Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
26 JULI 1995. - Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.
Titre
26 JUILLET 1995. - Convention établie sur la base de l'article K.3 du traité sur l'Union européenne, relative à la protection des intérêts financiers des Communautés européennes.
Inhoud
Inhoud
Tekst (16)
Texte (16)
Artikel 1. Algemene bepalingen.
  1. Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden geschaad, verstaan :
  a) wat de uitgaven betreft, elke opzettelijke handeling of elk opzettelijk nalaten waarbij :
  - valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten worden gebruikt of overgelegd, met als gevolg dat middelen afkomstig van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen of van de door of voor de Europese Gemeenschappen beheerde begrotingen, wederrechtelijk worden ontvangen of achtergehouden;
  - met hetzelfde gevolg, in strijd met een specifieke verplichting informatie wordt achtergehouden;
  - deze middelen worden misbruikt door ze voor andere doelen aan te wenden dan die waarvoor zij oorspronkelijk zijn toegekend;
  b) wat de ontvangsten betreft, elke opzettelijke handeling of elk opzettelijk nalaten waarbij :
  - valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten worden gebruikt of overgelegd, met als gevolg dat de middelen van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen of van de door of voor de Europese Gemeenschappen beheerde begrotingen wederrechtelijk worden verminderd;
  - met hetzelfde gevolg, in strijd met een specifieke verplichting informatie wordt achtergehouden;
  - met hetzelfde gevolg, van een rechtmatig verkregen voordeel misbruik wordt gemaakt.
  2. Onder voorbehoud van artikel 2, lid 2, neemt elke Lid-Staat de nodige en passende maatregelen om het bepaalde in lid 1 in nationaal strafrecht om te zetten, zodat de daarin bedoelde gedragingen als strafbare feiten worden aangemerkt.
  3. Onder voorbehoud van artikel 2, lid 2, neemt elke Lid-Staat eveneens de nodige maatregelen opdat het opzettelijk opstellen of verstrekken van valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten met het in lid 1 genoemde gevolg, als strafbare feiten worden aangemerkt, wanneer die handelingen niet reeds strafbaar zijn, hetzij als zelfstandig strafbaar feit, hetzij op grond van medeplichtigheid aan, uitlokking van of poging tot fraude als omschreven in lid 1.
  4. Het opzet bij een handeling of een nalaten als bedoeld in de leden 1 en 3, kan worden afgeleid uit objectieve feitelijke omstandigheden.
Article 1. Dispositions générales.
  1. Aux fins de la présente convention, est constitutif d'une fraude portant atteinte aux intérêts financiers des Communautés européennes :
  a) en matière de dépenses, tout acte ou omission intentionnel relatif :
  - à l'utilisation ou à la présentation de déclarations ou de documents faux, inexacts ou incomplets, ayant pour effet la perception ou la rétention indue de fonds provenant du budget général des Communautés européennes ou des budgets gérés par les Communautés européennes ou pour leur compte;
  - à la non-communication d'une information en violation d'une obligation spécifique, ayant le même effet;
  - au détournement de tels fonds à d'autres fins que celles pour lesquelles ils ont initialement été octroyés;
  b) en matière de recettes, tout acte ou omission intentionnel relatif :
  - à l'utilisation ou à la présentation de déclarations ou de documents faux, inexacts ou incomplets, ayant pour effet la diminution illégale de ressources du budget général des Communautés européennes ou des budgets gérés par les Communautés européennes ou pour leur compte;
  - à la non-communication d'une information en violation d'une obligation spécifique, ayant le même effet;
  - au détournement d'un avantage légalement obtenu, ayant le même effet.
  2. Sous réserve de l'article 2, paragraphe 2, chaque Etat membre prend les mesures nécessaires et appropriées pour transposer en droit pénal interne les dispositions du paragraphe 1er de telle sorte que les comportements qu'elles visent soient érigés en infractions pénales.
  3. Sous réserve de l'article 2, paragraphe 2, chaque Etat membre prend également les mesures nécessaires pour assurer que l'établissement ou la fourniture intentionnel de déclarations ou de documents faux, inexacts ou incomplets ayant l'effet mentionné au paragraphe 1er sont érigés en infractions pénales s'ils ne sont pas déjà punissables soit comme infraction principale, soit à titre de complicité, d'instigation ou de tentative de fraude telle que définie au paragraphe 1.
  4. Le caractère intentionnel d'un acte ou d'une omission visé aux paragraphes 1er et 3 peut résulter de circonstances factuelles objectives.
Art. 2. Sancties.
  1. Elke Lid-Staat neemt de nodige maatregelen opdat op de in lid 1 bedoelde gedragingen, alsmede medeplichtigheid aan, uitlokking van of poging tot de in artikel 1, lid 1, bedoelde gedragingen, doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties worden gesteld, met inbegrip, ten minste bij ernstige fraude, van vrijheidsstraffen die aanleiding kunnen geven tot uitlevering; als ernstige fraude wordt aangemerkt iedere fraude waarmee een door elke Lid-Staat te bepalen minimumbedrag is gemoeid. Dit minimumbedrag mag niet hoger zijn dan 50 000 ecu.
  2. Voor geringe fraude, die betrekking heeft op een totaalbedrag van minder dan 4 000 ecu en waarbij zich volgens zijn wetgeving geen bijzondere strafverzwarende omstandigheden voordoen, kan een Lid-Staat evenwel in sancties voorzien van een andere aard dan de in lid 1 bedoelde.
  3. Het in lid 2 genoemde bedrag kan door de Raad van de Europese Unie met eenparigheid van stemmen worden gewijzigd.
Art. 2. Sanctions.
  1. Chaque Etat membre prend les mesures nécessaires pour assurer que les comportements visés à l'article 1er, ainsi que la complicité, l'instigation ou la tentative relatives aux comportements visés à l'article 1er paragraphe 1er, sont passibles de sanctions pénales effectives, proportionnées et dissuasives, incluant, au moins dans les cas de fraude grave, des peines privatives de liberté pouvant entraîner l'extradition, étant entendu que doit être considérée comme fraude grave toute fraude portant sur un montant minimal à fixer dans chaque Etat membre. Ce montant minimal ne peut pas être fixé à plus de 50 000 écus.
  2. Toutefois, un Etat membre peut prévoir, pour les cas de fraude mineure portant sur un montant total inférieur à 4 000 écus et ne présentant pas de circonstances particulières de gravité selon sa législation, des sanctions d'une autre nature que celles prévues au paragraphe 1.
  3. Le Conseil de l'Union européenne, statuant à l'unanimité, peut modifier le montant visé au paragraphe 2.
Art. 3. Strafrechtelijke aansprakelijkheid van leidinggevenden
  Elke Lid-Staat treft de nodige maatregelen opdat ondernemingshoofden of personen die beslissings- of controlebevoegdheid binnen een onderneming hebben, overeenkomstig de beginselen van zijn nationaal recht, strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld in geval van frauduleuze handelingen ten nadele van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen als bedoeld in artikel 1, die voor rekening van de onderneming door een aan hen ondergeschikte persoon zijn begaan.
Art. 3. Responsabilité pénale des chefs d'entreprise.
  Chaque Etat membre prend les mesures nécessaires pour permettre que les chefs d'entreprise ou toute personne ayant le pouvoir de décision ou de contrôle au sein d'une entreprise puissent être déclarés pénalement responsables selon les principes définis par son droit interne, en cas d'actes frauduleux commis au préjudice des intérêts financiers des Communautés européennes , tels que visés à l'article 1er, par une personne soumise à leur autorité pour le compte de l'entreprise.
Art. 4. Rechtsmacht.
  1. Elke Lid-Staat neemt de nodige maatregelen om zijn rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de overeenkomstig de artikelen 1 en 2, lid 1, strafbaar gestelde feiten waarbij :
  - de fraude, deelneming aan, of poging tot fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden geschaad, geheel of gedeeltelijk op zijn grondgebied is begaan of waarbij het voordeel uit de fraude op zijn grondgebied is verkregen;
  - een persoon op zijn grondgebied opzettelijk deelneemt aan of aanzet tot het begaan van dergelijke fraude op het grondgebied van een andere Staat;
  - de dader een eigen onderdaan is, met dien verstande dat zijn nationale recht kan bepalen dat de gedraging ook strafbaar moet zijn in de Lid-Staat waar de feiten zijn begaan.
  2. Elke Lid-Staat kan bij de kennisgeving als bedoeld in artikel 11, lid 2, verklaren dat hij de bepaling van lid 1, derde streepje, van het onderhavige artikel niet toepast.
Art. 4. Compétence 1. Chaque Etat membre prend les mesures nécessaires pour établir sa compétence sur les infractions qu'il a instituées conformément à l'article 1er et à l'article 2, paragraphe 1er dans les cas où :
  - la fraude, la participation à une fraude ou la tentative de fraude portant atteinte aux intérêts financiers des Communautés européennes est commise, en tout ou en partie, sur son territoire, y compris le cas de fraude où le gain a été réalisé sur ce territoire,
  - une personne se trouvant sur son territoire participe ou incite sciemment à la perpétration d'une telle fraude sur le territoire de tout autre Etat,
  - l'auteur de l'infraction est un ressortissant de l'Etat membre concerné, étant entendu que la législation de cet Etat membre peut prévoir que le comportement est également punissable dans le pays où il a eu lieu.
  2. Tout Etat membre peut déclarer, lors de la notification visée à l'article 11, paragraphe 2, qu'il n'applique pas la règle énoncée au paragraphe 1er troisième tiret du présent article.
Art. 5. Uitlevering en vervolging.
  1. Elke Lid-Staat die ingevolge zijn nationale recht geen eigen onderdanen uitlevert, treft de nodige maatregelen om zijn rechtsmacht te vestigen ten aanzien van overeenkomstig de artikelen 1 en 2, lid 1, strafbaar gestelde feiten die door deze onderdanen buiten zijn grondgebied worden begaan.
  2. Wanneer een onderdaan van een Lid-Staat ervan wordt verdacht zich in een andere Lid-Staat schuldig te hebben gemaakt aan strafbaar gestelde gedragingen als bedoeld in de artikelen 1 en 2, lid 1, en de Lid-Staat de betrokkene louter op grond van zijn of haar nationaliteit niet aan die andere Lid-Staat uitlevert, legt deze Lid-Staat de zaak aan zijn bevoegde autoriteiten voor opdat, indien daartoe aanleiding bestaat, een strafvervolging kan worden ingesteld. Met het oog op de strafvervolging worden de dossiers, inlichtingen en voorwerpen die op het strafbaar feit betrekking hebben, overeenkomstig artikel 6 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering toegezonden. De verzoekende Lid-Staat wordt in kennis gesteld van de vervolging en de afloop daarvan.
  3. Een Lid-Staat mag uitlevering in geval van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschappen worden geschaad niet weigeren op grond van het loutere feit dat het gaat om een delict inzake heffingen of douanerechten.
  4. Voor de toepassing van dit artikel worden onder "onderdanen van een Lid-Staat" de personen verstaan als omschreven in de verklaring die de betrokken Lid-Staat heeft afgelegd uit hoofde van artikel 6, lid 1, onder b), van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, alsmede de personen bedoeld in lid 1, onder c), van dat artikel.
Art. 5. Extradition et poursuites.
  1. Tout Etat membre qui, en vertu de sa législation, n'extrade pas ses propres ressortissants prend les mesures nécessaires pour établir sa compétence sur les infractions qu'il a instituées conformément à l'article 1er et à l'article 2 paragraphe 1er lorsqu'elles sont commises par ses propres ressortissants hors de son territoire.
  2. Chaque Etat membre doit, lorsqu'un de ses ressortissants est présumé avoir commis dans un autre Etat membre une infraction pénale consistant en un comportement tel que décrit à l'article 1er et à l'article 2, paragraphe 1er et qu'il n'extrade pas cette personne vers cet autre Etat membre uniquement en raison de sa nationalité, soumettre l'affaire à ses autorités compétentes aux fins de poursuites, s'il y a lieu. Afin de permettre l'exercice des poursuites, les dossiers, informations et objets relatifs à l'infraction sont adressés selon les modalités prévues à l'article 6 de la convention européenne d'extradition. L'Etat membre requérant sera informé des poursuites engagées et de leurs résultats.
  3. Un Etat membre ne peut refuser l'extradition en cas de fraude portant atteinte aux intérêts financiers des Communautés européennes au seul motif qu'il s'agit d'une infraction en matière de taxes ou de droits de douane.
  4. Aux fins du présent article, les termes " ressortissants d'un Etat membre " sont interprétés conformément à toute déclaration faite par cet Etat en vertu de l'article 6, paragraphe 1er point b) de la convention européenne d'extradition et au paragraphe 1er point c) de ce même article.
Art. 6. Samenwerking.
  1. Wanneer twee of meer Lid-Staten betrokken zijn bij een strafbaar gestelde fraude als omschreven in artikel 1, werken deze Lid-Staten doeltreffend samen bij het onderzoek, de vervolging en de bestraffing van het strafbaar feit, bij voorbeeld door middel van wederzijdse rechtshulp, uitlevering, overdracht van strafvervolging of tenuitvoerlegging van in een andere Lid-Staat gewezen rechterlijke beslissingen.
  2. Wanneer meer dan één Lid-Staat bevoegd is en elk van hen terzake van dezelfde feiten een vervolging kan instellen, bepalen de betrokken Lid-Staten in onderling overleg wie van hen de dader of daders zal vervolgen, met het doel de vervolging zo mogelijk in één Lid-Staat te centraliseren.
Art. 6. Coopération.
  1. Si une fraude telle que définie à l'article 1er constitue une infraction pénale et concerne au moins deux Etats membres, ceux-ci coopèrent de façon effective à l'enquête, aux poursuites judiciaires et à l'exécution de la sanction prononcée, au moyen, par exemple, de l'entraide judiciaire, de l'extradition, du transfert des poursuites ou de l'exécution des jugements prononcés dans un autre Etat membre.
  2. Lorsqu'une infraction relève de la compétence de plus d'un Etat membre et que n'importe lequel de ces Etats peut valablement engager des poursuites sur la base des mêmes faits, les Etats membres concernés coopèrent pour décider lequel d'entre eux poursuivra le ou les auteurs de l'infraction, avec pour objectif de centraliser, si possible, les poursuites dans un seul Etat membre.
Art. 7. Ne bis in idem-beginsel.
  1. De Lid-Staten passen in hun nationale strafrecht het "ne bis in idem"-beginsel toe, volgens hetwelk een persoon die bij onherroepelijk vonnis in een Lid-Staat is berecht, in een andere Lid-Staat niet kan worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of feitelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende Staat niet meer ten uitvoer gelegd kan worden.
  2. Bij de kennisgeving als bedoeld in artikel 11, lid 2, kan een Lid-Staat verklaren dat hij in een of meer van de volgende gevallen niet door lid 1 van dit artikel is gebonden :
  a) indien de feiten op grond waarvan in het buitenland vonnis werd gewezen zich geheel of gedeeltelijk op zijn eigen grondgebied hebben afgespeeld. In het laatste geval is deze uitzondering echter niet van toepassing indien de feiten zich gedeeltelijk hebben afgespeeld op het grondgebied van de Lid-Staat waarin het vonnis werd gewezen;
  b) indien de feiten op grond waarvan in het buitenland vonnis werd gewezen een inbreuk vormen op de veiligheid of andere even wezenlijke belangen van deze Lid-Staat;
  c) indien de feiten op grond waarvan in het buitenland vonnis werd gewezen, zijn begaan door een ambtenaar van deze Lid-Staat in strijd met zijn ambtsplichten.
  3. Uitzonderingen ten aanzien waarvan een verklaring uit hoofde van lid 2 is afgelegd, zijn niet van toepassing wanneer de betrokken Lid-Staat ter zake van dezelfde feiten de andere Lid-Staat om vervolging heeft verzocht of heeft ingestemd met de uitlevering van de betrokken persoon.
  4. Dit artikel laat de relevante bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen Lid-Staten, alsmede de met betrekking daartoe afgelegde verklaringen, onverlet.
Art. 7. Ne bis in idem.
  1. Les Etats membres appliquent en droit pénal interne le principe ne bis in idem en vertu duquel une personne qui a été définitivement jugée dans un Etat membre ne peut être poursuivie pour les mêmes faits dans un autre Etat membre, à condition que, en cas de condamnation, la sanction ait été exécutée, soit en cours d'exécution ou ne puisse plus être exécutée selon la loi de l'Etat de condamnation.
  2. Tout Etat membre peut déclarer, lors de la notification visée à l'article 11, paragraphe 2, qu'il n'est pas lié par le paragraphe 1er du présent article dans un ou plusieurs des cas suivants :
  a) lorsque les faits visés par le jugement rendu à l'étranger ont eu lieu, soit en tout, soit en partie, sur son territoire. Dans ce dernier cas, cette exception ne s'applique cependant pas si ces faits ont eu lieu en partie sur le territoire de l'Etat membre où le jugement a été rendu;
  b) lorsque les faits visés par le jugement rendu à l'étranger constituent une infraction contre la sûreté ou d'autres intérêts également essentiels de cet Etat membre;
  c) lorsque les faits visés par le jugement rendu à l'étranger ont été commis par un fonctionnaire de cet Etat membre en violation des obligations de sa charge.
  3. Les exceptions qui ont fait l'objet d'une déclaration au titre du paragraphe 2 ne s'appliquent pas lorsque l'Etat membre concerné a, pour les mêmes faits, demandé la poursuite à l'autre Etat membre ou accordé l'extradition de la personne concernée.
  4. Les accords bilatéraux ou multilatéraux conclus entre les Etats membres en la matière et les déclarations y relatives ne sont pas affectés par le présent article.
Art. 8. Hof van Justitie.
  1. Geschillen tussen Lid-Staten over de uitlegging of de toepassing van deze Overeenkomst worden, met het oog op een oplossing, in een eerste fase in de Raad besproken volgens de procedure van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
  Indien binnen zes maanden geen oplossing is gevonden, kan de zaak door een bij het geschil betrokken partij aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen worden voorgelegd.
  2. Ieder geschil tussen één of meer Lid-Staten en de Commissie betreffende artikel 1 of artikel 10 van deze Overeenkomst dat niet door middel van onderhandelingen kon worden opgelost, kan aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen worden voorgelegd.
Art. 8. Cour de justice.
  1. Tout différend entre Etats membres relatif à l'interprétation ou à l'application de la présente convention doit, dans une première étape, être examiné au sein du Conseil selon la procédure prévue au titre VI du traité sur l'Union européenne en vue d'une solution.
  A l'expiration d'un délai de six mois, si une solution n'a pu être trouvée, la Cour de justice des Communautés européennes peut être saisie par une partie au différend.
  2. Tout différend relatif aux articles 1er ou 10 de la présente convention entre un ou plusieurs Etats membres et la Commission des Communautés européennes qui n'a pu être réglé par voie de négociation peut être soumis à la Cour de justice.
Art. 9. Nationale bepalingen.
  Niets in deze Overeenkomst belet de Lid-Staten nationale bepalingen aan te nemen die verder gaan dan de verplichtingen uit hoofde van deze Overeenkomst.
Art. 9. Dispositions internes.
  Aucune disposition de la présente convention n'empêche les Etats membres d'adopter des dispositions de droit interne allant au-delà des obligations découlant de cette convention.
Art. 10. Mededeling.
  1. De Lid-Staten delen aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen de tekst mede van hun nationale bepalingen ter omzetting van de verplichtingen die krachtens deze Overeenkomst op hen rusten.
  2. Voor de toepassing van deze Overeenkomst stellen de Hoge Verdragsluitende Partijen in de Raad van de Europese Unie vast, welke gegevens moeten worden verstrekt, respectievelijk uitgewisseld tussen de Lid-Staten onderling dan wel tussen de Lid-Staten en de Commissie, alsmede de wijze waarop een en ander geschiedt.
Art. 10. Communication.
  1. Les Etats membres communiquent à la Commission des Communautés européennes le texte des dispositions transposant dans leur droit interne les obligations qui leur incombent en vertu des dispositions de la présente convention.
  2. Aux fins de l'application de la présente convention, les hautes parties contractantes définissent au sein du Conseil de l'Union européenne les informations qui doivent être communiquées ou échangées entre les Etats membres ou entre eux et la Commission, et les modalités de leur transmission.
Art. 11. Inwerkingtreding.
  1. Deze Overeenkomst wordt de Lid-Staten ter aanneming volgens hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen voorgelegd.
  2. De Lid-Staten stellen de Secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie in kennis van de voltooiing van de overeenkomstig hun grondwettelijke bepalingen voor de aanneming van deze Overeenkomst vereiste procedure.
  3. Deze Overeenkomst treedt in werking negentig dagen na de kennisgeving als bedoeld in lid 2, door de Lid-Staat die als laatste daartoe overgaat.
Art. 11. Entrée en vigueur.
  1. La présente convention est soumise à l'adoption par les Etats membres selon leurs règles constitutionnelles respectives.
  2. Les Etats membres notifient au secrétaire général du Conseil de l'Union européenne l'accomplissement des procédures requises par leurs règles constitutionnelles respectives pour l'adoption de la présente convention.
  3. La présente convention entre en vigueur quatre-vingt-dix jours après la notification visée au paragraphe 2 par l'Etat membre qui procède le dernier à cette formalité.
Art. 12. Toetreding van nieuwe Lid-Staten.
  1. Elke Staat die lid wordt van de Europese Unie, kan tot deze Overeenkomst toetreden.
  2. De door de Raad van de Europese Unie vastgestelde tekst van deze Overeenkomst in de taal van de toetredende Staat, is authentiek.
  3. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de depositaris.
  4. Deze Overeenkomst treedt ten aanzien van elke toetredende Staat in werking negentig dagen nadat diens akte van toetreding is neergelegd, of op de datum van haar inwerkingtreding indien deze Overeenkomst bij het verstrijken van de genoemde periode van negentig dagen nog niet in werking is getreden.
Art. 12. Adhésion 1. La présente convention est ouverte à l'adhésion de tout Etat qui devient membre de l'Union européenne.
  2. Le texte de la présente convention dans la langue de l'Etat adhérent, établi par le Conseil de l'Union européenne, fait foi.
  3. Les instruments d'adhésion sont déposés auprès du dépositaire.
  4. La présente convention entre en vigueur à l'égard de tout Etat qui y adhère quatre-vingt-dix jours après le dépôt de son instrument d'adhésion ou à la date de l'entrée en vigueur de cette convention, si elle n'est pas encore entrée en vigueur au moment de l'expiration de ladite période de quatre-vingt-dix jours.
Art. 13. Depositaris.
  1. De Secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie is depositaris van deze Overeenkomst.
  2. De depositaris maakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen de stand van de aannemingen en toetredingen, alsmede de verklaringen, voorbehouden en andere kennisgevingen met betrekking tot deze Overeenkomst bekend.
  Ten blijke waarvan de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder deze overeenkomst hebben gesteld.
  Gedaan te Brussel, de zesentwintigste juli negentienhonderd vijfennegentig, in één exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Ierse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek, dat wordt neergelegd in het archief van het Secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie.
Art. 13. Dépositaire
  1. Le secrétaire général du Conseil de l'Union européenne est dépositaire de la présente convention.
  2. Le dépositaire publie au Journal officiel des Communautés européennes l'état des adoptions et des adhésions, les déclarations et les réserves, ainsi que toute autre notification relative à la présente convention.
  En foi de quoi, les plénipotentiaires soussignés ont apposé leurs signatures au bas de la présente convention.
  Fait à Bruxelles, le vingt-six juillet mil neuf cent quatre-vingt-quinze, en un exemplaire unique, en langues allemande, anglaise, danoise, espagnole, finnoise, française, grecque, irlandaise, italienne, néerlandaise, portugaise et suédoise, tous ces textes faisant également foi, exemplaire qui est déposé dans les archives du Secrétariat général du Conseil de l'Union européenne.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. LIJST MET DE GEBONDEN STATEN.
Art. N. LISTE DES ETATS LIES.
        STATEN                       ONDERTEKENING           NOTIFICATIE
  BELGIE                             26 juli 1995          13 maart 2002
  DENEMARKEN                         26 juli 1995           2 oktober 2000
  DUITSLAND                          26 juli 1995          24 november 1998
  FINLAND                            26 juli 1995          18 december 1998
  FRANKRIJK                          26 juli 1995           4 augustus 2000
  GRIEKENLAND                        26 juli 1995          26 juli 2000
  [IERLAND                           26 juli 1995           3 juni 2002]
  
  [ITALIE                            26 juli 1995          19 JULI 2002]
  
  LUXEMBURG                          26 juli 1995          17 mei 2001
  NEDERLAND                          26 juli 1995          16 februari 2001
  OOSTENRIJK                         26 juli 1995          21 mei 1999
  PORTUGAL                           26 juli 1995          15 januari 2001
  SPANJE                             26 juli 1995          20 januari 2000
  VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-     26 juli 1995          11 oktober 1999
   BRITTANNIE EN NOORD-IERLAND
  ZWEDEN                             26 juli 1995          10 juni 1999
            ETATS                       SIGNATURE             NOTIFICATION
  ALLEMAGNE                          26 juillet 1995       24 novembre 1998
  AUTRICHE                           26 juillet 1995       21 mai 1999
  BELGIQUE                           26 juillet 1995       13 mars 2002
  DANEMARK                           26 juillet 1995        2 octobre 2000
  ESPAGNE                            26 juillet 1995       20 janvier 2000
  FINLANDE                           26 juillet 1995       18 décembre 1998
  FRANCE                             26 juillet 1995        4 août 2000
  GRECE                              26 juillet 1995       26 juillet 2000
  [IRLANDE                           26 juillet 1995        3 juin 2002]
  
  [ITALIE                            26 juillet 1995       19 juillet 2002]
  
  LUXEMBOURG                         26 juillet 1995       17 mai 2001
  [PAYS-BAS                          26 juillet 1995       16 fevrier 2001]
  
  PORTUGAL                           26 juillet 1995       15 janvier 2001
  ROYAUME-UNI DE GRANDE-BRETAGNE     26 juillet 1995       11 octobre 1999
   ET D'IRLANDE DU NORD
  SUEDE                              26 juillet 1995       10 juin 1999
Art. N1. (Dit protocol treedt in werking op 17 oktober 2002.)
Art. N1. (Cette convention entre en vigueur le 17 octobre 2002).