Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
5 SEPTEMBER 1997. - Gezamenlijk verdrag inzake de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en inzake de veiligheid van het beheer van radioactief afval.
Titre
5 SEPTEMBRE 1997. - Convention commune sur la sûreté de la gestion du combustible usé et sur la sûreté de la gestion des déchets radioactifs.
Tekst (53)
Texte (53)
HOOFDSTUK I. - Doelstellingen, begripsomschrijvingen en werkingssfeer.
CHAPITRE I. - Objectifs, définitions et champ d'application.
Artikel 1. Doelstellingen.
  De doelstellingen van dit Verdrag zijn :
  i) Het bereiken en handhaven van een hoog niveau van veiligheid over de gehele wereld op het gebied van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval door middel van de verbetering van de nationale maatregelen en de internationale samenwerking, waaronder, indien van toepassing, technische samenwerking met betrekking tot veiligheid;
  ii) Het verzekeren dat tijdens alle stadia van het beheer van gebruikte splijtstof en radioactief afval doeltreffende bescherming bestaat tegen mogelijke risico's teneinde personen, de samenleving en het milieu te behoeden voor de schadelijke gevolgen van ioniserende straling, nu en in de toekomst, op zodanige wijze dat wordt voldaan aan de behoeften en aspiraties van de huidige generatie zonder dat de mogelijkheid van de komende generaties om aan hun behoeften en aspiraties te voldoen in gevaar wordt gebracht;
  Het voorkomen van ongevallen waarbij radioactieve stoffen vrijkomen en het beperken van de gevolgen, mochten dergelijke ongevallen zich voordoen tijdens enig stadium van het beheer van bestraalde splijtstof of radioactief afval.
Article 1. Objectifs.
  Les objectifs de la présente Convention sont les suivants :
  i) Atteindre et maintenir un haut niveau de sûreté dans le monde entier en matière de gestion du combustible usé et des déchets radioactifs, grâce au renforcement des mesures nationales et de la coopération internationale, y compris, s'il y a lieu, de la coopération technique en matière de sûreté;
  ii) Faire en sorte qu'à tous les stades de la gestion du combustible usé et des déchets radioactifs il existe des défenses efficaces contre les risques potentiels afin que les individus, la société et l'environnement soient protégés, aujourd'hui et à l'avenir, contre les effets nocifs des rayonnements ionisants, de sorte qu'il soit satisfait aux besoins et aux aspirations de la génération actuelle sans compromettre la capacité des générations futures de satisfaire les leurs;
  iii) Prévenir les accidents ayant des conséquences radiologiques et atténuer ces conséquences au cas où de tels accidents se produiraient à un stade quelconque de la gestion du combustible usé ou des déchets radioactifs.
Art. 2. Begripsomschrijvingen.
  Voor de toepassing van dit Verdrag :
  a) Wordt onder "vergunning" verstaan elke door een regulerend lichaam verleende machtiging, toestemming of certificatie ter verrichting van activiteiten met betrekking tot het beheer van bestraalde splijtstof of van radioactief afval;
  b) Wordt onder "bestraalde splijtstof" verstaan splijtstof die is bestraald in en permanent verwijderd uit een reactorkern;
  c) wordt onder "radioactief afval" verstaan radioactieve stoffen in gasvormige, vloeibare of vaste vorm waarvoor geen verder gebruik is voorzien door de Verdragsluitende Partij of door een natuurlijke of rechtspersoon wiens beslissing door de Verdragsluitende Partij wordt aanvaard en dat door een regulerend lichaam als radioactief afval wordt gecontroleerd overeenkomstig het wet- en regelgevend kader van de Verdragsluitende Partij;
  d) Wordt onder "decommissioning" verstaan alle maatregelen die ertoe leiden dat een kerninstallatie, anders dan een faciliteit voor eindberging, niet meer aan regulering onderworpen is. Deze maatregelen omvatten mede de processen van ontsmetting en ontmanteling;
  e) Wordt onder "operationele levensduur" verstaan de periode gedurende welke een faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof of radioactief afval voor het beoogde doel wordt gebruikt. In het geval van een faciliteit voor opberging begint deze periode op het moment waarop de bestraalde splijtstof of het radioactieve afval voor de eerste keer in de faciliteit wordt geplaatst en eindigt zij bij de sluiting van de faciliteit;
  f) Wordt onder "opslag" verstaan het voorhanden hebben van bestraalde splijtstof of radioactief afval in een faciliteit die in de insluiting daarvan voorziet, met de bedoeling het terug te halen;
  g) Wordt onder "Staat van bestemming" verstaan de Staat naar welke een grensoverschrijdende overbrenging wordt gepland of plaatsvindt;
  h) Wordt onder "Staat van herkomst" verstaan een Staat waarvandaan een grensoverschrijdende overbrenging wordt gepland of plaatsvindt;
  i) Wordt onder "Staat van doorvoer" verstaan elke Staat, anders dan een Staat van herkomst of een Staat van bestemming, over het grondgebied waarvan een grensoverschrijdende overbrenging wordt gepland of plaatsvindt;
  j) Wordt onder "sluiting" verstaan de voltooiing van alle werkzaamheden op enig moment na het plaatsen van de bestraalde splijtstof of het radioactief afval in een faciliteit voor eindberging. Dit omvat mede het verrichten van de laatste technische of andere werkzaamheden die zijn vereist om de faciliteit in een toestand te brengen die de veiligheid voor de lange termijn garandeert.
  k) Wordt onder "beheer van radioactief afval" verstaan alle activiteiten, met inbegrip van buitenbedrijfstelling, die verband houden met de behandeling, voorbewerking, bewerking, conditionering, opslag of opberging van radioactief afval, met uitzondering van het vervoer buiten de vestigingsplaats. Hiertoe kunnen ook lozingen behoren;
  l) Wordt onder "beheer van bestraalde splijtstof" verstaan alle activiteiten die verband houden met de behandeling of opslag van bestraalde splijtstof, met uitzondering van het vervoer buiten de inrichting. Hiertoe kunnen ook lozingen behoren;
  m) Wordt onder "faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof" verstaan elke faciliteit of inrichting waarvan het voornaamste doel is het beheer van bestraalde splijtstof;
  n) Wordt onder "faciliteit voor het beheer van radioactief afval" verstaan elke faciliteit of inrichting waarvan het voornaamste doel is het beheer van radioactief afval, met inbegrip van een kerninstallatie ten aanzien waarvan een procedure van buitenbedrijfstelling loopt, op voorwaarde dat een dergelijke faciliteit of inrichting door de Verdragsluitende Partij als een faciliteit voor het beheer van radioactief afval wordt aangewezen;
  o) Wordt onder "kerninstallatie" verstaan een civiele installatie met de bijbehorende grond, gebouwen en uitrusting waar radioactieve stoffen worden geproduceerd, bewerkt, gebruikt, behandeld, opgeslagen of opgeborgen op een zodanige schaal dat de veiligheid in acht moet worden genomen;
  p) Wordt onder "grensoverschrijdende overbrenging" verstaan elke overbrenging van bestraalde splijtstof of radioactief afval uit een Staat van herkomst naar een Staat van bestemming.
  q) Wordt onder "regulerend lichaam" verstaan een of meer lichamen waaraan door de Verdragsluitende Partij de wettelijke bevoegdheid is verleend elk aspect van de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof of radioactief afval te reguleren, met inbegrip van het afgeven van vergunningen;
  r) Wordt onder "lozingen" verstaan het planmatig en gecontroleerd in het milieu brengen als legitieme praktijk, binnen de door het regulerend lichaam toegestane grenzen, van vloeibare of gasvormige radioactieve stoffen die afkomstig zijn van gereguleerde kerninstallaties tijdens de normale bedrijfsvoering daarvan;
  s) Wordt onder "opwerking" verstaan een proces of een werkwijze waarvan het doel is radioactieve isotopen uit bestraalde splijtstof te winnen voor verder gebruik;
  t) Wordt onder "ingekapselde bron" verstaan radioactieve stoffen die permanent in een capsule zijn opgesloten of in een vaste niet verspreidbare vorm zijn gebracht, met uitzondering van splijtstofelementen voor reactoren;
  u) Wordt onder "eindberging" verstaan het plaatsen van bestraalde splijtstof of radioactief afval in een geschikte faciliteit zonder de bedoeling het terug te halen;
Art. 2. Définitions.
  Aux fins de la présente Convention :
  a) " Autorisation " s'entend de toute autorisation, permission ou attestation délivrée par un organisme de réglementation pour entreprendre toute activité ayant trait à la gestion du combustible usé ou des déchets radioactifs;
  b) " Combustible usé " s'entend du combustible nucléaire qui a été irradié dans le coeur d'un réacteur et qui en a été définitivement retiré;
  c) " Déchets radioactifs " s'entend des matières radioactives sous forme gazeuse, liquide ou solide pour lesquelles aucune utilisation ultérieure n'est prévue par la Partie contractante ou par une personne physique ou morale dont la décision est acceptée par la Partie contractante et qui sont contrôlées en tant que déchets radioactifs par un organisme de réglementation conformément au cadre législatif et réglementaire de la Partie contractante;
  d) " Déclassement " s'entend de toutes les étapes conduisant à la levée du contrôle réglementaire sur une installation nucléaire autre qu'une installation de stockage définitif. Ces étapes comprennent les opérations de décontamination et de démantèlement;
  e) " Durée de vie utile " s'entend de la période au cours de laquelle une installation de gestion de combustible usé ou de déchets radioactifs est utilisée aux fins prévues. Dans le cas d'une installation de stockage définitif, cette période commence au moment où du combustible usé ou des déchets radioactifs sont mis en place pour la première fois dans l'installation et se termine avec la fermeture de celle-ci;
  f) " Entreposage " s'entend de la détention de combustible usé ou de déchets radioactifs dans une installation qui en assure le confinement, dans l'intention de les récupérer;
  g) " Etats de destination " s'entend de l'Etat vers lequel un mouvement transfrontière est prévu ou a lieu;
  h) " Etat d'origine " s'entend de l'Etat à partir duquel un mouvement transfrontière est prévu ou est engagé;
  i) " Etat de transit " s'entend de tout Etat, autre que l'Etat d'origine ou l'Etat de destination, à travers le territoire duquel un mouvement transfrontière est prévu ou a lieu;
  j) " Fermeture " s'entend de l'achèvement de toutes les opérations un certain temps après la mise en place de combustible usé ou de déchets radioactifs dans une installation de stockage définitif. Ces opérations comprennent les derniers ouvrages ou autres travaux requis pour assurer à long terme la sûreté de l'installation;
  k) " Gestion des déchets radioactifs " s'entend de toutes les activités, y compris les activités de déclassement, qui ont trait à la manutention, au prétraitement, au traitement, au conditionnement, à l'entreposage ou au stockage définitif des déchets radioactifs, à l'exclusion du transport à l'extérieur d'un site. Cela peut aussi comprendre des rejets d'effluents;
  l) " Gestion du combustible usé " s'entend de toutes les activités qui ont trait à la manutention ou à l'entreposage du combustible usé, à l'exclusion du transport à l'extérieur d'un site. Cela peut aussi comprendre des rejets d'effluents;
  m) " Installation de gestion de combustible usé " s'entend de toute installation ou de tout établissement ayant principalement pour objet la gestion de combustible usé;
  n) " Installation de gestion de déchets radioactifs " s'entend de toute installation ou de tout établissement qui a principalement pour objet la gestion de déchets radioactifs, y compris d'une installation nucléaire en cours de déclassement à condition qu'elle soit définie par la Partie contractante comme installation de gestion de déchets radioactifs;
  o) " Installation nucléaire " s'entend d'une installation civile avec son terrain, ses bâtiments et ses équipements, dans laquelle des matières radioactives sont produites, traitées, utilisées, manipulées, entreposées ou stockées définitivement à un niveau tel qu'il faut considérer des dispositions de sûreté;
  p) " Mouvement transfrontière " s'entend de toute expédition de combustible usé ou de déchets radioactifs d'un Etat d'origine vers un Etat de destination;
  q) " Organisme de réglementation " s'entend d'un ou de plusieurs organismes investis par la Partie contractante du pouvoir juridique de réglementer tout aspect de la sûreté de la gestion du combustible usé ou des déchets radioactifs, et notamment de délivrer des autorisations;
  r) " Rejets d'effluents " s'entend d'émissions dans l'environnement de matières radioactives liquides ou gazeuses en tant que pratique légitime au cours de l'exploitation normale d'installations nucléaires réglementées. Ces émissions sont programmées et contrôlées dans les limites autorisées par l'organisme de réglementation;
  s) " Retraitement " s'entend d'un processus ou d'une opération ayant pour objet d'extraire des isotopes radioactifs du combustible usé aux fins d'utilisation ultérieure;
  t) " Source scellée " s'entend des matières radioactives qui sont enfermées d'une manière permanente dans une capsule ou fixées sous forme solide, à l'exclusion des éléments combustibles pour réacteurs;
  u) " Stockage définitif " s'entend de la mise en place de combustible usé ou de déchets radioactifs dans une installation appropriée sans intention de les récupérer.
Art. 3. Werkingssfeer.
  1. Dit Verdrag is van toepassing op de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof wanneer de bestraalde splijtstof resulteert uit de bedrijfsvoering van civiele kernreactoren. Bestraalde splijtstof die in opwerkingsfaciliteiten voorhanden is als onderdeel van een opwerkingsactiviteit valt niet onder de werkingssfeer van dit Verdrag, tenzij de Verdragsluitende Partij verklaart dat opwerking deel uitmaakt van het beheer van bestraalde splijtstof.
  2. Dit Verdrag is tevens van toepassing op de veiligheid van het beheer van radioactief afval wanneer dit radioactieve afval resulteert uit civiele toepassingen. Dit Verdrag is echter niet van toepassing op afval dat slechts natuurlijke radioactieve stoffen bevat en dat niet afkomstig is uit de splijtstofcyclus, tenzij het bestaat uit een buiten bedrijf genomen ingekapselde bron of door de Verdragsluitende Partij wordt aangemerkt als radioactief afval in de zin van dit Verdrag.
  3. Dit Verdrag is niet van toepassing op de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof of radioactief afval binnen militaire of defensieprogramma's, tenzij deze door de Verdragsluitende Partij als bestraalde splijtstof of radioactief afval in de zin van dit Verdrag zijn aangemerkt. Dit Verdrag is echter van toepassing op de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval afkomstig uit militaire of defensieprogramma's indien en wanneer deze stoffen permanent worden overgedragen aan en beheerd worden binnen uitsluitend civiele programma's.
  4. Dit Verdrag is tevens van toepassing op lozingen overeenkomstig de artikelen 4, 7, 11, 14, 24 en 26.
Art. 3. Champ d'application.
  1. La présente Convention s'applique à la sûreté de la gestion du combustible usé lorsque celui-ci résulte de l'exploitation de réacteurs nucléaires civils. Le combustible usé détenu dans les installations de retraitement qui fait l'objet d'une activité de retraitement n'entre pas dans le champ d'application de la présente Convention à moins que la Partie contractante ne déclare que le retraitement fait partie de la gestion de combustible usé.
  2. La présente Convention s'applique également à la sûreté de la gestion des déchets radioactifs lorsque ceux-ci résultent d'applications civiles. Cependant, elle ne s'applique pas aux déchets qui ne contiennent que des matières radioactives naturelles et ne proviennent pas du cycle du combustible nucléaire, à moins qu'ils ne constituent une source scellée retirée du service ou qu'ils ne soient déclarés comme déchets radioactifs aux fins de la présente Convention par la Partie contractante.
  3. La présente Convention ne s'applique pas à la sûreté de la gestion de combustible usé ou des déchets radioactifs qui font partie de programmes militaires ou de défense, à moins qu'ils n'aient été déclarés comme combustible usé ou déchets radioactifs aux fins de la présente Convention par la Partie contractante. Toutefois, la présente Convention s'applique à la sûreté de la gestion du combustible usé et des déchets radioactifs provenant de programmes militaires ou de défense si et lorsque ces matières sont transférées définitivement à des programmes exclusivement civils et gérées dans le cadre de ces programmes.
  4. La présente Convention s'applique également aux rejets d'effluents conformément aux dispositions des articles 4, 7, 11, 14, 24 et 26.
HOOFDSTUK 2. - Veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof.
CHAPITRE 2. - Sûreté de la gestion du combustible usé.
Art. 4. Algemene veiligheidseisen.
  Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat in alle stadia van het beheer van bestraalde splijtstof personen, de samenleving en het milieu op adequate wijze beschermd zijn tegen de gevaren van radioactiviteit.
  Elke Verdragsluitende Partij neemt hierbij passende maatregelen :
  i) Om zeker te stellen dat met kritikaliteit en afvoer van restwarmte die tijdens het beheer van bestraalde splijtstof ontstaat in voldoende mate rekening wordt gehouden;
  ii) Om zeker te stellen dat de productie van radioactief afval waarmee het beheer van bestraalde splijtstof gepaard gaat zo laag als praktisch mogelijk is wordt gehouden, in overeenstemming met het beleid dat is aangenomen ten aanzien van de splijtstofcyclus;
  iii) Om rekening te houden met de onderlinge relaties die bestaan tussen de verschillende fasen van het beheer van bestraalde splijtstof;
  iv) Om te zorgen voor effectieve bescherming van personen, de samenleving en het milieu door op nationaal niveau geschikte beschermingsmethoden toe te passen die zijn goedgekeurd door het regulerend lichaam, in het kader van haar nationale wetgeving waarin naar behoren rekening wordt gehouden met internationaal goedgekeurde criteria en normen;
  v) Om rekening te houden met biologische, chemische en andere gevaren waarmee het beheer van bestraalde splijtstof gepaard kan gaan;
  vi) Om te trachten handelingen te vermijden waarvan de redelijkerwijs voorzienbare gevolgen voor de toekomstige generaties groter zijn dan de gevolgen die voor de huidige generatie zijn toegestaan;
  vii) Om te trachten te vermijden dat de toekomstige generaties overmatig worden belast.
Art. 4. Prescriptions générales de sûreté.
  Chaque Partie contractante prend les mesures appropriées pour que, à tous les stades de la gestion du combustible usé, les individus, la société et l'environnement soient protégés de manière adéquate contre les risques radiologiques.
  Ce faisant, chaque Partie contractante prend les mesures appropriées pour :
  i) Faire en sorte que la criticité et l'évacuation de la chaleur résiduelle produite pendant la gestion du combustible usé soient prises en compte de manière adéquate;
  ii) Faire en sorte que la production de déchets radioactifs liée à la gestion du combustible usé soit maintenue au niveau le plus bas qu'il soit possible d'atteindre, compte tenu du type de politique adoptée en matière de cycle du combustible;
  iii) Tenir compte des liens d'interdépendance existant entre les différentes étapes de la gestion du combustible usé;
  iv) Assurer une protection efficace des individus, de la société et de l'environnement en appliquant au niveau national des méthodes de protection appropriées qui ont été approuvées par l'organisme de réglementation, dans le cadre de sa législation nationale, laquelle tient dûment compte des critères et normes internationalement approuvés;
  v) Tenir compte des risques biologiques, chimiques et autres qui peuvent être associés à la gestion du combustible usé;
  vi) S'efforcer d'éviter les actions dont les effets raisonnablement prévisibles sur les générations futures sont supérieurs à ceux qui sont admis pour la génération actuelle;
  vii) Chercher à éviter d'imposer des contraintes excessives aux générations futures.
Art. 5. Bestaande faciliteiten.
  Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om de veiligheid te toetsen van elke faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof die bestaat op het tijdstip waarop het Verdrag voor die Verdragsluitende Partij in werking treedt en om te waarborgen dat, indien noodzakelijk, alle redelijkerwijs uitvoerbare verbeteringen worden aangebracht ter vergroting van de veiligheid van een dergelijke faciliteit.
Art. 5. Installations existantes.
  Chaque Partie contractante prend les mesures appropriées pour examiner la sûreté de toute installation de gestion de combustible usé existant au moment où la présente Convention entre en vigueur à son égard et faire en sorte que, si besoin est, toutes les améliorations qui peuvent raisonnablement y être apportées le soient en vue d'en renforcer la sûreté.
Art. 6. Keuze van de vestigingsplaats van geplande faciliteiten.
  1. Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om te waarborgen dat procedures worden vastgelegd en uitgevoerd voor een geplande faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof :
  i) Om alle relevante met de locatie samenhangende factoren te evalueren die van invloed zouden kunnen zijn op de veiligheid van deze faciliteit gedurende de operationele levensduur daarvan;
  ii) Om alle eventuele effecten vanuit het oogpunt van veiligheid te evalueren die een dergelijke faciliteit zou kunnen hebben op personen, de samenleving en het milieu;
  iii) Om informatie over de veiligheid van deze faciliteit toegankelijk te maken voor het publiek;
  iv) Om Verdragsluitende Partijen in de nabijheid van deze faciliteit te raadplegen, voor zover zij gevolgen van die faciliteit zouden kunnen ondervinden, en desgewenst algemene gegevens over de installatie te verstrekken aan die Verdragsluitende Partijen teneinde hen in staat te stellen om zelf eventuele effecten van de faciliteit op hun eigen grondgebied te evalueren vanuit het oogpunt van veiligheid.
  2. Elke Verdragsluitende Partij neemt hierbij passende maatregelen om zeker te stellen dat deze faciliteiten geen onaanvaardbare effecten hebben op andere Verdragsluitende Partijen door de vestigingsplaats van de faciliteiten te kiezen in overeenstemming met de algemene veiligheidseisen van artikel 4.
Art. 6. Choix du site des installations en projet.
  1. Chaque Partie contractante prend les mesures appropriées pour que des procédures soient mises en place et appliquées pour une installation de gestion de combustible usé en projet, en vue :
  i) D'évaluer tous les facteurs pertinents liés au site qui sont susceptibles d'influer sur la sûreté de cette installation pendant la durée de sa vie utile;
  ii) D'évaluer l'impact que cette installation est susceptible d'avoir, du point de vue de la sûreté, sur les individus, la société et l'environnement;
  iii) De mettre à la disposition du public des informations sur la sûreté de cette installation;
  iv) De consulter les Parties contractantes voisines d'une telle installation, dans la mesure où celle-ci est susceptible d'avoir des conséquences pour elles, et de leur communiquer, à leur demande, des données générales concernant l'installation afin de leur permettre d'évaluer l'impact probable de celle-ci en matière de sûreté sur leur territoire.
  2. Ce faisant, chaque Partie contractante prend les mesures appropriées pour que de telles installations n'aient pas d'effets inacceptables sur d'autres Parties contractantes en choisissant leur site conformément aux prescriptions générales de sûreté énoncées à l'article 4.
Art. 7. Ontwerp en bouw van faciliteiten.
  Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat :
  i) Bij het ontwerp en de bouw van een faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof wordt voorzien in adequate maatregelen ter beperking van eventuele effecten van radioactieve stoffen op personen, de samenleving en het milieu, met inbegrip van effecten ten gevolge van lozingen of van ongecontroleerde emissie;
  ii) In de ontwerpfase rekening wordt gehouden met conceptuele plannen en, indien noodzakelijk, met technische maatregelen voor de buitenbedrijfstelling van een faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof;
  iii) De technologieën die bij het ontwerp en de bouw van een faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof worden toegepast worden ondersteund door ervaring, testen of analyses.
Art. 7. Conception et construction des installations.
  Chaque Partie contractante prend les mesures appropriées pour que :
  i) Lors de la conception et de la construction d'une installation de gestion de combustible usé, des mesures appropriées soient prévues pour restreindre les éventuelles incidences radiologiques sur les individus, la société et l'environnement, y compris celles qui sont dues aux rejets d'effluents ou aux émissions incontrôlées;
  ii) Au stade de la conception, il soit tenu compte des plus théoriques et, selon les besoins, des dispositions techniques pour le déclassement d'une installation de gestion de combustible usé;
  iii) Les technologies utilisées dans la conception et la construction d'une installation de gestion de combustible usé s'appuient sur l'expérience, des essais ou des analyses.
Art. 8. Beoordeling van veiligheid van faciliteiten.
  Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat :
  i) Vóór de bouw van een faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof een systematische veiligheidsbeoordeling en een beoordeling van de milieueffecten plaatsvindt, afgestemd op het gevaar dat de faciliteit oplevert en die de operationele levensduur daarvan bestrijkt;
  ii) Vóór de inbedrijfstelling van een faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof bijgewerkte en gedetailleerde versies van het veiligheidsrapport en het milieueffectrapport worden opgesteld, wanneer dit noodzakelijk wordt geacht, ter aanvulling op de in het eerste lid bedoelde beoordelingen.
Art. 8. Evaluation de la sûreté des installations.
  Chaque Partie contractante prend les mesures appropriées pour que :
  i) Avant la construction d'une installation de gestion de combustible usé, il soit procédé à une évaluation systématique de la sûreté et à une évaluation environnementale qui soient appropriées au risque présenté pour l'installation et qui couvrent sa durée de vie utile;
  ii) Avant l'exploitation d'une installation de gestion de combustible usé, des versions mises à jour et détaillées de l'évaluation de sûreté et de l'évaluation environnementale soient établies, lorsque cela est jugé nécessaire, pour compléter les évaluation visées à l'alinéa i).
Art. 9. Bedrijfsvoering van faciliteiten.
  Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat :
  i) De vergunning tot inbedrijfstelling van een faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof gebaseerd is op deugdelijke beoordelingen van de veiligheid als bedoeld in artikel 8 en wordt afgegeven op voorwaarde dat een inbedrijfstellingsprogramma is voltooid waaruit blijkt dat de installatie, zoals deze is gebouwd, voldoet aan de ontwerp- en veiligheidseisen;
  ii) Bedrijfslimieten en -voorwaarden, voortvloeiende uit de testen, bij de bedrijfsvoering opgedane ervaring en de beoordelingen bedoeld in artikel 8 worden vastgelegd en zo nodig herzien;
  iii) De bedrijfsvoering, het onderhoud, het toezicht, de inspectie en beproeving van een faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof geschiedt in overeenstemming met goedgekeurde procedures;
  iv) Bouwkundige en technische ondersteuning op alle met de veiligheid verband houdende terreinen beschikbaar is gedurende de levensduur van een faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof;
  v) Voorvallen die van belang zijn voor de veiligheid door de houder van de vergunning tijdig bij het regulerend lichaam worden gemeld;
  vi) Programma's worden opgesteld voor het verzamelen en analyseren van gegevens over de bij de bedrijfsvoering opgedane ervaring en dat waar nodig wordt gehandeld naar de verkregen resultaten;
  vii) Buitenbedrijfstellingsplannen voor een faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof worden opgesteld en zo nodig bijgewerkt, met behulp van de informatie die is verkregen gedurende de operationele levensduur van die faciliteit, en door het regulerend lichaam worden bestudeerd.
Art. 9. Exploitation des installations.
  Chaque Partie contractante prend les mesures appropriées pour que :
  i) L'autorisation d'exploiter une installation de gestion de combustible usé se fonde sur les évaluations appropriées spécifiées à l'article 8 et soit subordonnée à l'exécution d'un programme de mise en service démontrant que l'installation, telle que construite, est conforme aux exigences de conception et de sûreté;
  ii) Des limites et conditions d'exploitation découlant d'essais, de l'expérience d'exploitation et des évaluations spécifiées à l'article 8 soient définies et révisées si besoin est;
  iii) L'exploitation, la maintenance, la surveillance, l'inspection et les essais d'une installation de gestion de combustible usé soient assurés conformément aux procédures établies;
  iv) Un appui en matière d'ingénierie et de technologie dans tous les domaines liés à la sûreté soit disponible pendant toute la durée de vie utile d'une installation de gestion de combustible usé;
  v) Les incidents significatifs pour la sûreté soient déclarés en temps voulu par le titulaire de l'autorisation à l'organisation de réglementation;
  vi) Des programmes de collecte et d'analyse des données pertinentes de l'expérience d'exploitation soient mis en place et qu'il soit donné suite aux résultats obtenus, lorsqu'il y a lieu;
  vii) Des plans de déclassement d'une installation de gestion de combustible usé soient élaborés et mis à jour, selon les besoins, à l'aide des informations obtenues au cours de la durée de vie utile de cette installation, et qu'ils soient examinés par l'organisme de réglementation.
Art. 10. Eindberging van bestraalde splijtstof.
  Indien een Verdragsluitende Partij, krachtens haar eigen wet- en regelgevend kader, bestraalde splijtstof heeft aangewezen voor opberging, geschiedt de eindberging van deze bestraalde splijtstof in overeenstemming met de verplichtingen van hoofdstuk 3 met betrekking tot de eindberging van radioactief afval.
Art. 10. Stockage définitif du combustible usé.
  Si, conformément à son propre cadre législatif et réglementaire, une Partie contractante a désigné du combustible usé pour stockage définitif, celui-ci est réalisé conformément aux obligations énoncées au chapitre 3 en ce qui concerne le stockage définitif des déchets radioactifs.
HOOFDSTUK 3. - Veiligheid van het beheer van radioactief afval.
CHAPITRE 3. - Sûreté de la gestion des déchets radioactifs.
Art. 11. Algemene veiligheidseisen.
  Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat in alle stadia van het beheer van radioactief afval personen, de samenleving en het milieu op adequate wijze beschermd zijn tegen gevaren van radioactiviteit en andere gevaren.
  Elke Verdragsluitende Partij neemt hierbij passende maatregelen :
  i) om zeker te stellen dat met kritikaliteit en lozingen van restwarmte die tijdens het beheer van radioactief afval ontstaat in voldoende mate rekening wordt gehouden;
  ii) om zeker te stellen dat de productie van radioactief afval zo laag als praktisch mogelijk is wordt gehouden;
  iii) om rekening te houden met de onderlinge relaties die bestaan tussen de verschillende fasen van het beheer van radioactief afval;
  iv) om te zorgen voor effectieve bescherming van personen, de samenleving en het milieu door op nationaal niveau geschikte beschermingsmethoden toe te passen die zijn goedgekeurd door het regulerend lichaam, in het kader van haar nationale wetgeving waarin in hoge mate rekening wordt gehouden met internationaal goedgekeurde criteria en normen;
  v) om rekening te houden met biologische, chemische en andere gevaren waarmee het beheer van radioactief afval gepaard kan gaan;
  vi) om te trachten handelingen te vermijden waarvan de redelijkerwijs voorzienbare gevolgen voor de toekomstige generaties groter zijn dan de gevolgen die voor de huidige generatie zijn toegestaan;
  vii) om te trachten te vermijden dat de toekomstige generaties overmatig worden belast.
Art. 11. Prescriptions générales de sûreté.
  Chaque Partie contractante prend les mesures appropriées pour que, à tous les stades de la gestion des déchets radioactifs, les individus, la société et l'environnement soient protégés de manière adéquate contre les risques radiologiques et autres.
  Ce faisant, chaque Partie contractante prend les mesures appropriées pour :
  i) faire en sorte que la criticité et l'évacuation de la chaleur résiduelle produite pendant la gestion des déchets radioactifs soient prises en compte de manière adéquate;
  ii) faire en sorte que la production de déchets radioactifs soit maintenue au niveau le plus bas qu'il soit possible d'atteindre;
  iii) tenir compte des liens d'indépendance existant entre les différentes étapes de la gestion des déchets radioactifs;
  iv) assurer une protection efficace des individus de la société et de l'environnement en appliquant au niveau national des méthodes de protection appropriées qui ont été approuvées par l'organisme de réglementation, dans le cadre de la législation nationale, laquelle tient dûment compte des critères et normes internationalement approuvés;
  v) tenir compte des risques biologiques, chimiques et autres qui peuvent être associés à la gestion des déchets radioactifs;
  vi) s'efforcer d'éviter les actions dont les effets raisonnablement prévisibles sur les générations futures sont supérieurs à ceux qui sont admis pour la génération actuelle;
  vii) chercher à éviter d'imposer des contraintes excessives aux générations futures.
Art. 12. Bestaande faciliteiten en praktijken uit het verleden.
  Elke Verdragsluitende Partij neemt te zijner tijd passende maatregelen ter bestudering van :
  i) de veiligheid van elke faciliteit voor het beheer van radioactief afval die bestaat op het tijdstip van de inwerkingtreding van het Verdrag voor die Verdragsluitende Partij en om zeker te stellen dat, zo nodig, alle redelijkerwijs uitvoerbare verbeteringen worden aangebracht om de veiligheid van deze faciliteiten te verhogen;
  ii) de resultaten van praktijken uit het verleden om te kunnen bepalen of een interventie noodzakelijk is vanwege bescherming tegen straling, zonder uit het oog te verliezen dat de vermindering van schade als gevolg van de vermindering van de dosis voldoende moet zijn om de negatieve effecten en de kosten van de interventie, met inbegrip van de sociale kosten, te rechtvaardigen.
Art. 12. Installations existantes et pratiques antérieures.
  Chaque partie contractante prend en temps voulu les mesures appropriées pour examiner :
  i) La sûreté de toute installation de gestion de déchets radioactifs existant au moment où la présente Convention entre en vigueur à son égard et faire en sorte que, si besoin est, toutes les améliorations qui peuvent raisonnablement y être apportées le soient en vue d'en renforcer la sûreté;
  ii) Les conséquences des pratiques antérieures afin de déterminer si une intervention est nécessaire pour des raisons de radioprotection sans perdre de vue que la réduction du dommage résultant de la diminution de la dose devrait être suffisante pour justifier les effets négatifs et les coûts liés à l'intervention, y compris les coûts sociaux.
Art. 13. Keuze van de vestigingsplaats van geplande faciliteiten.
  1. Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om te waarborgen dat procedures worden vastgelegd en uitgevoerd voor een geplande faciliteit voor het beheer van radioactief afval :
  i) om alle relevante met de locatie samenhangende factoren te evalueren die van invloed zouden kunnen zijn op de veiligheid van een dergelijke faciliteit gedurende de operationele levensduur daarvan en op de veiligheid van een eindbergingsfaciliteit na de sluiting ervan;
  ii) om alle eventuele effecten vanuit het oogpunt van veiligheid te evalueren die een dergelijke faciliteit zou kunnen hebben op personen, de samenleving en het milieu, rekening houdend met de eventuele ontwikkeling van de toestand van de vestigingsplaats van eindbergingsinstallaties na de sluiting daarvan;
  iii) om informatie over de veiligheid van deze faciliteit toegankelijk te maken voor het publiek;
  iv) om Verdragsluitende Partijen in de nabijheid van deze faciliteit te raadplegen, voor zover zij gevolgen van de installatie zouden kunnen ondervinden, en desgewenst algemene gegevens over de faciliteit te verstrekken aan die Verdragsluitende Partijen teneinde hen in staat te stellen zelf eventuele effecten van de faciliteit op hun eigen grondgebied te evalueren vanuit het oogpunt van veiligheid.
  2. Elke Verdragsluitende Partij neemt hierbij passende maatregelen om zeker te stellen dat deze faciliteiten geen onaanvaardbare effecten hebben op andere Verdragsluitende Partijen door de vestigingsplaats van de faciliteiten te kiezen in overeenstemming met de algemene veiligheidseisen van artikel 11.
Art. 13. Choix du site des installations en projet.
  1. Chaque Partie contractante prend les mesures appropriées pour que des procédures soient mises en place et appliquées pour une installation de gestion de déchets radioactifs en projet, en vue :
  i) D'évaluer tous les facteurs pertinents liés au site qui sont susceptibles d'influer sur la sûreté de cette installation pendant la durée de sa vie utile et sur celle d'une installation de stockage définitif après sa fermeture;
  ii) D'évaluer l'impact que cette installation est susceptible d'avoir, du point de vue de la sûreté, sur les individus, la société et l'environnement, compte tenu de l'évolution possible de l'état du site des installations de stockage définitif après leur fermeture;
  iii) De mettre à la disposition du public des informations sur la sûreté de cette installation;
  iv) De consulter les Parties contractantes voisines d'une telle installation, dans la mesure où celle-ci est susceptible d'avoir des conséquences pour elles, et de leur communiquer, à leur demande, des données générales concernant l'installation afin de leur permettre d'évaluer l'impact probable de celle-ci en matière de sûreté sur leur territoire.
  2. Ce faisant, chaque Partie contractante prend les mesures appropriées pour que de telles installations n'aient pas d'effets inacceptables sur d'autres Parties contractantes en choisissant leur site conformément aux prescriptions générales de sûreté énoncées à l'article 11.
Art. 14. Ontwerp en bouw van faciliteiten.
  Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat :
  i) bij het ontwerp en de bouw van een faciliteit voor het beheer van radioactief afval wordt voorzien in adequate maatregelen om eventuele effecten van radioactieve stoffen op personen, de samenleving en het milieu, met inbegrip van effecten ten gevolge van afvoer of van ongecontroleerde emissie zo klein mogelijk te houden;
  ii) in de ontwerpfase rekening wordt gehouden met conceptuele plannen en, indien noodzakelijk, met technische maatregelen voor de buitenbedrijfstelling van een faciliteit voor het beheer van radioactief afval, anders dan een eindbergingsfaciliteit;
  iii) in de ontwerpfase technische maatregelen voor de sluiting van een eindbergingsfaciliteit worden opgesteld;
  iv) de technologieën die bij het ontwerp en de bouw van een faciliteit voor het beheer van radioactief afval worden toegepast worden ondersteund door ervaring, testen of analyses.
Art. 14. Conception et construction des installations.
  Chaque Partie contractante prend les mesures appropriées pour que :
  i) Lors de la conception et de la construction d'une installation de gestion de déchets radioactifs, des mesures appropriées soient prévues pour restreindre les éventuelles incidences radiologiques sur les individus, la société et l'environnement, y compris celles qui sont dues aux rejets d'effluents ou aux émissions incontrôlées;
  ii) Au stade de la conception, il soit tenu compte des plans théoriques et, selon les besoins, des dispositions techniques pour le déclassement d'une installation de gestion de déchets radioactifs autre qu'une installation de stockage définitif;
  iii) Au stade de la conception, des dispositions techniques soient élaborées pour la fermeture d'une installation de stockage définitif,
  iv) Les technologies utilisées dans la conception et la construction d'une installation de gestion de déchets radioactifs s'appuient sur l'expérience, des essais ou des analyses.
Art. 15. Beoordeling van veiligheid van faciliteiten.
  Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat :
  i) vóór de bouw van een faciliteit voor het beheer van radioactief afval een systematische veiligheidsbeoordeling en een beoordeling van de milieueffecten plaatsvindt, afgestemd op het gevaar dat de faciliteit oplevert en die de operationele levensduur daarvan bestrijkt;
  ii) bovendien, vóór de bouw van een eindbergingsfaciliteit, een systematische veiligheidsbeoordeling en een beoordeling van de milieueffecten voor de periode na de sluiting geschiedt en de resultaten worden geëvalueerd aan de hand van de criteria die door het regulerend lichaam zijn opgesteld;
  iii) vóór de inbedrijfstelling van een faciliteit voor het beheer van radioactief afval bijgewerkte en gedetailleerde versies van de veiligheidsbeoordeling en het milieueffectrapport worden opgesteld, wanneer dit noodzakelijk wordt geacht, ter aanvulling op de in het eerste lid bedoelde beoordelingen.
Art. 15. Evaluation de la sûreté des installations.
  Chaque Partie contractante prend les mesures appropriées pour que :
  i) Avant la construction d'une installation de gestion de déchets radioactifs, il soit procédé à une évaluation systématique de la sûreté et à une évaluation environnementale qui soient appropriées au risque présenté par l'installation et qui couvrent sa durée de vie utile;
  ii) En outre, avant la construction d'une installation de stockage définitif, il soit procédé à une évaluation systématique de la sûreté et à une évaluation environnementale pour la période qui suit la fermeture, et que les résultats soient évalués d'après les critères établis par l'organisme de réglementation;
  iii) Avant l'exploitation d'une installation de gestion de déchets radioactifs, des versions mises à jour et détaillées de l'évaluation de sûreté et de l'évaluation environnementale soient établies, lorsque cela est jugé nécessaire, pour compléter les évaluations visées à l'alinéa i).
Art. 16. Bedrijfsvoering van de faciliteiten.
  Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat :
  i) de vergunning tot inbedrijfstelling van een faciliteit voor het beheer van radioactief afval is gebaseerd op deugdelijke beoordelingen van de veiligheid als bedoeld in artikel 15 en wordt afgegeven op voorwaarde dat een inbedrijfstellingsprogramma is voltooid waaruit blijkt dat de faciliteit, zoals deze is gebouwd, voldoet aan de ontwerp- en veiligheidseisen;
  ii) bedrijfslimieten en -voorwaarden, voortvloeiende uit de testen, bij de bedrijfsvoering opgedane ervaring en de beoordelingen bedoeld in artikel 15 worden vastgelegd en zo nodig herzien;
  iii) de bedrijfsvoering, het onderhoud, het toezicht, de inspectie en beproeving van een faciliteit voor het beheer van radioactief afval geschiedt in overeenstemming met goedgekeurde procedures. Voor een eindbergingsfaciliteit dienen de aldus verkregen resultaten te worden gebruikt om de geldigheid van de veronderstellingen te verifiëren en te bestuderen en de beoordelingen genoemd in artikel 15 bij te werken voor de periode na de sluiting;
  iv) bouwkundige en technische ondersteuning op alle met de veiligheid verband houdende terreinen beschikbaar is gedurende de levensduur van een faciliteit voor het beheer van radioactief afval;
  v) procedures voor de karakterisering en het afscheiden van radioactief afval worden toegepast;
  vi) voorvallen die van belang zijn voor de veiligheid door de houder van de vergunning tijdig bij het regulerend lichaam worden gemeld;
  vii) programma's worden opgesteld voor het verzamelen en analyseren van gegevens over de bij de bedrijfsvoering opgedane ervaring en dat waar nodig wordt gehandeld naar de verkregen resultaten;
  viii) buitenbedrijfstellingsplannen voor een faciliteit voor het beheer van radioactief afval anders dan een eindbergingsfaciliteit worden opgesteld en zo nodig bijgewerkt, met behulp van de informatie die is verkregen gedurende de operationele levensduur van die faciliteit, en die door het regulerend lichaam worden bestudeerd.
  ix) plannen voor de sluiting van een eindbergingsfaciliteit worden opgesteld en zo nodig bijgewerkt, met behulp van de informatie die is verkregen tijdens de operationele levensduur van die faciliteit, en die door het regulerend lichaam worden bestudeerd.
Art. 16. Exploitation des installations.
  Chaque Partie contractante prend les mesures appropriées pour que :
  i) L'autorisation d'exploiter une installation de gestion de déchets radioactifs se fonde sur les évaluations appropriées spécifiées à l'article 15 et soit subordonnée à l'exécution d'un programme de mise en service démontrant que l'installation, telle que construite, est conforme aux exigences de conception et de sûreté;
  ii) Des limites et conditions d'exploitation découlant d'essais, de l'expérience d'exploitation et des évaluations spécifiées à l'article 15 soient définies et révisées si besoin est;
  iii) L'exploitation, la maintenance, la surveillance, l'inspection et les essais d'une installation de gestion de déchets radioactifs soient assurés conformément aux procédures établies. Dans le cas d'une installation de stockage définitif, les résultats ainsi obtenus sont utilisés pour vérifier et examiner la validité des hypothèses avancées et pour mettre à jour les évaluations spécifiées à l'article 15 pour la période qui suit la fermeture;
  iv) Un appui en matière d'ingénierie et de technologie dans tous les domaines liés à la sûreté soit disponible pendant toute la durée de vie utile d'une installation de gestion de déchets radioactifs;
  v) Des procédures de caractérisation et de séparation des déchets radioactifs soient appliquées;
  vi) Les incidents significatifs pour la sûreté soient déclarés en temps voulu par le titulaire de l'autorisation à l'organisme de réglementation;
  vii) Des programmes de collecte et d'analyse des données pertinentes de l'expérience d'exploitation soient mis en place et qu'il soit donné suite aux résultats obtenus, lorsqu'il y a lieu;
  viii) Des plans de déclassement d'une installation de gestion de déchets radioactifs, autre qu'une installation de stockage définitif, soient élaborés et mis à jour, selon les besoins, à l'aide des informations obtenues au cours de la durée de vie utile de cette installation, et qu'ils soient examinés par l'organisme de réglementation;
  ix) Des plans pour la fermeture d'une installation de stockage définitif soient élaborés et mis à jour, selon les besoins, à l'aide des informations obtenues au cours de la durée de vie utile de cette installation, et qu'ils soient examinés par l'organisme de réglementation.
Art. 17. Institutionele maatregelen na de sluiting.
  Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat na de sluiting van een eindbergingsfaciliteit :
  i) de door het regulerend lichaam vereiste dossiers over de locatie, het ontwerp en de inventaris van die faciliteit worden bewaard;
  ii) actieve of passieve institutionele controle, zoals toezicht of beperking van de toegang, wordt verricht, indien noodzakelijk, en
  iii) indien gedurende een periode van actieve institutionele controle, niet-geplande emissie van radioactieve stoffen in het milieu wordt ontdekt, interventiemaatregelen worden genomen, indien noodzakelijk.
Art. 17. Mesures institutionnelles après la fermeture.
  Chaque Partie contractante prend les mesures appropriées pour que, après la fermeture d'une installation de stockage définitif :
  i) Les dossiers exigés par l'organisme de réglementation au sujet de l'emplacement, de la conception et du contenu de cette installation soient conservés;
  ii) Des contrôles institutionnels, actifs ou passifs, tels que la surveillance ou les restrictions d'accès, soient assurés si cela est nécessaire;
  iii) Si, durant toute période de contrôle institutionnel actif, une émission non programmée de matières radioactives dans l'environnement est détectée, des mesures d'intervention soient mises en oeuvre en cas de besoin.
HOOFDSTUK 4. - Algemene veiligheidsbepalingen.
CHAPITRE 4. - Dispositions générales de sûreté.
Art. 18. Uitvoeringsbepalingen.
  Elke Verdragsluitende Partij treft binnen het kader van haar nationale recht de wetgevende, regelgevende en bestuurlijke maatregelen en andere voorzieningen die noodzakelijk zijn ter nakoming van haar verplichtingen ingevolge dit Verdrag.
Art. 18. Mesures d'application.
  Chaque Partie contractante prend, en droit interne, les mesures législatives, réglementaires et administratives et les autres dispositions qui sont nécessaires pour remplir ses obligations en vertu de la présente Convention.
Art. 19. Wet- en regelgevend kader.
  1. Elke Verdragsluitende Partij schept en handhaaft een wet- en regelgevend kader betreffende de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval.
  2. Dit wet- en regelgevend kader voorziet in :
  i) de totstandkoming van toepasselijke nationale veiligheidseisen en -voorschriften met betrekking tot de stralingsveiligheid;
  ii) een vergunningenstelsel voor activiteiten inzake het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval;
  iii) een verbodstelsel op de bedrijfsvoering van een installatie voor het beheer van bestraalde splijtstof of radioactief afval zonder vergunning;
  iv) een stelsel van passende institutionele controle, inspectie door het regulerend lichaam, documentatie en verslaglegging;
  v) de handhaving van de toepasselijke voorschriften en van het gestelde in de vergunningen;
  vi) een duidelijke toewijzing van de verantwoordelijkheden naar de betrokken organen in de verschillende fasen van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval.
  3. Wanneer nagegaan wordt of radioactieve stoffen aan de toepasselijke regelgeving voor radioactief afval moeten worden onderworpen houden de Verdragsluitende Partijen naar behoren rekening met de doelstellingen van dit Verdrag.
Art. 19. Cadre législatif et réglementaire.
  1. Chaque Partie contractante établit et maintient en vigueur un cadre législatif et réglementaire pour régir la sûreté de la gestion du combustible et des déchets radioactifs.
  2. Ce cadre législatif et réglementaire prévoit :
  i) L'établissement de prescriptions et de règlements nationaux pertinents en matière de sûreté radiologique;
  ii) Un système de délivrance d'autorisations pour les activités de gestion du combustible usé et des déchets radioactifs;
  iii) Un système interdisant l'exploitation sans autorisation d'une installation de gestion de combustible usé ou de déchets radioactifs;
  iv) Un système de contrôle institutionnel approprié, d'inspection réglementaire, de documentation et de rapports;
  v) Des mesures destinées à faire respecter les règlements applicables et les conditions des autorisations;
  vi) Une répartition claire des responsables des organismes concernés par les différentes étapes de la gestion du combustible usé et des déchets radioactifs.
  3. Lorsqu'elles examinent si des matières radioactives doivent être soumises à la réglementation applicable aux déchets radioactifs, les Parties contractantes tiennent dûment compte des objectifs de la présente Convention.
Art. 20. Regulerend lichaam.
  1. Door elke Verdragsluitende Partij wordt een regulerend lichaam opgericht of aangewezen ter uitvoering van het in artikel 19 bedoelde wet- en regelgevend kader, dat beschikt over passende bevoegdheden, bekwaamheid en financiële en personele middelen om de zijn toegewezen taken te vervullen.
  2. Elke Verdragsluitende Partij neemt in overeenstemming met haar wet- en regelgevend kader passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de regelgevende taken daadwerkelijk onafhankelijk zijn van andere taken indien organisaties die zowel bij het beheer van bestraalde splijtstof of radioactief afval als met de regelgeving ter zake betrokken zijn.
Art. 20. Organisme de réglementation.
  1. Chaque Partie contractante crée ou désigne un organisme de réglementation chargé de mettre en oeuvre le cadre législatif et réglementaire visé à l'article 19, et doté des pouvoirs, de la compétence et des ressources financières et humaines adéquats pour assumer les responsabilités qui lui sont assignées.
  2. Chaque Partie contractante prend, conformément à son cadre législatif et réglementaire, les mesures appropriées pour assurer une indépendance effective des fonctions de réglementation par rapport aux autres fonctions dans les organismes qui s'occupent à la fois de la gestion du combustible usé ou des déchets radioactifs et de la réglementation en la matière.
Art. 21. Verantwoordelijkheid van de vergunninghouder.
  1. Elke Verdragsluitende Partij zorgt ervoor dat de hoofdverantwoordelijkheid voor de veiligheid van een installatie voor het beheer van bestraalde splijtstof of radioactief afval berust bij de houder van de desbetreffende vergunning en neemt passende maatregelen om te waarborgen dat iedere vergunninghouder zijn verantwoordelijkheid in acht neemt.
  2. Indien er geen vergunninghouder of andere verantwoordelijke partij is, berust de verantwoordelijkheid bij de Verdragsluitende Partij die de jurisdictie heeft over de bestraalde splijtstof of over het radioactieve afval.
Art. 21. Responsabilité du titulaire d'une autorisation.
  1. Chaque Partie contractante fait le nécessaire pour que la responsabilité première de la sûreté de la gestion du combustible usé ou des déchets radioactifs incombe au titulaire de l'autorisation correspondante et prend les mesures appropriées pour que chaque titulaire d'une telle autorisation assume sa responsabilité.
  2. En l'absence de titulaire d'une autorisation ou d'une autre partie responsable, la responsabilité incombe à la Partie contractante qui a juridiction sur le combustible usé ou sur les déchets radioactifs.
Art. 22. Personele en financiële middelen.
  Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat :
  i) Het gekwalificeerde personeel, voorzover benodigd, beschikbaar is voor de met de veiligheid verband houdende activiteiten gedurende de levensduur van een installatie voor het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval;
  ii) er voldoende financiële middelen beschikbaar zijn ten behoeve van de veiligheid van de installaties voor het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval gedurende de operationele levensduur daarvan en voor de buitenbedrijfstelling;
  iii) er financiële voorzieningen zijn getroffen die het mogelijk maken dat adequate institutionele controles en meetprogramma's worden uitgevoerd en, zolang dit noodzakelijk wordt geacht worden voortgezet na de sluiting van een faciliteit voor eindberging.
Art. 22. Ressources humaines et financières.
  Chaque Partie contractante prend les mesures appropriées pour que :
  i) Le personnel qualifié nécessaire soit disponible pour les activités liées à la sûreté pendant la durée de vie utile d'une installation de gestion de combustible usé et de déchets radioactifs;
  ii) Des ressources financières suffisantes soient disponibles pour assurer la sûreté des installations de gestion de combustible usé et de déchets radioactifs pendant leur durée de vie utile et pour le déclassement;
  iii) Des dispositions financières soient prises pour assurer la continuité des contrôles institutionnels et des mesures de surveillance appropriés aussi longtemps qu'ils sont jugés nécessaires après la fermeture d'une installation de stockage définitif.
Art. 23. Kwaliteitsborging.
  Elke Verdragsluitende Partij neemt de noodzakelijke maatregelen om zeker te stellen dat passende programma's voor kwaliteitsborging inzake de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval worden opgezet en uitgevoerd.
Art. 23. Assurance de la qualité.
  Chaque Partie contractante prend les mesures nécessaires pour que soient établis et exécutés des programmes appropriés d'assurance de la qualité concernant la sûreté de la gestion du combustible use et des déchets radioactifs.
Art. 24. Bescherming tegen straling tijdens de bedrijfsvoering.
  1. Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat gedurende de operationele levensduur van een faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof of radioactief afval :
  i) de blootstelling van werknemers en het publiek aan straling veroorzaakt door de faciliteit zo gering te laten zijn als redelijkerwijs mogelijk is, met inachtneming van economische en sociale factoren;
  ii) iemand in normale situaties wordt blootgesteld aan stralingsdoses die hoger liggen dan de geldende nationale dosislimieten, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met internationaal goedgekeurde normen op het gebied van bescherming tegen straling; en
  iii) maatregelen worden genomen ter voorkoming van niet-geplande en ongecontroleerde emissies van radioactieve stoffen in het milieu.
  2. Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat lozingen worden beperkt :
  i) om blootstelling aan ioniserende straling zo gering te laten blijven als redelijkerwijs mogelijk is, met inachtneming van economische en sociale factoren;
  ii) zodanig dat niemand in normale situaties wordt blootgesteld aan stralingsdoses die hoger liggen dan de geldende nationale dosislimieten, waarin naar behoren rekening wordt gehouden met internationaal goedgekeurde normen op het gebied van bescherming tegen straling.
  3. Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat tijdens de operationele levensduur van een gereguleerde kerninstallatie, in het geval dat een niet-geplande of ongecontroleerde emissie van radioactieve stoffen in het milieu geschiedt, passende corrigerende maatregelen worden getroffen om de lozingen te beheersen en de effecten ervan te beperken.
Art. 24. Radioprotection durant l'exploitation.
  1. Chaque Partie contractante prend les mesures appropriées pour que, pendant la durée de vie utile d'une installation de gestion de combustible usé ou de déchets radioactifs :
  i) L'exposition des travailleurs et du public aux rayonnements due à l'installation soit maintenue au niveau le plus bas qu'il soit raisonnablement possible d'atteindre, compte tenu des facteurs économiques et sociaux;
  ii) Aucun individu ne soit exposé, dans des situations normales, à des doses de rayonnement dépassant les limites de dose prescrites au niveau national, qui tiennent dûment compte des normes internationalement approuvées en matiere de radioprotection;
  iii) Des mesures soient prises pour empêcher les émissions non programmées et incontrôlées de matières radioactives dans l'environnement.
  2. Chaque Partie contractante prend les mesures appropriées pour que les rejets d'effluents soient limités :
  i) Afin de maintenir l'exposition aux rayonnements ionisants au niveau le plus bas qu'il soit raisonnablement possible d'atteindre, compte tenu des facteurs économiques et sociaux;
  ii) De façon qu'aucun individu ne soit exposé, dans des situations normales, à des doses de rayonnement dépassant les limites de dose prescrites au niveau national, qui tiennent dûment compte des normes internationalement approuvées en matière de radioprotection.
  3. Chaque Partie contractante prend les mesures appropriées pour que pendant la durée de vie utile d'une installation nucléaire réglementée, au cas où une émission non programmée ou incontrôlée de matières radioactives dans l'environnement se produirait, des mesures correctives appropriées soient mises en oeuvre afin de maîtriser l'émission et d'en atténuer les effets.
Art. 25. Voorbereiding op noodsituaties.
  1. Elke Verdragsluitende Partij stelt zeker dat er voor en tijdens de bedrijfsvoering van een installatie voor het beheer van bestraalde splijtstof of radioactief afval passende interne en, indien nodig, externe rampenbestrijdingsplannen bestaan. Deze rampenbestrijdingsplannen dienen regelmatig te worden getest.
  2. Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen voor het opstellen en testen van rampenbestrijdingsplannen voor haar grondgebied, voor zover zij zou kunnen worden getroffen door een ongeval met stralingsgevolgen in een faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof of radioactief afval in de nabijheid van haar grondgebied.
Art. 25. Organisation pour les cas d'urgence.
  1. Chaque Partie contractante veille à ce que, avant et pendant l'exploitation d'une installation de gestion de combustible usé ou de déchets radioactifs, il existe des plans d'urgence concernant le site et, au besoin, des plans d'urgence hors site appropriés. Ces plans d'urgence devraient être testés à intervalles réguliers appropriés.
  2. Chaque Partie contractante prend les mesures appropriées pour élaborer et tester les plans d'urgence pour son territoire dans la mesure où elle est susceptible d'être touchée en cas de situation d'urgence radiologique dans une installation de gestion de combustible usé ou de déchets radioactifs voisine de son territoire.
Art. 26. Buitenbedrijfstelling.
  Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om de veiligheid van de buitenbedrijfstelling van een kerninstallatie zeker te stellen. Deze maatregelen moeten waarborgen dat :
  i) gekwalificeerd personeel en voldoende financiële middelen beschikbaar zijn;
  ii) de bepalingen van artikel 24 met betrekking tot bescherming tegen straling tijdens de bedrijfsvoering, lozingen en niet-geplande en ongecontroleerde emissies worden toegepast;
  iii) de bepalingen van artikel 25 met betrekking tot de voorbereiding op ongevallen worden toegepast; en
  iv) dossiers met belangrijke informatie over de buitenbedrijfstelling worden bewaard.
Art. 26. Déclassement.
  Chaque Partie contractante prend les mesures appropriées pour veiller à la sûreté du déclassement d'une installation nucleaire. Ces mesures doivent garantir que :
  i) Du personnel qualifié et des ressources financières adéquates sont disponibles;
  ii) Les dispositions de l'article 24 concernant la radioprotection durant l'exploitation, les rejets d'effluents et les émissions non programmées et incontrôlées sont appliquées;
  iii) Les dispositions de l'article 25 concernant l'organisation pour les cas d'urgence sont appliquées;
  iv) Les dossiers contenant des informations importantes pour le déclassement sont conservés.
HOOFDSTUK 5. - Diverse bepalingen.
CHAPITRE 5. - Dispositions diverses.
Art. 27. Grensoverschrijdende overbrenging.
  1. Elke Verdragsluitende Partij die betrokken is bij een grensoverschrijdende overbrenging neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat deze overbrenging geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en van relevante bindende internationale instrumenten.
  Hierbij :
  i) neemt een Verdragsluitende Partij die een Staat van herkomst is passende maatregelen om zeker te stellen dat de grensoverschrijdende overbrenging toegestaan is en slechts plaatsvindt na kennisgeving aan en instemming van de Staat van bestemming;
  ii) is grensoverschrijdende overbrenging via Staten van doorgang onderworpen aan die internationale verplichtingen die relevant zijn voor de gebruikte specifieke vervoersmodaliteiten;
  iii) stemt een Verdragsluitende Partij die een Staat van bestemming is uitsluitend in met een grensoverschrijdende overbrenging indien zij beschikt over de administratieve en technische middelen en over de regulerende structuur die noodzakelijk is om de bestraalde splijtstof of het radioactieve afval op een met dit Verdrag overeenstemmende wijze te kunnen beheren;
  iv) staat een Verdragsluitende Partij die een Staat van herkomst is een grensoverschrijdende overbrenging uitsluitend toe indien zij zich ervan kan vergewissen, met instemming van de Staat van bestemming, dat voorafgaande aan de grensoverschrijdende overbrenging is voldaan aan de onder iii. genoemde eisen;
  v) neemt een Verdragsluitende Partij die een Staat van herkomst is passende maatregelen om de terugbrenging naar haar grondgebied toe te staan, indien een grensoverschrijdende overbrenging niet in overeenstemming met dit artikel is of kan worden uitgevoerd, tenzij een andere veilige regeling kan worden getroffen.
  2. Een Verdragsluitende Partij verleent geen vergunning voor de overbrenging van haar bestraalde splijtstof of radioactief afval ten behoeve van opslag of eindberging naar een bestemming ten zuiden van 60 graden zuiderbreedte.
  3. Niets in dit Verdrag maakt inbreuk op of doet afbreuk aan :
  i) de uitoefening door schepen of luchtvaartuigen van alle Staten, van de navigatierechten en -vrijheden op het gebied van de zeevaart, binnenvaart en luchtvaart, zoals neergelegd in het internationale recht;
  ii) de rechten van een Verdragsluitende Partij waarnaar radioactief afval ter bewerking wordt uitgevoerd, om het radioactief afval en andere producten na deze bewerking naar de Staat van herkomst terug te zenden of hiertoe maatregelen te nemen;
  iii) het recht van een Verdragsluitende Partij om haar bestraalde splijtstof uit te voeren ten behoeve van opwerking;
  iv) de rechten van een Verdragsluitende Partij waarnaar bestraalde splijtstof ter opwerking wordt uitgevoerd, om het radioactieve afval en de andere producten die voortvloeien uit de opwerking terug te zenden naar de Staat van herkomst of hiertoe maatregelen te nemen.
Art. 27. Mouvements transfrontières.
  1. Chaque Partie contractante concernée par un mouvement transfrontière prend les mesures appropriées pour que ce mouvement s'effectue d'une manière qui soit conforme aux dispositions de la présente Convention et des instruments internationaux pertinents ayant force obligatoire.
  Ce faisant :
  i) Une Partie contractante qui est un Etat d'origine prend les mesures appropriées pour que ce mouvement transfrontière ne soit autorisé et n'ait lieu qu'après notification à l'Etat de destination et qu'avec le consentement de celui-ci;
  ii) Le mouvement transfrontière à travers les Etats de transit est soumis aux obligations internationales pertinentes pour les modes particuliers de transport utilisés;
  iii) Une Partie contractante qui est un Etat de destination ne consent à un mouvement transfrontière que si elle dispose des moyens administratifs et techniques et de la structure réglementaire nécessaires pour gérer le combustible usé ou les déchets radioactifs d'une manière qui soit conforme à la présente Convention;
  iv) Une Partie contractante qui est un Etat d'origine n'autorise un mouvement transfrontière que si elle peut s'assurer, conformément au consentement de l'Etat de destination, que les exigences énoncées à l'alinéa iii) sont remplies préalablement au mouvement transfrontière;
  v) Une Partie contractante qui est un Etat d'origine prend les mesures appropriées pour autoriser le retour sur son territoire, si un mouvement transfrontière, n'est pas ou ne peut pas être effectué conformément au présent article, à moins qu'un autre arrangement sûr puisse être conclu.
  2. Une Partie contractante ne délivre pas d'autorisation pour l'expédition de son combustible usé ou de ses déchets radioactifs, en vue de leur entreposage ou de leur stockage définitif, vers une destination située au sud de 60 degrés de latitude sud.
  3. Aucune disposition de la présente Convention ne porte préjudice ou atteinte :
  i) A l'exercice, par les navires et les aéronefs de tous les Etats, des droits et des libertés de navigation maritime, fluviale et aérienne, tels qu'ils sont prévus par le droit international;
  ii) Aux droits d'une Partie contractante vers laquelle des déchets radioactifs sont exportés pour être traités de réexpédier les déchets radioactifs et d'autres produits apres traitement à l'Etat d'origine ou de prendre des dispositions à cette fin;
  iii) Au droit d'une Partie contractante d'exporter son combustible usé aux fins de retraitement;
  iv) Aux droits d'une Partie contractante vers laquelle du combustible usé est exporté pour être retraité de réexpédier les déchets radioactifs et d'autres produits résultant des opérations de retraitement à l'Etat d'origine ou de prendre des dispositions à cette fin.
Art. 28. Uit bedrijf genomen, ingekapselde bronnen.
  1. Elke Verdragsluitende Partij neemt binnen het kader van haar nationale wetgeving, passende maatregelen om zeker te stellen dat het bezit, het voor hergebruik geschikt maken of opbergen van uit bedrijf genomen, ingekapselde bronnen op een veilige wijze plaatsvindt.
  2. Een Verdragsluitende Partij staat toe dat uit bedrijf genomen, ingekapselde bronnen naar haar grondgebied terugkeren indien zij, binnen het kader van haar nationale wetgeving, heeft aanvaard dat deze worden teruggezonden naar een fabrikant die gekwalificeerd is uit bedrijf genomen, ingekapselde bronnen te ontvangen en in bezit te hebben.
Art. 28. Sources scellées retirées du service.
  1. Chaque Partie contractante prend, en droit interne, les mesures appropriées pour que la détention, le reconditionnement ou le stockage définitif des sources scellées retirées du service s'effectuent de manière sûre.
  2. Une Partie contractante autorise le retour sur son territoire de sources scellées retirées du service si, en droit interne, elle a accepté que de telles sources soient réexpédiées a un fabricant habilité a recevoir et à détenir les sources scellées retirées du service.
HOOFDSTUK 6. - Vergaderingen van de verdragsluitende partijen.
CHAPITRE 6. - Réunions des Parties contractantes.
Art. 29. Voorbereidende vergadering.
  1. Uiterlijk zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag wordt een voorbereidende vergadering van de Verdragsluitende Partijen gehouden.
  2. Op deze vergadering zullen de Verdragsluitende Partijen :
  i) de datum vaststellen voor de eerste toetsingsvergadering bedoeld in artikel 30. Deze toetsingsvergadering vindt zo spoedig mogelijk plaats, in elk geval binnen dertig maanden na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag;
  ii) een reglement van orde en een financieel reglement opstellen en bij consensus aannemen;
  iii) in het bijzonder en in overeenstemming met het reglement van orde :
  a) richtlijnen betreffende vorm en structuur van de overeenkomstig artikel 32 in te dienen nationale rapporten vaststellen;
  b) een datum voor indiening van die rapporten vaststellen;
  c) de procedure voor toetsing van die rapporten vaststellen.
  3. Elke Staat of elke regionale organisatie strevend naar integratie dan wel van andere aard, die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt, bevestigt of ertoe toetreedt en waarvoor het Verdrag nog niet in werking is getreden kan de voorbereidende vergadering bijwonen alsof hij c.q. zij Partij bij dit Verdrag was.
Art. 29. Réunion préparatoire.
  1. Une réunion préparatoire des Parties contractantes se tient dans les six mois suivant la date d'entrée en vigueur de la presente Convention.
  2. Lors de cette réunion, les Parties contractantes :
  i) Fixent la date de la première réunion d'examen visée à l'article 30. Celle-ci a lieu dès que possible dans un délai de trente mois à compter de la date d'entrée en vigueur de la présente Convention;
  ii) Elaborent et adoptent par consensus des Règles de procédure et des Règles financières;
  iii) Fixent en particulier et conformément aux Règles de procédure :
  a) Des principes directeurs concernant la forme et la structure des rapports nationaux à présenter en application de l'article 32;
  b) Une date pour la présentation des rapports en question;
  c) La procédure d'examen de ces rapports.
  3. Tout Etat ou toute organisation régionale à caractère d'intégration ou d'une autre nature qui ratifie la presente Convention, l'accepte, l'approuve, la confirme ou y adhère et pour lequel ou laquelle la présente Convention n'est pas encore en vigueur peut assister à la réunion préparatoire comme s'il ou si elle était Partie à la présente Convention.
Art. 30. Toetsingsvergaderingen.
  1. De Verdragsluitende Partijen houden vergaderingen ter toetsing van de ingevolge artikel 32 ingediende rapporten.
  2. Op elke toetsingsvergadering :
  i) zullen de Verdragsluitende Partijen de datum vaststellen voor de volgende toetsingsvergadering, waarbij het tijdvak tussen de toetsingsvergaderingen niet langer mag zijn dan drie jaar;
  ii) kunnen de Verdragsluitende Partijen de ingevolge artikel 29, tweede lid, getroffen regelingen opnieuw bezien en herzieningen aannemen bij consensus, tenzij in het reglement van orde anders is bepaald. Zij kunnen ook het reglement van orde en het financieel reglement wijzigen, bij consensus.
  3. Op elke toetsingsvergadering wordt elke Verdragsluitende Partij een redelijke mogelijkheid geboden de door andere Verdragsluitende Partijen ingediende rapporten te bespreken en te vragen om een toelichting ter zake.
Art. 30. Réunions d'examen.
  1. Les Parties contractantes tiennent des réunions pour examiner les rapports présentés en application de l'article 32.
  2. A chaque réunion d'examen, les Parties contractantes :
  i) Fixent la date de la réunion d'examen suivante, l'intervalle entre les réunions d'examen ne devant pas dépasser trois ans;
  ii) Peuvent réexaminer les arrangements pris en vertu du paragraphe 2 de l'article 29 et adopter des révisions par consensus, sauf disposition contraire des Règles de procédure. Elles peuvent aussi amender par consensus les Règles de procédure et les Regles financières.
  3. A chaque réunion d'examen, chaque Partie contractante a une possibilité raisonnable de discuter les rapports présentés par les autres Parties contractantes et de demander des précisions à leur sujet.
Art. 31. Buitengewone vergadering.
  Er wordt een buitengewone vergadering van de Verdragsluitende Partijen gehouden :
  i) indien hiertoe wordt besloten door een meerderheid van de Verdragsluitende Partijen die op een vergadering aanwezig zijn en hun stem uitbrengen; of
  ii) op schriftelijk verzoek van een Verdragsluitende Partij, binnen zes maanden nadat dit verzoek aan de Verdragsluitende Partijen is meegedeeld en een meerderheid van de Verdragsluitende Partijen aan het in artikel 37 bedoelde secretariaat te kennen heeft gegeven het verzoek te steunen.
Art. 31. Réunions extraordinaires.
  Une réunion extraordinaire des Parties contractantes se tient :
  i) S'il en est ainsi décidé par la majorité des Parties contractantes présentes et votantes lors d'une réunion;
  ii) Sur demande écrite d'une Partie contractante, dans un délai de six mois à compter du moment où cette demande a été communiquée aux Parties contractantes et où le secrétariat visé à l'article 37 a reçu notification du fait que la demande a été appuyée par la majorité d'entre elles.
Art. 32. Rapportage.
  1. In overeenstemming met het bepaalde in artikel 30 dient elke Verdragsluitende Partij een nationaal rapport in op elke toetsingsvergadering van de Verdragsluitende Partijen. Dit rapport heeft betrekking op de maatregelen die zijn genomen ter nakoming van elk van de verplichtingen van het Verdrag. Voor elke Verdragsluitende Partij heeft het rapport tevens betrekking op :
  i) haar beleid inzake het beheer van bestraalde splijtstof;
  ii) haar praktijk inzake het beheer van bestraalde splijtstof;
  iii) haar beleid inzake het beheer van radioactief afval;
  iv) haar praktijk inzake het beheer van radioactief afval;
  v) de criteria die zij hanteert voor het definiëren en classificeren van radioactief afval.
  2. Dit rapport bevat tevens :
  i) een lijst met de faciliteiten voor het beheer van bestraalde splijtstof waarop dit Verdrag van toepassing is, de locatie, het hoofddoel en de belangrijkste kenmerken ervan;
  ii) een inventaris van de bestraalde splijtstof waarop dit Verdrag van toepassing is en die opgeslagen of opgeborgen is. In deze inventaris is een beschrijving opgenomen van de stoffen en informatie, indien beschikbaar, van de massa en de totale activiteit van deze stoffen;
  iii) een lijst van de faciliteiten voor het beheer van radioactief afval waarop dit Verdrag van toepassing is, de locatie, het hoofddoel en de belangrijkste kenmerken ervan;
  iv) een inventaris van het radioactieve afval waarop dit Verdrag van toepassing is en dat :
  a. wordt opgeslagen in faciliteiten voor het beheer van radioactief afval en faciliteiten voor de splijtstofcyclus;
  b. zich in een eindberging bevindt; of
  c. uit eerdere praktijken is ontstaan.
  In deze inventaris is een beschrijving van de stoffen opgenomen en andere beschikbare relevante informatie, zoals het volume of de massa, de activiteit en specifieke radionucliden;
  v. een lijst met kerninstallaties ten aanzien waarvan een procedure van buitenbedrijfstelling loopt, waarbij de voortgang van de werkzaamheden inzake buitenbedrijfstelling van die faciliteiten is aangegeven.
Art. 32. Rapports. 1. Conformément aux dispositions de l'article 30, chaque Partie contractante présente un rapport national à chaque réunion d'examen des Parties contractantes. Ce rapport porte sur les mesures prises pour remplir chacune des obligations enoncées dans la Convention. Pour chaque Partie contractante, le rapport porte aussi sur :
  i) Sa politique en matière de gestion du combustible usé;
  ii) Ses pratiques en matière de gestion du combustible usé;
  iii) Sa politique en matière de gestion des déchets radioactifs;
  iv) Ses pratiques en matière de gestion des déchets radioactifs;
  v) Les critères qu'elle applique pour définir et classer les déchets radioactifs.
  2. Ce rapport comporte aussi :
  i) Une liste des installations de gestion du combustible usé auxquelles s'applique la présente Convention, avec indication de leur emplacement, de leur objet principal et de leurs caractéristiques essentielles;
  ii) Un inventaire du combustible usé auquel s'applique la présente Convention et qui est entreposé ou qui a été stocké définitivement. Cet inventaire comporte une description des matières et, si elles sont disponibles, des informations sur la masse et l'activité totale de ces matières;
  iii) Une liste des installations de gestion de déchets radioactifs auxquelles s'applique la présente Convention, avec indication de leur emplacement, de leur objet principal et de leurs caractéristiques essentielles;
  iv) Un inventaire des déchets radioactifs auxquels s'applique la présente Convention qui :
  a) sont entreposés dans des installations de gestion de déchets radioactifs et dans des installations du cycle du combustible nucléaire;
  b. ont été stockés définitivement; ou
  c. résultent de pratiques antérieures.
  Cet inventaire comporte une description des matières et d'autres informations pertinentes disponibles, telles que des informations sur le volume ou la masse, l'activité et certains radionucléides;
  v. Une liste des installations nucléaires en cours de déclassement, avec indication de l'état d'avancement des activités de déclassement dans ces installations.
Art. 33. Deelname. 1. Elke Verdragsluitende Partij neemt deel aan de vergaderingen van de Verdragsluitende Partijen en wordt daar vertegenwoordigd door één afgevaardigde en door plaatsvervangers, deskundigen en adviseurs, in zoverre zij dit noodzakelijk acht.
  2. De Verdragsluitende Partijen kunnen, bij consensus, iedere intergouvernementele organisatie die deskundig is met betrekking tot de in dit Verdrag geregelde aangelegenheden uitnodigen als waarnemer aan een vergadering of bepaalde zittingen daarvan deel te nemen. Waarnemers dienen schriftelijk en van te voren in te stemmen met het bepaalde in artikel 36.
Art. 33. Participation.
  1. Chaque Partie contractante participe aux réunions des Parties contractantes; elle y est représentée par un délégué et, dans la mesure ou elle le juge nécessaire, par des suppléants, des experts et des conseillers.
  2. Les Parties contractantes peuvent inviter, par consensus, toute organisation intergouvernementale qui est compétente pour des questions régies par la présente Convention a assister, en qualité d'observateur, à toute réunion ou à certaines séances d'une réunion. Les observateurs sont tenus d'accepter par écrit et à l'avance les dispositions de l'article 36.
Art. 34. Samenvattend verslag.
  De Verdragsluitende Partijen hechten, bij consensus, hun goedkeuring aan een document betreffende tijdens vergaderingen van de Verdragsluitende Partijen besproken onderwerpen en getrokken conclusies en stellen dit ter beschikking van het publiek.
Art. 34. Rapports de synthèse.
  Les Parties contractantes adoptent, par consensus, et mettent à la disposition du public un document consacré aux questions qui ont été examinées et aux conclusions qui ont été tirées au cours des réunions des Parties contractantes.
Art. 35. Talen. 1. De voertalen tijdens vergaderingen van de Verdragsluitende Partijen zijn het Arabisch, het Chinees, het Engels, het Frans, het Russisch en het Spaans, tenzij in het reglement van orde anders is bepaald.
  2. De ingevolge artikel 32 in te dienen rapporten worden opgesteld in de landstaal van de indienende Verdragsluitende Partij of in één hiertoe aangewezen taal, vastgelegd in het reglement van orde. Indien het rapport wordt ingediend in een landstaal die niet de in het reglement van orde aangewezen taal is, verstrekt de Verdragsluitende Partij een vertaling van het rapport in de aangewezen taal.
  3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, verzorgt het secretariaat, tegen vergoeding, de vertaling in de aangewezen taal van rapporten die in een andere ter vergadering gebezigde voertaal zijn ingediend.
Art. 35. Langues. 1. Les langues des réunions des Parties contractantes sont l'anglais, l'arabe, le chinois, l'espagnol, le français et le russe, sauf disposition contraire des Règles de procédure.
  2. Tout rapport présenté en application de l'article 32 est établi dans la langue nationale de la Partie contractante qui le présente ou dans une langue unique qui sera désignée d'un commun accord dans les Règles de procédure. Au cas où le rapport est présenté dans une langue nationale autre que la langue désignée, une traduction du rapport dans cette dernière est fournie par la Partie contractante.
  3. Nonobstant les dispositions du paragraphe 2, s'il est dédommagé, le secrétariat se charge de la traduction dans la langue désignée des rapports soumis dans toute autre langue de la réunion.
Art. 36. Vertrouwelijkheid.
  1. De bepalingen van dit Verdrag laten de rechten en verplichtingen onverlet die de Verdragsluitende Partijen krachtens hun wetgeving hebben met betrekking tot de bescherming van informatie tegen openbaarmaking. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ,,informatie'' mede verstaan : informatie met betrekking tot de nationale veiligheid of de fysieke bescherming van kernmateriaal, informatie die wordt beschermd uit hoofde van de intellectuele eigendom of uit hoofde van het fabrieks- en handelsgeheim, en persoonsgegevens.
  2. Wanneer, in het kader van dit Verdrag, een Verdragsluitende Partij informatie verstrekt die door haar is aangemerkt als beschermd in de zin van het eerste lid, wordt deze informatie uitsluitend gebruikt voor de doeleinden waarvoor zij werd verstrekt en wordt het vertrouwelijk karakter daarvan geëerbiedigd.
  3. Wat betreft de informatie inzake de bestraalde splijtstof of het radioactief afval die krachtens artikel 3, derde lid, onder de werkingssfeer van dit Verdrag valt, doen de bepalingen van dit Verdrag geen afbreuk aan de uitsluitende bevoegdheid van de betrokken Verdragsluitende Partij om te beslissen :
  i) of deze informatie wordt geclassificeerd of aan een andere vorm van controle wordt onderworpen om verspreiding te voorkomen;
  ii) of de onder i. bedoelde informatie in het kader van dit Verdrag moet worden verstrekt; en
  iii) welke voorwaarden inzake vertrouwelijkheid aan deze informatie verbonden worden, indien zij in het kader van dit Verdrag wordt verstrekt.
  4. De inhoud van de besprekingen gedurende het toetsen van de nationale rapporten op iedere krachtens artikel 30 gehouden toetsingsvergadering is vertrouwelijk.
Art. 36. Confidentialite.
  1. Les dispositions de la présente Convention n'affectent pas les droits et obligations qu'ont les Parties contractantes, conformément à leur législation, d'empêcher la divulgation d'informations. Aux fins du présent article, le terme " informations " englobe notamment les informations relatives à la sécurité nationale ou a la protection physique des matières nucléaires, les informations protégées par des droits de propriété intellectuelle ou par le secret industriel ou commercial, et les données à caractère personnel.
  2. Lorsque, dans le cadre de la présente Convention, une Partie contractante fournit des informations en précisant qu'elles sont protégées comme indiqué au paragraphe 1, ces informations ne sont utilisées qu'aux fins pour lesquelles elles ont été fournies et leur caractère confidentiel est respecté.
  3. En ce qui concerne les informations ayant trait au combustible usé ou aux déchets radioactifs qui entrent dans le champ d'application de la présente Convention en vertu du paragraphe 3 de l'article 3, les dispositions de la présente Convention ne portent pas atteinte au pouvoir souverain de la Partie contractante concernée de décider :
  i) De classer ou non ces informations, ou de les soumettre à une autre forme de contrôle, pour en empêcher la diffusion;
  ii) S'il y a lieu de fournir les informations visées à l'alinéa i) ci-dessus dans le cadre de la Convention;
  iii) Des conditions de confidentialité dont ces informations sont assorties si elles sont communiquées dans le cadre de la présente Convention.
  4. La teneur des débats qui ont lieu au cours de l'examen des rapports nationaux lors de chaque réunion d'examen tenue conformément à l'article 30 est confidentielle.
Art. 37. Secretariaat.
  1. De Internationale Organisatie voor Atoomenergie (hierna te noemen de ,,Organisatie'') treedt op als secretariaat voor de vergaderingen van de Verdragsluitende Partijen.
  2. Het secretariaat :
  i) belegt de in de artikelen 29, 30 en 31 bedoelde vergaderingen van de Verdragsluitende Partijen, bereidt deze voor en verleent de daarmee samenhangende diensten;
  ii) doet in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag ontvangen of vervaardigde informatie toekomen aan de Verdragsluitende Partijen.
  De door de Organisatie gemaakte kosten ter verrichting van de onder i. en ii. bedoelde taken, worden gedragen door de Organisatie ten laste van haar gewone begroting.
  3. De Verdragsluitende Partijen kunnen, bij consensus, de Organisatie verzoeken andere diensten te verlenen ter ondersteuning van de vergaderingen van de Verdragsluitende Partijen. De Organisatie kan deze diensten verlenen indien daarvoor ruimte is in haar programma en haar gewone begroting. Mocht daarvoor geen ruimte zijn, dan kan de Organisatie bedoelde diensten verlenen indien wordt gezorgd voor vrijwillige financiering uit een andere bron.
Art. 37. Secrétariat.
  1. L'Agence internationale de l'énergie atomique (ci-après dénommée l' " Agence ") assure le secrétariat des réunions des Parties contractantes.
  2. Le secrétariat :
  i) Convoque les réunions des Parties contractantes visées aux articles 29, 30 et 31, les prépare et en assure le bon fonctionnement;
  ii) Transmet aux Parties contractantes les informations reçues ou préparées conformément aux dispositions de la présente Convention.
  Les dépenses encourues par l'Agence pour s'acquitter des tâches prévues aux alinéas i) et ii) ci-dessus sont couvertes au titre de son budget ordinaire.
  3. Les Parties contractantes peuvent, par consensus, demander à l'Agence de fournir d'autres services pour les réunions des Parties contractantes. L'Agence peut fournir ces services s'il est possible de les assurer dans le cadre de son programme et de son budget ordinaire. Au cas où cela ne serait pas possible, l'Agence peut fournir ces services s'ils sont financés volontairement par une autre source.
HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen en andere bepalingen.
CHAPITRE 7. - Clauses finales et autres dispositions.
Art. 38. Oplossen van verschillen van mening.
  In geval van een verschil van mening tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen betreffende de interpretatie of toepassing van dit Verdrag, plegen de Verdragsluitende Partijen overleg in het kader van een vergadering van de Verdragsluitende Partijen teneinde een oplossing te vinden voor het verschil van mening. Wanneer het overleg niet tot een oplossing leidt, kan een beroep worden gedaan op de mechanismen van bemiddeling, conciliatie en arbitrage die zijn neergelegd in het internationale recht, met inbegrip van de binnen de IAEA geldende regels en praktijken.
Art. 38. Règlement des désaccords.
  En cas de désaccord entre deux ou plusieurs Parties contractantes concernant l'interprétation ou l'application de la présente Convention, les Parties contractantes tiennent des consultations dans le cadre d'une réunion des Parties contractantes en vue de régler ce désaccord. Au cas où lesdites consultations s'avéreraient improductives, il pourra être recouru aux mécanismes de médiation, de conciliation et d'arbitrage prévus par le droit international, y compris les règles et pratiques en vigueur au sein de l'Agence.
Art. 39. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring, toetreding.
  1. Dit Verdrag staat voor alle Staten open voor ondertekening op de zetel van de Organisatie te Wenen van 29 september 1997 tot aan zijn inwerkingtreding.
  2. Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door de ondertekenende Staten.
  3. Na inwerkingtreding staat dit Verdrag voor alle Staten open voor toetreding.
  4.
  i) Dit Verdrag staat open voor ondertekening, onder voorbehoud van bevestiging, of voor toetreding door regionale organisaties strevend naar integratie dan wel van andere aard, mits een dergelijke organisatie is opgericht door soevereine Staten en bevoegd is tot het onderhandelen over, het sluiten en het uitvoeren van internationale overeenkomsten op onder dit Verdrag vallende terreinen.
  ii) Op de tot hun bevoegdheid behorende terreinen oefenen die organisaties namens zichzelf de rechten uit en nemen zij de verantwoordelijkheden op zich die dit Verdrag toekent aan Staten die Partij zijn.
  iii) Wanneer een dergelijke organisatie partij bij dit Verdrag wordt, doet zij de in artikel 43 bedoelde depositaris een verklaring toekomen waarin is vermeld welke Staten haar Lidstaten zijn, welke artikelen van dit Verdrag op haar van toepassing zijn en in hoeverre zij bevoegd is op het onder die artikelen vallende terrein.
  iv) Een dergelijke organisatie heeft geen stemrecht naast dat van haar Lidstaten.
  5. De akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring, toetreding of bevestiging dienen te worden neergelegd bij de depositaris.
Art. 39. Signature, ratification, acceptation, approbation, adhésion.
  1. La présente Convention est ouverte à la signature de tous les Etats au Siège de l'Agence, à Vienne, à partir du 29 septembre 1997 et jusqu'à son entrée en vigueur.
  2. La présente Convention est soumise à ratification, acceptation ou approbation par les Etats signataires.
  3. Après son entrée en vigueur, la présente Convention est ouverte à l'adhésion de tous les Etats.
  4.
  i) La présente Convention est ouverte à la signature, sous reserve de confirmation, ou à l'adhésion d'organisations régionales à caractère d'intégration ou d'une autre nature, à condition que chacune de ces organisations soit constituée par des Etats souverains et ait compétence pour négocier, conclure et appliquer des accords internationaux portant sur des domaines couverts par la présente Convention.
  ii) Dans leurs domaines de compétence, ces organisations, en leur nom propre, exercent les droits et assument les responsabilités que la présente Convention attribue aux Etats parties.
  iii) En devenant Partie à la présente Convention, une telle organisation communique au dépositaire visé à l'article 43 une déclaration indiquant quels sont ses Etats membres, quels articles de la présente Convention lui sont applicables et quelle est l'étendue de sa compétence dans le domaine couvert par ces articles.
  iv) Une telle organisation ne dispose pas de voix propre en plus de celles de ses Etats membres.
  5. Les instruments de ratification, d'acceptation, d'approbation, d'adhésion ou de confirmation sont déposés auprès du dépositaire.
Art. 40. Inwerkingtreding.
  1. Dit Verdrag treedt in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging bij de depositaris van de vijfentwintigste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, waaronder de akten van vijftien Staten die elk een in bedrijf zijnde kerncentrale hebben.
  2. Voor elke Staat of regionale organisatie strevend naar integratie dan wel van andere aard die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt, bevestigt of ertoe toetreedt na de datum van neerlegging van de laatste akte die is vereist om te voldoen aan de in het eerste lid 1 genoemde voorwaarden, treedt dit Verdrag in werking op de negentigste dag na de datum van neerlegging bij de depositaris van de desbetreffende akte door die Staat of organisatie.
Art. 40. Entrée en vigueur.
  1. La présente Convention entre en vigueur le quatre-vingt-dixième jour qui suit la date de dépôt, auprès du dépositaire, du vingt-cinquième instrument de ratification, d'acceptation ou d'approbation, sous réserve qu'un tel instrument ait été déposé par quinze Etats possédant chacun une centrale électronucléaire en service.
  2. Pour chaque Etat ou organisation régionale à caractère d'intégration ou d'une autre nature qui ratifie la présente Convention, l'accepte, l'approuve, la confirme ou y adhère après la date de dépôt du dernier instrument requis pour que les conditions énoncées au paragraphe 1er soient remplies, la présente Convention entre en vigueur le quatre-vingt-dixième jour qui suit la date de dépôt, auprès du dépositaire, de l'instrument approprié par cet Etat ou cette organisation.
Art. 41. Wijzigingen van het verdrag.
  1. Elke Verdragsluitende Partij kan een wijziging van dit Verdrag voorstellen. Voorgestelde wijzigingen worden bestudeerd op een toetsingsvergadering of een buitengewone vergadering.
  2. De tekst van een voorgestelde wijziging en de redenen daarvoor worden verstrekt aan de depositaris, die het voorstel ten minste negentig dagen voor de vergadering waarop het voorstel ter bestudering wordt voorgelegd doet toekomen aan de Verdragsluitende Partijen. Alle naar aanleiding van het voorstel binnengekomen commentaar wordt door de depositaris toegezonden aan de Verdragsluitende Partijen.
  3. Na bestudering van de voorgestelde wijziging besluiten de Verdragsluitende Partijen of zij het voorstel aannemen bij consensus dan wel, indien geen consensus wordt bereikt, of zij het voorleggen aan een diplomatieke conferentie. Voor een besluit tot het voorleggen van een voorgestelde wijziging aan een diplomatieke conferentie is een meerderheid vereist van tweederde van de ter vergadering aanwezige Verdragsluitende Partijen die hun stem uitbrengen, mits op het tijdstip van stemming ten minste de helft van de Verdragsluitende Partijen aanwezig is.
  4. De diplomatieke conferentie waarop wijzigingen van dit Verdrag kunnen worden bestudeerd en aangenomen, wordt door de depositaris belegd en vindt plaats uiterlijk een jaar nadat het desbetreffende besluit is genomen in overeenstemming met het derde lid van dit artikel. De diplomatieke conferentie stelt alles in het werk om ervoor te zorgen dat wijzigingen bij consensus worden aangenomen. Mocht dit niet mogelijk blijken, dan worden wijzigingen aangenomen met een meerderheid van tweederde van alle Verdragsluitende Partijen.
  5. Wijzigingen van dit Verdrag die zijn aangenomen overeenkomstig het derde en vierde lid, dienen door de Verdragsluitende Partijen te worden bekrachtigd, aanvaard, goedgekeurd of bevestigd en worden voor de Verdragsluitende Partijen die ze hebben bekrachtigd, aanvaard, goedgekeurd of bevestigd van kracht op de negentigste dag na de ontvangst door de depositaris van de desbetreffende akten van ten minste twee derden van de Verdragsluitende Partijen. Ten aanzien van een Verdragsluitende Partij die bedoelde wijzigingen daarna bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of bevestigt, worden zij van kracht op de negentigste dag na de nederlegging van de desbetreffende akte door die Verdragsluitende Partij.
Art. 41. Amendements à la Convention.
  1. Toute Partie contractante peut proposer un amendement à la présente Convention. Les amendements proposés sont examinés lors d'une réunion d'examen ou d'une réunion extraordinaire.
  2. Le texte de tout amendement proposé et les motifs de cet amendement sont communiqués au dépositaire qui transmet la proposition aux Parties contractantes au moins quatre-vingt-dix jours avant la réunion à laquelle l'amendement est soumis pour être examiné. Toutes les observations reçues au sujet de ladite proposition sont communiquées aux Parties contractantes par le dépositaire.
  3. Les Parties contractantes décident, après avoir examiné l'amendement proposé, s'il y a lieu de l'adopter par consensus ou, en l'absence de consensus, de le soumettre a une conference diplomatique. Toute décision de soumettre un amendement proposé à une conférence diplomatique doit être prise à la majorité des deux tiers des Parties contractantes présentes et votantes à la réunion, sous réserve qu'au moins la moitié des Parties contractantes soient présentes au moment du vote.
  4. La conférence diplomatique chargée d'examiner et d'adopter des amendements à la présente Convention est convoquée par le dépositaire et se tient dans un délai d'un an après que la décision appropriée a été prise conformément au paragraphe 3 du présent article. La Conférence diplomatique déploie tous les efforts possibles pour que les amendements soient adoptés par consensus. Si cela n'est pas possible, les amendements sont adoptés à la majorité des deux tiers de l'ensemble des Parties contractantes.
  5. Les amendements à la présente Convention qui ont été adoptés conformément aux paragraphes 3 et 4 ci-dessus sont soumis à ratification, acceptation, approbation ou confirmation par les Parties contractantes et entrent en vigueur à l'égard des Parties contractantes qui les ont ratifiés, acceptés, approuvés ou confirmés le quatre-vingt-dixième jour qui suit la réception, par le dépositaire, des instruments correspondants d'au moins les deux tiers desdites Parties contractantes. Pour une Partie contractante qui ratifie, accepte, approuve ou confirme ultérieurement lesdits amendements, ceux-ci entrent en vigueur le quatre-vingt-dixième jour qui suit le dépôt par cette Partie contractante de l'instrument correspondant.
Art. 42. Opzegging. 1. Elke Verdragsluitende Partij kan dit Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris.
  2. De opzegging wordt van kracht een jaar na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de depositaris of op een in de kennisgeving vermelde latere datum.
Art. 42. Dénonciation.
  1. Toute Partie contractante peut dénoncer la présente Convention par une notification écrite adressée au dépositaire.
  2. La dénonciation prend effet un an apres la date à laquelle le dépositaire reçoit cette notification, ou à toute autre date ultérieure spécifiée dans la notification.
Art. 43. Depositaris.
  1. De Directeur-Generaal van de Organisatie is depositaris van dit Verdrag.
  2. De depositaris stelt de Verdragsluitende Partijen in kennis van :
  i) de ondertekening van dit Verdrag en van de neerlegging van akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring, toetreding of bevestiging in overeenstemming met artikel 39;
  ii) de datum waarop het Verdrag in werking treedt, in overeenstemming met artikel 40;
  iii) de kennisgevingen van opzegging van het Verdrag en de datum daarvan, in overeenstemming met artikel 42;
  iv) de door de Verdragsluitende Partijen voorgestelde wijzigingen van dit Verdrag, de door de desbetreffende diplomatieke conferentie of de vergadering van de Verdragsluitende Partijen aangenomen wijzigingen, en de datum van inwerkingtreding van bedoelde wijzigingen, in overeenstemming met artikel 41.
Art. 43. Dépositaire.
  1. Le Directeur général de l'Agence est le dépositaire de la présente Convention.
  2. Le dépositaire informe les Parties contractantes :
  i) De la signature de la présente Convention et du dépôt d'instruments de ratification, d'acceptation, d'approbation, d'adhésion ou de confirmation, conformément à l'article 39;
  ii) De la date à laquelle la Convention entre en vigueur, conformément à l'article 40;
  iii) Des notifications de dénonciation de la Convention faites conformément à l'article 42 et de la date de ces notifications;
  iv) Des projets d'amendements à la présente Convention soumis par des Parties contractantes, des amendements adoptés par la conférence diplomatique correspondante ou la réunion des Parties contractantes et de la date d'entrée en vigueur desdits amendements, conformément a l'article 41.
Art. 44. Authentieke teksten.
  Het origineel van dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt neergelegd bij de depositaris, die gewaarmerkte afschriften daarvan doet toekomen aan de Verdragsluitende Partijen. Ten blijke waarvan de Ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd dit Verdrag hebben ondertekend.
  Gedaan te Wenen op vijf september negentienhonderd zevenennegentig.
Art. 44. Textes authentiques.
  L'original de la présente Convention, dont les versions anglaise, arabe, chinoise, espagnole, française et russe font également foi, est déposé auprès du dépositaire, qui en adresse des copies certifiées conformes aux Parties contractantes. En foi de quoi les soussignés, à ce dûment habilités, ont signé la présente convention.
  Fait à Vienne, le cinq septembre mil neuf cent quatre-vingt-dix-sept.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. LIJST MET DE GEBONDEN STATEN.
Art. N. LISTE DES ETATS LIES.
    STATEN        ONDERTEKENING      BEKRACHTIGING    (A)    INWERKING-
                                      AANVAARDING     (AA)     TREDING
                                      GOEDKEURING
  Argentinie    19 december 1997   14 november 2000         18 juni 2001
  Australie     13 november 1998
  Belarus       13 oktober 1999
  Belgie        8 december 1997    5 september 2002         4 december 2002
  Brazilie      31 oktober 1997
  Bulgarije     22 september 1998  21 juni 2000             18 juni 2001
  Canada        7 mei 1998         7 mei 1998               18 juni 2001
  Denemarken    9 februari 1998    3 september 1999    A    18 juni 2001
  Duitsland     1 oktober 1997     13 oktober 1998          18 juni 2001
  Estland       5 januari 2001
  Filippijnen   10 maart 1998
  Finland       2 oktober 1997     10 februari 2000    A    18 juni 2001
  Frankrijk     29 september 1997  27 april 2000       AA   18 juni 2001
  Griekenland   9 februari 1998    18 juli 2000             18 juni 2001
  Hongarije     29 september 1997  2 juni 1998              18 juni 2001
  Ierland       1 oktober 1997     20 maart 2001            18 juni 2001
  Indonesie     6 oktober 1997
  Italie        26 januari 1998
  Kazachstan    29 september 1997
  Korea         29 september 1997  16 september 2002        15 december 2002
   (Republiek)
  Kroatie       9 april 1998       10 mei 1999              18 juni 2001
  Letland       27 maart 2000      27 maart 2000       A    18 juni 2001
  Libanon       30 september 1997
  Litouwen      30 september 1997
  Luxemburg     1 oktober 1997     21 augustus 2001         19 november 2001
  Marokko       29 september 1997  23 juli 1999             18 juni 2001
  Nederland     10 maart 1999      26 april 2000       A    18 juni 2001
  Noorwegen     29 september 1997  12 januari 1998          18 juni 2001
  Oekraine      29 september 1997  24 juli 2000             18 juni 2001
  Oostenrijk    17 september 1998  13 juni 2001             11 september 2001
  Peru          4 juni 1998
  Polen         3 oktober 1997     5 mei 2000               18 juni 2001
  Republiek     30 september 1997  25 maart 1999       AA   18 juni 2001
   Tsjechie
  Roemenie      30 september 1997  6 september 1999         18 juni 2001
  Russische     27 januari 1999
   Federatie
  Slowakije     30 september 1997  6 oktober 1998           18 juni 2001
  Slovenie      29 september 1997  25 februari 1999         18 juni 2001
  Spanje        30 juni 1998       11 mei 1999              18 juni 2001
  Verenigd      29 september 1997  12 maart 2001            18 juni 2001
   Koninkrijk
  Verenigde     29 september 1997
   Staten van
   Amerika
  Zweden        29 september 1997  29 juli 1999             18 juni 2001
  Zwitserland   29 september 1997  5 april 2000             18 juni 2001
    ETATS          SIGNATURE         RATIFICATION      A)     ENTREE EN
                                      ACCEPTATION     (AA)     VIGUEUR
                                      APPROBATION
  Allemagne     1er octobre 1997   13 octobre 1998          18 juin 2001
  Argentine     19 décembre 1997   14 novembre 2000         18 juin 2001
  Australie     13 novembre 1998
  Autriche      17 septembre 1998  13 juin 2001             11 septembre 2001
  Belarus       13 octobre 1999
  Belgique      8 décembre 1997    5 septembre 2002         4 décembre 2002
  Bresil        31 octobre 1997
  Bulgarie      22 septembre 1998  21 juin 2000             18 juin 2001
  Canada        7 mai 1998         7 mai 1998               18 juin 2001
  Coree         29 septembre 1997  16 septembre 2002        15 décembre 2002
   (Republique)
  Croatie       9 avril 1998       10 mai 1999              18 juin 2001
  Danemark      9 fevrier 1998     3 septembre 1999    A    18 juin 2001
  Espagne       30 juin 1998       11 mai 1999              18 juin 2001
  Estonie       5 janvier 2001
  Etats-Unis    29 septembre 1997
   d'Amerique
  Federation    27 janvier 1999
   de Russie
  Finlande      2 octobre 1997     10 fevier 2000      A    18 juin 2001
  France        29 septembre 1997  27 avril 2000       AA   18 juin 2001
  Grece         9 fevrier 1998     18 juillet 2000          18 juin 2001
  Hongrie       29 septembre 1997  2 juin 1998              18 juin 2001
  Indonesie     6 octobre 1997
  Irlande       1er octobre 1997   20 mars 2001             18 juin 2001
  Italie        26 janvier 1998
  Kazakhstan    29 septembre 1997
  Lettonie      27 mars 2000       27 mars 2000        A    18 juin 2001
  Liban         30 septembre 1997
  Lituanie      30 septembre 1997
  Luxembourg    1er octobre 1997   21 août 2001             19 novembre 2001
  Maroc         29 septembre 1997  23 juillet 1999          18 juin 2001
  Norvege       29 septembre 1997  12 janvier 1998          18 juin 2001
  Pays-Bas      10 mars 1999       26 avril 2000       A    18 juin 2001
  Perou         4 juin 1998
  Philippines   10 mars 1998
  Pologne       3 octobre 1997     5 mai 2000               18 juin 2001
  Republique    30 septembre 1997  25 mars 1999        AA   18 juin 2001
   tcheque
  Roumanie      30 septembre 1997  6 septembre 1999         18 juin 2001
  Royaume-Uni   29 septembre 1997  12 mars 2001             18 juin 2001
  Slovaquie     30 septembre 1997  6 octobre 1998           18 juin 2001
  Slovenie      29 septembre 1997  25 fevrier 1999          18 juin 2001
  Suede         29 septembre 1997  29 juillet 1999          18 juin 2001
  Suisse        29 septembre 1997  5 avril 2000             18 juin 2001
  Ukraine       29 septembre 1997  24 juillet 2000          18 juin 2001