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
Vanaf het eerste kwartaal van 2018 is S0 gelijk aan [19 7400,00]19 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
Vanaf het eerste kwartaal van 2018 is S0 gelijk aan 8.850,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 en waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is en aan 9.450,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is;
Vanaf het eerste kwartaal van 2019 is S0 gelijk aan 9.035,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
Vanaf het eerste kwartaal van 2019 is S0 gelijk aan 7.590,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
Vanaf het eerste kwartaal van 2019 is S0 gelijk aan 9.035,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is en aan [20 9.640,00]20 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is;]17
[21 Vanaf het eerste kwartaal van 2021 is S0 gelijk aan 9.480,90 euro voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is en aan 9.985,80 euro voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is.]21
[14 dbis) Het bedrag van de loongrens S0 [11 ...]11, zoals bepaald in dit besluit in uitvoering van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002, wordt verhoogd met 2 % voor elke verhoging van de loongrenzen bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering, ten gevolge van de koppeling aan de index zoals bedoeld in artikel 2, § 2, derde lid, van voornoemde wet van 20 december 1999 met ingang vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin deze loongrenzen verhoogd worden of, indien deze verhoging samenvalt met het begin van een kwartaal, met ingang vanaf dat kwartaal.
Het resultaat van de berekeningen bedoeld in het vorig lid wordt tot de dichtstbijzijnde cent afgerond, waarbij 0,005 EUR naar 0,01 EUR afgerond wordt.
Deze bepaling wordt toegepast vanaf het kwartaal volgend op het kwartaal waarin het bedrag van de loongrens S0 wordt vastgesteld in dit besluit, in toepassing van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002.
De berekening bedoeld in het eerste lid is kwartaal na kwartaal cumulatief tot een nieuw bedrag S0 wordt vastgesteld in uitvoering van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002.
[15 Laatste lid opgeheven.]15]14
[27 Vanaf het tweede kwartaal 2025 is S0 gelijk aan 9.780,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002.]27
[23 e) S2 = de loongrens bedoeld in artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002.
Vanaf het tweede kwartaal 2022 is S2 gelijk aan 5.889,70 EUR behoudens voor de werkgevers behorende tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 waarvoor S2 gelijk is aan 6.048,89 EUR.
[25 Vanaf het tweede kwartaal 2024 is S2 gelijk aan 6807,18 EUR, voor de werkgevers behorende tot categorie 1 en 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002. Vanaf het tweede kwartaal 2024 is S2 gelijk aan 6.995,54 EUR, voor de werkgevers behorende tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002.]25
[27 Vanaf het tweede kwartaal 2025 is S2 gelijk aan 8.400,00 EUR voor de werkgevers behorende tot categorie 1 en 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002.
Vanaf het derde kwartaal 2025 is S2 gelijk aan 9.360,00 EUR voor de werkgevers behorende tot categorie 1 en 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002. Vanaf het tweede kwartaal 2025 is S2 gelijk aan 9.780,00 EUR voor de werkgevers behorende tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002.]27
f) Het bedrag van de loongrens S2, zoals bepaald in dit besluit in uitvoering van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002, wordt verhoogd met 2 % voor elke verhoging van de loongrenzen bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering, ten gevolge van de koppeling aan de index zoals bedoeld in artikel 2, § 2, derde lid, van voornoemde wet van 20 december 1999 met ingang vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin deze loongrenzen verhoogd worden of, indien deze verhoging samenvalt met het begin van een kwartaal, met ingang vanaf dat kwartaal.
Het resultaat van de berekeningen bedoeld in het vorig lid wordt tot de dichtstbijzijnde cent afgerond, waarbij 0,005 EUR naar 0,01 EUR afgerond wordt.
Deze bepaling wordt toegepast vanaf het kwartaal volgend op het kwartaal waarin het bedrag van de loongrens S2 wordt vastgesteld in dit besluit, in toepassing van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002.
De berekening bedoeld in het eerste lid is kwartaal na kwartaal cumulatief tot een nieuw bedrag S2 wordt vastgesteld in uitvoering van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002.]23
4° de factoren betreffende de vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen :
a) F = het forfaitaire bedrag bedoeld in artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002.
[17 Van 1 april 2016 tot 31 december 2017 is F gelijk aan 24,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
Vanaf het eerste kwartaal 2018 is F gelijk aan 49,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;]17
[21 Vanaf het eerste kwartaal 2021 is F gelijk aan 79,00 euro voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002.
Vanaf het eerste kwartaal 2021 is F gelijk aan 495,00 euro voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 voor wie de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is, zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002.]21
b) G1 = het forfaitaire bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.
c) G2 = het forfaitaire bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.
(cbis ) G3 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.) <KB 2006-07-20/41, art. 1, 1°, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2006>
[14 cter ) G4 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]14
[14 cquater ) G5 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]14
[14 cquinquies ) G6 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]14
[10 csexies [13 G7 is het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]13]10
[14 csepties) G8 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]14
[15 cocties) G9 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]15
[10 cnonies) G10 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002. ]10
[13 cdecies G11 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.
cundecies G12 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.
cduodecies G13 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]13
[16 cterdecies) G14 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]16
[16 cquaterdecies) G15 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]16
[16 cquindecies) G16 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]16
[22 csedecies G18 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]22
[26 cseptemdecies) G20 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]26
d) R = de basisvermindering van de structurele vermindering bedoeld in hoofdstuk 7 van titel IV van de programmawet van 24 december 2002, per kwartaal, en afhankelijk van de in aanmerking genomen loonmassa S van de tewerkstelling.
e) [11 'α']11 = de coëfficiënt a bedoeld in artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002.
Voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 of 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002 bedraagt [11 'α']11 0,1750 voor de kwartalen gelegen in het jaar 2004. Vanaf het eerste kwartaal 2005 is [11 'α']11 gelijk aan 0,1444. (Vanaf het tweede kwartaal 2007 is " alfa " gelijk aan 0,1620.) [15 Voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002 bedraagt 0,1785 vanaf het 2e kwartaal 2013.]15 <KB 2007-04-21/45, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
Voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002 bedraagt [11 'α']11 0,2706 voor de kwartalen gelegen in het jaar 2004. Vanaf het eerste kwartaal 2005 is [11 'α']11 gelijk aan 0,2266. (Vanaf het tweede kwartaal 2007 is " alfa " gelijk aan 0,2467.) <KB 2007-04-21/45, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
[15 Voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002 bedraagt 0,2557 vanaf het 2e kwartaal 2013.]15
[27 Voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedraagt 'a' 0,23 vanaf het tweede kwartaal 2025.]27
[17 Voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedraagt 'a' 0,1369 vanaf het tweede kwartaal 2016;
Voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedraagt 'a' 0,1280 vanaf het eerste kwartaal 2018.
Voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedraagt 'a' 0,1400 vanaf het eerste kwartaal 2019;
Voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedraagt 'a' 0,1785 voor de werknemers waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is en 0,1369 voor de werknemers waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is vanaf het tweede kwartaal 2016;
Voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedraagt 'a' 0,1785 voor de werknemers waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is en 0,1280 voor de werknemers waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is vanaf het eerste kwartaal 2018;
Voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedraagt 'a' 0,1785 voor de werknemers waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is en 0,1400 voor de werknemers waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is vanaf het eerste kwartaal 2019.]17
[23 ebis) {gamma}= de coëfficiënt {gamma} bedoeld in artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002.
Vanaf het tweede kwartaal 2022 bedraagt {gamma} 0,4000.]23
[27 Vanaf het tweede kwartaal 2025 bedraagt [gamma] 0,15 voor categorie 2 en 0,21 voor categorie 1 en 3.
Vanaf het derde kwartaal 2025 bedraagt [gamma] 0,15.
Vanaf het tweede kwartaal 2026 bedraagt [gamma] 0,16.]27
f) 'delta' = de coëfficiënt 'delta' bedoeld in artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002.
'delta' bedraagt 0,0173 voor de kwartalen gelegen in het jaar 2004. Vanaf het eerste kwartaal 2005 is 'delta' gelijk aan 0,0600.
[17 Voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorieën 1 en 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 is 'delta' gelijk aan 0,00 vanaf het eerste kwartaal 2018.]17
g) [15 G = het hoogste forfaitair bedrag als doelgroepvermindering waarop een werknemer recht geeft afhankelijk van de voorwaarden waaraan hij voldoet. G is gelijk aan [13 G1, G2, G3, G4, G5, G6, G7, G8, G9, G10, G11, G12 [16 , G13, G14, G15 [22 , G16 of G18]22]16]13 zoals bepaald in afdeling 3 van hoofdstuk 7 van titel IV van de wet van 24 december 2002.]15
h) Ps = de uiteindelijk toegestane structurele vermindering, per kwartaal, afhankelijk van de prestatiebreuk 'mu' van de tewerkstelling. Ps mag nooit groter zijn dan R.
i) [15 Pg = de uiteindelijk toegestane doelgroepvermindering, per kwartaal, afhankelijk van de prestatiebreuk 'mu' van de tewerkstelling. Pg mag nooit groter zijn dan G.]15 [13 Pg mag voor de werknemers bedoeld in artikel 353bis/13 van de Programmawet van 24 december 2002 nooit hoger zijn dan 517,00 EUR per kwartaal.]13
(5° de beoordeling van de leeftijd van de werknemer :
voor de toepassing van de doelgroepvermindering bedoeld bij (artikelen 339 en 346) van de programmawet van 24 december 2002 verstaat men onder " leeftijd ", de leeftijd van de werknemer op de laatste dag van het betrokken kwartaal.) <KB 2006-07-20/41, art. 1, 4°, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2006> <KB 2007-06-29/30, art. 1, 3°, 012; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
1° tewerkstelling : een arbeidsverhouding als werknemer waarvan de volgende kenmerken ongewijzigd blijven :
- de werkgeverscategorie waartoe de werkgever behoort, bepaald door de instelling belast met het innen van de socialezekerheidsbijdragen;
- de werknemerscategorie waartoe de werknemer behoort, bepaald door de voornoemde instelling belast met de inning;
- de begindatum van de arbeidsverhouding;
- de einddatum van de arbeidsverhouding;
- het nummer van het paritair comité of subcomité dat bevoegd is voor de uitgeoefende activiteit;
- het aantal dagen per week van het arbeidsstelsel;
- de contractueel gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de werknemer;
- de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de maatpersoon;
- het type arbeidsovereenkomst : voltijds of deeltijds;
- in het voorkomend geval, het type maatregel tot reorganisatie van de arbeidstijd, waaronder de tewerkstelling gebeurt, zoals gedefinieerd door de voornoemde instelling belast met de inning;
- in het voorkomend geval, het type maatregel ter bevordering van de werkgelegenheid, waaronder de tewerkstelling gebeurt, zoals gedefinieerd door de voornoemde instelling belast met de inning;
- in het voorkomend geval, het bijzonder statuut van de werknemer; zoals gedefinieerd door de voornoemde instelling belast met de inning;
- in het voorkomend geval, het feit dat de werknemer gepensioneerd is;
- in het voorkomend geval, het type leerovereenkomst, zoals gedefinieerd door de voornoemde instelling belast met de inning;
- in het voorkomend geval, de bijzondere bezoldigingswijze : per stuk, per taak, per prestatie, op commissie, zoals gedefinieerd door de voornoemde instelling belast met de inning;
- bij werknemers die geheel of gedeeltelijk met fooien of bedieningsgeld worden bezoldigd, voor de gelegenheidsarbeiders in de landbouw- en tuinbouwsectoren en voor de zeevissers, het functienummer, zoals gedefinieerd door de voornoemde instelling belast met de inning;
- bij werknemers van luchtvaartmaatschappijen die aan boord van vliegtuigen werken en de militaire piloten, de categorie vliegend personeel waartoe zij behoren, zoals gedefinieerd door de voornoemde instelling belast met de inning;
- bij onderwijzend personeel, de wijze van betaling van het loon : in tienden of in twaalfden.
Bij wijziging van minstens één van deze kenmerken heeft men te maken met een andere tewerkstelling van dezelfde werknemer. Periodes gedekt door een verbrekingsvergoeding vormen een onderscheiden tewerkstelling van periodes gedekt door een loon voor effectieve prestaties.
2° de factoren betreffende de arbeidsduur :
a) J = het aantal arbeidsdagen van een uitsluitend met dagen aangegeven tewerkstelling, zoals bedoeld in artikel 24 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met uitsluiting van de dagen wettelijke vakantie voor handarbeiders, de dagen " inhaalrust bouwbedrijf" en de bijkomende vakantiedagen toegekend bij algemeen bindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, die niet door de werkgever betaald zijn [18 , en met uitsluiting van de prestaties geleverd in het kader van de in artikel 3, 4°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken bedoelde flexi-job-arbeidsovereenkomst, en met uitsluiting van de in artikel 3, 5°, van dezelfde wet bedoelde overuren in de horeca-sector]18 [28 , en met uitsluiting van de vakantiedagen opgenomen na het vakantiejaar in toepassing van artikel 64, 1°/1, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers]28.
De dagen gedekt door een verbrekingsvergoeding komen niet in aanmerking voor de berekening van J.
b) X = J, plus de dagen wettelijke vakantie voor handarbeiders, plus de dagen "inhaalrust bouwbedrijf", plus de dagen van de tewerkstelling, bedoeld in het artikel 50 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en de bijkomende vakantiedagen toegekend bij algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten, die niet door de werkgever betaald zijn [28 , plus de vakantiedagen opgenomen na het vakantiejaar in toepassing van artikel 64, 1°/1, van het voormeld koninklijk besluit van 30 maart 1967]28.
Deze dagen komen in aanmerking voor zover ze binnen de tewerkstelling van de werknemer liggen.
c) H = het aantal arbeidsuren van een met dagen en uren aangegeven tewerkstelling, overeenkomstig de hierboven gedefinieerde factor J.
d) Z = het aantal arbeidsuren van een met dagen en uren aangegeven tewerkstelling, overeenkomstig de hierboven gedefinieerde factor X.
e) U = het gemiddeld aantal uren per week van de maatpersoon.
f) D = het aantal arbeidsdagen per week van het arbeidsstelsel.
g) 'mu' = de prestatiebreuk van de prestaties. 'mu' wordt op de volgende manier berekend :
voor de tewerkstellingen die uitsluitend in dagen werden aangegeven :
'mu' = X/13 x D
voor de tewerkstellingen die in dagen en uren werden aangegeven :
'mu' = Z/13 x U
'mu' wordt tot op de tweede decimaal na de komma afgerond, waarbij 0,005 naar boven wordt afgerond.
h) 'mu' (glob) = de som van alle tewerkstellingen van een werknemer bij een en dezelfde werkgever tijdens een kwartaal.
i) [15 'beta' = de vaste multiplicatiefactor bedoeld in artikelen 332 en 337 van de programmawet van 24 december 2002.
Als mu(glob) groter is dan of gelijk aan 0,80 dan is beta gelijk aan 1/mu(glob).
Voor de structurele vermindering zoals bedoeld in Titel II van dit besluit geldt het volgende :
- als mu(glob) kleiner is dan 0,55 dan is beta gelijk aan 1,18;
- als mu(glob) groter is dan of gelijk aan 0,55 en kleiner dan 0,80 dan is beta gelijk aan 1,18 + ((mu(glob) - 0,55) * 0,28).
Voor de doelgroepvermindering zoals bedoeld in Titel III van dit besluit geldt het volgende :
- als mu(glob) kleiner is dan 0,55 dan is beta gelijk aan 1;
- als mu(glob) groter is dan of gelijk aan 0,55 en kleiner dan 0,80 dan is beta gelijk aan 1 + (mu(glob) - 0,55).
Indien 'mu'(glob) kleiner is dan 0,275, dan wordt beta van elke tewerkstelling beschouwd als zijnde gelijk aan nul zowel voor de structurele vermindering als voor de doelgroepvermindering, behalve :
- voor de tewerkstellingen van een werknemer behorende tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002;
- vanaf 1 april 2004, voor de voltijdse tewerkstellingen;
- vanaf 1 april 2004, voor de deeltijdse tewerkstellingen waarvan de contractueel gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de werknemer ten minste de helft bedraagt van de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de maatpersoon. Het gaat hierbij telkens om de arbeidsduur zoals deze in de trimestriële aangifte aan de instelling die belast is met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen wordt aangegeven;
- voor wat de structurele vermindering betreft, vanaf 1 april 2007, voor de tewerkstellingen van een werknemer bij een werkgever die onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf ressorteren;
[12 - Vanaf 1 januari 2014 voor de tewerkstellingen van een werknemer zoals bedoeld in de artikelen 353bis/9 en 353bis/10 van de programmawet van 24 december 2002;
- Vanaf 1 januari 2014 voor de tewerkstellingen van een werknemer zoals bedoeld in artikel 353bis/13 van de programmawet van 24 december 2002;
- Vanaf 1 januari 2014 voor de tewerkstellingen van een werknemer zoals bedoeld in artikel 353bis/14 van de programmawet van 24 december 2002.]12
Beta wordt nooit afgerond.]15
3° de factoren betreffende het loon :
a) W = de loonmassa die per tewerkstelling en per kwartaal wordt aangegeven (tegen 100 %), met uitzondering van de vergoedingen die worden betaald ingevolge een verbreking van de arbeidsovereenkomst en die in arbeidsduur worden uitgedrukt en van de eindejaarspremies die betaald worden door tussenkomst van een derde persoon [28 en van het vakantiegeld bedoeld in artikel 67bis, tweede lid, van het voormeld koninklijk besluit van 30 maart 1967.]28
(Het enkel vertrekvakantiegeld zoals bedoeld in artikel 23bis, § 1, 3°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers [24 en het positief saldo bij de eindafrekening van het vertrekvakantiegeld in het enkel vakantiegeld van de werknemer, zoals bedoeld in de artikelen 48, vierde lid, en 49, vierde lid, van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, maken]24 geen deel uit van deze loonmassa. Het gedeelte van het vakantiegeld dat overeenstemt met het normale loon voor de vakantiedagen bedoeld bij artikel 19, § 1, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en dat vervroegd werd uitbetaald door de vroegere werkgever, maakt wel deel uit van deze loonmassa.) <W 2006-12-27/30, art. 262, 035; Inwerkingtreding : 07-01-2007, voor wat het vertrekvakantiegeld uitbetaald na 31 december 2006 betreft, zie W 2006-12-27/30, art. 185>
Werkgevers die verbonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in een paritair orgaan vóór 1 januari 1994 en algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit, die voorziet in de toekenning van vergoedingen voor uren die geen arbeidsuren zijn in de zin van de arbeidswet van 16 maart 1971, moeten die vergoedingen in mindering brengen op de voor de tewerkstelling uitgekeerde loonmassa.
De loonmassa van elke tewerkstelling van het vierde kwartaal van elk jaar wordt vermenigvuldigd met 1,25 voor de categorieën van werknemers voor wie de eindejaarspremie door tussenkomst van een derde wordt uitbetaald. Voor de uitzendkrachten tewerkgesteld door een uitzendbureau echter wordt de loonmassa van elke tewerkstelling van het eerste kwartaal van elk jaar, vermenigvuldigd met 1,15. De resultaten van deze vermenigvuldigingen worden tot de dichtstbijzijnde cent afgerond, waarbij 0,005 EUR naar 0,01 EUR afgerond wordt.
b) S1 = de loongrens S1 bedoeld in artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002; S1 = 12.000,00 EUR.
[13 Vanaf het tweede kwartaal 2012 is S1 gelijk aan 12.240,00 EUR.]13
[15 Vanaf het 2e kwartaal 2013 is S1 gelijk aan 13.359,80 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
Vanaf het 1e kwartaal 2014 is S1 gelijk aan 13.401,07 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.]15
[17 Van 1 april 2016 tot 31 december 2017 is S1 gelijk aan 12.484,80 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorieën 2 en 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
Vanaf het eerste kwartaal 2018 is S1 gelijk aan [19 12.990,00]19 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
Vanaf het eerste kwartaal 2018 is S1 gelijk aan 0,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorieën 1 en 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002.]17
[13 bbis) Het bedrag van de loongrens S1, zoals bepaald in dit besluit in uitvoering van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002, wordt verhoogd met 2 % voor elke verhoging van de loongrenzen bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering, ten gevolge van de koppeling aan de index zoals bedoeld in artikel 2, § 2, derde lid, van voornoemde wet van 20 december 1999, met ingang van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin deze loongrenzen verhoogd worden of, indien deze verhoging samenvalt met het begin van een kwartaal, met ingang van dat kwartaal.
Het resultaat van de berekeningen bedoeld in het vorig lid wordt tot de dichtstbijzijnde cent afgerond, waarbij 0,005 EUR naar 0,01 EUR afgerond wordt.
Deze bepaling wordt toegepast vanaf het kwartaal volgend op het kwartaal waarin het bedrag van de loongrens S1 werd vastgesteld in dit besluit, in toepassing van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002. [15 In afwijking op het voorgaande wordt de loongrens S1 die geldt vanaf het 1e kwartaal 2014 voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002 verhoogd met een factor 1,02 voor elke spilindexoverschrijding in de periode van 1 april 2013 tot en met 1 januari 2014.]15
De berekening bedoeld in het eerste lid is kwartaal na kwartaal cumulatief tot een nieuw bedrag S1 wordt vastgesteld in uitvoering van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002.]13
c) S = het refertekwartaalloon, m.a.w. de loonmassa die in aanmerking wordt genomen om het basisbedrag van de vermindering R te bepalen. S wordt op volgende wijze verkregen :
a. voor de uitsluitend in dagen aangegeven tewerkstellingen :
S = W x (13 x D/J)
Het resultaat van de berekening (13 x D/J) wordt afgerond tot op het tweede cijfer na de komma, waarbij 0,005 wordt afgerond op 0,01;
b. voor de tewerkstellingen aangegeven in dagen en uren :
S = W x (13 x U/H)
Het resultaat van de berekening (13 x U/H) wordt afgerond tot op het tweede cijfer na de komma, waarbij 0,005 wordt afgerond op 0,01.
S wordt afgerond tot op de cent, waarbij 0,005 EUR afgerond wordt op 0,01 EUR.
De factor S wordt forfaitair verminderd met 241,70 EUR per tewerkstelling indien, voor de tewerkstelling, één van de verminderingen wordt toegekend voorzien in artikelen 367, 369 of 370 van de programmawet van 24 december 2002.
d) (S0 = de loongrens bedoeld in artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002.
S0 is gelijk aan 5 310,00 EUR voor de kwartalen gelegen in het jaar 2004.
Vanaf het eerste kwartaal 2005 is S0 gelijk aan 5 870,71 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 en 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
Vanaf het eerste kwartaal 2005 is S0 gelijk aan 5 988,12 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.) <KB 2005-11-10/58, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
(Vanaf het eerste kwartaal 2006 is S0 gelijk aan 6157,78 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
Vanaf het eerste kwartaal 2007 is S0 gelijk aan 6260,58 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
Vanaf het eerste kwartaal 2008 is S0 gelijk aan 6230,04 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.) <KB 2007-04-26/62, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
[1 Vanaf het tweede kwartaal 2009 is S0 gelijk aan 7.075,20 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
Vanaf het eerste kwartaal 2010 is S0 gelijk aan 6.611,36 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.]1
[15 Vanaf het eerste kwartaal 2010 tot het vierde kwartaal 2011 is S0 gelijk aan 6.030,00 euro voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de wet van 24 december 2002.]15
[12 Vanaf het eerste kwartaal 2011 is S0 gelijk aan 6.787,67 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
[14 Vanaf het eerste kwartaal 2012 is S0 gelijk aan 6.968,37 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
Vanaf het eerste kwartaal 2013 is S0 gelijk aan [15 7.225,00]15 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.]14]12
[15 Vanaf het 1ste kwartaal van 2013 is S0 gelijk aan 5.900,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
Vanaf het 1ste kwartaal van 2013 is S0 gelijk aan 6.150,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.]15
[15 Vanaf het 2e kwartaal van 2013 is S0 gelijk aan 5.575,93 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.
Vanaf het 1e kwartaal van 2014 is S0 gelijk aan 5.560,49 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002.]15
[17 Vanaf het tweede kwartaal van 2016 is S0 gelijk aan 6.900,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
Vanaf het tweede kwartaal van 2016 is S0 gelijk aan 7.110,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
Vanaf het tweede kwartaal van 2016 is S0 gelijk aan 8.185,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002 waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is en aan 7.500,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is;
Vanaf het eerste kwartaal van 2018 is S0 gelijk aan 8.850,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
Vanaf het eerste kwartaal van 2018 is S0 gelijk aan [19 7400,00]19 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
Vanaf het eerste kwartaal van 2018 is S0 gelijk aan 8.850,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 en waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is en aan 9.450,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is;
Vanaf het eerste kwartaal van 2019 is S0 gelijk aan 9.035,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
Vanaf het eerste kwartaal van 2019 is S0 gelijk aan 7.590,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
Vanaf het eerste kwartaal van 2019 is S0 gelijk aan 9.035,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is en aan [20 9.640,00]20 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is;]17
[21 Vanaf het eerste kwartaal van 2021 is S0 gelijk aan 9.480,90 euro voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is en aan 9.985,80 euro voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is.]21
[14 dbis) Het bedrag van de loongrens S0 [11 ...]11, zoals bepaald in dit besluit in uitvoering van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002, wordt verhoogd met 2 % voor elke verhoging van de loongrenzen bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering, ten gevolge van de koppeling aan de index zoals bedoeld in artikel 2, § 2, derde lid, van voornoemde wet van 20 december 1999 met ingang vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin deze loongrenzen verhoogd worden of, indien deze verhoging samenvalt met het begin van een kwartaal, met ingang vanaf dat kwartaal.
Het resultaat van de berekeningen bedoeld in het vorig lid wordt tot de dichtstbijzijnde cent afgerond, waarbij 0,005 EUR naar 0,01 EUR afgerond wordt.
Deze bepaling wordt toegepast vanaf het kwartaal volgend op het kwartaal waarin het bedrag van de loongrens S0 wordt vastgesteld in dit besluit, in toepassing van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002.
De berekening bedoeld in het eerste lid is kwartaal na kwartaal cumulatief tot een nieuw bedrag S0 wordt vastgesteld in uitvoering van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002.
[15 Laatste lid opgeheven.]15]14
[27 Vanaf het tweede kwartaal 2025 is S0 gelijk aan 9.780,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002.]27
[23 e) S2 = de loongrens bedoeld in artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002.
Vanaf het tweede kwartaal 2022 is S2 gelijk aan 5.889,70 EUR behoudens voor de werkgevers behorende tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 waarvoor S2 gelijk is aan 6.048,89 EUR.
[25 Vanaf het tweede kwartaal 2024 is S2 gelijk aan 6807,18 EUR, voor de werkgevers behorende tot categorie 1 en 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002. Vanaf het tweede kwartaal 2024 is S2 gelijk aan 6.995,54 EUR, voor de werkgevers behorende tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002.]25
[27 Vanaf het tweede kwartaal 2025 is S2 gelijk aan 8.400,00 EUR voor de werkgevers behorende tot categorie 1 en 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002.
Vanaf het derde kwartaal 2025 is S2 gelijk aan 9.360,00 EUR voor de werkgevers behorende tot categorie 1 en 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002. Vanaf het tweede kwartaal 2025 is S2 gelijk aan 9.780,00 EUR voor de werkgevers behorende tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002.]27
f) Het bedrag van de loongrens S2, zoals bepaald in dit besluit in uitvoering van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002, wordt verhoogd met 2 % voor elke verhoging van de loongrenzen bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering, ten gevolge van de koppeling aan de index zoals bedoeld in artikel 2, § 2, derde lid, van voornoemde wet van 20 december 1999 met ingang vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin deze loongrenzen verhoogd worden of, indien deze verhoging samenvalt met het begin van een kwartaal, met ingang vanaf dat kwartaal.
Het resultaat van de berekeningen bedoeld in het vorig lid wordt tot de dichtstbijzijnde cent afgerond, waarbij 0,005 EUR naar 0,01 EUR afgerond wordt.
Deze bepaling wordt toegepast vanaf het kwartaal volgend op het kwartaal waarin het bedrag van de loongrens S2 wordt vastgesteld in dit besluit, in toepassing van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002.
De berekening bedoeld in het eerste lid is kwartaal na kwartaal cumulatief tot een nieuw bedrag S2 wordt vastgesteld in uitvoering van artikel 331, zesde lid, van de wet van 24 december 2002.]23
4° de factoren betreffende de vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen :
a) F = het forfaitaire bedrag bedoeld in artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002.
[17 Van 1 april 2016 tot 31 december 2017 is F gelijk aan 24,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;
Vanaf het eerste kwartaal 2018 is F gelijk aan 49,00 EUR voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002;]17
[21 Vanaf het eerste kwartaal 2021 is F gelijk aan 79,00 euro voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002.
Vanaf het eerste kwartaal 2021 is F gelijk aan 495,00 euro voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 voor wie de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is, zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002.]21
b) G1 = het forfaitaire bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.
c) G2 = het forfaitaire bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.
(cbis ) G3 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.) <KB 2006-07-20/41, art. 1, 1°, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2006>
[14 cter ) G4 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]14
[14 cquater ) G5 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]14
[14 cquinquies ) G6 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]14
[10 csexies [13 G7 is het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]13]10
[14 csepties) G8 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]14
[15 cocties) G9 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]15
[10 cnonies) G10 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002. ]10
[13 cdecies G11 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.
cundecies G12 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.
cduodecies G13 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]13
[16 cterdecies) G14 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]16
[16 cquaterdecies) G15 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]16
[16 cquindecies) G16 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]16
[22 csedecies G18 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]22
[26 cseptemdecies) G20 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.]26
d) R = de basisvermindering van de structurele vermindering bedoeld in hoofdstuk 7 van titel IV van de programmawet van 24 december 2002, per kwartaal, en afhankelijk van de in aanmerking genomen loonmassa S van de tewerkstelling.
e) [11 'α']11 = de coëfficiënt a bedoeld in artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002.
Voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 1 of 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002 bedraagt [11 'α']11 0,1750 voor de kwartalen gelegen in het jaar 2004. Vanaf het eerste kwartaal 2005 is [11 'α']11 gelijk aan 0,1444. (Vanaf het tweede kwartaal 2007 is " alfa " gelijk aan 0,1620.) [15 Voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002 bedraagt 0,1785 vanaf het 2e kwartaal 2013.]15 <KB 2007-04-21/45, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
Voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002 bedraagt [11 'α']11 0,2706 voor de kwartalen gelegen in het jaar 2004. Vanaf het eerste kwartaal 2005 is [11 'α']11 gelijk aan 0,2266. (Vanaf het tweede kwartaal 2007 is " alfa " gelijk aan 0,2467.) <KB 2007-04-21/45, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
[15 Voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet van 24 december 2002 bedraagt 0,2557 vanaf het 2e kwartaal 2013.]15
[27 Voor de tewerkstellingen als werknemer volgens categorie 2 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedraagt 'a' 0,23 vanaf het tweede kwartaal 2025.]27
[17 Voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedraagt 'a' 0,1369 vanaf het tweede kwartaal 2016;
Voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedraagt 'a' 0,1280 vanaf het eerste kwartaal 2018.
Voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedraagt 'a' 0,1400 vanaf het eerste kwartaal 2019;
Voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedraagt 'a' 0,1785 voor de werknemers waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is en 0,1369 voor de werknemers waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is vanaf het tweede kwartaal 2016;
Voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedraagt 'a' 0,1785 voor de werknemers waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is en 0,1280 voor de werknemers waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is vanaf het eerste kwartaal 2018;
Voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorie 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedraagt 'a' 0,1785 voor de werknemers waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is en 0,1400 voor de werknemers waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is vanaf het eerste kwartaal 2019.]17
[23 ebis) {gamma}= de coëfficiënt {gamma} bedoeld in artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002.
Vanaf het tweede kwartaal 2022 bedraagt {gamma} 0,4000.]23
[27 Vanaf het tweede kwartaal 2025 bedraagt [gamma] 0,15 voor categorie 2 en 0,21 voor categorie 1 en 3.
Vanaf het derde kwartaal 2025 bedraagt [gamma] 0,15.
Vanaf het tweede kwartaal 2026 bedraagt [gamma] 0,16.]27
f) 'delta' = de coëfficiënt 'delta' bedoeld in artikel 331 van de programmawet van 24 december 2002.
'delta' bedraagt 0,0173 voor de kwartalen gelegen in het jaar 2004. Vanaf het eerste kwartaal 2005 is 'delta' gelijk aan 0,0600.
[17 Voor de tewerkstellingen als werknemer behorend tot categorieën 1 en 3 zoals bedoeld in artikel 330 van de programmawet (I) van 24 december 2002 is 'delta' gelijk aan 0,00 vanaf het eerste kwartaal 2018.]17
g) [15 G = het hoogste forfaitair bedrag als doelgroepvermindering waarop een werknemer recht geeft afhankelijk van de voorwaarden waaraan hij voldoet. G is gelijk aan [13 G1, G2, G3, G4, G5, G6, G7, G8, G9, G10, G11, G12 [16 , G13, G14, G15 [22 , G16 of G18]22]16]13 zoals bepaald in afdeling 3 van hoofdstuk 7 van titel IV van de wet van 24 december 2002.]15
h) Ps = de uiteindelijk toegestane structurele vermindering, per kwartaal, afhankelijk van de prestatiebreuk 'mu' van de tewerkstelling. Ps mag nooit groter zijn dan R.
i) [15 Pg = de uiteindelijk toegestane doelgroepvermindering, per kwartaal, afhankelijk van de prestatiebreuk 'mu' van de tewerkstelling. Pg mag nooit groter zijn dan G.]15 [13 Pg mag voor de werknemers bedoeld in artikel 353bis/13 van de Programmawet van 24 december 2002 nooit hoger zijn dan 517,00 EUR per kwartaal.]13
(5° de beoordeling van de leeftijd van de werknemer :
voor de toepassing van de doelgroepvermindering bedoeld bij (artikelen 339 en 346) van de programmawet van 24 december 2002 verstaat men onder " leeftijd ", de leeftijd van de werknemer op de laatste dag van het betrokken kwartaal.) <KB 2006-07-20/41, art. 1, 4°, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2006> <KB 2007-06-29/30, art. 1, 3°, 012; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
Wijzigingen
Art. 2. <AR 2004-01-21/33, art. 52, 002; En vigueur : 01-01-2004> Le calcul de la réduction des cotisations visée au chapitre 7 du titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 s'effectue par occupation. Pour ce calcul, on entend par :
1° occupation : une relation de travail comme travailleur salarié, dont les caractéristiques suivantes restent inchangées :
- la catégorie d'employeur, déterminée par l'organisme percepteur des cotisations de sécurité sociale, à laquelle l'employeur appartient;
- la catégorie de travailleurs, déterminée par l'organisme percepteur précité, à laquelle le travailleur appartient;
- la date de début de la relation de travail;
- la date de fin de la relation de travail;
- le numéro de la commission ou de la sous-commission paritaire, compétente pour l'activité exercée;
- le nombre de jours par semaine du régime de travail;
- la durée contractuelle hebdomadaire moyenne de travail du travailleur salarié;
- la durée hebdomadaire moyenne de travail de la personne de référence;
- le type de contrat de travail : Ă temps plein ou Ă temps partiel;
- le cas échéant, le type de mesure de réorganisation du temps de travail, selon laquelle l'occupation a lieu, tel qu'il a été défini par l'organisme percepteur précité;
- le cas échéant, le type de mesure de promotion de l'emploi, selon laquelle l'occupation a lieu, tel qu'il a été défini par l'organisme percepteur précité;
- le cas échéant, le statut spécial du travailleur tel qu'il a été défini par l'organisme percepteur précité;
- le cas échéant, le fait que le travailleur soit pensionné;
- le cas échéant, le type de contrat d'apprentissage, tel qu'il a été défini par l'organisme percepteur précité;
- le cas échéant, les modalités particuliÚres du paiement de la rémunération : à la piÚce, à la tùche, à la prestation, à la commission, telles qu'elles ont été définies par l'organisme percepteur précité;
- pour les travailleurs payĂ©s complĂštement ou partiellement au pourboire, pour les travailleurs occasionnels dans les secteurs de l'horticulture et de l'agriculture et pour les marins-pĂȘcheurs : le numĂ©ro de fonction, tel qu'il a Ă©tĂ© dĂ©fini par l'organisme percepteur prĂ©citĂ©;
- pour les travailleurs des compagnies aériennes, occupés à bord des avions et les pilotes militaires, la catégorie de personnel volant à laquelle ils appartiennent, telle qu'elle a été définie par l'organisme percepteur précité;
- pour le personnel enseignant, les modalités de paiement de la rémunération : en dixiÚmes ou en douziÚmes.
Le changement d'au moins une de ces caractĂ©ristiques entraĂźne une autre occupation du mĂȘme travailleur. Les pĂ©riodes couvertes par une indemnitĂ© de rupture constituent des occupations distinctes des pĂ©riodes couvertes par une rĂ©munĂ©ration pour prestations rĂ©elles.
2° les facteurs relatifs à la durée du travail :
a) J = le nombre de jours de travail d'une occupation qui a Ă©tĂ© dĂ©clarĂ©e exclusivement avec des journĂ©es telles que visĂ©es Ă l'article 24 de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, Ă l'exclusion des jours de vacances lĂ©gales des travailleurs manuels, des jours de "repos compensatoire secteur de la construction" et des jours de vacances complĂ©mentaires octroyĂ©s par convention collective de travail rendue obligatoire, qui ne sont pas payĂ©s par l'employeur [18 et Ă l'exception des prestations dĂ©livrĂ©es dans le cadre du contrat de travail flexi-job, visĂ© Ă l'article 3, 4°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matiĂšre sociale et Ă l'exception des heures supplĂ©mentaires dans le secteur de l'Horeca, visĂ©es Ă l'article 3, 5°, de la mĂȘme loi]18 [28 et Ă l'exception des jours de vacances pris aprĂšs l'annĂ©e de vacances en application de l'article 64, 1°/1, de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 1967 dĂ©terminant les modalitĂ©s gĂ©nĂ©rales d'exĂ©cution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariĂ©s]28.
Les jours couverts par une indemnité de rupture ne sont pas pris en compte dans le calcul de J.
b) X = J, plus les jours de vacances lĂ©gales des travailleurs manuels, plus les jours de "repos compensatoire secteur de la construction", plus les jours de l'occupation tels que visĂ©s Ă l'article 50 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et les journĂ©es de vacances complĂ©mentaires octroyĂ©es par convention collective du travail rendue obligatoire, qui ne sont pas payĂ©es par l'employeur [28 , plus les jours de vacances pris aprĂšs l'annĂ©e de vacances en application de l'article 64, 1°/1, de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 1967 prĂ©citĂ©]28.
Ces jours sont pris en considération pour autant qu'ils se situent dans une période d'occupation du travailleur.
c) H = le nombre d'heures de travail d'une occupation qui a été déclarée en jours et en heures conformément au facteur J défini ci-dessus.
d) Z = le nombre d'heures de travail d'une occupation qui a été déclarée en jours et en heures conformément au facteur X défini ci-dessus.
e) U = le nombre moyen d'heures par semaine, de la personne de référence.
f) D = le nombre de jours par semaine du régime de travail.
g) ÎŒ = la fraction des prestations. ÎŒ est dĂ©terminĂ© de la façon suivante :
pour les occupations qui sont exclusivement déclarées en jours :
Ό = X/13 x D
pour les occupations qui sont déclarées en jours et en heures :
Ό = Z/13 x U
ÎŒ est arrondi Ă la deuxiĂšme dĂ©cimale aprĂšs la virgule, 0,005 Ă©tant arrondi vers le haut.
h) ÎŒ (glob) = la somme de toutes les occupations d'un travailleur auprĂšs d'un mĂȘme employeur pendant un trimestre.
i) [15 beta = le facteur de multiplication fixe visé aux articles 332 et 337 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
Lorsque mu(glob) est supérieur ou égal à 0,80, alors beta est égal à 1/mu(glob).
Ce qui suit est valable pour la rĂ©duction structurelle telle que visĂ©e au Titre II de cet arrĂȘtĂ© :
- lorsque mu(glob) est inférieur à 0,55, alors beta est égal à 1,18;
- lorsque mu(glob) est supérieur ou égal à 0,55 et inférieur à 0,80, alors beta est égal à 1,18 + ((mu(glob) - 0,55)* 0,28).
Ce qui est valable pour la rĂ©duction groupe cible telle que visĂ©e au Titre III de cet arrĂȘtĂ© :
- lorsque mu(glob) est inférieur à 0,55, alors beta est égal à 1;
- lorsque mu(glob) est supérieur ou égal à 0,55 et inférieur à 0,80, alors beta est égal à 1 + (mu(glob) - 0,55).
Si mu(glob) est inférieur à 0,275, alors beta de chaque occupation est considéré comme étant égal à zéro, aussi bien pour la réduction structurelle que pour la réduction groupe cible, sauf :
- pour les occupations d'un travailleur appartenant à la catégorie 3 visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002;
- Ă partir du 1er avril 2004, pour les occupations Ă temps plein;
- à partir du 1er avril 2004, pour les occupations à temps partiel dont la durée du travail hebdomadaire moyenne contractuelle du travailleur s'élÚve au moins à la moitié de la durée du travail hebdomadaire moyenne de la personne de référence; il est tenu compte de la durée du travail telle qu'elle est mentionnée dans la déclaration trimestrielle à l'institution chargée de la perception des cotisations de sécurité sociale;
- en ce qui concerne la réduction structurelle, à partir du 1er avril 2007, pour les occupations d'un travailleur auprÚs d'un employeur qui relÚve de la Commission paritaire de l'industrie hÎteliÚre;
[12 - A partir du 1er janvier 2014, pour les occupations d'un travailleur visé aux articles 353bis/9 et 353bis/10 de la loi-programme du 24 décembre 2002;
- A partir du 1er janvier 2014, pour les occupations d'un travailleur visé à l'article 353bis/13 de la Loi-programme du 24 décembre 2002;
- A partir du 1er janvier 2014, pour les occupations d'un travailleur visé à l'article 353bis/14 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]12
beta n'est jamais arrondi.]15
3° les facteurs relatifs à la rémunération :
a) W = la masse salariale dĂ©clarĂ©e trimestriellement par occupation (Ă 100 % ), Ă l'exception des indemnitĂ©s payĂ©es en raison de la rupture du contrat de travail et exprimĂ©es en temps de travail, ainsi que des primes de fin d'annĂ©e payĂ©es Ă l'intervention d'un tiers. [28 , ainsi que le pĂ©cule de vacances visĂ© Ă l'article 67bis, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 1967 prĂ©citĂ©.]28
(Le simple pĂ©cule de sortie visĂ© Ă l'article 23bis, § 1er, 3°, de la loi du 29 juin 1981 Ă©tablissant les principes gĂ©nĂ©raux de la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs salariĂ©s [24 et le solde positif du dĂ©compte final du pĂ©cule de vacances de dĂ©part dans le simple pĂ©cule de vacances du travailleur, tel que visĂ© aux articles 48, alinĂ©a 4, et 49, alinĂ©a 4, de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 1967 dĂ©terminant les modalitĂ©s gĂ©nĂ©rales d'exĂ©cution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariĂ©s, ne font pas]24 partie de cette masse salariale. Fait par contre partie de cette masse salariale la partie du pĂ©cule correspondant au salaire normal pour les jours de vacances visĂ©s Ă l'article 19, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs qui a Ă©tĂ© payĂ©e anticipativement par l'ancien employeur.) <L 2006-12-27/30, art. 262, 035; En vigueur : 07-01-2007, en ce qui concerne le pĂ©cule de sortie payĂ© aprĂšs le 31 dĂ©cembre 2006, voir L 2006-12-27/30, art. 187>
Les employeurs liĂ©s par une convention collective de travail conclue au sein d'un organe paritaire avant le 1er janvier 1994 et rendue obligatoire par arrĂȘtĂ© royal, prĂ©voyant l'octroi d'indemnitĂ©s pour des heures qui ne constituent pas des heures de travail au sens de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, doivent soustraire ces indemnitĂ©s de la masse salariale dĂ©clarĂ©e pour l'occupation.
La masse salariale de chaque occupation du quatriÚme trimestre de chaque année est multipliée par 1,25 pour les catégories de travailleurs pour lesquels les primes de fin d'année sont payées à l'intervention d'un tiers. Toutefois, pour les travailleurs intérimaires occupés par une entreprise de travail intérimaire, la masse salariale de chaque occupation du premier trimestre est multiplié par 1,15. Les résultats de ces multiplications sont arrondis au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
b) S1 = le plafond salarial S1 visé à l'article 331 de la loi-programme du 24 décembre 2002; S1 = 12.000,00 EUR.
[13 A partir du deuxiÚme trimestre 2012, S1 est égal à 12.240,00 EUR.]13
[15 A partir du 2e trimestre 2013, S1 est égal à 13.359,80 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
A partir du 1er trimestre 2014, S1 est égal à 13.401,07 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]15
[17 Du 1er avril 2016 au 31 décembre 2017, S1 est égal à 12.484,80 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant les catégories 2 et 3 telle que visées à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
A partir du premier trimestre 2018, S1 est égal à [19 12.990,00]19 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
A partir du premier trimestre 2018, S1 est égal à 0,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant les catégories 1 et 3 telle que visées à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.]17
[13 bbis) Le montant du plafond salarial S1, comme dĂ©terminĂ© par le prĂ©sent arrĂȘtĂ© en exĂ©cution de l'article 331, alinĂ©a 6, de la loi du 24 dĂ©cembre 2002, est augmentĂ© de 2 % pour chaque augmentation des plafonds salariaux visĂ©s Ă l'article 2 de la loi du 20 dĂ©cembre 1999 visant Ă octroyer un bonus Ă l'emploi sous la forme d'une rĂ©duction des cotisations personnelles de sĂ©curitĂ© sociale aux travailleurs salariĂ©s ayant un bas salaire et Ă certains travailleurs qui ont Ă©tĂ© victimes d'une restructuration, rĂ©sultant de la liaison Ă l'index visĂ©e Ă l'article 2, § 2, alinĂ©a 3, de la loi du 20 dĂ©cembre 1999 prĂ©citĂ©e, Ă partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ces plafonds salariaux sont augmentĂ©s ou, si cette augmentation coĂŻncide avec le dĂ©but d'un trimestre, Ă partir de ce trimestre.
Le résultat du calcul visé à l'alinéa précédent, est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
Cette disposition est appliquĂ© Ă partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel le montant du plafond salarial S1 est dĂ©terminĂ© par le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, en exĂ©cution de l'article 331, alinĂ©a 6, de la loi du 24 dĂ©cembre 2002. [15 Contrairement Ă ce qui prĂ©cĂšde, le montant du plafond salarial S1 qui est d'application dĂšs le 1er trimestre 2014 pour les occupations en qualitĂ© de travailleur suivant la catĂ©gorie 1 telle que visĂ©e Ă l'article 330 de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 est augmentĂ© d'un facteur 1,02 pour chaque dĂ©passement de l'index pivot dans la pĂ©riode du 1er avril 2013 jusqu'au 1er janvier 2014 inclus.]15
Le calcul, visé à l'alinéa 1er, est cumulatif trimestre par trimestre jusqu'à ce qu'un nouveau montant S1 soit déterminé en exécution de l'article 331, alinéa 6, de la loi du 24 décembre 2002.]13
c) S = le salaire de référence du trimestre, c'est-à -dire la masse salariale prise en compte pour déterminer le montant de base R de la réduction. S s'obtient de la maniÚre suivante :
a. pour les occupations déclarées exclusivement en jours :
S = W x (13 x D/J)
Le résultat du calcul (13 x D/J) est arrondi au second chiffre aprÚs la virgule, 0,005 étant arrondi à 0,01;
b. pour les occupations déclarées en jours et en heures :
S = W x (13 x U/H)
Le résultat du calcul (13 x U/H) est arrondi au second chiffre aprÚs la virgule, 0,005 étant arrondi à 0,01.
S est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
Le facteur S est diminué forfaitairement de 241,70 EUR par trimestre lorsque, pour l'occupation, est octroyée une des réductions prévues par les articles 367, 369 ou 370 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
d) (S0 = le plafond salarial visé à l'article 331 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
S0 est égal à 5 310,00 EUR pour les trimestres de l'année 2004.
A partir du premier trimestre 2005, S0 est égal à 5 870,71 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant les catégories 1 et 2 telles que visées à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
A partir du premier trimestre 2005, S0 est égal à 5 988,12 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.) <AR 2005-11-10/58, art. 1, 003; En vigueur : 01-01-2005>
(A partir du premier trimestre 2006, S0 est égal à 6157,78 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.
A partir du premier trimestre 2007, S0 est égal à 6260,58 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.
A partir du premier trimestre 2008, S0 est égal à 6230,04 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.) <AR 2007-04-26/62, art. 1, 010; En vigueur : 01-01-2006>
[1 A partir du deuxiÚme trimestre 2009, S0 est égal à 7.075,20 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.
A partir du premier trimestre 2010, S0 est égal à 6.611,36 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.]1
[15 A partir du premier trimestre 2010 et jusqu'au quatriÚme trimestre 2011, S0 est égal à 6.030,00 euro pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi du 24 décembre 2002.]15
[12 A partir du premier trimestre 2011, S0 est égal à 6.787,67 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.
[14 A partir du premier trimestre 2012, S0 est égal à 6.968,37 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.
A partir du premier trimestre 2013, S0 est égal à [15 7.225,00]15 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.]14]12
[15 A partir du 1er trimestre 2013, S0 est égal à 5.900,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
A partir du 1er trimestre 2013, S0 est égal à 6.150,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]15
[15 A partir du 2e trimestre 2013, S0 est égal à 5.575,93 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
A partir du 1er trimestre 2014, S0 est égal à 5.560,49 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]15
[17 A partir du 2e trimestre 2016, S0 est égal à 6.900,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
A partir du 2e trimestre 2016, S0 est égal à 7.110,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
A partir du 2e trimestre 2016, S0 est égal à 8.185,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur n'est pas redevable de la cotistation de modération salariale et à 7.500,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur est redevable de la cotisation de modération salariale;
A partir du 1er trimestre 2018, S0 est égal à 8.850,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
A partir du 1er trimestre 2018, S0 est égal à [19 7400,00 ]19 pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
A partir du 1er trimestre 2018, S0 est égal à 8.850,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur n'est pas redevable de la cotistation de modération salariale et à 9.450,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur est redevable de la cotisation de modération salariale;
A partir du 1er trimestre 2019, S0 est égal à 9.035,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
A partir du 1er trimestre 2019, S0 est égal à 7.590,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
A partir du 1er trimestre 2019, S0 est égal à 9.035,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur n'est pas redevable de la cotistation de modération salariale et à [20 9.640,00]20 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur est redevable de la cotisation de modération salariale;]17
[21 A partir du 1er trimestre 2021, S0 est égal à 9.480,90 d'euros pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur n'est pas redevable de la cotistation de modération salariale et à 9.985,80 d'euros pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur est redevable de la cotisation de modération salariale.]21
[27 A partir du deuxiÚme trimestre 2025 le S0 est égal à 9.780,00 EUR, pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.]27
[14 dbis) Le montant du plafond salarial S0 [11 ...]11, comme dĂ©terminĂ© par le prĂ©sent arrĂȘtĂ© en exĂ©cution de l'article 331, alinĂ©a 6, de la loi du 24 dĂ©cembre 2002, est augmentĂ© de 2 %, pour chaque augmentation des plafonds salariaux visĂ©s Ă l'article 2 de la loi du 20 dĂ©cembre 1999 visant Ă octroyer un bonus Ă l'emploi sous la forme d'une rĂ©duction des cotisations personnelles de sĂ©curitĂ© sociale aux travailleurs salariĂ©s ayant un bas salaire et Ă certains travailleurs qui ont Ă©tĂ© victimes d'une restructuration, rĂ©sultant de la liaison Ă l'index visĂ©e Ă l'article 2, § 2, alinĂ©a 3, de la loi du 20 dĂ©cembre 1999 prĂ©citĂ©e, Ă partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ces plafonds salariaux sont augmentĂ©s ou, si cette augmentation coĂŻncide avec le dĂ©but d'un trimestre, Ă partir de cette trimestre.
Le résultat du calcul visé à l'alinéa précédent, est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
Cette disposition est appliquĂ©e Ă partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel le montant du plafond salarial S0 est dĂ©terminĂ© par le prĂ©sent arrĂȘtĂ© en exĂ©cution de l'article 331, alinĂ©a 6, de la loi du 24 dĂ©cembre 2002.
Le calcul visé à l'alinéa 1er, est cumulatif trimestre par trimestre jusqu'à ce qu'un nouveau montant S0 soit déterminé en exécution de l'article 331, alinéa 6, de la loi du 24 décembre 2002.
[15 Dernier alinéa abrogé.]15]14
[23 e) S2 = le plafond salarial S1 visé à l'article 331 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
A partir du deuxiÚme trimestre 2022, S2 est égal à 5.889,70,00 EUR, sauf pour les employeurs de la catégorie 2, visée à l'article 330 de la loi programme (I) du 24 décembre 2002 pour lesquels S2 est égal à 6.048,89 EUR.
[25 A partir du deuxiÚme trimestre 2024 le S2 est égal à 6807,18 EUR, pour les employeurs de la catégorie 1 et 3, visée à l'article 330 de la loi programme (I) du 24 décembre 2002. A partir du deuxiÚme trimestre 2024 le S2 est égal à 6.995,54 EUR, pour les employeurs de la catégorie 2, visée à l'article 330 de la loi programme (I) du 24 décembre 2002.]25
[27 A partir du deuxiÚme trimestre 2025, le S2 est égal à 8.400,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 1 et 3, visées à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.
A partir du troisiÚme trimestre 2025, le S2 est égal à 9.360,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 1 et 3, visées à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002. A partir du deuxiÚme trimestre 2025, le S2 est égal à 9.780,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2, visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.]27
f) Le montant du plafond salarial S2, comme dĂ©terminĂ© par le prĂ©sent arrĂȘtĂ© en exĂ©cution de l'article 331, alinĂ©a 6, de la loi du 24 dĂ©cembre 2002, est augmentĂ© de 2 % pour chaque augmentation des plafonds salariaux visĂ©s Ă l'article 2 de la loi du 20 dĂ©cembre 1999 visant Ă octroyer un bonus Ă l'emploi sous la forme d'une rĂ©duction des cotisations personnelles de sĂ©curitĂ© sociale aux travailleurs salariĂ©s ayant un bas salaire et Ă certains travailleurs qui ont Ă©tĂ© victimes d'une restructuration, rĂ©sultant de la liaison Ă l'index visĂ©e Ă l'article 2, § 2, alinĂ©a 3, de la loi du 20 dĂ©cembre 1999 prĂ©citĂ©e, Ă partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ces plafonds salariaux sont augmentĂ©s ou, si cette augmentation coĂŻncide avec le dĂ©but d'un trimestre, Ă partir de ce trimestre.
Le résultat du calcul visé à l'alinéa précédent, est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
Cette disposition est appliquĂ©e Ă partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel le montant du plafond salarial S2 est dĂ©terminĂ© par le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, en exĂ©cution de l'article 331, alinĂ©a 6, de la loi du 24 dĂ©cembre 2002.
Le calcul, visé à l'alinéa 1er, est cumulatif trimestre par trimestre jusqu'à ce qu'un nouveau montant S2 soit déterminé en exécution de l'article 331, alinéa 6, de la loi du 24 décembre 2002.]23
4° les facteurs relatifs à la réduction des cotisations de sécurité sociale :
a) F = le montant forfaitaire visé à l'article 331 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
[17 Du 1er avril 2016 au 31 décembre 2017, F est égal à 24,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
A partir du premier trimestre 2018, F est égal à 49,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;]17
[21 A partir du premier trimestre 2021, F est égal à 79,00 d'euros pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.
A partir du premier trimestre 2021, F est égal à 495,00 d'euros pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 pour lequel la cotisation de modération salariale n'est pas due, telle que visée à l'article 330 de la la loi-programme (I) du 24 décembre 2002. ]21
b) G1 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
c) G2 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
(cbis ) G3 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.) <AR 2006-07-20/41, art. 1, 1°, 004; En vigueur : 01-07-2006>
[14 cter ) G4 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]14
[14 cquater ) G5 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]14
[14 cquinquies ) G6 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]14
[10 csexies [13 G7 est le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]13]10
[14 csepties) G8 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]14
[15 cocties) G9 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]15
[10 cnonies) G10 : le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]10
[13 cdecies) G11 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002. ";
3° cundecies) G12 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002. ";
4° cduodecies) G13 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]13
[16 cterdecies) G14 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]16
[16 cquaterdecies) G15 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]16
[16 cquindecies) G16 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]16
[22 csedecies G18 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]22
[26 cseptemdecies) G20 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]26
d) R = la réduction de base de la réduction structurelle visée au chapitre 7 du titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002, par trimestre, dépendant de la masse salariale S de l'occupation prise en compte.
e) [11 'α' ]11 = le coefficient a tel que visé à l'article 331 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
Pour les occupations en tant que travailleur salarié selon la catégorie 1 ou 3 visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002, [11 'α' ]11 s'élÚve à 0,1750 pour les trimestres situés dans l'année 2004. A partir du premier trimestre 2005, [11 'α' ]11 est égal à 0,1444. (A partir du deuxiÚme trimestre 2007 " alpha " est égal à 0,1620.) [15 Pour les occupations en tant que travailleur salarié selon la catégorie 3 visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002, s'élÚve à 0,1785 à partir du 2e trimestre 2013.]15 <AR 2007-04-21/45, art. 1, 009; En vigueur : 01-04-2007>
Pour les occupations en tant que travailleur salarié selon la catégorie 2 visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002, [11 'α' ]11 s'élÚve à 0,2706 pour les trimestres situés dans l'année 2004. A partir du premier trimestre 2005, [11 'α' ]11 est égal à 0,2266. (A partir du deuxiÚme trimestre 2007 " alpha " est égal à 0,2467.) <AR 2007-04-21/45, art. 1, 009; En vigueur : 01-04-2007>
[15 Pour les occupations en tant que travailleur salarié selon la catégorie 2 visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002, s'élÚve à 0,2557 à partir du 2e trimestre 2013.]15
[27 Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant de la catégorie 2 visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, 'a' s'élÚve à 0,23 à partir du deuxiÚme trimestre 2025;]27
[17 Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant de la catégorie 1 visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, 'a' s'élÚve à 0,1369 à partir du 2iÚme trimestre 2016;
Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant de la catégorie 1 visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, 'a' s'élÚve à 0,1280 à partir du 1er trimestre 2018;
Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant de la catégorie 1 visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, 'a' s'élÚve à 0,1400 à partir du 1er trimestre 2019;
Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant de la catégorie 3 visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, 'a' s'élÚve, à partir du 2iÚme trimestre 2016, à 0,1785 pour les travailleurs pour lesquels l'employeur n'est pas redevable de la cotistation de modération salariale et à 0,1369 pour les travailleurs pour lesquels l'employeur est redevable de la cotisation de modération salariale;
Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant de la catégorie 3 visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, 'a' s'élÚve à 0,1785 pour les travailleurs pour lesquels l'employeur n'est pas redevable de la cotistation de modération salariale et à 0,1280 pour les travailleurs pour lesquels l'employeur sont redevables de la cotisation de modération salariale à partir du 1er trimestre 2018;
Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant de la catégorie 3 visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, 'a' s'élÚve à 0,1785 pour les travailleurs pour lesquels l'employeur n'est pas redevable de la cotisation de modération salariale et à 0,1400 pour les travailleurs pour lesquels l'employeur est redevable de la cotisation de modération salariale à partir du 1er trimestre 2019.]17
[23 ebis) {gamma} = le coefficient {gamma} visé à l'article 331 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
A partir du 2iÚme trimestre 2022 {gamma} s'élÚve à 0,4000.]23
[27 A partir du deuxiÚme trimestre 2025 [gamma] s'élÚve à 0,15 pour la catégorie 2 et à 0,21 pour les catégories 1 et 3.
A partir du troisiÚme trimestre 2025 [gamma] s'élÚve à 0,15.
A partir du deuxiÚme trimestre 2026 [gamma] s'élÚve à 0,16.]27
f) Π= le coefficient visé à l'article 331 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
Πs'élÚve à 0,0173 pour les trimestres situés dans l'année 2004. A partir du premier trimestre 2005, Πest égal à 0,0600.
[17 Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant à catégories 1 et 3 visées à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, Πest égal à 0,00 à partir du premier trimestre 2018.]17
g) [15 G = le montant forfaitaire maximum comme réduction groupe-cible auquel un travailleur à droit tenant compte des conditions auxquelles il satisfait. G est égal à [13 G1, G2, G3, G4, G5, G6, G7, G8, G9, G10, G11, G12 [16 , G13, G14, G15 [22 , G16 ou G18]22]16]13 tel que défini à la section 3 du chapitre 7 du titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002.]15
h) Ps = la rĂ©duction structurelle finalement octroyĂ©e, par trimestre, tenant compte de la fraction des prestations ÎŒ de l'occupation. Ps ne peut jamais ĂȘtre supĂ©rieur Ă R.
i) [15 Pg = la rĂ©duction groupe-cible finalement octroyĂ©e, par trimestre, tenant compte de la fraction des prestations ÎŒ de l'occupation. Pg ne peut jamais ĂȘtre supĂ©rieure Ă G. [13 Pg pour les travailleurs visĂ©s Ă l'article 353bis/13 de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 ne peut jamais ĂȘtre supĂ©rieur Ă 517,00 EUR par trimestre.]13]15
(5° l'appréciation de l'ùge du travailleur :
pour l'application de la réduction groupe cible visée à (les articles 339 et 346) de la loi-programme du 24 décembre 2002, on entend par " ùge ", l'ùge du travailleur le dernier jour du trimestre concerné.) <AR 2006-07-20/41, art. 1, 4°, 004; En vigueur : 01-07-2006> <AR 2007-06-29/30, art. 1, 3°, 012; En vigueur : 01-04-2007>
1° occupation : une relation de travail comme travailleur salarié, dont les caractéristiques suivantes restent inchangées :
- la catégorie d'employeur, déterminée par l'organisme percepteur des cotisations de sécurité sociale, à laquelle l'employeur appartient;
- la catégorie de travailleurs, déterminée par l'organisme percepteur précité, à laquelle le travailleur appartient;
- la date de début de la relation de travail;
- la date de fin de la relation de travail;
- le numéro de la commission ou de la sous-commission paritaire, compétente pour l'activité exercée;
- le nombre de jours par semaine du régime de travail;
- la durée contractuelle hebdomadaire moyenne de travail du travailleur salarié;
- la durée hebdomadaire moyenne de travail de la personne de référence;
- le type de contrat de travail : Ă temps plein ou Ă temps partiel;
- le cas échéant, le type de mesure de réorganisation du temps de travail, selon laquelle l'occupation a lieu, tel qu'il a été défini par l'organisme percepteur précité;
- le cas échéant, le type de mesure de promotion de l'emploi, selon laquelle l'occupation a lieu, tel qu'il a été défini par l'organisme percepteur précité;
- le cas échéant, le statut spécial du travailleur tel qu'il a été défini par l'organisme percepteur précité;
- le cas échéant, le fait que le travailleur soit pensionné;
- le cas échéant, le type de contrat d'apprentissage, tel qu'il a été défini par l'organisme percepteur précité;
- le cas échéant, les modalités particuliÚres du paiement de la rémunération : à la piÚce, à la tùche, à la prestation, à la commission, telles qu'elles ont été définies par l'organisme percepteur précité;
- pour les travailleurs payĂ©s complĂštement ou partiellement au pourboire, pour les travailleurs occasionnels dans les secteurs de l'horticulture et de l'agriculture et pour les marins-pĂȘcheurs : le numĂ©ro de fonction, tel qu'il a Ă©tĂ© dĂ©fini par l'organisme percepteur prĂ©citĂ©;
- pour les travailleurs des compagnies aériennes, occupés à bord des avions et les pilotes militaires, la catégorie de personnel volant à laquelle ils appartiennent, telle qu'elle a été définie par l'organisme percepteur précité;
- pour le personnel enseignant, les modalités de paiement de la rémunération : en dixiÚmes ou en douziÚmes.
Le changement d'au moins une de ces caractĂ©ristiques entraĂźne une autre occupation du mĂȘme travailleur. Les pĂ©riodes couvertes par une indemnitĂ© de rupture constituent des occupations distinctes des pĂ©riodes couvertes par une rĂ©munĂ©ration pour prestations rĂ©elles.
2° les facteurs relatifs à la durée du travail :
a) J = le nombre de jours de travail d'une occupation qui a Ă©tĂ© dĂ©clarĂ©e exclusivement avec des journĂ©es telles que visĂ©es Ă l'article 24 de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, Ă l'exclusion des jours de vacances lĂ©gales des travailleurs manuels, des jours de "repos compensatoire secteur de la construction" et des jours de vacances complĂ©mentaires octroyĂ©s par convention collective de travail rendue obligatoire, qui ne sont pas payĂ©s par l'employeur [18 et Ă l'exception des prestations dĂ©livrĂ©es dans le cadre du contrat de travail flexi-job, visĂ© Ă l'article 3, 4°, de la loi du 16 novembre 2015 portant des dispositions diverses en matiĂšre sociale et Ă l'exception des heures supplĂ©mentaires dans le secteur de l'Horeca, visĂ©es Ă l'article 3, 5°, de la mĂȘme loi]18 [28 et Ă l'exception des jours de vacances pris aprĂšs l'annĂ©e de vacances en application de l'article 64, 1°/1, de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 1967 dĂ©terminant les modalitĂ©s gĂ©nĂ©rales d'exĂ©cution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariĂ©s]28.
Les jours couverts par une indemnité de rupture ne sont pas pris en compte dans le calcul de J.
b) X = J, plus les jours de vacances lĂ©gales des travailleurs manuels, plus les jours de "repos compensatoire secteur de la construction", plus les jours de l'occupation tels que visĂ©s Ă l'article 50 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et les journĂ©es de vacances complĂ©mentaires octroyĂ©es par convention collective du travail rendue obligatoire, qui ne sont pas payĂ©es par l'employeur [28 , plus les jours de vacances pris aprĂšs l'annĂ©e de vacances en application de l'article 64, 1°/1, de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 1967 prĂ©citĂ©]28.
Ces jours sont pris en considération pour autant qu'ils se situent dans une période d'occupation du travailleur.
c) H = le nombre d'heures de travail d'une occupation qui a été déclarée en jours et en heures conformément au facteur J défini ci-dessus.
d) Z = le nombre d'heures de travail d'une occupation qui a été déclarée en jours et en heures conformément au facteur X défini ci-dessus.
e) U = le nombre moyen d'heures par semaine, de la personne de référence.
f) D = le nombre de jours par semaine du régime de travail.
g) ÎŒ = la fraction des prestations. ÎŒ est dĂ©terminĂ© de la façon suivante :
pour les occupations qui sont exclusivement déclarées en jours :
Ό = X/13 x D
pour les occupations qui sont déclarées en jours et en heures :
Ό = Z/13 x U
ÎŒ est arrondi Ă la deuxiĂšme dĂ©cimale aprĂšs la virgule, 0,005 Ă©tant arrondi vers le haut.
h) ÎŒ (glob) = la somme de toutes les occupations d'un travailleur auprĂšs d'un mĂȘme employeur pendant un trimestre.
i) [15 beta = le facteur de multiplication fixe visé aux articles 332 et 337 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
Lorsque mu(glob) est supérieur ou égal à 0,80, alors beta est égal à 1/mu(glob).
Ce qui suit est valable pour la rĂ©duction structurelle telle que visĂ©e au Titre II de cet arrĂȘtĂ© :
- lorsque mu(glob) est inférieur à 0,55, alors beta est égal à 1,18;
- lorsque mu(glob) est supérieur ou égal à 0,55 et inférieur à 0,80, alors beta est égal à 1,18 + ((mu(glob) - 0,55)* 0,28).
Ce qui est valable pour la rĂ©duction groupe cible telle que visĂ©e au Titre III de cet arrĂȘtĂ© :
- lorsque mu(glob) est inférieur à 0,55, alors beta est égal à 1;
- lorsque mu(glob) est supérieur ou égal à 0,55 et inférieur à 0,80, alors beta est égal à 1 + (mu(glob) - 0,55).
Si mu(glob) est inférieur à 0,275, alors beta de chaque occupation est considéré comme étant égal à zéro, aussi bien pour la réduction structurelle que pour la réduction groupe cible, sauf :
- pour les occupations d'un travailleur appartenant à la catégorie 3 visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002;
- Ă partir du 1er avril 2004, pour les occupations Ă temps plein;
- à partir du 1er avril 2004, pour les occupations à temps partiel dont la durée du travail hebdomadaire moyenne contractuelle du travailleur s'élÚve au moins à la moitié de la durée du travail hebdomadaire moyenne de la personne de référence; il est tenu compte de la durée du travail telle qu'elle est mentionnée dans la déclaration trimestrielle à l'institution chargée de la perception des cotisations de sécurité sociale;
- en ce qui concerne la réduction structurelle, à partir du 1er avril 2007, pour les occupations d'un travailleur auprÚs d'un employeur qui relÚve de la Commission paritaire de l'industrie hÎteliÚre;
[12 - A partir du 1er janvier 2014, pour les occupations d'un travailleur visé aux articles 353bis/9 et 353bis/10 de la loi-programme du 24 décembre 2002;
- A partir du 1er janvier 2014, pour les occupations d'un travailleur visé à l'article 353bis/13 de la Loi-programme du 24 décembre 2002;
- A partir du 1er janvier 2014, pour les occupations d'un travailleur visé à l'article 353bis/14 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]12
beta n'est jamais arrondi.]15
3° les facteurs relatifs à la rémunération :
a) W = la masse salariale dĂ©clarĂ©e trimestriellement par occupation (Ă 100 % ), Ă l'exception des indemnitĂ©s payĂ©es en raison de la rupture du contrat de travail et exprimĂ©es en temps de travail, ainsi que des primes de fin d'annĂ©e payĂ©es Ă l'intervention d'un tiers. [28 , ainsi que le pĂ©cule de vacances visĂ© Ă l'article 67bis, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 1967 prĂ©citĂ©.]28
(Le simple pĂ©cule de sortie visĂ© Ă l'article 23bis, § 1er, 3°, de la loi du 29 juin 1981 Ă©tablissant les principes gĂ©nĂ©raux de la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs salariĂ©s [24 et le solde positif du dĂ©compte final du pĂ©cule de vacances de dĂ©part dans le simple pĂ©cule de vacances du travailleur, tel que visĂ© aux articles 48, alinĂ©a 4, et 49, alinĂ©a 4, de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 1967 dĂ©terminant les modalitĂ©s gĂ©nĂ©rales d'exĂ©cution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariĂ©s, ne font pas]24 partie de cette masse salariale. Fait par contre partie de cette masse salariale la partie du pĂ©cule correspondant au salaire normal pour les jours de vacances visĂ©s Ă l'article 19, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs qui a Ă©tĂ© payĂ©e anticipativement par l'ancien employeur.) <L 2006-12-27/30, art. 262, 035; En vigueur : 07-01-2007, en ce qui concerne le pĂ©cule de sortie payĂ© aprĂšs le 31 dĂ©cembre 2006, voir L 2006-12-27/30, art. 187>
Les employeurs liĂ©s par une convention collective de travail conclue au sein d'un organe paritaire avant le 1er janvier 1994 et rendue obligatoire par arrĂȘtĂ© royal, prĂ©voyant l'octroi d'indemnitĂ©s pour des heures qui ne constituent pas des heures de travail au sens de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, doivent soustraire ces indemnitĂ©s de la masse salariale dĂ©clarĂ©e pour l'occupation.
La masse salariale de chaque occupation du quatriÚme trimestre de chaque année est multipliée par 1,25 pour les catégories de travailleurs pour lesquels les primes de fin d'année sont payées à l'intervention d'un tiers. Toutefois, pour les travailleurs intérimaires occupés par une entreprise de travail intérimaire, la masse salariale de chaque occupation du premier trimestre est multiplié par 1,15. Les résultats de ces multiplications sont arrondis au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
b) S1 = le plafond salarial S1 visé à l'article 331 de la loi-programme du 24 décembre 2002; S1 = 12.000,00 EUR.
[13 A partir du deuxiÚme trimestre 2012, S1 est égal à 12.240,00 EUR.]13
[15 A partir du 2e trimestre 2013, S1 est égal à 13.359,80 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
A partir du 1er trimestre 2014, S1 est égal à 13.401,07 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]15
[17 Du 1er avril 2016 au 31 décembre 2017, S1 est égal à 12.484,80 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant les catégories 2 et 3 telle que visées à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
A partir du premier trimestre 2018, S1 est égal à [19 12.990,00]19 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
A partir du premier trimestre 2018, S1 est égal à 0,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant les catégories 1 et 3 telle que visées à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.]17
[13 bbis) Le montant du plafond salarial S1, comme dĂ©terminĂ© par le prĂ©sent arrĂȘtĂ© en exĂ©cution de l'article 331, alinĂ©a 6, de la loi du 24 dĂ©cembre 2002, est augmentĂ© de 2 % pour chaque augmentation des plafonds salariaux visĂ©s Ă l'article 2 de la loi du 20 dĂ©cembre 1999 visant Ă octroyer un bonus Ă l'emploi sous la forme d'une rĂ©duction des cotisations personnelles de sĂ©curitĂ© sociale aux travailleurs salariĂ©s ayant un bas salaire et Ă certains travailleurs qui ont Ă©tĂ© victimes d'une restructuration, rĂ©sultant de la liaison Ă l'index visĂ©e Ă l'article 2, § 2, alinĂ©a 3, de la loi du 20 dĂ©cembre 1999 prĂ©citĂ©e, Ă partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ces plafonds salariaux sont augmentĂ©s ou, si cette augmentation coĂŻncide avec le dĂ©but d'un trimestre, Ă partir de ce trimestre.
Le résultat du calcul visé à l'alinéa précédent, est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
Cette disposition est appliquĂ© Ă partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel le montant du plafond salarial S1 est dĂ©terminĂ© par le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, en exĂ©cution de l'article 331, alinĂ©a 6, de la loi du 24 dĂ©cembre 2002. [15 Contrairement Ă ce qui prĂ©cĂšde, le montant du plafond salarial S1 qui est d'application dĂšs le 1er trimestre 2014 pour les occupations en qualitĂ© de travailleur suivant la catĂ©gorie 1 telle que visĂ©e Ă l'article 330 de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 est augmentĂ© d'un facteur 1,02 pour chaque dĂ©passement de l'index pivot dans la pĂ©riode du 1er avril 2013 jusqu'au 1er janvier 2014 inclus.]15
Le calcul, visé à l'alinéa 1er, est cumulatif trimestre par trimestre jusqu'à ce qu'un nouveau montant S1 soit déterminé en exécution de l'article 331, alinéa 6, de la loi du 24 décembre 2002.]13
c) S = le salaire de référence du trimestre, c'est-à -dire la masse salariale prise en compte pour déterminer le montant de base R de la réduction. S s'obtient de la maniÚre suivante :
a. pour les occupations déclarées exclusivement en jours :
S = W x (13 x D/J)
Le résultat du calcul (13 x D/J) est arrondi au second chiffre aprÚs la virgule, 0,005 étant arrondi à 0,01;
b. pour les occupations déclarées en jours et en heures :
S = W x (13 x U/H)
Le résultat du calcul (13 x U/H) est arrondi au second chiffre aprÚs la virgule, 0,005 étant arrondi à 0,01.
S est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
Le facteur S est diminué forfaitairement de 241,70 EUR par trimestre lorsque, pour l'occupation, est octroyée une des réductions prévues par les articles 367, 369 ou 370 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
d) (S0 = le plafond salarial visé à l'article 331 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
S0 est égal à 5 310,00 EUR pour les trimestres de l'année 2004.
A partir du premier trimestre 2005, S0 est égal à 5 870,71 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant les catégories 1 et 2 telles que visées à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
A partir du premier trimestre 2005, S0 est égal à 5 988,12 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.) <AR 2005-11-10/58, art. 1, 003; En vigueur : 01-01-2005>
(A partir du premier trimestre 2006, S0 est égal à 6157,78 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.
A partir du premier trimestre 2007, S0 est égal à 6260,58 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.
A partir du premier trimestre 2008, S0 est égal à 6230,04 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.) <AR 2007-04-26/62, art. 1, 010; En vigueur : 01-01-2006>
[1 A partir du deuxiÚme trimestre 2009, S0 est égal à 7.075,20 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.
A partir du premier trimestre 2010, S0 est égal à 6.611,36 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.]1
[15 A partir du premier trimestre 2010 et jusqu'au quatriÚme trimestre 2011, S0 est égal à 6.030,00 euro pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi du 24 décembre 2002.]15
[12 A partir du premier trimestre 2011, S0 est égal à 6.787,67 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.
[14 A partir du premier trimestre 2012, S0 est égal à 6.968,37 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.
A partir du premier trimestre 2013, S0 est égal à [15 7.225,00]15 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi programme du 24 décembre 2002.]14]12
[15 A partir du 1er trimestre 2013, S0 est égal à 5.900,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
A partir du 1er trimestre 2013, S0 est égal à 6.150,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]15
[15 A partir du 2e trimestre 2013, S0 est égal à 5.575,93 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
A partir du 1er trimestre 2014, S0 est égal à 5.560,49 EUR pour les occupations en qualité de travailleur suivant la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]15
[17 A partir du 2e trimestre 2016, S0 est égal à 6.900,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
A partir du 2e trimestre 2016, S0 est égal à 7.110,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
A partir du 2e trimestre 2016, S0 est égal à 8.185,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur n'est pas redevable de la cotistation de modération salariale et à 7.500,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur est redevable de la cotisation de modération salariale;
A partir du 1er trimestre 2018, S0 est égal à 8.850,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
A partir du 1er trimestre 2018, S0 est égal à [19 7400,00 ]19 pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
A partir du 1er trimestre 2018, S0 est égal à 8.850,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur n'est pas redevable de la cotistation de modération salariale et à 9.450,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur est redevable de la cotisation de modération salariale;
A partir du 1er trimestre 2019, S0 est égal à 9.035,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 1 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
A partir du 1er trimestre 2019, S0 est égal à 7.590,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
A partir du 1er trimestre 2019, S0 est égal à 9.035,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur n'est pas redevable de la cotistation de modération salariale et à [20 9.640,00]20 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur est redevable de la cotisation de modération salariale;]17
[21 A partir du 1er trimestre 2021, S0 est égal à 9.480,90 d'euros pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur n'est pas redevable de la cotistation de modération salariale et à 9.985,80 d'euros pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 et pour lequel l'employeur est redevable de la cotisation de modération salariale.]21
[27 A partir du deuxiÚme trimestre 2025 le S0 est égal à 9.780,00 EUR, pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.]27
[14 dbis) Le montant du plafond salarial S0 [11 ...]11, comme dĂ©terminĂ© par le prĂ©sent arrĂȘtĂ© en exĂ©cution de l'article 331, alinĂ©a 6, de la loi du 24 dĂ©cembre 2002, est augmentĂ© de 2 %, pour chaque augmentation des plafonds salariaux visĂ©s Ă l'article 2 de la loi du 20 dĂ©cembre 1999 visant Ă octroyer un bonus Ă l'emploi sous la forme d'une rĂ©duction des cotisations personnelles de sĂ©curitĂ© sociale aux travailleurs salariĂ©s ayant un bas salaire et Ă certains travailleurs qui ont Ă©tĂ© victimes d'une restructuration, rĂ©sultant de la liaison Ă l'index visĂ©e Ă l'article 2, § 2, alinĂ©a 3, de la loi du 20 dĂ©cembre 1999 prĂ©citĂ©e, Ă partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ces plafonds salariaux sont augmentĂ©s ou, si cette augmentation coĂŻncide avec le dĂ©but d'un trimestre, Ă partir de cette trimestre.
Le résultat du calcul visé à l'alinéa précédent, est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
Cette disposition est appliquĂ©e Ă partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel le montant du plafond salarial S0 est dĂ©terminĂ© par le prĂ©sent arrĂȘtĂ© en exĂ©cution de l'article 331, alinĂ©a 6, de la loi du 24 dĂ©cembre 2002.
Le calcul visé à l'alinéa 1er, est cumulatif trimestre par trimestre jusqu'à ce qu'un nouveau montant S0 soit déterminé en exécution de l'article 331, alinéa 6, de la loi du 24 décembre 2002.
[15 Dernier alinéa abrogé.]15]14
[23 e) S2 = le plafond salarial S1 visé à l'article 331 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
A partir du deuxiÚme trimestre 2022, S2 est égal à 5.889,70,00 EUR, sauf pour les employeurs de la catégorie 2, visée à l'article 330 de la loi programme (I) du 24 décembre 2002 pour lesquels S2 est égal à 6.048,89 EUR.
[25 A partir du deuxiÚme trimestre 2024 le S2 est égal à 6807,18 EUR, pour les employeurs de la catégorie 1 et 3, visée à l'article 330 de la loi programme (I) du 24 décembre 2002. A partir du deuxiÚme trimestre 2024 le S2 est égal à 6.995,54 EUR, pour les employeurs de la catégorie 2, visée à l'article 330 de la loi programme (I) du 24 décembre 2002.]25
[27 A partir du deuxiÚme trimestre 2025, le S2 est égal à 8.400,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 1 et 3, visées à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.
A partir du troisiÚme trimestre 2025, le S2 est égal à 9.360,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 1 et 3, visées à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002. A partir du deuxiÚme trimestre 2025, le S2 est égal à 9.780,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2, visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.]27
f) Le montant du plafond salarial S2, comme dĂ©terminĂ© par le prĂ©sent arrĂȘtĂ© en exĂ©cution de l'article 331, alinĂ©a 6, de la loi du 24 dĂ©cembre 2002, est augmentĂ© de 2 % pour chaque augmentation des plafonds salariaux visĂ©s Ă l'article 2 de la loi du 20 dĂ©cembre 1999 visant Ă octroyer un bonus Ă l'emploi sous la forme d'une rĂ©duction des cotisations personnelles de sĂ©curitĂ© sociale aux travailleurs salariĂ©s ayant un bas salaire et Ă certains travailleurs qui ont Ă©tĂ© victimes d'une restructuration, rĂ©sultant de la liaison Ă l'index visĂ©e Ă l'article 2, § 2, alinĂ©a 3, de la loi du 20 dĂ©cembre 1999 prĂ©citĂ©e, Ă partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ces plafonds salariaux sont augmentĂ©s ou, si cette augmentation coĂŻncide avec le dĂ©but d'un trimestre, Ă partir de ce trimestre.
Le résultat du calcul visé à l'alinéa précédent, est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
Cette disposition est appliquĂ©e Ă partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel le montant du plafond salarial S2 est dĂ©terminĂ© par le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, en exĂ©cution de l'article 331, alinĂ©a 6, de la loi du 24 dĂ©cembre 2002.
Le calcul, visé à l'alinéa 1er, est cumulatif trimestre par trimestre jusqu'à ce qu'un nouveau montant S2 soit déterminé en exécution de l'article 331, alinéa 6, de la loi du 24 décembre 2002.]23
4° les facteurs relatifs à la réduction des cotisations de sécurité sociale :
a) F = le montant forfaitaire visé à l'article 331 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
[17 Du 1er avril 2016 au 31 décembre 2017, F est égal à 24,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;
A partir du premier trimestre 2018, F est égal à 49,00 EUR pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002;]17
[21 A partir du premier trimestre 2021, F est égal à 79,00 d'euros pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 2 telle que visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.
A partir du premier trimestre 2021, F est égal à 495,00 d'euros pour les occupations en qualité de travailleur relevant de la catégorie 3 pour lequel la cotisation de modération salariale n'est pas due, telle que visée à l'article 330 de la la loi-programme (I) du 24 décembre 2002. ]21
b) G1 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
c) G2 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
(cbis ) G3 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.) <AR 2006-07-20/41, art. 1, 1°, 004; En vigueur : 01-07-2006>
[14 cter ) G4 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]14
[14 cquater ) G5 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]14
[14 cquinquies ) G6 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]14
[10 csexies [13 G7 est le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]13]10
[14 csepties) G8 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]14
[15 cocties) G9 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]15
[10 cnonies) G10 : le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]10
[13 cdecies) G11 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002. ";
3° cundecies) G12 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002. ";
4° cduodecies) G13 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]13
[16 cterdecies) G14 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]16
[16 cquaterdecies) G15 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]16
[16 cquindecies) G16 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]16
[22 csedecies G18 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]22
[26 cseptemdecies) G20 = le montant forfaitaire visé à l'article 336 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]26
d) R = la réduction de base de la réduction structurelle visée au chapitre 7 du titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002, par trimestre, dépendant de la masse salariale S de l'occupation prise en compte.
e) [11 'α' ]11 = le coefficient a tel que visé à l'article 331 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
Pour les occupations en tant que travailleur salarié selon la catégorie 1 ou 3 visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002, [11 'α' ]11 s'élÚve à 0,1750 pour les trimestres situés dans l'année 2004. A partir du premier trimestre 2005, [11 'α' ]11 est égal à 0,1444. (A partir du deuxiÚme trimestre 2007 " alpha " est égal à 0,1620.) [15 Pour les occupations en tant que travailleur salarié selon la catégorie 3 visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002, s'élÚve à 0,1785 à partir du 2e trimestre 2013.]15 <AR 2007-04-21/45, art. 1, 009; En vigueur : 01-04-2007>
Pour les occupations en tant que travailleur salarié selon la catégorie 2 visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002, [11 'α' ]11 s'élÚve à 0,2706 pour les trimestres situés dans l'année 2004. A partir du premier trimestre 2005, [11 'α' ]11 est égal à 0,2266. (A partir du deuxiÚme trimestre 2007 " alpha " est égal à 0,2467.) <AR 2007-04-21/45, art. 1, 009; En vigueur : 01-04-2007>
[15 Pour les occupations en tant que travailleur salarié selon la catégorie 2 visée à l'article 330 de la loi-programme du 24 décembre 2002, s'élÚve à 0,2557 à partir du 2e trimestre 2013.]15
[27 Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant de la catégorie 2 visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, 'a' s'élÚve à 0,23 à partir du deuxiÚme trimestre 2025;]27
[17 Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant de la catégorie 1 visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, 'a' s'élÚve à 0,1369 à partir du 2iÚme trimestre 2016;
Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant de la catégorie 1 visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, 'a' s'élÚve à 0,1280 à partir du 1er trimestre 2018;
Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant de la catégorie 1 visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, 'a' s'élÚve à 0,1400 à partir du 1er trimestre 2019;
Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant de la catégorie 3 visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, 'a' s'élÚve, à partir du 2iÚme trimestre 2016, à 0,1785 pour les travailleurs pour lesquels l'employeur n'est pas redevable de la cotistation de modération salariale et à 0,1369 pour les travailleurs pour lesquels l'employeur est redevable de la cotisation de modération salariale;
Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant de la catégorie 3 visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, 'a' s'élÚve à 0,1785 pour les travailleurs pour lesquels l'employeur n'est pas redevable de la cotistation de modération salariale et à 0,1280 pour les travailleurs pour lesquels l'employeur sont redevables de la cotisation de modération salariale à partir du 1er trimestre 2018;
Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant de la catégorie 3 visée à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, 'a' s'élÚve à 0,1785 pour les travailleurs pour lesquels l'employeur n'est pas redevable de la cotisation de modération salariale et à 0,1400 pour les travailleurs pour lesquels l'employeur est redevable de la cotisation de modération salariale à partir du 1er trimestre 2019.]17
[23 ebis) {gamma} = le coefficient {gamma} visé à l'article 331 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
A partir du 2iÚme trimestre 2022 {gamma} s'élÚve à 0,4000.]23
[27 A partir du deuxiÚme trimestre 2025 [gamma] s'élÚve à 0,15 pour la catégorie 2 et à 0,21 pour les catégories 1 et 3.
A partir du troisiÚme trimestre 2025 [gamma] s'élÚve à 0,15.
A partir du deuxiÚme trimestre 2026 [gamma] s'élÚve à 0,16.]27
f) Π= le coefficient visé à l'article 331 de la loi-programme du 24 décembre 2002.
Πs'élÚve à 0,0173 pour les trimestres situés dans l'année 2004. A partir du premier trimestre 2005, Πest égal à 0,0600.
[17 Pour les occupations en tant que travailleur salarié relevant à catégories 1 et 3 visées à l'article 330 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, Πest égal à 0,00 à partir du premier trimestre 2018.]17
g) [15 G = le montant forfaitaire maximum comme réduction groupe-cible auquel un travailleur à droit tenant compte des conditions auxquelles il satisfait. G est égal à [13 G1, G2, G3, G4, G5, G6, G7, G8, G9, G10, G11, G12 [16 , G13, G14, G15 [22 , G16 ou G18]22]16]13 tel que défini à la section 3 du chapitre 7 du titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002.]15
h) Ps = la rĂ©duction structurelle finalement octroyĂ©e, par trimestre, tenant compte de la fraction des prestations ÎŒ de l'occupation. Ps ne peut jamais ĂȘtre supĂ©rieur Ă R.
i) [15 Pg = la rĂ©duction groupe-cible finalement octroyĂ©e, par trimestre, tenant compte de la fraction des prestations ÎŒ de l'occupation. Pg ne peut jamais ĂȘtre supĂ©rieure Ă G. [13 Pg pour les travailleurs visĂ©s Ă l'article 353bis/13 de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 ne peut jamais ĂȘtre supĂ©rieur Ă 517,00 EUR par trimestre.]13]15
(5° l'appréciation de l'ùge du travailleur :
pour l'application de la réduction groupe cible visée à (les articles 339 et 346) de la loi-programme du 24 décembre 2002, on entend par " ùge ", l'ùge du travailleur le dernier jour du trimestre concerné.) <AR 2006-07-20/41, art. 1, 4°, 004; En vigueur : 01-07-2006> <AR 2007-06-29/30, art. 1, 3°, 012; En vigueur : 01-04-2007>
Wijzigingen
TITEL II. - De structurele vermindering.
TITRE II. - La réduction structurelle.
Art. 3. De structurele vermindering wordt als volgt berekend :
1° [2 het forfaitaire bedrag R :
R = F + alpha x (S0 - S) + {gamma} x (S2 - S) + delta x (W - S1)
Indien S0 - S kleiner is dan 0, dan wordt S0 - S beschouwd als gelijk aan 0.
De vermenigvuldiging alpha x (S0 - S) wordt tot op de cent afgerond, waarbij 0,005 EUR wordt afgerond naar 0,01 EUR.
Indien S2 - S kleiner is dan 0, dan wordt S2 - S beschouwd als gelijk aan 0.
De vermenigvuldiging {gamma} x (S2 - S) wordt tot op de cent afgerond, waarbij 0,005 EUR wordt afgerond naar 0,01 EUR.
Indien W - S1 kleiner is dan 0, dan wordt W - S1 beschouwd als gelijk aan 0.
[3 Als het basisloon zoals bedoeld in artikel 38, § 1, tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers hoger is dan het grensbedrag zoals bedoeld in datzelfde lid, dan wordt het basisloon in het bedrag van W gelijkgesteld aan het grensbedrag. ]3
De vermenigvuldiging delta x (W - S1) wordt tot op de cent afgerond, waarbij 0,005 EUR wordt afgerond naar 0,01 EUR.]2
2° het bedrag van de vermindering Ps
[1 Ps = R x mu x beta]1
Ps wordt tot op de cent afgerond, waarbij 0,005 EUR wordt afgerond op 0,01 EUR.
1° [2 het forfaitaire bedrag R :
R = F + alpha x (S0 - S) + {gamma} x (S2 - S) + delta x (W - S1)
Indien S0 - S kleiner is dan 0, dan wordt S0 - S beschouwd als gelijk aan 0.
De vermenigvuldiging alpha x (S0 - S) wordt tot op de cent afgerond, waarbij 0,005 EUR wordt afgerond naar 0,01 EUR.
Indien S2 - S kleiner is dan 0, dan wordt S2 - S beschouwd als gelijk aan 0.
De vermenigvuldiging {gamma} x (S2 - S) wordt tot op de cent afgerond, waarbij 0,005 EUR wordt afgerond naar 0,01 EUR.
Indien W - S1 kleiner is dan 0, dan wordt W - S1 beschouwd als gelijk aan 0.
[3 Als het basisloon zoals bedoeld in artikel 38, § 1, tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers hoger is dan het grensbedrag zoals bedoeld in datzelfde lid, dan wordt het basisloon in het bedrag van W gelijkgesteld aan het grensbedrag. ]3
De vermenigvuldiging delta x (W - S1) wordt tot op de cent afgerond, waarbij 0,005 EUR wordt afgerond naar 0,01 EUR.]2
2° het bedrag van de vermindering Ps
[1 Ps = R x mu x beta]1
Ps wordt tot op de cent afgerond, waarbij 0,005 EUR wordt afgerond op 0,01 EUR.
Art. 3. La réduction structurelle est calculée comme suit :
1° [2 le montant forfaitaire R :
R = F + alpha x (S0 - S) + {gamma} x (S2 - S) + delta x (W - S1)
Si S0 - S est inférieur à 0, S0 - S est considéré comme étant égal à 0.
La multiplication alpha x (S0 - S) est arrondie au cent, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
Si S2 - S est inférieur à 0, S2 - S est considéré comme étant égal à 0.
La multiplication {gamma} x (S2 - S) est arrondie au cent, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
Si W - S1 est inférieur à 0, W - S1 est considéré comme étant égal à 0.
[3 Si le salaire de base, visĂ© Ă l'article 38, § 1er, alinĂ©a 2, de la loi du 29 juin 1981 Ă©tablissant les principes gĂ©nĂ©raux de la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs salariĂ©s est plus haut que le plafond visĂ© au mĂȘme article, alors le salaire de base dans le montant W est Ă©gal au plafond.]3
La multiplication delta x (W - S1) est arrondie au cent, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.]2
2° le montant de la réduction Ps
[1 Ps = R x 'Mu' x beta)]1
Ps est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
1° [2 le montant forfaitaire R :
R = F + alpha x (S0 - S) + {gamma} x (S2 - S) + delta x (W - S1)
Si S0 - S est inférieur à 0, S0 - S est considéré comme étant égal à 0.
La multiplication alpha x (S0 - S) est arrondie au cent, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
Si S2 - S est inférieur à 0, S2 - S est considéré comme étant égal à 0.
La multiplication {gamma} x (S2 - S) est arrondie au cent, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
Si W - S1 est inférieur à 0, W - S1 est considéré comme étant égal à 0.
[3 Si le salaire de base, visĂ© Ă l'article 38, § 1er, alinĂ©a 2, de la loi du 29 juin 1981 Ă©tablissant les principes gĂ©nĂ©raux de la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs salariĂ©s est plus haut que le plafond visĂ© au mĂȘme article, alors le salaire de base dans le montant W est Ă©gal au plafond.]3
La multiplication delta x (W - S1) est arrondie au cent, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.]2
2° le montant de la réduction Ps
[1 Ps = R x 'Mu' x beta)]1
Ps est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
TITEL III. - De doelgroepvermindering.
TITRE III. - Réduction groupe-cible.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
Art. 4. <KB 2007-06-29/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 01-04-2007> § 1. [1 Het bedrag van de doelgroepvermindering wordt als volgt berekend :
Pg = G * mu * beta.
Pg wordt tot op de cent afgerond, waarbij 0,005 EUR wordt afgerond op 0,01 EUR.]1
§ 2. [1
]1.
§ 3. [1
]1.
§ 4. [1
]1.
§ 5. [1
]1.
§ 6. [1 ...]1.
Pg = G * mu * beta.
Pg wordt tot op de cent afgerond, waarbij 0,005 EUR wordt afgerond op 0,01 EUR.]1
§ 2. [1
]1.
§ 3. [1
]1.
§ 4. [1
]1.
§ 5. [1
]1.
§ 6. [1 ...]1.
Art. 4. <AR 2007-06-29/30, art. 2, 012; En vigueur : 01-04-2007> § 1er. [2 Le montant de la réduction groupe-cible est calculé comme suit :
Pg = G * mu * beta.
Pg est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.]2
§ 2. [2 ...]2.
§ 3. [2 ...]2.
§ 4. [2 ...]2.
§ 5. [2 ...]2.
§ 6. [1 ...]1.
Pg = G * mu * beta.
Pg est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.]2
§ 2. [2 ...]2.
§ 3. [2 ...]2.
§ 4. [2 ...]2.
§ 5. [2 ...]2.
§ 6. [1 ...]1.
Art. 4/1. _BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
[1 Le plafond salarial déterminé à l'article 6 est augmenté de 2 % pour chaque augmentation des plafonds salariaux visés à l'article 2 de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi sous la forme d'une réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et à certains travailleurs qui ont été victimes d'une restructuration, résultant de la liaison à l'index visée à l'article 2, § 2, alinéa 3, de la loi du 20 décembre 1999 précitée, à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ces plafonds salariaux sont augmentés ou, si cette augmentation coïncide avec le début d'un trimestre, à partir de ce trimestre.
Le résultat du calcul visé à l'alinéa précédent, est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
Cette disposition est appliquée à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel le montant du plafond salarial concerné est déterminé.]1
[1 Le plafond salarial déterminé à l'article 6 est augmenté de 2 % pour chaque augmentation des plafonds salariaux visés à l'article 2 de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi sous la forme d'une réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et à certains travailleurs qui ont été victimes d'une restructuration, résultant de la liaison à l'index visée à l'article 2, § 2, alinéa 3, de la loi du 20 décembre 1999 précitée, à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ces plafonds salariaux sont augmentés ou, si cette augmentation coïncide avec le début d'un trimestre, à partir de ce trimestre.
Le résultat du calcul visé à l'alinéa précédent, est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
Cette disposition est appliquée à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel le montant du plafond salarial concerné est déterminé.]1
Wijzigingen
Art. 4/1 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Le plafond salarial déterminé à l'article 6 est augmenté de 2 % pour chaque augmentation des plafonds salariaux visés à l'article 2 de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi sous la forme d'une réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et à certains travailleurs qui ont été victimes d'une restructuration, résultant de la liaison à l'index visée à l'article 2, § 2, alinéa 3, de la loi du 20 décembre 1999 précitée, à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ces plafonds salariaux sont augmentés ou, si cette augmentation coïncide avec le début d'un trimestre, à partir de ce trimestre.
Le résultat du calcul visé à l'alinéa précédent, est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
Cette disposition est appliquée à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel le montant du plafond salarial concerné est déterminé.]1
[1 Le plafond salarial déterminé à l'article 6 est augmenté de 2 % pour chaque augmentation des plafonds salariaux visés à l'article 2 de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi sous la forme d'une réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et à certains travailleurs qui ont été victimes d'une restructuration, résultant de la liaison à l'index visée à l'article 2, § 2, alinéa 3, de la loi du 20 décembre 1999 précitée, à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ces plafonds salariaux sont augmentés ou, si cette augmentation coïncide avec le début d'un trimestre, à partir de ce trimestre.
Le résultat du calcul visé à l'alinéa précédent, est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
Cette disposition est appliquée à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel le montant du plafond salarial concerné est déterminé.]1
Wijzigingen
Art. 4/1. _WAALS_GEWEST.
[1 De loongrens bepaald in artikel 6/1 wordt met 2 % verhoogd voor elke verhoging van de loongrenzen bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering, voortvloeiend uit de koppeling aan de index bedoeld in artikel 2, § 2, derde lid, van de voornoemde wet van 20 december 1999, vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin deze loongrens wordt verhoogd of, als deze verhoging samenvalt met het begin van een kwartaal, vanaf dat kwartaal.
Het resultaat van de berekening bedoeld in het vorig lid, wordt tot de dichtstbijzijnde cent afgerond, en 0,005 wordt naar 0,01 EUR afgerond.
Deze bepaling wordt toegepast vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het bedrag van de betrokken loongrens wordt bepaald.]1
[1 De loongrens bepaald in artikel 6/1 wordt met 2 % verhoogd voor elke verhoging van de loongrenzen bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering, voortvloeiend uit de koppeling aan de index bedoeld in artikel 2, § 2, derde lid, van de voornoemde wet van 20 december 1999, vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin deze loongrens wordt verhoogd of, als deze verhoging samenvalt met het begin van een kwartaal, vanaf dat kwartaal.
Het resultaat van de berekening bedoeld in het vorig lid, wordt tot de dichtstbijzijnde cent afgerond, en 0,005 wordt naar 0,01 EUR afgerond.
Deze bepaling wordt toegepast vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin het bedrag van de betrokken loongrens wordt bepaald.]1
Art. 4/1 _REGION_WALLONNE.
[1 Le plafond salarial déterminé à l'article 6/1 est augmenté de 2 % pour chaque augmentation des plafonds salariaux visés à l'article 2 de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi sous la forme d'une réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et à certains travailleurs qui ont été victimes d'une restructuration, résultant de la liaison à l'index visée à l'article 2, § 2, alinéa 3, de la loi du 20 décembre 1999 précitée, à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ce plafond salarial est augmenté ou, si cette augmentation coïncide avec le début d'un trimestre, à partir de ce trimestre.
Le résultat du calcul visé à l'alinéa précédent, est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
Cette disposition est appliquée à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel le montant du plafond salarial concerné est déterminé]1
[1 Le plafond salarial déterminé à l'article 6/1 est augmenté de 2 % pour chaque augmentation des plafonds salariaux visés à l'article 2 de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi sous la forme d'une réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et à certains travailleurs qui ont été victimes d'une restructuration, résultant de la liaison à l'index visée à l'article 2, § 2, alinéa 3, de la loi du 20 décembre 1999 précitée, à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel ce plafond salarial est augmenté ou, si cette augmentation coïncide avec le début d'un trimestre, à partir de ce trimestre.
Le résultat du calcul visé à l'alinéa précédent, est arrondi au cent le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR.
Cette disposition est appliquée à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel le montant du plafond salarial concerné est déterminé]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. - Oudere werknemers.
CHAPITRE II. - Travailleurs ùgés.
Art. 5. De toepassing van de doelgroepvermindering voor oudere werknemers wordt beperkt tot de werkgevers die werknemers tewerkstellen welke onderworpen zijn aan het geheel der takken bedoeld in artikel 21, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. Deze werkgevers kunnen trimestrieel voor elk van deze werknemers genieten van een doelgroepvermindering voor oudere werknemers volgens de principes zoals uiteengezet in hetgeen volgt.
Art. 5. L'application de la réduction groupe cible pour travailleurs ùgés est limitée aux employeurs occupant des travailleurs qui sont assujettis à l'ensemble des branches, visées à l'article 21, § 1er, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés. Ces employeurs peuvent bénéficier trimestriellement pour chacun desdits travailleurs d'une réduction groupe-cible pour travailleurs ùgés correspondant aux principes développés ci-aprÚs.
Art. 5_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
Art. 5 _REGION_FLAMANDE.
[1 ...]1
[1 ...]1
Wijzigingen
Art. 6. De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 339 van de programmawet van 24 december 2002 kan worden toegekend ten belope van het forfaitaire bedrag G2 voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens de leeftijd van 54 jaar hebben, ten belope van het forfaitaire bedrag G1 voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens de leeftijd van 58 jaar hebben, ten belope van het forfaitaire bedrag G8 voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens de leeftijd van 62 jaar hebben en ten belope van het forfaitaire bedrag G9 voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens de leeftijd van 65 jaar hebben.
Art. 6. La rĂ©duction groupe-cible, visĂ©e Ă l'article 339 de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002, peut ĂȘtre octroyĂ©e pour un montant forfaitaire s'Ă©levant Ă G2 pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont ĂągĂ©s d'au moins 54 ans, pour un montant forfaitaire s'Ă©levant Ă G1 pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont ĂągĂ©s d'au moins 58 ans, pour un montant forfaitaire s'Ă©levant Ă G8 pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont ĂągĂ©s d'au moins 62 ans et pour un montant forfaitaire s'Ă©levant Ă G9 pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont ĂągĂ©s d'au moins 65 ans.
Art. 6 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[3 De doelgroepvermindering vermeld in artikel 339 van de programmawet (I) van 24 december 2002 kan toegekend worden als volgt :
1° ten belope van het forfaitair bedrag G3 voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal de leeftijd van ten minste 55 jaar bereikt hebben;
2° ten belope van het forfaitair bedrag G2 voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal de leeftijd van ten minste 56 jaar bereikt hebben;
3° ten belope van het forfaitair bedrag G1 voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal de leeftijd van ten minste 59 jaar bereikt hebben;
4° ten belope van het forfaitair bedrag G8 voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal de leeftijd van ten minste 62 jaar bereikt hebben.]3
[3 De doelgroepvermindering vermeld in artikel 339 van de programmawet (I) van 24 december 2002 kan toegekend worden als volgt :
1° ten belope van het forfaitair bedrag G3 voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal de leeftijd van ten minste 55 jaar bereikt hebben;
2° ten belope van het forfaitair bedrag G2 voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal de leeftijd van ten minste 56 jaar bereikt hebben;
3° ten belope van het forfaitair bedrag G1 voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal de leeftijd van ten minste 59 jaar bereikt hebben;
4° ten belope van het forfaitair bedrag G8 voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal de leeftijd van ten minste 62 jaar bereikt hebben.]3
Art. 6 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[3 La rĂ©duction pour groupe cible mentionnĂ©e Ă l'article 339 de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 (I) peut ĂȘtre octroyĂ©e comme suit :
1° à concurrence d'un montant forfaitaire s'élevant à G3 pour les travailleurs qui, au dernier jour du trimestre, sont ùgés d'au moins 55 ans;
2° à concurrence d'un montant forfaitaire s'élevant à G2 pour les travailleurs qui, au dernier jour du trimestre, sont ùgés d'au moins 56 ans;
3° à concurrence d'un montant forfaitaire s'élevant à G1 pour les travailleurs qui, au dernier jour du trimestre, sont ùgés d'au moins 59 ans;
4° à concurrence d'un montant forfaitaire s'élevant à G8 pour les travailleurs qui, au dernier jour du trimestre, sont ùgés d'au moins 62 ans.]3
[3 La rĂ©duction pour groupe cible mentionnĂ©e Ă l'article 339 de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 (I) peut ĂȘtre octroyĂ©e comme suit :
1° à concurrence d'un montant forfaitaire s'élevant à G3 pour les travailleurs qui, au dernier jour du trimestre, sont ùgés d'au moins 55 ans;
2° à concurrence d'un montant forfaitaire s'élevant à G2 pour les travailleurs qui, au dernier jour du trimestre, sont ùgés d'au moins 56 ans;
3° à concurrence d'un montant forfaitaire s'élevant à G1 pour les travailleurs qui, au dernier jour du trimestre, sont ùgés d'au moins 59 ans;
4° à concurrence d'un montant forfaitaire s'élevant à G8 pour les travailleurs qui, au dernier jour du trimestre, sont ùgés d'au moins 62 ans.]3
Art. 6_WAALS_GEWEST. [1 § 1. De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 339, § 1 van de programmawet van 24 december 2002 kan worden toegekend voor een forfaitaire som van G2 voor werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens 55 jaar oud zijn en voor een forfaitaire som van G1 voor werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens 58 jaar oud zijn.
§ 2. De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 339, § 2, van de programmawet van 24 december 2002 kan worden toegekend voor een forfaitaire som van G1 voor werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens 60 jaar oud zijn en voor een forfaitaire som van G8 voor werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens 65 jaar oud zijn.
§ 3. Paragrafen 1 en 2 treden in werking op 1 juli 2023. De vóór hun inwerkingtreding geldende bepalingen blijven van toepassing op elke rechtspositie die vóór 31 december 2023 recht geeft op doelgroepvermindering, voor de duur van de ononderbroken tewerkstelling van de werknemer bij dezelfde werkgever.]1
§ 2. De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 339, § 2, van de programmawet van 24 december 2002 kan worden toegekend voor een forfaitaire som van G1 voor werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens 60 jaar oud zijn en voor een forfaitaire som van G8 voor werknemers die op de laatste dag van het kwartaal minstens 65 jaar oud zijn.
§ 3. Paragrafen 1 en 2 treden in werking op 1 juli 2023. De vóór hun inwerkingtreding geldende bepalingen blijven van toepassing op elke rechtspositie die vóór 31 december 2023 recht geeft op doelgroepvermindering, voor de duur van de ononderbroken tewerkstelling van de werknemer bij dezelfde werkgever.]1
Wijzigingen
Art. 6 _REGION_WALLONNE.[1 § 1er. La rĂ©duction groupe-cible, visĂ©e Ă l'article 339, § 1er, de la loiprogramme du 24 dĂ©cembre 2002, peut ĂȘtre octroyĂ©e pour un montant forfaitaire s'Ă©levant Ă G2 pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont ĂągĂ©s d'au moins 55 et pour un montant forfaitaire s'Ă©levant Ă G1 pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont ĂągĂ©s d'au moins 58 ans.
§ 2. La rĂ©duction groupe-cible, visĂ©e Ă l'article 339, § 2, de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002, peut ĂȘtre octroyĂ©e pour un montant forfaitaire s'Ă©levant Ă G1 pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont ĂągĂ©s d'au moins 60 ans et pour un montant forfaitaire s'Ă©levant Ă G8 pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont ĂągĂ©s d'au moins 65 ans.
§ 3. Les paragraphes 1er et 2 entrent en vigueur au 1er janvier 2024. Les dispositions applicables avant leur entrĂ©e en vigueur continuent Ă s'appliquer pour toute situation juridique donnant droit Ă une rĂ©duction groupes-cibles avant le 31 dĂ©cembre 2023, pour la durĂ©e de l'occupation continue du travailleur auprĂšs du mĂȘme employeur.]1
§ 2. La rĂ©duction groupe-cible, visĂ©e Ă l'article 339, § 2, de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002, peut ĂȘtre octroyĂ©e pour un montant forfaitaire s'Ă©levant Ă G1 pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont ĂągĂ©s d'au moins 60 ans et pour un montant forfaitaire s'Ă©levant Ă G8 pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont ĂągĂ©s d'au moins 65 ans.
§ 3. Les paragraphes 1er et 2 entrent en vigueur au 1er janvier 2024. Les dispositions applicables avant leur entrĂ©e en vigueur continuent Ă s'appliquer pour toute situation juridique donnant droit Ă une rĂ©duction groupes-cibles avant le 31 dĂ©cembre 2023, pour la durĂ©e de l'occupation continue du travailleur auprĂšs du mĂȘme employeur.]1
Wijzigingen
Art. 6_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De doelgroepvermindering, zoals bedoeld in artikel 339 van de programmawet van 24 december 2002, kan worden toegekend voor een forfaitair bedrag van G1 voor werknemers die op de laatste dag van het kwartaal tenminste de leeftijd van 61 jaar en ten hoogste de leeftijd van 66 jaar bereikt hebben en in zoverre het refertekwartaalloon de loongrens van 8.000 euro niet overschrijdt.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de loongrens voor het vierde kwartaal 10.666,67 euro, behalve voor uitzendkrachten."
In afwijking van het eerste lid bedraagt de loongrens voor het eerste kwartaal 10.666,67 euro voor uitzendkrachten.]1
In afwijking van het eerste lid bedraagt de loongrens voor het vierde kwartaal 10.666,67 euro, behalve voor uitzendkrachten."
In afwijking van het eerste lid bedraagt de loongrens voor het eerste kwartaal 10.666,67 euro voor uitzendkrachten.]1
Wijzigingen
Art. 6 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.[1 La rĂ©duction groupe-cible, visĂ©e Ă l'article 339 de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002, peut ĂȘtre octroyĂ©e pour un montant forfaitaire s'Ă©levant Ă G1 pour les travailleurs qui au dernier jour du trimestre sont ĂągĂ©s d'au moins 61 ans et d'au maximum 66 ans et pour autant que le salaire trimestriel de rĂ©fĂ©rence ne dĂ©passe pas le plafond salarial qui s'Ă©lĂšve Ă 8.000 euros.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le plafond salarial pour le quatriÚme trimestre s'élÚve à 10.666,67 euros, sauf pour les travailleurs intérimaires. "
Par dérogation à l'alinéa 1er, le plafond salarial pour le premier trimestre s'élÚve à 10.666,67 euros pour les travailleurs intérimaires.]1
Par dérogation à l'alinéa 1er, le plafond salarial pour le quatriÚme trimestre s'élÚve à 10.666,67 euros, sauf pour les travailleurs intérimaires. "
Par dérogation à l'alinéa 1er, le plafond salarial pour le premier trimestre s'élÚve à 10.666,67 euros pour les travailleurs intérimaires.]1
Wijzigingen
Art. 6_VLAAMS_GEWEST.
Art. 6 _REGION_FLAMANDE.
Art. 6/1_VLAAMS_GEWEST.
Art. 6/1 _REGION_FLAMANDE.
Art. 6/1_WAALS_GEWEST. [1 De loongrens bedoeld in artikel 339, eerste lid, 2°, van de programmawet (I) van 24 december 2002, [2 bedraagt 13.500 euro]2 per kwartaal.]1
Art. 6/1 _REGION_WALLONNE.[1 Le plafond salarial visé à l'article 339, alinéa 1er, 2°, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, [2 s'élÚve à 13.500 euros]2 par trimestre.]1
Art. 6/1 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De loongrens vermeld in artikel 339, eerste lid, 3°, van de programmawet (I) van 24 december 2002 ligt bij 13.942,47 euro.]1
[1 De loongrens vermeld in artikel 339, eerste lid, 3°, van de programmawet (I) van 24 december 2002 ligt bij 13.942,47 euro.]1
Wijzigingen
Art. 6/1 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le plafond salarial mentionné à l'article 339, alinéa 1er, 3°, de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I) s'élÚve à 13 942,47 euros.]1
[1 Le plafond salarial mentionné à l'article 339, alinéa 1er, 3°, de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I) s'élÚve à 13 942,47 euros.]1
Wijzigingen
Art. 6/2_VLAAMS_GEWEST.
Art. 6/2 _REGION_FLAMANDE.
Art. 6/3_VLAAMS_GEWEST.
Art. 6/3 _REGION_FLAMANDE.
HOOFDSTUK III. - Langdurig werkzoekenden.
CHAPITRE III. - Demandeurs d'emploi de longue durée.
Art. 7. Met uitzondering van artikel 14, is dit hoofdstuk van toepassing op de werkgevers die vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Art. 7. A l'exception de l'article 14, ce chapitre est applicable aux employeurs qui tombent dans le champ d'application de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs.
Art. 7 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. 7 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 7_WAALS_GEWEST.
Art. 7 _REGION_WALLONNE.
Art. 8. De (artikelen 9, 9bis en 12) van dit besluit zijn niet van toepassing op de werknemers bedoeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 19 december 2001. <KB 2007-03-28/32, art. 9, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 8. Les (articles 9, 9bis et 12) du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ne sont pas applicables aux travailleurs visĂ©s Ă l'article 12 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001. <AR 2007-03-28/32, art. 9, 008; En vigueur : 01-01-2007>
Art. 8_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 8 _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 8 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. 8 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 8_WAALS_GEWEST.
Art. 8 _REGION_WALLONNE.
Art. 8_VLAAMS_GEWEST _(TOEKOMSTIG_RECHT).
[1 Het artikel 9bis van dit besluit is]1 niet van toepassing op de werknemers bedoeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 19 december 2001.
[1 Het artikel 9bis van dit besluit is]1 niet van toepassing op de werknemers bedoeld in artikel 12 van het koninklijk besluit van 19 december 2001.
Wijzigingen
Art. 8 _REGION_FLAMANDE_(DROIT_FUTUR).
[1 L'article 9bis du prĂ©sent arrĂȘtĂ© n'est pas applicable ]1 aux travailleurs visĂ©s Ă l'article 12 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001. <AR 2007-03-28/32, art. 9, 008; En vigueur : 01-01-2007>
[1 L'article 9bis du prĂ©sent arrĂȘtĂ© n'est pas applicable ]1 aux travailleurs visĂ©s Ă l'article 12 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001. <AR 2007-03-28/32, art. 9, 008; En vigueur : 01-01-2007>
Wijzigingen
Art. 9. Een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden wordt op volgende wijze toegekend :
1° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de daaropvolgende vier kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 45 jaar;
b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens driehonderd en twaalf dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
De werknemer die een tewerkstelling, bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, (b)). <KB 2004-01-21/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de acht volgende kwartalen, voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 45 jaar;
b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 624 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 36 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, (b)). <KB 2004-01-21/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de acht volgende kwartalen, dan een forfaitaire vermindering G2 tijdens de volgende vier kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 45 jaar;
b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 936 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 54 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, (b)). <KB 2004-01-21/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
4° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de acht volgende kwartalen, dan een forfaitaire vermindering G2 tijdens de volgende twaalf kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 45 jaar;
b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 1 560 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 90 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, (b)). <KB 2004-01-21/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
5° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de vier volgende kwartalen, dan een forfaitaire vermindering G2 tijdens de volgende zestien kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van de indienstneming minstens 45 jaar;
b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens honderd zesenvijftig dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, (b)). <KB 2004-01-21/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
6° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de twintig volgende kwartalen, voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van de indienstneming minstens 45 jaar;
b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens driehonderd en twaalf dagen in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand of gedurende minstens (vierhonderd achtenzestig) dagen in de loop van de maand van indienstneming en de 27 kalendermaanden daaraan voorafgaand, telkens gerekend in het zesdagenstelsel. <KB 2004-01-21/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 verderzet, moet echter niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, (b)). <KB 2004-01-21/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
[1 7° een forfaitaire vermindering G8 tijdens het kwartaal van indienstneming en de daaropvolgende elf kwartalen, voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van de indienstneming jonger dan [2 30 jaar]2 ;
b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens [2 156 dagen]2, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de [2 9 kalendermaanden]2 daaraan voorafgaand;
d) hij bezit geen diploma of getuigschrift van het hoger secundair onderwijs.
De werknemer die een tewerkstelling, bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b.]1
1° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de daaropvolgende vier kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 45 jaar;
b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens driehonderd en twaalf dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
De werknemer die een tewerkstelling, bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, (b)). <KB 2004-01-21/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de acht volgende kwartalen, voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 45 jaar;
b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 624 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 36 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, (b)). <KB 2004-01-21/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de acht volgende kwartalen, dan een forfaitaire vermindering G2 tijdens de volgende vier kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 45 jaar;
b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 936 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 54 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, (b)). <KB 2004-01-21/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
4° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de acht volgende kwartalen, dan een forfaitaire vermindering G2 tijdens de volgende twaalf kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 45 jaar;
b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 1 560 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 90 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, (b)). <KB 2004-01-21/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
5° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de vier volgende kwartalen, dan een forfaitaire vermindering G2 tijdens de volgende zestien kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van de indienstneming minstens 45 jaar;
b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens honderd zesenvijftig dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, (b)). <KB 2004-01-21/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
6° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de twintig volgende kwartalen, voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van de indienstneming minstens 45 jaar;
b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens driehonderd en twaalf dagen in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand of gedurende minstens (vierhonderd achtenzestig) dagen in de loop van de maand van indienstneming en de 27 kalendermaanden daaraan voorafgaand, telkens gerekend in het zesdagenstelsel. <KB 2004-01-21/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 verderzet, moet echter niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, (b)). <KB 2004-01-21/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
[1 7° een forfaitaire vermindering G8 tijdens het kwartaal van indienstneming en de daaropvolgende elf kwartalen, voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van de indienstneming jonger dan [2 30 jaar]2 ;
b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens [2 156 dagen]2, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de [2 9 kalendermaanden]2 daaraan voorafgaand;
d) hij bezit geen diploma of getuigschrift van het hoger secundair onderwijs.
De werknemer die een tewerkstelling, bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b.]1
Art. 9. Une réduction groupe cible pour demandeurs d'emploi de longue durée, est accordée de la maniÚre suivante :
1° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les quatre trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est demandeur d'emploi Ă la date d'engagement;
c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 18 mois calendrier qui précÚdent.
Le travailleur qui poursuit une occupation visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire Ă la condition visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, (b)). <AR 2004-01-21/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les huit trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est demandeur d'emploi Ă la date d'engagement;
c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins 624 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 36 mois calendrier qui précÚdent.
Le travailleur qui poursuit une occupation visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire Ă la condition visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, (b)). <AR 2004-01-21/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-01-2004>
3° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les huit trimestres qui suivent puis une réduction forfaitaire G2 durant les quatre trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est demandeur d'emploi Ă la date d'engagement;
c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins 936 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 54 mois calendrier qui précÚdent.
Le travailleur qui poursuit une occupation visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire Ă la condition visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, (b)). <AR 2004-01-21/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-01-2004>
4° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les huit trimestres qui suivent puis une réduction forfaitaire G2 durant les douze trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est demandeur d'emploi Ă la date d'engagement;
c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins 1 560 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 90 mois calendrier qui précÚdent.
Le travailleur qui poursuit une occupation visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire Ă la condition visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, (b)). <AR 2004-01-21/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-01-2004>
5° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les quatre trimestres qui suivent, puis une réduction forfaitaire G2 durant les seize trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est demandeur d'emploi Ă la date d'engagement;
c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des neuf mois calendrier qui précÚdent.
Le travailleur qui poursuit une occupation visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire Ă la condition visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, (b)). <AR 2004-01-21/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-01-2004>
6° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les vingt trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est demandeur d'emploi Ă la date d'engagement;
c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins trois cent douze jours au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précÚdent ou pendant au moins (quatre cent soixante-huit) jours au cours de la période du mois de l'engagement et des vingt-sept mois calendrier qui précÚdent, chaque fois calculés dans le régime de six jours. <AR 2004-01-21/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Le travailleur qui poursuit une occupation visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire Ă la condition visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, (b)). <AR 2004-01-21/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-01-2004>
[1 7° une réduction forfaitaire G8 durant le trimestre d'engagement et les onze trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) il a moins de [2 30 ans]2 Ă la date de l'engagement;
b) il est demandeur d'emploi Ă la date de l'engagement;
c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins [2 156 jours]2 , calculés dans le régime des 6 jours, au cours du mois de l'engagement et des [2 9 mois calendrier]2 qui précÚdent;
d) il n'est pas titulaire d'un diplÎme ou d'un certificat de l'enseignement secondaire supérieur.
Le travailleur qui poursuit une occupation visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire Ă la condition visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, b.]1
1° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les quatre trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est demandeur d'emploi Ă la date d'engagement;
c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 18 mois calendrier qui précÚdent.
Le travailleur qui poursuit une occupation visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire Ă la condition visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, (b)). <AR 2004-01-21/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les huit trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est demandeur d'emploi Ă la date d'engagement;
c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins 624 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 36 mois calendrier qui précÚdent.
Le travailleur qui poursuit une occupation visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire Ă la condition visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, (b)). <AR 2004-01-21/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-01-2004>
3° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les huit trimestres qui suivent puis une réduction forfaitaire G2 durant les quatre trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est demandeur d'emploi Ă la date d'engagement;
c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins 936 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 54 mois calendrier qui précÚdent.
Le travailleur qui poursuit une occupation visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire Ă la condition visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, (b)). <AR 2004-01-21/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-01-2004>
4° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les huit trimestres qui suivent puis une réduction forfaitaire G2 durant les douze trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est demandeur d'emploi Ă la date d'engagement;
c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins 1 560 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 90 mois calendrier qui précÚdent.
Le travailleur qui poursuit une occupation visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire Ă la condition visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, (b)). <AR 2004-01-21/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-01-2004>
5° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les quatre trimestres qui suivent, puis une réduction forfaitaire G2 durant les seize trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est demandeur d'emploi Ă la date d'engagement;
c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des neuf mois calendrier qui précÚdent.
Le travailleur qui poursuit une occupation visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire Ă la condition visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, (b)). <AR 2004-01-21/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-01-2004>
6° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les vingt trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est demandeur d'emploi Ă la date d'engagement;
c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins trois cent douze jours au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précÚdent ou pendant au moins (quatre cent soixante-huit) jours au cours de la période du mois de l'engagement et des vingt-sept mois calendrier qui précÚdent, chaque fois calculés dans le régime de six jours. <AR 2004-01-21/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Le travailleur qui poursuit une occupation visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire Ă la condition visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, (b)). <AR 2004-01-21/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-01-2004>
[1 7° une réduction forfaitaire G8 durant le trimestre d'engagement et les onze trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) il a moins de [2 30 ans]2 Ă la date de l'engagement;
b) il est demandeur d'emploi Ă la date de l'engagement;
c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins [2 156 jours]2 , calculés dans le régime des 6 jours, au cours du mois de l'engagement et des [2 9 mois calendrier]2 qui précÚdent;
d) il n'est pas titulaire d'un diplÎme ou d'un certificat de l'enseignement secondaire supérieur.
Le travailleur qui poursuit une occupation visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire Ă la condition visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, b.]1
Art. 9 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. 9 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 9_WAALS_GEWEST.
Art. 9 _REGION_WALLONNE.
Art. 9_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Art. 9 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Art. 9_VLAAMS_GEWEST _(TOEKOMSTIG_RECHT).
Art. 9 _REGION_FLAMANDE_(DROIT_FUTUR).
Art. 9bis. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-21/33, art. 57; Inwerkingtreding : 01-01-2004> In afwijking van artikel 9 wordt aan de werkgever bedoeld in artikel 11quater van het koninklijk besluit van 19 december 2001 een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden op volgende wijze toegekend :
1° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de daaropvolgende twintig kwartalen voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
a) (hij is op de dag van de indienstneming minstens 25 jaar, maar jonger dan 45 jaar;) <KB 2007-03-28/32, art. 10, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens zeshonderd en vierentwintig dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 36 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
De werknemer die een tewerkstelling, bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b) ;
2° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de daaropvolgende kwartalen, voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van de indienstneming minstens 45 jaar;
b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens honderdzesenvijftig dagen in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand, gerekend in het zesdagenstelsel.
De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 verderzet, moet echter niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).
(3° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de daaropvolgende twintig kwartalen voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 25 jaar;
b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 312 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
De werknemer die een tewerkstelling, bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <KB 2007-03-28/32, art. 10, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
1° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de daaropvolgende twintig kwartalen voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
a) (hij is op de dag van de indienstneming minstens 25 jaar, maar jonger dan 45 jaar;) <KB 2007-03-28/32, art. 10, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens zeshonderd en vierentwintig dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 36 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
De werknemer die een tewerkstelling, bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b) ;
2° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de daaropvolgende kwartalen, voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van de indienstneming minstens 45 jaar;
b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens honderdzesenvijftig dagen in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand, gerekend in het zesdagenstelsel.
De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 verderzet, moet echter niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).
(3° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de daaropvolgende twintig kwartalen voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 25 jaar;
b) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
c) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 312 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
De werknemer die een tewerkstelling, bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <KB 2007-03-28/32, art. 10, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 9bis. Par dĂ©rogation Ă l'article 9, une rĂ©duction groupe cible pour demandeurs d'emploi de longue durĂ©e est accordĂ©e de la maniĂšre suivante Ă l'employeur visĂ© Ă l'article 11quater de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 :
1° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les vingt trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) (il est ùgé d'au moins 25 ans mais de moins de 45 ans à la date de l'engagement;) <AR 2007-03-28/32, art. 10, 008; En vigueur : 01-01-2007>
b) il est demandeur d'emploi Ă la date d'engagement;
c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins six cent vingt-quatre jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 36 mois civils qui précÚdent.
Le travailleur qui poursuit une occupation visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire Ă la condition visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, b) ;
2° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est demandeur d'emploi Ă la date d'engagement;
c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précÚdent.
Le travailleur qui poursuit une occupation visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire Ă la condition visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, b).
(3° une diminution forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'engagement et les vingt trimestres suivants pour autant que le travailleur engagé remplisse simultanément les conditions suivantes :
a) il a moins de 25 ans Ă la date de l'engagement;
b) il est demandeur d'emploi Ă la date de l'engagement;
c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins 312 jours, calculés dans le régime des 6 jours, au cours du mois de l'engagement et des 18 mois calendrier qui précÚdent.
Le travailleur qui poursuit une occupation visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, ne doit toutefois pas remplir la condition visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, b).) <AR 2007-03-28/32, art. 10, 008; En vigueur : 01-01-2007>
1° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les vingt trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) (il est ùgé d'au moins 25 ans mais de moins de 45 ans à la date de l'engagement;) <AR 2007-03-28/32, art. 10, 008; En vigueur : 01-01-2007>
b) il est demandeur d'emploi Ă la date d'engagement;
c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins six cent vingt-quatre jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 36 mois civils qui précÚdent.
Le travailleur qui poursuit une occupation visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire Ă la condition visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, b) ;
2° une réduction forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent, pour autant que le travailleur engagé satisfasse simultanément aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est demandeur d'emploi Ă la date d'engagement;
c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précÚdent.
Le travailleur qui poursuit une occupation visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 ne doit cependant pas satisfaire Ă la condition visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, b).
(3° une diminution forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'engagement et les vingt trimestres suivants pour autant que le travailleur engagé remplisse simultanément les conditions suivantes :
a) il a moins de 25 ans Ă la date de l'engagement;
b) il est demandeur d'emploi Ă la date de l'engagement;
c) il a été demandeur d'emploi pendant au moins 312 jours, calculés dans le régime des 6 jours, au cours du mois de l'engagement et des 18 mois calendrier qui précÚdent.
Le travailleur qui poursuit une occupation visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, ne doit toutefois pas remplir la condition visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, b).) <AR 2007-03-28/32, art. 10, 008; En vigueur : 01-01-2007>
Art. 9bis_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 9bis _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 9bis _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. 9bis _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 9bis_WAALS_GEWEST.
Art. 9bis _REGION_WALLONNE.
Art. 9bis_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Art. 9bis _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Art. 9ter. (Opgeheven) <KB 2007-03-28/32, art. 11, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 9ter. (Supprimé) <AR 2007-03-28/32, art. 11, 008; En vigueur : 01-01-2007>
Art. 10. Een werkgever kan genieten van de voordelen zoals voorzien in (artikelen 9 en 9bis) indien hij een werkzoekende in dienst neemt tijdens de duur van de geldigheid van de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001. <KB 2007-03-28/32, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Wanneer de aanvraag van de werkkaart wordt ingediend buiten de termijn voorzien in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 1999, wordt, in afwijking van de bepalingen van (artikelen 9 en 9bis), de periode gedurende dewelke de doelgroepvermindering bedoeld in (artikelen 9 en 9bis) kan worden toegekend, verminderd met een periode die aanvangt op de dag van de indienstneming en die eindigt op de laatste dag van het kwartaal waarin de datum gesitueerd is van de laattijdige indiening van de aanvraag van de werkkaart. <KB 2007-03-28/32, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de werkkaarten over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
Wanneer de aanvraag van de werkkaart wordt ingediend buiten de termijn voorzien in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 1999, wordt, in afwijking van de bepalingen van (artikelen 9 en 9bis), de periode gedurende dewelke de doelgroepvermindering bedoeld in (artikelen 9 en 9bis) kan worden toegekend, verminderd met een periode die aanvangt op de dag van de indienstneming en die eindigt op de laatste dag van het kwartaal waarin de datum gesitueerd is van de laattijdige indiening van de aanvraag van de werkkaart. <KB 2007-03-28/32, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de werkkaarten over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
Art. 10. Un employeur peut bĂ©nĂ©ficier des avantages prĂ©vus aux (articles 9 et 9bis) lorsqu'il engage un demandeur d'emploi pendant la durĂ©e de validitĂ© de la carte de travail visĂ©e Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001. <AR 2007-03-28/32, art. 12, 008; En vigueur : 01-01-2007>
Par dĂ©rogation aux dispositions des (articles 9 et 9bis) lorsque la demande de la carte de travail est introduite en dehors du dĂ©lai prĂ©vu Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 1999, la pĂ©riode pendant laquelle la rĂ©duction groupe-cible visĂ©e par les (articles 9 et 9bis) peut ĂȘtre accordĂ©e, est diminuĂ©e de la pĂ©riode commençant le jour de l'engagement et se terminant le dernier jour du trimestre dans lequel se situe la date de l'introduction tardive de la demande de la carte de travail. <AR 2007-03-28/32, art. 12, 008; En vigueur : 01-01-2007>
L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives aux cartes de travail à l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.
Par dĂ©rogation aux dispositions des (articles 9 et 9bis) lorsque la demande de la carte de travail est introduite en dehors du dĂ©lai prĂ©vu Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 1999, la pĂ©riode pendant laquelle la rĂ©duction groupe-cible visĂ©e par les (articles 9 et 9bis) peut ĂȘtre accordĂ©e, est diminuĂ©e de la pĂ©riode commençant le jour de l'engagement et se terminant le dernier jour du trimestre dans lequel se situe la date de l'introduction tardive de la demande de la carte de travail. <AR 2007-03-28/32, art. 12, 008; En vigueur : 01-01-2007>
L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives aux cartes de travail à l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.
Art. 10_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 10 _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 10 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. 10 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 10_WAALS_GEWEST.
Art. 10 _REGION_WALLONNE.
Art. 10_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Art. 10 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Art. 10_VLAAMS_GEWEST _(TOEKOMSTIG_RECHT).
Een werkgever kan genieten van de voordelen zoals voorzien in [1 artikel 9bis]1 indien hij een werkzoekende in dienst neemt tijdens de duur van de geldigheid van de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001. <KB 2007-03-28/32, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Wanneer de aanvraag van de werkkaart wordt ingediend buiten de termijn voorzien in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 1999, wordt, in afwijking van de bepalingen van [1 artikel 9bis]1, de periode gedurende dewelke de doelgroepvermindering bedoeld in (artikelen 9 en 9bis) kan worden toegekend, verminderd met een periode die aanvangt op de dag van de indienstneming en die eindigt op de laatste dag van het kwartaal waarin de datum gesitueerd is van de laattijdige indiening van de aanvraag van de werkkaart. <KB 2007-03-28/32, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de werkkaarten over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
Een werkgever kan genieten van de voordelen zoals voorzien in [1 artikel 9bis]1 indien hij een werkzoekende in dienst neemt tijdens de duur van de geldigheid van de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001. <KB 2007-03-28/32, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Wanneer de aanvraag van de werkkaart wordt ingediend buiten de termijn voorzien in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 1999, wordt, in afwijking van de bepalingen van [1 artikel 9bis]1, de periode gedurende dewelke de doelgroepvermindering bedoeld in (artikelen 9 en 9bis) kan worden toegekend, verminderd met een periode die aanvangt op de dag van de indienstneming en die eindigt op de laatste dag van het kwartaal waarin de datum gesitueerd is van de laattijdige indiening van de aanvraag van de werkkaart. <KB 2007-03-28/32, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de werkkaarten over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
Wijzigingen
Art. 10 _REGION_FLAMANDE_(DROIT_FUTUR).
Un employeur peut bĂ©nĂ©ficier des avantages prĂ©vus [1 Ă l'article 9bis]1 lorsqu'il engage un demandeur d'emploi pendant la durĂ©e de validitĂ© de la carte de travail visĂ©e Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001. <AR 2007-03-28/32, art. 12, 008; En vigueur : 01-01-2007>
Par dĂ©rogation aux dispositions [1 de l'article 9bis]1 lorsque la demande de la carte de travail est introduite en dehors du dĂ©lai prĂ©vu Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 1999, la pĂ©riode pendant laquelle la rĂ©duction groupe-cible visĂ©e par [1 l'article 9bis]1 peut ĂȘtre accordĂ©e, est diminuĂ©e de la pĂ©riode commençant le jour de l'engagement et se terminant le dernier jour du trimestre dans lequel se situe la date de l'introduction tardive de la demande de la carte de travail. <AR 2007-03-28/32, art. 12, 008; En vigueur : 01-01-2007>
L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives aux cartes de travail à l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.
Un employeur peut bĂ©nĂ©ficier des avantages prĂ©vus [1 Ă l'article 9bis]1 lorsqu'il engage un demandeur d'emploi pendant la durĂ©e de validitĂ© de la carte de travail visĂ©e Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001. <AR 2007-03-28/32, art. 12, 008; En vigueur : 01-01-2007>
Par dĂ©rogation aux dispositions [1 de l'article 9bis]1 lorsque la demande de la carte de travail est introduite en dehors du dĂ©lai prĂ©vu Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 1999, la pĂ©riode pendant laquelle la rĂ©duction groupe-cible visĂ©e par [1 l'article 9bis]1 peut ĂȘtre accordĂ©e, est diminuĂ©e de la pĂ©riode commençant le jour de l'engagement et se terminant le dernier jour du trimestre dans lequel se situe la date de l'introduction tardive de la demande de la carte de travail. <AR 2007-03-28/32, art. 12, 008; En vigueur : 01-01-2007>
L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives aux cartes de travail à l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.
Wijzigingen
Art. 11. (Voor de toepassing van (artikelen 9 en 9bis)) wordt de werkzoekende die op het moment van de aanvraag van de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 voldoet aan de voorwaarden (van respectievelijk de voormelde (artikelen 9 en 9bis)) gelijkgesteld aan een werkzoekende die voldoet aan deze voorwaarden op het moment van de indiensttreding. <KB 2004-01-21/33, art. 60, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <KB 2007-03-28/32, art. 13, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 11. (Pour l'application des (articles 9 et 9bis),) le demandeur d'emploi qui satisfait aux conditions (desdits (articles 9 et 9bis)) au moment de la demande de la carte de travail visĂ©e Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, est assimilĂ© Ă un demandeur d'emploi qui satisfait Ă ces conditions au moment de l'engagement. <AR 2004-01-21/33, art. 60, 002; En vigueur : 01-01-2004> <AR 2007-03-28/32, art. 13, 008; En vigueur : 01-01-2007>
Art. 11_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 11 _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 11 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. 11 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 11_WAALS_GEWEST.
Art. 11 _REGION_WALLONNE.
Art. 11_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Art. 11 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Art. 11_VLAAMS_GEWEST _(TOEKOMSTIG_RECHT).
[1 Voor de toepassing van artikel 9bis]1wordt de werkzoekende die op het moment van de aanvraag van de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 voldoet aan de voorwaarden [1 , vermeld artikel 9bis]1 gelijkgesteld aan een werkzoekende die voldoet aan deze voorwaarden op het moment van de indiensttreding. <KB 2004-01-21/33, art. 60, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <KB 2007-03-28/32, art. 13, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
[1 Voor de toepassing van artikel 9bis]1wordt de werkzoekende die op het moment van de aanvraag van de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 voldoet aan de voorwaarden [1 , vermeld artikel 9bis]1 gelijkgesteld aan een werkzoekende die voldoet aan deze voorwaarden op het moment van de indiensttreding. <KB 2004-01-21/33, art. 60, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <KB 2007-03-28/32, art. 13, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Wijzigingen
Art. 11 _REGION_FLAMANDE_(DROIT_FUTUR).
[1 Pour l'application de l'article 9bis]1 le demandeur d'emploi qui satisfait aux conditions [1 visĂ©es Ă l'article 9bis]1 au moment de la demande de la carte de travail visĂ©e Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, est assimilĂ© Ă un demandeur d'emploi qui satisfait Ă ces conditions au moment de l'engagement. <AR 2004-01-21/33, art. 60, 002; En vigueur : 01-01-2004> <AR 2007-03-28/32, art. 13, 008; En vigueur : 01-01-2007>
[1 Pour l'application de l'article 9bis]1 le demandeur d'emploi qui satisfait aux conditions [1 visĂ©es Ă l'article 9bis]1 au moment de la demande de la carte de travail visĂ©e Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, est assimilĂ© Ă un demandeur d'emploi qui satisfait Ă ces conditions au moment de l'engagement. <AR 2004-01-21/33, art. 60, 002; En vigueur : 01-01-2004> <AR 2007-03-28/32, art. 13, 008; En vigueur : 01-01-2007>
Wijzigingen
Art. 12. § 1. De werkgever die een werknemer, (in het kader van een doorstromingsprogramma in toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1997) tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de doorstromingsprogramma's, in dienst neemt, geniet een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden gelijk aan : <KB 2004-01-21/33, art. 61, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
1° een forfaitair bedrag G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de 4 volgende kwartalen, dan van een forfaitair bedrag G2 tijdens de vier volgende kwartalen voor de werkzoekende die jonger is dan 45 jaar op het moment van de indienstneming en die aangeworven wordt in toepassing van artikel 5, § 1, 2°, eerste of tweede streepje, van voormeld koninklijk besluit van 9 juni 1997;
2° een forfaitair bedrag G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de acht volgende kwartalen voor de werkzoekende die jonger is dan 45 jaar op het moment van de indienstneming en die aangeworven wordt in toepassing van artikel 5, § 1, 2°, derde streepje, van voormeld koninklijk besluit van 9 juni 1997;
3° een forfaitair bedrag G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de 4 volgende kwartalen, dan van een forfaitair bedrag G2 tijdens de acht volgende kwartalen voor de werkzoekende die minstens 45 jaar is op het moment van de indienstneming en die aangeworven wordt in toepassing van artikel 5, § 1, 2°, tweede streepje, van voormeld koninklijk besluit van 9 juni 1997;
4° een forfaitair bedrag G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de 12 volgende kwartalen voor de werkzoekende die minstens 45 jaar is op het moment van de indienstneming en die aangeworven wordt in toepassing van artikel 5, § 1, 2°, derde streepje, van voormeld koninklijk besluit van 9 juni 1997.
De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende deze tewerkstellingen over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
§ 2. 1° Aan de werkgever die een werknemer tewerkstelt binnen het kader van een doorstromingsprogramma met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma en tot vaststelling van de tijdelijke vermindering of vrijstelling van werkgeversbijdragen of met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financieel maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma en tot vaststelling van de tijdelijke vermindering of vrijstelling van werkgeversbijdragen, wordt dezelfde doelgroepvermindering toegekend onder dezelfde voorwaarden en modaliteiten als deze voorzien in § 1 van dit artikel.
2° Wanneer een werkgever een werknemer, bedoeld in 1°, in dienst neemt, brengt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hiervan op de hoogte met vermelding van volgende gegevens :
- de naam en voornaam van de werknemer;
- het rijksregisternummer van de werknemer;
- het volledig adres van de werknemer;
- het geslacht van de werknemer;
- de taal van de werknemer;
- het type voordeel van doelgroepvermindering;
- de datum van indiensttreding.
(- het ondernemingsnummer bedoeld in de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.) <KB 2004-01-21/33, art. 61, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de tewerkstellingen bedoeld in 1° over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
1° een forfaitair bedrag G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de 4 volgende kwartalen, dan van een forfaitair bedrag G2 tijdens de vier volgende kwartalen voor de werkzoekende die jonger is dan 45 jaar op het moment van de indienstneming en die aangeworven wordt in toepassing van artikel 5, § 1, 2°, eerste of tweede streepje, van voormeld koninklijk besluit van 9 juni 1997;
2° een forfaitair bedrag G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de acht volgende kwartalen voor de werkzoekende die jonger is dan 45 jaar op het moment van de indienstneming en die aangeworven wordt in toepassing van artikel 5, § 1, 2°, derde streepje, van voormeld koninklijk besluit van 9 juni 1997;
3° een forfaitair bedrag G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de 4 volgende kwartalen, dan van een forfaitair bedrag G2 tijdens de acht volgende kwartalen voor de werkzoekende die minstens 45 jaar is op het moment van de indienstneming en die aangeworven wordt in toepassing van artikel 5, § 1, 2°, tweede streepje, van voormeld koninklijk besluit van 9 juni 1997;
4° een forfaitair bedrag G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de 12 volgende kwartalen voor de werkzoekende die minstens 45 jaar is op het moment van de indienstneming en die aangeworven wordt in toepassing van artikel 5, § 1, 2°, derde streepje, van voormeld koninklijk besluit van 9 juni 1997.
De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende deze tewerkstellingen over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
§ 2. 1° Aan de werkgever die een werknemer tewerkstelt binnen het kader van een doorstromingsprogramma met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma en tot vaststelling van de tijdelijke vermindering of vrijstelling van werkgeversbijdragen of met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financieel maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma en tot vaststelling van de tijdelijke vermindering of vrijstelling van werkgeversbijdragen, wordt dezelfde doelgroepvermindering toegekend onder dezelfde voorwaarden en modaliteiten als deze voorzien in § 1 van dit artikel.
2° Wanneer een werkgever een werknemer, bedoeld in 1°, in dienst neemt, brengt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hiervan op de hoogte met vermelding van volgende gegevens :
- de naam en voornaam van de werknemer;
- het rijksregisternummer van de werknemer;
- het volledig adres van de werknemer;
- het geslacht van de werknemer;
- de taal van de werknemer;
- het type voordeel van doelgroepvermindering;
- de datum van indiensttreding.
(- het ondernemingsnummer bedoeld in de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.) <KB 2004-01-21/33, art. 61, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de tewerkstellingen bedoeld in 1° over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
Art. 12. § 1er. L'employeur qui engage un travailleur (dans le cadre d'un programme de transition professionnelle en application de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1997) d'exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour demandeurs d'emploi de longue durĂ©e Ă©gale Ă : <AR 2004-01-21/33, art. 61, 002; En vigueur : 01-01-2004>
1° un montant forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les 4 trimestres qui suivent puis un montant forfaitaire G2 durant les quatre trimestres qui suivent pour le demandeur d'emploi qui a moins de 45 ans au moment de l'engagement et qui est engagĂ© en application de l'article 5, § 1er, 2°, premier ou deuxiĂšme tiret, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 9 juin 1997;
2° un montant forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les 8 trimestres qui suivent pour le demandeur d'emploi qui a moins de 45 ans au moins au moment de l'engagement et qui est engagĂ© en application de l'article 5, § 1er, 2°, troisiĂšme tiret, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 9 juin 1997;
3° un montant forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les 4 trimestres qui suivent puis un montant forfaitaire G2 durant les huit trimestres qui suivent pour le demandeur d'emploi qui est ĂągĂ© de 45 ans au moins au moment de l'engagement et qui est engagĂ© en application de l'article 5, § 1er, 2°, deuxiĂšme tiret, de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1997 prĂ©citĂ©;
4° un montant forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les 12 trimestres qui suivent pour le demandeur d'emploi qui est ĂągĂ© de 45 ans au moment de l'engagement et qui est engagĂ© en application de l'article 5, § 1er, 2°, troisiĂšme tiret, de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1997, prĂ©citĂ©.
L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives à ces occupations à l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.
§ 2. 1° L'employeur qui occupe un travailleur dans le cadre d'un programme de transition professionnelle en application de l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 11 juillet 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale mis au travail dans un programme de transition professionnelle et dĂ©terminant la rĂ©duction temporaire ou la dispense de cotisations patronales ou en application de l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 novembre 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă une aide sociale financiĂšre mis au travail dans un programme de transition professionnelle et dĂ©terminant la rĂ©duction temporaire ou la dispense de cotisations patronales, bĂ©nĂ©ficie d'une dispense de cotisations patronales identique Ă celle prĂ©vue au § 1er de cet article, dans les mĂȘmes conditions et selon les mĂȘmes modalitĂ©s.
2°. Lorsqu'un employeur engage un travailleur visé au 1°, le centre public d'aide sociale en informe l'Office national de l'Emploi en lui communiquant les données suivantes :
- le nom et prénom du travailleur;
- le numéro de Registre national du travailleur;
- l'adresse complĂšte du travailleur;
- le sexe du travailleur;
- la langue du travailleur;
- le type d'avantage de réduction de cotisations patronales;
- la date de l'engagement.
(- le numéro d'entreprise visé dans la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions.) <AR 2004-01-21/33, art. 61, 002; En vigueur : 01-01-2004>
3° L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives aux occupations visées au 1° à l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.
1° un montant forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les 4 trimestres qui suivent puis un montant forfaitaire G2 durant les quatre trimestres qui suivent pour le demandeur d'emploi qui a moins de 45 ans au moment de l'engagement et qui est engagĂ© en application de l'article 5, § 1er, 2°, premier ou deuxiĂšme tiret, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 9 juin 1997;
2° un montant forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les 8 trimestres qui suivent pour le demandeur d'emploi qui a moins de 45 ans au moins au moment de l'engagement et qui est engagĂ© en application de l'article 5, § 1er, 2°, troisiĂšme tiret, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 9 juin 1997;
3° un montant forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les 4 trimestres qui suivent puis un montant forfaitaire G2 durant les huit trimestres qui suivent pour le demandeur d'emploi qui est ĂągĂ© de 45 ans au moins au moment de l'engagement et qui est engagĂ© en application de l'article 5, § 1er, 2°, deuxiĂšme tiret, de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1997 prĂ©citĂ©;
4° un montant forfaitaire G1 durant le trimestre d'engagement et les 12 trimestres qui suivent pour le demandeur d'emploi qui est ĂągĂ© de 45 ans au moment de l'engagement et qui est engagĂ© en application de l'article 5, § 1er, 2°, troisiĂšme tiret, de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1997, prĂ©citĂ©.
L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives à ces occupations à l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.
§ 2. 1° L'employeur qui occupe un travailleur dans le cadre d'un programme de transition professionnelle en application de l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 11 juillet 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale mis au travail dans un programme de transition professionnelle et dĂ©terminant la rĂ©duction temporaire ou la dispense de cotisations patronales ou en application de l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 novembre 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă une aide sociale financiĂšre mis au travail dans un programme de transition professionnelle et dĂ©terminant la rĂ©duction temporaire ou la dispense de cotisations patronales, bĂ©nĂ©ficie d'une dispense de cotisations patronales identique Ă celle prĂ©vue au § 1er de cet article, dans les mĂȘmes conditions et selon les mĂȘmes modalitĂ©s.
2°. Lorsqu'un employeur engage un travailleur visé au 1°, le centre public d'aide sociale en informe l'Office national de l'Emploi en lui communiquant les données suivantes :
- le nom et prénom du travailleur;
- le numéro de Registre national du travailleur;
- l'adresse complĂšte du travailleur;
- le sexe du travailleur;
- la langue du travailleur;
- le type d'avantage de réduction de cotisations patronales;
- la date de l'engagement.
(- le numéro d'entreprise visé dans la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions.) <AR 2004-01-21/33, art. 61, 002; En vigueur : 01-01-2004>
3° L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives aux occupations visées au 1° à l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.
Art. 12_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 ...]1
Art. 12 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE. [1 ...]1
Wijzigingen
Wijzigingen
Art. 12_WAALS_GEWEST. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 12 _REGION_WALLONNE.
[1 ...]1
[1 ...]1
Wijzigingen
Art. 12_VLAAMS_GEWEST.
Art. 12 _REGION_FLAMANDE.
Art. 13. Komt niet in aanmerking voor de toekenning van de doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden, de werknemer die van het voordeel van vrijstelling werd uitgesloten door een beslissing van het beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, genomen op basis van een rapport van de hierna vernoemde inspectiediensten, indien na klacht werd vastgesteld dat de werknemer werd aangenomen ter vervanging en in dezelfde functie van een ontslagen werknemer met als hoofdzakelijk doel de voordelen van dit hoofdstuk te bekomen. Het toezicht gebeurt door de hierna vermelde inspecties, waarvan de bevoegdheden zijn bepaald bij de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie :
1. de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Administratie van de inspectie van de sociale wetten van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
2. de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Sociale Inspectie van het Ministerie van Sociale Voorzorg;
3. de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
4. de hoofdcontroleurs, de controleurs en de adjunct-controleurs van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening alsmede de eerstaanwezend inspecteurs-hoofd van dienst, de eerstaanwezend inspecteurs, de inspecteurs, de eerstaanwezend adjunct-inspecteurs, de adjunct-inspecteurs 2e klasse en de adjunct-inspecteurs 1e klasse van de Algemene Inspectie van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.
1. de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Administratie van de inspectie van de sociale wetten van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
2. de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Sociale Inspectie van het Ministerie van Sociale Voorzorg;
3. de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
4. de hoofdcontroleurs, de controleurs en de adjunct-controleurs van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening alsmede de eerstaanwezend inspecteurs-hoofd van dienst, de eerstaanwezend inspecteurs, de inspecteurs, de eerstaanwezend adjunct-inspecteurs, de adjunct-inspecteurs 2e klasse en de adjunct-inspecteurs 1e klasse van de Algemene Inspectie van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.
Art. 13. N'entre pas en ligne de compte pour l'obtention de la rĂ©duction groupe cible pour demandeurs d'emploi de longue durĂ©e, le travailleur qui a Ă©tĂ© exclu de l'avantage de l'exonĂ©ration par une dĂ©cision du ComitĂ© de gestion de l'Office national de SĂ©curitĂ© sociale prise sur base d'un rapport des services d'inspection mentionnĂ©s ci-aprĂšs, lorsqu'il a Ă©tĂ© constatĂ©, aprĂšs une plainte, que le travailleur a Ă©tĂ© engagĂ© en remplacement et dans la mĂȘme fonction qu'un travailleur licenciĂ©, avec comme but principal d'obtenir les avantages du prĂ©sent chapitre. La surveillance est effectuĂ©e par les inspections mentionnĂ©es ci-aprĂšs dont les compĂ©tences sont fixĂ©es par la loi du 16 novembre 1972 concernant l'inspection du travail :
1. les inspecteurs et inspecteurs adjoints de l'Administration de l'inspection des lois sociales du MinistĂšre de l'Emploi et du Travail;
2. les inspecteurs et inspecteurs adjoints de l'Inspection sociale du MinistÚre de la Prévoyance sociale;
3. les inspecteurs et inspecteurs adjoints de l'Office national de Sécurité sociale;
4. les contrÎleurs en chef, les contrÎleurs et les contrÎleurs adjoints de l'Office national de l'Emploi, ainsi que les inspecteurs principaux-chefs de service, les inspecteurs principaux, les inspecteurs, les inspecteurs adjoints principaux, les inspecteurs adjoints de 2e classe et les inspecteurs adjoints de 1re classe de l'Inspection générale de l'Office national de l'Emploi.
1. les inspecteurs et inspecteurs adjoints de l'Administration de l'inspection des lois sociales du MinistĂšre de l'Emploi et du Travail;
2. les inspecteurs et inspecteurs adjoints de l'Inspection sociale du MinistÚre de la Prévoyance sociale;
3. les inspecteurs et inspecteurs adjoints de l'Office national de Sécurité sociale;
4. les contrÎleurs en chef, les contrÎleurs et les contrÎleurs adjoints de l'Office national de l'Emploi, ainsi que les inspecteurs principaux-chefs de service, les inspecteurs principaux, les inspecteurs, les inspecteurs adjoints principaux, les inspecteurs adjoints de 2e classe et les inspecteurs adjoints de 1re classe de l'Inspection générale de l'Office national de l'Emploi.
Art. 13 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. 13 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 13_WAALS_GEWEST.
Art. 13 _REGION_WALLONNE.
Art. 14. § 1. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voor zover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is uitkeringsgerechtigde volledige werkloze op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is uitkeringsgerechtigde volledig werkloze op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 36 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 624 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is uitkeringsgerechtigde volledig werkloze op de dag van indiensttreding;
c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 2. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 3. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 4. (Voor de toepassing van dit artikel worden met de periodes als uitkeringsgerechtigde volledig werkloze, als gerechtigde op maatschappelijke integratie en als rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp gelijkgesteld :
1° de periodes gelegen in een periode van volledige werkloosheid die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van wet- of reglementeringsbepalingen inzake verplichte verzekering tegen ziekte- of invaliditeit of inzake moederschapsverzekering;
2° de periodes van hechtenis of gevangenzetting, gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
3° de periodes van tewerkstelling in het kader van een doorstromingsprogramma gedurende dewelke de werknemer de uitkering genoot bedoeld
a) hetzij in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
b) hetzij in artikel 4 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
c) hetzij in artikel 4 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
4° de periodes van tewerkstelling in toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
5° de periodes van volledig vergoede werkloosheid;
6° de periodes van gerechtigd zijn op maatschappelijke integratie in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
7° de periodes van toekenning van financiële maatschappelijke hulp aan personen van vreemde nationaliteit, ingeschreven in het vreemdelingenregister, die omwille van hun nationaliteit geen aanspraak kunnen maken op het recht op maatschappelijke integratie en gerechtigd zijn op een financiële maatschappelijke hulp;
8° de periodes van tewerkstelling, bij een werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 1999, in de programma's voor wedertewerkstelling bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2°, van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
9° de periodes van volledige werkloosheid, maatschappelijke integratie of financiële maatschappelijke hulp, gedekt door vakantiegeld;
10° de periodes van wederoproeping onder de wapens, gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
11° de periodes van tewerkstelling in het kader van een erkende arbeidspost gedurende dewelke de werknemer de uitkering genoot bedoeld
a) hetzij in artikel 8, § 1 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen;
b) hetzij in artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 2, § 5, eerste lid, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
c) hetzij in artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 57quater van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
12° de periodes van wachttijd in de zin van artikel 36, § 1, eerste lid, 4° van het bovenvermeld besluit van 25 november 1991, tijdens dewelke de werkzoekende niet verbonden is door een arbeidsovereenkomst, onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 5. (Om te genieten van de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 1, 2 en 3, moet de werkgever voorafgaandelijk een attest bekomen dat bewijst dat hij onder het toepassingsgebied van artikel 1, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 1999 valt. Dit attest wordt afgeleverd binnen een termijn van 45 dagen door de Directeur-generaal van de Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
Om het recht te openen om de doelgroepvermindering bedoeld in § 1, moet de werknemer bovendien onder de voorwaarden en modaliteiten bepaald in het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en zijn uitvoeringsbesluiten een herinschakelingsuitkering bedoeld in artikel 4 van voornoemd koninklijk besluit van 3 mei 1999 genieten. Een kopie van het attest bedoeld in het eerste lid wordt overgemaakt door de werkgever aan de werknemer die dit attest voegt bij zijn aanvraag voor een herinschakelingsuitkering.
Om het recht te openen op de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 2 of 3 moet de werkgever een tussenkomst in het loon vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn genieten onder de voorwaarden en modaliteiten van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een sociaal inschakelingsinitiatief of van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een sociaal inschakelingsinitiatief. Een kopie van het attest bedoeld in het eerste lid wordt bij de aanvraag gevoegd.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 6. 1° Wanneer een werkgever de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 2 of 3° wenst te genieten voor een werknemer, brengt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hiervan op de hoogte met vermelding van volgende gegevens :
- de naam en voornaam van de werknemer;
- het rijksregisternummer van de werknemer;
- het volledig adres van de werknemer;
- het geslacht van de werknemer;
- de taal van de werknemer;
- het type voordeel van doelgroepvermindering;
- de datum van indiensttreding.
(- het ondernemingsnummer bedoeld in de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de werknemers die in aanmerking komen voor de doelgroepverminderingen bedoeld in §§ 1, 2 en 3 over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
§ 7. (Wanneer de bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling na afloop van de 10 kwartalen bedoeld in § 1, 1°, § 2, 1° of § 3, 1°, van mening is dat de voornoemde werknemer nog altijd niet geschikt is om zich te integreren in de reguliere arbeidsmarkt, wordt de duur van de doelgroepvermindering bedoeld in § 1, 1°, § 2, 1° of § 3, 1° verlengd met een nieuwe periode van maximum 10 kwartalen.
Wanneer de bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling na afloop van de 20 kwartalen bedoeld in § 1, 2°, § 2, 2° of § 3, 2°, van mening is dat de voornoemde werknemer nog altijd niet geschikt is om zich te integreren in de reguliere arbeidsmarkt, wordt de duur van de doelgroepvermindering bedoeld in § 1, 2°, § 2, 2° of § 3, 2° verlengd met een nieuwe periode van maximum 20 kwartalen.
De bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling licht, naar gelang het geval, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is uitkeringsgerechtigde volledige werkloze op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is uitkeringsgerechtigde volledig werkloze op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 36 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 624 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is uitkeringsgerechtigde volledig werkloze op de dag van indiensttreding;
c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 2. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 3. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 4. (Voor de toepassing van dit artikel worden met de periodes als uitkeringsgerechtigde volledig werkloze, als gerechtigde op maatschappelijke integratie en als rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp gelijkgesteld :
1° de periodes gelegen in een periode van volledige werkloosheid die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van wet- of reglementeringsbepalingen inzake verplichte verzekering tegen ziekte- of invaliditeit of inzake moederschapsverzekering;
2° de periodes van hechtenis of gevangenzetting, gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
3° de periodes van tewerkstelling in het kader van een doorstromingsprogramma gedurende dewelke de werknemer de uitkering genoot bedoeld
a) hetzij in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
b) hetzij in artikel 4 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
c) hetzij in artikel 4 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
4° de periodes van tewerkstelling in toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
5° de periodes van volledig vergoede werkloosheid;
6° de periodes van gerechtigd zijn op maatschappelijke integratie in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
7° de periodes van toekenning van financiële maatschappelijke hulp aan personen van vreemde nationaliteit, ingeschreven in het vreemdelingenregister, die omwille van hun nationaliteit geen aanspraak kunnen maken op het recht op maatschappelijke integratie en gerechtigd zijn op een financiële maatschappelijke hulp;
8° de periodes van tewerkstelling, bij een werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 1999, in de programma's voor wedertewerkstelling bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2°, van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
9° de periodes van volledige werkloosheid, maatschappelijke integratie of financiële maatschappelijke hulp, gedekt door vakantiegeld;
10° de periodes van wederoproeping onder de wapens, gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
11° de periodes van tewerkstelling in het kader van een erkende arbeidspost gedurende dewelke de werknemer de uitkering genoot bedoeld
a) hetzij in artikel 8, § 1 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen;
b) hetzij in artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 2, § 5, eerste lid, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
c) hetzij in artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 57quater van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
12° de periodes van wachttijd in de zin van artikel 36, § 1, eerste lid, 4° van het bovenvermeld besluit van 25 november 1991, tijdens dewelke de werkzoekende niet verbonden is door een arbeidsovereenkomst, onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 5. (Om te genieten van de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 1, 2 en 3, moet de werkgever voorafgaandelijk een attest bekomen dat bewijst dat hij onder het toepassingsgebied van artikel 1, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 1999 valt. Dit attest wordt afgeleverd binnen een termijn van 45 dagen door de Directeur-generaal van de Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
Om het recht te openen om de doelgroepvermindering bedoeld in § 1, moet de werknemer bovendien onder de voorwaarden en modaliteiten bepaald in het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en zijn uitvoeringsbesluiten een herinschakelingsuitkering bedoeld in artikel 4 van voornoemd koninklijk besluit van 3 mei 1999 genieten. Een kopie van het attest bedoeld in het eerste lid wordt overgemaakt door de werkgever aan de werknemer die dit attest voegt bij zijn aanvraag voor een herinschakelingsuitkering.
Om het recht te openen op de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 2 of 3 moet de werkgever een tussenkomst in het loon vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn genieten onder de voorwaarden en modaliteiten van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een sociaal inschakelingsinitiatief of van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een sociaal inschakelingsinitiatief. Een kopie van het attest bedoeld in het eerste lid wordt bij de aanvraag gevoegd.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 6. 1° Wanneer een werkgever de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 2 of 3° wenst te genieten voor een werknemer, brengt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hiervan op de hoogte met vermelding van volgende gegevens :
- de naam en voornaam van de werknemer;
- het rijksregisternummer van de werknemer;
- het volledig adres van de werknemer;
- het geslacht van de werknemer;
- de taal van de werknemer;
- het type voordeel van doelgroepvermindering;
- de datum van indiensttreding.
(- het ondernemingsnummer bedoeld in de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de werknemers die in aanmerking komen voor de doelgroepverminderingen bedoeld in §§ 1, 2 en 3 over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
§ 7. (Wanneer de bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling na afloop van de 10 kwartalen bedoeld in § 1, 1°, § 2, 1° of § 3, 1°, van mening is dat de voornoemde werknemer nog altijd niet geschikt is om zich te integreren in de reguliere arbeidsmarkt, wordt de duur van de doelgroepvermindering bedoeld in § 1, 1°, § 2, 1° of § 3, 1° verlengd met een nieuwe periode van maximum 10 kwartalen.
Wanneer de bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling na afloop van de 20 kwartalen bedoeld in § 1, 2°, § 2, 2° of § 3, 2°, van mening is dat de voornoemde werknemer nog altijd niet geschikt is om zich te integreren in de reguliere arbeidsmarkt, wordt de duur van de doelgroepvermindering bedoeld in § 1, 2°, § 2, 2° of § 3, 2° verlengd met een nieuwe periode van maximum 20 kwartalen.
De bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling licht, naar gelang het geval, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 14. § 1er. 1° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un chĂŽmeur complet indemnisĂ©, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est chÎmeur complet indemnisé à la date d'engagement;
c) il a été chÎmeur complet indemnisé pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'employeur visĂ© Ă l'article 1, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un chĂŽmeur complet indemnisĂ©, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est chÎmeur complet indemnisé à la date d'engagement;
c) il a été chÎmeur complet indemnisé pendant au moins six cent vingt-quatre jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 36 mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
3° L'employeur visĂ© Ă l'article 1, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une reduction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un chĂŽmeur complet indemnisĂ©, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est chÎmeur complet indemnisé à la date d'engagement;
c) il a été chÎmeur complet indemnisé pendant au moins 156 jours calculés dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précÚdent); <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée a l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 2. 1° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'integration sociale, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit a l'intégration sociale pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des neuf mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit a l'intĂ©gration sociale, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'intégration sociale pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précÚdent.
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
3° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©fice d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit a l'intĂ©gration sociale, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'intégration sociale pendant au moins 156 jours calcules dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précÚdent;) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 3. 1° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre Ă la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financiÚre pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des neuf mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©neficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre Ă la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financiÚre pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
3° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre Ă la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financiÚre indemnisé pendant au moins 156 jours calculés dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précÚdent); <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 4. (Pour l'application de cet article, sont assimilées avec des périodes en tant que chÎmeur complet indemnisé, ayant droit à l'intégration sociale et ayant droit à l'aide sociale financiÚre :
1° les périodes situées dans une période de chÎmage complet qui ont donné lieu au paiement d'une allocation en application des dispositions légales ou réglementaires relatives à l'assurance maladie-invalidité obligatoire ou a l'assurance maternité;
2° les périodes de détention ou d'emprisonnement situées dans une période de chÎmage complet;
3° les périodes d'occupation dans le cadre d'un programme de transition professionnelle pendant lesquelles le travailleur a bénéficié de l'allocation visée :
a) soit Ă l'article 5, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1997 d'exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle;
b) soit Ă l'article 4 de l'arrĂȘte royal du 11 juillet 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale mis au travail dans un programme de transition professionnelle;
c) soit Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 novembre 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă une aide sociale financiĂšre mis au travail dans un programme de transition professionnelle;
4° les périodes d'occupation en application de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale;
5° les périodes de chÎmage complet indemnisé;
6° les périodes d'ayant droit à l'intégration sociale, en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
7° les périodes d'octroi de l'aide sociale financiÚre aux personnes de nationalité étrangÚre, inscrites au registre des étrangers, qui en raison de leur nationalité ne peuvent pas prétendre au droit à l'intégration sociale et qui ont droit à une aide sociale financiÚre;
8° les pĂ©riodes d'occupation auprĂšs d'un employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 3 mai 1999, dans le cadre de programmes de remise au travail visĂ©s Ă l'article 6, § 1er, IX, 2°, de la loi spĂ©ciale du 8 aoĂ»t 1980 de rĂ©formes institutionnelles;
9° les périodes de chÎmage complet, d'intégration sociale ou d'aide sociale financiÚre, couvertes par un pécule de vacances;
10° les périodes de rappel sous les armes, situées dans une période de chÎmage complet;
11° les périodes d'occupation dans le cadre d'un poste de travail reconnu, pendant lesquelles le travailleur a bénéficié d'une allocation visée
a) soit Ă l'article 8, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 8 aoĂ»t 1997 d'exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs relatif Ă la rĂ©insertion professionnelle des chĂŽmeurs de longue durĂ©e;
b) soit Ă l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 fĂ©vrier 1999 pris en exĂ©cution de l'article 2, § 5, alinĂ©a 1er, de la loi du 7 aoĂ»t 1974 instituant le droit Ă un minimum de moyens d'existence;
c) soit Ă l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 fĂ©vrier 1999 pris en exĂ©cution de l'article 57quater de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale;
12° les pĂ©riodes de stage au sens de l'article 36, § 1er, alinĂ©a 1er, 4°, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© du 25 novembre 1991, pendant lesquelles le demandeur d'emploi n'est pas liĂ© par un contrat de travail soumis Ă la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 5. (Pour bĂ©nĂ©ficier de la rĂ©duction groupe cible visĂ©e aux §§ 1er, 2 et 3, l'employeur doit au prĂ©alable obtenir une attestation selon laquelle il entre dans le champ d'application visĂ© Ă l'article 1er, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 prĂ©citĂ©. Cette attestation est dĂ©livrĂ©e dans un dĂ©lai de 45 jours par le Directeur gĂ©nĂ©ral de la Direction gĂ©nĂ©rale Emploi et MarchĂ© du Travail du Service public fĂ©dĂ©ral Emploi, Travail et Concertation sociale.
Pour ouvrir le droit Ă la rĂ©duction groupe cible visĂ©e au § 1er, le travailleur doit en outre bĂ©nĂ©ficier d'une allocation de rĂ©insertion visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 3 mai 1999, dans les conditions et selon les modalitĂ©s fixĂ©es dans l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution. Une copie de l'attestation visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er est transmise par l'employeur au travailleur qui joint cette attestation Ă sa demande d'allocation de rĂ©insertion.
Pour ouvrir le droit Ă la rĂ©duction groupe cible visĂ©e aux §§ 2 ou 3, l'employeur doit bĂ©nĂ©ficier d'une intervention dans la rĂ©munĂ©ration par le centre public d'aide sociale dans les conditions et selon les modalitĂ©s de l'arrĂȘtĂ© royal du 11 juillet 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale mis au travail dans une initiative d'insertion sociale ou de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 novembre 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă une aide sociale financiĂšre mis au travail dans une initiative d'insertion sociale. Une copie de l'attestation visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er est jointe Ă la demande.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 6. 1° Lorsqu'un employeur veut bénéficier de la réduction groupe cible visée par les §§ 2 ou 3 pour un travailleur, le centre public d'aide sociale en informe l'Office national de l'Emploi en lui communiquant les données suivantes :
- le nom et prénom du travailleur;
- le numéro de Registre national du travailleur;
- l'adresse complĂšte du travailleur;
- le sexe du travailleur;
- la langue du travailleur;
- le type d'avantage de réduction de cotisations patronales;
- la date de l'engagement.
(- le numéro d'entreprise visé dans la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives aux travailleurs qui peuvent bénéficier d'une réduction groupe cible visée aux §§ 1er, 2 et 3 a l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale (...). <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 7. (Lorsque l'organisme régional de placement compétent estime, à l'issue des 10 trimestres visés dans les § 1er, 1°, § 2, 1° ou § 3, 1°, que le travailleur précité n'est toujours pas apte à intégrer le marché du travail régulier, la durée de la réduction groupe-cible visée au § 1, 1°, § 2, 1° ou § 3, 1° est prolongée avec une nouvelle période de 10 trimestres maximum.
Lorsque l'organisme régional de placement compétent estime, à l'issue des 20 trimestres visés dans les § 1er, 2°, § 2, 2° ou § 3, 2°, que le travailleur précité n'est toujours pas apte à intégrer le marché du travail régulier, la durée de la réduction groupe-cible visée au § 1, 2°, § 2, 2° ou § 3, 2° est prolongée avec une nouvelle période de 20 trimestres maximum.
L'organisme régional de placement compétent avertit, selon le cas, l'Office national de l'emploi ou le centre public d'aide sociale concerné.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est chÎmeur complet indemnisé à la date d'engagement;
c) il a été chÎmeur complet indemnisé pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'employeur visĂ© Ă l'article 1, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un chĂŽmeur complet indemnisĂ©, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est chÎmeur complet indemnisé à la date d'engagement;
c) il a été chÎmeur complet indemnisé pendant au moins six cent vingt-quatre jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 36 mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
3° L'employeur visĂ© Ă l'article 1, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une reduction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un chĂŽmeur complet indemnisĂ©, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est chÎmeur complet indemnisé à la date d'engagement;
c) il a été chÎmeur complet indemnisé pendant au moins 156 jours calculés dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précÚdent); <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée a l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 2. 1° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'integration sociale, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit a l'intégration sociale pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des neuf mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit a l'intĂ©gration sociale, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'intégration sociale pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précÚdent.
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
3° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©fice d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit a l'intĂ©gration sociale, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'intégration sociale pendant au moins 156 jours calcules dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précÚdent;) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 3. 1° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre Ă la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financiÚre pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des neuf mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©neficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre Ă la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financiÚre pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
3° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre Ă la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financiÚre indemnisé pendant au moins 156 jours calculés dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précÚdent); <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 4. (Pour l'application de cet article, sont assimilées avec des périodes en tant que chÎmeur complet indemnisé, ayant droit à l'intégration sociale et ayant droit à l'aide sociale financiÚre :
1° les périodes situées dans une période de chÎmage complet qui ont donné lieu au paiement d'une allocation en application des dispositions légales ou réglementaires relatives à l'assurance maladie-invalidité obligatoire ou a l'assurance maternité;
2° les périodes de détention ou d'emprisonnement situées dans une période de chÎmage complet;
3° les périodes d'occupation dans le cadre d'un programme de transition professionnelle pendant lesquelles le travailleur a bénéficié de l'allocation visée :
a) soit Ă l'article 5, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1997 d'exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle;
b) soit Ă l'article 4 de l'arrĂȘte royal du 11 juillet 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale mis au travail dans un programme de transition professionnelle;
c) soit Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 novembre 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă une aide sociale financiĂšre mis au travail dans un programme de transition professionnelle;
4° les périodes d'occupation en application de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale;
5° les périodes de chÎmage complet indemnisé;
6° les périodes d'ayant droit à l'intégration sociale, en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
7° les périodes d'octroi de l'aide sociale financiÚre aux personnes de nationalité étrangÚre, inscrites au registre des étrangers, qui en raison de leur nationalité ne peuvent pas prétendre au droit à l'intégration sociale et qui ont droit à une aide sociale financiÚre;
8° les pĂ©riodes d'occupation auprĂšs d'un employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 3 mai 1999, dans le cadre de programmes de remise au travail visĂ©s Ă l'article 6, § 1er, IX, 2°, de la loi spĂ©ciale du 8 aoĂ»t 1980 de rĂ©formes institutionnelles;
9° les périodes de chÎmage complet, d'intégration sociale ou d'aide sociale financiÚre, couvertes par un pécule de vacances;
10° les périodes de rappel sous les armes, situées dans une période de chÎmage complet;
11° les périodes d'occupation dans le cadre d'un poste de travail reconnu, pendant lesquelles le travailleur a bénéficié d'une allocation visée
a) soit Ă l'article 8, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 8 aoĂ»t 1997 d'exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs relatif Ă la rĂ©insertion professionnelle des chĂŽmeurs de longue durĂ©e;
b) soit Ă l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 fĂ©vrier 1999 pris en exĂ©cution de l'article 2, § 5, alinĂ©a 1er, de la loi du 7 aoĂ»t 1974 instituant le droit Ă un minimum de moyens d'existence;
c) soit Ă l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 fĂ©vrier 1999 pris en exĂ©cution de l'article 57quater de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale;
12° les pĂ©riodes de stage au sens de l'article 36, § 1er, alinĂ©a 1er, 4°, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© du 25 novembre 1991, pendant lesquelles le demandeur d'emploi n'est pas liĂ© par un contrat de travail soumis Ă la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 5. (Pour bĂ©nĂ©ficier de la rĂ©duction groupe cible visĂ©e aux §§ 1er, 2 et 3, l'employeur doit au prĂ©alable obtenir une attestation selon laquelle il entre dans le champ d'application visĂ© Ă l'article 1er, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 prĂ©citĂ©. Cette attestation est dĂ©livrĂ©e dans un dĂ©lai de 45 jours par le Directeur gĂ©nĂ©ral de la Direction gĂ©nĂ©rale Emploi et MarchĂ© du Travail du Service public fĂ©dĂ©ral Emploi, Travail et Concertation sociale.
Pour ouvrir le droit Ă la rĂ©duction groupe cible visĂ©e au § 1er, le travailleur doit en outre bĂ©nĂ©ficier d'une allocation de rĂ©insertion visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 3 mai 1999, dans les conditions et selon les modalitĂ©s fixĂ©es dans l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution. Une copie de l'attestation visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er est transmise par l'employeur au travailleur qui joint cette attestation Ă sa demande d'allocation de rĂ©insertion.
Pour ouvrir le droit Ă la rĂ©duction groupe cible visĂ©e aux §§ 2 ou 3, l'employeur doit bĂ©nĂ©ficier d'une intervention dans la rĂ©munĂ©ration par le centre public d'aide sociale dans les conditions et selon les modalitĂ©s de l'arrĂȘtĂ© royal du 11 juillet 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale mis au travail dans une initiative d'insertion sociale ou de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 novembre 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă une aide sociale financiĂšre mis au travail dans une initiative d'insertion sociale. Une copie de l'attestation visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er est jointe Ă la demande.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 6. 1° Lorsqu'un employeur veut bénéficier de la réduction groupe cible visée par les §§ 2 ou 3 pour un travailleur, le centre public d'aide sociale en informe l'Office national de l'Emploi en lui communiquant les données suivantes :
- le nom et prénom du travailleur;
- le numéro de Registre national du travailleur;
- l'adresse complĂšte du travailleur;
- le sexe du travailleur;
- la langue du travailleur;
- le type d'avantage de réduction de cotisations patronales;
- la date de l'engagement.
(- le numéro d'entreprise visé dans la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives aux travailleurs qui peuvent bénéficier d'une réduction groupe cible visée aux §§ 1er, 2 et 3 a l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale (...). <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 7. (Lorsque l'organisme régional de placement compétent estime, à l'issue des 10 trimestres visés dans les § 1er, 1°, § 2, 1° ou § 3, 1°, que le travailleur précité n'est toujours pas apte à intégrer le marché du travail régulier, la durée de la réduction groupe-cible visée au § 1, 1°, § 2, 1° ou § 3, 1° est prolongée avec une nouvelle période de 10 trimestres maximum.
Lorsque l'organisme régional de placement compétent estime, à l'issue des 20 trimestres visés dans les § 1er, 2°, § 2, 2° ou § 3, 2°, que le travailleur précité n'est toujours pas apte à intégrer le marché du travail régulier, la durée de la réduction groupe-cible visée au § 1, 2°, § 2, 2° ou § 3, 2° est prolongée avec une nouvelle période de 20 trimestres maximum.
L'organisme régional de placement compétent avertit, selon le cas, l'Office national de l'emploi ou le centre public d'aide sociale concerné.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Art.14_WAALS_GEWEST.
§ 1. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voor zover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is uitkeringsgerechtigde volledige werkloze op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is uitkeringsgerechtigde volledig werkloze op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 36 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 624 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is uitkeringsgerechtigde volledig werkloze op de dag van indiensttreding;
c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 2. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 3. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 4. (Voor de toepassing van dit artikel worden met de periodes als uitkeringsgerechtigde volledig werkloze, als gerechtigde op maatschappelijke integratie en als rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp gelijkgesteld :
1° de periodes gelegen in een periode van volledige werkloosheid die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van wet- of reglementeringsbepalingen inzake verplichte verzekering tegen ziekte- of invaliditeit of inzake moederschapsverzekering;
2° de periodes van hechtenis of gevangenzetting, gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
3° de periodes van tewerkstelling in het kader van een doorstromingsprogramma gedurende dewelke de werknemer de uitkering genoot bedoeld
a) hetzij in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
b) hetzij in artikel 4 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
c) hetzij in artikel 4 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
4° de periodes van tewerkstelling in toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
5° de periodes van volledig vergoede werkloosheid;
6° de periodes van gerechtigd zijn op maatschappelijke integratie in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
7° de periodes van toekenning van financiële maatschappelijke hulp aan personen van vreemde nationaliteit, ingeschreven in het vreemdelingenregister, die omwille van hun nationaliteit geen aanspraak kunnen maken op het recht op maatschappelijke integratie en gerechtigd zijn op een financiële maatschappelijke hulp;
8° de periodes van tewerkstelling, bij een werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 1999, in de programma's voor wedertewerkstelling bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2°, van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
9° de periodes van volledige werkloosheid, maatschappelijke integratie of financiële maatschappelijke hulp, gedekt door vakantiegeld;
10° de periodes van wederoproeping onder de wapens, gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
11° de periodes van tewerkstelling in het kader van een erkende arbeidspost gedurende dewelke de werknemer de uitkering genoot bedoeld
a) hetzij in artikel 8, § 1 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen;
b) hetzij in artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 2, § 5, eerste lid, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
c) hetzij in artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 57quater van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
12° de periodes van wachttijd in de zin van artikel 36, § 1, eerste lid, 4° van het bovenvermeld besluit van 25 november 1991, tijdens dewelke de werkzoekende niet verbonden is door een arbeidsovereenkomst, onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 5. (Om te genieten van de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 1, 2 en 3, moet de werkgever voorafgaandelijk een attest bekomen dat bewijst dat hij onder het toepassingsgebied van artikel 1, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 1999 valt. Dit attest wordt afgeleverd binnen een termijn van 45 dagen door de Directeur-generaal van de Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
Om het recht te openen om de doelgroepvermindering bedoeld in § 1, moet de werknemer bovendien onder de voorwaarden en modaliteiten bepaald in het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en zijn uitvoeringsbesluiten een herinschakelingsuitkering bedoeld in artikel 4 van voornoemd koninklijk besluit van 3 mei 1999 genieten. Een kopie van het attest bedoeld in het eerste lid wordt overgemaakt door de werkgever aan de werknemer die dit attest voegt bij zijn aanvraag voor een herinschakelingsuitkering.
Om het recht te openen op de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 2 of 3 moet de werkgever een tussenkomst in het loon vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn genieten onder de voorwaarden en modaliteiten van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een sociaal inschakelingsinitiatief of van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een sociaal inschakelingsinitiatief. Een kopie van het attest bedoeld in het eerste lid wordt bij de aanvraag gevoegd.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 6. 1° Wanneer een werkgever de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 2 of 3° wenst te genieten voor een werknemer, brengt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hiervan op de hoogte met vermelding van volgende gegevens :
- de naam en voornaam van de werknemer;
- het rijksregisternummer van de werknemer;
- het volledig adres van de werknemer;
- het geslacht van de werknemer;
- de taal van de werknemer;
- het type voordeel van doelgroepvermindering;
- de datum van indiensttreding.
(- het ondernemingsnummer bedoeld in de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de werknemers die in aanmerking komen voor de doelgroepverminderingen bedoeld in §§ 1, 2 en 3 over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
§ 7. (Wanneer de bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling na afloop van de 10 kwartalen bedoeld in § 1, 1°, § 2, 1° of § 3, 1°, van mening is dat de voornoemde werknemer nog altijd niet geschikt is om zich te integreren in de reguliere arbeidsmarkt, wordt de duur van de doelgroepvermindering bedoeld in § 1, 1°, § 2, 1° of § 3, 1° verlengd met een nieuwe periode van maximum 10 kwartalen.
Wanneer de bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling na afloop van de 20 kwartalen bedoeld in § 1, 2°, § 2, 2° of § 3, 2°, van mening is dat de voornoemde werknemer nog altijd niet geschikt is om zich te integreren in de reguliere arbeidsmarkt, wordt de duur van de doelgroepvermindering bedoeld in § 1, 2°, § 2, 2° of § 3, 2° verlengd met een nieuwe periode van maximum 20 kwartalen.
De bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling licht, naar gelang het geval, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
[1 De verlenging van de duur van de doelgroepvermindering bedoeld in de leden 1 en 2 is niet van toepassing op een betrekking die wordt uitgeoefend in het kader van een arbeidsovereenkomst dienstencheques bedoeld in artikel 7bis van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen. ]1
[1 § 8. De in §§ 1, 2 en 3 bedoelde doelgroepvermindering voor werknemers die zijn aangeworven in het kader van een arbeidsovereenkomst dienstencheques bedoeld in artikel 7bis van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, eindigt op 30 juni 2026.]1
§ 1. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voor zover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is uitkeringsgerechtigde volledige werkloze op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is uitkeringsgerechtigde volledig werkloze op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 36 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 624 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is uitkeringsgerechtigde volledig werkloze op de dag van indiensttreding;
c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 2. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 3. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 4. (Voor de toepassing van dit artikel worden met de periodes als uitkeringsgerechtigde volledig werkloze, als gerechtigde op maatschappelijke integratie en als rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp gelijkgesteld :
1° de periodes gelegen in een periode van volledige werkloosheid die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van wet- of reglementeringsbepalingen inzake verplichte verzekering tegen ziekte- of invaliditeit of inzake moederschapsverzekering;
2° de periodes van hechtenis of gevangenzetting, gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
3° de periodes van tewerkstelling in het kader van een doorstromingsprogramma gedurende dewelke de werknemer de uitkering genoot bedoeld
a) hetzij in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
b) hetzij in artikel 4 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
c) hetzij in artikel 4 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
4° de periodes van tewerkstelling in toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
5° de periodes van volledig vergoede werkloosheid;
6° de periodes van gerechtigd zijn op maatschappelijke integratie in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
7° de periodes van toekenning van financiële maatschappelijke hulp aan personen van vreemde nationaliteit, ingeschreven in het vreemdelingenregister, die omwille van hun nationaliteit geen aanspraak kunnen maken op het recht op maatschappelijke integratie en gerechtigd zijn op een financiële maatschappelijke hulp;
8° de periodes van tewerkstelling, bij een werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 1999, in de programma's voor wedertewerkstelling bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2°, van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
9° de periodes van volledige werkloosheid, maatschappelijke integratie of financiële maatschappelijke hulp, gedekt door vakantiegeld;
10° de periodes van wederoproeping onder de wapens, gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
11° de periodes van tewerkstelling in het kader van een erkende arbeidspost gedurende dewelke de werknemer de uitkering genoot bedoeld
a) hetzij in artikel 8, § 1 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen;
b) hetzij in artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 2, § 5, eerste lid, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
c) hetzij in artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 57quater van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
12° de periodes van wachttijd in de zin van artikel 36, § 1, eerste lid, 4° van het bovenvermeld besluit van 25 november 1991, tijdens dewelke de werkzoekende niet verbonden is door een arbeidsovereenkomst, onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 5. (Om te genieten van de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 1, 2 en 3, moet de werkgever voorafgaandelijk een attest bekomen dat bewijst dat hij onder het toepassingsgebied van artikel 1, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 1999 valt. Dit attest wordt afgeleverd binnen een termijn van 45 dagen door de Directeur-generaal van de Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
Om het recht te openen om de doelgroepvermindering bedoeld in § 1, moet de werknemer bovendien onder de voorwaarden en modaliteiten bepaald in het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en zijn uitvoeringsbesluiten een herinschakelingsuitkering bedoeld in artikel 4 van voornoemd koninklijk besluit van 3 mei 1999 genieten. Een kopie van het attest bedoeld in het eerste lid wordt overgemaakt door de werkgever aan de werknemer die dit attest voegt bij zijn aanvraag voor een herinschakelingsuitkering.
Om het recht te openen op de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 2 of 3 moet de werkgever een tussenkomst in het loon vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn genieten onder de voorwaarden en modaliteiten van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een sociaal inschakelingsinitiatief of van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een sociaal inschakelingsinitiatief. Een kopie van het attest bedoeld in het eerste lid wordt bij de aanvraag gevoegd.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 6. 1° Wanneer een werkgever de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 2 of 3° wenst te genieten voor een werknemer, brengt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hiervan op de hoogte met vermelding van volgende gegevens :
- de naam en voornaam van de werknemer;
- het rijksregisternummer van de werknemer;
- het volledig adres van de werknemer;
- het geslacht van de werknemer;
- de taal van de werknemer;
- het type voordeel van doelgroepvermindering;
- de datum van indiensttreding.
(- het ondernemingsnummer bedoeld in de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de werknemers die in aanmerking komen voor de doelgroepverminderingen bedoeld in §§ 1, 2 en 3 over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
§ 7. (Wanneer de bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling na afloop van de 10 kwartalen bedoeld in § 1, 1°, § 2, 1° of § 3, 1°, van mening is dat de voornoemde werknemer nog altijd niet geschikt is om zich te integreren in de reguliere arbeidsmarkt, wordt de duur van de doelgroepvermindering bedoeld in § 1, 1°, § 2, 1° of § 3, 1° verlengd met een nieuwe periode van maximum 10 kwartalen.
Wanneer de bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling na afloop van de 20 kwartalen bedoeld in § 1, 2°, § 2, 2° of § 3, 2°, van mening is dat de voornoemde werknemer nog altijd niet geschikt is om zich te integreren in de reguliere arbeidsmarkt, wordt de duur van de doelgroepvermindering bedoeld in § 1, 2°, § 2, 2° of § 3, 2° verlengd met een nieuwe periode van maximum 20 kwartalen.
De bevoegde regionale dienst voor arbeidsbemiddeling licht, naar gelang het geval, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening of het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
[1 De verlenging van de duur van de doelgroepvermindering bedoeld in de leden 1 en 2 is niet van toepassing op een betrekking die wordt uitgeoefend in het kader van een arbeidsovereenkomst dienstencheques bedoeld in artikel 7bis van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen. ]1
[1 § 8. De in §§ 1, 2 en 3 bedoelde doelgroepvermindering voor werknemers die zijn aangeworven in het kader van een arbeidsovereenkomst dienstencheques bedoeld in artikel 7bis van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, eindigt op 30 juni 2026.]1
Art.14_REGION_WALLONNE.
§ 1er. 1° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un chĂŽmeur complet indemnisĂ©, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est chÎmeur complet indemnisé à la date d'engagement;
c) il a été chÎmeur complet indemnisé pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'employeur visĂ© Ă l'article 1, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un chĂŽmeur complet indemnisĂ©, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est chÎmeur complet indemnisé à la date d'engagement;
c) il a été chÎmeur complet indemnisé pendant au moins six cent vingt-quatre jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 36 mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
3° L'employeur visĂ© Ă l'article 1, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une reduction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un chĂŽmeur complet indemnisĂ©, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est chÎmeur complet indemnisé à la date d'engagement;
c) il a été chÎmeur complet indemnisé pendant au moins 156 jours calculés dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précÚdent); <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée a l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 2. 1° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'integration sociale, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit a l'intégration sociale pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des neuf mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit a l'intĂ©gration sociale, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'intégration sociale pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précÚdent.
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
3° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©fice d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit a l'intĂ©gration sociale, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'intégration sociale pendant au moins 156 jours calcules dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précÚdent;) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 3. 1° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre Ă la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financiÚre pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des neuf mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©neficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre Ă la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financiÚre pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
3° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre Ă la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financiÚre indemnisé pendant au moins 156 jours calculés dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précÚdent); <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 4. (Pour l'application de cet article, sont assimilées avec des périodes en tant que chÎmeur complet indemnisé, ayant droit à l'intégration sociale et ayant droit à l'aide sociale financiÚre :
1° les périodes situées dans une période de chÎmage complet qui ont donné lieu au paiement d'une allocation en application des dispositions légales ou réglementaires relatives à l'assurance maladie-invalidité obligatoire ou a l'assurance maternité;
2° les périodes de détention ou d'emprisonnement situées dans une période de chÎmage complet;
3° les périodes d'occupation dans le cadre d'un programme de transition professionnelle pendant lesquelles le travailleur a bénéficié de l'allocation visée :
a) soit Ă l'article 5, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1997 d'exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle;
b) soit Ă l'article 4 de l'arrĂȘte royal du 11 juillet 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale mis au travail dans un programme de transition professionnelle;
c) soit Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 novembre 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă une aide sociale financiĂšre mis au travail dans un programme de transition professionnelle;
4° les périodes d'occupation en application de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale;
5° les périodes de chÎmage complet indemnisé;
6° les périodes d'ayant droit à l'intégration sociale, en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
7° les périodes d'octroi de l'aide sociale financiÚre aux personnes de nationalité étrangÚre, inscrites au registre des étrangers, qui en raison de leur nationalité ne peuvent pas prétendre au droit à l'intégration sociale et qui ont droit à une aide sociale financiÚre;
8° les pĂ©riodes d'occupation auprĂšs d'un employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 3 mai 1999, dans le cadre de programmes de remise au travail visĂ©s Ă l'article 6, § 1er, IX, 2°, de la loi spĂ©ciale du 8 aoĂ»t 1980 de rĂ©formes institutionnelles;
9° les périodes de chÎmage complet, d'intégration sociale ou d'aide sociale financiÚre, couvertes par un pécule de vacances;
10° les périodes de rappel sous les armes, situées dans une période de chÎmage complet;
11° les périodes d'occupation dans le cadre d'un poste de travail reconnu, pendant lesquelles le travailleur a bénéficié d'une allocation visée
a) soit Ă l'article 8, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 8 aoĂ»t 1997 d'exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs relatif Ă la rĂ©insertion professionnelle des chĂŽmeurs de longue durĂ©e;
b) soit Ă l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 fĂ©vrier 1999 pris en exĂ©cution de l'article 2, § 5, alinĂ©a 1er, de la loi du 7 aoĂ»t 1974 instituant le droit Ă un minimum de moyens d'existence;
c) soit Ă l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 fĂ©vrier 1999 pris en exĂ©cution de l'article 57quater de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale;
12° les pĂ©riodes de stage au sens de l'article 36, § 1er, alinĂ©a 1er, 4°, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© du 25 novembre 1991, pendant lesquelles le demandeur d'emploi n'est pas liĂ© par un contrat de travail soumis Ă la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 5. (Pour bĂ©nĂ©ficier de la rĂ©duction groupe cible visĂ©e aux §§ 1er, 2 et 3, l'employeur doit au prĂ©alable obtenir une attestation selon laquelle il entre dans le champ d'application visĂ© Ă l'article 1er, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 prĂ©citĂ©. Cette attestation est dĂ©livrĂ©e dans un dĂ©lai de 45 jours par le Directeur gĂ©nĂ©ral de la Direction gĂ©nĂ©rale Emploi et MarchĂ© du Travail du Service public fĂ©dĂ©ral Emploi, Travail et Concertation sociale.
Pour ouvrir le droit Ă la rĂ©duction groupe cible visĂ©e au § 1er, le travailleur doit en outre bĂ©nĂ©ficier d'une allocation de rĂ©insertion visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 3 mai 1999, dans les conditions et selon les modalitĂ©s fixĂ©es dans l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution. Une copie de l'attestation visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er est transmise par l'employeur au travailleur qui joint cette attestation Ă sa demande d'allocation de rĂ©insertion.
Pour ouvrir le droit Ă la rĂ©duction groupe cible visĂ©e aux §§ 2 ou 3, l'employeur doit bĂ©nĂ©ficier d'une intervention dans la rĂ©munĂ©ration par le centre public d'aide sociale dans les conditions et selon les modalitĂ©s de l'arrĂȘtĂ© royal du 11 juillet 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale mis au travail dans une initiative d'insertion sociale ou de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 novembre 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă une aide sociale financiĂšre mis au travail dans une initiative d'insertion sociale. Une copie de l'attestation visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er est jointe Ă la demande.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 6. 1° Lorsqu'un employeur veut bénéficier de la réduction groupe cible visée par les §§ 2 ou 3 pour un travailleur, le centre public d'aide sociale en informe l'Office national de l'Emploi en lui communiquant les données suivantes :
- le nom et prénom du travailleur;
- le numéro de Registre national du travailleur;
- l'adresse complĂšte du travailleur;
- le sexe du travailleur;
- la langue du travailleur;
- le type d'avantage de réduction de cotisations patronales;
- la date de l'engagement.
(- le numéro d'entreprise visé dans la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives aux travailleurs qui peuvent bénéficier d'une réduction groupe cible visée aux §§ 1er, 2 et 3 a l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale (...). <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 7. (Lorsque l'organisme régional de placement compétent estime, à l'issue des 10 trimestres visés dans les § 1er, 1°, § 2, 1° ou § 3, 1°, que le travailleur précité n'est toujours pas apte à intégrer le marché du travail régulier, la durée de la réduction groupe-cible visée au § 1, 1°, § 2, 1° ou § 3, 1° est prolongée avec une nouvelle période de 10 trimestres maximum.
Lorsque l'organisme régional de placement compétent estime, à l'issue des 20 trimestres visés dans les § 1er, 2°, § 2, 2° ou § 3, 2°, que le travailleur précité n'est toujours pas apte à intégrer le marché du travail régulier, la durée de la réduction groupe-cible visée au § 1, 2°, § 2, 2° ou § 3, 2° est prolongée avec une nouvelle période de 20 trimestres maximum.
L'organisme régional de placement compétent avertit, selon le cas, l'Office national de l'emploi ou le centre public d'aide sociale concerné.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
[1 La prolongation de la durée de la réduction groupe-cible visée aux alinéas 1er et 2 n'est pas applicable pour un poste occupé dans le cadre d'un contrat de travail titres-services visé à l'article 7bis de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité. ]1
[1 § 8. La réduction groupe-cible visée aux §§ 1er, 2 et 3, et obtenue pour les travailleurs engagés dans le cadre d'un contrat de travail titres-services visé à l'article 7bis de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité prend fin le 30 juin 2026.]1
§ 1er. 1° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un chĂŽmeur complet indemnisĂ©, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est chÎmeur complet indemnisé à la date d'engagement;
c) il a été chÎmeur complet indemnisé pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'employeur visĂ© Ă l'article 1, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un chĂŽmeur complet indemnisĂ©, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est chÎmeur complet indemnisé à la date d'engagement;
c) il a été chÎmeur complet indemnisé pendant au moins six cent vingt-quatre jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 36 mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
3° L'employeur visĂ© Ă l'article 1, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une reduction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un chĂŽmeur complet indemnisĂ©, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est chÎmeur complet indemnisé à la date d'engagement;
c) il a été chÎmeur complet indemnisé pendant au moins 156 jours calculés dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précÚdent); <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée a l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 2. 1° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'integration sociale, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit a l'intégration sociale pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des neuf mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit a l'intĂ©gration sociale, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'intégration sociale pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précÚdent.
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
3° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©fice d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit a l'intĂ©gration sociale, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'intégration sociale pendant au moins 156 jours calcules dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précÚdent;) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 3. 1° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre Ă la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financiÚre pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des neuf mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©neficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre Ă la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financiÚre pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
3° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre Ă la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financiÚre indemnisé pendant au moins 156 jours calculés dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précÚdent); <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 4. (Pour l'application de cet article, sont assimilées avec des périodes en tant que chÎmeur complet indemnisé, ayant droit à l'intégration sociale et ayant droit à l'aide sociale financiÚre :
1° les périodes situées dans une période de chÎmage complet qui ont donné lieu au paiement d'une allocation en application des dispositions légales ou réglementaires relatives à l'assurance maladie-invalidité obligatoire ou a l'assurance maternité;
2° les périodes de détention ou d'emprisonnement situées dans une période de chÎmage complet;
3° les périodes d'occupation dans le cadre d'un programme de transition professionnelle pendant lesquelles le travailleur a bénéficié de l'allocation visée :
a) soit Ă l'article 5, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1997 d'exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle;
b) soit Ă l'article 4 de l'arrĂȘte royal du 11 juillet 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale mis au travail dans un programme de transition professionnelle;
c) soit Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 novembre 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă une aide sociale financiĂšre mis au travail dans un programme de transition professionnelle;
4° les périodes d'occupation en application de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale;
5° les périodes de chÎmage complet indemnisé;
6° les périodes d'ayant droit à l'intégration sociale, en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
7° les périodes d'octroi de l'aide sociale financiÚre aux personnes de nationalité étrangÚre, inscrites au registre des étrangers, qui en raison de leur nationalité ne peuvent pas prétendre au droit à l'intégration sociale et qui ont droit à une aide sociale financiÚre;
8° les pĂ©riodes d'occupation auprĂšs d'un employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 3 mai 1999, dans le cadre de programmes de remise au travail visĂ©s Ă l'article 6, § 1er, IX, 2°, de la loi spĂ©ciale du 8 aoĂ»t 1980 de rĂ©formes institutionnelles;
9° les périodes de chÎmage complet, d'intégration sociale ou d'aide sociale financiÚre, couvertes par un pécule de vacances;
10° les périodes de rappel sous les armes, situées dans une période de chÎmage complet;
11° les périodes d'occupation dans le cadre d'un poste de travail reconnu, pendant lesquelles le travailleur a bénéficié d'une allocation visée
a) soit Ă l'article 8, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 8 aoĂ»t 1997 d'exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs relatif Ă la rĂ©insertion professionnelle des chĂŽmeurs de longue durĂ©e;
b) soit Ă l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 fĂ©vrier 1999 pris en exĂ©cution de l'article 2, § 5, alinĂ©a 1er, de la loi du 7 aoĂ»t 1974 instituant le droit Ă un minimum de moyens d'existence;
c) soit Ă l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 fĂ©vrier 1999 pris en exĂ©cution de l'article 57quater de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale;
12° les pĂ©riodes de stage au sens de l'article 36, § 1er, alinĂ©a 1er, 4°, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© du 25 novembre 1991, pendant lesquelles le demandeur d'emploi n'est pas liĂ© par un contrat de travail soumis Ă la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 5. (Pour bĂ©nĂ©ficier de la rĂ©duction groupe cible visĂ©e aux §§ 1er, 2 et 3, l'employeur doit au prĂ©alable obtenir une attestation selon laquelle il entre dans le champ d'application visĂ© Ă l'article 1er, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 prĂ©citĂ©. Cette attestation est dĂ©livrĂ©e dans un dĂ©lai de 45 jours par le Directeur gĂ©nĂ©ral de la Direction gĂ©nĂ©rale Emploi et MarchĂ© du Travail du Service public fĂ©dĂ©ral Emploi, Travail et Concertation sociale.
Pour ouvrir le droit Ă la rĂ©duction groupe cible visĂ©e au § 1er, le travailleur doit en outre bĂ©nĂ©ficier d'une allocation de rĂ©insertion visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 3 mai 1999, dans les conditions et selon les modalitĂ©s fixĂ©es dans l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution. Une copie de l'attestation visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er est transmise par l'employeur au travailleur qui joint cette attestation Ă sa demande d'allocation de rĂ©insertion.
Pour ouvrir le droit Ă la rĂ©duction groupe cible visĂ©e aux §§ 2 ou 3, l'employeur doit bĂ©nĂ©ficier d'une intervention dans la rĂ©munĂ©ration par le centre public d'aide sociale dans les conditions et selon les modalitĂ©s de l'arrĂȘtĂ© royal du 11 juillet 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale mis au travail dans une initiative d'insertion sociale ou de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 novembre 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă une aide sociale financiĂšre mis au travail dans une initiative d'insertion sociale. Une copie de l'attestation visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er est jointe Ă la demande.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 6. 1° Lorsqu'un employeur veut bénéficier de la réduction groupe cible visée par les §§ 2 ou 3 pour un travailleur, le centre public d'aide sociale en informe l'Office national de l'Emploi en lui communiquant les données suivantes :
- le nom et prénom du travailleur;
- le numéro de Registre national du travailleur;
- l'adresse complĂšte du travailleur;
- le sexe du travailleur;
- la langue du travailleur;
- le type d'avantage de réduction de cotisations patronales;
- la date de l'engagement.
(- le numéro d'entreprise visé dans la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives aux travailleurs qui peuvent bénéficier d'une réduction groupe cible visée aux §§ 1er, 2 et 3 a l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale (...). <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 7. (Lorsque l'organisme régional de placement compétent estime, à l'issue des 10 trimestres visés dans les § 1er, 1°, § 2, 1° ou § 3, 1°, que le travailleur précité n'est toujours pas apte à intégrer le marché du travail régulier, la durée de la réduction groupe-cible visée au § 1, 1°, § 2, 1° ou § 3, 1° est prolongée avec une nouvelle période de 10 trimestres maximum.
Lorsque l'organisme régional de placement compétent estime, à l'issue des 20 trimestres visés dans les § 1er, 2°, § 2, 2° ou § 3, 2°, que le travailleur précité n'est toujours pas apte à intégrer le marché du travail régulier, la durée de la réduction groupe-cible visée au § 1, 2°, § 2, 2° ou § 3, 2° est prolongée avec une nouvelle période de 20 trimestres maximum.
L'organisme régional de placement compétent avertit, selon le cas, l'Office national de l'emploi ou le centre public d'aide sociale concerné.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
[1 La prolongation de la durée de la réduction groupe-cible visée aux alinéas 1er et 2 n'est pas applicable pour un poste occupé dans le cadre d'un contrat de travail titres-services visé à l'article 7bis de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité. ]1
[1 § 8. La réduction groupe-cible visée aux §§ 1er, 2 et 3, et obtenue pour les travailleurs engagés dans le cadre d'un contrat de travail titres-services visé à l'article 7bis de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité prend fin le 30 juin 2026.]1
Wijzigingen
Wijzigingen
Art. 14_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 14 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 14_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 14 _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 14 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voor zover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is uitkeringsgerechtigde volledige werkloze op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is uitkeringsgerechtigde volledig werkloze op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 36 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 624 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is uitkeringsgerechtigde volledig werkloze op de dag van indiensttreding;
c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 2. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 3. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 4. (Voor de toepassing van dit artikel worden met de periodes als uitkeringsgerechtigde volledig werkloze, als gerechtigde op maatschappelijke integratie en als rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp gelijkgesteld :
1° de periodes gelegen in een periode van volledige werkloosheid die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van wet- of reglementeringsbepalingen inzake verplichte verzekering tegen ziekte- of invaliditeit of inzake moederschapsverzekering;
2° de periodes van hechtenis of gevangenzetting, gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
3° de periodes van tewerkstelling in het kader van een doorstromingsprogramma gedurende dewelke de werknemer de uitkering genoot bedoeld
a) hetzij in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
b) hetzij in artikel 4 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
c) hetzij in artikel 4 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
4° de periodes van tewerkstelling in toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
5° de periodes van volledig vergoede werkloosheid;
6° de periodes van gerechtigd zijn op maatschappelijke integratie in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
7° de periodes van toekenning van financiële maatschappelijke hulp aan personen van vreemde nationaliteit, ingeschreven in het vreemdelingenregister, die omwille van hun nationaliteit geen aanspraak kunnen maken op het recht op maatschappelijke integratie en gerechtigd zijn op een financiële maatschappelijke hulp;
8° de periodes van tewerkstelling, bij een werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 1999, in de programma's voor wedertewerkstelling bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2°, van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
9° de periodes van volledige werkloosheid, maatschappelijke integratie of financiële maatschappelijke hulp, gedekt door vakantiegeld;
10° de periodes van wederoproeping onder de wapens, gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
11° de periodes van tewerkstelling in het kader van een erkende arbeidspost gedurende dewelke de werknemer de uitkering genoot bedoeld
a) hetzij in artikel 8, § 1 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen;
b) hetzij in artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 2, § 5, eerste lid, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
c) hetzij in artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 57quater van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
12° de periodes van wachttijd in de zin van artikel 36, § 1, eerste lid, 4° van het bovenvermeld besluit van 25 november 1991, tijdens dewelke de werkzoekende niet verbonden is door een arbeidsovereenkomst, onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;)
[2 13° de tewerkstellingsperioden bij een werkgever vermeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen in het kader van het besluit van het Waals Gewest van 11 mei 1995 betreffende de indienstneming van gesubsidieerde contractuelen door sommige openbare besturen en ermee gelijkgestelde werkgevers, zoals van kracht op 31 december 2017.]2 <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
[1 In afwijking van het eerste lid, 8°, wordt de daarin bepaalde "periode" niet gelijkgesteld voor personen die binnen het toepassingsgebied vallen van het besluit van de Waalse Regering van 11 mei 1995 betreffende de indienstneming van gesubsidieerde contractuelen door sommige openbare besturen en ermee gelijkgestelde werkgevers, met uitzondering van de personen die behoren tot de toelagecategorieën B1, B2 of B3 vermeld in artikel 5, §§ 1 tot 3, van datzelfde besluit.]1
§ 5. (Om te genieten van de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 1, 2 en 3, moet de werkgever voorafgaandelijk een attest bekomen dat bewijst dat hij onder het toepassingsgebied van artikel 1, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 1999 valt. Dit attest wordt afgeleverd binnen een termijn van 45 dagen door de Directeur-generaal van de Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
Om het recht te openen om de doelgroepvermindering bedoeld in § 1, moet de werknemer bovendien onder de voorwaarden en modaliteiten bepaald in het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en zijn uitvoeringsbesluiten een herinschakelingsuitkering bedoeld in artikel 4 van voornoemd koninklijk besluit van 3 mei 1999 genieten. Een kopie van het attest bedoeld in het eerste lid wordt overgemaakt door de werkgever aan de werknemer die dit attest voegt bij zijn aanvraag voor een herinschakelingsuitkering.
Om het recht te openen op de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 2 of 3 moet de werkgever een tussenkomst in het loon vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn genieten onder de voorwaarden en modaliteiten van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een sociaal inschakelingsinitiatief of van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een sociaal inschakelingsinitiatief. Een kopie van het attest bedoeld in het eerste lid wordt bij de aanvraag gevoegd.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 6. 1° Wanneer een werkgever de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 2 of 3° wenst te genieten voor een werknemer, brengt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hiervan op de hoogte met vermelding van volgende gegevens :
- de naam en voornaam van de werknemer;
- het rijksregisternummer van de werknemer;
- het volledig adres van de werknemer;
- het geslacht van de werknemer;
- de taal van de werknemer;
- het type voordeel van doelgroepvermindering;
- de datum van indiensttreding.
(- het ondernemingsnummer bedoeld in de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de werknemers die in aanmerking komen voor de doelgroepverminderingen bedoeld in §§ 1, 2 en 3 over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
§ 7. [3 ...]3
[3 § 8 - Voor de werkgevers die werknemers tewerkstellen die binnen het toepassingsgebied van dit artikel vallen en die na 31 december 2018 in dienst zijn getreden, wordt de doelgroepvermindering vermeld in dit artikel niet meer toegekend.]3
§ 1. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voor zover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is uitkeringsgerechtigde volledige werkloze op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is uitkeringsgerechtigde volledig werkloze op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 36 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 624 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is uitkeringsgerechtigde volledig werkloze op de dag van indiensttreding;
c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij uitkeringsgerechtigde volledige werkloze geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 2. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een gerechtigde op maatschappelijke integratie ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een gerechtigde op maatschappelijke integratie op de dag van indiensttreding;
c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij een gerechtigde op maatschappelijke integratie geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 3. 1° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 10 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de 20 daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is minder dan 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
c) in de loop van de maand van indienstneming en de 18 kalendermaanden daaraan voorafgaand is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 312 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel;
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
3° De werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, lid 3, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met betrekking tot de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, geniet van een doelgroepvermindering voor sociale inschakelingseconomie voor de indienstneming van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende kwartalen, voorzover de aangeworven werknemer gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden :
a) hij is ten minste 45 jaar op de dag van de indienstneming;
b) hij is een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp op de dag van indiensttreding;
c) (in de loop van de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden daaraan voorafgaand) is hij een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp geweest tijdens minstens 156 dagen gerekend in het zesdaagse stelsel; <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
d) hij is niet in het bezit van een getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs.
(De werknemer die een tewerkstelling bedoeld in § 4, 3°, 4°, 8° of 11° verderzet, moet evenwel niet voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het vorige lid, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 4. (Voor de toepassing van dit artikel worden met de periodes als uitkeringsgerechtigde volledig werkloze, als gerechtigde op maatschappelijke integratie en als rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp gelijkgesteld :
1° de periodes gelegen in een periode van volledige werkloosheid die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van wet- of reglementeringsbepalingen inzake verplichte verzekering tegen ziekte- of invaliditeit of inzake moederschapsverzekering;
2° de periodes van hechtenis of gevangenzetting, gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
3° de periodes van tewerkstelling in het kader van een doorstromingsprogramma gedurende dewelke de werknemer de uitkering genoot bedoeld
a) hetzij in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's;
b) hetzij in artikel 4 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
c) hetzij in artikel 4 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma;
4° de periodes van tewerkstelling in toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
5° de periodes van volledig vergoede werkloosheid;
6° de periodes van gerechtigd zijn op maatschappelijke integratie in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
7° de periodes van toekenning van financiële maatschappelijke hulp aan personen van vreemde nationaliteit, ingeschreven in het vreemdelingenregister, die omwille van hun nationaliteit geen aanspraak kunnen maken op het recht op maatschappelijke integratie en gerechtigd zijn op een financiële maatschappelijke hulp;
8° de periodes van tewerkstelling, bij een werkgever bedoeld in artikel 1, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 1999, in de programma's voor wedertewerkstelling bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2°, van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;
9° de periodes van volledige werkloosheid, maatschappelijke integratie of financiële maatschappelijke hulp, gedekt door vakantiegeld;
10° de periodes van wederoproeping onder de wapens, gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
11° de periodes van tewerkstelling in het kader van een erkende arbeidspost gedurende dewelke de werknemer de uitkering genoot bedoeld
a) hetzij in artikel 8, § 1 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de herinschakeling van de langdurig werklozen;
b) hetzij in artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 2, § 5, eerste lid, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
c) hetzij in artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 57quater van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
12° de periodes van wachttijd in de zin van artikel 36, § 1, eerste lid, 4° van het bovenvermeld besluit van 25 november 1991, tijdens dewelke de werkzoekende niet verbonden is door een arbeidsovereenkomst, onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;)
[2 13° de tewerkstellingsperioden bij een werkgever vermeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen in het kader van het besluit van het Waals Gewest van 11 mei 1995 betreffende de indienstneming van gesubsidieerde contractuelen door sommige openbare besturen en ermee gelijkgestelde werkgevers, zoals van kracht op 31 december 2017.]2 <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
[1 In afwijking van het eerste lid, 8°, wordt de daarin bepaalde "periode" niet gelijkgesteld voor personen die binnen het toepassingsgebied vallen van het besluit van de Waalse Regering van 11 mei 1995 betreffende de indienstneming van gesubsidieerde contractuelen door sommige openbare besturen en ermee gelijkgestelde werkgevers, met uitzondering van de personen die behoren tot de toelagecategorieën B1, B2 of B3 vermeld in artikel 5, §§ 1 tot 3, van datzelfde besluit.]1
§ 5. (Om te genieten van de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 1, 2 en 3, moet de werkgever voorafgaandelijk een attest bekomen dat bewijst dat hij onder het toepassingsgebied van artikel 1, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 3 mei 1999 valt. Dit attest wordt afgeleverd binnen een termijn van 45 dagen door de Directeur-generaal van de Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
Om het recht te openen om de doelgroepvermindering bedoeld in § 1, moet de werknemer bovendien onder de voorwaarden en modaliteiten bepaald in het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en zijn uitvoeringsbesluiten een herinschakelingsuitkering bedoeld in artikel 4 van voornoemd koninklijk besluit van 3 mei 1999 genieten. Een kopie van het attest bedoeld in het eerste lid wordt overgemaakt door de werkgever aan de werknemer die dit attest voegt bij zijn aanvraag voor een herinschakelingsuitkering.
Om het recht te openen op de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 2 of 3 moet de werkgever een tussenkomst in het loon vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn genieten onder de voorwaarden en modaliteiten van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een sociaal inschakelingsinitiatief of van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een sociaal inschakelingsinitiatief. Een kopie van het attest bedoeld in het eerste lid wordt bij de aanvraag gevoegd.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 6. 1° Wanneer een werkgever de doelgroepvermindering bedoeld in §§ 2 of 3° wenst te genieten voor een werknemer, brengt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hiervan op de hoogte met vermelding van volgende gegevens :
- de naam en voornaam van de werknemer;
- het rijksregisternummer van de werknemer;
- het volledig adres van de werknemer;
- het geslacht van de werknemer;
- de taal van de werknemer;
- het type voordeel van doelgroepvermindering;
- de datum van indiensttreding.
(- het ondernemingsnummer bedoeld in de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.) <KB 2004-01-21/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de werknemers die in aanmerking komen voor de doelgroepverminderingen bedoeld in §§ 1, 2 en 3 over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
§ 7. [3 ...]3
[3 § 8 - Voor de werkgevers die werknemers tewerkstellen die binnen het toepassingsgebied van dit artikel vallen en die na 31 december 2018 in dienst zijn getreden, wordt de doelgroepvermindering vermeld in dit artikel niet meer toegekend.]3
Art. 14 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. 1° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un chĂŽmeur complet indemnisĂ©, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est chÎmeur complet indemnisé à la date d'engagement;
c) il a été chÎmeur complet indemnisé pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'employeur visĂ© Ă l'article 1, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un chĂŽmeur complet indemnisĂ©, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est chÎmeur complet indemnisé à la date d'engagement;
c) il a été chÎmeur complet indemnisé pendant au moins six cent vingt-quatre jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 36 mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
3° L'employeur visĂ© Ă l'article 1, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une reduction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un chĂŽmeur complet indemnisĂ©, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est chÎmeur complet indemnisé à la date d'engagement;
c) il a été chÎmeur complet indemnisé pendant au moins 156 jours calculés dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précÚdent); <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée a l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 2. 1° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'integration sociale, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit a l'intégration sociale pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des neuf mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit a l'intĂ©gration sociale, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'intégration sociale pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précÚdent.
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
3° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©fice d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit a l'intĂ©gration sociale, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'intégration sociale pendant au moins 156 jours calcules dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précÚdent;) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 3. 1° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre Ă la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financiÚre pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des neuf mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©neficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre Ă la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financiÚre pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
3° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre Ă la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financiÚre indemnisé pendant au moins 156 jours calculés dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précÚdent); <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 4. (Pour l'application de cet article, sont assimilées avec des périodes en tant que chÎmeur complet indemnisé, ayant droit à l'intégration sociale et ayant droit à l'aide sociale financiÚre :
1° les périodes situées dans une période de chÎmage complet qui ont donné lieu au paiement d'une allocation en application des dispositions légales ou réglementaires relatives à l'assurance maladie-invalidité obligatoire ou a l'assurance maternité;
2° les périodes de détention ou d'emprisonnement situées dans une période de chÎmage complet;
3° les périodes d'occupation dans le cadre d'un programme de transition professionnelle pendant lesquelles le travailleur a bénéficié de l'allocation visée :
a) soit Ă l'article 5, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1997 d'exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle;
b) soit Ă l'article 4 de l'arrĂȘte royal du 11 juillet 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale mis au travail dans un programme de transition professionnelle;
c) soit Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 novembre 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă une aide sociale financiĂšre mis au travail dans un programme de transition professionnelle;
4° les périodes d'occupation en application de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale;
5° les périodes de chÎmage complet indemnisé;
6° les périodes d'ayant droit à l'intégration sociale, en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
7° les périodes d'octroi de l'aide sociale financiÚre aux personnes de nationalité étrangÚre, inscrites au registre des étrangers, qui en raison de leur nationalité ne peuvent pas prétendre au droit à l'intégration sociale et qui ont droit à une aide sociale financiÚre;
8° les pĂ©riodes d'occupation auprĂšs d'un employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 3 mai 1999, dans le cadre de programmes de remise au travail visĂ©s Ă l'article 6, § 1er, IX, 2°, de la loi spĂ©ciale du 8 aoĂ»t 1980 de rĂ©formes institutionnelles;
9° les périodes de chÎmage complet, d'intégration sociale ou d'aide sociale financiÚre, couvertes par un pécule de vacances;
10° les périodes de rappel sous les armes, situées dans une période de chÎmage complet;
11° les périodes d'occupation dans le cadre d'un poste de travail reconnu, pendant lesquelles le travailleur a bénéficié d'une allocation visée
a) soit Ă l'article 8, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 8 aoĂ»t 1997 d'exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs relatif Ă la rĂ©insertion professionnelle des chĂŽmeurs de longue durĂ©e;
b) soit Ă l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 fĂ©vrier 1999 pris en exĂ©cution de l'article 2, § 5, alinĂ©a 1er, de la loi du 7 aoĂ»t 1974 instituant le droit Ă un minimum de moyens d'existence;
c) soit Ă l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 fĂ©vrier 1999 pris en exĂ©cution de l'article 57quater de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale;
12° les pĂ©riodes de stage au sens de l'article 36, § 1er, alinĂ©a 1er, 4°, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© du 25 novembre 1991, pendant lesquelles le demandeur d'emploi n'est pas liĂ© par un contrat de travail soumis Ă la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs;)
[2 13° les pĂ©riodes d'occupation auprĂšs d'un employeur mentionnĂ© Ă l'article 1er, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m), de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, dans le cadre de l'arrĂȘtĂ© de la RĂ©gion wallonne du 11 mai 1995 relatif Ă l'engagement d'agents contractuels subventionnĂ©s auprĂšs de certains pouvoirs publics et employeurs y assimilĂ©s, dans sa version au 31 dĂ©cembre 2017.]2 <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
[1 Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er, 8°, la pĂ©riode y prĂ©vue n'est pas assimilĂ©e pour les personnes qui tombent dans le champ d'application de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 11 mai 1995 relatif Ă l'engagement de travailleurs contractuels subventionnĂ©s auprĂšs de certains pouvoirs publics et employeurs y assimilĂ©s, Ă l'exception des personnes qui appartiennent aux catĂ©gories de subventionnement B1, B2 ou B3 mentionnĂ©es Ă l'article 5, §§ 1er Ă 3, du mĂȘme arrĂȘtĂ©.]1
§ 5. (Pour bĂ©nĂ©ficier de la rĂ©duction groupe cible visĂ©e aux §§ 1er, 2 et 3, l'employeur doit au prĂ©alable obtenir une attestation selon laquelle il entre dans le champ d'application visĂ© Ă l'article 1er, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 prĂ©citĂ©. Cette attestation est dĂ©livrĂ©e dans un dĂ©lai de 45 jours par le Directeur gĂ©nĂ©ral de la Direction gĂ©nĂ©rale Emploi et MarchĂ© du Travail du Service public fĂ©dĂ©ral Emploi, Travail et Concertation sociale.
Pour ouvrir le droit Ă la rĂ©duction groupe cible visĂ©e au § 1er, le travailleur doit en outre bĂ©nĂ©ficier d'une allocation de rĂ©insertion visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 3 mai 1999, dans les conditions et selon les modalitĂ©s fixĂ©es dans l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution. Une copie de l'attestation visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er est transmise par l'employeur au travailleur qui joint cette attestation Ă sa demande d'allocation de rĂ©insertion.
Pour ouvrir le droit Ă la rĂ©duction groupe cible visĂ©e aux §§ 2 ou 3, l'employeur doit bĂ©nĂ©ficier d'une intervention dans la rĂ©munĂ©ration par le centre public d'aide sociale dans les conditions et selon les modalitĂ©s de l'arrĂȘtĂ© royal du 11 juillet 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale mis au travail dans une initiative d'insertion sociale ou de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 novembre 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă une aide sociale financiĂšre mis au travail dans une initiative d'insertion sociale. Une copie de l'attestation visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er est jointe Ă la demande.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 6. 1° Lorsqu'un employeur veut bénéficier de la réduction groupe cible visée par les §§ 2 ou 3 pour un travailleur, le centre public d'aide sociale en informe l'Office national de l'Emploi en lui communiquant les données suivantes :
- le nom et prénom du travailleur;
- le numéro de Registre national du travailleur;
- l'adresse complĂšte du travailleur;
- le sexe du travailleur;
- la langue du travailleur;
- le type d'avantage de réduction de cotisations patronales;
- la date de l'engagement.
(- le numéro d'entreprise visé dans la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives aux travailleurs qui peuvent bénéficier d'une réduction groupe cible visée aux §§ 1er, 2 et 3 a l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale (...). <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 7. [3 ...]3
[3 § 8 - Pour les employeurs qui occupent des travailleurs relevant du champ d'application du présent article et dont l'entrée en service est postérieure au 31 décembre 2018, la réduction pour groupe cible mentionnée dans le présent article n'est plus octroyée.]3
§ 1er. 1° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un chĂŽmeur complet indemnisĂ©, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est chÎmeur complet indemnisé à la date d'engagement;
c) il a été chÎmeur complet indemnisé pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'employeur visĂ© Ă l'article 1, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un chĂŽmeur complet indemnisĂ©, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est chÎmeur complet indemnisé à la date d'engagement;
c) il a été chÎmeur complet indemnisé pendant au moins six cent vingt-quatre jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 36 mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
3° L'employeur visĂ© Ă l'article 1, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une reduction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un chĂŽmeur complet indemnisĂ©, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est chÎmeur complet indemnisé à la date d'engagement;
c) il a été chÎmeur complet indemnisé pendant au moins 156 jours calculés dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précÚdent); <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée a l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 2. 1° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'integration sociale, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit a l'intégration sociale pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des neuf mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit a l'intĂ©gration sociale, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'intégration sociale pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précÚdent.
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
3° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©fice d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit a l'intĂ©gration sociale, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit à l'intégration sociale à la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'intégration sociale pendant au moins 156 jours calcules dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précÚdent;) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 3. 1° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 10 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre Ă la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financiÚre pendant au moins cent cinquante-six jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des neuf mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©neficie d'une rĂ©duction groupe-cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les 20 trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre Ă la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financiÚre pendant au moins trois cent douze jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des dix-huit mois calendrier qui précÚdent;
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
3° L'employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, bĂ©nĂ©ficie d'une rĂ©duction groupe cible pour Ă©conomie d'insertion sociale via l'engagement d'un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre, Ă concurrence d'un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre d'engagement et les trimestres qui suivent pour autant que le travailleur recrutĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
b) il est un ayant droit Ă l'aide sociale financiĂšre Ă la date d'engagement;
c) il a été un ayant droit à l'aide sociale financiÚre indemnisé pendant au moins 156 jours calculés dans le régime des six jours de travail par semaine, (dans le courant du mois de l'engagement et des 9 mois civils qui précÚdent); <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
d) il ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur.
(Le travailleur qui poursuit une occupation visée au § 4, 3°, 4°, 8° ou 11° ne doit cependant pas satisfaire à la condition visée à l'alinéa précédent, b).) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 4. (Pour l'application de cet article, sont assimilées avec des périodes en tant que chÎmeur complet indemnisé, ayant droit à l'intégration sociale et ayant droit à l'aide sociale financiÚre :
1° les périodes situées dans une période de chÎmage complet qui ont donné lieu au paiement d'une allocation en application des dispositions légales ou réglementaires relatives à l'assurance maladie-invalidité obligatoire ou a l'assurance maternité;
2° les périodes de détention ou d'emprisonnement situées dans une période de chÎmage complet;
3° les périodes d'occupation dans le cadre d'un programme de transition professionnelle pendant lesquelles le travailleur a bénéficié de l'allocation visée :
a) soit Ă l'article 5, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1997 d'exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle;
b) soit Ă l'article 4 de l'arrĂȘte royal du 11 juillet 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale mis au travail dans un programme de transition professionnelle;
c) soit Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 novembre 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă une aide sociale financiĂšre mis au travail dans un programme de transition professionnelle;
4° les périodes d'occupation en application de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale;
5° les périodes de chÎmage complet indemnisé;
6° les périodes d'ayant droit à l'intégration sociale, en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
7° les périodes d'octroi de l'aide sociale financiÚre aux personnes de nationalité étrangÚre, inscrites au registre des étrangers, qui en raison de leur nationalité ne peuvent pas prétendre au droit à l'intégration sociale et qui ont droit à une aide sociale financiÚre;
8° les pĂ©riodes d'occupation auprĂšs d'un employeur visĂ© Ă l'article 1er, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 3 mai 1999, dans le cadre de programmes de remise au travail visĂ©s Ă l'article 6, § 1er, IX, 2°, de la loi spĂ©ciale du 8 aoĂ»t 1980 de rĂ©formes institutionnelles;
9° les périodes de chÎmage complet, d'intégration sociale ou d'aide sociale financiÚre, couvertes par un pécule de vacances;
10° les périodes de rappel sous les armes, situées dans une période de chÎmage complet;
11° les périodes d'occupation dans le cadre d'un poste de travail reconnu, pendant lesquelles le travailleur a bénéficié d'une allocation visée
a) soit Ă l'article 8, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 8 aoĂ»t 1997 d'exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs relatif Ă la rĂ©insertion professionnelle des chĂŽmeurs de longue durĂ©e;
b) soit Ă l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 fĂ©vrier 1999 pris en exĂ©cution de l'article 2, § 5, alinĂ©a 1er, de la loi du 7 aoĂ»t 1974 instituant le droit Ă un minimum de moyens d'existence;
c) soit Ă l'article 10 de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 fĂ©vrier 1999 pris en exĂ©cution de l'article 57quater de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale;
12° les pĂ©riodes de stage au sens de l'article 36, § 1er, alinĂ©a 1er, 4°, de l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ© du 25 novembre 1991, pendant lesquelles le demandeur d'emploi n'est pas liĂ© par un contrat de travail soumis Ă la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs;)
[2 13° les pĂ©riodes d'occupation auprĂšs d'un employeur mentionnĂ© Ă l'article 1er, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m), de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, dans le cadre de l'arrĂȘtĂ© de la RĂ©gion wallonne du 11 mai 1995 relatif Ă l'engagement d'agents contractuels subventionnĂ©s auprĂšs de certains pouvoirs publics et employeurs y assimilĂ©s, dans sa version au 31 dĂ©cembre 2017.]2 <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
[1 Par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a 1er, 8°, la pĂ©riode y prĂ©vue n'est pas assimilĂ©e pour les personnes qui tombent dans le champ d'application de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 11 mai 1995 relatif Ă l'engagement de travailleurs contractuels subventionnĂ©s auprĂšs de certains pouvoirs publics et employeurs y assimilĂ©s, Ă l'exception des personnes qui appartiennent aux catĂ©gories de subventionnement B1, B2 ou B3 mentionnĂ©es Ă l'article 5, §§ 1er Ă 3, du mĂȘme arrĂȘtĂ©.]1
§ 5. (Pour bĂ©nĂ©ficier de la rĂ©duction groupe cible visĂ©e aux §§ 1er, 2 et 3, l'employeur doit au prĂ©alable obtenir une attestation selon laquelle il entre dans le champ d'application visĂ© Ă l'article 1er, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 prĂ©citĂ©. Cette attestation est dĂ©livrĂ©e dans un dĂ©lai de 45 jours par le Directeur gĂ©nĂ©ral de la Direction gĂ©nĂ©rale Emploi et MarchĂ© du Travail du Service public fĂ©dĂ©ral Emploi, Travail et Concertation sociale.
Pour ouvrir le droit Ă la rĂ©duction groupe cible visĂ©e au § 1er, le travailleur doit en outre bĂ©nĂ©ficier d'une allocation de rĂ©insertion visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 3 mai 1999, dans les conditions et selon les modalitĂ©s fixĂ©es dans l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage et ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution. Une copie de l'attestation visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er est transmise par l'employeur au travailleur qui joint cette attestation Ă sa demande d'allocation de rĂ©insertion.
Pour ouvrir le droit Ă la rĂ©duction groupe cible visĂ©e aux §§ 2 ou 3, l'employeur doit bĂ©nĂ©ficier d'une intervention dans la rĂ©munĂ©ration par le centre public d'aide sociale dans les conditions et selon les modalitĂ©s de l'arrĂȘtĂ© royal du 11 juillet 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale mis au travail dans une initiative d'insertion sociale ou de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 novembre 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă une aide sociale financiĂšre mis au travail dans une initiative d'insertion sociale. Une copie de l'attestation visĂ©e Ă l'alinĂ©a 1er est jointe Ă la demande.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 6. 1° Lorsqu'un employeur veut bénéficier de la réduction groupe cible visée par les §§ 2 ou 3 pour un travailleur, le centre public d'aide sociale en informe l'Office national de l'Emploi en lui communiquant les données suivantes :
- le nom et prénom du travailleur;
- le numéro de Registre national du travailleur;
- l'adresse complĂšte du travailleur;
- le sexe du travailleur;
- la langue du travailleur;
- le type d'avantage de réduction de cotisations patronales;
- la date de l'engagement.
(- le numéro d'entreprise visé dans la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions.) <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives aux travailleurs qui peuvent bénéficier d'une réduction groupe cible visée aux §§ 1er, 2 et 3 a l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale (...). <AR 2004-01-21/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 7. [3 ...]3
[3 § 8 - Pour les employeurs qui occupent des travailleurs relevant du champ d'application du présent article et dont l'entrée en service est postérieure au 31 décembre 2018, la réduction pour groupe cible mentionnée dans le présent article n'est plus octroyée.]3
Art. 14bis. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-21/33, art. 63; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Wanneer een werkgever reeds van de voordelen van (artikelen 9 of 9bis) genoten heeft voor een werknemer en hij deze terug in dienst neemt binnen een periode van dertig maanden na de beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst, worden, onverminderd de toepassing van artikel 10, voor de vaststelling van de forfaitaire vermindering en voor de duur voor dewelke zij wordt toegekend deze tewerkstellingen als één tewerkstelling beschouwd. De periode gelegen tussen de arbeidsovereenkomsten verlengt de periode tijdens dewelke de voormelde voordelen worden toegekend, niet. <KB 2007-03-28/32, art. 14, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Wanneer een werkgever reeds van de voordelen van artikel 14 genoten heeft voor een werknemer en hij deze terug in dienst neemt binnen een periode van twaalf maanden na de beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst worden, onverminderd de toepassing van artikel 14, § 5, voor de vaststelling van de forfaitaire vermindering en voor de duur voor dewelke zij wordt toegekend deze tewerkstellingen als één tewerkstelling beschouwd. De periode gelegen tussen de arbeidsovereenkomsten verlengt de periode tijdens dewelke de voormelde voordelen worden toegekend, niet.
Wanneer een werkgever reeds van de voordelen van artikel 14 genoten heeft voor een werknemer en hij deze terug in dienst neemt binnen een periode van twaalf maanden na de beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst worden, onverminderd de toepassing van artikel 14, § 5, voor de vaststelling van de forfaitaire vermindering en voor de duur voor dewelke zij wordt toegekend deze tewerkstellingen als één tewerkstelling beschouwd. De periode gelegen tussen de arbeidsovereenkomsten verlengt de periode tijdens dewelke de voormelde voordelen worden toegekend, niet.
Art. 14bis. Lorsqu'un employeur a déjà bénéficié des avantages des (articles 9 ou 9bis) pour un travailleur et qu'il engage à nouveau celui-ci au cours d'une période de trente mois aprÚs la fin du contrat de travail précédent, ces occupations sont, pour la fixation de la réduction forfaitaire et pour la durée pendant laquelle elle est accordée sans préjudice de l'application de l'article 10, considérées comme étant une seule occupation. La période située entre les contrats de travail ne prolonge pas la période pendant laquelle les avantages précités sont accordés. <AR 2007-03-28/32, art. 14, 008; En vigueur : 01-01-2007>
Lorsqu'un employeur a déjà bénéficié des avantages de l'article 14 pour un travailleur et qu'il engage à nouveau celui-ci au cours d'une période de douze mois aprÚs la fin du contrat de travail précédent, ces occupations sont, pour la fixation de la réduction forfaitaire et pour la durée pendant laquelle elle est accordée sans préjudice de l'application de l'article 14, § 5, considérées comme étant une seule occupation. La période située entre les contrats de travail ne prolonge pas la période pendant laquelle les avantages précités sont accordés.
Lorsqu'un employeur a déjà bénéficié des avantages de l'article 14 pour un travailleur et qu'il engage à nouveau celui-ci au cours d'une période de douze mois aprÚs la fin du contrat de travail précédent, ces occupations sont, pour la fixation de la réduction forfaitaire et pour la durée pendant laquelle elle est accordée sans préjudice de l'application de l'article 14, § 5, considérées comme étant une seule occupation. La période située entre les contrats de travail ne prolonge pas la période pendant laquelle les avantages précités sont accordés.
Art. 14bis _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. 14bis _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 14bis_WAALS_GEWEST. [1 ...]1
Wanneer een werkgever reeds van de voordelen van artikel 14 genoten heeft voor een werknemer en hij deze terug in dienst neemt binnen een periode van twaalf maanden na de beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst worden, onverminderd de toepassing van artikel 14, § 5, voor de vaststelling van de forfaitaire vermindering en voor de duur voor dewelke zij wordt toegekend deze tewerkstellingen als één tewerkstelling beschouwd. De periode gelegen tussen de arbeidsovereenkomsten verlengt de periode tijdens dewelke de voormelde voordelen worden toegekend, niet.
Wanneer een werkgever reeds van de voordelen van artikel 14 genoten heeft voor een werknemer en hij deze terug in dienst neemt binnen een periode van twaalf maanden na de beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst worden, onverminderd de toepassing van artikel 14, § 5, voor de vaststelling van de forfaitaire vermindering en voor de duur voor dewelke zij wordt toegekend deze tewerkstellingen als één tewerkstelling beschouwd. De periode gelegen tussen de arbeidsovereenkomsten verlengt de periode tijdens dewelke de voormelde voordelen worden toegekend, niet.
Wijzigingen
Art. 14bis _REGION_WALLONNE.
[1 ...]1
Lorsqu'un employeur a déjà bénéficié des avantages de l'article 14 pour un travailleur et qu'il engage à nouveau celui-ci au cours d'une période de douze mois aprÚs la fin du contrat de travail précédent, ces occupations sont, pour la fixation de la réduction forfaitaire et pour la durée pendant laquelle elle est accordée sans préjudice de l'application de l'article 14, § 5, considérées comme étant une seule occupation. La période située entre les contrats de travail ne prolonge pas la période pendant laquelle les avantages précités sont accordés.
[1 ...]1
Lorsqu'un employeur a déjà bénéficié des avantages de l'article 14 pour un travailleur et qu'il engage à nouveau celui-ci au cours d'une période de douze mois aprÚs la fin du contrat de travail précédent, ces occupations sont, pour la fixation de la réduction forfaitaire et pour la durée pendant laquelle elle est accordée sans préjudice de l'application de l'article 14, § 5, considérées comme étant une seule occupation. La période située entre les contrats de travail ne prolonge pas la période pendant laquelle les avantages précités sont accordés.
Wijzigingen
Art. 14bis_VLAAMS_GEWEST. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-21/33, art. 63; Inwerkingtreding : 01-01-2004>[4 ...]4
Wanneer een werkgever reeds van de voordelen van artikel 14 genoten heeft voor een werknemer en hij deze terug in dienst neemt binnen een periode van twaalf maanden na de beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst worden, onverminderd de toepassing van artikel 14, § 5, voor de vaststelling van de forfaitaire vermindering en voor de duur voor dewelke zij wordt toegekend deze tewerkstellingen als één tewerkstelling beschouwd. De periode gelegen tussen de arbeidsovereenkomsten verlengt de periode tijdens dewelke de voormelde voordelen worden toegekend, niet.
Wanneer een werkgever reeds van de voordelen van artikel 14 genoten heeft voor een werknemer en hij deze terug in dienst neemt binnen een periode van twaalf maanden na de beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst worden, onverminderd de toepassing van artikel 14, § 5, voor de vaststelling van de forfaitaire vermindering en voor de duur voor dewelke zij wordt toegekend deze tewerkstellingen als één tewerkstelling beschouwd. De periode gelegen tussen de arbeidsovereenkomsten verlengt de periode tijdens dewelke de voormelde voordelen worden toegekend, niet.
Art. 14bis _REGION_FLAMANDE.
[4 ...]4
Lorsqu'un employeur a déjà bénéficié des avantages de l'article 14 pour un travailleur et qu'il engage à nouveau celui-ci au cours d'une période de douze mois aprÚs la fin du contrat de travail précédent, ces occupations sont, pour la fixation de la réduction forfaitaire et pour la durée pendant laquelle elle est accordée sans préjudice de l'application de l'article 14, § 5, considérées comme étant une seule occupation. La période située entre les contrats de travail ne prolonge pas la période pendant laquelle les avantages précités sont accordés
[4 ...]4
Lorsqu'un employeur a déjà bénéficié des avantages de l'article 14 pour un travailleur et qu'il engage à nouveau celui-ci au cours d'une période de douze mois aprÚs la fin du contrat de travail précédent, ces occupations sont, pour la fixation de la réduction forfaitaire et pour la durée pendant laquelle elle est accordée sans préjudice de l'application de l'article 14, § 5, considérées comme étant une seule occupation. La période située entre les contrats de travail ne prolonge pas la période pendant laquelle les avantages précités sont accordés
HOOFDSTUK IV. - Eerste aanwervingen.
CHAPITRE IV. - Premiers engagements.
Art. 15. De toepassing van de doelgroepvermindering voor eerste aanwervingen is beperkt tot de werkgevers van de privé-sector bedoeld in artikel 335 van de wet van 24 december 2002.
Art. 15. L'application de la réduction groupe cible pour premiers engagements est limitée aux employeurs du secteur privé visés à l'article 335 de la loi du 24 décembre 2002.
Art. 15/1. [1 In toepassing van artikel 344 van de wet van 24 december 2002, moet men, voor het bepalen van de hoedanigheid van vervanger van een werknemer, het volgende vergelijken:
- A: het maximum aantal werknemers dat gelijktijdig bij de technische bedrijfseenheid in dienst was in de loop van de twaalf maanden die de indiensttreding voorafgaan, waarbij geen rekening wordt gehouden met het hoogste aantal werknemers dat tewerkgesteld was op eenzelfde kalenderdag en dit voor maximum 5 dagen in diezelfde referteperiode van 12 maanden;
- B: het totale aantal werknemers dat bij de technische bedrijfseenheid in dienst is op de datum dat de nieuwe werknemer in dienst treedt.
Als B niet groter is dan A, dan wordt de nieuw aangeworven werknemer beschouwd als een vervanger.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een werknemer beschouwd als zijnde in dienst wanneer hij op grond van zijn tewerkstelling onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met uitzondering van de werknemers die niet in aanmerking worden genomen voor het onderzoek naar de hoedanigheid van nieuwe werkgever zoals bedoeld in artikel 343, § 1, 2° en 3°, van de wet van 24 december 2002.]1
- A: het maximum aantal werknemers dat gelijktijdig bij de technische bedrijfseenheid in dienst was in de loop van de twaalf maanden die de indiensttreding voorafgaan, waarbij geen rekening wordt gehouden met het hoogste aantal werknemers dat tewerkgesteld was op eenzelfde kalenderdag en dit voor maximum 5 dagen in diezelfde referteperiode van 12 maanden;
- B: het totale aantal werknemers dat bij de technische bedrijfseenheid in dienst is op de datum dat de nieuwe werknemer in dienst treedt.
Als B niet groter is dan A, dan wordt de nieuw aangeworven werknemer beschouwd als een vervanger.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een werknemer beschouwd als zijnde in dienst wanneer hij op grond van zijn tewerkstelling onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met uitzondering van de werknemers die niet in aanmerking worden genomen voor het onderzoek naar de hoedanigheid van nieuwe werkgever zoals bedoeld in artikel 343, § 1, 2° en 3°, van de wet van 24 december 2002.]1
Art. 15/1. [1 En application de l'article 344 de la loi du 24 décembre 2002, pour la détermination de la qualité de remplaçant d'un travailleur, il faut comparer les deux éléments suivants:
- A: le nombre maximal de travailleurs qui Ă©taient simultanĂ©ment en service au sein de la mĂȘme unitĂ© technique d'exploitation dans le courant des douze mois qui prĂ©cĂšdent l'entrĂ©e en service, sans tenir compte du nombre le plus Ă©levĂ© de travailleurs qui Ă©taient occupĂ©s le mĂȘme jour calendrier et ce pour maximum 5 jours au sein de cette mĂȘme pĂ©riode de rĂ©fĂ©rence de 12 mois;
- B: le nombre total de travailleurs qui sont en service au sein de l'unité technique d'exploitation à la date de l'entrée en service du nouveau travailleur.
Lorsque B n'est pas plus grand que A, le nouveau travailleur engagé est considéré comme un remplaçant.
Pour l'application de ce chapitre, un travailleur est considĂ©rĂ© comme Ă©tant en service quand il est, sur base de son occupation, soumis Ă la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, Ă l'exception des travailleurs salariĂ©s qui ne sont pas pris en considĂ©ration pour l'examen de la qualitĂ© de nouvel employeur visĂ©e Ă l'article 343, § 1, 2° et 3°, de la loi du 24 dĂ©cembre 2002.]1
- A: le nombre maximal de travailleurs qui Ă©taient simultanĂ©ment en service au sein de la mĂȘme unitĂ© technique d'exploitation dans le courant des douze mois qui prĂ©cĂšdent l'entrĂ©e en service, sans tenir compte du nombre le plus Ă©levĂ© de travailleurs qui Ă©taient occupĂ©s le mĂȘme jour calendrier et ce pour maximum 5 jours au sein de cette mĂȘme pĂ©riode de rĂ©fĂ©rence de 12 mois;
- B: le nombre total de travailleurs qui sont en service au sein de l'unité technique d'exploitation à la date de l'entrée en service du nouveau travailleur.
Lorsque B n'est pas plus grand que A, le nouveau travailleur engagé est considéré comme un remplaçant.
Pour l'application de ce chapitre, un travailleur est considĂ©rĂ© comme Ă©tant en service quand il est, sur base de son occupation, soumis Ă la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, Ă l'exception des travailleurs salariĂ©s qui ne sont pas pris en considĂ©ration pour l'examen de la qualitĂ© de nouvel employeur visĂ©e Ă l'article 343, § 1, 2° et 3°, de la loi du 24 dĂ©cembre 2002.]1
Wijzigingen
Art. 16. § 1. [5 Een doelgroepvermindering voor eerste aanwervingen wordt op de volgende wijze toegekend :
1° de werkgever geniet voor een werknemer een vermindering [8 G20]8 gedurende zijn volledige tewerkstelling, die een aanvang neemt vanaf het kwartaal dat de werkgever, in de hoedanigheid van nieuwe werkgever in de zin van [7 artikel 343, § 1, 2°]7, van de programmawet van 24 december 2002, een eerste werknemer in dienst neemt [6 ...]6;
2° de werkgever geniet voor een werknemer een vermindering G14 voor maximum 5 kwartalen, een vermindering G15 voor maximum 4 kwartalen die op de eerste 5 volgen en een vermindering G16 voor maximum 4 kwartalen die op de eerste 9 volgen voor zover hij tijdens deze kwartalen minimum twee werknemers in dienst heeft. De betreffende kwartalen moeten zich in een periode van 20 kwartalen situeren, die een aanvang neemt vanaf het kwartaal dat de werkgever, in de hoedanigheid van nieuwe werkgever in de zin van [7 artikel 343, § 1, 3°]7, van de programmawet van 24 december 2002, een tweede werknemer in dienst neemt;
3° de werkgever geniet voor een werknemer een vermindering G15 voor maximum 9 kwartalen en een vermindering G16 voor maximum 4 kwartalen die op de eerste 9 volgen, voor zover hij tijdens deze kwartalen minimum drie werknemers in dienst heeft. De betreffende kwartalen moeten zich in een periode van 20 kwartalen situeren, die een aanvang neemt vanaf het kwartaal dat de werkgever, in de hoedanigheid van nieuwe werkgever in de zin van [7 artikel 343, § 1, 3°]7, van de programmawet van 24 december 2002, een derde werknemer in dienst neemt;
4° [8 ...]8
5° [8 ...]8
6° [8 ...]8]5
§ 2. Met (leerlingen), dienstboden, deeltijds leerplichtigen (, [7 gelegenheidswerknemers en flexi-jobwerknemers]7) wordt geen rekening gehouden voor wat betreft de toepassing van § 1. <KB 2004-01-21/33, art. 64, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
[7 § 3. Per werkgever kan de vermindering voor de n-de werknemer, bedoeld in § 1, telkens maar één keer per kwartaal worden genoten.
§ 4. De verminderingen bedoeld in § 1, kunnen telkens maar voor één werknemer per simultane technische bedrijfseenheid genoten worden.
De bepaling van het vorige lid is niet van toepassing op de vóór 1 januari 2022 reeds aangevatte verminderingen voor simultane technische bedrijfseenheden die als dusdanig bestonden op 1 januari 2022.
§ 5. In afwijking van § 3, wanneer de n-de werknemer bedoeld in § 1, in de loop van het betrokken kwartaal uit dienst gaat en een andere n-de werknemer in datzelfde kwartaal in dienst komt, dan kan de werkgever voor deze laatste werknemer de vermindering voor de n-de werknemer verder toepassen.
§ 6. Wanneer werknemers deel uitmaken van een historische technische bedrijfseenheid, wordt de waarde n-1, bedoeld in artikel 343, § 1, 3°, van de wet van 24 december 2002, verhoogd met het aantal werknemers die op dezelfde dag in dienst treden als deze waarop de n-de werknemer in dienst treedt, en die vervanger zijn in de zin van artikel 15/1.
§ 7. De verminderingen voor de n-de werknemer, bedoeld in § 1, 2° tot [9 3°]9, kunnen maar genoten worden indien de betrokken werkgever in het betrokken kwartaal gelijktijdig minstens n werknemers tewerkstelt en de bijkomende tewerkstelling minstens één maand na de datum van indiensttreding aanhoudt.]7
1° de werkgever geniet voor een werknemer een vermindering [8 G20]8 gedurende zijn volledige tewerkstelling, die een aanvang neemt vanaf het kwartaal dat de werkgever, in de hoedanigheid van nieuwe werkgever in de zin van [7 artikel 343, § 1, 2°]7, van de programmawet van 24 december 2002, een eerste werknemer in dienst neemt [6 ...]6;
2° de werkgever geniet voor een werknemer een vermindering G14 voor maximum 5 kwartalen, een vermindering G15 voor maximum 4 kwartalen die op de eerste 5 volgen en een vermindering G16 voor maximum 4 kwartalen die op de eerste 9 volgen voor zover hij tijdens deze kwartalen minimum twee werknemers in dienst heeft. De betreffende kwartalen moeten zich in een periode van 20 kwartalen situeren, die een aanvang neemt vanaf het kwartaal dat de werkgever, in de hoedanigheid van nieuwe werkgever in de zin van [7 artikel 343, § 1, 3°]7, van de programmawet van 24 december 2002, een tweede werknemer in dienst neemt;
3° de werkgever geniet voor een werknemer een vermindering G15 voor maximum 9 kwartalen en een vermindering G16 voor maximum 4 kwartalen die op de eerste 9 volgen, voor zover hij tijdens deze kwartalen minimum drie werknemers in dienst heeft. De betreffende kwartalen moeten zich in een periode van 20 kwartalen situeren, die een aanvang neemt vanaf het kwartaal dat de werkgever, in de hoedanigheid van nieuwe werkgever in de zin van [7 artikel 343, § 1, 3°]7, van de programmawet van 24 december 2002, een derde werknemer in dienst neemt;
4° [8 ...]8
5° [8 ...]8
6° [8 ...]8]5
§ 2. Met (leerlingen), dienstboden, deeltijds leerplichtigen (, [7 gelegenheidswerknemers en flexi-jobwerknemers]7) wordt geen rekening gehouden voor wat betreft de toepassing van § 1. <KB 2004-01-21/33, art. 64, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
[7 § 3. Per werkgever kan de vermindering voor de n-de werknemer, bedoeld in § 1, telkens maar één keer per kwartaal worden genoten.
§ 4. De verminderingen bedoeld in § 1, kunnen telkens maar voor één werknemer per simultane technische bedrijfseenheid genoten worden.
De bepaling van het vorige lid is niet van toepassing op de vóór 1 januari 2022 reeds aangevatte verminderingen voor simultane technische bedrijfseenheden die als dusdanig bestonden op 1 januari 2022.
§ 5. In afwijking van § 3, wanneer de n-de werknemer bedoeld in § 1, in de loop van het betrokken kwartaal uit dienst gaat en een andere n-de werknemer in datzelfde kwartaal in dienst komt, dan kan de werkgever voor deze laatste werknemer de vermindering voor de n-de werknemer verder toepassen.
§ 6. Wanneer werknemers deel uitmaken van een historische technische bedrijfseenheid, wordt de waarde n-1, bedoeld in artikel 343, § 1, 3°, van de wet van 24 december 2002, verhoogd met het aantal werknemers die op dezelfde dag in dienst treden als deze waarop de n-de werknemer in dienst treedt, en die vervanger zijn in de zin van artikel 15/1.
§ 7. De verminderingen voor de n-de werknemer, bedoeld in § 1, 2° tot [9 3°]9, kunnen maar genoten worden indien de betrokken werkgever in het betrokken kwartaal gelijktijdig minstens n werknemers tewerkstelt en de bijkomende tewerkstelling minstens één maand na de datum van indiensttreding aanhoudt.]7
Wijzigingen
Art. 16. § 1er. [5 Une réduction groupe cible pour premiers engagements est accordée de la maniÚre suivante :
1° l'employeur bénéficie pour un travailleur d'une réduction [8 G20]8 pendant la durée totale de son occupation, à partir du trimestre durant lequel l'employeur, en qualité de nouvel employeur au sens de l'[7 article 343, § 1, 2°]7, de la loi-programme du 24 décembre 2002, engage un premier travailleur [6 ...]6;
2° l'employeur bénéficie pour un travailleur d'une réduction G14 pour maximum 5 trimestres, d'une réduction G15 pour maximum 4 trimestres qui suivent les 5 premiers et d'une réduction G16 pour 4 trimestres qui suivent les 9 premiers trimestres pour autant que pendant les trimestres en question il emploie au moins deux travailleurs. Les trimestres en question doivent se situer dans une période de 20 trimestres commençant à courir le trimestre durant lequel l'employeur, en qualité de nouvel employeur au sens de l'[7 article 343, § 1, 3°]7, de la loi-programme du 24 décembre 2002, engage un deuxiÚme travailleur;
3° l'employeur bénéficie pour un travailleur d'une réduction G15 pour maximum 9 trimestres et d'une réduction G16 pour maximum 4 trimestres qui suivent les 9 premiers, pour autant que pendant les trimestres en question il emploie au moins trois travailleurs. Les trimestres en question doivent se situer dans une période de 20 trimestres commençant à courir le trimestre à partir duquel l'employeur, en qualité de nouvel employeur au sens de l'[7 article 343, § 1, 3°]7, de la loi-programme du 24 décembre 2002, engage un troisiÚme travailleur;
4° [8 ...]8
5° [8 ...]8
6° [8 ...]8]5
§ 2. Les (apprentis), les travailleurs domestiques, les travailleurs soumis à l'obligation scolaire à temps partiel (, les [7 travailleurs occasionnels et travailleurs exerçant un flexi-job]7) ne sont pas pris en considération pour l'application du § 1er. <AR 2004-01-21/33, art. 64, 002; En vigueur : 01-01-2004>
[7 § 3. La rĂ©duction pour le n-iĂšme travailleur, visĂ© au § 1er, ne peut chaque fois ĂȘtre appliquĂ©e qu'une fois par employeur par trimestre.
§ 4. Les rĂ©ductions visĂ©es au § 1er, ne peuvent ĂȘtre appliquĂ©es que pour un travailleur par unitĂ© technique d'exploitation simultanĂ©e.
La disposition de l'alinéa précédent ne s'applique pas aux réductions déjà entamées avant le 1er janvier 2022 pour les unités techniques d'exploitation simultanées qui existaient en tant que telles au 1er janvier 2022.
§ 5. Par dĂ©rogation au § 3, quand le n-iĂšme travailleur, visĂ© au § 1er, quitte son emploi dans le courant du trimestre concernĂ© et un autre n-iĂšme travailleur entre en service dans le mĂȘme trimestre, l'employeur peut continuer Ă appliquer, pour ce dernier travailleur, la rĂ©duction pour le n-iĂšme travailleur.
§ 6. Quand les travailleurs font partie d'une unitĂ© technique d'exploitation historique, la valeur n-1, visĂ©e Ă l'article 343, § 1, 3°, de la loi du 24 dĂ©cembre 2002, est augmentĂ© avec le nombre de travailleurs qui entrent en service le mĂȘme jour qu'entre en service le n-iĂšme travailleur et qui sont remplaçants au sens de l'article 15/1.
§ 7. Les rĂ©ductions pour le n-iĂšme travailleur, visĂ© au § 1er, 2° jusqu'au [9 3°]9, peuvent ĂȘtre appliquĂ©es quand l'employeur concernĂ© dans le trimestre concernĂ©, simultanĂ©ment au minimum occupe n travailleurs et l'occupation supplĂ©mentaire continue au minimum un mois aprĂšs la date d'entrĂ©e.]7
1° l'employeur bénéficie pour un travailleur d'une réduction [8 G20]8 pendant la durée totale de son occupation, à partir du trimestre durant lequel l'employeur, en qualité de nouvel employeur au sens de l'[7 article 343, § 1, 2°]7, de la loi-programme du 24 décembre 2002, engage un premier travailleur [6 ...]6;
2° l'employeur bénéficie pour un travailleur d'une réduction G14 pour maximum 5 trimestres, d'une réduction G15 pour maximum 4 trimestres qui suivent les 5 premiers et d'une réduction G16 pour 4 trimestres qui suivent les 9 premiers trimestres pour autant que pendant les trimestres en question il emploie au moins deux travailleurs. Les trimestres en question doivent se situer dans une période de 20 trimestres commençant à courir le trimestre durant lequel l'employeur, en qualité de nouvel employeur au sens de l'[7 article 343, § 1, 3°]7, de la loi-programme du 24 décembre 2002, engage un deuxiÚme travailleur;
3° l'employeur bénéficie pour un travailleur d'une réduction G15 pour maximum 9 trimestres et d'une réduction G16 pour maximum 4 trimestres qui suivent les 9 premiers, pour autant que pendant les trimestres en question il emploie au moins trois travailleurs. Les trimestres en question doivent se situer dans une période de 20 trimestres commençant à courir le trimestre à partir duquel l'employeur, en qualité de nouvel employeur au sens de l'[7 article 343, § 1, 3°]7, de la loi-programme du 24 décembre 2002, engage un troisiÚme travailleur;
4° [8 ...]8
5° [8 ...]8
6° [8 ...]8]5
§ 2. Les (apprentis), les travailleurs domestiques, les travailleurs soumis à l'obligation scolaire à temps partiel (, les [7 travailleurs occasionnels et travailleurs exerçant un flexi-job]7) ne sont pas pris en considération pour l'application du § 1er. <AR 2004-01-21/33, art. 64, 002; En vigueur : 01-01-2004>
[7 § 3. La rĂ©duction pour le n-iĂšme travailleur, visĂ© au § 1er, ne peut chaque fois ĂȘtre appliquĂ©e qu'une fois par employeur par trimestre.
§ 4. Les rĂ©ductions visĂ©es au § 1er, ne peuvent ĂȘtre appliquĂ©es que pour un travailleur par unitĂ© technique d'exploitation simultanĂ©e.
La disposition de l'alinéa précédent ne s'applique pas aux réductions déjà entamées avant le 1er janvier 2022 pour les unités techniques d'exploitation simultanées qui existaient en tant que telles au 1er janvier 2022.
§ 5. Par dĂ©rogation au § 3, quand le n-iĂšme travailleur, visĂ© au § 1er, quitte son emploi dans le courant du trimestre concernĂ© et un autre n-iĂšme travailleur entre en service dans le mĂȘme trimestre, l'employeur peut continuer Ă appliquer, pour ce dernier travailleur, la rĂ©duction pour le n-iĂšme travailleur.
§ 6. Quand les travailleurs font partie d'une unitĂ© technique d'exploitation historique, la valeur n-1, visĂ©e Ă l'article 343, § 1, 3°, de la loi du 24 dĂ©cembre 2002, est augmentĂ© avec le nombre de travailleurs qui entrent en service le mĂȘme jour qu'entre en service le n-iĂšme travailleur et qui sont remplaçants au sens de l'article 15/1.
§ 7. Les rĂ©ductions pour le n-iĂšme travailleur, visĂ© au § 1er, 2° jusqu'au [9 3°]9, peuvent ĂȘtre appliquĂ©es quand l'employeur concernĂ© dans le trimestre concernĂ©, simultanĂ©ment au minimum occupe n travailleurs et l'occupation supplĂ©mentaire continue au minimum un mois aprĂšs la date d'entrĂ©e.]7
Wijzigingen
Art. 16bis. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-21/33, art. 65; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. Het bedrag van de bijdrage voor administratiekosten verschuldigd aan een erkend sociaal secretariaat bedoeld in artikel 345 van de programmawet van 24 december 2002, wordt door de Rijksdienst voor sociale zekerheid ten laste genomen ten belope van 36,45 EUR per kwartaal waarvoor de werkgever effectief de doelgroepvermindering waarin voorzien bij artikel 16, § 1, 1° heeft genoten.
§ 2. Per kwartaal in de loop van de eerste maand van het tweede kwartaal dat volgt stelt de Rijksdienst voor sociale zekerheid het bedrag vast dat aan elk erkend sociaal secretariaat voor werkgevers is verschuldigd aan de hand van de binnen de wettelijke termijn ingediende kwartaalaangiften.
Bij het verstrijken van die maand maakt de Rijksdienst voor sociale zekerheid een kredietnota over aan het erkend sociaal secretariaat voor werkgevers.
Het bedrag verschuldigd voor een kwartaal op basis van de laattijdig ingediende kwartaalaangiften of aan de hand van de verbeterde kwartaalaangiften wordt opgesteld in de loop van de eerste maand van het tweede kwartaal dat volgt op dat van de ontvangst of de verbetering ervan. Een kredietnota wordt overgemaakt bij het verstrijken van die maand.
§ 3. Na ontvangst van het akkoord van het erkend sociaal secretariaat voor werkgevers betreffende het bedrag van de kredietnota stort de Rijksdienst voor sociale zekerheid dit bedrag op het krediet van het sociaal secretariaat bij DE POST.
§ 4. Een bedrag bestemd om de kosten te dekken die voortvloeien uit de toepassing van dit besluit wordt ingeschreven op de begroting van de Rijksdienst voor sociale zekerheid ten titel van administratiekosten.
§ 2. Per kwartaal in de loop van de eerste maand van het tweede kwartaal dat volgt stelt de Rijksdienst voor sociale zekerheid het bedrag vast dat aan elk erkend sociaal secretariaat voor werkgevers is verschuldigd aan de hand van de binnen de wettelijke termijn ingediende kwartaalaangiften.
Bij het verstrijken van die maand maakt de Rijksdienst voor sociale zekerheid een kredietnota over aan het erkend sociaal secretariaat voor werkgevers.
Het bedrag verschuldigd voor een kwartaal op basis van de laattijdig ingediende kwartaalaangiften of aan de hand van de verbeterde kwartaalaangiften wordt opgesteld in de loop van de eerste maand van het tweede kwartaal dat volgt op dat van de ontvangst of de verbetering ervan. Een kredietnota wordt overgemaakt bij het verstrijken van die maand.
§ 3. Na ontvangst van het akkoord van het erkend sociaal secretariaat voor werkgevers betreffende het bedrag van de kredietnota stort de Rijksdienst voor sociale zekerheid dit bedrag op het krediet van het sociaal secretariaat bij DE POST.
§ 4. Een bedrag bestemd om de kosten te dekken die voortvloeien uit de toepassing van dit besluit wordt ingeschreven op de begroting van de Rijksdienst voor sociale zekerheid ten titel van administratiekosten.
Art. 16bis. § 1er. Le montant de la cotisation pour les frais d'administration due à un secrétariat social agréé, visée a l'article 345 de la loi-programme du 24 décembre 2002, est prise en charge par l'Office national de sécurité sociale a concurrence de 36,45 EUR par trimestre pour lequel l'employeur a effectivement bénéficié de la réduction groupe cible prévue à l'article 16, § 1er, 1°.
§ 2. L'Office national de sécurité sociale fixe par trimestre, au cours du premier mois du deuxiÚme trimestre suivant, le montant dû à chaque secrétariat social agréé d'employeurs, sur la base des déclarations trimestrielles introduites dans le délai légal.
Au terme de ce mois, l'Office national de sécurité sociale envoie une note de crédit au secrétariat social agréé d'employeurs.
Le montant dû pour un trimestre sur la base de déclarations trimestrielles introduites tardivement ou de déclarations trimestrielles corrigées est fixé au cours du premier mois du deuxiÚme trimestre suivant la réception ou la correction de la déclaration. Une note de crédit est envoyée au terme de ce mois.
§ 3. Apres réception de l'accord du secrétariat social agréé d'employeurs au sujet du montant de la note de crédit, l'Office national de sécurité sociale verse ce montant au crédit du secrétariat social agréé à LA POSTE.
§ 4. Un montant destinĂ© Ă couvrir les frais rĂ©sultant de l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ© est inscrit au budget de l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale au titre de frais d'administration.
§ 2. L'Office national de sécurité sociale fixe par trimestre, au cours du premier mois du deuxiÚme trimestre suivant, le montant dû à chaque secrétariat social agréé d'employeurs, sur la base des déclarations trimestrielles introduites dans le délai légal.
Au terme de ce mois, l'Office national de sécurité sociale envoie une note de crédit au secrétariat social agréé d'employeurs.
Le montant dû pour un trimestre sur la base de déclarations trimestrielles introduites tardivement ou de déclarations trimestrielles corrigées est fixé au cours du premier mois du deuxiÚme trimestre suivant la réception ou la correction de la déclaration. Une note de crédit est envoyée au terme de ce mois.
§ 3. Apres réception de l'accord du secrétariat social agréé d'employeurs au sujet du montant de la note de crédit, l'Office national de sécurité sociale verse ce montant au crédit du secrétariat social agréé à LA POSTE.
§ 4. Un montant destinĂ© Ă couvrir les frais rĂ©sultant de l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ© est inscrit au budget de l'Office national de sĂ©curitĂ© sociale au titre de frais d'administration.
HOOFDSTUK V. - Jonge werknemers.
CHAPITRE V. - Jeunes travailleurs.
Art. 17. Dit hoofdstuk is van toepassing op de werkgevers bedoeld in artikel 26 van de wet van 24 december 1999.
Art. 17. Ce chapitre est applicable aux employeurs visés à l'article 26 de la loi du 24 décembre 1999.
Art. 17 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. 17 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 17_WAALS_GEWEST.
Art. 17 _REGION_WALLONNE.
Art. 17_VLAAMS_GEWEST.
Art. 17 _REGION_FLAMANDE.
Art. 18. <KB 2006-03-29/32, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2006> Een doelgroepvermindering voor jonge werknemers wordt op de volgende wijze toegekend [4 , voor zover het refertekwartaalloon maximaal 9.000 EUR bedraagt]4 :
1° een forfaitair bedrag G1 voor de tewerkstelling van een jongere bedoeld in artikel 4 of 5bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
2° [3 voor de tewerkstelling van een jongere [4 een forfaitair bedrag G8 tijdens het kwartaal van indienstneming en de zeven daarop volgende kwartalen en een forfaitair bedrag G2 gedurende de vier daarop volgende kwartalen]4 dat de jongere wordt tewerkgesteld bij dezelfde werkgever, voor zover de aangeworven jongere tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van indienstneming minder dan zesentwintig jaar;
b) hij is een laag geschoolde jongere zoals bedoeld in artikel 24, 1°, van de wet van 24 december 1999;]3
3° [3 voor de tewerkstelling van een jongere [4 een forfaitair bedrag G8 tijdens het kwartaal van indienstneming en de elf daarop volgende kwartalen en een forfaitair bedrag G2 gedurende de vier daarop volgende kwartalen]4 dat de jongere wordt tewerkgesteld bij dezelfde werkgever, voor zover de aangeworven jongere tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van indienstneming minder dan zesentwintig jaar;
b) hij is een erg laag geschoolde jongere zoals bedoeld in artikel 24, 2°, van de wet van 24 december 1999;]3
[4 3°bis voor de tewerkstelling van een jongere een forfaitair bedrag G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de drie daarop volgende kwartalen en een forfaitair bedrag G2 gedurende de acht daarop volgende kwartalen dat de jongere wordt tewerkgesteld bij dezelfde werkgever, voor zover de aangeworven jongere tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van indienstneming minder dan zesentwintig jaar;
b) hij is een middengeschoolde jongere zoals bedoeld in artikel 24, 3°, van de wet van 24 december 1999;
c) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming, behalve indien het een persoon betreft zoals bedoeld in artikel 23, § 1bis, 2de lid van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid;
d) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 156 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden voorafgaand aan het moment van indienstneming, behalve indien het een persoon betreft zoals bedoeld in artikel 23, § 1bis, 2de lid van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid;]4
4° [3 voor de tewerkstelling van een jongere [4 een forfaitair bedrag G8 tijdens het kwartaal van indienstneming en de elf daarop volgende kwartalen en een forfaitair bedrag G2 gedurende de vier daarop volgende kwartalen]4 dat de jongere wordt tewerkgesteld bij dezelfde werkgever, voor zover de aangeworven jongere tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van indienstneming minder dan zesentwintig jaar;
b) hij is een laaggeschoolde jongere zoals bedoeld in artikel 24, 1°, van de wet van 24 december 1999, die bovendien beantwoordt aan de definitie van artikel 23, § 1bis, eerste of tweede lid, van de wet van 24 december 1999;]3
[1 5° [2 ...]2]1;
De verminderingen bedoeld in het eerste lid, 3° en 4°, zijn enkel van toepassing indien het kwartaal van indienstneming het tweede kwartaal van het jaar 2006 niet voorafgaat.
[2 Derde lid opgeheven.]2.
[3 Voor de toepassing van het eerste lid, 2° tot 4°, en het tweede en derde lid, wordt als kwartaal van indienstneming beschouwd het kwartaal waarin een jongere voor het eerst bij de betrokken werkgever wordt tewerkgesteld.]3
[3 Voor de toepassing van het eerste lid, 2° tot 4°, wordt beschouwd als dag van indienstneming, 1 januari van het jaar waarin de jongere negentien jaar wordt, indien hij reeds vóór deze datum in dienst was bij dezelfde werkgever.
[4 Indien het kwartaal van indienstneming zich voorafgaand aan het 1ste kwartaal 2013 situeert, zijn de bepalingen van het eerste lid, 2°, 3° en 4° van toepassing zoals ze golden voorafgaand aan 1 januari 2013.]4]3
1° een forfaitair bedrag G1 voor de tewerkstelling van een jongere bedoeld in artikel 4 of 5bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
2° [3 voor de tewerkstelling van een jongere [4 een forfaitair bedrag G8 tijdens het kwartaal van indienstneming en de zeven daarop volgende kwartalen en een forfaitair bedrag G2 gedurende de vier daarop volgende kwartalen]4 dat de jongere wordt tewerkgesteld bij dezelfde werkgever, voor zover de aangeworven jongere tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van indienstneming minder dan zesentwintig jaar;
b) hij is een laag geschoolde jongere zoals bedoeld in artikel 24, 1°, van de wet van 24 december 1999;]3
3° [3 voor de tewerkstelling van een jongere [4 een forfaitair bedrag G8 tijdens het kwartaal van indienstneming en de elf daarop volgende kwartalen en een forfaitair bedrag G2 gedurende de vier daarop volgende kwartalen]4 dat de jongere wordt tewerkgesteld bij dezelfde werkgever, voor zover de aangeworven jongere tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van indienstneming minder dan zesentwintig jaar;
b) hij is een erg laag geschoolde jongere zoals bedoeld in artikel 24, 2°, van de wet van 24 december 1999;]3
[4 3°bis voor de tewerkstelling van een jongere een forfaitair bedrag G1 tijdens het kwartaal van indienstneming en de drie daarop volgende kwartalen en een forfaitair bedrag G2 gedurende de acht daarop volgende kwartalen dat de jongere wordt tewerkgesteld bij dezelfde werkgever, voor zover de aangeworven jongere tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van indienstneming minder dan zesentwintig jaar;
b) hij is een middengeschoolde jongere zoals bedoeld in artikel 24, 3°, van de wet van 24 december 1999;
c) hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming, behalve indien het een persoon betreft zoals bedoeld in artikel 23, § 1bis, 2de lid van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid;
d) hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 156 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de maand van indienstneming en de 9 kalendermaanden voorafgaand aan het moment van indienstneming, behalve indien het een persoon betreft zoals bedoeld in artikel 23, § 1bis, 2de lid van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid;]4
4° [3 voor de tewerkstelling van een jongere [4 een forfaitair bedrag G8 tijdens het kwartaal van indienstneming en de elf daarop volgende kwartalen en een forfaitair bedrag G2 gedurende de vier daarop volgende kwartalen]4 dat de jongere wordt tewerkgesteld bij dezelfde werkgever, voor zover de aangeworven jongere tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) hij is op de dag van indienstneming minder dan zesentwintig jaar;
b) hij is een laaggeschoolde jongere zoals bedoeld in artikel 24, 1°, van de wet van 24 december 1999, die bovendien beantwoordt aan de definitie van artikel 23, § 1bis, eerste of tweede lid, van de wet van 24 december 1999;]3
[1 5° [2 ...]2]1;
De verminderingen bedoeld in het eerste lid, 3° en 4°, zijn enkel van toepassing indien het kwartaal van indienstneming het tweede kwartaal van het jaar 2006 niet voorafgaat.
[2 Derde lid opgeheven.]2.
[3 Voor de toepassing van het eerste lid, 2° tot 4°, en het tweede en derde lid, wordt als kwartaal van indienstneming beschouwd het kwartaal waarin een jongere voor het eerst bij de betrokken werkgever wordt tewerkgesteld.]3
[3 Voor de toepassing van het eerste lid, 2° tot 4°, wordt beschouwd als dag van indienstneming, 1 januari van het jaar waarin de jongere negentien jaar wordt, indien hij reeds vóór deze datum in dienst was bij dezelfde werkgever.
[4 Indien het kwartaal van indienstneming zich voorafgaand aan het 1ste kwartaal 2013 situeert, zijn de bepalingen van het eerste lid, 2°, 3° en 4° van toepassing zoals ze golden voorafgaand aan 1 januari 2013.]4]3
Art. 18. <AR 2006-03-29/32, art. 1, 005; En vigueur : 01-04-2006> Une réduction groupe cible pour jeunes travailleurs est accordée de la maniÚre suivante [4 pour autant que le salaire trimestriel de référence s'élÚve à maximum 9.000 EUR]4 :
1° un montant forfaitaire G1 pour la mise au travail d'un jeune visĂ© Ă l'article 4 ou 5bis de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs;
2° [3 pour la mise au travail d'un jeune [4 un montant forfaitaire G8 pendant le trimestre de l'engagement et les sept trimestres suivants et un montant forfaitaire G2 pendant les quatre trimestres suivants]4 au cours desquels le jeune est occupĂ© chez le mĂȘme employeur, pour autant que le jeune engagĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de vingt-six ans à la date d'engagement;
b) il est un jeune peu qualifié tel que visé à l'article 24, 1°, de la loi du 24 décembre 1999.]3
3° [3 pour la mise au travail d'un jeune [4 un montant forfaitaire G8 pendant le trimestre de l'engagement et les onze trimestres suivants et un montant forfaitaire G2 pendant les quatre trimestres suivants]4 au cours desquels le jeune est occupĂ© chez le mĂȘme employeur, pour autant que le jeune engagĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de vingt-six ans à la date d'engagement;
b) il est un jeune trÚs peu qualifié tel que visé à l'article 24, 2°, de la loi du 24 décembre 1999.]3
[4 3°bis pour la mise au travail d'un jeune, un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'engagement et les trois trimestres suivants et un montant forfaitaire G2 pendant les huit trimestres restants au cours desquels le jeune est occupĂ© chez le mĂȘme employeur, pour autant que le jeune engagĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de vingt-six ans à la date d'engagement;
b) il est un jeune moyennement qualifié tel que visé à l'article 24, 3°, de la loi du 24 décembre 1999;
c) il est demandeur d'emploi à la date d'engagement, sauf s'il s'agit d'une personne visée à l'article 23, § 1erbis, 2e alinéa de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi;
d) il est demandeur d'emploi depuis au moins 156 jours, calculés en régime de 6 jours, au cours du mois de l'engagement, et des 9 mois calendrier qui précÚdent le moment de l'engagement, sauf s'il s'agit d'une personne visée à l'article 23, § 1erbis, 2e alinéa de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi;]4
4° [3 pour la mise au travail d'un jeune [4 un montant forfaitaire G8 pendant le trimestre de l'engagement et les onze trimestres suivants et un montant forfaitaire G2 pendant les quatre trimestres suivants]4 au cours desquels le jeune est occupĂ© chez le mĂȘme employeur, pour autant que le jeune engagĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de vingt-six ans à la date d'engagement;
b) il est un jeune moins qualifié tel que visé à l'article 24, 1°, de la loi du 24 décembre 1999 et qu'il réponde également à la définition de l'article 23, § 1erbis, alinéa 1er ou 2, de la loi du 24 décembre 1999.]3
[1 5° [2 ...]2]1.
Les réductions visées à l'alinéa 1er, 3° et 4°, ne sont d'application que lorsque le trimestre de l'engagement n'est pas antérieur au deuxiÚme trimestre de l'année 2006.
[2 Alinéa 3 abrogé.]2
[3 Pour l'application de l'alinéa 1er, 2° à 4°, et des alinéas 2 et 3, est considéré comme trimestre de l'engagement, le trimestre au cours duquel un jeune est occupé pour la premiÚre fois auprÚs de l'employeur concerné.]3
[3 Pour l'application de l'alinĂ©a 1er, 2° Ă 4°, est considĂ©rĂ©e comme date d'engagement, le 1er janvier de l'annĂ©e au cours de laquelle le jeune atteint l'Ăąge de dix-neuf ans, s'il Ă©tait dĂ©jĂ avant cette date en service chez le mĂȘme employeur.
[4 Si le trimestre de l'engagement se situe avant le 1er trimestre 2013, les dispositions du premier alinéa, 2°, 3° et 4° sont d'application telles qu'elles l'étaient avant le 1er janvier 2013.]4]3
1° un montant forfaitaire G1 pour la mise au travail d'un jeune visĂ© Ă l'article 4 ou 5bis de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs;
2° [3 pour la mise au travail d'un jeune [4 un montant forfaitaire G8 pendant le trimestre de l'engagement et les sept trimestres suivants et un montant forfaitaire G2 pendant les quatre trimestres suivants]4 au cours desquels le jeune est occupĂ© chez le mĂȘme employeur, pour autant que le jeune engagĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de vingt-six ans à la date d'engagement;
b) il est un jeune peu qualifié tel que visé à l'article 24, 1°, de la loi du 24 décembre 1999.]3
3° [3 pour la mise au travail d'un jeune [4 un montant forfaitaire G8 pendant le trimestre de l'engagement et les onze trimestres suivants et un montant forfaitaire G2 pendant les quatre trimestres suivants]4 au cours desquels le jeune est occupĂ© chez le mĂȘme employeur, pour autant que le jeune engagĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de vingt-six ans à la date d'engagement;
b) il est un jeune trÚs peu qualifié tel que visé à l'article 24, 2°, de la loi du 24 décembre 1999.]3
[4 3°bis pour la mise au travail d'un jeune, un montant forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'engagement et les trois trimestres suivants et un montant forfaitaire G2 pendant les huit trimestres restants au cours desquels le jeune est occupĂ© chez le mĂȘme employeur, pour autant que le jeune engagĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de vingt-six ans à la date d'engagement;
b) il est un jeune moyennement qualifié tel que visé à l'article 24, 3°, de la loi du 24 décembre 1999;
c) il est demandeur d'emploi à la date d'engagement, sauf s'il s'agit d'une personne visée à l'article 23, § 1erbis, 2e alinéa de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi;
d) il est demandeur d'emploi depuis au moins 156 jours, calculés en régime de 6 jours, au cours du mois de l'engagement, et des 9 mois calendrier qui précÚdent le moment de l'engagement, sauf s'il s'agit d'une personne visée à l'article 23, § 1erbis, 2e alinéa de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi;]4
4° [3 pour la mise au travail d'un jeune [4 un montant forfaitaire G8 pendant le trimestre de l'engagement et les onze trimestres suivants et un montant forfaitaire G2 pendant les quatre trimestres suivants]4 au cours desquels le jeune est occupĂ© chez le mĂȘme employeur, pour autant que le jeune engagĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
a) il est ùgé de moins de vingt-six ans à la date d'engagement;
b) il est un jeune moins qualifié tel que visé à l'article 24, 1°, de la loi du 24 décembre 1999 et qu'il réponde également à la définition de l'article 23, § 1erbis, alinéa 1er ou 2, de la loi du 24 décembre 1999.]3
[1 5° [2 ...]2]1.
Les réductions visées à l'alinéa 1er, 3° et 4°, ne sont d'application que lorsque le trimestre de l'engagement n'est pas antérieur au deuxiÚme trimestre de l'année 2006.
[2 Alinéa 3 abrogé.]2
[3 Pour l'application de l'alinéa 1er, 2° à 4°, et des alinéas 2 et 3, est considéré comme trimestre de l'engagement, le trimestre au cours duquel un jeune est occupé pour la premiÚre fois auprÚs de l'employeur concerné.]3
[3 Pour l'application de l'alinĂ©a 1er, 2° Ă 4°, est considĂ©rĂ©e comme date d'engagement, le 1er janvier de l'annĂ©e au cours de laquelle le jeune atteint l'Ăąge de dix-neuf ans, s'il Ă©tait dĂ©jĂ avant cette date en service chez le mĂȘme employeur.
[4 Si le trimestre de l'engagement se situe avant le 1er trimestre 2013, les dispositions du premier alinéa, 2°, 3° et 4° sont d'application telles qu'elles l'étaient avant le 1er janvier 2013.]4]3
Art. 18 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. 18 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 18_WAALS_GEWEST.
Art. 18 _REGION_WALLONNE.
Art. 18_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Art. 18 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Art. 18_VLAAMS_GEWEST.
Art. 18 _REGION_FLAMANDE.
Art. 18/1_VLAAMS_GEWEST.
Art. 18/1 _REGION_FLAMANDE.
Art. 19.
Art. 19.
Art. 19 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. 19 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 19_WAALS_GEWEST.
Art. 19 _REGION_WALLONNE.
Art. 19_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Art. 19 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Art. 20. <KB 2004-01-21/33, art. 68, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. Voor de toepassing van (artikel 18, eerste lid, 2°, 3° [2 , 3°bis]2 en 4°) worden enkel de nieuwe werknemers bedoeld in artikel 25 van de wet van 24 december 1999 die als dusdanig worden aangeduid op de aangifte aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen beschouwd als jongeren met een startbaanovereenkomst bedoeld in artikel 27 van de wet van 24 december 1999. <KB 2006-03-29/32, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2006>
[1 De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2°, wordt enkel toegekend indien de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 attesteert dat de betrokken jongere voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 18, eerste lid, 2°, op de dag van indienstneming.]1
[1 De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3°, wordt enkel toegekend indien de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 attesteert dat de betrokken jongere voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 18, eerste lid, 3°, op de dag van indienstneming.]1
[2 De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3°bis, wordt enkel toegekend indien de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 attesteert dat de betrokken jongere voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 18, eerste lid, 3°bis, op de dag van indienstneming.]2
[1 De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 18, eerste lid, 4°, wordt enkel toegekend indien de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 attesteert dat de betrokken jongere voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 18, eerste lid, 4°, op de dag van indienstneming.]1
§ 2. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de [2 werkkaarten]2 over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
[1 § 3. Onverminderd de bepalingen van § 1, kan een werkgever genieten van de voordelen voorzien in artikel 18, eerste lid, 2°, 3° [2 , 3°bis]2 en 4° indien hij een jongere in dienst neemt tijdens de duur van de geldigheid van de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001.
De aanvraag van de werkkaart die betrekking heeft op de attestering bedoeld in paragraaf 1, wordt onontvankelijk verklaard wanneer de aanvraag gebeurt vóór 1 januari van het jaar waarin de jongere negentien jaar wordt of op een ogenblik waarop de jongere nog studies met een volledig leerplan volgt in het dagonderwijs.
Wanneer de tewerkstelling van de jongere aanving vóór 1 januari van het jaar waarin de jongere negentien jaar wordt en vanaf deze datum wordt verder gezet, kan in afwijking van artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 enkel de werkgever van de betrokken nieuwe werknemer een werkkaart vragen die betrekking heeft op de attestering bedoeld in paragraaf 1. Deze aanvraag wordt enkel aanvaard indien zij individueel wordt opgesteld en de identiteit van de werkgever vermeldt, evenals de identiteit van de werknemer, zijn woonplaats en identificatienummer van de sociale zekerheid en de datum van de indienstneming.
De in het vorig lid bedoelde aanvraag van werkkaart moet ten laatste op 31 januari van het jaar waarin de nieuwe werknemer negentien jaar wordt bij het bevoegd werkloosheidsbureau ingediend worden.
Wanneer de aanvraag van de werkkaart wordt ingediend buiten de termijn voorzien in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 of in het vierde lid, wordt, in afwijking van de bepalingen van artikel 18, eerste lid, 2°, 3° of 4°, de periode gedurende dewelke de doelgroepverminderingen bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2°, 3° en 4°, kan worden toegekend, verminderd met een periode die aanvangt op de dag van de indienstneming en die eindigt op de laatste dag van het kwartaal waarin de datum gesitueerd is van de laattijdige indiening van de aanvraag van de werkkaart.
§ 4. Voor de toepassing van artikel 18, eerste lid, 2°, 3° [2 , 3°bis]2 en 4°, wordt de jongere die op het moment van de aanvraag van de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 voldoet aan de voorwaarden van artikel 18, eerste lid, 2°, 3° [2 , 3°bis]2 en 4°, gelijkgesteld aan een jongere die voldoet aan deze voorwaarden op het moment van de indienstneming.]1
[1 De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2°, wordt enkel toegekend indien de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 attesteert dat de betrokken jongere voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 18, eerste lid, 2°, op de dag van indienstneming.]1
[1 De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3°, wordt enkel toegekend indien de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 attesteert dat de betrokken jongere voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 18, eerste lid, 3°, op de dag van indienstneming.]1
[2 De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3°bis, wordt enkel toegekend indien de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 attesteert dat de betrokken jongere voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 18, eerste lid, 3°bis, op de dag van indienstneming.]2
[1 De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 18, eerste lid, 4°, wordt enkel toegekend indien de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 attesteert dat de betrokken jongere voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 18, eerste lid, 4°, op de dag van indienstneming.]1
§ 2. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de [2 werkkaarten]2 over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.
[1 § 3. Onverminderd de bepalingen van § 1, kan een werkgever genieten van de voordelen voorzien in artikel 18, eerste lid, 2°, 3° [2 , 3°bis]2 en 4° indien hij een jongere in dienst neemt tijdens de duur van de geldigheid van de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001.
De aanvraag van de werkkaart die betrekking heeft op de attestering bedoeld in paragraaf 1, wordt onontvankelijk verklaard wanneer de aanvraag gebeurt vóór 1 januari van het jaar waarin de jongere negentien jaar wordt of op een ogenblik waarop de jongere nog studies met een volledig leerplan volgt in het dagonderwijs.
Wanneer de tewerkstelling van de jongere aanving vóór 1 januari van het jaar waarin de jongere negentien jaar wordt en vanaf deze datum wordt verder gezet, kan in afwijking van artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 enkel de werkgever van de betrokken nieuwe werknemer een werkkaart vragen die betrekking heeft op de attestering bedoeld in paragraaf 1. Deze aanvraag wordt enkel aanvaard indien zij individueel wordt opgesteld en de identiteit van de werkgever vermeldt, evenals de identiteit van de werknemer, zijn woonplaats en identificatienummer van de sociale zekerheid en de datum van de indienstneming.
De in het vorig lid bedoelde aanvraag van werkkaart moet ten laatste op 31 januari van het jaar waarin de nieuwe werknemer negentien jaar wordt bij het bevoegd werkloosheidsbureau ingediend worden.
Wanneer de aanvraag van de werkkaart wordt ingediend buiten de termijn voorzien in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 of in het vierde lid, wordt, in afwijking van de bepalingen van artikel 18, eerste lid, 2°, 3° of 4°, de periode gedurende dewelke de doelgroepverminderingen bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2°, 3° en 4°, kan worden toegekend, verminderd met een periode die aanvangt op de dag van de indienstneming en die eindigt op de laatste dag van het kwartaal waarin de datum gesitueerd is van de laattijdige indiening van de aanvraag van de werkkaart.
§ 4. Voor de toepassing van artikel 18, eerste lid, 2°, 3° [2 , 3°bis]2 en 4°, wordt de jongere die op het moment van de aanvraag van de werkkaart bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 voldoet aan de voorwaarden van artikel 18, eerste lid, 2°, 3° [2 , 3°bis]2 en 4°, gelijkgesteld aan een jongere die voldoet aan deze voorwaarden op het moment van de indienstneming.]1
Art. 20. <AR 2004-01-21/33, art. 68, 002; En vigueur : 01-01-2004> § 1er. Pour l'application de (l'article 18, alinéa 1er, 2°, 3° [2 , 3°bis]2 et 4°), seuls les nouveaux travailleurs visés à l'article 25 de la loi du 24 décembre 1999 et déclarés en tant que tel sur la déclaration adressée à l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale sont considérés comme jeunes bénéficiant d'une convention de premier emploi visée à l'article 27 de la loi du 24 décembre 1999. <AR 2006-03-29/32, art. 2, 005; En vigueur : 01-04-2006>
[1 La rĂ©duction groupe cible visĂ©e Ă l'article 18, alinĂ©a 1er, 2°, est uniquement accordĂ©e si la carte de travail visĂ©e Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 atteste du fait que le jeune visĂ© remplit aux conditions visĂ©es Ă l'article 18, alinĂ©a 1er, 2°, Ă la date d'engagement.]1
[1 La rĂ©duction groupe cible visĂ©e Ă l'article 18, alinĂ©a 1er, 3°, est uniquement accordĂ©e si la carte de travail visĂ©e Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 atteste du fait que le jeune visĂ© remplit aux conditions visĂ©es Ă l'article 18, alinĂ©a 1er, 3°, Ă la date d'engagement.]1
[2 La rĂ©duction groupe-cible visĂ©e Ă l'article 18, alinĂ©a 1er, 3°bis, est uniquement accordĂ©e si la carte de travail visĂ©e Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 atteste du fait que le jeune visĂ© remplit aux conditions visĂ©es Ă l'article 18, alinĂ©a 1er, 3°bis, Ă la date d'engagement.]2
[1 La rĂ©duction groupe cible visĂ©e Ă l'article 18, alinĂ©a 1er, 4°, est uniquement accordĂ©e si la carte de travail visĂ©e Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 atteste du fait que le jeune visĂ© remplit aux conditions visĂ©es Ă l'article 18, alinĂ©a 1er, 4°, Ă la date d'engagement.]1
§ 2. L'Office national de l'emploi transmet par voie électronique les données relatives aux [2 cartes de travail]2 à l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.
[1 § 3. Sans prĂ©judice des dispositions du paragraphe 1er, un employeur peut bĂ©nĂ©ficier des avantages prĂ©vus Ă l'article 18, alinĂ©a 1er, 2°, 3° [2 , 3°bis]2 et 4° lorsqu'il engage un jeune pendant la durĂ©e de validitĂ© de la carte de travail visĂ©e Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001.
La demande de la carte de travail qui se rapporte Ă l'attestation visĂ©e au paragraphe 1er, est dĂ©clarĂ©e irrecevable quand la demande se situe avant le 1er janvier de l'annĂ©e dans laquelle le jeune atteint l'Ăąge de dix-neuf ans ou Ă un moment oĂč le jeune suit encore des cours de plein exercice dans l'enseignement de jour.
Lorsque l'occupation du jeune employeur a dĂ©butĂ© avant le 1er janvier de l'annĂ©e dans laquelle le jeune atteint l'Ăąge de dix-neuf ans et qu'elle se prolonge au-delĂ de cette date, la carte de travail portant sur l'attestation visĂ©e au paragraphe 1er, ne peut, par dĂ©rogation Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, ĂȘtre demandĂ©e que par l'employeur du nouveau travailleur concernĂ©. Cette demande est seulement acceptĂ©e lorsqu'elle est faite individuellement, qu'elle mentionne l'identitĂ© de l'employeur ainsi que l'identitĂ© du travailleur, son domicile et son numĂ©ro d'identification Ă la sĂ©curitĂ© sociale, ainsi que la date de l'engagement.
La demande de carte de travail visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent doit ĂȘtre introduite auprĂšs du bureau de chĂŽmage compĂ©tent au plus tard au 31 janvier de l'annĂ©e au cours de laquelle le nouveau travailleur atteint l'Ăąge de dix-neuf ans.
Lorsque la demande de la carte de travail est introduite en dehors du dĂ©lai prĂ©vu Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 1999 ou dans l'alinĂ©a 4, la pĂ©riode pendant laquelle les rĂ©ductions groupe-cible visĂ©e l'article 18, alinĂ©a 1er, 2°, 3° et 4°, peut ĂȘtre accordĂ©e, est diminuĂ©e, par dĂ©rogation aux dispositions de l'article 18, alinĂ©a 1er, 2°, 3° et 4°, de la pĂ©riode commençant le jour de l'engagement et se terminant le dernier jour du trimestre dans lequel se situe la date de l'introduction tardive de la demande de la carte de travail.
§ 4. Pour l'application de l'article 18, alinĂ©a 1er, 2°, 3° [2 , 3°bis] et 4°, le jeune qui satisfait aux conditions dudit article 18, alinĂ©a 1er, 2°, 3° [2 , 3°bis] et 4°, au moment de la demande de la carte de travail visĂ©e Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, est assimilĂ© Ă un jeune qui satisfait Ă ces conditions au moment de l'engagement.]1
[1 La rĂ©duction groupe cible visĂ©e Ă l'article 18, alinĂ©a 1er, 2°, est uniquement accordĂ©e si la carte de travail visĂ©e Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 atteste du fait que le jeune visĂ© remplit aux conditions visĂ©es Ă l'article 18, alinĂ©a 1er, 2°, Ă la date d'engagement.]1
[1 La rĂ©duction groupe cible visĂ©e Ă l'article 18, alinĂ©a 1er, 3°, est uniquement accordĂ©e si la carte de travail visĂ©e Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 atteste du fait que le jeune visĂ© remplit aux conditions visĂ©es Ă l'article 18, alinĂ©a 1er, 3°, Ă la date d'engagement.]1
[2 La rĂ©duction groupe-cible visĂ©e Ă l'article 18, alinĂ©a 1er, 3°bis, est uniquement accordĂ©e si la carte de travail visĂ©e Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 atteste du fait que le jeune visĂ© remplit aux conditions visĂ©es Ă l'article 18, alinĂ©a 1er, 3°bis, Ă la date d'engagement.]2
[1 La rĂ©duction groupe cible visĂ©e Ă l'article 18, alinĂ©a 1er, 4°, est uniquement accordĂ©e si la carte de travail visĂ©e Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 atteste du fait que le jeune visĂ© remplit aux conditions visĂ©es Ă l'article 18, alinĂ©a 1er, 4°, Ă la date d'engagement.]1
§ 2. L'Office national de l'emploi transmet par voie électronique les données relatives aux [2 cartes de travail]2 à l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.
[1 § 3. Sans prĂ©judice des dispositions du paragraphe 1er, un employeur peut bĂ©nĂ©ficier des avantages prĂ©vus Ă l'article 18, alinĂ©a 1er, 2°, 3° [2 , 3°bis]2 et 4° lorsqu'il engage un jeune pendant la durĂ©e de validitĂ© de la carte de travail visĂ©e Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001.
La demande de la carte de travail qui se rapporte Ă l'attestation visĂ©e au paragraphe 1er, est dĂ©clarĂ©e irrecevable quand la demande se situe avant le 1er janvier de l'annĂ©e dans laquelle le jeune atteint l'Ăąge de dix-neuf ans ou Ă un moment oĂč le jeune suit encore des cours de plein exercice dans l'enseignement de jour.
Lorsque l'occupation du jeune employeur a dĂ©butĂ© avant le 1er janvier de l'annĂ©e dans laquelle le jeune atteint l'Ăąge de dix-neuf ans et qu'elle se prolonge au-delĂ de cette date, la carte de travail portant sur l'attestation visĂ©e au paragraphe 1er, ne peut, par dĂ©rogation Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, ĂȘtre demandĂ©e que par l'employeur du nouveau travailleur concernĂ©. Cette demande est seulement acceptĂ©e lorsqu'elle est faite individuellement, qu'elle mentionne l'identitĂ© de l'employeur ainsi que l'identitĂ© du travailleur, son domicile et son numĂ©ro d'identification Ă la sĂ©curitĂ© sociale, ainsi que la date de l'engagement.
La demande de carte de travail visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent doit ĂȘtre introduite auprĂšs du bureau de chĂŽmage compĂ©tent au plus tard au 31 janvier de l'annĂ©e au cours de laquelle le nouveau travailleur atteint l'Ăąge de dix-neuf ans.
Lorsque la demande de la carte de travail est introduite en dehors du dĂ©lai prĂ©vu Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 1999 ou dans l'alinĂ©a 4, la pĂ©riode pendant laquelle les rĂ©ductions groupe-cible visĂ©e l'article 18, alinĂ©a 1er, 2°, 3° et 4°, peut ĂȘtre accordĂ©e, est diminuĂ©e, par dĂ©rogation aux dispositions de l'article 18, alinĂ©a 1er, 2°, 3° et 4°, de la pĂ©riode commençant le jour de l'engagement et se terminant le dernier jour du trimestre dans lequel se situe la date de l'introduction tardive de la demande de la carte de travail.
§ 4. Pour l'application de l'article 18, alinĂ©a 1er, 2°, 3° [2 , 3°bis] et 4°, le jeune qui satisfait aux conditions dudit article 18, alinĂ©a 1er, 2°, 3° [2 , 3°bis] et 4°, au moment de la demande de la carte de travail visĂ©e Ă l'article 13 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, est assimilĂ© Ă un jeune qui satisfait Ă ces conditions au moment de l'engagement.]1
Art. 20 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. 20 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 20_WAALS_GEWEST.
Art. 20 _REGION_WALLONNE.
Art. 20_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Art. 20 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Art. 20_VLAAMS_GEWEST.
Art. 20 _REGION_FLAMANDE.
HOOFDSTUK Vbis. [1 - Mentors 1.]1
CHAPITRE Vbis. [1 - Tuteurs]1
HOOFDSTUK Vbis. WAALS_GEWEST.
CHAPITRE Vbis. REGION_WALLONNE.
Art. 20/1. [1 [2 Onder de voorwaarden van dit hoofdstuk kan een doelgroepvermindering voor mentors toegekend worden in de vorm van een forfaitair bedrag G9.]2
Onder 'de opvolging verzekeren van stages' en het 'instaan voor opleiding' wordt verstaan de begeleiding [3 ...]3 door een mentor van [3 ...]3 personen die behoren tot de doelgroepen, bepaald in artikel 347bis, eerste lid, van de wet van 24 december 2002.]1
[2 De toepassing van artikel 347bis van de programmawet (I) van 24 december 2002 en van dit hoofdstuk wordt uitgebreid tot de werkzoekenden die een instapstage doorlopen zoals bedoeld in artikel 36quater van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.]2
Onder 'de opvolging verzekeren van stages' en het 'instaan voor opleiding' wordt verstaan de begeleiding [3 ...]3 door een mentor van [3 ...]3 personen die behoren tot de doelgroepen, bepaald in artikel 347bis, eerste lid, van de wet van 24 december 2002.]1
[2 De toepassing van artikel 347bis van de programmawet (I) van 24 december 2002 en van dit hoofdstuk wordt uitgebreid tot de werkzoekenden die een instapstage doorlopen zoals bedoeld in artikel 36quater van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.]2
Art. 20/1. [1 [2 Dans les conditions dĂ©terminĂ©es au prĂ©sent chapitre, une rĂ©duction groupe cible pour des tuteurs peut ĂȘtre octroyĂ©e sous la forme d'une rĂ©duction forfaitaire G9.]2
On entend par " suivi de stages " et " responsabilité pour des formations ", l'accompagnement [3 ...]3, par un tuteur, de [3 ...]3 personnes appartenant aux groupes cibles déterminés à l'article 347bis, alinéa 1er, de la loi du 24 décembre 2002.]1
[2 L'application de l'article 347bis de la loi-programme (I) du 24 dĂ©cembre 2002 et du prĂ©sent chapitre est Ă©tendue aux demandeurs d'emploi qui effectuent un stage de transition, tel que visĂ© par l'article 36quater de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant la rĂ©glementation du chĂŽmage.]2
On entend par " suivi de stages " et " responsabilité pour des formations ", l'accompagnement [3 ...]3, par un tuteur, de [3 ...]3 personnes appartenant aux groupes cibles déterminés à l'article 347bis, alinéa 1er, de la loi du 24 décembre 2002.]1
[2 L'application de l'article 347bis de la loi-programme (I) du 24 dĂ©cembre 2002 et du prĂ©sent chapitre est Ă©tendue aux demandeurs d'emploi qui effectuent un stage de transition, tel que visĂ© par l'article 36quater de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant la rĂ©glementation du chĂŽmage.]2
Art. 20/1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Art. 20/1 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Art. 20/1_WAALS_GEWEST.
Art. 20/1 _REGION_WALLONNE.
Art. 20/2. [1 Onder mentor wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan, de werknemer die voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° hij heeft een beroepservaring van ten minste vijf jaar in het beroep dat geheel of gedeeltelijk aangeleerd wordt in het kader van de stage of opleiding;
2° hij is in het bezit van
- hetzij een getuigschrift, uitgereikt door een onderwijs- of opleidingsverstrekker die door de bevoegde Gemeenschap [2 of door het bevoegd sectorfonds]2 werd ingericht of erkend, dat aantoont dat hij met succes een mentoropleiding heeft gevolgd,
- hetzij een getuigschrift, uitgereikt door de bevoegde Gemeenschap of door een door de bevoegde Gemeenschap erkende instantie, dat aantoont dat hij geslaagd is in een beoordeling ter validatie van zijn competenties als mentor.]1
[2 Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, eerste gedachtestreepje, wordt onder "mentoropleiding" verstaan, elke opleiding die tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° als doel hebben aan werknemers vaardigheden bij te brengen op het vlak van begeleiding, coaching en opleiding van personen die op de werkvloer een opleiding krijgen;
2° technieken aanleren om
- een opleidingsplan op te stellen,
- instructies te geven,
- afdoende te communiceren,
- vorderingen op te volgen,
- feedback te geven,
- bij te sturen,
- te evalueren;
3° verstrekt worden door of op initiatief van en onder de verantwoordelijkheid van instanties, ingericht of erkend door de autoriteiten, bevoegd inzake opleiding.]2
1° hij heeft een beroepservaring van ten minste vijf jaar in het beroep dat geheel of gedeeltelijk aangeleerd wordt in het kader van de stage of opleiding;
2° hij is in het bezit van
- hetzij een getuigschrift, uitgereikt door een onderwijs- of opleidingsverstrekker die door de bevoegde Gemeenschap [2 of door het bevoegd sectorfonds]2 werd ingericht of erkend, dat aantoont dat hij met succes een mentoropleiding heeft gevolgd,
- hetzij een getuigschrift, uitgereikt door de bevoegde Gemeenschap of door een door de bevoegde Gemeenschap erkende instantie, dat aantoont dat hij geslaagd is in een beoordeling ter validatie van zijn competenties als mentor.]1
[2 Voor de toepassing van het eerste lid, 2°, eerste gedachtestreepje, wordt onder "mentoropleiding" verstaan, elke opleiding die tegelijk aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° als doel hebben aan werknemers vaardigheden bij te brengen op het vlak van begeleiding, coaching en opleiding van personen die op de werkvloer een opleiding krijgen;
2° technieken aanleren om
- een opleidingsplan op te stellen,
- instructies te geven,
- afdoende te communiceren,
- vorderingen op te volgen,
- feedback te geven,
- bij te sturen,
- te evalueren;
3° verstrekt worden door of op initiatief van en onder de verantwoordelijkheid van instanties, ingericht of erkend door de autoriteiten, bevoegd inzake opleiding.]2
Art. 20/2. [1 Pour l'application du présent chapitre, on entend par " tuteur ", le travailleur qui répond aux conditions suivantes :
1° il dispose d'une expérience professionnelle d'au moins cinq années dans la profession apprise en tout ou partie dans le cadre du stage ou de la formation;
2° il est détenteur
- soit d'un certificat ou d'une attestation, délivré par un établissement d'enseignement ou de formation institué ou agréé par la Communauté compétente [2 ou par le fonds sectoriel compétent]2, prouvant qu'il a suivi avec fruit une formation de tuteur,
- soit d'une attestation de réussite, délivrée par la Communauté compétente ou par une instance agréée par la Communauté compétente, d'un test de validation de ses compétences en tant que tuteur.]1
[2 Pour l'application de l'alinéa 1er, premier tiret, on entend par "formation de tuteur", toute formation qui réunit simultanément les conditions suivantes :
1° viser à apprendre à des travailleurs des compétences sur le plan de l'orientation, de l'encadrement et de la formation de personnes qui reçoivent une formation en milieu de travail;
2° apprendre des techniques visant Ă
- établir un plan de formation,
- donner des instructions,
- communiquer adéquatement,
- suivre des progrĂšs,
- donner du feedback,
- corriger et ajuster,
- évaluer;
3° ĂȘtre dispensĂ©e par ou Ă l'initiative ou sous la responsabilitĂ© des instances instituĂ©es ou agréées par les autoritĂ©s compĂ©tentes en matiĂšre de formation.]2
1° il dispose d'une expérience professionnelle d'au moins cinq années dans la profession apprise en tout ou partie dans le cadre du stage ou de la formation;
2° il est détenteur
- soit d'un certificat ou d'une attestation, délivré par un établissement d'enseignement ou de formation institué ou agréé par la Communauté compétente [2 ou par le fonds sectoriel compétent]2, prouvant qu'il a suivi avec fruit une formation de tuteur,
- soit d'une attestation de réussite, délivrée par la Communauté compétente ou par une instance agréée par la Communauté compétente, d'un test de validation de ses compétences en tant que tuteur.]1
[2 Pour l'application de l'alinéa 1er, premier tiret, on entend par "formation de tuteur", toute formation qui réunit simultanément les conditions suivantes :
1° viser à apprendre à des travailleurs des compétences sur le plan de l'orientation, de l'encadrement et de la formation de personnes qui reçoivent une formation en milieu de travail;
2° apprendre des techniques visant Ă
- établir un plan de formation,
- donner des instructions,
- communiquer adéquatement,
- suivre des progrĂšs,
- donner du feedback,
- corriger et ajuster,
- évaluer;
3° ĂȘtre dispensĂ©e par ou Ă l'initiative ou sous la responsabilitĂ© des instances instituĂ©es ou agréées par les autoritĂ©s compĂ©tentes en matiĂšre de formation.]2
Art. 20/2_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Art. 20/2 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Art. 20/2_WAALS_GEWEST.
Art. 20/2 _REGION_WALLONNE.
Art. 20/3. [1 § 1. De werkgever die in aanmerking wenst te komen voor de doelgroepvermindering bedoeld in dit hoofdstuk, moet zich ertoe verbinden stages of opleidingen te organiseren ten behoeve van de personen die behoren tot de in artikel 20/1 bedoelde doelgroepen, en daartoe mentors, zoals bedoeld in artikel 20/2, te belasten met de uitvoering en opvolging.
§ 2. Voor de in § 1 bedoelde personen voor wie tijdens hun stage of opleiding bij de werkgever geen aangifte vereist is, noch overeenkomstig artikel 21 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, noch overeenkomstig het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, kan de in § 1 bedoelde verbintenis enkel worden vastgesteld aan de hand van een overeenkomst die beantwoordt aan de volgende kenmerken :
1° zij wordt gesloten tussen de werkgever en een of meer onderwijs- of opleidingsinstellingen of -operatoren op wiens initiatief of onder wiens toezicht de stages of opleidingen georganiseerd worden, ingeval van opleiding van leerkrachten of van jongeren, buiten diegene bedoeld onder 2°;
2° zij wordt gesloten tussen de werkgever en de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding of een instelling voor volwassenenonderwijs, ingeval van opleiding van jonge werkzoekenden;
3° zij bepaalt duidelijk de begin- en einddatum van de periode tijdens dewelke de verbintenis geldt, zonder dat deze periode 12 maanden kan overschrijden; overeenkomsten voor een langere duur dan 12 maanden worden voor de toepassing van dit artikel beschouwd als overeenkomsten met een geldigheidsduur van 12 maanden. De begindatum van de overeenkomst moet samenvallen met de eerste dag van een kwartaal, terwijl de einddatum moet samenvallen met de laatste dag van een kwartaal;
4° zij bevat in duidelijke bewoordingen de verbintenis van de werkgever om gedurende een welbepaald aantal uren aan een welbepaald aantal, naargelang het geval, jongeren of leerkrachten gedurende de in 3° bedoelde periode de mogelijkheid te geven stage te lopen of een opleiding te volgen;
5° zij kan nadere verbintenissen bevatten tussen de werkgever en de betrokken onderwijs- of opleidingsinstelling(en) of -operator(en) omtrent de organisatie van de stages en opleidingen, de pedagogische omkadering en de spreiding in de tijd van de stages en opleidingen;
6° zij wordt, op straffe van nietigheid, gedateerd en ondertekend, uiterlijk op de laatste dag van het eerste kwartaal van haar geldigheidsperiode, door de werkgever en door de verantwoordelijke van elke betrokken onderwijs- of opleidingsinstelling of -operator of van de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding;
7° indien de werkgever reeds eerder verbonden was door een of meer overeenkomsten zoals bedoeld in dit lid : zij bevat een gedateerde en ondertekende verklaring vanwege de verantwoordelijke(n) van de onderwijs- of opleidingsinstelling(en) of gewestelijke dienst(en) voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding die betrokken waren bij de overeenkomst(en) die de werkgever had gesloten met het oog op de in artikel 20/1 bedoelde doelgroepvermindering, ter bevestiging dat de werkgever zijn verbintenis(sen), vervat in die overeenkomst(en), effectief is nagekomen.
Wanneer de werkgever na afloop van de laatst lopende overeenkomst die hij sloot in toepassing van het eerste lid, geen nieuwe overeenkomst sluit waarvan de geldigheidsperiode onmiddellijk aansluit op die van de afgelopen overeenkomst, bezorgt hij uit eigen beweging aan de in artikel 20/4 bedoelde directie een verklaring zoals bedoeld in het eerste lid, 7°, uiterlijk op de laatste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de einddatum van de laatst afgelopen overeenkomst gelegen is.
Alle in artikel 20/1 bedoelde doelgroepverminderingen, waarvoor een in het eerste lid bedoelde overeenkomst gesloten wordt, worden geweigerd voor de kwartalen waarop die overeenkomst betrekking heeft indien
- hetzij de verklaring, bedoeld in het eerste lid, 7°, ontbreekt;
- hetzij de verklaring, bedoeld in het tweede lid, niet binnen de in het tweede lid bepaalde termijn aan de in artikel 20/4 bedoelde directie bezorgd wordt;
- hetzij uit deze verklaring blijkt dat de werkgever zijn verbintenis(sen), vervat in die overeenkomst, niet of niet volledig is nagekomen.
§ 3. Voor de in § 1 bedoelde personen voor wie op grond van hun stage of opleiding bij de werkgever een aangifte vereist is, hetzij overeenkomstig artikel 21 van voornoemde wet van 27 juni 1969, hetzij overeenkomstig voornoemd koninklijk besluit van 5 november 2002, wordt de in § 1 bedoelde verbintenis vastgesteld aan de hand van die aangifte, meer bepaald de datum van indiensttreding en de datum van uitdiensttreding die daarbij meegedeeld worden.
§ 4. Wanneer de werkgever een overeenkomst sluit overeenkomstig § 2, eerste lid, dan wordt het in artikel 20/1 bedoeld voordeel enkel toegekend in de kwartalen die vallen binnen de geldigheidsduur van die overeenkomst.
Wanneer de werkgever een aangifte doet overeenkomstig § 3, dan wordt het in artikel 20/1 bedoeld voordeel enkel toegekend vanaf het kwartaal waarin de aangegeven begindatum van de stage of opleiding valt tot en met het kwartaal waarin de aangegeven einddatum van de stage of opleiding valt.
§ 5. Wanneer de werkgever een overeenkomst sluit overeenkomstig § 2, eerste lid, dan wordt de toepassing van de in artikel 20/1 bedoelde doelgroepvermindering beperkt tot het aantal mentors dat gelijk is aan het laagste resultaat van de volgende berekeningen :
- een vijfde van het aantal jongeren of leerkrachten, bedoeld in § 2, eerste lid, 4°. De afronding van deze deling gebeurt naar de hogere eenheid;
- het aantal uren, bedoeld in § 2, eerste lid, 4°, gedeeld door 400. De afronding van deze deling gebeurt naar de lagere eenheid. Indien de overeenkomst, gesloten overeenkomstig § 2, eerste lid, een kortere duurtijd heeft dan één jaar, dan is de noemer van deze deling gelijk aan 100 maal het aantal kwartalen binnen de duurtijd van de overeenkomst.
Wanneer de werkgever een aangifte doet overeenkomstig § 3, dan wordt de toepassing van de in artikel 20/1 bedoelde doelgroepvermindering in een bepaald kwartaal beperkt tot een aantal mentors dat gelijk is aan een vijfde van het aantal in § 1 bedoelde personen waarvan de stage of opleiding blijkens de aangifte begint, loopt of eindigt in dat kwartaal. De afronding van deze deling gebeurt naar de hogere eenheid.
De berekeningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden steeds van elkaar gescheiden gemaakt, waarna de aparte resultaten ervan desgevallend samengeteld worden. Vervolgens wordt de toepassing van de doelgroepvermindering beperkt tot een aantal mentors dat gelijk is aan één vijfde van de som van het aantal jongeren of leerkrachten, bedoeld in § 2, eerste lid, 4°, en het aantal in § 1 bedoelde personen waarvan de stage of opleiding blijkens de aangifte begint, loopt of eindigt in het kwartaal. De afronding van deze deling gebeurt naar de hogere eenheid.]1
§ 2. Voor de in § 1 bedoelde personen voor wie tijdens hun stage of opleiding bij de werkgever geen aangifte vereist is, noch overeenkomstig artikel 21 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, noch overeenkomstig het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, kan de in § 1 bedoelde verbintenis enkel worden vastgesteld aan de hand van een overeenkomst die beantwoordt aan de volgende kenmerken :
1° zij wordt gesloten tussen de werkgever en een of meer onderwijs- of opleidingsinstellingen of -operatoren op wiens initiatief of onder wiens toezicht de stages of opleidingen georganiseerd worden, ingeval van opleiding van leerkrachten of van jongeren, buiten diegene bedoeld onder 2°;
2° zij wordt gesloten tussen de werkgever en de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding of een instelling voor volwassenenonderwijs, ingeval van opleiding van jonge werkzoekenden;
3° zij bepaalt duidelijk de begin- en einddatum van de periode tijdens dewelke de verbintenis geldt, zonder dat deze periode 12 maanden kan overschrijden; overeenkomsten voor een langere duur dan 12 maanden worden voor de toepassing van dit artikel beschouwd als overeenkomsten met een geldigheidsduur van 12 maanden. De begindatum van de overeenkomst moet samenvallen met de eerste dag van een kwartaal, terwijl de einddatum moet samenvallen met de laatste dag van een kwartaal;
4° zij bevat in duidelijke bewoordingen de verbintenis van de werkgever om gedurende een welbepaald aantal uren aan een welbepaald aantal, naargelang het geval, jongeren of leerkrachten gedurende de in 3° bedoelde periode de mogelijkheid te geven stage te lopen of een opleiding te volgen;
5° zij kan nadere verbintenissen bevatten tussen de werkgever en de betrokken onderwijs- of opleidingsinstelling(en) of -operator(en) omtrent de organisatie van de stages en opleidingen, de pedagogische omkadering en de spreiding in de tijd van de stages en opleidingen;
6° zij wordt, op straffe van nietigheid, gedateerd en ondertekend, uiterlijk op de laatste dag van het eerste kwartaal van haar geldigheidsperiode, door de werkgever en door de verantwoordelijke van elke betrokken onderwijs- of opleidingsinstelling of -operator of van de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding;
7° indien de werkgever reeds eerder verbonden was door een of meer overeenkomsten zoals bedoeld in dit lid : zij bevat een gedateerde en ondertekende verklaring vanwege de verantwoordelijke(n) van de onderwijs- of opleidingsinstelling(en) of gewestelijke dienst(en) voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding die betrokken waren bij de overeenkomst(en) die de werkgever had gesloten met het oog op de in artikel 20/1 bedoelde doelgroepvermindering, ter bevestiging dat de werkgever zijn verbintenis(sen), vervat in die overeenkomst(en), effectief is nagekomen.
Wanneer de werkgever na afloop van de laatst lopende overeenkomst die hij sloot in toepassing van het eerste lid, geen nieuwe overeenkomst sluit waarvan de geldigheidsperiode onmiddellijk aansluit op die van de afgelopen overeenkomst, bezorgt hij uit eigen beweging aan de in artikel 20/4 bedoelde directie een verklaring zoals bedoeld in het eerste lid, 7°, uiterlijk op de laatste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de einddatum van de laatst afgelopen overeenkomst gelegen is.
Alle in artikel 20/1 bedoelde doelgroepverminderingen, waarvoor een in het eerste lid bedoelde overeenkomst gesloten wordt, worden geweigerd voor de kwartalen waarop die overeenkomst betrekking heeft indien
- hetzij de verklaring, bedoeld in het eerste lid, 7°, ontbreekt;
- hetzij de verklaring, bedoeld in het tweede lid, niet binnen de in het tweede lid bepaalde termijn aan de in artikel 20/4 bedoelde directie bezorgd wordt;
- hetzij uit deze verklaring blijkt dat de werkgever zijn verbintenis(sen), vervat in die overeenkomst, niet of niet volledig is nagekomen.
§ 3. Voor de in § 1 bedoelde personen voor wie op grond van hun stage of opleiding bij de werkgever een aangifte vereist is, hetzij overeenkomstig artikel 21 van voornoemde wet van 27 juni 1969, hetzij overeenkomstig voornoemd koninklijk besluit van 5 november 2002, wordt de in § 1 bedoelde verbintenis vastgesteld aan de hand van die aangifte, meer bepaald de datum van indiensttreding en de datum van uitdiensttreding die daarbij meegedeeld worden.
§ 4. Wanneer de werkgever een overeenkomst sluit overeenkomstig § 2, eerste lid, dan wordt het in artikel 20/1 bedoeld voordeel enkel toegekend in de kwartalen die vallen binnen de geldigheidsduur van die overeenkomst.
Wanneer de werkgever een aangifte doet overeenkomstig § 3, dan wordt het in artikel 20/1 bedoeld voordeel enkel toegekend vanaf het kwartaal waarin de aangegeven begindatum van de stage of opleiding valt tot en met het kwartaal waarin de aangegeven einddatum van de stage of opleiding valt.
§ 5. Wanneer de werkgever een overeenkomst sluit overeenkomstig § 2, eerste lid, dan wordt de toepassing van de in artikel 20/1 bedoelde doelgroepvermindering beperkt tot het aantal mentors dat gelijk is aan het laagste resultaat van de volgende berekeningen :
- een vijfde van het aantal jongeren of leerkrachten, bedoeld in § 2, eerste lid, 4°. De afronding van deze deling gebeurt naar de hogere eenheid;
- het aantal uren, bedoeld in § 2, eerste lid, 4°, gedeeld door 400. De afronding van deze deling gebeurt naar de lagere eenheid. Indien de overeenkomst, gesloten overeenkomstig § 2, eerste lid, een kortere duurtijd heeft dan één jaar, dan is de noemer van deze deling gelijk aan 100 maal het aantal kwartalen binnen de duurtijd van de overeenkomst.
Wanneer de werkgever een aangifte doet overeenkomstig § 3, dan wordt de toepassing van de in artikel 20/1 bedoelde doelgroepvermindering in een bepaald kwartaal beperkt tot een aantal mentors dat gelijk is aan een vijfde van het aantal in § 1 bedoelde personen waarvan de stage of opleiding blijkens de aangifte begint, loopt of eindigt in dat kwartaal. De afronding van deze deling gebeurt naar de hogere eenheid.
De berekeningen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden steeds van elkaar gescheiden gemaakt, waarna de aparte resultaten ervan desgevallend samengeteld worden. Vervolgens wordt de toepassing van de doelgroepvermindering beperkt tot een aantal mentors dat gelijk is aan één vijfde van de som van het aantal jongeren of leerkrachten, bedoeld in § 2, eerste lid, 4°, en het aantal in § 1 bedoelde personen waarvan de stage of opleiding blijkens de aangifte begint, loopt of eindigt in het kwartaal. De afronding van deze deling gebeurt naar de hogere eenheid.]1
Wijzigingen
Art. 20/3. [1 § 1er. L'employeur qui souhaite entrer en ligne de compte pour la réduction groupe cible visée au présent chapitre, doit s'engager à organiser des stages ou des formations au profit de personnes appartenant aux groupes cibles visés à l'article 20/1, et, à cette fin, de charger des tuteurs, tels que visés à l'article 20/2, de l'exécution et du suivi.
§ 2. En ce qui concerne les personnes, visĂ©es au § 1er, pour lesquelles le stage ou la formation auprĂšs de l'employeur ne nĂ©cessite pas de dĂ©claration ni conformĂ©ment Ă l'article 21 de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, ni conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions, l'engagement, visĂ© au § 1er, ne peut ĂȘtre constatĂ© que moyennant une convention qui rĂ©pond aux caractĂ©ristiques suivantes :
1° elle est conclue entre l'employeur et un ou plusieurs établissements ou opérateurs d'enseignement ou de formation, à l'initiative ou sous la supervision desquels les stages ou les formations sont organisés, en cas de formation d'enseignants ou de jeunes, à l'exception de ceux visés au 2°;
2° elle est conclue entre l'employeur et le service régional de l'emploi et de la formation professionnelle compétent ou un établissement de promotion sociale, en cas de formation de jeunes demandeurs d'emploi;
3° elle fixe clairement les dates de début et de fin de la période durant laquelle l'engagement est valable, sans que cette période ne puisse excéder douze mois; les conventions d'une durée de plus de douze mois sont considérées, pour l'application du présent article, comme des conventions d'une durée de validité de douze mois. La date de début de la convention doit coïncider avec le premier jour d'un trimestre, tandis que la date de fin doit coïncider avec le dernier jour d'un trimestre;
4° elle contient, en termes clairs, l'engagement de la part de l'employeur d'offrir, durant la période visée au 3°, la possibilité pour un nombre déterminé de jeunes ou d'enseignants, selon le cas, d'effectuer un stage ou de suivre une formation durant un nombre déterminé d'heures;
5° elle peut contenir des engagements particuliers entre l'employeur et le ou les établissements ou opérateurs d'enseignement ou de formation concernés sur le plan de l'organisation des stages et des formations, de l'encadrement pédagogique et de la répartition dans le temps des stages et des formations;
6° elle est datée et signée, sous peine de nullité, au plus tard le dernier jour du premier trimestre de sa validité, par l'employeur et par le responsable de chaque établissement ou opérateur d'enseignement ou de formation concerné ou du service régional d'emploi et de formation professionnelle compétent;
7° lorsque l'employeur a déjà précédemment été lié par une ou plusieurs conventions telles que visées au présent alinéa : elle contient une déclaration datée et signée de la part du ou des responsables du ou des établissements ou opérateurs d'enseignement ou de formation ou du ou des services régionaux d'emploi et de formation professionnelle qui étaient concernés par la ou les conventions conclues par l'employeur en vue de la réduction groupe cible visée à l'article 20/1, confirmant que l'employeur a effectivement respecté son ou ses engagements repris dans cette ou ces conventions.
Lorsqu'à l'issue de la derniÚre convention en vigueur, conclue en application de l'alinéa 1er, l'employeur ne conclut pas de nouvelle convention dont la période de validité succÚde sans interruption à celle de la convention venue à échéance, il fournit de sa propre initiative une déclaration, telle que visée à l'alinéa 1er, 7°, à la direction visée à l'article 20/4, et ce au plus tard le dernier jour du trimestre qui suit le trimestre dans lequel se situe la date de fin de la derniÚre convention venue à échéance.
Toute réduction groupe cible, visée à l'article 20/1 et en vue de laquelle une convention, telle que visée à l'alinéa 1er, a été conclue, est refusée pour les trimestres visés par cette convention, lorsque
- soit la déclaration, visée à l'alinéa 1er, 7°, fait défaut;
- soit la déclaration, visée à l'alinéa 2, n'est pas fournie à la direction, visée à l'article 20/4, dans le délai déterminé à l'alinéa 2;
- soit il se révÚle de cette déclaration que l'employeur n'a pas ou pas entiÚrement respecté son ou ses engagements repris dans cette convention.
§ 3. En ce qui concerne les personnes, visĂ©es au § 1er, pour lesquelles le stage ou la formation auprĂšs de l'employeur nĂ©cessite une dĂ©claration soit conformĂ©ment Ă l'article 21 de la loi du 27 juin 1969 prĂ©citĂ©e, soit conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 prĂ©citĂ©, l'engagement, visĂ© au § 1er, est constatĂ© au moyen de cette dĂ©claration, plus particuliĂšrement les dates d'entrĂ©e en service et de sortie de service qui sont communiquĂ©es dans ce cadre.
§ 4. Lorsque l'employeur conclut une convention conformément au § 2, alinéa 1er, l'avantage visé à l'article 20/1, n'est accordé que durant les trimestres qui se situent dans la période de validité de cette convention.
Lorsque l'employeur effectue une déclaration conformément au § 3, l'avantage visé à l'article 20/1, n'est accordé qu'à partir du trimestre dans lequel se situe la date de début du stage ou de la formation, telle que déclarée, jusques et y compris au trimestre dans lequel se situe la date de fin du stage ou de la formation, telle que déclarée.
§ 5. Lorsque l'employeur conclut une convention conformément au § 2, alinéa 1er, l'application de la réduction groupe cible, visée à l'article 20/1, est limitée au nombre de tuteurs égal au résultat le plus bas des calculs suivants :
- un cinquiÚme du nombre de jeunes ou d'enseignants, visé au § 2, alinéa 1er, 4°. Le résultat de cette fraction est arrondi à l'unité supérieure;
- le nombre d'heures, visé au § 2, alinéa 1er, 4°, divisé par 400. Le résultat de cette fraction est arrondi à l'unité inférieure. Si la convention, conclue conformément au § 2, alinéa 1er, a une durée de moins d'une année, le dénominateur de cette division est égal à 100 fois le nombre de trimestres dans la durée de la convention.
Lorsque l'employeur effectue une déclaration conformément au § 3, l'application de la réduction groupe cible, visée à l'article 20/1, au cours d'un trimestre donné, est limitée à un nombre de tuteurs qui est égal à un cinquiÚme du nombre des personnes visées au § 1er, dont la déclaration indique que leur stage ou leur formation débute, se déroule ou se termine au cours de ce trimestre. Le résultat de cette fraction est arrondi à l'unité supérieure.
Les calculs, visés aux alinéas 1er et 2, sont toujours effectués séparément; le cas échéant, leurs résultats séparés sont additionnés. Ensuite, l'application de la réduction groupe cible est limitée à un nombre de tuteurs égal à un cinquiÚme de la somme du nombre de jeunes ou d'enseignants, visé au § 2, alinéa 1er, 4°, et du nombre des personnes visées au § 1er, dont la déclaration indique que leur stage ou leur formation débute, se déroule ou se termine au cours du trimestre. Le résultat de cette fraction est arrondi à l'unité supérieure.]1
§ 2. En ce qui concerne les personnes, visĂ©es au § 1er, pour lesquelles le stage ou la formation auprĂšs de l'employeur ne nĂ©cessite pas de dĂ©claration ni conformĂ©ment Ă l'article 21 de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, ni conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions, l'engagement, visĂ© au § 1er, ne peut ĂȘtre constatĂ© que moyennant une convention qui rĂ©pond aux caractĂ©ristiques suivantes :
1° elle est conclue entre l'employeur et un ou plusieurs établissements ou opérateurs d'enseignement ou de formation, à l'initiative ou sous la supervision desquels les stages ou les formations sont organisés, en cas de formation d'enseignants ou de jeunes, à l'exception de ceux visés au 2°;
2° elle est conclue entre l'employeur et le service régional de l'emploi et de la formation professionnelle compétent ou un établissement de promotion sociale, en cas de formation de jeunes demandeurs d'emploi;
3° elle fixe clairement les dates de début et de fin de la période durant laquelle l'engagement est valable, sans que cette période ne puisse excéder douze mois; les conventions d'une durée de plus de douze mois sont considérées, pour l'application du présent article, comme des conventions d'une durée de validité de douze mois. La date de début de la convention doit coïncider avec le premier jour d'un trimestre, tandis que la date de fin doit coïncider avec le dernier jour d'un trimestre;
4° elle contient, en termes clairs, l'engagement de la part de l'employeur d'offrir, durant la période visée au 3°, la possibilité pour un nombre déterminé de jeunes ou d'enseignants, selon le cas, d'effectuer un stage ou de suivre une formation durant un nombre déterminé d'heures;
5° elle peut contenir des engagements particuliers entre l'employeur et le ou les établissements ou opérateurs d'enseignement ou de formation concernés sur le plan de l'organisation des stages et des formations, de l'encadrement pédagogique et de la répartition dans le temps des stages et des formations;
6° elle est datée et signée, sous peine de nullité, au plus tard le dernier jour du premier trimestre de sa validité, par l'employeur et par le responsable de chaque établissement ou opérateur d'enseignement ou de formation concerné ou du service régional d'emploi et de formation professionnelle compétent;
7° lorsque l'employeur a déjà précédemment été lié par une ou plusieurs conventions telles que visées au présent alinéa : elle contient une déclaration datée et signée de la part du ou des responsables du ou des établissements ou opérateurs d'enseignement ou de formation ou du ou des services régionaux d'emploi et de formation professionnelle qui étaient concernés par la ou les conventions conclues par l'employeur en vue de la réduction groupe cible visée à l'article 20/1, confirmant que l'employeur a effectivement respecté son ou ses engagements repris dans cette ou ces conventions.
Lorsqu'à l'issue de la derniÚre convention en vigueur, conclue en application de l'alinéa 1er, l'employeur ne conclut pas de nouvelle convention dont la période de validité succÚde sans interruption à celle de la convention venue à échéance, il fournit de sa propre initiative une déclaration, telle que visée à l'alinéa 1er, 7°, à la direction visée à l'article 20/4, et ce au plus tard le dernier jour du trimestre qui suit le trimestre dans lequel se situe la date de fin de la derniÚre convention venue à échéance.
Toute réduction groupe cible, visée à l'article 20/1 et en vue de laquelle une convention, telle que visée à l'alinéa 1er, a été conclue, est refusée pour les trimestres visés par cette convention, lorsque
- soit la déclaration, visée à l'alinéa 1er, 7°, fait défaut;
- soit la déclaration, visée à l'alinéa 2, n'est pas fournie à la direction, visée à l'article 20/4, dans le délai déterminé à l'alinéa 2;
- soit il se révÚle de cette déclaration que l'employeur n'a pas ou pas entiÚrement respecté son ou ses engagements repris dans cette convention.
§ 3. En ce qui concerne les personnes, visĂ©es au § 1er, pour lesquelles le stage ou la formation auprĂšs de l'employeur nĂ©cessite une dĂ©claration soit conformĂ©ment Ă l'article 21 de la loi du 27 juin 1969 prĂ©citĂ©e, soit conformĂ©ment Ă l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 prĂ©citĂ©, l'engagement, visĂ© au § 1er, est constatĂ© au moyen de cette dĂ©claration, plus particuliĂšrement les dates d'entrĂ©e en service et de sortie de service qui sont communiquĂ©es dans ce cadre.
§ 4. Lorsque l'employeur conclut une convention conformément au § 2, alinéa 1er, l'avantage visé à l'article 20/1, n'est accordé que durant les trimestres qui se situent dans la période de validité de cette convention.
Lorsque l'employeur effectue une déclaration conformément au § 3, l'avantage visé à l'article 20/1, n'est accordé qu'à partir du trimestre dans lequel se situe la date de début du stage ou de la formation, telle que déclarée, jusques et y compris au trimestre dans lequel se situe la date de fin du stage ou de la formation, telle que déclarée.
§ 5. Lorsque l'employeur conclut une convention conformément au § 2, alinéa 1er, l'application de la réduction groupe cible, visée à l'article 20/1, est limitée au nombre de tuteurs égal au résultat le plus bas des calculs suivants :
- un cinquiÚme du nombre de jeunes ou d'enseignants, visé au § 2, alinéa 1er, 4°. Le résultat de cette fraction est arrondi à l'unité supérieure;
- le nombre d'heures, visé au § 2, alinéa 1er, 4°, divisé par 400. Le résultat de cette fraction est arrondi à l'unité inférieure. Si la convention, conclue conformément au § 2, alinéa 1er, a une durée de moins d'une année, le dénominateur de cette division est égal à 100 fois le nombre de trimestres dans la durée de la convention.
Lorsque l'employeur effectue une déclaration conformément au § 3, l'application de la réduction groupe cible, visée à l'article 20/1, au cours d'un trimestre donné, est limitée à un nombre de tuteurs qui est égal à un cinquiÚme du nombre des personnes visées au § 1er, dont la déclaration indique que leur stage ou leur formation débute, se déroule ou se termine au cours de ce trimestre. Le résultat de cette fraction est arrondi à l'unité supérieure.
Les calculs, visés aux alinéas 1er et 2, sont toujours effectués séparément; le cas échéant, leurs résultats séparés sont additionnés. Ensuite, l'application de la réduction groupe cible est limitée à un nombre de tuteurs égal à un cinquiÚme de la somme du nombre de jeunes ou d'enseignants, visé au § 2, alinéa 1er, 4°, et du nombre des personnes visées au § 1er, dont la déclaration indique que leur stage ou leur formation débute, se déroule ou se termine au cours du trimestre. Le résultat de cette fraction est arrondi à l'unité supérieure.]1
Wijzigingen
Art. 20/3_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Art. 20/3 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Art. 20/3_WAALS_GEWEST.
Art. 20/3 _REGION_WALLONNE.
Art. 20/4. [1 De werkgever komt enkel in aanmerking voor de in dit hoofdstuk bedoelde voordelen indien hij aan de bevoegde directie de volgende stukken bezorgt :
1° een lijst van de mentors die hij tewerkstelt;
2° voor elke mentor : het bewijs van de minimaal vereiste praktijkervaring, bepaald in artikel 20/2, eerste lid, 1°. Komen hiervoor in aanmerking : een attest van de werkgever zelf en/of van een of meer vroegere werkgevers en/of een kopie van de inschrijving van de mentor in de Kruispuntbank van Ondernemingen, indien hij vóór zijn activiteit als werknemer in loondienst een zelfstandige activiteit uitoefende in het beroep waarvoor de ervaring moet aangetoond worden;
3° voor elke mentor : een kopie van een van de getuigschriften zoals bedoeld in artikel 20/2, eerste lid, 2°;
4° indien de werkgever een overeenkomst sloot overeenkomstig artikel 20/3, § 2, eerste lid : een kopie van deze overeenkomst.
De in het eerste lid bedoelde gegevens of stukken die nodig zijn om te kunnen vaststellen dat voor de toepassing van een doelgroepvermindering voor een mentor in een bepaald kwartaal voldaan is aan de bepalingen van artikel 20/3, §§ 4 en 5, moeten bij de bevoegde directie toekomen, uiterlijk op de laatste dag van het kwartaal dat volgt op dat bepaald kwartaal.
Wordt de in het vorig lid bedoelde termijn overschreden, dan wordt de in het vorig lid bedoelde doelgroepvermindering slechts toegekend vanaf het kwartaal waarin de daartoe vereiste, in het eerste lid bedoelde gegevens en stukken bij de bevoegde directie toekomen, onverminderd artikel 20/3, § 4.
Onder "bevoegde directie" wordt verstaan de Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
De bevoegde directie maakt de noodzakelijke gegevens over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de socialezekerheidsbijdragen.]1
1° een lijst van de mentors die hij tewerkstelt;
2° voor elke mentor : het bewijs van de minimaal vereiste praktijkervaring, bepaald in artikel 20/2, eerste lid, 1°. Komen hiervoor in aanmerking : een attest van de werkgever zelf en/of van een of meer vroegere werkgevers en/of een kopie van de inschrijving van de mentor in de Kruispuntbank van Ondernemingen, indien hij vóór zijn activiteit als werknemer in loondienst een zelfstandige activiteit uitoefende in het beroep waarvoor de ervaring moet aangetoond worden;
3° voor elke mentor : een kopie van een van de getuigschriften zoals bedoeld in artikel 20/2, eerste lid, 2°;
4° indien de werkgever een overeenkomst sloot overeenkomstig artikel 20/3, § 2, eerste lid : een kopie van deze overeenkomst.
De in het eerste lid bedoelde gegevens of stukken die nodig zijn om te kunnen vaststellen dat voor de toepassing van een doelgroepvermindering voor een mentor in een bepaald kwartaal voldaan is aan de bepalingen van artikel 20/3, §§ 4 en 5, moeten bij de bevoegde directie toekomen, uiterlijk op de laatste dag van het kwartaal dat volgt op dat bepaald kwartaal.
Wordt de in het vorig lid bedoelde termijn overschreden, dan wordt de in het vorig lid bedoelde doelgroepvermindering slechts toegekend vanaf het kwartaal waarin de daartoe vereiste, in het eerste lid bedoelde gegevens en stukken bij de bevoegde directie toekomen, onverminderd artikel 20/3, § 4.
Onder "bevoegde directie" wordt verstaan de Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
De bevoegde directie maakt de noodzakelijke gegevens over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de socialezekerheidsbijdragen.]1
Wijzigingen
Art. 20/4. [1 L'employeur ne peut prétendre aux avantages, visés au présent chapitre, que s'il fournit à la direction compétente les piÚces suivantes :
1° la liste des tuteurs qu'il occupe;
2° pour chaque tuteur : l'attestation de l'expĂ©rience pratique minimale requise, dĂ©terminĂ©e Ă l'article 20/2, alinĂ©a 1er, 1°. Peuvent servir Ă cet effet : une attestation de l'employeur lui-mĂȘme et/ou d'un ou de plusieurs employeurs prĂ©cĂ©dents et/ou une copie de l'inscription du tuteur Ă la Banque-Carrefour des Entreprises, si avant son activitĂ© comme travailleur salariĂ©, il a effectuĂ© un activitĂ© comme indĂ©pendant dans la profession pour laquelle l'expĂ©rience doit ĂȘtre dĂ©montrĂ©e;
3° pour chaque tuteur : une copie de l'un des certificats, tels que visés à l'article 20/2,, alinéa 1er, 2°;
4° lorsque l'employeur a conclu une convention conformément à l'article 20/3, § 2, alinéa 1er : une copie de cette convention.
Les données ou piÚces, visées à l'alinéa 1er, qui sont requises pour pouvoir constater que pour l'application d'une réduction groupe-cible pour un tuteur dans un trimestre déterminé, il a été satisfait aux dispositions de l'article 20/3, §§ 4 et 5, doivent parvenir à la direction compétente au plus tard le dernier jour du trimestre qui suit ce trimestre déterminé.
Au cas oĂč le dĂ©lai visĂ© Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent est dĂ©passĂ©, la rĂ©duction groupe-cible visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent n'est octroyĂ©e qu'Ă partir du trimestre au cours duquel les donnĂ©es et piĂšces requises Ă cette fin et visĂ©es Ă l'alinĂ©a 1er, parviennent Ă la direction compĂ©tente, sans prĂ©judice de l'article 20/3, § 4.
On entend par " direction compétente ", la Direction générale Emploi et Marché du Travail du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
La direction compétente transmet les données nécessaires à l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.]1
1° la liste des tuteurs qu'il occupe;
2° pour chaque tuteur : l'attestation de l'expĂ©rience pratique minimale requise, dĂ©terminĂ©e Ă l'article 20/2, alinĂ©a 1er, 1°. Peuvent servir Ă cet effet : une attestation de l'employeur lui-mĂȘme et/ou d'un ou de plusieurs employeurs prĂ©cĂ©dents et/ou une copie de l'inscription du tuteur Ă la Banque-Carrefour des Entreprises, si avant son activitĂ© comme travailleur salariĂ©, il a effectuĂ© un activitĂ© comme indĂ©pendant dans la profession pour laquelle l'expĂ©rience doit ĂȘtre dĂ©montrĂ©e;
3° pour chaque tuteur : une copie de l'un des certificats, tels que visés à l'article 20/2,, alinéa 1er, 2°;
4° lorsque l'employeur a conclu une convention conformément à l'article 20/3, § 2, alinéa 1er : une copie de cette convention.
Les données ou piÚces, visées à l'alinéa 1er, qui sont requises pour pouvoir constater que pour l'application d'une réduction groupe-cible pour un tuteur dans un trimestre déterminé, il a été satisfait aux dispositions de l'article 20/3, §§ 4 et 5, doivent parvenir à la direction compétente au plus tard le dernier jour du trimestre qui suit ce trimestre déterminé.
Au cas oĂč le dĂ©lai visĂ© Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent est dĂ©passĂ©, la rĂ©duction groupe-cible visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent n'est octroyĂ©e qu'Ă partir du trimestre au cours duquel les donnĂ©es et piĂšces requises Ă cette fin et visĂ©es Ă l'alinĂ©a 1er, parviennent Ă la direction compĂ©tente, sans prĂ©judice de l'article 20/3, § 4.
On entend par " direction compétente ", la Direction générale Emploi et Marché du Travail du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
La direction compétente transmet les données nécessaires à l'institution chargée de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.]1
Wijzigingen
Art. 20/4_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Art. 20/4 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Art. 20/4_WAALS_GEWEST.
Art. 20/4 _REGION_WALLONNE.
Art. 20/5_VLAAMS_GEWEST. [1 De termijnen die overeenkomstig artikel 20/3, § 2, eerste lid, 6°, en tweede lid, en artikel 20/4, tweede lid, op 31 maart 2020 eindigen, worden wegens de coronacrisis verlengd tot en met 30 juni 2020.]1
Art. 20/5 _REGION_FLAMANDE.
[1 A cause de la crise du coronavirus, les délais, qui conformément à l'article 20/3, § 2, alinéa premier, 6° et alinéa deux, et à l'article 20/4, alinéa deux, prennent fin le 31 mars 2020, sont prolongés jusqu'au 30 juin 2020 inclus. ]1
[1 A cause de la crise du coronavirus, les délais, qui conformément à l'article 20/3, § 2, alinéa premier, 6° et alinéa deux, et à l'article 20/4, alinéa deux, prennent fin le 31 mars 2020, sont prolongés jusqu'au 30 juin 2020 inclus. ]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK VI. - Collectieve arbeidsduurvermindering en Vierdagenweek.
CHAPITRE VI. - Réduction collective du temps de travail et semaine des quatre jours.
Art. 21. Dit hoofdstuk is van toepassing op werkgevers bedoeld in artikel 335, derde lid, van de wet van 24 december 2002.
(Dit hoofdstuk is van toepassing op de voltijds werknemers. Voor wat betreft de doelgroepverminderingen bedoeld in artikel 22, 1°, 2° en 3°, is zij eveneens van toepassing voor de werknemers bedoeld in artikel 350, derde lid, van de programmawet van 24 december 2002.) <KB 2004-01-21/33, art. 69, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
(Dit hoofdstuk is van toepassing op de voltijds werknemers. Voor wat betreft de doelgroepverminderingen bedoeld in artikel 22, 1°, 2° en 3°, is zij eveneens van toepassing voor de werknemers bedoeld in artikel 350, derde lid, van de programmawet van 24 december 2002.) <KB 2004-01-21/33, art. 69, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 21. Ce chapitre est applicable aux employeurs visés à l'article 335, alinéa 3 de la loi du 24 décembre 2002.
(Ce chapitre est applicable aux travailleurs à temps plein. En ce qui concerne les réductions groupes cibles visées à l'article 22, 1°, 2° et 3°, il est également applicable aux travailleurs visés à l'article 350, alinéa 3, de la loi-programme du 24 décembre 2002.) <AR 2004-01-21/33, art. 69, 002; En vigueur : 01-01-2004>
(Ce chapitre est applicable aux travailleurs à temps plein. En ce qui concerne les réductions groupes cibles visées à l'article 22, 1°, 2° et 3°, il est également applicable aux travailleurs visés à l'article 350, alinéa 3, de la loi-programme du 24 décembre 2002.) <AR 2004-01-21/33, art. 69, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Art. 22. Een doelgroepvermindering voor arbeidsduurvermindering wordt als volgt toegekend :
1° een forfaitair bedrag G2 tijdens 8 kwartalen bij invoering van een arbeidsduur van 37 uur per week of minder, vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de arbeidsduurvermindering werd ingesteld;
2° een forfaitair bedrag G2 tijdens 12 kwartalen bij invoering van een arbeidsduur van 36 uur per week of minder, vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de arbeidsduurvermindering werd ingesteld;
3° een forfaitair bedrag G2 tijdens 16 kwartalen bij invoering van een arbeidsduur van 35 uur per week of minder, vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de arbeidsduurvermindering werd ingesteld;
4° een forfaitair bedrag G2 tijdens de vier kwartalen die volgen op het kwartaal tijdens hetwelk de vierdagenweek werd ingevoerd;
5° indien een werknemer in eenzelfde kwartaal tegelijk in aanmerking komt voor een doelgroepvermindering bedoeld in 1°, 2° of 3° en voor de doelgroepvermindering bedoeld in 4°, wordt in dit kwartaal een forfaitair bedrag G1 toegekend.
1° een forfaitair bedrag G2 tijdens 8 kwartalen bij invoering van een arbeidsduur van 37 uur per week of minder, vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de arbeidsduurvermindering werd ingesteld;
2° een forfaitair bedrag G2 tijdens 12 kwartalen bij invoering van een arbeidsduur van 36 uur per week of minder, vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de arbeidsduurvermindering werd ingesteld;
3° een forfaitair bedrag G2 tijdens 16 kwartalen bij invoering van een arbeidsduur van 35 uur per week of minder, vanaf het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de arbeidsduurvermindering werd ingesteld;
4° een forfaitair bedrag G2 tijdens de vier kwartalen die volgen op het kwartaal tijdens hetwelk de vierdagenweek werd ingevoerd;
5° indien een werknemer in eenzelfde kwartaal tegelijk in aanmerking komt voor een doelgroepvermindering bedoeld in 1°, 2° of 3° en voor de doelgroepvermindering bedoeld in 4°, wordt in dit kwartaal een forfaitair bedrag G1 toegekend.
Art. 22. Une réduction groupe-cible pour réduction du temps de travail est accordée de la maniÚre suivante :
1° un montant forfaitaire G2 pendant 8 trimestres lors de l'introduction d'une durée de travail de 37 heures par semaine ou moins, à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel la réduction du temps de travail a été instaurée;
2° un montant forfaitaire G2 pendant douze trimestres lors de l'introduction d'une durée de travail de 36 heures par semaine ou moins, à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel la réduction du temps de travail a été instaurée;
3° un montant forfaitaire G2 pendant 16 trimestres lors de l'introduction d'une durée de travail de 35 heures par semaine ou moins, a partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel la réduction du temps de travail a été instaurée;
4° un montant forfaitaire G2 pendant les 4 trimestres qui suivent le trimestre durant lequel la semaine de quatre jours a été instaurée;
5° si durant un mĂȘme trimestre, le travailleur entre en ligne de compte Ă la fois pour la rĂ©duction groupe-cible mentionnĂ©e en 1°, 2° ou 3° et pour la rĂ©duction groupe-cible mentionnĂ©e en 4°, un montant forfaitaire G1 sera accordĂ© durant ce trimestre.
1° un montant forfaitaire G2 pendant 8 trimestres lors de l'introduction d'une durée de travail de 37 heures par semaine ou moins, à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel la réduction du temps de travail a été instaurée;
2° un montant forfaitaire G2 pendant douze trimestres lors de l'introduction d'une durée de travail de 36 heures par semaine ou moins, à partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel la réduction du temps de travail a été instaurée;
3° un montant forfaitaire G2 pendant 16 trimestres lors de l'introduction d'une durée de travail de 35 heures par semaine ou moins, a partir du trimestre qui suit le trimestre durant lequel la réduction du temps de travail a été instaurée;
4° un montant forfaitaire G2 pendant les 4 trimestres qui suivent le trimestre durant lequel la semaine de quatre jours a été instaurée;
5° si durant un mĂȘme trimestre, le travailleur entre en ligne de compte Ă la fois pour la rĂ©duction groupe-cible mentionnĂ©e en 1°, 2° ou 3° et pour la rĂ©duction groupe-cible mentionnĂ©e en 4°, un montant forfaitaire G1 sera accordĂ© durant ce trimestre.
Art. 23. In de aangiften voor de sociale zekerheid voor de kwartalen waarin de bij de artikelen 350 en 351 van de wet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepverminderingen worden toegekend, moet de werkgever melding maken van :
1° de werknemers waarop het ingevoerde stelsel en de bijdragevermindering betrekking hebben;
2° de datum van inwerkingtreding van het stelsel;
3° de wekelijkse arbeidsduur van de voltijdse werknemers die van toepassing is vóór en na de invoering van het stelsel van arbeidsduurvermindering.
1° de werknemers waarop het ingevoerde stelsel en de bijdragevermindering betrekking hebben;
2° de datum van inwerkingtreding van het stelsel;
3° de wekelijkse arbeidsduur van de voltijdse werknemers die van toepassing is vóór en na de invoering van het stelsel van arbeidsduurvermindering.
Art. 23. Dans les déclarations a la sécurité sociale relatives aux trimestres au cours desquels les réductions groupe-cible visées aux articles 350 et 351, de la loi du 24 décembre 2002 sont accordées, l'employeur doit renseigner :
1° les travailleurs concernés par le systÚme introduit et par la réduction de cotisations;
2° la date d'entrée en vigueur du systÚme;
3° la durée hebdomadaire de travail des travailleurs à temps plein qui est d'application avant et aprÚs l'introduction du systÚme de réduction de la durée du travail.
1° les travailleurs concernés par le systÚme introduit et par la réduction de cotisations;
2° la date d'entrée en vigueur du systÚme;
3° la durée hebdomadaire de travail des travailleurs à temps plein qui est d'application avant et aprÚs l'introduction du systÚme de réduction de la durée du travail.
Art. 24. De in artikel 23 bepaalde procedure dient te worden doorlopen telkenmale de onderneming overgaat tot een wijziging van het arbeidsreglement welke betrekking heeft op of een weerslag kan hebben op het stelsel van arbeidsduurvermindering en/of van de vierdagenweek waarvoor de werkgever bijdragevermindering geniet.
Art. 24. La procĂ©dure dĂ©finie Ă l'article 23 doit ĂȘtre suivie chaque fois que l'entreprise procĂšde Ă une modification du rĂšglement de travail qui a trait ou peut avoir une influence sur le systĂšme de rĂ©duction de la durĂ©e du travail et/ou de la semaine de quatre jours pour lequel l'employeur bĂ©nĂ©ficie de rĂ©duction de cotisations.
Art. 25. Voor de toepassing van artikel 351 van de wet van 24 december 2002 wordt verstaan onder "vierdagenweek" : de regeling waarbij de wekelijkse arbeidsduur gespreid wordt hetzij over vier arbeidsdagen per week, hetzij over vijf arbeidsdagen per week welke drie volledige en twee halve arbeidsdagen inhouden. Onder "halve arbeidsdag" verstaat men : ten hoogste de helft van het aantal arbeidsuren dat voorzien wordt in het werkrooster van die van de drie volledige arbeidsdagen welke het hoogst aantal arbeidsuren omvat.
(De werkgever kan de doelgroepvermindering bedoeld in artikel 22, 4° enkel toepassen indien de vierdagenweek wordt ingevoerd voor onbepaalde tijd.) <KB 2004-01-21/33, art. 70, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
(De werkgever kan de doelgroepvermindering bedoeld in artikel 22, 4° enkel toepassen indien de vierdagenweek wordt ingevoerd voor onbepaalde tijd.) <KB 2004-01-21/33, art. 70, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 25. Pour l'application de l'article 351 de la loi du 24 décembre 2002, on entend par "semaine de quatre jours" : le régime dans lequel la durée hebdomadaire de travail est répartie soit sur quatre jours de travail par semaine, soit sur cinq jours de travail par semaine comportant trois jours de travail complets et deux demi-jours de travail. On entend par " demi-jour de travail " : au plus la moitié du nombre d'heures de travail qui est prévu dans l'horaire de celui des trois jours complets de travail qui comporte le plus d'heures de travail.
(L'employeur ne peut appliquer la réduction groupe cible visée à l'article 22, 4°, que si la semaine de quatre jours est instaurée pour une durée illimitée.) <AR 2004-01-21/33, art. 70, 002; En vigueur : 01-01-2004>
(L'employeur ne peut appliquer la réduction groupe cible visée à l'article 22, 4°, que si la semaine de quatre jours est instaurée pour une durée illimitée.) <AR 2004-01-21/33, art. 70, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Art. 26. De bij artikel 350 van de wet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepverminderingen kunnen niet opnieuw voor eenzelfde arbeidsduurvermindering en voor eenzelfde werknemerscategorie worden toegekend.
De bij artikel 351 van de wet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepvermindering kan niet opnieuw voor eenzelfde werknemerscategorie worden toegekend.
(De bij artikel 350 van de programmawet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepverminderingen kunnen niet voor eenzelfde arbeidsduurvermindering en voor eenzelfde werknemerscategorie worden toegekend, indien deze eerdere arbeidsduurvermindering vóór 1 oktober 2003 het recht opende op de vermindering bedoeld in artikel 8 van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit in het leven.
De bij artikel 351 van de programmawet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepvermindering kan niet opnieuw voor eenzelfde werknemerscategorie worden toegekend indien voor deze werknemerscategorie vóór 1 oktober 2003 het recht werd geopend op de vermindering bedoeld in artikel 9 van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit in het leven.) <KB 2004-01-21/33, art. 71, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
De bij artikel 351 van de wet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepvermindering kan niet opnieuw voor eenzelfde werknemerscategorie worden toegekend.
(De bij artikel 350 van de programmawet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepverminderingen kunnen niet voor eenzelfde arbeidsduurvermindering en voor eenzelfde werknemerscategorie worden toegekend, indien deze eerdere arbeidsduurvermindering vóór 1 oktober 2003 het recht opende op de vermindering bedoeld in artikel 8 van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit in het leven.
De bij artikel 351 van de programmawet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepvermindering kan niet opnieuw voor eenzelfde werknemerscategorie worden toegekend indien voor deze werknemerscategorie vóór 1 oktober 2003 het recht werd geopend op de vermindering bedoeld in artikel 9 van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit in het leven.) <KB 2004-01-21/33, art. 71, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 26. Les rĂ©ductions groupes-cibles visĂ©es Ă l'article 350 de la loi du 24 dĂ©cembre 2002 ne peuvent ĂȘtre Ă nouveau accordĂ©es pour une mĂȘme rĂ©duction de la durĂ©e du travail et pour une mĂȘme catĂ©gorie de travailleurs.
La rĂ©duction groupe-cible visĂ©e Ă l'article 351 de la loi du 24 dĂ©cembre 2002 ne peut ĂȘtre Ă nouveau accordĂ©e pour une mĂȘme catĂ©gorie de travailleurs.
(Les rĂ©ductions groupes cibles visĂ©es Ă l'article 350 de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 ne peuvent ĂȘtre accordĂ©es pour une mĂȘme rĂ©duction de la durĂ©e du travail et pour une mĂȘme catĂ©gorie de travailleurs si cette rĂ©duction antĂ©rieure de la durĂ©e du travail a ouvert avant le 1er octobre 2003 le droit Ă la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 8 de la loi du 10 aoĂ»t 2001 relative Ă la conciliation entre l'emploi et la qualitĂ© de vie.
La rĂ©duction groupe cible visĂ©e Ă l'article 351 de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 ne peut ĂȘtre Ă nouveau accordĂ©e pour une mĂȘme catĂ©gorie de travailleurs si le droit Ă la reduction visĂ©e Ă l'article 9 de la loi du 10 aoĂ»t 2001 relative Ă la conciliation entre l'emploi et la qualite de vie a Ă©tĂ© ouvert pour cette catĂ©gorie de travailleurs avant le 1er octobre 2003.) <AR 2004-01-21/33, art. 71, 002; En vigueur : 01-01-2004>
La rĂ©duction groupe-cible visĂ©e Ă l'article 351 de la loi du 24 dĂ©cembre 2002 ne peut ĂȘtre Ă nouveau accordĂ©e pour une mĂȘme catĂ©gorie de travailleurs.
(Les rĂ©ductions groupes cibles visĂ©es Ă l'article 350 de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 ne peuvent ĂȘtre accordĂ©es pour une mĂȘme rĂ©duction de la durĂ©e du travail et pour une mĂȘme catĂ©gorie de travailleurs si cette rĂ©duction antĂ©rieure de la durĂ©e du travail a ouvert avant le 1er octobre 2003 le droit Ă la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 8 de la loi du 10 aoĂ»t 2001 relative Ă la conciliation entre l'emploi et la qualitĂ© de vie.
La rĂ©duction groupe cible visĂ©e Ă l'article 351 de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 ne peut ĂȘtre Ă nouveau accordĂ©e pour une mĂȘme catĂ©gorie de travailleurs si le droit Ă la reduction visĂ©e Ă l'article 9 de la loi du 10 aoĂ»t 2001 relative Ă la conciliation entre l'emploi et la qualite de vie a Ă©tĂ© ouvert pour cette catĂ©gorie de travailleurs avant le 1er octobre 2003.) <AR 2004-01-21/33, art. 71, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Art. 27. <KB 2004-01-21/33, art. 72, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004; voir également l'art. 19> De doelgroepvermindering bedoeld in artikel 22 worden slechts toegekend in de vermelde periodes in zover de arbeidsduurvermindering of invoering van de vierdagenweek, gedurende het volledige kwartaal werd gehandhaafd voor de betrokken werknemerscategorie.
Art. 27. <AR 2004-01-21/33, art. 72, 002; En vigueur : 01-01-2004> La réduction groupe cible visée à l'article 22 n'est accordée au cours des périodes visées que pour autant que la réduction de la durée du travail ou l'instauration de la semaine de quatre jours ait été maintenue pour la catégorie de travailleurs concernée pendant la totalité du trimestre.
Art. 28. De bij de artikelen 350 en 351 van de wet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepverminderingen worden geacht definitief te zijn toegekend wanneer vaststaat dat de werkgever aan alle daartoe door of krachtens dezelfde wet bepaalde voorwaarden heeft voldaan. Tot op dat ogenblik zijn zij slechts voorlopig toegekend.
Art. 28. Les rĂ©ductions groupes-cibles visĂ©es aux articles 350 et 351 de la loi du 24 dĂ©cembre 2002 sont estimĂ©es ĂȘtre dĂ©finitivement accordĂ©es lorsqu'il est Ă©tabli que l'employeur a satisfait Ă toutes les conditions prĂ©vues par ou en vertu de la mĂȘme loi. Jusqu'Ă ce moment-lĂ , elles sont seulement accordĂ©es provisoirement.
HOOFDSTUK VII. - Herstructureringen.
CHAPITRE VII. - Restructurations.
Art. 28/1. <KB 2007-03-28/30, art. 12, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Een doelgroepvermindering voor werknemers ontslagen in het kader van een herstructurering wordt op de volgende wijze toegekend :
1° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende vier kwartalen, indien de werknemer op de dag van de indiensttreding jonger dan 45 jaar is;
2° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indiensttreding en de vier volgende kwartalen, dan een forfaitaire vermindering G2 tijdens de volgende zestien kwartalen, indien de werknemer op de dag van de indiensttreding minstens 45 jaar is.
Een werkgever kan de voordelen bedoeld in het vorige lid slechts genieten indien de volgende voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
1° hij neemt een werknemer in dienst tijdens de geldigheidsperiode van de verminderingskaart herstructureringen bedoeld in [1 artikel 15/1 van het koninklijk besluit van 9 maart 2006 betreffende het activerend beleid bij herstructureringen]1;
2° hij is een nieuwe werkgever in de zin van [1 artikel 1, § 1, 8°, van het voormeld koninklijk besluit van 9 maart 2006]1;
3° het refertekwartaalloon van de werknemer, bedoeld in artikel 2, 3°, c), is niet hoger dan :
- de loongrens S1, bedoeld in artikel 2, 3°, b) wanneer de werknemer op het ogenblik van de indiensttreding minstens 30 jaar is
- de loongrens S0 zoals van toepassing voor een werknemer van categorie 1, bedoeld in artikel 2, 3°, d) wanneer de werknemer op het ogenblik van de indiensttreding minder dan 30 jaar is.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt als kwartaal van indiensttreding beschouwd het kwartaal waarin de werknemer tijdens de geldigheidsperiode van de verminderingskaart herstructureringen bedoeld in [1 artikel 15/1 van het voormeld koninklijk besluit van 9 maart 2006]1 voor het eerst bij de betrokken werkgever wordt tewerkgesteld.
1° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende vier kwartalen, indien de werknemer op de dag van de indiensttreding jonger dan 45 jaar is;
2° een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indiensttreding en de vier volgende kwartalen, dan een forfaitaire vermindering G2 tijdens de volgende zestien kwartalen, indien de werknemer op de dag van de indiensttreding minstens 45 jaar is.
Een werkgever kan de voordelen bedoeld in het vorige lid slechts genieten indien de volgende voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
1° hij neemt een werknemer in dienst tijdens de geldigheidsperiode van de verminderingskaart herstructureringen bedoeld in [1 artikel 15/1 van het koninklijk besluit van 9 maart 2006 betreffende het activerend beleid bij herstructureringen]1;
2° hij is een nieuwe werkgever in de zin van [1 artikel 1, § 1, 8°, van het voormeld koninklijk besluit van 9 maart 2006]1;
3° het refertekwartaalloon van de werknemer, bedoeld in artikel 2, 3°, c), is niet hoger dan :
- de loongrens S1, bedoeld in artikel 2, 3°, b) wanneer de werknemer op het ogenblik van de indiensttreding minstens 30 jaar is
- de loongrens S0 zoals van toepassing voor een werknemer van categorie 1, bedoeld in artikel 2, 3°, d) wanneer de werknemer op het ogenblik van de indiensttreding minder dan 30 jaar is.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt als kwartaal van indiensttreding beschouwd het kwartaal waarin de werknemer tijdens de geldigheidsperiode van de verminderingskaart herstructureringen bedoeld in [1 artikel 15/1 van het voormeld koninklijk besluit van 9 maart 2006]1 voor het eerst bij de betrokken werkgever wordt tewerkgesteld.
Wijzigingen
Art. 28/1. <AR 2007-03-28/30, art. 12, 007; En vigueur : 01-01-2007> Une diminution s'adressant à un groupe cible est octroyée pour des travailleurs licenciés dans le cadre d'une restructuration de la maniÚre suivante :
1° une diminution forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'entrée en service et les quatre trimestres suivants, si le travailleur a moins de 45 ans le jour de l'entrée en service;
2° une diminution forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'entrée en service et les quatre trimestres suivants, suivie d'une diminution forfaitaire G2 pendant les seize trimestres suivants, si le travailleur a au moins 45 ans le jour de l'entrée en service.
Un employeur peut uniquement bénéficier des avantages visés à l'alinéa précédent si les conditions suivantes sont simultanément remplies :
1° il engage un travailleur pendant la pĂ©riode de validitĂ© de la carte de rĂ©duction restructurations visĂ©e Ă l'[1 article 15/1 de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 mars 2006 relatif Ă la gestion active des restructurations]1;
2° il s'agit d'un nouvel employeur au sens de l'[1 article 1er, § 1er, 8°, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 9 mars 2006]1;
3° le salaire trimestriel de référence du travailleur visé à l'article 2, 3°, c) ne dépasse pas :
- la limite salariale S1, visée à l'article 2, 3°, b) lorsque le travailleur a au moins 30 ans au moment de l'entrée en service
- la limite salariale S0 telle que d'application pour un travailleur de catégorie 1, visée à l'article 2, 3°, d) lorsque le travailleur a moins de 30 ans au moment de l'entrée en service.
Pour l'application du premier alinĂ©a, on considĂšre comme trimestre d'entrĂ©e en service le trimestre au cours duquel le travailleur a Ă©tĂ© occupĂ© pour la premiĂšre fois auprĂšs de l'employeur concernĂ© pendant la pĂ©riode de validitĂ© de la carte de rĂ©duction restructurations visĂ©e Ă l'[1 article 15/1 de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 9 mars 2006]1.
1° une diminution forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'entrée en service et les quatre trimestres suivants, si le travailleur a moins de 45 ans le jour de l'entrée en service;
2° une diminution forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'entrée en service et les quatre trimestres suivants, suivie d'une diminution forfaitaire G2 pendant les seize trimestres suivants, si le travailleur a au moins 45 ans le jour de l'entrée en service.
Un employeur peut uniquement bénéficier des avantages visés à l'alinéa précédent si les conditions suivantes sont simultanément remplies :
1° il engage un travailleur pendant la pĂ©riode de validitĂ© de la carte de rĂ©duction restructurations visĂ©e Ă l'[1 article 15/1 de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 mars 2006 relatif Ă la gestion active des restructurations]1;
2° il s'agit d'un nouvel employeur au sens de l'[1 article 1er, § 1er, 8°, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 9 mars 2006]1;
3° le salaire trimestriel de référence du travailleur visé à l'article 2, 3°, c) ne dépasse pas :
- la limite salariale S1, visée à l'article 2, 3°, b) lorsque le travailleur a au moins 30 ans au moment de l'entrée en service
- la limite salariale S0 telle que d'application pour un travailleur de catégorie 1, visée à l'article 2, 3°, d) lorsque le travailleur a moins de 30 ans au moment de l'entrée en service.
Pour l'application du premier alinĂ©a, on considĂšre comme trimestre d'entrĂ©e en service le trimestre au cours duquel le travailleur a Ă©tĂ© occupĂ© pour la premiĂšre fois auprĂšs de l'employeur concernĂ© pendant la pĂ©riode de validitĂ© de la carte de rĂ©duction restructurations visĂ©e Ă l'[1 article 15/1 de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 9 mars 2006]1.
Wijzigingen
Art. 28/1 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. 28/1 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 28/1_WAALS_GEWEST.
Art. 28/1 _REGION_WALLONNE.
Art. 28/1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Art. 28/1 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Art. 28/1_VLAAMS_GEWEST _(TOEKOMSTIG_RECHT).
Art. 28/1 _REGION_FLAMANDE_(DROIT_FUTUR).
Art. 28/1bis. [1 Artikel 28/1 is eveneens van toepassing voor werknemers die als gevolg van het faillissement, de sluiting of de vereffening van de onderneming, ontslagen worden uiterlijk op de uiterste datum van ontslag bedoeld in artikel 31 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis [2 ...]2.]1
[3 Artikel 28/1 is eveneens van toepassing voor werknemers die als gevolg van het faillissement, de sluiting of de vereffening van de onderneming ontslagen worden vanaf 1 juli 2011.]3
[3 Artikel 28/1 is eveneens van toepassing voor werknemers die als gevolg van het faillissement, de sluiting of de vereffening van de onderneming ontslagen worden vanaf 1 juli 2011.]3
Art. 28/1bis. [1 L'article 28/1 est également d'application pour les travailleurs licenciés suite à la faillite, la fermeture ou la liquidation de l'entreprise, au plus tard à la date limite de licenciement, visée à l'article 31 de la loi du 19 juin 2009 portant des dispositions diverses en matiÚre d'emploi pendant la crise.]1
[3 L'article 28/1 est également d'application pour les travailleurs licenciés suite à la faillite, la fermeture ou la liquidation de l'entreprise, à partir du 1er juillet 2011.]3
[3 L'article 28/1 est également d'application pour les travailleurs licenciés suite à la faillite, la fermeture ou la liquidation de l'entreprise, à partir du 1er juillet 2011.]3
Art. 28/1bis _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. 28/1bis _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 28/1bis_WAALS_GEWEST.
Art. 28/1bis _REGION_WALLONNE.
Art. 28/1bis_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Art. 28/1bis _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Art. 28/1bis_VLAAMS_GEWEST _(TOEKOMSTIG_RECHT).
Art. 28/1bis _REGION_FLAMANDE_(DROIT_FUTUR).
Art. 28/1ter. [1 Een doelgroepvermindering voor opleiders of begeleiders wordt toegekend onder de vorm van een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van indiensttreding en de daaropvolgende zeven kwartalen.
De werkgever kan de voordelen bedoeld in het vorige lid slechts genieten indien de werknemer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 3 februari 2010 tot bevordering van de tewerkstelling van werkzoekenden ontslagen in het kader van een herstructurering, ten behoeve van onderwijs- en opleidingsinstellingen en openbare bemiddelingsdiensten en de werknemer bij de aanvang van zijn tewerkstelling een uitkeringsaanvraag heeft ingediend en de uitkering toegekend gekregen zoals bedoeld in artikel 8 van voormeld koninklijk besluit van 3 februari 2010.
De werkgever moet daarenboven voldoen aan volgende voorwaarden :
1° hij is een werkgever als bedoeld in artikel 1, 1°, van het voormeld koninklijk besluit van 3 februari 2010;
2° hij is een nieuwe werkgever in de zin van artikel 1, § 1, 8°, van het voormeld koninklijk besluit van 9 maart 2006.
De doelgroepvermindering kan slechts worden toegekend voor de kwartalen waarin de werkgever met de Minister van Werk een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 2 van het voormeld koninklijk besluit van 3 februari 2010 heeft.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt als kwartaal van indiensttreding beschouwd het kwartaal waarin de werknemer tijdens de geldigheidsperiode van de verminderingskaart bedoeld in artikel 1, 4° van het voormeld koninklijk besluit van 3 februari 2010 voor het eerst bij de betrokken werkgever wordt tewerkgesteld.
De doelgroepvermindering kan slechts worden toegekend indien de werknemer vóór 1 januari 2012 bij de werkgever in dienst is getreden.
Wanneer de overeenkomst, bedoeld in artikel 2 van voormeld koninklijk besluit van 3 februari 2010, een einde neemt omwille van een reden vermeld in artikel 5, eerste lid, 2° of 3°, van voormeld koninklijk besluit van 3 februari 2010, zal de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten, naargelang het geval, op het ogenblik van ontvangst van de lijst, bedoeld in artikel 5 van het voormeld koninklijk besluit van 3 februari 2010, de bijdrageverminderingen bedoeld in dit artikel annuleren voor de vijf kwartalen die de datum van het einde van voornoemde overeenkomst voorafgaan.
De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de werknemers bedoeld in het tweede lid over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.]1
De werkgever kan de voordelen bedoeld in het vorige lid slechts genieten indien de werknemer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 3 februari 2010 tot bevordering van de tewerkstelling van werkzoekenden ontslagen in het kader van een herstructurering, ten behoeve van onderwijs- en opleidingsinstellingen en openbare bemiddelingsdiensten en de werknemer bij de aanvang van zijn tewerkstelling een uitkeringsaanvraag heeft ingediend en de uitkering toegekend gekregen zoals bedoeld in artikel 8 van voormeld koninklijk besluit van 3 februari 2010.
De werkgever moet daarenboven voldoen aan volgende voorwaarden :
1° hij is een werkgever als bedoeld in artikel 1, 1°, van het voormeld koninklijk besluit van 3 februari 2010;
2° hij is een nieuwe werkgever in de zin van artikel 1, § 1, 8°, van het voormeld koninklijk besluit van 9 maart 2006.
De doelgroepvermindering kan slechts worden toegekend voor de kwartalen waarin de werkgever met de Minister van Werk een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 2 van het voormeld koninklijk besluit van 3 februari 2010 heeft.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt als kwartaal van indiensttreding beschouwd het kwartaal waarin de werknemer tijdens de geldigheidsperiode van de verminderingskaart bedoeld in artikel 1, 4° van het voormeld koninklijk besluit van 3 februari 2010 voor het eerst bij de betrokken werkgever wordt tewerkgesteld.
De doelgroepvermindering kan slechts worden toegekend indien de werknemer vóór 1 januari 2012 bij de werkgever in dienst is getreden.
Wanneer de overeenkomst, bedoeld in artikel 2 van voormeld koninklijk besluit van 3 februari 2010, een einde neemt omwille van een reden vermeld in artikel 5, eerste lid, 2° of 3°, van voormeld koninklijk besluit van 3 februari 2010, zal de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten, naargelang het geval, op het ogenblik van ontvangst van de lijst, bedoeld in artikel 5 van het voormeld koninklijk besluit van 3 februari 2010, de bijdrageverminderingen bedoeld in dit artikel annuleren voor de vijf kwartalen die de datum van het einde van voornoemde overeenkomst voorafgaan.
De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening maakt via elektronische weg de gegevens betreffende de werknemers bedoeld in het tweede lid over aan de instelling belast met de inning en de invordering van de sociale zekerheidsbijdragen.]1
Art. 28/1ter. [1 Une réduction groupe cible pour des formateurs ou accompagnateurs est octroyée sous la forme d'une réduction forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'entrée en service et les sept trimestres suivants.
L'employeur ne peut bĂ©nĂ©ficier des avantages visĂ©s Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent que si le travailleur remplit les conditions visĂ©es Ă l'article 6 de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 fĂ©vrier 2010 de promotion de mise Ă l'emploi des demandeurs d'emploi, licenciĂ©s dans le cadre d'une restructuration, au profit des Ă©tablissements d'enseignement et de formation et des services publics d'emploi et que si, au dĂ©but de son occupation, le travailleur a introduit une demande et obtenu l'octroi d'allocation telle que visĂ©e Ă l'article 8 de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 fĂ©vrier 2010 prĂ©citĂ©.
En outre, l'employeur doit répondre aux conditions suivantes :
1° il est un employeur tel que visĂ© Ă l'article 1er, 1°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 fĂ©vrier 2010 prĂ©citĂ©;
2° il est un nouvel employeur au sens de l'article 1er, § 1er, 8°, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 9 mars 2006.
La rĂ©duction groupe-cible ne peut ĂȘtre accordĂ©e que pour les trimestres durant lesquels l'employeur est liĂ© par une convention conclue avec la Ministre de l'Emploi, telle que visĂ©e Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 fĂ©vrier 2010 prĂ©citĂ©.
Pour l'application de l'alinĂ©a 1er, est considĂ©rĂ© comme trimestre d'entrĂ©e en service, le trimestre au cours duquel le travailleur a Ă©tĂ© occupĂ© pour la premiĂšre fois par l'employeur concernĂ© au cours de la pĂ©riode de validitĂ© de la carte de rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 1er, 4° de l'arrĂȘtĂ© royal 3 fĂ©vrier 2010 prĂ©citĂ©.
La rĂ©duction groupe-cible ne peut ĂȘtre accordĂ©e que si le travailleur est engagĂ© chez l'employeur avant le 1er janvier 2012.
Lorsque la convention, visĂ©e Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal 3 fĂ©vrier 2010 prĂ©citĂ©, prend fin pour une cause visĂ©e Ă l'article 5, alinĂ©a 1er, 2° ou 3°, de l'arrĂȘtĂ© royal 3 fĂ©vrier 2010 prĂ©citĂ©, l'Office national de SĂ©curitĂ© sociale ou l'Office national de SĂ©curitĂ© sociale des Administrations provinciales et locales, selon le cas, au moment oĂč il reçoit la liste, visĂ©e Ă l'article 5 de l'arrĂȘtĂ© royal 3 fĂ©vrier 2010 prĂ©citĂ©, annulera les rĂ©ductions de cotisations visĂ©es au prĂ©sent article, et ce pour ce qui concerne les cinq trimestres qui prĂ©cĂšdent la date de fin de la convention susmentionnĂ©e.
L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives aux travailleurs visés à l'alinéa 2 à l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.]1
L'employeur ne peut bĂ©nĂ©ficier des avantages visĂ©s Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent que si le travailleur remplit les conditions visĂ©es Ă l'article 6 de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 fĂ©vrier 2010 de promotion de mise Ă l'emploi des demandeurs d'emploi, licenciĂ©s dans le cadre d'une restructuration, au profit des Ă©tablissements d'enseignement et de formation et des services publics d'emploi et que si, au dĂ©but de son occupation, le travailleur a introduit une demande et obtenu l'octroi d'allocation telle que visĂ©e Ă l'article 8 de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 fĂ©vrier 2010 prĂ©citĂ©.
En outre, l'employeur doit répondre aux conditions suivantes :
1° il est un employeur tel que visĂ© Ă l'article 1er, 1°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 fĂ©vrier 2010 prĂ©citĂ©;
2° il est un nouvel employeur au sens de l'article 1er, § 1er, 8°, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 9 mars 2006.
La rĂ©duction groupe-cible ne peut ĂȘtre accordĂ©e que pour les trimestres durant lesquels l'employeur est liĂ© par une convention conclue avec la Ministre de l'Emploi, telle que visĂ©e Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 fĂ©vrier 2010 prĂ©citĂ©.
Pour l'application de l'alinĂ©a 1er, est considĂ©rĂ© comme trimestre d'entrĂ©e en service, le trimestre au cours duquel le travailleur a Ă©tĂ© occupĂ© pour la premiĂšre fois par l'employeur concernĂ© au cours de la pĂ©riode de validitĂ© de la carte de rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 1er, 4° de l'arrĂȘtĂ© royal 3 fĂ©vrier 2010 prĂ©citĂ©.
La rĂ©duction groupe-cible ne peut ĂȘtre accordĂ©e que si le travailleur est engagĂ© chez l'employeur avant le 1er janvier 2012.
Lorsque la convention, visĂ©e Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal 3 fĂ©vrier 2010 prĂ©citĂ©, prend fin pour une cause visĂ©e Ă l'article 5, alinĂ©a 1er, 2° ou 3°, de l'arrĂȘtĂ© royal 3 fĂ©vrier 2010 prĂ©citĂ©, l'Office national de SĂ©curitĂ© sociale ou l'Office national de SĂ©curitĂ© sociale des Administrations provinciales et locales, selon le cas, au moment oĂč il reçoit la liste, visĂ©e Ă l'article 5 de l'arrĂȘtĂ© royal 3 fĂ©vrier 2010 prĂ©citĂ©, annulera les rĂ©ductions de cotisations visĂ©es au prĂ©sent article, et ce pour ce qui concerne les cinq trimestres qui prĂ©cĂšdent la date de fin de la convention susmentionnĂ©e.
L'Office national de l'Emploi transmet par voie électronique les données relatives aux travailleurs visés à l'alinéa 2 à l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.]1
Wijzigingen
Art. 28/1ter _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. 28/1ter _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 28/1ter_WAALS_GEWEST.
Art. 28/1ter _REGION_WALLONNE.
Art. 28/1ter_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Art. 28/1ter _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Art. 28/1ter_VLAAMS_GEWEST _(TOEKOMSTIG_RECHT).
Art. 28/1ter _REGION_FLAMANDE_(DROIT_FUTUR).
HOOFDSTUK VIII. [1 Tijdelijke crisis-aanpassing van de arbeidsduur ]1
Chapitre VIII. [1 Adaptation temporaire de crise de la durée du travail]1
Art. 28/2. [1 Dit hoofdstuk is van toepassing op werkgevers bedoeld in artikel 335, derde lid, van de programmawet (I) van 24 december 2002, die overgaan tot een tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur, volgens de voorwaarden bepaald in of krachtens dit hoofdstuk, op grond van het feit dat ze in economische moeilijkheden verkeren als gevolg van de Brexit, zoals bepaald in artikel 2 van de wet van 6 maart 2020 tot behoud van tewerkstelling na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie ]1.
Wijzigingen
Art. 28/2. [1 Le présent chapitre s'applique aux employeurs visés à l'article 335, alinéa 3, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, qui procÚdent à une adaptation temporaire de la durée du travail dans les conditions fixées par ou en vertu du présent chapitre, au motif qu'ils sont soumis à des difficultés économiques en raison du Brexit, tel que prévu à l'article 2 de la loi du 6 mars 2020 visant à maintenir l'emploi aprÚs le retrait du Royaume-Uni de l'Union européenne ]1.
Wijzigingen
Art. 28/3. [1 Een doelgroepvermindering voor tijdelijke arbeidsduurvermindering wordt als volgt toegekend :
1° een bedrag G4 vanaf het kwartaal van invoering van het stelsel van tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur in de onderneming en tot het kwartaal waarin de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur een einde neemt, indien de arbeidsduur werd verminderd met een vijfde;
2° een bedrag G5 vanaf het kwartaal van invoering van het stelsel van tijdelijke arbeidsduurvermindering in de onderneming en tot het kwartaal waarin de tijdelijke arbeidsduurvermindering een einde neemt, indien de arbeidsduur werd verminderd met een vierde;
3° een bedrag G1 indien de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur bedoeld onder 1° gecombineerd wordt met een tijdelijke invoering van de vierdagenweek;
4° een bedrag G6 indien de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur bedoeld onder 2° gecombineerd wordt met een tijdelijke invoering van de vierdagenweek.
De doelgroepverminderingen worden toegekend voor de tewerkstellingen tijdens de periode van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur.
De verminderingen bedoeld in het eerste lid in de bepalingen onder 3° en 4° zijn enkel toepasbaar voor voltijdse werknemers ]1.
1° een bedrag G4 vanaf het kwartaal van invoering van het stelsel van tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur in de onderneming en tot het kwartaal waarin de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur een einde neemt, indien de arbeidsduur werd verminderd met een vijfde;
2° een bedrag G5 vanaf het kwartaal van invoering van het stelsel van tijdelijke arbeidsduurvermindering in de onderneming en tot het kwartaal waarin de tijdelijke arbeidsduurvermindering een einde neemt, indien de arbeidsduur werd verminderd met een vierde;
3° een bedrag G1 indien de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur bedoeld onder 1° gecombineerd wordt met een tijdelijke invoering van de vierdagenweek;
4° een bedrag G6 indien de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur bedoeld onder 2° gecombineerd wordt met een tijdelijke invoering van de vierdagenweek.
De doelgroepverminderingen worden toegekend voor de tewerkstellingen tijdens de periode van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur.
De verminderingen bedoeld in het eerste lid in de bepalingen onder 3° en 4° zijn enkel toepasbaar voor voltijdse werknemers ]1.
Wijzigingen
Art. 28/3. [1 Une réduction groupe-cible pour réduction temporaire de la durée du travail est accordée de la maniÚre suivante :
1° un montant G4 à partir du trimestre de l'introduction du régime d'adaptation temporaire de la durée du travail dans l'entreprise et jusqu'au trimestre au cours duquel l'adaptation temporaire de la durée du travail se termine, si la durée du travail a été réduite d'un cinquiÚme;
2° un montant G5 à partir du trimestre de l'introduction du régime de réduction temporaire de la durée du travail dans l'entreprise et jusqu'au trimestre au cours duquel la réduction temporaire de la durée du travail se termine, si la durée du travail a été réduite d'un quart;
3° un montant G1 si l'adaptation de la durée du travail, visée au 1°, est combinée avec l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours;
4° un montant G6 si l'adaptation de la durée du travail, visée au 2°, est combinée avec l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours.
Les réductions groupes-cibles sont accordées pour les occupations durant la période de l'adaptation temporaire de la durée du travail.
Les réductions visées à l'alinéa 1er, 3° et 4°, sont uniquement applicables pour les travailleurs à temps plein ]1.
1° un montant G4 à partir du trimestre de l'introduction du régime d'adaptation temporaire de la durée du travail dans l'entreprise et jusqu'au trimestre au cours duquel l'adaptation temporaire de la durée du travail se termine, si la durée du travail a été réduite d'un cinquiÚme;
2° un montant G5 à partir du trimestre de l'introduction du régime de réduction temporaire de la durée du travail dans l'entreprise et jusqu'au trimestre au cours duquel la réduction temporaire de la durée du travail se termine, si la durée du travail a été réduite d'un quart;
3° un montant G1 si l'adaptation de la durée du travail, visée au 1°, est combinée avec l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours;
4° un montant G6 si l'adaptation de la durée du travail, visée au 2°, est combinée avec l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours.
Les réductions groupes-cibles sont accordées pour les occupations durant la période de l'adaptation temporaire de la durée du travail.
Les réductions visées à l'alinéa 1er, 3° et 4°, sont uniquement applicables pour les travailleurs à temps plein ]1.
Wijzigingen
Art. 28/4. [1 In de aangiften voor de sociale zekerheid voor de kwartalen waarin de bij de artikelen 353bis/3 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedoelde doelgroepverminderingen worden toegekend, moet de werkgever melding maken van :
1° de werknemers waarop het ingevoerde stelsel en de bijdragevermindering betrekking hebben;
2° de datum van inwerkingtreding van het stelsel alsook de datum waarop het buiten werking treedt;
3° de wekelijkse arbeidsduur van de voltijdse werknemers die van toepassing is vóór en na de invoering van de aanpassing van de arbeidsduur ]1.
1° de werknemers waarop het ingevoerde stelsel en de bijdragevermindering betrekking hebben;
2° de datum van inwerkingtreding van het stelsel alsook de datum waarop het buiten werking treedt;
3° de wekelijkse arbeidsduur van de voltijdse werknemers die van toepassing is vóór en na de invoering van de aanpassing van de arbeidsduur ]1.
Wijzigingen
Art. 28/4. [1 Dans les déclarations à la sécurité sociale relatives aux trimestres au cours desquels les réductions groupes-cibles visées aux articles 353bis/3 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 sont accordées, l'employeur doit renseigner:
1° les travailleurs concernés par le systÚme introduit et par la réduction de cotisations;
2° la date de l'entrĂ©e en vigueur du systĂšme ainsi que la date Ă laquelle il cesse d'ĂȘtre en vigueur;
3° la durée hebdomadaire de travail des travailleurs à temps plein qui est d'application avant et aprÚs l'introduction de l'adaptation de la durée du travail ]1.
1° les travailleurs concernés par le systÚme introduit et par la réduction de cotisations;
2° la date de l'entrĂ©e en vigueur du systĂšme ainsi que la date Ă laquelle il cesse d'ĂȘtre en vigueur;
3° la durée hebdomadaire de travail des travailleurs à temps plein qui est d'application avant et aprÚs l'introduction de l'adaptation de la durée du travail ]1.
Wijzigingen
Art. 28/5. [1 e collectieve arbeidsovereenkomsten of de bepalingen in het arbeidsreglement vermelden uitdrukkelijk dat ze gesloten, respectievelijk opgenomen worden in het kader van Titel 2, hoofdstuk 3 - Tijdelijke aanpassing van de Arbeidsduur - van de voormelde wet van 6 maart 2020 tot behoud van tewerkstelling na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie.
De collectieve arbeidsovereenkomst moet duidelijk de begin- en einddatum van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en, in voorkomend geval, van de tijdelijke invoering van de vierdagenweek vermelden. De begindatum mag de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 3 van titel 2 - Tijdelijke aanpassing van de arbeidstijd - van de voornoemde wet van 6 maart 2020 tot behoud van tewerkstelling na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, niet voorafgaan, noch na de datum vallen waarop voornoemde titel 2 buiten werking treedt. De einddatum moet liggen voor de datum waarop voornoemde titel 2 buiten werking treedt. De collectieve arbeidsovereenkomst mag geen bepaling bevatten die een stilzwijgende verlenging mogelijk maakt.
De collectieve arbeidsovereenkomst moet voorzien in een tijdelijke vermindering van de arbeidsduur met hetzij één vijfde, hetzij één vierde van de arbeidsduur die van kracht was vóór haar inwerkingtreding.
De looncompensatie voorzien bij artikel 353bis/4, derde lid, van de programmawet (I) van 24 december 2002 moet minstens drie vierden belopen van het bedrag van de forfaitaire vermindering bedoeld in artikel 28/3 van dit besluit.
Bij invoering van de vierdagenweek vermeldt de collectieve arbeidsovereenkomst duidelijk de wekelijkse arbeidsregeling waarbij het begrip "vierdagenweek" moet voldoen aan de definitie in artikel 25. De periode van de invoering van de vierdagenweek moet in de periode van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur vallen.
Binnen de maand die volgt op de ondertekening van de collectieve arbeidsovereenkomst bezorgt de werkgever daarvan een kopie aan het bevoegd directiehoofd van de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg ]1.
De collectieve arbeidsovereenkomst moet duidelijk de begin- en einddatum van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en, in voorkomend geval, van de tijdelijke invoering van de vierdagenweek vermelden. De begindatum mag de datum van inwerkingtreding van hoofdstuk 3 van titel 2 - Tijdelijke aanpassing van de arbeidstijd - van de voornoemde wet van 6 maart 2020 tot behoud van tewerkstelling na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, niet voorafgaan, noch na de datum vallen waarop voornoemde titel 2 buiten werking treedt. De einddatum moet liggen voor de datum waarop voornoemde titel 2 buiten werking treedt. De collectieve arbeidsovereenkomst mag geen bepaling bevatten die een stilzwijgende verlenging mogelijk maakt.
De collectieve arbeidsovereenkomst moet voorzien in een tijdelijke vermindering van de arbeidsduur met hetzij één vijfde, hetzij één vierde van de arbeidsduur die van kracht was vóór haar inwerkingtreding.
De looncompensatie voorzien bij artikel 353bis/4, derde lid, van de programmawet (I) van 24 december 2002 moet minstens drie vierden belopen van het bedrag van de forfaitaire vermindering bedoeld in artikel 28/3 van dit besluit.
Bij invoering van de vierdagenweek vermeldt de collectieve arbeidsovereenkomst duidelijk de wekelijkse arbeidsregeling waarbij het begrip "vierdagenweek" moet voldoen aan de definitie in artikel 25. De periode van de invoering van de vierdagenweek moet in de periode van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur vallen.
Binnen de maand die volgt op de ondertekening van de collectieve arbeidsovereenkomst bezorgt de werkgever daarvan een kopie aan het bevoegd directiehoofd van de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg ]1.
Wijzigingen
Art. 28/5. [1 Les conventions collective de travail ou les dispositions du rÚglement de travail mentionnent explicitement qu'elles sont conclues, respectivement incluses dans le cadre du Titre 2, chapitre 3 - Adaptation temporaire de la durée du travail - de la loi précitée du 6 mars 2020 visant à maintenir l'emploi aprÚs le retrait du Royaume-Uni de l'Union européenne.
La convention collective de travail doit clairement mentionner les dates de dĂ©but et de fin de l'adaptation temporaire de la durĂ©e du travail et, le cas Ă©chĂ©ant, de l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours. La date de dĂ©but ne peut pas prĂ©cĂ©der le jour de l'entrĂ©e en vigueur du chapitre 3 du titre 2 - Adaptation temporaire de la durĂ©e du travail - de la loi prĂ©citĂ©e du 6 mars 2020 visant Ă maintenir de l'emploi aprĂšs le retrait du Royaume-Uni de l'Union europĂ©enne, ni se situer aprĂšs la date Ă laquelle le titre 2 prĂ©citĂ©, cesse d'ĂȘtre en vigueur. La date de fin doit se situer avant la date Ă laquelle le titre 2 prĂ©citĂ© cesse d'ĂȘtre en vigueur. La convention collective de travail ne peut pas contenir de disposition par laquelle elle peut ĂȘtre prorogĂ©e par tacite reconduction.
La convention collective de travail doit prévoir une réduction temporaire de la durée du travail, de soit un cinquiÚme soit un quart de la durée du travail qui était d'application avant son entrée en vigueur.
La compensation salariale prĂ©vue par l'article 353bis/4, alinĂ©a 3, de la loi-programme (I) du 24 dĂ©cembre 2002 doit s'Ă©lever au moins Ă trois quart du montant de la rĂ©duction forfaitaire visĂ©e Ă l'article 28/3 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
En cas d'instauration de la semaine de quatre jours, la convention collective de travail mentionne clairement le régime de travail hebdomadaire; dans ce cadre, la notion de "semaine de quatre jours" doit répondre à la définition de l'article 25. La période de l'instauration de la semaine de quatre jours doit se situer durant la période de l'adaptation temporaire de la durée de travail.
Dans le mois qui suit la signature de la convention collective de travail, l'employeur en fait parvenir une copie au chef de direction compétent de la Direction générale ContrÎle des Lois Sociales du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale ]1.
La convention collective de travail doit clairement mentionner les dates de dĂ©but et de fin de l'adaptation temporaire de la durĂ©e du travail et, le cas Ă©chĂ©ant, de l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours. La date de dĂ©but ne peut pas prĂ©cĂ©der le jour de l'entrĂ©e en vigueur du chapitre 3 du titre 2 - Adaptation temporaire de la durĂ©e du travail - de la loi prĂ©citĂ©e du 6 mars 2020 visant Ă maintenir de l'emploi aprĂšs le retrait du Royaume-Uni de l'Union europĂ©enne, ni se situer aprĂšs la date Ă laquelle le titre 2 prĂ©citĂ©, cesse d'ĂȘtre en vigueur. La date de fin doit se situer avant la date Ă laquelle le titre 2 prĂ©citĂ© cesse d'ĂȘtre en vigueur. La convention collective de travail ne peut pas contenir de disposition par laquelle elle peut ĂȘtre prorogĂ©e par tacite reconduction.
La convention collective de travail doit prévoir une réduction temporaire de la durée du travail, de soit un cinquiÚme soit un quart de la durée du travail qui était d'application avant son entrée en vigueur.
La compensation salariale prĂ©vue par l'article 353bis/4, alinĂ©a 3, de la loi-programme (I) du 24 dĂ©cembre 2002 doit s'Ă©lever au moins Ă trois quart du montant de la rĂ©duction forfaitaire visĂ©e Ă l'article 28/3 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
En cas d'instauration de la semaine de quatre jours, la convention collective de travail mentionne clairement le régime de travail hebdomadaire; dans ce cadre, la notion de "semaine de quatre jours" doit répondre à la définition de l'article 25. La période de l'instauration de la semaine de quatre jours doit se situer durant la période de l'adaptation temporaire de la durée de travail.
Dans le mois qui suit la signature de la convention collective de travail, l'employeur en fait parvenir une copie au chef de direction compétent de la Direction générale ContrÎle des Lois Sociales du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale ]1.
Wijzigingen
Art. 28/6. [1 De bij artikel 353bis/3 van de programmawet (I) van 24 december 2002 bedoelde doelgroepverminderingen worden geacht definitief te zijn toegekend wanneer vaststaat dat de werkgever aan alle daartoe door of krachtens dezelfde wet bepaalde voorwaarden heeft voldaan. Tot op dat ogenblik zijn zij slechts voorlopig toegekend ]1.
Wijzigingen
Art. 28/6. [1 Les rĂ©ductions groupes-cibles visĂ©es Ă l'article 353bis/3 de la loi-programme (I) du 24 dĂ©cembre 2002 sont rĂ©putĂ©es avoir Ă©tĂ© dĂ©finitivement octroyĂ©es lorsqu'il a Ă©tĂ© Ă©tabli que l'employeur a satisfait Ă toutes les conditions prĂ©vues par ou en vertu de la mĂȘme loi. Jusqu'Ă ce moment-lĂ , elles sont accordĂ©es seulement de façon provisoire ]1.
Wijzigingen
HOOFDSTUK VIII/1. [1 - Tijdelijke arbeidsduurvermindering in het kader van de COVID-19 pandemie.]1
CHAPITRE VIII/1. [1 - Réduction temporaire de la durée du travail dans le cadre de la pandémie COVID-19.]1
Art. 28/6/1. [1 Dit hoofdstuk is van toepassing op werkgevers bedoeld in artikel 335, derde lid, van de wet van 24 december 2002, op wie een erkenning als onderneming in herstructurering of als onderneming in moeilijkheden van toepassing is, waarvan de periode van de erkenning ten vroegste aanvangt op 1 maart 2020 en ten laatste op 31 december 2020.]1
Art. 28/6/1. [1 Le présent chapitre s'applique aux employeurs visés à l'article 335, alinéa 3 de la loi du 24 décembre 2002 auxquels s'appliquent une reconnaissance comme entreprise en restructuration ou comme entreprise en difficulté, dont la période de reconnaissance commence au plus tÎt le 1er mars 2020 et au plus tard le 31 décembre 2020.]1
Wijzigingen
Art. 28/6/2. [1 Een doelgroepvermindering voor tijdelijke arbeidsduurvermindering wordt als volgt toegekend:
1° een bedrag G4 vanaf het kwartaal van invoering van het stelsel van tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur in de onderneming en tot het kwartaal waarin de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur een einde neemt, indien de arbeidsduur werd verminderd met een vijfde;
2° een bedrag G5 vanaf het kwartaal van invoering van het stelsel van tijdelijke arbeidsduurvermindering in de onderneming en tot het kwartaal waarin de tijdelijke arbeidsduurvermindering een einde neemt, indien de arbeidsduur werd verminderd met een vierde;
3° een bedrag G1 indien de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur bedoeld onder 1° gecombineerd wordt met een tijdelijke invoering van de vierdagenweek;
4° een bedrag G6 indien de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur bedoeld onder 2° gecombineerd wordt met een tijdelijke invoering van de vierdagenweek.
De doelgroepverminderingen worden toegekend voor de tewerkstellingen tijdens de periode van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur.
De verminderingen bedoeld in het eerste lid, 3° en 4° zijn enkel toepasbaar voor voltijdse werknemers.]1
1° een bedrag G4 vanaf het kwartaal van invoering van het stelsel van tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur in de onderneming en tot het kwartaal waarin de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur een einde neemt, indien de arbeidsduur werd verminderd met een vijfde;
2° een bedrag G5 vanaf het kwartaal van invoering van het stelsel van tijdelijke arbeidsduurvermindering in de onderneming en tot het kwartaal waarin de tijdelijke arbeidsduurvermindering een einde neemt, indien de arbeidsduur werd verminderd met een vierde;
3° een bedrag G1 indien de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur bedoeld onder 1° gecombineerd wordt met een tijdelijke invoering van de vierdagenweek;
4° een bedrag G6 indien de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur bedoeld onder 2° gecombineerd wordt met een tijdelijke invoering van de vierdagenweek.
De doelgroepverminderingen worden toegekend voor de tewerkstellingen tijdens de periode van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur.
De verminderingen bedoeld in het eerste lid, 3° en 4° zijn enkel toepasbaar voor voltijdse werknemers.]1
Art. 28/6/2. [1 Une réduction groupe-cible pour réduction temporaire de la durée du travail est accordée de la maniÚre suivante :
1° un montant G4 à partir du trimestre de l'introduction du régime d'adaptation temporaire de la durée du travail dans l'entreprise et jusqu'au trimestre au cours duquel l'adaptation temporaire de la durée du travail se termine, si la durée du travail a été réduit d'un cinquiÚme ;
2° un montant G5 à partir du trimestre de l'introduction du régime de réduction temporaire de la durée du travail dans l'entreprise et jusqu'au trimestre au cours duquel la réduction temporaire de la durée du travail se termine, si la durée du travail a été réduit d'un quart;
3° un montant G1 si l'adaptation temporaire de la durée du travail, visée au 1°, est combinée avec l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours;
4° un montant G6 si l'adaptation temporaire de la durée du travail, visée au 2°, est combinée avec l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours.
Les réductions groupes-cibles sont accordées pour les occupations durant la période de l'adaptation temporaire de la durée du travail.
Les réductions visées à l'alinéa 1er, 3° et 4° sont uniquement applicables pour les travailleurs à temps plein.]1
1° un montant G4 à partir du trimestre de l'introduction du régime d'adaptation temporaire de la durée du travail dans l'entreprise et jusqu'au trimestre au cours duquel l'adaptation temporaire de la durée du travail se termine, si la durée du travail a été réduit d'un cinquiÚme ;
2° un montant G5 à partir du trimestre de l'introduction du régime de réduction temporaire de la durée du travail dans l'entreprise et jusqu'au trimestre au cours duquel la réduction temporaire de la durée du travail se termine, si la durée du travail a été réduit d'un quart;
3° un montant G1 si l'adaptation temporaire de la durée du travail, visée au 1°, est combinée avec l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours;
4° un montant G6 si l'adaptation temporaire de la durée du travail, visée au 2°, est combinée avec l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours.
Les réductions groupes-cibles sont accordées pour les occupations durant la période de l'adaptation temporaire de la durée du travail.
Les réductions visées à l'alinéa 1er, 3° et 4° sont uniquement applicables pour les travailleurs à temps plein.]1
Wijzigingen
Art. 28/6/3. [1 In de aangiften voor de sociale zekerheid voor de kwartalen waarin de bij artikel 353bis/7/4 van de wet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepverminderingen worden toegekend, moet de werkgever melding maken van:
1° de werknemers waarop het ingevoerde stelsel en de bijdragevermindering betrekking hebben;
2° de datum van inwerkingtreding van het stelsel alsook de datum waarop het buiten werking treedt;
3° de wekelijkse arbeidsduur van de voltijdse werknemers die van toepassing is vóór en na de invoering van de aanpassing van de arbeidsduur.]1
1° de werknemers waarop het ingevoerde stelsel en de bijdragevermindering betrekking hebben;
2° de datum van inwerkingtreding van het stelsel alsook de datum waarop het buiten werking treedt;
3° de wekelijkse arbeidsduur van de voltijdse werknemers die van toepassing is vóór en na de invoering van de aanpassing van de arbeidsduur.]1
Art. 28/6/3. [1 Dans les déclarations à la sécurité sociale relatives aux trimestres au cours desquels les réductions groupes-cibles visées à l'article 353bis/7/4 de la loi du 24 décembre 2002 sont accordées, l'employeur doit renseigner :
1° les travailleurs concernés par le systÚme introduit et par la réduction de cotisations;
2° la date de l'entrĂ©e en vigueur du systĂšme ainsi que la date Ă laquelle il cesse d'ĂȘtre en vigueur;
3° la durée hebdomadaire du travail des travailleurs à temps plein qui est d'application avant et aprÚs l'introduction de l'adaptation de la durée du travail.]1
1° les travailleurs concernés par le systÚme introduit et par la réduction de cotisations;
2° la date de l'entrĂ©e en vigueur du systĂšme ainsi que la date Ă laquelle il cesse d'ĂȘtre en vigueur;
3° la durée hebdomadaire du travail des travailleurs à temps plein qui est d'application avant et aprÚs l'introduction de l'adaptation de la durée du travail.]1
Wijzigingen
Art. 28/6/4. [1 § 1. De collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 353bis/7/5 van de wet van 24 december 2002 moet uitdrukkelijk vermelden dat ze gesloten is in onderafdeling 8/1. "Tijdelijke arbeidsduurvermindering in het kader van de COVID-19 pandemie" van afdeling 3, van hoofdstuk 7, van titel IV, van de programmawet (I) van 24 december 2002.
De collectieve arbeidsovereenkomst moet duidelijk de begin- en einddatum van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en, in voorkomend geval, van de tijdelijke invoering van de vierdagenweek vermelden. De collectieve arbeidsovereenkomst mag geen bepaling bevatten die een stilzwijgende verlenging mogelijk maakt.
De collectieve arbeidsovereenkomst moet voorzien in een tijdelijke vermindering van de arbeidsduur met hetzij één vijfde, hetzij één vierde van de arbeidsduur die van kracht was vóór haar inwerkingtreding.
De looncompensatie voorzien bij artikel 353bis/7/5, vierde lid, van de wet van 24 december 2002 moet minstens drie vierden belopen van het bedrag van de forfaitaire vermindering bedoeld in artikel 28/3 van dit besluit.
Bij invoering van de vierdagenweek vermeldt de collectieve arbeidsovereenkomst duidelijk de wekelijkse arbeidsregeling waarbij het begrip "vierdagenweek" moet voldoen aan de definitie in artikel 25. De periode van de invoering van de vierdagenweek moet in de periode van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur vallen.
Binnen de maand die volgt op de ondertekening van de collectieve arbeidsovereenkomst bezorgt de werkgever daarvan een kopie aan het bevoegd directiehoofd van de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
§ 2. In geval de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en de tijdelijke invoering van de vierdagenweek worden vastgesteld door een wijziging van het arbeidsreglement, zijn daarop dezelfde voorschriften en minimale inhoud van toepassing als bepaald in paragraaf 1.]1
De collectieve arbeidsovereenkomst moet duidelijk de begin- en einddatum van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en, in voorkomend geval, van de tijdelijke invoering van de vierdagenweek vermelden. De collectieve arbeidsovereenkomst mag geen bepaling bevatten die een stilzwijgende verlenging mogelijk maakt.
De collectieve arbeidsovereenkomst moet voorzien in een tijdelijke vermindering van de arbeidsduur met hetzij één vijfde, hetzij één vierde van de arbeidsduur die van kracht was vóór haar inwerkingtreding.
De looncompensatie voorzien bij artikel 353bis/7/5, vierde lid, van de wet van 24 december 2002 moet minstens drie vierden belopen van het bedrag van de forfaitaire vermindering bedoeld in artikel 28/3 van dit besluit.
Bij invoering van de vierdagenweek vermeldt de collectieve arbeidsovereenkomst duidelijk de wekelijkse arbeidsregeling waarbij het begrip "vierdagenweek" moet voldoen aan de definitie in artikel 25. De periode van de invoering van de vierdagenweek moet in de periode van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur vallen.
Binnen de maand die volgt op de ondertekening van de collectieve arbeidsovereenkomst bezorgt de werkgever daarvan een kopie aan het bevoegd directiehoofd van de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
§ 2. In geval de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en de tijdelijke invoering van de vierdagenweek worden vastgesteld door een wijziging van het arbeidsreglement, zijn daarop dezelfde voorschriften en minimale inhoud van toepassing als bepaald in paragraaf 1.]1
Art. 28/6/4. [1 § 1er. La convention collective de travail visée à l'article 353bis/7/5 de la loi du 24 décembre 2002 doit mentionner expressément qu'elle est conclue dans le cadre de la sous-section 8/1. " Réduction temporaire de la durée du travail dans le cadre de la pandémie COVID-19 " de la section 3, du chapitre 7 du titre IV, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.
La convention collective de travail doit clairement mentionner les dates de dĂ©but et de fin de l'adaptation temporaire de la durĂ©e du travail et, le cas Ă©chĂ©ant, de l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours. La convention collective de travail ne peut pas contenir de disposition par laquelle elle peut ĂȘtre prorogĂ©e par tacite reconduction.
La convention collective de travail doit prévoir une réduction temporaire de la durée du travail, de soit un cinquiÚme, soit un quart de la durée du travail qui était d'application avant son entrée en vigueur.
La compensation salariale prĂ©vue par l'article 353bis/7/5, alinĂ©a 4, de la loi du 24 dĂ©cembre 2002 doit s'Ă©lever au moins Ă trois quart du montant de la rĂ©duction forfaitaire visĂ©e Ă l'article 28/3 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
En cas d'instauration de la semaine de quatre jours, la convention collective de travail mentionne clairement le régime de travail hebdomadaire ; dans ce cadre, la notion de " semaine de quatre jours " doit répondre à la définition de l'article 25. La période de l'instauration de la semaine de quatre jours doit se situer durant la période de l'adaptation temporaire de la durée de travail.
Dans le mois qui suit la signature de la convention collective de travail, l'employeur en fait parvenir une copie au chef de service compétent de la Direction générale du ContrÎle des Lois Sociales du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
§ 2. Au cas oĂč l'adaptation temporaire de la durĂ©e du travail et l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours sont introduites par une modification du rĂšglement de travail, les mĂȘmes prescriptions et le mĂȘme contenu minimum visĂ©s au paragraphe 1er, sont d'application.]1
La convention collective de travail doit clairement mentionner les dates de dĂ©but et de fin de l'adaptation temporaire de la durĂ©e du travail et, le cas Ă©chĂ©ant, de l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours. La convention collective de travail ne peut pas contenir de disposition par laquelle elle peut ĂȘtre prorogĂ©e par tacite reconduction.
La convention collective de travail doit prévoir une réduction temporaire de la durée du travail, de soit un cinquiÚme, soit un quart de la durée du travail qui était d'application avant son entrée en vigueur.
La compensation salariale prĂ©vue par l'article 353bis/7/5, alinĂ©a 4, de la loi du 24 dĂ©cembre 2002 doit s'Ă©lever au moins Ă trois quart du montant de la rĂ©duction forfaitaire visĂ©e Ă l'article 28/3 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
En cas d'instauration de la semaine de quatre jours, la convention collective de travail mentionne clairement le régime de travail hebdomadaire ; dans ce cadre, la notion de " semaine de quatre jours " doit répondre à la définition de l'article 25. La période de l'instauration de la semaine de quatre jours doit se situer durant la période de l'adaptation temporaire de la durée de travail.
Dans le mois qui suit la signature de la convention collective de travail, l'employeur en fait parvenir une copie au chef de service compétent de la Direction générale du ContrÎle des Lois Sociales du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
§ 2. Au cas oĂč l'adaptation temporaire de la durĂ©e du travail et l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours sont introduites par une modification du rĂšglement de travail, les mĂȘmes prescriptions et le mĂȘme contenu minimum visĂ©s au paragraphe 1er, sont d'application.]1
Wijzigingen
Art. 28/6/5. [1 De bij artikel 353bis/7/3 van de wet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepverminderingen worden geacht definitief te zijn toegekend wanneer vaststaat dat de werkgever aan alle daartoe door of krachtens dezelfde wet bepaalde voorwaarden heeft voldaan. Tot op dat ogenblik zijn zij slechts voorlopig toegekend.]1
Art. 28/6/5. [1 Les rĂ©ductions groupes-cibles visĂ©es Ă l'article 353bis/7/3 de la loi du 24 dĂ©cembre 2002 sont rĂ©putĂ©es avoir Ă©tĂ© dĂ©finitivement octroyĂ©es lorsqu'il a Ă©tĂ© Ă©tabli que l'employeur a satisfait Ă toutes les conditions prĂ©vues par ou en vertu de la mĂȘme loi. Jusqu'Ă ce moment-lĂ , elles sont accordĂ©es seulement de façon provisoire.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK IX. [1 - Forfaitaire bijdragevermindering voor vaste werknemers met een voltijdse arbeidsovereenkomst in de horeca.]1
CHAPITRE IX. [1 - Réduction forfaitaire de cotisations pour les travailleurs fixes de l'horeca disposant d'un contrat de travail à temps plein.]1
Art. 28/7. [1 Werkgevers bedoeld in artikel 353bis/8, eerste lid, van de programmawet van 24 december 2002 genieten voor 5 vaste voltijdse werknemers naar keuze van een vermindering van een forfaitair bedrag G10, gedurende een onbeperkt aantal kwartalen.
Voor werknemers die op het einde van het kwartaal de leeftijd van 26 jaar niet bereikt hebben, wordt het forfaitair bedrag G9 toegepast.
De referteperiode en de wijze waarop het gemiddelde van de tijdens deze referteperiode tewerkgestelde werknemers wordt berekend, zoals bedoeld in artikel 353bis/8 van de programmawet van 24 december 2002, worden bepaald overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 oktober 2009 waarbij de referteperiode en de wijze worden bepaald waarop het gemiddelde van de tijdens deze referteperiode tewerkgestelde werknemers wordt berekend met het oog op de inning, door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, van de bijdragen bedoeld in de artikelen 58 en 60 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen en van de bijdrage bedoeld in artikel 38, § 3, eerste lid, 9° van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.]1
Voor werknemers die op het einde van het kwartaal de leeftijd van 26 jaar niet bereikt hebben, wordt het forfaitair bedrag G9 toegepast.
De referteperiode en de wijze waarop het gemiddelde van de tijdens deze referteperiode tewerkgestelde werknemers wordt berekend, zoals bedoeld in artikel 353bis/8 van de programmawet van 24 december 2002, worden bepaald overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 oktober 2009 waarbij de referteperiode en de wijze worden bepaald waarop het gemiddelde van de tijdens deze referteperiode tewerkgestelde werknemers wordt berekend met het oog op de inning, door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, van de bijdragen bedoeld in de artikelen 58 en 60 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van de ondernemingen en van de bijdrage bedoeld in artikel 38, § 3, eerste lid, 9° van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.]1
Art. 28/7. [1 Les employeurs visés à l'article 353bis/8, alinéa 1er de la loi-programme du 24 décembre 2002 bénéficient d'une réduction d'un montant forfaitaire G10 pendant un nombre de trimestres illimité, pour 5 travailleurs fixes de leur choix prestant à temps plein.
Le montant forfaitaire G9 s'applique aux travailleurs qui n'ont pas atteint l'Ăąge de 26 ans Ă la fin du trimestre.
La pĂ©riode de rĂ©fĂ©rence ainsi que les modalitĂ©s du calcul de la moyenne des travailleurs occupĂ©s pendant cette pĂ©riode de rĂ©fĂ©rence, telles que visĂ©es Ă l'article 353bis/8 de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002, sont dĂ©terminĂ©s conformĂ©ment aux dispositions de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 octobre 2009 dĂ©terminant la pĂ©riode de rĂ©fĂ©rence et les modalitĂ©s du calcul de la moyenne des travailleurs occupĂ©s pendant cette pĂ©riode de rĂ©fĂ©rence en vue de la perception, par l'Office national de SĂ©curitĂ© sociale, des cotisations visĂ©es aux articles 58 et 60 de la loi du 26 juin 2002 relative aux fermetures d'entreprises et de la cotisation visĂ©e Ă l'article 38, § 3, alinĂ©a 1er, 9° de la loi du 29 juin 1981 Ă©tablissant les principes gĂ©nĂ©raux de la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs.]1
Le montant forfaitaire G9 s'applique aux travailleurs qui n'ont pas atteint l'Ăąge de 26 ans Ă la fin du trimestre.
La pĂ©riode de rĂ©fĂ©rence ainsi que les modalitĂ©s du calcul de la moyenne des travailleurs occupĂ©s pendant cette pĂ©riode de rĂ©fĂ©rence, telles que visĂ©es Ă l'article 353bis/8 de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002, sont dĂ©terminĂ©s conformĂ©ment aux dispositions de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 octobre 2009 dĂ©terminant la pĂ©riode de rĂ©fĂ©rence et les modalitĂ©s du calcul de la moyenne des travailleurs occupĂ©s pendant cette pĂ©riode de rĂ©fĂ©rence en vue de la perception, par l'Office national de SĂ©curitĂ© sociale, des cotisations visĂ©es aux articles 58 et 60 de la loi du 26 juin 2002 relative aux fermetures d'entreprises et de la cotisation visĂ©e Ă l'article 38, § 3, alinĂ©a 1er, 9° de la loi du 29 juin 1981 Ă©tablissant les principes gĂ©nĂ©raux de la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs.]1
Wijzigingen
Art. 28/8. [1 Onder een "voltijdse arbeidsovereenkomst" wordt verstaan de arbeidsovereenkomst van een werknemer zoals bedoeld in artikel 9, 1° en 2°, van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.]1
Art. 28/8. [1 Il faut entendre par "contrat de travail Ă temps plein", le contrat de travail d'un travailleur tel que visĂ© Ă l'article 9, 1° et 2° de l'arrĂȘtĂ© royal du 10 juin 2001 portant dĂ©finition uniforme de notions relatives au temps de travail Ă l'usage de la sĂ©curitĂ© sociale, en application de l'article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions.]1
Wijzigingen
Art. 28/9. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder een "vaste werknemer" verstaan, een werknemer andere dan deze bedoeld in artikel 31ter, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]1
Art. 28/9. [1 Pour l'application du prĂ©sent chapitre, il faut entendre par "travailleur fixe", un travailleur autre que celui visĂ© Ă l'article 31ter, de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs.]1
Wijzigingen
Art. 28/10. [1 § 1. De vermindering kan slechts worden toegekend in de kwartalen waarin de geregistreerde kassa operationeel is van de eerste dag tot en met de laatste dag van het kwartaal.
Voor de periode van 1 januari 2014 tot en met [2 30 juni]2 2014 kan de vermindering, in afwijking van het vorige lid, evenwel toegekend worden indien de werkgever voldoet aan alle volgende voorwaarden :
1. hij dient zich voor 31 december 2013 te registreren bij de FOD Financiën overeenkomstig artikel 2bis van het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen en,
2. het geregistreerde kassasysteem moet uiterlijk op [2 30 juni]2 2014 operationeel zijn,
§ 2. De werkgever heeft recht op de bijdragevermindering op voorwaarde dat hij het begin en einde van de aanwezigheid van al zijn werknemers, met uitzondering van de gelegenheidswerknemers bedoeld in artikel 31ter van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die hij aangeeft in dimona overeenkomstig artikel 5bis, § 3, van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, gedurende de volledige duur van de toekenning van de vermindering registreert.
Deze registratie moet gebeuren :
1° via het geregistreerde kassasysteem, zoals bedoeld in het voornoemde koninklijk besluit van 30 december 2009 of
2° via een alternatief systeem van dagelijkse aanwezigheidsregistratie, dat ter beschikking wordt gesteld bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, dat dezelfde garanties biedt als 1° ".
Indien de werkgever de registratie doet op de wijze bepaald in 1° van het vorige lid, dient hij nog steeds een aangifte te verrichten overeenkomstig artikel 4 van het voormelde koninklijk besluit van 5 november 2002.
Deze paragraaf is niet van toepassing op de werkgevers die voldoen aan de voorwaarden gesteld in paragraaf 1, tweede lid van dit artikel en dit tot op het moment dat hun geregistreerd kassasysteem operationeel is.]1
Voor de periode van 1 januari 2014 tot en met [2 30 juni]2 2014 kan de vermindering, in afwijking van het vorige lid, evenwel toegekend worden indien de werkgever voldoet aan alle volgende voorwaarden :
1. hij dient zich voor 31 december 2013 te registreren bij de FOD Financiën overeenkomstig artikel 2bis van het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen en,
2. het geregistreerde kassasysteem moet uiterlijk op [2 30 juni]2 2014 operationeel zijn,
§ 2. De werkgever heeft recht op de bijdragevermindering op voorwaarde dat hij het begin en einde van de aanwezigheid van al zijn werknemers, met uitzondering van de gelegenheidswerknemers bedoeld in artikel 31ter van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die hij aangeeft in dimona overeenkomstig artikel 5bis, § 3, van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, gedurende de volledige duur van de toekenning van de vermindering registreert.
Deze registratie moet gebeuren :
1° via het geregistreerde kassasysteem, zoals bedoeld in het voornoemde koninklijk besluit van 30 december 2009 of
2° via een alternatief systeem van dagelijkse aanwezigheidsregistratie, dat ter beschikking wordt gesteld bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, dat dezelfde garanties biedt als 1° ".
Indien de werkgever de registratie doet op de wijze bepaald in 1° van het vorige lid, dient hij nog steeds een aangifte te verrichten overeenkomstig artikel 4 van het voormelde koninklijk besluit van 5 november 2002.
Deze paragraaf is niet van toepassing op de werkgevers die voldoen aan de voorwaarden gesteld in paragraaf 1, tweede lid van dit artikel en dit tot op het moment dat hun geregistreerd kassasysteem operationeel is.]1
Art. 28/10. [1 § 1er. La rĂ©duction ne peut ĂȘtre octroyĂ©e que pour les trimestres au cours desquels la caisse enregistreuse est opĂ©rationnelle du premier au dernier jour inclus du trimestre.
Pour la pĂ©riode du 1er janvier 2014 jusqu'au [2 30 juin]2 2014 inclus, par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, la rĂ©duction peut cependant ĂȘtre octroyĂ©e lorsque l'employeur rĂ©pond aux conditions suivantes :
1. il doit s'enregistrer avant le 31 dĂ©cembre 2013 auprĂšs du SPF Finances conformĂ©ment Ă l'article 2bis de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 dĂ©cembre 2009 fixant la dĂ©finition et les conditions auxquelles doit rĂ©pondre un systĂšme de caisse enregistreuse dans le secteur horeca et,
2. le systĂšme de caisse enregistreuse doit ĂȘtre opĂ©rationnel au plus tard le [2 30 juin]2 2014,
§ 2. L'employeur a droit Ă la rĂ©duction Ă condition qu'il enregistre le dĂ©but et la fin de la prĂ©sence de l'ensemble de ses travailleurs salariĂ©s, Ă l'exception des travailleurs occasionnels visĂ©s Ă l'article 31ter de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs qu'il dĂ©clare en dimona conformĂ©ment Ă l'article 5bis, § 3 de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions, pendant la durĂ©e totale de l'octroi de la rĂ©duction.
Cet enregistrement doit se faire :
1° via la caisse enregistreuse, visĂ©e Ă l'arrĂȘtĂ© royal susmentionnĂ© du 30 dĂ©cembre 2009 ou
2° via un systĂšme alternatif d'enregistrement de prĂ©sences journalier mis en place Ă l'Office national de SĂ©curitĂ© sociale, qui offre les mĂȘmes garanties que le 1° ".
Dans le cas oĂč l'employeur fait l'enregistrement de la maniĂšre fixĂ©e au point 1° de l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, il doit toujours introduire une dĂ©claration conformĂ©ment Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal susvisĂ© du 5 novembre 2002.
Ce paragraphe n'est pas d'application pour les employeurs qui répondent aux conditions du paragraphe 1er, alinéa 2, de cet article et ceci jusqu'au moment que leur systÚme de caisse enregistreuse est opérationnel.]1
Pour la pĂ©riode du 1er janvier 2014 jusqu'au [2 30 juin]2 2014 inclus, par dĂ©rogation Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, la rĂ©duction peut cependant ĂȘtre octroyĂ©e lorsque l'employeur rĂ©pond aux conditions suivantes :
1. il doit s'enregistrer avant le 31 dĂ©cembre 2013 auprĂšs du SPF Finances conformĂ©ment Ă l'article 2bis de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 dĂ©cembre 2009 fixant la dĂ©finition et les conditions auxquelles doit rĂ©pondre un systĂšme de caisse enregistreuse dans le secteur horeca et,
2. le systĂšme de caisse enregistreuse doit ĂȘtre opĂ©rationnel au plus tard le [2 30 juin]2 2014,
§ 2. L'employeur a droit Ă la rĂ©duction Ă condition qu'il enregistre le dĂ©but et la fin de la prĂ©sence de l'ensemble de ses travailleurs salariĂ©s, Ă l'exception des travailleurs occasionnels visĂ©s Ă l'article 31ter de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs qu'il dĂ©clare en dimona conformĂ©ment Ă l'article 5bis, § 3 de l'arrĂȘtĂ© royal du 5 novembre 2002 instaurant une dĂ©claration immĂ©diate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sĂ©curitĂ© sociale et assurant la viabilitĂ© des rĂ©gimes lĂ©gaux des pensions, pendant la durĂ©e totale de l'octroi de la rĂ©duction.
Cet enregistrement doit se faire :
1° via la caisse enregistreuse, visĂ©e Ă l'arrĂȘtĂ© royal susmentionnĂ© du 30 dĂ©cembre 2009 ou
2° via un systĂšme alternatif d'enregistrement de prĂ©sences journalier mis en place Ă l'Office national de SĂ©curitĂ© sociale, qui offre les mĂȘmes garanties que le 1° ".
Dans le cas oĂč l'employeur fait l'enregistrement de la maniĂšre fixĂ©e au point 1° de l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, il doit toujours introduire une dĂ©claration conformĂ©ment Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal susvisĂ© du 5 novembre 2002.
Ce paragraphe n'est pas d'application pour les employeurs qui répondent aux conditions du paragraphe 1er, alinéa 2, de cet article et ceci jusqu'au moment que leur systÚme de caisse enregistreuse est opérationnel.]1
HOOFDSTUK X. [1 - Gesubsidieerde contractuelen.]1
Chapitre X. [1 - Agents contractuels subventionnés.]1
Art. 28/11. [1 Een doelgroepvermindering G13 wordt toegekend voor de werknemers bedoeld in artikel 353bis/9, eerste lid, 1° van de programmawet van 24 december 2002 die tewerkgesteld zijn door de werkgevers die aangesloten zijn bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, gedurende de volledige duur van de tewerkstelling. "
Voor de andere werknemers bedoeld in artikel 353bis/9 van de programmawet van 24 december 2002 wordt een doelgroepvermindering G7 toegekend gedurende de volledige duur van de tewerkstelling.
Een doelgroepvermindering G13 wordt toegekend voor de werknemers bedoeld in artikel 353bis/10 van de programmawet van 24 december 2002, gedurende de volledige duur van de tewerkstelling.]1
Voor de andere werknemers bedoeld in artikel 353bis/9 van de programmawet van 24 december 2002 wordt een doelgroepvermindering G7 toegekend gedurende de volledige duur van de tewerkstelling.
Een doelgroepvermindering G13 wordt toegekend voor de werknemers bedoeld in artikel 353bis/10 van de programmawet van 24 december 2002, gedurende de volledige duur van de tewerkstelling.]1
Art. 28/11. [1 Une réduction groupe-cible G13 est accordée pour les travailleurs visés à l'article 353bis/9, alinéa premier, 1° de la loi-programme du 24 décembre 2002 et occupés auprÚs des employeurs affiliés à l'Office national de Sécurité sociale des administrations provinciales et locales, pendant toute la durée de l'occupation. "
Une réduction groupe-cible G7 est accordée pour les autres travailleurs visés à l'article 353bis/9 de la loi-programme du 24 décembre 2002, pendant toute la durée de l'occupation.
Une réduction groupe-cible G13 est accordée pour les travailleurs visés à l'article 353bis/10 de la loi-programme du 24 décembre 2002, pendant toute la durée de l'occupation.]1
Une réduction groupe-cible G7 est accordée pour les autres travailleurs visés à l'article 353bis/9 de la loi-programme du 24 décembre 2002, pendant toute la durée de l'occupation.
Une réduction groupe-cible G13 est accordée pour les travailleurs visés à l'article 353bis/10 de la loi-programme du 24 décembre 2002, pendant toute la durée de l'occupation.]1
Wijzigingen
Art. 28/11_WAALS_GEWEST.
Art. 28/11 _REGION_WALLONNE.
Art. 28/11 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 [2 ...]2
[2 Een doelgroepvermindering G7 wordt toegekend aan de werknemers vermeld in artikel 353bis/9, eerste lid, 2°, en tweede lid, van de programmawet van 24 december 2002 voor de volledige duur van hun tewerkstelling.]2
[2 ...]2]1
[1 [2 ...]2
[2 Een doelgroepvermindering G7 wordt toegekend aan de werknemers vermeld in artikel 353bis/9, eerste lid, 2°, en tweede lid, van de programmawet van 24 december 2002 voor de volledige duur van hun tewerkstelling.]2
[2 ...]2]1
Art. 28/11 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 [2 ...]2
[2 Une réduction pour groupe cible G7 est octroyée, pour toute la durée de leur occupation, aux travailleurs mentionnés à l'article 353bis/9, alinéa 1er, 2°, et alinéa 2 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]2
[2 ...]2]1
[1 [2 ...]2
[2 Une réduction pour groupe cible G7 est octroyée, pour toute la durée de leur occupation, aux travailleurs mentionnés à l'article 353bis/9, alinéa 1er, 2°, et alinéa 2 de la loi-programme du 24 décembre 2002.]2
[2 ...]2]1
HOOFDSTUK XI. [1 - Huispersoneel.]1
Chapitre XI. [1 - Personnel de maison.]1
Art. 28/12. [1 Een doelgroepvermindering G7 wordt toegekend voor de werknemers bedoeld in de artikel 353bis/11 van de programmawet van 24 december 2002, gedurende de volledige duur van de tewerkstelling.
De in het eerste lid bedoelde werknemers moeten, sedert ten minste zes maanden :
- hetzij uitkeringsgerechtigd volledig werkloze zijn;
- hetzij gerechtigd zijn op maatschappelijke integratie in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en de periodes van toekenning van financiële maatschappelijke hulp aan personen van vreemde nationaliteit, ingeschreven in het vreemdelingenregister, die omwille van hun nationaliteit geen aanspraak kunnen maken op het recht op maatschappelijke integratie.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt de tewerkstelling met een startbaanovereenkomst, met toepassing van hoofdstuk VIII van titel II van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, van een werknemer die geen getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs bezit, beschouwd als een periode van uitkeringsgerechtigde volledige werkloosheid.
Wanneer de arbeidsovereenkomst van die werknemer een einde neemt, blijft de vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid evenwel behouden indien de werkgever binnen de drie maanden na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een andere werknemer in dienst neemt onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten bepaald bij dit besluit.
Om het voordeel van dit hoofdstuk te genieten, moet de werkgever kunnen bewijzen dat de werknemer de in het tweede lid vermelde voorwaarde vervult.]1
De in het eerste lid bedoelde werknemers moeten, sedert ten minste zes maanden :
- hetzij uitkeringsgerechtigd volledig werkloze zijn;
- hetzij gerechtigd zijn op maatschappelijke integratie in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en de periodes van toekenning van financiële maatschappelijke hulp aan personen van vreemde nationaliteit, ingeschreven in het vreemdelingenregister, die omwille van hun nationaliteit geen aanspraak kunnen maken op het recht op maatschappelijke integratie.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt de tewerkstelling met een startbaanovereenkomst, met toepassing van hoofdstuk VIII van titel II van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, van een werknemer die geen getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs bezit, beschouwd als een periode van uitkeringsgerechtigde volledige werkloosheid.
Wanneer de arbeidsovereenkomst van die werknemer een einde neemt, blijft de vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid evenwel behouden indien de werkgever binnen de drie maanden na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een andere werknemer in dienst neemt onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten bepaald bij dit besluit.
Om het voordeel van dit hoofdstuk te genieten, moet de werkgever kunnen bewijzen dat de werknemer de in het tweede lid vermelde voorwaarde vervult.]1
Art. 28/12. [1 Une réduction groupe-cible G7 est accordée pour les travailleurs visés à l'article 353bis/11 de la loi-programme du 24 décembre 2002, pendant toute la durée de l'occupation.
Les travailleurs visés au premier alinéa doivent depuis au moins six mois :
- soit ĂȘtre chĂŽmeurs complets indemnisĂ©s;
- soit bénéficier de l'intégration sociale en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale et les périodes d'octroi de l'aide sociale financiÚre aux personnes de nationalité étrangÚre, inscrites au registre des étrangers, qui en raison de leur nationalité ne peuvent pas prétendre au droit à l'intégration sociale.
Pour l'application du deuxiÚme alinéa, l'occupation, dans le cadre d'une convention de premier emploi d'un travailleur qui ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur, est considérée comme une période de chÎmage complet indemnisé en vertu du chapitre VIII du Titre II de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi.
Lorsque le contrat de travail de ce travailleur prend fin, l'employeur peut toutefois continuer de bĂ©nĂ©ficier de la rĂ©duction des cotisations patronales de sĂ©curitĂ© sociale si, dans les trois mois qui suivent, il engage un autre travailleur dans les conditions et selon les modalitĂ©s prĂ©vues par le prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Pour bénéficier de l'avantage de ce chapitre, l'employeur doit pouvoir démontrer que le travailleur remplit la condition visée au deuxiÚme alinéa.]1
Les travailleurs visés au premier alinéa doivent depuis au moins six mois :
- soit ĂȘtre chĂŽmeurs complets indemnisĂ©s;
- soit bénéficier de l'intégration sociale en application de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale et les périodes d'octroi de l'aide sociale financiÚre aux personnes de nationalité étrangÚre, inscrites au registre des étrangers, qui en raison de leur nationalité ne peuvent pas prétendre au droit à l'intégration sociale.
Pour l'application du deuxiÚme alinéa, l'occupation, dans le cadre d'une convention de premier emploi d'un travailleur qui ne possÚde pas de certificat ou de diplÎme de l'enseignement secondaire supérieur, est considérée comme une période de chÎmage complet indemnisé en vertu du chapitre VIII du Titre II de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi.
Lorsque le contrat de travail de ce travailleur prend fin, l'employeur peut toutefois continuer de bĂ©nĂ©ficier de la rĂ©duction des cotisations patronales de sĂ©curitĂ© sociale si, dans les trois mois qui suivent, il engage un autre travailleur dans les conditions et selon les modalitĂ©s prĂ©vues par le prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Pour bénéficier de l'avantage de ce chapitre, l'employeur doit pouvoir démontrer que le travailleur remplit la condition visée au deuxiÚme alinéa.]1
Wijzigingen
Art. 28/12_WAALS_GEWEST.
Art. 28/12 _REGION_WALLONNE.
HOOFDSTUK XII. [1 - Onthaalouders.]1
Chapitre XII. [1 - Parents d'accueil.]1
Art. 28/13. [1 Een doelgroepvermindering G11 wordt toegekend voor de personen bedoeld in artikel 353bis/12 van de programmawet van 24 december 2002, gedurende de volledige duur van de tewerkstelling.]1
Art. 28/13. [1 Une réduction groupe-cible G11 est accordée pour les personnes visées à l'article 353bis/12 de la loi-programme du 24 décembre 2002, pendant toute la durée de l'occupation.]1
Wijzigingen
Art. 28/13 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 28/13 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 ...]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK XIII. [1 - Kunstenaars.]1
Chapitre XIII. [1 - Artistes.]1
Art. 28/14. [1 Een doelgroepvermindering G12 wordt toegekend voor de personen bedoeld in artikel 353bis/13 van de programmawet van 24 december 2002, gedurende de volledige duur van de tewerkstelling.
Een werkgever kan de voordelen bedoeld in het vorige lid slechts genieten indien het refertekwartaalloon van de werknemer, bedoeld in artikel 2, 3°, c), minstens gelijk is aan 3 maal het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen van de eerste maand van het kwartaal, zoals bepaald in artikel 3, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 houdende wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 21 van 15 mei 1975 en nr. 23 van 25 juli 1975 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen.]1
Een werkgever kan de voordelen bedoeld in het vorige lid slechts genieten indien het refertekwartaalloon van de werknemer, bedoeld in artikel 2, 3°, c), minstens gelijk is aan 3 maal het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen van de eerste maand van het kwartaal, zoals bepaald in artikel 3, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 houdende wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 21 van 15 mei 1975 en nr. 23 van 25 juli 1975 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen.]1
Art. 28/14. [1 Une réduction groupe-cible G12 est accordée pour les personnes visées à l'article 353bis/13 de la loi-programme du 24 décembre 2002, pendant toute la durée de l'occupation.
Un employeur peut bénéficier de l'avantage visé à l'alinéa précédent seulement si le salaire trimestriel de référence du travailleur, visé à l'article 2, 3°, c) est au moins égal à trois fois le revenu mensuel minimum moyen garanti du premier mois du trimestre, tel que défini à l'article 3, premier alinéa, de la Convention collective de travail n° 43 du 2 mai 1988 portant modification et coordination des conventions collectives de travail n° 21 du 15 mai 1975 et n° 23 du 25 juillet 1975 relatives à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen.]1
Un employeur peut bénéficier de l'avantage visé à l'alinéa précédent seulement si le salaire trimestriel de référence du travailleur, visé à l'article 2, 3°, c) est au moins égal à trois fois le revenu mensuel minimum moyen garanti du premier mois du trimestre, tel que défini à l'article 3, premier alinéa, de la Convention collective de travail n° 43 du 2 mai 1988 portant modification et coordination des conventions collectives de travail n° 21 du 15 mai 1975 et n° 23 du 25 juillet 1975 relatives à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK XIV. [1 - Werknemers tewerkgesteld in toepassing van artikel 60, § 7 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.]1
Chapitre XIV. [1 - Travailleurs occupés en application de l'article 60, § 7 de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale.]1
Art. 28/15. [1 Een doelgroepvermindering G7 wordt toegekend voor de personen bedoeld in artikel 353bis/14 van de Programmawet van 24 december 2002, gedurende de volledige duur van de tewerkstelling.]1
Art. 28/15. [1 Une réduction groupe-cible G7 est accordée pour les personnes visées à l'article 353bis/14 de la loi-programme du 24 décembre 2002, pendant toute la durée de l'occupation.]1
Wijzigingen
Art.28/15_WAALS_GEWEST.
Art. 28/15 _REGION_WALLONNE.
Art. 28/15_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 28/15 _REGION_FLAMANDE.
[1 ...]1
[1 ...]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK XV. [1 - Betaalde sportbeoefenaars.]1
Chapitre XV. [1 - Sportifs rémunérés.]1
Art. 28/16. [1 Een doelgroepvermindering G19 wordt toegekend voor de personen bedoeld in artikel 353bis/16 van de programmawet van 24 december 2002, gedurende de volledige duur van de tewerkstelling.
G19 is gelijk aan 65 procent van het saldo van de verschuldigde bijdragen bedoeld in artikel 326, eerste lid, van dezelfde programmawet na toepassing van artikel 326, tweede, derde, vierde en vijfde lid, en na aftrek van de structurele vermindering. Artikel 337 van dezelfde programmawet is met uitzondering van de ondergrens inzake de globale arbeidsprestaties, niet van toepassing.]1
G19 is gelijk aan 65 procent van het saldo van de verschuldigde bijdragen bedoeld in artikel 326, eerste lid, van dezelfde programmawet na toepassing van artikel 326, tweede, derde, vierde en vijfde lid, en na aftrek van de structurele vermindering. Artikel 337 van dezelfde programmawet is met uitzondering van de ondergrens inzake de globale arbeidsprestaties, niet van toepassing.]1
Art. 28/16. [1 Une réduction groupe-cible G19 est accordée pour les personnes visées à l'article 353bis/16 de la loi programme du 24 décembre 2002, pendant toute la durée de l'occupation.
G19 est Ă©gal Ă 65 pourcent du solde des cotisations dues visĂ©es Ă l'article 326, alinĂ©a 1er, de la mĂȘme loi programme aprĂšs application de l'article 326, alinĂ©as 2, 3, 4 et 5, et aprĂšs dĂ©duction de la rĂ©duction structurelle. A l'exception du seuil minimum en matiĂšre de prestations globales, l'article 337 de la mĂȘme loi programme n'est pas d'application.]1
G19 est Ă©gal Ă 65 pourcent du solde des cotisations dues visĂ©es Ă l'article 326, alinĂ©a 1er, de la mĂȘme loi programme aprĂšs application de l'article 326, alinĂ©as 2, 3, 4 et 5, et aprĂšs dĂ©duction de la rĂ©duction structurelle. A l'exception du seuil minimum en matiĂšre de prestations globales, l'article 337 de la mĂȘme loi programme n'est pas d'application.]1
Wijzigingen
Hoofdstuk XVI_VLAAMS_GEWEST.[1 Personen zonder recente, duurzame werkervaring]1
Chapitre XVI_REGION_FLAMANDE.[1 Personnes sans expérience professionnelle récente et durable]1
Art.28/17_VLAAMS_GEWEST.. [1 § 1. In dit artikel wordt onder personen zonder recente, duurzame werkervaring personen verstaan die aan al de volgende voorwaarden voldoen:
1° op de laatste dag van het kwartaal van de indiensttreding minstens de leeftijd van 25 jaar bereikt hebben en de leeftijd van 58 jaar nog niet bereikt hebben;
2° voor de indiensttreding minstens twee jaar als niet-werkende werkzoekende bij de VDAB zijn ingeschreven.
§ 2. De doelgroepvermindering voor de indienstneming van personen zonder recente, duurzame werkervaring bestaat uit een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van de indienstneming en de drie daaropvolgende kwartalen.
§ 3. Voor de bepaling van de periode, vermeld in paragraaf 1, 2°, worden de volgende periodes van inactiviteit gelijkgesteld:
1° de periodes van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of ongeval;
2° de periodes van detentie;
3° de periodes van onderbreking van de inschrijving als niet-werkende werkzoekende als die onderbreking maximaal drie maanden bedraagt.
De persoon die op het moment van de indiensttreding arbeidsongeschikt is wegens ziekte of ongeval, is vrijgesteld van de voorwaarde, vermeld in artikel 353bis/17, tweede lid, 1° van de programmawet van 24 december 2002 (I).
De Vlaamse minister, bevoegd voor werk, kan bijkomende periodes van inactiviteit gelijkstellen met de inschrijving als niet-werkende werkzoekende.
§ 4. De loongrens, vermeld in artikel 353bis/17, tweede lid, 2°, van de Programmawet van 24 december 2002 (I), bedraagt 10.000 euro.
§ 5. De werkgever of werknemer die de juistheid van de gegevens, vermeld in paragraaf 3, betwist, kan bij het Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie een aanvraag tot wijziging indienen. Bij de voormelde aanvraag worden de nodige bewijsstukken gevoegd.
§ 6. Als aan een werkgever een doelgroepvermindering is toegekend voor een werknemer die hij opnieuw in dienst neemt binnen een periode van vier kwartalen na de beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst, worden die tewerkstellingen, voor de vaststelling van de forfaitaire doelgroepvermindering en voor de looptijd ervan, als één tewerkstelling beschouwd. De periode tussen de arbeidsovereenkomsten verlengt de periode waarin de doelgroepvermindering wordt toegekend niet.]1
1° op de laatste dag van het kwartaal van de indiensttreding minstens de leeftijd van 25 jaar bereikt hebben en de leeftijd van 58 jaar nog niet bereikt hebben;
2° voor de indiensttreding minstens twee jaar als niet-werkende werkzoekende bij de VDAB zijn ingeschreven.
§ 2. De doelgroepvermindering voor de indienstneming van personen zonder recente, duurzame werkervaring bestaat uit een forfaitaire vermindering G1 tijdens het kwartaal van de indienstneming en de drie daaropvolgende kwartalen.
§ 3. Voor de bepaling van de periode, vermeld in paragraaf 1, 2°, worden de volgende periodes van inactiviteit gelijkgesteld:
1° de periodes van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of ongeval;
2° de periodes van detentie;
3° de periodes van onderbreking van de inschrijving als niet-werkende werkzoekende als die onderbreking maximaal drie maanden bedraagt.
De persoon die op het moment van de indiensttreding arbeidsongeschikt is wegens ziekte of ongeval, is vrijgesteld van de voorwaarde, vermeld in artikel 353bis/17, tweede lid, 1° van de programmawet van 24 december 2002 (I).
De Vlaamse minister, bevoegd voor werk, kan bijkomende periodes van inactiviteit gelijkstellen met de inschrijving als niet-werkende werkzoekende.
§ 4. De loongrens, vermeld in artikel 353bis/17, tweede lid, 2°, van de Programmawet van 24 december 2002 (I), bedraagt 10.000 euro.
§ 5. De werkgever of werknemer die de juistheid van de gegevens, vermeld in paragraaf 3, betwist, kan bij het Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie een aanvraag tot wijziging indienen. Bij de voormelde aanvraag worden de nodige bewijsstukken gevoegd.
§ 6. Als aan een werkgever een doelgroepvermindering is toegekend voor een werknemer die hij opnieuw in dienst neemt binnen een periode van vier kwartalen na de beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst, worden die tewerkstellingen, voor de vaststelling van de forfaitaire doelgroepvermindering en voor de looptijd ervan, als één tewerkstelling beschouwd. De periode tussen de arbeidsovereenkomsten verlengt de periode waarin de doelgroepvermindering wordt toegekend niet.]1
Art.28/17_REGION_FLAMANDE.. [1 § 1er. Dans le présent article, on entend par personnes sans expérience professionnelle récente et durable les personnes qui remplissent toutes les conditions suivantes :
1° au dernier jour du trimestre de l'entrée en service, avoir atteint au moins l'ùge de 25 ans et ne pas encore avoir atteint l'ùge de 58 ans ;
2° ĂȘtre inscrit au VDAB comme demandeur d'emploi inoccupĂ© depuis au moins deux ans avant l'entrĂ©e en service.
§ 2. La réduction groupes-cibles pour l'embauche de personnes sans expérience professionnelle récente et durable consiste en une réduction forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'embauche et les trois trimestres suivants.
§ 3. Pour la détermination de la période visée au paragraphe 1er, 2°, les périodes d'inactivité suivantes sont assimilées :
1° les périodes d'incapacité de travail pour cause de maladie ou d'accident ;
2° les périodes de détention ;
3° les périodes d'interruption de l'inscription comme demandeur d'emploi inoccupé si cette interruption n'excÚde pas trois mois.
La personne qui est en incapacité de travail pour cause de maladie ou d'accident au moment de l'entrée en service est exemptée de la condition mentionnée à l'article 353bis/17, alinéa 2, 1° de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I).
Le ministre flamand ayant l'emploi dans ses attributions peut assimiler les périodes d'inactivité supplémentaires à une inscription en tant que demandeur d'emploi inoccupé.
§ 4. Le plafond salarial visé à l'article 353bis/17, alinéa 2, 2°, de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), s'élÚve à 10 000 euros.
§ 5. L'employeur ou le travailleur qui conteste l'exactitude des données visées au paragraphe 3 peut introduire une demande de modification auprÚs du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale du MinistÚre flamand de l'Emploi et de l'Economie sociale. La demande précitée est accompagnée des piÚces justificatives nécessaires.
§ 6. Lorsqu'une réduction groupes-cibles est accordée à un employeur pour un travailleur qu'il engage à nouveau dans une période de quatre trimestres aprÚs la fin du contrat de travail précédent, ces occupations sont considérées, pour la fixation de la réduction groupes-cibles forfaitaire et pour sa durée, comme une seule occupation. La période située entre les contrats de travail ne prolonge la période pendant laquelle la réduction groupes-cibles est accordée.]1
1° au dernier jour du trimestre de l'entrée en service, avoir atteint au moins l'ùge de 25 ans et ne pas encore avoir atteint l'ùge de 58 ans ;
2° ĂȘtre inscrit au VDAB comme demandeur d'emploi inoccupĂ© depuis au moins deux ans avant l'entrĂ©e en service.
§ 2. La réduction groupes-cibles pour l'embauche de personnes sans expérience professionnelle récente et durable consiste en une réduction forfaitaire G1 pendant le trimestre de l'embauche et les trois trimestres suivants.
§ 3. Pour la détermination de la période visée au paragraphe 1er, 2°, les périodes d'inactivité suivantes sont assimilées :
1° les périodes d'incapacité de travail pour cause de maladie ou d'accident ;
2° les périodes de détention ;
3° les périodes d'interruption de l'inscription comme demandeur d'emploi inoccupé si cette interruption n'excÚde pas trois mois.
La personne qui est en incapacité de travail pour cause de maladie ou d'accident au moment de l'entrée en service est exemptée de la condition mentionnée à l'article 353bis/17, alinéa 2, 1° de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I).
Le ministre flamand ayant l'emploi dans ses attributions peut assimiler les périodes d'inactivité supplémentaires à une inscription en tant que demandeur d'emploi inoccupé.
§ 4. Le plafond salarial visé à l'article 353bis/17, alinéa 2, 2°, de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), s'élÚve à 10 000 euros.
§ 5. L'employeur ou le travailleur qui conteste l'exactitude des données visées au paragraphe 3 peut introduire une demande de modification auprÚs du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale du MinistÚre flamand de l'Emploi et de l'Economie sociale. La demande précitée est accompagnée des piÚces justificatives nécessaires.
§ 6. Lorsqu'une réduction groupes-cibles est accordée à un employeur pour un travailleur qu'il engage à nouveau dans une période de quatre trimestres aprÚs la fin du contrat de travail précédent, ces occupations sont considérées, pour la fixation de la réduction groupes-cibles forfaitaire et pour sa durée, comme une seule occupation. La période située entre les contrats de travail ne prolonge la période pendant laquelle la réduction groupes-cibles est accordée.]1
Wijzigingen
TITEL IV. - Opheffende en wijzigende bepalingen.
TITRE IV. - Dispositions abrogatoires et modificatives.
HOOFDSTUK I. - Opheffende bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions abrogatoires.
Art. 29. Worden opgeheven :
1° (ingetrokken) <KB 2004-01-21/33, art. 73, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 30 november 2001 en 4 december 2002;
3° artikel 7 van het koninklijk besluit van 30 maart 2000 tot uitvoering van de artikelen 23, § 3, 32, tweede en derde lid, 33, § 2, derde lid, 34, 36, 37, § 1, 1°, 39, § 4, tweede lid, en § 5, tweede lid, 42, § 2, 44, § 4, derde lid, 46, eerste lid, 47, § 4, eerste en vierde lid, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 maart 2001;
4° artikel 6, tweede lid van het koninklijk besluit van 18 juli 2000 tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 december 1994 tot uitvoering van hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen;
5° artikelen 2, § 2, (...) 13°, 5, 6, 8, 9, (...) alle gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 december 2002, (...) 17 en 30, tweede lid van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden; <KB 2004-01-21/33, art. 73, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
6° artikel 7 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma en tot vaststelling van de tijdelijke vermindering of vrijstelling van werkgeversbijdragen;
7° artikel 5 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief en tot vaststelling van de vrijstelling van werkgeversbijdragen;
8° artikel 7 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma en tot vaststelling van de tijdelijke vermindering of vrijstelling van werkgeversbijdragen;
9° artikel 5 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief en tot vaststelling van de vrijstelling van werkgeversbijdragen;
1° (ingetrokken) <KB 2004-01-21/33, art. 73, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
2° artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 30 november 2001 en 4 december 2002;
3° artikel 7 van het koninklijk besluit van 30 maart 2000 tot uitvoering van de artikelen 23, § 3, 32, tweede en derde lid, 33, § 2, derde lid, 34, 36, 37, § 1, 1°, 39, § 4, tweede lid, en § 5, tweede lid, 42, § 2, 44, § 4, derde lid, 46, eerste lid, 47, § 4, eerste en vierde lid, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 maart 2001;
4° artikel 6, tweede lid van het koninklijk besluit van 18 juli 2000 tot wijziging van het koninklijk besluit van 27 december 1994 tot uitvoering van hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen;
5° artikelen 2, § 2, (...) 13°, 5, 6, 8, 9, (...) alle gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 december 2002, (...) 17 en 30, tweede lid van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden; <KB 2004-01-21/33, art. 73, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
6° artikel 7 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma en tot vaststelling van de tijdelijke vermindering of vrijstelling van werkgeversbijdragen;
7° artikel 5 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief en tot vaststelling van de vrijstelling van werkgeversbijdragen;
8° artikel 7 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een doorstromingsprogramma en tot vaststelling van de tijdelijke vermindering of vrijstelling van werkgeversbijdragen;
9° artikel 5 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief en tot vaststelling van de vrijstelling van werkgeversbijdragen;
Art. 29. Sont abrogés :
1° (rapporté) <AR 2004-01-21/33, art. 73, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 30 novembre 2001 et 4 dĂ©cembre 2002;
3° l'article 7 de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 2000 d'exĂ©cution des articles 23, § 3, 32, alinĂ©as 2 et 3, 33, § 2, alinĂ©a 3, 34, 36, 37, § 1er, 1°, 39, § 4, alinĂ©a 2, et § 5, alinĂ©a 2, 42, § 2, 44, § 4, alinĂ©a 3, 46, alinĂ©a 1er, 47, § 4, alinĂ©as 1er et 4, de la loi du 24 dĂ©cembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 mars 2001;
4° l'article 6, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© royal du 18 juillet 2000 modifiant l'arrĂȘtĂ© royal du 27 dĂ©cembre 1994 portant exĂ©cution du chapitre II du Titre IV de la loi du 21 dĂ©cembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses;
5° les articles 2, § 2, (...) 13°, 5, 6, 8, 9, (...) tous modifiĂ©s par l'arrĂȘtĂ© royal du 9 dĂ©cembre 2002, (...) 17 et 30, alinĂ©a 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 de promotion de mise Ă l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durĂ©e; <AR 2004-01-21/33, art. 73, 002; En vigueur : 01-01-2004>
6° l'article 7 de l'arrĂȘtĂ© royal du 11 juillet 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale mis au travail dans un programme de transition professionnelle et dĂ©terminant la rĂ©duction temporaire ou la dispense de cotisations patronales;
7° l'article 5 de l'arrĂȘtĂ© royal du 11 juillet 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale mis au travail dans une initiative d'insertion sociale et dĂ©terminant la dispense de cotisations patronales;
8° l'article 7 de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 novembre 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit a une aide sociale financiĂšre mis au travail dans un programme de transition professionnelle et dĂ©terminant la rĂ©duction temporaire ou la dispense de cotisations patronales;
9° l'article 5 de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 novembre 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă une aide sociale financiĂšre mis au travail dans une initiative d'insertion sociale et dĂ©terminant la dispense de cotisations patronales.
1° (rapporté) <AR 2004-01-21/33, art. 73, 002; En vigueur : 01-01-2004>
2° l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 30 novembre 2001 et 4 dĂ©cembre 2002;
3° l'article 7 de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 2000 d'exĂ©cution des articles 23, § 3, 32, alinĂ©as 2 et 3, 33, § 2, alinĂ©a 3, 34, 36, 37, § 1er, 1°, 39, § 4, alinĂ©a 2, et § 5, alinĂ©a 2, 42, § 2, 44, § 4, alinĂ©a 3, 46, alinĂ©a 1er, 47, § 4, alinĂ©as 1er et 4, de la loi du 24 dĂ©cembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 mars 2001;
4° l'article 6, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© royal du 18 juillet 2000 modifiant l'arrĂȘtĂ© royal du 27 dĂ©cembre 1994 portant exĂ©cution du chapitre II du Titre IV de la loi du 21 dĂ©cembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses;
5° les articles 2, § 2, (...) 13°, 5, 6, 8, 9, (...) tous modifiĂ©s par l'arrĂȘtĂ© royal du 9 dĂ©cembre 2002, (...) 17 et 30, alinĂ©a 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 de promotion de mise Ă l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durĂ©e; <AR 2004-01-21/33, art. 73, 002; En vigueur : 01-01-2004>
6° l'article 7 de l'arrĂȘtĂ© royal du 11 juillet 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale mis au travail dans un programme de transition professionnelle et dĂ©terminant la rĂ©duction temporaire ou la dispense de cotisations patronales;
7° l'article 5 de l'arrĂȘtĂ© royal du 11 juillet 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale mis au travail dans une initiative d'insertion sociale et dĂ©terminant la dispense de cotisations patronales;
8° l'article 7 de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 novembre 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit a une aide sociale financiĂšre mis au travail dans un programme de transition professionnelle et dĂ©terminant la rĂ©duction temporaire ou la dispense de cotisations patronales;
9° l'article 5 de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 novembre 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă une aide sociale financiĂšre mis au travail dans une initiative d'insertion sociale et dĂ©terminant la dispense de cotisations patronales.
Art. 30. Worden opgeheven :
1° het koninklijk besluit van 22 mei 1987 tot uitvoering van het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 19 augustus 1991, 9 november 1992, 8 oktober 1998 en 20 juli 2000;
2° het koninklijk besluit van 3 november 1987 tot uitvoering van artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 495 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 mei 1990 en 8 juli 1998;
3° het koninklijk besluit van 30 maart 1995 tot uitvoering van hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen wat betreft de inschakelingsbedrijven en de vennootschappen met een sociaal oogmerk, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 juli 1996, 31 oktober 1996 en 30 november 2001;
4° het koninklijk besluit van 22 december 1995 tot uitvoering van artikel 18, § 4, tweede lid van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid;
5° het koninklijk besluit van 28 oktober 1996 betreffende de te volgen procedure door de inschakelingsbedrijven en de vennootschappen met een sociaal oogmerk om te kunnen genieten van het banenplan ter bevordering van de tewerkstelling van werkzoekenden, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 januari 2003;
6° het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1bis, vierde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen;
7° het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot uitvoering van artikel 35, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 januari 2003;
8° het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot uitvoering van artikel 35, § 4, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 september 2000 en 7 juli 2002;
9° het koninklijk besluit van 15 mei 2000 tot uitvoering van de artikelen 118, § 1, 8°, van de programmawet van 30 december 1988 en 6, § 1, 13°, van het koninklijk besluit van 14 maart 1997 houdende specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine en middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
10° het koninklijk besluit van 27 september 2001 houdende vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten betreffende de maatregelen van de algemene arbeidsduurvermindering tot 38 uren per week en de collectieve arbeidsduurvermindering;
11° het koninklijk besluit van 27 september 2001 tot uitvoering van artikel 8, § 1, tweede lid, en § 3, van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven.
1° het koninklijk besluit van 22 mei 1987 tot uitvoering van het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 19 augustus 1991, 9 november 1992, 8 oktober 1998 en 20 juli 2000;
2° het koninklijk besluit van 3 november 1987 tot uitvoering van artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 495 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 mei 1990 en 8 juli 1998;
3° het koninklijk besluit van 30 maart 1995 tot uitvoering van hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen wat betreft de inschakelingsbedrijven en de vennootschappen met een sociaal oogmerk, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 juli 1996, 31 oktober 1996 en 30 november 2001;
4° het koninklijk besluit van 22 december 1995 tot uitvoering van artikel 18, § 4, tweede lid van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid;
5° het koninklijk besluit van 28 oktober 1996 betreffende de te volgen procedure door de inschakelingsbedrijven en de vennootschappen met een sociaal oogmerk om te kunnen genieten van het banenplan ter bevordering van de tewerkstelling van werkzoekenden, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 januari 2003;
6° het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1bis, vierde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen;
7° het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot uitvoering van artikel 35, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 januari 2003;
8° het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot uitvoering van artikel 35, § 4, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 september 2000 en 7 juli 2002;
9° het koninklijk besluit van 15 mei 2000 tot uitvoering van de artikelen 118, § 1, 8°, van de programmawet van 30 december 1988 en 6, § 1, 13°, van het koninklijk besluit van 14 maart 1997 houdende specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine en middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;
10° het koninklijk besluit van 27 september 2001 houdende vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten betreffende de maatregelen van de algemene arbeidsduurvermindering tot 38 uren per week en de collectieve arbeidsduurvermindering;
11° het koninklijk besluit van 27 september 2001 tot uitvoering van artikel 8, § 1, tweede lid, en § 3, van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven.
Art. 30. Sont abrogés :
1° l'arrĂȘtĂ© royal du 22 mai 1987 pris en exĂ©cution de l'arrĂȘtĂ© royal n° 495 du 31 dĂ©cembre 1986 instaurant un systĂšme associant le travail et la formation pour les jeunes de 18 Ă 25 ans et portant rĂ©duction temporaire des cotisations patronales de sĂ©curitĂ© sociale dues dans le chef de ces jeunes, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 19 aoĂ»t 1991, 9 novembre 1992, 8 octobre 1998 et 20 juillet 2000;
2° l'arrĂȘtĂ© royal du 3 novembre 1987 portant exĂ©cution de l'article 5, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal n° 495 visant Ă instaurer un systĂšme associant le travail et la formation pour les jeunes de 18 Ă 25 ans et visant une diminution temporaire des cotisations patronales de sĂ©curitĂ© sociale dues dans le chef de ces jeunes, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 23 mai 1990 et 8 juillet 1998;
3° l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 1995 portant exĂ©cution du chapitre II du Titre IV de la loi du 21 dĂ©cembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses aux entreprises d'insertion et aux sociĂ©tĂ©s Ă finalitĂ© sociale, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 15 juillet 1996, 31 octobre 1996 et 30 novembre 2001;
4° l'arrĂȘtĂ© royal du 22 dĂ©cembre 1995 portant exĂ©cution de l'article 18, § 4, deuxiĂšme alinĂ©a, de la loi du 22 dĂ©cembre 1995 portant des mesures visant Ă exĂ©cuter le plan pluriannuel pour l'emploi;
5° l'arrĂȘtĂ© royal du 28 octobre 1996 dĂ©terminant la procĂ©dure Ă suivre par les entreprises d'insertion et les sociĂ©tĂ©s Ă finalitĂ© sociale pour bĂ©nĂ©ficier du plan d'embauche pour la promotion du recrutement des demandeurs d'emploi, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 13 janvier 2003;
6° l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1erbis, alinĂ©a 4, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer;
7° l'arrĂȘtĂ© royal du 7 mai 1999 pris en exĂ©cution de l'article 35, § 1er, de la loi du 29 juin 1981 Ă©tablissant les principes gĂ©nĂ©raux de la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs salariĂ©s, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 13 janvier 2003;
8° l'arrĂȘtĂ© royal du 7 mai 1999 pris en exĂ©cution de l'article 35, § 4, de la loi du 29 juin 1981 Ă©tablissant les principes gĂ©nĂ©raux de la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs salariĂ©s, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 17 septembre 2000 et 7 juillet 2002;
9° l'arrĂȘtĂ© royal du 15 mai 2000 pris en exĂ©cution des articles 118, § 1er, 8°, de la loi-programme du 30 dĂ©cembre 1988 et 6, § 1er, 13°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 mars 1997 portant des mesures spĂ©cifiques de promotion de l'emploi pour les petites et moyennes entreprises en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative Ă la promotion de l'emploi et Ă la sauvegarde prĂ©ventive de la compĂ©titivitĂ©;
10° l'arrĂȘtĂ© royal du 27 septembre 2001 fixant les modalitĂ©s d'exĂ©cution des mesures de la rĂ©duction gĂ©nĂ©rale du temps de travail Ă 38 heures par semaine et de la rĂ©duction collective du temps de travail;
11° l'arrĂȘtĂ© royal du 27 septembre 2001 pris en exĂ©cution de l'article 8, § 1er, alinĂ©a 2, et § 3, de la loi du 10 aoĂ»t 2001 relative Ă la conciliation entre l'emploi et la qualitĂ© de vie.
1° l'arrĂȘtĂ© royal du 22 mai 1987 pris en exĂ©cution de l'arrĂȘtĂ© royal n° 495 du 31 dĂ©cembre 1986 instaurant un systĂšme associant le travail et la formation pour les jeunes de 18 Ă 25 ans et portant rĂ©duction temporaire des cotisations patronales de sĂ©curitĂ© sociale dues dans le chef de ces jeunes, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 19 aoĂ»t 1991, 9 novembre 1992, 8 octobre 1998 et 20 juillet 2000;
2° l'arrĂȘtĂ© royal du 3 novembre 1987 portant exĂ©cution de l'article 5, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal n° 495 visant Ă instaurer un systĂšme associant le travail et la formation pour les jeunes de 18 Ă 25 ans et visant une diminution temporaire des cotisations patronales de sĂ©curitĂ© sociale dues dans le chef de ces jeunes, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 23 mai 1990 et 8 juillet 1998;
3° l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 1995 portant exĂ©cution du chapitre II du Titre IV de la loi du 21 dĂ©cembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses aux entreprises d'insertion et aux sociĂ©tĂ©s Ă finalitĂ© sociale, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 15 juillet 1996, 31 octobre 1996 et 30 novembre 2001;
4° l'arrĂȘtĂ© royal du 22 dĂ©cembre 1995 portant exĂ©cution de l'article 18, § 4, deuxiĂšme alinĂ©a, de la loi du 22 dĂ©cembre 1995 portant des mesures visant Ă exĂ©cuter le plan pluriannuel pour l'emploi;
5° l'arrĂȘtĂ© royal du 28 octobre 1996 dĂ©terminant la procĂ©dure Ă suivre par les entreprises d'insertion et les sociĂ©tĂ©s Ă finalitĂ© sociale pour bĂ©nĂ©ficier du plan d'embauche pour la promotion du recrutement des demandeurs d'emploi, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 13 janvier 2003;
6° l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1erbis, alinĂ©a 4, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer;
7° l'arrĂȘtĂ© royal du 7 mai 1999 pris en exĂ©cution de l'article 35, § 1er, de la loi du 29 juin 1981 Ă©tablissant les principes gĂ©nĂ©raux de la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs salariĂ©s, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 13 janvier 2003;
8° l'arrĂȘtĂ© royal du 7 mai 1999 pris en exĂ©cution de l'article 35, § 4, de la loi du 29 juin 1981 Ă©tablissant les principes gĂ©nĂ©raux de la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs salariĂ©s, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux des 17 septembre 2000 et 7 juillet 2002;
9° l'arrĂȘtĂ© royal du 15 mai 2000 pris en exĂ©cution des articles 118, § 1er, 8°, de la loi-programme du 30 dĂ©cembre 1988 et 6, § 1er, 13°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 mars 1997 portant des mesures spĂ©cifiques de promotion de l'emploi pour les petites et moyennes entreprises en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative Ă la promotion de l'emploi et Ă la sauvegarde prĂ©ventive de la compĂ©titivitĂ©;
10° l'arrĂȘtĂ© royal du 27 septembre 2001 fixant les modalitĂ©s d'exĂ©cution des mesures de la rĂ©duction gĂ©nĂ©rale du temps de travail Ă 38 heures par semaine et de la rĂ©duction collective du temps de travail;
11° l'arrĂȘtĂ© royal du 27 septembre 2001 pris en exĂ©cution de l'article 8, § 1er, alinĂ©a 2, et § 3, de la loi du 10 aoĂ»t 2001 relative Ă la conciliation entre l'emploi et la qualitĂ© de vie.
HOOFDSTUK II. - Wijzigende bepalingen.
CHAPITRE II. - Dispositions modificatives.
Art. 31. In artikel 4 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 augustus 1984, 29 juni 1987 en 22 april 1999, wordt de eerste volzin als volgt aangevuld :
", en dit tot 31 december van het jaar waarin voornoemde leerlingen of stagiairs de leeftijd van achttien jaar bereiken. ";
", en dit tot 31 december van het jaar waarin voornoemde leerlingen of stagiairs de leeftijd van achttien jaar bereiken. ";
Art. 31. A l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 28 novembre 1969 pris en exĂ©cution de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux du 13 aoĂ»t 1984, du 29 juin 1987 et du 22 avril 1999, la premiĂšre phrase est complĂ©tĂ©e comme suit :
", et ce jusqu'au 31 décembre de l'année dans laquelle les apprentis ou stagiaires précités atteignent l'ùge de dix-huit ans. ";
", et ce jusqu'au 31 décembre de l'année dans laquelle les apprentis ou stagiaires précités atteignent l'ùge de dix-huit ans. ";
Art. 32. In artikel 5bis van hetzelfde besluit van 28 november 1969, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 augustus 1984 en 30 november 2001, worden de woorden " van deeltijdse leerplicht, bedoeld bij artikel 1, § 1, 3°, van de wet van 29 juni 1983 betreffende de leerplicht, " vervangen door de woorden " die eindigt op 31 december van het jaar waarin zij de leeftijd van achttien jaar bereiken, ".
Art. 32. Dans l'article 5bis du mĂȘme arrĂȘtĂ© du 28 novembre 1969, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux du 13 aoĂ»t 1984 et du 30 novembre 2001, les mots " de l'obligation scolaire Ă temps partiel, visĂ©e Ă l'article 1er, § 1er, 3°, de la loi du 29 juin 1983 concernant l'obligation scolaire, " sont remplacĂ©s par les mots " qui se termine au 31 dĂ©cembre de l'annĂ©e dans laquelle ils atteignent l'Ăąge de dix-huit ans, ".
Art. 33. In het opschrift van het koninklijk besluit van 30 maart 2000 tot uitvoering van de artikelen 23, § 3, 32, tweede en derde lid, 33, § 2, derde lid, 34, 36, 37, § 1, 1°, 39, § 4, tweede lid, en § 5, tweede lid, 42, § 2, 44, § 4, derde lid, 46, eerste lid, 47, § 4, eerste en vierde lid, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, worden de woorden " 27, eerste lid, 2°, " ingevoegd tussen de woorden " 23, § 3, " en " 32, tweede en derde lid ".
Art. 33. Dans l'intitulĂ© de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 2000 d'exĂ©cution des articles 23, § 3, 32, alinĂ©as 2 et 3, 33, § 2, alinĂ©a 3, 34, 36, 37, § 1er, 1°, 39, § 4, alinĂ©a 2, et § 5, alinĂ©a 2, 42, § 2, 44, § 4, alinĂ©a 3, 46, alinĂ©a 1er, 47, § 4, alinĂ©as 1er et 4, de la loi du 24 dĂ©cembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi, les mots " 27, alinĂ©a 1er, 2°, " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " 23, § 3, " et " 32, alinĂ©as 2 et 3 ".
Art. 34. In artikel 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 maart 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) § 1, eerste lid, wordt opgeheven;
b) in § 1, tweede lid, worden de woorden " 1° en, " geschrapt;
c) § 1, derde lid, wordt opgeheven;
d) in § 1, vierde lid, worden de woorden " 1° en, " geschrapt;
e) § 1, zesde lid, wordt opgeheven;
f) in § 1, zevende lid, worden de woorden " 1° en, " geschrapt;
g) in § 2, eerste lid, worden de woorden " 1°, " geschrapt;
h) in § 2, tweede lid, wordt het woord " drie " geschrapt;
i) in § 2, vijfde lid, worden de woorden " de jongeren bedoeld in artikel 23, § 1, 2°, van de wet en, in voorkomend geval, " geschrapt;
j) in § 2, zesde lid, worden de woorden " en, in voorkomend geval, de jongeren bepaald in artikel 23, § 1, 1°, van de wet, " geschrapt;
k) in § 3, eerste lid, worden in de eerste zin de woorden " in artikel 23, § 1, 1°, van de wet " vervangen door de woorden " in artikel 23, § 1, 2°, van de wet ";
l) in § 3, eerste lid, worden in de tweede zin de woorden " in artikel 23, § 1, 2° en 3°, " vervangen door de woorden " in artikel 23, § 1, 3°, van de wet ".
a) § 1, eerste lid, wordt opgeheven;
b) in § 1, tweede lid, worden de woorden " 1° en, " geschrapt;
c) § 1, derde lid, wordt opgeheven;
d) in § 1, vierde lid, worden de woorden " 1° en, " geschrapt;
e) § 1, zesde lid, wordt opgeheven;
f) in § 1, zevende lid, worden de woorden " 1° en, " geschrapt;
g) in § 2, eerste lid, worden de woorden " 1°, " geschrapt;
h) in § 2, tweede lid, wordt het woord " drie " geschrapt;
i) in § 2, vijfde lid, worden de woorden " de jongeren bedoeld in artikel 23, § 1, 2°, van de wet en, in voorkomend geval, " geschrapt;
j) in § 2, zesde lid, worden de woorden " en, in voorkomend geval, de jongeren bepaald in artikel 23, § 1, 1°, van de wet, " geschrapt;
k) in § 3, eerste lid, worden in de eerste zin de woorden " in artikel 23, § 1, 1°, van de wet " vervangen door de woorden " in artikel 23, § 1, 2°, van de wet ";
l) in § 3, eerste lid, worden in de tweede zin de woorden " in artikel 23, § 1, 2° en 3°, " vervangen door de woorden " in artikel 23, § 1, 3°, van de wet ".
Art. 34. A l'article 2 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘte royal du 23 mars 2001, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
a) § 1er, alinéa 1er, est abrogé;
b) dans le § 1er, alinéa 2, les mots " 1° et, " sont supprimés;
c) § 1er, alinéa 3, est abrogé;
d) dans le § 1er, alinéa 4, les mots " 1° et, " sont supprimés;
e) § 1er, alinéa 6, est abrogé;
f) dans le § 1er, alinéa 7, les mots " 1° et, " sont supprimés;
g) dans le § 2, alinéa 1er, les mots " 1°, " sont supprimés;
h) dans le § 2, alinéa 2, le mot " trois " est supprimé;
i) dans le § 2, alinéa 5, les mots " les jeunes définis par l'article 23, § 1er, 2°, de la loi et, le cas échéant, " sont supprimés;
j) dans le § 2, alinéa 6, les mots " et, le cas échéant, les jeunes définis par l'article 23, § 1er, 1°, de la loi, " sont supprimés;
k) dans le § 3, alinéa 1er, premiÚre phrase, les mots " par l'article 23, § 1er, 1°, de la loi " sont remplaces par les mots " par l'article 23, § 1er, 2°, de la loi ";
l) dans le § 3, alinéa 1er, seconde phrase, les mots " par l'article 23, § 1er, 2° et 3°, de la loi " sont remplacés par les mots " par l'article 23, § 1er, 3°, de la loi. "
a) § 1er, alinéa 1er, est abrogé;
b) dans le § 1er, alinéa 2, les mots " 1° et, " sont supprimés;
c) § 1er, alinéa 3, est abrogé;
d) dans le § 1er, alinéa 4, les mots " 1° et, " sont supprimés;
e) § 1er, alinéa 6, est abrogé;
f) dans le § 1er, alinéa 7, les mots " 1° et, " sont supprimés;
g) dans le § 2, alinéa 1er, les mots " 1°, " sont supprimés;
h) dans le § 2, alinéa 2, le mot " trois " est supprimé;
i) dans le § 2, alinéa 5, les mots " les jeunes définis par l'article 23, § 1er, 2°, de la loi et, le cas échéant, " sont supprimés;
j) dans le § 2, alinéa 6, les mots " et, le cas échéant, les jeunes définis par l'article 23, § 1er, 1°, de la loi, " sont supprimés;
k) dans le § 3, alinéa 1er, premiÚre phrase, les mots " par l'article 23, § 1er, 1°, de la loi " sont remplaces par les mots " par l'article 23, § 1er, 2°, de la loi ";
l) dans le § 3, alinéa 1er, seconde phrase, les mots " par l'article 23, § 1er, 2° et 3°, de la loi " sont remplacés par les mots " par l'article 23, § 1er, 3°, de la loi. "
Art. 35. In hetzelfde besluit wordt een artikel 2bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 2bis. De duur van de periode, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2° en 3°, van de wet, is minstens gelijk aan de duur van de periode die aanvangt bij het begin van de uitvoering van de startbaanovereenkomst en eindigt op 30 juni van het lopend schooljaar, zonder echter minder dan zes maanden te mogen bedragen. "
" Art. 2bis. De duur van de periode, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2° en 3°, van de wet, is minstens gelijk aan de duur van de periode die aanvangt bij het begin van de uitvoering van de startbaanovereenkomst en eindigt op 30 juni van het lopend schooljaar, zonder echter minder dan zes maanden te mogen bedragen. "
Art. 35. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ©, est insĂ©rĂ© l'article 2bis, rĂ©digĂ©s comme suit :
" Art. 2bis. La durĂ©e de la pĂ©riode visĂ©e Ă l'article 27, alinĂ©a 1er, 2° et 3°, de la loi, est au moins Ă©gale Ă la durĂ©e de la pĂ©riode qui commence au dĂ©but de l'exĂ©cution de la convention de premier emploi et qui se termine au 30 juin de l'annĂ©e scolaire en cours, sans toutefois pouvoir ĂȘtre infĂ©rieure Ă six mois. "
" Art. 2bis. La durĂ©e de la pĂ©riode visĂ©e Ă l'article 27, alinĂ©a 1er, 2° et 3°, de la loi, est au moins Ă©gale Ă la durĂ©e de la pĂ©riode qui commence au dĂ©but de l'exĂ©cution de la convention de premier emploi et qui se termine au 30 juin de l'annĂ©e scolaire en cours, sans toutefois pouvoir ĂȘtre infĂ©rieure Ă six mois. "
Art. 36. In hetzelfde besluit wordt een artikel 2ter ingevoegd, luidende :
" Art. 2ter. Alle door de bevoegde Gewest- of Gemeenschapsoverheden ingerichte, gesubsidieerde of erkende types of vormen van onderwijs, cursussen, opleidingen of vormingen, alsook sectorale opleidingen, georganiseerd op grond van een beslissing van het bevoegd paritair comité, mogen door de betrokken jongere gevolgd worden in het kader van een startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet. "
" Art. 2ter. Alle door de bevoegde Gewest- of Gemeenschapsoverheden ingerichte, gesubsidieerde of erkende types of vormen van onderwijs, cursussen, opleidingen of vormingen, alsook sectorale opleidingen, georganiseerd op grond van een beslissing van het bevoegd paritair comité, mogen door de betrokken jongere gevolgd worden in het kader van een startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet. "
Art. 36. Un article 2ter, rĂ©digĂ© comme suit, est insĂ©rĂ© dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© :
" Art. 2ter. Tous types ou formes d'enseignement, de cours ou de formations organisĂ©s, subventionnĂ©s ou agréés par les autoritĂ©s rĂ©gionales ou communautaires compĂ©tentes, ainsi que des formations sectorielles organisĂ©es en vertu d'une dĂ©cision de la commission paritaire compĂ©tente, peuvent ĂȘtre suivis par le jeune concernĂ© dans le cadre d'une convention de premier emploi visĂ©e Ă l'article 27, alinĂ©a 1er, 2°, de la loi. "
" Art. 2ter. Tous types ou formes d'enseignement, de cours ou de formations organisĂ©s, subventionnĂ©s ou agréés par les autoritĂ©s rĂ©gionales ou communautaires compĂ©tentes, ainsi que des formations sectorielles organisĂ©es en vertu d'une dĂ©cision de la commission paritaire compĂ©tente, peuvent ĂȘtre suivis par le jeune concernĂ© dans le cadre d'une convention de premier emploi visĂ©e Ă l'article 27, alinĂ©a 1er, 2°, de la loi. "
Art. 37. In hetzelfde besluit wordt een artikel 2quater ingevoegd, luidende :
" Art. 2quater. De opleiding, gevolgd in het kader van een startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, moet op jaarbasis gemiddeld minstens 240 uren bedragen. "
" Art. 2quater. De opleiding, gevolgd in het kader van een startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, moet op jaarbasis gemiddeld minstens 240 uren bedragen. "
Art. 37. Un article 2quater, rĂ©digĂ© comme suit, est insĂ©rĂ© dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© :
" Art. 2quater. La formation suivie dans le cadre d'une convention de premier emploi visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi doit porter au minimum sur un total de 240 heures en moyenne par an. "
" Art. 2quater. La formation suivie dans le cadre d'une convention de premier emploi visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi doit porter au minimum sur un total de 240 heures en moyenne par an. "
Art. 38. In hetzelfde besluit wordt een artikel 2quinquies ingevoegd, luidende :
" Art. 2quinquies. In afwijking op de bepalingen van artikel 11bis, derde lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten mag de deeltijdse, minstens halftijdse tewerkstelling in het kader van een startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, op jaarbasis vastgesteld worden, zonder dat de jaarlijkse gemiddelde conventionele arbeidsduur voor een voltijdse tewerkstelling, verminderd met de jaarlijkse gemiddelde duur van de opleiding, overschreden mag worden.
Duurt de startbaanovereenkomst minder dan 12 maanden, dan moet de jaarlijkse gemiddelde conventionele arbeidsduur voor een voltijdse tewerkstelling proportioneel verminderd worden voor de in het eerste lid voorziene vaststelling van de deeltijdse tewerkstelling.
De tijd die de betrokken jongere aan zijn opleiding besteedt wordt beschouwd als arbeidstijd voor de toepassing van de arbeidswet van 16 maart 1971. "
" Art. 2quinquies. In afwijking op de bepalingen van artikel 11bis, derde lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten mag de deeltijdse, minstens halftijdse tewerkstelling in het kader van een startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, op jaarbasis vastgesteld worden, zonder dat de jaarlijkse gemiddelde conventionele arbeidsduur voor een voltijdse tewerkstelling, verminderd met de jaarlijkse gemiddelde duur van de opleiding, overschreden mag worden.
Duurt de startbaanovereenkomst minder dan 12 maanden, dan moet de jaarlijkse gemiddelde conventionele arbeidsduur voor een voltijdse tewerkstelling proportioneel verminderd worden voor de in het eerste lid voorziene vaststelling van de deeltijdse tewerkstelling.
De tijd die de betrokken jongere aan zijn opleiding besteedt wordt beschouwd als arbeidstijd voor de toepassing van de arbeidswet van 16 maart 1971. "
Art. 38. Un article 2quinquies, rĂ©digĂ© comme suit, est insĂ©rĂ© dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© :
" Art. 2quinquies. Par dĂ©rogation aux dispositions de l'article 11bis, alinĂ©a 3, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, l'occupation Ă temps partiel, Ă mi-temps au moins, dans le cadre d'une convention de premier emploi visĂ©e a l'article 27, alinĂ©a 1er, 2°, de la loi peut ĂȘtre fixĂ©e sur une base annuelle, sans que la durĂ©e de travail conventionnelle annuelle moyenne pour un emploi Ă temps plein diminuĂ©e de la durĂ©e annuelle moyenne de la formation puisse ĂȘtre dĂ©passĂ©e.
Lorsque la durĂ©e de la convention de premier emploi n'atteint pas les 12 mois, la durĂ©e de travail conventionnelle annuelle moyenne pour un emploi Ă temps plein doit ĂȘtre rĂ©duite proportionnellement en vue de la fixation de l'occupation Ă temps partiel prĂ©vue Ă l'alinĂ©a 1er.
Le temps consacré à la formation est considéré comme temps de travail pour l'application de la loi du 16 mars 1971 sur le travail. "
" Art. 2quinquies. Par dĂ©rogation aux dispositions de l'article 11bis, alinĂ©a 3, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, l'occupation Ă temps partiel, Ă mi-temps au moins, dans le cadre d'une convention de premier emploi visĂ©e a l'article 27, alinĂ©a 1er, 2°, de la loi peut ĂȘtre fixĂ©e sur une base annuelle, sans que la durĂ©e de travail conventionnelle annuelle moyenne pour un emploi Ă temps plein diminuĂ©e de la durĂ©e annuelle moyenne de la formation puisse ĂȘtre dĂ©passĂ©e.
Lorsque la durĂ©e de la convention de premier emploi n'atteint pas les 12 mois, la durĂ©e de travail conventionnelle annuelle moyenne pour un emploi Ă temps plein doit ĂȘtre rĂ©duite proportionnellement en vue de la fixation de l'occupation Ă temps partiel prĂ©vue Ă l'alinĂ©a 1er.
Le temps consacré à la formation est considéré comme temps de travail pour l'application de la loi du 16 mars 1971 sur le travail. "
Art. 39. In hetzelfde besluit wordt een artikel 2sexies ingevoegd, luidende :
" Art. 2sexies. Elke startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, moet opgesteld worden op basis van het als bijlage bij dit besluit gevoegd model. "
" Art. 2sexies. Elke startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, moet opgesteld worden op basis van het als bijlage bij dit besluit gevoegd model. "
Art. 39. Un article 2sexies, rĂ©digĂ© comme suit, est insĂ©rĂ© dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© :
" Art. 2sexies. Toute convention de premier emploi visĂ©e Ă l'article 27, alinĂ©a 1er, 2°, de la loi doit ĂȘtre Ă©tablie sur base du modĂšle joint en annexe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©. "
" Art. 2sexies. Toute convention de premier emploi visĂ©e Ă l'article 27, alinĂ©a 1er, 2°, de la loi doit ĂȘtre Ă©tablie sur base du modĂšle joint en annexe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©. "
Art. 40. In hetzelfde besluit wordt een artikel 2septies ingevoegd, luidende :
" Art. 2septies. § 1. De werkgever die betrokken is bij een startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, moet in het bezit zijn van een bewijs dat de jongere daadwerkelijk voor de lessen, cursussen, opleiding of vorming is ingeschreven of daadwerkelijk een bedrijfs- of beroepsopleiding gaat volgen.
Dit bewijs kan een inschrijvingsattest zijn, afgeleverd door de verantwoordelijke van de onderwijs-, opleidings- of vormingsinstelling, hetzij een overeenkomst inzake bedrijfs- of beroepsopleiding, geviseerd door de bevoegde toezichthoudende overheidsdienst.
§ 2. De jongere die betrokken is bij een startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, moet op het einde van elk kwartaal zoals bedoeld in artikel 1, 4°, van dit besluit, aan de werkgever een attest bezorgen dat bewijst dat hij de lessen, cursussen, opleiding of vorming regelmatig volgt of dat hij zijn overeenkomst inzake bedrijfs- of beroepsopleiding regelmatig uitvoert.
Dit attest wordt afgeleverd door de verantwoordelijke van de onderwijs-, opleidings- of vormingsinstelling of door de bevoegde overheidsdienst die toezicht houdt op de bedrijfs- of beroepsopleiding.
§ 3. De in §§ 1 en 2 bedoelde attesten of stukken worden beschouwd als stavingsstukken in de zin van artikel 328 van de wet van 24 december 2002 betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van sociale zekerheidsbijdragen. "
" Art. 2septies. § 1. De werkgever die betrokken is bij een startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, moet in het bezit zijn van een bewijs dat de jongere daadwerkelijk voor de lessen, cursussen, opleiding of vorming is ingeschreven of daadwerkelijk een bedrijfs- of beroepsopleiding gaat volgen.
Dit bewijs kan een inschrijvingsattest zijn, afgeleverd door de verantwoordelijke van de onderwijs-, opleidings- of vormingsinstelling, hetzij een overeenkomst inzake bedrijfs- of beroepsopleiding, geviseerd door de bevoegde toezichthoudende overheidsdienst.
§ 2. De jongere die betrokken is bij een startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, moet op het einde van elk kwartaal zoals bedoeld in artikel 1, 4°, van dit besluit, aan de werkgever een attest bezorgen dat bewijst dat hij de lessen, cursussen, opleiding of vorming regelmatig volgt of dat hij zijn overeenkomst inzake bedrijfs- of beroepsopleiding regelmatig uitvoert.
Dit attest wordt afgeleverd door de verantwoordelijke van de onderwijs-, opleidings- of vormingsinstelling of door de bevoegde overheidsdienst die toezicht houdt op de bedrijfs- of beroepsopleiding.
§ 3. De in §§ 1 en 2 bedoelde attesten of stukken worden beschouwd als stavingsstukken in de zin van artikel 328 van de wet van 24 december 2002 betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van sociale zekerheidsbijdragen. "
Art. 40. Un article 2septies, rĂ©digĂ© comme suit, est insĂ©rĂ© dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© :
" Art. 2septies. § 1er. L'employeur concernĂ© par une convention de premier emploi visĂ©e Ă l'article 27, alinĂ©a 1er, 2°, de la loi doit ĂȘtre en possession d'une preuve que le jeune a Ă©tĂ© effectivement inscrit aux cours ou Ă la formation ou qu'il suivra effectivement une formation en entreprise ou professionnelle.
Cette preuve peut avoir la forme d'une attestation d'inscription délivrée par le responsable de l'établissement d'enseignement ou de formation, soit d'un contrat ou d'une convention de formation en entreprise ou professionnelle visé par le service public de tutelle compétent.
§ 2. Le jeune concernĂ© par une convention de premier emploi visĂ©e Ă l'article 27, alinĂ©a 1er, 2°, de la loi doit, Ă la fin de chaque trimestre, tel que visĂ© Ă l'article 1er, 4°, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, donner Ă l'employeur une attestation prouvant qu'il frĂ©quente rĂ©guliĂšrement les cours ou la formation ou qu'il exĂ©cute rĂ©guliĂšrement son contrat ou sa convention de formation en entreprise ou professionnelle.
Cette attestation est délivrée par le responsable de l'établissement d'enseignement ou de formation ou par le service public compétent qui contrÎle la formation en entreprise ou professionnelle.
§ 3. Les attestations ou piÚces visées aux §§ 1er et 2 sont considérées comme des piÚces justificatives au sens de l'article 328 de la loi du 24 décembre 2002 visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale. "
" Art. 2septies. § 1er. L'employeur concernĂ© par une convention de premier emploi visĂ©e Ă l'article 27, alinĂ©a 1er, 2°, de la loi doit ĂȘtre en possession d'une preuve que le jeune a Ă©tĂ© effectivement inscrit aux cours ou Ă la formation ou qu'il suivra effectivement une formation en entreprise ou professionnelle.
Cette preuve peut avoir la forme d'une attestation d'inscription délivrée par le responsable de l'établissement d'enseignement ou de formation, soit d'un contrat ou d'une convention de formation en entreprise ou professionnelle visé par le service public de tutelle compétent.
§ 2. Le jeune concernĂ© par une convention de premier emploi visĂ©e Ă l'article 27, alinĂ©a 1er, 2°, de la loi doit, Ă la fin de chaque trimestre, tel que visĂ© Ă l'article 1er, 4°, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, donner Ă l'employeur une attestation prouvant qu'il frĂ©quente rĂ©guliĂšrement les cours ou la formation ou qu'il exĂ©cute rĂ©guliĂšrement son contrat ou sa convention de formation en entreprise ou professionnelle.
Cette attestation est délivrée par le responsable de l'établissement d'enseignement ou de formation ou par le service public compétent qui contrÎle la formation en entreprise ou professionnelle.
§ 3. Les attestations ou piÚces visées aux §§ 1er et 2 sont considérées comme des piÚces justificatives au sens de l'article 328 de la loi du 24 décembre 2002 visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale. "
Art. 41. In hetzelfde besluit wordt een artikel 2octies ingevoegd, luidende :
" Art. 2octies. De startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, kan door de betrokken partijen in onderling akkoord verlengd worden, zonder dat de maximumduur van de periode, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, kan overschreden worden, wanneer de jongere niet slaagt in zijn opleiding, om hem de mogelijkheid te geven de volledige cyclus van de begonnen opleiding met vrucht te beëindigen.
Elke eventuele verlenging, overeengekomen in toepassing van het eerste lid, moet schriftelijk vastgesteld worden in een aanhangsel dat bij de startbaanovereenkomst gevoegd wordt, met vermelding van de begin- en einddatum van de verlenging.
De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing wanneer de arbeidsovereenkomst in het kader van de startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, gesloten werd voor een bepaalde duur. "
" Art. 2octies. De startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, kan door de betrokken partijen in onderling akkoord verlengd worden, zonder dat de maximumduur van de periode, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, kan overschreden worden, wanneer de jongere niet slaagt in zijn opleiding, om hem de mogelijkheid te geven de volledige cyclus van de begonnen opleiding met vrucht te beëindigen.
Elke eventuele verlenging, overeengekomen in toepassing van het eerste lid, moet schriftelijk vastgesteld worden in een aanhangsel dat bij de startbaanovereenkomst gevoegd wordt, met vermelding van de begin- en einddatum van de verlenging.
De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing wanneer de arbeidsovereenkomst in het kader van de startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, gesloten werd voor een bepaalde duur. "
Art. 41. Un article 2octies, rĂ©digĂ© comme suit, est insĂ©rĂ© dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© :
" Art. 2octies. La convention de premier emploi visĂ©e Ă l'article 27, alinĂ©a 1er, 2°, de la loi peut ĂȘtre prolongĂ©e de commun accord entre les parties concernĂ©es, sans que la durĂ©e maximale de la pĂ©riode, visĂ©e Ă l'article 27, alinĂ©a 1er, 2°, de la loi, puisse ĂȘtre dĂ©passĂ©e, lorsque le jeune ne rĂ©ussit pas sa formation, pour lui permettre de terminer avec fruit le cycle complet de la formation entamĂ©e.
Toute prolongation Ă©ventuelle convenue en application de l'alinĂ©a 1er doit ĂȘtre constatĂ©e par Ă©crit dans un avenant joint Ă la convention de premier emploi, indiquant la date de dĂ©but et de fin de la prolongation.
Les dispositions de l'alinéa 1er ne sont pas d'application lorsque le contrat de travail dans le cadre d'une convention de premier emploi visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi a été conclu à durée déterminée. "
" Art. 2octies. La convention de premier emploi visĂ©e Ă l'article 27, alinĂ©a 1er, 2°, de la loi peut ĂȘtre prolongĂ©e de commun accord entre les parties concernĂ©es, sans que la durĂ©e maximale de la pĂ©riode, visĂ©e Ă l'article 27, alinĂ©a 1er, 2°, de la loi, puisse ĂȘtre dĂ©passĂ©e, lorsque le jeune ne rĂ©ussit pas sa formation, pour lui permettre de terminer avec fruit le cycle complet de la formation entamĂ©e.
Toute prolongation Ă©ventuelle convenue en application de l'alinĂ©a 1er doit ĂȘtre constatĂ©e par Ă©crit dans un avenant joint Ă la convention de premier emploi, indiquant la date de dĂ©but et de fin de la prolongation.
Les dispositions de l'alinéa 1er ne sont pas d'application lorsque le contrat de travail dans le cadre d'une convention de premier emploi visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi a été conclu à durée déterminée. "
Art. 42. In hetzelfde besluit wordt een artikel 2nonies (NOTA van Justel : het zou "novies" in plaats van "nonies" moeten zijn) ingevoegd, luidende :
" Art. 2nonies. De startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, eindigt
1° wanneer de periode, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, verstrijkt, hetzij
2° wanneer de arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, v an de wet, eindigt, hetzij
3° wanneer de opleiding, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, voortijdig beëindigd wordt, hetzij
4° wanneer de jongere blijkens het in artikel 2septies, § 2, bedoeld attest de lessen, cursussen, opleiding of vorming niet regelmatig volgt of dat hij zijn overeenkomst inzake bedrijfs- of beroepsopleiding niet regelmatig uitvoert.
De jongere volgt de lessen, cursussen, opleiding of vorming niet regelmatig of voert zijn overeenkomst inzake bedrijfs- of beroepsopleiding niet regelmatig uit in de zin van het eerste lid, 4°, wanneer hij in de loop van een bepaald kwartaal, zoals bedoeld in artikel 1, 4°, van dit besluit, ongewettigd afwezig is ten belope van meer dan 20 procent van het aantal uren dat normalerwijze in de loop van dat kwartaal aan de lessen, cursussen, opleiding of vorming of aan de uitvoering van de overeenkomst inzake bedrijfs- of beroepsopleiding besteed moet worden.
Alle afwezigheden worden beschouwd als ongewettigd, met uitzondering van
1° deze veroorzaakt door periodes van verlof en onderbreking van de arbeid bedoeld in de artikelen 39, 41 tot 43 en 45 van de arbeidswet van 16 maart 1971;
2° deze veroorzaakt door periodes van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of ongeval;
3° deze toegelaten voor de werknemers krachtens artikel 30 van de wet van 3 juli 1978;
4° de afwezigheden toegelaten krachtens de wet van 19 juli 1976 tot instelling van een verlof voor de uitoefening van een politiek mandaat;
5° deze veroorzaakt door periodes bedoeld in artikel 29 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
6° deze veroorzaakt door maatregelen van voorlopige vrijheidsberoving;
7° deze die het gevolg zijn van het presteren van overwerk in de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld in artikel 26, § 1, 1° en 2°, van de wet van 16 maart 1971.
In het in het eerste lid, 4°, bedoeld geval eindigt de startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, op de laatste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de jongere de lessen, cursussen, opleiding of vorming niet regelmatig heeft gevolgd of zijn overeenkomst inzake bedrijfs- of beroepsopleiding niet regelmatig heeft uitgevoerd. "
" Art. 2nonies. De startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, eindigt
1° wanneer de periode, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, verstrijkt, hetzij
2° wanneer de arbeidsovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, v an de wet, eindigt, hetzij
3° wanneer de opleiding, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, voortijdig beëindigd wordt, hetzij
4° wanneer de jongere blijkens het in artikel 2septies, § 2, bedoeld attest de lessen, cursussen, opleiding of vorming niet regelmatig volgt of dat hij zijn overeenkomst inzake bedrijfs- of beroepsopleiding niet regelmatig uitvoert.
De jongere volgt de lessen, cursussen, opleiding of vorming niet regelmatig of voert zijn overeenkomst inzake bedrijfs- of beroepsopleiding niet regelmatig uit in de zin van het eerste lid, 4°, wanneer hij in de loop van een bepaald kwartaal, zoals bedoeld in artikel 1, 4°, van dit besluit, ongewettigd afwezig is ten belope van meer dan 20 procent van het aantal uren dat normalerwijze in de loop van dat kwartaal aan de lessen, cursussen, opleiding of vorming of aan de uitvoering van de overeenkomst inzake bedrijfs- of beroepsopleiding besteed moet worden.
Alle afwezigheden worden beschouwd als ongewettigd, met uitzondering van
1° deze veroorzaakt door periodes van verlof en onderbreking van de arbeid bedoeld in de artikelen 39, 41 tot 43 en 45 van de arbeidswet van 16 maart 1971;
2° deze veroorzaakt door periodes van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of ongeval;
3° deze toegelaten voor de werknemers krachtens artikel 30 van de wet van 3 juli 1978;
4° de afwezigheden toegelaten krachtens de wet van 19 juli 1976 tot instelling van een verlof voor de uitoefening van een politiek mandaat;
5° deze veroorzaakt door periodes bedoeld in artikel 29 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
6° deze veroorzaakt door maatregelen van voorlopige vrijheidsberoving;
7° deze die het gevolg zijn van het presteren van overwerk in de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld in artikel 26, § 1, 1° en 2°, van de wet van 16 maart 1971.
In het in het eerste lid, 4°, bedoeld geval eindigt de startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet, op de laatste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de jongere de lessen, cursussen, opleiding of vorming niet regelmatig heeft gevolgd of zijn overeenkomst inzake bedrijfs- of beroepsopleiding niet regelmatig heeft uitgevoerd. "
Art. 42. Un article 2nonies (NOTE de Justel : il faudrait "novies" au lieu de "nonies"), rĂ©digĂ© comme suit, est insĂ©rĂ© dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© : :
" Art. 2nonies. La convention de premier emploi visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi prend fin
1° à l'échéance de la période visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi, soit
2° lorsque le contrat de travail, visé à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi, prend fin, soit
3° lorsqu'il est mis fin prématurément à la formation, visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi, soit
4° lorsqu'il apparaßt de l'attestation visée à l'article 2septies, § 2, que le jeune ne fréquente pas réguliÚrement les cours ou la formation ou qu'il n'exécute pas réguliÚrement son contrat ou sa convention de formation en entreprise ou professionnelle.
Le jeune ne frĂ©quente pas rĂ©guliĂšrement les cours ou la formation ou n'exĂ©cute pas rĂ©guliĂšrement son contrat ou sa convention de formation en entreprise ou professionnelle au sens de l'alinĂ©a 1er, 4°, lorsque, au cours d'un certain trimestre, tel que visĂ© Ă l'article 1er, 4°, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, il s'absente irrĂ©guliĂšrement Ă concurrence de plus de 20 pourcent du nombre d'heures qu'il faut normalement consacrer au cours de ce trimestre aux cours ou Ă la formation ou Ă l'exĂ©cution du contrat ou de la convention de formation en entreprise ou professionnelle.
Sont considérées comme irréguliÚres, toutes les absences autres que
1° celles occasionnées par les périodes de congé et d'interruption de travail visées aux articles 39, 41 à 43 et 45 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
2° celles occasionnées par les périodes d'incapacité de travail résultant d'une maladie ou d'un accident;
3° celles autorisées pour les travailleurs en vertu de l'article 30 de la loi du 3 juillet 1978;
4° les absences autorisées en vertu de la loi du 19 juillet 1976 instituant un congé pour l'exercice d'un mandat politique;
5° celles occasionnées par les périodes visées à l'article 29 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
6° celles occasionnées par des mesures privatives de liberté à caractÚre préventif;
7° celles qui sont la conséquence de la prestation d'heures supplémentaires dans les cas et les conditions fixées à l'article 26, § 1er, 1° et 2°, de la loi du 16 mars 1971.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 4°, la convention de premier emploi visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi prend fin le dernier jour du trimestre qui suit le trimestre dans lequel le jeune n'a pas fréquenté réguliÚrement les cours ou la formation ou n'a pas réguliÚrement exécuté son contrat ou sa convention de formation en entreprise ou professionnelle. "
" Art. 2nonies. La convention de premier emploi visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi prend fin
1° à l'échéance de la période visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi, soit
2° lorsque le contrat de travail, visé à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi, prend fin, soit
3° lorsqu'il est mis fin prématurément à la formation, visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi, soit
4° lorsqu'il apparaßt de l'attestation visée à l'article 2septies, § 2, que le jeune ne fréquente pas réguliÚrement les cours ou la formation ou qu'il n'exécute pas réguliÚrement son contrat ou sa convention de formation en entreprise ou professionnelle.
Le jeune ne frĂ©quente pas rĂ©guliĂšrement les cours ou la formation ou n'exĂ©cute pas rĂ©guliĂšrement son contrat ou sa convention de formation en entreprise ou professionnelle au sens de l'alinĂ©a 1er, 4°, lorsque, au cours d'un certain trimestre, tel que visĂ© Ă l'article 1er, 4°, du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, il s'absente irrĂ©guliĂšrement Ă concurrence de plus de 20 pourcent du nombre d'heures qu'il faut normalement consacrer au cours de ce trimestre aux cours ou Ă la formation ou Ă l'exĂ©cution du contrat ou de la convention de formation en entreprise ou professionnelle.
Sont considérées comme irréguliÚres, toutes les absences autres que
1° celles occasionnées par les périodes de congé et d'interruption de travail visées aux articles 39, 41 à 43 et 45 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail;
2° celles occasionnées par les périodes d'incapacité de travail résultant d'une maladie ou d'un accident;
3° celles autorisées pour les travailleurs en vertu de l'article 30 de la loi du 3 juillet 1978;
4° les absences autorisées en vertu de la loi du 19 juillet 1976 instituant un congé pour l'exercice d'un mandat politique;
5° celles occasionnées par les périodes visées à l'article 29 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
6° celles occasionnées par des mesures privatives de liberté à caractÚre préventif;
7° celles qui sont la conséquence de la prestation d'heures supplémentaires dans les cas et les conditions fixées à l'article 26, § 1er, 1° et 2°, de la loi du 16 mars 1971.
Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 4°, la convention de premier emploi visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi prend fin le dernier jour du trimestre qui suit le trimestre dans lequel le jeune n'a pas fréquenté réguliÚrement les cours ou la formation ou n'a pas réguliÚrement exécuté son contrat ou sa convention de formation en entreprise ou professionnelle. "
Art. 43. Artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 maart 2001, wordt vervangen als volgt :
" Art. 3. De startbaankaart afgeleverd in toepassing van artikel 32, § 2, eerste lid, van de wet, dient te vermelden dat de jongere voldoet aan de voorwaarden bepaald door artikel 23 van de wet en dat hij wel of niet een laaggeschoolde jongere is in de zin van artikel 24 van de wet.
De nieuwe startbaankaart bedoeld in artikel 32, § 2, achtste lid, van de wet dient, in het geval de jongere een nieuwe startbaanovereenkomst afgesloten heeft bij een andere werkgever aangevraagd binnen een termijn van 60 dagen na het begin van deze nieuwe overeenkomst. De werkgever kan eveneens binnen deze termijn voor de betrokken jongere een nieuwe startbaankaart aanvragen.
Teneinde een nieuwe startbaankaart te kunnen bekomen dient de jongere aan te geven welke arbeidsprestaties hij reeds verricht heeft sedert de aflevering van de vorige startbaankaart. Het werkloosheidsbureau vermeldt op deze nieuwe startbaankaart op basis van de aangifte van de betrokken jongere, de periodes van arbeidsprestaties die hij reeds verricht heeft na de aflevering van de vorige startbaankaart alsook de vermeldingen die de eerste startbaankaart bevatte. "
" Art. 3. De startbaankaart afgeleverd in toepassing van artikel 32, § 2, eerste lid, van de wet, dient te vermelden dat de jongere voldoet aan de voorwaarden bepaald door artikel 23 van de wet en dat hij wel of niet een laaggeschoolde jongere is in de zin van artikel 24 van de wet.
De nieuwe startbaankaart bedoeld in artikel 32, § 2, achtste lid, van de wet dient, in het geval de jongere een nieuwe startbaanovereenkomst afgesloten heeft bij een andere werkgever aangevraagd binnen een termijn van 60 dagen na het begin van deze nieuwe overeenkomst. De werkgever kan eveneens binnen deze termijn voor de betrokken jongere een nieuwe startbaankaart aanvragen.
Teneinde een nieuwe startbaankaart te kunnen bekomen dient de jongere aan te geven welke arbeidsprestaties hij reeds verricht heeft sedert de aflevering van de vorige startbaankaart. Het werkloosheidsbureau vermeldt op deze nieuwe startbaankaart op basis van de aangifte van de betrokken jongere, de periodes van arbeidsprestaties die hij reeds verricht heeft na de aflevering van de vorige startbaankaart alsook de vermeldingen die de eerste startbaankaart bevatte. "
Art. 43. L'article 3 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 mars 2001, est remplacĂ© par la disposition suivante :
" Art. 3. La carte premier emploi délivrée en application de l'article 32, § 2, premier alinéa, de la loi, doit mentionner que le jeune répond aux conditions prévues à l'article 23 de la loi et que le jeune est ou non un jeune moins qualifié au sens de l'article 24 de la loi.
La nouvelle carte premier emploi octroyĂ©e en exĂ©cution de l'article 32, § 2, alinĂ©a 8, de la loi, lorsque le jeune a conclu une nouvelle convention de premier emploi auprĂšs d'un autre employeur, doit ĂȘtre demandĂ©e dans un dĂ©lai de 60 jours Ă dater du dĂ©but de cette nouvelle convention de premier emploi. L'employeur peut Ă©galement dans le mĂȘme dĂ©lai demander une nouvelle carte premier emploi pour le jeune concernĂ©.
Pour qu'une nouvelle carte premier emploi puisse ĂȘtre dĂ©livrĂ©e, le jeune doit indiquer quelles prestations de travail il a dĂ©jĂ exĂ©cutĂ©es depuis la dĂ©livrance de la prĂ©cĂ©dente carte premier emploi. Le bureau de chĂŽmage indique sur cette nouvelle carte premier emploi, sur base de la dĂ©claration du jeune concernĂ©, les pĂ©riodes de travail qu'il a dĂ©jĂ prestĂ©es aprĂšs la dĂ©livrance de la prĂ©cĂ©dente carte de travail ainsi que les donnĂ©es mentionnĂ©es sur la carte de premier emploi prĂ©cĂ©dente. "
" Art. 3. La carte premier emploi délivrée en application de l'article 32, § 2, premier alinéa, de la loi, doit mentionner que le jeune répond aux conditions prévues à l'article 23 de la loi et que le jeune est ou non un jeune moins qualifié au sens de l'article 24 de la loi.
La nouvelle carte premier emploi octroyĂ©e en exĂ©cution de l'article 32, § 2, alinĂ©a 8, de la loi, lorsque le jeune a conclu une nouvelle convention de premier emploi auprĂšs d'un autre employeur, doit ĂȘtre demandĂ©e dans un dĂ©lai de 60 jours Ă dater du dĂ©but de cette nouvelle convention de premier emploi. L'employeur peut Ă©galement dans le mĂȘme dĂ©lai demander une nouvelle carte premier emploi pour le jeune concernĂ©.
Pour qu'une nouvelle carte premier emploi puisse ĂȘtre dĂ©livrĂ©e, le jeune doit indiquer quelles prestations de travail il a dĂ©jĂ exĂ©cutĂ©es depuis la dĂ©livrance de la prĂ©cĂ©dente carte premier emploi. Le bureau de chĂŽmage indique sur cette nouvelle carte premier emploi, sur base de la dĂ©claration du jeune concernĂ©, les pĂ©riodes de travail qu'il a dĂ©jĂ prestĂ©es aprĂšs la dĂ©livrance de la prĂ©cĂ©dente carte de travail ainsi que les donnĂ©es mentionnĂ©es sur la carte de premier emploi prĂ©cĂ©dente. "
Art. 44. In artikel 8 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 maart 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in § 1 worden de woorden " de artikelen 39, § 4, eerste lid, en 54, § 1, derde lid, § 3, vijfde lid en § 4, derde lid, " vervangen door de woorden " artikel 39, § 4, eerste lid, ";
b) in § 2 worden de woorden " de artikelen 39, § 4, eerste lid, en 54, § 1, derde lid, § 3, vijfde lid en § 4, derde lid, " vervangen door de woorden " artikel 39, § 4, eerste lid, ".
a) in § 1 worden de woorden " de artikelen 39, § 4, eerste lid, en 54, § 1, derde lid, § 3, vijfde lid en § 4, derde lid, " vervangen door de woorden " artikel 39, § 4, eerste lid, ";
b) in § 2 worden de woorden " de artikelen 39, § 4, eerste lid, en 54, § 1, derde lid, § 3, vijfde lid en § 4, derde lid, " vervangen door de woorden " artikel 39, § 4, eerste lid, ".
Art. 44. A l'article 8 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, remplacĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 23 mars 2001, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
a) dans le § 1er, les mots " des articles 39, § 4, alinéa 1er, et 54, § 1er, alinéa 3, § 3, alinéa 5, et § 4, alinéa 3, " sont remplacés par les mots " de l'article 39, § 4, alinéa 1er, ";
b) dans le § 2, les mots " des articles 39, § 4, alinéa 1er, et 54, § 1er, alinéa 3, § 3, alinéa 5, et § 4, alinéa 3, " sont remplacés par les mots " de l'article 39, § 4, alinéa 1er, ".
a) dans le § 1er, les mots " des articles 39, § 4, alinéa 1er, et 54, § 1er, alinéa 3, § 3, alinéa 5, et § 4, alinéa 3, " sont remplacés par les mots " de l'article 39, § 4, alinéa 1er, ";
b) dans le § 2, les mots " des articles 39, § 4, alinéa 1er, et 54, § 1er, alinéa 3, § 3, alinéa 5, et § 4, alinéa 3, " sont remplacés par les mots " de l'article 39, § 4, alinéa 1er, ".
Art. 44 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Art. 44 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 45. In het opschrift van het koninklijk besluit van 30 maart 2000 tot uitvoering van de artikelen 30, 39, § 1 en § 4, tweede lid, 40, tweede lid, 41, 43, tweede lid, en 47, § 1, vijfde lid, en § 5, tweede lid, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, worden de woorden " 40bis, tweede lid, " ingevoegd tussen de woorden " 40, tweede lid, " en " 41 ".
Art. 45. Dans l'intitulĂ© de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 2000 d'exĂ©cution des articles 30, 39, § 1er et § 4, alinĂ©a 2, 40, alinĂ©a 2, 41, 43, alinĂ©a 2, et 47, § 1er, alinĂ©a 5, et § 5, alinĂ©a 2, de la loi du 24 dĂ©cembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi, les mots " 40bis, alinĂ©a 2, " sont insĂ©rĂ©s entre les mots " 40, alinĂ©a 2, " et " 41 ".
Art. 46. In hetzelfde koninklijk besluit van 30 maart 2000 wordt een artikel 7bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 7bis. § 1. Voor de toepassing van artikel 40bis van de wet, wordt verstaan onder geleidelijke afbouw van het personeelsbestand de aanhoudende en structurele vermindering van het personeelsbestand gedurende verscheidene kwartalen voorafgaand aan de datum van aanvraag tot vrijstelling.
Voor de in het eerste lid bedoelde vermindering van het personeelsbestand wordt rekening gehouden met de datum van het begin van de opzeggingstermijn en niet met de datum van de daadwerkelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
§ 2. De Minister van Werkgelegenheid kan de werkgever uit de private sector die een geleidelijke afbouw van het personeelsbestand gekend heeft, vrijstellen van de verplichting, bedoeld in artikel 39 van de wet, op voorwaarde dat hij aantoont dat door het verlenen van de vrijstelling het ontslag van andere personeelsleden kan vermeden worden.
§ 3. Om de in § 2 bedoelde vrijstelling te bekomen dient de werkgever bij de Minister van Werkgelegenheid een aanvraag in, samen met een dossier dat minstens de volgende gegevens of documenten bevat :
1° de personeelssituatie op het einde van elk kwartaal en dit voor minstens de vier kwartalen die de aanvraag voorafgaan;
2° een kopie van de kennisgevingen met betrekking tot de ontslagen of de stopzettingen van beroepsactiviteit, die plaatsvonden in de in 1° bedoelde periode;
3° de elementen waaruit blijkt dat door het bekomen van de gevraagde vrijstelling het ontslag van personeelsleden kan vermeden worden.
De bepalingen van artikel 7, § 4, zijn eveneens van toepassing op de in deze paragraaf bedoelde aanvragen. "
" Art. 7bis. § 1. Voor de toepassing van artikel 40bis van de wet, wordt verstaan onder geleidelijke afbouw van het personeelsbestand de aanhoudende en structurele vermindering van het personeelsbestand gedurende verscheidene kwartalen voorafgaand aan de datum van aanvraag tot vrijstelling.
Voor de in het eerste lid bedoelde vermindering van het personeelsbestand wordt rekening gehouden met de datum van het begin van de opzeggingstermijn en niet met de datum van de daadwerkelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
§ 2. De Minister van Werkgelegenheid kan de werkgever uit de private sector die een geleidelijke afbouw van het personeelsbestand gekend heeft, vrijstellen van de verplichting, bedoeld in artikel 39 van de wet, op voorwaarde dat hij aantoont dat door het verlenen van de vrijstelling het ontslag van andere personeelsleden kan vermeden worden.
§ 3. Om de in § 2 bedoelde vrijstelling te bekomen dient de werkgever bij de Minister van Werkgelegenheid een aanvraag in, samen met een dossier dat minstens de volgende gegevens of documenten bevat :
1° de personeelssituatie op het einde van elk kwartaal en dit voor minstens de vier kwartalen die de aanvraag voorafgaan;
2° een kopie van de kennisgevingen met betrekking tot de ontslagen of de stopzettingen van beroepsactiviteit, die plaatsvonden in de in 1° bedoelde periode;
3° de elementen waaruit blijkt dat door het bekomen van de gevraagde vrijstelling het ontslag van personeelsleden kan vermeden worden.
De bepalingen van artikel 7, § 4, zijn eveneens van toepassing op de in deze paragraaf bedoelde aanvragen. "
Art. 46. Dans le mĂȘme arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 2000, il est insĂ©rĂ© un article 7bis, rĂ©digĂ© comme suit :
" Art. 7bis. § 1er. Pour l'application de l'article 40bis de la loi, on entend par diminution graduelle de l'effectif du personnel, la diminution continue et structurelle de l'effectif du personnel intervenue au cours des différents trimestres qui précÚdent la date de la demande de dispense.
Pour la diminution de l'effectif du personnel visée à l'alinéa 1er, il est tenu compte de la date du début du délai de préavis et non pas de la date de la fin effective du contrat de travail.
,§ 2. Le Ministre de l'Emploi peut dispenser de tout ou partie de l'obligation visĂ©e Ă l'article 39 de la loi, l'employeur privĂ© qui a connu une diminution graduelle de son effectif du personnel, Ă condition qu'il dĂ©montre que grĂące Ă l'octroi de la dispense le licenciement d'autres membres du personnel peut ĂȘtre Ă©vitĂ©.
§ 3. Afin d'obtenir la dispense visée au § 2, l'employeur introduit auprÚs du Ministre de l'Emploi une demande accompagnée d'un dossier qui contient au moins les renseignements ou documents suivants :
1° la situation du personnel à la fin de chaque trimestre, et ce au moins pour les quatre trimestres qui précÚdent la demande;
2° une copie des notifications relatives aux licenciements ou aux cessations d'activités professionnelles, intervenus au cours de la période visée au 1°;
3° les éléments sur base desquels il apparaßt qu'en obtenant la dispense demandée, il est possible d'éviter le licenciement de membres du personnel.
Les dispositions de l'article 7, § 4, s'appliquent également aux demandes visées par le présent paragraphe. "
" Art. 7bis. § 1er. Pour l'application de l'article 40bis de la loi, on entend par diminution graduelle de l'effectif du personnel, la diminution continue et structurelle de l'effectif du personnel intervenue au cours des différents trimestres qui précÚdent la date de la demande de dispense.
Pour la diminution de l'effectif du personnel visée à l'alinéa 1er, il est tenu compte de la date du début du délai de préavis et non pas de la date de la fin effective du contrat de travail.
,§ 2. Le Ministre de l'Emploi peut dispenser de tout ou partie de l'obligation visĂ©e Ă l'article 39 de la loi, l'employeur privĂ© qui a connu une diminution graduelle de son effectif du personnel, Ă condition qu'il dĂ©montre que grĂące Ă l'octroi de la dispense le licenciement d'autres membres du personnel peut ĂȘtre Ă©vitĂ©.
§ 3. Afin d'obtenir la dispense visée au § 2, l'employeur introduit auprÚs du Ministre de l'Emploi une demande accompagnée d'un dossier qui contient au moins les renseignements ou documents suivants :
1° la situation du personnel à la fin de chaque trimestre, et ce au moins pour les quatre trimestres qui précÚdent la demande;
2° une copie des notifications relatives aux licenciements ou aux cessations d'activités professionnelles, intervenus au cours de la période visée au 1°;
3° les éléments sur base desquels il apparaßt qu'en obtenant la dispense demandée, il est possible d'éviter le licenciement de membres du personnel.
Les dispositions de l'article 7, § 4, s'appliquent également aux demandes visées par le présent paragraphe. "
Art. 47. Artikel 1 van het voornoemde koninklijk besluit van 19 december 2001 wordt vervangen door volgende bepaling :
" Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de werkgevers op wie de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, van toepassing is en op de werkgevers die aan de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en er mee gelijkgestelden onderworpen zijn. "
" Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de werkgevers op wie de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, van toepassing is en op de werkgevers die aan de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en er mee gelijkgestelden onderworpen zijn. "
Art. 47. L'article 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 prĂ©citĂ© est remplacĂ© par la disposition suivante :
" Article 1er. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© s'applique aux employeurs soumis Ă la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs et aux employeurs soumis Ă l'arrĂȘtĂ©-loi du 10 janvier 1945 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des ouvriers mineurs et assimilĂ©s. "
" Article 1er. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© s'applique aux employeurs soumis Ă la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs et aux employeurs soumis Ă l'arrĂȘtĂ©-loi du 10 janvier 1945 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des ouvriers mineurs et assimilĂ©s. "
Art. 48. Artikel 7 van hetzelfde besluit wordt vervangen door volgende bepaling :
" Art. 7. § 1. De werknemer die op het ogenblik van de indienstneming uitkeringsgerechtigde volledige werkloze was, is, in afwijking van artikel 44 van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 en volgens de voorwaarden van voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 gedurende de maand van indienstneming en de vijftien daarop volgende maanden gerechtigd op een werkuitkering van ten hoogste 500 EUR per kalendermaand voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
1° hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 45 jaar;
2° hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
3° hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 624 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 36 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
De werkuitkering van maximum 500 EUR bedoeld in het vorig lid wordt, indien de werknemer niet voltijds is tewerkgesteld, teruggebracht tot een bedrag in verhouding tot de contractueel wekelijks voorziene arbeidsduur in de deeltijdse betrekking.
§ 2. De werknemer die op het ogenblik van de indienstneming uitkeringsgerechtigde volledige werkloze was, is, in afwijking van artikel 44 van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 en volgens de voorwaarden van voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 gedurende de maand van indienstneming en de drieëntwintig daarop volgende maanden gerechtigd op een werkuitkering van ten hoogste 500 EUR per kalendermaand voorzover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
1° hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 45 jaar;
2° hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
3° hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 936 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 54 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
De werkuitkering van maximum 500 EUR bedoeld in het vorig lid wordt, indien de werknemer niet voltijds is tewerkgesteld, teruggebracht tot een bedrag in verhouding tot de contractueel wekelijks voorziene arbeidsduur in de deeltijdse betrekking.
§ 3. De werknemer die op het ogenblik van de indienstneming uitkeringsgerechtigde volledige werkloze was, is, in afwijking van artikel 44 van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 en volgens de voorwaarden van voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 gedurende de maand van indienstneming en de negenentwintig daarop volgende maanden gerechtigd op een werkuitkering van ten hoogste 500 EUR per kalendermaand voorzover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
1° hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 45 jaar;
2° hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
3° hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 1560 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 90 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
De werkuitkering van maximum 500 EUR bedoeld in het vorig lid wordt, indien de werknemer niet voltijds is tewerkgesteld, teruggebracht tot een bedrag in verhouding tot de contractueel wekelijks voorziene arbeidsduur in de deeltijdse betrekking. "
" Art. 7. § 1. De werknemer die op het ogenblik van de indienstneming uitkeringsgerechtigde volledige werkloze was, is, in afwijking van artikel 44 van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 en volgens de voorwaarden van voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 gedurende de maand van indienstneming en de vijftien daarop volgende maanden gerechtigd op een werkuitkering van ten hoogste 500 EUR per kalendermaand voor zover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
1° hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 45 jaar;
2° hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
3° hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 624 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 36 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
De werkuitkering van maximum 500 EUR bedoeld in het vorig lid wordt, indien de werknemer niet voltijds is tewerkgesteld, teruggebracht tot een bedrag in verhouding tot de contractueel wekelijks voorziene arbeidsduur in de deeltijdse betrekking.
§ 2. De werknemer die op het ogenblik van de indienstneming uitkeringsgerechtigde volledige werkloze was, is, in afwijking van artikel 44 van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 en volgens de voorwaarden van voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 gedurende de maand van indienstneming en de drieëntwintig daarop volgende maanden gerechtigd op een werkuitkering van ten hoogste 500 EUR per kalendermaand voorzover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
1° hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 45 jaar;
2° hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
3° hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 936 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 54 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
De werkuitkering van maximum 500 EUR bedoeld in het vorig lid wordt, indien de werknemer niet voltijds is tewerkgesteld, teruggebracht tot een bedrag in verhouding tot de contractueel wekelijks voorziene arbeidsduur in de deeltijdse betrekking.
§ 3. De werknemer die op het ogenblik van de indienstneming uitkeringsgerechtigde volledige werkloze was, is, in afwijking van artikel 44 van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 en volgens de voorwaarden van voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 gedurende de maand van indienstneming en de negenentwintig daarop volgende maanden gerechtigd op een werkuitkering van ten hoogste 500 EUR per kalendermaand voorzover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
1° hij is op de dag van de indienstneming jonger dan 45 jaar;
2° hij is werkzoekende op de dag van de indienstneming;
3° hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 1560 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de loop van de maand van indienstneming en de 90 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
De werkuitkering van maximum 500 EUR bedoeld in het vorig lid wordt, indien de werknemer niet voltijds is tewerkgesteld, teruggebracht tot een bedrag in verhouding tot de contractueel wekelijks voorziene arbeidsduur in de deeltijdse betrekking. "
Art. 48. L'article 7 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par la disposition suivante :
" Art. 7. § 1er. Le travailleur qui, au moment de l'engagement, Ă©tait chĂŽmeur complet indemnisĂ© a, par dĂ©rogation Ă l'article 44 de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 prĂ©citĂ© et selon les conditions de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre prĂ©citĂ©, droit Ă une allocation de travail de maximum 500 EUR par mois calendrier pour le mois d'engagement et les quinze mois suivants, pour autant que le travailleur engage satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
1° il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
2° il est demandeur d'emploi a la date d'engagement;
3° il a été demandeur d'emploi pendant au moins 624 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 36 mois calendrier qui précÚdent.
L'allocation de travail de maximum 500 EUR visée à l'alinéa précédent est, lorsque le travailleur n'est pas occupe à temps plein, réduite à un montant proportionnel à la durée de travail hebdomadaire prévue contractuellement dans l'emploi à temps partiel.
§ 2. Le travailleur qui, au moment de l'engagement, Ă©tait chĂŽmeur complet indemnisĂ© a, par dĂ©rogation Ă l'article 44 de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 prĂ©citĂ© et selon les conditions de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre prĂ©citĂ©, droit Ă une allocation de travail de maximum 500 EUR par mois calendrier pour le mois d'engagement et les vingt-trois mois suivants, pour autant que le travailleur engagĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
1° il est agé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
2° il est demandeur d'emploi à la date d'engagement;
3° il a été demandeur d'emploi pendant au moins 936 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 54 mois calendrier qui précÚdent.
L'allocation de travail de maximum 500 EUR visée à l'alinéa précédent est, lorsque le travailleur n'est pas occupé à temps plein, réduite à un montant proportionnel à la durée de travail hebdomadaire prévue contractuellement dans l'emploi à temps partiel.
§ 3. Le travailleur qui, au moment de l'engagement, Ă©tait chĂŽmeur complet indemnisĂ© a, par dĂ©rogation Ă l'article 44 de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 prĂ©citĂ© et selon les conditions de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre prĂ©citĂ©, droit Ă une allocation de travail de maximum 500 EUR par mois calendrier pour le mois d'engagement et les vingt-neuf mois suivants, pour autant que le travailleur engagĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
1° il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
2° il est demandeur d'emploi à la date d'engagement;
3° il a été demandeur d'emploi pendant au moins 1560 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 90 mois calendrier qui précÚdent.
L'allocation de travail de maximum 500 EUR visée à l'alinéa précédent est, lorsque le travailleur n'est pas occupé à temps plein, réduite à un montant proportionnel à la durée de travail hebdomadaire prévue contractuellement dans l'emploi à temps partiel. "
" Art. 7. § 1er. Le travailleur qui, au moment de l'engagement, Ă©tait chĂŽmeur complet indemnisĂ© a, par dĂ©rogation Ă l'article 44 de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 prĂ©citĂ© et selon les conditions de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre prĂ©citĂ©, droit Ă une allocation de travail de maximum 500 EUR par mois calendrier pour le mois d'engagement et les quinze mois suivants, pour autant que le travailleur engage satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
1° il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
2° il est demandeur d'emploi a la date d'engagement;
3° il a été demandeur d'emploi pendant au moins 624 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 36 mois calendrier qui précÚdent.
L'allocation de travail de maximum 500 EUR visée à l'alinéa précédent est, lorsque le travailleur n'est pas occupe à temps plein, réduite à un montant proportionnel à la durée de travail hebdomadaire prévue contractuellement dans l'emploi à temps partiel.
§ 2. Le travailleur qui, au moment de l'engagement, Ă©tait chĂŽmeur complet indemnisĂ© a, par dĂ©rogation Ă l'article 44 de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 prĂ©citĂ© et selon les conditions de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre prĂ©citĂ©, droit Ă une allocation de travail de maximum 500 EUR par mois calendrier pour le mois d'engagement et les vingt-trois mois suivants, pour autant que le travailleur engagĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
1° il est agé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
2° il est demandeur d'emploi à la date d'engagement;
3° il a été demandeur d'emploi pendant au moins 936 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 54 mois calendrier qui précÚdent.
L'allocation de travail de maximum 500 EUR visée à l'alinéa précédent est, lorsque le travailleur n'est pas occupé à temps plein, réduite à un montant proportionnel à la durée de travail hebdomadaire prévue contractuellement dans l'emploi à temps partiel.
§ 3. Le travailleur qui, au moment de l'engagement, Ă©tait chĂŽmeur complet indemnisĂ© a, par dĂ©rogation Ă l'article 44 de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 prĂ©citĂ© et selon les conditions de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre prĂ©citĂ©, droit Ă une allocation de travail de maximum 500 EUR par mois calendrier pour le mois d'engagement et les vingt-neuf mois suivants, pour autant que le travailleur engagĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
1° il est ùgé de moins de 45 ans à la date d'engagement;
2° il est demandeur d'emploi à la date d'engagement;
3° il a été demandeur d'emploi pendant au moins 1560 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 90 mois calendrier qui précÚdent.
L'allocation de travail de maximum 500 EUR visée à l'alinéa précédent est, lorsque le travailleur n'est pas occupé à temps plein, réduite à un montant proportionnel à la durée de travail hebdomadaire prévue contractuellement dans l'emploi à temps partiel. "
Art. 49. Artikel 10 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 10. De werknemer die op het ogenblik van de indienstneming uitkeringsgerechtigde volledige werkloze was, is, in afwijking van artikel 44 van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 en volgens de voorwaarden van voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 gedurende de maand van indienstneming en de negenentwintig daaropvolgende maanden gerechtigd op een werkuitkering van ten hoogste 500 EUR per kalendermaand voorzover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
1° hij is op de dag van de indienstneming minstens 45 jaar;
2° hij is werkzoekende op de dag van de indiensttreding;
3° hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 468 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de van loop de maand van indienstneming en de 27 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
De werkuitkering van maximum 500 EUR bedoeld in het vorig lid wordt, indien de werknemer niet voltijds is tewerkgesteld, teruggebracht tot een bedrag in verhouding tot de contractueel wekelijks voorziene arbeidsduur in de deeltijdse betrekking. "
" Art. 10. De werknemer die op het ogenblik van de indienstneming uitkeringsgerechtigde volledige werkloze was, is, in afwijking van artikel 44 van het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 en volgens de voorwaarden van voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 gedurende de maand van indienstneming en de negenentwintig daaropvolgende maanden gerechtigd op een werkuitkering van ten hoogste 500 EUR per kalendermaand voorzover de aangeworven werknemer tegelijk aan volgende voorwaarden voldoet :
1° hij is op de dag van de indienstneming minstens 45 jaar;
2° hij is werkzoekende op de dag van de indiensttreding;
3° hij is werkzoekende geweest gedurende minstens 468 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, in de van loop de maand van indienstneming en de 27 kalendermaanden daaraan voorafgaand.
De werkuitkering van maximum 500 EUR bedoeld in het vorig lid wordt, indien de werknemer niet voltijds is tewerkgesteld, teruggebracht tot een bedrag in verhouding tot de contractueel wekelijks voorziene arbeidsduur in de deeltijdse betrekking. "
Art. 49. L'article 10 du mĂȘme arrĂȘtĂ© est remplacĂ© par la disposition suivante :
" Art. 10. Le travailleur qui, au moment de l'engagement, Ă©tait chĂŽmeur complet indemnisĂ© a, par dĂ©rogation Ă l'article 44 de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 prĂ©citĂ© et selon les conditions de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 prĂ©citĂ©, droit Ă une allocation de travail de maximum 500 EUR par mois calendrier pour le mois d'engagement et les vingt-neuf mois suivants, pour autant que le travailleur engagĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
1° il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
2° il est demandeur d'emploi à la date d'engagement;
3° il a été demandeur d'emploi pendant au moins 468 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 27 mois calendrier qui précÚdent.
L'allocation de travail de maximum 500 EUR visée à l'alinéa précédent est, lorsque le travailleur n'est pas occupé à temps plein, réduite à un montant proportionnel à la durée de travail hebdomadaire prévue contractuellement dans l'emploi a temps partiel. "
" Art. 10. Le travailleur qui, au moment de l'engagement, Ă©tait chĂŽmeur complet indemnisĂ© a, par dĂ©rogation Ă l'article 44 de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 prĂ©citĂ© et selon les conditions de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 prĂ©citĂ©, droit Ă une allocation de travail de maximum 500 EUR par mois calendrier pour le mois d'engagement et les vingt-neuf mois suivants, pour autant que le travailleur engagĂ© satisfasse simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
1° il est ùgé de 45 ans au moins à la date d'engagement;
2° il est demandeur d'emploi à la date d'engagement;
3° il a été demandeur d'emploi pendant au moins 468 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 27 mois calendrier qui précÚdent.
L'allocation de travail de maximum 500 EUR visée à l'alinéa précédent est, lorsque le travailleur n'est pas occupé à temps plein, réduite à un montant proportionnel à la durée de travail hebdomadaire prévue contractuellement dans l'emploi a temps partiel. "
Art. 50. Artikel 11ter, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 27 november 2002, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 2. De werknemer bedoeld in artikel 9, 5° en 6° van het koninklijk besluit van 16 mei 2002 tot uitvoering van het hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, die op het ogenblik van de aanwerving uitkeringsgerechtigde volledige werkloze was, is in afwijking van de bepalingen van artikel 10 van dit besluit gerechtigd op een werkuitkering van maximum 500 EUR per kalendermaand voor de maand van indienstneming en de drieëntwintig daarop volgende maanden. "
" § 2. De werknemer bedoeld in artikel 9, 5° en 6° van het koninklijk besluit van 16 mei 2002 tot uitvoering van het hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, die op het ogenblik van de aanwerving uitkeringsgerechtigde volledige werkloze was, is in afwijking van de bepalingen van artikel 10 van dit besluit gerechtigd op een werkuitkering van maximum 500 EUR per kalendermaand voor de maand van indienstneming en de drieëntwintig daarop volgende maanden. "
Art. 50. L'article 11ter, § 2, du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 27 novembre 2002, est remplacĂ© par la disposition suivante :
" § 2. Le travailleur visĂ© Ă l'article 9, 5° et 6° de l'arrĂȘtĂ© royal du 16 mai 2003 pris en exĂ©cution du chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 visant Ă harmoniser et Ă simplifier les rĂ©gimes de rĂ©ductions de cotisations de sĂ©curitĂ© sociale, qui au moment de l'engagement Ă©tait chĂŽmeur complet indemnisĂ©, a, par dĂ©rogation aux dispositions de l'article 10 de cet arrĂȘtĂ© droit Ă une allocation de travail de maximum 500 EUR par mois calendrier pour le mois d'engagement et les vingt-trois mois suivants. "
" § 2. Le travailleur visĂ© Ă l'article 9, 5° et 6° de l'arrĂȘtĂ© royal du 16 mai 2003 pris en exĂ©cution du chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 visant Ă harmoniser et Ă simplifier les rĂ©gimes de rĂ©ductions de cotisations de sĂ©curitĂ© sociale, qui au moment de l'engagement Ă©tait chĂŽmeur complet indemnisĂ©, a, par dĂ©rogation aux dispositions de l'article 10 de cet arrĂȘtĂ© droit Ă une allocation de travail de maximum 500 EUR par mois calendrier pour le mois d'engagement et les vingt-trois mois suivants. "
Art. 51. In artikel 12 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het 1e lid, worden de woorden " voor een vrijstelling van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid bedoeld in de artikelen 5, 6, 8 en 9 en " opgeheven;
2° lid 2 wordt opgeheven.
1° in het 1e lid, worden de woorden " voor een vrijstelling van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid bedoeld in de artikelen 5, 6, 8 en 9 en " opgeheven;
2° lid 2 wordt opgeheven.
Art. 51. A l'article 12 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, sont apportĂ©es les modifications suivantes :
1° au 1er alinéa, les mots " pour une exonération des cotisations patronales de sécurité sociale visée aux articles 5, 6, 8 et 9 et " sont supprimés;
2° l'alinéa 2 est supprimé.
1° au 1er alinéa, les mots " pour une exonération des cotisations patronales de sécurité sociale visée aux articles 5, 6, 8 et 9 et " sont supprimés;
2° l'alinéa 2 est supprimé.
Art. 52. Artikel 13 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 november 2002 en 9 december 2002, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 13. Een werkgever kan de voordelen genieten bedoeld in artikelen 7 en 10 tot 11ter indien hij een werkzoekende in dienst neemt tijdens de geldigheidsduur van een werkkaart.
Door middel van deze werkkaart attesteert het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, bevoegd voor de woonplaats van de werkzoekende, dat de werkzoekende voldoet aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 7 en 10 tot 11ter en in hoofdstuk III van titel III van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen.
De werkkaart kan worden aangevraagd door de werkzoekende. De werkkaart kan tevens worden aangevraagd door een werkgever indien de werkzoekende op het ogenblik van de indienstneming geen geldige werkkaart bezit. Deze aanvraag wordt slechts aanvaard indien zij individueel wordt opgesteld en de identiteit van de werkgever vermeldt alsmede de identiteit van de werknemer, zijn woonplaats en identificatienummer van de sociale zekerheid en de datum van de indienstneming.
Om van de voordelen van artikel 7 en 10 tot 11ter te kunnen genieten, moet de aanvraag van de werkkaart, bedoeld in het vorige lid, ten laatste de dertigste dag volgend op de dag van de indienstneming ingediend worden op het bevoegde werkloosheidsbureau. Wanneer de aanvraag van de werkkaart wordt ingediend buiten deze termijn, wordt, in afwijking van de bepalingen van artikelen 7 en 10 tot 11ter, en onverminderd de toepassing van artikel 15, § 1, vierde en vijfde lid, de periode gedurende dewelke de voordelen bedoeld in de artikelen 7 en 10 tot 11ter kunnen worden toegekend, verminderd met een periode die aanvangt op de dag van de indienstneming en die eindigt op de laatste dag van het kwartaal waarin de datum gesitueerd is van de laattijdige indiening van de aanvraag van de werkkaart.
Indien de aanvraag bedoeld in de vorige leden per post wordt verstuurd, wordt de postdatum als de datum van indiening beschouwd.
De werkkaart draagt als geldigheidsdatum :
1° de datum waarop de aanvraag wordt ingediend indien de werkzoekende nog niet in dienst is genomen.
2° de datum van de indienstneming indien de werkzoekende reeds in dienst is genomen.
De werkkaart heeft een geldigheidsduur van drie maanden en is geldig voor elke indienstneming die plaatsvindt tijdens haar geldigheidsperiode.
Wanneer een nieuwe werkkaart wordt aangevraagd tijdens de geldigheidsduur van een vorige werkkaart, wordt een werkkaart gegeven met dezelfde geldigheidsperiode als de vorige werkkaart.
De geldigheid van de werkkaart is verlengbaar met periodes van telkens drie maanden voorzover de werkzoekende aantoont dat hij op de datum van indiening van de nieuwe aanvraag of op de datum van de indienstneming opnieuw voldoet aan de gestelde voorwaarden.
De werkkaart vermeldt duidelijk de periode gedurende dewelke de werkzoekende recht heeft op een werkuitkering evenals de periodes en de forfaitaire bedragen bedoeld in hoofdstuk III van titel III van het koninklijk besluit van voornoemde 16 mei 2003 waarop de werkgever recht heeft na aanwerving van de werkzoekende. "
" Art. 13. Een werkgever kan de voordelen genieten bedoeld in artikelen 7 en 10 tot 11ter indien hij een werkzoekende in dienst neemt tijdens de geldigheidsduur van een werkkaart.
Door middel van deze werkkaart attesteert het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, bevoegd voor de woonplaats van de werkzoekende, dat de werkzoekende voldoet aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 7 en 10 tot 11ter en in hoofdstuk III van titel III van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen.
De werkkaart kan worden aangevraagd door de werkzoekende. De werkkaart kan tevens worden aangevraagd door een werkgever indien de werkzoekende op het ogenblik van de indienstneming geen geldige werkkaart bezit. Deze aanvraag wordt slechts aanvaard indien zij individueel wordt opgesteld en de identiteit van de werkgever vermeldt alsmede de identiteit van de werknemer, zijn woonplaats en identificatienummer van de sociale zekerheid en de datum van de indienstneming.
Om van de voordelen van artikel 7 en 10 tot 11ter te kunnen genieten, moet de aanvraag van de werkkaart, bedoeld in het vorige lid, ten laatste de dertigste dag volgend op de dag van de indienstneming ingediend worden op het bevoegde werkloosheidsbureau. Wanneer de aanvraag van de werkkaart wordt ingediend buiten deze termijn, wordt, in afwijking van de bepalingen van artikelen 7 en 10 tot 11ter, en onverminderd de toepassing van artikel 15, § 1, vierde en vijfde lid, de periode gedurende dewelke de voordelen bedoeld in de artikelen 7 en 10 tot 11ter kunnen worden toegekend, verminderd met een periode die aanvangt op de dag van de indienstneming en die eindigt op de laatste dag van het kwartaal waarin de datum gesitueerd is van de laattijdige indiening van de aanvraag van de werkkaart.
Indien de aanvraag bedoeld in de vorige leden per post wordt verstuurd, wordt de postdatum als de datum van indiening beschouwd.
De werkkaart draagt als geldigheidsdatum :
1° de datum waarop de aanvraag wordt ingediend indien de werkzoekende nog niet in dienst is genomen.
2° de datum van de indienstneming indien de werkzoekende reeds in dienst is genomen.
De werkkaart heeft een geldigheidsduur van drie maanden en is geldig voor elke indienstneming die plaatsvindt tijdens haar geldigheidsperiode.
Wanneer een nieuwe werkkaart wordt aangevraagd tijdens de geldigheidsduur van een vorige werkkaart, wordt een werkkaart gegeven met dezelfde geldigheidsperiode als de vorige werkkaart.
De geldigheid van de werkkaart is verlengbaar met periodes van telkens drie maanden voorzover de werkzoekende aantoont dat hij op de datum van indiening van de nieuwe aanvraag of op de datum van de indienstneming opnieuw voldoet aan de gestelde voorwaarden.
De werkkaart vermeldt duidelijk de periode gedurende dewelke de werkzoekende recht heeft op een werkuitkering evenals de periodes en de forfaitaire bedragen bedoeld in hoofdstuk III van titel III van het koninklijk besluit van voornoemde 16 mei 2003 waarop de werkgever recht heeft na aanwerving van de werkzoekende. "
Art. 52. L'article 13 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux du 27 novembre 2002 et 9 dĂ©cembre 2002, est remplacĂ© par la disposition suivante :
" Art. 13. Un employeur peut bénéficier des avantages prévus aux articles 7 et 10 à 11ter lorsqu'il engage un demandeur d'emploi pendant la durée de validité de la carte de travail.
Au moyen de cette carte de travail, le bureau du chĂŽmage de l'Office national de l'Emploi compĂ©tent pour la rĂ©sidence du demandeur d'emploi, atteste que le demandeur d'emploi remplit les conditions prĂ©vues aux articles 7 et 10 Ă 11ter et au chapitre III du Titre III de l'arrĂȘtĂ© royal du 16 mai 2003 pris en exĂ©cution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 (I), visant Ă harmoniser et Ă simplifier les rĂ©gimes de rĂ©ductions de cotisations de sĂ©curitĂ© sociale.
La carte de travail peut ĂȘtre demandĂ©e par le demandeur d'emploi. La carte de travail peut Ă©galement ĂȘtre demandĂ©e par un employeur lorsque le demandeur d'emploi au moment de l'engagement ne dispose pas de carte de travail valable. Cette derniĂšre demande est seulement acceptĂ©e lorsqu'elle est faite individuellement et mentionne l'identitĂ© de l'employeur ainsi que l'identitĂ© du travailleur, son domicile et son numĂ©ro d'identification pour la sĂ©curitĂ© sociale et la date de l'engagement.
Afin de pouvoir bĂ©nĂ©ficier des avantages prĂ©vus aux articles 7 et 10 Ă 11ter, la demande de la carte de travail visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent doit ĂȘtre introduite au plus tard le trentiĂšme jour suivant celui de l'engagement au bureau de chĂŽmage compĂ©tent. Par dĂ©rogation aux dispositions des articles 7 et 10 Ă 11ter et nonobstant l'application de l'article 15, § 1er, alinĂ©as 4 et 5, lorsque la demande de la carte de travail est introduite en dehors du dĂ©lai prĂ©citĂ©, la pĂ©riode pendant laquelle les avantages prĂ©vus aux articles 7 et 10 Ă 11ter peuvent ĂȘtre accordĂ©s, est diminuĂ©e de la pĂ©riode commençant le jour de l'engagement et se terminant le dernier jour du trimestre dans lequel se situe la date de l'introduction tardive de la demande de la carte de travail.
Lorsque la demande visée aux alinéas précédents est envoyée par la poste, la date de la poste est prise en compte comme date d'introduction.
La carte de travail porte comme date de validité :
1° la date à laquelle la demande est introduite lorsque le demandeur d'emploi n'a pas encore été engagé;
2° la date de l'engagement lorsque le travailleur a déjà été engagé.
La carte de travail a une durée de validité de trois mois et est valable pour tout engagement effectué pendant sa période de validité.
Lorsqu'une nouvelle carte de travail est demandĂ©e durant la pĂ©riode de validitĂ© d'une carte prĂ©cĂ©dente, il est dĂ©livrĂ© une carte de travail ayant la mĂȘme pĂ©riode de validitĂ© que la carte de travail prĂ©cĂ©dente.
La validitĂ© de la carte de travail peut ĂȘtre prolongĂ©e par pĂ©riode de trois mois chacune, pour autant que le demandeur d'emploi dĂ©montre qu'il satisfait Ă nouveau aux conditions requises au moment de l'introduction de la demande de prolongation ou au moment de l'engagement.
La carte de travail indique clairement la durĂ©e de la pĂ©riode durant laquelle le demandeur d'emploi a droit Ă une allocation de travail ainsi que les pĂ©riodes et les montants forfaitaires visĂ©s au chapitre III du Titre III de l'arrĂȘtĂ© royal du 16 mai 2003 auxquels les employeurs ont droit suite Ă l'engagement du demandeur d'emploi. "
" Art. 13. Un employeur peut bénéficier des avantages prévus aux articles 7 et 10 à 11ter lorsqu'il engage un demandeur d'emploi pendant la durée de validité de la carte de travail.
Au moyen de cette carte de travail, le bureau du chĂŽmage de l'Office national de l'Emploi compĂ©tent pour la rĂ©sidence du demandeur d'emploi, atteste que le demandeur d'emploi remplit les conditions prĂ©vues aux articles 7 et 10 Ă 11ter et au chapitre III du Titre III de l'arrĂȘtĂ© royal du 16 mai 2003 pris en exĂ©cution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 (I), visant Ă harmoniser et Ă simplifier les rĂ©gimes de rĂ©ductions de cotisations de sĂ©curitĂ© sociale.
La carte de travail peut ĂȘtre demandĂ©e par le demandeur d'emploi. La carte de travail peut Ă©galement ĂȘtre demandĂ©e par un employeur lorsque le demandeur d'emploi au moment de l'engagement ne dispose pas de carte de travail valable. Cette derniĂšre demande est seulement acceptĂ©e lorsqu'elle est faite individuellement et mentionne l'identitĂ© de l'employeur ainsi que l'identitĂ© du travailleur, son domicile et son numĂ©ro d'identification pour la sĂ©curitĂ© sociale et la date de l'engagement.
Afin de pouvoir bĂ©nĂ©ficier des avantages prĂ©vus aux articles 7 et 10 Ă 11ter, la demande de la carte de travail visĂ©e Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent doit ĂȘtre introduite au plus tard le trentiĂšme jour suivant celui de l'engagement au bureau de chĂŽmage compĂ©tent. Par dĂ©rogation aux dispositions des articles 7 et 10 Ă 11ter et nonobstant l'application de l'article 15, § 1er, alinĂ©as 4 et 5, lorsque la demande de la carte de travail est introduite en dehors du dĂ©lai prĂ©citĂ©, la pĂ©riode pendant laquelle les avantages prĂ©vus aux articles 7 et 10 Ă 11ter peuvent ĂȘtre accordĂ©s, est diminuĂ©e de la pĂ©riode commençant le jour de l'engagement et se terminant le dernier jour du trimestre dans lequel se situe la date de l'introduction tardive de la demande de la carte de travail.
Lorsque la demande visée aux alinéas précédents est envoyée par la poste, la date de la poste est prise en compte comme date d'introduction.
La carte de travail porte comme date de validité :
1° la date à laquelle la demande est introduite lorsque le demandeur d'emploi n'a pas encore été engagé;
2° la date de l'engagement lorsque le travailleur a déjà été engagé.
La carte de travail a une durée de validité de trois mois et est valable pour tout engagement effectué pendant sa période de validité.
Lorsqu'une nouvelle carte de travail est demandĂ©e durant la pĂ©riode de validitĂ© d'une carte prĂ©cĂ©dente, il est dĂ©livrĂ© une carte de travail ayant la mĂȘme pĂ©riode de validitĂ© que la carte de travail prĂ©cĂ©dente.
La validitĂ© de la carte de travail peut ĂȘtre prolongĂ©e par pĂ©riode de trois mois chacune, pour autant que le demandeur d'emploi dĂ©montre qu'il satisfait Ă nouveau aux conditions requises au moment de l'introduction de la demande de prolongation ou au moment de l'engagement.
La carte de travail indique clairement la durĂ©e de la pĂ©riode durant laquelle le demandeur d'emploi a droit Ă une allocation de travail ainsi que les pĂ©riodes et les montants forfaitaires visĂ©s au chapitre III du Titre III de l'arrĂȘtĂ© royal du 16 mai 2003 auxquels les employeurs ont droit suite Ă l'engagement du demandeur d'emploi. "
Art. 53. In artikel 17bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 december 2002, worden de woorden " de artikelen 7, 10, 11 en 11ter " vervangen door de woorden " de artikelen 7, 10 en 11ter ".
Art. 53. Dans l'article 17bis du mĂȘme arrĂȘtĂ©, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 9 dĂ©cembre 2002, les mots " aux articles 7, 10, 11 et 11ter " sont remplacĂ©s par les mots " aux articles 7, 10 et 11ter ".
Art. 54. In artikel 28 van hetzelfde besluit worden de woorden " Dit koninklijk besluit blijft evenwel van toepassing op indienstnemingen die plaatsvonden vóór 1 januari 2002 en blijft eveneens van toepassing voor de indienstnemingen vanaf deze datum wanneer deze gebeurd zijn met gebruik van een banenkaart bedoeld in het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot uitvoering van Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale bepalingen. " geschrapt.
Art. 54. A l'article 28 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, les mots " Toutefois, cet arrĂȘtĂ© royal reste d'application aux engagements effectuĂ©s avant le 1er janvier 2002 et reste Ă©galement d'application aux engagements effectuĂ©s Ă partir de cette date lorsque ceux-ci ont eu lieu moyennant l'usage d'une carte d'embauche telle que visĂ©e Ă l'arrĂȘtĂ© royal du 23 dĂ©cembre 1994 portant exĂ©cution du Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 dĂ©cembre 1994 portant des dispositions sociales. " sont supprimĂ©s.
Art. 55. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 december 2002 wordt vervangen als volgt :
" Art. 1. § 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder "werkgevers" :
1° de sociale werkplaatsen behorende tot het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen;
2° inschakelingsbedrijven, zijnde de ondernemingen en verenigingen met een rechtspersoonlijkheid, als dusdanig erkend en gesubsidieerd door de overheid van het Gewest of de Gemeenschap, en die, als sociaal doel de socioprofessionele inschakeling van bijzonder moeilijk te plaatsen werklozen hebben via een activiteit van productie van goederen of diensten.
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid erkent de inschakelingsbedrijven in het kader van dit besluit;
3° de werkgevers die initiatieven inzake sociale inschakelingseconomie organiseren bedoeld in artikel 59, eerste lid van de wet van 26 maart 1999;
4° de sociale verhuurkantoren bedoeld bij de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 12 februari 1998 tot oprichting van sociale verhuurkantoren en bij het besluit van 19 november 1998;
5° de agentschappen voor sociale huisvesting bedoeld bij het besluit van de Waalse Regering van 17 maart 1999 houdende erkenning van agentschappen voor sociale huisvesting gewijzigd bij het besluit van 13 december 2001;
6° de sociale verhuurkantoren bedoeld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 1997 houdende bepaling van de erkennings- en subsidievoorwaarden van sociale verhuurkantoren;
7° de openbare vastgoedmaatschappijen bedoeld bij de ordonnantie van de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 9 september 1993 houdende de wijziging van de Huisvestingscode voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en betreffende de sector van de Sociale Huisvesting;
8° de sociale huisvestingsmaatschappijen bedoeld bij het decreet van de Vlaamse Raad van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode;
9° de openbare huisvestingsmaatschappijen bedoeld bij het decreet van de Waalse Gewestraad van 29 oktober 1998 houdende de Waalse Huisvestingscode;
10° de invoegbedrijven en invoegafdelingen erkend krachtens het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2000 houdende een impuls- en ondersteuningsprogramma van de meerwaardeneconomie, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 6 juli 2001 en 7 december 2001;
11° de vennootschappen met een sociaal oogmerk bedoeld in artikel 661 van het wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999.
§ 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder werkzoekende' de niet-werkende werknemer bedoeld in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden.
Voor de toepassing van dit besluit wordt onder "periode van werkzoekend zijn" verstaan de periode bedoeld in artikel 2, § 2 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden. "
Onder uitkeringsgerechtigde volledig werkloze' wordt verstaan een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze zoals bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden ".
" Art. 1. § 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder "werkgevers" :
1° de sociale werkplaatsen behorende tot het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen;
2° inschakelingsbedrijven, zijnde de ondernemingen en verenigingen met een rechtspersoonlijkheid, als dusdanig erkend en gesubsidieerd door de overheid van het Gewest of de Gemeenschap, en die, als sociaal doel de socioprofessionele inschakeling van bijzonder moeilijk te plaatsen werklozen hebben via een activiteit van productie van goederen of diensten.
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid erkent de inschakelingsbedrijven in het kader van dit besluit;
3° de werkgevers die initiatieven inzake sociale inschakelingseconomie organiseren bedoeld in artikel 59, eerste lid van de wet van 26 maart 1999;
4° de sociale verhuurkantoren bedoeld bij de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 12 februari 1998 tot oprichting van sociale verhuurkantoren en bij het besluit van 19 november 1998;
5° de agentschappen voor sociale huisvesting bedoeld bij het besluit van de Waalse Regering van 17 maart 1999 houdende erkenning van agentschappen voor sociale huisvesting gewijzigd bij het besluit van 13 december 2001;
6° de sociale verhuurkantoren bedoeld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 1997 houdende bepaling van de erkennings- en subsidievoorwaarden van sociale verhuurkantoren;
7° de openbare vastgoedmaatschappijen bedoeld bij de ordonnantie van de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 9 september 1993 houdende de wijziging van de Huisvestingscode voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en betreffende de sector van de Sociale Huisvesting;
8° de sociale huisvestingsmaatschappijen bedoeld bij het decreet van de Vlaamse Raad van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode;
9° de openbare huisvestingsmaatschappijen bedoeld bij het decreet van de Waalse Gewestraad van 29 oktober 1998 houdende de Waalse Huisvestingscode;
10° de invoegbedrijven en invoegafdelingen erkend krachtens het besluit van de Vlaamse Regering van 8 september 2000 houdende een impuls- en ondersteuningsprogramma van de meerwaardeneconomie, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 6 juli 2001 en 7 december 2001;
11° de vennootschappen met een sociaal oogmerk bedoeld in artikel 661 van het wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999.
§ 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder werkzoekende' de niet-werkende werknemer bedoeld in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden.
Voor de toepassing van dit besluit wordt onder "periode van werkzoekend zijn" verstaan de periode bedoeld in artikel 2, § 2 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden. "
Onder uitkeringsgerechtigde volledig werkloze' wordt verstaan een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze zoals bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden ".
Art. 55. L'article 1er de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 4 dĂ©cembre 2002, est remplacĂ© par la disposition suivante :
" Article 1er, § 1er. Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par "employeurs" :
1° les ateliers sociaux appartenant à la commission paritaire pour les entreprises de travail adapté et les ateliers sociaux;
2° les entreprises d'insertion, soit les entreprises et associations dotées d'une personnalité juridique, reconnues en tant que telles et subventionnées par les autorités de la Région ou de la Communauté et qui ont comme finalité sociale l'insertion socioprofessionnelle de chÎmeurs particuliÚrement difficiles à placer, par le biais d'une activité de production de biens ou de services.
Le Ministre de l'Emploi et du Travail reconnaĂźt les entreprises d'insertion dans le cadre du prĂ©sent arrĂȘtĂ©;
3° les employeurs qui organisent des initiatives en matiÚre d'économie d'insertion sociale, visées à l'article 59, alinéa premier de la loi du 26 mars 1999;
4° les agences immobiliĂšres sociales visĂ©es par l'ordonnance du Conseil de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 12 fĂ©vrier 1998 portant crĂ©ation des agences immobiliĂšres sociales et par l'arrĂȘtĂ© du 19 novembre 1998;
5° les agences immobiliĂšres sociales visĂ©es par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 17 mars 1999 portant agrĂ©ment d'agences immobiliĂšres sociales modifie par l'arrĂȘtĂ© du 13 dĂ©cembre 2001;
6° les offices de location sociale visĂ©s par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 21 octobre 1997 fixant les conditions d'agrĂ©ment et de subvention des offices de location sociale;
7° les sociétés immobiliÚres de service public visées par l'ordonnance du Conseil de la Région de Bruxelles-Capitale du 9 septembre 1993 portant modification du Code du logement pour la Région de Bruxelles-Capitale et relative au secteur du logement social;
8° les sociétés de logement sociaux visées par le décret du 15 juillet 1997 du Conseil flamand contenant le Code flamand du logement;
9° les sociétés de logement de service public visées par le décret du Conseil régional wallon du 29 octobre 1998 contenant le Code du logement wallon;
10° les entreprises d'insertion et les divisions d'insertion agréées en vertu de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 septembre 2000 portant un programme d'impulsion et de soutien de l'Ă©conomie plurielle, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 6 juillet 2001 et 7 dĂ©cembre 2001;
11° les sociétés à finalité sociale visées à l'article 661 du code des sociétés du 7 mai 1999.
§ 2. Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par "demandeur d'emploi" le travailleur inoccupĂ© tel que visĂ© Ă l'article 2, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 de promotion de mise Ă l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durĂ©e.
Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par "pĂ©riode pendant laquelle on est demandeur d'emploi" la pĂ©riode telle que visĂ©e Ă l'article 2, § 2, de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 de promotion de mise Ă l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durĂ©e.
On entend par "chĂŽmeur complet indemnisĂ©" un chĂŽmeur complet indemnisĂ© tel que dĂ©terminĂ© Ă l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 de promotion de mise Ă l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durĂ©e. "
" Article 1er, § 1er. Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par "employeurs" :
1° les ateliers sociaux appartenant à la commission paritaire pour les entreprises de travail adapté et les ateliers sociaux;
2° les entreprises d'insertion, soit les entreprises et associations dotées d'une personnalité juridique, reconnues en tant que telles et subventionnées par les autorités de la Région ou de la Communauté et qui ont comme finalité sociale l'insertion socioprofessionnelle de chÎmeurs particuliÚrement difficiles à placer, par le biais d'une activité de production de biens ou de services.
Le Ministre de l'Emploi et du Travail reconnaĂźt les entreprises d'insertion dans le cadre du prĂ©sent arrĂȘtĂ©;
3° les employeurs qui organisent des initiatives en matiÚre d'économie d'insertion sociale, visées à l'article 59, alinéa premier de la loi du 26 mars 1999;
4° les agences immobiliĂšres sociales visĂ©es par l'ordonnance du Conseil de la RĂ©gion de Bruxelles-Capitale du 12 fĂ©vrier 1998 portant crĂ©ation des agences immobiliĂšres sociales et par l'arrĂȘtĂ© du 19 novembre 1998;
5° les agences immobiliĂšres sociales visĂ©es par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement wallon du 17 mars 1999 portant agrĂ©ment d'agences immobiliĂšres sociales modifie par l'arrĂȘtĂ© du 13 dĂ©cembre 2001;
6° les offices de location sociale visĂ©s par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 21 octobre 1997 fixant les conditions d'agrĂ©ment et de subvention des offices de location sociale;
7° les sociétés immobiliÚres de service public visées par l'ordonnance du Conseil de la Région de Bruxelles-Capitale du 9 septembre 1993 portant modification du Code du logement pour la Région de Bruxelles-Capitale et relative au secteur du logement social;
8° les sociétés de logement sociaux visées par le décret du 15 juillet 1997 du Conseil flamand contenant le Code flamand du logement;
9° les sociétés de logement de service public visées par le décret du Conseil régional wallon du 29 octobre 1998 contenant le Code du logement wallon;
10° les entreprises d'insertion et les divisions d'insertion agréées en vertu de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 8 septembre 2000 portant un programme d'impulsion et de soutien de l'Ă©conomie plurielle, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s du Gouvernement flamand des 6 juillet 2001 et 7 dĂ©cembre 2001;
11° les sociétés à finalité sociale visées à l'article 661 du code des sociétés du 7 mai 1999.
§ 2. Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par "demandeur d'emploi" le travailleur inoccupĂ© tel que visĂ© Ă l'article 2, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 de promotion de mise Ă l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durĂ©e.
Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par "pĂ©riode pendant laquelle on est demandeur d'emploi" la pĂ©riode telle que visĂ©e Ă l'article 2, § 2, de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 de promotion de mise Ă l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durĂ©e.
On entend par "chĂŽmeur complet indemnisĂ©" un chĂŽmeur complet indemnisĂ© tel que dĂ©terminĂ© Ă l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 de promotion de mise Ă l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durĂ©e. "
Art. 56. Artikel 4 van het hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 december 2001, wordt vervangen als volgt :
" Art. 4. De uitkeringsgerechtigde volledig werkloze die het recht opent op de doelgroepvermindering bedoeld in artikel 14, § 1 en § 7, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, is tijdens de maanden die vallen in de kwartalen, waarvoor de doelgroepvermindering voorzien is, onder de voorwaarden en modaliteiten bepaald in het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 en zijn uitvoeringsbesluiten, gerechtigd op de herinschakelingsuitkeringen bedoeld in artikel 131quinquies van het voormeld koninklijk besluit, onder de voorwaarden bepaald in dit laatste artikel.
De bepalingen van artikel 15 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden zijn van toepassing op de werknemers en de werkgevers bedoeld in onderhavig besluit.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt de herinschakelingsuitkering gelijkgesteld met de werkuitkering. "
" Art. 4. De uitkeringsgerechtigde volledig werkloze die het recht opent op de doelgroepvermindering bedoeld in artikel 14, § 1 en § 7, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, is tijdens de maanden die vallen in de kwartalen, waarvoor de doelgroepvermindering voorzien is, onder de voorwaarden en modaliteiten bepaald in het voormeld koninklijk besluit van 25 november 1991 en zijn uitvoeringsbesluiten, gerechtigd op de herinschakelingsuitkeringen bedoeld in artikel 131quinquies van het voormeld koninklijk besluit, onder de voorwaarden bepaald in dit laatste artikel.
De bepalingen van artikel 15 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden zijn van toepassing op de werknemers en de werkgevers bedoeld in onderhavig besluit.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt de herinschakelingsuitkering gelijkgesteld met de werkuitkering. "
Art. 56. L'article 4 du mĂȘme arrĂȘtĂ©, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, est remplacĂ© par la disposition suivante :
" Art. 4. Le chĂŽmeur complet indemnisĂ© qui ouvre le droit Ă la rĂ©duction groupe cible visĂ© Ă l'article 14, § 1er en § 7, de l'arrĂȘte royal du 16 mai 2003 pris en exĂ©cution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 (I), visant Ă harmoniser et a simplifier les rĂ©gimes de rĂ©ductions de cotisations de sĂ©curitĂ© sociale bĂ©nĂ©ficie pendant les mois qui tombent dans les trimestres pour lesquels la rĂ©duction groupe cible est prĂ©vue, moyennant le respect des conditions et des modalitĂ©s fixĂ©es dans l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 prĂ©citĂ© et dans ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution, des allocations de rĂ©insertion visĂ©es Ă l'article 131quinquies de l'arrĂȘtĂ© royal susmentionnĂ©, aux conditions fixĂ©es dans ce dernier article.
Les dispositions de l'article 15 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 de promotion de la mise Ă l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durĂ©e sont d'application aux travailleurs et aux employeurs visĂ©s dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Pour l'application du précédent alinéa l'allocation de réinsertion est assimilée à l'allocation de travail. "
" Art. 4. Le chĂŽmeur complet indemnisĂ© qui ouvre le droit Ă la rĂ©duction groupe cible visĂ© Ă l'article 14, § 1er en § 7, de l'arrĂȘte royal du 16 mai 2003 pris en exĂ©cution du Chapitre 7 du Titre IV de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002 (I), visant Ă harmoniser et a simplifier les rĂ©gimes de rĂ©ductions de cotisations de sĂ©curitĂ© sociale bĂ©nĂ©ficie pendant les mois qui tombent dans les trimestres pour lesquels la rĂ©duction groupe cible est prĂ©vue, moyennant le respect des conditions et des modalitĂ©s fixĂ©es dans l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 prĂ©citĂ© et dans ses arrĂȘtĂ©s d'exĂ©cution, des allocations de rĂ©insertion visĂ©es Ă l'article 131quinquies de l'arrĂȘtĂ© royal susmentionnĂ©, aux conditions fixĂ©es dans ce dernier article.
Les dispositions de l'article 15 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 de promotion de la mise Ă l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durĂ©e sont d'application aux travailleurs et aux employeurs visĂ©s dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Pour l'application du précédent alinéa l'allocation de réinsertion est assimilée à l'allocation de travail. "
Art. 56bis. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-21/33, art. 74; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. Voor de jongeren die vóór 1 januari 2004 voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren en daarbij niet in aanmerking komen voor de vermindering bedoeld in artikel 18 van dit besluit wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor jonge werknemers toegekend tijdens de duur van de overeenkomst werk-opleiding, bestaande uit een forfaitair bedrag G1 gedurende de eerste 7 kwartalen van deze overeenkomst werk-opleiding en een forfaitair bedrag G2 gedurende de resterende periode.
§ 2. Voor de jongeren die vóór 1 januari 2004 voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 5, § 1, van het voormelde koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 en daarbij niet in aanmerking komen voor de vermindering bedoeld in artikel 18 van dit besluit wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor jonge werknemers toegekend tijdens de duur van de leerovereenkomst, bestaande uit een forfaitair bedrag G1 gedurende de eerste 7 kwartalen van deze leerovereenkomst en een forfaitair bedrag G2 gedurende de resterende periode.
§ 2. Voor de jongeren die vóór 1 januari 2004 voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 5, § 1, van het voormelde koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 en daarbij niet in aanmerking komen voor de vermindering bedoeld in artikel 18 van dit besluit wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor jonge werknemers toegekend tijdens de duur van de leerovereenkomst, bestaande uit een forfaitair bedrag G1 gedurende de eerste 7 kwartalen van deze leerovereenkomst en een forfaitair bedrag G2 gedurende de resterende periode.
Art. 56bis. § 1er. Pour les jeunes qui remplissaient avant le 1er janvier 2004 les conditions d'obtention de la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 2, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal n° 495 du 31 dĂ©cembre 1986 instaurant un systĂšme associant le travail et la formation pour les jeunes de 18 Ă 25 ans et portant rĂ©duction temporaire des cotisations patronales de sĂ©curitĂ© sociale dues dans le chef de ces jeunes et qui n'entrent pas en considĂ©ration pour la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 18 de cet arrĂȘte, une rĂ©duction groupe cible pour jeunes travailleurs est octroyĂ©e Ă partir du 1er janvier 2004 pendant la durĂ©e de la convention travail-formation, composĂ©e d'un montant forfaitaire G1 pendant les 7 premiers trimestres de cette convention travail-formation et d'un montant forfaitaire G2 pendant la pĂ©riode restante.
§ 2. Pour les jeunes qui remplissaient avant le 1er janvier 2004 les conditions d'obtention de la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 5, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal n° 495 du 31 dĂ©cembre 1986 prĂ©citĂ© et qui n'entrent pas en considĂ©ration pour la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 18 de cet arrĂȘtĂ©, une reduction groupe cible pour jeunes travailleurs est octroyĂ©e Ă partir du 1er janvier 2004 pendant la durĂ©e du contrat d'apprentissage, composĂ©e d'un montant forfaitaire G1 pendant les 7 premiers trimestres de ce contrat d'apprentissage et d'un montant forfaitaire G2 pendant la pĂ©riode restante.
§ 2. Pour les jeunes qui remplissaient avant le 1er janvier 2004 les conditions d'obtention de la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 5, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal n° 495 du 31 dĂ©cembre 1986 prĂ©citĂ© et qui n'entrent pas en considĂ©ration pour la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 18 de cet arrĂȘtĂ©, une reduction groupe cible pour jeunes travailleurs est octroyĂ©e Ă partir du 1er janvier 2004 pendant la durĂ©e du contrat d'apprentissage, composĂ©e d'un montant forfaitaire G1 pendant les 7 premiers trimestres de ce contrat d'apprentissage et d'un montant forfaitaire G2 pendant la pĂ©riode restante.
TITEL V. - Overgangsbepalingen.
TITRE V. - Dispositions transitoires.
Art. 57. (Voor de werkgevers die vóór 1 januari 2004 een eerste werknemer in dienst namen die voldeed aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 115bis van de programmawet van 30 december 1988 wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering eerste aanwervingen toegekend ten belope van een forfaitair bedrag G1 gedurende de vier kwartalen volgend op het kwartaal van aanwerving van die eerste werknemer en van een forfaitair bedrag G2 gedurende de acht daaropvolgende kwartalen. De werkgever mag daarbij kiezen per kwartaal voor welke werknemer of voor welke twee halftijdse werknemers hij deze vermindering toepast.) <KB 2004-01-21/33, art. 75, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Met uitzondering van de werkgevers bedoeld in het vorig lid, kan de vermindering bedoeld in artikel 16, 1° enkel worden toegepast indien de werkgever na 31 december 2003 als nieuwe werkgever (in de zin van artikel 343, § 1, van de programmawet van 24 december 2002) kan worden beschouwd. <KB 2004-01-21/33, art. 75, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
(De werkgever die voor een werknemer effectief geniet van de doelgroepvermindering bedoeld in artikel 16, § 1, 1°, op basis van het eerste lid, geniet eveneens van de tenlasteneming van de administratiekosten zoals bedoeld in artikel 16bis, volgens de regels en modaliteiten van dit artikel.) <KB 2004-01-21/33, art. 75, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Met uitzondering van de werkgevers bedoeld in het vorig lid, kan de vermindering bedoeld in artikel 16, 1° enkel worden toegepast indien de werkgever na 31 december 2003 als nieuwe werkgever (in de zin van artikel 343, § 1, van de programmawet van 24 december 2002) kan worden beschouwd. <KB 2004-01-21/33, art. 75, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
(De werkgever die voor een werknemer effectief geniet van de doelgroepvermindering bedoeld in artikel 16, § 1, 1°, op basis van het eerste lid, geniet eveneens van de tenlasteneming van de administratiekosten zoals bedoeld in artikel 16bis, volgens de regels en modaliteiten van dit artikel.) <KB 2004-01-21/33, art. 75, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 57. (Pour les employeurs qui ont engagé un premier travailleur avant le 1er janvier 2004 qui remplissait les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 115bis de la loi-programme du 30 décembre 1988, une réduction groupe cible premiers engagements est octroyée, composée d'un montant forfaitaire G1 pendant les quatre trimestres suivant le trimestre de l'engagement et d'un montant forfaitaire G2 pendant les huit trimestres suivants. L'employeur peut choisir, par trimestre, le travailleur ou les deux travailleurs à mi-temps auxquels il applique cette réduction.) <AR 2004-01-21/33, art. 75, 002; En vigueur : 01-01-2004>
A l'exception des employeurs visĂ©s Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 16, 1° ne peut ĂȘtre accordĂ©e que si l'employeur peut ĂȘtre considĂ©rĂ© comme nouvel employeur (au sens de l'article 343, § 1er, de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002) aprĂšs le 31 dĂ©cembre 2003. <AR 2004-01-21/33, art. 75, 002; En vigueur : 01-01-2004>
(L'employeur qui, pour un travailleur, bénéficie effectivement de la réduction groupe cible visée à l'article 16, § 1er, 1°, sur la base de l'alinéa 1er bénéficie également de la prise en charge des frais d'administration visés à l'article 16bis, selon les rÚgles et modalités de cet article.) <AR 2004-01-21/33, art. 75, 002; En vigueur : 01-01-2004>
A l'exception des employeurs visĂ©s Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 16, 1° ne peut ĂȘtre accordĂ©e que si l'employeur peut ĂȘtre considĂ©rĂ© comme nouvel employeur (au sens de l'article 343, § 1er, de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002) aprĂšs le 31 dĂ©cembre 2003. <AR 2004-01-21/33, art. 75, 002; En vigueur : 01-01-2004>
(L'employeur qui, pour un travailleur, bénéficie effectivement de la réduction groupe cible visée à l'article 16, § 1er, 1°, sur la base de l'alinéa 1er bénéficie également de la prise en charge des frais d'administration visés à l'article 16bis, selon les rÚgles et modalités de cet article.) <AR 2004-01-21/33, art. 75, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Art. 58. Voor de werknemers aangeworven voor 1 april 2002 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 3 (...) van het koninklijk besluit van 27 december 1994 tot uitvoering van Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden toegekend als volgt : <KB 2004-01-21/33, art. 76, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
1° voor de werknemer aangeworven met een banenkaart tussen 1 januari 2002 en 31 maart 2002, die voldeed aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 3, 1°, van het koninklijk besluit van 27 december 1994 tot uitvoering van Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, een forfaitair bedrag G2 in het eerste kwartaal 2004;
2° voor de werknemer aangeworven met een banenkaart tussen 1 januari 2002 en 31 maart 2002, die voldeed aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 3, 2°, van het koninklijk besluit van 27 december 1994 tot uitvoering van Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, een forfaitair bedrag G1 in het eerste kwartaal 2004;
3° voor de werknemer aangeworven met een banenkaart vóór 1 april 2002, die voldeed aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 3, 3°, a) van het koninklijk besluit van 27 december 1994 tot uitvoering van Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, een forfaitair bedrag G2 gedurende het vijfde tot en met het vierentwintigste kwartaal dat volgt op het kwartaal van indienstneming;
4° voor de werknemer aangeworven met een banenkaart vóór 1 april 2002, die voldeed aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 3, 3°, b), van het koninklijk besluit van 27 december 1994 tot uitvoering van Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, een forfaitair bedrag G1 gedurende het vijfde tot en met het vierentwintigste kwartaal dat volgt op het kwartaal van indienstneming;
1° voor de werknemer aangeworven met een banenkaart tussen 1 januari 2002 en 31 maart 2002, die voldeed aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 3, 1°, van het koninklijk besluit van 27 december 1994 tot uitvoering van Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, een forfaitair bedrag G2 in het eerste kwartaal 2004;
2° voor de werknemer aangeworven met een banenkaart tussen 1 januari 2002 en 31 maart 2002, die voldeed aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 3, 2°, van het koninklijk besluit van 27 december 1994 tot uitvoering van Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, een forfaitair bedrag G1 in het eerste kwartaal 2004;
3° voor de werknemer aangeworven met een banenkaart vóór 1 april 2002, die voldeed aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 3, 3°, a) van het koninklijk besluit van 27 december 1994 tot uitvoering van Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, een forfaitair bedrag G2 gedurende het vijfde tot en met het vierentwintigste kwartaal dat volgt op het kwartaal van indienstneming;
4° voor de werknemer aangeworven met een banenkaart vóór 1 april 2002, die voldeed aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 3, 3°, b), van het koninklijk besluit van 27 december 1994 tot uitvoering van Hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, een forfaitair bedrag G1 gedurende het vijfde tot en met het vierentwintigste kwartaal dat volgt op het kwartaal van indienstneming;
Art. 58. Pour les travailleurs engagĂ©s avant le 1er avril 2002, qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 3 (...) de l'arrĂȘtĂ© royal du 27 dĂ©cembre 1994 portant exĂ©cution du Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 dĂ©cembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, une rĂ©duction de groupe-cible pour les demandeurs d'emploi de longue durĂ©e est octroyĂ©e Ă partir du 1er janvier 2004 de la maniĂšre suivante : <AR 2004-01-21/33, art. 76, 002; En vigueur : 01-01-2004>
1° pour le travailleur engagĂ© avec une carte d'embauche entre le 1er janvier 2002 et le 31 mars 2002, qui remplissait les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 3, 1°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 27 dĂ©cembre 1994 portant exĂ©cution du Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 dĂ©cembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, un montant forfaitaire G2 dans le premier trimestre 2004;
2° pour le travailleur engagĂ© avec une carte d'embauche entre le 1er janvier 2002 et le 31 mars 2002, qui remplissait les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 3, 2°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 27 dĂ©cembre 1994 portant exĂ©cution du Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 dĂ©cembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, un montant forfaitaire G1 dans le premier trimestre 2004;
3° pour le travailleur engagĂ© avec une carte d'embauche avant le 1er avril 2002, qui remplissait les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 3, 3°, a) de l'arrĂȘtĂ© royal du 27 dĂ©cembre 1994 portant exĂ©cution du Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 dĂ©cembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, un montant forfaitaire G2 pendant le cinquiĂšme jusqu'au vingt-quatriĂšme trimestre inclus suivant le trimestre de l'engagement;
4° pour le travailleur engagĂ© avec une carte d'embauche avant le 1er avril 2002, qui remplissait les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 3, 3°, b), de l'arrĂȘtĂ© royal du 27 dĂ©cembre 1994 portant exĂ©cution du Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 dĂ©cembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, un montant forfaitaire G1 pendant le cinquiĂšme jusqu'au vingt-quatriĂšme trimestre inclus suivant le trimestre de l'engagement.
1° pour le travailleur engagĂ© avec une carte d'embauche entre le 1er janvier 2002 et le 31 mars 2002, qui remplissait les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 3, 1°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 27 dĂ©cembre 1994 portant exĂ©cution du Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 dĂ©cembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, un montant forfaitaire G2 dans le premier trimestre 2004;
2° pour le travailleur engagĂ© avec une carte d'embauche entre le 1er janvier 2002 et le 31 mars 2002, qui remplissait les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 3, 2°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 27 dĂ©cembre 1994 portant exĂ©cution du Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 dĂ©cembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, un montant forfaitaire G1 dans le premier trimestre 2004;
3° pour le travailleur engagĂ© avec une carte d'embauche avant le 1er avril 2002, qui remplissait les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 3, 3°, a) de l'arrĂȘtĂ© royal du 27 dĂ©cembre 1994 portant exĂ©cution du Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 dĂ©cembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, un montant forfaitaire G2 pendant le cinquiĂšme jusqu'au vingt-quatriĂšme trimestre inclus suivant le trimestre de l'engagement;
4° pour le travailleur engagĂ© avec une carte d'embauche avant le 1er avril 2002, qui remplissait les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 3, 3°, b), de l'arrĂȘtĂ© royal du 27 dĂ©cembre 1994 portant exĂ©cution du Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 dĂ©cembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, un montant forfaitaire G1 pendant le cinquiĂšme jusqu'au vingt-quatriĂšme trimestre inclus suivant le trimestre de l'engagement.
Art. 58bis. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-21/33, art. 77; Inwerkingtreding : 01-01-2004> De voordelen van hoofdstuk 3 van titel III van dit besluit worden niet toegekend voor een werknemer die door dezelfde werkgever terug in dienst genomen wordt binnen een periode van 12 maanden na de beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst die gesloten was voor een onbepaalde duur, wanneer de werkgever voor deze werknemer en voor deze tewerkstelling genoten heeft van de voordelen van het koninklijk besluit van 27 december 1994 tot uitvoering van hoofdstuk II van titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale bepalingen of van de voordelen van artikel 58 van onderhavig besluit.
De voordelen van hoofdstuk 3 van titel III van dit besluit worden wel toegekend wanneer de arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur bedoeld in het vorige lid is gesloten in het kader van een doorstromingsprogramma in toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's.
De voordelen van hoofdstuk 3 van titel III van dit besluit worden wel toegekend wanneer de arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur bedoeld in het vorige lid is gesloten in het kader van een doorstromingsprogramma in toepassing van het koninklijk besluit van 9 juni 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de doorstromingsprogramma's.
Art. 58bis. Les avantages du chapitre 3 du titre III du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ne sont pas accordĂ©s pour un travailleur engagĂ© Ă nouveau par le mĂȘme employeur au cours d'une pĂ©riode de 12 mois suivant la fin du contrat de travail prĂ©cĂ©dent conclu pour une durĂ©e indĂ©terminĂ©e, lorsque l'employeur a bĂ©nĂ©ficiĂ© pour ce travailleur et pour cette occupation des avantages de l'arrĂȘtĂ© royal du 27 dĂ©cembre 1994 portant exĂ©cution du chapitre II du titre IV de la loi du 21 dĂ©cembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses ou des avantages de l'article 58 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Les avantages du chapitre 3 du titre III du prĂ©sent arrĂȘtĂ© sont nĂ©anmoins accordĂ©s lorsque le contrat de travail Ă durĂ©e indĂ©terminĂ©e visĂ© dans l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent est conclu dans le cadre d'un programme de transition professionnelle en application de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1997 d'exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle.
Les avantages du chapitre 3 du titre III du prĂ©sent arrĂȘtĂ© sont nĂ©anmoins accordĂ©s lorsque le contrat de travail Ă durĂ©e indĂ©terminĂ©e visĂ© dans l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent est conclu dans le cadre d'un programme de transition professionnelle en application de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 juin 1997 d'exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs relatif aux programmes de transition professionnelle.
Art. 59. Voor de werknemers aangeworven voor 1 januari 2004 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 30 maart 1995 tot uitvoering van hoofdstuk II van Titel IV van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen wat betreft de inschakelingsbedrijven en de vennootschappen met een sociaal oogmerk, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering toegekend voor langdurig werkzoekenden bestaande uit een forfaitair bedrag G1 in de vier kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming en een forfaitair bedrag G2 gedurende de twaalf daaropvolgende kwartalen.
Art. 59. Pour les travailleurs engagĂ©s avant le 1er janvier 2004 et qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 3 de l'arrĂȘtĂ© royal du 30 mars 1995 portant exĂ©cution du Chapitre II du Titre IV de la loi du 21 dĂ©cembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses aux entreprises d'insertion et aux sociĂ©tĂ©s Ă finalitĂ© sociale, une rĂ©duction de groupe-cible pour les demandeurs d'emploi de longue durĂ©e est octroyĂ©e Ă partir du 1er janvier 2004, composĂ©e d'un montant forfaitaire G1 au cours des quatre trimestres suivant le trimestre de l'engagement et un montant forfaitaire G2 au cours des douze trimestres subsĂ©quents.
Art. 60. Voor de werkgevers die vóór 1 oktober 2001 de arbeidsduur verminderden en daarbij voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 februari 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de tewerkstellingsakkoorden in toepassing van de artikelen 7, § 2, 30, § 2 en 33 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, of in het koninklijk besluit van 24 november 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering in toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor arbeidsduurvermindering toegekend bestaande uit een forfaitair bedrag G2 per betrokken werknemer. Deze doelgroepvermindering wordt toegekend voor een aantal kwartalen dat wordt bekomen door het verminderingsbedrag waarvan de werkgever per werknemer nog kon genieten na 1 januari 2004 op basis van artikel 9 van voormeld koninklijk besluit van 24 februari 1997 of op basis van het voormelde koninklijk besluit van 24 november 1997 te totaliseren en te delen door 400, waarbij het resultaat wordt afgerond naar boven.
Art. 60. Pour les employeurs qui ont rĂ©duit avant le 1er octobre 2001 le temps de travail tout en remplissant les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 9 de l'arrĂȘtĂ© royal du 24 fĂ©vrier 1997 contenant des conditions plus prĂ©cises relatives aux accords pour l'emploi en application des articles 7, § 2, 30, § 2, et 33, de la loi du 26 juillet 1996 relative Ă la promotion de l'emploi et Ă la sauvegarde prĂ©ventive de la compĂ©titivitĂ©, ou dans l'arrĂȘtĂ© royal du 24 novembre 1997 contenant des conditions plus prĂ©cises relatives Ă l'instauration de la rĂ©duction de cotisations pour la redistribution du travail en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative Ă la promotion de l'emploi et Ă la sauvegarde prĂ©ventive de la compĂ©titivitĂ©, une rĂ©duction de groupe-cible pour la rĂ©duction du temps de travail est octroyĂ©e Ă partir du 1er janvier 2004, composĂ©e d'un montant forfaitaire G2 par travailleur concernĂ©. Cette rĂ©duction de groupe cible est octroyĂ©e pour un certain nombre de trimestres obtenu en totalisant le montant de la rĂ©duction dont l'employeur pouvait encore bĂ©nĂ©ficier par travailleur aprĂšs le 1er janvier 2004 sur la base de l'article 9 de l'arrĂȘtĂ© royal du 24 fĂ©vrier 1997 prĂ©citĂ© ou sur la base de l'arrĂȘtĂ© royal du 24 novembre 1997 prĂ©citĂ© et en divisant ce montant total par 400, le rĂ©sultat Ă©tant arrondi Ă l'unitĂ© supĂ©rieure.
Art. 61. § 1. (Voor de werkgevers die vóór 1 januari 2004 een tweede werknemer in dienst namen die voldeed aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 4, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 14 maart 1997 houdende specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine en middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering eerste aanwervingen toegekend ten belope van een forfaitair bedrag G2 gedurende de twaalf kwartalen volgend op het kwartaal van aanwerving van die tweede werknemer. De werkgever mag daarbij kiezen per kwartaal voor welke werknemer of voor welke twee halftijdse werknemers hij deze vermindering toepast.) <KB 2004-01-21/33, art. 78, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Met uitzondering van de werkgevers bedoeld in het vorig lid, kan de vermindering bedoeld in (artikel 16, § 1, 2°) enkel worden toegepast indien de werkgever na 31 december 2003 (, in de hoedanigheid van nieuwe werkgever in de zin van artikel 343, § 2, van de programmawet van 24 december 2002 een tweede werknemer in dienst neemt). <KB 2004-01-21/33, art. 78, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 2. (Voor de werkgevers die vóór 1 januari 2004 een derde werknemer in dienst namen die voldeed aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 4, § 2, tweede en derde lid, van het koninklijk besluit van 14 maart 1997 houdende specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine en middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering eerste aanwervingen toegekend ten belope van een forfaitair bedrag G2 gedurende de acht kwartalen volgend op het kwartaal van aanwerving van die derde werknemer. De werkgever mag daarbij kiezen per kwartaal voor welke werknemer of voor welke twee halftijdse werknemers hij deze vermindering toepast.) <KB 2004-01-21/33, art. 78, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Met uitzondering van de werkgevers bedoeld in het vorig lid, kan de vermindering bedoeld in (artikel 16, § 1, 3°) enkel worden toegepast indien de werkgever na 31 december 2003 (, in de hoedanigheid van nieuwe werkgever in de zin van artikel 343, § 3, van de programmawet van 24 december 2002 een derde werknemer in dienst neemt). <KB 2004-01-21/33, art. 78, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Met uitzondering van de werkgevers bedoeld in het vorig lid, kan de vermindering bedoeld in (artikel 16, § 1, 2°) enkel worden toegepast indien de werkgever na 31 december 2003 (, in de hoedanigheid van nieuwe werkgever in de zin van artikel 343, § 2, van de programmawet van 24 december 2002 een tweede werknemer in dienst neemt). <KB 2004-01-21/33, art. 78, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 2. (Voor de werkgevers die vóór 1 januari 2004 een derde werknemer in dienst namen die voldeed aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 4, § 2, tweede en derde lid, van het koninklijk besluit van 14 maart 1997 houdende specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine en middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering eerste aanwervingen toegekend ten belope van een forfaitair bedrag G2 gedurende de acht kwartalen volgend op het kwartaal van aanwerving van die derde werknemer. De werkgever mag daarbij kiezen per kwartaal voor welke werknemer of voor welke twee halftijdse werknemers hij deze vermindering toepast.) <KB 2004-01-21/33, art. 78, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Met uitzondering van de werkgevers bedoeld in het vorig lid, kan de vermindering bedoeld in (artikel 16, § 1, 3°) enkel worden toegepast indien de werkgever na 31 december 2003 (, in de hoedanigheid van nieuwe werkgever in de zin van artikel 343, § 3, van de programmawet van 24 december 2002 een derde werknemer in dienst neemt). <KB 2004-01-21/33, art. 78, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 61. § 1er. (Pour les employeurs qui ont engagĂ© un deuxiĂšme travailleur avant le 1er janvier 2004 qui remplissait les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 4, § 2, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 mars 1997 portant des mesures spĂ©cifiques de promotion de l'emploi pour les petites et moyennes entreprises en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative Ă la promotion de l'emploi et Ă la sauvegarde prĂ©ventive de la compĂ©titivitĂ©, une rĂ©duction groupe cible premiers engagements est octroyĂ©e, composĂ©e d'un montant forfaitaire G2 pendant les douze trimestres suivant le trimestre de l'engagement de ce deuxiĂšme travailleur. L'employeur peut choisir, par trimestre, le travailleur ou les deux travailleurs Ă mi-temps auxquels il applique cette rĂ©duction.) <AR 2004-01-21/33, art. 78, 002; En vigueur : 01-01-2004>
A l'exception des employeurs visĂ©s Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, la rĂ©duction visĂ©e Ă l' (article 16, § 1er, 2°) ne peut ĂȘtre accordĂ©e que si l'employeur (,en qualitĂ© de nouvel employeur au sens de l'article 343, § 2, de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002, engage un second travailleur aprĂšs le 31 dĂ©cembre 2003). <AR 2004-01-21/33, art. 78, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 2. (Pour les employeurs qui ont engagĂ© un troisiĂšme travailleur avant le 1er janvier 2004 qui remplissait les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 4, § 2, alinĂ©as 2 et 3, de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 mars 1997 portant des mesures spĂ©cifiques de promotion de l'emploi pour les petites et moyennes entreprises en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative Ă la promotion de l'emploi et Ă la sauvegarde prĂ©ventive de la compĂ©titivitĂ©, une rĂ©duction groupe cible premiers engagements est octroyĂ©e, composĂ©e d'un montant forfaitaire G2 pendant les huit trimestres suivant le trimestre de l'engagement de ce troisiĂšme travailleur. L'employeur peut choisir, par trimestre, le travailleur ou les deux travailleurs Ă mi-temps auxquels il applique cette rĂ©duction.) <AR 2004-01-21/33, art. 78, 002; En vigueur : 01-01-2004>
A l'exception des employeurs visĂ©s Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, la rĂ©duction visĂ©e Ă l'(article 16, § 1er, 3°) ne peut ĂȘtre accordĂ©e que si l'employeur (, en qualitĂ© de nouvel employeur au sens de l'article 343, § 3, de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002, engage un troisiĂšme travailleur aprĂšs le 31 dĂ©cembre 2003). <AR 2004-01-21/33, art. 78, 002; En vigueur : 01-01-2004>
A l'exception des employeurs visĂ©s Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, la rĂ©duction visĂ©e Ă l' (article 16, § 1er, 2°) ne peut ĂȘtre accordĂ©e que si l'employeur (,en qualitĂ© de nouvel employeur au sens de l'article 343, § 2, de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002, engage un second travailleur aprĂšs le 31 dĂ©cembre 2003). <AR 2004-01-21/33, art. 78, 002; En vigueur : 01-01-2004>
§ 2. (Pour les employeurs qui ont engagĂ© un troisiĂšme travailleur avant le 1er janvier 2004 qui remplissait les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 4, § 2, alinĂ©as 2 et 3, de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 mars 1997 portant des mesures spĂ©cifiques de promotion de l'emploi pour les petites et moyennes entreprises en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative Ă la promotion de l'emploi et Ă la sauvegarde prĂ©ventive de la compĂ©titivitĂ©, une rĂ©duction groupe cible premiers engagements est octroyĂ©e, composĂ©e d'un montant forfaitaire G2 pendant les huit trimestres suivant le trimestre de l'engagement de ce troisiĂšme travailleur. L'employeur peut choisir, par trimestre, le travailleur ou les deux travailleurs Ă mi-temps auxquels il applique cette rĂ©duction.) <AR 2004-01-21/33, art. 78, 002; En vigueur : 01-01-2004>
A l'exception des employeurs visĂ©s Ă l'alinĂ©a prĂ©cĂ©dent, la rĂ©duction visĂ©e Ă l'(article 16, § 1er, 3°) ne peut ĂȘtre accordĂ©e que si l'employeur (, en qualitĂ© de nouvel employeur au sens de l'article 343, § 3, de la loi-programme du 24 dĂ©cembre 2002, engage un troisiĂšme travailleur aprĂšs le 31 dĂ©cembre 2003). <AR 2004-01-21/33, art. 78, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Art. 62. Voor de werknemers aangeworven voor 1 januari 2002 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 13 februari 1998 tot uitvoering van artikel 7, § 1bis, vierde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden toegekend bestaande uit een forfaitair bedrag G1 per kwartaal gedurende de tewerkstelling van de werknemer in een erkende arbeidspost zoals bepaald in het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van langdurig werklozen. Deze doelgroepvermindering kan maximaal slechts worden toegekend tot 31 december 2004.
Art. 62. Pour les travailleurs engagĂ©s avant le (1er janvier 2002) et qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 13 fĂ©vrier 1998 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1erbis, alinĂ©a 4, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, une rĂ©duction de groupe-cible pour les demandeurs d'emploi de longue durĂ©e est octroyĂ©e Ă partir du 1er janvier 2004, composĂ©e d'un montant forfaitaire G1 par trimestre pendant la mise au travail d'un travailleur dans un poste de travail reconnu visĂ© dans l'arrĂȘtĂ© royal du 8 aoĂ»t 1997 d'exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs relatif Ă la rĂ©insertion professionnelle des chĂŽmeurs de longue durĂ©e. Cette rĂ©duction de groupe-cible ne peut ĂȘtre octroyĂ©e que jusqu'au 31 dĂ©cembre 2004 au plus tard. <AR 2004-01-21/33, art. 79, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Art. 63. Voor de werkgevers die voor 1 oktober 2001 de vierdagenweek invoerden en daarbij voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in Hoofdstuk II, afdeling VI, onderafdeling 2 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering toegekend bestaande uit een forfaitair bedrag G1 per betrokken werknemer gedurende vijf kwartalen.
Art. 63. Pour les employeurs qui ont instaure avant le 1er octobre 2001 la semaine de quatre jours tout en remplissant les conditions pour obtenir la réduction visée au Chapitre II, section VI, sous-section 2 de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses, une réduction de groupe cible est octroyée à partir du 1er janvier 2004, composée d'un montant forfaitaire G1 par travailleur concerné pendant cinq trimestres.
Art. 64. Voor de werknemers aangeworven voor 1 januari 2004 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1bis, vierde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering toegekend voor langdurig werkzoekenden bestaande uit een forfaitair bedrag G1 gedurende de kwartalen waarin de werknemer geniet van een uitkering bedoeld bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, zoals dit van kracht was voor 1 januari 2004.
(Een werknemer kan verder de herinschakelingsuitkering genieten bedoeld in artikel 4 van het voormeld koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen zoals van toepassing vóór 1 januari 2004, op voorwaarde dat hij in dienst is getreden vóór 1 januari 2004 en zonder onderbreking verder in dienst blijft na 31 december 2003.
Indien het contractueel voorzien wekelijks uurrooster van de werknemer die in dienst is getreden vóór 1 januari 2004, tijdens die tewerkstelling, doch na 31 december 2003, wordt gewijzigd, kan deze werknemer de herinschakelingsuitkering verder genieten gedurende de periode waarin hij verbonden is door de arbeidsovereenkomst, maar wordt het bedrag ervan vastgesteld op grond van artikel 131quinquies van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering zoals van toepassing vanaf 1 januari 2004.) <KB 2004-01-21/33, art. 80, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
(Een werknemer kan verder de herinschakelingsuitkering genieten bedoeld in artikel 4 van het voormeld koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen zoals van toepassing vóór 1 januari 2004, op voorwaarde dat hij in dienst is getreden vóór 1 januari 2004 en zonder onderbreking verder in dienst blijft na 31 december 2003.
Indien het contractueel voorzien wekelijks uurrooster van de werknemer die in dienst is getreden vóór 1 januari 2004, tijdens die tewerkstelling, doch na 31 december 2003, wordt gewijzigd, kan deze werknemer de herinschakelingsuitkering verder genieten gedurende de periode waarin hij verbonden is door de arbeidsovereenkomst, maar wordt het bedrag ervan vastgesteld op grond van artikel 131quinquies van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering zoals van toepassing vanaf 1 januari 2004.) <KB 2004-01-21/33, art. 80, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 64. Pour les travailleurs engagĂ©s avant le 1er janvier 2004 et qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 2 de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1erbis, alinĂ©a 4, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, une rĂ©duction de groupe cible est octroyĂ©e Ă partir du 1er janvier 2004, composĂ©e d'un montant forfaitaire G1 pendant les trimestres au cours desquels le travailleur bĂ©nĂ©ficie d'une allocation visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, tel qu'il Ă©tait applicable avant le 1er janvier 2004.
(Un travailleur peut continuer de bĂ©nĂ©ficier de l'allocation de rĂ©insertion visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif a la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, tel qu'il Ă©tait applicable avant l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, Ă condition qu'il soit entrĂ© en service avant le 1er janvier 2004 et qu'il reste en service sans interruption aprĂšs le 31 dĂ©cembre 2003.
Si l'horaire de travail hebdomadaire prĂ©vu dans le contrat du travailleur entrĂ© en service avant le 1er janvier 2004 est modifiĂ© au cours de cette occupation, mais aprĂšs le 31 dĂ©cembre 2003, le travailleur peut continuer de bĂ©nĂ©ficier de l'allocation de rĂ©insertion pendant la pĂ©riode au cours de laquelle il est liĂ© par un contrat de travail. Toutefois, le montant de cette allocation est fixĂ© sur base de l'article 131quiniquies de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage, tel qu'il est applicable Ă partir du 1er janvier 2004.) <AR 2004-01-21/33, art. 80, 002; En vigueur : 01-01-2004>
(Un travailleur peut continuer de bĂ©nĂ©ficier de l'allocation de rĂ©insertion visĂ©e Ă l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif a la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer, tel qu'il Ă©tait applicable avant l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, Ă condition qu'il soit entrĂ© en service avant le 1er janvier 2004 et qu'il reste en service sans interruption aprĂšs le 31 dĂ©cembre 2003.
Si l'horaire de travail hebdomadaire prĂ©vu dans le contrat du travailleur entrĂ© en service avant le 1er janvier 2004 est modifiĂ© au cours de cette occupation, mais aprĂšs le 31 dĂ©cembre 2003, le travailleur peut continuer de bĂ©nĂ©ficier de l'allocation de rĂ©insertion pendant la pĂ©riode au cours de laquelle il est liĂ© par un contrat de travail. Toutefois, le montant de cette allocation est fixĂ© sur base de l'article 131quiniquies de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 novembre 1991 portant rĂ©glementation du chĂŽmage, tel qu'il est applicable Ă partir du 1er janvier 2004.) <AR 2004-01-21/33, art. 80, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Art. 64_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 64 _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 64bis. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-21/33, art. 81; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Voor de werknemers aangeworven voor 1 januari 2002 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 7 mei 1999 tot uitvoering van artikel 2, § 5bis, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum en van artikel 57quater, § 3, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden toegekend bestaande uit een forfaitair bedrag G1 per kwartaal gedurende de tewerkstelling van de werknemer in een erkende arbeidspost zoals bepaald in het koninklijk besluit van 8 augustus 1997 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de herinschakeling van langdurig werklozen. Deze doelgroepvermindering kan maximaal slechts worden toegekend tot 31 december 2004.
Art. 64bis. Pour les travailleurs engagĂ©s avant le 1er janvier 2002 et qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 3, § 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 7 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 2, § 5bis, de la loi du 7 aoĂ»t 1974 instituant le droit Ă un minimum de moyens d'existence et de l'article 57quater, § 3, de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale, une rĂ©duction groupe cible pour chĂŽmeurs de longe durĂ©e est octroyĂ©e Ă partir du 1er janvier 2004, composĂ©e d'un montant forfaitaire G1 par trimestre pendant l'occupation du travailleur dans un poste de travail reconnu au sens de l'arrĂȘtĂ© royal du 8 aoĂ»t 1997 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs, relatif Ă la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă placer. Cette rĂ©duction groupe cible ne peut ĂȘtre octroyĂ©e que jusqu'au 31 dĂ©cembre 2004 au plus tard.
Art. 65. Voor de werkgevers die vóór 1 januari 2004 een jongere op het einde van een startbaanovereenkomst in het kader van een geschreven arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst heeft gehouden, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor (jonge werknemers) toegekend bestaande uit een forfaitair bedrag G2 per kwartaal gedurende de vier kwartalen die volgen op het kwartaal waarin de jongere in dienst werd gehouden. <KB 2004-01-21/33, art. 82, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 65. Pour les employeurs qui ont maintenu à leur service, avant le 1er janvier 2004, un jeune au terme d'un contrat de premier emploi dans le cadre d'un contrat de travail écrit à durée indéterminée, une réduction de groupe cible pour (jeunes travailleurs) est octroyée à partir du 1er janvier 2004, composée d'un montant forfaitaire G2 par trimestre pendant les quatre trimestres suivant le trimestre au cours duquel le jeune a été maintenu en service. <AR 2004-01-21/33, art. 82, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Art. 66. § 1. Voor de werkgevers die tussen 1 oktober 2003 en 31 december 2003 de arbeidsduur verminderden en/of de vierdagenweek invoerden en daarbij voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in (artikelen 5 tot 12) van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering zoals bedoeld in artikel 22 toegekend. <KB 2004-01-21/33, art. 83, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
§ 2. Voor de werkgevers die vóór 1 oktober 2003 de arbeidsduur verminderden en daarbij voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 8, § 1, 2° van voornoemde wet van 10 augustus 2001 wordt vanaf 1 januari 2004 (, in afwijking van artikel 26, derde lid,) een doelgroepvermindering voor arbeidsduurvermindering, zoals bepaald in artikel 22 toegekend. <KB 2004-01-21/33, art. 83, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Het aantal kwartalen waarin de vermindering bedoeld in artikel 22, § 1, 1°, 2° en 3° kan worden toegepast, wordt verminderd met een aantal kwartalen dat wordt bekomen door het verminderingsbedrag bedoeld in artikel 8, § 1, 2°, a), b) of c) van de voormelde wet van 10 augustus 2001 te vermenigvuldigen met het aantal kwartalen waarvoor de werknemer voor deze bijdragevermindering in aanmerking kwam en daarna te delen door 400, waarbij het resultaat naar beneden wordt afgerond.
§ 2. Voor de werkgevers die vóór 1 oktober 2003 de arbeidsduur verminderden en daarbij voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 8, § 1, 2° van voornoemde wet van 10 augustus 2001 wordt vanaf 1 januari 2004 (, in afwijking van artikel 26, derde lid,) een doelgroepvermindering voor arbeidsduurvermindering, zoals bepaald in artikel 22 toegekend. <KB 2004-01-21/33, art. 83, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Het aantal kwartalen waarin de vermindering bedoeld in artikel 22, § 1, 1°, 2° en 3° kan worden toegepast, wordt verminderd met een aantal kwartalen dat wordt bekomen door het verminderingsbedrag bedoeld in artikel 8, § 1, 2°, a), b) of c) van de voormelde wet van 10 augustus 2001 te vermenigvuldigen met het aantal kwartalen waarvoor de werknemer voor deze bijdragevermindering in aanmerking kwam en daarna te delen door 400, waarbij het resultaat naar beneden wordt afgerond.
Art. 66. § 1er. Pour les employeurs qui, entre le 1er octobre 2003 et le 31 décembre 2003, ont réduit le temps de travail et/ou ont instauré la semaine de quatre jours tout en remplissant les conditions pour obtenir la réduction visée aux articles 5 à 12 de la loi du 10 août 2001 relative à la conciliation entre l'emploi et la qualité de vie, une réduction groupe cible telle que visée à l'article 22 est octroyée à partir du 1er janvier 2004.
§ 2. Pour les employeurs qui avant le 1er octobre 2003 ont réduit le temps de travail en remplissant les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 8, § 1er, 2° de la loi précitée du 10 août 2001, une réduction groupe cible pour réduction du temps de travail telle que visée à l'article 22 est octroyée (, par dérogation à l'article 26, alinéa 3,) à partir du 1er janvier 2004. <AR 2004-01-21/33, art. 83, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Le nombre de trimestres durant lesquels la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 22, § 1er, 1°, 2° et 3° peut ĂȘtre appliquĂ©e est diminuĂ© par un nombre de trimestres qui est obtenu en multipliant le montant de la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 8, § 1er, 2°, a), b) ou c) de la loi prĂ©citĂ©e du 10 aoĂ»t 2001 par le nombre de trimestres pour lesquels l'employeur est venu en compte et divise par 400, le rĂ©sultat de cette division Ă©tant arrondi vers le bas.
§ 2. Pour les employeurs qui avant le 1er octobre 2003 ont réduit le temps de travail en remplissant les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 8, § 1er, 2° de la loi précitée du 10 août 2001, une réduction groupe cible pour réduction du temps de travail telle que visée à l'article 22 est octroyée (, par dérogation à l'article 26, alinéa 3,) à partir du 1er janvier 2004. <AR 2004-01-21/33, art. 83, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Le nombre de trimestres durant lesquels la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 22, § 1er, 1°, 2° et 3° peut ĂȘtre appliquĂ©e est diminuĂ© par un nombre de trimestres qui est obtenu en multipliant le montant de la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 8, § 1er, 2°, a), b) ou c) de la loi prĂ©citĂ©e du 10 aoĂ»t 2001 par le nombre de trimestres pour lesquels l'employeur est venu en compte et divise par 400, le rĂ©sultat de cette division Ă©tant arrondi vers le bas.
Art. 67. § 1. Voor de werknemers aangeworven vóór 1 januari 2004 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in de artikelen 5, 6, 8 en 9 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden toegekend als volgt :
1° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de vier kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming en een forfaitair bedrag G2 gedurende de vier daaropvolgende kwartalen;
2° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de acht kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming;
3° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 8 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de vier kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming en een forfaitair bedrag G2 gedurende de zestien daaropvolgende kwartalen;
4° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in van artikel 9 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de twintig kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming.
§ 2. voor de werknemers aangeworven voor 1 januari 2004 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 17 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden toegekend als volgt :
1° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 17, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de vier kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming en een forfaitair bedrag G2 gedurende de vier daaropvolgende kwartalen;
2° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 17, tweede lid, van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de acht kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming;
3° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 17, derde lid, van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de vier kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming en een forfaitair bedrag G2 gedurende de acht daaropvolgende kwartalen;
4° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 17, vierde lid, van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de twaalf kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming.
(§ 3. Voor de werknemers aangeworven voor 1 januari 2004 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 7bis van het koninklijk besluit van 19 december 2001, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 maart 2003 wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden toegekend zoals bepaald in § 1, 1°.
§ 4. Voor de werknemers aangeworven voor 1 januari 2004 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in de artikelen 11quinquies en 11septies van het koninklijk besluit van 19 december 2001, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 19 maart 2003, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden toegekend als volgt :
1° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 11quinquies van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de twintig kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming;
2° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 11septies van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 voor de duur van de tewerkstelling.
§ 5. Een werknemer kan verder de werkuitkering genieten bedoeld in artikel 7, 7bis, 10 of 11, van het voormeld koninklijk besluit van 19 december 2001, zoals van toepassing vóór 1 januari 2004, op voorwaarde dat hij in dienst is getreden vóór 1 januari 2004 en zonder onderbreking verder in dienst blijft na 31 december 2003.
Aan een werknemer wordt een werkuitkering toegekend gedurende een periode die wordt vastgesteld op grond van de artikelen 7, 7bis, 10 of 11 van het voormeld koninklijk besluit van 19 december 2001 zoals van toepassing vanaf 1 januari 2004, doch gerekend vanaf de datum vastgesteld in toepassing van artikel 16, eerste lid, van het voormeld koninklijk besluit van 19 december 2001, indien de volgende voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
1° gedurende een tewerkstelling aangevat vóór 1 januari 2004 genoot de werknemer de werkuitkering bedoeld in artikel 7, 7bis, 10 of 11 van het voormeld koninklijk besluit van 19 december 2001 zoals van toepassing vóór 1 januari 2004;
2° de werknemer is uit dienst getreden en na een onderbreking opnieuw bij dezelfde werkgever in dienst getreden na 31 december 2003;
3° de datum van de nieuwe indiensttreding is gesitueerd binnen een periode van 30 maanden volgend op de vorige uitdiensttreding.) <KB 2004-01-21/33, art. 84, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
1° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de vier kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming en een forfaitair bedrag G2 gedurende de vier daaropvolgende kwartalen;
2° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de acht kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming;
3° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 8 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de vier kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming en een forfaitair bedrag G2 gedurende de zestien daaropvolgende kwartalen;
4° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in van artikel 9 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de twintig kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming.
§ 2. voor de werknemers aangeworven voor 1 januari 2004 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 17 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden toegekend als volgt :
1° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 17, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de vier kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming en een forfaitair bedrag G2 gedurende de vier daaropvolgende kwartalen;
2° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 17, tweede lid, van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de acht kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming;
3° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 17, derde lid, van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de vier kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming en een forfaitair bedrag G2 gedurende de acht daaropvolgende kwartalen;
4° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 17, vierde lid, van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de twaalf kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming.
(§ 3. Voor de werknemers aangeworven voor 1 januari 2004 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 7bis van het koninklijk besluit van 19 december 2001, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 26 maart 2003 wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden toegekend zoals bepaald in § 1, 1°.
§ 4. Voor de werknemers aangeworven voor 1 januari 2004 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in de artikelen 11quinquies en 11septies van het koninklijk besluit van 19 december 2001, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 19 maart 2003, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering voor langdurig werkzoekenden toegekend als volgt :
1° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 11quinquies van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 in de twintig kwartalen die volgen op het kwartaal van indienstneming;
2° voor de werknemers die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 11septies van het koninklijk besluit van 19 december 2001, een forfaitair bedrag G1 voor de duur van de tewerkstelling.
§ 5. Een werknemer kan verder de werkuitkering genieten bedoeld in artikel 7, 7bis, 10 of 11, van het voormeld koninklijk besluit van 19 december 2001, zoals van toepassing vóór 1 januari 2004, op voorwaarde dat hij in dienst is getreden vóór 1 januari 2004 en zonder onderbreking verder in dienst blijft na 31 december 2003.
Aan een werknemer wordt een werkuitkering toegekend gedurende een periode die wordt vastgesteld op grond van de artikelen 7, 7bis, 10 of 11 van het voormeld koninklijk besluit van 19 december 2001 zoals van toepassing vanaf 1 januari 2004, doch gerekend vanaf de datum vastgesteld in toepassing van artikel 16, eerste lid, van het voormeld koninklijk besluit van 19 december 2001, indien de volgende voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn :
1° gedurende een tewerkstelling aangevat vóór 1 januari 2004 genoot de werknemer de werkuitkering bedoeld in artikel 7, 7bis, 10 of 11 van het voormeld koninklijk besluit van 19 december 2001 zoals van toepassing vóór 1 januari 2004;
2° de werknemer is uit dienst getreden en na een onderbreking opnieuw bij dezelfde werkgever in dienst getreden na 31 december 2003;
3° de datum van de nieuwe indiensttreding is gesitueerd binnen een periode van 30 maanden volgend op de vorige uitdiensttreding.) <KB 2004-01-21/33, art. 84, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 67. § 1er. Pour les travailleurs engagĂ©s avant le 1er janvier 2004 et qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e aux articles 5, 6, 8 et 9 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, une rĂ©duction de groupe-cible pour demandeurs d'emploi de longue durĂ©e est octroyĂ©e Ă partir du 1er janvier 2004 de la maniĂšre suivante :
1° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 5 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des quatre trimestres suivant le trimestre de l'engagement et un montant forfaitaire G2 au cours des quatre trimestres subsĂ©quents;
2° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 6 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des huit trimestres suivant le trimestre de l'engagement;
3° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 8 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des quatre trimestres suivant le trimestre de l'engagement et un montant forfaitaire G2 au cours des seize trimestres subsĂ©quents;
4° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 9 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des vingt trimestres suivant le trimestre de l'engagement.
§ 2. Pour les travailleurs engagĂ©s avant le 1er janvier 2004 et qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 17 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, une rĂ©duction de groupe-cible pour demandeurs d'emploi de longue durĂ©e est octroyĂ©e Ă partir du 1er janvier 2004 de la maniĂšre suivante :
1° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 17, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des quatre trimestres suivant le trimestre de l'engagement et un montant forfaitaire G2 au cours des quatre trimestres subsĂ©quents;
2° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 17, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des huit trimestres suivant le trimestre de l'engagement;
3° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 17, alinĂ©a 3, de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des quatre trimestres suivant le trimestre de l'engagement et un montant forfaitaire G2 au cours des huit trimestres subsĂ©quents;
4° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 17, alinĂ©a 4, de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des douze trimestres suivant le trimestre de l'engagement.
(§ 3. Pour les travailleurs engagĂ©s avant le 1er janvier 2004 et qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 7bis de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 26 mars 2003, une rĂ©duction groupe cible pour demandeurs d'emploi de longue durĂ©e est octroyĂ©e Ă partir du 1er janvier 2004 conformĂ©ment aux dispositions du § 1er, 1°.
§ 4. Pour les travailleurs engagĂ©s avant le 1er janvier 2004 et qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e aux articles 11quinquies et 11septies de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, insĂ©rĂ©s par l'arrĂȘtĂ© royal du 19 mars 2003, une rĂ©duction groupe cible pour demandeurs d'emploi de longue durĂ©e est octroyĂ©e Ă partir du 1er janvier 2004 de la maniĂšre suivante :
1° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 11quinquies de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des vingt trimestres suivant le trimestre de l'engagement;
2° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 11septies de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, un montant forfaitaire G1 pour la durĂ©e de l'occupation.
§ 5. Un travailleur peut continuer de bĂ©nĂ©ficier de l'allocation de travail visĂ©e Ă l'article 7, 7bis, 10 ou 11 de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 19 dĂ©cembre 2001, tel qu'il Ă©tait applicable avant l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, Ă condition qu'il soit entrĂ© en service avant le 1er janvier 2004.
Une allocation de travail est octroyĂ©e Ă un travailleur pendant une pĂ©riode fixĂ©e sur la base des articles 7, 7bis, 10 ou 11 de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 19 dĂ©cembre 2001 tel qu'il est applicable Ă partir du 1er janvier 2004, mais calculĂ©e Ă partir de la date fixĂ©e en application de l'article 16, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 19 dĂ©cembre 2001, si les conditions suivantes sont remplies simultanĂ©ment :
1° pendant une occupation entamĂ©e avant le 1er janvier 2004, le travailleur bĂ©nĂ©ficiait de l'allocation de travail visĂ©e Ă l'article 7, 7bis, 10 ou 11 de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 19 juillet 2001 tel qu'il est applicable Ă partir du 1er janvier 2004;
2° le travailleur a mis fin Ă son occupation et, aprĂšs une interruption, est Ă nouveau entrĂ© en service auprĂšs du mĂȘme employeur aprĂšs le 31 dĂ©cembre 2003;
3° la date de la nouvelle entrée en service est située dans une période de 30 mois suivant la fin d'occupation antérieure.) <AR 2004-01-21/33, art. 84, 002; En vigueur : 01-01-2004>
1° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 5 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des quatre trimestres suivant le trimestre de l'engagement et un montant forfaitaire G2 au cours des quatre trimestres subsĂ©quents;
2° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 6 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des huit trimestres suivant le trimestre de l'engagement;
3° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 8 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des quatre trimestres suivant le trimestre de l'engagement et un montant forfaitaire G2 au cours des seize trimestres subsĂ©quents;
4° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 9 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des vingt trimestres suivant le trimestre de l'engagement.
§ 2. Pour les travailleurs engagĂ©s avant le 1er janvier 2004 et qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 17 de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, une rĂ©duction de groupe-cible pour demandeurs d'emploi de longue durĂ©e est octroyĂ©e Ă partir du 1er janvier 2004 de la maniĂšre suivante :
1° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 17, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des quatre trimestres suivant le trimestre de l'engagement et un montant forfaitaire G2 au cours des quatre trimestres subsĂ©quents;
2° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 17, alinĂ©a 2, de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des huit trimestres suivant le trimestre de l'engagement;
3° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 17, alinĂ©a 3, de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des quatre trimestres suivant le trimestre de l'engagement et un montant forfaitaire G2 au cours des huit trimestres subsĂ©quents;
4° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 17, alinĂ©a 4, de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des douze trimestres suivant le trimestre de l'engagement.
(§ 3. Pour les travailleurs engagĂ©s avant le 1er janvier 2004 et qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 7bis de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, insĂ©rĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 26 mars 2003, une rĂ©duction groupe cible pour demandeurs d'emploi de longue durĂ©e est octroyĂ©e Ă partir du 1er janvier 2004 conformĂ©ment aux dispositions du § 1er, 1°.
§ 4. Pour les travailleurs engagĂ©s avant le 1er janvier 2004 et qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e aux articles 11quinquies et 11septies de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, insĂ©rĂ©s par l'arrĂȘtĂ© royal du 19 mars 2003, une rĂ©duction groupe cible pour demandeurs d'emploi de longue durĂ©e est octroyĂ©e Ă partir du 1er janvier 2004 de la maniĂšre suivante :
1° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 11quinquies de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, un montant forfaitaire G1 au cours des vingt trimestres suivant le trimestre de l'engagement;
2° pour les travailleurs qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 11septies de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001, un montant forfaitaire G1 pour la durĂ©e de l'occupation.
§ 5. Un travailleur peut continuer de bĂ©nĂ©ficier de l'allocation de travail visĂ©e Ă l'article 7, 7bis, 10 ou 11 de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 19 dĂ©cembre 2001, tel qu'il Ă©tait applicable avant l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, Ă condition qu'il soit entrĂ© en service avant le 1er janvier 2004.
Une allocation de travail est octroyĂ©e Ă un travailleur pendant une pĂ©riode fixĂ©e sur la base des articles 7, 7bis, 10 ou 11 de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 19 dĂ©cembre 2001 tel qu'il est applicable Ă partir du 1er janvier 2004, mais calculĂ©e Ă partir de la date fixĂ©e en application de l'article 16, alinĂ©a 1er, de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 19 dĂ©cembre 2001, si les conditions suivantes sont remplies simultanĂ©ment :
1° pendant une occupation entamĂ©e avant le 1er janvier 2004, le travailleur bĂ©nĂ©ficiait de l'allocation de travail visĂ©e Ă l'article 7, 7bis, 10 ou 11 de l'arrĂȘtĂ© royal prĂ©citĂ© du 19 juillet 2001 tel qu'il est applicable Ă partir du 1er janvier 2004;
2° le travailleur a mis fin Ă son occupation et, aprĂšs une interruption, est Ă nouveau entrĂ© en service auprĂšs du mĂȘme employeur aprĂšs le 31 dĂ©cembre 2003;
3° la date de la nouvelle entrée en service est située dans une période de 30 mois suivant la fin d'occupation antérieure.) <AR 2004-01-21/33, art. 84, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Art. 67bis. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-21/33, art. 85; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Wanneer de werkgever vóór 1 januari 2004 reeds van één van de voordelen van artikelen 5, 6, 7bis, 8, 9, 11quinquies of 11septies van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden of van een doelgroepvermindering bedoeld in artikel 67, §§ 1, 3 of 4 van onderhavig besluit genoten heeft voor een werknemer en hij deze terug indienst neemt binnen een periode van dertig maanden na beëindiging van de vorige arbeidsovereenkomst, worden, onverminderd de toepassing van artikel 10 en volgens de modaliteiten van artikel 67, §§ 1, 3 of 4, voor de vaststelling van de forfaitaire vermindering en de duur voor dewelke zij worden toegekend deze tewerkstellingen als één tewerkstelling beschouwd. De periode gelegen tussen de arbeidsovereenkomsten verlengt de periode tijdens dewelke de voormelde voordelen worden toegekend, niet.
Art. 67bis. Lorsqu'un employeur a dĂ©jĂ bĂ©nĂ©ficiĂ© avant le 1er janvier 2004 d'un des avantages de l'article 5, 6, 7bis, 8, 9, 11quinquies ou 11septies de l'arrĂȘtĂ© royal du 19 dĂ©cembre 2001 de promotion de mise a l'emploi des demandeurs d'emploi de longue durĂ©e ou d'une rĂ©duction groupe-cible visĂ©e dans l'article 67, §§ 1er, 3 ou 4 de prĂ©sent arrĂȘtĂ© pour un travailleur et qu'il engage Ă nouveau celui-ci au cours d'une pĂ©riode de trente mois aprĂšs la fin du contrat de travail prĂ©cĂ©dent, ces occupations sont, pour la fixation de la rĂ©duction forfaitaire et pour la durĂ©e pendant laquelle elle est accordĂ©e sans prĂ©judice de l'application de l'article 10 et selon les modalitĂ©s de l'article 67, §§ 1er, 3 ou 4, considĂ©rĂ©es comme Ă©tant une seule occupation. La pĂ©riode situĂ©e entre les contrats de travail ne prolonge pas la pĂ©riode pendant laquelle les avantages prĂ©citĂ©s sont accordĂ©s.
Art. 68. Voor de werknemers aangeworven vóór 1 januari 2004 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een gerechtigde op maatschappelijke integratie die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief en tot vaststelling van de vrijstelling van werkgeversbijdragen, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering toegekend voor langdurig werkzoekenden bestaande uit een forfaitair bedrag G1 gedurende de kwartalen waarin de werknemer geniet van een financiële tussenkomst bedoeld bij artikel 2 van dit koninklijk besluit van 11 juli 2002, zoals dit van kracht was voor 1 januari 2004.
Art. 68. Pour les travailleurs engagĂ©s avant le 1er janvier 2004 et qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 5 de l'arrĂȘtĂ© royal du 11 juillet 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit Ă l'intĂ©gration sociale mis au travail dans une initiative d'insertion sociale et dĂ©terminant la dispense de cotisations patronales, une rĂ©duction de groupe-cible est octroyĂ©e Ă partir du 1er janvier 2004, composĂ©e d'un montant forfaitaire G1 pendant les trimestres au cours desquels le travailleur bĂ©nĂ©ficie d'une intervention financiĂšre visĂ©e Ă l'article 2 dudit arrĂȘtĂ© royal du 11 juillet 2002, tel qu'il Ă©tait applicable avant le 1er janvier 2004.
Art. 68_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 68 _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 69. Voor de werknemers aangeworven vóór 1 januari 2004 en die voldeden aan de voorwaarden tot het bekomen van de vermindering bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 14 november 2002 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de loonkost van een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp die wordt tewerkgesteld in een sociale inschakelingsinitiatief en tot vaststelling van de vrijstelling van werkgeversbijdragen, wordt vanaf 1 januari 2004 een doelgroepvermindering toegekend voor langdurig werkzoekenden bestaande uit een forfaitair bedrag G1 gedurende de kwartalen waarin de werknemer geniet van een financiële tussenkomst bedoeld bij artikel 2 van dit koninklijk besluit van 14 november 2002, zoals dit van kracht was voor 1 januari 2004.
Art. 69. Pour les travailleurs engagĂ©s avant le 1er janvier 2004 et qui remplissaient les conditions pour obtenir la rĂ©duction visĂ©e Ă l'article 5 de l'arrĂȘtĂ© royal du 14 novembre 2002 dĂ©terminant l'intervention financiĂšre du centre public d'aide sociale dans le coĂ»t salarial d'un ayant droit (Ă l'aide sociale financiĂšre) mis au travail dans une initiative d'insertion sociale et dĂ©terminant la dispense de cotisations patronales, une rĂ©duction de groupe cible est octroyĂ©e Ă partir du 1er janvier 2004, composĂ©e d'un montant forfaitaire G1 pendant les trimestres au cours desquels le travailleur bĂ©nĂ©ficie d'une intervention financiĂšre visĂ©e Ă l'article 2 dudit arrĂȘtĂ© royal du 14 novembre 2002, tel qu'il Ă©tait applicable avant le 1er janvier 2004. <AR 2004-01-21/33, art. 86, 002; En vigueur : 01-01-2004>
Art. 69_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 69 _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
Wijzigingen
TITEL VI. - Slotbepalingen.
TITRE VI. - Dispositions finales.
Art. 70. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2004, met uitzondering van de artikelen 34, 45 en 46, die in werking treden op 1 januari 2003.
Art. 70. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er janvier 2004, Ă l'exception des articles 34, 45 et 46 qui produisent leurs effets le 1er janvier 2003.
Art. 71. Onze Minister van Werkgelegenheid en Onze Minister van Sociale Zaken zijn, ieder wat hem betreft belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 71. Notre Ministre de l'Emploi et Notre Ministre des Affaires sociales sont chargĂ©s, chacun en ce qui le concerne, de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.