Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
20 DECEMBER 2002. - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-12-2002 en tekstbijwerking tot 29-08-2014)
Titre
20 DECEMBRE 2002. - Décret contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2003. (Traduction). (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 31-12-2002 et mise à jour au 29-08-2014)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
HOOFDSTUK II. - Onderwijs.
Afdeling 1. - Werkingsmiddelen voor de secundai...
Afdeling 2. - Werkingsmiddelen voor de instelli...
Afdeling 3. - Hogescholen.
Afdeling 4. - Infrastructuurwerken.
Afdeling 5. - Inschrijvingsgelden deeltijds kun...
Afdeling 6. (Opgeheven)
Afdeling 7. - Vervangingspool.
HOOFDSTUK III. - Leefmilieu.
Afdeling 1. - Afval.
Afdeling 2. - Vlaamse Landmaatschappij.
HOOFDSTUK IV. - VLAM.
HOOFDSTUK V. - Huisvesting.
HOOFDSTUK VI. - Economie.
Afdeling 1. - Vzw Ondernemingsplanwedstrijd en ...
Afdeling 2. - Excellentiepolen.
Afdeling 3. - Flankerend Economisch Beleid.
HOOFDSTUK VII. - Vlaams Brusselfonds.
HOOFDSTUK VIII. - Tewerkstelling.
HOOFDSTUK IX. - Energie.
HOOFDSTUK X. - Domein van de wegen, de waterweg...
HOOFDSTUK XI. - Dienst met Afzonderlijk Beheer ...
HOOFDSTUK XII. - Zorgfonds.
HOOFDSTUK XIII. - Gemeentefonds.
HOOFDSTUK XIV. - Monumenten en Landschappen.
HOOFDSTUK XV. - Financiën.
Afdeling 1. - Gimvindus.
Afdeling 2. - Onroerende voorheffing.
Afdeling 3. - Successierechten.
Afdeling 4. - Schenking bouwgronden.
Afdeling 5. - Registratierechten.
Afdeling 6. - Verkeersbelasting.
HOOFDSTUK XVI. - Cultuur.
HOOFDSTUK XVII.
HOOFDSTUK XVIII. - Slotbepalingen.
BIJLAGE.
Inhoud
CHAPITRE I. - Généralités.
CHAPITRE II. - Enseignement.
Section 1. - Moyens de fonctionnement pour les ...
Section 2. - Moyens de fonctionnement pour les ...
Section 3. - Instituts supérieurs.
Section 4. - Travaux d'infrastructure.
Section 5. - Droits d'inscription dans l'enseig...
Section 6. (Abrogée)
Section 7. - Pool de remplacement.
CHAPITRE III. - Environnement.
Section 1. - Déchets.
Section 2. - Société flamande terrienne.
CHAPITRE IV. - VLAM.
CHAPITRE V. - Logement.
CHAPITRE VI. - Economie.
Section 1. - " VZW Ondernemingsplanwedstrijd " ...
Section 2. - Pôles d'excellence.
Section 3. - " Flankerend Economisch Beleid ".
CHAPITRE VII. - " Vlaams Brusselfonds ".
CHAPITRE VIII. - Emploi.
CHAPITRE IX. - Energie.
CHAPITRE X. - Domaine des routes, des cours d'e...
CHAPITRE XI. - Service à Gestion séparée " Flot...
CHAPITRE XII. - Fonds d'assurance soins.
CHAPITRE XIII. - Fonds flamand des Communes.
CHAPITRE XIV. - Monuments et Sites.
CHAPITRE XV. - Finances.
Section 1. - Gimvindus.
Section 2. - Précompte immobilier.
Section 3. - Droits de succession.
Section 4. - Donation de terrains à bâtir.
Section 5. - Droits d'enregistrement.
Section 6.
CHAPITRE XVI. - Culture.
CHAPITRE XVII.
CHAPITRE XVIII. - Dispositions finales.
ANNEXE.
Tekst (114)
Texte (114)
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
CHAPITRE I. - Généralités.
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.
Article 1. Le présent décret règle une matière communautaire et régionale.
HOOFDSTUK II. - Onderwijs.
CHAPITRE II. - Enseignement.
Afdeling 1. - Werkingsmiddelen voor de secundaire scholen en de internaten.
Section 1. - Moyens de fonctionnement pour les écoles secondaires et les internats.
Art. 2. Artikel 2 tot en met artikel 3bis van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, gewijzigd bij de decreten van 28 april 1993, 14 juli 1998, 22 december 2000 en 13 juli 2001, worden vervangen door wat volgt :
" Artikel 2. § 1. Dit artikel is van toepassing op het voltijds en het deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
1° lln1 : het aantal regelmatige leerlingen van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs en gesubsidieerd onderwijs op 1 februari van het vorige schooljaar;
2° lln0 : het aantal regelmatige leerlingen van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs en gesubsidieerd onderwijs op 1 februari van het voorlaatste schooljaar;
3° lln'1 : het aantal regelmatige leerlingen van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs op 1 februari van het vorige schooljaar;
4° lln'0 : het aantal regelmatige leerlingen van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs op 1 februari van het voorlaatste schooljaar;
5° c1 : het geraamde indexcijfer van de consumptieprijzen op het einde van het volgende begrotingsjaar;
6° c0 : het geraamde indexcijfer van de consumptieprijzen op het einde van het lopende begrotingsjaar;
7° lk1 : het geraamde indexcijfer van de eenheidsloonkosten op het einde van het volgende begrotingsjaar;
8° lk0 : het geraamde indexcijfer van de eenheidsloonkosten op het einde van het lopende begrotingsjaar.
§ 3. De werkingsmiddelen van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs worden jaarlijks berekend door de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van het vorige begrotingsjaar voor de werkingsmiddelen bestemd zijn en de lonen van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van de instellingen van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar, te vermenigvuldigen met de coëfficiënten A1 en A2, die als volgt worden berekend :
A1 = 0,6 + 0,4 (lln'1/lln'0);
A2 = 0,4 (c1/c0) + 0,6 (lk1/lk0).
§ 4. Het krediet dat met toepassing van § 3 is verkregen, wordt vermeerderd met het aandeel van het secundair gemeenschapsonderwijs in 37,5 % van de loonkost die jaarlijks vrijkomt door de toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen.
Het aandeel van het secundair gemeenschapsonderwijs in deze vrijgekomen loonkost wordt bepaald in verhouding tot het aantal regelmatige leerlingen in het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs.
§ 5. Het bedrag van de werkingsmiddelen voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs dat met toepassing van artikel 2, § 2 tot en met § 4 is verkregen wordt verminderd met 50 % van de loonkost die jaarlijks vrijkomt door de toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen en met de loonkost van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel.
§ 6. Wanneer de leerlingenevolutie in het gemeenschapsonderwijs lln'1/lln'0 kleiner is dan 1 en kleiner is dan de gemiddelde leerlingenevolutie lln1/lln0, wordt het met toepassing van § 3 verkregen bedrag, aangeduid als WMgo, vermenigvuldigd met de verhouding tussen lln'1 en het aan de gemiddelde leerlingenevolutie aangepaste leerlingencijfer lln'0, volgens de formule :
WMgo x lln'1/lln'0 x lln 1/lln 0.
§ 7. Het bedrag dat met toepassing van § 3 tot en met § 6 is verkregen, wordt jaarlijks aan de raden van bestuur van de scholengroepen toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 36, 2°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs.
Art. 3. § 1. Dit artikel is van toepassing op het voltijds en het deeltijds secundair gesubsidieerd onderwijs.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
1° lln''1 : het aantal regelmatige leerlingen van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gesubsidieerd onderwijs op 1 februari van het vorige schooljaar;
2° lln''0 : het aantal regelmatige leerlingen van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gesubsidieerd onderwijs op 1 februari van het voorlaatste schooljaar;
3° c1 : het geraamde indexcijfer van de consumptieprijzen op het einde van het volgende begrotingsjaar;
4° c0 : het geraamde indexcijfer van de consumptieprijzen op het einde van het lopende begrotingsjaar;
5° lk1 : het geraamde indexcijfer van de eenheidsloonkosten op het einde van het volgende begrotingsjaar;
6° lk0 : het geraamde indexcijfer van de eenheidsloonkosten op het einde van het lopende begrotingsjaar.
De werkingsmiddelen van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gesubsidieerd onderwijs worden jaarlijks berekend door de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van het vorige begrotingsjaar voor de werkingsmiddelen bestemd zijn, te vermenigvuldigen met de coëfficiënten A1 en A2, die als volgt worden berekend :
A1 = 0,6 + 0,4 (lln''1/lln''0);
A2 = 0,4 (c1/c0) + 0,6 (lk1/lk0).
§ 3. Het krediet dat met toepassing van § 2 is verkregen, wordt vermeerderd met het aandeel van het gesubsidieerd secundair onderwijs in 37,5 % van de loonkost die jaarlijks vrijkomt door de toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen.
Het aandeel van het gesubsidieerd secundair onderwijs in deze vrijgekomen loonkost wordt bepaald in verhouding tot het aantal regelmatige leerlingen in het gewoon voltijds secundair en het deeltijds secundair onderwijs.
§ 4. Het krediet dat met toepassing van § 2 en § 3 is verkregen, wordt zodanig aangepast dat per regelmatige leerling gemiddeld onderstaande verhoudingen tussen de werkingsmiddelen van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs en het gewoon secundair gesubsidieerd onderwijs worden bereikt :
" Artikel 2. § 1. Dit artikel is van toepassing op het voltijds en het deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
1° lln1 : het aantal regelmatige leerlingen van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs en gesubsidieerd onderwijs op 1 februari van het vorige schooljaar;
2° lln0 : het aantal regelmatige leerlingen van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs en gesubsidieerd onderwijs op 1 februari van het voorlaatste schooljaar;
3° lln'1 : het aantal regelmatige leerlingen van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs op 1 februari van het vorige schooljaar;
4° lln'0 : het aantal regelmatige leerlingen van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs op 1 februari van het voorlaatste schooljaar;
5° c1 : het geraamde indexcijfer van de consumptieprijzen op het einde van het volgende begrotingsjaar;
6° c0 : het geraamde indexcijfer van de consumptieprijzen op het einde van het lopende begrotingsjaar;
7° lk1 : het geraamde indexcijfer van de eenheidsloonkosten op het einde van het volgende begrotingsjaar;
8° lk0 : het geraamde indexcijfer van de eenheidsloonkosten op het einde van het lopende begrotingsjaar.
§ 3. De werkingsmiddelen van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs worden jaarlijks berekend door de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van het vorige begrotingsjaar voor de werkingsmiddelen bestemd zijn en de lonen van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel van de instellingen van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs van het vorige begrotingsjaar, te vermenigvuldigen met de coëfficiënten A1 en A2, die als volgt worden berekend :
A1 = 0,6 + 0,4 (lln'1/lln'0);
A2 = 0,4 (c1/c0) + 0,6 (lk1/lk0).
§ 4. Het krediet dat met toepassing van § 3 is verkregen, wordt vermeerderd met het aandeel van het secundair gemeenschapsonderwijs in 37,5 % van de loonkost die jaarlijks vrijkomt door de toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen.
Het aandeel van het secundair gemeenschapsonderwijs in deze vrijgekomen loonkost wordt bepaald in verhouding tot het aantal regelmatige leerlingen in het gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs.
§ 5. Het bedrag van de werkingsmiddelen voor het gewoon voltijds en deeltijds secundair gemeenschapsonderwijs dat met toepassing van artikel 2, § 2 tot en met § 4 is verkregen wordt verminderd met 50 % van de loonkost die jaarlijks vrijkomt door de toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen en met de loonkost van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel.
§ 6. Wanneer de leerlingenevolutie in het gemeenschapsonderwijs lln'1/lln'0 kleiner is dan 1 en kleiner is dan de gemiddelde leerlingenevolutie lln1/lln0, wordt het met toepassing van § 3 verkregen bedrag, aangeduid als WMgo, vermenigvuldigd met de verhouding tussen lln'1 en het aan de gemiddelde leerlingenevolutie aangepaste leerlingencijfer lln'0, volgens de formule :
WMgo x lln'1/lln'0 x lln 1/lln 0.
§ 7. Het bedrag dat met toepassing van § 3 tot en met § 6 is verkregen, wordt jaarlijks aan de raden van bestuur van de scholengroepen toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 36, 2°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs.
Art. 3. § 1. Dit artikel is van toepassing op het voltijds en het deeltijds secundair gesubsidieerd onderwijs.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
1° lln''1 : het aantal regelmatige leerlingen van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gesubsidieerd onderwijs op 1 februari van het vorige schooljaar;
2° lln''0 : het aantal regelmatige leerlingen van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gesubsidieerd onderwijs op 1 februari van het voorlaatste schooljaar;
3° c1 : het geraamde indexcijfer van de consumptieprijzen op het einde van het volgende begrotingsjaar;
4° c0 : het geraamde indexcijfer van de consumptieprijzen op het einde van het lopende begrotingsjaar;
5° lk1 : het geraamde indexcijfer van de eenheidsloonkosten op het einde van het volgende begrotingsjaar;
6° lk0 : het geraamde indexcijfer van de eenheidsloonkosten op het einde van het lopende begrotingsjaar.
De werkingsmiddelen van het gewoon voltijds en deeltijds secundair gesubsidieerd onderwijs worden jaarlijks berekend door de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van het vorige begrotingsjaar voor de werkingsmiddelen bestemd zijn, te vermenigvuldigen met de coëfficiënten A1 en A2, die als volgt worden berekend :
A1 = 0,6 + 0,4 (lln''1/lln''0);
A2 = 0,4 (c1/c0) + 0,6 (lk1/lk0).
§ 3. Het krediet dat met toepassing van § 2 is verkregen, wordt vermeerderd met het aandeel van het gesubsidieerd secundair onderwijs in 37,5 % van de loonkost die jaarlijks vrijkomt door de toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de Rijksinrichtingen.
Het aandeel van het gesubsidieerd secundair onderwijs in deze vrijgekomen loonkost wordt bepaald in verhouding tot het aantal regelmatige leerlingen in het gewoon voltijds secundair en het deeltijds secundair onderwijs.
§ 4. Het krediet dat met toepassing van § 2 en § 3 is verkregen, wordt zodanig aangepast dat per regelmatige leerling gemiddeld onderstaande verhoudingen tussen de werkingsmiddelen van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs en het gewoon secundair gesubsidieerd onderwijs worden bereikt :
Art. 2. Les articles 2 à 3bis inclus du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II, modifié par les décrets des 28 avril 1993, 14 juillet 1998, 22 décembre 2000 et 13 juillet 2001 sont remplacés par ce qui suit :
" Article 2. § 1. Le présent article s'applique à l'enseignement secondaire à temps plein et à temps partiel du réseau communautaire.
§ 2. Pour l'application du présent article, il faut entendre par :
1° lln1 : le nombre d'élèves réguliers de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel de l'enseignement communautaire et de l'enseignement subventionné au 1er février de l'année scolaire précédente;
2° lln0 : le nombre d'élèves réguliers de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel de l'enseignement communautaire et de l'enseignement subventionné au 1er février de l'avant-dernière année scolaire;
3° lln'1 : le nombre d'élèves réguliers de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel de l'enseignement communautaire au 1er février de l'année scolaire précédente;
4° lln'0 : le nombre d'élèves réguliers de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel du réseau communautaire au 1er février de l'année scolaire précédente;
5° c1 : l'indice estimé des prix à la consommation au terme de l'année budgétaire suivante;
6° c0 : l'indice estimé des prix à la consommation au terme de l'année budgétaire en cours;
7° lk1 : l'indice estimé des coûts salariaux unitaires au terme de l'année budgétaire suivante;
8° lk0 : l'indice estimé des coûts salariaux unitaires au terme de l'année budgétaire en cours.
§ 3. Les moyens de fonctionnement de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel du réseau communautaire sont calculés annuellement en multipliant par les coefficients A1 et A2 les crédits inscrits au budget général des dépenses de l'année budgétaire précédente pour les moyens de fonctionnement et les salaires des personnels de maîtrise, gens de métier et de service nommés à titre définitif des établissements d'enseignement communautaire secondaire ordinaire de l'année budgétaire précédente. Les coefficients A1 et A2 sont calculés comme suit :
A1 = 0,6 + 0,4 (lln'1/lln'0);
A2 = 0,4 (c1/c0) + 0,6 (lk1/lk0).
§ 4. Le crédit obtenu en appliquant le §3 est majoré de la quote-part de l'enseignement communautaire secondaire dans 37,5 % des coûts salariaux dégagés annuellement par application de l'arrêté royal n° 296 du 31 mars 1984 relatif aux membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement de l'Etat.
La quote-part de l'enseignement communautaire secondaire dans ces coûts salariaux dégagés est fixée en proportion du nombre d'élèves réguliers dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel.
§ 5. Le montant des moyens de fonctionnement pour l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel du réseau communautaire qui est obtenu par application de l'article 2, §§ 2 à 4 inclus est réduit de 50 % des coûts salariaux qui sont annuellement dégagés par application de l'arrêté royal n° 296 du 31 mars 1984 relatif aux membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement de l'Etat et des coûts salariaux des membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service nommés à titre définitif.
§ 6. Lorsque l'évolution des élèves dans l'enseignement communautaire lln'1/lln'0 est inférieure à 1 et inférieure à l'évolution moyenne des élèves lln 1/lln 0, le montant obtenu par application du § 3, désigné comme Wmgo, est multiplié par la proportion entre lln'1 et le chiffre d'élèves lln'0 ajusté à l'évolution moyenne des élèves, suivant la formule :
WMgo x lln'1/lln'0 x lln 1/lln 0.
§ 7. Le montant obtenu par application des §§ 3 à 6 inclus, est octroyé annuellement aux conseils d'administration des groupes d'écoles conformément aux dispositions de l'article 36, 2° du décret spécial du 14 juillet 1998 relatif à l'enseignement communautaire.
Art. 3. § 1. Le présent article s'applique à l'enseignement secondaire subventionné à temps plein et à temps partiel.
§ 2. Pour l'application du présent article, il faut entendre par :
1° lln''1 : le nombre d'élèves réguliers de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel du réseau subventionné au 1er février de l'année scolaire précédente;
2° lln''0 : le nombre d'élèves réguliers de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel du réseau subventionné au 1er février de l'avant-dernière année scolaire;
3° c1 : l'indice estimé des prix à la consommation au terme de l'année budgétaire suivante;
4° c0 : l'indice estimé des prix à la consommation au terme de l'année budgétaire en cours;
5° lk1 : l'indice estimé des coûts salariaux unitaires au terme de l'année budgétaire suivante;
6° lk0 : l'indice estimé des coûts salariaux unitaires au terme de l'année budgétaire en cours.
Les moyens de fonctionnement de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel du réseau subventionné sont calculés annuellement en multipliant par les coefficients A1 et A2 les crédits inscrits au budget général des dépenses de l'année précédente pour les moyens de fonctionnement. Les coefficients A1 et A2 sont calculés comme suit :
A1 = 0,6 + 0,4 (lln''1/lln''0);
A2 = 0,4 (c1/c0) + 0,6 (lk1/lk0).
§ 3. Le crédit obtenu en appliquant le § 2 est majoré de la quote-part de l'enseignement secondaire subventionné dans 37,5 % des coûts salariaux dégagés annuellement par application de l'arrêté royal n° 296 du 31 mars 1984 relatif aux membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement de l'Etat.
La quote-part de l'enseignement secondaire subventionné dans ces coûts salariaux dégagés est fixée en proportion du nombre d'élèves réguliers dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel.
§ 4. Le crédit obtenu en appliquant les §§ 2 et 3 est ajusté de telle manière qu'en moyenne les proportions suivantes sont atteintes entre les moyens de fonctionnement de l'enseignement secondaire ordinaire du réseau communautaire et de l'enseignement secondaire ordinaire du réseau subventionné :
" Article 2. § 1. Le présent article s'applique à l'enseignement secondaire à temps plein et à temps partiel du réseau communautaire.
§ 2. Pour l'application du présent article, il faut entendre par :
1° lln1 : le nombre d'élèves réguliers de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel de l'enseignement communautaire et de l'enseignement subventionné au 1er février de l'année scolaire précédente;
2° lln0 : le nombre d'élèves réguliers de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel de l'enseignement communautaire et de l'enseignement subventionné au 1er février de l'avant-dernière année scolaire;
3° lln'1 : le nombre d'élèves réguliers de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel de l'enseignement communautaire au 1er février de l'année scolaire précédente;
4° lln'0 : le nombre d'élèves réguliers de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel du réseau communautaire au 1er février de l'année scolaire précédente;
5° c1 : l'indice estimé des prix à la consommation au terme de l'année budgétaire suivante;
6° c0 : l'indice estimé des prix à la consommation au terme de l'année budgétaire en cours;
7° lk1 : l'indice estimé des coûts salariaux unitaires au terme de l'année budgétaire suivante;
8° lk0 : l'indice estimé des coûts salariaux unitaires au terme de l'année budgétaire en cours.
§ 3. Les moyens de fonctionnement de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel du réseau communautaire sont calculés annuellement en multipliant par les coefficients A1 et A2 les crédits inscrits au budget général des dépenses de l'année budgétaire précédente pour les moyens de fonctionnement et les salaires des personnels de maîtrise, gens de métier et de service nommés à titre définitif des établissements d'enseignement communautaire secondaire ordinaire de l'année budgétaire précédente. Les coefficients A1 et A2 sont calculés comme suit :
A1 = 0,6 + 0,4 (lln'1/lln'0);
A2 = 0,4 (c1/c0) + 0,6 (lk1/lk0).
§ 4. Le crédit obtenu en appliquant le §3 est majoré de la quote-part de l'enseignement communautaire secondaire dans 37,5 % des coûts salariaux dégagés annuellement par application de l'arrêté royal n° 296 du 31 mars 1984 relatif aux membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement de l'Etat.
La quote-part de l'enseignement communautaire secondaire dans ces coûts salariaux dégagés est fixée en proportion du nombre d'élèves réguliers dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel.
§ 5. Le montant des moyens de fonctionnement pour l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel du réseau communautaire qui est obtenu par application de l'article 2, §§ 2 à 4 inclus est réduit de 50 % des coûts salariaux qui sont annuellement dégagés par application de l'arrêté royal n° 296 du 31 mars 1984 relatif aux membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement de l'Etat et des coûts salariaux des membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service nommés à titre définitif.
§ 6. Lorsque l'évolution des élèves dans l'enseignement communautaire lln'1/lln'0 est inférieure à 1 et inférieure à l'évolution moyenne des élèves lln 1/lln 0, le montant obtenu par application du § 3, désigné comme Wmgo, est multiplié par la proportion entre lln'1 et le chiffre d'élèves lln'0 ajusté à l'évolution moyenne des élèves, suivant la formule :
WMgo x lln'1/lln'0 x lln 1/lln 0.
§ 7. Le montant obtenu par application des §§ 3 à 6 inclus, est octroyé annuellement aux conseils d'administration des groupes d'écoles conformément aux dispositions de l'article 36, 2° du décret spécial du 14 juillet 1998 relatif à l'enseignement communautaire.
Art. 3. § 1. Le présent article s'applique à l'enseignement secondaire subventionné à temps plein et à temps partiel.
§ 2. Pour l'application du présent article, il faut entendre par :
1° lln''1 : le nombre d'élèves réguliers de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel du réseau subventionné au 1er février de l'année scolaire précédente;
2° lln''0 : le nombre d'élèves réguliers de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel du réseau subventionné au 1er février de l'avant-dernière année scolaire;
3° c1 : l'indice estimé des prix à la consommation au terme de l'année budgétaire suivante;
4° c0 : l'indice estimé des prix à la consommation au terme de l'année budgétaire en cours;
5° lk1 : l'indice estimé des coûts salariaux unitaires au terme de l'année budgétaire suivante;
6° lk0 : l'indice estimé des coûts salariaux unitaires au terme de l'année budgétaire en cours.
Les moyens de fonctionnement de l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel du réseau subventionné sont calculés annuellement en multipliant par les coefficients A1 et A2 les crédits inscrits au budget général des dépenses de l'année précédente pour les moyens de fonctionnement. Les coefficients A1 et A2 sont calculés comme suit :
A1 = 0,6 + 0,4 (lln''1/lln''0);
A2 = 0,4 (c1/c0) + 0,6 (lk1/lk0).
§ 3. Le crédit obtenu en appliquant le § 2 est majoré de la quote-part de l'enseignement secondaire subventionné dans 37,5 % des coûts salariaux dégagés annuellement par application de l'arrêté royal n° 296 du 31 mars 1984 relatif aux membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement de l'Etat.
La quote-part de l'enseignement secondaire subventionné dans ces coûts salariaux dégagés est fixée en proportion du nombre d'élèves réguliers dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel.
§ 4. Le crédit obtenu en appliquant les §§ 2 et 3 est ajusté de telle manière qu'en moyenne les proportions suivantes sont atteintes entre les moyens de fonctionnement de l'enseignement secondaire ordinaire du réseau communautaire et de l'enseignement secondaire ordinaire du réseau subventionné :
| Begrotingsjaar | Aandeel Gemeenschapsonderwijs | Aandeel gesubsidieerd onderwijs |
| 1999 | 100 | 55 |
| 2000 | 100 | 58 |
| 2001 | 100 | 61 |
| 2002 | 100 | 63 |
| 2003 | 100 | 65 |
| 2004 | 100 | 68 |
| 2005 | 100 | 70 |
| 2006 | 100 | 73 |
| 2007 | 100 | 76 |
GemeenschapsonderwijsAandeel gesubsidieerd
onderwijs199910055200010058200110061200210063200310065200410068200510070200610073200710076
| Année budgétaire | Quote-part de l'Enseignement communautaire | Quote-part de l'Enseignement subventionné |
| 1999 | 100 | 55 |
| 2000 | 100 | 58 |
| 2001 | 100 | 61 |
| 2002 | 100 | 63 |
| 2003 | 100 | 65 |
| 2004 | 100 | 68 |
| 2005 | 100 | 70 |
| 2006 | 100 | 73 |
| 2007 | 100 | 76 |
l'Enseignement communautaireQuote-part de
l'Enseignement subventionné199910055200010058200110061200210063200310065200410068200510070200610073200710076
§ 5. De verhogingen bedoeld in § 4 worden bij de werkingsmiddelen van het overeenkomstige begrotingsjaar gevoegd en op dezelfde wijze aangepast.
§ 6. In 2007 moeten de werkingsmiddelen per regelmatige leerling in het gewoon secundair gesubsidieerd onderwijs gemiddeld 76 % bedragen van de werkingsmiddelen per regelmatige leerling van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs.
§ 7. Het bedrag van de jaarlijks vrijkomende loonkost bedoeld in artikel 2, § 5, en artikel 3, § 3, wordt vanaf 2008 op basis van de verhouding vermeld in § 6 verdeeld.
§ 8. In het gesubsidieerd gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs zijn de werkingstoelagen per school gelijk aan de vermenigvuldiging van de geldwaarde per punt met het puntengewicht van de leerling en met het aantal regelmatige leerlingen.
Het puntengewicht per leerling wordt door de Vlaamse regering vastgesteld. Bij het vaststellen van het puntengewicht kan de Vlaamse regering slechts rekening houden met het onderwijsniveau, de onderwijsvorm, de studierichting, de optimale klasgrootte en de benodigde middelen voor het verstrekken van het onderwijs.
De geldwaarde per punt is gelijk aan het quotiënt van de deling van de werkingsmiddelen die met toepassing van artikel 3, § 2 tot en met § 4, zijn verkregen en verminderd zijn met de gemeenschapsbijdrage in het kostgeld voor kinderen van wie de ouders geen vaste verblijfplaats hebben en die in het secundair onderwijs les volgen, door het aantal te verdelen punten. Dit aantal wordt verkregen door in alle gesubsidieerde secundaire scholen het aantal regelmatige leerlingen met het overeenkomstige puntengewicht te vermenigvuldigen en van deze producten de som te maken.
Artikel 3bis. § 1. Dit artikel is van toepassing op het buitengewoon secundair onderwijs.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
1° lln1 : het aantal regelmatige leerlingen van het buitengewoon secundair onderwijs van respectievelijk het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd onderwijs op 1 februari van het vorige schooljaar;
2° lln 0 : het aantal regelmatige leerlingen van het buitengewoon secundair onderwijs van respectievelijk het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd onderwijs op 1 februari van het voorlaatste schooljaar;
3° c1 : het geraamde indexcijfer van de consumptieprijzen op het einde van het volgende begrotingsjaar;
4° c0 : het geraamde indexcijfer van de consumptieprijzen op het einde van het lopende begrotingsjaar;
5° lk1 : het geraamde indexcijfer van de eenheidsloonkosten op het einde van het volgende begrotingsjaar;
6° lk0 : het geraamde indexcijfer van de eenheidsloonkosten op het einde van het lopende begrotingsjaar.
De werkingsmiddelen van het buitengewoon secundair onderwijs worden jaarlijks berekend door de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van het vorige begrotingsjaar voor de werkingsmiddelen bestemd zijn en, voor het gemeenschapsonderwijs, de lonen van het vastbenoemde meesters-, vak - en dienstpersoneel van de instellingen van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs, te vermenigvuldigen met de coëfficiënten A1 en A2, die als volgt worden berekend :
A1 = 0,6 + 0,4 (lln1/lln0);
A2 = 0,4 (c1/c0) + 0,6 (lk1/lk0).
§ 3. Het krediet dat met toepassing van § 2 is verkregen, wordt zodanig aangepast dat per regelmatige leerling gemiddeld onderstaande verhoudingen tussen de werkingsmiddelen van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs en het buitengewoon secundair gesubsidieerd onderwijs worden bereikt :
§ 6. In 2007 moeten de werkingsmiddelen per regelmatige leerling in het gewoon secundair gesubsidieerd onderwijs gemiddeld 76 % bedragen van de werkingsmiddelen per regelmatige leerling van het gewoon secundair gemeenschapsonderwijs.
§ 7. Het bedrag van de jaarlijks vrijkomende loonkost bedoeld in artikel 2, § 5, en artikel 3, § 3, wordt vanaf 2008 op basis van de verhouding vermeld in § 6 verdeeld.
§ 8. In het gesubsidieerd gewoon voltijds en deeltijds secundair onderwijs zijn de werkingstoelagen per school gelijk aan de vermenigvuldiging van de geldwaarde per punt met het puntengewicht van de leerling en met het aantal regelmatige leerlingen.
Het puntengewicht per leerling wordt door de Vlaamse regering vastgesteld. Bij het vaststellen van het puntengewicht kan de Vlaamse regering slechts rekening houden met het onderwijsniveau, de onderwijsvorm, de studierichting, de optimale klasgrootte en de benodigde middelen voor het verstrekken van het onderwijs.
De geldwaarde per punt is gelijk aan het quotiënt van de deling van de werkingsmiddelen die met toepassing van artikel 3, § 2 tot en met § 4, zijn verkregen en verminderd zijn met de gemeenschapsbijdrage in het kostgeld voor kinderen van wie de ouders geen vaste verblijfplaats hebben en die in het secundair onderwijs les volgen, door het aantal te verdelen punten. Dit aantal wordt verkregen door in alle gesubsidieerde secundaire scholen het aantal regelmatige leerlingen met het overeenkomstige puntengewicht te vermenigvuldigen en van deze producten de som te maken.
Artikel 3bis. § 1. Dit artikel is van toepassing op het buitengewoon secundair onderwijs.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
1° lln1 : het aantal regelmatige leerlingen van het buitengewoon secundair onderwijs van respectievelijk het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd onderwijs op 1 februari van het vorige schooljaar;
2° lln 0 : het aantal regelmatige leerlingen van het buitengewoon secundair onderwijs van respectievelijk het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd onderwijs op 1 februari van het voorlaatste schooljaar;
3° c1 : het geraamde indexcijfer van de consumptieprijzen op het einde van het volgende begrotingsjaar;
4° c0 : het geraamde indexcijfer van de consumptieprijzen op het einde van het lopende begrotingsjaar;
5° lk1 : het geraamde indexcijfer van de eenheidsloonkosten op het einde van het volgende begrotingsjaar;
6° lk0 : het geraamde indexcijfer van de eenheidsloonkosten op het einde van het lopende begrotingsjaar.
De werkingsmiddelen van het buitengewoon secundair onderwijs worden jaarlijks berekend door de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van het vorige begrotingsjaar voor de werkingsmiddelen bestemd zijn en, voor het gemeenschapsonderwijs, de lonen van het vastbenoemde meesters-, vak - en dienstpersoneel van de instellingen van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs, te vermenigvuldigen met de coëfficiënten A1 en A2, die als volgt worden berekend :
A1 = 0,6 + 0,4 (lln1/lln0);
A2 = 0,4 (c1/c0) + 0,6 (lk1/lk0).
§ 3. Het krediet dat met toepassing van § 2 is verkregen, wordt zodanig aangepast dat per regelmatige leerling gemiddeld onderstaande verhoudingen tussen de werkingsmiddelen van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs en het buitengewoon secundair gesubsidieerd onderwijs worden bereikt :
§ 5. Les augmentations visées au § 4 sont ajoutées aux moyens de fonctionnement de l'année budgétaire correspondante et ajustées de la même façon.
§ 6. En 2007, les moyens de fonctionnement par élève régulier dans l'enseignement secondaire ordinaire du réseau subventionné doivent s'élever en moyenne à 76 % des moyens de fonctionnement par élève régulier de l'enseignement secondaire ordinaire du réseau communautaire.
§ 7. Le montant des coûts salariaux dégagés annuellement visé à l'article 2, § 5 et à l'article 3, § 3, est réparti à compter de l'année 2008 sur la base de la proportion visée au § 6.
§ 8. Dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel du réseau subventionné, les moyens de fonctionnement par école correspondent à la multiplication de la valeur monétaire par point par la pondération de l'élève et par le nombre d'élèves réguliers.
La pondération par élève est fixée par le Gouvernement flamand. Lors de la fixation de la pondération, le Gouvernement flamand ne peut tenir compte que du niveau d'enseignement, de la forme d'enseignement, de l'orientation, de l'étendue optimale des classes et des moyens nécessaires à la dispense de l'enseignement.
La valeur monétaire par point est égale au quotient de la division des moyens de fonctionnement, obtenus par application de l'article 3, §§ 2 à 4 inclus et réduits de la contribution communautaire dans les frais de scolarité pour les enfants dont les parents n'ont pas de résidence fixe et qui suivent l'enseignement secondaire, par le nombre de points à répartir. Ce nombre est obtenu en multipliant, dans toutes les écoles secondaires du réseau subventionné, le nombre d'élèves réguliers par la pondération correspondante et en additionnant ces produits.
Article 3bis. § 1. Le présent décret s'applique à l'enseignement secondaire spécial.
§ 2. Pour l'application du présent article, il faut entendre par :
1° lln1 : le nombre d'élèves réguliers de l'enseignement secondaire spécial de l'enseignement communautaire et de l'enseignement subventionné au 1er février de l'année scolaire précédente;
2° lln'0 : le nombre d'élèves réguliers de l'enseignement secondaire spécial de l'enseignement communautaire et de l'enseignement subventionné au 1er février de l'avant-dernière année scolaire;
3° c1 : l'indice estimé des prix à la consommation au terme de l'année budgétaire suivante;
4° c0 : l'indice estimé des prix à la consommation au terme de l'année budgétaire en cours;
5° lk1 : l'indice estimé des coûts salariaux unitaires au terme de l'année budgétaire suivante;
6° lk0 : l'indice estimé des coûts salariaux unitaires au terme de l'année budgétaire en cours.
Les moyens de fonctionnement de l'enseignement secondaire spécial sont calculés annuellement en multipliant par les coefficients A1 et A2 les crédits inscrits au budget général des dépenses de l'année budgétaire précédente pour les moyens de fonctionnement et les salaires des personnels de maîtrise, gens de métier et de service nommés à titre définitif des établissements d'enseignement communautaire secondaire spécial de l'année budgétaire précédente. Les coefficients A1 et A2 sont calculés comme suit :
A1 = 0,6 + 0,4 (lln1/lln0);
A2 = 0,4 (c1/c0) + 0,6 (lk1/lk0).
§ 3. Le crédit obtenu en appliquant le § 2 est ajusté de telle manière qu'en moyenne les proportions suivantes sont atteintes entre les moyens de fonctionnement de l'enseignement secondaire spécial du réseau communautaire et de l'enseignement secondaire spécial du réseau subventionné :
§ 6. En 2007, les moyens de fonctionnement par élève régulier dans l'enseignement secondaire ordinaire du réseau subventionné doivent s'élever en moyenne à 76 % des moyens de fonctionnement par élève régulier de l'enseignement secondaire ordinaire du réseau communautaire.
§ 7. Le montant des coûts salariaux dégagés annuellement visé à l'article 2, § 5 et à l'article 3, § 3, est réparti à compter de l'année 2008 sur la base de la proportion visée au § 6.
§ 8. Dans l'enseignement secondaire ordinaire à temps plein et à temps partiel du réseau subventionné, les moyens de fonctionnement par école correspondent à la multiplication de la valeur monétaire par point par la pondération de l'élève et par le nombre d'élèves réguliers.
La pondération par élève est fixée par le Gouvernement flamand. Lors de la fixation de la pondération, le Gouvernement flamand ne peut tenir compte que du niveau d'enseignement, de la forme d'enseignement, de l'orientation, de l'étendue optimale des classes et des moyens nécessaires à la dispense de l'enseignement.
La valeur monétaire par point est égale au quotient de la division des moyens de fonctionnement, obtenus par application de l'article 3, §§ 2 à 4 inclus et réduits de la contribution communautaire dans les frais de scolarité pour les enfants dont les parents n'ont pas de résidence fixe et qui suivent l'enseignement secondaire, par le nombre de points à répartir. Ce nombre est obtenu en multipliant, dans toutes les écoles secondaires du réseau subventionné, le nombre d'élèves réguliers par la pondération correspondante et en additionnant ces produits.
Article 3bis. § 1. Le présent décret s'applique à l'enseignement secondaire spécial.
§ 2. Pour l'application du présent article, il faut entendre par :
1° lln1 : le nombre d'élèves réguliers de l'enseignement secondaire spécial de l'enseignement communautaire et de l'enseignement subventionné au 1er février de l'année scolaire précédente;
2° lln'0 : le nombre d'élèves réguliers de l'enseignement secondaire spécial de l'enseignement communautaire et de l'enseignement subventionné au 1er février de l'avant-dernière année scolaire;
3° c1 : l'indice estimé des prix à la consommation au terme de l'année budgétaire suivante;
4° c0 : l'indice estimé des prix à la consommation au terme de l'année budgétaire en cours;
5° lk1 : l'indice estimé des coûts salariaux unitaires au terme de l'année budgétaire suivante;
6° lk0 : l'indice estimé des coûts salariaux unitaires au terme de l'année budgétaire en cours.
Les moyens de fonctionnement de l'enseignement secondaire spécial sont calculés annuellement en multipliant par les coefficients A1 et A2 les crédits inscrits au budget général des dépenses de l'année budgétaire précédente pour les moyens de fonctionnement et les salaires des personnels de maîtrise, gens de métier et de service nommés à titre définitif des établissements d'enseignement communautaire secondaire spécial de l'année budgétaire précédente. Les coefficients A1 et A2 sont calculés comme suit :
A1 = 0,6 + 0,4 (lln1/lln0);
A2 = 0,4 (c1/c0) + 0,6 (lk1/lk0).
§ 3. Le crédit obtenu en appliquant le § 2 est ajusté de telle manière qu'en moyenne les proportions suivantes sont atteintes entre les moyens de fonctionnement de l'enseignement secondaire spécial du réseau communautaire et de l'enseignement secondaire spécial du réseau subventionné :
| Begrotingsjaar | Aandeel Gemeenschapsonderwijs | Aandeel gesubsidieerd onderwijs |
| 1999 | 100 | 90 |
| 2000 | 100 | 88 |
| 2001 | 100 | 86 |
| 2002 | 100 | 84 |
| 2003 | 100 | 82 |
| 2004 | 100 | 80 |
| 2005 | 100 | 78 |
| 2006 | 100 | 77 |
| 2007 | 100 | 76 |
GemeenschapsonderwijsAandeel gesubsidieerd
onderwijs199910090200010088200110086200210084200310082200410080200510078200610077200710076
| Annee budgetaire | Quote-part de l'Enseignement communautaire | Quote-part de l'Enseignement subventionné |
| 1999 | 100 | 90 |
| 2000 | 100 | 88 |
| 2001 | 100 | 86 |
| 2002 | 100 | 84 |
| 2003 | 100 | 82 |
| 2004 | 100 | 80 |
| 2005 | 100 | 78 |
| 2006 | 100 | 77 |
| 2007 | 100 | 76 |
l'Enseignement communautaireQuote-part de
l'Enseignement subventionné199910090200010088200110086200210084200310082200410080200510078200610077200710076
§ 4. Het bedrag van de werkingsmiddelen voor het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs dat met toepassing van § 2 en § 3 is verkregen, vermeerderd met het bedrag van de loonkost die jaarlijks vrijkomt door de toepassing van het koninklijk besluit nr. 296 van 31 maart 1984 betreffende de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel, en verminderd met de loonkost van het vastbenoemde meesters-, vak- en dienstpersoneel, wordt jaarlijks aan de raden van bestuur van de scholengroepen toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 36, 2°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs.
§ 5. De verhogingen bedoeld in § 3 worden bij de werkingsmiddelen van het overeenkomstige begrotingsjaar gevoegd en op dezelfde wijze aangepast.
§ 6. In 2007 moeten de werkingsmiddelen per regelmatige leerling in het buitengewoon secundair gesubsidieerd onderwijs gemiddeld 76 % bedragen van de werkingsmiddelen per regelmatige leerling van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs.
§ 7. In het gesubsidieerd buitengewoon secundair onderwijs zijn de werkingstoelagen per school gelijk aan de vermenigvuldiging van de geldwaarde per punt met het puntengewicht van de leerling en met het aantal regelmatige leerlingen.
Het puntengewicht per leerling wordt door de Vlaamse regering vastgesteld. Bij het vaststellen van het puntengewicht kan de Vlaamse regering slechts rekening houden met het onderwijsniveau, de onderwijsvorm, de studierichting, het type en de benodigde middelen voor de organisatie van een internaat.
De geldwaarde per punt is gelijk aan het quotiënt van de deling van de werkingsmiddelen voor het gesubsidieerd buitengewoon secundair onderwijs die met toepassing van dit artikel zijn verkregen, door het aantal te verdelen punten. Dit aantal wordt verkregen door in alle gesubsidieerde scholen voor buitengewoon secundair onderwijs het aantal regelmatige leerlingen met het overeenkomstige puntengewicht te vermenigvuldigen en van deze producten de som te maken. "
§ 5. De verhogingen bedoeld in § 3 worden bij de werkingsmiddelen van het overeenkomstige begrotingsjaar gevoegd en op dezelfde wijze aangepast.
§ 6. In 2007 moeten de werkingsmiddelen per regelmatige leerling in het buitengewoon secundair gesubsidieerd onderwijs gemiddeld 76 % bedragen van de werkingsmiddelen per regelmatige leerling van het buitengewoon secundair gemeenschapsonderwijs.
§ 7. In het gesubsidieerd buitengewoon secundair onderwijs zijn de werkingstoelagen per school gelijk aan de vermenigvuldiging van de geldwaarde per punt met het puntengewicht van de leerling en met het aantal regelmatige leerlingen.
Het puntengewicht per leerling wordt door de Vlaamse regering vastgesteld. Bij het vaststellen van het puntengewicht kan de Vlaamse regering slechts rekening houden met het onderwijsniveau, de onderwijsvorm, de studierichting, het type en de benodigde middelen voor de organisatie van een internaat.
De geldwaarde per punt is gelijk aan het quotiënt van de deling van de werkingsmiddelen voor het gesubsidieerd buitengewoon secundair onderwijs die met toepassing van dit artikel zijn verkregen, door het aantal te verdelen punten. Dit aantal wordt verkregen door in alle gesubsidieerde scholen voor buitengewoon secundair onderwijs het aantal regelmatige leerlingen met het overeenkomstige puntengewicht te vermenigvuldigen en van deze producten de som te maken. "
§ 4. Le montant des moyens de fonctionnement pour l'enseignement secondaire spécial du réseau communautaire qui est obtenu par application des §§ 2 et 3, majoré du montant des coûts salariaux qui sont annuellement dégagés par application de l'arrêté royal n° 296 du 31 mars 1984 relatif aux membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service nommés à titre définitif, est octroyé annuellement aux conseils d'administration des groupes d'écoles conformément aux dispositions de l'article 36, 2° du décret spécial du 14 juillet 1998 relatif à l'enseignement communautaire.
§ 5. Les augmentations visées au § 3 sont ajoutées aux moyens de fonctionnement de l'année budgétaire correspondante et ajustées de la même façon.
§ 6. En 2007, les moyens de fonctionnement par élève régulier dans l'enseignement secondaire spécial du réseau subventionné doivent s'élever en moyenne à 76 % des moyens de fonctionnement par élève régulier de l'enseignement secondaire spécial du réseau communautaire.
§ 7. Dans l'enseignement secondaire spécial du réseau subventionné, les moyens de fonctionnement par école correspondent à la multiplication de la valeur monétaire par point par la pondération de l'élève et par le nombre d'élèves réguliers.
La pondération par élève est fixée par le Gouvernement flamand. Lors de la fixation de la pondération, le Gouvernement flamand ne peut tenir compte que du niveau d'enseignement, de la forme d'enseignement, de l'orientation, du type et des moyens nécessaires à l'organisation d'un internat.
La valeur monétaire par point est égale au quotient de la division des moyens de fonctionnement pour l'enseignement secondaire spécial du réseau subventionné, obtenus par application du présent article, par le nombre de points à répartir. Ce nombre est obtenu en multipliant, dans toutes les écoles d'enseignement secondaire spécial du réseau subventionné, le nombre d'élèves réguliers par la pondération correspondante et en additionnant ces produits. "
§ 5. Les augmentations visées au § 3 sont ajoutées aux moyens de fonctionnement de l'année budgétaire correspondante et ajustées de la même façon.
§ 6. En 2007, les moyens de fonctionnement par élève régulier dans l'enseignement secondaire spécial du réseau subventionné doivent s'élever en moyenne à 76 % des moyens de fonctionnement par élève régulier de l'enseignement secondaire spécial du réseau communautaire.
§ 7. Dans l'enseignement secondaire spécial du réseau subventionné, les moyens de fonctionnement par école correspondent à la multiplication de la valeur monétaire par point par la pondération de l'élève et par le nombre d'élèves réguliers.
La pondération par élève est fixée par le Gouvernement flamand. Lors de la fixation de la pondération, le Gouvernement flamand ne peut tenir compte que du niveau d'enseignement, de la forme d'enseignement, de l'orientation, du type et des moyens nécessaires à l'organisation d'un internat.
La valeur monétaire par point est égale au quotient de la division des moyens de fonctionnement pour l'enseignement secondaire spécial du réseau subventionné, obtenus par application du présent article, par le nombre de points à répartir. Ce nombre est obtenu en multipliant, dans toutes les écoles d'enseignement secondaire spécial du réseau subventionné, le nombre d'élèves réguliers par la pondération correspondante et en additionnant ces produits. "
Art. 3. In hetzelfde decreet wordt een artikel 3ter ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 3ter. § 1. Dit artikel is van toepassing op de internaten bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 456 van 10 september 1986 houdende rationalisatie en programmatie van de internaten van het door de staat georganiseerde en gesubsidieerde onderwijs.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
1° lln1 : het aantal internen uit het gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs in de gemeenschapsinternaten respectievelijk gesubsidieerde internaten op 1 februari van het vorige schooljaar;
2° lln0 : het aantal internen uit het gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs in de gemeenschapsinternaten respectievelijk gesubsidieerde internaten op 1 februari van het voorlaatste schooljaar;
3° c1 : het geraamde indexcijfer van de consumptieprijzen op het einde van het volgende begrotingsjaar;
4° c0 : het geraamde indexcijfer van de consumptieprijzen op het einde van het lopende begrotingsjaar;
5° lk1 : het geraamde indexcijfer van de eenheidsloonkosten op het einde van het volgende begrotingsjaar;
6° lk0 : het geraamde indexcijfer van de eenheidsloonkosten op het einde van het lopende begrotingsjaar.
De werkingsmiddelen van de internaten worden jaarlijks berekend door de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van het vorige begrotingsjaar voor de werkingsmiddelen bestemd zijn, te vermenigvuldigen met de coëfficiënten A1 en A2, die als volgt worden berekend :
A1 = 0,6 + 0,4 (lln1/lln0);
A2 = 0,4 (c1/c0) + 0,6 (lk1/lk0).
§ 3. Het bedrag van de werkingsmiddelen voor de gemeenschapsinternaten dat met toepassing van § 2 is verkregen, wordt jaarlijks aan de raden van bestuur van de scholengroepen toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 36, 2°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs.
§ 4. In de gesubsidieerde internaten zijn de werkingstoelagen per internaat gelijk aan de vermenigvuldiging van de geldwaarde per punt met het puntengewicht van de internen en met het aantal internen uit het gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs.
Het puntengewicht per leerling wordt door de Vlaamse regering vastgesteld. Bij het vaststellen van het puntengewicht kan de Vlaamse regering slechts rekening houden met het onderwijsniveau, de onderwijsvorm, de studierichting, het type en de benodigde middelen voor de organisatie van een internaat.
De geldwaarde per punt is gelijk aan het quotiënt van de deling van de werkingsmiddelen voor de gesubsidieerde internaten die met toepassing van § 2 zijn verkregen en verminderd zijn met de som van de forfaitaire bedragen bedoeld in artikel 32, § 2, eerste lid, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, door het aantal te verdelen punten. Dit aantal wordt verkregen door in alle gesubsidieerde internaten het aantal internen met het overeenkomstige puntengewicht te vermenigvuldigen en van deze producten de som te maken. ".
" Artikel 3ter. § 1. Dit artikel is van toepassing op de internaten bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 456 van 10 september 1986 houdende rationalisatie en programmatie van de internaten van het door de staat georganiseerde en gesubsidieerde onderwijs.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
1° lln1 : het aantal internen uit het gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs in de gemeenschapsinternaten respectievelijk gesubsidieerde internaten op 1 februari van het vorige schooljaar;
2° lln0 : het aantal internen uit het gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs in de gemeenschapsinternaten respectievelijk gesubsidieerde internaten op 1 februari van het voorlaatste schooljaar;
3° c1 : het geraamde indexcijfer van de consumptieprijzen op het einde van het volgende begrotingsjaar;
4° c0 : het geraamde indexcijfer van de consumptieprijzen op het einde van het lopende begrotingsjaar;
5° lk1 : het geraamde indexcijfer van de eenheidsloonkosten op het einde van het volgende begrotingsjaar;
6° lk0 : het geraamde indexcijfer van de eenheidsloonkosten op het einde van het lopende begrotingsjaar.
De werkingsmiddelen van de internaten worden jaarlijks berekend door de kredieten die in de algemene uitgavenbegroting van het vorige begrotingsjaar voor de werkingsmiddelen bestemd zijn, te vermenigvuldigen met de coëfficiënten A1 en A2, die als volgt worden berekend :
A1 = 0,6 + 0,4 (lln1/lln0);
A2 = 0,4 (c1/c0) + 0,6 (lk1/lk0).
§ 3. Het bedrag van de werkingsmiddelen voor de gemeenschapsinternaten dat met toepassing van § 2 is verkregen, wordt jaarlijks aan de raden van bestuur van de scholengroepen toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 36, 2°, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs.
§ 4. In de gesubsidieerde internaten zijn de werkingstoelagen per internaat gelijk aan de vermenigvuldiging van de geldwaarde per punt met het puntengewicht van de internen en met het aantal internen uit het gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs.
Het puntengewicht per leerling wordt door de Vlaamse regering vastgesteld. Bij het vaststellen van het puntengewicht kan de Vlaamse regering slechts rekening houden met het onderwijsniveau, de onderwijsvorm, de studierichting, het type en de benodigde middelen voor de organisatie van een internaat.
De geldwaarde per punt is gelijk aan het quotiënt van de deling van de werkingsmiddelen voor de gesubsidieerde internaten die met toepassing van § 2 zijn verkregen en verminderd zijn met de som van de forfaitaire bedragen bedoeld in artikel 32, § 2, eerste lid, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, door het aantal te verdelen punten. Dit aantal wordt verkregen door in alle gesubsidieerde internaten het aantal internen met het overeenkomstige puntengewicht te vermenigvuldigen en van deze producten de som te maken. ".
Art. 3. Dans le même décret, il est inséré un article 3ter, rédigé comme suit :
" Article 3ter. § 1. Le présent article s'applique aux internats visés à l'article 1 de l'arrêté royal n° 456 du 10 septembre 1986 portant rationalisation et programmation des internats de l'enseignement organisé et subventionné par l'Etat.
§ 2. Pour l'application du présent article, il faut entendre par :
1° lln1 : le nombre d'internes des enseignements fondamental et secondaire ordinaire et spécial dans les internats communautaires et subventionnés au 1er février de l'année scolaire précédente;
2° lln'0 : le nombre d'internes des enseignements fondamental et secondaire ordinaire et spécial dans les internats communautaires et subventionnés au 1er février de l'avant-dernière année scolaire;
3° c1 : l'indice estimé des prix à la consommation au terme de l'année budgétaire suivante;
4° c0 : l'indice estimé des prix à la consommation au terme de l'année budgétaire en cours;
5° lk1 : l'indice estimé des coûts salariaux unitaires au terme de l'année budgétaire suivante;
6° lk0 : l'indice estimé des coûts salariaux unitaires au terme de l'année budgétaire en cours.
Les moyens de fonctionnement des internats sont calculés annuellement en multipliant par les coefficients A1 et A2 les crédits inscrits au budget général des dépenses de l'année précédente pour les moyens de fonctionnement. Les coefficients A1 et A2 sont calculés comme suit :
A1 = 0,6 + 0,4 (lln1/lln0);
A2 = 0,4 (c1/c0) + 0,6 (lk1/lk0).
§ 3. Le montant des moyens de fonctionnement pour les internats communautaires obtenu par application du § 2, est octroyé annuellement aux conseils d'administration des groupes d'écoles conformément aux dispositions de l'article 36, 2°, du décret spécial du 14 juillet 1998 relatif à l'enseignement communautaire.
§ 4. Dans les internats subventionnés, les moyens de fonctionnement par internat correspondent à la multiplication de la valeur monétaire par point par la pondération des internes et par le nombre d'internes des enseignements fondamental et secondaire ordinaire et spécial.
La pondération par élève est fixée par le Gouvernement flamand. Lors de la fixation de la pondération, le Gouvernement flamand ne peut tenir compte que du niveau d'enseignement, de la forme d'enseignement, de l'orientation, du type et des moyens nécessaires à l'organisation d'un internat.
La valeur monétaire par point est égale au quotient de la division des moyens de fonctionnement pour les internats, obtenus par application du § 2 et réduits de la somme des montants forfaitaires visés à l'article 32, § 2, premier alinéa, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, par le nombre de points à répartir. Ce nombre est obtenu en multipliant, dans tous les internats subventionnés, le nombre d'internes par la pondération correspondante et en additionnant ces produits. "
" Article 3ter. § 1. Le présent article s'applique aux internats visés à l'article 1 de l'arrêté royal n° 456 du 10 septembre 1986 portant rationalisation et programmation des internats de l'enseignement organisé et subventionné par l'Etat.
§ 2. Pour l'application du présent article, il faut entendre par :
1° lln1 : le nombre d'internes des enseignements fondamental et secondaire ordinaire et spécial dans les internats communautaires et subventionnés au 1er février de l'année scolaire précédente;
2° lln'0 : le nombre d'internes des enseignements fondamental et secondaire ordinaire et spécial dans les internats communautaires et subventionnés au 1er février de l'avant-dernière année scolaire;
3° c1 : l'indice estimé des prix à la consommation au terme de l'année budgétaire suivante;
4° c0 : l'indice estimé des prix à la consommation au terme de l'année budgétaire en cours;
5° lk1 : l'indice estimé des coûts salariaux unitaires au terme de l'année budgétaire suivante;
6° lk0 : l'indice estimé des coûts salariaux unitaires au terme de l'année budgétaire en cours.
Les moyens de fonctionnement des internats sont calculés annuellement en multipliant par les coefficients A1 et A2 les crédits inscrits au budget général des dépenses de l'année précédente pour les moyens de fonctionnement. Les coefficients A1 et A2 sont calculés comme suit :
A1 = 0,6 + 0,4 (lln1/lln0);
A2 = 0,4 (c1/c0) + 0,6 (lk1/lk0).
§ 3. Le montant des moyens de fonctionnement pour les internats communautaires obtenu par application du § 2, est octroyé annuellement aux conseils d'administration des groupes d'écoles conformément aux dispositions de l'article 36, 2°, du décret spécial du 14 juillet 1998 relatif à l'enseignement communautaire.
§ 4. Dans les internats subventionnés, les moyens de fonctionnement par internat correspondent à la multiplication de la valeur monétaire par point par la pondération des internes et par le nombre d'internes des enseignements fondamental et secondaire ordinaire et spécial.
La pondération par élève est fixée par le Gouvernement flamand. Lors de la fixation de la pondération, le Gouvernement flamand ne peut tenir compte que du niveau d'enseignement, de la forme d'enseignement, de l'orientation, du type et des moyens nécessaires à l'organisation d'un internat.
La valeur monétaire par point est égale au quotient de la division des moyens de fonctionnement pour les internats, obtenus par application du § 2 et réduits de la somme des montants forfaitaires visés à l'article 32, § 2, premier alinéa, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, par le nombre de points à répartir. Ce nombre est obtenu en multipliant, dans tous les internats subventionnés, le nombre d'internes par la pondération correspondante et en additionnant ces produits. "
Afdeling 2. - Werkingsmiddelen voor de instellingen van het Deeltijds Kunstonderwijs.
Section 2. - Moyens de fonctionnement pour les établissements d'enseignement artistique à temps partiel.
Art. 4. In het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, wordt een artikel 3quater ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Artikel 3quater. § 1. Dit artikel betreft de gesubsidieerde instellingen van het Deeltijds Kunstonderwijs.
§ 2. Aan de gesubsidieerde instellingen van het Deeltijds Kunstonderwijs worden jaarlijks werkingsmiddelen toegekend.
§ 3. De werkingsmiddelen voor het schooljaar (X,X+1) worden jaarlijks berekend als volgt :
Aantal toegekende leraarsuren voor het schooljaar (X,X+1) * bedrag per leraarsuur.
Het bedrag per leraarsuur wordt jaarlijks berekend als volgt :
Basisbedrag * Aanpassingscoëfficiënt
Het basisbedrag voor de studierichting Beeldende Kunst bedraagt 75,21 euro.
Het basisbedrag voor de studierichting Muziek, Woordkunst en Dans bedraagt 25,07 euro.
Deze basisbedragen worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de index der consumptieprijzen. De basisindex is deze van de maand september 2002. De nieuwe index is deze van de maand februari van het schooljaar (X,X+1) waarvoor de werkingsmiddelen worden toegekend. ".
" Artikel 3quater. § 1. Dit artikel betreft de gesubsidieerde instellingen van het Deeltijds Kunstonderwijs.
§ 2. Aan de gesubsidieerde instellingen van het Deeltijds Kunstonderwijs worden jaarlijks werkingsmiddelen toegekend.
§ 3. De werkingsmiddelen voor het schooljaar (X,X+1) worden jaarlijks berekend als volgt :
Aantal toegekende leraarsuren voor het schooljaar (X,X+1) * bedrag per leraarsuur.
Het bedrag per leraarsuur wordt jaarlijks berekend als volgt :
Basisbedrag * Aanpassingscoëfficiënt
Het basisbedrag voor de studierichting Beeldende Kunst bedraagt 75,21 euro.
Het basisbedrag voor de studierichting Muziek, Woordkunst en Dans bedraagt 25,07 euro.
Deze basisbedragen worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van de index der consumptieprijzen. De basisindex is deze van de maand september 2002. De nieuwe index is deze van de maand februari van het schooljaar (X,X+1) waarvoor de werkingsmiddelen worden toegekend. ".
Art. 4. Dans le décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II, il est inséré un article 3quater, rédigé comme suit :
" Article 3quater. § 1. Le présent article porte sur les établissements subventionnés de l'enseignement artistique à temps partiel.
§ 2. Aux établissements subventionnés de l'enseignement artistique à temps partiel sont octroyés annuellement des moyens de fonctionnement.
§ 3. Les moyens de fonctionnement pour l'année scolaire (X,X+1) sont annuellement calculés comme suit :
Nombre de périodes/enseignant pour l'année scolaire (X,X+1) * montant par période/enseignant.
Le montant par période/enseignant est annuellement calculé comme suit :
Montant de base * Coefficient d'adaptation.
Le montant de base pour l'orientation d'études " Arts plastiques " s'élève à 75,21 euros.
Le montant de base pour les orientations d'études " Musique ", " Arts de la parole " et " Danse " s'élève à 25,07 euros.
Ces montants de base sont annuellement adaptés à l'évolution de l'indice des prix à la consommation. L'indice de base est celui du mois de septembre 2002. Le nouvel indice est celui du mois de février de l'année scolaire (X,X+1) pour lequel sont octroyés les moyens de fonctionnement. "
" Article 3quater. § 1. Le présent article porte sur les établissements subventionnés de l'enseignement artistique à temps partiel.
§ 2. Aux établissements subventionnés de l'enseignement artistique à temps partiel sont octroyés annuellement des moyens de fonctionnement.
§ 3. Les moyens de fonctionnement pour l'année scolaire (X,X+1) sont annuellement calculés comme suit :
Nombre de périodes/enseignant pour l'année scolaire (X,X+1) * montant par période/enseignant.
Le montant par période/enseignant est annuellement calculé comme suit :
Montant de base * Coefficient d'adaptation.
Le montant de base pour l'orientation d'études " Arts plastiques " s'élève à 75,21 euros.
Le montant de base pour les orientations d'études " Musique ", " Arts de la parole " et " Danse " s'élève à 25,07 euros.
Ces montants de base sont annuellement adaptés à l'évolution de l'indice des prix à la consommation. L'indice de base est celui du mois de septembre 2002. Le nouvel indice est celui du mois de février de l'année scolaire (X,X+1) pour lequel sont octroyés les moyens de fonctionnement. "
Art. 5. Artikel 100 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 5. L'article 100 du même décret est abrogé.
Art. 6. Artikel 36 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het Deeltijds Kunstonderwijs, studierichting Beeldende Kunst en artikel 44 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het Deeltijds Kunstonderwijs, studierichting Muziek, Woordkunst en Dans worden opgeheven.
Art. 6. L'article 36 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientation " arts plastiques " et l'article 44 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 31 juillet 1990 portant organisation de l'enseignement artistique à temps partiel, orientations " musique ", " arts de la parole " et " danse " sont abrogés.
Afdeling 3. - Hogescholen.
Section 3. - Instituts supérieurs.
Art. 7. In artikel 178 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap wordt § 1 vervangen door wat volgt :
" § 1. Het bedrag bestemd voor het hoger onderwijs verstrekt door de hogescholen is in het begrotingsjaar 2003 gelijk aan 516 278 774 euro. Dit bedrag wordt overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 september 1993 in 2003 vermeerderd met 495 787 euro. "
" § 1. Het bedrag bestemd voor het hoger onderwijs verstrekt door de hogescholen is in het begrotingsjaar 2003 gelijk aan 516 278 774 euro. Dit bedrag wordt overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 september 1993 in 2003 vermeerderd met 495 787 euro. "
Art. 7. A l'article 178 du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande, le § 1 est remplacé par ce qui suit :
" § 1. Le montant destiné à l'enseignement supérieur dispensé par les instituts supérieurs est égal à 516 278 774 euros pour l'année budgétaire 2003. Conformément à la convention collective de travail du 29 septembre 1993, ce montant est majoré de 495 787 euros en 2003. "
" § 1. Le montant destiné à l'enseignement supérieur dispensé par les instituts supérieurs est égal à 516 278 774 euros pour l'année budgétaire 2003. Conformément à la convention collective de travail du 29 septembre 1993, ce montant est majoré de 495 787 euros en 2003. "
Art. 8. Aan artikel 184 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. Vanaf 2004 worden de werkingsuitkeringen jaarlijks op de volgende wijze aangepast :
0,8 x (Ln/L03) + 0,2x(Cn/C03), waarbij :
Ln/L03 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begrotingsjaar 2003;
Cn/C03 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van het begrotingsjaar 2003. ";
2° in § 2 wordt het woord " 2002 " vervangen door het woord " 2003 ".
1° § 1 wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. Vanaf 2004 worden de werkingsuitkeringen jaarlijks op de volgende wijze aangepast :
0,8 x (Ln/L03) + 0,2x(Cn/C03), waarbij :
Ln/L03 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de eenheidsloonkosten op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de eenheidsloonkosten op het einde van het begrotingsjaar 2003;
Cn/C03 gelijk is aan de verhouding tussen de geraamde index van de consumptieprijzen op het einde van het betrokken begrotingsjaar en de index van de consumptieprijzen op het einde van het begrotingsjaar 2003. ";
2° in § 2 wordt het woord " 2002 " vervangen door het woord " 2003 ".
Art. 8. A l'article 184 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1 est remplacé par ce qui suit :
" § 1. A partir de 2004, les allocations de fonctionnement sont ajustées annuellement de la façon suivante :
0,8 x (Ln/L03) + 0,2 x (Cn/C03). Dans cette formule :
Ln/L03 représente le rapport entre l'indice estimé du coût salarial unitaire à la fin de l'année budgétaire en question et l'indice du coût salarial unitaire à la fin de l'année budgétaire 2003;
Cn/C03 représente le rapport entre l'indice estimé des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire en question et l'indice des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire 2003. ";
2° au § 2, le mot " 2002 " est remplacé par le mot " 2003 ".
1° le § 1 est remplacé par ce qui suit :
" § 1. A partir de 2004, les allocations de fonctionnement sont ajustées annuellement de la façon suivante :
0,8 x (Ln/L03) + 0,2 x (Cn/C03). Dans cette formule :
Ln/L03 représente le rapport entre l'indice estimé du coût salarial unitaire à la fin de l'année budgétaire en question et l'indice du coût salarial unitaire à la fin de l'année budgétaire 2003;
Cn/C03 représente le rapport entre l'indice estimé des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire en question et l'indice des prix à la consommation à la fin de l'année budgétaire 2003. ";
2° au § 2, le mot " 2002 " est remplacé par le mot " 2003 ".
Afdeling 4. - Infrastructuurwerken.
Section 4. - Travaux d'infrastructure.
Art. 9. Aan artikel 169quinqies van het decreet van 21 december 1994 betreffende het onderwijs VI, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2001, wordt een 3° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 3° In het begrotingsjaar 2003 worden deze bedragen aangepast met de voor het begrotingsdecreet gehanteerde aanpassingsfactor voor investeringssubsidies. "
" 3° In het begrotingsjaar 2003 worden deze bedragen aangepast met de voor het begrotingsdecreet gehanteerde aanpassingsfactor voor investeringssubsidies. "
Art. 9. A l'article 169quinquies du décret du 21 décembre 1994 relatif à l'enseignement VI, inséré par le décret du 21 décembre 2001, il est inséré un point 3°, rédigé comme suit :
" 3° Dans l'année budgétaire 2003, ces montants sont adaptés en fonction du paramètre des subventions d'investissement appliqué pour l'établissement du décret budgétaire. "
" 3° Dans l'année budgétaire 2003, ces montants sont adaptés en fonction du paramètre des subventions d'investissement appliqué pour l'établissement du décret budgétaire. "
Afdeling 5. - Inschrijvingsgelden deeltijds kunstonderwijs.
Section 5. - Droits d'inscription dans l'enseignement artistique à temps partiel.
Art. 10. Artikel 100quinquies van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 100quinquies. § 1. Van de inschrijvingsgelden van het Deeltijds Kunstonderwijs, zoals bepaald in artikel 100ter wordt een deel toegewezen aan het fonds " Inschrijvingsgelden Deeltijds Kunstonderwijs ", dat een begrotingsfonds is in de zin van artikel 45 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, verder genoemd " het Fonds ".
Van het inschrijvingsgeld bedoeld in artikel 100ter, 2° en 3°, wordt voor de schooljaren 2000-2001 en 2001-2002 200 frank aan het Fonds toegewezen.
Van het inschrijvingsgeld bedoeld in artikel 100ter, 1°, wordt voor de schooljaren 2000-2001 en 2001-2002 1 100 frank aan het Fonds toegewezen.
§ 1bis. Van de inschrijvingsgelden van het Deeltijds Kunstonderwijs, zoals bepaald in artikel 100ter wordt een deel toegewezen aan het fonds " Inschrijvingsgelden Deeltijds Kunstonderwijs ", dat een begrotingsfonds is in de zin van artikel 45 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, verder genoemd " het Fonds ".
Van het inschrijvingsgeld bedoeld in artikel 100ter, 2° en 3°, wordt voor het schooljaar 2002-2003 4,96 euro aan het Fonds toegewezen.
Van het inschrijvingsgeld bedoeld in artikel 100ter, 1°, wordt voor het schooljaar 2002-2003 27,27 euro aan het Fonds toegewezen.
§ 1ter. De inschrijvingsgelden van het Deeltijds Kunstonderwijs, zoals bepaald in artikel 100ter worden vanaf het schooljaar 2003-2004 volledig toegewezen aan het fonds " Inschrijvingsgelden Deeltijds Kunstonderwijs ", dat een begrotingsfonds is in de zin van artikel 45 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, verder genoemd " het Fonds ".
§ 2. De middelen van het Fonds moeten worden aangewend voor uitgaven met betrekking tot de betaling van salarissen en salarissubsidies in het Deeltijds Kunstonderwijs.
§ 3. De boekhoudkundige verwerking van de verrichtingen gebeurt voor elk onderwijsnet afzonderlijk.
§ 4. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het Fonds. ".
" Artikel 100quinquies. § 1. Van de inschrijvingsgelden van het Deeltijds Kunstonderwijs, zoals bepaald in artikel 100ter wordt een deel toegewezen aan het fonds " Inschrijvingsgelden Deeltijds Kunstonderwijs ", dat een begrotingsfonds is in de zin van artikel 45 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, verder genoemd " het Fonds ".
Van het inschrijvingsgeld bedoeld in artikel 100ter, 2° en 3°, wordt voor de schooljaren 2000-2001 en 2001-2002 200 frank aan het Fonds toegewezen.
Van het inschrijvingsgeld bedoeld in artikel 100ter, 1°, wordt voor de schooljaren 2000-2001 en 2001-2002 1 100 frank aan het Fonds toegewezen.
§ 1bis. Van de inschrijvingsgelden van het Deeltijds Kunstonderwijs, zoals bepaald in artikel 100ter wordt een deel toegewezen aan het fonds " Inschrijvingsgelden Deeltijds Kunstonderwijs ", dat een begrotingsfonds is in de zin van artikel 45 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, verder genoemd " het Fonds ".
Van het inschrijvingsgeld bedoeld in artikel 100ter, 2° en 3°, wordt voor het schooljaar 2002-2003 4,96 euro aan het Fonds toegewezen.
Van het inschrijvingsgeld bedoeld in artikel 100ter, 1°, wordt voor het schooljaar 2002-2003 27,27 euro aan het Fonds toegewezen.
§ 1ter. De inschrijvingsgelden van het Deeltijds Kunstonderwijs, zoals bepaald in artikel 100ter worden vanaf het schooljaar 2003-2004 volledig toegewezen aan het fonds " Inschrijvingsgelden Deeltijds Kunstonderwijs ", dat een begrotingsfonds is in de zin van artikel 45 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, verder genoemd " het Fonds ".
§ 2. De middelen van het Fonds moeten worden aangewend voor uitgaven met betrekking tot de betaling van salarissen en salarissubsidies in het Deeltijds Kunstonderwijs.
§ 3. De boekhoudkundige verwerking van de verrichtingen gebeurt voor elk onderwijsnet afzonderlijk.
§ 4. De rekenplichtige die de ontvangsten gedaan heeft, beschikt rechtstreeks over de kredieten van het Fonds. ".
Art. 10. L'article 100quinquies du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement-II est remplacé par ce qui suit :
" Article 100quinquies. § 1. Une partie des droits d'inscription de l'enseignement artistique à temps partiel, tels qu'ils sont fixés à l'article 100ter, est attribuée au Fonds " Inschrijvingsgelden Deeltijds Kunstonderwijs ", qui est un fonds budgétaire au sens de l'article 45 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées par l'arrêté royal du 17 juillet 1991, dénommé ci-après " le Fonds ".
Des droits d'inscription visés à l'article 100ter, 2° et 3°, 200 francs sont attribués au Fonds pour les années scolaires 2000-2001 et 2001-2002.
Des droits d'inscription visés à l'article 100ter, 1°, 1 100 francs sont attribués au Fonds pour les années scolaires 2000-2001 et 2001-2002.
§ 1bis. Une partie des droits d'inscription de l'enseignement artistique à temps partiel, tels qu'ils sont fixés à l'article 100ter, est attribuée au Fonds " Inschrijvingsgelden Deeltijds Kunstonderwijs ", qui est un fonds budgétaire au sens de l'article 45 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées par l'arrêté royal du 17 juillet 1991, dénommé ci-après " le Fonds ".
Des droits d'inscription visés à l'article 100ter, 2° et 3°, 4,96 euros sont attribués au Fonds pour l'année scolaire 2002-2003.
Des droits d'inscription visés à l'article 100ter, 1°, 27, 27 euros sont attribués au Fonds pour l'année scolaire 2002-2003.
§ 1ter. A partir de l'année scolaire 2003-2004, les droits d'inscription de l'enseignement artistique à temps partiel, tels qu'ils sont fixés à l'article 100ter, sont entièrement attribués au Fonds " Inschrijvingsgelden Deeltijds Kunstonderwijs ", qui est un fonds budgétaire au sens de l'article 45 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées par l'arrêté royal du 17 juillet 1991, dénommé ci-après " le Fonds ".
§ 2. Les moyens du Fonds doivent être affectés à des dépenses portant sur le paiement de traitements et de subventions de traitement dans l'enseignement artistique à temps partiel.
§ 3. Le traitement comptable des opérations se fait pour chaque réseau d'enseignement séparément.
§ 4. L'agent comptable ayant perçu les recettes dispose directement des crédits du Fonds. "
" Article 100quinquies. § 1. Une partie des droits d'inscription de l'enseignement artistique à temps partiel, tels qu'ils sont fixés à l'article 100ter, est attribuée au Fonds " Inschrijvingsgelden Deeltijds Kunstonderwijs ", qui est un fonds budgétaire au sens de l'article 45 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées par l'arrêté royal du 17 juillet 1991, dénommé ci-après " le Fonds ".
Des droits d'inscription visés à l'article 100ter, 2° et 3°, 200 francs sont attribués au Fonds pour les années scolaires 2000-2001 et 2001-2002.
Des droits d'inscription visés à l'article 100ter, 1°, 1 100 francs sont attribués au Fonds pour les années scolaires 2000-2001 et 2001-2002.
§ 1bis. Une partie des droits d'inscription de l'enseignement artistique à temps partiel, tels qu'ils sont fixés à l'article 100ter, est attribuée au Fonds " Inschrijvingsgelden Deeltijds Kunstonderwijs ", qui est un fonds budgétaire au sens de l'article 45 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées par l'arrêté royal du 17 juillet 1991, dénommé ci-après " le Fonds ".
Des droits d'inscription visés à l'article 100ter, 2° et 3°, 4,96 euros sont attribués au Fonds pour l'année scolaire 2002-2003.
Des droits d'inscription visés à l'article 100ter, 1°, 27, 27 euros sont attribués au Fonds pour l'année scolaire 2002-2003.
§ 1ter. A partir de l'année scolaire 2003-2004, les droits d'inscription de l'enseignement artistique à temps partiel, tels qu'ils sont fixés à l'article 100ter, sont entièrement attribués au Fonds " Inschrijvingsgelden Deeltijds Kunstonderwijs ", qui est un fonds budgétaire au sens de l'article 45 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées par l'arrêté royal du 17 juillet 1991, dénommé ci-après " le Fonds ".
§ 2. Les moyens du Fonds doivent être affectés à des dépenses portant sur le paiement de traitements et de subventions de traitement dans l'enseignement artistique à temps partiel.
§ 3. Le traitement comptable des opérations se fait pour chaque réseau d'enseignement séparément.
§ 4. L'agent comptable ayant perçu les recettes dispose directement des crédits du Fonds. "
Afdeling 6. (Opgeheven)
Section 6. (Abrogée)
Afdeling 7. - Vervangingspool.
Section 7. - Pool de remplacement.
Art. 12. In artikel 11 van het decreet van 8 juni 2000 houdende dringende maatregelen betreffende het lerarenambt, worden in § 2, tweede lid, tussen de woorden " vanaf het schooljaar 2001-2002 of 2002-2003 " en de woorden " voor de eerste maal " de woorden " of 2003-2004 " ingevoegd.
Art. 12. Dans l'article 11, § 2, deuxième alinéa, du décret du 8 juin 200 portant des mesures urgentes relatives à la fonction d'enseignant, les mots " ou 2003-2004 " sont insérés entre les mots " à partir de l'année scolaire 2001-2002 ou 2002-2003 " et les mots " aux dispositions ".
Art. 13. In artikel 43bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2001, wordt § 5 vervangen door wat volgt :
" § 5. De zelfstandige stage zoals beschreven in § 1 geldt voor de schooljaren 2001-2002, 2002-2003 en 2003-2004. "
" § 5. De zelfstandige stage zoals beschreven in § 1 geldt voor de schooljaren 2001-2002, 2002-2003 en 2003-2004. "
Art. 13. Dans l'article 43bis du même décret, inséré par le décret du 13 juillet 2001, le § 5 est remplacé par ce qui suit :
" § 5. Le stage autonome tel que décrit au § 1 s'applique aux années scolaires 2001-2002, 2002-2003 et 2003-2004. "
" § 5. Le stage autonome tel que décrit au § 1 s'applique aux années scolaires 2001-2002, 2002-2003 et 2003-2004. "
Art. 14. In artikel 44, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt de eerste zin vervangen door wat volgt :
" De maatregelen vervat in de hoofdstukken II, III en IV gelden voor een periode van vier schooljaren die aanvangt op 1 september 2000. "
" De maatregelen vervat in de hoofdstukken II, III en IV gelden voor een periode van vier schooljaren die aanvangt op 1 september 2000. "
Art. 14. Dans l'article 44, deuxième alinéa, du même décret, la première phrase est remplacée par ce qui suit :
" Les mesures reprises aux chapitres II, III et IV sont applicables pour une période de quatre années scolaires prenant cours le 1er septembre 2000. "
" Les mesures reprises aux chapitres II, III et IV sont applicables pour une période de quatre années scolaires prenant cours le 1er septembre 2000. "
HOOFDSTUK III. - Leefmilieu.
CHAPITRE III. - Environnement.
Afdeling 1. - Afval.
Section 1. - Déchets.
Art. 15. In artikel 47, § 2, van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, vervangen bij het decreet van 20 april 1994, worden een 39°bis, 39°ter en 39°quater toegevoegd, die luiden als volgt :
" 39°bis. 6,2 euro per ton voor het storten, in een daartoe vergunde inrichting, en 1,24 euro per ton voor het verbranden, in een daartoe vergunde inrichting, van recyclageresidu's afkomstig van daartoe vergunde bedrijven die selectief ingezamelde afvalstromen scheiden in recycleerbare materialen door toepassing van de delaminatietechniek.
39°ter. 6,2 euro per ton voor het storten, in een daartoe vergunde inrichting, en 1,24 euro per ton voor het verbranden, in een daartoe vergunde inrichting, van slibresidu's afkomstig van daartoe vergunde bedrijven die zeefzand reinigen.
39°quater. de bedragen overeenkomstig het bovenvermelde 1° tot en met het hierna vermelde 42° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting afhankelijk van de op de niet gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze bedoeld in het bovenvermelde 1° tot en met het hierna vermelde 42°.
De hiervoor vermelde milieuheffing is niet verschuldigd indien de vergunde sorteer- en/of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet hergebruikte en niet gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het bovenvermelde 1° tot en met het hierna vermelde 42°.
Indien de verwerking van de niet gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde 43°, tweede zinsdeel, van toepassing. "
" 39°bis. 6,2 euro per ton voor het storten, in een daartoe vergunde inrichting, en 1,24 euro per ton voor het verbranden, in een daartoe vergunde inrichting, van recyclageresidu's afkomstig van daartoe vergunde bedrijven die selectief ingezamelde afvalstromen scheiden in recycleerbare materialen door toepassing van de delaminatietechniek.
39°ter. 6,2 euro per ton voor het storten, in een daartoe vergunde inrichting, en 1,24 euro per ton voor het verbranden, in een daartoe vergunde inrichting, van slibresidu's afkomstig van daartoe vergunde bedrijven die zeefzand reinigen.
39°quater. de bedragen overeenkomstig het bovenvermelde 1° tot en met het hierna vermelde 42° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting afhankelijk van de op de niet gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze bedoeld in het bovenvermelde 1° tot en met het hierna vermelde 42°.
De hiervoor vermelde milieuheffing is niet verschuldigd indien de vergunde sorteer- en/of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet hergebruikte en niet gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het bovenvermelde 1° tot en met het hierna vermelde 42°.
Indien de verwerking van de niet gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde 43°, tweede zinsdeel, van toepassing. "
Art. 15. A l'article 47, § 2, du décret du 2 juillet 1981 relatif à la prévention et à la gestion de déchets, remplacé par le décret du 20 avril 1994, il est ajouté un 39°bis, 39°ter et 39°quater, libellés comme suit :
" 39°bis. 6,2 euros/tonne, pour la mise en décharge dans un établissement autorisé à cet effet, et 1,24 euros/tonne pour l'incinération dans un établissement autorisé à cet effet, de résidus de recyclage provenant d'entreprises qui séparent les afflux de déchets collectés sélectivement en matériaux pouvant être recyclés par application du délaminage.
39°ter. 6,2 euros par tonne, pour la mise en décharge dans un établissement autorisé à cet effet, et 1,24 euros/tonne pour l'incinération dans un établissement autorisé à cet effet, de résidus boueux provenant d'entreprises autorisées à cet effet épurant des sables tamisés.
39°quater. les montants conformément au 1° susmentionné jusqu'au 42° compris pour le triage ou le prétraitement de déchets, dans un établissement autorisé à cet effet, dépendant du mode de traitement appliqué aux déchets non recyclés ou réutilisés visés au 1° susmentionné jusqu'au 42° compris.
La taxe écologique précitée n'est pas due lorsque l'installation de triage ou de prétraitement autorisée démontre que les déchets ont été recyclés ou réutilisés après leur triage ou prétraitement et, en ce qui concerne la partie non réutilisée et non recyclée, qu'ils ont été traités avec paiement de la taxe écologique conformément au 1° susmentionné jusqu'au 42° compris.
Lorsque le traitement de déchets non recyclés ou réutilisés se fait en dehors de la Région flamande, les dispositions du 43°, deuxième alinéa, ci-après sont d'application. "
" 39°bis. 6,2 euros/tonne, pour la mise en décharge dans un établissement autorisé à cet effet, et 1,24 euros/tonne pour l'incinération dans un établissement autorisé à cet effet, de résidus de recyclage provenant d'entreprises qui séparent les afflux de déchets collectés sélectivement en matériaux pouvant être recyclés par application du délaminage.
39°ter. 6,2 euros par tonne, pour la mise en décharge dans un établissement autorisé à cet effet, et 1,24 euros/tonne pour l'incinération dans un établissement autorisé à cet effet, de résidus boueux provenant d'entreprises autorisées à cet effet épurant des sables tamisés.
39°quater. les montants conformément au 1° susmentionné jusqu'au 42° compris pour le triage ou le prétraitement de déchets, dans un établissement autorisé à cet effet, dépendant du mode de traitement appliqué aux déchets non recyclés ou réutilisés visés au 1° susmentionné jusqu'au 42° compris.
La taxe écologique précitée n'est pas due lorsque l'installation de triage ou de prétraitement autorisée démontre que les déchets ont été recyclés ou réutilisés après leur triage ou prétraitement et, en ce qui concerne la partie non réutilisée et non recyclée, qu'ils ont été traités avec paiement de la taxe écologique conformément au 1° susmentionné jusqu'au 42° compris.
Lorsque le traitement de déchets non recyclés ou réutilisés se fait en dehors de la Région flamande, les dispositions du 43°, deuxième alinéa, ci-après sont d'application. "
Art. 16. In artikel 47bis, § 2, en artikel 54 van hetzelfde decreet worden na de woorden " de ambtenaren " de woorden " en contractuele personeelsleden " toegevoegd.
Art. 16. A l'article 47bis, § 2, et à l'article 54 du même décret, les mots " et membres du personnel contractuels " sont ajoutés aux mots " fonctionnaires ".
Art. 17. In artikel 69 van het decreet van 5 juli 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2002 wordt in 3° tussen de woorden " kunststofafval, " en " voedselafval " het woord " lompenafval, " ingevoegd.
Art. 17. A l'article 69 du décret du 5 juillet 2002 portant ajustement du budget 2002, le mot " déchets de chiffons " est inséré au 3° entre les mots " déchets de matières plastiques " et " déchets alimentaires ".
Afdeling 2. - Vlaamse Landmaatschappij.
Section 2. - Société flamande terrienne.
Art. 18. Het Vlaamse Gewest draagt aan de Vlaamse Landmaatschappij de eigendom over van de onroerende goederen, vermeld in de bijlage bij dit decreet.
Deze overdracht gebeurt van rechtswege.
Deze overdracht gebeurt van rechtswege.
Art. 18. La Région flamande transfère la propriété des biens immobiliers mentionnés dans l'annexe au présent décret à la société flamande terrienne.
Ce transfert se fait de droit.
Ce transfert se fait de droit.
Art. 19. De onroerende goederen vermeld in de bijlage bij dit decreet, worden overgedragen in de staat waarin zij zich bevinden, met de actieve en passieve erfdienstbaarheden, de bijzondere lasten en verplichtingen verbonden aan hun verwerving, evenals de gebeurlijk aan derden toegestane rechten.
De Vlaamse Landmaatschappij mag deze goederen enkel aanwenden of vervreemden in het kader van de grondenbank, zoals opgericht bij overeenkomst van 19 september 2002 betreffende het realiseren en het financieren van het herstructuratieaanbod voor de landbouw, afgesloten tussen het Vlaamse Gewest, de Maatschappij voor het Grond- en Industrialisatiebeleid van het Linkerscheldeoevergebied, het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen en de Vlaamse Landmaatschappij.
De Vlaamse Landmaatschappij mag deze goederen enkel aanwenden of vervreemden in het kader van de grondenbank, zoals opgericht bij overeenkomst van 19 september 2002 betreffende het realiseren en het financieren van het herstructuratieaanbod voor de landbouw, afgesloten tussen het Vlaamse Gewest, de Maatschappij voor het Grond- en Industrialisatiebeleid van het Linkerscheldeoevergebied, het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen en de Vlaamse Landmaatschappij.
Art. 19. Les biens immobiliers mentionnés dans l'annexe au présent arrêté sont transférés dans l'état dans lequel ils se trouvent, y compris les servitudes actives et passives, les charges et obligations particulières liées à leur imbrication, ainsi que les droits éventuellement accordés à de tiers.
La Société flamande terrienne ne peut utiliser ou aliéner ces biens que dans le cadre de la banque terrienne, telle que fondée par la convention du 19 septembre 2002 relative à la réalisation et le financement de l'offre de restructuration pour l'agriculture, conclue entre la Région flamande, la Société de Politique terrienne et d'industrialisation de la Rive gauche de l'Escaut, la Régie portuaire communale d'Anvers et la Société flamande terrienne.
La Société flamande terrienne ne peut utiliser ou aliéner ces biens que dans le cadre de la banque terrienne, telle que fondée par la convention du 19 septembre 2002 relative à la réalisation et le financement de l'offre de restructuration pour l'agriculture, conclue entre la Région flamande, la Société de Politique terrienne et d'industrialisation de la Rive gauche de l'Escaut, la Régie portuaire communale d'Anvers et la Société flamande terrienne.
HOOFDSTUK IV. - VLAM.
CHAPITRE IV. - VLAM.
Art. 20. Het besluit van 22 maart 2002 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 4 februari 1997 betreffende de verplichte bijdragen bestemd voor de promotie en afzetbevordering van de Vlaamse producten van de sectoren landbouw, tuinbouw en visserij, wordt bekrachtigd.
Art. 20. L'arrêté du 22 mars 2002 modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 février 1997 relatif aux cotisations obligatoires affectées à la promotion des produits flamands des secteurs agricole, horticole et de la pêche et de leurs débouchés.
HOOFDSTUK V. - Huisvesting.
CHAPITRE V. - Logement.
Art. 21. In artikel 45, § 4, derde lid, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, gewijzigd bij decreten van 17 maart 1998, 18 mei 1999 en 8 december 2000, wordt de laatste zin opgeheven en vervangen door :
" De zittende huurder heeft het recht om de gehuurde woning te verwerven volgens de door de Vlaamse regering te bepalen voorwaarden. "
(NOTA : bij arrest nr 115/2004 van 30-06-2004 (B.St. 13-07-2004, p. 55218), heeft het Arbitragehof dit artikel vernietigd)
" De zittende huurder heeft het recht om de gehuurde woning te verwerven volgens de door de Vlaamse regering te bepalen voorwaarden. "
(NOTA : bij arrest nr 115/2004 van 30-06-2004 (B.St. 13-07-2004, p. 55218), heeft het Arbitragehof dit artikel vernietigd)
Art. 21. A l'article 45, § 4, troisième alinéa du décret du 15 juillet 1997 portant le Code flamand du Logement, modifié par les décrets des 17 mars, 18 mai 1999 et 8 décembre 2000, la dernière phrase est abrogée et remplacée par :
" Le locataire occupant a droit d'acquérir l'habitation louée suivant des conditions à fixer par le Gouvernement flamand. "
(NOTE : par son arrêt n° 115/2004 du 30-06-2004 (M.B. 13-07-2004, p. 55219), la Cour d'Arbitrage a annulé cet article)
" Le locataire occupant a droit d'acquérir l'habitation louée suivant des conditions à fixer par le Gouvernement flamand. "
(NOTE : par son arrêt n° 115/2004 du 30-06-2004 (M.B. 13-07-2004, p. 55219), la Cour d'Arbitrage a annulé cet article)
Art. 22. Aan artikel 45, § 4, van hetzelfde decreet wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De sociale huisvestingsmaatschappijen kunnen hun rechten op grondreserves onder bezwarende titel afstaan aan derden om woonprojecten te realiseren, indien ze kaderen binnen de taakstelling van het Garantiefonds voor Huisvesting ingesteld door het decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003. "
" De sociale huisvestingsmaatschappijen kunnen hun rechten op grondreserves onder bezwarende titel afstaan aan derden om woonprojecten te realiseren, indien ze kaderen binnen de taakstelling van het Garantiefonds voor Huisvesting ingesteld door het decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003. "
Art. 22. A l'article 45, § 4, du même décret, il est ajouté un cinquième alinéa libellé comme suit :
" Les sociétés de logement social peuvent céder leurs droits sur les réserves terriennes à titre onéreux à des tiers afin de réaliser des projets de logement, lorsqu'ils cadrent dans les tâches visées par le Fonds de Garantie de Logement instauré par le décret contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2003. "
" Les sociétés de logement social peuvent céder leurs droits sur les réserves terriennes à titre onéreux à des tiers afin de réaliser des projets de logement, lorsqu'ils cadrent dans les tâches visées par le Fonds de Garantie de Logement instauré par le décret contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2003. "
Art. 23. In titel VI van hetzelfde decreet wordt onder hoofdstuk III een nieuwe afdeling 3 ingevoegd, die luidt als volgt :
" Afdeling 3. - Garantiefonds voor huisvesting
Artikel 77bis. Er wordt een Garantiefonds voor Huisvesting opgericht.
Het Garantiefonds voor Huisvesting heeft rechtspersoonlijkheid. Het wordt opgericht als een instelling van categorie A in de zin van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut. De bepalingen van die wet zijn op het fonds van toepassing voor zover er in dit decreet niet wordt van afgeweken.
Artikel 77ter. De middelen van het Garantiefonds voor Huisvesting zijn :
1° een jaarlijkse dotatie lastens de begroting van het Vlaamse Gewest;
2° het gebeurlijk saldo op het einde van het voorgaand begrotingsjaar op het Garantiefonds;
3° alle middelen die voortkomen uit de activiteiten van het Garantiefonds;
4° alle andere middelen die nuttig zijn in het kader van de taken van het Garantiefonds. In functie van deze taken kan de Vlaamse regering overeenkomsten sluiten met derden.
Artikel 77quater. De Vlaamse regering kan aan het Garantiefonds voor Huisvesting de volgende taken toevertrouwen :
1° de betaling van de huurachterstallen voor woningen onder de door de Vlaamse regering te bepalen voorwaarden;
2° de betaling van de huurgelden bij leegstand voor woningen onder de door de Vlaamse regering te bepalen voorwaarden;
3° de financiering van werken, onder meer infra-structuurwerken, het bouwrijp maken van percelen, het oprichten van gemeenschapsvoorzieningen en wijkcentra, met inbegrip van alle handelingen die daarmee verband houden, voor zover ze kaderen binnen een woonproject onder de door de Vlaamse regering te bepalen voorwaarden;
4° het nemen van zakelijke rechten op gronden of ander vastgoed waarop een initiatiefnemer woningen bouwt, die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn als woonproject in zoverre dit niet door een derde gebeurt of het financieren van dergelijke zakelijke rechten, dit alles onder de door de Vlaamse regering te bepalen voorwaarden;
5° eigenaar worden van woningen onder de door de Vlaamse regering te bepalen voorwaarden;
6° de financiering van de actuele waarde van de woningen bij het einde van de in 4° bedoelde zakelijke rechten onder de door de Vlaamse regering te bepalen voorwaarden;
7° de betaling van tussenkomsten voor woningen onder de door de Vlaamse regering te bepalen voorwaarden.
Onder initiatiefnemer wordt niet alleen verstaan de initiatiefnemers nominatief vermeld in artikel 60, § 2, maar ook andere initiatiefnemers, bedoeld in artikel 75.
Artikel 77quinquies. _ De Vlaamse regering stelt de verdere regels vast betreffende de werking en het beheer van het Garantiefonds voor Huisvesting evenals de regels inzake afstand van gronden zoals bedoeld in artikel 45, § 4, vijfde lid.
De Vlaamse regering stelt jaarlijks een verslag op over de werking en het beheer van het Garantiefonds voor Huisvesting. Dit verslag wordt aan het Vlaams Parlement meegedeeld.
Artikel 77sexies. De woningen die worden gefinancierd via een tussenkomst van het Garantiefonds voor Huisvesting worden verhuurd onder de door de Vlaamse regering te bepalen voorwaarden. "
" Afdeling 3. - Garantiefonds voor huisvesting
Artikel 77bis. Er wordt een Garantiefonds voor Huisvesting opgericht.
Het Garantiefonds voor Huisvesting heeft rechtspersoonlijkheid. Het wordt opgericht als een instelling van categorie A in de zin van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut. De bepalingen van die wet zijn op het fonds van toepassing voor zover er in dit decreet niet wordt van afgeweken.
Artikel 77ter. De middelen van het Garantiefonds voor Huisvesting zijn :
1° een jaarlijkse dotatie lastens de begroting van het Vlaamse Gewest;
2° het gebeurlijk saldo op het einde van het voorgaand begrotingsjaar op het Garantiefonds;
3° alle middelen die voortkomen uit de activiteiten van het Garantiefonds;
4° alle andere middelen die nuttig zijn in het kader van de taken van het Garantiefonds. In functie van deze taken kan de Vlaamse regering overeenkomsten sluiten met derden.
Artikel 77quater. De Vlaamse regering kan aan het Garantiefonds voor Huisvesting de volgende taken toevertrouwen :
1° de betaling van de huurachterstallen voor woningen onder de door de Vlaamse regering te bepalen voorwaarden;
2° de betaling van de huurgelden bij leegstand voor woningen onder de door de Vlaamse regering te bepalen voorwaarden;
3° de financiering van werken, onder meer infra-structuurwerken, het bouwrijp maken van percelen, het oprichten van gemeenschapsvoorzieningen en wijkcentra, met inbegrip van alle handelingen die daarmee verband houden, voor zover ze kaderen binnen een woonproject onder de door de Vlaamse regering te bepalen voorwaarden;
4° het nemen van zakelijke rechten op gronden of ander vastgoed waarop een initiatiefnemer woningen bouwt, die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn als woonproject in zoverre dit niet door een derde gebeurt of het financieren van dergelijke zakelijke rechten, dit alles onder de door de Vlaamse regering te bepalen voorwaarden;
5° eigenaar worden van woningen onder de door de Vlaamse regering te bepalen voorwaarden;
6° de financiering van de actuele waarde van de woningen bij het einde van de in 4° bedoelde zakelijke rechten onder de door de Vlaamse regering te bepalen voorwaarden;
7° de betaling van tussenkomsten voor woningen onder de door de Vlaamse regering te bepalen voorwaarden.
Onder initiatiefnemer wordt niet alleen verstaan de initiatiefnemers nominatief vermeld in artikel 60, § 2, maar ook andere initiatiefnemers, bedoeld in artikel 75.
Artikel 77quinquies. _ De Vlaamse regering stelt de verdere regels vast betreffende de werking en het beheer van het Garantiefonds voor Huisvesting evenals de regels inzake afstand van gronden zoals bedoeld in artikel 45, § 4, vijfde lid.
De Vlaamse regering stelt jaarlijks een verslag op over de werking en het beheer van het Garantiefonds voor Huisvesting. Dit verslag wordt aan het Vlaams Parlement meegedeeld.
Artikel 77sexies. De woningen die worden gefinancierd via een tussenkomst van het Garantiefonds voor Huisvesting worden verhuurd onder de door de Vlaamse regering te bepalen voorwaarden. "
Art. 23. Au titre VI du même décret, une nouvelle section 3 est inséré au CHAPITRE III, libellée comme suit :
" Section 3. - Fonds de Garantie de Logement.
Article 77bis. Un Fonds de Garantie de Logement est créé.
Le Fonds de Garantie de Logement a une individualité juridique. Il est créé comme une institution de catégorie A dans le sens de la loi du 16 mars 1954 portant le contrôle sur certaines institutions d'utilité publique. Les dispositions de cette loi s'appliquent à ce fonds pour autant qu'il n'en est pas dérogé au présent décret.
Article 77ter. Les moyens du Fonds de Garantie de Logement sont :
1° une dotation annuelle à charge du budget de la Région flamande;
2° le solde éventuel à la fin de l'année budgétaire précédente sur le Fonds de Garantie de Logement;
3° tous les moyens provenant des activités du Fonds de Garantie de Logement;
4° tous les autres moyens qui sont utiles dans le cadre des tâches du Fonds de Garantie. En fonction de ces tâches, le Gouvernement flamand peut conclure des conventions avec des tiers.
Article 77quater. Le Gouvernement flamand peut confier les tâches suivantes au Fonds de Garantie de Logement :
1° le paiement de retards de loyer d'habitations aux conditions à fixer par le Gouvernement flamand;
2° le paiement de loyer en cas d'inoccupation d'habitations aux conditions à fixer par le Gouvernement flamand;
3° le financement de travaux, entre autres les travaux d'infrastructures supplémentaires, la préparation à la construction de parcelles, la création d'équipements utilitaires communs et de centres de quartier, y compris toutes les opérations y afférentes, pour autant qu'elles cadrent dans un projet de logement aux conditions à fixer par le Gouvernement flamand;
4° l'acquisition de droits réels sur des terrains ou sur d'autres biens immobiliers sur lesquels un preneur d'initiative construit des habitations, qui sont entièrement ou partiellement destinés en tant que projet de logement pour autant que cela ne fasse pas par des tiers ou le financement de tels droits réels, le tout aux conditions fixées par le Gouvernement flamand;
5° devenir propriétaire d'habitations aux conditions à fixer par le Gouvernement flamand;
6° le financement de la valeur actuelle d'habitations à la fin des droits réels visés au 4°, aux conditions à fixer par le Gouvernement flamand;
7° le paiement d'interventions pour des habitations aux conditions à fixer par le Gouvernement flamand;
Par preneurs d'initiative il ne faut pas seulement comprendre les preneurs d'initiative nominativement mentionnés à l'article 60, § 2, mais également les autres preneurs d'initiative visés à l'article 75.
Article 77quinquies. Le Gouvernement flamand fixe les règles détaillées relatives au fonctionnement et à la gestion du Fonds de Garantie de Logement ainsi que les règles en matière de cession de terrains, telle que visée à l'article 45, § 4, cinquième alinéa;
Le Gouvernement flamand établit annuellement un rapport sur le fonctionnement et à la gestion du Fonds de Garantie de Logement. Ce rapport est communiqué au Parlement flamand.
Article 77sexies. Les habitations qui sont financées par une intervention du Fonds de Garantie de Logement sont louées aux conditions à fixer par le Gouvernement flamand. "
" Section 3. - Fonds de Garantie de Logement.
Article 77bis. Un Fonds de Garantie de Logement est créé.
Le Fonds de Garantie de Logement a une individualité juridique. Il est créé comme une institution de catégorie A dans le sens de la loi du 16 mars 1954 portant le contrôle sur certaines institutions d'utilité publique. Les dispositions de cette loi s'appliquent à ce fonds pour autant qu'il n'en est pas dérogé au présent décret.
Article 77ter. Les moyens du Fonds de Garantie de Logement sont :
1° une dotation annuelle à charge du budget de la Région flamande;
2° le solde éventuel à la fin de l'année budgétaire précédente sur le Fonds de Garantie de Logement;
3° tous les moyens provenant des activités du Fonds de Garantie de Logement;
4° tous les autres moyens qui sont utiles dans le cadre des tâches du Fonds de Garantie. En fonction de ces tâches, le Gouvernement flamand peut conclure des conventions avec des tiers.
Article 77quater. Le Gouvernement flamand peut confier les tâches suivantes au Fonds de Garantie de Logement :
1° le paiement de retards de loyer d'habitations aux conditions à fixer par le Gouvernement flamand;
2° le paiement de loyer en cas d'inoccupation d'habitations aux conditions à fixer par le Gouvernement flamand;
3° le financement de travaux, entre autres les travaux d'infrastructures supplémentaires, la préparation à la construction de parcelles, la création d'équipements utilitaires communs et de centres de quartier, y compris toutes les opérations y afférentes, pour autant qu'elles cadrent dans un projet de logement aux conditions à fixer par le Gouvernement flamand;
4° l'acquisition de droits réels sur des terrains ou sur d'autres biens immobiliers sur lesquels un preneur d'initiative construit des habitations, qui sont entièrement ou partiellement destinés en tant que projet de logement pour autant que cela ne fasse pas par des tiers ou le financement de tels droits réels, le tout aux conditions fixées par le Gouvernement flamand;
5° devenir propriétaire d'habitations aux conditions à fixer par le Gouvernement flamand;
6° le financement de la valeur actuelle d'habitations à la fin des droits réels visés au 4°, aux conditions à fixer par le Gouvernement flamand;
7° le paiement d'interventions pour des habitations aux conditions à fixer par le Gouvernement flamand;
Par preneurs d'initiative il ne faut pas seulement comprendre les preneurs d'initiative nominativement mentionnés à l'article 60, § 2, mais également les autres preneurs d'initiative visés à l'article 75.
Article 77quinquies. Le Gouvernement flamand fixe les règles détaillées relatives au fonctionnement et à la gestion du Fonds de Garantie de Logement ainsi que les règles en matière de cession de terrains, telle que visée à l'article 45, § 4, cinquième alinéa;
Le Gouvernement flamand établit annuellement un rapport sur le fonctionnement et à la gestion du Fonds de Garantie de Logement. Ce rapport est communiqué au Parlement flamand.
Article 77sexies. Les habitations qui sont financées par une intervention du Fonds de Garantie de Logement sont louées aux conditions à fixer par le Gouvernement flamand. "
Art. 24. Artikel 78 van hetzelfde decreet wordt als volgt gewijzigd :
1° Het eerste lid, gewijzigd bij het decreet van 22 december 2000 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2001, wordt vervangen door wat volgt :
" Het Vlaamse Gewest waarborgt, onder de voorwaarden die de Vlaamse regering stelt, de terugbetaling van de hoofdsom en de betaling van de interest en de extra kosten van sociale leningen toegestaan door :
1° de kredietmaatschappijen die, onder de voorwaarden die de Vlaamse regering bepaalt, door de Vlaamse regering of door de VHM erkend zijn;
2° elke kredietinstelling, hiertoe erkend bij besluit van de Vlaamse regering. "
2° In het derde lid wordt de tweede zin vervangen door wat volgt :
" De Vlaamse regering stelt de overige voorwaarden vast, onder meer inzake de maximumverkoopwaarde van de woning, de minimum- en maximumnormen voor de woningen en de eigendomsvoorwaarden in hoofde van de ontlener. "
1° Het eerste lid, gewijzigd bij het decreet van 22 december 2000 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2001, wordt vervangen door wat volgt :
" Het Vlaamse Gewest waarborgt, onder de voorwaarden die de Vlaamse regering stelt, de terugbetaling van de hoofdsom en de betaling van de interest en de extra kosten van sociale leningen toegestaan door :
1° de kredietmaatschappijen die, onder de voorwaarden die de Vlaamse regering bepaalt, door de Vlaamse regering of door de VHM erkend zijn;
2° elke kredietinstelling, hiertoe erkend bij besluit van de Vlaamse regering. "
2° In het derde lid wordt de tweede zin vervangen door wat volgt :
" De Vlaamse regering stelt de overige voorwaarden vast, onder meer inzake de maximumverkoopwaarde van de woning, de minimum- en maximumnormen voor de woningen en de eigendomsvoorwaarden in hoofde van de ontlener. "
Art. 24. L'article 78 du même décret est modifié comme suit :
1° Le premier alinéa, modifié par le décret du 22 décembre 2000 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2001, est remplacé par ce qui suit :
" La Région flamande garantit, aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, le remboursement du capital et le paiement de l'intérêt et les frais supplémentaires de prêts sociaux accordés par :
1° les sociétés de crédits qui, aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, agréées par le Gouvernement flamand ou par la VHM;
2° toute institution de crédit, agréée à cet effet par un arrêté du Gouvernement flamand. "
2° Au troisième alinéa, la deuxième phrase est remplacée par ce qui suit :
" Le Gouvernement flamand fixe les autres conditions, entre autres en matière de la valeur vénale maximale de l'habitation, les normes minimales et maximales pour les habitations et les conditions de propriété du chef de l'emprunteur. "
1° Le premier alinéa, modifié par le décret du 22 décembre 2000 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2001, est remplacé par ce qui suit :
" La Région flamande garantit, aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, le remboursement du capital et le paiement de l'intérêt et les frais supplémentaires de prêts sociaux accordés par :
1° les sociétés de crédits qui, aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, agréées par le Gouvernement flamand ou par la VHM;
2° toute institution de crédit, agréée à cet effet par un arrêté du Gouvernement flamand. "
2° Au troisième alinéa, la deuxième phrase est remplacée par ce qui suit :
" Le Gouvernement flamand fixe les autres conditions, entre autres en matière de la valeur vénale maximale de l'habitation, les normes minimales et maximales pour les habitations et les conditions de propriété du chef de l'emprunteur. "
Art. 25. Aan de eerste zin van artikel 80, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt het volgende toegevoegd :
" of overlijden. "
" of overlijden. "
Art. 25. A la première phrase de l'article 80, premier alinéa, du même décret, les mots suivants sont ajoutés :
" ou décès. "
" ou décès. "
HOOFDSTUK VI. - Economie.
CHAPITRE VI. - Economie.
Afdeling 1. - Vzw Ondernemingsplanwedstrijd en vzw Vlaamse Jonge Ondernemingen.
Section 1. - " VZW Ondernemingsplanwedstrijd " et " VZW Vlaamse Jonge Ondernemingen ".
Art. 26. § 1. De Vlaamse regering wordt met terugwerkende kracht gemachtigd toe te treden tot de vzw Ondernemingsplanwedstrijd Vlaanderen.
§ 2. Met haar toetreding tot deze vzw heeft de Vlaamse regering tot doel actief mee te werken aan het bevorderen van het ondernemerschap in Vlaanderen door het organiseren van een ondernemingsplanwedstrijd.
§ 3. Aan de vzw Ondernemingsplanwedstrijd Vlaanderen kan slechts subsidie worden verleend nadat de Vlaamse regering een besluit heeft genomen waarin de toekenningsvoorwaarden van de steun en het toezicht op de aanwending ervan worden bepaald.
§ 4. Elk beding in de statuten van de vereniging, vermeld in dit artikel, dat strijdig is met de bepalingen van dit artikel, moet worden aangepast aan de bepalingen van dit artikel, binnen zes maanden volgend op de publicatie van dit decreet in het Belgisch Staatsblad.
§ 2. Met haar toetreding tot deze vzw heeft de Vlaamse regering tot doel actief mee te werken aan het bevorderen van het ondernemerschap in Vlaanderen door het organiseren van een ondernemingsplanwedstrijd.
§ 3. Aan de vzw Ondernemingsplanwedstrijd Vlaanderen kan slechts subsidie worden verleend nadat de Vlaamse regering een besluit heeft genomen waarin de toekenningsvoorwaarden van de steun en het toezicht op de aanwending ervan worden bepaald.
§ 4. Elk beding in de statuten van de vereniging, vermeld in dit artikel, dat strijdig is met de bepalingen van dit artikel, moet worden aangepast aan de bepalingen van dit artikel, binnen zes maanden volgend op de publicatie van dit decreet in het Belgisch Staatsblad.
Art. 26. § 1. Le Gouvernement flamand est autorisé avec effet rétroactif à s'affilier à la " VZW Ondernemingsplanwedstrijd Vlaanderen ".
§ 2. Par son affiliation à cette ASBL, le Gouvernement flamand vise à coopérer activement à la promotion de l'entrepreneuriat en Flandre en organisant un concours de plans d'entreprise.
§ 3. Une subvention ne peut être octroyée à la " VZW Ondernemingsplanwedstrijd Vlaanderen " que suivant une décision du Gouvernement flamand stipulant les conditions d'octroi de l'aide et le contrôle de l'utilisation de cette aide.
§ 4. Toute clause des statuts de l'association, mentionnée au présent article, qui est contraire aux dispositions du présent article, doit être adaptée aux dispositions du présent article, dans les six mois suivant la publication du présent décret au Moniteur belge.
§ 2. Par son affiliation à cette ASBL, le Gouvernement flamand vise à coopérer activement à la promotion de l'entrepreneuriat en Flandre en organisant un concours de plans d'entreprise.
§ 3. Une subvention ne peut être octroyée à la " VZW Ondernemingsplanwedstrijd Vlaanderen " que suivant une décision du Gouvernement flamand stipulant les conditions d'octroi de l'aide et le contrôle de l'utilisation de cette aide.
§ 4. Toute clause des statuts de l'association, mentionnée au présent article, qui est contraire aux dispositions du présent article, doit être adaptée aux dispositions du présent article, dans les six mois suivant la publication du présent décret au Moniteur belge.
Art. 27. § 1. De Vlaamse regering wordt met terugwerkende kracht gemachtigd toe te treden tot de vzw Vlaamse Jonge Ondernemingen.
§ 2. Met haar toetreding tot deze vzw heeft de Vlaamse regering tot doel actief mee te werken aan het promoten van het ondernemerschap door Vlaamse jongeren in te wijden in het ondernemingsleven, hoofdzakelijk met behulp van vrijwillige raadgevers teneinde hen toe te laten hen te oefenen in het nemen van initiatieven en in het dragen van reële verantwoordelijkheid.
§ 3. Aan de vzw Vlaamse Jonge Ondernemingen kan slechts subsidie worden verleend nadat de bevoegde minister een besluit heeft genomen waarin de toekenningsvoorwaarden van de steun en het toezicht op de aanwending ervan worden bepaald.
§ 4. Elk beding in de statuten van de vereniging, vermeld in dit artikel, dat strijdig is met de bepalingen van dit artikel, moet worden aangepast aan de bepalingen van dit artikel, binnen zes maanden volgend op de publicatie van dit decreet in het Belgisch Staatsblad.
§ 2. Met haar toetreding tot deze vzw heeft de Vlaamse regering tot doel actief mee te werken aan het promoten van het ondernemerschap door Vlaamse jongeren in te wijden in het ondernemingsleven, hoofdzakelijk met behulp van vrijwillige raadgevers teneinde hen toe te laten hen te oefenen in het nemen van initiatieven en in het dragen van reële verantwoordelijkheid.
§ 3. Aan de vzw Vlaamse Jonge Ondernemingen kan slechts subsidie worden verleend nadat de bevoegde minister een besluit heeft genomen waarin de toekenningsvoorwaarden van de steun en het toezicht op de aanwending ervan worden bepaald.
§ 4. Elk beding in de statuten van de vereniging, vermeld in dit artikel, dat strijdig is met de bepalingen van dit artikel, moet worden aangepast aan de bepalingen van dit artikel, binnen zes maanden volgend op de publicatie van dit decreet in het Belgisch Staatsblad.
Art. 27. § 1. Le Gouvernement flamand est autorisé avec effet rétroactif à s'affilier à la " VZW Vlaamse Jonge Ondernemingen ".
§ 2. Par son affiliation à cette ASBL, le Gouvernement flamand vise à coopérer activement à la promotion de l'entrepreneuriat en initiant des jeunes flamands à la vie des entreprises, principalement à l'aide de conseillers volontaires afin de permettre aux jeunes flamands de s'exercer à prendre des initiatives et à assumer une responsabilité réelle.
§ 3. Une subvention ne peut être octroyée à la " VZW Vlaamse Jonge Ondernemingen " que suivant une décision du Ministre compétent stipulant les conditions d'octroi de l'aide et le contrôle de l'utilisation de cette aide.
§ 4. Toute clause des statuts de l'association, mentionnée au présent article, qui est contraire aux dispositions du présent article, doit être adaptée aux dispositions du présent article, dans les six mois suivant la publication du présent décret au Moniteur belge.
§ 2. Par son affiliation à cette ASBL, le Gouvernement flamand vise à coopérer activement à la promotion de l'entrepreneuriat en initiant des jeunes flamands à la vie des entreprises, principalement à l'aide de conseillers volontaires afin de permettre aux jeunes flamands de s'exercer à prendre des initiatives et à assumer une responsabilité réelle.
§ 3. Une subvention ne peut être octroyée à la " VZW Vlaamse Jonge Ondernemingen " que suivant une décision du Ministre compétent stipulant les conditions d'octroi de l'aide et le contrôle de l'utilisation de cette aide.
§ 4. Toute clause des statuts de l'association, mentionnée au présent article, qui est contraire aux dispositions du présent article, doit être adaptée aux dispositions du présent article, dans les six mois suivant la publication du présent décret au Moniteur belge.
Afdeling 2. - Excellentiepolen.
Section 2. - Pôles d'excellence.
Art. 28. Aan artikel 41, § 4, van het decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002 wordt toegevoegd : " d) de excellentiepolen Vlaams Huis van de Logistiek, Flanders Mechatronics en Incubatiepunt Geo-Informatie voor wat het begrotingsjaar 2003 betreft. "
Art. 28. L'article 41, § 4, du décret du 21 décembre 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2002 est complété comme suit : " d) les pôles d'excellence " Vlaams Huis van de Logistiek ", " Flanders Mechatronics " et " Incubatiepunt Geo-Informatie " en ce qui concerne l'année budgétaire 2003. "
Afdeling 3. - Flankerend Economisch Beleid.
Section 3. - " Flankerend Economisch Beleid ".
Art. 29. Het decreet van 31 maart 1993 betreffende een financiële tegemoetkoming door het Vlaamse Gewest ten behoeve van kleine ondernemingen die een beroep doen op erkende bedrijfsadviseurs wordt opgeheven.
Art. 29. Le décret du 31 mars 1993 relatif à l'octroi d'une aide financière par la Région flamande aux petites entreprises faisant appel à des conseillers d'entreprise extérieurs agréés, est abrogé.
HOOFDSTUK VII. - Vlaams Brusselfonds.
CHAPITRE VII. - " Vlaams Brusselfonds ".
Art. 30. Artikel 67 van het decreet van 21 december houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002 wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 67. De middelen van het fonds worden aangewend voor initiatieven ter bevordering van de ontsluiting en de toegankelijkheid van instellingen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die wegens hun activiteiten of hun organisatie worden beschouwd als uitsluitend te behoren tot de Vlaamse Gemeenschap door middel van :
- tegemoetkomingen voor de gebruikers van deze instellingen;
- de uitbouw van een kwalitatief, bereikbaar en zichtbaar netwerk van gemeenschapsvoorzieningen.
Deze initiatieven zijn complementair aan het inclusief gemeenschapsbeleid. "
" Artikel 67. De middelen van het fonds worden aangewend voor initiatieven ter bevordering van de ontsluiting en de toegankelijkheid van instellingen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die wegens hun activiteiten of hun organisatie worden beschouwd als uitsluitend te behoren tot de Vlaamse Gemeenschap door middel van :
- tegemoetkomingen voor de gebruikers van deze instellingen;
- de uitbouw van een kwalitatief, bereikbaar en zichtbaar netwerk van gemeenschapsvoorzieningen.
Deze initiatieven zijn complementair aan het inclusief gemeenschapsbeleid. "
Art. 30. L'article 67 du décret du 21 décembre 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2002, est remplacé par la disposition suivante :
" Article 67. Les ressources du Fonds sont affectées à des initiatives visant à promouvoir l'ouverture et l'accessibilité de structures dans la Région de Bruxelles-Capitale qui, de par leurs activités ou leur organisation, sont considérées comme relevant exclusivement de la Communauté flamande, par :
- des interventions pour les usagers de ces structures;
- le développement d'un réseau qualitatif, accessible et visible de structures communautaires.
Ces initiatives sont complémentaires à la politique communautaire inclusive. "
" Article 67. Les ressources du Fonds sont affectées à des initiatives visant à promouvoir l'ouverture et l'accessibilité de structures dans la Région de Bruxelles-Capitale qui, de par leurs activités ou leur organisation, sont considérées comme relevant exclusivement de la Communauté flamande, par :
- des interventions pour les usagers de ces structures;
- le développement d'un réseau qualitatif, accessible et visible de structures communautaires.
Ces initiatives sont complémentaires à la politique communautaire inclusive. "
HOOFDSTUK VIII. - Tewerkstelling.
CHAPITRE VIII. - Emploi.
Art. 31. Aan de programmawet van 30 december 1988, zoals tot op heden gewijzigd, wordt voor het Vlaamse Gewest een artikel 94bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Regeling voor het Vlaamse Gewest
Artikel 94bis. De Vlaamse regering kan, onder de voorwaarden die zij bepaalt en binnen de perken van de begrotingskredieten, subsidies verlenen aan een organisatie die ondersteunende of dienstverlenende taken verricht voor de organisaties die opleiding en begeleiding aanbieden aan personen met een zwakke arbeidsmarktpositie met het oog op een duurzame inschakeling in het economisch circuit. "
" Regeling voor het Vlaamse Gewest
Artikel 94bis. De Vlaamse regering kan, onder de voorwaarden die zij bepaalt en binnen de perken van de begrotingskredieten, subsidies verlenen aan een organisatie die ondersteunende of dienstverlenende taken verricht voor de organisaties die opleiding en begeleiding aanbieden aan personen met een zwakke arbeidsmarktpositie met het oog op een duurzame inschakeling in het economisch circuit. "
Art. 31. Un article 94bis, rédigé comme suit, est inséré pour la Région flamande dans la loi-programme du 30 décembre 1988, telle qu'elle a été modifiée à ce jour :
" Règlement pour la Région flamande
Article 94bis. Le Gouvernement flamand peut, dans les conditions qu'il détermine et dans les limites des crédits budgétaires, octroyer des subventions à une organisation qui accomplit des missions d'appui ou de prestations de services en faveur des organisations qui offrent de la formation et de l'accompagnement à des personnes qui se trouvent dans une position faible sur le marché de l'emploi en vue d'une insertion durable dans le circuit économique. "
" Règlement pour la Région flamande
Article 94bis. Le Gouvernement flamand peut, dans les conditions qu'il détermine et dans les limites des crédits budgétaires, octroyer des subventions à une organisation qui accomplit des missions d'appui ou de prestations de services en faveur des organisations qui offrent de la formation et de l'accompagnement à des personnes qui se trouvent dans une position faible sur le marché de l'emploi en vue d'une insertion durable dans le circuit économique. "
HOOFDSTUK IX. - Energie.
CHAPITRE IX. - Energie.
Art. 32. In artikel 22 van het decreet van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt worden de woorden " of in de gebieden, bedoeld in artikel 6, van de federale Elektriciteitswet " geschrapt.
Art. 32. A l'article 22 du décret du 17 juillet 2000 relatif à l'organisation du marché de l'électricité, les mots " ou dans les zones visées à l'article 6 de la loi fédérale sur l'électricité " sont supprimés.
Art. 33. Aan artikel 23 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° §§ 1 en 2 worden vervangen door wat volgt :
" § 1. Iedere leverancier die elektriciteit levert aan eindafnemers aangesloten op het distributienet of het transmissienet is verplicht jaarlijks voor 31 maart aan de reguleringsinstantie het aantal groenestroomcertificaten voor te leggen dat bepaald wordt met toepassing van § 2.
Voor de elektriciteit die door de houders van een leveringsvergunning via het distributienet wordt geleverd aan eindafnemers, gebeurt de eerste voorlegging van groenestroomcertificaten in het jaar 2003.
Voor de elektriciteit die door de leveranciers via het transmissienet wordt geleverd aan eindafnemers, gebeurt de eerste voorlegging van groenestroomcertificaten in het jaar 2004.
Voor de elektriciteit die door de netbeheerders via het distributienet wordt geleverd aan eindafnemers, gebeurt de eerste voorlegging van groenestroomcertificaten in het jaar 2003 en de laatste voorlegging in het jaar 2004.
§ 2. Het aantal groenestroomcertificaten dat door een leverancier in een bepaald jaar n moet worden voorgelegd, wordt vastgesteld met de formule :
C = G x Ev;
Waarbij :
C gelijk is aan het aantal voor te leggen certificaten, uitgedrukt in MWh (1 000 kWh);
G gelijk is aan :
1° 0,008 op 31 maart 2003;
2° 0,012 op 31 maart 2004;
3° 0,020 op 31 maart 2005;
4° 0,025 op 31 maart 2006;
5° 0,030 op 31 maart 2007;
6° 0,0375 op 31 maart 2008;
7° 0,0450 op 31 maart 2009;
8° 0,0525 op 31 maart 2010;
9° 0,0600 op 31 maart 2011;
Ev gelijk is aan de totale hoeveelheid elektriciteit, uitgedrukt in MWh, die door de leverancier werd geleverd aan zijn eindafnemers in het jaar n-1.
In afwijking van het vorig lid is Ev, voor de vaststelling van het aantal groenestroomcertificaten die door een netbeheerder moeten worden voorgelegd in het jaar 2004, gelijk aan de totale hoeveelheid elektriciteit, uitgedrukt in MWh, die door de netbeheerder werd geleverd aan zijn eindafnemers in de periode van 1 januari 2003 tot 1 juli 2003. "
2° er wordt een § 2bis toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 2bis. Groenestroomcertificaten kunnen enkel worden voorgelegd aan de VREG in het kader van de verplichting, bedoeld in § 1, in het jaar waarin ze werden toegekend en de vijf daaropvolgende jaren.
In afwijking van het vorig lid, kunnen groenestroomcertificaten die in het jaar 2002 en het jaar 2003 werden toegekend, enkel worden voorgelegd in het jaar waarin ze werden toegekend en in de periode van 1 januari tot 31 maart van het volgend jaar. Indien deze groenestroomcertificaten op 31 maart 2003 of 31 maart 2004 eigendom zijn van een leverancier die reeds alle certificaten heeft ingeleverd die hij diende in te leveren voor deze datum overeenkomstig de verplichting, bedoeld in § 1, kunnen deze certificaten worden voorgelegd tot vijf jaar na de toekenning ervan, op voorwaarde dat ze door dezelfde leverancier worden voorgelegd. "
1° §§ 1 en 2 worden vervangen door wat volgt :
" § 1. Iedere leverancier die elektriciteit levert aan eindafnemers aangesloten op het distributienet of het transmissienet is verplicht jaarlijks voor 31 maart aan de reguleringsinstantie het aantal groenestroomcertificaten voor te leggen dat bepaald wordt met toepassing van § 2.
Voor de elektriciteit die door de houders van een leveringsvergunning via het distributienet wordt geleverd aan eindafnemers, gebeurt de eerste voorlegging van groenestroomcertificaten in het jaar 2003.
Voor de elektriciteit die door de leveranciers via het transmissienet wordt geleverd aan eindafnemers, gebeurt de eerste voorlegging van groenestroomcertificaten in het jaar 2004.
Voor de elektriciteit die door de netbeheerders via het distributienet wordt geleverd aan eindafnemers, gebeurt de eerste voorlegging van groenestroomcertificaten in het jaar 2003 en de laatste voorlegging in het jaar 2004.
§ 2. Het aantal groenestroomcertificaten dat door een leverancier in een bepaald jaar n moet worden voorgelegd, wordt vastgesteld met de formule :
C = G x Ev;
Waarbij :
C gelijk is aan het aantal voor te leggen certificaten, uitgedrukt in MWh (1 000 kWh);
G gelijk is aan :
1° 0,008 op 31 maart 2003;
2° 0,012 op 31 maart 2004;
3° 0,020 op 31 maart 2005;
4° 0,025 op 31 maart 2006;
5° 0,030 op 31 maart 2007;
6° 0,0375 op 31 maart 2008;
7° 0,0450 op 31 maart 2009;
8° 0,0525 op 31 maart 2010;
9° 0,0600 op 31 maart 2011;
Ev gelijk is aan de totale hoeveelheid elektriciteit, uitgedrukt in MWh, die door de leverancier werd geleverd aan zijn eindafnemers in het jaar n-1.
In afwijking van het vorig lid is Ev, voor de vaststelling van het aantal groenestroomcertificaten die door een netbeheerder moeten worden voorgelegd in het jaar 2004, gelijk aan de totale hoeveelheid elektriciteit, uitgedrukt in MWh, die door de netbeheerder werd geleverd aan zijn eindafnemers in de periode van 1 januari 2003 tot 1 juli 2003. "
2° er wordt een § 2bis toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 2bis. Groenestroomcertificaten kunnen enkel worden voorgelegd aan de VREG in het kader van de verplichting, bedoeld in § 1, in het jaar waarin ze werden toegekend en de vijf daaropvolgende jaren.
In afwijking van het vorig lid, kunnen groenestroomcertificaten die in het jaar 2002 en het jaar 2003 werden toegekend, enkel worden voorgelegd in het jaar waarin ze werden toegekend en in de periode van 1 januari tot 31 maart van het volgend jaar. Indien deze groenestroomcertificaten op 31 maart 2003 of 31 maart 2004 eigendom zijn van een leverancier die reeds alle certificaten heeft ingeleverd die hij diende in te leveren voor deze datum overeenkomstig de verplichting, bedoeld in § 1, kunnen deze certificaten worden voorgelegd tot vijf jaar na de toekenning ervan, op voorwaarde dat ze door dezelfde leverancier worden voorgelegd. "
Art. 33. A l'article 23 du même décret sont apportées les modifications suivantes :
1° Les §§ 1 et 2 sont remplacés par la disposition suivante :
" § 1. Chaque fournisseur qui fournit de l'électricité aux clients finals raccordés au réseau de distribution ou au réseau de transport, est tenu de soumettre à l'autorité de régulation chaque année avant le 31 mars le nombre de certificats d'électricité écologique déterminé en application du § 2.
Pour l'électricité fournie aux clients finals par les titulaires d'une autorisation de fourniture via le réseau de distribution, la première soumission de certificats d'électricité écologique se fait en l'an 2003.
Pour l'électricité fournie aux clients finals par les fournisseurs via le réseau de transport, la première soumission de certificats d'électricité écologique se fait en l'an 2004.
Pour l'électricité fournie aux clients finals par les gestionnaires du réseau via le réseau de distribution, la première soumission de certificats d'électricité écologique se fait en l'an 2003 et la dernière soumission se fait en l'an 2004.
§ 2. Le nombre de certificats d'électricité écologique qui doit être soumis dans une année déterminée n par un fournisseur, est déterminé suivant la formule suivante :
C = G x Ev;
où :
C est égal au nombre de certificats à soumettre, exprimé en MWh (1 000 kWh);
G est égal à :
1° 0,008 le 31 mars 2003;
2° 0,012 le 31 mars 2004;
3° 0,020 le 31 mars 2005;
4° 0,025 le 31 mars 2006;
5° 0,030 le 31 mars 2007;
6° 0,0375 le 31 mars 2008;
7° 0,0450 le 31 mars 2009;
8° 0,0525 le 31 mars 2010;
9° 0,0600 le 31 mars 2011;
Ev est égal à la quantité globale d'électricité, exprimée en MWh, fournie aux clients finals par le fournisseur en l'an n-1.
Par dérogation à l'alinéa précédent, pour la détermination du nombre de certificats d'électricité écologique qui doivent être soumis par un gestionnaire du réseau en l'an 2004, Ev est égal à la quantité globale d'électricité, exprimée en MWh, fournie aux clients finals par le gestionnaire du réseau dans la période du 1er janvier 2003 au 1er juillet 2003. "
2° il est ajouté un § 2bis, rédigé comme suit :
" § 2bis. Des certificats d'électricité écologique ne peuvent être soumis à la VREG dans le cadre de l'obligation visée au § 1, qu'au cours de l'année de leur octroi et les cinq années suivantes.
Par dérogation à l'alinéa précédent, des certificats d'électricité écologique qui ont été octroyés en l'an 2002 et l'an 2003, ne peuvent être soumis qu'au cours de l'année de leur octroi et pendant la période du 1er janvier au 31 mars de l'année suivante. Lorsque, le 31 mars 2003 ou le 31 mars 2004, ces certificats d'électricité écologique sont propriété d'un fournisseur qui a déjà soumis tous les certificats qu'il devait soumettre avant cette date conformément à l'obligation visée au § 1, ces certificats peuvent être soumis jusqu'à cinq ans après leur octroi, à condition qu'ils soient soumis par le même fournisseur. "
1° Les §§ 1 et 2 sont remplacés par la disposition suivante :
" § 1. Chaque fournisseur qui fournit de l'électricité aux clients finals raccordés au réseau de distribution ou au réseau de transport, est tenu de soumettre à l'autorité de régulation chaque année avant le 31 mars le nombre de certificats d'électricité écologique déterminé en application du § 2.
Pour l'électricité fournie aux clients finals par les titulaires d'une autorisation de fourniture via le réseau de distribution, la première soumission de certificats d'électricité écologique se fait en l'an 2003.
Pour l'électricité fournie aux clients finals par les fournisseurs via le réseau de transport, la première soumission de certificats d'électricité écologique se fait en l'an 2004.
Pour l'électricité fournie aux clients finals par les gestionnaires du réseau via le réseau de distribution, la première soumission de certificats d'électricité écologique se fait en l'an 2003 et la dernière soumission se fait en l'an 2004.
§ 2. Le nombre de certificats d'électricité écologique qui doit être soumis dans une année déterminée n par un fournisseur, est déterminé suivant la formule suivante :
C = G x Ev;
où :
C est égal au nombre de certificats à soumettre, exprimé en MWh (1 000 kWh);
G est égal à :
1° 0,008 le 31 mars 2003;
2° 0,012 le 31 mars 2004;
3° 0,020 le 31 mars 2005;
4° 0,025 le 31 mars 2006;
5° 0,030 le 31 mars 2007;
6° 0,0375 le 31 mars 2008;
7° 0,0450 le 31 mars 2009;
8° 0,0525 le 31 mars 2010;
9° 0,0600 le 31 mars 2011;
Ev est égal à la quantité globale d'électricité, exprimée en MWh, fournie aux clients finals par le fournisseur en l'an n-1.
Par dérogation à l'alinéa précédent, pour la détermination du nombre de certificats d'électricité écologique qui doivent être soumis par un gestionnaire du réseau en l'an 2004, Ev est égal à la quantité globale d'électricité, exprimée en MWh, fournie aux clients finals par le gestionnaire du réseau dans la période du 1er janvier 2003 au 1er juillet 2003. "
2° il est ajouté un § 2bis, rédigé comme suit :
" § 2bis. Des certificats d'électricité écologique ne peuvent être soumis à la VREG dans le cadre de l'obligation visée au § 1, qu'au cours de l'année de leur octroi et les cinq années suivantes.
Par dérogation à l'alinéa précédent, des certificats d'électricité écologique qui ont été octroyés en l'an 2002 et l'an 2003, ne peuvent être soumis qu'au cours de l'année de leur octroi et pendant la période du 1er janvier au 31 mars de l'année suivante. Lorsque, le 31 mars 2003 ou le 31 mars 2004, ces certificats d'électricité écologique sont propriété d'un fournisseur qui a déjà soumis tous les certificats qu'il devait soumettre avant cette date conformément à l'obligation visée au § 1, ces certificats peuvent être soumis jusqu'à cinq ans après leur octroi, à condition qu'ils soient soumis par le même fournisseur. "
Art. 34. In artikel 25 van hetzelfde decreet worden de woorden " of in de gebieden, bedoeld in artikel 6 van de federale Elektriciteitswet " geschrapt.
Art. 34. A l'article 25 du même décret, les mots " ou dans les zones visées à l'article 6 de la loi fédérale sur l'electricité " sont supprimés.
HOOFDSTUK X. - Domein van de wegen, de waterwegen euro en hun aanhorigheden, zeewering en de dijken.
CHAPITRE X. - Domaine des routes, des cours d'eau et de leurs dépendances, des digues de mer et des digues.
Art. 35. In artikel 43 van het decreet van 18 december 1992 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1993, zoals gewijzigd door artikel 59 van het decreet van 5 juli 2002 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2002, wordt er tussen het eerste en het tweede lid een nieuw lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Wat de andere nutsvoorzieningen betreft, worden alleen de verdeelleidingen vrijgesteld van variabele retributie. Onder verdeelleidingen wordt verstaan : het geheel van leidingen en toebehoren waarop hoofdzakelijk residentiële gebruikers rechtstreeks worden aangesloten, zowel op lokaal niveau als binnen een geografisch afgebakende zone. "
" Wat de andere nutsvoorzieningen betreft, worden alleen de verdeelleidingen vrijgesteld van variabele retributie. Onder verdeelleidingen wordt verstaan : het geheel van leidingen en toebehoren waarop hoofdzakelijk residentiële gebruikers rechtstreeks worden aangesloten, zowel op lokaal niveau als binnen een geografisch afgebakende zone. "
Art. 35. A l'article 43 du décret du 18 décembre 1992 contenant des mesures d'accompagnement du budget 1993, tel que modifié par l'article 59 du décret du 5 juillet 2002 contenant des mesures d'accompagnement du budget 2002, il est ajouté un nouvel alinéa entre le premier et le deuxième alinéa :
" En ce qui concerne les autres équipements utilitaires, seules les canalisations de distribution sont exemptées de la rétribution variable. Par canalisations de distribution, il faut entendre : l'ensemble des canalisations et accessoires auxquels sont principalement directement raccordés des utilisateurs résidentiels, tant au niveau local que dans une zone géographiquement délimitée. "
" En ce qui concerne les autres équipements utilitaires, seules les canalisations de distribution sont exemptées de la rétribution variable. Par canalisations de distribution, il faut entendre : l'ensemble des canalisations et accessoires auxquels sont principalement directement raccordés des utilisateurs résidentiels, tant au niveau local que dans une zone géographiquement délimitée. "
HOOFDSTUK XI. - Dienst met Afzonderlijk Beheer Vloot.
CHAPITRE XI. - Service à Gestion séparée " Flotte ".
Art. 36. § 1. Er wordt een Dienst met Afzonderlijk Beheer Vloot (DAB Vloot) opgericht, zoals bedoeld in artikel 140 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende de coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit.
§ 2. De DAB Vloot wordt belast met het beheer en de exploitatie van de Vlaamse vloot aan vaartuigen en het ter beschikking stellen van bedrijfsklare vaartuigen voor de diensten van de Vlaamse regering en voor derden, evenals het verstrekken van diensten en adviezen die met deze bevoegdheden gepaard gaan.
§ 2. De DAB Vloot wordt belast met het beheer en de exploitatie van de Vlaamse vloot aan vaartuigen en het ter beschikking stellen van bedrijfsklare vaartuigen voor de diensten van de Vlaamse regering en voor derden, evenals het verstrekken van diensten en adviezen die met deze bevoegdheden gepaard gaan.
Art. 36. § 1. Il est créé un Service à Gestion séparée " Flotte " (DAB Vloot), tel que visé à l'article 140 de l'arrêté royal du 17 juillet 1991 portant coordination des Lois sur la Comptabilite de l'Etat.
§ 2. Le Service à Gestion séparée " Flotte " est chargé de la gestion et de l'exploitation de la flotte flamande d'embarcations et de la mise à la disposition des autres services du Gouvernement flamand et à des tiers d'embarcations opérationnelles, ainsi que des services et des avis liés à ces compétences.
§ 2. Le Service à Gestion séparée " Flotte " est chargé de la gestion et de l'exploitation de la flotte flamande d'embarcations et de la mise à la disposition des autres services du Gouvernement flamand et à des tiers d'embarcations opérationnelles, ainsi que des services et des avis liés à ces compétences.
Art. 37. De begroting van de DAB Vloot wordt wat betreft de inkomsten met betrekking tot de bevoegdheden vermeld in artikel 6, § 1, X, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen gestijfd door :
1° de ontvangsten, met inbegrip van betalingen ingevolge schadevergoedingen en ingevolge vervreemding, voortvloeiend uit het beheer en de exploitatie van de DAB Vloot, behoudens de gebouwen en aanhorigheden voor de huisvesting van de diensten van de Vlaamse regering;
2° alle andere middelen die nuttig zijn in het kader van de doelstelling van de DAB vloot en die inzonderheid ingevolge wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen aan de DAB Vloot toekomen, evenals de opbrengsten van terugstortingen en toevallige ontvangsten;
3° de eventuele dotaties, voorzien in het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap en de bijhorende administratieve begroting;
4° alle ontvangsten die voortvloeien uit overeenkomsten van dienstverlening aan derden.
1° de ontvangsten, met inbegrip van betalingen ingevolge schadevergoedingen en ingevolge vervreemding, voortvloeiend uit het beheer en de exploitatie van de DAB Vloot, behoudens de gebouwen en aanhorigheden voor de huisvesting van de diensten van de Vlaamse regering;
2° alle andere middelen die nuttig zijn in het kader van de doelstelling van de DAB vloot en die inzonderheid ingevolge wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen aan de DAB Vloot toekomen, evenals de opbrengsten van terugstortingen en toevallige ontvangsten;
3° de eventuele dotaties, voorzien in het decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap en de bijhorende administratieve begroting;
4° alle ontvangsten die voortvloeien uit overeenkomsten van dienstverlening aan derden.
Art. 37. Le budget du Service à Gestion séparée " Flotte " est confirmé, en ce qui concerne les revenus relatifs aux compétences mentionnées à l'article 6, § 1, X, de la loi spéciale de réforme des institutions, par :
1° les recettes, y compris les paiements suite à des indemnisations et aliénations, résultant de la gestion e de l'exploitation du Service à Gestion séparée " Flotte ", sauf les bâtiments et attenances destinés au logement des services du Gouvernement flamand;
2° tous les autres moyens utiles dans le cadre de l'objectif du Service à Gestion séparée " Flotte " et qui reviennent notamment au Service à Gestion séparée " Flotte " suite à des dispositions légales, décrétales ou réglementaires, ainsi que les revenus provenant de remboursements et de recettes fortuites;
3° les dotations éventuelles, prévues au décret portant le budget général des dépenses de la Communauté flamande et du budget administratif y afférent;
4° toutes les recettes résultant de conventions de services à des tiers.
1° les recettes, y compris les paiements suite à des indemnisations et aliénations, résultant de la gestion e de l'exploitation du Service à Gestion séparée " Flotte ", sauf les bâtiments et attenances destinés au logement des services du Gouvernement flamand;
2° tous les autres moyens utiles dans le cadre de l'objectif du Service à Gestion séparée " Flotte " et qui reviennent notamment au Service à Gestion séparée " Flotte " suite à des dispositions légales, décrétales ou réglementaires, ainsi que les revenus provenant de remboursements et de recettes fortuites;
3° les dotations éventuelles, prévues au décret portant le budget général des dépenses de la Communauté flamande et du budget administratif y afférent;
4° toutes les recettes résultant de conventions de services à des tiers.
Art. 38. De vastlegging en de ordonnancering van de uitgaven die ten laste komen van de DAB Vloot gebeuren door toedoen van de DAB Vloot, onverminderd de regelen inzake de administratieve en de begrotingscontrole en onverminderd de regelen inzake delegatie van bevoegdheden binnen de Vlaamse regering die op de DAB Vloot van toepassing zijn.
Art. 38. L'engagement et l'ordonnancement des dépenses qui viennent à charge du Service à Gestion séparée " Flotte " se font par l'action du Service à Gestion séparée " Flotte ", sans préjudice des règles en matière du contrôle administratif et budgétaire et sans préjudice des règles en matière de délégation et de compétences au sein du Gouvernement flamand qui s'appliquent au Service à Gestion séparée " Flotte ".
Art. 39. De minister bevoegd voor de zeehavens wordt belast met het beheer van de DAB Vloot.
Art. 39. Le ministre ayant les ports maritimes dans ses attributions est chargé du Service à Gestion séparée " Flotte ".
HOOFDSTUK XII. - Zorgfonds.
CHAPITRE XII. - Fonds d'assurance soins.
Art. 40. In artikel 3 van het decreet van 30 maart 1999 houdende de organisatie van de zorgverzekering worden de woorden " jaarlijks maximumbedrag " vervangen door de woorden " maandelijks bedrag ".
Art. 40. A l'article 3 du décret du 30 mars 1999 portant organisation de l'assurance soins, les mots " montant annuel maximal " sont remplacés par les mots " montant mensuel ".
Art. 41. In artikel 6, § 1, van hetzelfde decreet wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
" De zorgkas neemt de kosten van niet-medische hulp- en dienstverlening ten laste. "
" De zorgkas neemt de kosten van niet-medische hulp- en dienstverlening ten laste. "
Art. 41. A l'article 6, § 1 du même décret, le premier alinéa est remplacé par ce qui suit :
" La caisse d'assurance soins prend en charge les frais encourus pour la prestation d'aide et de services non médicaux. "
" La caisse d'assurance soins prend en charge les frais encourus pour la prestation d'aide et de services non médicaux. "
Art. 42. In artikel 6, § 1, van hetzelfde decreet worden na het eerste lid een tweede en derde lid ingevoegd, die luiden als volgt :
" De tenlasteneming betreft een forfaitaire tussenkomst in de kosten voor niet-medische hulp- en dienstverlening aan gebruikers die vanaf het ogenblik van het indienen van een aanvraag voor tenlasteneming voldoen aan een of meer van de volgende voorwaarden :
1° in het thuismilieu verblijven;
2° een beroep doen op een door de Vlaamse regering erkende of een daarmee gelijkgestelde professionele zorgverlener of voorziening;
3° in een door de Vlaamse regering erkende of in een daarmee gelijkgestelde voorziening verblijven.
De regering bepaalt de nadere regels betreffende de toekenning, weigering, intrekking en schorsing van de erkenning, en van de gelijkstelling met een erkenning, van professionele zorgverleners en voorzieningen. De regering bepaalt tevens in welke gevallen aan een of aan meer van de in het tweede lid bedoelde voorwaarden moet worden voldaan. "
" De tenlasteneming betreft een forfaitaire tussenkomst in de kosten voor niet-medische hulp- en dienstverlening aan gebruikers die vanaf het ogenblik van het indienen van een aanvraag voor tenlasteneming voldoen aan een of meer van de volgende voorwaarden :
1° in het thuismilieu verblijven;
2° een beroep doen op een door de Vlaamse regering erkende of een daarmee gelijkgestelde professionele zorgverlener of voorziening;
3° in een door de Vlaamse regering erkende of in een daarmee gelijkgestelde voorziening verblijven.
De regering bepaalt de nadere regels betreffende de toekenning, weigering, intrekking en schorsing van de erkenning, en van de gelijkstelling met een erkenning, van professionele zorgverleners en voorzieningen. De regering bepaalt tevens in welke gevallen aan een of aan meer van de in het tweede lid bedoelde voorwaarden moet worden voldaan. "
Art. 42. A l'article 6, § 1 du même décret, il est inséré, après le premier alinéa, un deuxième et un troisième alinéas rédigés comme suit :
" La prise en charge concerne une intervention forfaitaire dans les frais encourus pour la prestation d'aide et de services non médicaux aux usagers qui, dès l'introduction d'une demande de prise en charge, remplissent une ou plusieurs des conditions suivantes :
1° résider dans le milieu familial;
2° faire appel à un prestataire de soins professionnel ou à une structure agréés par le Gouvernement flamand ou assimilés;
3° résider dans une structure agréée par le Gouvernement flamand ou assimilée.
Le Gouvernement flamand fixe les règles spécifiques relatives à l'octroi, au refus, au retrait et à la suspension de l'agrément et de l'assimilation à l'agrément de structures et de prestataires de soins professionnels. Le Gouvernement détermine par ailleurs les cas dans lesquels une ou plusieurs conditions énoncées dans l'alinéa 2 doivent être remplies. "
" La prise en charge concerne une intervention forfaitaire dans les frais encourus pour la prestation d'aide et de services non médicaux aux usagers qui, dès l'introduction d'une demande de prise en charge, remplissent une ou plusieurs des conditions suivantes :
1° résider dans le milieu familial;
2° faire appel à un prestataire de soins professionnel ou à une structure agréés par le Gouvernement flamand ou assimilés;
3° résider dans une structure agréée par le Gouvernement flamand ou assimilée.
Le Gouvernement flamand fixe les règles spécifiques relatives à l'octroi, au refus, au retrait et à la suspension de l'agrément et de l'assimilation à l'agrément de structures et de prestataires de soins professionnels. Le Gouvernement détermine par ailleurs les cas dans lesquels une ou plusieurs conditions énoncées dans l'alinéa 2 doivent être remplies. "
Art. 43. Artikel 7 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Artikel 7. De kosten van de niet-medische hulp- en dienstverlening aan een gebruiker worden ten laste genomen op aanvraag van de gebruiker of zijn vertegenwoordiger.
De aanvraag, met inbegrip van de vaststelling krachtens artikel 9 van de ernst en duur van het verminderde zelfzorgvermogen, wordt ingediend bij de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, overeenkomstig artikel 4. De regering bepaalt de voorschriften waaraan de aanvraag moet voldoen. "
" Artikel 7. De kosten van de niet-medische hulp- en dienstverlening aan een gebruiker worden ten laste genomen op aanvraag van de gebruiker of zijn vertegenwoordiger.
De aanvraag, met inbegrip van de vaststelling krachtens artikel 9 van de ernst en duur van het verminderde zelfzorgvermogen, wordt ingediend bij de zorgkas waarbij de gebruiker is aangesloten, overeenkomstig artikel 4. De regering bepaalt de voorschriften waaraan de aanvraag moet voldoen. "
Art. 43. L'article 7 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Les frais des prestations d'aide ou de services non médicaux sont pris en charge à la demande de l'usager ou de son représentant.
La demande, y compris la constatation de la gravité et de la durée de l'autonomie réduite en vertu de l'article 9, est introduite auprès de la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié, conformément à l'article 4. Le gouvernement détermine les prescriptions auxquelles la demande doit répondre. "
" Les frais des prestations d'aide ou de services non médicaux sont pris en charge à la demande de l'usager ou de son représentant.
La demande, y compris la constatation de la gravité et de la durée de l'autonomie réduite en vertu de l'article 9, est introduite auprès de la caisse d'assurance soins à laquelle l'usager est affilié, conformément à l'article 4. Le gouvernement détermine les prescriptions auxquelles la demande doit répondre. "
Art. 44. In artikel 8 van hetzelfde decreet wordt § 2 vervangen door wat volgt :
" § 2. De zorgkas stelt het bedrag van de tenlastenemingen vast op basis van de ernst en de duur van het verminderde zelfzorgvermogen of op basis van de zorgvorm. De regering bepaalt de referentiebedragen. "
" § 2. De zorgkas stelt het bedrag van de tenlastenemingen vast op basis van de ernst en de duur van het verminderde zelfzorgvermogen of op basis van de zorgvorm. De regering bepaalt de referentiebedragen. "
Art. 44. A l'article 8 du même décret, le § 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. La caisse d'assurance soins calcule le montant des prises en charge en fonction de la gravité et de la durée de l'autonomie réduite de l'usager ou sur la base du type de soins. Le Gouvernement fixe les montants de référence. "
" § 2. La caisse d'assurance soins calcule le montant des prises en charge en fonction de la gravité et de la durée de l'autonomie réduite de l'usager ou sur la base du type de soins. Le Gouvernement fixe les montants de référence. "
Art. 45. In artikel 9, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt de volgende wijziging aangebracht : tussen de woorden " gemachtigde " en " voorzieningen " wordt het woord " organisaties, " ingevoegd.
Art. 45. A l'article 9, premier alinéa du même décret, la modification suivante est apportée : le mot " les organisations " est inséré entre les mots " les structures " et " les prestataires de soins professionnels ".
Art. 46. In artikel 10, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden " van de maand die volgt " vervangen door de woorden " van de derde maand die volgt ".
Art. 46. A l'article 10, premier alinéa du même décret, les mots " du mois qui suit " sont remplacés par les mots " du troisième mois qui suit ".
Art. 47. In artikel 10 van hetzelfde decreet wordt § 2 vervangen door wat volgt :
" § 2. De tenlastenemingen worden door de zorgkas uitgevoerd. De regering bepaalt de voorwaarden en de wijze waarop. ".
" § 2. De tenlastenemingen worden door de zorgkas uitgevoerd. De regering bepaalt de voorwaarden en de wijze waarop. ".
Art. 47. A l'article 10 du même décret, le § 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Les prises en charge sont exécutées par la caisse d'assurance soins. Le Gouvernement en fixe les conditions et le mode. "
" § 2. Les prises en charge sont exécutées par la caisse d'assurance soins. Le Gouvernement en fixe les conditions et le mode. "
HOOFDSTUK XIII. - Gemeentefonds.
CHAPITRE XIII. - Fonds flamand des Communes.
Art. 48. Artikel 21 van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds wordt opgeheven.
Art. 48. L'article 21 du décret du 5 juillet 2002 réglant la dotation et la répartition du Fonds flamand des Communes, est abrogé.
Art. 49. Artikel 22 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een § 7, luidend als volgt :
" § 7. Het vierde kwartaalvoorschot wordt, in afwijking van artikel 13, in 2003 berekend op de dotatie van 2003, verminderd met 131 miljoen euro. In 2004 wordt het vierde kwartaalvoorschot berekend op de dotatie van het voorgaande jaar verminderd met 104,8 miljoen euro, in 2005 bedraagt de vermindering 78,6 miljoen euro, in 2006 52,4 miljoen euro en in 2007 26,2 miljoen euro. Het saldo wordt samen met het eerste kwartaalvoorschot van het volgende jaar uitbetaald. "
" § 7. Het vierde kwartaalvoorschot wordt, in afwijking van artikel 13, in 2003 berekend op de dotatie van 2003, verminderd met 131 miljoen euro. In 2004 wordt het vierde kwartaalvoorschot berekend op de dotatie van het voorgaande jaar verminderd met 104,8 miljoen euro, in 2005 bedraagt de vermindering 78,6 miljoen euro, in 2006 52,4 miljoen euro en in 2007 26,2 miljoen euro. Het saldo wordt samen met het eerste kwartaalvoorschot van het volgende jaar uitbetaald. "
Art. 49. L'article 22 du même décret est complété par un § 7, libellé comme suit :
" § 7. En 2003, la quatrième avance trimestrielle est calculée, en dérogation à l'article 13, sur la dotation de 2003, diminuée de 131 millions euros. En 2004, la quatrième avance trimestrielle est calculée sur la dotation de l'année précédente diminuée de 104,8 millions euros, en 2005 la diminution s'élevant à 78,6 millions euros, en 2006 à 52,4 millions euros et en 2007 a 26,2 millions euros. Le solde est payé conjointement avec la première avance trimestrielle de l'année suivante. "
" § 7. En 2003, la quatrième avance trimestrielle est calculée, en dérogation à l'article 13, sur la dotation de 2003, diminuée de 131 millions euros. En 2004, la quatrième avance trimestrielle est calculée sur la dotation de l'année précédente diminuée de 104,8 millions euros, en 2005 la diminution s'élevant à 78,6 millions euros, en 2006 à 52,4 millions euros et en 2007 a 26,2 millions euros. Le solde est payé conjointement avec la première avance trimestrielle de l'année suivante. "
HOOFDSTUK XIV. - Monumenten en Landschappen.
CHAPITRE XIV. - Monuments et Sites.
Art. 50. Het saldo van 15 723,86 euro voor de afrekening van het onderzoeksproject over de Vlaamse orgels, wordt vastgelegd en integraal uitbetaald aan Musica VZW.
Art. 50. Le solde de 15 723,86 euros pour le décompte du projet d'examen des orgues flamandes est engagé et intégralement payé à la " MUSICA VZW ".
Art. 51. Het saldo van de toegekende restauratiepremie voor de restauratiewerkzaamheden aan de crypte van het Ijzertorencomplex te Diksmuide (Kaaskerke), fase 3, die in hun geheel geraamd werden op 17 493 530 BEF (433 653 euro), wordt verminderd en uitbetaald tot een bedrag van 94 989 euro (3 831 928 BEF), zijnde 59 369 euro (2 394 956 BEF) voor het Vlaamse Gewest, 17 810 euro (718 486 BEF) voor de provincie West-Vlaanderen en 17 810 euro (718 486 BEF) voor de stad Diksmuide.
Art. 51. Le solde de la prime de restauration accordée pour les travaux de restauration à la crypte du complexe " Yzertoren " à Dixmude (Kaaskerke), phase 3, estimés en leur totalité à 17 493 530 BEF (433 653 euros), est diminué et payé jusqu'à un montant de 94 989 euros (3 831 928 BEF), étant 59 369 euros (2 934 956 BEF) pour la Région flamande, 17 810 euros (718 486 BEF) pour la province de Flandre occidentale et 17 810 euros (718 486 BEF) pour la ville de Dixmude.
HOOFDSTUK XV. - Financiën.
CHAPITRE XV. - Finances.
Afdeling 1. - Gimvindus.
Section 1. - Gimvindus.
Art. 52. In artikel 74, § 1, van het decreet van 20 december 1996 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1997, gewijzigd bij het decreet van 22 december 2000, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
" Aan het Fonds voor economische impulsprogramma's worden de volgende inkomsten toegewezen :
1° de inkomsten die voortvloeien uit de beursgang van de investeringsmaatschappijen, bedoeld in artikel 10, § 1, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de Vlaamse investeringsmaatschappijen, gewijzigd bij de decreten van 20 december 1996 en van 6 juli 2001, met uitzondering van de inkomsten uit de verkoop van aandelen in de GIMV door de Vlaamse Participatiemaatschappij in het kader van artikel 2, derde lid, van het vermelde decreet van 13 juli 1994, ingevoegd bij het decreet van 17 juli 2000;
2° de inkomsten uit kapitaalsverminderingen van Gimvindus, met uitzondering van de aandelen of vorderingen die door Gimvindus bij wijze van kapitaalsvermindering aan het Vlaamse Gewest worden overgedragen ter uitvoering van artikel 3, § 3, van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot herstructurering van Gimvindus voorzover het Vlaamse Gewest die aandelen of vorderingen inbrengt in de Participatiemaatschappij Vlaanderen;
3° de inkomsten uit de vereffening van Gimvindus. ".
" Aan het Fonds voor economische impulsprogramma's worden de volgende inkomsten toegewezen :
1° de inkomsten die voortvloeien uit de beursgang van de investeringsmaatschappijen, bedoeld in artikel 10, § 1, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de Vlaamse investeringsmaatschappijen, gewijzigd bij de decreten van 20 december 1996 en van 6 juli 2001, met uitzondering van de inkomsten uit de verkoop van aandelen in de GIMV door de Vlaamse Participatiemaatschappij in het kader van artikel 2, derde lid, van het vermelde decreet van 13 juli 1994, ingevoegd bij het decreet van 17 juli 2000;
2° de inkomsten uit kapitaalsverminderingen van Gimvindus, met uitzondering van de aandelen of vorderingen die door Gimvindus bij wijze van kapitaalsvermindering aan het Vlaamse Gewest worden overgedragen ter uitvoering van artikel 3, § 3, van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot herstructurering van Gimvindus voorzover het Vlaamse Gewest die aandelen of vorderingen inbrengt in de Participatiemaatschappij Vlaanderen;
3° de inkomsten uit de vereffening van Gimvindus. ".
Art. 52. A l'article 74, §1 du décret du 20 décembre 1996 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1997, modifié par le décret du 22 décembre 2000, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" Les recettes suivantes sont attribuées au " Fonds voor economische impulsprogramma's " :
1° les recettes résultant des activités boursieres des sociétés d'investissement publiques, telles que visées à l'article 10, § 1, du décret du 13 juillet 1994 relatif aux sociétés flamandes d'investissement, modifié par les décrets des 20 décembre 1996 et 6 juillet 2001, à l'exception de la vente des parts dans le GIMV par la " Vlaamse Participatiemaatschappij ", telle que prévue à l'article 2, troisième alinéa du décret susvisé du 13 juillet 1994, insére par le décret du 17 juillet 2000;
2° les recettes resultant de réductions du capital de Gimvindus, à l'exception des parts ou créances transférés par Gimvindus à la Région flamande, à titre de reduction de son capital, en exécution de l'article 3, § 3 du décret du 6 juillet 2001 portant des dispositions de restructuration de la sa Gimvindus, dans la mesure où la Région flamande apporte ces parts ou créances dans la " Participatiemaatschappij Vlaanderen ";
3° les recettes résultant de la liquidation de Gimvindus. ".
" Les recettes suivantes sont attribuées au " Fonds voor economische impulsprogramma's " :
1° les recettes résultant des activités boursieres des sociétés d'investissement publiques, telles que visées à l'article 10, § 1, du décret du 13 juillet 1994 relatif aux sociétés flamandes d'investissement, modifié par les décrets des 20 décembre 1996 et 6 juillet 2001, à l'exception de la vente des parts dans le GIMV par la " Vlaamse Participatiemaatschappij ", telle que prévue à l'article 2, troisième alinéa du décret susvisé du 13 juillet 1994, insére par le décret du 17 juillet 2000;
2° les recettes resultant de réductions du capital de Gimvindus, à l'exception des parts ou créances transférés par Gimvindus à la Région flamande, à titre de reduction de son capital, en exécution de l'article 3, § 3 du décret du 6 juillet 2001 portant des dispositions de restructuration de la sa Gimvindus, dans la mesure où la Région flamande apporte ces parts ou créances dans la " Participatiemaatschappij Vlaanderen ";
3° les recettes résultant de la liquidation de Gimvindus. ".
Art. 53. In artikel 74 van het decreet van 20 december 1996 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1997, gewijzigd bij het decreet van 22 december 2000, wordt § 2 vervangen door wat volgt :
" § 2. De Vlaamse regering beschikt over de kredieten van het Fonds voor economische impulsprogramma's voor :
1. de versteviging van het economisch ondersteuningsbeleid;
2. de cofinanciering van EFRO-projecten. "
" § 2. De Vlaamse regering beschikt over de kredieten van het Fonds voor economische impulsprogramma's voor :
1. de versteviging van het economisch ondersteuningsbeleid;
2. de cofinanciering van EFRO-projecten. "
Art. 53. A l'article 74 du décret du 20 décembre 1996 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1997, modifié par le décret du 22 décembre 2000, le § 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Le Gouvernement flamand dispose des crédits du " Fonds voor economische impulsprogramma's " pour :
1. le renforcement de la politique d'aide économique;
2. le cofinancement des projets FEDER. "
" § 2. Le Gouvernement flamand dispose des crédits du " Fonds voor economische impulsprogramma's " pour :
1. le renforcement de la politique d'aide économique;
2. le cofinancement des projets FEDER. "
Afdeling 2. - Onroerende voorheffing.
Section 2. - Précompte immobilier.
Art. 54. Aan artikel 253, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de wet van 22 december 1998 en aangevuld door het decreet van 18 mei 1999, worden voor het Vlaamse Gewest een 7° en 8° toegevoegd, die luiden als volgt :
" 7° van de onroerende goederen met een maximale vloeroppervlakte van 15 aren waarvan minstens 50 % wordt gebruikt voor het uitoefenen van een kleinhandel of voor het bedrijf van een ambachtsman die rechtstreeks in contact staat met het publiek en, op grond van een geldige stedenbouwkundige vergunning, verbouwd worden tot een woning bestemd voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande;
8° van de onroerende goederen die aanleiding geven tot een verhoogd kadastraal inkomen ingevolge de uitvoering van renovatiewerkzaamheden in de zin van artikel 24, 4°, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996. "
" 7° van de onroerende goederen met een maximale vloeroppervlakte van 15 aren waarvan minstens 50 % wordt gebruikt voor het uitoefenen van een kleinhandel of voor het bedrijf van een ambachtsman die rechtstreeks in contact staat met het publiek en, op grond van een geldige stedenbouwkundige vergunning, verbouwd worden tot een woning bestemd voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande;
8° van de onroerende goederen die aanleiding geven tot een verhoogd kadastraal inkomen ingevolge de uitvoering van renovatiewerkzaamheden in de zin van artikel 24, 4°, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996. "
Art. 54. A l'article 253, premier alinéa du Code des impôts sur les Revenus 1992, modifié par la loi du 22 décembre 1998 et complete par le décret du 18 mai 1999, il est ajouté, pour la Région flamande, un 7° et un 8° rédigés comme suit :
" 7° des biens immobiliers ayant une superficie du sol maximale de 15 ares, dont 50 % au moins sont affectés à un commerce de détail ou à l'activité d'un artisan en contact direct avec le public et qui, sur la base d'un permis d'urbanisme valable, sont transformés en une habitation destinée au logement d'une famille ou d'une personne isolée;
8° des biens immobiliers donnant lieu à un revenu cadastral majoré à la suite de l'exécution de travaux de rénovation au sens de l'article 24, 4° du décret du 22 décembre 1995 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1996. "
" 7° des biens immobiliers ayant une superficie du sol maximale de 15 ares, dont 50 % au moins sont affectés à un commerce de détail ou à l'activité d'un artisan en contact direct avec le public et qui, sur la base d'un permis d'urbanisme valable, sont transformés en une habitation destinée au logement d'une famille ou d'une personne isolée;
8° des biens immobiliers donnant lieu à un revenu cadastral majoré à la suite de l'exécution de travaux de rénovation au sens de l'article 24, 4° du décret du 22 décembre 1995 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1996. "
Art. 55. Het artikel 253 van hetzelfde Wetboek wordt voor wat het Vlaamse Gewest betreft aangevuld als volgt :
" Komen voor toepassing van het eerste lid, 8°, in aanmerking de onroerende goederen die opgenomen zijn in de inventaris van de verwaarloosde gebouwen en/of woningen of van de ongeschikte en/of onbewoonbare woningen met toepassing van hoofdstuk VIII, afdeling 2, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996.
De in het eerste lid, 7° en 8°, bedoelde vrijstellingen worden slechts verleend op aanvraag van de belanghebbende, kunnen niet worden samengevoegd en zijn overdraagbaar op de rechtsopvolger. De Vlaamse regering bepaalt de modaliteiten waaronder deze vrijstellingen dienen te worden aangevraagd.
De in het eerste lid, 7°, bedoelde vrijstelling wordt verleend voor een periode van drie jaar, te rekenen vanaf het aanslagjaar volgend op het jaar van effectieve bewoning zoals blijkt uit de inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister.
De in het eerste lid, 8°, bedoelde vrijstelling wordt slechts verleend voor het gedeelte dat het vóór de aanvang van de renovatiewerkzaamheden vastgesteld kadastraal inkomen overschrijdt. De vrijstelling geldt voor een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf het aanslagjaar waarin het verhoogd kadastraal inkomen als grondslag van de onroerende voorheffing dient. "
" Komen voor toepassing van het eerste lid, 8°, in aanmerking de onroerende goederen die opgenomen zijn in de inventaris van de verwaarloosde gebouwen en/of woningen of van de ongeschikte en/of onbewoonbare woningen met toepassing van hoofdstuk VIII, afdeling 2, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996.
De in het eerste lid, 7° en 8°, bedoelde vrijstellingen worden slechts verleend op aanvraag van de belanghebbende, kunnen niet worden samengevoegd en zijn overdraagbaar op de rechtsopvolger. De Vlaamse regering bepaalt de modaliteiten waaronder deze vrijstellingen dienen te worden aangevraagd.
De in het eerste lid, 7°, bedoelde vrijstelling wordt verleend voor een periode van drie jaar, te rekenen vanaf het aanslagjaar volgend op het jaar van effectieve bewoning zoals blijkt uit de inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister.
De in het eerste lid, 8°, bedoelde vrijstelling wordt slechts verleend voor het gedeelte dat het vóór de aanvang van de renovatiewerkzaamheden vastgesteld kadastraal inkomen overschrijdt. De vrijstelling geldt voor een periode van vijf jaar, te rekenen vanaf het aanslagjaar waarin het verhoogd kadastraal inkomen als grondslag van de onroerende voorheffing dient. "
Art. 55. L'article 253 du même Code est complété comme suit, en ce qui concerne la Région flamande :
" Entrent en considération pour l'application du premier alinéa, 8° les biens immobiliers repris dans l'inventaire des bâtiments et/ou habitations laissés à l'abandon ou des habitations inadaptés et/ou inhabitables en application du chapitre VIII, section 2 du décret du 22 décembre 1995 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1996.
Les exemptions visées au premier alinéa, 7° et 8° ne sont accordées qu'à la demande de l'intéressé, ne peuvent être cumulées et sont transférables au successeur en droit. Le Gouvernement flamand fixe les modalités de la demande de ces exonérations.
L'exemption visée au premier alinéa, 7° est accordée pour une période de trois ans, a compter de l'exercice d'imposition suivant l'année d'occupation effective tel qu'il apparaît de l'inscription au registre de la population ou des étrangers.
L'exemption visée au premier alinéa, 8° n'est accordée que pour la part qui dépasse le revenu cadastral établi avant le début des travaux de rénovation. L'exemption est accordée pour une période de cinq ans, à compter de l'exercice d'imposition pour lequel le revenu cadastral majoré sert de base au précompte immobilier. "
" Entrent en considération pour l'application du premier alinéa, 8° les biens immobiliers repris dans l'inventaire des bâtiments et/ou habitations laissés à l'abandon ou des habitations inadaptés et/ou inhabitables en application du chapitre VIII, section 2 du décret du 22 décembre 1995 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 1996.
Les exemptions visées au premier alinéa, 7° et 8° ne sont accordées qu'à la demande de l'intéressé, ne peuvent être cumulées et sont transférables au successeur en droit. Le Gouvernement flamand fixe les modalités de la demande de ces exonérations.
L'exemption visée au premier alinéa, 7° est accordée pour une période de trois ans, a compter de l'exercice d'imposition suivant l'année d'occupation effective tel qu'il apparaît de l'inscription au registre de la population ou des étrangers.
L'exemption visée au premier alinéa, 8° n'est accordée que pour la part qui dépasse le revenu cadastral établi avant le début des travaux de rénovation. L'exemption est accordée pour une période de cinq ans, à compter de l'exercice d'imposition pour lequel le revenu cadastral majoré sert de base au précompte immobilier. "
Art. 56. Artikel 253, eerste lid, 4°, van hetzelfde Wetboek, zoals dat voor het Vlaamse Gewest werd ingevoegd bij het decreet van 18 mei 1999, wordt vernummerd tot artikel 253, eerste lid, 6°, van dat Wetboek.
Art. 56. L'article 253, premier alinéa, 4° du même Code, tel qu'inséré pour la Région flamande par le décret du 18 mai 1999, est renuméroté 253, premier alinéa, 6° de ce Code.
Afdeling 3. - Successierechten.
Section 3. - Droits de succession.
Art. 57. Artikel 50 van het Wetboek der successierechten, vervangen bij decreet van 21 december 2001, wordt aangevuld met het volgende lid :
" Een verkrijging tussen personen waartussen een relatie van zorgouder en zorgkind bestaat of heeft bestaan wordt gelijkgesteld met een verkrijging in de rechte lijn. Voor de toepassing van deze bepaling wordt zulk een relatie geacht te bestaan of te hebben bestaan wanneer iemand, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren bij een andere persoon heeft ingewoond en gedurende die tijd hoofdzakelijk van die andere persoon of van deze en zijn levenspartner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen. De inschrijving van het zorgkind in het bevolkings- of het vreemdelingenregister op het adres van de zorgouder geldt als weerlegbaar vermoeden van inwoning bij de zorgouder. "
" Een verkrijging tussen personen waartussen een relatie van zorgouder en zorgkind bestaat of heeft bestaan wordt gelijkgesteld met een verkrijging in de rechte lijn. Voor de toepassing van deze bepaling wordt zulk een relatie geacht te bestaan of te hebben bestaan wanneer iemand, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren bij een andere persoon heeft ingewoond en gedurende die tijd hoofdzakelijk van die andere persoon of van deze en zijn levenspartner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen. De inschrijving van het zorgkind in het bevolkings- of het vreemdelingenregister op het adres van de zorgouder geldt als weerlegbaar vermoeden van inwoning bij de zorgouder. "
Art. 57. L'article 50 du Code des Droits de Successions, remplacé par le décret du 21 décembre 2001, est complété par l'alinéa suivant :
" Une obtention entre des personnes ayant ou ayant eu une relation de parent et d'enfant non biologique est assimilée à une obtention en ligne directe. Au sens de la présente disposition, une telle relation est censée exister ou avoir existé lorsque quelqu'un, avant l'âge de vingt et un ans, a cohabité pendant trois années consécutives avec une autre personne, et a reçu de cette personne ou de cette personne et de son conjoint les secours et les soins que les enfants reçoivent normalement de leurs parents. L'inscription de l'enfant non biologique dans le registre de la population ou des étrangers, à l'adresse du parent non biologique constitue une présomption réfutable de cohabitation avec le parent non biologique. "
" Une obtention entre des personnes ayant ou ayant eu une relation de parent et d'enfant non biologique est assimilée à une obtention en ligne directe. Au sens de la présente disposition, une telle relation est censée exister ou avoir existé lorsque quelqu'un, avant l'âge de vingt et un ans, a cohabité pendant trois années consécutives avec une autre personne, et a reçu de cette personne ou de cette personne et de son conjoint les secours et les soins que les enfants reçoivent normalement de leurs parents. L'inscription de l'enfant non biologique dans le registre de la population ou des étrangers, à l'adresse du parent non biologique constitue une présomption réfutable de cohabitation avec le parent non biologique. "
Art. 58. In artikel 522 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 1989, wordt het 3° van het tweede lid vervangen als volgt :
" 3° wanneer het adoptief kind, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren hoofdzakelijk van de adoptant, of van deze en zijn levenspartner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen; ".
" 3° wanneer het adoptief kind, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren hoofdzakelijk van de adoptant, of van deze en zijn levenspartner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen; ".
Art. 58. A l'article 522 du même Code, remplacé par la loi du 22 décembre 1989, le 3° du deuxième alinéa est remplacé comme suit :
" 3° lorsque l'enfant adoptif a, avant d'avoir atteint l'âge de vingt et un ans et pendant trois années consécutives, reçu essentiellement de l'adoptant ou de l'adoptant et de son conjoint, les secours et les soins que les enfants reçoivent normalement de leurs parents. "
" 3° lorsque l'enfant adoptif a, avant d'avoir atteint l'âge de vingt et un ans et pendant trois années consécutives, reçu essentiellement de l'adoptant ou de l'adoptant et de son conjoint, les secours et les soins que les enfants reçoivent normalement de leurs parents. "
Art. 59. In hetzelfde Wetboek wordt de verdeling van Hoofdstuk VII van het Eerste Boek in een " Afdeling I. - Vrijstellingen " en in een " Afdeling II. - Verminderingen ", opgeheven.
Art. 59. Dans le même Code, la subdivision du Chapitre VII du Livre I en une " Section I. - Exemptions " et une " Section II. - Réductions " est abrogée.
Art. 60. Artikel 54 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij het decreet van 20 december 1996, wordt hersteld in de volgende lezing :
" Artikel 54. Hetgeen verkregen wordt door een gehandicapte persoon wordt aan de voet van het toepasselijk tarief van het recht van successie of van het recht van overgang bij overlijden vrijgesteld tot beloop van de som bekomen door toepassing van de volgende formule :
(3 000 euro) x (cijfer aangeduid in artikel 21, V, volgens de leeftijd van de verkrijger) wanneer de verkrijging onderworpen is aan het tarief " in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden " van tabel I van artikel 48;
(1 000 euro) x (cijfer aangeduid in artikel 21, V, volgens de leeftijd van de verkrijger) wanneer de verkrijging onderworpen is aan het tarief " tussen andere personen dan in rechte lijn, echtgenoten en samenwonenden " van tabel II van artikel 48.
Onder " gehandicapte persoon " wordt verstaan een persoon die overeenkomstig artikel 135 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 als gehandicapt wordt aangemerkt.
In geval een verkrijger als bedoeld in het eerste lid onderworpen is aan het tarief " in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden " van tabel I van artikel 48, wordt het bedrag van de vrijstelling eerst toegerekend op zijn netto-onroerend aandeel en bij uitputting van dat aandeel vervolgens op zijn netto-roerend aandeel.
In geval een verkrijger als bedoeld in het eerste lid samen met anderen onderworpen is aan het tarief " tussen andere personen dan in rechte lijn, echtgenoten en samenwonenden " van tabel II van artikel 48, wordt, in afwijking van artikel 48, de belasting in hoofde van de gehandicapte persoon berekend alsof hij als enige voor zijn netto-aandeel tot de nalatenschap komt. In hoofde van de andere verkrijgers wordt overeenkomstig artikel 48 de belasting berekend alsof de gehandicapte persoon die hoedanigheid niet heeft.
Het recht op de vrijstelling moet bewezen worden door middel van een attest of een verklaring uitgaande van een instelling of dienst die in het kader van de toepassing van artikel 135 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 bevoegd is om de toestand als gehandicapte vast te stellen. Het attest of de verklaring wordt bij de aangifte gevoegd of aan het bevoegde kantoor overgemaakt voordat de rechten opeisbaar zijn. Is het attest niet bij de aangifte gevoegd of niet-tijdig op het bevoegde kantoor toegekomen dan worden de rechten berekend zonder toepassing van de vrijstelling, behoudens teruggave overeenkomstig het bepaalde in artikel 135, 9°, van dit Wetboek. "
" Artikel 54. Hetgeen verkregen wordt door een gehandicapte persoon wordt aan de voet van het toepasselijk tarief van het recht van successie of van het recht van overgang bij overlijden vrijgesteld tot beloop van de som bekomen door toepassing van de volgende formule :
(3 000 euro) x (cijfer aangeduid in artikel 21, V, volgens de leeftijd van de verkrijger) wanneer de verkrijging onderworpen is aan het tarief " in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden " van tabel I van artikel 48;
(1 000 euro) x (cijfer aangeduid in artikel 21, V, volgens de leeftijd van de verkrijger) wanneer de verkrijging onderworpen is aan het tarief " tussen andere personen dan in rechte lijn, echtgenoten en samenwonenden " van tabel II van artikel 48.
Onder " gehandicapte persoon " wordt verstaan een persoon die overeenkomstig artikel 135 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 als gehandicapt wordt aangemerkt.
In geval een verkrijger als bedoeld in het eerste lid onderworpen is aan het tarief " in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden " van tabel I van artikel 48, wordt het bedrag van de vrijstelling eerst toegerekend op zijn netto-onroerend aandeel en bij uitputting van dat aandeel vervolgens op zijn netto-roerend aandeel.
In geval een verkrijger als bedoeld in het eerste lid samen met anderen onderworpen is aan het tarief " tussen andere personen dan in rechte lijn, echtgenoten en samenwonenden " van tabel II van artikel 48, wordt, in afwijking van artikel 48, de belasting in hoofde van de gehandicapte persoon berekend alsof hij als enige voor zijn netto-aandeel tot de nalatenschap komt. In hoofde van de andere verkrijgers wordt overeenkomstig artikel 48 de belasting berekend alsof de gehandicapte persoon die hoedanigheid niet heeft.
Het recht op de vrijstelling moet bewezen worden door middel van een attest of een verklaring uitgaande van een instelling of dienst die in het kader van de toepassing van artikel 135 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 bevoegd is om de toestand als gehandicapte vast te stellen. Het attest of de verklaring wordt bij de aangifte gevoegd of aan het bevoegde kantoor overgemaakt voordat de rechten opeisbaar zijn. Is het attest niet bij de aangifte gevoegd of niet-tijdig op het bevoegde kantoor toegekomen dan worden de rechten berekend zonder toepassing van de vrijstelling, behoudens teruggave overeenkomstig het bepaalde in artikel 135, 9°, van dit Wetboek. "
Art. 60. L'article 54 du même Code, abrogé par le décret du 20 décembre 1996, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Article 54. Ce qui est recueilli par une personne handicapée est exempt, au taux du tarif applicable du droit de succession ou du droit de mutation par décès, à concurrence du montant obtenu par l'application de la formule suivante :
(3 000 euros) x (chiffre indiqué à l'article 21, V, selon l'âge du bénéficiaire) lorsque l'obtention est soumise au tarif " en ligne directe, entre époux et entre cohabitants " du tableau I de l'article 48;
(3 000 euros) x (chiffre indiqué à l'article 21, V, selon l'âge du bénéficiaire) lorsque l'obtention est soumise au tarif " entre les personnes autres que les descendants en ligne directe, les époux et les cohabitants " du tableau II de l'article 48.
Par " personne handicapée " on entend toute personne considérée comme handicapée conformément à l'article 135 du Code des Impôts sur les Revenus 1992.
Au cas où un bénéficiaire tel que visé au premier alinéa est soumis au tarif " en ligne directe, entre époux et entre cohabitants " du tableau I de l'article 48, le montant de l'exemption est d'abord appliqué à sa part nette des biens immeubles et, apres épuisement de cette part, à sa part nette des meubles et effets.
Au cas où un bénéficiaire tel que visé au premier alinéa est soumis, avec d'autres personnes, au tarif " entre les personnes autres que les descendants en ligne directe, les époux et les cohabitants " du tableau II de l'article 48, l'impôt dans le chef de la personne handicapée est calculé, par dérogation à l'article 48, comme si elle était la seule personne à qui revient sa part nette de la succession. L'impôt dans le chef des autres bénéficiaires est calculé conformément à l'article 48, comme si la personne handicapée n'avait pas cette qualité.
Le droit à l'exemption doit être prouvé au moyen d'une attestation ou d'une déclaration émanant d'une institution ou d'un service qui, dans le cadre de l'application de l'article 135 du Code des Impôts sur les Revenus 1992, est chargé d'établir la situation de la personne handicapée. L'attestation ou la déclaration est jointe a la declaration ou transmise au bureau compétent avant que les droits ne soient exigibles. Si l'attestation n'est pas jointe à la déclaration ou n'a pas été transmise à temps au bureau compétent, les droits sont calculés sans application de l'exemption, sauf restitution conformément aux dispositions de l'article 135, 9° de ce Code. "
" Article 54. Ce qui est recueilli par une personne handicapée est exempt, au taux du tarif applicable du droit de succession ou du droit de mutation par décès, à concurrence du montant obtenu par l'application de la formule suivante :
(3 000 euros) x (chiffre indiqué à l'article 21, V, selon l'âge du bénéficiaire) lorsque l'obtention est soumise au tarif " en ligne directe, entre époux et entre cohabitants " du tableau I de l'article 48;
(3 000 euros) x (chiffre indiqué à l'article 21, V, selon l'âge du bénéficiaire) lorsque l'obtention est soumise au tarif " entre les personnes autres que les descendants en ligne directe, les époux et les cohabitants " du tableau II de l'article 48.
Par " personne handicapée " on entend toute personne considérée comme handicapée conformément à l'article 135 du Code des Impôts sur les Revenus 1992.
Au cas où un bénéficiaire tel que visé au premier alinéa est soumis au tarif " en ligne directe, entre époux et entre cohabitants " du tableau I de l'article 48, le montant de l'exemption est d'abord appliqué à sa part nette des biens immeubles et, apres épuisement de cette part, à sa part nette des meubles et effets.
Au cas où un bénéficiaire tel que visé au premier alinéa est soumis, avec d'autres personnes, au tarif " entre les personnes autres que les descendants en ligne directe, les époux et les cohabitants " du tableau II de l'article 48, l'impôt dans le chef de la personne handicapée est calculé, par dérogation à l'article 48, comme si elle était la seule personne à qui revient sa part nette de la succession. L'impôt dans le chef des autres bénéficiaires est calculé conformément à l'article 48, comme si la personne handicapée n'avait pas cette qualité.
Le droit à l'exemption doit être prouvé au moyen d'une attestation ou d'une déclaration émanant d'une institution ou d'un service qui, dans le cadre de l'application de l'article 135 du Code des Impôts sur les Revenus 1992, est chargé d'établir la situation de la personne handicapée. L'attestation ou la déclaration est jointe a la declaration ou transmise au bureau compétent avant que les droits ne soient exigibles. Si l'attestation n'est pas jointe à la déclaration ou n'a pas été transmise à temps au bureau compétent, les droits sont calculés sans application de l'exemption, sauf restitution conformément aux dispositions de l'article 135, 9° de ce Code. "
Art. 61. In artikel 56 van hetzelfde wetboek wordt na het derde lid het volgende lid ingevoegd :
" Voor de bepaling van de netto-verkrijging zoals bedoeld in de vorige alinea's, wordt geen rekening gehouden met de vrijstelling zoals bedoeld in artikel 54. Het bedrag van de vermindering kan in voorkomend geval niet meer bedragen dan de rechten verschuldigd na toekenning van de vrijstelling van artikel 54. "
" Voor de bepaling van de netto-verkrijging zoals bedoeld in de vorige alinea's, wordt geen rekening gehouden met de vrijstelling zoals bedoeld in artikel 54. Het bedrag van de vermindering kan in voorkomend geval niet meer bedragen dan de rechten verschuldigd na toekenning van de vrijstelling van artikel 54. "
Art. 61. A l'article 56 du même code il est inséré l'alinéa suivant après le troisième alinéa :
" Pour la fixation de l'exemption nette telle que visée aux alinéas précédents, il n'est pas tenu compte de l'exemption visée à l'article 54. Le cas échéant, le montant de l'exemption ne peut excéder le montant des droits dus après l'exemption de l'article 54. "
" Pour la fixation de l'exemption nette telle que visée aux alinéas précédents, il n'est pas tenu compte de l'exemption visée à l'article 54. Le cas échéant, le montant de l'exemption ne peut excéder le montant des droits dus après l'exemption de l'article 54. "
Art. 62. Artikel 135, enig lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het decreet van 20 december 1996, wordt aangevuld als volgt :
" 9° wanneer het voor de toepassing van de in artikel 54 bepaalde vrijstelling vereiste attest wordt neergelegd bij de ontvanger binnen 2 jaar na betaling van de belasting. "
" 9° wanneer het voor de toepassing van de in artikel 54 bepaalde vrijstelling vereiste attest wordt neergelegd bij de ontvanger binnen 2 jaar na betaling van de belasting. "
Art. 62. L'article 135, alinéa unique, du même Code, modifié par le décret du 20 décembre 1996, est complété comme suit :
" 9° lorsque l'attestation requise pour l'application de l'exemption fixée à l'article 54 est déposée devant le receveur dans les deux ans du paiement de l'impôt. "
" 9° lorsque l'attestation requise pour l'application de l'exemption fixée à l'article 54 est déposée devant le receveur dans les deux ans du paiement de l'impôt. "
Afdeling 4. - Schenking bouwgronden.
Section 4. - Donation de terrains à bâtir.
Art. 63. In titel I, hoofdstuk IV, afdeling XII, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten wordt een onderafdeling III ingevoegd, luidende :
" Onderafdeling III. - Bijzondere tijdelijke bepalingen voor schenkingen van percelen grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd zijn voor woningbouw
Artikel 140nonies. In afwijking van artikel 131 wordt voor schenkingen onder de levenden van een perceel grond dat volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw, waarvan de akte verleden wordt in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2005, over het bruto-aandeel van een natuurlijk persoon in de geschonken bouwgrond, een evenredig recht geheven dat als volgt wordt bepaald :
a) voor schenkingen in rechte lijn en tussen echtgenoten volgens het tarief bepaald in onderstaande tabel waarin wordt vermeld :
onder a : het percentage dat toepasselijk is op het overeenstemmend gedeelte;
onder b : het totale bedrag van de belasting over het voorgaand gedeelte.
Tabel.
" Onderafdeling III. - Bijzondere tijdelijke bepalingen voor schenkingen van percelen grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd zijn voor woningbouw
Artikel 140nonies. In afwijking van artikel 131 wordt voor schenkingen onder de levenden van een perceel grond dat volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw, waarvan de akte verleden wordt in de periode van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2005, over het bruto-aandeel van een natuurlijk persoon in de geschonken bouwgrond, een evenredig recht geheven dat als volgt wordt bepaald :
a) voor schenkingen in rechte lijn en tussen echtgenoten volgens het tarief bepaald in onderstaande tabel waarin wordt vermeld :
onder a : het percentage dat toepasselijk is op het overeenstemmend gedeelte;
onder b : het totale bedrag van de belasting over het voorgaand gedeelte.
Tabel.
Art. 63. Au titre I, chapitre IV, section XII du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, il est inséré une sous-section III libellée comme suit :
" Sous-section III. - Dispositions particulières temporaires pour les donations de parcelles de terrain destinées à la construction d'habitations selon les prescriptions d'urbanisme
Article 140nonies. Par dérogation à l'article 131, il est perçu, pour les donations entre vifs d'une parcelle de terrain destinée à la construction d'habitations selon les prescriptions d'urbanisme, dont l'acte est passé pendant la période du 1er janvier 2003 au 31 décembre 2005, un droit proportionnel sur l'émolument brut d'une personne physique, fixé comme suit :
a) pour les donations en ligne directe et entre époux d'après le tarif indiqué dans le tableau ci-après, qui mentionne :
sous la lettre a : le pourcentage applicable a la tranche correspondante;
sous la lettre b : le montant total de l'impôt sur la tranche précédente.
Tableau.
" Sous-section III. - Dispositions particulières temporaires pour les donations de parcelles de terrain destinées à la construction d'habitations selon les prescriptions d'urbanisme
Article 140nonies. Par dérogation à l'article 131, il est perçu, pour les donations entre vifs d'une parcelle de terrain destinée à la construction d'habitations selon les prescriptions d'urbanisme, dont l'acte est passé pendant la période du 1er janvier 2003 au 31 décembre 2005, un droit proportionnel sur l'émolument brut d'une personne physique, fixé comme suit :
a) pour les donations en ligne directe et entre époux d'après le tarif indiqué dans le tableau ci-après, qui mentionne :
sous la lettre a : le pourcentage applicable a la tranche correspondante;
sous la lettre b : le montant total de l'impôt sur la tranche précédente.
Tableau.
| Gedeelte van de schenking | Rechte lijn Tussen echtgenoten | ||||
| van | tot inbegrepen | a t.h. | b | ||
| EUR | EUR | ||||
| 0,01 | 12 500 | 1 | |||
| 12 500 | 25 000 | 2 | 125 | ||
| 25 000 | 50 000 | 3 | 375 | ||
| 50 000 | 100 000 | 5 | 1125 | ||
| 100 000 | 150 000 | 8 | 3625 | ||
| 150 000 | 200 000 | 14 | 7625 | ||
| 200 000 | 250 000 | 18 | 14625 | ||
| 250 000 | 500 000 | 24 | 23625 | ||
| Boven de 500 000 | 30 | 83625 |
Tussen echtgenotenvantot inbegrepena t.h.bEUREUR0,0112 500112 50025 000212525 00050 000337550 000100 00051125100 000150 00083625150 000200 000147625200 000250 0001814625250 000500 0002423625Boven de 500 0003083625
| Tranche de donation | Ligne directe Entre époux | ||||
| de | à inclus | a | b | ||
| EUR | EUR | pc | |||
| 0,01 | 12 500 | 1 | |||
| 12 500 | 25 000 | 2 | 125 | ||
| 25 000 | 50 000 | 3 | 375 | ||
| 50 000 | 100 000 | 5 | 1125 | ||
| 100 000 | 150 000 | 8 | 3625 | ||
| 150 000 | 200 000 | 14 | 7625 | ||
| 200 000 | 250 000 | 18 | 14625 | ||
| 250 000 | 500 000 | 24 | 23625 | ||
| Au-delà de 500 000 | 30 | 83625 |
Entre épouxdeà inclusabEUREURpc0,0112 500112 50025 000212525 00050 000337550 000100 00051125100 000150 00083625150 000200 000147625200 000250 0001814625250 000500 0002423625Au-delà de 500 0003083625
b) voor schenkingen aan andere personen dan in rechte lijn of de echtgenoot : volgens het tarief bepaald in tabel II van artikel 131 met dien verstande dat op het gedeelte van 0,01 euro tot 150.000 euro inbegrepen, een tarief van 10 th wordt geheven.
Artikel 140decies. Het in artikel 140nonies bepaalde evenredig recht is niet van toepassing op schenkingen die zijn gedaan onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt na het verstrijken van de in hetzelfde artikel bepaalde periode of die zijn gedaan onder een tijdsbepaling die verder reikt dan de in voornoemd artikel bepaalde periode.
Artikel 140undecies. _ Het in artikel 140nonies bepaalde bijzonder evenredig recht wordt alleen toegepast indien in de akte van schenking uitdrukkelijk wordt vermeld dat het perceel grond volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw. In geval van onjuiste verklaring betreffende de bestemming van de grond zijn de schenker en de begiftigde ondeelbaar gehouden tot betaling van de aanvullende rechten en van een boete gelijk aan die rechten.
Artikel 140duodecies. _ Indien in eenzelfde akte of in een andere akte van dezelfde datum naast de grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw ook nog andere goederen worden geschonken, dan wordt voor de toepassing van artikel 137 de schenking van de bouwgrond geacht vóór de schenking van de andere goederen geregistreerd of verplicht registreerbaar te zijn geworden. "
Artikel 140decies. Het in artikel 140nonies bepaalde evenredig recht is niet van toepassing op schenkingen die zijn gedaan onder een opschortende voorwaarde die vervuld wordt na het verstrijken van de in hetzelfde artikel bepaalde periode of die zijn gedaan onder een tijdsbepaling die verder reikt dan de in voornoemd artikel bepaalde periode.
Artikel 140undecies. _ Het in artikel 140nonies bepaalde bijzonder evenredig recht wordt alleen toegepast indien in de akte van schenking uitdrukkelijk wordt vermeld dat het perceel grond volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw. In geval van onjuiste verklaring betreffende de bestemming van de grond zijn de schenker en de begiftigde ondeelbaar gehouden tot betaling van de aanvullende rechten en van een boete gelijk aan die rechten.
Artikel 140duodecies. _ Indien in eenzelfde akte of in een andere akte van dezelfde datum naast de grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd is voor woningbouw ook nog andere goederen worden geschonken, dan wordt voor de toepassing van artikel 137 de schenking van de bouwgrond geacht vóór de schenking van de andere goederen geregistreerd of verplicht registreerbaar te zijn geworden. "
b) pour les donations entre personnes autres qu'en ligne directe ou entre époux : d'après le tarif indiqué dans le tableau II de l'article 131, étant entendu qu'un tarif de 10 pc est levé sur la tranche de 0,01 euro à 150 000 euros inclus.
Article 140decies. Le droit proportionnel fixé à l'article 140nonies n'est pas applicable aux donations faites sous une condition suspensive remplie après l'expiration de la période fixée dans le même article ou faites à un terme au-delà de la période fixée à l'article précité.
Article 140undecies. _ Le droit proportionnel particulier fixé à l'article 140nonies n'est appliqué si l'acte de donation mentionne expressément que la parcelle est destinée à la construction d'habitations conformément aux prescriptions d'urbanisme. En cas de déclaration inexacte quant à la destination du terrain, le donateur et le bénéficiaire sont indivisiblement tenus de payer les droits supplétifs et une amende égale à ces droits.
Article 140duodecies. _ Si, dans le même acte ou dans un autre acte de la même date, il y a donation de biens autres que la parcelle de terrain destinée a la construction d'habitations selon les prescriptions d'urbanisme, la donation du terrain à bâtir est censée, pour l'application de l'article 137, avoir été enregistrée ou être obligatoirement enregistrable avant la donation des autres biens. "
Article 140decies. Le droit proportionnel fixé à l'article 140nonies n'est pas applicable aux donations faites sous une condition suspensive remplie après l'expiration de la période fixée dans le même article ou faites à un terme au-delà de la période fixée à l'article précité.
Article 140undecies. _ Le droit proportionnel particulier fixé à l'article 140nonies n'est appliqué si l'acte de donation mentionne expressément que la parcelle est destinée à la construction d'habitations conformément aux prescriptions d'urbanisme. En cas de déclaration inexacte quant à la destination du terrain, le donateur et le bénéficiaire sont indivisiblement tenus de payer les droits supplétifs et une amende égale à ces droits.
Article 140duodecies. _ Si, dans le même acte ou dans un autre acte de la même date, il y a donation de biens autres que la parcelle de terrain destinée a la construction d'habitations selon les prescriptions d'urbanisme, la donation du terrain à bâtir est censée, pour l'application de l'article 137, avoir été enregistrée ou être obligatoirement enregistrable avant la donation des autres biens. "
Art. 64. Artikel 66bis van het Wetboek der successierechten, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 9 van 3 juli 1939, wordt aangevuld met het volgende lid :
" Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor schenkingen in rechte lijn en tussen echtgenoten van percelen grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd zijn voor woningbouw en waarop het in artikel 140nonies van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten bepaalde evenredig recht werd geheven. "
" Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor schenkingen in rechte lijn en tussen echtgenoten van percelen grond die volgens de stedenbouwkundige voorschriften bestemd zijn voor woningbouw en waarop het in artikel 140nonies van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten bepaalde evenredig recht werd geheven. "
Art. 64. L'article 66 du Code des droits de succession, insére par l'arrêté royal n° 9 du 3 juillet 1939, est complété par l'alinéa suivant :
" La disposition du premier alinéa n'est pas applicable aux donations en ligne directe et entre époux, de parcelles de terrain destinées, selon les prescriptions d'urbanisme, à la construction d'habitations et sur lesquelles le droit proportionnel visé à l'article 140nonies du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe a été leve. "
" La disposition du premier alinéa n'est pas applicable aux donations en ligne directe et entre époux, de parcelles de terrain destinées, selon les prescriptions d'urbanisme, à la construction d'habitations et sur lesquelles le droit proportionnel visé à l'article 140nonies du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe a été leve. "
Afdeling 5. - Registratierechten.
Section 5. - Droits d'enregistrement.
Art. 65. In artikel 46bis van het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, ingevoegd bij decreet van 1 februari 2002 en gewijzigd bij decreet van 5 juli 2002, wordt het derde lid vervangen als volgt :
" Aan de vermindering van de heffingsgrondslag zijn de volgende voorwaarden verbonden :
1° geen van de verkrijgers mag op de datum van de overeenkomst tot koop voor de geheelheid volle eigenaar zijn van een ander onroerend goed, dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd; indien de aankoop geschiedt door meerdere personen mogen zij bovendien op vermelde datum gezamenlijk niet voor de geheelheid volle eigenaar zijn van een ander onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd. Een perceel grond, stedenbouwkundig bestemd tot woningbouw wordt beschouwd als een onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd;
2° in of onderaan op het document, dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, moeten de verkrijgers :
a) uitdrukkelijk vermelden dat zij de toepassing van dit artikel vragen;
b) verklaren dat zij voldoen aan de voorwaarde vermeld in 1° van dit lid;
c) zich verbinden hun hoofdverblijfplaats te vestigen op de plaats van het aangekochte goed :
- indien het een woning betreft, binnen twee jaar na :
- ofwel de datum van de registratie van het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, wanneer dat document binnen de ervoor bepaalde termijn ter registratie wordt aangeboden;
- ofwel de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, wanneer het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft wordt aangeboden na het verstrijken van de daarvoor bepaalde termijn;
- indien het een bouwgrond betreft, binnen drie jaar na dezelfde datum. "
" Aan de vermindering van de heffingsgrondslag zijn de volgende voorwaarden verbonden :
1° geen van de verkrijgers mag op de datum van de overeenkomst tot koop voor de geheelheid volle eigenaar zijn van een ander onroerend goed, dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd; indien de aankoop geschiedt door meerdere personen mogen zij bovendien op vermelde datum gezamenlijk niet voor de geheelheid volle eigenaar zijn van een ander onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd. Een perceel grond, stedenbouwkundig bestemd tot woningbouw wordt beschouwd als een onroerend goed dat geheel of gedeeltelijk tot bewoning is bestemd;
2° in of onderaan op het document, dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, moeten de verkrijgers :
a) uitdrukkelijk vermelden dat zij de toepassing van dit artikel vragen;
b) verklaren dat zij voldoen aan de voorwaarde vermeld in 1° van dit lid;
c) zich verbinden hun hoofdverblijfplaats te vestigen op de plaats van het aangekochte goed :
- indien het een woning betreft, binnen twee jaar na :
- ofwel de datum van de registratie van het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, wanneer dat document binnen de ervoor bepaalde termijn ter registratie wordt aangeboden;
- ofwel de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, wanneer het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft wordt aangeboden na het verstrijken van de daarvoor bepaalde termijn;
- indien het een bouwgrond betreft, binnen drie jaar na dezelfde datum. "
Art. 65. A l'article 46bis du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, inséré par le décret du 1er février 2002 et modifié par le décret du 5 juillet 2002, l'alinéa 3 est remplacé comme suit :
" La réduction de la base imposable est soumise aux conditions suivantes :
1° aucun des acquéreurs ne peut posséder, à la date de la convention d'acquisition, la totalité en pleine propriété d'un autre immeuble destiné en tout ou en partie à l'habitation; en outre, lorsque l'acquisition est faite par plusieurs personnes, elles ne peuvent posséder conjointement, à la date précitée, la totalité en pleine propriété d'un autre immeuble destiné en tout ou en partie à l'habitation. Un terrain devant servir d'emplacement à une habitation conformément au règlement d'urbanisme, est considéré comme immeuble destiné en tout ou en partie à l'habitation;
2° les acquéreurs doivent, dans ou au pied du document donnant lieu au droit proportionnel à l'acquisition :
a) mentionner explicitement qu'ils demandent l'application du présent article;
b) déclarer qu'ils remplissent la condition mentionnée au 1° du présent article;
c) s'engager à établir leur résidence principale à l'endroit du bien acquis :
- s'il s'agit d'une habitation, deux ans après :
- soit la date de l'enregistrement du document donnant lieu à la perception du droit proportionnel, lorsque ce document est présenté à l'enregistrement dans le délai prescrit;
- soit la date ultime de présentation à l'enregistrement, lorsque le document donnant lieu à la perception du droit proportionnel est présenté après expiration du délai prescrit;
- s'il s'agit d'un terrain à bâtir, dans les trois ans de la même date. "
" La réduction de la base imposable est soumise aux conditions suivantes :
1° aucun des acquéreurs ne peut posséder, à la date de la convention d'acquisition, la totalité en pleine propriété d'un autre immeuble destiné en tout ou en partie à l'habitation; en outre, lorsque l'acquisition est faite par plusieurs personnes, elles ne peuvent posséder conjointement, à la date précitée, la totalité en pleine propriété d'un autre immeuble destiné en tout ou en partie à l'habitation. Un terrain devant servir d'emplacement à une habitation conformément au règlement d'urbanisme, est considéré comme immeuble destiné en tout ou en partie à l'habitation;
2° les acquéreurs doivent, dans ou au pied du document donnant lieu au droit proportionnel à l'acquisition :
a) mentionner explicitement qu'ils demandent l'application du présent article;
b) déclarer qu'ils remplissent la condition mentionnée au 1° du présent article;
c) s'engager à établir leur résidence principale à l'endroit du bien acquis :
- s'il s'agit d'une habitation, deux ans après :
- soit la date de l'enregistrement du document donnant lieu à la perception du droit proportionnel, lorsque ce document est présenté à l'enregistrement dans le délai prescrit;
- soit la date ultime de présentation à l'enregistrement, lorsque le document donnant lieu à la perception du droit proportionnel est présenté après expiration du délai prescrit;
- s'il s'agit d'un terrain à bâtir, dans les trois ans de la même date. "
Art. 66. Het artikel 61.4 van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij decreet van 1 februari 2002 en gewijzigd bij decreet van 5 juli 2002, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Artikel 61.4. Aan de in artikel 61.3 bepaalde verrekening zijn de volgende voorwaarden verbonden :
1° de toepassing van artikel 61.3 wordt uitdrukkelijk gevraagd in of onderaan op het document dat aanleiding geeft tot de heffing van het evenredig recht op de nieuwe aankoop;
2° het in 1° bedoelde document bevat een afschrift van het registratierelaas dat is aangebracht op het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop van de verkochte woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten geheven op die vorige aankoop.
Indien de verrekening wordt gevraagd met toepassing van het vierde lid van artikel 61.3 dan moet het in 1° bedoelde document bovendien de afschriften bevatten van de relazen aangebracht op de documenten die betreffende de in aanmerking te nemen voorafgaande verrichtingen aanleiding hebben gegeven tot het heffen van de evenredige rechten en bij ieder relaas het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de verrekende of teruggegeven rechten vermelden;
3° in het in 1° bedoelde document of in een ondertekende en waar en oprecht verklaarde vermelding onderaan op dat document, vermeldt de natuurlijke persoon uitdrukkelijk :
a) dat de verkochte woning hem tot hoofdverblijfplaats diende ten tijde van de verkoop;
b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats op de plaats van het nieuw aangekochte goed zal vestigen :
- indien het een woning betreft, binnen twee jaar na :
- ofwel de datum van de registratie van het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, wanneer dat document binnen de ervoor bepaalde termijn ter registratie wordt aangeboden;
- ofwel de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, wanneer het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft wordt aangeboden na het verstrijken van de daarvoor bepaalde termijn;
- indien het een bouwgrond betreft, binnen drie jaar na dezelfde datum.
Aan de voorwaarden van het eerste lid wordt ook geacht voldaan te zijn als het verzoek en de vermeldingen het voorwerp uitmaken van een door de natuurlijke persoon ondertekend verzoek, dat het ter registratie aangeboden en tot de heffing van het evenredig registratierecht aanleiding gevend document, vergezelt.
Indien één van de voorwaarden bepaald in het eerste lid niet is vervuld, wordt het tot de heffing van het evenredig recht aanleiding gevend document betreffende de nieuwe aankoop geregistreerd zonder toepassing van artikel 61.3. "
" Artikel 61.4. Aan de in artikel 61.3 bepaalde verrekening zijn de volgende voorwaarden verbonden :
1° de toepassing van artikel 61.3 wordt uitdrukkelijk gevraagd in of onderaan op het document dat aanleiding geeft tot de heffing van het evenredig recht op de nieuwe aankoop;
2° het in 1° bedoelde document bevat een afschrift van het registratierelaas dat is aangebracht op het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop van de verkochte woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht, en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten geheven op die vorige aankoop.
Indien de verrekening wordt gevraagd met toepassing van het vierde lid van artikel 61.3 dan moet het in 1° bedoelde document bovendien de afschriften bevatten van de relazen aangebracht op de documenten die betreffende de in aanmerking te nemen voorafgaande verrichtingen aanleiding hebben gegeven tot het heffen van de evenredige rechten en bij ieder relaas het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de verrekende of teruggegeven rechten vermelden;
3° in het in 1° bedoelde document of in een ondertekende en waar en oprecht verklaarde vermelding onderaan op dat document, vermeldt de natuurlijke persoon uitdrukkelijk :
a) dat de verkochte woning hem tot hoofdverblijfplaats diende ten tijde van de verkoop;
b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats op de plaats van het nieuw aangekochte goed zal vestigen :
- indien het een woning betreft, binnen twee jaar na :
- ofwel de datum van de registratie van het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, wanneer dat document binnen de ervoor bepaalde termijn ter registratie wordt aangeboden;
- ofwel de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, wanneer het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft wordt aangeboden na het verstrijken van de daarvoor bepaalde termijn;
- indien het een bouwgrond betreft, binnen drie jaar na dezelfde datum.
Aan de voorwaarden van het eerste lid wordt ook geacht voldaan te zijn als het verzoek en de vermeldingen het voorwerp uitmaken van een door de natuurlijke persoon ondertekend verzoek, dat het ter registratie aangeboden en tot de heffing van het evenredig registratierecht aanleiding gevend document, vergezelt.
Indien één van de voorwaarden bepaald in het eerste lid niet is vervuld, wordt het tot de heffing van het evenredig recht aanleiding gevend document betreffende de nieuwe aankoop geregistreerd zonder toepassing van artikel 61.3. "
Art. 66. L'article 61.4 du même Code, inséré par le décret du 1er février 2002 et modifié par le décret du 5 juillet 2002, l'alinéa 3 est remplacé comme suit :
" Article 61.4. L'imputation visée à l'article 61.3 est soumise aux conditions suivantes :
1° l'application de l'article 61.3 est explicitement demandée dans ou au pied du document donnant lieu à la perception du droit proportionnel de la nouvelle acquisition;
2° le document visé au 1° contient une copie de la relation de l'enregistrement apposée sur le document donnant lieu à la perception du droit proportionnel de l'habitation vendue ou du terrain à bâtir sur lequel cette habitation est construite, et mentionne la part légale de la personne physique dans les droits perçus sur cette acquisition précédente.
Lorsque l'imputation est demandée en application du quatrième alinéa de l'article 61.3, le document visé au 1° doit en outre contenir les copies des relations apposées sur les documents ayant donné lieu, en ce qui concerne les opérations préalables à prendre en compte, à la perception du droit proportionnel et mentionner pour chaque relation la part légale de la personne physique dans les droits imputés ou restitués;
3° dans le document visé au 1° ou dans une mention signée et déclarée sincère et véritable au pied de l'acte, la personne physique précise explicitement :
a) que l'habitation vendue lui a servi de résidence principale au moment de la vente;
b) qu'elle établira sa résidence principale a l'endroit du bien nouvellement acquis :
- s'il s'agit d'une habitation, deux ans après :
- soit la date de l'enregistrement du document donnant lieu à la perception du droit proportionnel, lorsque ce document est présenté à l'enregistrement dans le délai prescrit;
- soit la date ultime de présentation à l'enregistrement, lorsque le document donnant lieu à la perception du droit proportionnel est présenté après expiration du délai prescrit;
- s'il s'agit d'un terrain à bâtir, dans les trois ans de la même date.
Les conditions du premier alinéa sont également censées être remplies lorsque la demande et les mentions font l'objet d'une demande séparée, signée par la personne physique. Cette demande séparée accompagne le document donnant lieu à la perception du droit d'enregistrement proportionnel à l'occasion de sa présentation à l'enregistrement.
Si l'une des conditions fixées au premier alinéa n'est pas remplie, le document donnant lieu à la perception du droit d'enregistrement proportionnel de la nouvelle acquisition est enregistré sans application de l'article 61.3. "
" Article 61.4. L'imputation visée à l'article 61.3 est soumise aux conditions suivantes :
1° l'application de l'article 61.3 est explicitement demandée dans ou au pied du document donnant lieu à la perception du droit proportionnel de la nouvelle acquisition;
2° le document visé au 1° contient une copie de la relation de l'enregistrement apposée sur le document donnant lieu à la perception du droit proportionnel de l'habitation vendue ou du terrain à bâtir sur lequel cette habitation est construite, et mentionne la part légale de la personne physique dans les droits perçus sur cette acquisition précédente.
Lorsque l'imputation est demandée en application du quatrième alinéa de l'article 61.3, le document visé au 1° doit en outre contenir les copies des relations apposées sur les documents ayant donné lieu, en ce qui concerne les opérations préalables à prendre en compte, à la perception du droit proportionnel et mentionner pour chaque relation la part légale de la personne physique dans les droits imputés ou restitués;
3° dans le document visé au 1° ou dans une mention signée et déclarée sincère et véritable au pied de l'acte, la personne physique précise explicitement :
a) que l'habitation vendue lui a servi de résidence principale au moment de la vente;
b) qu'elle établira sa résidence principale a l'endroit du bien nouvellement acquis :
- s'il s'agit d'une habitation, deux ans après :
- soit la date de l'enregistrement du document donnant lieu à la perception du droit proportionnel, lorsque ce document est présenté à l'enregistrement dans le délai prescrit;
- soit la date ultime de présentation à l'enregistrement, lorsque le document donnant lieu à la perception du droit proportionnel est présenté après expiration du délai prescrit;
- s'il s'agit d'un terrain à bâtir, dans les trois ans de la même date.
Les conditions du premier alinéa sont également censées être remplies lorsque la demande et les mentions font l'objet d'une demande séparée, signée par la personne physique. Cette demande séparée accompagne le document donnant lieu à la perception du droit d'enregistrement proportionnel à l'occasion de sa présentation à l'enregistrement.
Si l'une des conditions fixées au premier alinéa n'est pas remplie, le document donnant lieu à la perception du droit d'enregistrement proportionnel de la nouvelle acquisition est enregistré sans application de l'article 61.3. "
Art. 67. De zesde alinea van het artikel 212bis van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij decreet van 1 februari 2002 en gewijzigd bij decreet van 5 juli 2002, wordt vervangen door wat volgt :
" Aan de teruggave zijn de volgende voorwaarden verbonden :
1° het verzoek tot teruggave, ondertekend door de natuurlijke persoon, wordt gedaan in of onderaan op het document dat aanleiding geeft tot de heffing van het evenredig recht op de verkoop;
2° het in 1° bedoelde document bevat :
a) een afschrift van het registratierelaas dat is aangebracht op het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop van de verkochte woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten geheven op die aankoop;
b) een afschrift van het registratierelaas dat is aangebracht op het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop van de nieuwe hoofdverblijfplaats en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten geheven op die aankoop;
Indien de teruggave wordt gevraagd met toepassing van het vierde lid van dit artikel dan moet het in 1° bedoelde document bovendien de afschriften bevatten van de relazen aangebracht op de documenten die betreffende de in aanmerking te nemen voorafgaande verrichtingen aanleiding hebben gegeven tot het heffen van de evenredige rechten en bij ieder relaas het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de verrekende of teruggegeven rechten vermelden.
3° in het in 1° bedoelde document of in een ondertekende en waar en oprecht verklaarde vermelding onderaan op dat document, verklaart de natuurlijke persoon uitdrukkelijk :
a) dat de wederverkochte woning hem tot hoofdverblijfplaats diende ten tijde van de nieuwe aankoop;
b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats op de plaats van het nieuw aangekochte goed heeft gevestigd of zal vestigen :
- indien het een woning betreft, binnen twee jaar na :
- ofwel de datum van de registratie van het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, wanneer dat document binnen de ervoor bepaalde termijn ter registratie wordt aangeboden;
- ofwel de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, wanneer het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft wordt aangeboden na het verstrijken van de daarvoor bepaalde termijn;
- indien het een bouwgrond betreft, binnen drie jaar na dezelfde datum. "
" Aan de teruggave zijn de volgende voorwaarden verbonden :
1° het verzoek tot teruggave, ondertekend door de natuurlijke persoon, wordt gedaan in of onderaan op het document dat aanleiding geeft tot de heffing van het evenredig recht op de verkoop;
2° het in 1° bedoelde document bevat :
a) een afschrift van het registratierelaas dat is aangebracht op het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop van de verkochte woning of van de bouwgrond waarop die woning is opgericht en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten geheven op die aankoop;
b) een afschrift van het registratierelaas dat is aangebracht op het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop van de nieuwe hoofdverblijfplaats en vermeldt het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de rechten geheven op die aankoop;
Indien de teruggave wordt gevraagd met toepassing van het vierde lid van dit artikel dan moet het in 1° bedoelde document bovendien de afschriften bevatten van de relazen aangebracht op de documenten die betreffende de in aanmerking te nemen voorafgaande verrichtingen aanleiding hebben gegeven tot het heffen van de evenredige rechten en bij ieder relaas het wettelijk aandeel van de natuurlijke persoon in de verrekende of teruggegeven rechten vermelden.
3° in het in 1° bedoelde document of in een ondertekende en waar en oprecht verklaarde vermelding onderaan op dat document, verklaart de natuurlijke persoon uitdrukkelijk :
a) dat de wederverkochte woning hem tot hoofdverblijfplaats diende ten tijde van de nieuwe aankoop;
b) dat hij zijn hoofdverblijfplaats op de plaats van het nieuw aangekochte goed heeft gevestigd of zal vestigen :
- indien het een woning betreft, binnen twee jaar na :
- ofwel de datum van de registratie van het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft, wanneer dat document binnen de ervoor bepaalde termijn ter registratie wordt aangeboden;
- ofwel de uiterste datum voor tijdige aanbieding ter registratie, wanneer het document dat tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop aanleiding geeft wordt aangeboden na het verstrijken van de daarvoor bepaalde termijn;
- indien het een bouwgrond betreft, binnen drie jaar na dezelfde datum. "
Art. 67. L'alinéa 6 de l'article 212 du même Code, inséré par le décret du 1er février 2002 et modifié par le décret du 5 juillet 2002, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
" La restitution est soumise aux conditions suivantes :
1° la demande en restitution, signée par la personne physique, est faite dans ou au pied du document donnant lieu à la perception du droit d'enregistrement proportionnel de la vente;
2° le document visé au 1° contient :
a) une copie de la relation de l'enregistrement qui est apposée sur le document donnant lieu à la perception du droit d'enregistrement proportionnel de l'acquisition de l'habitation vendue ou du terrain à bâtir sur lequel cette habitation est construite, et mentionne la part légale de la personne physique dans les droits perçus sur cette acquisition;
b) une copie de la relation de l'enregistrement qui est apposée sur le document donnant lieu à la perception du droit d'enregistrement proportionnel de l'acquisition de la nouvelle résidence principale, et mentionne la part légale de la personne physique dans les droits perçus sur cette acquisition;
Lorsque la restitution est demandée en application du quatrième alinéa du présent article, le document visé au 1° doit en outre contenir les copies des relations apposées sur les documents ayant donné lieu à la perception du droit d'enregistrement proportionnel en ce qui concerne les opérations préalables à prendre en compte, et mentionner pour chaque relation la part légale de la personne physique dans les droits imputés ou restitués.
3° dans le document visé au 1° ou dans une mention signée et certifiée sincère et véritable au pied de l'acte, la personne physique doit énoncer expressément :
a) que l'habitation revendue lui a servi de résidence principale au moment de la nouvelle acquisition;
b) qu'elle a établi ou établira sa résidence principale à l'endroit du bien nouvellement acquis :
- s'il s'agit d'une habitation, deux ans après :
- soit la date de l'enregistrement du document donnant lieu à la perception du droit proportionnel, lorsque ce document est présenté à l'enregistrement dans le délai prescrit;
- soit la date ultime de présentation à l'enregistrement, lorsque le document donnant lieu a la perception du droit proportionnel est présenté après expiration du délai prescrit;
- s'il s'agit d'un terrain à bâtir, dans les trois ans de la même date. "
" La restitution est soumise aux conditions suivantes :
1° la demande en restitution, signée par la personne physique, est faite dans ou au pied du document donnant lieu à la perception du droit d'enregistrement proportionnel de la vente;
2° le document visé au 1° contient :
a) une copie de la relation de l'enregistrement qui est apposée sur le document donnant lieu à la perception du droit d'enregistrement proportionnel de l'acquisition de l'habitation vendue ou du terrain à bâtir sur lequel cette habitation est construite, et mentionne la part légale de la personne physique dans les droits perçus sur cette acquisition;
b) une copie de la relation de l'enregistrement qui est apposée sur le document donnant lieu à la perception du droit d'enregistrement proportionnel de l'acquisition de la nouvelle résidence principale, et mentionne la part légale de la personne physique dans les droits perçus sur cette acquisition;
Lorsque la restitution est demandée en application du quatrième alinéa du présent article, le document visé au 1° doit en outre contenir les copies des relations apposées sur les documents ayant donné lieu à la perception du droit d'enregistrement proportionnel en ce qui concerne les opérations préalables à prendre en compte, et mentionner pour chaque relation la part légale de la personne physique dans les droits imputés ou restitués.
3° dans le document visé au 1° ou dans une mention signée et certifiée sincère et véritable au pied de l'acte, la personne physique doit énoncer expressément :
a) que l'habitation revendue lui a servi de résidence principale au moment de la nouvelle acquisition;
b) qu'elle a établi ou établira sa résidence principale à l'endroit du bien nouvellement acquis :
- s'il s'agit d'une habitation, deux ans après :
- soit la date de l'enregistrement du document donnant lieu à la perception du droit proportionnel, lorsque ce document est présenté à l'enregistrement dans le délai prescrit;
- soit la date ultime de présentation à l'enregistrement, lorsque le document donnant lieu a la perception du droit proportionnel est présenté après expiration du délai prescrit;
- s'il s'agit d'un terrain à bâtir, dans les trois ans de la même date. "
Art. 68. Het artikel 212ter van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij het decreet van 1 februari 2002, wordt vervangen als volgt :
" Artikel 212ter. Ingeval de in artikel 46bis bepaalde vermindering van de heffingsgrondslag niet werd gevraagd of niet werd bekomen naar aanleiding van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de overeenkomst tot koop, kunnen de teveel geheven rechten nog worden teruggegeven op een verzoek in te dienen overeenkomstig de bepalingen van artikel 217.2 binnen zes maanden te rekenen van de datum van de registratie van dat document.
Ingeval het voordeel van de meeneembaarheid van voorheen betaalde registratierechten als bedoeld in de artikelen 61/3 en 212bis niet werd gevraagd of niet werd bekomen naar aanleiding van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop of de verkoop kunnen de meeneembare rechten nog worden teruggegeven op een verzoek in te dienen overeenkomstig de bepalingen van artikel 217.2 binnen zes maanden te rekenen van de datum van de registratie van dat document.
Het verzoek tot teruggave bedoeld in het eerste of tweede lid bevat, naar gelang van het geval, de vermeldingen en verklaringen vereist bij het artikel 46bis, derde lid, 2°, b en c; bij het artikel 61.4, eerste lid; of bij het artikel 212bis, zesde lid, 2° en 3 °. Het verzoek vermeldt in voorkomend geval ook het rekeningnummer waarop het bedrag van de terug te geven rechten kan worden gestort. "
" Artikel 212ter. Ingeval de in artikel 46bis bepaalde vermindering van de heffingsgrondslag niet werd gevraagd of niet werd bekomen naar aanleiding van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de overeenkomst tot koop, kunnen de teveel geheven rechten nog worden teruggegeven op een verzoek in te dienen overeenkomstig de bepalingen van artikel 217.2 binnen zes maanden te rekenen van de datum van de registratie van dat document.
Ingeval het voordeel van de meeneembaarheid van voorheen betaalde registratierechten als bedoeld in de artikelen 61/3 en 212bis niet werd gevraagd of niet werd bekomen naar aanleiding van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het evenredig recht op de aankoop of de verkoop kunnen de meeneembare rechten nog worden teruggegeven op een verzoek in te dienen overeenkomstig de bepalingen van artikel 217.2 binnen zes maanden te rekenen van de datum van de registratie van dat document.
Het verzoek tot teruggave bedoeld in het eerste of tweede lid bevat, naar gelang van het geval, de vermeldingen en verklaringen vereist bij het artikel 46bis, derde lid, 2°, b en c; bij het artikel 61.4, eerste lid; of bij het artikel 212bis, zesde lid, 2° en 3 °. Het verzoek vermeldt in voorkomend geval ook het rekeningnummer waarop het bedrag van de terug te geven rechten kan worden gestort. "
Art. 68. L'article 212ter du même Code, inséré par le décret du 1er février 2002, est remplacé comme suit :
" Article 212ter. Au cas où la réduction de la base imposable n'aurait pas été demandée ou n'aurait pas été obtenue à l'occasion de l'enregistrement du document ayant donné lieu à la perception du droit proportionnel, les droits perçus indûment peuvent être restitués sur demande à introduire conformément aux dispositions de l'article 217.2 dans les six mois à compter de la date d'enregistrement de ce document.
Au cas où la transférabilité de droits d'enregistrement payés antérieurement, comme prévu aux articles 61/3 et 212bis n'aurait pas été demandée ou n'aurait pas été obtenue à l'occasion de l'enregistrement du document ayant donné lieu à la perception du droit proportionnel, les droits transférables peuvent être restitués sur demande à introduire conformément aux dispositions de l'article 217.2 dans les six mois à compter de la date d'enregistrement de ce document.
La demande de restitution visée au premier ou au deuxième alinéa contient, selon le cas, les mentions et déclarations imposées par l'article 46bis, alinéa 3, 2°, b et c; par l'article 61.4, premier alinéa; ou par l'article 212bis, alinéa 6, 2° et 3°. La demande mentionne, le cas échéant, le numéro de compte auquel le montant des droits à restituer peut être versé. "
" Article 212ter. Au cas où la réduction de la base imposable n'aurait pas été demandée ou n'aurait pas été obtenue à l'occasion de l'enregistrement du document ayant donné lieu à la perception du droit proportionnel, les droits perçus indûment peuvent être restitués sur demande à introduire conformément aux dispositions de l'article 217.2 dans les six mois à compter de la date d'enregistrement de ce document.
Au cas où la transférabilité de droits d'enregistrement payés antérieurement, comme prévu aux articles 61/3 et 212bis n'aurait pas été demandée ou n'aurait pas été obtenue à l'occasion de l'enregistrement du document ayant donné lieu à la perception du droit proportionnel, les droits transférables peuvent être restitués sur demande à introduire conformément aux dispositions de l'article 217.2 dans les six mois à compter de la date d'enregistrement de ce document.
La demande de restitution visée au premier ou au deuxième alinéa contient, selon le cas, les mentions et déclarations imposées par l'article 46bis, alinéa 3, 2°, b et c; par l'article 61.4, premier alinéa; ou par l'article 212bis, alinéa 6, 2° et 3°. La demande mentionne, le cas échéant, le numéro de compte auquel le montant des droits à restituer peut être versé. "
Art. 69. Het artikel 212quater van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij decreet van 1 februari 2002, wordt opgeheven.
Art. 69. L'article 212quater du même Code, inséré par le décret du 1er février 2002, est abrogé.
Afdeling 6. - Verkeersbelasting.
Section 6.
Art. 70. Wat het Vlaamse Gewest betreft, worden de artikelen 5 en 13, derde lid, van het koninklijk besluit van 11 december 2001 houdende uitvoering van de wet van 26 juni 2000 betreffende de invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op aangelegenheden als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet en die ressorteert onder het Ministerie van Financiën, met uitzondering van de wijzigingen aangebracht aan artikel 9, E tot G, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, bekrachtigd met ingang van de dag van hun inwerkingtreding.
Art. 70. En ce qui concerne la Région flamande, les articles 5 et 13, alinéa 3, de l'arrêté royal portant exécution de la loi du 26 juin 2000 relative à l'introduction de l'euro dans la législation concernant les matières visées à l'article 78 de la Constitution et qui relève du Ministère des Finances, à l'exception des modifications apportées aux articles 9 E à G du Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, sont ratifiés à compter du jour de leur entrée en vigueur.
Art. 71. Wat het Vlaamse Gewest betreft, worden de wijzigingen aan het wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, ingevolge de wet van 8 april 2002 tot wijziging van de artikelen 5, 9, 11, 21 en 42 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen in uitvoering van de Richtlijn nr. 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen, bekrachtigd, met ingang van 1 januari 2002.
Art. 71. En ce qui concerne la Région flamande, les modifications apportées au Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus en vertu de la loi du 8 avril 2002 modifiant les articles 5, 9, 11, 21 et 42 du Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus en exécution de la Directive 1999/62/CE du Parlement européen et du Conseil, du 17 juin 1999, relative à la taxation des poids lourds pour l'utilisation de certaines infrastructures, sont ratifiées à compter du 1er janvier 2002.
HOOFDSTUK XVI. - Cultuur.
CHAPITRE XVI. - Culture.
Art. 72. Artikel 15, § 1, van het decreet van 22 december 2000 betreffende de amateurkunsten, gewijzigd door artikel 56 van het decreet van 21 december 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2002 wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. Jaarlijks wordt een krediet voorzien voor de financiële ondersteuning van projecten. De Vlaamse regering bepaalt jaarlijks de grootte van dit krediet. "
" § 1. Jaarlijks wordt een krediet voorzien voor de financiële ondersteuning van projecten. De Vlaamse regering bepaalt jaarlijks de grootte van dit krediet. "
Art. 72. L'article 15, § 1, du décret du 22 décembre 2000 relatif aux arts amateurs, modifié par l'article 56 du décret du 21 décembre 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2002, est remplacé par la disposition suivante :
" § 1. Chaque année, il est prévu un crédit pour couvrir les charges financières des projets. Annuellement, le Gouvernement fixe l'importance de ce crédit. "
" § 1. Chaque année, il est prévu un crédit pour couvrir les charges financières des projets. Annuellement, le Gouvernement fixe l'importance de ce crédit. "
Art. 73. In artikel 33, § 1, van het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid, gewijzigd bij decreet van 5 juli 2002, worden de woorden " 2 760 000 euro " vervangen door de woorden " 3 467 000 euro ".
Art. 73. Dans l'article 33, § 1, du décret du 13 juillet 2001 portant stimulation d'une politique culturelle locale qualitative et intégrale, modifié par le décret du 5 juillet 2002, les mots " 2 760 000 euros " sont remplacés par les mots " 3 467 000 euros ".
HOOFDSTUK XVII.
CHAPITRE XVII.
HOOFDSTUK XVIII. - Slotbepalingen.
CHAPITRE XVIII. - Dispositions finales.
Art. 75. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2003 met uitzondering van :
1° artikelen 4 tot 6, 10 en 11 hebben uitwerking met ingang van 1 september 2002;
2° artikelen 12 tot 14 hebben uitwerking met ingang van 1 juni 2003;
3° artikelen 54 tot 56 hebben uitwerking met ingang van het aanslagjaar 2003;
4° artikel 73 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002.
1° artikelen 4 tot 6, 10 en 11 hebben uitwerking met ingang van 1 september 2002;
2° artikelen 12 tot 14 hebben uitwerking met ingang van 1 juni 2003;
3° artikelen 54 tot 56 hebben uitwerking met ingang van het aanslagjaar 2003;
4° artikel 73 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002.
Art. 75. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2003, à l'exception :
1° des articles 4 à 6, 10 et 11, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2002;
2° des articles 12 à 14, qui produisent leurs effets le 1er juin 2003;
3° des articles 54 à 56, qui produisent leurs effets à partir de l'année d'imposition 2003;
4° de l'article 73, qui produit ses effets le 1er janvier 2002.
1° des articles 4 à 6, 10 et 11, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2002;
2° des articles 12 à 14, qui produisent leurs effets le 1er juin 2003;
3° des articles 54 à 56, qui produisent leurs effets à partir de l'année d'imposition 2003;
4° de l'article 73, qui produit ses effets le 1er janvier 2002.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Bijlage bij de artikelen 18 en 19.
EIGENDOMMEN VAN HET VLAAMSE GEWEST, WELKE VAN RECHTSWEGE WORDEN OVERDRAGEN AAN VLM. (KADASTRALE TOESTAND 01/01/2001).
Landbouwgronden.
Beveren 7e afdeling (DOEL).
EIGENDOMMEN VAN HET VLAAMSE GEWEST, WELKE VAN RECHTSWEGE WORDEN OVERDRAGEN AAN VLM. (KADASTRALE TOESTAND 01/01/2001).
Landbouwgronden.
Beveren 7e afdeling (DOEL).
Art. N. Annexe. (Pour le tableau, voir version néerlandaise, MB 31-12-2002, p. 59152 à 59163).
| perceelgegevens | Oppervlakte | Aard |
| Sectie A 1A 3 | 0ha43a60ca | BOUWLAND |
| Sectie A 1D 6 | 0ha07a25ca | WEG |
| Sectie A 1N | 2ha00a00ca | BOUWLAND |
| Sectie A 1P 4 | 0ha68a93ca | BOUWLAND |
| Sectie A 1Y 2 | 0ha79a90ca | WEILAND |
| Sectie A 1Z 2 | 0ha56a70ca | WEILAND |
| Sectie A 2C 8 | 0ha63a20ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie A 2V 3 | 1ha00a00ca | WEILAND |
| Sectie A 3F 3 | 2ha27a30ca | BOUWLAND |
| Sectie A 3T 5 | 0ha94a00ca | BOUWLAND |
| Sectie A 3W 8 | 0ha67a70ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie A 3X 5 | 1ha42a80ca | BOUWLAND |
| Sectie A 3Y 5 | 0ha76a70ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie A 3Z 5 | 1ha43a40ca | BOUWLAND |
| Sectie A 112F | 0ha28a12ca | WEILAND |
| Sectie A 301 | 0ha76a80ca | BOUWLAND |
| Sectie A 302C | 0ha51a90ca | BOUWLAND |
| Sectie A 303A | 0ha28a90ca | BOUWLAND |
| Sectie A 311D | 0ha19a90ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie A 315B | 0ha76a40ca | BOUWLAND |
| Sectie A 315G | 0ha50a81ca | WEILAND |
| Sectie A 316A | 0ha73a30ca | WEILAND |
| Sectie A 316B | 0ha72a90ca | BOUWLAND |
| Sectie A 319 | 1ha93a80ca | BOUWLAND |
| Sectie B 71 | 0ha43a40ca | BOUWLAND |
| Sectie B 74 | 0ha35a30ca | BOUWLAND |
| Sectie B 75 | 0ha37a20ca | WEILAND |
| Sectie B 77A | 0ha16a30ca | WEILAND |
| Sectie 8 85E/2 | 0ha30a39ca | WEILAND |
| Sectie B 85F/2 | 0ha04a00ca | WEILAND |
| Sectie B 86G | 0ha58a80ca | BOUWLAND |
| Sectie B 87A | 1ha81a80ca | BOUWLAND |
| Sectie B 149D 7 | 0ha06a89ca | HUIS (afgebroken) |
| Sectie B 149P 7 | 0ha02a85ca | GROND |
| Sectie 8 149R 7 | 0ha30a15ca | DIJK |
| Sectie B 326C | 0ha85a11ca | BOUWLAND |
| Sectie B 432C | 0ha24a58ca | WEILAND |
| Sectie B 489B | 0ha25a40ca | WEILAND |
| Sectie B 489C | 0ha18a10ca | WEILAND |
| Sectie B 489D | 0ha06a80ca | WEG |
| Sectie B 490B | 0ha11a85ca | WEILAND |
| Sectie B 490C | 0ha11a98ca | WEILAND |
| Sectie B 490D | 0ha12a60ca | WEILAND |
| Sectie B 490E | 0ha12a25ca | WEILAND |
| Sectie B 491B | 0ha17a81ca | WEILAND |
| Sectie B 491C | 0ha19a10ca | WEILAND |
| Sectie B 494D | 0ha20a99ca | WEILAND |
| Sectie B 496B | 0ha30a05ca | BOUWLAND |
| Sectie E 7C | 0ha22a10ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie E 8C | 0ha05a10ca | TUIN |
| Sectie E 11B | 0ha50a80ca | WEILAND |
| Sectie E 12B | 0ha38a60ca | WEILAND |
| Sectie E 158B | 0ha03a10ca | SLOOT |
| Sectie E 77D | 0ha14a90ca | WOESTE GR. |
| Sectie E 78G | 0ha00a20ca | WOESTE GR. |
| Sectie E 78H | 0ha16a40ca | WOESTE GR. |
| Sectie E 79E | 0ha20a70ca | WOESTE GR. |
| Sectie E 98B | 0ha47a20ca | WOESTE GR. |
| Sectie E 100B | 0ha23a90ca | WOESTE GR. |
| Sectie E 178C | 0ha08a21ca | WEILAND |
| Sectie E 179A | 0ha05a80ca | WEILAND |
| Sectie E 179B | 0ha09a00ca | WEILAND |
| Sectie E 179D | 0ha08a90ca | WEILAND |
| Sectie E 179E | 0ha06a50ca | BOOMG. HOOG |
-
Totale oppervlakte Beveren 7e afdeling (DOEL) : 30ha69a42ca.
Beveren 8e afdeling (KALL0).
Beveren 8e afdeling (KALL0).
-
| perceelgegevens | Oppervlakte | Aard |
| Sectie C 41B | 1ha55a61ca | BOUWLAND |
| Sectie C 42 | 0ha80a90ca | BOUWLAND |
| Sectie C 72E | 0ha27a55ca | WEILAND |
| Sectie C 98A | 0ha34a81ca | BOUWLAND |
| Sectie C 100A | 0ha46a79ca | WEILAND |
| Sectie C 101D | 0ha88a70ca | BOUWLAND |
| Sectie C 123A | 0ha51a93ca | BOUWLAND |
| Sectie C 124D | 0ha16a18ca | BOUWLAND |
| Sectie C 125D | 0ha24a56ca | BOUWLAND |
| Sectie C 128D | 0ha03a60ca | BOUWLAND |
| Sectie C 142A | 1ha23a50ca | WEILAND |
| Sectie C 143A | 0ha31a81ca | WEILAND |
| Sectie C 146A | 0ha79a49ca | WEILAND |
| Sectie C 147A | 0ha87a18ca | WEILAND |
| Sectie C 176A | 0ha15a78ca | BOS |
| Sectie C 178A | 0ha49a14ca | BOUWLAND |
| Sectie C 185A | 0ha30a47ca | WEILAND |
| Sectie C 186A | 0ha72a43ca | WEILAND |
| Sectie C 190A | 1ha40a73ca | BOUWLAND |
| Sectie C 196B | 0ha18a74ca | WEILAND |
| Sectie C 237C | 0ha24a51ca | DIJK |
| Sectie C 237M/2 | 0ha25a42ca | DIJK |
| Sectie C 237R/2 | 0ha19a45ca | DIJK |
| Sectie C 886E | 0ha16a68ca | BOUWLAND |
| Sectie C 901A | 0ha11a17ca | BOUWLAND |
| Sectie C 910B | 0ha48a44ca | BOUWLAND |
| Sectie C 947E | 0ha13a31ca | BOUWLAND |
| Sectie C 961A | 0ha65a65ca | BOUWLAND |
| Sectie C 962A | 0ha97a45ca | BOUWLAND |
| Sectie C 963A | 0ha45a16ca | BOUWLAND |
| Sectie C 964A | 0ha28a89ca | BOUWLAND |
| Sectie E 444A | 0ha19a26ca | BOUWLAND |
| Sectie E 614A | 4ha09a63ca | WEILAND |
| Sectie E 615D | 0ha22a17ca | WEILAND |
| Sectie E 616A | 0ha13a63ca | WEILAND |
| Sectie E 624C | 0ha44a16ca | BOUWLAND |
| Sectie E 625D | 0ha41a72ca | WEILAND |
| Sectie F 1206C | 0ha11a68ca | GROND |
-
Totale oppervlakte Beveren 8e afdeling (KALLO) : 21ha38a28ca.
Beveren 6e afdeling (KIELDRECHT).
Beveren 6e afdeling (KIELDRECHT).
-
| perceelgegevens | Oppervlakte | Aard |
| Sectie A 1A 18/2 | 0ha81a00ca | BOUWLAND |
| Sectie A 1A 31/2 | 0ha04a92ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie A 1B 3/2 | 0ha53a30ca | WEILAND |
| Sectie A 1C | 1ha03a00ca | DIJK |
| Sectie A 1C 20/2 | 0ha36a70ca | WEILAND |
| Sectie A 1D 28/2 | 0ha05a10ca | TUIN |
| Sectie A 1E 21/2 | 0ha03a60ca | WEILAND |
| Sectie A 1F 21/2 | 0ha04a40ca | WEILAND |
| Sectie A 1G 21/2 | 0ha13a10ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie A 1M 20/2 | 0ha05a10ca | TUIN |
| Sectie A 1N 202 | 0ha01a80ca | BOUWLAND |
| Sectie A 1P 172 | 0ha26a10ca | WEILAND |
| Sectie A 1S 27/2 | 0ha50a60ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie A 1T 9/2 | 0ha81a80ca | BOUWLAND |
| Sectie A 1T 24/2 | 0ha04a11ca | WOESTE GR. |
| Sectie A 1V 3/2 | 0ha92a00ca | BOUWLAND |
| Sectie A 1Z 27/2 | 0ha05a06ca | WEILAND |
| Sectie A 2C | 0ha27a10ca | DIJK |
| Sectie A 3C | 0ha27a10ca | DIJK |
| Sectie A 4C | 0ha43a70ca | WEG |
| Sectie A 5B | 0ha24a70ca | SLOOT |
| Sectie A 159 | 0ha12a00ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie A 160 | 0ha11a00ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie A 161 | 0ha06a90ca | POEL |
| Sectie A 162A | 0ha10a00ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie A 182 | 1ha19a50ca | WEILAND |
| Sectie A 183 | 0ha51a00ca | BOUWLAND |
| Sectie A 184 | 0ha49a90ca | BOUWLAND |
| Sectie A 185 | 1ha19a50ca | WEILAND |
| Sectie A 186 | 1ha16a30ca | WEILAND |
| Sectie A 187 | 0ha40a10ca | WEILAND |
| Sectie A 187/2 | 0ha11a80ca | TUIN |
| Sectie A 188 | 0ha13a80ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie A 191B | 0ha39a30ca | WEILAND |
| Sectie A 192 | 0ha58a10ca | WEILAND |
| Sectie A 193 | 0ha83a20ca | WEILAND |
| Sectie A 194 | 0ha78a00ca | BOUWLAND |
| Sectie A 195 | 0ha75a60ca | BOUWLAND |
| Sectie A 368 | 1ha03a70ca | BOUWLAND |
| Sectie A 369 | 1ha07a20ca | BOUWLAND |
| Sectie A 440 | 0ha15a90ca | WEILAND |
| Sectie A 443A | 0ha05a40ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie A 443D | 0ha26a30ca | WEILAND |
| Sectie A 444A | 0ha13a20ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie A 444B | 0ha58a40ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie A 445 | 0ha80a60ca | WEILAND |
| Sectie A 446 | 0ha05a70ca | WEILAND |
| Sectie A 447 | 0ha19a80ca | WEILAND |
| Sectie A 448C | 1ha12a00ca | WEILAND |
| Sectie A 454B | 0ha14a00ca | TUIN |
| Sectie A 455A | 0ha50a40ca | WEILAND |
| Sectie A 456 | 0ha51a10ca | WEILAND |
| Sectie A 457 | 0ha61a40ca | WEILAND |
| Sectie A 458 | 0ha80a60ca | BOUWLAND |
| Sectie A 459 | 0ha79a40ca | BOUWLAND |
| Sectie A 460 | 0ha79a40ca | BOUWLAND |
| Sectie A 461 | 0ha79a40ca | BOUWLAND |
| Sectie A 462A | 2ha41a60ca | BOUWLAND |
| Sectie A 466A | 0ha58a30ca | WEILAND |
| Sectie A 472A | 1ha22a00ca | WEILAND |
| Sectie A 475A | 0ha47a30ca | WEILAND |
| Sectie A 476A | 0ha07a90ca | TUIN |
| Sectie A 479A | 0ha09a50ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie A 482 | 0ha74a30ca | BOUWLAND |
| Sectie A 483 | 0ha79a00ca | BOUWLAND |
| Sectie A 484 | 0ha80a60ca | BOUWLAND |
| Sectie A 485 | 0ha64a80ca | WEILAND |
| Sectie A 486 | 0ha85a50ca | WEILAND |
| Sectie A 487 | 0ha95a40ca | BOUWLAND |
| Sectie A 488 | 1ha03a00ca | BOUWLAND |
| Sectie A 489 | 0ha99a20ca | BOUWLAND |
| Sectie A 490 | 0ha68a50ca | BOUWLAND |
| Sectie A 491 | 0ha68a10ca | BOUWLAND |
| Sectie A 492 | 0ha70a30ca | BOUWLAND |
| Sectie A 493 | 0ha68a50ca | BOUWLAND |
| Sectie A 494 | 0ha68a50ca | BOUWLAND |
| Sectie A 495 | 0ha70a70ca | BOUWLAND |
| Sectie A 496 | 0ha72a60ca | BOUWLAND |
| Sectie A 497 | 0ha71a80ca | BOUWLAND |
| Sectie A 498 | 0ha68a00ca | BOUWLAND |
| Sectie A 499 | 0ha47a60ca | BOUWLAND |
| Sectie A 500 | 0ha73a30ca | BOUWLAND |
| Sectie A 501 | 0ha75a20ca | BOUWLAND |
| Sectie A 502 | 0ha76a80ca | BOUWLAND |
| Sectie A 503 | 0ha87a80ca | BOUWLAND |
| Sectie A 504 | 0ha48a60ca | BOUWLAND |
| Sectie A 505 | 0ha76a20ca | BOUWLAND |
| Sectie A 506 | 0ha79a40ca | BOUWLAND |
| Sectie A 507 | 0ha49a90ca | BOUWLAND |
| Sectie A 508 | 0ha51a30ca | BOUWLAND |
| Sectie A 509 | 0ha52a70ca | BOUWLAND |
| Sectie A 510X | 1ha47a95ca | WEILAND |
| Sectie A 510Z | 0ha14a85ca | WEILAND |
| Sectie A 604 | 0ha63a40ca | WEILAND |
| Sectie A 607 | 1ha17a00ca | WEILAND |
| Sectie A 608 | 1ha81a20ca | WEILAND |
| Sectie A 609A | 0ha00a40ca | WEILAND |
| Sectie A 609B | 1ha89a10ca | WEILAND |
| Sectie A 610 | 2ha73a80ca | WEILAND |
| Sectie A 611A | 2ha51a10ca | BOUWLAND |
| Sectie A 612/2 | 0ha33a18ca | BOUWLAND |
| Sectie B 1 | 0ha79a00ca | DIJK |
| Sectie B 2 | 0ha59a50ca | DIJK |
| Sectie B 3 | 0ha20a20ca | DIJK |
| Sectie B 4 | 0ha59a50ca | DIJK |
| Sectie B 5B 3 | 0ha01a82ca | TUIN |
| Sectie B 5G 2 | 0ha01a40ca | TUIN |
| Sectie B 5H 2 | 0ha01a60ca | TUIN |
| Sectie B 5K 3 | 0ha25a72ca | WEILAND |
| Sectie B 5L 3 | 0ha05a62ca | TUIN |
| Sectie B 5M 3 | 0ha10a84ca | TUIN |
| Sectie B 5N 2 | 0ha32a20ca | DIJK |
| Sectie B 5N 3 | 0ha01a30ca | TUIN |
| Sectie B 5P 2 | 0ha00a70ca | WEG |
| Sectie B 5P 3 | 0ha02a30ca | TUIN |
| Sectie B 5R 2 | 0ha01a00ca | TUIN |
| Sectie B 5V 2 | 0ha01a30ca | WOESTE GR. |
| Sectie B 5W 2 | 0ha01a40ca | TUIN |
| Sectie B 5X 2 | 0ha02a40ca | TUIN |
| Sectie B 5Y 2 | 0ha01a50ca | TUIN |
| Sectie B 5Z 2 | 0ha02a30ca | TUIN |
| Sectie B 6 | 0ha50a00ca | SLOOT |
| Sectie B 7C | 0ha02a30ca | WEILAND |
| Sectie B 8C | 1ha16a90ca | WEILAND |
| Sectie B 14C | 0ha19a72ca | TUIN |
| Sectie B 16 | 0ha13a80ca | WEILAND |
| Sectie B 17 | 0ha41a60ca | BOUWLAND |
| Sectie B 18 | 0ha50a20ca | BOUWLAND |
| Sectie B 19 | 0ha40a50ca | BOUWLAND |
| Sectie B 20 | 0ha27a80ca | WEILAND |
| Sectie B 21C | 0ha74a10ca | WEILAND |
| Sectie B 26A | 0ha13a90ca | WEILAND |
| Sectie B 26B | 0ha21a60ca | WEILAND |
| Sectie B 27 | 0ha40a00ca | BOUWLAND |
| Sectie B 29 | 0ha45a40ca | WEILAND |
| Sectie B 30 | 0ha35a30ca | WEILAND |
| Sectie B 31 | 0ha04a30ca | SLOOT |
| Sectie B 32 | 0ha11a70ca | WEILAND |
| Sectie B 33 | 0ha16a70ca | WEILAND |
| Sectie B 34 | 1ha03a00ca | WEILAND |
| Sectie B 35 | 0ha19a20ca | POEL |
| Sectie B 36 | 0ha71a10ca | BOUWLAND |
| Sectie B 38A | 0ha77a80ca | BOUWLAND |
| Sectie B 42 | 0ha49a30ca | BOUWLAND |
| Sectie B 43 | 0ha46a20ca | BOUWLAND |
| Sectie B 44A | 0ha16a60ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie B 44C | 0ha29a60ca | WEILAND |
| Sectie B 45N | 0ha16a10ca | BOUWLAND |
| Sectie B 45P | 0ha19a80ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie B 45R | 0ha13a80ca | WOESTE GR. |
| Sectie B 46 | 1ha28a80ca | BOUWLAND |
| Sectie B 47C | 0ha10a30ca | WEILAND |
| Sectie B 49 | 0ha01a90ca | SLOOT |
| Sectie B 50 | 0ha10a10ca | WEILAND |
| Sectie B 51 | 0ha01a70ca | WEG |
| Sectie B 52 | 0ha08a20ca | POEL |
| Sectie B 53 | 0ha25a70ca | WEILAND |
| Sectie B 54 | 0ha07a10ca | POEL |
| Sectie B 55B | 0ha57a23ca | MOERAS |
| Sectie B 57E | 0ha01a30ca | TUIN |
| Sectie B 58 | 0ha21a40ca | DIJK |
| Sectie B 61D | 0ha10a41ca | WEILAND |
| Sectie B 62 | 0ha58a00ca | WEILAND |
| Sectie B 63C | 0ha77a55ca | WEILAND |
| Sectie B 64D | 1ha59a18ca | WEILAND |
| Sectie B 68A | 0ha68a45ca | BOUWLAND |
| Sectie B 69A | 0ha66a57ca | BOUWLAND |
| Sectie B 70 | 0ha57a60ca | WEILAND |
| Sectie B 71D | 0ha54a90ca | BOUWLAND |
| Sectie B 73F | 0ha03a20ca | TUIN |
| Sectie B 74W | 0ha30a80ca | BOUWLAND |
| Sectie B 78H | 0ha07a40ca | BOUWLAND |
| Sectie B 78K | 0ha17a60ca | WEILAND |
| Sectie B 78L | 0ha06a20ca | TUIN |
| Sectie B 78M | 0ha09a20ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie B 78P | 0ha12a80ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie B 79 | 0ha33a50ca | WEILAND |
| Sectie B 80 | 0ha17a00ca | WEILAND |
| Sectie B 81 | 0ha58a00ca | WEILAND |
| Sectie B 82E | 3ha08a47ca | WEILAND |
| Sectie B 82F | 3ha47a58ca | WEILAND |
| Sectie B 83 | 0ha15a60ca | WEILAND |
| Sectie B 84 | 0ha46a80ca | WEILAND |
| Sectie B 85 | 0ha41a50ca | WEILAND |
| Sectie B 86 | 0ha28a50ca | BOUWLAND |
| Sectie B 87 | 0ha16a80ca | BOUWLAND |
| Sectie B 88 | 0ha15a30ca | WEILAND |
| Sectie B 89 | 0ha11a50ca | BOUWLAND |
| Sectie B 90 | 0ha05a60ca | BOUWLAND |
| Sectie B 91 | 0ha38a20ca | WEILAND |
| Sectie B 91/2 | 0ha60a00ca | SLOOT |
| Sectie B 92M | 0ha60a10ca | WEILAND |
| Sectie B 92R | 0ha08a30ca | WOESTE GR. |
| Sectie B 92S | 0ha12a70ca | WOESTE GR. |
| Sectie B 92T | 0ha03a90ca | WOESTE GR. |
| Sectie B 93 | 0ha57a60ca | WEILAND |
| Sectie B 94F | 0ha12a90ca | WOESTE GR. |
| Sectie B 96L | 0ha13a60ca | WOESTE GR. |
| Sectie B 99F | 0ha04a10ca | WOESTE GR. |
| Sectie B 99G | 0ha15a70ca | WEILAND |
| Sectie B 99H | 0ha08a30ca | WOESTE GR. |
| Sectie B 100P | 0ha33a30ca | BOUWLAND |
| Sectie B 103 | 0ha26a50ca | BOUWLAND |
| Sectie B 104 | 0ha59a30ca | WEILAND |
| Sectie B 105 | 0ha67a30ca | WEILAND |
| Sectie B 106A | 0ha41a40ca | WEILAND |
| Sectie B 107A | 0ha46a30ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie B 108 | 0ha02a70ca | TUIN |
| Sectie B 109 | 0ha13a30ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie B 110 | 0ha02a40ca | TUIN |
| Sectie B 111E | 0h03a55ca | TUIN |
| Sectie B 111F | 0ha03a43ca | TUIN |
| Sectie B 118K | 0ha04a67ca | TUIN |
| Sectie B 119B | 0ha13a30ca | TUIN |
| Sectie B 120B | 0ha77a32ca | WEILAND |
| Sectie B 129C | 0ha28a70ca | WOESTE GR. |
| Sectie B 129D | 0ha37a83ca | WOESTE GR. |
| Sectie B 131L | 0ha18a16ca | WEILAND |
| Sectie B 135D | 0ha04a30ca | BOUWLAND |
| Sectie B 136D | 0ha04a10ca | BOUWLAND |
| Sectie B 137B | 0ha02a60ca | WEG |
| Sectie B 138D | 0ha00a14ca | WEILAND |
| Sectie B 138E | 0ha36a40ca | WEILAND |
| Sectie B 138E | 0ha04a74ca | WEG |
| Sectie B 201B | 0ha76a44ca | WEILAND |
| Sectie B 202B | 0ha61a20ca | WEILAND |
| Sectie B 203E | 0ha72a34ca | WEILAND |
| Sectie B 204M | 0ha44a20ca | WEILAND |
| Sectie B 205C | 0ha03a30ca | TUIN |
| Sectie B 206B | 0ha15a00ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie B 208 | 0ha05a80ca | POEL |
| Sectie B 209A | 0ha08a19ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie B 211B | 0ha92a99ca | BOUWLAND |
| Sectie B 221B | 1ha80a02ca | BOUWLAND |
| Sectie B 222M 2 | 0ha33a44ca | WOESTE GR. |
| Sectie B 222N 2 | 0ha22a81ca | WOESTE GR. |
| Sectie B 223P | 0ha58a77ca | WEILAND |
| Sectie B 224D | 0ha43a10ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie B 224K | 0ha19a15ca | WEILAND |
| Sectie B 225F | 0ha12a93ca | WOESTE GR. |
| Sectie B 225G | 0ha07a09ca | WOESTE GR. |
| Sectie B 225H | 0ha07a09ca | WOESTE GR. |
| Sectie B 225K | 0ha01a55ca | WOESTE GR. |
| Sectie B 517 | 0ha13a60ca | DIJK |
| Sectie B 518 | 0ha98a70ca | DIJK |
| Sectie C 78B | 0ha22a10ca | BOUWLAND |
| Sectie C 79A | 0ha22a10ca | BOUWLAND |
| Sectie C 80A | 0ha22a50ca | BOUWLAND |
| Sectie C 81A | 0ha09a60ca | BOUWLAND |
| Sectie C 88B | 4ha54a44ca | BOOMG. LAAG |
| Sectie C 90 | 1ha38a60ca | BOUWLAND |
| Sectie C 98B | 0ha91a21ca | BOUWLAND |
| Sectie C 100B | 1ha87a50ca | BOUWLAND |
| Sectie C 102A | 0ha94a50ca | WEILAND |
| Sectie C 104B | 1ha69a12ca | BOUWLAND |
| Sectie C 204 | 1ha95a50ca | BOUWLAND |
| Sectie C 207 | 0ha52a40ca | BOUWLAND |
| Sectie C 208 | 1ha07a10ca | BOUWLAND |
| Sectie C 209 | 0ha95a50ca | BOUWLAND |
| Sectie C 210 | 0ha97a50ca | BOUWLAND |
| Sectie C 211A | 0ha59a38ca | BOUWLAND |
| Sectie C 211B | 0ha34a20ca | BOUWLAND |
| Sectie C 212 | 0ha57a00ca | BOUWLAND |
| Sectie C 213A | 0ha68a90ca | BOUWLAND |
| Sectie C 213B | 0ha19a19ca | BOUWLAND |
| Sectie C 214 | 0ha57a00ca | BOUWLAND |
| Sectie C 216A | 1ha38a04ca | WEILAND |
| Sectie C 219D | 0ha03a10ca | POEL |
| Sectie C 223F | 0ha89a61ca | BOUWLAND |
| Sectie C 246A | 2ha17a45ca | BOUWLAND |
| Sectie C 249A | 0ha52a71ca | BOUWLAND |
| Sectie C 250A | 0ha56a52ca | BOUWLAND |
| Sectie C 253A | 2ha21a02ca | BOUWLAND |
| Sectie C 315A | 1ha45a40ca | BOUWLAND |
| Sectie C 319A | 0ha55a00ca | WEILAND |
| Sectie C 325A | 0ha72a60ca | WEILAND |
| Sectie C 338 | 0ha24a60ca | WEILAND |
| Sectie C 340 | 0ha19a00ca | WEILAND |
| Sectie C 341 | 2ha06a40ca | WEILAND |
| Sectie C 342 | 0ha18a40ca | WEILAND |
| Sectie C 343/2 | 0ha06a60ca | WEILAND |
| Sectie C 345 | 1ha11a00ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie C 361A | 0ha60a50ca | BOUWLAIND |
| Sectie C 369B | 0ha24a60ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie C 370A | 0ha23a70ca | BOUWLAND |
| Sectie C 370D | 0ha34a90ca | TUIN |
| Sectie C 371 | 0ha19a70ca | WEILAND |
| Sectie C 372 | 0ha24a20ca | WEILAND |
| Sectie C 373 | 0ha41a80ca | WEILAND |
| Sectie C 374 | 0ha41a40ca | WEILAND |
| Sectie C 375 | 0ha44a70ca | BOUWLAND |
| Sectie C 376 | 0ha48a40ca | BOUWLAND |
| Sectie C 377 | 0ha64a70ca | BOUWLAND |
| Sectie C 378 | 0ha23a60ca | WEILAND |
| Sectie C 379 | 0ha18a80ca | WEILAND |
| Sectie C 380 | 0ha36a70ca | WEILAND |
| Sectie C 381 | 0ha25a40ca | WEILAND |
| Sectie C 382 | 0ha25a80ca | WEILAND |
| Sectie C 383 | 0ha25a40ca | WEILAND |
| Sectie C 384 | 0ha15a50ca | WEILAND |
| Sectie C 385 | 0ha25a40ca | WEILAND |
| Sectie C 386 | 0ha15a90ca | WEILAND |
| Sectie C 387 | 0ha05a30ca | WEILAND |
| Sectie C 388 | 0ha27a70ca | WEILAND |
| Sectie C 389 | 0ha28a70ca | WEILAND |
| Sectie C 390 | 0ha28a70ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie C 423 | 1ha09a70ca | BOUWLAND |
| Sectie C 424 | 1ha08a80ca | BOUWLAND |
| Sectie C 446E | 10ha01a70ca | GROND |
-
Totale oppervlakte Beveren 6e afdeling (KIELDRBCHT) : 158ha29a77ca.
Beveren 9e afdeling (MELSELE).
Beveren 9e afdeling (MELSELE).
-
| perceelgegevens | Oppervlakte | Aard |
| Sectie B 877B | 0ha01a43ca | WOESTE GR. |
| Sectie B 879E | 0ha01a60ca | WEILAND |
| Sectie B 879G | 0ha01a45ca | WOESTE GR. |
| Sectie B 918D | 0ha00a05ca | ELEK. CABIN |
| Sectie B 922C | 0ha47a13ca | BOUWLAND |
| Sectie B 929E | 1ha36a73ca | BOUWLAND |
| Sectie B 932B | 0ha99a47ca | BOUWLAND |
| Sectie B 933B | 0ha74a23ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie B 935V | 0ha35a76ca | BOUWLAND |
| Sectie B 954A | 1ha43a45ca | BOUWLAND |
| Sectie B 969 | 0ha74a16ca | BOUWLAND |
| Sectie B 971 | 0ha99a45ca | WEILAND |
| Sectie B 973A | 0ha90a85ca | BOUWLAND |
| Sectie B 981A | 0ha65a79ca | WEILAND |
| Sectie B 982A | 0ha38a96ca | BOUWLAND |
| Sectie B 984A | 0ha18a94ca | BOUWLAND |
| Sectie B 985E | 0ha12a57ca | BOUWLAND |
| Sectie B 989A | 0ha20a37ca | BOUWLAND |
| Sectie B 989C | 0ha05a33ca | WOESTE GR. |
| Sectie B 990A | 0ha41a52ca | BOUWLAND |
| Sectie B 991 | 0ha76a20ca | BOUWLAND |
| Sectie B 993 | 0ha73a00ca | WEILAND |
| Sectie B 1006A | 3ha13a27ca | BOUWLAND |
| Sectie B 1007B | 0ha19a09ca | BOUWLAND |
| Sectie B 1007C | 0ha04a80ca | BOUWLAND |
| Sectie B 1010C | 0ha47a14ca | BOUWLAND |
| Sectie B 1012A | 2ha18a90ca | BOUWLAND |
| Sectie B 1167A | 0ha86a89ca | WEILAND |
| Sectie C 1188B | 0ha42a94ca | WOESTE GR. |
| Sectie D 371E | 0ha11a72ca | BOUWLAND |
| Sectie D 372F | 0ha10a27ca | WEILAND |
| Sectie D 385D | 0ha05a30ca | BOUWLAND |
| Sectie D 1166/2 | 0ha10a08ca | BOUWLAND |
| Sectie E 66D | 0ha40a61ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie E 77B | 0ha10a00ca | BOUWLAND |
| Sectie F 2C | 0ha32a49ca | BOUWLAND |
| Sectie F 7A | 0ha15a65ca | BOUWLAND |
| Sectie F 7B | 0ha44a81ca | BOUWLAND |
| Sectie H 23 | 0ha81a70ca | BOUWLAND |
| Sectie H 27A | 1ha18a10ca | BOUWLAND |
| Sectie H 28C | 0ha43a75ca | SLOOT |
| Sectie H 30A | 0ha00a12ca | BOUWLAND |
| Sectie H 35B | 0ha65a05ca | BOUWLAND |
| Sectie H 1017F | 0ha49a40ca | BOUWLAND |
| Sectie H 1018C | 0ha48a12ca | BOUWLAND |
| Sectie H 1019F | 0ha25a30ca | BOUWLAND |
-
Totale oppervlakte Beveren 9e afdeling (MELSELE) : 25ha03a94ca.
Beveren 5e afdeling (VERREBROEK).
Beveren 5e afdeling (VERREBROEK).
-
| perceelgegevens | Oppervlakte | Aard |
| Sectie A 553A/2 | 0ha12a00ca | DIJK |
| Sectie B 17A | 0ha00a21ca | BOUWLAND |
| Sectie B 19E | 0ha03a85ca | BOUWLAND |
| Sectie B 637B | 0ha09a60ca | DIJK |
| Sectie B 1068A | 0ha29a69ca | BOOMG. LAAG |
| Sectie C 729F | 0ha16a21ca | BOUWLAND |
| Sectie C 736A | 0ha09a60ca | BOUWLAND |
-
Totale oppervlakte Beveren 5e afdeling (VERREBROEK) : 0ha81a16ca.
Totale oppervlakte Landbouwgronden : 236ha22a57ca.
Landbouwentiteiten.
Beveren 7e afdeling(DOEL).
Totale oppervlakte Landbouwgronden : 236ha22a57ca.
Landbouwentiteiten.
Beveren 7e afdeling(DOEL).
-
| perceelgegevens | Oppervlakte | Aard |
| Sectie A 2B 8 | 0ha01a04ca | LANDGEBOUW |
| Sectie A 2D 8 | 0ha85a60ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie A 2E 8 | 0ha10a70ca | HOEVE |
| Sectie A 2K 6 | 0ha09a20ca | LANDGEBOUW |
| Sectie A2 N 3 | 0ha05a20ca | TUIN |
| Sectie A 2N 4 | 0ha20a80ca | WEILAND |
| Sectie A 2P 4 | 0ha05a30ca | TUIN |
| Sectie A 2P 6 | 0ha00a99ca | LANDGEBOUW |
| Sectie A 2R 6 | 0ha47a97ca | WEILAND |
| Sectie A 2T 6 | 0ha17a00ca | HOEVE |
| Sectie A 2Y 8 | 0ha82a92ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie A 114C | 0ha58a88ca | HOEVE |
| Sectie A 314G | 0ha03a69ca | LANDGEBOUW |
| Sectie A 315K | 0ha56a70ca | WEILAND |
| Sectie A 324A | 0ha26a10ca | WEILAND |
| Sectie A 325B | 0ha19a70ca | HOEVE |
| Sectie A 325C | 0ha15a10ca | WEILAND |
| Sectie B 15C | 0ha67a20ca | HOEVE |
-
Totale oppervlakte Beveren 7e afdeling (DOEL) : 5ha34a09ca.
Beveren 8e afdeling (KALLO).
Beveren 8e afdeling (KALLO).
-
| perceelgegevens | Oppervlakte | Aard |
| Sectie C 202C | 0ha61a89ca | HOEVE |
-
Totale oppervlakte Beveren 8e afdeling (KALLO) : 0ha61a89ca.
Beveren 6e afdeling (KIELDRECHT).
Beveren 6e afdeling (KIELDRECHT).
-
| perceelgegevens | Oppervlakte | Aard |
| Sectie A 164K | 0ha34a60ca | HOEVE |
| Sectie A 171B | 0ha11a05ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie A 173A | 0ha01a00ca | POEL |
| Sectie A 190E | 0ha18a50ca | HOEVE |
| Sectie A 191A | 0ha00a90ca | LANDGEBOUW |
| Sectie A 441A | 0ha13a60ca | HOEVE |
| Sectie A 453C | 0ha04a90ca | HOEVE |
| Sectie A 453D | 0ha03a40ca | LANDGEBOUW |
| Sectie A 453E | 0ha15a90ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie B 23L | 0ha50a60ca | HOEVE |
| Sectie B 66K | 0ha53a15ca | LANDGEBOUW |
| Sectie B 114C | 0ha13a90ca | HUIS |
| Sectie C 85E | 0ha30a42ca | BOOMG. HOOG |
| Sectie C 85H | 0ha05a31ca | TUIN |
| Sectie C 85K | 0ha29a50ca | HOEVE |
| Sectie C 391H | 0ha25a40ca | HUIS |
| Sectie C 391K | 0ha04a20ca | TUIN |
-
Totale oppervlakte Beveren 6e afdeling (KIELDRECHT) : 3ha16a33ca.
Totale oppervlakte Landbouwentiteiten : 9ha12a31ca.
Totale oppervlakte Landbouwentiteiten : 9ha12a31ca.
-