Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
18 MAART 2003. - Koninklijk besluit houdende bezoldigingsregeling van de militairen van alle rangen en betreffende het stelsel van de dienstprestaties van de militairen van het actief kader beneden de rang van officier. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 02-04-2003 en tekstbijwerking tot 16-02-2026)
Titre
18 MARS 2003. - ArrĂȘtĂ© royal relatif au statut pĂ©cuniaire des militaires de tous rangs et au rĂ©gime des prestations de service des militaires du cadre actif au-dessous du rang d'officier. (NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă  partir du 02-04-2003 et mise Ă  jour au 16-02-2026)
Documentinformatie
Numac: 2003007090
Datum: 2003-03-18
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2003007090
Date: 2003-03-18
Moniteur: Voir
Tekst (101)
Texte (101)
TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
TITRE I. - DISPOSITIONS GENERALES.
Artikel 1. § 1. Dit besluit is van toepassing op de militair die een wedde geniet.
§ 2. [6 In afwijking van § 1, zijn de bepalingen van titel III, [8 ...]8 van titel IV en van titel VI van dit besluit niet van toepassing op:
1° de militair die in mobiliteit of gebezigd is;
2° de militair die ter beschikking gesteld is, hetzij bij de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, hetzij bij een openbare dienst;
3° de militair die een functie bekleedt waarvan de bezoldiging niet gedragen wordt door de begroting van Defensie;
4° de militair in de deelstand "in vorming" [8 ...]8.]6

[8 ...]8
§ 3. In afwijking van § 1, zijn de bepalingen van de hoofdstukken V en VI van titel IV van dit besluit niet van toepassing op de militair in disponibiliteit.
§ 4. In afwijking van § 1, zijn de bepalingen van hoofdstuk VII van titel IV van dit besluit niet van toepassing op de onderofficier, die aangesteld is in een graad van officier.
§ 5. In afwijking van § 1, zijn de bepalingen van titel VI van dit besluit niet van toepassing op :
1° de militair die behoort tot het reservekader die wederoproepingen of [4 bijkomende prestaties in het kader van de vervolmaking of als bevorderingsprestaties]4 verricht;
2° de militair met vaste dienst [5 ...]5;
3° [3 de militair [5 in dienst ]5 bij de internationale hoofdkwartieren, generale staven en instellingen die in België zijn gevestigd en die worden bedoeld in de tabellen 1, 2 en 3 van de bijlage aan het ministerieel besluit van 22 oktober 1975 tot uitvoering van het koninklijk besluit van 21 oktober 1975 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militair die in België verplicht wordt bepaalde werkelijke lasten te dragen;]3
4° [5 ...]5
§ 6. In afwijking van § 1, zijn artikel 29, artikel 42, tweede lid, en artikel 44, niet van toepassing op de militair in de deelstand " in normale dienst " die het weddencomplement geniet, bedoeld in artikel 3, van het koninklijk besluit van 6 december 2001 betreffende het verlenen van geldelijke voordelen aan sommige militairen die een paramedische functie uitoefenen.
[2 ...]2.
Article 1er. § 1. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© est applicable au militaire qui bĂ©nĂ©ficie d'un traitement.
§ 2. [6 En dĂ©rogation au § 1er, les dispositions du titre III, [8 ...]8 du titre IV et du titre VI du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ne sont pas d'application:
1° au militaire qui est en mobilité ou utilisé;
2° au militaire qui est mis à la disposition, soit du service de police intégré, structuré à deux niveaux, soit d'un service public;
3° au militaire qui occupe une fonction dont la rémunération n'est pas supportée par le budget de la Défense;
4° au militaire dans la sous-position "en formation" [8 ...]8.]6

[8 ...]8
§ 3. En dĂ©rogation au § 1, les dispositions des chapitres V et VI du titre IV du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ne sont pas d'application au militaire en disponibilitĂ©.
§ 4. En dĂ©rogation au § 1, les dispositions du chapitre VII du titre IV du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ne sont pas d'application au sous-officier qui est commissionnĂ© Ă  un grade d'officier.
§ 5. En dĂ©rogation au § 1, les dispositions du titre VI du prĂ©sent arrĂȘtĂ© ne sont pas d'application :
1° au militaire appartenant au cadre de réserve qui effectue des rappels ou des prestations [4 complémentaires dans le cadre du perfectionnement ou comme prestations d'avancement]4;
2° au militaire en service permanent [5 ...]5;
3° [3 au militaire [5 en service]5 auprĂšs des quartiers gĂ©nĂ©raux, Ă©tats-majors et organismes internationaux installĂ©s en Belgique et qui sont visĂ©s dans les tableaux 1, 2 et 3 figurant en annexe de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 22 octobre 1975 pris en exĂ©cution de l'arrĂȘtĂ© royal du 21 octobre 1975 fixant le rĂ©gime d'indemnisation applicable au militaire qui, en Belgique, est astreint Ă  supporter certaines charges rĂ©elles;]3
4° [5 ...]5
§ 6. En dĂ©rogation au § 1, l'article 29, l'article 42, alinĂ©a 2, et l'article 44, ne sont pas d'application au militaire dans la sous-position " en service normal " qui bĂ©nĂ©ficie du complĂ©ment de traitement, visĂ© Ă  l'article 3, de l'arrĂȘtĂ© royal du 6 dĂ©cembre 2001 accordant des avantages pĂ©cuniaires Ă  certains militaires exerçant une fonction paramĂ©dicale.
[2 ...]2.
Art. 2. De bedragen van de toelagen, van de vergoedingen en van de uitkeringen, bedoeld in dit besluit, worden gekoppeld aan de mobiliteitsregeling toepasselijk op de wedden van het personeel der ministeries. Zij zijn gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.
Art. 2. Les montants des allocations et des indemnitĂ©s visĂ©es au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, sont liĂ©s au rĂ©gime de mobilitĂ© applicable aux traitements du personnel des ministĂšres. Ils sont liĂ©s Ă  l'indice-pivot 138,01.
Art. 3. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° dienstprestaties : de prestaties die de militair verricht op bevel van een daartoe bevoegde overheid of ingevolge een wettelijke of reglementaire bepaling;
2° ploegendienst : een dienstregeling waarbij een welbepaalde doorlopende opdracht of een reeks van opdrachten uitgevoerd wordt door daartoe speciaal samengestelde groepen militairen die uitsluitend die opdracht of opdrachten uitvoeren en die elkaar op voorziene tijdstippen afwisselen;
3° beveiligingsopdracht : ononderbroken dienstprestatie van minstens tien uren die tot doel heeft militaire of burgerlijke doelwitten te beveiligen en die gekenmerkt wordt door het feit dat de militair, die deze uitvoert, gewapend blijft en de onmiddellijke omgeving van de te beveiligen doelwitten niet verlaat, en die kan uitgevoerd worden :
a) hetzij in een stelsel van ploegendienst;
b) hetzij door nachtwakers;
c) hetzij als bijkomende dienstprestatie door een militair voor wie deze geen verband houdt met zijn gewone functie;
4° permanentie : een ononderbroken dienstprestatie van minstens vierentwintig uur, andere dan een beveiligingsopdracht, tijdens dewelke de betrokken militair op de plaats van de opdracht beschikbaar is gedurende de volledige duur van de dienstprestatie, al dan niet met het oog op een interventie;
5° categorie :
a) officieren : de officieren en de kandidaten bekleed met een graad van officier;
b) onderofficieren : de onderofficieren en de kandidaten bekleed met een graad van onderofficier;
c) vrijwilligers : de vrijwilligers en de kandidaten bekleed met een graad van vrijwilliger;
6° baremische categorie : de verschillende weddenschalen binnen een zelfde categorie;
7° vaste dienst : een dienstreis in het buitenland, [2 in de deelstand "in normale dienst]2 [3 of in de deelstand "in vorming"]3 waarvan bij aanvang blijkt dat de duur ervan minstens vijf ononderbroken maanden zal bedragen;
8° nachtwaker : de militair die de ambtscode " waker " of " waker-hondenmeester " heeft, en die een als dusdanig op de organieke tabellen hernomen betrekking uitoefent, welke inhoudt dat het wezenlijke van deze dienstprestaties buiten de gewone diensturen valt;
9° terugroepbaar personeel : personeel aan wie een preadvies werd gegeven, opdat het, binnen een door de bevoegde overheid bepaalde redelijke termijn die de vier uur niet mag overschrijden, de dienst zou kunnen hervatten met het oog op het uitvoeren van dienstprestaties, die plaatsvinden binnen het kader van een beurtrol en niet kunnen uitgevoerd worden binnen de normale diensturen.
Voor de toepassing van dit besluit worden geacht feestdagen te zijn :
1 januari; Paasmaandag; 1 mei; Onze-Lieve-Heer Hemelvaart; Pinkstermaandag; de verjaardag van Zijne Majesteit de Koning; 21 juli; 15 augustus; 1 november; 2 november; 11 november; 15 november; 25 december; 26 december; de vrijdag die volgt op Onze-Lieve-Heer Hemelvaart en de werkdagen vanaf 27 december tot en met 31 december, alsook de dagen waarop de Minister van [1 Defensie]1 aan alle militairen onder zijn bevoegdheid een dienstontheffing verleent.
Voor de toepassing van dit besluit wordt, telkens als een graad wordt vermeld, ook de gelijkwaardige graad in aanmerking genomen.
Art. 3. Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
1° prestations de service : les prestations que le militaire effectue sur ordre d'une autorité compétente ou en application d'une disposition législative ou réglementaire;
2° travail par équipe : un régime de travail au cours duquel une mission continue bien définie ou une série de missions est effectuée par des groupes de militaires constitués spécialement à cet effet, qui effectuent cette mission ou ces missions à titre exclusif, et qui se relayent à intervalles déterminés;
3° une mission de protection : une prestation de service ininterrompue d'au moins dix heures afin de protĂ©ger des objectifs militaires ou civils, et qui se caractĂ©rise par le fait que le militaire qui l'exĂ©cute reste armĂ© et ne quitte pas les environs immĂ©diats des objectifs Ă  protĂ©ger, et qui peut ĂȘtre effectuĂ©e :
a) soit dans un régime de travail par équipe;
b) soit par des veilleurs de nuit;
c) soit comme prestation de service supplémentaire par un militaire, pour qui elle n'est pas liée à la fonction normale;
4° permanence : une prestation de service ininterrompue d'au moins vingt-quatre heures, autre qu'une mission de protection, pendant laquelle le militaire concerné est disponible sur le lieu de la mission pendant toute la durée de la prestation de service, dans l'optique d'une intervention ou non;
5° catégorie :
a) officiers : les officiers et les candidats revĂȘtus d'un grade d'officier;
b) sous-officiers : les sous-officiers et les candidats revĂȘtus d'un grade de sous-officier;
c) volontaires : les volontaires et les candidats revĂȘtus d'un grade de volontaire;
6° catĂ©gorie barĂ©mique : les diverses Ă©chelles de traitement au sein d'une mĂȘme catĂ©gorie;
7° service permanent : un déplacement de service à l'étranger [1 dans la sous-position "en service normal"]1 [3 ou dans la sous-position "en formation"]3 dont il apparaßt d'emblée que sa durée sera d'au moins cinq mois sans interruption;
8° veilleur de nuit : le militaire qui a un code d'emploi de " veilleur " ou de " veilleur-maßtre-chien " qui exerce une fonction reprise comme telle dans les tableaux organiques, impliquant que l'essentiel de ses prestations de service sont des missions de protection qui se situent en dehors des heures de service normales;
9° personnel rappelable : le personnel Ă  qui un prĂ©avis a Ă©tĂ© donnĂ©, pour qu'il puisse reprendre son service endĂ©ans un dĂ©lai raisonnable, dĂ©terminĂ© par l'autoritĂ© compĂ©tente et ne pouvant pas dĂ©passer quatre heures, afin d'effectuer des prestations de service, qui ont lieu dans le cadre d'un tour de rĂŽle et qui ne peuvent pas ĂȘtre effectuĂ©es pendant les heures normales de service.
Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, sont considĂ©rĂ©s comme jours fĂ©riĂ©s :
le 1er janvier; le lundi de PĂąques; le 1er mai; l'Ascension; le lundi de PentecĂŽte; le jour de l'anniversaire de Sa MajestĂ© le Roi; le 21 juillet, le 15 aoĂ»t; le 1er novembre; le 2 novembre; le 11 novembre; le 15 novembre; le 25 dĂ©cembre; le 26 dĂ©cembre; le vendredi qui suit l'Ascension et les jours ouvrables Ă  partir du 27 dĂ©cembre jusque et y compris le 31 dĂ©cembre, ainsi que les jours oĂč le Ministre de la DĂ©fense accorde une dispense de service Ă  tous les militaires sous sa compĂ©tence.
Pour l'application du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, chaque fois qu'un grade est mentionnĂ©, le grade Ă©quivalent est Ă©galement pris en considĂ©ration.
Art. 4. De Minister van [1 Defensie]1 oefent de bevoegdheden, bedoeld in artikel 3, tweede lid, in artikel 28, vierde lid, in artikel 41, tweede lid, in artikel 48, 2° tot 4°, en in artikel 51, uit in toepassing van artikel 9 van het koninklijk besluit van 16 november 1994 betreffende de administratieve en begrotingscontrole, waarbij het gunstig advies van de Inspecteur van Financiën hem vrijstelt van de akkoordbevindingen van de Ministers tot wiens bevoegdheden de begroting en het algemeen bestuur behoren.
Art. 4. Le Ministre de la DĂ©fense exerce les compĂ©tences visĂ©es Ă  l'article 3, alinĂ©a 2, Ă  l'article 28, alinĂ©a 4, Ă  l'article 41, alinĂ©a 2, Ă  l'article 48, 2° Ă  4°, et Ă  l'article 51, en application de l'article 9 de l'arrĂȘtĂ© royal du 16 novembre 1994 relatif au contrĂŽle administratif et budgĂ©taire, par lequel l'avis favorable de l'Inspecteur des Finances le dispense des accords des Ministres qui ont le budget et l'administration gĂ©nĂ©rale dans leurs attributions.
TITEL II. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE WEDDE [1 en de loopbaantoelage]1.
TITRE II. - DISPOSITIONS RELATIVES AU TRAITEMENT [1 et Ă  l'allocation de carriĂšre]1.
HOOFDSTUK I. - De basiswedde [1 en de loopbaantoelage]1.
CHAPITRE I. - Du traitement de base [1 et de l'allocation de carriĂšre]1.
Art. 5. De weddenschalen van de militair worden, binnen iedere categorie, in euro vastgesteld per graad en in bepaalde gevallen, per baremische categorie, overeenkomstig bijlage A bij dit besluit.
Art. 5. Les Ă©chelles de traitement du militaire sont, au sein de chaque catĂ©gorie, fixĂ©es en euro par grade et dans certains cas, par catĂ©gorie barĂ©mique, conformĂ©ment Ă  l'annexe A au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 6. De militair geniet de minimumwedde, verbonden aan de graad waartoe hij is benoemd of waarin hij is aangesteld, alsook de volgens de bepalingen van dit besluit verkregen tussentijdse weddenverhogingen. Dit vormt zijn basiswedde.
Art. 6. Le militaire bĂ©nĂ©ficie du traitement minimum affĂ©rent au grade dans lequel il est nommĂ© ou commissionnĂ©, ainsi que les augmentations intercalaires acquises suivant les dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, ce qui constitue son traitement de base.
Art. 6bis. [1 De militair geniet naast zijn basiswedde van een loopbaantoelage waarvan het jaarbedrag in euro wordt bepaald in bijlage D bij dit besluit, per baremische categorie, per graad en volgens de tussentijdse weddenverhogingen verworven volgens de bepalingen van dit besluit.
De loopbaantoelage wordt samen met de wedde ten bedrage van één twaalfde van het jaarbedrag na de vervallen termijn betaald.
De loopbaantoelage wordt verminderd overeenkomstig dezelfde regels en in dezelfde mate als de wedde van de maand waarop zij betrekking heeft.]1

Art. 6bis. [1 Le militaire bĂ©nĂ©ficie, en plus de son traitement de base, d'une allocation de carriĂšre dont le montant annuel en euro est fixĂ© dans l'annexe D au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, par catĂ©gorie barĂ©mique, par grade et selon les augmentations intercalaires acquises suivant les dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
L'allocation de carriÚre est payée avec le traitement à terme échu, à raison d'un douziÚme du montant annuel.
L'allocation de carriĂšre est rĂ©duite conformĂ©ment aux mĂȘmes rĂšgles et dans la mĂȘme mesure que le traitement du mois auquel elle se rapporte.]1

Art. 7. § 1. De militair (, aangesteld in een hogere graad om een ambt verbonden aan deze graad uit te oefenen,) behoudt de wedde [3 en de loopbaantoelage]3 die hij vóór die aanstelling genoot. <KB 2006-02-16/37, art. 2, 1°, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2005>
[3 Voor de duur van de aanstelling heeft hij bovendien recht op een toelage ten belope van het verschil tussen enerzijds de som van de wedde en van de loopbaantoelage verbonden aan de hogere graad waarin hij is aangesteld en anderzijds de som van de wedde en van de loopbaantoelage van de graad waartoe hij benoemd was vóór deze aanstelling.]3
In afwijking van het vorige lid, geniet de militair, aangesteld in de graad van brigade-generaal, een toelage van [4 4.222 EUR]4 op jaarbasis.
§ 2. [1 [3 Een toelage wordt toegekend aan de kandidaat-militair, ten belope van het verschil tussen enerzijds de som van de wedde en van de loopbaantoelage verbonden aan de graad waarin hij aangesteld is en anderzijds de som van de wedde en van de loopbaantoelage in zijn toekomstige baremische categorie, van:]3
1° kapitein, indien hij kandidaat officier is van de laterale werving;
2° onderluitenant indien hij kandidaat-officier is :
a) hetzij van de bijzondere werving;
b) hetzij gesproten uit de promotie op diploma;
[2 c) hetzij van de werving voor een loopbaan van beperkte duur.]2
3° sergeant, indien hij kandidaat-onderofficier van niveau B is :
a) hetzij van de bijzondere werving;
b) hetzij van de normale werving, na het behalen van het vereiste diploma;
c) hetzij gesproten uit de promotie op diploma, indien hij voordien vrijwilliger was;
[2 d) hetzij van de werving voor een loopbaan van beperkte duur.]2
[3 De kandidaat-onderofficier van het niveau B, gesproten uit de promotie op diploma, ontvangt een toelage waarvan het bedrag gelijk is aan het verschil tussen enerzijds de som van de wedde en van de loopbaantoelage die hij zou ontvangen indien hij tot het niveau B zou behoren en anderzijds de som van de wedde en van de loopbaantoelage van onderofficier van het niveau C.]3]1

Art. 7. § 1. Le militaire commissionné (à un grade supérieur pour exercer un emploi lié à ce grade,) conserve le traitement [3 et l'allocation de carriÚre]3 dont il bénéficiait avant cette commission. <AR 2006-02-16/37, art. 2, 1°, 004; En vigueur : 13-03-2006>
[3 En outre, pendant la durée de la commission, il a droit à une allocation égale à la différence entre, d'une part, la somme du traitement et de l'allocation de carriÚre correspondant au grade supérieur auquel il est commissionné et, d'autre part, la somme du traitement et de l'allocation de carriÚre du grade auquel il était nommé avant cette commission.]3
En dérogation à l'alinéa précédent, le militaire commissionné au grade de général de brigade bénéficie d'une allocation fixée à [4 4.222 EUR]4 par an.
§ 2. [1 [3 Une allocation est octroyée au candidat militaire à concurrence de la différence entre, d'une part, la somme du traitement et de l'allocation de carriÚre liés au grade auquel il est commissionné et, d'autre part, la somme du traitement et de l'allocation de carriÚre, dans sa future catégorie barémique, de:]3
1° capitaine, s'il est candidat officier du recrutement latéral;
2° sous-lieutenant, s'il est candidat officier :
a) soit du recrutement spécial;
b) soit issu de la promotion sur diplĂŽme;
[2 c) soit du recrutement pour une carriÚre à durée limitée.]2
3° sergent, s'il est candidat sous-officier du niveau B :
a) soit du recrutement spécial;
b) soit du recrutement normal, aprÚs l'obtention du diplÎme exigé;
c) soit issu de la promotion sur diplÎme, s'il était volontaire auparavant;
[2 d) soit du recrutement pour une carriÚre à durée limitée.]2
[3 Le candidat sous-officier du niveau B, issu de la promotion sur diplÎme, perçoit une allocation dont le montant est égal à la différence entre, d'une part, la somme du traitement et de l'allocation de carriÚre qu'il percevrait s'il appartenait au niveau B et, d'autre part, la somme du traitement et de l'allocation de carriÚre de sous-officier du niveau C.]3]1
.
HOOFDSTUK II. - De tussentijdse verhogingen.
CHAPITRE II. - Des augmentations intercalaires.
Art. 8. [1 Voor het toekennen van de tussentijdse weddeverhogingen komen in aanmerking het totaal van de werkelijke dienst, volbracht vanaf de leeftijd van achttien jaar.
Evenwel wordt voor een kandidaat-militair de effectieve periode van schoolvorming met het oog op het behalen van een bachelor of van een master, niet in rekening genomen voor het toekennen van de tussentijdse weddenverhogingen.
Evenwel wordt voor een kandidaat-hulpofficier de effectieve periode van de vormingscyclus met het oog op het behalen van, naargelang het geval, het brevet van piloot, het hoger brevet van piloot of het brevet van luchtverkeersleider, niet in rekening genomen voor het toekennen van de tussentijdse weddenverhogingen.
Tot de effectieve periodes van schoolvorming of vormingscyclus bedoeld in het tweede en derde lid behoren ook alle verlengde periodes van schoolvorming of vormingscyclus ten gevolge van een vormingsincident, die al dan niet geleid hebben, naargelang het geval, tot het behalen van de bachelor, de master, het brevet van piloot, het hoger brevet van piloot of het brevet van luchtverkeersleider.
De periode van schoolvorming en de periode van de vormingscyclus eindigen ofwel:
1° op de datum van de benoeming van de kandidaat-militair in de basisgraad na het behalen van, naargelang het geval, de bachelor, de master, het brevet van piloot, het hoger brevet van piloot of het brevet van luchtverkeersleider;
2° op de datum van elke andere opname of aanvaarding van de kandidaat-militair als kandidaat-militair in een andere hoedanigheid, in een andere personeelscategorie of in een ander niveau;
3° op de datum van de heropname van de kandidaat-militair, naar gelang het geval, in zijn oorspronkelijke basisvorming of in zijn oorspronkelijke personeelscategorie, overeenkomstig het artikel 107 van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht.
In het geval de normale duur voor het behalen van een bachelor of een master, van eenzelfde oriëntatie niet gelijk is in de verschillende Gemeenschappen, wordt, na het behalen van de bachelor of van de master, de kortste vormingsduur niet in rekening genomen voor het toekennen van de tussentijdse weddenverhogingen.
Enkel de volledige kalendermaanden worden in rekening genomen voor het toekennen van de tussentijdse weddenverhogingen.]1

Art. 8. [1 Entrent en compte pour l'octroi des augmentations intercalaires la totalité des services actifs, à partir de l'ùge de dix-huit ans.
Toutefois, pour un candidat militaire, la période de formation scolaire effective en vue de l'obtention d'un bachelier ou d'un master n'est pas prise en compte pour l'octroi des augmentations intercalaires.
Toutefois, pour un candidat officier auxiliaire, la période effective du cycle de formation en vue de l'obtention, selon le cas, du brevet de pilote, du brevet supérieur de pilote ou du brevet de contrÎleur de trafic aérien, n'est pas prise en compte pour l'octroi des augmentations intercalaires.
Les périodes effectives de formation scolaire ou du cycle de formation visées aux alinéas 2 et 3, comprennent également toutes les périodes de formation scolaire ou du cycle de formation prolongées suite à un incident de formation, ayant ou non menées, selon le cas, à l'obtention du bachelier, du master, du brevet de pilote, du brevet supérieur de pilote ou du brevet de contrÎleur de trafic aérien.
La période de formation scolaire et la période du cycle de formation prennent fin soit:
1° à la date de la nomination du candidat militaire dans le grade de base aprÚs l'obtention, selon le cas, du bachelier, du master, du brevet de pilote, du brevet supérieur de pilote ou du brevet de contrÎleur de trafic aérien;
2° à la date de toute autre admission ou agrément du candidat militaire comme candidat militaire dans une autre qualité, dans une autre catégorie de personnel ou dans un autre niveau;
3° à la date de la réintégration du candidat militaire, selon le cas, dans sa formation de base originelle ou dans sa catégorie de personnel d'origine, conformément à l'article 107 de la loi du 28 février 2007 fixant le statut des militaires et candidats militaires du cadre actif des Forces armées.
Dans le cas oĂč la durĂ©e normale pour l'obtention d'un bachelier ou d'un master, d'une mĂȘme orientation, n'est pas Ă©gale dans les diffĂ©rentes CommunautĂ©s, aprĂšs l'obtention du bachelier ou du master, la durĂ©e de formation la plus courte n'est pas prise en compte pour l'octroi des augmentations intercalaires.
Seuls les mois calendriers complets sont pris en compte pour l'octroi des augmentations intercalaires.]1

Art. 9. Voor de berekening van [2 de tussentijdse weddenverhogingen]2, worden als werkelijke diensten aangerekend :
1° de tijd gedurende welke de militair zich in een stand bevindt die recht geeft op de volle wedde of op de volle soldij;
2° [2 de tijd gedurende dewelke de militair wordt gedetacheerd wegens een officiële opdracht bij een instelling van internationaal publiek recht, bij een buitenlandse regering, bij elke openbare dienst die afhangt van de federale overheid, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de gemeenten, de agglomeraties, de federaties en de verenigingen van gemeenten, de politiezones, de autonome overheidsbedrijven bedoeld in de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, alsook bij de instellingen die van dergelijke openbare dienst afhangen, of bij de instellingen die van Defensie afhangen.]2
Wordt beschouwd als volle wedde de wedde van de militair [1 "in periode van schoolvorming"]1, bedoeld in artikel 4 van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen.
Art. 9. Pour le calcul des augmentations intercalaires, sont comptés comme services actifs :
1° le temps pendant lequel le militaire se trouve dans une position donnant droit au traitement entier ou à la solde entiÚre;
2° [2 le temps pendant lequel le militaire est détaché pour cause de mission officielle auprÚs d'une institution de droit international public, d'un gouvernement étranger, de tout service public dépendant de l'autorité fédérale, des régions, des communautés, des provinces, des communes, des agglomérations, des fédérations et des associations de communes, des zones de police, des entreprises publiques autonomes visées à la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, ainsi que des organismes qui dépendent de tel service public ou des organismes qui dépendent de la Défense.]2
Est considéré comme traitement entier le traitement du militaire " [1 en période de formation scolaire]1 " visé à l'article 4 de la loi du 20 mai 1994 relative aux droits pécuniaires des militaires.
Art. 10. [1 Voor de toekenning van de tussentijdse weddenverhogingen worden ambtshalve aangenomen, op basis van de regelgeving van toepassing op het ogenblik van de aanwerving, de werkelijke diensten die de militair heeft verricht in de diensten, inrichtingen, instellingen en centra, bedoeld in titel II, hoofdstuk II - Geldelijke anciënniteit, van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.]1
[1 De diensten bedoeld in het eerste lid komen in aanmerking voor het toekennen van de tussentijdse weddenverhogingen :
1° voor de vrijwilliger : vanaf de leeftijd van 18 jaar;
2° voor de onderofficier vanaf de leeftijd van :
a) 23 jaar voor de onderofficier van niveau B;
b) 20 jaar voor de onderofficier van niveau C;
3° voor de officier :
a) van niveau A vanaf de leeftijd van 24 jaar voor :
(1) het totaal van de diensten die hij heeft volbracht in het niveau A in de zin van titel II, hoofdstuk II, van het voornoemde koninklijk besluit van 25 oktober 2013;
(2) twee derde van de diensten die hij heeft volbracht in de niveaus B, C of D, in de zin van titel II, hoofdstuk II, van het voornoemde koninklijk besluit van 25 oktober 2013;
b) van niveau B vanaf de leeftijd van 23 jaar voor :
(1) het totaal van de diensten die hij heeft volbracht in het niveau A of B in de zin van titel II, hoofdstuk II, van het voornoemde koninklijk besluit van 25 oktober 2013;
(2) twee derde van de diensten die hij heeft volbracht in de niveaus C of D, in de zin van titel II, hoofdstuk II, van het voornoemde koninklijk besluit van 25 oktober 2013.]1

Voor de toepassing van het eerste lid worden de perioden, die, overeenkomstig de artikelen 8 en 9 aangerekend werden als dienstprestaties volbracht in de hoedanigheid van militair of ermee gelijkgesteld, niet in aanmerking genomen.
Art. 10. [1 Pour l'octroi des augmentations intercalaires, les services actifs que le militaire a accomplis dans les services, Ă©tablissements, offices et centres visĂ©s au titre II, chapitre II - De l'anciennetĂ© pĂ©cuniaire, de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 octobre 2013 relatif Ă  la carriĂšre pĂ©cuniaire des membres du personnel de la fonction publique fĂ©dĂ©rale, sont admissibles d'office, sur la base de la rĂ©glementation en vigueur au moment du recrutement.]1
[1 Les services visés à l'alinéa 1er entrent en compte pour l'octroi des augmentations intercalaires :
1° pour le volontaire : à partir de l'ùge de 18 ans;
2° pour le sous-officier à partir de l'ùge de :
a) 23 ans pour le sous-officier du niveau B;
b) 20 ans pour le sous-officier du niveau C;
3° pour l'officier :
a) du niveau A Ă  partir de l'Ăąge de 24 ans pour :
(1) la totalitĂ© des services qu'il a accomplis dans le niveau A au sens du titre II, chapitre II, de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 octobre 2013 prĂ©citĂ©;
(2) les deux tiers des services qu'il a accomplis dans les niveaux B, C ou D, au sens du titre II, chapitre II, de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 octobre 2013 prĂ©citĂ©;
b) du niveau B Ă  partir de l'Ăąge de 23 ans pour :
(1) la totalitĂ© des services qu'il a accomplis dans le niveau A ou B au sens du titre II, chapitre II, de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 octobre 2013 prĂ©citĂ©;
(2) les deux tiers des services qu'il a accomplis dans les niveaux C ou D, au sens titre II, chapitre II, de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 octobre 2013 prĂ©citĂ©.]1

Pour l'application de l'alinéa 1, les périodes comptées en vertu des articles 8 et 9 au titre de prestations de service effectuées en qualité de militaire ou y assimilées, ne sont pas prises en considération.
Art. 10bis. [1 De diensten bedoeld in titel II, hoofdstuk II, van het voornoemde koninklijk besluit van 25 oktober 2013, worden aangenomen voor de toekenning van de tussentijdse weddenverhogingen wanneer ze worden erkend, op basis van de regelgeving van toepassing op het ogenblik van de aanwerving, door de minister van Landsverdediging na advies van de directeur-generaal human resources of van de overheid die hij aanwijst, als beroepservaring die bijzonder nuttig is voor de uitoefening van de functie.
De beroepservaring die bijzonder nuttig is voor de functie is deze die opgedaan werd voor de datum van aanwerving en die aan de betrokkene een klaarblijkelijk voordeel verschaft wat betreft de competenties voor de uitoefening van de functie.
De militair die de erkenning vraagt van een beroepservaring die bijzonder nuttig is voor de functie levert hiervan de bewijsstukken, waaronder een attest van de werkgever waarbij de beroepservaring werd verworven.
De militair kan een verweerschrift indienen bij de minister van Landsverdediging binnen een periode van 10 werkdagen na de notificatie van de beslissing betreffende de erkenning bedoeld in het eerste lid. De eindbeslissing wordt aan de militair betekend.]1

Art. 10bis. [1 Les services visĂ©s au titre II, chapitre II, de l'arrĂȘtĂ© royal du 25 octobre 2013 prĂ©citĂ©, sont admis pour l'octroi des augmentations intercalaires lorsqu'ils sont reconnus, sur la base de la rĂ©glementation en vigueur au moment du recrutement, par le ministre de la DĂ©fense aprĂšs avis du directeur gĂ©nĂ©ral human resources ou de l'autoritĂ© qu'il dĂ©signe, comme expĂ©rience professionnelle particuliĂšrement utile pour l'exercice de la fonction.
L'expérience professionnelle particuliÚrement utile pour la fonction est celle qui a été acquise avant la date de recrutement et qui assure à celui qui en dispose un avantage manifeste en termes de compétences pour exercer la fonction.
Le militaire qui sollicite la reconnaissance d'une expérience professionnelle particuliÚrement utile pour la fonction en fournit les éléments de preuve, notamment une attestation fournie par l'employeur chez lequel l'expérience professionnelle a été acquise.
Le militaire peut introduire un mémoire auprÚs du ministre de la Défense dans les dix jours ouvrables qui suivent la notification de la décision relative à la reconnaissance visée à l'alinéa 1er. La décision finale est notifiée au militaire.]1

Art. 10ter. [1 De diensten zijn volledig wanneer zij in het geheel een normale beroepsactiviteit omvatten.
De onvolledige diensten worden pro rata aangenomen, naar verhouding tot volledige diensten.]1

Art. 10ter. [1 Les services sont complets lorsqu'ils absorbent totalement une activité professionnelle normale.
Les services incomplets sont valorisés au prorata par rapport aux services complets.]1

Art. 11. § 1. [3 De tussentijdse jaarlijkse weddenverhogingen worden toegekend na het verstrijken van elke periode van één jaar in aanmerking komende dienst.]3
§ 2. De in aanmerking komende diensten worden slechts per kalendermaand berekend; die welke geen volle maand bedragen, [1 in voorkomend geval bij verschillende werkgevers,]1 worden niet meegeteld.
Wanneer de dienst, die in aanmerking wordt genomen voor de toekenning van de tussentijdse weddenverhogingen, slechts voor twee derde in aanmerking wordt genomen, wordt elk overblijvend maandgedeelte voor één maand geteld.
Art. 11. § 1. [3 Les augmentations intercalaires annuelles sont allouées respectivement à l'expiration de la période d'une année de services admissibles.]3
§ 2. Les services admissibles ne se comptent que par mois du calendrier; ceux qui ne couvrent pas tout le mois [1 le cas échéant auprÚs de plusieurs employeurs,]1 sont négligés.
Lorsque les services qui entrent en compte pour l'octroi des augmentations intercalaires ne sont pris en compte que pour les deux tiers, toute fraction de mois résultant de la division est comptée pour un mois.
HOOFDSTUK III. - De beschermingsmaatregelen.
CHAPITRE III. - Des clauses de sauvegarde.
Art. 12. [1 In afwijking van artikelen 6 en 6bis:
1° de som van de wedde en van de loopbaantoelage toegekend aan een militair of een kandidaat-militair, ten gevolge van zijn opname of zijn aanvaarding in een hogere personeelscategorie of in een hoger niveau, in de hoedanigheid van kandidaat-onderofficier of van kandidaat-officier mag op geen enkel ogenblik lager zijn dan dewelke hij genoot op de dag vóór zijn opname of zijn aanvaarding in de hoedanigheid van kandidaat-militair. In voorkomend geval behoudt hij de wedde en de loopbaantoelage die hij genoot op de dag vóór zijn opname of zijn aanvaarding;
2° de som van de wedde en van de loopbaantoelage toegekend aan een militair benoemd in een hogere personeelscategorie of in een hoger niveau, mag op geen enkel ogenblik lager zijn dan dewelke hij genoot op de dag vóór zijn opname of zijn aanvaarding in de hoedanigheid van kandidaat-militair om in die hogere personeelscategorie of in dat hoger niveau te worden opgenomen, verhoogd met 1.000 EUR. In voorkomend geval behoudt hij de wedde en de loopbaantoelage die hij genoot de dag vóór zijn opname of zijn aanvaarding verhoogd met een toelage waarvan de waarde gelijk is aan het verschil tussen enerzijds de som van de wedde en van de loopbaantoelage die hij genoot op de dag vóór zijn opname of zijn aanvaarding, verhoogd met 1.000 EUR en anderzijds de som van de wedde en van de loopbaantoelage van de graad waarin hij net is benoemd;
3° de som van de wedde en van de loopbaantoelage toegekend aan een kandidaat-militair, ten gevolge van de heroriëntering in dezelfde personeelscategorie, bedoeld in artikel 105 van de voornoemde wet van 28 februari 2007, mag op geen enkel ogenblik lager zijn dan dewelke hij genoot op de dag vóór zijn heroriëntering. In voorkomend geval behoudt hij de wedde en de loopbaantoelage die hij genoot op de dag vóór zijn heroriëntering.]1

Art. 12. [1 En dérogation aux articles 6 et 6bis:
1° la somme du traitement et de l'allocation de carriĂšre allouĂ©e Ă  un militaire ou un candidat militaire suite Ă  son admission ou son agrĂ©ment dans une catĂ©gorie de personnel supĂ©rieure ou dans un niveau supĂ©rieur, dans la qualitĂ© de candidat sous-officier ou de candidat officier ne peut Ă  aucun moment ĂȘtre infĂ©rieure Ă  celle dont il bĂ©nĂ©ficiait la veille de son admission ou de son agrĂ©ment dans la qualitĂ© de candidat militaire. Le cas Ă©chĂ©ant, il conserve le traitement et l'allocation de carriĂšre qu'il percevait le jour prĂ©cĂ©dant son admission ou son agrĂ©ment;
2° la somme du traitement et de l'allocation de carriĂšre allouĂ©e Ă  un militaire nommĂ© dans une catĂ©gorie de personnel supĂ©rieure ou dans un niveau supĂ©rieur, ne peut Ă  aucun moment ĂȘtre infĂ©rieure Ă  celle dont il bĂ©nĂ©ficiait la veille de son admission ou de son agrĂ©ment dans la qualitĂ© de candidat militaire afin d'ĂȘtre repris dans cette catĂ©gorie de personnel supĂ©rieure ou dans ce niveau supĂ©rieur, augmentĂ© de 1.000 EUR. Le cas Ă©chĂ©ant, il conserve le traitement et l'allocation de carriĂšre qu'il percevait le jour prĂ©cĂ©dant son admission ou son agrĂ©ment majorĂ© d'une allocation dont la valeur est Ă©gale Ă  la diffĂ©rence entre, d'une part, la somme du traitement et de l'allocation de carriĂšre qu'il percevait la veille de son admission ou de son agrĂ©ment, majorĂ©e de 1.000 EUR, et, d'autre part, la somme du traitement et de l'allocation de carriĂšre du grade auquel il vient d'ĂȘtre nommĂ©;
3° la somme du traitement et de l'allocation de carriĂšre allouĂ©e Ă  un candidat militaire, Ă  la suite de la rĂ©orientation dans la mĂȘme catĂ©gorie de personnel, visĂ©e Ă  l'article 105 de la loi du 28 fĂ©vrier 2007 prĂ©citĂ©e, ne peut Ă  aucun moment ĂȘtre infĂ©rieure Ă  celle dont il bĂ©nĂ©ficiait la veille de sa rĂ©orientation. Le cas Ă©chĂ©ant, il conserve le traitement et l'allocation de carriĂšre qu'il percevait le jour prĂ©cĂ©dant sa rĂ©orientation.]1

Art. 13. Iedere wijziging van de weddenschalen [1 of de loopbaantoelage]1 heeft uitwerking op de eerste dag van de volgende maand.
Indien de aldus vastgestelde wedde lager is dan die welke de militair genoot bij het in werking treden van het wijzigingsbesluit, behoudt hij de hoogste wedde totdat hij een gelijke of een hogere wedde ontvangt.
Art. 13. Toute modification des échelles de traitement [1 ou l'allocation de carriÚre]1 produit ses effets le premier jour du mois suivant.
Si le traitement ainsi fixĂ© est infĂ©rieur Ă  celui dont le militaire bĂ©nĂ©ficiait Ă  l'entrĂ©e en vigueur de l'arrĂȘtĂ© modificatif, il conserve le traitement le plus Ă©levĂ© jusqu'Ă  ce qu'il obtienne un traitement Ă©gal ou supĂ©rieur.
HOOFDSTUK IV. - De weddeverhogingen en de weddevermindering.
CHAPITRE IV. - Des bonifications et des réductions de traitement.
Art. 14.
Art. 14.
Art. 15. De verminderingen, die met volgende coëfficiënten overeenkomen, zijn van toepassing op de wedde van de militair [1 "in periode van schoolvorming"]1, bedoeld in artikel 4 van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen :
1° onder 18 jaar : 0,4;
2° vanaf 18 jaar : 0,2.
[2 ...]2
Art. 15. Les réductions correspondant aux coefficients suivants sont d'application au traitement du militaire [1 "en période de formation scolaire"]1 visé à l'article 4 de la loi du 20 mai 1994 relative aux droits pécuniaires des militaires :
1° en-dessous de 18 ans : 0,4;
2° à partir de 18 ans : 0,2.
[2 ...]2
HOOFDSTUK V. - De gewaarborgde minimumwedde.
CHAPITRE V. - Du traitement minimum garanti.
Art. 16. In afwijking van artikel 6, mag de basisjaarwedde [3 ...]3 niet lager liggen dan de bedragen in euro vermeld in bijlage B bij dit besluit voor :
1° de officier [1 behorend tot de vakrichting "medische technieken"]1, die, op het ogenblik van zijn dienstneming of wederdienstneming als kandidaat-officier [1 van deze vakrichting]1, naargelang het geval, houder is van het diploma van doctor in de genees-, heel- en verloskunde, van doctor in de veeartsenijkunde, van apotheker of van licentiaat in de tandheelkunde of van arts, dierenarts of tandarts, desgevallend met een bijkomende specialiteit;
2° [3 de militair van het reservekader met onbepaald verlof die wederoproepingen, bijkomende prestaties in het kader van de vervolmaking of als bevorderingsprestaties of vrijwillige encadreringsprestaties verricht;]3
3° de als hulppersoneel aangestelde officier.
De bedragen, bedoeld in het eerste lid, worden toegekend totdat de belanghebbende, bij toepassing van de bepalingen van dit besluit, normaal een gelijke of een hogere wedde ontvangt.
Art. 16. En dĂ©rogation Ă  l'article 6, le traitement de base annuel [3 ...]3 ne peut ĂȘtre infĂ©rieur aux montants en euro figurant Ă  l'annexe B au prĂ©sent arrĂȘtĂ© pour :
1° l'officier [1 appartenant à la filiÚre de métiers "techniques médicales"]1, qui, au moment de son engagement ou rengagement comme candidat officier de ce corps, est selon le cas, titulaire du diplÎme de docteur en médecine, chirurgie et accouchement, de docteur en médecine vétérinaire, de pharmacien ou de licencié en sciences dentaires, ou médecin, vétérinaire ou dentiste, le cas échéant avec une spécialité complémentaire;
2° [3 le militaire du cadre de réserve en congé illimité effectuant des rappels, des prestations complémentaires dans le cadre du perfectionnement ou comme prestations d'avancement ou des prestations volontaires d'encadrement;]3
3° l'officier commissionné au titre auxiliaire.
Les montants visĂ©s Ă  l'alinĂ©a 1 sont accordĂ©s jusqu'au moment oĂč l'intĂ©ressĂ© obtient normalement un traitement Ă©gal ou supĂ©rieur en application des dispositions du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
HOOFDSTUK VI. - De betaling van de wedde.
CHAPITRE VI. - Du paiement du traitement.
Art. 17. § 1. De wedde van de militair wordt maandelijks en na vervallen termijn betaald, ten bedrage van één twaalfde van de jaarwedde, onder voorbehoud van de weddenvoorschotten.
De in het eerste lid bedoelde weddenvoorschotten worden evenwel slechts op aanvraag van belanghebbende toegekend aan :
1° de militair met onbepaald verlof die wederoproepingen of [1 bijkomende prestaties in het kader van de vervolmaking of als bevorderingsprestaties]1 verricht;
2° de kandidaat-militair, bij de aanvang van zijn dienstneming.
§ 2. Iedere wijziging op een andere datum dan de eerste dag van een maand, in de toestand van een militair, waarbij een andere weddenschaal moet toegepast worden, heeft slechts uitwerking op de eerste dag van de volgende maand.
§ 3. Als de wedde van de militair afhankelijk is van zijn leeftijd, wordt de leeftijd van de militair op de eerste dag van de maand in aanmerking genomen.
Art. 17. § 1. Le traitement du militaire est payé mensuellement et à terme échu, à raison d'un douziÚme du traitement annuel, sous réserve des avances sur traitement.
Toutefois, les avances sur traitement visées à l'alinéa 1 ne sont octroyées que sur demande de l'intéressé :
1° au militaire en congé illimité effectuant des rappels ou des prestations [1 complémentaires dans le cadre du perfectionnement ou comme prestations d'avancement]1;
2° au candidat militaire au début de son engagement.
§ 2. Toute modification dans la situation d'un militaire, à une date autre que le premier jour d'un mois, qui entraßne l'attribution d'une autre échelle de traitement, ne produit ses effets que le premier jour du mois suivant.
§ 3. Lorsque le traitement du militaire dépend de son ùge, est pris en considération l'ùge du militaire au premier jour du mois.
Art. 18. [1 De overheid bedoeld in het artikel 13ter, § 1, tweede lid, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen, is de Minister van Landsverdediging.]1
Art. 18. [1 L'autorité visée à l'article 13ter, § 1er, alinéa 2, de la loi du 20 mai 1994 relative aux droits pécuniaires des militaires, est le Ministre de la Défense.]1
Art. 19. [1 Wanneer de maandwedde niet volledig verschuldigd is, wordt zij, voor de militair van het actief kader en de militair van het reservekader die vrijwillige encadreringsprestaties levert, in dertigsten verdeeld.]1.
Bedraagt het werkelijk aantal te betalen dagen vijftien of minder, dan is het aantal verschuldigde dertigsten gelijk aan het werkelijk aantal te betalen dagen.
Bedraagt het werkelijk aantal te betalen dagen meer dan vijftien, dan is het aantal verschuldigde dertigsten gelijk aan het verschil tussen dertig en het werkelijk aantal niet te betalen dagen.
Art. 19. [1 Pour le militaire du cadre actif et le militaire du cadre de réserve effectuant des prestations volontaires d'encadrement, lorsque le traitement du mois n'est pas dû entiÚrement, il est fractionné en trentiÚmes]1.
Si le nombre réel des journées payables est égal ou inférieur à quinze, le nombre des trentiÚmes dus est égal au nombre réel des journées payables.
Si le nombre réel des journées payables est supérieur à quinze, le nombre des trentiÚmes dus est égal à la différence entre trente et le nombre réel des journées non payables.
Art. 19bis. [1 Voor de militair van het reservekader die wederoproepingen of bijkomende prestaties in het kader van de vervolmaking of als bevorderingsprestaties uitvoert, wordt wanneer de maandwedde niet volledig verschuldigd is, zij in twintigsten verdeeld.
Het aantal verschuldigde twintigsten is gelijk aan het aantal werkelijk gewerkte dagen, met een maximum van twintig per kalendermaand.]1

Art. 19bis. [1 Pour le militaire du cadre de réserve effectuant des rappels ou des prestations complémentaires dans le cadre du perfectionnement ou comme prestations d'avancement, lorsque le traitement du mois n'est pas dû entiÚrement, il est fractionné en vingtiÚmes.
Le nombre de vingtiÚmes dus est égal au nombre de journées effectivement prestées, avec un maximum de vingt par mois calendrier. ]1

Art. 20. Wanneer een militair overlijdt, worden de krachtens artikel 17, § 1, toegestane voorschotten niet teruggevorderd.
Art. 20. Lorsqu'un militaire décÚde, les avances consenties en vertu de l'article 17, § 1, ne sont pas sujettes à répétition.
TITEL III. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE TOELAGEN EN VERGOEDINGEN TOEGEKEND AAN DE MILITAIR IN DE DEELSTANDEN IN " INTENSIEVE DIENST ", [1 "IN MILITAIRE BIJSTAND"]1 " IN HULPVERLENING " EN " IN OPERATIONELE INZET ".
TITRE III. - DISPOSITIONS RELATIVES AUX ALLOCATIONS ET AUX INDEMNITES ACCORDEES AU MILITAIRE DANS LES SOUS-POSITIONS " EN SERVICE INTENSIF ", [1 EN APPUI MILITAIRE]1 " EN ASSISTANCE " ET " EN ENGAGEMENT OPERATIONNEL ".
HOOFDSTUK I. - De toelage toegekend aan de militair in de deelstand " in intensieve dienst ".
CHAPITRE I. - De l'allocation accordée au militaire dans la sous-position " en service intensif ".
Art. 21. De militair in de deelstand " in intensieve dienst " ontvangt een toelage waarvan het dagbedrag vastgesteld wordt op 5/1850 van de brutojaarwedde.
Art. 21. Le militaire dans la sous-position " en service intensif " perçoit une allocation dont le montant journalier est fixé à 5/1850 du traitement annuel brut.
HOOFDSTUK II. - De toelagen en vergoedingen toegekend aan de militair in de deelstand " [1 "in militaire bijstand",]1 in hulpverlening " en " in operationele inzet ".
CHAPITRE II. - Des allocations et des indemnités accordées au militaire dans les sous-positions [1 "en appui militaire",]1 " en assistance " et " en engagement opérationnel ".
Art. 22. De militair in de deelstanden [1 "in militaire bijstand",]1 " in hulpverlening " en " in operationele inzet " ontvangt een toelage waarvan het dagbedrag vastgesteld wordt op 5/1850 van de brutojaarwedde.
Art. 22. Le militaire dans les sous-positions [1 "en appui militaire",]1 " en assistance " et " en engagement opérationnel " perçoit une allocation dont le montant journalier est fixé à 5/1850 du traitement annuel brut.
Art. 23. De militair in de deelstanden [1 "in militaire bijstand"]1 " in hulpverlening " en " in operationele inzet " ontvangt bovendien een forfaitaire dagvergoeding van 9,92 EUR. Dit bedrag wordt vermenigvuldigd met de volgende coëfficiënten [2 wanneer de militair wordt ingezet binnen de inzetzone]2:
1° in de deelstand " in hulpverlening " :
a) [2 "in geval van nationale hulpverlening]2 : 2;
b) [2 in geval van internationale hulpverlening]2 : 2;
2° in de deelstand " in operationele inzet " :
a) in geval van handhaving van de orde : 2;
b) in geval van waarnemingsinzet : 2;
c) in geval van beschermingsinzet : 3;
d) in geval van passieve gewapende inzet : 4;
e) in geval van actieve gewapende inzet : 5.
[1 3° in de deelstand "in militaire bijstand" [2 in geval van actieve militaire bijstand]2 : 2.]1
[2 De forfaitaire dagvergoeding van 9,92 EUR wordt vermenigvuldigd met de coëfficiënt 2 wanneer de militair in de deelstanden bedoeld in het eerste lid, wordt ingezet buiten de inzetzone om :
a) deel te nemen aan militaire bijstand, hulpverlening of operationele inzet;
b) een transit uit te voeren.]2

De toekenning van de vergoeding bedoeld in het eerste [2 en tweede]2 lid heft het recht op de vergoeding voor kleine uitgaven op, gevestigd in artikel 4, § 1, van het ministerieel besluit van 3 februari 1975 genomen ter uitvoering van het koninklijk besluit van 15 januari 1962 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militairen die dienstreizen volbrengen in het buitenland.
Art. 23. Le militaire dans les sous-positions [1 en "appui militaire"]1 " en assistance " et " en engagement opérationnel " perçoit en outre une indemnité journaliÚre forfaitaire de 9,92 EUR. Ce montant est multiplié par les coefficients suivants [2 lorsque le militaire est engagé dans la zone d'engagement]2 :
1° dans la sous-position " en assistance " :
a) [2 en cas d'assistance nationale]2 : 2;
b) [2 en cas d'assistance internationale]2 : 2;
2° dans la sous-position " en engagement opérationnel " :
a) en cas de maintien de l'ordre : 2;
b) en cas d'engagement d'observation : 2;
c) en cas d'engagement de protection : 3;
d) en cas d'engagement armé passif : 4;
e) en cas d'engagement armé actif : 5.
[1 3° dans la sous-position "en appui militaire" [2 en cas d'appui militaire actif]2 : 2.]1
[2 L'indemnité journaliÚre forfaitaire de 9,92 EUR est multipliée par le coefficient 2 lorsque le militaire dans les sous-positions visées à l'alinéa 1er est engagé en dehors de la zone d'engagement, pour :
a) participer à l'appui militaire, l'assistance ou l'engagement opérationnel;
b) effectuer un transit.]2

L'octroi de l'indemnitĂ© visĂ©e [2 aux alinĂ©as 1er et 2]2 suspend le droit Ă  l'indemnitĂ© pour menues dĂ©penses Ă©tabli par l'article 4, § 1, de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 3 fĂ©vrier 1975 pris en exĂ©cution de l'arrĂȘtĂ© royal du 15 janvier 1962 fixant le rĂ©gime d'indemnisation applicable aux militaires accomplissant des dĂ©placements de service Ă  l'extĂ©rieur du Royaume.
HOOFDSTUK III. - Gemeenschappelijke bepalingen.
CHAPITRE III. - Dispositions communes.
Art. 24. De brutojaarwedde die in aanmerking moet worden genomen is die welke heeft gediend voor het berekenen van de bezoldiging voor de maand tijdens welke de dienstprestatie is verricht.
Voor de militair [1 "in periode van schoolvorming"]1 betreft dit de brutojaarwedde vóór toepassing van de in artikel 15 bedoelde vermindering.
Art. 24. Le traitement brut à prendre en considération est celui qui a servi au calcul de la rémunération du mois au cours duquel la prestation de service a été effectuée.
En ce qui concerne le militaire [1 "en période de formation scolaire"]1, il s'agit du traitement annuel brut avant application de la réduction visée à l'article 15.
Art. 25. De personen die niet behoren tot het leger en wier aanwezigheid bij de militairen noodzakelijk is tijdens het verrichten van dienstprestaties in [1 de deelstanden "in intensieve dienst", "in militaire bijstand", "in hulpverlening"]1 en " in operationele inzet ", kunnen onder dezelfde voorwaarden aanspraak maken op de toelagen en vergoedingen, bedoeld in deze titel.
Art. 25. Les personnes Ă©trangĂšres Ă  l'armĂ©e dont la prĂ©sence est requise auprĂšs des militaires accomplissant des prestations de service dans [1 "les sous-positions "en service intensif", "en appui militaire", "en assistance"]1 et " en engagement opĂ©rationnel " peuvent prĂ©tendre, aux mĂȘmes conditions, au bĂ©nĂ©fice des allocations et indemnitĂ©s visĂ©es au prĂ©sent titre.
TITEL IV. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE AANVULLENDE TOELAGEN EN VERGOEDINGEN.
TITRE IV. - DISPOSITIONS RELATIVES AUX ALLOCATIONS ET AUX INDEMNITES COMPLEMENTAIRES.
HOOFDSTUK I. - De forfaitaire toelage voor nachtwakers.
CHAPITRE I. - De l'allocation forfaitaire pour veilleurs de nuit.
Art. 26. Een forfaitaire toelage van 3/1850 van de brutojaarwedde wordt toegekend aan de nachtwaker per schijf van vierentwintig uitgevoerde uren als wachtprestatie van minstens tien ononderbroken uren per dienstprestatie.
Art. 26. Une allocation forfaitaire de 3/1850 du traitement annuel brut est accordée au veilleur de nuit par tranche de vingt-quatre heures accomplies comme prestation de veille d'au moins dix heures ininterrompues par prestation de service.
HOOFDSTUK II. - De Toelagen voor permanentie en voor terugroepbaar personeel.
CHAPITRE II. - Des Allocations pour permanence et pour le personnel rappelable.
Art. 27. Een forfaitaire toelage wordt toegekend aan de militair die een permanentie uitvoert. Het bedrag van deze toelage wordt vastgesteld op 5/1850 van de brutojaarwedde per vierentwintig uur.
Deze toelage wordt niet toegekend aan de militair die de dienstprestatie, bedoeld in het eerste lid, verricht binnen zijn gewone dienstregeling.
Art. 27. Une allocation forfaitaire est accordée au militaire qui accomplit une permanence. Le montant de cette allocation est fixé à 5/1850 du traitement annuel brut par période de vingt-quatre heures.
Cette allocation n'est pas accordée au militaire qui effectue la prestation de service, visée à l'alinéa 1, dans le cadre de son régime habituel de travail.
Art. 28. Een toelage van 1/1850 van de brutojaarwedde wordt toegekend aan de militair per vierentwintig uur wanneer hij terugroepbaar moet zijn.
Het begrip terugroepbaar impliceert dat de militair, als hij daartoe door de bevoegde overheid wordt opgeroepen, ten laatste binnen de twee uur de dienst moet hervatten.
Indien de termijn, bedoeld in het tweede lid, evenwel op vier uur wordt gebracht, wordt de toelage vastgesteld op 0,5/1850 van de brutojaarwedde.
De Minister van [1 Defensie]1 of de militaire overheid die hij hiertoe aanwijst :
1° mag deze toelage tevens, wegens behoorlijk gerechtvaardigde dienstredenen, toekennen aan het personeel dat voldoet aan de in dit artikel bedoelde voorwaarden, doch niet de dienst hervat in het kader van een beurtrol;
2° bepaalt de mogelijke graden van terugroepbaarheid, de voorwaarden die dienen vervuld te zijn om als terugroepbaar personeel aanzien te mogen worden, alsook de nadere regels inzake de organisatie van deze dienstregeling.
Art. 28. Une allocation de 1/1850 du traitement annuel brut est accordĂ©e au militaire par pĂ©riode de vingt-quatre heures pendant laquelle il doit ĂȘtre rappelable.
La notion rappelable implique que le militaire, qui est rappelé par l'autorité en ayant la compétence, doit reprendre le service au plus tard endéans les deux heures.
Toutefois, lorsque le délai visé à l'alinéa 2 est porté à quatre heures, l'allocation est fixée à 0,5/1850 du traitement annuel brut.
Le Ministre de la Défense ou l'autorité militaire qu'il désigne à cet effet :
1° peut, pour des raisons de service dûment justifiées, également octroyer cette allocation au personnel qui répond aux conditions visées au présent article, mais qui ne reprend toutefois pas le service dans le cadre d'un tour de rÎle;
2° fixe les niveaux possibles selon lesquels le personnel est rappelable, les conditions Ă  remplir pour pouvoir ĂȘtre considĂ©rĂ© comme personnel rappelable ainsi que les modalitĂ©s concernant l'organisation de ce rĂ©gime de service.
HOOFDSTUK III. - De Toelage voor dienstprestaties volbracht op zaterdag, op zondag, of op een feestdag.
CHAPITRE III. - De l'Allocation pour des prestations de service accomplies le samedi, le dimanche, ou un jour férié.
Art. 29. Aan de militair die dienstprestaties volbrengt op zaterdag, op zondag, of op een feestdag, wordt een forfaitaire dagtoelage van 50 EUR toegekend, ongeacht het aantal volbrachte dienstprestaties per dag of de duur ervan.
Art. 29. Une allocation journaliÚre forfaitaire de 50 EUR est accordée au militaire qui effectue des prestations de service le samedi, le dimanche, ou un jour férié, indépendamment du nombre de prestations de service par jour ou de la durée de celles-ci.
HOOFDSTUK IV. - De toelage voor geselecteerde.
CHAPITRE IV. - De l'Allocation de sélectionné.
Art. 30. § 1. Een toelage voor geselecteerde wordt toegekend aan de kapitein-commandant en de adjudant [1 van niveau C]1 [2 ...]2 onder de voorwaarden bepaald in dit artikel.
[1 De kapitein-commandant geniet een toelage van 1.875 EUR per jaar, indien hij voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° minstens vier jaar anciënniteit in werkelijke dienst in de graad van kapitein-commandant bezitten;
2° [3 reeds minimum twee jaar de vorming voor kandidaat hoofdofficier met succes gevolgd hebben.]3
De adjudant van niveau C geniet een toelage van 1.250 EUR per jaar, indien hij voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° minstens acht jaar anciënniteit in werkelijke dienst in de graad van adjudant bezitten;
2° reeds minimum twee jaar geslaagd zijn voor het kwalificatie-examen voor de graad van adjudant-chef.]1

§ 2. De toelage, bedoeld in dit artikel, mag niet gecumuleerd worden met de toelage, bedoeld in artikel 7.
§ 3. (De toelage is verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand die [1 volgt op de datum waarop betrokkene aan de in § 1 bepaalde voorwaarden voldoet]1. Indien deze datum valt op de eerste dag van de maand, is de toelage evenwel verschuldigd vanaf deze dag.) <KB 2006-02-16/37, art. 3, 3°, 004; Inwerkingtreding : 13-03-2006>
[1 In afwijking van het eerste lid, wanneer de voorwaarde bedoeld in het tweede lid, 2°, of in het derde lid, 2°, van § 1, diegene is die het recht opent, is de toelage vermeld in § 1 enkel verschuldigd vanaf de eerste dag van het trimester dat volgt op de datum waarop de betrokkene voldoet aan de in § 1 bepaalde voorwaarden.]1
De toelage is niet meer verschuldigd vanaf de dag waarop de militair de wedde van adjudant-chef of van majoor geniet.
[1 De militair die van de bevordering afziet voor dat de voorwaarden bedoeld in het tweede en derde lid van § 1 vervuld zijn, verliest het recht op de toelage. Indien hij evenwel op zijn beslissing terugkomt overeenkomstig artikel 37 van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de krijgsmacht, wordt de toelage hem toegekend, voor zover de voornoemde voorwaarden vervuld zijn.]1
§ 4. De toelage wordt maandelijks betaald, samen met de wedde van de maand waarop ze betrekking heeft, ten bedrage van één twaalfde van het jaarbedrag en [2 , naar gelang het geval, overeenkomstig de bepalingen bedoeld in artikelen 19 en 19bis]2.
Art. 30. § 1. Une allocation de sélectionné est accordée au capitaine-commandant et à l'adjudant [1 du niveau C]1 [2 ...]2 dans les conditions prévues au présent article.
[1 Le capitaine-commandant bénéficie d'une allocation fixée à 1.875 EUR par an, s'il répond aux conditions suivantes :
1° posséder au moins quatre ans d'ancienneté de service actif dans le grade de capitaine-commandant;
2° [3 avoir suivi avec succÚs depuis au moins deux ans la formation pour candidat officier supérieur.]3
L'adjudant du niveau C bénéficie d'une allocation fixée à 1.250 EUR par an, s'il répond aux conditions suivantes :
1° posséder au moins huit ans d'ancienneté de service actif dans le grade d'adjudant;
2° avoir réussi depuis au moins deux ans les examens de qualification pour l'accession au grade de d'adjudant-chef.]1

§ 2. L'allocation visĂ©e au prĂ©sent article ne peut pas ĂȘtre cumulĂ©e avec l'allocation visĂ©e Ă  l'article 7.
§ 3. (L'allocation est due à partir du premier jour du mois qui suit la date [1 à laquelle l'intéressé satisfait aux conditions fixées au § 1er]1. Toutefois, si cette date coïncide avec le premier jour d'un mois, l'allocation est due à partir de ce jour.) <AR 2006-02-16/37, art. 3, 3°, 004; En vigueur : 13-03-2006>
[1 En dérogation à l'alinéa 1er, si la condition visée au § 1er alinéa 2, 2°, ou alinéa 3, 2°, est celle qui ouvre le droit, l'allocation visée au § 1er n'est due qu'à partir du premier jour du trimestre qui suit la date à laquelle l'intéressé satisfait aux conditions fixées au § 1er.]1
L'allocation cesse d'ĂȘtre due Ă  partir du jour oĂč le militaire bĂ©nĂ©ficie du traitement d'adjudant-chef ou de major.
[1 Le militaire qui renonce à l'avancement avant d'avoir satisfait aux conditions visées au § 1er, alinéas 2 et 3, perd le droit à l'allocation. Toutefois, s'il revient sur sa décision conformément à l'article 37 de la loi du 28 février 2007 fixant le statut des militaires et candidats militaires du cadre actif des forces armées, l'allocation lui est accordée, pour autant que les conditions précitées soient remplies.]1
§ 4. L'allocation est payĂ©e mensuellement, Ă  concurrence d'un douziĂšme du montant annuel, en mĂȘme temps que le traitement du mois auquel elle se rapporte et [2 , selon le cas, conformĂ©ment aux dispositions visĂ©es aux articles 19 et 19bis]2.
HOOFDSTUK V. - De toelagen en de vergoedingen voor officieren.
CHAPITRE V. - Des allocations et des indemnités pour officiers.
Art. 31. § 1. Aan de officier, bekleed met een graad van opperofficier en aan de hoofdofficier, die [2 ...]2 bezoldigd worden overeenkomstig de tabellen 1 tot 6, of 1bis tot 5bis, van de bijlage A bij dit besluit, wordt een jaarlijkse forfaitaire vergoeding voor hogere kaderleden toegekend, ten belope van 2 000 EUR, die, in het kader van de terugbetaling van kosten eigen aan Defensie, bestemd is tot het dekken van de werkelijke beroepslasten, ontstaan uit hoofde of naar aanleiding van de uitoefening van de functies, verbonden aan zijn graad.
Voor de toepassing van het eerste lid, beoogt deze vergoeding de compensatie van volgende, in België, gedragen kosten, voor zover ze niet rechtstreeks gedragen worden door Defensie :
1° [3 ...]3
2° de reiskosten, ontstaan uit hoofde of naar aanleiding van dienstverplaatsingen;
3° de kosten, die, uit hoofde of naar aanleiding van de overbrenging van de gewone plaats van het werk, verbonden zijn aan de verandering van de woon- of verblijfplaats, zonder evenwel rechtstreeks in verband te staan met het vervoer van meubilair, huisraad of reisgoed;
4° [3 ...]3
5° documentatiekosten;
6° kosten voor professionele gelegenheidsgeschenken, ontstaan uit hoofde of naar aanleiding van gebeurtenissen, die niet rechtstreeks in verband staan met de uitoefening van de functies, verbonden aan de graad.
De officier, die de in het eerste lid bedoelde vergoeding geniet, kan geen aanspraak maken op de vergoedingen, bedoeld in :
1° het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten, voor de verplaatsingen uitgevoerd in België;
2° de artikelen 4, 6, 9 tot 12, en 22, van het koninklijk besluit van 21 oktober 1975 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militair die in België verplicht wordt bepaalde werkelijke lasten te dragen;
3° het artikel 4, § 1, 1°, en § 2, van het koninklijk besluit van 7 december 1992 houdende toekenning van een verhuisvergoeding aan de militairen bij overbrenging van de gewone plaats van het werk, wanneer zowel de oude als de nieuwe gewone plaats van het werk in België gelegen zijn.
§ 2. Een staffunctietoelage wordt toegekend aan de kapitein-commandant en aan de kapitein, die [2 ...]2 bezoldigd worden overeenkomstig de tabellen 1 tot 5, [1 1bis tot 5bis, of 1ter]1, van de bijlage A bij dit besluit, en die minstens de beoordeling " voldoende " hebben behaald op de algehele beoordeling van de cursus staftechniek, (of die met succes de basis stafcursus of de basis stafvorming hebben gevolgd). <KB 2006-12-14/51, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
(Deze toelage wordt evenwel ook toegekend aan de kapitein-commandant en aan de kapitein die niet deelgenomen heeft aan de cursus bedoeld in het eerste lid, maar die, naargelang het geval :
1° hetzij, vóór 1 september 2003, geslaagd is in de fase " intermachten " van de cursus voor kandidaat-hoofdofficier;
2° hetzij, na 1 september 2003, geslaagd is in de gemeenschappelijke beroepsproef van de cursus voor kandidaat-hoofdofficier (of van de vorming voor kandidaat-hoofdofficier).) <KB 2006-02-16/37, art. 4, 1°, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2005> <KB 2006-12-14/51, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
Het jaarlijks bedrag van deze toelage wordt vastgesteld op 700 EUR.
Deze toelage mag gecumuleerd worden met de toelage, bedoeld in artikel 30.
Deze toelage mag evenwel niet gecumuleerd worden met de toelage, bedoeld in artikel 7.
Deze toelage is verschuldigd aan de kapitein-commandant en aan de kapitein vanaf de eerste dag van de maand die op de in het eerste lid bedoelde beoordeling volgt. Indien deze beoordeling op de eerste dag van de maand plaatsheeft, is zij evenwel verschuldigd vanaf deze dag.
Deze toelage is niet meer verschuldigd vanaf de dag waarop de officier de wedde van majoor geniet.
§ 3. [4 ...]4
§ 4. De officier, (aangesteld in een hogere graad om een ambt verbonden aan deze graad uit te oefenen,) geniet de toelagen en de vergoedingen, verbonden aan die hogere graad. <KB 2006-02-16/37, art. 4, 2°, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2005>
§ 5. De toelagen en de vergoedingen, bedoeld in dit hoofdstuk, worden maandelijks betaald, samen met de wedde van de maand waarop ze betrekking hebben, ten bedrage van één twaalfde van het jaarbedrag en [2 , naar gelang het geval, overeenkomstig de bepalingen bedoeld in artikelen 19 en 19bis]2.
Art. 31. § 1. A l'officier revĂȘtu d'un grade d'officier gĂ©nĂ©ral et Ă  l'officier supĂ©rieur, [2 ...]2 qui sont rĂ©munĂ©rĂ©s conformĂ©ment aux tableaux 1 Ă  6, ou 1bis Ă  5bis, de l'annexe A au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, il est accordĂ© une indemnitĂ© forfaitaire annuelle pour cadres supĂ©rieurs, d'un montant de 2 000 EUR, qui, dans le cadre du remboursement de dĂ©penses propres Ă  la DĂ©fense, est destinĂ©e Ă  couvrir les charges professionnelles rĂ©elles, survenues en raison ou Ă  l'occasion de l'exercice des fonctions liĂ©es Ă  son grade.
Pour l'application de l'alinéa 1, cette indemnité est destinée à compenser les frais suivants supportés en Belgique, pour autant qu'ils ne soient pas supportés directement par la Défense :
1° [3 ...]3
2° les frais de déplacement, survenus en raison ou à l'occasion de déplacements de service;
3° les frais de déménagement, qui, survenus en raison ou à l'occasion du transfert du lieu habituel de travail, sont liés au changement de domicile ou de résidence sans rapport direct toutefois avec le transport du mobilier, de l'équipement domestique ou des bagages;
4° [3 ...]3
5° les frais de documentation;
6° les frais de cadeaux d'usage professionnels, survenus en raison ou à l'occasion d'événements sans rapport direct avec l'exercice des fonctions liées au grade.
L'officier qui perçoit l'indemnité visée à l'alinéa 1, ne peut pas prétendre aux indemnités visées à :
1° l'arrĂȘtĂ© royal du 18 janvier 1965 portant rĂ©glementation gĂ©nĂ©rale en matiĂšre de frais de parcours, pour les dĂ©placements effectuĂ©s en Belgique;
2° les articles 4, 6, 9 Ă  12, et 22, de l'arrĂȘtĂ© royal du 21 octobre 1975 fixant le rĂ©gime d'indemnisation applicable au militaire qui, en Belgique, est astreint Ă  supporter certaines charges rĂ©elles;
3° l'article 4, § 1, 1°, et § 2, de l'arrĂȘtĂ© royal du 7 dĂ©cembre 1992 portant attribution d'une indemnitĂ© de dĂ©mĂ©nagement aux militaires lors du transfert du lieu habituel de travail, lorsque tant l'ancien que le nouveau lieu habituel de travail sont situĂ©s en Belgique.
§ 2. Une allocation de fonction d'Ă©tat-major est accordĂ©e au capitaine-commandant et au capitaine, [2 ...]2 qui sont rĂ©munĂ©rĂ©s conformĂ©ment aux tableaux 1 Ă  5, [1 1bis Ă  5bis, ou 1ter]1, de l'annexe A au prĂ©sent arrĂȘtĂ©, et qui ont obtenu au minimum la mention " suffisant " lors de l'apprĂ©ciation globale au cours de technique d'Ă©tat-major, (ou ont suivi avec succĂšs le cours de base d'Ă©tat-major ou la formation de base d'Ă©tat-major). <AR 2006-12-14/51, art. 6, 007; En vigueur : 16-08-2006>
(Toutefois, cette allocation est également accordée au capitaine-commandant et au capitaine qui n'a pas participé au cours visé à l'alinéa 1er, mais qui, selon le cas :
1° soit, avant le 1er septembre 2003, a réussi la phase " interforces " du cours pour candidat officier supérieur;
2° soit, aprÚs le 1er septembre 2003, a réussi l'épreuve professionnelle commune du cours pour candidat officier supérieur (ou de la formation pour candidat officier supérieur).) <AR 2006-02-16/37, art. 4, 1°, 004; En vigueur : 01-07-2005> <AR 2006-12-14/51, art. 6, 007; En vigueur : 16-08-2006>
Le montant annuel de cette allocation est fixé à 700 EUR.
Cette allocation peut ĂȘtre cumulĂ©e avec l'allocation visĂ©e Ă  l'article 30.
Toutefois, cette allocation ne peut pas ĂȘtre cumulĂ©e avec l'allocation visĂ©e Ă  l'article 7.
Cette allocation est due au capitaine-commandant et au capitaine à partir du premier jour du mois qui suit l'appréciation visée à l'alinéa 1. Toutefois, si cette appréciation a lieu le premier jour d'un mois, elle est due à partir de ce jour.
Cette allocation cesse d'ĂȘtre due Ă  partir du jour oĂč l'officier bĂ©nĂ©ficie du traitement de major.
§ 3. [4 ...]4
§ 4. L'officier commissionné (à un grade supérieur pour exercer un emploi lié à ce grade,) bénéficie des allocations et des indemnités, liées à ce grade. <AR 2006-02-16/37, art. 4, 2°, 004; En vigueur : 01-07-2005>
§ 5. Les allocations et les indemnitĂ©s visĂ©es au prĂ©sent chapitre sont payĂ©es mensuellement, Ă  concurrence d'un douziĂšme du montant annuel, en mĂȘme temps que le traitement du mois auquel elles se rapportent, et [2 , selon le cas, conformĂ©ment aux dispositions visĂ©es aux articles 19 et 19bis]2.
HOOFDSTUK VI. - De vormingstoelage voor de adjudanten en hoofdonderofficieren van het actief kader, behorend tot het niveau C.
CHAPITRE VI. - De L'allocation de formation pour les adjudants et sous-officiers supérieurs du cadre actif, appartenant au niveau C.
Art. 32. § 1. Aan de onderofficier van het actief kader die bezoldigd wordt overeenkomstig de tabellen 7 of 8 van de bijlage A bij dit besluit, en, die op 1 juli 2003 reeds benoemd is in de graad van adjudant, adjudant-chef of adjudant-majoor, wordt een jaarlijkse vormingstoelage toegekend onder de voorwaarden bepaald in dit artikel.
§ 2. Niemand kan aanspraak maken op de vormingstoelage, indien hij niet minstens de beoordeling " voldoende " heeft behaald ter gelegenheid van het nazicht van de verworven kennis omtrent de nieuwe opdrachten en structuren van de krijgsmacht na afsluiting van een vorming bestaande uit hetzij cursussen per briefwisseling, hetzij voordrachten of seminaries, hetzij uit een combinatie van beide.
De aard en de planning van het in het eerste lid bedoelde nazicht van de verworven kennis, de voorwaarden die dienen vervuld te zijn om eraan onderworpen te mogen worden, de voorwaarden die dienen vervuld te zijn om minstens de beoordeling " voldoende " te behalen alsook de nadere regels inzake de organisatie ervan, worden bepaald door de Minister van [1 Defensie]1.
§ 3. Het jaarlijks bedrag van de vormingstoelage is vastgesteld op :
1° zeshonderd euro voor de adjudant, die niet heeft deelgenomen of nog niet heeft kunnen deelnemen aan het vergelijkend kwalificatie-examen of aan het kwalificatie-examen voor de graad van adjudant-chef;
2° zevenhonderd euro voor :
a) de adjudant die minstens éénmaal heeft deelgenomen aan het vergelijkend kwalificatie-examen of aan het kwalificatie-examen voor de graad van adjudant-chef, ongeacht het resultaat van dit examen;
b) de adjudant-chef;
c) de adjudant-majoor.
§ 4. De vormingstoelage is voor de eerste maal verschuldigd op 1 juli 2004.
De vormingstoelage wordt trimestrieel na vervallen termijn, ten belope van één vierde van het jaarlijks bedrag, uitbetaald samen met de laatste wedde van het trimester dat volgt op het trimester voor welke de vormingstoelage verschuldigd is.
(De vormingstoelage is niet meer verschuldigd aan betrokken onderofficier vanaf de eerste dag van het trimester die volgt op de dag van zijn eerste bezoldiging overeenkomstig andere tabellen dan de tabellen 7 of 8 van de bijlage A bij dit besluit.) <KB 2005-12-21/49, art. 38, 003; Inwerkingtreding : 13-02-2006>
(NOTA : voor de vervanging van de woorden " van zijn benoeming in een graad " door de woorden " waarop hij bekleed wordt met een graad " in artikel 32, § 4, derde lid, aangebracht bij KB 2006-02-16/37, art. 5; Inwerkingtreding : 13-03-2006, heeft de wetgever geen rekening gehouden met de volledige vervanging van artikel 32, § 4, derde lid, aangebracht bij KB 2005-12-21/49, art. 38, 003; Inwerkingtreding : 13-02-2006; aldus heeft Justel het artikel niet kunnen wijzigen)
§ 5. De vormingstoelage mag gecumuleerd worden met de toelagen, bedoeld in de artikelen 30 en 33.
Zij mag evenwel niet gecumuleerd worden met de toelage, bedoeld in artikel 7.
Art. 32. § 1. Au sous-officier du cadre actif rĂ©munĂ©rĂ© conformĂ©ment aux tableaux 7 ou 8 de l'annexe A au prĂ©sent arrĂȘtĂ© et qui, au 1er juillet 2003, est dĂ©jĂ  nommĂ© au grade d'adjudant, d'adjudant-chef ou d'adjudant-major, il est octroyĂ© une allocation de formation annuelle, aux conditions fixĂ©es au prĂ©sent article.
§ 2. Nul ne peut prétendre à l'allocation de formation s'il n'a pas obtenu au minimum la mention " suffisant " lors du contrÎle des connaissances acquises concernant les nouvelles missions et structures des forces armées à la fin d'une formation composée soit de cours par correspondance, soit de conférences ou de séminaires, soit d'une combinaison des deux.
La nature et le calendrier du contrĂŽle des connaissances acquises visĂ© Ă  l'alinĂ©a 1, les conditions Ă  remplir pour pouvoir y ĂȘtre soumis, les conditions Ă  remplir pour obtenir au minimum la mention " suffisant " ainsi que les modalitĂ©s concernant son organisation, sont fixĂ©s par le Ministre de la DĂ©fense.
§ 3. Le montant annuel de l'allocation de formation est fixé à :
1° six cents euros pour l'adjudant qui n'a pas participé ou n'a pas encore pu participer au concours ou examen de qualification pour l'accession au grade d'adjudant-chef;
2° sept cents euros pour :
a) l'adjudant qui a participé au moins une fois au concours ou examen de qualification pour l'accession au grade d'adjudant-chef, quel que soit le résultat de ce concours ou de cet examen;
b) l'adjudant-chef;
c) l'adjudant-major.
§ 4. L'allocation de formation est due pour la premiÚre fois le 1er juillet 2004.
L'allocation de formation est payée trimestriellement à terme échu, à raison d'un quart du montant annuel, avec le dernier traitement du trimestre qui suit celui pour lequel l'allocation de formation est due.
(L'allocation de formation cesse d'ĂȘtre due au sous-officier concernĂ© Ă  partir du premier jour du trimestre qui suit le jour de sa premiĂšre rĂ©munĂ©ration conformĂ©ment Ă  des tableaux autres que les tableaux 7 ou 8 de l'annexe A au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.) <AR 2005-12-21/49, art. 38, 003; En vigueur : 13-02-2006>
(NOTE : pour le remplacement des mots " de sa nomination Ă  un grade " par les mots " oĂč il est revĂȘtu d'un grade " dans l'article 32, § 4, alinĂ©a 3, apportĂ© par AR 2006-02-16/37, art. 5; En vigueur : 13-03-2006, le lĂ©gislateur n'a pas pris en compte du remplacement complĂšte antĂ©rieure de l'article 32, § 4, alinĂ©a 3 , apportĂ© par AR 2005-12-21/49, art. 38, 003; En vigueur : 13-02-2006; alors Justel n'a pas pu modifier l'article)
§ 5. L'allocation de formation peut ĂȘtre cumulĂ©e avec les allocations visĂ©es aux articles 30 et 33.
Toutefois, elle ne peut cependant pas ĂȘtre cumulĂ©e avec l'allocation visĂ©e Ă  l'article 7.
HOOFDSTUK VII. [1 - De functietoelage voor het tijdelijk uitoefenen van het ambt van een andere personeelscategorie en/of van een ander niveau.]1
CHAPITRE VII. [1 - De l'allocation de fonction pour l'exercice temporaire de l'emploi d'une autre catégorie de personnel et/ou d'un autre niveau.]1
Art. 33. § 1. Aan de onderofficier [3 ...]3 [2 ...]2 die, wanneer dwingende redenen van omkadering zulks vereisen, tijdelijk aangewezen is om een in het organiek kader opgenomen ambt van een hogere functie van officier of van ambtenaar van niveau A uit te oefenen, wordt, onder de voorwaarden bepaald in dit artikel, een functietoelage toegekend, waarvan het jaarlijks bedrag is vastgesteld op 1 000 EUR.
§ 2. Onverminderd § 3, mag de betrokken onderofficier aanspraak maken op de functietoelage vanaf de dag waarop hij het in de organieke tabellen van het personeel voorkomende ambt van de hogere functie van officier of van ambtenaar van niveau A, waarvoor hij door de directeur-generaal human resources werd aangewezen, daadwerkelijk uitoefent wegens het tijdelijk gebrek aan een titularis met de graad van officier of de graad van niveau A.
§ 3. Het voordeel van de functietoelage wordt toegekend aan de betrokken onderofficier, die gedurende ten minste één werkdag aan de in dit artikel bedoelde toekenningsvoorwaarden beantwoordt.
§ 4. De Minister van [1 Defensie]1 bepaalt de procedure volgens welke de in § 2 bedoelde dienstaanwijzing geschiedt.
§ 5. De functietoelage wordt geschorst :
1° vanaf de eerste dag van de vierde maand na die waarop de onderofficier, die ze geniet, tijdelijk aangewezen wordt om opnieuw het ambt van onderofficier uit te oefenen en waarvan bij aanvang blijkt dat de duur van de tijdelijke aanwijzing niet gekend is;
2° vanaf het ogenblik dat de onderofficier, die ze geniet, tijdelijk aangewezen wordt om opnieuw het ambt van onderofficier uit te oefenen en waarvan bij aanvang blijkt dat de duur van de tijdelijke aanwijzing meer dan drie maanden zal bedragen.
Zij is opnieuw verschuldigd vanaf de eerste werkdag waarop de betrokken onderofficier zijn in het organiek kader opgenomen ambt van een hogere functie van officier of van ambtenaar van niveau A heeft heropgenomen.
§ 6. De functietoelage wordt ten belope van één twaalfde van het jaarlijks bedrag uitbetaald met de wedde [4 van de maand]4 waarin de betrokken onderofficier gedurende ten minste één werkdag aan de in dit artikel bedoelde toekenningsvoorwaarden beantwoordt.
[3 Evenwel wordt de functietoelage voor de onderofficier van het reservekader die wederoproepingen of bijkomende prestaties in het kader van de vervolmaking of als bevorderingsprestaties uitvoert, betaald ten belope van een twaalfde van het jaarbedrag, samen met de wedde van de maand waarin de betrokken onderofficier gedurende ten minste één werkdag aan de in dit artikel bedoelde toekenningsvoorwaarden beantwoordt.]3
Art. 33. § 1. Au sous-officier [2 ...]2 [1 ...]1 qui, lorsque des raisons (impératives) d'encadrement l'exigent, est désigné temporairement pour exercer l'emploi d'une fonction supérieure d'officier ou d'agent de niveau A, prévue organiquement, il est octroyé, aux conditions prévues au présent article, une allocation de fonction, dont le montant annuel est fixé à 1 000 EUR. <AR 2006-02-16/37, art. 6, 004; En vigueur : 13-03-2006>
§ 2. Sans prĂ©judice du § 3, le sous-officier concerne peut prĂ©tendre Ă  l'allocation de fonction Ă  partir du jour oĂč il exerce effectivement l'emploi de la fonction supĂ©rieure d'officier ou d'agent de niveau A, prĂ©vue aux tableaux organiques du personnel et Ă  laquelle il a Ă©tĂ© affectĂ© par le directeur gĂ©nĂ©ral human resources suite au manque temporaire d'un titulaire investi d'un grade d'officier ou d'un grade de niveau A.
§ 3. Le bénéfice de l'allocation de fonction est accordé au sous-officier concerné qui répond aux conditions d'octroi visées au présent article pendant au moins un jour ouvrable.
§ 4. Le Ministre de la Défense fixe la procédure selon laquelle l'affectation visée au § 2 a lieu.
§ 5. L'allocation de fonction est suspendue :
1° dÚs le premier jour du quatriÚme mois qui suit celui auquel le sous-officier qui en bénéficie est désigné temporairement pour exercer à nouveau l'emploi de sous-officier et dont il apparaßt d'emblée que la durée de la désignation temporaire est inconnue;
2° dĂšs le moment oĂč le sous-officier qui en bĂ©nĂ©ficie est dĂ©signĂ© temporairement pour exercer Ă  nouveau l'emploi de sous-officier et dont il apparaĂźt d'emblĂ©e que la durĂ©e de la dĂ©signation temporaire sera supĂ©rieure Ă  trois mois.
Elle est à nouveau due dÚs le premier jour ouvrable à partir duquel le sous-officier concerné a repris son emploi d'une fonction supérieure d'officier ou d'agent de niveau A, prévue organiquement.
§ 6. L'allocation de fonction est payée, à raison d'un douziÚme du montant annuel, avec le traitement [3 du mois]3 au cours duquel le sous-officier concerné répond aux conditions d'octroi visées au présent article pendant au moins un jour ouvrable.
[2 Toutefois, pour le sous-officier du cadre de réserve effectuant des rappels ou des prestations complémentaires dans le cadre du perfectionnement ou comme prestations d'avancement, l'allocation de fonction est payée, à raison d'un douziÚme du montant annuel, avec le traitement du mois au cours duquel le sous-officier concerné répond aux conditions d'octroi visées au présent article pendant au moins un jour ouvrable.]2
Art. 33/1. [1 § 1. Aan de vrijwilliger [2 ...]2 die, wanneer dwingende redenen van omkadering zulks vereisen, tijdelijk aangewezen is om een in het organiek kader opgenomen ambt van een hogere functie van onderofficier of van ambtenaar van niveau B of C uit te oefenen, wordt, onder de voorwaarden bepaald in dit artikel, een functietoelage toegekend, waarvan het jaarlijks bedrag is vastgesteld op 1.000 EUR.
§ 2. Onverminderd § 3, mag de betrokken vrijwilliger aanspraak maken op de functietoelage vanaf de dag waarop hij het in de organieke tabellen van het personeel voorkomende ambt van de hogere functie van onderofficier of van ambtenaar van niveau B of C, waarvoor hij door de directeur-generaal human resources werd aangewezen, daadwerkelijk uitoefent wegens het tijdelijk gebrek aan een titularis met de graad van onderofficier of de graad van niveau B of C.
§ 3. Het voordeel van de functietoelage wordt toegekend aan de betrokken vrijwilliger, die gedurende ten minste één werkdag aan de in dit artikel bedoelde toekenningsvoorwaarden beantwoordt.
§ 4. De minister van Defensie bepaalt de procedure volgens welke de in § 2 bedoelde dienstaanwijzing geschiedt.
§ 5. De functietoelage wordt geschorst:
1° vanaf de eerste dag van de vierde maand na die waarop de vrijwilliger, die ze geniet, tijdelijk aangewezen wordt om opnieuw het ambt van vrijwilliger uit te oefenen en waarvan bij aanvang blijkt dat de duur van de tijdelijke aanwijzing niet gekend is;
2° vanaf het ogenblik dat de vrijwilliger, die ze geniet, tijdelijk aangewezen wordt om opnieuw het ambt van vrijwilliger uit te oefenen en waarvan bij aanvang blijkt dat de duur van de tijdelijke aanwijzing meer dan drie maanden zal bedragen.
Zij is opnieuw verschuldigd vanaf de eerste werkdag waarop de betrokken vrijwilliger zijn in het organiek kader opgenomen ambt van een hogere functie van onderofficier of van ambtenaar van niveau B of C heeft heropgenomen.
§ 6. De functietoelage wordt ten belope van één twaalfde van het jaarlijks bedrag uitbetaald met de wedde [3 van de maand]3 waarin de betrokken vrijwilliger gedurende tenminste één werkdag aan de in dit artikel bedoelde toekenningsvoorwaarden beantwoordt.]1

[2 Evenwel wordt de functietoelage voor de vrijwilliger van het reservekader die wederoproepingen of bijkomende prestaties in het kader van de vervolmaking of als bevorderingsprestaties uitvoert, betaald ten belope van een twaalfde van het jaarbedrag, samen met de wedde van de maand waarin de betrokken vrijwilliger gedurende ten minste één werkdag aan de in dit artikel bedoelde toekenningsvoorwaarden beantwoordt.]2
Art. 33/1. [1 § 1er. Au volontaire [2 ...]2 qui, lorsque des raisons impératives d'encadrement l'exigent, est désigné temporairement pour exercer l'emploi d'une fonction supérieure de sous-officier ou d'agent de niveau B ou C, prévue organiquement, il est octroyé, aux conditions prévues au présent article, une allocation de fonction, dont le montant annuel est fixé à 1.000 EUR.
§ 2. Sans prĂ©judice du § 3, le volontaire concernĂ© peut prĂ©tendre Ă  l'allocation de fonction Ă  partir du jour oĂč il exerce effectivement l'emploi de la fonction supĂ©rieure de sous-officier ou d'agent de niveau B ou C, prĂ©vue aux tableaux organiques du personnel et Ă  laquelle il a Ă©tĂ© affectĂ© par le directeur gĂ©nĂ©ral human resources suite au manque temporaire d'un titulaire investi d'un grade de sous-officier ou d'un grade de niveau B ou C.
§ 3. Le bénéfice de l'allocation de fonction est accordé au volontaire concerné qui répond aux conditions d'octroi visées au présent article pendant au moins un jour ouvrable.
§ 4. Le ministre de la Défense fixe la procédure selon laquelle l'affectation visée au § 2 a lieu.
§ 5. L'allocation de fonction est suspendue :
1° dÚs le premier jour du quatriÚme mois qui suit celui auquel le volontaire qui en bénéficie est désigné temporairement pour exercer à nouveau l'emploi de volontaire et dont il apparaßt d'emblée que la durée de la désignation temporaire est inconnue;
2° dĂšs le moment oĂč le volontaire qui en bĂ©nĂ©ficie est dĂ©signĂ© temporairement pour exercer Ă  nouveau l'emploi de volontaire et dont il apparaĂźt d'emblĂ©e que la durĂ©e de la dĂ©signation temporaire sera supĂ©rieure Ă  trois mois.
Elle est à nouveau due dÚs le premier jour ouvrable à partir duquel le volontaire concerné a repris son emploi d'une fonction supérieure de sous-officier ou d'agent de niveau B ou C, prévue organiquement.
§ 6. L'allocation de fonction est payée, à raison d'un douziÚme du montant annuel, avec le traitement [3 du mois]3 au cours duquel le volontaire concerné répond aux conditions d'octroi visées au présent article pendant au moins un jour ouvrable.]1

[2 Toutefois, pour le volontaire du cadre de réserve effectuant des rappels ou des prestations complémentaires dans le cadre du perfectionnement ou comme prestations d'avancement, l'allocation de fonction est payée, à raison d'un douziÚme du montant annuel, avec le traitement du mois au cours duquel le volontaire concerné répond aux conditions d'octroi visées au présent article pendant au moins un jour ouvrable.]2
HOOFDSTUK VIII. - De meesterschaps-toelage voor de eerste korporaal-chefs.
CHAPITRE VIII. - De L'allocation de maĂźtrise pour les premiers caporaux-chefs.
HOOFDSTUK VIII.[1 ...]1
CHAPITRE VIII. [1 ...]1
HOOFDSTUK IX. - Gemeenschappelijke bepalingen.
CHAPITRE IX. - Dispositions communes.
Art. 35. § 1. De duur van de dienstprestatie wordt bepaald door het uur, waarop de militair het kwartier verlaat en dat, waarop hij er terugkeert.
Heeft de dienstprestatie plaats in het kwartier, dan komt slechts de tijd in aanmerking gedurende dewelke de militair werkelijk aanwezig is in de eenheid, in de voorgeschreven kledij, op de aangewezen plaats van tewerkstelling en volgens het daar opgelegde uurrooster.
In afwijking van het tweede lid, wordt, wat de berekening van de duur van de dienstprestatie voor het terugroepbaar personeel betreft, naast de werkelijke dienstprestatie, eveneens de duur van de verplaatsingen naar de plaats van de opdracht en terug in rekening gebracht.
§ 2. Voor het bepalen van de duur van de dienstprestaties, bedoeld in artikel 27, eerste lid, wordt de gewone dagtaak die de dienstprestatie onmiddellijk voorafgaat of erin begrepen is, evenwel meegeteld voor de berekening van de toelage.
Art. 35. § 1. La durée de la prestation de service est déterminée par l'heure de départ et l'heure de retour du militaire dans le quartier.
Si la prestation de service a lieu au quartier, seule est prise en considération la période durant laquelle le militaire est effectivement présent à l'unité, dans la tenue prescrite, sur le lieu de travail désigné et selon l'horaire imposé.
En dérogation à l'alinéa 2, en ce qui concerne le calcul de la durée de la prestation de service pour le personnel rappelable, la durée des déplacements vers le lieu de la mission et retour est également, en sus de la prestation effective, prise en considération.
§ 2. Toutefois, pour déterminer la durée des prestations de service visées à l'article 27, alinéa 1, la tùche normale journaliÚre qui précÚde immédiatement la prestation de service ou y est incluse, est prise en compte pour le calcul de l'allocation.
Art. 36. § 1. De brutojaarwedde die in aanmerking moet worden genomen is die welke heeft gediend voor het berekenen van de bezoldiging voor de maand tijdens welke de dienstprestatie is verricht.
§ 2. De toelagen en de vergoedingen zijn verschuldigd in alle administratieve standen die recht geven op een volledige wedde of op een wedde zoals verschuldigd in het kader van de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek evenals in het kader van de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap.
Onverminderd het eerste lid, worden de toelagen en de vergoedingen, bedoeld in de hoofdstukken IV, V, VI, VII en VIII van deze titel, wanneer de wedde niet volledig verschuldigd is, verminderd overeenkomstig dezelfde regels en in dezelfde mate als de wedde van de maand waarop zij betrekking hebben.
(Voor de toepassing van het tweede lid, wanneer het basisbedrag van de toelage of van de vergoeding niet op maandelijkse basis wordt bepaald, wordt de in het tweede lid bedoelde vermindering uitgevoerd na fractionering van de toelage of van de vergoeding, teneinde deze fictief tot een maandelijks bedrag te herleiden.) <KB 2006-02-16/37, art. 8, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2005>
Art. 36. § 1. Le traitement annuel à prendre en considération est celui qui a servi au calcul de la rémunération du mois au cours duquel la prestation de service a été effectuée.
§ 2. Les allocations et les indemnités sont dues dans toutes les positions administratives qui ouvrent le droit à un traitement entier ou à un traitement tel que dû dans le cadre du régime volontaire de travail de la semaine de quatre jours ainsi que dans le cadre du régime de départ anticipé à mi-temps.
Sans prĂ©judice de l'alinĂ©a 1, lorsque le traitement n'est pas dĂ» entiĂšrement, les allocations et les indemnitĂ©s visĂ©es aux chapitres IV, V, VI, VII et VIII du prĂ©sent titre, sont rĂ©duites suivant les mĂȘmes rĂšgles et dans la mĂȘme mesure que le traitement du mois auquel elles se rapportent.
(Pour l'application de l'alinéa 2, lorsque le montant de base de l'allocation ou de l'indemnité n'est pas fixé sur base mensuelle, la réduction visée à l'alinéa 2 est opérée aprÚs fractionnement de l'allocation ou de l'indemnité visant à la ramener fictivement à un montant mensuel.) <AR 2006-02-16/37, art. 8, 004; En vigueur : 01-07-2005>
Art. 37. Voor de toepassing van de bepalingen van deze titel :
1° wordt verstaan onder werkdag, elke kalenderdag waarop de betrokken militair een dienstprestatie uitvoert;
2° (wordt de militair, die één van de vrijwillige encadreringsprestaties verricht, bedoeld in artikel 77, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit van 3 mei 2003 betreffende het statuut van de militairen van het reservekader van de krijgsmacht, beschouwd als een militair van het actief kader;) <KB 2006-02-16/37, art. 9, 004; Inwerkingtreding : 13-03-2006>
3° zijn de in beschouwing te nemen maanden en trimesters, de maanden en trimesters van het kalenderjaar.
Art. 37. Pour l'application des dispositions du présent titre :
1° on entend par jour ouvrable, chaque jour calendrier au cours duquel le militaire concerné effectue une prestation de service;
2° (le militaire qui effectue une des prestations volontaires d'encadrement visĂ©es Ă  l'article 77, alinĂ©a 1er, 3°, de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 2003 relatif au statut des militaires du cadre de rĂ©serve des forces armĂ©es, est considĂ©rĂ© comme un militaire du cadre actif;) <AR 2006-02-16/37, art. 9, 004; En vigueur : 13-03-2006>
3° les mois et les trimestres à prendre en considération sont les mois et les trimestres de l'année civile.
Art. 38. De personen die niet behoren tot het leger en wier aanwezigheid bij de militairen noodzakelijk is voor het verrichten van dienstprestaties die recht geven op de toelagen, bedoeld in de artikelen 26, 27, 28 en 29, kunnen onder dezelfde voorwaarden aanspraak maken op de toelagen.
Art. 38. Les personnes qui n'appartiennent pas Ă  l'armĂ©e, et dont la prĂ©sence est requise auprĂšs des militaires pour l'exĂ©cution de prestations de service qui donnent droit aux allocations visĂ©es aux articles 26, 27, 28 et 29, peuvent prĂ©tendre, aux mĂȘmes conditions, au bĂ©nĂ©fice des allocations.
TITEL V. - BEPALINGEN BETREFFENDE DE ONDERBREKINGSUITKERING TOEGEKEND AAN DE MILITAIR IN NON-ACTIVITEIT TEN GEVOLGE VAN EEN TIJDELIJKE AMBTSONTHEFFING WEGENS LOOPBAANONDERBREKING.
TITRE V. - DISPOSITIONS RELATIVES A L'ALLOCATION D'INTER-RUPTION ACCORDEE AU MILITAIRE EN NON-ACTIVITE A LA SUITE D'UN RETRAIT TEMPORAIRE D'EMPLOI PAR INTERRUPTION DE CARRIERE.
Art. 39. § 1. Een onderbrekingsuitkering van 250,28 EUR per maand wordt toegekend aan het personeelslid dat zijn loopbaan onderbreekt.
§ 2. Het bedrag van de uitkering wordt evenwel tot 274,55 EUR per maand verhoogd wanneer de loopbaanonderbreking ingaat binnen een termijn van drie jaar vanaf de geboorte of adoptie van een tweede kind waarvoor het personeelslid dat zijn loopbaan onderbreekt, of zijn echtgenoot die onder hetzelfde dak woont, kinderbijslag ontvangt.
Het bedrag van de uitkering wordt evenwel tot 297,92 EUR per maand verhoogd wanneer de loopbaanonderbreking ingaat binnen een termijn van drie jaar vanaf de geboorte of adoptie van een derde of daaropvolgend kind waarvoor het personeelslid dat zijn loopbaan onderbreekt, of zijn echtgenoot die onder hetzelfde dak woont, kinderbijslag ontvangt.
De bedragen voorzien in het eerste of tweede lid blijven behouden, ook in geval van verlenging van de oorspronkelijke onderbrekingsperiode, tot maximaal de eerste dag van de maand volgend op de maand waarop het rechtgevend kind de leeftijd van drie jaar heeft bereikt of, in geval van adoptie, tot maximaal de eerste dag van de maand volgend op de maand gedurende dewelke de derde verjaardag van de homologatie van de adoptieakte wordt bereikt. In geval van overlijden van het kind dat het recht heeft geopend op dit bedrag blijft dit bedrag behouden voor de duur van de lopende loopbaanonderbrekingsperiode of tot dat het kind de leeftijd van drie jaar zou hebben bereikt of tot de derde verjaardag van de homologatie van de adoptieakte zou bereikt worden.
Indien een personeelslid tijdens een lopende loopbaanonderbreking een aanvraag doet tot het bekomen van een verhoogde uitkering zoals voorzien in het eerste of het tweede lid, kan deze verhoogde uitkering toegekend worden vanaf de eerste dag van de maand volgend op de aanvraag.
§ 3. Wanneer de in de vorige paragrafen voorziene uitkeringen niet voor een volledige maand verschuldigd zijn, worden ze verminderd naar verhouding van de werkelijke duur van de loopbaanonderbreking voor die maand.
§ 4. De in dit artikel bedoelde uitkeringen worden betaald door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, behalve wanneer het personeelslid een beroepsactiviteit uitoefent, overeenkomstig de bepalingen van artikel [1 176, § 2, van de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de krijgsmacht]1. Wanneer de beroepsactiviteit evenwel een zelfstandige activiteit is, blijft de onderbrekingsuitkering betaald door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening gedurende de eerste twaalf maanden van deze activiteit.
§ 5. De bedragen vastgesteld in dit artikel blijven echter slechts verworven gedurende de eerste twaalf maanden van de loopbaanonderbreking. Na deze periode worden ze verminderd met vijf percent.
Art. 39. § 1. Une allocation d'interruption de 250,28 EUR par mois est accordée au membre du personnel qui interrompt sa carriÚre.
§ 2. Le montant de l'allocation est toutefois portĂ© Ă  274,55 EUR par mois, lorsque l'interruption de carriĂšre prend cours dans un dĂ©lai de trois ans Ă  partir de la naissance ou de l'adoption d'un deuxiĂšme enfant, pour lequel le membre du personnel qui interrompt sa carriĂšre, ou son conjoint vivant sous le mĂȘme toit, perçoit des allocations familiales.
Le montant de l'allocation est toutefois portĂ© Ă  297,92 EUR par mois lorsque l'interruption de carriĂšre prend cours dans un dĂ©lai de trois ans Ă  partir de toute naissance ou adoption postĂ©rieure Ă  celle d'un deuxiĂšme enfant, pour lequel le membre du personnel qui interrompt sa carriĂšre ou son conjoint vivant sous le mĂȘme toit, perçoit des allocations familiales.
Les montants prévus aux alinéas 1 ou 2 restent acquis, également en cas de prolongation de la période initiale d'interruption, au plus tard jusqu'au premier jour du mois suivant le mois au cours duquel l'enfant qui a ouvert le droit atteint l'ùge de trois ans ou, en cas d'adoption, au plus tard jusqu'au premier jour du mois qui suit le mois au cours duquel le troisiÚme anniversaire de l'homologation de l'acte d'adoption est atteint. En cas de décÚs de l'enfant qui a ouvert le droit à ce montant, ce dernier reste acquis jusqu'à la fin de la période d'interruption de carriÚre en cours ou jusqu'à ce que l'enfant eût atteint l'ùge de trois ans ou le troisiÚme anniversaire de l'homologation de l'acte d'adoption aurait été atteint.
Si un membre du personnel, pendant une interruption de carriĂšre en cours, sollicite le bĂ©nĂ©fice d'une allocation majorĂ©e telle que prĂ©vue aux alinĂ©as 1 ou 2, cette allocation majorĂ©e peut ĂȘtre octroyĂ©e Ă  partir du premier jour du mois qui suit la demande.
§ 3. Lorsque les allocations prévues aux paragraphes précédents ne sont pas dues pour un mois complet, elles sont réduites au prorata de la durée réelle de l'interruption de carriÚre pour ce mois.
§ 4. Les allocations visées dans le présent article sont payées par l'Office national de l'Emploi, sauf lorsque le membre du personnel exerce une activité professionnelle, conformément aux dispositions de l'article [1 176, § 2, de la loi du 28 février 2007 fixant le statut des militaires et candidats militaires du cadre actif des forces armées]1. Toutefois, lorsque l'activité professionnelle est une activité indépendante, l'allocation d'interruption reste payée par l'Office national de l'Emploi pendant les douze premiers mois de l'exercice de cette activité.
§ 5. Les montants fixés au présent article ne restent cependant acquis que pendant les douze premiers mois de l'interruption de carriÚre. AprÚs cette période, ils sont diminués de cinq pour-cent.
Art. 40. Wanneer het overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, berekend bedrag der onderbrekingsuitkering wordt uitgedrukt in euro en cent wordt het afgerond naar de hogere of lagere cent naargelang het cijfer van de honderdduizendsten al dan niet 5 bereikt.
Art. 40. Lorsque le montant de l'allocation d'interruption calculé conformément aux dispositions de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public est libellé en euros et cents, il est arrondi au cent supérieur selon que le chiffre des cent milliÚmes atteint ou n'atteint pas 5.
TITEL VI. - DE NORMALISATIE DER DIENSTPRESTATIES.
TITRE VI. - NORMALISATION DES PRESTATIONS DE SERVICE.
HOOFDSTUK I. - De gemiddelde duur van de dienstprestaties.
CHAPITRE I. - De La durée moyenne des prestations de service.
Art. 41. De gemiddelde duur van de dienstprestaties voor de militairen van het actief kader beneden de rang van officier is vastgesteld op achtendertig uur per week.
De Minister van [1 Defensie]1 kan, bij wijze van proef, en voor een termijn die hij bepaalt, voor de doelgroepen die hij aanduidt, een kortere gemiddelde arbeidsduur bepalen.
Art. 41. La durée moyenne des prestations de service des militaires du cadre actif au-dessous du rang d'officier est fixée à trente-huit heures par semaine.
Le Ministre de la Défense peut fixer pour les groupes-cibles qu'il détermine, une durée moyenne des prestations de service plus courte, à titre d'essai et pour une durée qu'il détermine.
HOOFDSTUK II. - De aanrekening van de dienstprestaties van de militair die zich in de deelstand " in normale dienst " bevindt.
CHAPITRE II. - De l'imputation des prestations de service du militaire qui se trouve dans la sous-position " en service normal ".
Art. 42. Wanneer de militair zich in de deelstand " in normale dienst " bevindt, worden zijn dienstprestaties voor hun werkelijke duur aangerekend.
Voor elk uur of uurgedeelte, gepresteerd tussen 22.00 uur en 06.00 uur, wordt tweemaal de duur aangerekend.
Art. 42. Lorsque le militaire se trouve dans la sous-position " en service normal ", ses prestations de service sont imputées pour leur durée réelle.
Chaque heure ou fraction d'heure effectuée entre 22.00 heures et 06.00 heures est imputée pour le double de sa durée.
Art. 43. In afwijking van artikel 42, tweede lid, wordt, wat betreft de nachtwaker en de militair, die in ploegendienst werkt, elk uur of uurgedeelte gepresteerd tussen 22.00 uur en 06.00 uur voor zijn werkelijke duur aangerekend.
Art. 43. En dérogation à l'article 42, alinéa 2, en ce qui concerne le veilleur de nuit et le militaire qui travaille par équipe, chaque heure ou fraction d'heure de prestation effectuée entre 22.00 heures et 06.00 heures est imputée pour sa durée réelle.
Art. 44. De permanenties worden per dag forfaitair in aanmerking genomen voor de normale arbeidsduur van de beschouwde dag, zoals deze is bepaald overeenkomstig de artikelen 41 en 51, tweede lid, 3°.
(Tweede lid opgeheven) <KB 2006-02-16/37, art. 10, 1°, 004; Inwerkingtreding : 13-03-2006>
(Derde lid opgeheven) <KB 2006-02-16/37, art. 10, 1°, 004; Inwerkingtreding : 13-03-2006>
(Wanneer ze, op een zaterdag, een zondag of op een feestdag, worden uitgevoerd, worden ze evenwel forfaitair voor acht uur per beschouwde dag in aanmerking genomen.) <KB 2006-02-16/37, art. 10,2°, 004; Inwerkingtreding : 13-03-2006>
Art. 44. Les permanences sont prises en compte forfaitairement par jour, pour la durée normale de travail du jour considéré, telle qu'elle est fixée conformément aux articles 41 et 51, alinéa 2, 3°.
(Alinéa 2 abrogé) <AR 2006-02-16/37, art. 10, 1°, 004; En vigueur : 13-03-2006>
(Alinéa 3 abrogé) <AR 2006-02-16/37, art. 10, 1°, 004; En vigueur : 13-03-2006>
(Toutefois, lorsqu'elles sont effectuées un samedi, un dimanche ou un jour férié, elles sont prises en compte forfaitairement pour huit heures par jour considéré.) <AR 2006-02-16/37, art. 10, 2°, 004; En vigueur : 13-03-2006>
HOOFDSTUK III. - De aanrekening van de dienstprestaties van de militair die zich in de deelstanden " in intensieve dienst ", [1 "in militaire bijstand",]1 in " hulpverlening " en in " operationele inzet " bevindt.
CHAPITRE III. - De l'imputation des prestations de service du militaire qui se trouve dans les sous-positions " en service intensif ", [1 "en appui militaire",]1 " en assistance " et " en engagement opérationnel ".
Art. 45. De zaterdagen, zon- en feestdagen tijdens dewelke de militair in de deelstand " in intensieve dienst " is, tellen forfaitair voor acht uur.
De dienstprestaties, verricht op werkdagen tijdens dewelke de militair in de deelstand " in intensieve dienst " is, tellen forfaitair voor de normale arbeidsduur van de beschouwde dag zoals deze is bepaald overeenkomstig de artikelen 41 en 51, tweede lid, 3°.
Art. 45. Les samedis, dimanches et jours fériés pendant lesquels le militaire est dans la sous-position " en service intensif " comptent forfaitairement pour huit heures.
Les prestations de service accomplies les jours ouvrables pendant lesquels le militaire est dans la sous-position " en service intensif ", sont prises en compte forfaitairement pour la durée normale de travail du jour considÚre, telle qu'elle est fixée conformément aux articles 41 et 51, alinéa 2, 3°.
Art. 46. Wanneer de militair zich in de deelstand [1 "in militaire bijstand",]1" in hulpverlening " of " in operationele inzet " bevindt, worden de gepresteerde dagen forfaitair aangerekend, voor de normale arbeidsduur van de beschouwde dag zoals deze is bepaald overeenkomstig de artikelen 41 en 51, tweede lid, 3°.
Art. 46. Lorsque le militaire se trouve dans la sous-position [1 "en appui militaire",]1 " en assistance " ou " en engagement opérationnel ", les jours prestés sont pris en compte forfaitairement, pour la durée normale de travail du jour considéré, telle qu'elle est fixée conformément aux articles 41 et 51, alinéa 2, 3°.
HOOFDSTUK IV. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE IV. - Dispositions générales.
Art. 47. Voor volgende periodes wordt forfaitair de normale arbeidsduur aangerekend van de beschouwde kalenderdag zoals deze is bepaald overeenkomstig de artikelen 41 en 51, tweede lid, 3° :
1° de verlofdagen en andere gelijkaardige toegestane reglementaire afwezigheden zoals vastgesteld in de aanvullende regels, bedoeld in artikel 51;
2° de dagen afwezigheid om gezondheidsredenen;
3° de dagen met dienstfaciliteit of ontheffing van dienst zoals bepaald in de aanvullende regels, bedoeld in artikel 51;
4° de dagen afwezigheid om syndicale redenen;
5° de feestdagen of gelijkgestelde dagen die op een werkdag vallen.
Art. 47. Les périodes suivantes sont prises en compte forfaitairement, pour la durée normale de travail du jour calendrier considéré, telle qu'elle est fixée conformément aux articles 41 et 51, alinéa 2, 3° :
1° les jours de congé et les autres absences réglementaires similaires accordés comme prévu dans les rÚgles complémentaires visées à l'article 51;
2° les jours d'absence pour motif de santé;
3° les jours de facilité de service ou d'exemption de service fixés dans les rÚgles complémentaires visées à l'article 51;
4° les jours d'absence pour raisons syndicales;
5° les jours fériés ou les jours assimilés qui tombent un jour ouvrable.
Art. 48. De volgende dienstprestaties worden niet aangerekend :
1° de dienstprestaties die in aanmerking genomen worden voor de uitkering van de toelage, bedoeld in het artikel 28;
2° de dienstonderbrekingen, die de Minister van [1 Defensie]1 bepaalt;
3° de verplaatsingen, die de Minister van [1 Defensie]1 bepaalt;
4° de activiteiten, die de Minister van [1 Defensie]1 bepaalt;
5° de niet door het commando ter plaatse opgelegde activiteiten tijdens een dienstreis die niet beantwoordt aan de voorwaarden voor het toekennen van een toelage.
Art. 48. Les prestations de service suivantes ne sont pas prises en compte :
1° les prestations de service qui entrent en considération pour le paiement de l'allocation visée à l'article 28;
2° les interruptions de service que le Ministre de la Défense détermine;
3° les déplacements que le Ministre de la Défense détermine;
4° les activités que le Ministre de la Défense détermine;
5° les activités qui ne sont pas imposées sur place par le commandant au cours d'un déplacement de service qui ne répond pas aux conditions pour l'octroi d'une allocation.
Art. 49. Voor zover dit strookt met de goede uitvoering van de dienst en met het doeltreffend inzetten van het personeel, kan de eenheidscommandant aan de militair, waarvan de dienstprestaties gepresteerd in de loop van een referentieperiode bepaald op een burgerlijk semester, de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur overschrijden :
1° een recuperatie van overuren toestaan op verzoek van de militair;
2° een recuperatie van overuren opleggen.
Desgevallend kan een recuperatie van overuren, met een maximum van achtendertig uur, a priori, in het vooruitzicht van toekomstige opdrachten, opgelegd of toegestaan worden.
Art. 49. Au militaire dont les prestations de service effectuées au cours d'une période de référence fixée à un semestre civil, dépassent la durée moyenne de travail hebdomadaire, et pour autant que cela soit compatible avec la bonne exécution du service et avec la mise en oeuvre efficace du personnel, le commandant d'unité peut :
1° accorder à la demande du militaire, une récupération d'heures supplémentaires;
2° imposer une récupération d'heures supplémentaires.
Le cas Ă©chĂ©ant, une rĂ©cupĂ©ration d'heures supplĂ©mentaires, avec un maximum de trente-huit heures, peut ĂȘtre accordĂ©e ou imposĂ©e Ă  l'avance en prĂ©vision de missions futures.
Art. 50. § 1. Aan de militair wordt een toelage toegekend voor elk bijkomend prestatieuur waarvoor geen recuperatie in tijd kon opgelegd noch toegestaan worden, vóór het einde van het burgerlijk semester dat volgt op de referentieperiode.
(De Minister van [1 Defensie]1 kan evenwel, voor de gevallen die hij bepaalt, de termijn van één burgerlijk semester, bedoeld in het eerste lid, wijzigen.) <KB 2004-12-16/49, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
§ 2. Het bedrag van deze uurtoelage is vastgesteld op 1/1850 van de brutojaarwedde.
Voor de toepassing van dit artikel, in afwijking van het artikel 36, § 1, wordt verstaan onder wedde, de brutojaarwedde die als basis diende voor de berekening van de bezoldiging verschuldigd in de loop van de eerste maand van het tweede semester volgend op de referentieperiode.
§ 3. Het aantal bijkomende prestatieuren dat in aanmerking komt voor de toekenning van de toelage, wordt als volgt bepaald :
1° indien de totale duur van de bijkomende dienstprestaties een uurgedeelte bevat, zijn de volgende regels van toepassing :
a) als het uurgedeelte gelijk aan of meer is dan dertig minuten, wordt het voor een volledig uur geteld;
b) als het uurgedeelte minder dan dertig minuten is, wordt het niet in aanmerking genomen;
2° het aldus bepaald aantal uren wordt overgeheveld naar de volgende referentieperiode, zonder dat die overdracht evenwel meer dan achtendertig uren mag bedragen;
3° het eventueel saldo bekomen na deze overheveling komt in aanmerking voor de toekenning van de toelage.
Art. 50. § 1. Une allocation est accordĂ©e au militaire pour chaque heure de prestation supplĂ©mentaire pour laquelle aucune rĂ©cupĂ©ration en temps ne peut ĂȘtre imposĂ©e ni accordĂ©e avant la fin du semestre civil qui suit la pĂ©riode de rĂ©fĂ©rence.
(Toutefois, le Ministre de la Défense peut, pour les cas qu'il détermine, modifier le délai d'un semestre civil, visé à l'alinéa 1er.) <AR 2004-12-16/49, art. 1, 002; En vigueur : 01-07-2004>
§ 2. Le montant de cette allocation horaire est fixé à 1/1850 du traitement annuel brut.
Pour l'application du présent article, en dérogation à l'article 36, § 1, il y a lieu d'entendre par traitement, le traitement annuel brut qui a servi de base au calcul de la rémunération due au cours du premier mois du deuxiÚme semestre suivant la période de référence.
§ 3. Le nombre d'heures de prestations supplémentaires qui entre en considération pour l'octroi de l'allocation, est déterminé comme suit :
1° lorsque la durée totale des prestations supplémentaires de service comprend une fraction d'heure, les rÚgles suivantes sont d'application :
a) si la fraction d'heure est égale ou supérieure à trente minutes, elle est comptée pour une heure entiÚre;
b) si la fraction d'heure est inférieure à trente minutes, elle n'est pas prise en considération;
2° les heures ainsi déterminées sont reportées à la période de référence suivante, sans que ce report ne puisse toutefois dépasser trente-huit heures;
3° le solde éventuel subsistant aprÚs le report entre en considération pour l'octroi de l'allocation.
Art. 51. De Minister van [1 Defensie]1 is gemachtigd om, binnen het kader van het in dit besluit vastgelegde stelsel, aanvullende uitvoerings- en organisatieregels vast te leggen.
Hij wijst eveneens de militaire overheden aan die gemachtigd zijn om, binnen het kader van het in dit besluit vastgelegde stelsel en van de in uitvoering van het eerste lid vastgelegde regels, aanvullende regels vast te stellen met betrekking tot de volgende materies :
1° de vaststelling van de toepassingsmodaliteiten van de volgende dienstprestaties of dienstregelingen :
a) de ploegendienst;
b) de beveiligingsopdrachten;
c) de permanenties;
2° de vaststelling van de toepassingsmodaliteiten voor het terugroepbaar personeel, bedoeld in artikel 28;
3° de vaststelling van de dienstroosters, die de verdeling van de wekelijkse arbeidsduur weergeven, zoals deze is bepaald overeenkomstig het artikel 41;
4° de vaststelling van de forfaitaire arbeidsduur voor de dienstprestaties, bedoeld in artikel 44, eerste lid, artikel 45, tweede lid, artikel 46 en artikel 47;
5° de vaststelling van de in artikel 48, 2° tot 5°, bedoelde dienstonderbrekingen, verplaatsingen en andere activiteiten, die niet worden aangerekend;
6° de vaststelling van de toepassingsmodaliteiten van de recuperatie van overuren, bedoeld in artikel 49.
Art. 51. Le Ministre de la DĂ©fense est autorisĂ© Ă  fixer les rĂšgles complĂ©mentaires d'exĂ©cution et d'organisation dans le cadre du rĂ©gime dĂ©terminĂ© par le prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Il dĂ©signe en outre les autoritĂ©s militaires qui sont habilitĂ©es, dans le cadre du rĂ©gime dĂ©terminĂ© par le prĂ©sent arrĂȘtĂ© et des rĂšgles dĂ©terminĂ©es en exĂ©cution de l'alinĂ©a 1, Ă  fixer des rĂšgles complĂ©mentaires relatives aux matiĂšres suivantes :
1° la détermination des modalités d'application des prestations de service ou des régimes de travail suivants :
a) le travail par équipe;
b) les missions de protection;
c) les permanences;
2° la détermination des modalités d'application pour le personnel rappelable visé à l'article 28;
3° la détermination des horaires de service qui reflÚtent la répartition de la durée hebdomadaire de travail, telle qu'elle est fixée conformément à l'article 41;
4° la détermination de la durée de travail forfaitaire des prestations de service visées à l'article 44, alinéa 1, à l'article 45, alinéa 2, à l'article 46 et à l'article 47;
5° la détermination des interruptions de service, des déplacements et d'autres activités visés à l'article 48, 2° à 5°, qui ne sont pas pris en compte;
6° la détermination des modalités d'application de la récupération d'heures visée à l'article 49.
Art. 51bis. [1 De overheid bedoeld in het artikel 13quater van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen, is de directeur-generaal human resources.]1
Art. 51bis. [1 L'autorité visée à l'article 13quater de la loi du 20 mai 1994 relative aux droits pécuniaires des militaires, est le directeur général human resources.]1
TITEL VII. - OVERGANGS-, WIJZIGINGS- EN SLOTBEPALINGEN.
TITRE VII. - DISPOSITIONS TRANSITOIRES, MODIFICATIVES ET FINALES.
Art. 52. In artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 6 december 2001 betreffende het verlenen van geldelijke voordelen aan sommige militairen die een paramedische functie uitoefenen, wordt het woord " acht " vervangen door het woord " elf ".
Art. 52. Dans l'article 3, § 1, de arrĂȘtĂ© royal du 6 dĂ©cembre 2001 accordant des avantages pĂ©cuniaires Ă  certains militaires exerçant une fonction paramĂ©dicale, le mot " huit " est remplacĂ© par le mot " onze ".
Art. 53. Worden opgeheven op datum van 1 juli 2003 :
1° in het koninklijk besluit van 23 november 1982 houdende bezoldigingsregeling van de militairen :
a) het artikel 24, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 september 1992;
b) het artikel 27, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 november 1990;
c) het artikel 28;
2° het koninklijk besluit van 4 juli 1994 houdende bezoldigingsregeling van de militairen van alle rangen en betreffende het stelsel van de dienstprestaties van de militairen van het aktief kader beneden de rang van officier, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 24 november 1995, van 2 juli 1996, van 29 juli 1997, van 20 juli 1998, van 22 november 1999, van 29 oktober 2001, van 8 november 2001 en van 9 december 2002, met uitzondering van :
a) het artikel 20bis, eerste lid, 1°, a), en 2°, a), gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 oktober 2001;
b) de tabellen 1 tot 6, 1bis tot 5bis, en 9 tot 13, van de bijlage A.
Art. 53. Sont abrogés à la date du 1er juillet 2003 :
1° dans l'arrĂȘtĂ© royal du 23 novembre 1982 portant le statut pĂ©cuniaire des militaires :
a) l'article 24, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 1er septembre 1992;
b) l'article 27, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 19 novembre 1990;
c) l'article 28;
2° l'arrĂȘtĂ© royal du 4 juillet 1994 relatif au statut pĂ©cuniaire des militaires de tous rangs et au rĂ©gime des prestations de service des militaires du cadre actif au-dessous du rang d'officier, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux du 24 novembre 1995, du 2 juillet 1996, du 29 juillet 1997, du 20 juillet 1998, du 22 novembre 1999 du 29 octobre 2001, du 8 novembre 2001 et du 9 dĂ©cembre 2002, Ă  l'exception :
a) de l'article 20bis, alinĂ©a 1, 1°, a), et 2°, a), modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 29 octobre 2001;
b) des tableaux 1 Ă  6, 1bis Ă  5bis, et 9 Ă  13, de l'annexe A.
Art. 54. Worden opgeheven op datum van 1 september 2003 :
in het koninklijk besluit van 4 juli 1994 houdende bezoldigingsregeling van de militairen van alle rangen en betreffende het stelsel van de dienstprestaties van de militairen van het aktief kader beneden de rang van officier, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 24 november 1995, van 2 juli 1996, van 29 juli 1997, van 20 juli 1998, van 22 november 1999, van 29 oktober 2001, van 8 november 2001 en van 9 december 2002 :
de tabellen 12 en 13, van de bijlage A.
Art. 54. Sont abrogés à la date du 1er septembre 2003 :
dans l'arrĂȘtĂ© royal du 4 juillet 1994 relatif au statut pĂ©cuniaire des militaires de tous rangs et au rĂ©gime des prestations de service des militaires du cadre actif au-dessous du rang d'officier, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux du 24 novembre 1995, du 2 juillet 1996, du 29 juillet 1997, du 20 juillet 1998, du 22 novembre 1999 du 29 octobre 2001, du 8 novembre 2001 et du 9 dĂ©cembre 2002 :
les tableaux 12 et 13, de l'annexe A.
Art. 55. Worden opgeheven op datum van 1 oktober 2003 :
in het koninklijk besluit van 4 juli 1994 houdende bezoldigingsregeling van de militairen van alle rangen en betreffende het stelsel van de dienstprestaties van de militairen van het aktief kader beneden de rang van officier, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 24 november 1995, van 2 juli 1996, van 29 juli 1997, van 20 juli 1998, van 22 november 1999, van 29 oktober 2001, van 8 november 2001 en van 9 december 2002 :
het artikel 20bis, eerste lid, 1°, a), en 2°, a), gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 oktober 2001;
Art. 55. Sont abrogés à la date du 1er octobre 2003 :
dans l'arrĂȘtĂ© royal du 4 juillet 1994 relatif au statut pĂ©cuniaire des militaires de tous rangs et au rĂ©gime des prestations de service des militaires du cadre actif au-dessous du rang d'officier, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux du 24 novembre 1995, du 2 juillet 1996, du 29 juillet 1997, du 20 juillet 1998, du 22 novembre 1999 du 29 octobre 2001, du 8 novembre 2001 et du 9 dĂ©cembre 2002 :
l'article 20bis, alinĂ©a 1, 1°, a), et 2°, a), modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 29 octobre 2001;
Art. 56. Worden opgeheven op datum van 1 december 2003 :
in het koninklijk besluit van 4 juli 1994 houdende bezoldigingsregeling van de militairen van alle rangen en betreffende het stelsel van de dienstprestaties van de militairen van het aktief kader beneden de rang van officier, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 24 november 1995, van 2 juli 1996, van 29 juli 1997, van 20 juli 1998, van 22 november 1999, van 29 oktober 2001, van 8 november 2001 en van 9 december 2002 :
de tabellen 9 tot 11, van de bijlage A.
Art. 56. Sont abrogés à la date du 1er décembre 2003 :
dans l'arrĂȘtĂ© royal du 4 juillet 1994 relatif au statut pĂ©cuniaire des militaires de tous rangs et au rĂ©gime des prestations de service des militaires du cadre actif au-dessous du rang d'officier, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux du 24 novembre 1995, du 2 juillet 1996, du 29 juillet 1997, du 20 juillet 1998, du 22 novembre 1999 du 29 octobre 2001, du 8 novembre 2001 et du 9 dĂ©cembre 2002 :
les tableaux 9 Ă  11, de l'annexe A.
Art. 57. Wordt opgeheven op datum van 1 januari 2004 :
het koninklijk besluit van 20 oktober 1972 houdende toekenning van een toelage voor dienstprestaties volbracht op zaterdag, op zondag of op een feestdag, voor zekere militairen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 1 maart 1977, van 16 mei 1980, van 15 maart 1988, van 21 maart 1991, van 11 augustus 1994, en van 22 november 1999.
Art. 57. Est abrogé à la date du 1er janvier 2004 :
l'arrĂȘtĂ© royal du 20 octobre 1972 crĂ©ant une allocation pour prestations de service accomplies le samedi, le dimanche ou un jour fĂ©riĂ©, pour certains militaires, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© royal du 1er mars 1977, du 16 mai 1980, du 15 mars 1988, du 21 mars 1991, du 11 aoĂ»t 1994 et du 22 novembre 1999.
Art. 58. Worden opgeheven op datum van 1 augustus 2005 :
in het koninklijk besluit van 4 juli 1994 houdende bezoldigingsregeling van de militairen van alle rangen en betreffende het stelsel van de dienstprestaties van de militairen van het aktief kader beneden de rang van officier, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 24 november 1995, van 2 juli 1996, van 29 juli 1997, van 20 juli 1998, van 22 november 1999, van 29 oktober 2001, van 8 november 2001 en van 9 december 2002 :
de tabellen 1 tot 6, en 1bis tot 5bis, van de bijlage A.
Art. 58. Sont abrogés à la date du 1er août 2005 :
dans l'arrĂȘtĂ© royal du 4 juillet 1994 relatif au statut pĂ©cuniaire des militaires de tous rangs et au rĂ©gime des prestations de service des militaires du cadre actif au-dessous du rang d'officier, modifiĂ© par les arrĂȘtĂ©s royaux du 24 novembre 1995, du 2 juillet 1996, du 29 juillet 1997, du 20 juillet 1998, du 22 novembre 1999 du 29 octobre 2001, du 8 novembre 2001 et du 9 dĂ©cembre 2002 :
les tableaux 1 Ă  6, et 1bis Ă  5bis, de l'annexe A.
Art. 59. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2003, met uitzondering van :
1° de tabellen 12 en 13 van de bijlage A, die in werking treden op 1 september 2003;
2° de artikelen 23, 1ste lid, 1°, a), en 2°, a), 42, tweede lid, en 43, die in werking treden op 1 oktober 2003;
3° het artikel 7, § 2, 2°, en de tabellen 9 tot 11 van de bijlage A, die in werking treden op 1 december 2003;
4° de artikelen 1, § 6, 29 en 52, die in werking treden op 1 januari 2004;
5° het artikel 50, dat in werking treedt op 1 juli 2004;
6° het artikel 31, § 3, dat in werking treedt op 1 augustus 2004;
7° de artikelen 7, § 2, 1°, 31, § 2, 33, en van de tabellen 1 tot 6, en 1bis tot 5bis, van de bijlage A, die in werking treden op 1 augustus 2005;
8° het artikel 31, § 1, dat in werking treedt op 1 december 2005.
Art. 59. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© entre en vigueur le 1er juillet 2003, Ă  l'exception :
1° des tableaux 12 et 13 de l'annexe A, qui entrent en vigueur le 1er septembre 2003;
2° des articles 23, alinéa 1, 1°, a), et 2°, a), 42, alinéa 2, et 43, qui entrent en vigueur le 1er octobre 2003;
3° de l'article 7, § 2, 2°, et des tableaux 9 à 11 de l'annexe A, qui entrent en vigueur le 1er décembre 2003;
4° des articles 1, § 6, 29 et 52, qui entrent en vigueur le 1er janvier 2004;
5° de l'article 50, qui entre en vigueur le 1er juillet 2004;
6° de l'article 31, § 3, qui entre en vigueur le 1er août 2004;
7° des articles 7, § 2, 1°, 31, § 2, 33, et des tableaux 1 à 6, et 1bis à 5bis, de l'annexe A, qui entrent en vigueur le 1er août 2005;
8° de l'article 31, § 1, qui entre en vigueur le 1er décembre 2005.
Art. 60. Onze Minister van Landsverdediging is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 60. Notre Ministre de la DĂ©fense est chargĂ© de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. [1 Bijlage 1.]1
Art. N1. [1 Annexe 1.]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 07-03-2022, p. 18357)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 07-03-2022, p. 18357)
Art. N2. [1 Bijlage 2. Bijlage B...]1
Art. N2. [1 Annexe 2. Annexe B...]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 07-03-2022, p. 18357)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 07-03-2022, p. 18357)
Art. N3. [1 ...]1
Art. N3. [1 ...]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 07-03-2022, p. 18357)
-
Art. N4. [1 Bijlage D.]1
Art. N4. [1 Annexe D.]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 07-03-2022, p. 18357)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 07-03-2022, p. 18357)