Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
3 OKTOBER 2002. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot vaststelling van de wijze waarop de ambtenaren die behoren tot het ministerie en sommige openbare instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een mandaat kunnen opnemen bij een instelling van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (NOTA : Opgeheven door BESL2014-03-27/66, art. 513, 004; Inwerkingtreding : 01-07-2014, voor wat betreft de ambtenaren die onderworpen zijn het statuut zoals bepaald door het BESL2014-03-27/66. Zie ook art. 514)(NOTA : Opgeheven door BESL2014-03-27/67, art. 512, 005; Inwerkingtreding : 01-07-2014, voor wat betreft de ambtenaren die onderworpen zijn het statuut zoals bepaald door het BESL2014-03-27/67. Zie ook art. 513) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 20-12-2002 en tekstbijwerking tot 05-06-2014)
Titre
3 OCTOBRE 2002. - Arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale fixant les modalités selon lesquelles les agents qui relèvent du ministère ou de certains organismes publics de la Région de Bruxelles-Capitale peuvent recevoir un mandat dans un organisme d'intérêt public de la Région de Bruxelles-Capitale (NOTE : Abrogé par ARR2014-03-27/66, art. 513, 004; En vigueur : 01-07-2014, en ce qui concerne les agents soumis au statut de l'ARR2014-03-27/66. Voir également l'art. 514) (NOTE : Abrogé par ARR2014-03-27/67, art. 512, 005; En vigueur : 01-07-2014, en ce qui concerne les agents soumis au statut de l'ARR2014-03-27/67. Voir également l'art. 513)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 20-12-2002 et mise à jour au 05-06-2014)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (24)
Texte (24)
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
CHAPITRE I. - Champ d'application.
Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de ambtenaren van het ministerie en de openbare instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bedoeld in artikel 2, 3° van dit besluit.
Article 1. Le présent arrêté est applicable aux agents du ministère et des organismes publics de la Région de Bruxelles-Capitale visés à l'article 2, 3° du présent arrêté.
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° Regering : de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;
2° ministerie : het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
3° instellingen : de hierna vermelde openbare instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest :
- Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest;
- Brussels Instituut voor Milieubeheer;
- Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, met uitzondering van het operationele personeel;
(- Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel;)
- Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij;
- Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling;
- Gewestelijke vennootschap van de Haven van Brussel;
- Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : (...);
4° instelling van oorsprong : de instelling waarvan de ambtenaar deel uitmaakt vóór zijn aanstelling als mandaathouder in een andere instelling;
5° ontvangende instelling : de instelling waar de ambtenaar is aangesteld als mandaathouder
6° ambtenaren : de ambtenaren bedoeld in artikel 1 van dit besluit;
7° statuut van het ministerie : besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
8° statuut van de instellingen van openbaar nut : besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
1° Regering : de Brusselse Hoofdstedelijke Regering;
2° ministerie : het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
3° instellingen : de hierna vermelde openbare instellingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest :
- Centrum voor Informatica voor het Brussels Gewest;
- Brussels Instituut voor Milieubeheer;
- Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandweer en Dringende Medische Hulp, met uitzondering van het operationele personeel;
(- Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel;)
- Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij;
- Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling;
- Gewestelijke vennootschap van de Haven van Brussel;
- Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : (...);
4° instelling van oorsprong : de instelling waarvan de ambtenaar deel uitmaakt vóór zijn aanstelling als mandaathouder in een andere instelling;
5° ontvangende instelling : de instelling waar de ambtenaar is aangesteld als mandaathouder
6° ambtenaren : de ambtenaren bedoeld in artikel 1 van dit besluit;
7° statuut van het ministerie : besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
8° statuut van de instellingen van openbaar nut : besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de instellingen van openbaar nut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Art. 2. Pour l'application du présent arrêté, il y a lieu d'entendre par :
1° Gouvernement : le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale;
2° ministère : le ministère de la Région de Bruxelles-Capitale;
3° organismes : les organismes publics de la Région de Bruxelles-Capitale visés ci-après :
- Centre d'Informatique pour la Région bruxelloise;
- Institut bruxellois pour la Gestion de l'Environnement;
- Service d'Incendie et d'Aide médicale urgente de la Région de Bruxelles-Capitale, à l'exception du personnel opérationnel;
(- Institut d'encouragement de la Recherche scientifique et de l'Innovation de Bruxelles;)
- Société du Logement de la Région bruxelloise;
- Office régional bruxellois de l'Emploi;
- Société régionale du Port de Bruxelles;
- Conseil économique et social de la Région de Bruxelles-Capitale : (...);
4° organisme d'origine : l'organisme dont l'agent fait partie avant sa désignation comme mandataire dans un autre organisme;
5° organisme d'accueil : l'organisme dans lequel l'agent est désigné comme mandataire;
6° agents : les agents visés à l'article 1er du présent arrêté;
7° statut du ministère : l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 6 mai 1999 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du ministère de la Région de Bruxelles-Capitale;
8° statut des organismes d'intérêt public : l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 26 septembre 2002 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des organismes d'intérêt public de la Région de Bruxelles-Capitale.
1° Gouvernement : le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale;
2° ministère : le ministère de la Région de Bruxelles-Capitale;
3° organismes : les organismes publics de la Région de Bruxelles-Capitale visés ci-après :
- Centre d'Informatique pour la Région bruxelloise;
- Institut bruxellois pour la Gestion de l'Environnement;
- Service d'Incendie et d'Aide médicale urgente de la Région de Bruxelles-Capitale, à l'exception du personnel opérationnel;
(- Institut d'encouragement de la Recherche scientifique et de l'Innovation de Bruxelles;)
- Société du Logement de la Région bruxelloise;
- Office régional bruxellois de l'Emploi;
- Société régionale du Port de Bruxelles;
- Conseil économique et social de la Région de Bruxelles-Capitale : (...);
4° organisme d'origine : l'organisme dont l'agent fait partie avant sa désignation comme mandataire dans un autre organisme;
5° organisme d'accueil : l'organisme dans lequel l'agent est désigné comme mandataire;
6° agents : les agents visés à l'article 1er du présent arrêté;
7° statut du ministère : l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 6 mai 1999 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du ministère de la Région de Bruxelles-Capitale;
8° statut des organismes d'intérêt public : l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 26 septembre 2002 portant le statut administratif et pécuniaire des agents des organismes d'intérêt public de la Région de Bruxelles-Capitale.
HOOFDSTUK II. - Openstelling van de mandaatbetrekkingen bij een instelling.
CHAPITRE II. - Ouverture des emplois de mandat dans un organisme.
Art. 3. De betrekkingen bij een instelling die zijn verbonden aan de graden van rang A5, A4+ en A4, die door de Regering bij mandaat begeven worden, staan open voor de ambtenaren van het ministerie of een andere instelling onder dezelfde voorwaarden en volgens dezelfde regels als die bepaald in boek 1, titel IV, hoofdstuk III van het statuut van de instellingen van openbaar nut, artikelen 81 tot 96.
Art. 3. Les emplois d'un organisme correspondant aux grades des rangs A5, A4+, et A4, conférés par mandat par le Gouvernement, sont ouverts aux agents du ministère ou d'un autre organisme dans les mêmes conditions et selon les mêmes règles que celles fixées par le livre 1er, titre IV, chapitre III du statut des organismes d'intérêt public, articles 81 à 96.
Art. 4. De betrekkingen van een instelling bedoeld in artikel 3 kunnen enkel opengesteld worden voor de ambtenaren van het ministerie of een andere instelling op voorwaarde dat voornoemde betrekkingen vacant zijn en dat het totaal aantal betrekkingen ingeschreven in de personeelsformatie van de instelling waar de betrekkingen worden begeven, voor de graden van rang A3 tot A5 op het ogenblik van de vacantverklaring het aantal titularissen van die betrekkingen overtreft.
Art. 4. Les emplois d'un organisme visés à l'article 3 ne peuvent être ouverts aux agents du ministère ou d'un autre organisme qu'à la condition que lesdits emplois soient vacants et qu'au moment de la déclaration de vacance, le nombre total des emplois prévus au cadre du personnel de l'organisme où les emplois sont ouverts, correspondant aux grades des rangs A3 à A5, soit supérieur au nombre de titulaires de ces emplois.
Art. 5. De ambtenaren die aangeworven zijn volgens een bijzondere benoemingswijze of die het voordeel genoten hebben van een eerste benoeming gebaseerd op bepalingen welke afwijken van die voorgeschreven in de personeelsstatuten, kunnen zich niet kandidaat stellen voor de in artikel 3 bedoelde mandaatbetrekkingen gedurende de eerste twaalf jaar na hun aanwerving.
Art. 5. Les agents qui ont été recrutés selon un mode particulier de nomination ou qui ont bénéficié d'une première nomination fondée sur des dispositions dérogeant aux dispositions prévues dans les statuts du personnel ne peuvent se porter candidats aux emplois de mandat prévus à l'article 3 durant les douze premières années qui suivent leur recrutement.
HOOFDSTUK III. - Verlof en administratieve stand van de ambtenaren.
CHAPITRE III. - Du congé et de la position administrative des agents.
Art. 6. Zodra ze zijn aangesteld in een mandaatbetrekking bij een instelling en tot op het ogenblik van hun eerste evaluatie als mandaathouder of hun tweede evaluatie ingeval de eerste evaluatie negatief is, wordt aan de ambtenaren ambtshalve verlof toegekend bij het ministerie of hun instelling van oorsprong naargelang het geval.
Zij kunnen hun aanspraken laten gelden voor de toewijzing van een ander mandaat.
Dit verlof is niet bezoldigd en is voor het overige gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Zij kunnen hun aanspraken laten gelden voor de toewijzing van een ander mandaat.
Dit verlof is niet bezoldigd en is voor het overige gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Art. 6. Dès leur désignation dans un emploi de mandat dans un organisme et jusqu'au moment de leur première évaluation comme mandataires ou de leur deuxième évaluation en cas de première évaluation négative, les agents sont mis d'office en congé au ministère ou dans leur organisme d'origine, selon le cas.
Ils peuvent faire valoir leurs titres pour l'attribution d'un autre mandat.
Le congé n'est pas rémunéré et est assimilé pour le surplus à une période d'activité de service.
Ils peuvent faire valoir leurs titres pour l'attribution d'un autre mandat.
Le congé n'est pas rémunéré et est assimilé pour le surplus à une période d'activité de service.
Art. 7. § 1. Tijdens voornoemd verlof geldt voor de ambtenaren het statuut en de bezoldigingsregeling die van toepassing zijn op de ambtenaren van de ontvangende instelling.
Zij verliezen de voordelen van ongeacht welke aard die zij genoten bij het ministerie of de instelling van oorsprong.
Zij behouden echter de voordelen die hen werden toegekend als verworven rechten krachtens wetten of bijzondere reglementeringen voor hun eventuele overplaatsing naar een dienst van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
§ 2. De ontvangende instelling vereffent en betaalt de bezoldiging van de ambtenaren, met inbegrip van de toelagen, eventuele vergoedingen en maaltijdcheques waarop zij recht hebben bij de genoemde instelling.
Het ministerie of de instelling van oorsprong bezorgt de ontvangende instelling alle nodige inlichtingen voor de bijwerking van het individueel dossier en het beheer van de wedde.
Zij verliezen de voordelen van ongeacht welke aard die zij genoten bij het ministerie of de instelling van oorsprong.
Zij behouden echter de voordelen die hen werden toegekend als verworven rechten krachtens wetten of bijzondere reglementeringen voor hun eventuele overplaatsing naar een dienst van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
§ 2. De ontvangende instelling vereffent en betaalt de bezoldiging van de ambtenaren, met inbegrip van de toelagen, eventuele vergoedingen en maaltijdcheques waarop zij recht hebben bij de genoemde instelling.
Het ministerie of de instelling van oorsprong bezorgt de ontvangende instelling alle nodige inlichtingen voor de bijwerking van het individueel dossier en het beheer van de wedde.
Art. 7. § 1er. Durant ce congé, les agents sont soumis au régime statutaire et pécuniaire applicable aux agents de l'organisme d'accueil.
Ils perdent le bénéfice des avantages, de quelque nature qu'ils soient, qui leur étaient applicables au ministère ou dans l'organisme d'origine.
Ils conservent toutefois le bénéfice des avantages qui leur ont été octroyés en tant que droits acquis en vertu de lois ou de réglementations particulières avant leur transfert éventuel dans un service de la Région de Bruxelles-Capitale.
§ 2. L'organisme d'accueil liquide et paie la rémunération des agents, y compris les allocations, indemnités éventuelles et chèques repas auxquels ils ont droit dans le dit organisme.
Le ministère ou l'organisme d'origine transmet à l'organisme d'accueil tous les renseignements utiles, tant pour la mise à jour du dossier individuel que pour la gestion salariale.
Ils perdent le bénéfice des avantages, de quelque nature qu'ils soient, qui leur étaient applicables au ministère ou dans l'organisme d'origine.
Ils conservent toutefois le bénéfice des avantages qui leur ont été octroyés en tant que droits acquis en vertu de lois ou de réglementations particulières avant leur transfert éventuel dans un service de la Région de Bruxelles-Capitale.
§ 2. L'organisme d'accueil liquide et paie la rémunération des agents, y compris les allocations, indemnités éventuelles et chèques repas auxquels ils ont droit dans le dit organisme.
Le ministère ou l'organisme d'origine transmet à l'organisme d'accueil tous les renseignements utiles, tant pour la mise à jour du dossier individuel que pour la gestion salariale.
Art. 8. Tijdens de in artikel 6 bedoelde periode ressorteren de ambtenaren onder het hiërarchisch en functioneel gezag van de ontvangende instelling. Zij dienen de arbeidsvoorwaarden na te leven die zijn opgelegd in de instelling en meer bepaald de plichten, onverenigbaarheden, werktijden en verlofregeling.
Tot op het ogenblik van hun nieuwe evaluatie als mandaathouders, behouden zij de laatste evaluatievermelding bekomen in het ministerie of de instelling van oorsprong. Als bij de ontvangende instelling aangestelde mandaathouders zijn zij onderworpen aan de evaluatieregels die gelden voor de mandaathouders van de genoemde instelling.
Tot op het ogenblik van hun nieuwe evaluatie als mandaathouders, behouden zij de laatste evaluatievermelding bekomen in het ministerie of de instelling van oorsprong. Als bij de ontvangende instelling aangestelde mandaathouders zijn zij onderworpen aan de evaluatieregels die gelden voor de mandaathouders van de genoemde instelling.
Art. 8. Durant la période visée à l'article 6, les agents sont soumis à l'autorité hiérarchique et fonctionnelle de l'organisme d'accueil. Ils doivent respecter les conditions de travail imposées dans cet organisme et notamment les devoirs, incompatibilités, horaires et régime de congés.
Jusqu'à leur nouvelle évaluation comme mandataires, ils conservent la dernière évaluation acquise au ministère ou dans l'organisme d'origine. Comme mandataires désignés dans l'organisme d'accueil, ils sont soumis aux règles d'évaluation applicables aux titulaires de mandat dudit organisme.
Jusqu'à leur nouvelle évaluation comme mandataires, ils conservent la dernière évaluation acquise au ministère ou dans l'organisme d'origine. Comme mandataires désignés dans l'organisme d'accueil, ils sont soumis aux règles d'évaluation applicables aux titulaires de mandat dudit organisme.
Art. 9. Het verlof van de ambtenaren wordt ambtshalve beëindigd wanneer het mandaat, om een van de volgende redenen tijdens de in artikel 6 bedoeld periode een einde neemt : vrijwillig ontslag van de mandaathouder, in geval van schorsing van de mandaathouder in het belang van de dienst gedurende meer dan zes maanden, in geval van langdurige ziekte van meer dan zes maanden, in geval van terugzetting in graad of in geval van een tweede negatieve evaluatie ".
De ambtenaren worden in dat geval geherintegreerd bij het ministerie of hun instelling van oorsprong en bekleden er de graad die zij voorafgaand aan de uitoefening van het mandaat bekleedden. De duur van het mandaat wordt in aanmerking genomen voor de berekening van de administratieve en geldelijke anciënniteit.
Zodra ze opnieuw bij hun instelling zijn ingedeeld, herkrijgen de ambtenaren de evaluatie die zij bekwamen vóór de uitoefening van hun mandaat.
De ambtenaren worden in dat geval geherintegreerd bij het ministerie of hun instelling van oorsprong en bekleden er de graad die zij voorafgaand aan de uitoefening van het mandaat bekleedden. De duur van het mandaat wordt in aanmerking genomen voor de berekening van de administratieve en geldelijke anciënniteit.
Zodra ze opnieuw bij hun instelling zijn ingedeeld, herkrijgen de ambtenaren de evaluatie die zij bekwamen vóór de uitoefening van hun mandaat.
Art. 9. Il est mis fin d'office au congé des agents lorsque le mandat prend fin, pendant la période visée à l'article 6, pour l'une des raisons suivantes : la démission volontaire des mandataires, en cas de suspension de ceux-ci dans l'intérêt du service pendant plus de six mois, en cas de maladie de longue durée de plus de six mois, en cas de rétrogradation ou en cas de double évaluation négative.
Les agents réintègrent dans ce cas le ministère ou leur organisme d'origine et sont revêtus du grade dont ils étaient titulaires avant l'exercice du mandat. La durée du mandat est comptabilisée dans les anciennetés administratives et pécuniaires.
Dès leur réintégration, les agents reçoivent l'évaluation dont ils bénéficiaient avant l'exercice du mandat.
Les agents réintègrent dans ce cas le ministère ou leur organisme d'origine et sont revêtus du grade dont ils étaient titulaires avant l'exercice du mandat. La durée du mandat est comptabilisée dans les anciennetés administratives et pécuniaires.
Dès leur réintégration, les agents reçoivent l'évaluation dont ils bénéficiaient avant l'exercice du mandat.
HOOFDSTUK IV. - Overplaatsing van de ambtenaren.
CHAPITRE IV. - Du transfert des agents.
Art. 10. Vanaf hun eerste positieve evaluatie als mandaathouder bij de ontvangende instelling, worden de ambtenaren ambtshalve overgeplaatst naar de instelling en wordt er ambtshalve een einde gemaakt aan hun verlof bij het ministerie of de instelling van oorsprong.
De overplaatsing van de ambtenaren geschiedt met terugwerkende kracht tot de datum van hun aanstelling als mandaathouders in de ontvangende instelling.
De Regering vaardigt een individueel besluit uit dat in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt in de vorm van een uittreksel. Een kopie wordt ter informatie verstuurd naar het ministerie of de instelling van oorsprong.
De overplaatsing van de ambtenaren geschiedt met terugwerkende kracht tot de datum van hun aanstelling als mandaathouders in de ontvangende instelling.
De Regering vaardigt een individueel besluit uit dat in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt in de vorm van een uittreksel. Een kopie wordt ter informatie verstuurd naar het ministerie of de instelling van oorsprong.
Art. 10. A partir de leur première évaluation positive comme mandataires dans l'organisme d'accueil, les agents sont transférés d'office dans celui-ci et il est mis fin d'office à leur congé au ministère ou dans l'organisme d'origine.
Le transfert des agents s'opère à titre rétroactif à la date de leur désignation comme mandataires dans l'organisme d'accueil.
Le Gouvernement prend un arrêté individuel publié au Moniteur belge par voie d'extrait. Une copie est envoyée pour information au ministère ou dans l'organisme d'origine.
Le transfert des agents s'opère à titre rétroactif à la date de leur désignation comme mandataires dans l'organisme d'accueil.
Le Gouvernement prend un arrêté individuel publié au Moniteur belge par voie d'extrait. Une copie est envoyée pour information au ministère ou dans l'organisme d'origine.
Art. 11. Voor de overgeplaatste ambtenaren gelden dezelfde statutaire bepalingen en dezelfde bezoldigingsregeling als voor de ambtenaren van de ontvangende instelling. Zij behouden de administratieve en geldelijke anciënniteit die zij verworven hadden vóór hun overplaatsing.
Art. 11. Les agents transférés sont soumis au régime statutaire et pécuniaire applicable aux agents de l'organisme d'accueil. Ils conservent les anciennetés administratives et pécuniaires qu'ils ont acquises avant leur transfert.
HOOFDSTUK V. - Situatie inzake personeelsformatie bij het ministerie of de instelling van oorsprong.
CHAPITRE V. - De la situation du cadre du personnel au ministère ou dans l'organisme d'origine.
Art. 12. Tijdens de in artikel 6 bedoelde periode wordt de betrekking van de ambtenaar die een mandaat in een instelling heeft gekregen opgenomen in het geheel van de effectieven van rang A3 tot A7 van de personeelsformatie van het ministerie of de instelling van oorsprong.
Art. 12. Durant la période visée à l'article 6, l'emploi de l'agent ayant reçu un mandat dans un organisme est comptabilisé dans la globalité des effectifs des rangs A3 à A7 du cadre du ministère ou de l'organisme d'origine.
Art. 13. Tijdens de in artikel 6 bedoelde periode kunnen de betrekkingen van rang A3 tot A7 van de personeelsformatie van het ministerie of de instelling van oorsprong enkel vacant worden verklaard indien het totaal aantal ingenomen betrekkingen van deze rangen kleiner is dan het totaal aantal betrekkingen van rang A3 tot A7 van de personeelsformatie.
De betrekkingen van rang A3 die niet vacant kunnen worden verklaard overeenkomstig het eerste lid, kunnen middels hogere functies worden verleend voor de duur van het verlof.
De Regering kan beslissen de betrekkingen van rang A4 tot A7 die niet vacant kunnen worden verklaard overeenkomstig het eerste lid, middels hogere functies te verlenen voor de duur van het verlof.
Deze hogere functies kunnen met 6 maanden verlengd worden ingeval de Regering beslist de bedoelde betrekkingen vacant te verklaren.
De betrekkingen van rang A3 die niet vacant kunnen worden verklaard overeenkomstig het eerste lid, kunnen middels hogere functies worden verleend voor de duur van het verlof.
De Regering kan beslissen de betrekkingen van rang A4 tot A7 die niet vacant kunnen worden verklaard overeenkomstig het eerste lid, middels hogere functies te verlenen voor de duur van het verlof.
Deze hogere functies kunnen met 6 maanden verlengd worden ingeval de Regering beslist de bedoelde betrekkingen vacant te verklaren.
Art. 13. Durant la période visée à l'article 6, les emplois des rangs A3 à A7 du cadre du ministère ou de l'organisme d'origine ne peuvent être déclarés vacants que si le nombre total des emplois occupés de ces rangs est inférieur au nombre total des emplois des rangs A3 à A7 du cadre organique.
Les emplois de rang A3 qui ne peuvent être déclarés vacants en vertu de l'alinéa 1er peuvent être attribués pour la durée du congé, au moyen de fonctions supérieures.
Le Gouvernement peut décider d'attribuer pour la durée du congé et au moyen de fonctions supérieures, les emplois des rangs A4 à A7 qui ne peuvent être déclarés vacants en vertu de l'alinéa 1.
Ces fonctions supérieures peuvent être prolongées de 6 mois au cas où le Gouvernement décide de déclarer vacants lesdits emplois.
Les emplois de rang A3 qui ne peuvent être déclarés vacants en vertu de l'alinéa 1er peuvent être attribués pour la durée du congé, au moyen de fonctions supérieures.
Le Gouvernement peut décider d'attribuer pour la durée du congé et au moyen de fonctions supérieures, les emplois des rangs A4 à A7 qui ne peuvent être déclarés vacants en vertu de l'alinéa 1.
Ces fonctions supérieures peuvent être prolongées de 6 mois au cas où le Gouvernement décide de déclarer vacants lesdits emplois.
Art. 14. Na de in artikel 10 bedoelde overplaatsing, kunnen de betrekkingen die de ambtenaren innamen bij het ministerie of de instelling van oorsprong, vacant verklaard worden.
Art. 14. Après le transfert visé à l'article 10, les emplois que les agents occupaient au ministère ou dans l'organisme d'origine peuvent être déclarés vacants.
HOOFDSTUK VI. - Overgangs- en slotbepalingen.
CHAPITRE VI. - Dispositions transitoires et finales.
Art. 15. Indien de ambtenaren op het ogenblik dat dit besluit in werking treedt, op grond van hun eigen statuut niet bekleed zijn met dezelfde graden als die bepaald in het statuut van de ambtenaren van het ministerie, worden de mandaten van rang A4, A4+ en A5 opengesteld voor de ambtenaren van rang 13 of hoger die minstens over drie jaar graadanciënniteit beschikken.
Art. 15. Au cas où, au moment de la mise en vigueur du présent arrêté, les agents ne sont pas, en vertu de leur statut propre, titulaires des mêmes grades que ceux prévus par le statut applicable aux agents du ministère, les mandats des rangs A4, A4+ et A5 sont ouverts aux agents de rang 13 au moins qui comptent trois ans d'ancienneté de grade au moins.
Art. 16. In afwachting dat de Regering de regels in verband met de toekenning van managementbrevetten bepaalt, zijn de ambtenaren die zich kandidaat stellen bij de eerste toewijzing van mandaten vrijgesteld van de verplichting om de in artikel 82 van het statuut van de instellingen van openbaar nut vervatte voorwaarden te vervullen.
Art. 16. Dans l'attente de la fixation par le Gouvernement des modalités d'octroi des brevets en management, les agents qui se portent candidats lors de la première attribution des mandats sont dispensés de remplir les conditions fixées par l'article 82 du statut des organisme d'intérêt public.
Art. 17. De ambtenaren van rang 13 of hoger die de beoordeling " goed " of " zeer goed " bekomen hebben of aan wie nog geen beoordeling werd toegekend, worden voor de toekenning van een mandaat verondersteld de beoordeling " voldoende " te hebben.
Art. 17. Les agents de rang 13 au moins qui ont un signalement " bon " ou " très bon " ou qui sont sans signalement sont censés avoir une évaluation " satisfaisant " pour l'attribution d'un mandat.
Art. 18. De Minister van Ambtenarenzaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 18. Le Ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.