Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° de wet : de wet van 9 februari 1994 betreffende de veiligheid van producten en diensten;
2° de minister : de minister tot wiens bevoegdheden de bescherming van de veiligheid van de consumenten behoort;
3° kermistoestel : een niet-permanente installatie bestemd voor vermaak of ontspanning, ter voortbeweging van personen, en aangedreven door een niet-menselijke energiebron;
4° kermistoestel type A : een kermistoestel waarbij de voortbewogen personen een snelheid bereiken die groter is dan 10 meter per seconde of een hoogte boven het terrein bereiken die groter is dan 5 meter;
5° kermistoestel type B : een kermistoestel dat geen kermistoestel type A is;
6° uitbater : elke producent of distributeur in de zin van artikel 1 van de wet, die een kermistoestel rechtstreeks ter beschikking van de consumenten stelt;
7° technisch competent persoon : een persoon die voldoet aan de vereisten van punt 1 van bijlage I bij dit besluit;
8° onafhankelijk organisme : een organisme dat voldoet aan de vereisten van punt 2 van bijlage I bij dit besluit;
9° geaccrediteerd organisme : een organisme dat voldoet aan de vereisten van punt 3 van bijlage I bij dit besluit;
10° ernstig ongeval : een dodelijk ongeval of een ongeval dat een blijvend letsel veroorzaakt of zou kunnen veroorzaken;
11° ernstig incident : een incident dat aanleiding geeft of zou kunnen geven tot een ernstig ongeval.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
18 JUNI 2003. - Koninklijk besluit betreffende de uitbating van kermistoestellen.
Titre
18 JUIN 2003. - Arrêté royal relatif à l'exploitation des attractions foraines.
Documentinformatie
Numac: 2003011396
Datum: 2003-06-18
Info du document
Numac: 2003011396
Date: 2003-06-18
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Definities.
HOOFDSTUK II. - Uitbatingsvoorwaarden.
HOOFDSTUK III. - Algemene veiligheid.
HOOFDSTUK IV. - Opstelling.
HOOFDSTUK V. - Onderhoud.
HOOFDSTUK VI. - Periodiek nazicht.
HOOFDSTUK VII. - Toezicht.
HOOFDSTUK VIII. - Overgangsmaatregelen.
HOOFDSTUK IX. - Slotbepalingen.
BIJLAGEN.
Inhoud
CHAPITRE I. - Définitions.
CHAPITRE II. - Conditions d'exploitation.
CHAPITRE III. - Sécurité générale.
CHAPITRE IV. - Mise en place.
CHAPITRE V. - Entretien.
CHAPITRE VI. - Vérification périodique.
CHAPITRE VII. - Surveillance.
CHAPITRE VIII. - Mesures transitoires.
CHAPITRE IX. - Dispositions finales.
ANNEXES.
Tekst (25)
Texte (25)
HOOFDSTUK I. - Definities.
CHAPITRE I. - Définitions.
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
1° la loi : la loi du 9 février 1994 relative à la sécurité des produits et des services;
2° le ministre : le ministre qui a la protection de la sécurité des consommateurs dans ses attributions;
3° attraction foraine : une installation non-permanente à des fins d'amusement ou de délassement, pour la propulsion de personnes et actionnée par une source d'énergie non humaine;
4° attraction foraine de type A : une attraction foraine où les personnes propulsées atteignent une vitesse supérieure à 10 mètres par seconde ou une hauteur au-dessus du terrain supérieure à 5 mètres;
5° attraction foraine de type B : une attraction foraine qui n'est pas une attraction foraine de type A;
6° exploitant : tout producteur ou distributeur au sens de l'article 1er de la loi, qui met une attraction foraine à la disposition directe des consommateurs;
7° personne compétente sur le plan technique : une personne qui répond aux exigences du point 1 de l'annexe Ire au présent arrêté;
8° organisme indépendant : un organisme qui satisfait aux exigences du point 2 de l'annexe Ire au présent arrêté;
9° organisme accrédité : un organisme qui satisfait aux exigences du point 3 de l'annexe Ire au présent arrêté;
10° accident grave : un accident mortel ou un accident qui engendre ou peut engendrer une lésion permanente;
11° incident grave : un incident qui donne lieu ou pourrait donner lieu à un accident grave.
1° la loi : la loi du 9 février 1994 relative à la sécurité des produits et des services;
2° le ministre : le ministre qui a la protection de la sécurité des consommateurs dans ses attributions;
3° attraction foraine : une installation non-permanente à des fins d'amusement ou de délassement, pour la propulsion de personnes et actionnée par une source d'énergie non humaine;
4° attraction foraine de type A : une attraction foraine où les personnes propulsées atteignent une vitesse supérieure à 10 mètres par seconde ou une hauteur au-dessus du terrain supérieure à 5 mètres;
5° attraction foraine de type B : une attraction foraine qui n'est pas une attraction foraine de type A;
6° exploitant : tout producteur ou distributeur au sens de l'article 1er de la loi, qui met une attraction foraine à la disposition directe des consommateurs;
7° personne compétente sur le plan technique : une personne qui répond aux exigences du point 1 de l'annexe Ire au présent arrêté;
8° organisme indépendant : un organisme qui satisfait aux exigences du point 2 de l'annexe Ire au présent arrêté;
9° organisme accrédité : un organisme qui satisfait aux exigences du point 3 de l'annexe Ire au présent arrêté;
10° accident grave : un accident mortel ou un accident qui engendre ou peut engendrer une lésion permanente;
11° incident grave : un incident qui donne lieu ou pourrait donner lieu à un accident grave.
HOOFDSTUK II. - Uitbatingsvoorwaarden.
CHAPITRE II. - Conditions d'exploitation.
Art.2. De uitbater zorgt ervoor dat het kermistoestel zodanig is geïnstalleerd, gemonteerd en zodanig is beproefd, gecontroleerd, geïnspecteerd en onderhouden en zodanig van opschriften is voorzien, dat er onder normale gebruiksvoorwaarden of onder andere, door de uitbater voorzienbare voorwaarden, geen gevaar voor de veiligheid van de gebruikers of derden bestaat.
Art.2. L'exploitant veille à ce que l'attraction foraine soit installée, montée, soumise à épreuve, contrôlée, inspectée, entretenue, pourvue d'inscriptions de façon à ce qu'il n'y ait pas de danger pour la sécurité des utilisateurs ou de tiers, dans les conditions normales d'utilisation ou dans d'autres conditions prévisibles par l'exploitant.
HOOFDSTUK III. - Algemene veiligheid.
CHAPITRE III. - Sécurité générale.
Art.3. § 1. Een kermistoestel mag slechts worden uitgebaat indien wordt voldaan :
1° aan de algemene veiligheidsverplichting bepaald in artikel 2 van de wet en
2° aan de veiligheidsbeginselen inzake het ontwerpen, vervaardigen, plaatsen, opstellen, opbouwen en uitbaten, vermeld in punten 1 en 2 van bijlage II bij dit besluit.
§ 2. Om aan te tonen dat een kermistoestel voldoet aan de algemene veiligheidsverplichting wordt, op initiatief van de uitbater, een risicoanalyse uitgevoerd.
Voor kermistoestellen type A wordt deze risicoanalyse uitgevoerd door een geaccrediteerd organisme.
Voor kermistoestellen type B wordt deze risicoanalyse uitgevoerd door een onafhankelijk organisme.
Deze risicoanalyse bestaat achtereenvolgens uit :
1° het identificeren van de gevaren, vermeld in punt 2 van bijlage II bij dit besluit, die bij het kermistoestel en tijdens de uitbating ervan aanwezig zijn;
2° het vaststellen en nader bepalen van de overeenkomstige risico's voor de veiligheid van de gebruikers en derden tijdens de uitbating van het kermistoestel;
3° het evalueren van deze risico's.
§ 3. Een kermistoestel dat in overeenstemming is met een niet-verplichte norm waarin een Europese norm of, indien deze bestaat, een communautaire technische specificatie, is omgezet, die één of meer veiligheidseisen omvat betreffende de veiligheid van kermistoestellen, wordt, voor de desbetreffende gevaarsaspecten, vermoed te voldoen aan de algemene veiligheidsverplichting en/of veiligheidsbeginselen.
§ 4. Een kermistoestel dat voldoet aan een nationale regelgeving van een land die partij is bij de EER-overeenkomst en die de naleving oplegt van criteria die gelijkwaardige garanties bieden als de algemene veiligheidsverplichting en/of veiligheidsbeginselen, wordt vermoed te voldoen aan de algemene veiligheidsverplichting en/of veiligheidsbeginselen.
1° aan de algemene veiligheidsverplichting bepaald in artikel 2 van de wet en
2° aan de veiligheidsbeginselen inzake het ontwerpen, vervaardigen, plaatsen, opstellen, opbouwen en uitbaten, vermeld in punten 1 en 2 van bijlage II bij dit besluit.
§ 2. Om aan te tonen dat een kermistoestel voldoet aan de algemene veiligheidsverplichting wordt, op initiatief van de uitbater, een risicoanalyse uitgevoerd.
Voor kermistoestellen type A wordt deze risicoanalyse uitgevoerd door een geaccrediteerd organisme.
Voor kermistoestellen type B wordt deze risicoanalyse uitgevoerd door een onafhankelijk organisme.
Deze risicoanalyse bestaat achtereenvolgens uit :
1° het identificeren van de gevaren, vermeld in punt 2 van bijlage II bij dit besluit, die bij het kermistoestel en tijdens de uitbating ervan aanwezig zijn;
2° het vaststellen en nader bepalen van de overeenkomstige risico's voor de veiligheid van de gebruikers en derden tijdens de uitbating van het kermistoestel;
3° het evalueren van deze risico's.
§ 3. Een kermistoestel dat in overeenstemming is met een niet-verplichte norm waarin een Europese norm of, indien deze bestaat, een communautaire technische specificatie, is omgezet, die één of meer veiligheidseisen omvat betreffende de veiligheid van kermistoestellen, wordt, voor de desbetreffende gevaarsaspecten, vermoed te voldoen aan de algemene veiligheidsverplichting en/of veiligheidsbeginselen.
§ 4. Een kermistoestel dat voldoet aan een nationale regelgeving van een land die partij is bij de EER-overeenkomst en die de naleving oplegt van criteria die gelijkwaardige garanties bieden als de algemene veiligheidsverplichting en/of veiligheidsbeginselen, wordt vermoed te voldoen aan de algemene veiligheidsverplichting en/of veiligheidsbeginselen.
Art.3. § 1er. Une attraction foraine peut uniquement être exploitée lorsqu'elle satisfait :
1° à l'obligation générale de sécurité prévue à l'article 2 de la loi et
2° aux principes de sécurité concernant la conception, la fabrication, le placement, la mise en place et l'exploitation qui sont cités aux points 1 et 2 de l'annexe II au présent arrêté.
§ 2. Une analyse du risque est effectuée sur l'initiative de l'exploitant, pour démontrer qu'une attraction foraine satisfait à l'obligation générale de sécurité.
Pour les attractions foraines de type A, cette analyse du risque est effectuée par un organisme accrédité.
Pour les attractions foraines de type B, cette analyse du risque est effectuée par un organisme indépendant.
Cette analyse du risque comporte successivement :
1° l'identification des dangers, mentionnés au point 2 de l'annexe II au présent arrêté, présents sur l'attraction foraine et pendant son exploitation;
2° la détermination et la description précise des risques correspondants pour la sécurité des utilisateurs et des tiers pendant l'exploitation de l'attraction foraine;
3° l'évaluation de ces risques.
§ 3. Une attraction foraine en conformité avec une norme non obligatoire qui transpose une norme européenne ou, lorsqu'elle existe, une spécification technique communautaire, contenant une ou plusieurs exigences de sécurité en matière de sécurité des attractions foraines, est supposée, pour les aspects de dangers y afférents, satisfaire à l'obligation générale de sécurité et/ou aux principes de sécurité.
§ 4. Une attraction foraine qui satisfait à une réglementation nationale d'un pays qui est partie à la convention EEE et qui impose le respect de critères offrant des garanties équivalentes à l'obligation générale de sécurité et/ou aux principes de sécurité, est supposée satisfaire à l'obligation générale de sécurité et/ou aux principes de sécurité.
1° à l'obligation générale de sécurité prévue à l'article 2 de la loi et
2° aux principes de sécurité concernant la conception, la fabrication, le placement, la mise en place et l'exploitation qui sont cités aux points 1 et 2 de l'annexe II au présent arrêté.
§ 2. Une analyse du risque est effectuée sur l'initiative de l'exploitant, pour démontrer qu'une attraction foraine satisfait à l'obligation générale de sécurité.
Pour les attractions foraines de type A, cette analyse du risque est effectuée par un organisme accrédité.
Pour les attractions foraines de type B, cette analyse du risque est effectuée par un organisme indépendant.
Cette analyse du risque comporte successivement :
1° l'identification des dangers, mentionnés au point 2 de l'annexe II au présent arrêté, présents sur l'attraction foraine et pendant son exploitation;
2° la détermination et la description précise des risques correspondants pour la sécurité des utilisateurs et des tiers pendant l'exploitation de l'attraction foraine;
3° l'évaluation de ces risques.
§ 3. Une attraction foraine en conformité avec une norme non obligatoire qui transpose une norme européenne ou, lorsqu'elle existe, une spécification technique communautaire, contenant une ou plusieurs exigences de sécurité en matière de sécurité des attractions foraines, est supposée, pour les aspects de dangers y afférents, satisfaire à l'obligation générale de sécurité et/ou aux principes de sécurité.
§ 4. Une attraction foraine qui satisfait à une réglementation nationale d'un pays qui est partie à la convention EEE et qui impose le respect de critères offrant des garanties équivalentes à l'obligation générale de sécurité et/ou aux principes de sécurité, est supposée satisfaire à l'obligation générale de sécurité et/ou aux principes de sécurité.
Art.4. Op basis van de uitgevoerde risicoanalyse worden, op initiatief van de uitbater, preventiemaatregelen opgesteld.
De uitbater past deze preventiemaatregelen toe tijdens de opstelling en uitbating van het kermistoestel.
Deze preventiemaatregelen omvatten onder andere :
1° technische maatregelen;
2° organisatorische maatregelen;
3° toezicht;
4° informatieverstrekking.
De uitbater past deze preventiemaatregelen toe tijdens de opstelling en uitbating van het kermistoestel.
Deze preventiemaatregelen omvatten onder andere :
1° technische maatregelen;
2° organisatorische maatregelen;
3° toezicht;
4° informatieverstrekking.
Art.4. Des mesures préventives sont établies, sur l'initiative de l'exploitant, sur la base de l'analyse du risque effectuée.
L'exploitant applique ces mesures préventives pendant la mise en place et l'exploitation de l'attraction foraine.
Ces mesures préventives comprennent notamment :
1° des mesures techniques;
2° des mesures d'organisation;
3° une surveillance;
4° une information.
L'exploitant applique ces mesures préventives pendant la mise en place et l'exploitation de l'attraction foraine.
Ces mesures préventives comprennent notamment :
1° des mesures techniques;
2° des mesures d'organisation;
3° une surveillance;
4° une information.
HOOFDSTUK IV. - Opstelling.
CHAPITRE IV. - Mise en place.
Art.5. § 1. Een opstellingsinspectie wordt, op initiatief van de uitbater, uitgevoerd telkens nadat het kermistoestel werd gemonteerd en voor het kermistoestel opnieuw ter beschikking van de consumenten wordt gesteld.
Bij kermistoestellen type A wordt de opstellingsinpectie uitgevoerd door een onafhankelijk organisme.
Bij kermistoestellen type B wordt de opstellingsinspectie uitgevoerd door de uitbater, eventueel bijgestaan door derden, aan de hand van een montageblad opgesteld door een technisch competent persoon.
Bij het opstellen van het montageblad en tijdens de opstellingsinspectie wordt rekening gehouden met :
1° de voorschriften van de fabrikant van het kermistoestel;
2° de vastgestelde preventiemaatregelen, vermeld in artikel 4 van dit besluit;
3° de risico's verbonden aan de gevaren vermeld in punt 3 van bijlage II bij dit besluit.
Bij kermistoestellen type A wordt de opstellingsinpectie uitgevoerd door een onafhankelijk organisme.
Bij kermistoestellen type B wordt de opstellingsinspectie uitgevoerd door de uitbater, eventueel bijgestaan door derden, aan de hand van een montageblad opgesteld door een technisch competent persoon.
Bij het opstellen van het montageblad en tijdens de opstellingsinspectie wordt rekening gehouden met :
1° de voorschriften van de fabrikant van het kermistoestel;
2° de vastgestelde preventiemaatregelen, vermeld in artikel 4 van dit besluit;
3° de risico's verbonden aan de gevaren vermeld in punt 3 van bijlage II bij dit besluit.
Art.5. § 1er. Une inspection de mise en place est effectuée, sur l'initiative de l'exploitant, après chaque montage de l'attraction foraine et avant qu'elle ne soit à nouveau mise à la disposition des consommateurs.
Pour les attractions foraines de type A, l'inspection de mise en place est effectuée par un organisme indépendant.
Pour les attractions foraines de type B, l'inspection de mise en place est effectuée par l'exploitant, éventuellement assisté de tiers, à l'aide d'une feuille de montage établie par une personne compétente sur le plan technique.
Lors de la rédaction de la feuille de montage et au cours de l'inspection de mise en place, il est tenu compte :
1° des prescriptions du fabricant de l'attraction foraine;
2° des mesures préventives fixées, mentionnées à l'article 4 du présent arrêté;
3° des risques liés aux dangers cités au point 3 de l'annexe II au présent arrêté.
Pour les attractions foraines de type A, l'inspection de mise en place est effectuée par un organisme indépendant.
Pour les attractions foraines de type B, l'inspection de mise en place est effectuée par l'exploitant, éventuellement assisté de tiers, à l'aide d'une feuille de montage établie par une personne compétente sur le plan technique.
Lors de la rédaction de la feuille de montage et au cours de l'inspection de mise en place, il est tenu compte :
1° des prescriptions du fabricant de l'attraction foraine;
2° des mesures préventives fixées, mentionnées à l'article 4 du présent arrêté;
3° des risques liés aux dangers cités au point 3 de l'annexe II au présent arrêté.
HOOFDSTUK V. - Onderhoud.
CHAPITRE V. - Entretien.
Art.6. Ten minste eenmaal per jaar wordt, op initiatief van de uitbater, een onderhoudsinspectie uitgevoerd.
Bij kermistoestellen type A wordt deze onderhoudsinspectie uitgevoerd door een onafhankelijk organisme.
Bij kermistoestellen type B wordt deze onderhoudsinspectie uitgevoerd door een technisch competent persoon.
De onderhoudsinspectie :
1° wordt uitgevoerd volgens de voorschriften van de fabrikant van het kermistoestel;
2° houdt rekening met de vastgestelde preventiemaatregelen, vermeld in artikel 4 van dit besluit;
3° evalueert ten minste de risico's verbonden aan de gevaren vermeld in punt 4 van bijlage II bij dit besluit.
Bij kermistoestellen type A wordt deze onderhoudsinspectie uitgevoerd door een onafhankelijk organisme.
Bij kermistoestellen type B wordt deze onderhoudsinspectie uitgevoerd door een technisch competent persoon.
De onderhoudsinspectie :
1° wordt uitgevoerd volgens de voorschriften van de fabrikant van het kermistoestel;
2° houdt rekening met de vastgestelde preventiemaatregelen, vermeld in artikel 4 van dit besluit;
3° evalueert ten minste de risico's verbonden aan de gevaren vermeld in punt 4 van bijlage II bij dit besluit.
Art.6. Une inspection d'entretien est effectuée, sur l'initiative de l'exploitant, au moins une fois par an.
Pour les attractions foraines de type A, cette inspection d'entretien est effectuée par un organisme indépendant.
Pour les attractions foraines de type B, cette inspection d'entretien est effectuée par une personne compétente sur le plan technique.
L'inspection d'entretien :
1° est effectuée selon les prescriptions du fabricant de l'attraction foraine;
2° tient compte des mesures préventives fixées, mentionnées à l'article 4 du présent arrêté;
3° évalue au moins les risques liés aux dangers cités au point 4 de l'annexe II au présent arrêté.
Pour les attractions foraines de type A, cette inspection d'entretien est effectuée par un organisme indépendant.
Pour les attractions foraines de type B, cette inspection d'entretien est effectuée par une personne compétente sur le plan technique.
L'inspection d'entretien :
1° est effectuée selon les prescriptions du fabricant de l'attraction foraine;
2° tient compte des mesures préventives fixées, mentionnées à l'article 4 du présent arrêté;
3° évalue au moins les risques liés aux dangers cités au point 4 de l'annexe II au présent arrêté.
HOOFDSTUK VI. - Periodiek nazicht.
CHAPITRE VI. - Vérification périodique.
Art.7. Bij een kermistoestel type A wordt, op initiatief van de uitbater, ten minste eenmaal per drie jaar een periodiek nazicht uitgevoerd door een geaccrediteerd organisme.
Bij een kermistoestel type B wordt, op initiatief van de uitbater, ten minste eenmaal per tien jaar een periodiek nazicht uitgevoerd door een onafhankelijk organisme.
Het periodiek nazicht :
1° wordt uitgevoerd volgens de voorschriften van de fabrikant van het kermistoestel;
2° houdt rekening met de vastgestelde preventiemaatregelen, vermeld in artikel 4 van dit besluit;
3° evalueert ten minste de risico's en gevaren, vermeld in punt 5 van bijlage II bij dit besluit.
Bij een kermistoestel type B wordt, op initiatief van de uitbater, ten minste eenmaal per tien jaar een periodiek nazicht uitgevoerd door een onafhankelijk organisme.
Het periodiek nazicht :
1° wordt uitgevoerd volgens de voorschriften van de fabrikant van het kermistoestel;
2° houdt rekening met de vastgestelde preventiemaatregelen, vermeld in artikel 4 van dit besluit;
3° evalueert ten minste de risico's en gevaren, vermeld in punt 5 van bijlage II bij dit besluit.
Art.7. Pour les attractions foraines de type A, une vérification périodique est effectuée, sur l'initiative de l'exploitant, au moins une fois tous les trois ans par un organisme accrédité.
Pour les attractions foraines de type B, une vérification périodique est effectuée, sur l'initiative de l'exploitant, au moins une fois tous les dix ans par un organisme indépendant.
La vérification périodique :
1° est effectuée selon les prescriptions du fabricant de l'attraction foraine;
2° tient compte des mesures préventives fixées, mentionnées à l'article 4 du présent arrêté;
3° évalue au moins les risques et dangers cités au point 5 de l'annexe II au présent arrêté.
Pour les attractions foraines de type B, une vérification périodique est effectuée, sur l'initiative de l'exploitant, au moins une fois tous les dix ans par un organisme indépendant.
La vérification périodique :
1° est effectuée selon les prescriptions du fabricant de l'attraction foraine;
2° tient compte des mesures préventives fixées, mentionnées à l'article 4 du présent arrêté;
3° évalue au moins les risques et dangers cités au point 5 de l'annexe II au présent arrêté.
Art.8. § 1. Waarschuwingen en opschriften die betrekking hebben op het veilige gebruik van het kermistoestel moeten ten minste zijn opgesteld in de taal of de talen van het taalgebied waar het kermistoestel zich bevindt.
Deze waarschuwingen en opschriften moeten aangebracht worden onder een voor de gebruikers duidelijk leesbare vorm en op een voor de gebruikers zichtbare en opvallende plaats.
§ 2. Het vermelden van de waarschuwing "Gebruik op eigen risico" of elke andere gelijkaardige vermelding is verboden.
Deze waarschuwingen en opschriften moeten aangebracht worden onder een voor de gebruikers duidelijk leesbare vorm en op een voor de gebruikers zichtbare en opvallende plaats.
§ 2. Het vermelden van de waarschuwing "Gebruik op eigen risico" of elke andere gelijkaardige vermelding is verboden.
Art.8. § 1er. Les avertissements et les inscriptions concernant l'utilisation sûre de l'attraction foraine doivent au moins être rédigés dans la ou les langue(s) de la région linguistique où se trouve l'attraction foraine.
Ces avertissements et inscriptions doivent être indiqués d'une façon bien lisible pour les utilisateurs et se trouver à un endroit bien visible et frappant pour les utilisateurs.
§ 2. Il est interdit de mentionner l'avertissement "Utilisation à vos risques et périls" ou tout autre avertissement similaire.
Ces avertissements et inscriptions doivent être indiqués d'une façon bien lisible pour les utilisateurs et se trouver à un endroit bien visible et frappant pour les utilisateurs.
§ 2. Il est interdit de mentionner l'avertissement "Utilisation à vos risques et périls" ou tout autre avertissement similaire.
Art.9. Kermistoestellen die niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van dit besluit mogen op jaarbeurzen, exposities en bij demonstraties worden tentoongesteld en gedemonstreerd, mits op een zichtbaar bord, in de taal of de talen van het gebied, is aangegeven dat de betrokken kermistoestellen niet in overeenstemming zijn met dit besluit en dat zij niet uitgebaat mogen worden voordat ze in overeenstemming met de bepalingen van dit besluit zijn gebracht.
Bij deze demonstraties moeten alle passende veiligheidsmaatregelen worden genomen om de veiligheid van personen te waarborgen.
Bij deze demonstraties moeten alle passende veiligheidsmaatregelen worden genomen om de veiligheid van personen te waarborgen.
Art.9. Les attractions foraines qui ne sont pas conformes aux dispositions du présent arrêté peuvent être exposées et présentées à l'occasion de foires annuelles, d'expositions et lors de démonstrations à condition qu'il soit indiqué sur un panneau bien visible, dans la ou les langue(s) de la région, que les attractions foraines concernées ne sont pas conformes au présent arrêté et qu'elles ne peuvent pas être exploitées avant qu'elles n'aient été rendues conformes aux dispositions du présent arrêté.
Lors de ces démonstrations, toutes les mesures de sécurité adéquates doivent être prises pour garantir la sécurité des personnes.
Lors de ces démonstrations, toutes les mesures de sécurité adéquates doivent être prises pour garantir la sécurité des personnes.
HOOFDSTUK VII. - Toezicht.
CHAPITRE VII. - Surveillance.
Art.10. De uitbater dient, te allen tijde :
1° te kunnen aantonen dat een risicoanalyse werd uitgevoerd;
2° de resultaten van deze risicoanalyse en de op basis daarvan vastgestelde preventiemaatregelen beschikbaar te houden;
3° te kunnen aantonen dat de opstellingsinspecties, de onderhoudsinspecties en het periodiek nazicht op correcte wijze werden uitgevoerd.
1° te kunnen aantonen dat een risicoanalyse werd uitgevoerd;
2° de resultaten van deze risicoanalyse en de op basis daarvan vastgestelde preventiemaatregelen beschikbaar te houden;
3° te kunnen aantonen dat de opstellingsinspecties, de onderhoudsinspecties en het periodiek nazicht op correcte wijze werden uitgevoerd.
Art.10. L'exploitant doit, à tout moment :
1° pouvoir démontrer qu'une analyse du risque a été effectuée;
2° pouvoir présenter les résultats de cette analyse du risque et les mesures préventives fixées sur cette base;
3° pouvoir démontrer que les inspections de mise en place, les inspections d'entretien et la vérification périodique ont été effectuées correctement.
1° pouvoir démontrer qu'une analyse du risque a été effectuée;
2° pouvoir présenter les résultats de cette analyse du risque et les mesures préventives fixées sur cette base;
3° pouvoir démontrer que les inspections de mise en place, les inspections d'entretien et la vérification périodique ont été effectuées correctement.
Art.11. De uitbater licht de door de Minister ter uitvoering van artikel 7 van de wet, aangewezen administratieve dienst onmiddellijk in over elk ernstig incident en elk ernstig ongeval dat een gebruiker of derde overkomt tijdens de uitbating van een kermistoestel.
Art.11. L'exploitant informe immédiatement le service administratif, désigné par le Ministre en exécution de l'article 7 de la loi, de tout incident grave et de tout accident grave survenu à un utilisateur ou à un tiers lors de l'exploitation d'une attraction foraine.
HOOFDSTUK VIII. - Overgangsmaatregelen.
CHAPITRE VIII. - Mesures transitoires.
Art.12. Voor kermistoestellen die reeds in gebruik zijn op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, hierna deze datum genoemd :
1° ten laatste zes maanden na deze datum, op initiatief van de uitbater :
a) wordt de risicoanalyse zoals bedoeld in artikel 3, § 2, van dit besluit, uitgevoerd;
b) worden de preventiemaatregelen, zoals bedoeld in artikel 4 van dit besluit, die werden vastgesteld ter voorkoming van ernstige risico's, waarbij directe verbetering is vereist, toegepast tijdens de uitbating van het kermistoestel;
c) wordt er een regularisatieprogramma opgesteld dat aangeeft welke maatregelen zullen worden genomen;
d) worden de waarschuwingen en opschriften, zoals bedoeld in artikel 8 van dit besluit, voorzien;
2° ten laatste twee jaar na deze datum, op initiatief van de uitbater :
a) wordt het regularisatieprogramma uitgevoerd;
b) worden de preventiemaatregelen, zoals bedoeld in artikel 4 van dit besluit, toegepast tijdens de uitbating van het kermistoestel.
1° ten laatste zes maanden na deze datum, op initiatief van de uitbater :
a) wordt de risicoanalyse zoals bedoeld in artikel 3, § 2, van dit besluit, uitgevoerd;
b) worden de preventiemaatregelen, zoals bedoeld in artikel 4 van dit besluit, die werden vastgesteld ter voorkoming van ernstige risico's, waarbij directe verbetering is vereist, toegepast tijdens de uitbating van het kermistoestel;
c) wordt er een regularisatieprogramma opgesteld dat aangeeft welke maatregelen zullen worden genomen;
d) worden de waarschuwingen en opschriften, zoals bedoeld in artikel 8 van dit besluit, voorzien;
2° ten laatste twee jaar na deze datum, op initiatief van de uitbater :
a) wordt het regularisatieprogramma uitgevoerd;
b) worden de preventiemaatregelen, zoals bedoeld in artikel 4 van dit besluit, toegepast tijdens de uitbating van het kermistoestel.
Art.12. Pour les attractions foraines qui sont déjà en service à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, ci-après dénommée cette date :
1° au plus tard six mois après cette date, sur l'initiative de l'exploitant :
a) l'analyse du risque, telle que visée à l'article 3, § 2, du présent arrêté, est effectuée;
b) les mesures préventives, telles que visées à l'article 4 du présent arrêté, qui avaient été fixées pour prévenir des risques graves pour lesquels une amélioration immédiate est requise, sont appliquées pendant l'exploitation de l'attraction foraine;
c) un programme de régularisation qui précise quelles mesures seront prises est établi;
d) les avertissements et les inscriptions tels que prévus à l'article 8 du présent arrêté sont prévus;
2° au plus tard deux ans après cette date, sur l'initiative de l'exploitant :
a) le programme de régularisation est appliqué;
b) les mesures préventives telles que visées à l'article 4 du présent arrêté sont appliquées pendant l'exploitation de l'attraction foraine.
1° au plus tard six mois après cette date, sur l'initiative de l'exploitant :
a) l'analyse du risque, telle que visée à l'article 3, § 2, du présent arrêté, est effectuée;
b) les mesures préventives, telles que visées à l'article 4 du présent arrêté, qui avaient été fixées pour prévenir des risques graves pour lesquels une amélioration immédiate est requise, sont appliquées pendant l'exploitation de l'attraction foraine;
c) un programme de régularisation qui précise quelles mesures seront prises est établi;
d) les avertissements et les inscriptions tels que prévus à l'article 8 du présent arrêté sont prévus;
2° au plus tard deux ans après cette date, sur l'initiative de l'exploitant :
a) le programme de régularisation est appliqué;
b) les mesures préventives telles que visées à l'article 4 du présent arrêté sont appliquées pendant l'exploitation de l'attraction foraine.
HOOFDSTUK IX. - Slotbepalingen.
CHAPITRE IX. - Dispositions finales.
Art.13. Onze Minister bevoegd voor de Bescherming van de veiligheid van de consumenten is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 18 juni 2003.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Consumentenzaken,
J. TAVERNIER
Gegeven te Brussel, 18 juni 2003.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Consumentenzaken,
J. TAVERNIER
Art.13. Notre Ministre qui a la Protection de la sécurité des consommateurs dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 18 juin 2003.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Protection de la Consommation,
J. TAVERNIER
Donné à Bruxelles, le 18 juin 2003.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Protection de la Consommation,
J. TAVERNIER
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1.
1° Een technisch competent persoon voldoet aan volgende vereisten :
1.1. de leeftijd van achttien jaar bereikt hebben;
1.2. voldoende praktijkervaring en vakkennis bezitten om de bepalingen van het besluit van 18 juni 2003 betreffende de uitbating van kermistoestellen op een correcte wijze te kunnen uitvoeren en toepassen;
1.3. voldoende praktijkervaring en vakkennis bezitten om een risico-analyse correct te kunnen lezen;
1.4. ten minste over drie jaar technische praktijkervaring met kermistoestellen beschikken;
2° Een onafhankelijk organisme voldoet aan volgende vereisten :
2.1. technisch personeel tewerkstellen die technisch competente personen zijn;
2.2. het kaderpersoneel en het technisch personeel zijn onafhankelijk, bij het uitvoeren van proeven, het opstellen van verslagen en het afgeven van verklaringen, ten aanzien van alle kringen, groeperingen en personen die rechtstreeks of onrechtstreeks belangen hebben bij het uitbaten van kermistoestellen;
3° Een geaccrediteerd organisme voldoet aan volgende vereisten :
3.1. geaccrediteerd zijn door het Belgisch accreditatiesysteem, opgericht bij het koninklijk besluit van 22 december 1992 tot oprichting van een accreditatiesysteem van beproevingslaboratoria en keuringsinstellingen en tot vaststelling van de procedures en de voorwaarden voor accreditatie overeenkomstig de criteria van de normen van de reeks NBN-EN 45000 of geaccrediteerd zijn door een evenwaardige organisatie of voldoen aan een nationale regelgeving van een land die partij is bij de EER-overeenkomst en die de naleving oplegt van criteria die gelijkwaardige garanties bieden als het voormelde Belgisch accreditatiesysteem;
3.2. een onafhankelijk organisme zijn.
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 18 juni 2003 betreffende de uitbating van kermistoestellen.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Consumentenzaken,
J. TAVERNIER
1° Een technisch competent persoon voldoet aan volgende vereisten :
1.1. de leeftijd van achttien jaar bereikt hebben;
1.2. voldoende praktijkervaring en vakkennis bezitten om de bepalingen van het besluit van 18 juni 2003 betreffende de uitbating van kermistoestellen op een correcte wijze te kunnen uitvoeren en toepassen;
1.3. voldoende praktijkervaring en vakkennis bezitten om een risico-analyse correct te kunnen lezen;
1.4. ten minste over drie jaar technische praktijkervaring met kermistoestellen beschikken;
2° Een onafhankelijk organisme voldoet aan volgende vereisten :
2.1. technisch personeel tewerkstellen die technisch competente personen zijn;
2.2. het kaderpersoneel en het technisch personeel zijn onafhankelijk, bij het uitvoeren van proeven, het opstellen van verslagen en het afgeven van verklaringen, ten aanzien van alle kringen, groeperingen en personen die rechtstreeks of onrechtstreeks belangen hebben bij het uitbaten van kermistoestellen;
3° Een geaccrediteerd organisme voldoet aan volgende vereisten :
3.1. geaccrediteerd zijn door het Belgisch accreditatiesysteem, opgericht bij het koninklijk besluit van 22 december 1992 tot oprichting van een accreditatiesysteem van beproevingslaboratoria en keuringsinstellingen en tot vaststelling van de procedures en de voorwaarden voor accreditatie overeenkomstig de criteria van de normen van de reeks NBN-EN 45000 of geaccrediteerd zijn door een evenwaardige organisatie of voldoen aan een nationale regelgeving van een land die partij is bij de EER-overeenkomst en die de naleving oplegt van criteria die gelijkwaardige garanties bieden als het voormelde Belgisch accreditatiesysteem;
3.2. een onafhankelijk organisme zijn.
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 18 juni 2003 betreffende de uitbating van kermistoestellen.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Consumentenzaken,
J. TAVERNIER
Art. N1. Annexe 1.
1° Une personne compétente sur le plan technique doit satisfaire aux exigences suivantes :
1.1. avoir atteint l'âge de dix-huit ans;
1.2. avoir une expérience pratique et des connaissances professionnelles suffisantes pour pouvoir exécuter et appliquer correctement les dispositions de l'arrêté du 18 juin 2003 relatif à l'exploitation des attractions foraines;
1.3. avoir une expérience pratique et des connaissances professionnelles suffisantes pour pouvoir lire correctement une analyse du risque;
1.4. avoir une expérience pratique technique d'au moins trois ans dans le domaine des attractions foraines;
2° Un organisme indépendant doit satisfaire aux exigences suivantes :
2.1. occuper du personnel technique constitué de personnes compétentes sur le plan technique;
2.2. les cadres et le personnel technique doivent être indépendants, au niveau de l'exécution des essais, de la rédaction des rapports et de la remise des attestations, vis-à-vis de tous les milieux, groupements et personnes qui ont des intérêts directs ou indirects dans l'exploitation des attractions foraines;
3° Un organisme accrédité doit satisfaire aux exigences suivantes :
3.1. être accrédité par le système belge d'accréditation, institué par l'arrêté royal du 22 décembre 1992 portant création d'un système d'accréditation des laboratoires d'essais et des organismes de contrôle et en fixant les procédures et les conditions d'accréditation conformément aux critères des normes de la série NBN-EN 45000, ou être accrédité par une organisation équivalente ou satisfaire à une réglementation nationale d'un pays qui est partie à la convention EEE et qui impose le respect de critères offrant des garanties équivalentes à celles du système belge d'accréditation précité;
3.2. être un organisme indépendant.
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 18 juin 2003 relatif à l'exploitation des attractions foraines.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Protection de la Consommation,
J. TAVERNIER
1° Une personne compétente sur le plan technique doit satisfaire aux exigences suivantes :
1.1. avoir atteint l'âge de dix-huit ans;
1.2. avoir une expérience pratique et des connaissances professionnelles suffisantes pour pouvoir exécuter et appliquer correctement les dispositions de l'arrêté du 18 juin 2003 relatif à l'exploitation des attractions foraines;
1.3. avoir une expérience pratique et des connaissances professionnelles suffisantes pour pouvoir lire correctement une analyse du risque;
1.4. avoir une expérience pratique technique d'au moins trois ans dans le domaine des attractions foraines;
2° Un organisme indépendant doit satisfaire aux exigences suivantes :
2.1. occuper du personnel technique constitué de personnes compétentes sur le plan technique;
2.2. les cadres et le personnel technique doivent être indépendants, au niveau de l'exécution des essais, de la rédaction des rapports et de la remise des attestations, vis-à-vis de tous les milieux, groupements et personnes qui ont des intérêts directs ou indirects dans l'exploitation des attractions foraines;
3° Un organisme accrédité doit satisfaire aux exigences suivantes :
3.1. être accrédité par le système belge d'accréditation, institué par l'arrêté royal du 22 décembre 1992 portant création d'un système d'accréditation des laboratoires d'essais et des organismes de contrôle et en fixant les procédures et les conditions d'accréditation conformément aux critères des normes de la série NBN-EN 45000, ou être accrédité par une organisation équivalente ou satisfaire à une réglementation nationale d'un pays qui est partie à la convention EEE et qui impose le respect de critères offrant des garanties équivalentes à celles du système belge d'accréditation précité;
3.2. être un organisme indépendant.
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 18 juin 2003 relatif à l'exploitation des attractions foraines.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Protection de la Consommation,
J. TAVERNIER
Art. N2. Bijlage 2.
1° Bij het ontwerp en de vervaardiging te eerbiedigen veiligheidsbeginselen :
1.1. het kermistoestel dient zodanig te zijn vervaardigd dat het kan functioneren en kan worden afgesteld en onderhouden zonder dat men aan gevaren voor de veiligheid blootstaat wanneer deze handelingen worden voltrokken onder door de fabrikant vastgestelde omstandigheden;
1.2. de getroffen voorzieningen moeten erop gericht zijn elk gevaar gedurende de te verwachten levensduur van het kermistoestel uit te sluiten, ook wanneer de gevaren het gevolg zijn van voorzienbare abnormale omstandigheden;
1.3. om de meest passende oplossingen te kiezen, moet men de volgende beginselen toepassen in de opgegeven volgorde :
- de gevaren uitsluiten of zoveel mogelijk beperken door het aspect veiligheid optimaal te verwerken in het ontwerp en bij de vervaardiging van het kermistoestel;
- de noodzakelijke beveiligingsvoorzieningen treffen voor gevaren die niet kunnen worden uitgesloten;
- de gevaren signaleren die nog aanwezig zijn als gevolg van een niet volledige doelmatigheid van de getroffen beveiligingsvoorzieningen, aangeven of een bijzondere opleiding is vereist en signaleren dat bepaalde persoonlijke beschermingsmiddelen moeten worden gebruikt;
1.4. bij het ontwerpen en vervaardigen van een kermistoestel alsmede bij de opstelling van de gebruiksaanwijzing moet men niet alleen uitgaan van een normaal gebruik maar tevens van het redelijkerwijze te verwachten gebruik daarvan;
1.5. een kermistoestel dient zodanig te zijn ontworpen dat abnormaal gebruik, indien gevaarlijk, wordt voorkomen. In voorkomend geval dient de gebruiksaanwijzing de aandacht te vestigen op een ontrading van het gebruik;
1.6. onder de gebruiksomstandigheden waarvoor een kermistoestel is bestemd moeten hinder, vermoeidheid en psychische belasting van degene die het kermistoestel zal bedienen tot een haalbaar minimum beperkt blijven, rekening houdend met de beginselen van de ergonomie;
1.7. bij het ontwerp en de vervaardiging dient men rekening te houden met de belemmeringen die diegene die het kermistoestel zal bedienen kan ondervinden door een noodzakelijk of te voorzien gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen;
1.8. het kermistoestel moet worden geleverd met alle speciale uitrustingen en accessoires die essentieel zijn voor het voorkomen van gevaren bij montage, demontage, transport, afstelling, onderhoud en gebruik;
2° Bij het ontwerpen, vervaardigen, plaatsen, opstellen, opbouwen en uitbaten in acht te nemen gevaarsaspecten, voorzover van toepassing :
2.1. gevaren ten gevolge van onvoldoende draagkracht van het kermistoestel, rekening houdend met de sterkte, de stijfheid en de vervormingscapaciteit van de toegepaste materialen;
2.2. gevaren ten gevolge van het verlies van evenwicht van het kermistoestel, rekening houdend met de ondersteuning van het kermistoestel, de aanwezige ondergrond en de verankering van het kermistoestel hierin, alsmede mogelijke belastingen van het kermistoestel;
2.3. gevaren ten gevolge van de toegepaste elektrische energie;
2.4. gevaren ten gevolge van de toegepaste mechanische, pneumatische of hydraulische energie;
2.5. gevaren ten gevolge van een defect in het bedieningscircuit of defecten in de energievoorziening;
2.6. gevaren ten gevolge van het gebruik van het kermistoestel, waaronder vallen, snijden, beklemming, afklemming, verstikking, wurging, verdrinking, botsen en overbelasting van het lichaam;
2.7. gevaren ten gevolge van de toegankelijkheid van het kermistoestel, hierbij inbegrepen de toegankelijkheid bij defecten, noodsituaties en evacuaties;
2.8. gevaren ten gevolge van mogelijke interacties van het kermistoestel en de gebruikers met de omgeving en omstanders;
2.9. gevaren ten gevolge van het klimaat binnen omsloten ruimten, waarbij inbegrepen onvoldoende ventilatie en onvoldoende verlichting;
2.10. gevaren ten gevolge van gebrekkige onderhoudsmogelijkheden;
2.11. gevaren ten gevolge van het monteren, demonteren en hanteren van het kermistoestel;
2.12. gevaren ten gevolge van brand;
2.13. gevaren ten gevolge van hinderlijke straling;
2.14. gevaren ten gevolge van blootstelling aan chemische stoffen;
2.15 gevaren ten gevolge van onvoldoende omgevingsverlichting;
2.16 gevaren ten gevolge van onvoldoende afstand tot andere kermistoestellen en omgevingselementen;
2.17 gevaren ten gevolge van onvoldoende mogelijkheden tot toezicht;
2.18 gevaren ten gevolge van gebrekkig onderhoud en beheer;
2.19 gevaren ten gevolge van ingrijpende wijzigingen aan het kermistoestel;
2.20 gevaren ten gevolge van een gebrek aan informatie aan de consumenten met betrekking tot de aanwezige risico's;
2.21 gevaren ten gevolge van de onmogelijkheid om persoonlijke beschermingsmiddelen te verkrijgen;
2.22 gevaren ten gevolge van onvoldoende kennis, opleiding en ervaring van het bedienend en toezichthoudend personeel;
2.23 gevaren ten gevolge van vandalisme.
3° Bij de opstellingsinspectie in acht te nemen gevaarsaspecten, voor zover van toepassing :
3.1. gevaren ten gevolge van het monteren, demonteren en hanteren van het kermistoestel;
3.2 gevaren ten gevolge van het verlies van evenwicht van het kermistoestel, rekening houdend met de ondersteuning van het kermistoestel, de aanwezige ondergrond en de verankering van het kermistoestel hierin, alsmede mogelijke belastingen van het kermistoestel;
3.3 gevaren ten gevolge van onvoldoende afstand tot andere kermistoestellen en omgevingselementen;
3.4. gevaren ten gevolge van mogelijke interacties van het kermistoestel en de gebruikers met de omgeving en omstanders;
3.5. gevaren ten gevolge van gebrekkige noodsystemen en -procedures;
4° Bij de onderhoudsinspectie in acht te nemen gevaarsaspecten, voor zover van toepassing :
4.1. gevaren ten gevolge van gebrekkig onderhoud en beheer;
4.2. gevaren ten gevolge van ingrijpende wijzigingen aan het kermistoestel;
5° Bij het periodiek nazicht in acht te nemen gevaarsaspecten, voor zover van toepassing :
5.1. gevaren ten gevolge van onvoldoende draagkracht van het kermistoestel, rekening houdend met de sterkte, de stijfheid en de vervormingscapaciteit van de toegepaste materialen;
5.2. gevaren ten gevolge van de toegepaste elektrische energie;
5.3. gevaren ten gevolge van de toegepaste mechanische, pneumatische of hydraulische energie;
5.4. gevaren ten gevolge van een defect in het bedieningscircuit of defecten in de energievoorziening;
5.5 gevaren ten gevolge van foutief uitgevoerde opstellingsinspecties en onderhoudsinspecties.
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 18 juni 2003 betreffende de uitbating van kermistoestellen.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Consumentenzaken,
J. TAVERNIER.
1° Bij het ontwerp en de vervaardiging te eerbiedigen veiligheidsbeginselen :
1.1. het kermistoestel dient zodanig te zijn vervaardigd dat het kan functioneren en kan worden afgesteld en onderhouden zonder dat men aan gevaren voor de veiligheid blootstaat wanneer deze handelingen worden voltrokken onder door de fabrikant vastgestelde omstandigheden;
1.2. de getroffen voorzieningen moeten erop gericht zijn elk gevaar gedurende de te verwachten levensduur van het kermistoestel uit te sluiten, ook wanneer de gevaren het gevolg zijn van voorzienbare abnormale omstandigheden;
1.3. om de meest passende oplossingen te kiezen, moet men de volgende beginselen toepassen in de opgegeven volgorde :
- de gevaren uitsluiten of zoveel mogelijk beperken door het aspect veiligheid optimaal te verwerken in het ontwerp en bij de vervaardiging van het kermistoestel;
- de noodzakelijke beveiligingsvoorzieningen treffen voor gevaren die niet kunnen worden uitgesloten;
- de gevaren signaleren die nog aanwezig zijn als gevolg van een niet volledige doelmatigheid van de getroffen beveiligingsvoorzieningen, aangeven of een bijzondere opleiding is vereist en signaleren dat bepaalde persoonlijke beschermingsmiddelen moeten worden gebruikt;
1.4. bij het ontwerpen en vervaardigen van een kermistoestel alsmede bij de opstelling van de gebruiksaanwijzing moet men niet alleen uitgaan van een normaal gebruik maar tevens van het redelijkerwijze te verwachten gebruik daarvan;
1.5. een kermistoestel dient zodanig te zijn ontworpen dat abnormaal gebruik, indien gevaarlijk, wordt voorkomen. In voorkomend geval dient de gebruiksaanwijzing de aandacht te vestigen op een ontrading van het gebruik;
1.6. onder de gebruiksomstandigheden waarvoor een kermistoestel is bestemd moeten hinder, vermoeidheid en psychische belasting van degene die het kermistoestel zal bedienen tot een haalbaar minimum beperkt blijven, rekening houdend met de beginselen van de ergonomie;
1.7. bij het ontwerp en de vervaardiging dient men rekening te houden met de belemmeringen die diegene die het kermistoestel zal bedienen kan ondervinden door een noodzakelijk of te voorzien gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen;
1.8. het kermistoestel moet worden geleverd met alle speciale uitrustingen en accessoires die essentieel zijn voor het voorkomen van gevaren bij montage, demontage, transport, afstelling, onderhoud en gebruik;
2° Bij het ontwerpen, vervaardigen, plaatsen, opstellen, opbouwen en uitbaten in acht te nemen gevaarsaspecten, voorzover van toepassing :
2.1. gevaren ten gevolge van onvoldoende draagkracht van het kermistoestel, rekening houdend met de sterkte, de stijfheid en de vervormingscapaciteit van de toegepaste materialen;
2.2. gevaren ten gevolge van het verlies van evenwicht van het kermistoestel, rekening houdend met de ondersteuning van het kermistoestel, de aanwezige ondergrond en de verankering van het kermistoestel hierin, alsmede mogelijke belastingen van het kermistoestel;
2.3. gevaren ten gevolge van de toegepaste elektrische energie;
2.4. gevaren ten gevolge van de toegepaste mechanische, pneumatische of hydraulische energie;
2.5. gevaren ten gevolge van een defect in het bedieningscircuit of defecten in de energievoorziening;
2.6. gevaren ten gevolge van het gebruik van het kermistoestel, waaronder vallen, snijden, beklemming, afklemming, verstikking, wurging, verdrinking, botsen en overbelasting van het lichaam;
2.7. gevaren ten gevolge van de toegankelijkheid van het kermistoestel, hierbij inbegrepen de toegankelijkheid bij defecten, noodsituaties en evacuaties;
2.8. gevaren ten gevolge van mogelijke interacties van het kermistoestel en de gebruikers met de omgeving en omstanders;
2.9. gevaren ten gevolge van het klimaat binnen omsloten ruimten, waarbij inbegrepen onvoldoende ventilatie en onvoldoende verlichting;
2.10. gevaren ten gevolge van gebrekkige onderhoudsmogelijkheden;
2.11. gevaren ten gevolge van het monteren, demonteren en hanteren van het kermistoestel;
2.12. gevaren ten gevolge van brand;
2.13. gevaren ten gevolge van hinderlijke straling;
2.14. gevaren ten gevolge van blootstelling aan chemische stoffen;
2.15 gevaren ten gevolge van onvoldoende omgevingsverlichting;
2.16 gevaren ten gevolge van onvoldoende afstand tot andere kermistoestellen en omgevingselementen;
2.17 gevaren ten gevolge van onvoldoende mogelijkheden tot toezicht;
2.18 gevaren ten gevolge van gebrekkig onderhoud en beheer;
2.19 gevaren ten gevolge van ingrijpende wijzigingen aan het kermistoestel;
2.20 gevaren ten gevolge van een gebrek aan informatie aan de consumenten met betrekking tot de aanwezige risico's;
2.21 gevaren ten gevolge van de onmogelijkheid om persoonlijke beschermingsmiddelen te verkrijgen;
2.22 gevaren ten gevolge van onvoldoende kennis, opleiding en ervaring van het bedienend en toezichthoudend personeel;
2.23 gevaren ten gevolge van vandalisme.
3° Bij de opstellingsinspectie in acht te nemen gevaarsaspecten, voor zover van toepassing :
3.1. gevaren ten gevolge van het monteren, demonteren en hanteren van het kermistoestel;
3.2 gevaren ten gevolge van het verlies van evenwicht van het kermistoestel, rekening houdend met de ondersteuning van het kermistoestel, de aanwezige ondergrond en de verankering van het kermistoestel hierin, alsmede mogelijke belastingen van het kermistoestel;
3.3 gevaren ten gevolge van onvoldoende afstand tot andere kermistoestellen en omgevingselementen;
3.4. gevaren ten gevolge van mogelijke interacties van het kermistoestel en de gebruikers met de omgeving en omstanders;
3.5. gevaren ten gevolge van gebrekkige noodsystemen en -procedures;
4° Bij de onderhoudsinspectie in acht te nemen gevaarsaspecten, voor zover van toepassing :
4.1. gevaren ten gevolge van gebrekkig onderhoud en beheer;
4.2. gevaren ten gevolge van ingrijpende wijzigingen aan het kermistoestel;
5° Bij het periodiek nazicht in acht te nemen gevaarsaspecten, voor zover van toepassing :
5.1. gevaren ten gevolge van onvoldoende draagkracht van het kermistoestel, rekening houdend met de sterkte, de stijfheid en de vervormingscapaciteit van de toegepaste materialen;
5.2. gevaren ten gevolge van de toegepaste elektrische energie;
5.3. gevaren ten gevolge van de toegepaste mechanische, pneumatische of hydraulische energie;
5.4. gevaren ten gevolge van een defect in het bedieningscircuit of defecten in de energievoorziening;
5.5 gevaren ten gevolge van foutief uitgevoerde opstellingsinspecties en onderhoudsinspecties.
Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 18 juni 2003 betreffende de uitbating van kermistoestellen.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Consumentenzaken,
J. TAVERNIER.
Art. N2. Annexe 2.
1° Principes de sécurité à respecter lors de la conception et de la fabrication :
1.1. l'attraction foraine doit être fabriquée de façon à ce qu'elle puisse fonctionner et être réglée et entretenue sans que l'on soit exposé à des dangers au point de vue de la sécurité lorsque ces actes sont accomplis dans les circonstances fixées par le fabricant;
1.2. les précautions prises doivent veiller à exclure tout danger pendant la durée de vie escomptée de l'attraction foraine, même si les dangers résultent de circonstances anormales prévisibles;
1.3. pour choisir les solutions les plus adéquates, on doit appliquer les principes suivants dans l'ordre indiqué :
- exclure ou limiter au maximum les dangers en intégrant de façon optimale l'aspect de sécurité dans la conception et la fabrication de l'attraction foraine;
- prendre les précautions de sécurité nécessaires pour les risques ne pouvant être exclus;
- signaler les dangers encore existants en raison du manque d'efficacité des précautions de sécurité prises, indiquer si une formation particulière est exigée et signaler que certains équipements de protection individuelle doivent être utilisés;
1.4. lors de la conception et de la fabrication d'une attraction foraine ainsi que de l'élaboration du mode d'emploi, on ne doit pas seulement envisager une utilisation normale de l'attraction foraine mais aussi une utilisation raisonnablement prévisible;
1.5. une attraction foraine doit être conçue de façon à éviter toute utilisation anormale si celle-ci comporte des dangers. Le cas échéant, le mode d'emploi doit attirer l'attention sur l'utilisation à déconseiller;
1.6. dans les circonstances d'utilisation pour lesquelles l'attraction foraine est prévue, les nuisances, la fatigue et la charge psychique de celui qui doit manier l'attraction foraine doivent être réduites au minimum, compte tenu des principes de l'ergonomie;
1.7. lors de la conception et de la fabrication, on doit tenir compte des obstacles que celui qui va utiliser l'attraction foraine peut rencontrer par l'utilisation nécessaire ou prévisible d'équipements de protection individuelle;
1.8. l'attraction foraine doit être livrée avec tous les équipements et accessoires spéciaux qui sont essentiels pour prévenir les dangers lors du montage, du démontage, du transport, du réglage, de l'entretien et de l'utilisation;
2° Aspects des risques à prendre en compte lors de la conception, de la fabrication, du placement, de la mise en place et de l'exploitation, si d'application :
2.1. dangers résultant de la portance insuffisante de l'attraction foraine, compte tenu de la résistance, de la rigidité et de la capacité de déformation des matériaux appliqués;
2.2. dangers résultant de la perte d'équilibre de l'attraction foraine, compte tenu du soutènement de l'attraction foraine, du sol et de la fixation de l'attraction foraine à celui-ci, ainsi que des charges éventuelles de l'attraction foraine;
2.3. dangers résultant de l'énergie électrique appliquée;
2.4. dangers résultant de l'énergie mécanique, pneumatique ou hydraulique;
2.5. dangers résultant d'un défaut du circuit de commande ou de défauts dans l'approvisionnement d'énergie;
2.6. dangers résultant de l'utilisation de l'attraction foraine, parmi lesquels la chute, la coupure, l'étranglement, le coincement, l'étouffement, la strangulation, la noyade, le choc et la surcharge du corps;
2.7. dangers résultant de l'accessibilité de l'attraction foraine, y compris l'accessibilité en cas de panne, d'état d'urgence et d'évacuation;
2.8. dangers résultant d'interactions éventuelles de l'attraction foraine et des utilisateurs avec l'environnement et le public;
2.9. dangers résultant du milieu ambiant dans les espaces clos, y compris le manque de ventilation et de luminosité;
2.10. dangers résultant de possibilités d'entretien déficientes;
2.11. dangers résultant du montage, du démontage et du maniement de l'attraction foraine;
2.12. dangers résultant d'un incendie;
2.13. dangers résultant de rayonnements néfastes;
2.14. dangers résultant de l'exposition à des substances chimiques;
2.15 dangers résultant d'un éclairage insuffisant de l'environnement;
2.16 dangers résultant de la distance insuffisante par rapport à d'autres attractions foraines et éléments environnants;
2.17 dangers résultant des possibilités de surveillance insuffisantes;
2.18 dangers résultant d'un mauvais entretien et d'une gestion déficiente;
2.19 dangers résultant de modifications profondes à l'attraction foraine;
2.20 dangers résultant d'un manque d'information aux consommateurs en ce qui concerne les risques présents;
2.21 dangers résultant de l'impossibilité d'obtenir des équipements de protection individuelle;
2.22 dangers résultant du manque de connaissances, de formation et d'expérience du personnel de service;
2.23 dangers résultant du vandalisme.
3° Aspects des risques à prendre en compte lors de l'inspection de mise en place, si d'application :
3.1. dangers résultant du montage, du démontage et du maniement de l'attraction foraine;
3.2. dangers résultant de la perte d'équilibre de l'attraction foraine, compte tenu du soutènement de l'attraction foraine, du sol et de la fixation de l'attraction foraine à celui-ci, ainsi que des charges éventuelles de l'attraction foraine;
3.3 dangers résultant de la distance insuffisante par rapport à d'autres attractions foraines et éléments environnants;
3.4. dangers résultant d'interactions éventuelles de l'attraction foraine et des utilisateurs avec l'environnement et le public;
3.5. dangers résultant de systèmes et de procédures d'urgence insuffisants;
4° Aspects des risques à prendre en compte lors de l'inspection d'entretien, si d'application :
4.1. dangers résultant d'un mauvais entretien et d'une gestion déficiente;
4.2. dangers résultant de modifications profondes à l'attraction;
5° Aspects des risques à prendre en compte lors de la vérification périodique, si d'application :
5.1. dangers résultant de la portance insuffisante de l'attraction foraine, compte tenu de la résistance, de la rigidité et de la capacité de déformation des matériaux appliqués;
5.2. dangers résultant de l'énergie électrique appliquée;
5.3. dangers résultant de l'énergie mécanique, pneumatique ou hydraulique;
5.4. dangers résultant d'un défaut du circuit de commande ou de défauts dans l'approvisionnement d'énergie;
5.5. dangers résultant d'inspections de mise en place et d'entretien effectuées fautivement.
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 18 juin 2003 relatif à l'exploitation des attractions foraines.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Protection de la Consommation,
J. TAVERNIER.
1° Principes de sécurité à respecter lors de la conception et de la fabrication :
1.1. l'attraction foraine doit être fabriquée de façon à ce qu'elle puisse fonctionner et être réglée et entretenue sans que l'on soit exposé à des dangers au point de vue de la sécurité lorsque ces actes sont accomplis dans les circonstances fixées par le fabricant;
1.2. les précautions prises doivent veiller à exclure tout danger pendant la durée de vie escomptée de l'attraction foraine, même si les dangers résultent de circonstances anormales prévisibles;
1.3. pour choisir les solutions les plus adéquates, on doit appliquer les principes suivants dans l'ordre indiqué :
- exclure ou limiter au maximum les dangers en intégrant de façon optimale l'aspect de sécurité dans la conception et la fabrication de l'attraction foraine;
- prendre les précautions de sécurité nécessaires pour les risques ne pouvant être exclus;
- signaler les dangers encore existants en raison du manque d'efficacité des précautions de sécurité prises, indiquer si une formation particulière est exigée et signaler que certains équipements de protection individuelle doivent être utilisés;
1.4. lors de la conception et de la fabrication d'une attraction foraine ainsi que de l'élaboration du mode d'emploi, on ne doit pas seulement envisager une utilisation normale de l'attraction foraine mais aussi une utilisation raisonnablement prévisible;
1.5. une attraction foraine doit être conçue de façon à éviter toute utilisation anormale si celle-ci comporte des dangers. Le cas échéant, le mode d'emploi doit attirer l'attention sur l'utilisation à déconseiller;
1.6. dans les circonstances d'utilisation pour lesquelles l'attraction foraine est prévue, les nuisances, la fatigue et la charge psychique de celui qui doit manier l'attraction foraine doivent être réduites au minimum, compte tenu des principes de l'ergonomie;
1.7. lors de la conception et de la fabrication, on doit tenir compte des obstacles que celui qui va utiliser l'attraction foraine peut rencontrer par l'utilisation nécessaire ou prévisible d'équipements de protection individuelle;
1.8. l'attraction foraine doit être livrée avec tous les équipements et accessoires spéciaux qui sont essentiels pour prévenir les dangers lors du montage, du démontage, du transport, du réglage, de l'entretien et de l'utilisation;
2° Aspects des risques à prendre en compte lors de la conception, de la fabrication, du placement, de la mise en place et de l'exploitation, si d'application :
2.1. dangers résultant de la portance insuffisante de l'attraction foraine, compte tenu de la résistance, de la rigidité et de la capacité de déformation des matériaux appliqués;
2.2. dangers résultant de la perte d'équilibre de l'attraction foraine, compte tenu du soutènement de l'attraction foraine, du sol et de la fixation de l'attraction foraine à celui-ci, ainsi que des charges éventuelles de l'attraction foraine;
2.3. dangers résultant de l'énergie électrique appliquée;
2.4. dangers résultant de l'énergie mécanique, pneumatique ou hydraulique;
2.5. dangers résultant d'un défaut du circuit de commande ou de défauts dans l'approvisionnement d'énergie;
2.6. dangers résultant de l'utilisation de l'attraction foraine, parmi lesquels la chute, la coupure, l'étranglement, le coincement, l'étouffement, la strangulation, la noyade, le choc et la surcharge du corps;
2.7. dangers résultant de l'accessibilité de l'attraction foraine, y compris l'accessibilité en cas de panne, d'état d'urgence et d'évacuation;
2.8. dangers résultant d'interactions éventuelles de l'attraction foraine et des utilisateurs avec l'environnement et le public;
2.9. dangers résultant du milieu ambiant dans les espaces clos, y compris le manque de ventilation et de luminosité;
2.10. dangers résultant de possibilités d'entretien déficientes;
2.11. dangers résultant du montage, du démontage et du maniement de l'attraction foraine;
2.12. dangers résultant d'un incendie;
2.13. dangers résultant de rayonnements néfastes;
2.14. dangers résultant de l'exposition à des substances chimiques;
2.15 dangers résultant d'un éclairage insuffisant de l'environnement;
2.16 dangers résultant de la distance insuffisante par rapport à d'autres attractions foraines et éléments environnants;
2.17 dangers résultant des possibilités de surveillance insuffisantes;
2.18 dangers résultant d'un mauvais entretien et d'une gestion déficiente;
2.19 dangers résultant de modifications profondes à l'attraction foraine;
2.20 dangers résultant d'un manque d'information aux consommateurs en ce qui concerne les risques présents;
2.21 dangers résultant de l'impossibilité d'obtenir des équipements de protection individuelle;
2.22 dangers résultant du manque de connaissances, de formation et d'expérience du personnel de service;
2.23 dangers résultant du vandalisme.
3° Aspects des risques à prendre en compte lors de l'inspection de mise en place, si d'application :
3.1. dangers résultant du montage, du démontage et du maniement de l'attraction foraine;
3.2. dangers résultant de la perte d'équilibre de l'attraction foraine, compte tenu du soutènement de l'attraction foraine, du sol et de la fixation de l'attraction foraine à celui-ci, ainsi que des charges éventuelles de l'attraction foraine;
3.3 dangers résultant de la distance insuffisante par rapport à d'autres attractions foraines et éléments environnants;
3.4. dangers résultant d'interactions éventuelles de l'attraction foraine et des utilisateurs avec l'environnement et le public;
3.5. dangers résultant de systèmes et de procédures d'urgence insuffisants;
4° Aspects des risques à prendre en compte lors de l'inspection d'entretien, si d'application :
4.1. dangers résultant d'un mauvais entretien et d'une gestion déficiente;
4.2. dangers résultant de modifications profondes à l'attraction;
5° Aspects des risques à prendre en compte lors de la vérification périodique, si d'application :
5.1. dangers résultant de la portance insuffisante de l'attraction foraine, compte tenu de la résistance, de la rigidité et de la capacité de déformation des matériaux appliqués;
5.2. dangers résultant de l'énergie électrique appliquée;
5.3. dangers résultant de l'énergie mécanique, pneumatique ou hydraulique;
5.4. dangers résultant d'un défaut du circuit de commande ou de défauts dans l'approvisionnement d'énergie;
5.5. dangers résultant d'inspections de mise en place et d'entretien effectuées fautivement.
Vu pour être annexé à Notre arrêté du 18 juin 2003 relatif à l'exploitation des attractions foraines.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de la Protection de la Consommation,
J. TAVERNIER.