Art. 31. § 1. Aan de officier, bekleed met een graad van opperofficier en aan de hoofdofficier, die
[2 ...]2 bezoldigd worden overeenkomstig de tabellen 1 tot 6, of 1bis tot 5bis, van de bijlage A bij dit besluit, wordt een jaarlijkse forfaitaire vergoeding voor hogere kaderleden toegekend, ten belope van 2 000 EUR, die, in het kader van de terugbetaling van kosten eigen aan Defensie, bestemd is tot het dekken van de werkelijke beroepslasten, ontstaan uit hoofde of naar aanleiding van de uitoefening van de functies, verbonden aan zijn graad.
Voor de toepassing van het eerste lid, beoogt deze vergoeding de compensatie van volgende, in België, gedragen kosten, voor zover ze niet rechtstreeks gedragen worden door Defensie :
1° [3 ...]3 2° de reiskosten, ontstaan uit hoofde of naar aanleiding van dienstverplaatsingen;
3° de kosten, die, uit hoofde of naar aanleiding van de overbrenging van de gewone plaats van het werk, verbonden zijn aan de verandering van de woon- of verblijfplaats, zonder evenwel rechtstreeks in verband te staan met het vervoer van meubilair, huisraad of reisgoed;
4° [3 ...]3 5° documentatiekosten;
6° kosten voor professionele gelegenheidsgeschenken, ontstaan uit hoofde of naar aanleiding van gebeurtenissen, die niet rechtstreeks in verband staan met de uitoefening van de functies, verbonden aan de graad.
De officier, die de in het eerste lid bedoelde vergoeding geniet, kan geen aanspraak maken op de vergoedingen, bedoeld in :
1° het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten, voor de verplaatsingen uitgevoerd in België;
2° de artikelen 4, 6, 9 tot 12, en 22, van het koninklijk besluit van 21 oktober 1975 tot vaststelling van het vergoedingsstelsel toepasselijk op de militair die in België verplicht wordt bepaalde werkelijke lasten te dragen;
3° het artikel 4, § 1, 1°, en § 2, van het koninklijk besluit van 7 december 1992 houdende toekenning van een verhuisvergoeding aan de militairen bij overbrenging van de gewone plaats van het werk, wanneer zowel de oude als de nieuwe gewone plaats van het werk in België gelegen zijn.
§ 2. Een staffunctietoelage wordt toegekend aan de kapitein-commandant en aan de kapitein, die
[2 ...]2 bezoldigd worden overeenkomstig de tabellen 1 tot 5,
[1 1bis tot 5bis, of 1ter]1, van de bijlage A bij dit besluit, en die minstens de beoordeling " voldoende " hebben behaald op de algehele beoordeling van de cursus staftechniek, (of die met succes de basis stafcursus of de basis stafvorming hebben gevolgd).
<KB 2006-12-14/51, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 16-08-2006> (Deze toelage wordt evenwel ook toegekend aan de kapitein-commandant en aan de kapitein die niet deelgenomen heeft aan de cursus bedoeld in het eerste lid, maar die, naargelang het geval :
1° hetzij, vóór 1 september 2003, geslaagd is in de fase " intermachten " van de cursus voor kandidaat-hoofdofficier;
2° hetzij, na 1 september 2003, geslaagd is in de gemeenschappelijke beroepsproef van de cursus voor kandidaat-hoofdofficier (of van de vorming voor kandidaat-hoofdofficier).)
<KB 2006-02-16/37, art. 4, 1°, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2005> <KB 2006-12-14/51, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 16-08-2006> Het jaarlijks bedrag van deze toelage wordt vastgesteld op 700 EUR.
Deze toelage mag gecumuleerd worden met de toelage, bedoeld in artikel 30.
Deze toelage mag evenwel niet gecumuleerd worden met de toelage, bedoeld in artikel 7.
Deze toelage is verschuldigd aan de kapitein-commandant en aan de kapitein vanaf de eerste dag van de maand die op de in het eerste lid bedoelde beoordeling volgt. Indien deze beoordeling op de eerste dag van de maand plaatsheeft, is zij evenwel verschuldigd vanaf deze dag.
Deze toelage is niet meer verschuldigd vanaf de dag waarop de officier de wedde van majoor geniet.
§ 3.
[4 ...]4 § 4. De officier, (aangesteld in een hogere graad om een ambt verbonden aan deze graad uit te oefenen,) geniet de toelagen en de vergoedingen, verbonden aan die hogere graad.
<KB 2006-02-16/37, art. 4, 2°, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2005> § 5. De toelagen en de vergoedingen, bedoeld in dit hoofdstuk, worden maandelijks betaald, samen met de wedde van de maand waarop ze betrekking hebben, ten bedrage van één twaalfde van het jaarbedrag en
[2 , naar gelang het geval, overeenkomstig de bepalingen bedoeld in artikelen 19 en 19bis]2.