Artikel 1. Artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 21 december 1988 houdende de organisatie van de Vlaamse Dienst voor arbeidsbemiddeling en de Beroepsopleiding wordt aangevuld met de volgende bepalingen :
" 31° : wisselbaan : een baan waar een wisseling van werknemers plaatsvindt via een enkelvoudig of dubbel opleidingsspoor :
- de zittende werknemer wordt via een opleiding gebracht tot de functie die bij zijn/haar competenties aansluit;
- de inschuivende werkzoekende wordt begeleid of via een inschuifopleiding op de werkvloer geschoold in de nieuwe functie die vrijkomt.
32° : lokale werkwinkel : een lokaal werkgelegenheidsloket waar de volgende diensten worden verstrekt :
- geïntegreerde basisdienstverlening onder regie van de Dienst in samenwerking met lokale partners;
- lokale dienstenwerkgelegenheid onder regie van de gemeenten.
33° : invoeginterim : elke vorm van interim zoals bedoeld in artikel 194 van de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen. ".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
23 NOVEMBER 2001. - Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging, met betrekking tot de wisselbanen, van het besluit van de Vlaamse regering van 21 december 1988 houdende de organisatie van de Vlaamse Dienst voor arbeidsbemiddeling en de Beroepsopleiding.
Titre
23 NOVEMBRE 2001. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant, en ce qui concerne la rotation d'emploi, l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 1988 portant organisation de l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle (TRADUCTION).
Documentinformatie
Info du document
Tekst (5)
Texte (5)
Article 1. L'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 décembre 1988 portant organisation de l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle est complété comme suit :
" 31° : la rotation d'emploi : un emploi pour lequel une rotation de travailleurs a lieu par une voie de formation simple ou double :
- le travailleur en exercice est orienté, par le biais d'une formation, vers la fonction qui correspond avec ses compétences;
- le demandeur d'emploi qui s'insère, est accompagné ou est formé par le biais d'une formation d'insertion sur le lieu de travail, pour la nouvelle fonction qui devient vacante.
32° la maison locale de l'emploi : un guichet local de l'emploi fournissant les services suivants :
- le service de base intégré sous la régie de l'Office en collaboration avec les partenaires locaux;
- emploi dans le secteur des services locaux sous la régie des communes.
33° l'intérim d'insertion : toute forme d'intérim tel que visé à l'article 194 de la loi du 12 août 2000 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses. ".
" 31° : la rotation d'emploi : un emploi pour lequel une rotation de travailleurs a lieu par une voie de formation simple ou double :
- le travailleur en exercice est orienté, par le biais d'une formation, vers la fonction qui correspond avec ses compétences;
- le demandeur d'emploi qui s'insère, est accompagné ou est formé par le biais d'une formation d'insertion sur le lieu de travail, pour la nouvelle fonction qui devient vacante.
32° la maison locale de l'emploi : un guichet local de l'emploi fournissant les services suivants :
- le service de base intégré sous la régie de l'Office en collaboration avec les partenaires locaux;
- emploi dans le secteur des services locaux sous la régie des communes.
33° l'intérim d'insertion : toute forme d'intérim tel que visé à l'article 194 de la loi du 12 août 2000 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses. ".
Art. 2. In Titel II, Hoofdstuk IV van hetzelfde besluit wordt de afdeling 2 vervangen door wat volgt :
" Afdeling 2. - Toekennen van een begeleidingspremie aan het uitzendkantoor dat een arbeidsovereenkomst voor invoeginterim sluit met een langdurig niet-werkende werkzoekende.
Art. 63. Een financiële tegemoetkoming, binnen de daartoe voorziene kredieten, onder de vorm van een begeleidingspremie kan toegekend worden aan het uitzendkantoor dat een voltijdse arbeidsovereenkomst voor invoeginterim sluit met een langdurig niet-werkende werkzoekende en dit in het kader van een wisselbaan.
Art. 64. Voor de toepassing van artikel 63 wordt onder langdurig niet-werkende werkzoekende verstaan :
1° de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze die op het ogenblik van de indienstneming zonder onderbreking werkloosheids- of wachtuitkeringen geniet volgens het uitkeringsstelsel voorzien in artikel 100 of 103 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, sinds ten minste :
a) vierentwintig kalendermaanden indien hij de leeftijd van 45 jaar niet heeft bereikt;
b) zes kalendermaanden indien hij de leeftijd van 45 jaar wel heeft bereikt;
2° de niet-werkende werkzoekenden waarvan het recht op uitkeringen wegens langdurige werkloosheid geschorst werd krachtens de bepalingen van hoofdstuk III, afdeling 8, van het voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991 of op basis van artikel 143 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid;
3° de personen die zich wensen in te schakelen of terug in te schakelen op de arbeidsmarkt en tegelijkertijd aan de volgende voorwaarden voldoen :
a) zij leveren het bewijs af dat zij op een bepaald ogenblik gedurende hun beroepsloopbaan 312 arbeidsdagen of daaraan gelijkgestelde dagen in de zin van de werkloosheidsreglementering gepresteerd hebben gedurende een periode van achttien maanden, ofwel tonen zij aan dat zij minstens één werkloosheidsuitkering genoten hebben op basis van arbeidsprestaties, buiten de periode bedoeld in b);
b) op het ogenblik van de indienstneming hebben zij gedurende een periode van minstens vierentwintig maanden zonder onderbreking geen werkloosheidsuitkeringen genoten en geen arbeidsprestaties geleverd als loontrekkende of zelfstandige;
c) zij zijn op het ogenblik van de indienstneming ingeschreven als werkzoekende.
De volgende periodes worden gelijkgesteld met een periode van volledig vergoede werkloosheid :
1° de periodes die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van wets- of reglementsbepalingen inzake verplichte verzekering tegen ziekte- of invaliditeit of inzake moederschapsverzekering, gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
2° de periodes van hechtenis of gevangenzetting, gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
3° de periodes gedurende welke de werkloze heeft genoten van een uitkering die werd toegekend krachtens artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid der arbeiders en zijn uitvoeringsbesluiten;
4° de periodes van tewerkstelling in toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, alsmede de periodes van gerechtigde op het bestaansminimum of de ermee gelijkgestelde periodes die deze periode van tewerkstelling in toepassing van voormeld artikel 60, § 7 onmiddellijk voorafgaan;
5° de andere onderbrekende gebeurtenissen, met inbegrip van de periodes van deeltijdse arbeid, met een duurtijd van korter dan drie volledige kalendermaanden. Nochtans, als de onderbrekende gebeurtenis enkel en volledig te wijten is aan een tewerkstelling met een arbeidsovereenkomst in het kader van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen, mag de onderbreking maximum zes volledige kalendermaanden bedragen.
Art. 65. Het bedrag van de tegemoetkoming bedraagt 250 euro per maand wanneer de betrokken langdurig niet-werkende werkzoekende verbonden is door een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die voorziet in een voltijds uurrooster, of door meerdere schriftelijke arbeidsovereenkomsten die met een voltijds uurrooster equivalent zijn.
Het in het vorige lid bedoelde bedrag is evenwel begrensd in verhouding tot het aantal kalenderdagen van de maand waarvoor de werknemer verbonden is door een arbeidsovereenkomst, wanneer de betrokken maand niet volledig is.
Art. 66. De begeleidingspremie moet aangewend worden voor de opleiding of begeleiding van de aangeworven langdurig niet-werkende werkzoekende. De begeleiding of de opleiding moet de arbeidsmarktinzetbaarheid van de werknemer verhogen. Ter realisatie hiervan moet er een geïndividualiseerd begeleidingsplan opgesteld worden waarbij het uitzendkantoor een gespecialiseerde begeleidingsorganisatie inschakelt en er een protocolovereenkomst mee afsluit. Deze organisatie kan zijn, ofwel de VDAB, ofwel een andere organisatie, erkend door de VDAB.
Art. 67. De toeleiding van de langdurig niet-werkende werkzoekenden naar de participerende uitzendkantoren gebeurt via de lokale werkwinkels in het kader van een trajectbegeleidingsaanpak.
Art. 68. De in deze afdeling bedoelde begeleidingspremie kan worden toegekend voor een begeleidings- en opleidingsperiode van maximaal één jaar en dit volgens de modaliteiten bepaald door het Beheerscomité en binnen de daartoe voorziene kredieten.
Art. 69. De in deze afdeling bedoelde begeleidingspremie is niet cumuleerbaar met de begeleidingsuitkering zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 16 april 1998 waarbij het bedrag, de voorwaarden, de duur en de modaliteiten worden bepaald van de toelage bedoeld in artikel 18, § 4, tweede lid, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum. ".
" Afdeling 2. - Toekennen van een begeleidingspremie aan het uitzendkantoor dat een arbeidsovereenkomst voor invoeginterim sluit met een langdurig niet-werkende werkzoekende.
Art. 63. Een financiële tegemoetkoming, binnen de daartoe voorziene kredieten, onder de vorm van een begeleidingspremie kan toegekend worden aan het uitzendkantoor dat een voltijdse arbeidsovereenkomst voor invoeginterim sluit met een langdurig niet-werkende werkzoekende en dit in het kader van een wisselbaan.
Art. 64. Voor de toepassing van artikel 63 wordt onder langdurig niet-werkende werkzoekende verstaan :
1° de uitkeringsgerechtigde volledig werkloze die op het ogenblik van de indienstneming zonder onderbreking werkloosheids- of wachtuitkeringen geniet volgens het uitkeringsstelsel voorzien in artikel 100 of 103 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, sinds ten minste :
a) vierentwintig kalendermaanden indien hij de leeftijd van 45 jaar niet heeft bereikt;
b) zes kalendermaanden indien hij de leeftijd van 45 jaar wel heeft bereikt;
2° de niet-werkende werkzoekenden waarvan het recht op uitkeringen wegens langdurige werkloosheid geschorst werd krachtens de bepalingen van hoofdstuk III, afdeling 8, van het voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991 of op basis van artikel 143 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid;
3° de personen die zich wensen in te schakelen of terug in te schakelen op de arbeidsmarkt en tegelijkertijd aan de volgende voorwaarden voldoen :
a) zij leveren het bewijs af dat zij op een bepaald ogenblik gedurende hun beroepsloopbaan 312 arbeidsdagen of daaraan gelijkgestelde dagen in de zin van de werkloosheidsreglementering gepresteerd hebben gedurende een periode van achttien maanden, ofwel tonen zij aan dat zij minstens één werkloosheidsuitkering genoten hebben op basis van arbeidsprestaties, buiten de periode bedoeld in b);
b) op het ogenblik van de indienstneming hebben zij gedurende een periode van minstens vierentwintig maanden zonder onderbreking geen werkloosheidsuitkeringen genoten en geen arbeidsprestaties geleverd als loontrekkende of zelfstandige;
c) zij zijn op het ogenblik van de indienstneming ingeschreven als werkzoekende.
De volgende periodes worden gelijkgesteld met een periode van volledig vergoede werkloosheid :
1° de periodes die aanleiding hebben gegeven tot betaling van een uitkering bij toepassing van wets- of reglementsbepalingen inzake verplichte verzekering tegen ziekte- of invaliditeit of inzake moederschapsverzekering, gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
2° de periodes van hechtenis of gevangenzetting, gelegen in een periode van volledige werkloosheid;
3° de periodes gedurende welke de werkloze heeft genoten van een uitkering die werd toegekend krachtens artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid der arbeiders en zijn uitvoeringsbesluiten;
4° de periodes van tewerkstelling in toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, alsmede de periodes van gerechtigde op het bestaansminimum of de ermee gelijkgestelde periodes die deze periode van tewerkstelling in toepassing van voormeld artikel 60, § 7 onmiddellijk voorafgaan;
5° de andere onderbrekende gebeurtenissen, met inbegrip van de periodes van deeltijdse arbeid, met een duurtijd van korter dan drie volledige kalendermaanden. Nochtans, als de onderbrekende gebeurtenis enkel en volledig te wijten is aan een tewerkstelling met een arbeidsovereenkomst in het kader van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen, mag de onderbreking maximum zes volledige kalendermaanden bedragen.
Art. 65. Het bedrag van de tegemoetkoming bedraagt 250 euro per maand wanneer de betrokken langdurig niet-werkende werkzoekende verbonden is door een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die voorziet in een voltijds uurrooster, of door meerdere schriftelijke arbeidsovereenkomsten die met een voltijds uurrooster equivalent zijn.
Het in het vorige lid bedoelde bedrag is evenwel begrensd in verhouding tot het aantal kalenderdagen van de maand waarvoor de werknemer verbonden is door een arbeidsovereenkomst, wanneer de betrokken maand niet volledig is.
Art. 66. De begeleidingspremie moet aangewend worden voor de opleiding of begeleiding van de aangeworven langdurig niet-werkende werkzoekende. De begeleiding of de opleiding moet de arbeidsmarktinzetbaarheid van de werknemer verhogen. Ter realisatie hiervan moet er een geïndividualiseerd begeleidingsplan opgesteld worden waarbij het uitzendkantoor een gespecialiseerde begeleidingsorganisatie inschakelt en er een protocolovereenkomst mee afsluit. Deze organisatie kan zijn, ofwel de VDAB, ofwel een andere organisatie, erkend door de VDAB.
Art. 67. De toeleiding van de langdurig niet-werkende werkzoekenden naar de participerende uitzendkantoren gebeurt via de lokale werkwinkels in het kader van een trajectbegeleidingsaanpak.
Art. 68. De in deze afdeling bedoelde begeleidingspremie kan worden toegekend voor een begeleidings- en opleidingsperiode van maximaal één jaar en dit volgens de modaliteiten bepaald door het Beheerscomité en binnen de daartoe voorziene kredieten.
Art. 69. De in deze afdeling bedoelde begeleidingspremie is niet cumuleerbaar met de begeleidingsuitkering zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 16 april 1998 waarbij het bedrag, de voorwaarden, de duur en de modaliteiten worden bepaald van de toelage bedoeld in artikel 18, § 4, tweede lid, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum. ".
Art. 2. Dans le Titre II, Chapitre IV du même arrêté, la section 2 est remplacée par ce qui suit :
" Section 2. - Octroi d'une prime d'accompagnement à l'entreprise d'intérim qui conclut une convention de travail pour intérim d'insertion avec un demandeur d'emploi inoccupé de longue durée
Art. 63. Une intervention financière, dans les limites des crédits prévus à cette fin, peut être octroyée sous forme d'une prime d'accompagnement à l'entreprise d'intérim qui conclut une convention de travail à temps plein pour intérim d'insertion avec un demandeur d'emploi inoccupé de longue durée, ce dans le cadre d'une rotation d'emploi.
Art. 64. Pour l'application de l'article 63, on entend par demandeur d'emploi inoccupé de longue durée :
1° le chômeur complet indemnisé qui, au moment de l'engagement, bénéficie sans interruption des allocations de chômage ou d'attente selon le régime d'indemnisation prévu à l'article 100 ou 103 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, depuis au moins :
a) vingt-quatre mois calendaires s'il n'a pas atteint l'âge de 45 ans;
b) six mois calendaires s'il a atteint l'âge de 45 ans;
2° le demandeur d'emploi inoccupé dont le droit aux allocations a été suspendu pour chômage de longue durée en vertu des dispositions du chapitre III, section 8, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité ou sur la base de l'article 143 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage;
3° la personne qui souhaite s'insérer ou se réinsérer sur le marché du travail et qui satisfait aux conditions suivantes :
a) apporter la preuve qu'au cours de sa carrière professionnelle, elle a presté 312 jours de travail ou jours y assimilés au sens de la réglementation du chômage au cours d'une période de dix-huit mois ou démontrer qu'elle a bénéficié d'au moins une allocation de chômage sur la base de ses prestations de travail, en dehors de la période visée au b);
b) au moment de l'engagement, n'avoir bénéficié d'aucune allocation de chômage et n'avoir fourni aucune prestation de travail en tant que salarié ou indépendant pendant une période ininterrompue d'au moins vingt-quatre mois;
c) être inscrite en tant que demandeur d'emploi au moment de l'engagement.
Les périodes suivantes sont assimilées à une période de chômage complet indemnisé :
1° les périodes ayant donné lieu au paiement d'une allocation par application de dispositions légales ou réglementaires en matière d'assurance obligatoire maladie ou invalidité ou en matière d'assurance maternité, situées pendant une période de chômage complet;
2° la période de détention ou d'emprisonnement, située pendant une période de chômage complet;
3° les périodes pendant lesquelles le chômeur a bénéficié d'une allocation octroyée en vertu de l'article 7, § 1er, troisième alinéa, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs et de ses arrêtés d'exécution;
4° les périodes de mise au travail en vertu de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale, ainsi que les périodes pendant lesquelles le demandeur d'emploi a bénéficié du minimum de moyens d'existence ou les périodes y assimilées qui précèdent immédiatement cette période de mise au travail en application de l'article 60, § 7, précité;
5° les autres interruptions, y compris les périodes de travail à temps partiel, d'une durée globale de moins de trois mois calendaires complets. Pourtant, si l'interruption est uniquement due à une mise au travail dans les liens d'un contrat de travail dans le cadre du régime des contractuels subventionnés, l'interruption peut s'élever au maximum à six mois calendaires complets.
Art. 65. Le montant de l'intervention s'élève à 250 euros par mois lorsque le demandeur d'emploi inoccupé de longue durée concerné est lié par un contrat de travail écrit à durée indéterminée qui prévoit un horaire à temps plein, ou par plusieurs contrats de travail écrits qui sont équivalents à un horaire à temps plein.
Le montant visé à l'alinéa précédent est toutefois limité en proportion du nombre de jours calendaires du mois pour lequel le travailleur est lié par un contrat de travail, lorsque le mois concerné n'est pas complet.
Art. 66. La prime d'accompagnement doit être affectée à l'accompagnement et/ou la formation du demandeur d'emploi inoccupé de longue durée engagé. L'accompagnement ou la formation doit améliorer l'employabilité du travailleur. A cette fin, un plan d'accompagnement individualisé doit être élaboré pour lequel l'entreprise d'intérim peut faire appel à une organisation d'accompagnement spécialisée avec laquelle elle conclut un protocole de convention. Cette organisation peut être soit le VDAB, soit une autre organisation agréée par le VDAB.
Art. 67. L'orientation des demandeurs d'emploi inoccupés de longue durée vers les entreprises d'intérim participantes se fait par le biais des maisons locales de l'emploi dans le cadre d'une approche de parcours d'insertion.
Art. 68. La prime d'accompagnement visée dans la présente section peut être octroyée pour une période d'accompagnement et de formation d'un an au maximum, selon les modalités fixées par le Comité de gestion et dans les limites des crédits prévus à cette fin.
Art. 69. La prime d'accompagnement visée dans la présente section ne peut être cumulée avec l'allocation d'accompagnement telle que visée par l'arrêté royal du 16 avril 1998 portant fixation du montant, des conditions, de la durée et des modalités de la subvention visée à l'article 18, § 4, alinéa 2, de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence. ".
" Section 2. - Octroi d'une prime d'accompagnement à l'entreprise d'intérim qui conclut une convention de travail pour intérim d'insertion avec un demandeur d'emploi inoccupé de longue durée
Art. 63. Une intervention financière, dans les limites des crédits prévus à cette fin, peut être octroyée sous forme d'une prime d'accompagnement à l'entreprise d'intérim qui conclut une convention de travail à temps plein pour intérim d'insertion avec un demandeur d'emploi inoccupé de longue durée, ce dans le cadre d'une rotation d'emploi.
Art. 64. Pour l'application de l'article 63, on entend par demandeur d'emploi inoccupé de longue durée :
1° le chômeur complet indemnisé qui, au moment de l'engagement, bénéficie sans interruption des allocations de chômage ou d'attente selon le régime d'indemnisation prévu à l'article 100 ou 103 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, depuis au moins :
a) vingt-quatre mois calendaires s'il n'a pas atteint l'âge de 45 ans;
b) six mois calendaires s'il a atteint l'âge de 45 ans;
2° le demandeur d'emploi inoccupé dont le droit aux allocations a été suspendu pour chômage de longue durée en vertu des dispositions du chapitre III, section 8, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité ou sur la base de l'article 143 de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage;
3° la personne qui souhaite s'insérer ou se réinsérer sur le marché du travail et qui satisfait aux conditions suivantes :
a) apporter la preuve qu'au cours de sa carrière professionnelle, elle a presté 312 jours de travail ou jours y assimilés au sens de la réglementation du chômage au cours d'une période de dix-huit mois ou démontrer qu'elle a bénéficié d'au moins une allocation de chômage sur la base de ses prestations de travail, en dehors de la période visée au b);
b) au moment de l'engagement, n'avoir bénéficié d'aucune allocation de chômage et n'avoir fourni aucune prestation de travail en tant que salarié ou indépendant pendant une période ininterrompue d'au moins vingt-quatre mois;
c) être inscrite en tant que demandeur d'emploi au moment de l'engagement.
Les périodes suivantes sont assimilées à une période de chômage complet indemnisé :
1° les périodes ayant donné lieu au paiement d'une allocation par application de dispositions légales ou réglementaires en matière d'assurance obligatoire maladie ou invalidité ou en matière d'assurance maternité, situées pendant une période de chômage complet;
2° la période de détention ou d'emprisonnement, située pendant une période de chômage complet;
3° les périodes pendant lesquelles le chômeur a bénéficié d'une allocation octroyée en vertu de l'article 7, § 1er, troisième alinéa, m, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs et de ses arrêtés d'exécution;
4° les périodes de mise au travail en vertu de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale, ainsi que les périodes pendant lesquelles le demandeur d'emploi a bénéficié du minimum de moyens d'existence ou les périodes y assimilées qui précèdent immédiatement cette période de mise au travail en application de l'article 60, § 7, précité;
5° les autres interruptions, y compris les périodes de travail à temps partiel, d'une durée globale de moins de trois mois calendaires complets. Pourtant, si l'interruption est uniquement due à une mise au travail dans les liens d'un contrat de travail dans le cadre du régime des contractuels subventionnés, l'interruption peut s'élever au maximum à six mois calendaires complets.
Art. 65. Le montant de l'intervention s'élève à 250 euros par mois lorsque le demandeur d'emploi inoccupé de longue durée concerné est lié par un contrat de travail écrit à durée indéterminée qui prévoit un horaire à temps plein, ou par plusieurs contrats de travail écrits qui sont équivalents à un horaire à temps plein.
Le montant visé à l'alinéa précédent est toutefois limité en proportion du nombre de jours calendaires du mois pour lequel le travailleur est lié par un contrat de travail, lorsque le mois concerné n'est pas complet.
Art. 66. La prime d'accompagnement doit être affectée à l'accompagnement et/ou la formation du demandeur d'emploi inoccupé de longue durée engagé. L'accompagnement ou la formation doit améliorer l'employabilité du travailleur. A cette fin, un plan d'accompagnement individualisé doit être élaboré pour lequel l'entreprise d'intérim peut faire appel à une organisation d'accompagnement spécialisée avec laquelle elle conclut un protocole de convention. Cette organisation peut être soit le VDAB, soit une autre organisation agréée par le VDAB.
Art. 67. L'orientation des demandeurs d'emploi inoccupés de longue durée vers les entreprises d'intérim participantes se fait par le biais des maisons locales de l'emploi dans le cadre d'une approche de parcours d'insertion.
Art. 68. La prime d'accompagnement visée dans la présente section peut être octroyée pour une période d'accompagnement et de formation d'un an au maximum, selon les modalités fixées par le Comité de gestion et dans les limites des crédits prévus à cette fin.
Art. 69. La prime d'accompagnement visée dans la présente section ne peut être cumulée avec l'allocation d'accompagnement telle que visée par l'arrêté royal du 16 avril 1998 portant fixation du montant, des conditions, de la durée et des modalités de la subvention visée à l'article 18, § 4, alinéa 2, de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence. ".
Art. 3. In Titel III van hetzelfde besluit wordt een Hoofdstuk IV ingevoegd dat luidt als volgt :
" HOOFDSTUK IV. - Inschuifopleiding
Art. 133bis. Onder inschuifopleiding wordt verstaan de beroepsopleiding zoals bepaald in artikel 80 van dit besluit, wanneer zij verstrekt wordt in een onderneming, een vereniging zonder winstoogmerk of een administratieve overheid, in het kader van de wisselbaan zoals bedoeld in artikel 1, 31°.
Art. 133ter. De artikelen 121 tot en met 124, 126 en 129 van dit besluit zijn van toepassing op de inschuifopleiding.
Art. 133quater. De werkgever verbindt er zich toe met de cursist, die in de onderneming, V.Z.W. of administratieve overheid een inschuifopleiding heeft gevolgd, onmiddellijk na het einde van de opleiding een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur te sluiten, tenzij de oorspronkelijke zittende werknemer zijn oude arbeidsplaats terug inneemt voor het einde van de inschuifopleiding. Onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende het beëindigen van de arbeidsovereenkomsten om een dringende reden, mag de werkgever aan voormelde arbeidsovereenkomst slechts een einde maken ten vroegste na verloop van de tijd overeenstemmend met de duur van de opleiding, tenzij de oorspronkelijke zittende werknemer zijn oude arbeidsplaats terug inneemt.
De werkgever verbindt er zich toe de cursist die de inschuifopleiding in de onderneming, V.Z.W. of administratieve overheid beëindigd heeft, tewerk te stellen in de onderneming, V.Z.W. of administratieve overheid onder de voor dat beroep geldende voorwaarden en minstens aan hetzelfde arbeidsregime als de opleiding in de onderneming.
Art. 133quinquies. Toelating tot de inschuifopleiding in een onderneming, V.Z.W of administratieve overheid kan gedurende drie jaar niet worden gegeven aan een onderneming waar een cursist werd opgeleid onder de voorwaarden van dit hoofdstuk en die op initiatief van de werkgever werd afgedankt, met uitzondering van afdanking wegens dringende reden en wegens terugkeer van de oorspronkelijke zittende werknemer op zijn oude arbeidsplaats.
Deze periode van drie jaar gaat in op de datum waarop de wettelijke opzeggingstermijn is ingegaan.
Tegen de weigering tot toelating voorzien in het eerste lid, kan door de onderneming, V.Z.W. of administratieve overheid beroep worden aangetekend bij het Beheerscomité.
Art. 133sexies. Voor de uitvoering van de inschuifopleiding wordt tussen de Dienst, de cursist en de onderneming, V.Z.W. of administratieve overheid een overeenkomst afgesloten, waarvan het model wordt bepaald door het Beheerscomité. ".
" HOOFDSTUK IV. - Inschuifopleiding
Art. 133bis. Onder inschuifopleiding wordt verstaan de beroepsopleiding zoals bepaald in artikel 80 van dit besluit, wanneer zij verstrekt wordt in een onderneming, een vereniging zonder winstoogmerk of een administratieve overheid, in het kader van de wisselbaan zoals bedoeld in artikel 1, 31°.
Art. 133ter. De artikelen 121 tot en met 124, 126 en 129 van dit besluit zijn van toepassing op de inschuifopleiding.
Art. 133quater. De werkgever verbindt er zich toe met de cursist, die in de onderneming, V.Z.W. of administratieve overheid een inschuifopleiding heeft gevolgd, onmiddellijk na het einde van de opleiding een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur te sluiten, tenzij de oorspronkelijke zittende werknemer zijn oude arbeidsplaats terug inneemt voor het einde van de inschuifopleiding. Onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende het beëindigen van de arbeidsovereenkomsten om een dringende reden, mag de werkgever aan voormelde arbeidsovereenkomst slechts een einde maken ten vroegste na verloop van de tijd overeenstemmend met de duur van de opleiding, tenzij de oorspronkelijke zittende werknemer zijn oude arbeidsplaats terug inneemt.
De werkgever verbindt er zich toe de cursist die de inschuifopleiding in de onderneming, V.Z.W. of administratieve overheid beëindigd heeft, tewerk te stellen in de onderneming, V.Z.W. of administratieve overheid onder de voor dat beroep geldende voorwaarden en minstens aan hetzelfde arbeidsregime als de opleiding in de onderneming.
Art. 133quinquies. Toelating tot de inschuifopleiding in een onderneming, V.Z.W of administratieve overheid kan gedurende drie jaar niet worden gegeven aan een onderneming waar een cursist werd opgeleid onder de voorwaarden van dit hoofdstuk en die op initiatief van de werkgever werd afgedankt, met uitzondering van afdanking wegens dringende reden en wegens terugkeer van de oorspronkelijke zittende werknemer op zijn oude arbeidsplaats.
Deze periode van drie jaar gaat in op de datum waarop de wettelijke opzeggingstermijn is ingegaan.
Tegen de weigering tot toelating voorzien in het eerste lid, kan door de onderneming, V.Z.W. of administratieve overheid beroep worden aangetekend bij het Beheerscomité.
Art. 133sexies. Voor de uitvoering van de inschuifopleiding wordt tussen de Dienst, de cursist en de onderneming, V.Z.W. of administratieve overheid een overeenkomst afgesloten, waarvan het model wordt bepaald door het Beheerscomité. ".
Art. 3. Dans le Titre III du même arrêté, il est inséré un Chapitre IV, rédigé comme suit :
" CHAPITRE IV. - Formation d'insertion
Art. 133bis. Par formation d'insertion, on entend la formation professionnelle telle que fixée à l'article 80 du présent arrêté, lorsqu'elle est dispensée dans une entreprise, une association sans but lucratif ou une autorité administrative, dans le cadre d'une rotation d'emploi telle que visée à l'article 1, 31°.
Art. 133ter. Les articles 121 à 124 inclus, 126 et 129 du présent arrêté s'appliquent à la formation d'insertion.
Art. 133quater. L'employeur s'engage à conclure, avec le participant au cours qui a suivi dans l'entreprise, l'a.s.b.l. ou l'autorité administrative une formation d'insertion, immédiatement après la fin de la formation, un contrat de travail à durée indéterminée, à moins que le travailleur en exercice initial ne reprenne son ancien poste avant la fin de la formation d'insertion. Sans préjudice des dispositions légales relatives à la fin des contrats de travail pour raison impérieuse, l'employeur ne peut mettre fin au contrat de travail précité qu'au plus tôt après l'expiration du délai qui correspond avec la durée de la formation, à moins que le travailleur en exercice initial ne reprenne son poste ancien.
L'employeur s'engage à occuper le participant qui a fini la formation d'insertion dans l'entreprise, l'a.s.b.l. ou l'autorité administrative, au sein de l'entreprise, l'a.s.b.l. ou l'autorité administrative aux conditions applicables à cette profession et au moins sous le même régime de travail que la formation dans l'entreprise.
Art. 133quinquies. L'admission à la formation d'insertion dans une entreprise, une a.s.b.l. ou une autorité administrative ne peut être octroyée pendant trois années à une entreprise dans laquelle un participant a été formé aux conditions du présent chapitre et qui a été licencié à l'initiative de l'employeur, à l'exception du licenciement pour raison impérieuse et pour retour du travailleur en exercice initial vers son ancien poste de travail.
Cette période prend cours à la date à laquelle le préavis légal a commencé.
L'entreprise, l'a.s.b.l. ou l'autorité administrative peut interjeter appel auprès du Comité de gestion contre le refus d'admission prévu au premier alinéa.
Art. 133sexies. Pour l'exécution de la formation d'insertion, une convention est conclue entre l'Office, le participant et l'entreprise, l'a.s.b.l. ou l'autorité administrative, dont le modèle est arrêté par le Comité de gestion. ".
" CHAPITRE IV. - Formation d'insertion
Art. 133bis. Par formation d'insertion, on entend la formation professionnelle telle que fixée à l'article 80 du présent arrêté, lorsqu'elle est dispensée dans une entreprise, une association sans but lucratif ou une autorité administrative, dans le cadre d'une rotation d'emploi telle que visée à l'article 1, 31°.
Art. 133ter. Les articles 121 à 124 inclus, 126 et 129 du présent arrêté s'appliquent à la formation d'insertion.
Art. 133quater. L'employeur s'engage à conclure, avec le participant au cours qui a suivi dans l'entreprise, l'a.s.b.l. ou l'autorité administrative une formation d'insertion, immédiatement après la fin de la formation, un contrat de travail à durée indéterminée, à moins que le travailleur en exercice initial ne reprenne son ancien poste avant la fin de la formation d'insertion. Sans préjudice des dispositions légales relatives à la fin des contrats de travail pour raison impérieuse, l'employeur ne peut mettre fin au contrat de travail précité qu'au plus tôt après l'expiration du délai qui correspond avec la durée de la formation, à moins que le travailleur en exercice initial ne reprenne son poste ancien.
L'employeur s'engage à occuper le participant qui a fini la formation d'insertion dans l'entreprise, l'a.s.b.l. ou l'autorité administrative, au sein de l'entreprise, l'a.s.b.l. ou l'autorité administrative aux conditions applicables à cette profession et au moins sous le même régime de travail que la formation dans l'entreprise.
Art. 133quinquies. L'admission à la formation d'insertion dans une entreprise, une a.s.b.l. ou une autorité administrative ne peut être octroyée pendant trois années à une entreprise dans laquelle un participant a été formé aux conditions du présent chapitre et qui a été licencié à l'initiative de l'employeur, à l'exception du licenciement pour raison impérieuse et pour retour du travailleur en exercice initial vers son ancien poste de travail.
Cette période prend cours à la date à laquelle le préavis légal a commencé.
L'entreprise, l'a.s.b.l. ou l'autorité administrative peut interjeter appel auprès du Comité de gestion contre le refus d'admission prévu au premier alinéa.
Art. 133sexies. Pour l'exécution de la formation d'insertion, une convention est conclue entre l'Office, le participant et l'entreprise, l'a.s.b.l. ou l'autorité administrative, dont le modèle est arrêté par le Comité de gestion. ".
Art. 4. Dit besluit treedt in werking op 1 december 2001.
Art. 4. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er décembre 2001.
Art. 5. De Vlaamse minister bevoegd voor de Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 23 november 2001.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Werkgelegenheid en Toerisme,
R. LANDUYT.
Brussel, 23 november 2001.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Werkgelegenheid en Toerisme,
R. LANDUYT.
Art. 5. Le Ministre flamand qui a l'Emploi dans ses attributions, est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 23 novembre 2001.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
P. DEWAEL
Le Ministre flamand de l'Emploi et du Tourisme,
R. LANDUYT.
Bruxelles, le 23 novembre 2001.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
P. DEWAEL
Le Ministre flamand de l'Emploi et du Tourisme,
R. LANDUYT.