Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
25 APRIL 2002. - [Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 25 april 2002 tot zesde wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.] (BESL 2002-09-26/56, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 25-04-2002) - (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 22-05-2002 en tekstbijwerking tot 26-11-2002.)
Titre
25 AVRIL 2002. - [Arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale portant 6e modification de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 6 mai 1999 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du ministère de la Région de Bruxelles-Capitale.] (ARR 2002-09-26/56, art. 1, 002; En vigueur : 25-04-2002) - (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 22-05-2002 et mise à jour au 26-11-2002.)
Documentinformatie
Numac: 2002031261
Datum: 2002-04-25
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2002031261
Date: 2002-04-25
Moniteur: Voir
Tekst (70)
Texte (70)
Artikel 1. Artikel 2 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt aangevuld met het volgende lid :
  " De rechten en plichten bepaald in de artikelen 4 tot 8 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 tot vaststelling van de Algemene Principes, zijn op hem van toepassing. "
Article 1. L'article 2 de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 6 mai 1999 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du ministère de la Région de Bruxelles-Capitale est complété par l'alinéa suivant :
  " Lui sont applicables les droits et devoirs prévus aux articles 4 à 8 de l'arrêté royal du 22 décembre 2000 fixant les Principes généraux. "
Art. 2. Het tweede lid van artikel 10 van hetzelfde besluit worden de woorden : " of onverschillig welk ander intern communicatiemiddel. " ingevoegd tussen de woorden " dienstnota " en " aan ".
Art. 2. L'alinéa 2 de l'article 10 du même arrêté est complété par les mots suivants : " ou par tout autre moyen de communication interne. "
Art. 3. In artikel 16 van hetzelfde besluit worden de woorden " overeenkomstig artikel 27 van het koninklijk besluit van 26 september 1994 tot vaststelling van de algemene principes " geschrapt.
Art. 3. A l'article 16 du même arrêté les mots " conformément à l'article 27 de l'arrêté royal du 26 septembre 1994 fixant les principes généraux " sont supprimés.
Art. 4. In artikel 19, derde lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het (besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002 tot eerste wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest), wordt het woord " vergoeding " vervangen door het woord " toelage " in de Nederlandse tekst.
Art. 4. A l'article 19, alinéa 3, du même arrêté, inséré par l'(arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 26 septembre 2002 portant 1re modification de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 6 mai 1999 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du ministère de la Région de Bruxelles-Capitale), le mot " vergoeding " est remplacé par le mot " toelage " dans le texte néerlandais.
Art. 5. Een artikel 25bis wordt in hetzelfde besluit ingevoegd, luidende :
  Art. 25bis. §. 1. Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° de voor de te verlenen betrekking bepaalde toelaatbaarheidsvereisten vervullen;
  2° slagen voor het voorgeschreven vergelijkend wervingsexamen;
  3° met goed gevolg de stage volbrengen;
  4° bewijzen dat hij de eventuele vereiste medische geschiktheid voor het uit te oefenen ambt bezit.
  § 2. Niemand kan tot ambtenaar worden benoemd indien hij niet voldoet aan de hiernavolgende algemene toelaatbaarheidsvereisten :
  1° een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking;
  2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
  3° aan de dienstplichtwetten voldaan hebben;
  4° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met het niveau van de te verlenen graad, volgens de bij dit besluit gevoegde tabel. Hiervan kan, voorafgaand aan het vergelijkend wervingsexamen, door de minister, na advies van de afgevaardigd bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid (afgekort tot " SELOR "), bij gemotiveerde beslissing worden afgeweken in geval van schaarste op de arbeidsmarkt. "
Art. 5. Un article 25bis, rédigé comme suit, est inséré dans le même arrêté :
  " Art. 25bis. §. 1. Nul ne peut être nommé agent s'il ne satisfait aux conditions suivantes :
  1° réunir les conditions d'admissibilité imposées pour l'emploi à conférer;
  2° réussir le concours de recrutement prévu;
  3° accomplir avec succès le stage probatoire;
  4° justifier de la possession de l'aptitude médicale éventuellement exigée pour la fonction à exercer.
  § 2. Nul ne peut être nommé agent s'il ne remplit les conditions générales d'admissibilité qui suivent :
  1° être d'une conduite répondant aux exigences de la fonction;
  2° jouir des droits civils et politiques;
  3° avoir satisfait aux lois sur la milice;
  4° être porteur d'un diplôme ou certificat d'études en rapport avec le niveau du grade à conférer selon le tableau annexé au présent arrêté. Préalablement au concours de recrutement, il peut être dérogé par décision motivée à cette condition par le ministre, après avis de l'administrateur délégué du Bureau de sélection de l'Administration fédérale (en abrégé " SELOR "), dans le cas d'une pénurie sur le marché du travail. "
Art. 6. Artikel 27 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  Art. 27. De vergelijkende wervingsexamens worden georganiseerd door SELOR. De minister maakt de organisatie van de vergelijkende wervingsexamens bekend ten minste door een bericht in het Belgisch Staatsblad.
  Bij het organiseren van een vergelijkend wervingsexamen stelt de minister of zijn afgevaardigde de datum vast waarop de kandidaten moeten voldoen aan de vereisten inzake diploma's of studiegetuigschriften en in voorkomend geval, aan de vereiste inzake minimumleeftijd of aan de bijzondere vereisten inzake beroepsbekwaamheid.
  Het bericht vermeldt ten minste de uiterste datum van de kandidaatstelling en of er eventueel een reserve van de geslaagden wordt aangelegd. In voorkomend geval wordt de duur en de omvang ervan meegedeeld.
  De kandidaten beschikken over ten minste veertien kalenderdagen om zich kandidaat te stellen. "
Art. 6. L'article 27 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 27. Les concours de recrutement sont organisés par SELOR. Le ministre annonce l'organisation des concours de recrutement au moins par un avis au Moniteur belge.
  Lors de l'organisation d'un concours de recrutement le Ministre ou son délégué fixe la date à laquelle les candidats doivent satisfaire aux conditions relatives aux diplômes ou certificats d'études et le cas échéant à la condition d'un âge minimum ou à des conditions spéciales d'aptitudes professionnelles.
  L'avis du moniteur mentionne au moins la date limite de candidature et la constitution éventuelle d'une réserve des lauréats. Le cas échéant, il précise la durée et l'importance de cette réserve.
  Les candidats disposent d'au moins quatorze jours calendrier pour se porter candidat. "
Art. 7. In artikel 28 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het derde lid, worden de woorden " Vaste Wervingssecretaris " vervangen door de woorden " afgevaardigde-bestuurder van SELOR ".
  2° een nieuw vijfde lid wordt aangevuld, luidende :
  Voorafgaand aan de vorming van een wervingsreserve, kan de minister op basis van het aantal voorzienbare vacante betrekkingen bij het ministerie het aantal toelaatbare geslaagden in deze reserve bepalen. "
Art. 7. A l'article 28 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 3, les mots " du secrétaire permanent au Recrutement " sont remplacés par les mots " de l'administrateur délégué de SELOR ";
  2° il est ajouté un nouvel alinéa 5 rédigé comme suit :
  " Le ministre peut déterminer préalablement à la constitution d'une réserve, sur base du nombre de vacances d'emplois prévisibles au ministère, le nombre de lauréats admis dans cette réserve. "
Art. 8. In artikel 29 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden " Vaste Wervingssecretaris " vervangen door de woorden " afgevaardigde-bestuurder van SELOR ".
  2° in de eerste zin van het tweede lid worden de woorden " Vaste Wervingssecretaris " vervangen door de woorden " afgevaardigde bestuurder van SELOR ".
  3° het tweede lid wordt aangevuld als volgt :
  " 3° voor een bepaald vergelijkend wervingsexamen een minimumleeftijd voorschrijven;
  4° voor een bepaald vergelijkend wervingsexamen bijzondere eisen stellen inzake beroepsbekwaamheid verworven door het bezit van praktische kennis of de uitoefening van een vorige werkzaamheid, wanneer de aard van de te verlenen betrekkingen zodanige eisen wettigt;
  5° tot een bepaald examen de studenten toelaten die in het laatste jaar zitten van de studies voor het behalen van het vereiste diploma of getuigschrift. wanneer de minister in overleg met de afgevaardigd bestuurder van SELOR vermoedt dat het aantal deelnemers niet groot genoeg zal zijn om voldoende kandidaten of geslaagden op te leveren; in dat geval worden zij die geslaagd zijn voor het examen van het voorlaatste jaar en verklaren dat zij het examen van het laatste jaar voor de examencommissie van hun Gemeenschap zullen afleggen ook tot dat wervingsexamen toegelaten. Voor hun benoeming kunnen de geslaagden van deze wervingsexamens zich slechts vanaf de dag waarop zij aan de afgevaardigde-bestuurder van SELOR het vereiste diploma of studiegetuigschrift hebben voorgelegd, op hun rangschikking beroepen;
  6° behalve de in artikel 25 bis, § 2, 5°, vermelde diploma's en getuigschriften de volgende, door hem aan te wijzen diploma's en getuigschriften aanvaarden voor het wervingsexamen in een bepaalde graad en wanneer de vereisten van het uit te oefenen ambt dit toelaten :
  a) diploma's en getuigschriften van het onderwijs voor sociale promotie en van het kunstonderwijs voor socio-culturele promotie;
  b) diploma's en getuigschriften van het technisch, kunst- of beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan;
  7° voor het vergelijkend wervingsexamen in bepaalde functies van niveaus D en E het bezit van door hem aan te wijzen studie- of opleidingsdiploma's eisen als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van de uit te oefenen ambten;
  8° voor het vergelijkend wervingsexamen in bepaalde graden van de niveaus A, B en C de houders van door hem aan te wijzen vormingsdiploma's en vormingsgetuigschriften aanvaarden als dit verantwoord is vanwege de technische of de gespecialiseerde aard van het uit te oefenen ambt en voor zover de houders van die diploma's en getuigschriften eveneens houder zijn van één van de studiebewijzen vermeld in artikel 25 bis, § 2, 5°. "
Art. 8. A l'article 29 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, les mots " le secrétaire permanent au Recrutement " sont remplacés par les mots " l'administrateur délégué de SELOR ".
  2° dans la première phrase de l'alinéa 2, les mots " le secrétaire permanent au Recrutement " sont remplacés par les mots " l'administrateur délégué de SELOR ".
  3° l'alinéa 2 est complété par les dispositions suivantes :
  " 3° imposer, pour un concours déterminé, la condition d'un âge minimum;
  4° imposer, pour un concours déterminé, des conditions spéciales d'aptitudes professionnelles acquises consistant dans des connaissances pratiques ou dans l'exercice d'une activité antérieure, lorsque de telles conditions sont justifiées par la nature des emplois à conférer;
  5° admettre à un concours déterminé, les étudiants qui accomplissent la dernière année d'études requises pour qu'ils obtiennent le diplôme ou le certificat d'études exigé lorsque le ministre, en concertation avec l'administrateur délégué de SELOR, présume que les participants ne seront pas assez nombreux pour qu'il y ait suffisamment de candidats ou de lauréats; en ce cas, sont également admis à cette sélection ceux qui ont satisfait à l'épreuve relative à l'avant-dernière année et qui déclarent qu'ils se présenteront devant le jury de leur Communauté pour l'épreuve relative à la dernière année; les lauréats de ces concours ne peuvent toutefois faire valoir, en vue d'une nomination, le bénéfice de leur classement qu'à partir du jour où ils auront produit devant l'administrateur délégué de SELOR, le diplôme ou certificat d'études exigé;
  6° admettre, pour le concours de recrutement à un grade déterminé et lorsque les exigences des fonctions à exercer ne s'y opposent pas, outre les diplômes et certificats d'études indiqués à l'article 25 bis, § 2, 5°, d'autres diplômes et certificats qu'il désigne parmi les suivants :
  a) diplômes et certificats d'enseignement de promotion sociale et de l'enseignement artistique de promotion socioculturelle;
  b) diplômes et certificats d'enseignement technique, artistique ou professionnel secondaire de plein exercice;
  7° exiger, pour le concours de recrutement à des fonctions déterminées des niveaux D et E, la possession de diplômes et certificats d'études ou de formation qu'il désigne lorsque cette condition est justifiée par le caractère technique ou spécialisé des fonctions à exercer;
  8° admettre, pour le concours de recrutement à des grades déterminés des niveaux A, B et C, les porteurs de diplômes ou certificats de formation qu'il désigne lorsque cette condition est justifiée par le caractère technique ou spécialisé des fonctions à exercer, et pour autant que les détenteurs de ces diplômes ou certificats soient également porteurs d'un des titres d'études prévus à l'article 25 bis, § 2, 5°. "
Art. 9. In artikel 30 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden " Vaste Wervingssecretaris " vervangen door de woorden " afgevaardigde bestuurder van SELOR ";
  2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
  " De minister of de ambtenaar die hij daartoe aanwijst, roept de geselecteerde kandidaat in dienst. ";
  3° In het derde lid worden de woorden " Toutefois, lorsque " vervangen door het woord " Lorsque " in de Franse tekst.
Art. 9. A l'article 30 du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, les mots " le secrétaire permanent au Recrutement " sont remplacés par les mots " l'administrateur délégué de SELOR ";
  2° l'alinéa 2 est remplacé par la disposition suivante :
  " Le ministre ou l'agent qu'il désigne à cet effet, appelle en service le candidat sélectionné. ";
  3° à l'alinéa 3, les mots " Toutefois, lorsque " sont remplacés par le mot " Lorsque " dans le texte français.
Art. 10. In artikel 31 van hetzelfde besluit gewijzigd bij het (besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002 tot eerste wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest), worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
  " De volgende in dit besluit opgenomen bepalingen zijn op de stagiair van toepassing :
  1° de rechten, plichten, onverenigbaarheden en cumulatie van activiteiten;
  2° de tuchtregeling;
  3° de administratieve standen;
  4° het geldelijk statuut;
  5° het ambtshalve verlies van de hoedanigheid van ambtenaar en de definitieve ambtsneerlegging;
  6° de gemiddelde maximale arbeidsduur. ";
  2° de eerste zin van het derde lid wordt opgeheven en vervangen als volgt :
  " De stagiair geniet : ";
  3° in het derde lid, 4° worden de woorden " of invaliditeit " geschrapt;
  4° in het derde lid, 6° worden de woorden " of gebrekkigheid " geschrapt.
Art. 10. A l'article 31 du même arrêté, modifié par l'(arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 26 septembre 2002 portant 1re modification de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 6 mai 1999 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du ministère de la Région de Bruxelles-Capitale), sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 2 est remplacé par la disposition suivante :
  " Sont applicables au stagiaire les dispositions reprises dans le présent arrêté relatives :
  1° aux droits, devoirs, incompatibilités et cumuls d'activités;
  2° au régime disciplinaire;
  3° aux positions administratives;
  4° du statut pécuniaire;
  5° de la perte d'office de la qualité d'agent et de la cessation définitive des fonctions;
  6° de la durée moyenne maximum du temps de travail. ";
  2° la première phrase de l'alinéa 3 est supprimée et remplacé par la disposition suivante :
  " Le stagiaire bénéficie : ";
  3° à l'alinéa 3, 4°, les mots " ou invalidité " sont supprimés;
  4° à l'alinéa 3, 6°, les mots " ou infirmité " sont supprimés.
Art. 11. In artikel 36 van hetzelfde besluit, worden de woorden " ambtenaren van rang A 3 " vervangen door de woorden " ambtenaren van ten minste rang A 2 ".
Art. 11. Dans l'article 36 du même arrêté, les mots " agents de rang A 3 " sont remplacés par les mots " agents de rang A 2 au moins ".
Art. 12. In het derde lid van artikel 46 van hetzelfde besluit, worden de woorden " kan de directeur-generaal met instemming van de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal de afdanking wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het ministerie of de verlenging van de stage voorstellen " vervangen door de woorden " stelt de directeur-generaal met instemming van de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal de afdanking wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het ministerie of de verlenging van de stage voor. ".
Art. 12. Dans l'alinéa 3 de l'article 46 du même arrêté, les mots " peut proposer " sont remplacés par le mot " propose ".
Art. 13. In artikel 47 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het (besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002 tot eerste wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest), worden de woorden " kunnen doen " vervangen door het woord " doen. ".
Art. 13. Dans l'article 47 du même arrêté, modifié par l'(arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 26 septembre 2002 portant 1re modification de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 6 mai 1999 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du ministère de la Région de Bruxelles-Capitale), les mots " peuvent faire " sont remplacés par le mot " font ".
Art. 14. Artikel 53 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " Art. 53 De beslissing tot ontslag wegens beroepsongeschiktheid wordt door de benoemende overheid genomen.
  De stagiair geniet een opzeggingstermijn van drie maanden. Bij zware fout echter, wordt hij zonder opzeggingstermijn ontslagen. "
Art. 14. L'article 53 du même arrêté est remplacé comme suit :
  " Art. 53. La décision de licenciement pour cause d'inaptitude professionnelle est prise par l'autorité investie du pouvoir de nomination.
  Le stagiaire licencié bénéficie d'un délai de préavis de trois mois. Toutefois, en cas de faute grave, il est licencié sans préavis. "
Art. 15. In artikel 64 van hetzelfde besluit, vervangen door het (besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002 tot eerste wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest), worden de woorden " het Vast Wervingssecretariaat " vervangen door het woord " SELOR ".
Art. 15. Dans l'article 64 du même arrêté, remplacé par l'(arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 26 septembre 2002 portant 1re modification de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 6 mai 1999 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du ministère de la Région de Bruxelles-Capitale),les mots " du secrétariat permanent de Recrutement " sont remplacés par les mots " de SELOR ".
Art. 16. Het eerste lid van artikel 86 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het (besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002 tot eerste wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest), wordt vervangen als volgt :
  " Het mandaat duurt vijf jaar. Onverminderd artikel 129, eindigt het na afloop van de vastgestelde duur, in geval van schorsing in het belang van de dienst gedurende meer dan zes maanden, in geval van ononderbroken afwezigheid wegens langdurige ziekte van meer dan zes maanden, in geval van terugzetting in graad of door het vrijwillig ontslag van de mandaathouder. "
Art. 16. L'alinéa premier de l'article 86 du même arrêté, modifié par l'(arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 26 septembre 2002 portant 1re modification de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 6 mai 1999 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du ministère de la Région de Bruxelles-Capitale), est remplacé par la disposition suivante :
  " La durée du mandat est de cinq ans. Sans préjudice de l'article 129, le mandat prend fin à l'expiration de la durée fixée, en cas de suspension dans l'intérêt du service pendant plus de six mois, en cas d'absence ininterrompue pour cause de maladie de longue durée de plus de six mois, en cas de rétrogradation ou par la démission volontaire du mandataire. "
Art. 17. Het derde lid van artikel 89 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het (besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002 tot eerste wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest), wordt geschrapt.
Art. 17. L'alinéa 3 de l'article 89 du même arrêté, modifié par l'(arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 26 septembre 2002 portant 1re modification de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 6 mai 1999 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du ministère de la Région de Bruxelles-Capitale), est supprimé.
Art. 18. In artikel 94 van hetzelfde besluit, worden de woorden " het Vast Wervingssecretariaat " vervangen door het woord " SELOR ".
Art. 18. Dans l'article 94 du même arrêté, les mots " le Secrétariat permanent de recrutement " sont remplacés par le mot " SELOR ".
Art. 19. In artikel 95 van hetzelfde besluit worden de woorden " Onverminderd de toepassing van artikel 340, is de bevordering " vervangen door de woorden " De bevordering en wordt het woord " is " ingevoegd tussen de woorden " niveau " en " alleen ".
Art. 19. Dans l'article 95 du même arrêté, les mots " Sans préjudice de l'application de l'article 340, la " sont remplacés par le mot " La ".
Art. 20. In artikel 96 van hetzelfde besluit, worden de woorden " het Vast Wervingssecretariaat " vervangen door het woord " SELOR ".
Art. 20. Dans l'article 96 du même arrêté, les mots " le Secrétariat permanent de recrutement " sont remplacés par le mot " SELOR ".
Art. 21. In artikel 99, eerste lid, 2°, van hetzelfde besluit, worden de woorden " het Vast Wervingssecretariaat " vervangen door het woord " SELOR ".
Art. 21. Dans l'article 99, alinéa 1er, 2°, du même arrêté, les mots " le Secrétariat permanent de recrutement " sont remplacés par le mot " SELOR ".
Art. 22. In artikel 102, derde lid, van hetzelfde besluit, worden de woorden " de Vaste Wervingssecretaris " vervangen door het woord " SELOR ".
Art. 22. Dans l'article 102, alinéa 3, du même arrêté, les mots " le Secrétaire permanent au recrutement " sont remplacés par le mot " SELOR ".
Art. 23. In boek I, titel V van hetzelfde besluit, worden de hoofdstukken I en II, die de artikelen 114 tot 126 omvatten, welke gewijzigd zijn bij het (besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002 tot eerste wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest) vervangen als volgt :
  " HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
  Art. 114. De evaluatie heeft tot doel het werk van de ambtenaar in de functie die hij vervult, aan de hand van de functiebeschrijving ervan, doorlopend te beoordelen.
  Art. 115. De ambtenaar wordt geëvalueerd door een gemachtigde hiërarchische meerdere met eerbiediging van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Indien hij niet tot dezelfde taalrol als de ambtenaar behoort, dient de hiërarchische meerdere een voldoende kennis van de taal van de geëvalueerde ambtenaar te bezitten, als ambtenaar behorend tot het tweetalig kader, die krachtens artikel 43, § 3, derde lid van dezelfde wetten het bewijs heeft geleverd de tweede taal voldoende te kennen, ofwel omdat hij in het bezit is van een taalbewijs waaruit de voldoende kennis van de andere taal blijkt dat uitgereikt is op grond van de artikelen 7, 11 en 12 van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van dezelfde wetten.
  De hiërarchische meerdere gemachtigd tot het uitvoeren van de evaluatie wordt aangewezen door de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal.
  Een ambtenaar mag geen evaluatie uitvoeren zonder eerst een vorming te hebben genoten.
  Art. 116. De evaluatie gebeurt op basis van een evaluatiedossier.
  Dit dossier bevat met name :
  - de functiebeschrijving;
  - het verslag van het functiegesprek;
  - de documenten betreffende de vaststellingen en de gunstige of ongunstige beoordelingen bedoeld in artikel 120;
  - het evaluatieverslag;
  De ambtenaar krijgt een kopie van de documenten waarvan het model wordt opgesteld door het HRM.
  Het evaluatiedossier maakt deel uit van het persoonlijk dossier van de ambtenaar.
  HOOFDSTUK II. - Het verloop van de evaluatie
  Art. 117. De evaluatieperiode van de ambtenaar is de periode tussen het (of de) functiegesprek(ken) en het evaluatiegesprek.
  Deze periode heeft een tijdsduur van minstens zes maanden.
  Art. 118. In het begin van elke evaluatieperiode en bij elke benoeming of dienstaanwijzing van de ambtenaar heeft de gemachtigde hiërarchische meerdere een functiegesprek met hem, waarbij de te bereiken doelstellingen en de elementen waarop de ambtenaar zal worden geëvalueerd op basis van de functiebeschrijving, worden omschreven.
  Deze betreffen :
  - de kwaliteit van het werk;
  - het werkritme;
  - de toe te passen werkmethoden;
  - de te verwerven werkattitudes.
  Art. 119. Binnen vijftien dagen na het gesprek stelt de gemachtigde hiërarchische meerdere een verslag op van het functiegesprek. Dit verslag wordt geviseerd door de ambtenaar. De gemachtigde hiërarchische meerdere stuurt dit verslag naar het HRM binnen dertig dagen na het functiegesprek.
  Art. 120. In de loop van elke evaluatieperiode kan de gemachtigde hiërarchische meerdere gunstige of ongunstige vaststellingen op basis van de doelstellingen en de evaluatiecriteria bedoeld in artikel 118, aan het evaluatiedossier toevoegen.
  Deze vaststellingen worden ter kennis van de ambtenaar gebracht, die er zijn eventuele bemerkingen kan aan toevoegen.
  De ambtenaar kan de gemachtigde hiërarchische meerdere vragen een document met een gunstige beoordeling betreffende de uitvoering van zijn werk aan zijn evaluatiedossier toe te voegen.
  Art. 121. Op het einde van elke evaluatieperiode heeft de gemachtigde hiërarchische meerdere een evaluatiegesprek met de ambtenaar.
  Art. 122. Dit evaluatiegesprek heeft plaats, hetzij tweejaarlijks tussen 15 oktober en 15 december, het ene jaar voor de ambtenaren van niveau A en B, het volgende jaar voor de andere niveaus, hetzij na een termijn van een jaar in geval van een vermelding " onder voorbehoud " of " onvoldoende ". Deze termijn kan op vraag van de ambtenaar ingekort worden tot zes maanden.
  Dit evaluatiegesprek handelt over de verwezenlijking van de doelstellingen en de elementen bedoeld in artikel 118 opgesteld tijdens het functiegesprek.
  Art. 123. Binnen vijftien dagen na het evaluatiegesprek stelt de gemachtigde hiërarchische meerdere een evaluatieverslag en kent de vermelding " voldoende ", " onder voorbehoud " of " onvoldoende " toe, voorzien van een motivering. Het evaluatieverslag wordt gedateerd en getekend binnen dezelfde termijn door de gemachtigde hiërarchische meerdere, voor ontvangst getekend door de geëvalueerde ambtenaar en onmiddellijk doorgestuurd naar het HRM.
  Art. 124. De gemachtigde hiërarchische meerdere die de ambtenaar niet onder zijn gezag heeft gehad gedurende de volledige evaluatieperiode, raadpleegt de vorige gemachtigde hiërarchische meerderen van de ambtenaar voor het evaluatiegesprek.
  Indien de gemachtigde hiërarchische meerdere niet de functionele meerdere van de ambtenaar is, dient hij de functionele meerdere te raadplegen voor de functie- en evaluatiegesprekken.
  Art. 125. Op het einde van het evaluatiegesprek heeft een nieuw functiegesprek plaats over de volgende evaluatieperiode conform artikel 118, hetzij op hetzelfde ogenblik, hetzij op een ander ogenblik maar niettemin tussen 15 oktober en 15 december van het jaar van het evaluatiegesprek.
  Art. 126. De ambtenaar die zijn prestaties niet effectief gedurende ten minste zes maanden heeft geleverd en die afwezig is, met verlof is, of zijn functie niet vervult, behoudt zijn laatste evaluatie. "
Art. 23. Les chapitres Ier et II du titre V du livre Ier du même arrêté, comprenant les articles 114 à 126, modifiés par l'(arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 26 septembre 2002 portant 1re modification de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 6 mai 1999 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du ministère de la Région de Bruxelles-Capitale) sont remplacés par les dispositions suivantes :
  " CHAPITRE I. - Dispositions générales
  Art. 114. L'évaluation a pour but d'apprécier de manière continue le travail effectué par l'agent dans la fonction qu'il exerce par référence à la description de cette fonction.
  Art. 115. L'agent est évalué par un supérieur hiérarchique habilité dans le respect des lois coordonnées du 18 juillet 1966 sur l'emploi des langues en matière administrative. S'il n'est pas du même rôle linguistique que l'agent, le supérieur hiérarchique doit posséder une connaissance suffisante de la langue de l'agent évalué, soit parce qu'il est un agent du cadre bilingue qui, en vertu de l'article 43, § 3, alinéa 3 des mêmes lois, a fourni la preuve qu'il connaît suffisamment la seconde langue, soit parce qu'il détient un certificat linguistique attestant de la connaissance suffisante de l'autre langue délivré sur la base des articles 7, 11 et 12 de l'arrêté royal du 8 mars 2001 fixant les conditions de délivrance des certificats de connaissances linguistiques prévus à l'article 53 des mêmes lois.
  Le supérieur hiérarchique habilité à faire l'évaluation est désigné par le secrétaire général ou le secrétaire général adjoint.
  Aucun agent ne peut effectuer une évaluation sans avoir suivi au préalable une formation appropriée.
  Art. 116. L'évaluation s'effectue sur base d'un dossier d'évaluation.
  Ce dossier comporte notamment :
  - la description de fonction;
  - le rapport de l'entretien de fonction;
  - les documents portant sur les constatations et appréciations favorables ou défavorables visés à l'article 120;
  - le rapport d'évaluation.
  L'agent reçoit copie de ces documents dont le modèle est établi par la GRH.
  Le dossier d'évaluation fait partie du dossier personnel de l'agent.
  CHAPITRE II. - Du déroulement de l'évaluation
  Art. 117. La période d'évaluation de l'agent est celle qui s'étend entre le (ou les) entretien(s) de fonction et l'entretien d'évaluation.
  Cette période est d'une durée de six mois au moins.
  Art. 118. Au début de chaque période d'évaluation et lors de chaque nomination ou affectation de l'agent, le supérieur hiérarchique habilité a un entretien de fonction avec celui-ci, au cours duquel sont précisés les objectifs à atteindre et les éléments sur lesquels l'agent sera évalué en rapport avec la description de fonction.
  Ceux-ci portent sur :
  - la qualité du travail;
  - le rythme de travail;
  - les méthodes de travail à appliquer;
  - les attitudes de travail à adopter.
  Art. 119. Endéans les quinze jours qui suivent l'entretien, le supérieur hiérarchique habilité rédige un rapport d'entretien de fonction. Ce rapport est visé par l'agent. Le supérieur hiérarchique habilité transmet à la GRH ledit rapport dans les trente jours qui suivent l'entretien de fonction.
  Art. 120. Dans le courant de chaque période d'évaluation, le supérieur hiérarchique habilité peut joindre au dossier d'évaluation des constatations favorables ou défavorables en rapport avec les objectifs et les éléments d'évaluation précisés à l'article 118.
  Ces constatations sont portées à la connaissance de l'agent qui peut y ajouter ses remarques éventuelles.
  L'agent peut demander au supérieur hiérarchique habilité d'ajouter à son dossier d'évaluation un document portant une appréciation favorable sur l'exécution de son travail.
  Art. 121. A la fin de chaque période d'évaluation, le supérieur hiérarchique habilité a un entretien d'évaluation avec l'agent.
  Art. 122. Cet entretien d'évaluation a lieu, soit tous les deux ans entre le 15 octobre et le 15 décembre, une année pour les agents des niveaux A et B, l'année suivante pour ceux des autres niveaux, soit après un délai d'un an en cas d'attribution d'une mention " avec réserve " ou " insuffisant ", ce délai pouvant, à la demande de l'agent, être réduit à six mois.
  Cet entretien d'évaluation porte sur la réalisation des objectifs et sur les éléments visés à l'article 118 fixés lors de l'entretien de fonction.
  Art. 123. Endéans les quinze jours qui suivent l'entretien d'évaluation, le supérieur hiérarchique habilité rédige un rapport d'évaluation et attribue la mention " satisfaisant ", " avec réserve " ou " insuffisant " accompagnée d'une motivation. Ce rapport d'évaluation est daté et signé dans le même délai par le supérieur hiérarchique habilité; il est visé pour réception par l'agent évalué et adressé immédiatement à la GRH.
  Art. 124. Le supérieur hiérarchique habilité qui n'a pas eu l'agent sous son autorité durant toute la période d'évaluation, consulte les précédents supérieurs hiérarchiques habilités de l'agent avant l'entretien d'évaluation.
  Le supérieur hiérarchique habilité, s'il n'est pas le supérieur fonctionnel de l'agent, consulte ce supérieur fonctionnel avant les entretiens de fonction et d'évaluation.
  Art. 125. Au terme de l'entretien d'évaluation, un nouvel entretien de fonction relatif à la période d'évaluation suivante a lieu conformément à l'article 118, soit au même moment, soit à un autre moment situé cependant entre le 15 octobre et le 15 décembre de l'année de l'entretien d'évaluation.
  Art. 126. L'agent qui n'a pas exercé de manière effective ses prestations pendant six mois au moins et qui est absent, en congé ou n'exerce pas sa fonction, conserve sa dernière évaluation.
Art. 24. Artikel 130 hetzelfde besluit wordt aangevuld met het volgende lid :
  " De commissie van beroep bedoeld in artikel 18 is niet bevoegd om uitspraak te doen over het beroep van een mandaathouder. "
Art. 24. L'article 130 du même arrêté est complété par l'alinéa suivant :
  " La commission de recours visée à l'article 18 n'est pas compétente pour statuer sur le recours d'un mandataire. "
Art. 25. De artikelen 132 tot 135 van hetzelfde besluit worden vervangen als volgt :
  " Art. 132. De ambtenaar die zijn goedkeuring niet kan hechten aan de vermelding " onvoldoende " of " onder voorbehoud " beschikt over een termijn van tien werkdagen om beroep in te dienen per aangetekend schrijven bij de commissie van beroep.
  Art. 133. Deze termijn begint te lopen vanaf het ogenblik waarop de ambtenaar het evaluatieverslag heeft geviseerd.
  Er wordt de ambtenaar een ontvangstbewijs van het beroep uitgereikt.
  Art. 134. Elk beroep dient te worden ingeschreven binnen een maand nadat het op de agenda van de commissie van beroep werd geplaatst.
  Art. 135. De commissie van beroep dient zich uit te spreken binnen drie maanden na ontvangst van het beroep en heeft een beslissende bevoegdheid.
  Onverminderd artikel 137 bevestigt de commissie de evaluatie van de hiërarchische meerdere of ze kent een van de andere vermeldingen uit artikel 123 toe.
  De ambtenaar wordt op eigen verzoek of wanneer de commissie dit nodig acht gehoord. De ambtenaar kan zich laten bijstaan door een persoon naar keuze. "
Art. 25. Les articles 132 à 135 du même arrêté sont remplacés comme suit :
  " Art. 132. L'agent qui ne peut marquer son accord sur la mention " insuffisant " ou " avec réserve " dispose d'un délai de dix jours ouvrables pour introduire un recours par lettre recommandée à la poste auprès de la commission de recours.
  Art. 133. Ce délai commence à courir à partir du moment où l'agent a visé le rapport d'évaluation.
  L'agent se voit délivrer un accusé de réception du recours.
  Art. 134. Tout recours doit être inscrit dans le mois de sa notification à l'ordre du jour de la commission de recours.
  Art. 135. La commission de recours doit se prononcer dans les trois mois de la réception du recours et dispose d'une compétence de décision.
  Sans préjudice de l'article 137, la commission, soit confirme l'évaluation du supérieur hiérarchique, soit attribue une des autres mentions prévues à l'article 123.
  L'agent est entendu, à sa demande ou lorsque la commission l'estime nécessaire. L'agent peut se faire assister par la personne de son choix. "
Art. 26. Artikel 137 van hetzelfde besluit wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 137. § 1. De vermelding " onvoldoende " kan slechts eenmaal worden toegekend. Indien na de toekenning van deze vermelding de ambtenaar geen van de andere vermeldingen bedoeld in artikel 123 wordt toegekend, wordt hij door de hiërarchische meerdere die de evaluatie heeft verricht beroepsongeschikt verklaard.
  § 2. De ambtenaar die zijn goedkeuring niet kan hechten aan de verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid beschikt over een termijn van tien werkdagen om per aangetekend schrijven beroep in te dienen bij de commissie van beroep.
  Deze termijn begint te lopen vanaf het ogenblik waarop de ambtenaar het verslag dat geleid heeft tot de verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid, heeft geviseerd.
  Er wordt de ambtenaar een ontvangstbewijs van het beroep uitgereikt.
  De procedure bedoeld in artikelen 134 en 135 is van toepassing.
  De commissie brengt advies uit bij de benoemende overheid. Deze spreekt zich uit over de verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid.
  § 3. In geval van bevestiging van de verklaring van definitieve beroepsongeschiktheid, of indien de ambtenaar tegen de verklaring van beroepsongeschiktheid niet in beroep is gegaan, wordt de ambtenaar door de benoemende overheid ontslagen.
  De ambtenaar die afgedankt wegens beroepsongeschiktheid wordt geniet een opzeggingstermijn van drie maanden.
Art. 26. L'article 137 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 137. § 1er. Il ne peut être attribué qu'une seule mention " insuffisant ". Si, après l'attribution de cette mention, l'agent n'obtient pas une des autres mentions prévues à l'article 123, il est déclaré inapte professionnellement par le supérieur hiérarchique qui a procédé à l'évaluation.
  § 2. L'agent qui ne peut marquer son accord sur la déclaration d'inaptitude professionnelle définitive dispose d'un délai de dix jours ouvrables pour introduire un recours par lettre recommandée à la poste auprès de la commission de recours.
  Ce délai commence à courir à partir du moment où l'agent a visé le rapport qui a abouti à la déclaration d'inaptitude professionnelle définitive.
  L'agent se voit délivrer un accusé de réception du recours.
  La procédure visée aux articles 134 et 135 s'applique.
  La commission émet un avis à l'autorité investie du pouvoir de nomination. Celle-ci se prononce sur la déclaration d'inaptitude professionnelle définitive.
  § 3. En cas de confirmation de la déclaration d'inaptitude professionnelle ou lorsque l'agent n'a pas été en recours contre la déclaration d'inaptitude professionnelle, l'agent est licencié par l'autorité investie du pouvoir de nomination.
  L'agent licencié pour cause d'inaptitude professionnelle bénéficie d'un délai de préavis de trois mois.
Art. 27. De hoofdstukken I tot IV van titel VI van boek I van hetzelfde besluit, die de artikelen 138 tot 148 bevatten, worden vervangen als volgt :
  "
  HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
  Art. 138. De interne mobiliteit heeft tot doel de ambtenaren efficiënter te maken, rekening houdend zowel met hun bekwaamheden, ervaring en motivatie als met de personeelsbehoeften van de diensten en besturen.
  Art. 139. De mutatie is de overgang van een ambtenaar naar een andere betrekking van zijn graad behorend tot hetzelfde bestuur of tot een ander bestuur van het ministerie.
  De mutatie kan slechts geschieden binnen de betrekkingen van rang A 2 in een betrekking van dezelfde categorie zoals bepaald in artikel 8, tweede en derde lid.
  Art. 140. De ambtenaar behoudt hoe dan ook zijn graad en de daaraan verbonden weddeschaal. Hij behoudt tevens de voordelen die hij in zijn functionele loopbaan heeft verkregen, met inachtneming van de bepalingen inzake vorming en evaluatie.
  Art. 141. De interne mobiliteit vindt plaats hetzij door vrijwillige mutatie op initiatief van de ambtenaar of naar aanleiding van een interne oproep, hetzij door ambtshalve mutatie, hetzij door herplaatsing.
  Art. 142. Het HRM beheert het stelsel van de interne mobiliteit met een gegevensbank waarin de mutatieaanbiedingen en -aanvragen worden opgenomen.
  De mutatieaanbiedingen zijn de door de verantwoordelijken van de directies ingediende werkaanbiedingen om te voorzien in vacante of tijdelijk onbezette betrekkingen door middel van interne overplaatsingen. Zij worden goedgekeurd door de directieraad en ter kennis van alle ambtenaren gebracht, namelijk met het informaticanetwerk intranet.
  De mutatieaanvragen zijn de aanvragen tot overplaatsing naar een andere betrekking van het ministerie, ingediend op initiatief van de ambtenaren. De informatie betreffende deze aanvragen mogen enkel geraadpleegd worden door het HRM.
  HOOFDSTUK II. - De vrijwillige mutatie op initiatief van de ambtenaar
  Art. 143. Iedere ambtenaar kan op elk ogenblik uit eigen beweging een mutatieaanvraag indienen bij het HRM door middel van een formulier verstrekt door de genoemde dienst.
  Het HRM onderzoekt in welke mate aan het verzoek gevolg kan worden gegeven. Daartoe raadpleegt het de gegevensbank en vergelijkt het profiel van de aanvragers met de functiebeschrijvingen van de werkaanbiedingen die in de gegevensbank zijn opgenomen.
  Het HRM legt de verantwoordelijke van de directie een lijst met kandidaten voor waarvan het profiel overeenstemt met de functiebeschrijving van deze betrekking.
  Deze laatste, bijgestaan door het HRM, selecteert de kandidaat die het best beantwoordt aan de vereisten van het ambt en neemt een beslissing over de mutatie.
  Het HRM brengt de secretaris-generaal, de adjunct-secretaris-generaal of de directeur-generaal al naargelang het geval op de hoogte.
  In geval van mutatie kan de directeur-generaal, de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal, al naargelang het geval, van het oorspronkelijke bestuur van de ambtenaar een wachttijd van drie maanden opleggen voor het eigenlijke vertrek van deze laatste.
  Art. 144. De aanvragen tot mutatie binnen eenzelfde bestuur mogen onmiddellijk door de directeur-generaal van dit bestuur of, als de aanvraag werd ingediend bij het secretariaat-generaal, door de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal worden behandeld in overeenstemming met de aanvragers.
  Als een aanvraag leidt tot een mutatie binnen eenzelfde bestuur brengt de directeur-generaal, de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal al naargelang het geval, het HRM op de hoogte.
  HOOFDSTUK III. - De vrijwillige mutatie door een interne oproep
  Art. 145. Een interne oproep kan worden gedaan door het HRM aan de ambtenaren van het ministerie voor de betrekkingen opgenomen in de gegevensbank, met een dienstnota die het volgende vermeldt :
  1° de functiebeschrijving;
  2° het gewenste profiel van de kandidaten;
  3° binnen welke termijn de ambtenaar zijn belangstelling voor de betrekking kan kenbaar maken.
  Art. 146. De kandidaturen worden ingediend bij het HRM.
  Het HRM onderzoekt in welke mate er gevolg kan worden gegeven aan de uit eigen beweging ingediende kandidaturen alsmede aan degene die het gevolg zijn van een interne oproep. Daartoe vergelijkt het HRM het profiel van de kandidaten met de functiebeschrijvingen waarvoor de interne oproep werd gedaan.
  De selectie wordt uitgevoerd volgens de procedure bedoeld in artikel 143, derde tot zesde lid.
  Indien blijkt dat geen enkele kandidaat beantwoordt aan de vereisten van het ambt brengt het HRM dit ter kennis van de ambtenaren die zich kandidaat hadden gesteld.
  HOOFDSTUK IV. - De ambtshalve mutatie
  Art. 147. De secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal kan over een ambtshalve mutatie beslissen als voor het bekleden van een betrekking bijzondere eisen inzake kennis of ervaring gelden en indien de betrekking niet kon worden bezet na een interne oproep.
  Hij raadpleegt vooraf de betrokken diensthoofden en de ambtenaar en motiveert zijn beslissing aan de hand van de functiebeschrijving en het gewenste profiel om betrekking te kunnen bekleden.
  Art. 148. De secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal kan beslissen over een ambtshalve mutatie ingeval de ambtenaar niet meer over de vereiste bekwaamheden beschikt om zijn betrekking te bekleden. Hij hoort vooraf de betrokken ambtenaar.
  "
Art. 27. Les chapitres Ier à IV du titre VI du livre Ier du même arrêté, comprenant les articles 138 à 148, sont remplacés par les dispositions suivantes :
  " CHAPITRE I. - Dispositions générales
  Art. 138. La mobilité interne a pour objectif de rendre les agents plus efficients, en tenant compte aussi bien de leurs compétences, de leur expérience et de leur motivation que des besoins en personnel des services et administrations.
  Art. 139. La mutation est le passage d'un agent à un emploi correspondant à son grade dans la même administration ou dans une autre administration du ministère.
  La mutation ne peut intervenir au sein des emplois de rang A 2 que dans un emploi de la même catégorie telle que définie à l'article 8, alinéas 2 et 3.
  Art. 140. L'agent garde, en tout cas, son grade et l'échelle y afférente. Il garde également les avantages qu'il a obtenus au cours de sa carrière fonctionnelle, dans le respect des dispositions en matière de formation et d'évaluation.
  Art. 141. La mobilité interne est réalisée soit par mutation volontaire à l'initiative de l'agent ou suite à un appel interne, soit par mutation d'office, soit par réaffectation.
  Art. 142. La GRH gère le régime de la mobilité interne au moyen d'une banque de données dans laquelle sont versées les offres et les demandes de mutation.
  Les offres de mutation sont les offres d'emploi introduites par les responsables des directions en vue de pourvoir à des emplois vacants ou momentanément inoccupés par des transferts internes. Elles sont approuvées par le conseil de direction et portées à la connaissance de tous les agents, notamment au moyen du réseau informatique intranet.
  Les demandes de mutation sont les demandes de transfert dans un autre emploi du ministère, introduites à l'initiative des agents. Les informations relatives à ces demandes de mutation ne peuvent être consultées que par la GRH.
  CHAPITRE II. - De la mutation volontaire à l'initiative de l'agent
  Art. 143. Chaque agent peut, à tout moment et d'initiative, introduire une demande de mutation auprès de la GRH au moyen d'un formulaire mis à sa disposition par ledit service.
  La GRH examine dans quelle mesure il peut être donné suite à la demande. A cet effet, elle consulte la banque de données et compare le profil des demandeurs avec les descriptions de fonction des emplois offerts et figurant dans la banque de données.
  La GRH soumet au responsable de la direction dans laquelle l'emploi est ouvert à la mutation, une liste de candidats dont le profil correspond à la description de fonction de cet emploi.
  Ce dernier assisté par la GRH sélectionne le candidat qui correspond le mieux aux exigences de la fonction et décide de la mutation.
  La GRH en informe le secrétaire général, le secrétaire général adjoint ou le directeur général selon le cas.
  En cas de mutation, le directeur général, le secrétaire général ou le secrétaire général adjoint selon le cas, de l'administration d'origine de l'agent peut imposer un délai d'attente de trois mois avant le départ effectif de celui-ci.
  Art. 144. Les demandes tendant à une mutation à l'intérieur d'une même administration peuvent être traitées, en accord avec les demandeurs, directement par le directeur général de cette administration ou, si la demande est introduite à l'intérieur du secrétariat général, par le secrétaire général ou par le secrétaire général adjoint.
  Si la demande aboutit à une mutation au sein de la même administration, le directeur général, le secrétaire général ou le secrétaire général adjoint, selon le cas, en informe immédiatement la GRH.
  CHAPITRE III. - De la mutation volontaire par appel interne
  Art. 145. Un appel interne peut être lancé par la GRH aux agents du ministère pour les emplois repris dans la banque de données, au moyen d'une note de service qui mentionne :
  1° la description de la fonction;
  2° le profil requis des candidats;
  3° dans quel délai l'agent peut faire connaître son intérêt pour l'emploi.
  Art. 146. Les candidatures sont introduites auprès de la GRH.
  La GRH examine dans quelle mesure il peut être donné suite aux candidatures introduites spontanément et celles résultant de l'appel interne. A cet effet, elle compare le profil des candidats avec les descriptions de fonction des emplois pour lesquels l'appel interne a été lancé.
  La sélection est opérée selon la procédure visée à l'article 143, alinéas 3 à 6.
  S'il s'avère qu'aucun candidat ne correspond aux exigences de la fonction, la GRH en avise les agents ayant posé leur candidature.
  CHAPITRE IV. - De la mutation d'office
  Art. 147. Le secrétaire général ou le secrétaire général adjoint peut décider d'une mutation d'office si des exigences particulières de connaissances ou d'expérience sont requises pour occuper un emploi et si l'emploi n'a pas pu être pourvu après un appel interne.
  Il consulte préalablement les directeurs généraux et l'agent concernés et motive sa décision d'après la description de fonction et le profil souhaité pour pouvoir occuper l'emploi.
  Art. 148. Le secrétaire général ou le secrétaire général adjoint peut décider d'une mutation d'office au cas où un agent n'aurait plus les qualifications requises pour occuper son emploi. Il entend préalablement l'agent concerné. "
Art. 28. In artikel 163 van hetzelfde besluit worden de woorden " artikel 44 van het koninklijk besluit van 26 september 1994 " vervangen door de woorden " artikel 18 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 ".
Art. 28. Dans l'article 163 du même arrêté, les mots " article 44 de l'arrêté royal du 26 septembre 1994 " sont remplacés par les mots " article 18 de l'arrêté royal du 22 décembre 2000 ".
Art. 29. In artikel 175, tweede lid, 2° van hetzelfde besluit wordt het woord " ouvrables " tussen de woorden " jours " en " après " in de Franse tekst ingevoegd.
Art. 29. Dans l'article 175, alinéa 2, 2° du même arrêté, le mot " ouvrables " est inséré entre les mots " jours " et " après ".
Art. 30. Artikel 236 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " Art. 236. § 1. De ambtenaar krijgt verlof wanneer hij aangewezen wordt om een functie te vervullen op :
  1° het secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of de cel algemeen beleid of, in voorkomend geval, het kabinet van een lid van de federale Regering;
  2° het kabinet van een minister of Staatssecretaris van de Regering van een Gemeenschap of Gewest;
  3° Het kabinet van een minister of Staatssecretaris van het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
  § 2. Op het einde van zijn detachering en tenzij hij naar een ander secretariaat, cel algemene beleidscoördinatie of cel algemeen beleid van de federale Regering of kabinet overgaat, krijgt de ambtenaar, per maand activiteit in deze organen, één dag verlof met een minimum van drie werkdagen en een maximum van vijftien werkdagen. "
Art. 30. L'article 236 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 236. § 1er. L'agent obtient un congé lorsqu'il est désigné pour exercer une fonction :
  1° dans le secrétariat, la cellule de coordination générale de la politique ou la cellule politique générale ou, le cas échéant, le cabinet d'un membre du Gouvernement fédéral;
  2° dans le cabinet d'un ministre ou d'un secrétaire d'Etat du Gouvernement d'une Communauté ou Région;
  3° dans le cabinet d'un ministre ou d'un secrétaire d'Etat du Collège de la Commission communautaire française, de la Commission communautaire flamande ou de la Commission communautaire commune.
  § 2. Au terme de son détachement et à moins d'un nouveau détachement dans un(e) autre secrétariat, cellule de coordination générale de la politique ou cellule politique générale du Gouvernement fédéral ou cabinet, l'agent obtient un jour de congé par mois d'activité presté dans ces organes, avec un minimum de trois jours ouvrables et un maximum de quinze jours ouvrables. "
Art. 31. In het eerste lid van artikel 258 van hetzelfde besluit, wordt het woord " Regering " vervangen door het woord " minister ".
Art. 31. Dans l'alinéa 1er de l'article 258 du même arrêté, le mot " Gouvernement " est remplacé par le mot " ministre ".
Art. 32. In artikel 260 van hetzelfde besluit worden de woorden " wordt gecompenseerd. " vervangen door de woorden " heeft de ambtenaar recht op een recuperatie van de overuren middels een dienstvrijstelling. "
Art. 32. Dans l'article 260 du même arrêté, les mots " elle est compensée. " sont remplacés par les mots " l'agent a droit à la récupération des heures excédentaires sous forme d'une dispense de service. "
Art. 33. Artikel 263 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " Ingeval er inschrijvingskosten zijn, zal de ambtenaar ze moeten terugbetalen, indien hij niet deelneemt aan de examens. Als er geen examens voorzien zijn, zal hij moeten bewijzen dat hij de vorming nauwgezet tot het einde heeft gevolgd. De controle op de nauwgezetheid gebeurt aan de hand van een attest uitgereikt door de opleider en doorgestuurd naar de verantwoordelijke van het HRM. "
Art. 33. L'article 263 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " Dans le cas où un droit d'inscription est exigé, l'agent devra le rembourser s'il ne passe pas les examens qui sont organisés. S'il n'est pas prévu d'examen, il devra prouver qu'il a suivi la formation jusqu'à son terme avec assiduité. Le contrôle de l'assiduité se fait sur base d'une attestation délivrée par le formateur et transmise au responsable de la GRH. "
Art. 34. In artikel 264 van hetzelfde besluit, worden de woorden " het Vast Wervingssecretariaat " vervangen door het woord " SELOR ".
Art. 34. Dans l'article 264 du même arrêté, les mots " le Secrétariat permanent de recrutement " sont remplacés par le mot " SELOR ".
Art. 35. Artikel 267 van hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt :
  1° er wordt een nieuw onderdeel 4° ingevoegd, luidende :
  " 4° de lagere inschaling; "
  2° 4° en 5° worden respectievelijk 5° en 6°.
Art. 35. A l'article 267 du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
  1° il est inséré un 4° nouveau rédigé comme suit :
  " 4° la régression barémique; "
  2° les 4° et 5° deviennent respectivement 5° et 6°.
Art. 36. Artikel 270 van hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt :
  1° in het eerste lid worden de woorden " terugzetting in graad " vervangen door de woorden " de lagere inschaling ".
  2° 3° wordt vervangen door een tweede lid, luidend als volgt :
  " De terugzetting in graad wordt opgelegd door toekenning van een graad van een lagere rang die in hetzelfde of in een lager niveau is ingedeeld. "
Art. 36. A l'article 270 du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er le mot " rétrogradation " est remplacé par les mots " régression barémique ";
  2° le 3° est remplacé par un alinéa 2 rédigé comme suit :
  " La rétrogradation est infligée par l'attribution d'un grade de rang inférieur classé dans le même niveau ou dans un niveau inférieur. "
Art. 37. In het boek I, titel IX, hoofdstuk II, afdeling I, van hetzelfde besluit, wordt een artikel 274bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 274bis. In elke fase van de tuchtprocedure, kan de ambtenaar, voor zijn verdediging, worden gehoord en bijgestaan door een persoon van zijn keuze. "
Art. 37. Dans le livre Ier, titre IX, chapitre II, section I, du même arrêté, il est inséré un article 274bis libellé comme suit :
  " Art. 274bis. A tout moment de la procédure disciplinaire, l'agent peut, pour sa défense, être entendu et être assisté par la personne de son choix. "
Art. 38. Artikel 276 van hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt :
  1° in het eerste lid wordt het woord " ambtenaren " vervangen door het woord " bedoelde overheden ";
  2° in het tweede lid van de Franse tekst worden de woorden " S'ils " vervangen door de woorden " Si elles ";
  3° het derde lid wordt geschrapt;
  4° in het vijfde lid, ingevoegd bij het besluit van 26 oktober 2000, dat het vierde lid wordt, wordt het woord " ambtenaren " vervangen door het woord " overheden ".
Art. 38. A l'article 276 du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, le mot " agents " est remplacé par le mot " autorités visées ";
  2° à l'alinéa 2, les mots " S'ils " sont remplacés par les mots " Si elles ";
  3° l'alinéa 3 est supprimé;
  4° à l'alinéa 5, inséré par l'arrêté du 26 octobre 2000 et devenant l'alinéa 4, le mot " agents " est remplacé par le mot " autorités ".
Art. 39. In artikel 281 van hetzelfde besluit wordt het woord " ambtenaren " vervangen door het woord " overheden ".
Art. 39. A l'article 281 du même arrêté, le mot " agents " est remplacé par le mot " autorités ".
Art. 40. In artikel 286, § 1 van hetzelfde besluit, worden de onderdelen 2° en 3° vervangen als volgt :
  " 2° per taalafdeling, drie effectieve en drie plaatsvervangende assessoren aangewezen door de Regering onder de ambtenaren ten minstens van rang A 2;
  3° per taalafdeling, drie effectieve en drie plaatsvervangende assessoren aangewezen door de vakorganisaties; ".
Art. 40. A l'article 286 § 1er du même arrêté, les 2° et 3° sont remplacés comme suit :
  " 2° par section linguistique, trois assesseurs effectifs et trois suppléants désignes par le Gouvernement parmi les agents de rang A 2 au moins;
  3° par section linguistique, trois assesseurs effectifs et trois suppléants désignés par les organisations syndicales; ".
Art. 41. In het tweede lid van artikel 293 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het (besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002 tot eerste wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest), worden de woorden " van de betekening aan de ambtenaar " tussen de woorden " datum " en " waarop " ingevoegd.
Art. 41. Dans l'alinéa 2 de l'article 293 du même arrêté, inséré par l'(arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 26 septembre 2002 portant 1re modification de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 6 mai 1999 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du ministère de la Région de Bruxelles-Capitale), les mots " de la notification à l'agent " sont insérés entre les mots " date " et " du dessaisissement ".
Art. 42. In artikel 300 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het (besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002 tot eerste wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest),wordt het woord " vergoeding " vervangen door het woord " toelage " in de Nederlandse tekst.
Art. 42. A l'article 300 du même arrêté, modifié par l'(arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 26 septembre 2002 portant 1re modification de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 6 mai 1999 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du ministère de la Région de Bruxelles-Capitale), le mot " vergoeding " est remplacé par le mot " toelage " dans le texte néerlandais.
Art. 43. Artikel 301 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het (besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002 tot eerste wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest), wordt aangevuld met het volgende lid :
  " De bevoegde overheid kan in geen geval een zwaardere straf opleggen dan de voorgestelde straf. "
Art. 43. L'article 301 du même arreté, modifié par l'(arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 26 septembre 2002 portant 1re modification de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 6 mai 1999 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du ministere de la Région de Bruxelles-Capitale), est complété par l'alinéa suivant :
  " L'autorité compétente ne peut en aucun cas infliger une peine plus lourde que la peine proposée. "
Art. 44. Artikel 318 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " Art. 318. De ambtenaar wordt binnen twintig werkdagen na datum van zijn aanvraag in kennis gesteld van de beslissing. "
Art. 44. L'article 318 du même arrete est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 318. L'agent est informé de la décision dans les vingt jours ouvrables à dater de sa demande. "
Art. 45. In Boek I van hetzelfde besluit wordt een nieuwe titel XII ingevoegd, luidende :
  " Titel XII. - De inschakeling van personen met een handicap
  Art. 319bis. § 1. Het ministerie moet een aantal gehandicapte personen tewerkstellen dat gelijk is aan twee percent van de personeelsformatie.
  § 2. Voor de toepassing van deze titel, wordt verstaan onder " erkenningsinstellingen " de vier volgende instellingen :
  1° Het Waals Agentschap voor de integratie van gehandicapte personen, in het kort A.W.I.P.;
  2° De Dienst van de Duitstalige Gemeenschap voor personen met een handicap (Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit einer Behinderung);
  3° Het Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap, in het kort V.F.S.I.P.H;
  4° De Brusselse Franstalige dienst voor mindervaliden.
  § 3. De betrekkingen die voor gehandicapte personen bestemd zijn, kunnen bekleed worden door kandidaten die bij hun aanwerving ten minste één van de volgende voorwaarden vervullen :
  1° ingeschreven zijn bij één van de erkenningsinstellingen bedoeld in § 2 of het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing tot tegemoetkoming vanwege één van deze instellingen en één van deze instellingen in kennis te hebben gesteld van elke beslissing betreffende maatregelen inzake hulp of sociale integratie of inschakeling in het arbeidsproces, die door de federale of gemeenschapsoverheid is genomen;
  2° het slachtoffer zijn geweest van een arbeidsongeval en een attest overleggen van het Fonds voor Arbeidsongevallen of van de Sociaal-Medische Rijksdienst waarbij een ongeschiktheid van ten minste 30 % wordt bevestigd;
  3° door de beroepsziekte zijn getroffen en een attest voorleggen van het Fonds voor Beroepsziekten of van de Sociaal-Medische Rijksdienst waarbij een ongeschiktheid van ten minste 30 % wordt bevestigd;
  4° het slachtoffer zijn geweest van een gemeenrechtelijk ongeval en een door de griffie van de rechtbank afgeven afschrift van het vonnis waarbij een handicap of een ongeschiktheid van ten minste 30 % wordt bevestigd;
  5° het slachtoffer zijn geweest van een thuisongeval en een afschrift van de beslissing van de verzekeringsinstelling overleggen waarbij een vaste ongeschiktheid van ten minste 30 % wordt bevestigd;
  6° een inkomensvervangende of integratie-tegemoetkoming genieten krachtens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming aan de gehandicapten.
  § 4. De secretaris-generaal of de adjunct- secretaris-generaal of zijn afgevaardigde zendt de lijst van de vacante betrekkingen die door een gehandicapte persoon bekleed kunnen worden naar de erkenningsinstellingen bedoeld in § 2.
  Hij voegt er een fiche bij met de functiebeschrijving, de vereiste kwalificaties en bekwaamheden voor elke betrekking.
  § 5. Het ministerie richt zich tot SELOR om een gehandicapte persoon aan te werven.
  De gehandicapte persoon moet voldoen aan de wervingsvoorwaarden voor elke betrekking en slagen voor een wervingsexamen dat aangepast is aan de beperkingen opgelegd door zijn handicap en bestemd om zijn bekwaamheid tot het bekleden van de betrekking na te gaan.
  SELOR duidt de kandidaat aan die naar zijn mening het beste profiel voor het bekleden van de betrekking bezit.
  § 6. De modaliteiten van de examens voor overgang tot een hoger niveau en van de vormingen ter voorbereiding op een bevordering zijn aangepast aan de beperkingen opgelegd door de handicaps.
  § 7. In geval van verandering van betrekking kan het advies van de arbeidsgeneesheer vereist worden om de bekwaamheid van de gehandicapte persoon tot het bekleden van de nieuwe betrekking na te gaan.
  § 8. De secretaris-generaal of de adjunct- secretaris-generaal kan in samenwerking met de erkenningsinstellingen bedoeld in § 2, het onthaal, de vorming en de inschakeling in het arbeidsproces van de gehandicapte personen organiseren. "
Art. 45. Il est inséré dans le livre Ier du même arrêté, un nouveau titre XII, rédigé comme suit :
  " Titre XII. - De l'intégration des personnes handicapées
  Art. 319bis. § 1er. Le ministère est tenu d'occuper un nombre de personnes handicapées fixé à deux pour cent de l'effectif prévu au cadre organique.
  § 2. Pour l'application du présent titre, il y a lieu d'entendre par " organismes de reconnaissance " les quatre organismes suivants :
  1° L'Agence wallonne pour l'intégration des personnes handicapées, en abrégé A.W.I.P.;
  2° L'Office de la Communauté germanophone pour les personnes handicapées (Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Personen mit einer Behinderung);
  3° Le Fonds flamand pour l'Intégration sociale des personnes handicapées, en abrégé V.F.S.I.P.H;
  4° Le Service bruxellois francophone des personnes handicapees.
  § 3. Peuvent occuper un emploi du quota réservé aux personnes handicapées les candidats qui remplissent au moment du recrutement au moins l'une des conditions suivantes :
  1° avoir été enregistré auprès d'un des organismes de reconnaissance visés au § 2, ou avoir fait l'objet d'une décision d'intervention de la part d'un de ceux-ci, et avoir communiqué à un de ceux-ci toute décision relative aux dispositions d'aide ou d'intégration sociale ou professionnelle prise par le pouvoir fédéral ou communautaire;
  2° avoir été victime d'un accident du travail et fournir une attestation délivrée par le Fonds des Accidents du Travail ou par l'Office médico-social de l'Etat certifiant une incapacité d'au moins 30 %;
  3° avoir été victime d'une maladie professionnelle et fournir une attestation délivrée par le Fonds des Maladies professionnelles ou par l'Office médico-social de l'Etat certifiant une incapacité d'au moins 30 %;
  4° avoir été victime d'un accident de droit commun et fournir une copie du jugement délivre par le greffe du tribunal certifiant que le handicap ou l'incapacité est d'au moins 30 %;
  5° avoir été victime d'un accident domestique et fournir une copie de la décision de l'organe assureur certifiant que l'incapacité permanente est d'au moins 30 %;
  6° bénéficier d'une allocation de remplacement de revenu ou d'intégration en vertu de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés.
  § 4. Le secrétaire général ou le secrétaire général adjoint ou son délégué, envoie aux organismes de reconnaissance visés au § 2, la liste des emplois déclarés vacants pouvant être occupés par une personne handicapée.
  Il joint une fiche contenant pour chaque emploi, la description de fonction, les qualifications et les capacités requises.
  § 5. Le ministère s'adresse au SELOR pour recruter une personne handicapée.
  Pour chaque emploi, la personne handicapée doit satisfaire aux conditions de recrutement et réussir une épreuve de recrutement adaptée aux contraintes liees à son handicap et destinée à vérifier son aptitude à occuper l'emploi.
  SELOR désigne le candidat qui, à son estime, a le meilleur profil pour occuper l'emploi.
  § 6. Les modalités des concours d'accession au niveau supérieur et des formations préparatoires à la promotion sont adaptées aux contraintes liées aux handicaps.
  § 7. En cas de changement d'affectation, l'avis du médecin du travail peut être requis en vue de vérifier l'aptitude de la personne handicapée à occuper le nouvel emploi.
  § 8. Le secrétaire général ou le secrétaire général adjoint peut organiser, en collaboration avec les organismes de reconnaissance visés au § 2, l'accueil, la formation et l'intégration professionnelle des personnes handicapées. "
Art. 46. In het tweede lid van artikel 322 van hetzelfde besluit, worden de woorden " artikel 55 van het koninklijk besluit van 26 september 1994 " vervangen door de woorden " artikel 28 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 ".
Art. 46. Dans l'alinéa 2 de l'article 322 du même arrêté, les mots " article 55 de l'arrêté royal du 26 septembre 1994 " sont remplacés par les mots " article 28 de l'arrêté royal du 22 décembre 2000 ".
Art. 47. Artikel 325 van hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt :
  1° in het eerste lid, in het begin van de zin worden de woorden " De titularissen " vervangen door de woorden " Onverminderd artikel 136, genieten de titularissen " en wordt het woord " genieten " geschrapt;
  2° het tweede lid wordt geschrapt.
Art. 47. A l'article 325 du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, en début de phrase, les mots " Les titulaires " sont remplacés par les mots " Sans préjudice de l'article 136, les titulaires ";
  2° l'alinéa 2 est supprimé.
Art. 48. In het boek II, titel I, hoofdstuk I van hetzelfde besluit, wordt een artikel 325bis, ingevoegd, luidende :
  " Art. 325bis. De ambtenaren van wie het mandaat, na een mandaatperiode die vijf opeenvolgende jaren overschrijdt, verstreken is, genieten respectievelijk de weddeschaal A400, als ze op het einde van hun mandaat titularis zijn van een graad van rang A5, A6 of A7 en de weddeschaal A310, als ze op het einde van hun mandaat titularis zijn van een graad van rang A4.
  De ambtenaren bedoeld in het eerste lid van wie het mandaat, na een mandaatperiode die tien opeenvolgende jaren overschrijdt, verstreken is, blijven hun weddeschaal genieten.
  De eerste twee leden van dit besluit zijn niet van toepassing als het mandaat verstrijkt ten gevolge van een terugzetting in graad.
  De mandaatperiodes waarvoor een negatieve evaluatie werd bekomen, komen niet in aanmerking voor de berekening bedoeld in de eerste twee leden van dit artikel. "
Art. 48. Dans le livre II, titre Ier, chapitre Ier, du même arrêté, il est inséré un article 325bis, rédigé comme suit:
  " Art. 325bis. Les agents dont le mandat prend fin après une période de mandat qui excède cinq années consécutives, bénéficient respectivement de l'échelle A400, s'ils sont titulaires à la fin de leur mandat d'un grade de rang A5, A6 ou A7, et de l'échelle A310, s'ils sont titulaires à la fin de leur mandat du grade de rang A4.
  Les agents visés à l'alinéa 1er dont le mandat prend fin après une période de mandat qui excède dix années consécutives, conservent le bénéfice de leur échelle baremique.
  Les deux premiers alinéas du présent article ne sont pas d'application lorsque le mandat prend fin à la suite d'une rétrogradation.
  Les périodes de mandat auxquelles correspondent une évaluation négative ne sont pas prises en compte dans le calcul visés dans les deux premiers alinéas du présent article. "
Art. 49. De hoofdstuk III van titel I van boek II van hetzelfde besluit, die artikel 334 bevatten, wordt vervangen als volgt :
  " HOOFDSTUK III. - De gewaarborgde bezoldiging, de haard- of standplaatstoelage, het vakantiegeld en de eindejaarstoelage
  Afdeling 1. - Algemene bepalingen
  Art. 334. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  " volledige prestaties ", de prestaties zoals bepaald in artikel 395.
  Afdeling 2. - De gewaarborgde bezoldiging
  Art. 334bis. § 1. Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling wordt verstaan onder " bezoldiging ", de wedde vermeerderd met de haardtoelage of met de standplaatstoelage.
  De kinderbijslagen en de maandelijkse supplementen daarvan komen niet in aanmerking voor de vaststelling van de bezoldiging.
  § 2. De jaarlijkse gewaarborgde bezoldiging van de ambtenaar die 21 jaar oud is, bedraagt nooit, voor volledige prestaties, minder dan :
  - 13.234,20 EUR, indien de betrokkene, wat betreft de sociale zekerheid, enkel onderworpen is aan de regeling inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering sector geneeskundige verzorging;
  - 12.478,10 EUR, in de andere gevallen.
  § 3. Het verschil tussen de in § 2 bedoelde jaarlijkse gewaarborgde bezoldiging en de bezoldiging waarop de ambtenaar normaal zou recht hebben, wordt hem toegekend in de vorm van een weddebijslag en in zijn wedde opgenomen.
  § 4. Wanneer de ambtenaar onvolledige prestaties verricht dan wordt hem de overeenkomstig § 3 vastgestelde wedde slechts toegekend naar rata van die prestaties.
  § 5. De jaarlijkse gewaarborgde bezoldiging wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.
  Afdeling 3. - De haard- of standplaatstoelage
  Art. 334ter . § 1. In het geval dat de jaarwedde, vastgesteld voor volledige prestaties van een ambtenaar, de in § 5 vermelde bedragen niet overschrijdt :
  1° heeft recht op een haardtoelage :
  - de gehuwde ambtenaar of de ambtenaar die samenleeft tenzij de toelage toegekend wordt aan zijn echtgenoot of aan de persoon met wie hij samenleeft;
  - de alleenstaande ambtenaar van wie één of meer kinderen deel uitmaken van het gezin die recht geven op kinderbijslag;
  2° heeft recht op een standplaatstoelage, de niet in 1° bedoelde ambtenaar.
  § 2. In het geval dat de twee echtgenoten of de twee personen die samenleven elk beantwoorden aan de voorwaarden om de haardtoelage of de standplaatstoelage te verkrijgen, wijzen ze in wederzijds akkoord diegene van de twee aan wie de toelage zal uitbetaald worden.
  De uitbetaling van deze toelage wordt afhankelijk gesteld van een verklaring op erewoord die door de ambtenaar wordt opgesteld volgens het door het HRM vastgesteld model.
  § 3. Een standplaatstoelage wordt toegekend aan de ambtenaar die geen haardtoelage krijgt.
  § 4. De in disponibiliteit gestelde ambtenaar genieten noch de haardtoelage, noch de standplaatstoelage.
  § 5. Het jaarlijks bedrag van de haardtoelage of van de standplaatstoelage wordt vastgesteld als volgt :
  1° wedden die 16.099,84 EUR niet te boven gaan :
  -- Haardtoelage : 719,89 EUR;
  -- Standplaatstoelage : 359,95 EUR;
  2° wedden die hoger liggen dan 16.099,84 EUR doch 18.329,27 EUR niet te boven gaan :
  -- Haardtoelage : 359,95 EUR;
  -- Standplaatstoelage : 179,98 EUR;
  De bezoldiging van de ambtenaar wiens wedde 16.099,84 EUR te boven gaat, mag niet kleiner zijn dan die welke het zou bekomen indien zijn wedde gelijk zou zijn aan dit bedrag. In voorkomend geval wordt het verschil hem toegekend in de vorm van een gedeeltelijke haardtoelage of van een gedeeltelijke standplaatstoelage.
  De bezoldiging van de ambtenaar wiens wedde 18.329,27 EUR te boven gaat, mag niet kleiner zijn dan die welke het zou bekomen ware zijn wedde gelijk aan dit bedrag. Bij voorkomen geval wordt het verschil hem toegekend in de vorm van een gedeeltelijke haardtoelage of van een gedeeltelijke standplaatstoelage.
  Onder bezoldiging moet in dit geval worden verstaan het salaris verhoogd met de volledige of gedeeltelijke haardtoelage of de volledige of gedeeltelijke standplaatstoelage, verminderd met de inhouding voor de samenstelling van het overlevingspensioen.
  § 6. De haard- of standplaatstoelage en de grenswedden vastgesteld voor de toekenning ervan worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.
  § 7. De haardtoelage of de standplaatstoelage wordt toegekend aan de ambtenaar met onvolledige dienstprestaties, naar rata van die prestaties.
  § 8. De haardtoelage of de standplaatstoelage wordt betaald tezelfdertijd als de wedde van de maand waarop zij betrekking heeft. Zij wordt betaald in dezelfde mate en volgens dezelfde modaliteiten als de wedde wanneer deze voor geen volledige maand verschuldigd is.
  Wanneer zich in de loop van een maand een feit voordoet dat het recht op de haard- of standplaatstoelage wijzigt, zoals bepaald is bij §§ 1 tot 4 van dit artikel, wordt het voordeligste stelsel voor de volle maand toegepast.
  Afdeling 4. - Het vakantiegeld
  Art. 334quater. § 1. Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling wordt verstaan onder :
  1° " referentiejaar " : het kalenderjaar dat aan het jaar voorafgaat tijdens welk de vakantie moet worden toegestaan;
  2° " jaarwedde ", de wedde, het loon of de in plaats daarvan gestelde vergoeding of toelage, met hierin begrepen de eventuele haardtoelage of de standplaatstoelage.
  § 2. De ambtenaren genieten ieder jaar een vakantiegeld dat bestaat uit een forfaitair gedeelte en een wijzigbaar gedeelte.
  § 3. Voor volledige prestaties die verricht werden gedurende het ganse referentiejaar, wordt het vakantiegeld als volgt vastgesteld :
  1° voor het forfaitaire gedeelte :
  - voor het jaar 2001 : 892,76 EUR;
  - voor de volgende jaren, wordt het forfaitair gedeelte toegekend tijdens het vorige jaar telkens vermeerderd met een breuk waarvan de noemer gelijk is aan het gezondheidsindexcijfer van de maand januari van het vorige jaar en de teller aan het gezondheidsindexcijfer van de maand januari van het bedoelde jaar; het bekomen resultaat wordt berekend tot op de vier decimalen;
  2° voor het wijzigbaar gedeelte :
  het wijzigbaar gedeelte bedraagt 1,1 pct. van de jaarlijkse wedde(n), zoals die gekoppeld is (zijn) aan de index van de consumptieprijzen, die de wedde(n) bepalen welke verschuldigd is (zijn) voor de maand maart van het vakantiejaar.
  Dit percentage wordt berekend op basis van de wedde(n) die zou(den) verschuldigd zijn voor de beschouwde maand, wanneer de ambtenaar voor die maand geen of slechts een gedeeltelijke wedde ontvangen heeft.
  § 4. Voor de berekening van het bedrag van het vakantiegeld worden in aanmerking genomen de perioden gedurende welke de ambtenaar, tijdens het referentiejaar :
  1° de jaarwedde geheel of gedeeltelijk heeft genoten;
  2° niet in dienst is kunnen treden of zijn ambtsverrichtingen heeft geschorst wegens verplichtingen die op hem rusten krachtens de dienstplichtwetten, gecoördineerd op 30 april 1962, of krachtens de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980, met uitsluiting in beide gevallen van de wederoproeping om tuchtredenen;
  3° Met ouderschapsverlof was;
  4° afwezig is geweest als gevolg van een verlof toegekend met het oog op de moederschapsbescherming door artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971.
  § 5. Voor de berekening van het vakantiegeld wordt eveneens in aanmerking genomen de periode vanaf 1 januari van het referentiejaar tot de dag welke de datum waarop de ambtenaar die hoedanigheid heeft verkregen, op voorwaarde :
  1° minder dan 25 jaar oud te zijn op het einde van het referentiejaar;
  2° uiterlijk in dienst te zijn getreden op de laatste werkdag van de vier maanden volgend op :
  a) hetzij de datum waarop de ambtenaar de inrichting heeft verlaten waarin het zijn studie heeft gedaan onder de voorwaarden bepaald in artikel 62 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders;
  b) hetzij de datum waarop aan de leerovereenkomst een einde heeft genomen.
  De ambtenaar moet het bewijs leveren dat hij aan de gestelde voorwaarden voldoet. Bedoeld bewijs kan door alle rechtsmiddelen worden geleverd, getuigen inbegrepen.
  § 6. Onverminderd § 4, 2° en 3° en § 5 wordt, wanneer niet tijdens het ganse referentiejaar volledige prestaties werden verricht, het vakantiegeld als volgt vastgesteld :
  a) een twaalfde van het jaarbedrag voor elke prestatieperiode die een ganse maand beslaat;
  b) Een dertigste van het maandbedrag per kalenderdag wanneer de prestaties niet een ganse maand beslaan.
  De toekenning van een gedeeltelijke wedde wegens het uitoefenen van verminderde prestaties heeft een overeenkomstige vermindering van het vakantiegeld voor gevolg.
  § 7. In geval van onvolledige prestaties wordt het vakantiegeld toegekend naar rato van de geleverde prestaties.
  § 8. Twee of meer vakantiegelden met inbegrip van deze verkregen in toepassing van de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van werknemers, kunnen niet gecumuleerd worden boven een bedrag overeenkomend met het hoogste vakantiegeld dat bekomen wordt wanneer de vakantiegelden van al de uitgeoefende ambten of activiteiten berekend worden op basis van volledige prestaties.
  Hiervoor wordt het vakantiegeld van één of meerdere ambten verminderd of ingehouden, met uitzondering van het vakantiegeld in uitvoering van de gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van werknemers.
  Indien de inhoudingen of verminderingen moeten of kunnen gebeuren op verscheidene vakantiegelden, wordt eerst het kleinste vakantiegeld ingehouden of verminderd.
  Voor de toepassing van voorgaande leden moet onder het vakantiegeld in uitvoering van de gecoördineerd wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van werknemers worden verstaan, het gedeelte van het vakantiegeld dat niet overeenstemt met het loon voor de vakantiedagen.
  Voor de toepassing van voorgaande leden is het personeelslid dat vakantiegelden cumuleert, gehouden het bedrag ervan, evenals eventueel het bedrag berekend voor volledige prestaties, mede te delen aan elke personeelsdienst waarvan het afhangt.
  Iedere inbreuk op het voorgaande lid kan aanleiding geven tot tuchtstraffen.
  § 9. Het vakantiegeld wordt uitbetaald tijdens de maand mei van het jaar gedurende hetwelk de vakantie moet worden toegekend.
  In afwijking van de in de vorige lid omschreven regel, wordt het vakantiegeld uitbetaald tijdens de maand volgend op de datum waarop de ambtenaar de leeftijdsgrens bereikt, of op de datum van overlijden, van ontslagneming, van afdanking of van afzetting van de belanghebbende.
  Voor de toepassing van het vorige lid wordt het vakantiegeld berekend rekening houdend met het forfaitaire bedrag, het percentage en de eventuele inhouding welke op de beschouwde datum gelden; het percentage wordt toegepast op de jaarwedde die als basis dient voor de berekening van de wedde welke de ambtenaar op die datum geniet.
  Wanneer hij op die datum geen wedde of een verminderde wedde geniet wordt het percentage berekend op de wedde(n) die hem dan verschuldigd zouden geweest zijn.
  § 10. Op het forfaitair en het wijzigbaar gedeelte van het vakantiegeld wordt een inhouding van 13,07 pct. uitgevoerd.
  Afdeling 5. - De eindejaarstoelage
  Art. 334quinquies. § 1. Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling wordt verstaan onder :
  1° " bezoldiging ", iedere wedde, loon of in plaats daarvan gestelde vergoeding, zonder rekening te houden met de vermeerderingen ten gevolge van de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen;
  2° " beloning ", de bezoldiging zoals deze bedoeld is in 1°, eventueel vermeerderd met de haardtoelage of met de standplaatstoelage;
  3° " brutobeloning ", de beloning zoals deze bedoeld is in 2°, rekening gehouden met vermeerderingen of verminderingen ten gevolge van de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen;
  4° " referentieperiode ", de periode van 1 januari tot en met 30 september van het in aanmerking genomen jaar.
  § 2. De ambtenaren genieten een eindejaarstoelage onder de voorwaarden en volgens de regelen die in deze afdeling worden bepaald.
  § 3. De belanghebbende bekomt het volledig genot van het bedrag van de in §§ 6 tot 9 bepaalde toelage, indien hij als titularis van een ambt met volledige prestaties het volledig voordeel van zijn bezoldiging heeft genoten tijdens de hele duur van de referentieperiode.
  § 4. Wanneer de betrokkene niet het volledig voordeel van de in § 3 bedoelde bezoldiging heeft genoten, als titularis van een ambt met volledige of onvolledige prestaties, wordt het bedrag van de toelage verminderd naar rata van de bezoldiging die hij werkelijk heeft ontvangen.
  § 5. Wanneer de belanghebbende, als titularis van een ambt met volledige of onvolledige prestaties, tijdens de verwijzingsperiode :
  1° met ouderschapsverlof was;
  2° niet in dienst is kunnen treden of zijn ambtsverrichtingen heeft geschorst wegens de verplichtingen hem opgelegd door de militiewetten, gecoördineerd op 30 april 1962, of de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980, met uitsluiting in beide gevallen van de wederoproeping om tuchtredenen;
  worden deze periodes gelijkgesteld met periodes tijdens welke hij het volledig voordeel van zijn bezoldiging heeft genoten.
  § 6. Het bedrag van de eindejaarstoelage bestaat uit een forfaitair gedeelte en een veranderlijk gedeelte.
  § 7. Het bedrag van de eindejaarstoelage wordt als volgt berekend :
  1° voor het forfaitair gedeelte :
  - voor het jaar 2001 : 287,0607 EUR;
  - voor de volgende jaren, wordt het forfaitair gedeelte toegekend tijdens het vorige jaar, telkens vermeerderd met een breuk waarvan de noemer gelijk is aan het gezondheidsindexcijfer van de maand oktober van het vorige jaar en de teller het gezondheidsindexcijfer van de maand oktober van het bedoelde jaar; het bekomen resultaat wordt berekend tot op vier decimalen;
  2° voor het wijzigbaar gedeelte :
  het wijzigbaar gedeelte bedraagt 2,5 pct. van de jaarlijkse brutobeloning die tot grondslag diende voor de berekening van de beloning aan de gerechtigde verschuldigd voor de maand oktober van het in aanmerking genomen jaar.
  § 8. Wanneer de betrokkene het voordeel van zijn beloning niet heeft genoten voor de maand oktober van het in aanmerking genomen jaar, komt voor de berekening van het wijzigbaar deel van de toelage die jaarlijkse brutobeloning in aanmerking welke voor de berekening van zijn beloning voor deze maand tot grondslag zou hebben gediend, indien deze laatste beloning verschuldigd was geweest.
  § 9. Voor de ambtenaar die geniet van een gewaarborgde bezoldiging overeenkomstig artikel 334bis, zal het bedrag van de gewaarborgde bezoldiging in aanmerking moeten genomen worden voor de berekening van het wijzigbaar deel van de eindejaarstoelage.
  § 10. Op de eindejaarstoelage worden de inhoudingen verricht welke zijn vastgesteld krachtens de bepalingen van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders behalve voor de gerechtigden die uitsluitend onderworpen zijn aan de regeling van verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector geneeskundige verzorging.
  § 11. De eindejaarstoelage wordt uitbetaald tijdens de maand december van het in aanmerking genomen jaar.
Art. 49. Le chapitre III du titre Ier du Livre II du même arrêté, comprenant l'article 334 est remplacé par les dispositions suivantes :
  " CHAPITRE III. - De la rétribution garantie, de l'allocation de foyer ou de résidence, du pécule de vacances et de l'allocation de fin d'année
  Section I. - Dispositions communes
  Art. 334. Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par :
  " prestations complètes ", les prestations telles que définies à l'article 395.
  Section 2. - De la rétribution garantie
  Art. 334bis. § 1er. Pour l'application des dispositions de la présente section, il faut entendre par " rétribution ", le traitement augmenté de l'allocation de foyer ou de résidence.
  Les allocations familiales et leurs suppléments mensuels n'interviennent pas dans la détermination de la rétribution.
  § 2. La rétribution annuelle garantie de l'agent ayant atteint l'âge de 21 ans n'est jamais inférieure, pour des prestations complètes :
  - à 13.234,20 EUR, si, en matière de sécurité sociale, l'intéressé est soumis uniquement au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des soins de santé;
  - à 12.478,10 EUR, dans les autres cas.
  § 3. La différence entre la rétribution annuelle garantie visée au § 2 et la rétribution qui reviendrait normalement à l'agent, lui est octroyée sous la forme d'un supplément de traitement et incorporée à son traitement.
  § 4. Si l'agent effectue des prestations incomplètes, le traitement fixé conformément au § 3 ne lui est accordé qu'au prorata de ces prestations.
  § 5. La rétribution annuelle garantie est rattachée à l'indice-pivot 138,01.
  Section 3. - De l'allocation de foyer ou de résidence
  Art. 334ter. § 1er. Au cas où le traitement annuel, fixé pour des prestations complètes d'un agent n'excède pas les montants repris au § 5 :
  1° est attributaire d'une allocation de foyer :
  - l'agent marié ou qui vit en couple à moins que l'allocation ne soit attribuée à son conjoint ou à la personne avec laquelle il vit en couple;
  - l'agent isolé dont un ou plusieurs enfants font partie du menage et qui sont bénéficiaires d'allocations familiales;
  2° est attributaire d'une allocation de résidence, l'agent qui n'est pas visé au 1°.
  § 2. Au cas où les deux conjoints ou les deux personnes qui vivent en couple répondent chacune aux conditions pour obtenir l'allocation de foyer ou de résidence, ils désignent de commun accord celui des deux à qui sera payé l'allocation.
  La liquidation de cette allocation est subordonnée a une declaration sur l'honneur de l'agent selon le modèle établi par la GRH.
  § 3. Une allocation de résidence est attribuée aux agents qui n'obtiennent pas l'allocation de foyer.
  § 4. Les agents en disponibilité ne bénéficient ni de l'allocation de foyer, ni de l'allocation de résidence.
  § 5. Le montant annuel de l'allocation de foyer ou de l'allocation de résidence est fixé comme suit :
  1° traitements n'excédant pas 16.099,84 EUR :
  - allocations de foyer : 719,89 EUR;
  - allocations de résidence : 359,95 EUR;
  2° traitements excédant 16.099,84 EUR sans toutefois dépasser 18.329,27 EUR :
  - allocations de foyer : 359,95 EUR;
  - allocations de résidence : 179,98 EUR;
  La rétribution de l'agent dont le traitement dépasse 16.099,84 EUR ne peut être inférieure à celle qu'il obtiendrait si son traitement était de ce montant. S'il échet, la différence lui est attribuée sous forme d'allocation partielle de foyer ou d'allocation partielle de résidence.
  La retribution de l'agent dont le traitement dépasse 18.329,27 EUR ne peut être inférieure à celle qu'il obtiendrait si son traitement était de ce montant. S'il échet, la difference lui est attribuée sous forme d'allocation partielle de foyer ou d'allocation partielle de résidence.
  Par rétribution il faut entendre dans ce cas le traitement augmenté de l'allocation complète ou partielle de foyer ou de l'allocation complète ou partielle de résidence, diminuée de la retenue destinée au financement de la pension de survie.
  § 6. L'allocation de foyer ou l'allocation de residence, ainsi que les traitements-limites fixés pour leur attribution sont rattachés à l'indice-pivot 138,01.
  § 7. L'allocation de foyer ou l'allocation de résidence est attribuée aux agents assumant des fonctions à prestations incomplètes au prorata de leurs prestations.
  § 8. L'allocation de foyer ou l'allocation de résidence est payée en même temps que le traitement du mois auquel elle se rapporte. Elle est payée dans la même mesure et d'après les mêmes modalités que le traitement si celui-ci n'est pas dû pour le mois entier.
  Lorsqu'au cours d'un mois survient un fait qui modifie le droit à l'allocation de foyer ou à l'allocation de résidence tel qu'il est défini aux §§ 1er à 4 du présent article, le régime le plus favorable est appliqué pour le mois entier.
  Section 4. - Du pécule de vacances
  Art. 334quater. § 1er. Pour l'application des dispositions de la présente section, il faut entendre par :
  1° " année de référence ", l'année civile précédant l'année pendant laquelle les vacances doivent être accordées;
  2° " traitement annuel ", le traitement, le salaire, l'indemnité ou l'allocation tenant lieu de traitement ou de salaire y compris l'allocation de foyer ou l'allocation de résidence éventuelle.
  § 2. Les agents bénéficient chaque année d'un pécule de vacances qui se compose d'une partie forfaitaire et d'une partie variable.
  § 3. Pour des prestations complètes accomplies durant toute l'année de référence, le pécule de vacances est fixé comme suit :
  1° pour la partie forfaitaire :
  - pour l'année 2001 : 892,76 EUR;
  - pour les années suivantes, le montant de la partie forfaitaire octroyée l'année précédente, augmenté d'une fraction dont le dénominateur est l'indice-santé du mois de janvier de l'année précédente et le numérateur l'indice-santé du mois de janvier de l'année considérée; le résultat obtenu est établi jusqu'à la quatrième décimale inclusivement;
  2° pour la partie variable :
  la partie variable équivaut à 1,1 p.c. du ou des traitement(s) annuel(s), lié(s) à l'indice des prix à la consommation, qui déterminent le ou les traitement(s) du(s) pour le mois de mars de l'année de vacances.
  Ce pourcentage se calcule sur le ou les traitement(s) qui aurai(en)t été du(s) pour le mois considéré, lorsque l'agent n'a benéficié pour ledit mois d'aucun traitement ou seulement d'un traitement réduit.
  § 4. Sont prises en considération pour le calcul du montant du pécule de vacances, les périodes pendant lesquelles, au cours de l'année de référence, l'agent :
  1° a bénéficié totalement ou partiellement du traitement annuel;
  2° n'a pu entrer en fonction ou a suspendu ses fonctions à cause des obligations lui imcombant en vertu des lois sur la milice, coordonnées le 30 avril 1962, ou des lois portant le statut des objecteurs de conscience, coordonnées le 20 février 1980, à l'exclusion dans les deux cas du rappel par mesure disciplinaire;
  3° a bénéficié d'un congé parental;
  4° a été absent suite à un congé accordé en vue de la protection de la maternité par l'article 39 de la loi sur le travail du 16 mars 1971.
  § 5. Est également prise en considération pour le calcul du pécule de vacances, la période allant du 1er janvier de l'année de référence jusqu'au jour précédant celui auquel l'agent a acquis cette qualité, à condition :
  1° d'être âgé de moins de 25 ans à la fin de l'année de référence;
  2° d'être entré en fonction au plus tard le dernier jour ouvrable de la période de quatre mois qui suit :
  a) soit la date à laquelle l'agent a quitté l'établissement où il a effectué ses études dans les conditions prévues à l'article 62 des lois coordonnées sur les allocations familiales pour travailleurs salariés;
  b) soit la date à laquelle le contrat d'apprentissage a pris fin.
  L'agent doit faire la preuve qu'il réunit les conditions requises. Cette preuve peut être fournie par toutes voies de droit, témoins y compris.
  § 6. Sans prejudice du § 4, 2° et 3° et du § 5, lorsque des prestations complètes n'ont pas été accomplies durant toute l'année de reference, le pécule de vacances est fixé comme suit :
  a) un douzième du montant annuel pour chaque période de prestations s'étendant sur la totalite d'un mois;
  b) un trentième du montant mensuel par jour calendrier lorsque les prestations ne s'étendent pas sur la totalité d'un mois.
  L'octroi d'un traitement partiel afférent à l'exercice de prestations réduites entraîne une réduction proportionnelle du pécule de vacances.
  § 7. En cas de prestations incomplètes, le pécule de vacances est accordé au prorata des prestations fournies.
  § 8. Deux ou plusieurs pécules de vacances, y compris ceux acquis par application des lois coordonnées relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, ne peuvent être cumulés au-delà du montant correspondant au pécule de vacances le plus élevé, qui est obtenu lorsque les pecules de vacances de toutes les fonctions ou activités sont calcules sur base de prestations complètes.
  A cet effet, le pécule de vacances d'une ou de plusieurs fonctions est réduit ou retenu à l'exception du pécule de vacances en exécution des lois coordonnées relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés.
  Si les retenues ou réductions doivent ou peuvent se faire sur plusieurs pécules de vacances, le pécule de vacances le moins élevé est d'abord réduit ou supprimé.
  Pour l'application des alinéas précédents, il y a lieu d'entendre par pécule de vacances en exécution des lois coordonnées relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, la partie du pécule de vacances qui ne correspond pas à la rémunération des jours de vacances.
  Pour l'application des alinéas precédents, l'agent qui cumule des pécules de vacances est tenu d'en communiquer le montant calculé pour des prestations complètes, à chaque service du personnel dont il dépend.
  Toute infraction à l'alinéa precédent peut entraîner des peines disciplinaires.
  § 9. Le pécule de vacances est payé pendant le mois de mai de l'année pendant laquelle les vacances doivent être accordées.
  Par dérogation à la règle énoncée à l'alinéa précédent, le pécule de vacances est payé dans le courant du mois qui suit la date de la mise à la retraite, du décès, de la démission, du licenciement ou de la révocation de l'intéressé.
  Pour l'application de l'alinéa précédent, le pécule de vacances est calculé compte tenu du montant forfaitaire, du pourcentage et de la retenue éventuelle en vigueur à la date considérée; le pourcentage est appliqué au traitement annuel qui sert de base au calcul du traitement dont l'agent bénéficie à la même date.
  S'il ne bénéficie à cette date d'aucun traitement ou d'un traitement réduit, le pourcentage se calcule sur le ou les traitement(s) qui lui aurai(en)t été du(s).
  § 10. Il est effectué une retenue de 13,07 p.c. sur les parties forfaitaire et variable du pécule de vacances.
  Section 5. - De l'allocation de fin d'année
  Art. 334quinquies. § 1er. Pour l'application des dispositions de la présente section, il faut entendre par :
  1° " rémunération ", tout traitement, salaire ou indemnité tenant lieu de traitement ou de salaire, compte non tenu des augmentations ou de diminutions dues aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation;
  2° " rétribution ", la rémunération telle qu'elle est visée au 1° augmentée éventuellement de l'allocation de foyer ou de résidence;
  3° " rétribution brute ", la rétribution telle qu'elle est visée au 2°, compte tenu des augmentations ou de diminutions dues aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation;
  4° " période de référence ", la période qui s'étend du 1er janvier au 30 septembre de l'année considérée.
  § 2. Les agents bénéficient d'une allocation de fin d'année aux conditions et modalités fixées dans la présente section.
  § 3. L'agent qui, en tant que titulaire d'une fonction comportant des prestations complètes, a perçu la totalité de sa remunération pendant toute la période de référence, bénéficie de la totalite du montant de l'allocation de fin d'année prévu aux §§ 6 à 9.
  § 4. Si l'agent, en tant que titulaire d'une fonction comportant des prestations complètes ou incomplètes, n'a pas perçu la totalité de sa rémunération visée au § 3, il bénéficie d'une allocation de fin d'année dont le montant est réduit au prorata de la rémunération qu'il a effectivement perçue.
  § 5. Si durant la période de référence, l'agent, titulaire d'une fonction comportant des prestations complètes ou incomplètes :
  1° a bénéficié d'un congé parental;
  2° n'a pas pu entrer en fonction ou a suspendu ses fonctions à cause des obligations qui lui incombent en vertu des lois sur la milice, coordonnées le 30 avril 1962, ou des lois portant le statut des objecteurs de conscience, coordonnées le 20 février 1980, a l'exclusion dans les deux cas du rappel par mesure disciplinaire;
  ces periodes sont assimilées à des périodes durant lesquelles il a bénéficié de la totalité de sa rémunération.
  § 6. Le montant de l'allocation de fin d'année est composé d'une partie forfaitaire et d'une partie variable.
  § 7. Le montant de l'allocation de fin d'année se calcule comme suit :
  1° pour la partie forfaitaire :
  - pour l'année 2001 : 287,0607 EUR;
  - pour les années suivantes, le montant de la partie forfaitaire octroyée l'année précédente, augmentée d'une fraction dont le dénominateur est l'indice-sante du mois d'octobre de l'année précédente et le numérateur l'indice-santé du mois d'octobre de l'année considérée; le résultat obtenu est établi jusqu'à la quatrième décimale inclusivement;
  2° pour la partie variable :
  la partie variable s'élève à 2,5 p.c. de la rétribution annuelle brute qui a servi de base au calcul de la rétribution due au benéficiaire pour le mois d'octobre de l'année considérée.
  § 8. Si l'agent n'a pas bénéficié de sa rétribution pour le mois d'octobre de l'année considérée, la rétribution annuelle brute à prendre en considération pour le calcul de la partie variable de l'allocation, est celle qui aurait servi de base pour calculer sa rétribution pour ce mois, si elle avait été due.
  § 9. Pour l'agent qui bénéficie de la rémunération garantie conformément à l'article 334bis, le montant à prendre en considération pour le calcul de la partie variable de l'allocation de fin d'année est celui de la rémunération garantie.
  § 10. L'allocation de fin d'année est soumise aux retenus prévues en application des dispositions de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, sauf pour les bénéficiaires qui sont exclusivement soumis au régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidite, secteur des soins de santé.
  § 11. L'allocation de fin d'année est payée pendant le mois de décembre de l'année considérée.
Art. 50. Het opschrift van afdeling 3 van hoofdstuk III van titel II van boek II van hetzelfde besluit wordt door de volgende titel vervangen :
  " Afdeling 3. - De toelage voor ongezonde, hinderlijke of lastige werken of werken die een gevoel van onveiligheid, vrees en onzekerheid oproepen bij de personeelsleden die ermee belast zijn. "
Art. 50. L'intitulé de la section 3 du chapitre III du titre II du livre II du même arrêté est remplacé par l'intitulé suivant :
  " Section 3. - De l'allocation pour travaux insalubres, incommodes ou pénibles, ou pouvant provoquer des sentiments d'insécurité, d'appréhension et d'inquiétude chez les agents qui en sont chargés. "
Art. 51. In artikel 352 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het (besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002 tot vierde wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest), worden de woorden " gevaarlijk, ongezond en hinderlijke werken " vervangen door de woorden " ongezonde, hinderlijke of lastige werken of werken die een gevoel van onveiligheid, vrees en onzekerheid oproepen bij de personeelsleden die ermee belast zijn ".
Art. 51. Dans l'article 352 du même arrêté, modifie par l'(arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 26 septembre 2002 portant 4e modification de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 6 mai 1999 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du ministère de la Région de Bruxelles-Capitale), les mots " travaux dangereux, insalubres et incommodes " sont remplacés par les mots " travaux insalubres, incommodes ou pénibles, ou pouvant provoquer des sentiments d'insécurité, d'appréhension et d'inquiétude chez les agents qui en sont chargés ".
Art. 52. Het opschrift van hoofdstuk IV van titel II van boek II van hetzelfde besluit wordt door de volgende titel vervangen :
  " HOOFDSTUK IV. - De toelagen aan de rekenplichtigen. "
Art. 52. L'intitulé du chapitre IV du titre II du livre II du même arrêté est remplacé par l'intitulé suivant :
  " CHAPITRE IV. - Des allocations allouées aux comptables. "
Art. 53. Na het opschrift van hoofdstuk IV van titel II van Boek II van hetzelfde besluit wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 1. - De verantwoordelijkheidstoelage aan de centraliserend rekenplichtigen en de rekenplichtigen van de geschillen."
Art. 53. Il est inséré après l'intitulé du chapitre IV du titre II du Livre II du même arrêté une section première intitulee :
  " Section 1. - De l'allocation de responsabilité allouée aux comptables centralisateurs et du contentieux. "
Art. 54. In boek II, titel II, hoofdstuk IV van hetzelfde besluit wordt een nieuwe afdeling 2 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 2. - De toelage aan de rekenplichtigen.
  Art. 353bis. § 1. Aan de gewone en buitengewone rekenplichtigen of aan hun plaatsvervangers, met uitzondering van de rekenplichtigen bedoeld in artikel 353, wordt een forfaitaire jaartoelage toegekend van 900 EUR.
  De toelage wordt maandelijks en samen met de wedde uitbetaald. Zij wordt gekoppeld aan de schommelingen van de spilindex 138,01.
  § 2. De ambtenaren die de functie van rekenplichtige of plaatsvervangend rekenplichtige vervullen, worden aangewezen, geschorst of ontheven door de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal.
  § 3. De toelage is niet verschuldigd als de rekenplichtige geschorst is.
  § 4. De toelage wordt aan de plaatsvervangend rekenplichtige toegekend naar rato van de periode waarin hij zijn functie daadwerkelijk vervult.
  § 5. De toelage is niet verschuldigd indien de verschillende rekeningen waarvoor de rekenplichtige verantwoordelijk is, niet het bedrag van 30.000 EUR per jaar bereiken. "
Art. 54. Il est inséré dans le livre II, titre II, chapitre IV du même arrêté, une nouvelle section 2, rédigée comme suit :
  " Section 2. - De l'allocation allouée aux comptables.
  Art. 353bis. § 1er. Il est octroyé aux comptables ordinaires et extraordinaires ou a leurs suppléants, à l'exception des comptables visés à l'article 353, une allocation forfaitaire dont le montant annuel est fixé à 900 EUR.
  L'allocation est liquidée mensuellement et en même temps que le traitement. Elle est liée aux fluctuations de l'indice-pivot 138,01.
  § 2. Les agents qui exercent la fonction de comptable ou de comptable suppléant, sont désignés, suspendus ou démis par le secrétaire général ou le secrétaire général adjoint.
  § 3. L'allocation n'est pas due lorsque le comptable est suspendu.
  § 4. Cette allocation est octroyée au comptable suppléant au prorata de la période pendant laquelle il a effectivement exercé sa fonction.
  § 5. L'allocation n'est pas due si les différents comptes qui relèvent de la compétence du comptable n'atteignent pas le montant de 30.000 EUR par an. "
Art. 55. Artikel 354 van hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt :
  1° in het eerste lid worden de woorden " de Vaste Wervingssecretaris " vervangen door het woord " SELOR ";
  2° in het tweede en derde lid wordt de datum " 30 november 1966 " vervangen door de datum " 8 maart 2001 ".
Art. 55. A l'article 354 du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa premier, les mots " le Secrétaire permanent de recrutement " sont remplacés par le mot " SELOR ";
  2° dans les alinéas 2 et 3, la date du " 30 novembre 1966 " est remplacée par la date du " 8 mars 2001 ".
Art. 56. In boek II, titel II van hetzelfde besluit worden de hoofdstukken VIII, IX, X en XI ingevoegd, luidende :
  " HOOFDSTUK VIII. - De mandaatpremie
  Art. 358ter . § 1. De ambtenaar die houder is van een mandaat, ontvangt een mandaatpremie waarvan het jaarlijks bedrag gelijk is aan :
  voor de ambtenaren van rang A7 en A6 : 4.000 EUR;
  voor de ambtenaren van rang A5 : 3.000 EUR;
  voor de ambtenaren van rang A4 : 2.000 EUR;
  De mandaatpremie wordt maandelijks uitbetaald onder dezelfde voorwaarden als de wedde. Ze wordt gekoppeld aan de spilindex 138,01.
  § 2. Op voorstel van de minister bepaalt de Regering voor ieder kalenderjaar doelstellingen die gemeenschappelijk zijn voor het geheel van het ministerie. Deze doelstellingen betreffen zowel de interne werking als de externe werking van het ministerie.
  Bij het bereiken van de doelstellingen bedoeld in het eerste lid kan de mandaatpremie worden verdubbeld voor alle mandaathouders gezamenlijk, bij beslissing van de Regering.
  Hiertoe rapporteert de directieraad via de minister aan de Regering over de mate waarin en de wijze waarop de doelstellingen van het verlopen kalenderjaar, zijn bereikt voor het geheel van het ministerie.
  In het geval van een positieve beslissing van de Regering, wordt de verdubbeling van de premie aan de mandaathouders in eenmaal betaald binnen de drie maanden na de beslissing van de Regering.
  HOOFDSTUK VIII. - De ingenieurstoelage.
  Art. 358quater. § 1. Er wordt aan de ambtenaren, titularis van de graad van ingenieur, eerste ingenieur of ingenieur-directeur, alsook aan de ambtenaren van rang A4 tot A7 die titularis zijn van een diploma van burgerlijk, landbouwkundig of voor de scheikunde en de landbouwindustrieën ingenieur, een ingenieurstoelage toegekend waarvan het jaarlijkse forfaitaire bedrag wordt vastgesteld op 3.500 EUR.
  § 2. De ingenieurstoelage wordt maandelijks en op dezelfde voorwaarden als de wedde uitbetaald. Ze wordt gekoppeld aan de spilindex 138,01.
  § 3. De ingenieurstoelage kan niet worden gecumuleerd met het bij overgangsmaatregel toegekende geldelijk voordeel voorzien bij het koninklijk besluit van 14 januari 1969 betreffende de productiviteitspremie ten gunste van de burgerlijke ingenieurs bij het Ministerie van Openbare Werken.
  HOOFDSTUK X. - De projecttoelagen.
  Art. 358quinquies. § 1. Er wordt een projecttoelage toegekend aan de ambtenaren belast met het ontwikkelen van tijdelijke projecten met een strategisch en transversaal karakter.
  Kunnen deze toelage genieten de ambtenaren titularis van een graad van ten hoogste rang A2, die een evaluatie " voldoende " hebben bekomen.
  De toelage is slechts verschuldigd als er zich geen onderbreking van de ambtsvervulling van meer dan dertig opeenvolgende werkdagen heeft voorgedaan, met uitzondering van het jaarlijks vakantieverlof en het verlof toegestaan in het kader van de moederschapsbescherming.
  § 2. De secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal bereidt een projectdossier voor in overleg met de Minister en legt het hem vervolgens ter goedkeuring voor.
  Het dossier bevat minstens de volgende gegevens :
  1. de beschrijving van het project;
  2. het strategisch en transversaal karakter van het project;
  3. de duur van het project;
  4. de nagestreefde doelstellingen;
  5. de verdeling van de taken onder de projectleider en de projectleden en de omvang van ieders prestatie;
  6. de evaluatieregels van het project.
  De minister duidt de projectleiders en projectleden aan. Hij kan ten alle tijde een einde stellen aan een project of aan de deelname van een projectleider of projectlid. Hij kan ook overgaan tot de vervanging van een van hen.
  De aanduiding van een ambtenaar als projectleider veronderstelt de voltijdse uitoefening van de functie.
  De aanduiding van een ambtenaar als projectlid veronderstelt minstens de halftijdse uitoefening van de functie.
  § 3. Het jaarlijks bedrag van de projecttoelage is als volgt vastgesteld:
  - 3.500 of 5.500 EUR voor de projectleider;
  - 2.500 EUR voor het projectlid.
  In functie van de belangrijkheid van het project bepaalt de minister het bedrag van de projecttoelage van de projectleider.
  De projecttoelage wordt maandelijks en na vervallen termijn betaald tot op het einde van het project. Ze wordt gekoppeld aan de spilindex 138,01.
  Ingeval het project voortijdig beëindigd wordt, is de toelage in evenredigheid met de gepresteerde tijd verschuldigd.
  HOOFDSTUK XI. - De uitmuntendheidstoelage.
  Art. 358sexies. § 1. Een uitmuntendheidstoelage wordt jaarlijks toegekend aan de ambtenaren die blijk geven van een grote motivatie in hun werk en hun prestaties op de meest doeltreffende wijze verrichten.
  Kunnen deze toelage genieten, de ambtenaren titularis van een graad van ten hoogste rang A3 die een evaluatie " voldoende " hebben bekomen en geen projecttoelage genieten.
  De toelage is slechts verschuldigd als er zich geen onderbreking van de ambtsvervulling van meer dan 15 opeenvolgende werkdagen heeft voorgedaan, met uitzondering van het jaarlijks vakantieverlof en het verlof toegekend in het kader van de moederschapsbescherming.
  § 2. Op gemotiveerd voorstel van de directeuren-diensthoofden of, bij ontstentenis, van de directeuren-generaal duidt de directieraad de ambtenaren aan die de uitmuntendheidstoelage kunnen genieten.
  Voor het toekennen van deze premie neemt de directieraad de prestaties van het voorbije jaar van de ambtenaren in overweging en motiveert zijn beslissing.
  § 3. Ieder jaar bepaalt de minister het aan de uitmuntendheidstoelagen bestede maximumbedrag dat kan worden toegekend aan de ambtenaren.
  Het bedrag van de uitmuntendheidstoelage toegekend aan elk van de begunstigden bedraagt minstens 5 % en hoogstens 10 % van het jaarlijks brutobarema van de maand december van het in aanmerking te nemen jaar.
  De directieraad bepaalt het percentage van de aan de ambtenaren toe te kennen toelage in functie van hun verdiensten.
  De uitmuntendheidstoelage wordt jaarlijks uitbetaald tijdens het eerste trimester van elk jaar. Ze wordt gekoppeld aan de spilindex 138,01. "
Art. 56. Il est inséré dans le livre II, titre II, du même arrêté, les chapitres VIII, IX, X et XI, rédigés comme suit :
  " CHAPITRE VIII. - De la prime de mandat
  Art. 358ter. § 1er. L'agent détenteur d'un mandat, reçoit une prime de mandat dont le montant annuel s'élève à :
  1° pour les agents des rangs A7 et A6 : 4.000 EUR;
  2° pour les agents du rang A5 : 3.000 EUR;
  3° pour les agents du rang A4 : 2.000 EUR.
  La prime de mandat est payée mensuellement aux mêmes conditions que le traitement. Elle est liée à l'indice-pivot 138,01.
  § 2. Sur proposition du ministre, le Gouvernement fixe les objectifs qui sont communs à l'ensemble du ministère pour chaque année civile. Ces objectifs concernent aussi bien le fonctionnement interne qu'externe du ministère
  Si les objectifs fixés à l'alinéa premier sont atteints, le Gouvernement peut prendre la décision de doubler la prime de mandat pour l'ensemble des détenteurs de mandat.
  Le conseil de direction fait un rapport au Gouvernement via le ministre, precisant dans quelle mesure les objectifs de l'année civile écoulée sont atteints et de quelle manière ils le sont, pour l'ensemble du ministère.
  Dans le cas où le Gouvernement prend une décision positive, le doublement de la prime aux détenteurs de mandat est payé en un versement dans les trois mois qui suivent la décision du Gouvernement.
  CHAPITRE VIII. - De la prime d'ingenieur
  Art. 358quater. § 1er. Il est accordé aux agents titulaires des grades d'ingenieur, de premier ingénieur, d'ingénieur directeur, ainsi qu'aux agents des rangs A4 à A7 qui sont titulaires d'un diplôme d'ingénieur civil, agronome ou chimiste et des industries agricoles, une prime d'ingénieur dont le montant annuel forfaitaire est fixé à 3.500 EUR.
  § 2. La prime d'ingénieur est payée mensuellement et aux mêmes conditions que le traitement. Elle est liée a l'indice-pivot 138,01.
  § 3. La prime d'ingénieur ne peut être cumulée avec l'avantage pécuniaire prévu par mesure transitoire par l'arrêté royal du 14 janvier 1969 concernant la prime de productivité en faveur des ingénieurs du Ministère des Travaux Publics.
  CHAPITRE X. - Des primes de projet
  Art. 358quinquies. § 1er. Une prime de projet est octroyée aux agents chargés de la réalisation de projets temporaires qui présentent un caractère stratégique et transversal.
  Peuvent bénéficier de cette prime, les agents titulaires d'un grade du rang A2 au plus et disposant d'une évaluation " satisfaisant ".
  La prime n'est due que s'il n'y a pas d'interruption de l'exercice de la fonction pendant plus de 30 jours ouvrables successifs, à l'exception des congés annuels et du congé octroyé dans le cadre de la protection de la maternité.
  § 2. Le secrétaire général ou le secrétaire général adjoint prépare un dossier de projet en concertation avec le Ministre, et le lui soumet ensuite pour approbation.
  Le dossier comporte au moins les données suivantes :
  1. la description du projet;
  2. le caractère stratégique et transversal. du projet;
  3. la durée du projet;
  4. les objectifs poursuivis;
  5. la répartition des tâches entre le chef de projet et les assistants de projet ainsi que l'importance des prestations effectuées par chacun d'eux;
  6. les règles d'évaluation du projet.
  Le ministre désigne les chefs et les assistants des projets. Il peut mettre fin à un projet à tout moment ou à la participation à celui-ci d'un chef ou d'un assistant de projet. Il peut également pourvoir au remplacement de l'un d'eux.
  La désignation d'un agent comme chef de projet suppose l'exercice de la fonction à temps plein.
  La désignation d'un agent comme assistant de projet suppose l'exercice de la fonction à mi-temps au moins.
  § 3. Le montant annuel de la prime de projet est fixé à:
  - 3.500 ou 5.500 EUR pour le chef de projet;
  - 2.500 EUR pour l'assistant de projet.
  Le ministre fixe le montant de la prime octroyée au chef de projet en fonction de l'importance dudit projet.
  La prime de projet est payée mensuellement à terme échu jusqu'au terme du projet. Elle est liée à l'indice-pivot 138,01.
  En cas de fin du projet avant son échéance, la prime est due proportionnellement au temps presté.
  CHAPITRE XI. - De la prime d'excellence
  Art. 358sexies. § 1er. Une prime d'excellence est octroyée annuellement aux agents qui font la preuve d'une grande motivation dans leur travail et qui accomplissent leurs prestations de manière la plus efficiente.
  Peuvent bénéficier de cette prime, les agents titulaires d'un grade du rang A3 au plus, disposant d'une évaluation " satisfaisant " et ne bénéficiant pas d'une prime de projet.
  La prime n'est due que s'il n'y a pas d'interruption de l'exercice de la fonction pendant plus de 15 jours ouvrables successifs, à l'exception des congés annuels et du congé octroyé dans le cadre de la protection de la maternité.
  § 2. Sur proposition motivée des directeurs-chefs de service ou à défaut, des directeurs généraux, le conseil de direction désigne les agents qui peuvent bénéficier de la prime d'excellence.
  Pour l'octroi de cette prime, le conseil de direction prend en considération les prestations de l'année écoulée des agents et il motive sa décision.
  § 3. Le Ministre fixe chaque année le montant maximum affecté aux primes d'excellence qui peut être attribué aux agents.
  Le montant de la prime d'excellence octroyée à chacun des bénéficiaires s'élève à minimum 5 % et maximum 10 % du barème annuel brut du mois de décembre de l'année considérée.
  Le conseil de direction fixe le pourcentage de la prime à attribuer aux agents en fonction de leurs mérites.
  La prime d'excellence est payée une fois par an, au premier trimestre de chaque année. Elle est liée à l'indice-pivot 138,01. "
Art. 57. Artikel 371 van hetzelfde besluit wordt vervangen, luidende :
  " Art. 371. De kilometervergoeding wordt vastgesteld op 0,2636 EUR per kilometer ongeacht het belastbaar vermogen van het voertuig dat in aanmerking komt voor vergoeding.
  Het bedrag kan worden herzien door de minister.
  Deze kilometervergoeding dekt alle kosten van het gebruik van het eigen voertuig, behalve de kosten van een all-riskverzekering die het ministerie ten laste neemt. "
Art. 57. L'article 371 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 371. L'indemnité kilométrique est fixée à 0,2636 EUR du kilomètre quelle que soi la puissance imposable de la voiture admise pour la liquidation de l'indemnité.
  Le montant peut être revu par le ministre.
  Cette indemnité kilométrique couvre tous les frais résultant de l'utilisation de la voiture personnelle, excepté les frais d'assurance tous risques qui sont pris en charge par le ministère. "
Art. 58. Artikel 372, eerste lid van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art. 58. L'article 372, alinéa premier du même arrêté, est supprimé.
Art. 59. Artikel 385 van hetzelfde besluit wordt vervangen, luidende :
  " Art 385. § 1. De ambtenaar die van een gemeenschappelijk openbaar vervoermiddel per spoor gebruik maakt, al dan niet in combinatie met andere gemeenschappelijke openbare vervoermiddelen, om zich regelmatig te verplaatsen tussen de verblijfplaats en de werkplaats, geniet een tegemoetkoming in de abonnementskosten.
  § 2. De tegemoetkoming ten laste van het ministerie wordt geregeld door overeenkomsten gesloten tussen de verschillende federale en gewestelijke maatschappijen voor gemeenschappelijk openbaar vervoer, enerzijds en de minister of zijn afgevaardigde, anderzijds.
  In het kader van deze overeenkomst bedraagt het percentage van de tegemoetkoming door het ministerie minstens 56 % van de prijs van het met het sociaal abonnement gelijkgestelde treinkaartje, op basis van een in gemeen overleg vastgestelde tabel.
  § 3. Voor het stads- en streekvervoer georganiseerd door de gewestelijke maatschappijen voor openbaar vervoer wordt de tegemoetkoming in de prijs van het abonnement vastgesteld overeenkomstig § 2 van dit artikel. "
Art. 59. L'article 385 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 385. § 1er. L'agent qui utilise les transports en commun publics par chemin de fer, combinés ou non avec d'autres transports en commun publics, bénéficie d'une intervention dans les frais d'abonnement pour effectuer régulièrement le déplacement de sa résidence à son lieu de travail et inversement.
  § 2. L'intervention à charge du ministère est réglée par des conventions conclues entre les différentes sociétés de transports en commun publics fédérales et régionales, d'une part et le ministre ou son délégué, d'autre part.
  Dans le cadre de cette convention, le taux de l'intervention du ministere est d'au moins 56 % du prix de la carte de train assimilée à l'abonnement social, sur base d'un tableau établi de commun accord.
  § 3. Pour le transport urbain et suburbain organisé par les sociétés régionales de transports publics, l'intervention dans le prix de l'abonnement est fixée conformément au § 2 du présent article. "
Art. 60. Artikel 394 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " Art. 394. § 1. Een vergoeding wegens begrafeniskosten wordt toegekend indien de uitkering voor begrafeniskosten bepaald bij het artikel 61 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, niet kan worden toegekend en wanneer de overleden ambtenaar zich in een der volgende standen bevond :
  - in dienstactiviteit;
  - in disponibiliteit wegens ziekte;
  - in disponibiliteit wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst;
  - op non-activiteit in het kader van een verlof om persoonlijke redenen.
  § 2. In geval van overlijden van een in § 1 bedoelde persoon wordt ten bate van zijn niet uit de echt gescheiden noch van tafel en bed gescheiden echtgenoot of de persoon met wie hij samenleeft, of bij diens ontstentenis van zijn erfgenamen in rechte lijn, als compensatie voor de begrafeniskosten een vergoeding uitgekeerd die overeenstemt met het maandelijks bedrag van de laatste bruto-activiteitsbezoldiging van de ambtenaar. Deze bezoldiging omvat, in voorkomend geval, de toelagen die het karakter van een toebehoren van de wedde hebben.
  Voor ambtenaren in disponibiliteit wordt de laatste bruto-activiteitsbezoldiging, zo nodig :
  a) aangepast aan de wijzigingen als gevolg van de schommelingen van het algemeen indexcijfer der kleinhandelsprijzen van het Rijk;
  b) herzien overeenkomstig artikel 327 van dit besluit.
  De vergoeding mag het twaalfde niet overschrijden van het bedrag vastgesteld bij toepassing van artikel 39, eerste, derde en vierde leden van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
  § 3. Bij ontstentenis van de in § 2 bedoelde rechthebbenden, mag de vergoeding worden uitgekeerd ten bate van elke natuurlijke of rechtspersoon die bewijst dat hij de begrafeniskosten heeft gedragen. In dit geval is de vergoeding gelijk aan de werkelijke gemaakte kosten zonder dat zij evenwel meer mag belopen dan het bedrag dat bij dit besluit is voorzien ten gunste van de echtgenoot of van de erfgenamen in rechte lijn bepaald.
  § 4. Wegens het gedrag van de gerechtigde ten opzichte van de overledene, kan de minister of zijn gemachtigde, in uitzonderingsgevallen, beslissen de vergoeding niet uit te keren of ze ten bate van een of meer gerechtigden uit te keren.
  § 5. De bij dit besluit bepaalde vergoeding mag met soortgelijke, krachtens andere bepalingen toegekende vergoedingen, slechts ten belope van het bij § 2 bedoelde bedrag worden gecumuleerd. "
Art. 60. L'article 394 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 394. § 1er. Une indemnité pour frais funéraire est octroyée lorsque l'allocation pour frais funéraire prévue par l'article 61 de la loi du 9 août 1963 instituant et organisant un régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité ne peut être accordée et si l'agent décédé se trouvait dans une des positions suivantes :
  - en activité de service;
  - en disponibilité pour maladie;
  - en disponibilité par retrait d'emploi dans l'intérêt du service;
  - en non-activité dans le cadre d'un conge pour convenances personnelles.
  § 2. En cas de décès d'un agent visé au § 1er, il est liquidé au profit de son conjoint non divorcé, ni séparé de corps ou la personne avec laquelle il vit en couple ou, à défaut, de ses héritiers en ligne directe, en compensation des frais funéraires, une indemnité correspondant à un mois de la dernière rémunération brute d'activité de l'agent. Cette rémunération comprend éventuellement les allocations ayant le caractère d'un accessoire du traitement.
  Pour les agents en disponibilité, la dernière rémunération brute d'activité est s'il échet :
  a) adaptée aux modifications résultant des fluctuations de l'indice général des prix de détail du Royaume;
  b) revue conformément à l'article 327 du présent arrêté.
  L'indemnité ne peut dépasser le douzième du montant fixé en application de l'article 39, alinéas 1er, 3 et 4 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
  § 3. A défaut des ayants droits visés au § 2, l'indemnite peut être liquidée au profit de toute personne physique ou morale qui justifie avoir assumé les frais funéraires. Dans ce cas l'indemnité est équivalente aux frais réellement exposés, sans qu'elle puisse cependant excéder la somme prévue par le présent arrêté en faveur du conjoint ou des héritiers en ligne directe.
  § 4. En raison de la conduite du bénéficiaire à l'égard du défunt, le ministre ou son délégué peut décider, dans des cas exceptionnels, que l'indemnité ne sera pas liquidée ou qu'elle le sera au profit de l'un des bénéficiaires ou de plusieurs d'entre eux.
  § 5. L'indemnité prevue par le présent arrêté ne peut être cumulée avec des indemnités analogues accordées en vertu d'autres dispositions qu'à concurrence du montant visé au § 2. "
Art. 61. Artikel 399 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " Art. 399. Voor de graadanciënniteit worden de in aanmerking komende diensten berekend hetzij vanaf de datum waarop de ambtenaar in deze graad of een equivalente graad werd benoemd hetzij vanaf de datum waarop de ambtenaar voor bevordering werd gerangschikt wegens het formele terugwerken van zijn benoeming.
  Voor de niveauanciënniteit worden de in aanmerking komende diensten berekend vanaf de datum waarop de ambtenaar werd benoemd in een graad van het betreffende niveau of een equivalente graad hetzij van de datum waarop hij voor bevordering werd gerangschikt wegens het formele terugwerken van zijn benoeming. "
Art. 61. L'article 399 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 399. Pour l'ancienneté de grade, les services admissibles sont comptés soit à partir de la date à laquelle l'agent a été nommé à ce grade ou à un grade équivalent, soit à partir de la date à laquelle il a été classé pour une promotion en raison de l'effet rétroactif formel de sa nomination.
  Pour l'ancienneté de niveau, les services admissibles sont comptés soit à partir de la date à laquelle l'agent a été nommé à un grade du niveau considéré ou à un grade équivalent, soit à partir de la date à laquelle il a été classé pour la promotion en raison de l'effet rétroactif formel de sa nomination. "
Art. 62. Artikel 406 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het (besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002 tot eerste wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest), wordt gewijzigd als volgt :
  1° in onderdeel 10° worden de woorden " , met uitzondering van artikel 13 en de bijlage waarnaar het verwijst " geschrapt;
  2° de opsomming wordt aangevuld als volgt :
  30° Het koninklijk besluit van 30 januari 1967 houdende toekenning van een haardtoelage of een standplaatstoelage aan het personeel der ministeries, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 26 november 1969, 29 juni 1973, 4 januari 1974, 10 september 1981, 14 december 1981, 3 december 1987, 16 augustus 1988, 13 december 1989, 21 maart 1990 en 7 augustus 1991;
  31° Het koninklijk besluit van 11 augustus 1972 ter bevordering ter bevordering van de tewerkstelling van mindervaliden in de rijksbesturen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 juni 1975, 18 juni 1976, 29 november 1976, 18 november 1982, 19 juli 1985 en 23 oktober 1989;
  32° Het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende toekenning van een gewaarborgde bezoldiging aan sommige personeelsleden van de ministeries, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 4 januari 1974, 4 november 1987, 3 december 1987, 16 augustus 1988, 8 mei 1989, 13 december 1989, 21 maart 1990, 7 augustus 1991, 20 oktober 1992, 5 maart 1993, de wet van 22 juli 1993 en de koninklijke besluiten van 20 juli 2000, 15 oktober 2000, 11 december 2001 en 9 januari 2002;
  33° Het koninklijk besluit van 30 januari 1979 betreffende de toekenning van een vakantiegeld aan het personeel van 's lands algemeen bestuur, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 7 mei 1980, 30 april 1981, 17 mei 1982, 23 maart 1984, 19 april 1985, 29 april 1986, 4 november 1987, 3 december 1987, 24 maart 1989, 21 maart 1990, 23 april 1991, 12 februari 1992, 5 mei 1992, 4 maart 1993, 6 mei 1993, 28 maart 1995, 9 juni 2000 en 20 juli 2000;
  34° Het koninklijk besluit van 23 oktober 1979 houdende toekenning van een eindejaarstoelage aan sommige titularissen van een ten laste van de Schatkist bezoldigd ambt, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 11 maart 1981, 9 mei 1984, 19 september 1985, 13 oktober 1986, 7 november 1987, 3 december 1987, 4 maart 1993, de wet van 22 juli 1993 en de koninklijke besluiten van 15 december 1999 en 20 juli 2000.
Art. 62. A l'article 406 du même arrêté, modifié par l'(arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 26 septembre 2002 portant 1re modification de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 6 mai 1999 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du ministère de la Région de Bruxelles-Capitale), sont apportées les modifications suivantes :
  1° au 10° les mots " , à l'exception de l'article 13 et de l'annexe à laquelle il renvoie " sont supprimés;
  2° l'énumération est complétée comme suit :
  30° L'arrêté royal du 30 janvier 1967 attribuant une allocation de foyer ou de résidence au personnel des ministères, modifié par les arrêtés royaux des 26 novembre 1969, 29 juin 1973, 4 janvier 1974, 10 septembre 1981, 14 décembre 1981, 3 décembre 1987,18 août 1988, 13 décembre 1989, 21 mars 1990 et 7 août 1991;
  31° L'arrêté royal du 11 août 1972 stimulant l'emploi de handicapés dans les administrations de l'Etat, modifié par les arrêtés royaux des 10 juin 1975, 18 juin 1976, 29 novembre 1976, 18 novembre 1982, 19 juillet 1985 et 23 octobre 1989;
  32° L'arrêté royal du 29 juin 1973 accordant une rétribution garantie à certains agents des ministères, modifié par les arrêtés royaux des 4 janvier 1974, 4 novembre 1987, 3 décembre 1987, 16 août 1988, 8 mai 1989, 13 décembre 1989, 21 mars 1990, 7 août 1991, 20 octobre 1992, 5 mars 1993, la loi du 22 juillet 1993 et les arrêtés royaux des 20 juillet 2000, 15 octobre 2000, 11 décembre 2001 et 9 janvier 2002;
  33° L'arrêté royal du 30 janvier 1979 relatif à l'octroi d'un pécule de vacances aux agents de l'administration générale du royaume, modifié par les arrêtés royaux des 7 mai 1980, 30 avril 1981, 17 mai 1982, 23 mars 1984, 19 avril 1985, 29 avril 1986, 4 novembre 1987, 3 décembre 1987, 24 mars 1989, 21 mars 1990, 23 avril 1991, 12 février 1992, 5 mai 1992, 4 mars 1993, 6 mai 1993, 28 mars 1995, 9 juin 2000 et 20 juillet 2000;
  34° L'arrête royal du 23 octobre 1979 accordant une allocation de fin d'année à certains titulaires d'une fonction rémunérée à charge du Trésor public, modifié par les arrêtés royaux des 11 mars 1981, 9 mai 1984, 19 septembre 1985, 13 octobre 1986, 7 novembre 1987, 3 décembre 1987, 4 mars 1993, la loi du 22 juillet 1993 et les arrêtés royaux des 15 décembre 1999 et 20 juillet 2000.
Art. 63. Artikel 435 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het (besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002 tot eerste wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest), wordt opgeheven.
Art. 63. L'article 435 du même arrêté, modifié par l'(arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 26 septembre 2002 portant 1re modification de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 6 mai 1999 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du ministère de la Région de Bruxelles-Capitale), est abrogé.
Art. 64. De volgende bepalingen worden ingevoegd in hoofdstuk II, titel II, boek II van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het (besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 26 september 2002 tot eerste wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999 houdende het statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest) :
  " Art. 451ter. In afwijking van artikel 122 van dit besluit wordt het eerste evaluatiegesprek bedoeld in artikel 121, dat plaatsvindt na de inwerkingtreding van dit besluit, tussen 15 oktober en 15 december 2002 voor de niveaus A en B en tussen 15 oktober en 15 december 2003 voor de niveaus C, D en E gevoerd.
  Art. 451quater. De ambtenaren die, overeenkomstig artikel 354 van dit besluit, de taalpremie genieten op het moment van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, behouden het recht op de taalpremie die ze genoten voor deze inwerkingtreding.
  Art. 451quinquies. De ambtenaren die de graad van secretaris-generaal, adjunct-secretaris-generaal of directeur generaal bekleden genieten de mandaatpremie bedoeld in artikel 358 ter van dit besluit in afwachting van de toekenning van hun betrekking bij mandaat en voor zover zij deze betrekking effectief vervullen. "
Art. 64. Les dispositions suivantes sont insérées dans le chapitre II du titre II du livre II du même arrêté, modifié par l'(arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 26 septembre 2002 portant 1re modification de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 6 mai 1999 portant le statut administratif et pécuniaire des agents du ministère de la Region de Bruxelles-Capitale):
  " Art. 451ter . Par dérogation à l'article 122 du présent arrêté, le premier entretien d'évaluation visé à l'article 121 qui a lieu après la mise en vigueur du présent arrêté s'effectue entre le 15 octobre et le 15 décembre 2002 pour les niveaux A et B et entre le 15 octobre et le 15 décembre 2003 pour les niveaux C, D et E.
  Art. 451quater. Les agents qui, en vertu de l'article 354 du présent arrêté, bénéficient de l'allocation de bilinguisme au moment de l'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 8 mars 2001 fixant les conditions de délivrance des certificats de connaissances linguistiques prévue à l'article 53 par les lois sur l'emploi des langues en matière administrative coordonnées le 18 juillet 1966, maintiennent leur droit à l'allocation de bilinguisme dont ils bénéficiaient avant cette prise d'effet.
  Art. 451quinquies. Les agents, titulaires du grade de secrétaire général, de secrétaire général adjoint ou de directeur général, bénéficient de la prime de mandat visée à l'article 358 ter du présent arrêté, dans l'attente de l'attribution de leur emploi par mandat et pour autant qu'ils occupent cet emploi de manière effective. "
Art. 65. Een artikel 452bis wordt in hetzelfde besluit ingevoegd, luidende :
  " Art. 452bis. De hoofdstukken X en XI van Boek II, titel II betreffende de project- en uitmuntendheidstoelagen treden buiten werking op 31 december 2004. "
Art. 65. Un article 452bis, rédigé comme suit, est inséré dans le même arrêté :
  " Art. 452bis. Les chapitres X et XI du Livre II, titre II relatifs aux primes de projet et d'excellence cesseront d'être en vigueur le 31 décembre 2004. "
Art. 66. Dit besluit treedt in werking op de datum van de beslissing van de Regering met uitzondering van artikel 55, 2° van dit besluit dat in werking treedt op 1 april 2001.
  (NOTA : Inwerkingtreding vastgesteld op 31-07-2001 door BESL 2002-09-26/56, art. 4, met uitzondering van artikel 55, 2° van dit besluit dat in werking treedt op 1 april 2001)
Art. 66. Le présent arrêté entre en vigueur à la date de la décision du Gouvernement à l'exception de l'article 55, 2° du présent arrêté qui produit ses effets le 1er avril 2001.
  (NOTE : Entrée en vigueur fixée le 25-04-2002 par ARR 2002-09-26/56, art. 4, à l'exception de l'article 55, 2° du présent arrêté qui produit ses effets le 1er avril 2001)
Art. 67. De Minister bevoegd voor Openbaar Ambt is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Brussel, 25 april 2002.
  Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering :
  De Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek,
  F.-X. de DONNEA
  De Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Financiën, Begroting,
  Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen,
  G. VANHENGEL
Art. 67. Le Ministre ayant dans ses attributions la Fonction publique est chargé de l'exécution du présent arrête.
  Bruxelles, le 25 avril 2002.
  Pour le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale :
  Le Ministre-President du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé des Pouvoirs locaux, de l'Aménagement du Territoire, des Monuments et Sites, de la Rénovation urbaine et de la Recherche scientifique,
  F.-X. de DONNEA
  Le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, chargé des Finances, du Budget, de la Fonction publique et des Relations extérieures,
  G. VANHENGEL
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Bijlage IV. HOOFDSTUK I.
  De volgende diploma's of studiegetuigschriften komen in aanmerking voor de toelating tot het Brussels Hoofdstedelijk Gewest naargelang van de niveaus :
  NIVEAU A
  1) Diploma's van :
  -- licentiaat
  -- doctor
  -- apotheker
  - geaggregeerde
  - burgerlijk ingenieur
  - landbouwkundig ingenieur
  - ingenieur voor de scheikunde en de landbouwindustrieën
  - handelsingenieur
  - burgerlijk ingenieur-architect
  - bio-ingenieur
  - arts
  - tandarts
  - dierenarts
  uitgereikt door de Belgische universiteiten met inbegrip van de aan de universiteiten verbonden scholen, of door de bij de wet of bij decreet daarmee gelijkgestelde instellingen indien de studies ten minste vier jaar hebben omvat, zelfs als een gedeelte van die studies niet in een van de voormelde onderwijsinstellingen werd volbracht of door een door de Staat of een van de Gemeenschappen ingestelde examencommissie.
  2) Diploma's van :
  - licentiaat in de handelswetenschappen
  - geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs in de handelswetenschappen
  - handelsingenieur
  - licentiaat in de bestuurswetenschappen
  - licentiaat-vertaler
  - licentiaat-tolk
  - licentiaat in de nautische wetenschappen
  - industrieel ingenieur
  - architect
  - licentiaat in de toegepaste communicatie
  uitgereikt door een door de Staat of door een van de Gemeenschappen opgerichte, gesubsidieerde of erkende instelling voor hoger onderwijs van het lange type of door een door de Staat of een van de Gemeenschappen ingestelde examencommissie.
  3) Diploma's van :
  - interieurarchitect
  - licentiaat in de productontwikkeling
  - meester in de muziek, of in de beeldende kunst of in de dramatische kunst of in de audiovisuele kunst
  uitgereikt door een door de Vlaamse Gemeenschap opgerichte, gesubsidieerde of erkende instelling van hoger onderwijs van het lange type of door een door deze Gemeenschap ingestelde examencommissie.
  4) Getuigschrift uitgereikt aan diegenen die de studies hebben voleindigd
  aan de polytechnische afdeling of aan de afdeling "Alle Wapens" van de Koninklijke Militaire School en die krachtens de wet van 11 september 1933 op de bescherming van de titels van het hoger onderwijs gerechtigd zijn tot het voeren van de titel van burgerlijk ingenieur of van licentiaat, met de door de Koning bepaalde kwalificatie.
  NIVEAU A (OVERGANGSMAATREGEL)
  1) Diploma uitgereikt door de Koloniale Hogeschool van België te Antwerpen en licentiaatsdiploma uitgereikt door het Universitair Instituut voor de Overzeese Gebieden te Antwerpen indien de studies ten minste vier jaar hebben omvat.
  2) Diploma van :
  - licentiaat in de handelswetenschappen
  - handelsingenieur
  - geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs in de handelswetenschappen
  - licentiaat-vertaler
  - licentiaat-tolk
  uitgereikt door inrichtingen van hoger technisch onderwijs van de derde graad of door inrichtingen van technisch onderwijs - gerangschikt als handelshogescholen categorie A5 - of door een door de Staat ingestelde examencommissie.
  3) Diploma of eindgetuigschrift uitgereikt na een cyclus van vijf jaar door :
  - de afdeling bestuurswetenschappen van het "Institut d'enseignement supérieur Lucien Cooremans" te Brussel;
  - het Hoger Instituut voor Bestuurs- en Handelswetenschappen te Elsene;
  - het Provinciaal Hoger Instituut voor Bestuurswetenschappen te Antwerpen.
  NIVEAU B
  1) Getuigschrift, diploma of brevet van het zeevaartonderwijs van de hogere cyclus.
  2) Diploma van meetkundig schatter van onroerende goederen.
  3) Diploma van mijnmeter.
  4) Diploma van het hoger onderwijs van het korte type met volledig leerplan
  uitgereikt door een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een van de Gemeenschappen of door een door de Staat of door een van de Gemeenschappen ingestelde examencommissie.
  5) Kandidaatsdiploma of -getuigschrift
  uitgereikt na een cyclus van ten minste twee jaar studie, ofwel door de Belgische universiteiten met inbegrip van de aan die universiteiten verbonden scholen, de bij de wet ermee gelijkgestelde instellingen of de instellingen voor hoger onderwijs van het lange type, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een van de Gemeenschappen ofwel door een door de Staat of door een van de Gemeenschappen ingestelde examencommissie.
  6) Diploma van technisch ingenieur uitgereikt na hogere technische leergangen van de tweede graad.
  7) Diploma van een afdeling ingedeeld in het economisch hoger of het sociaal hoger onderwijs van het korte type en voor sociale promotie of van hoger kunst- of technisch onderwijs van de 3e, 2e of 1e graad
  uitgereikt door een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een van de Gemeenschappen.
  8) Getuigschrift na het slagen voor de eerste twee studiejaren van de polytechnische afdeling of van de afdeling "Alle Wapens" van de Koninklijke Militaire School.
  NIVEAU B (OVERGANGSMAATREGEL)
  1) Diploma uitgereikt na een cyclus van ten minste twee jaar studie door de Koloniale Hogeschool van België te Antwerpen of kandidaatsdiploma uitgereikt door het Universitair Instituut voor Overzeese Gebieden te Antwerpen.
  2) Kandidaatsdiploma uitgereikt na een cyclus van ten minste twee jaar studie
  door een inrichting van hoger technisch onderwijs van de derde graad of door een inrichting van technisch onderwijs, gerangschikt als handelshogeschool in de categorie A5.
  3) Diploma van burgerlijk conducteur uitgereikt door een Belgische universiteit.
  4) Diploma van technisch ingenieur afgeleverd door een hogere technische school van de tweede graad.
  5) Diploma van :
  - geaggregeerde voor het lager secundair onderwijs
  - lager onderwijzer
  - lagere onderwijzeres
  - bewaarschoolonderwijzeres
  6) Diploma van gegradueerde in de landbouwwetenschappen,
  uitgereikt overeenkomstig de bepalingen van artikel 8 van het koninklijk besluit van 31 oktober 1934 tot vaststelling van de voorwaarden voor het toekennen van de diploma's van landbouwkundig ingenieur, scheikundig landbouwingenieur, ingenieur voor waters en bossen, koloniaal landbouwkundig ingenieur, tuinbouwkundig ingenieur, boerderijbouwkundig ingenieur, ingenieur der landbouwbedrijven, zoals het werd gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 juli 1936.
  7) Diploma uitgereikt door een inrichting voor het hoger technisch onderwijs van de eerste graad met volledig leerplan opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een van regeringswege samengestelde examencommissie.
  8) Diploma gerangschikt in een van navolgende categorieën : A1, A6/A1, A7/A1, C1/A1, A8/A1, A1/D, A2An, C1/D, C5/C1/D, C1/An
  uitgereikt door een inrichting voor hoger technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een van regeringswege samengestelde examencommissie.
  9) Diploma gerangschikt in de categorie B3/B1
  uitgereikt na een cyclus van ten minste zevenhonderd vijftig lestijden door een inrichting voor technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat en die bij de toelating het volgende eist :
  - of een diploma van volledige hogere secundaire studiën;
  - of het welslagen voor een daarmede gelijkgesteld toelatingsexamen;
  - of een diploma van een afdeling gerangschikt in de categorie B3/B2.
  NIVEAU C
  1) Getuigschrift van hoger secundair onderwijs;
  bekwaamheidsdiploma dat toegang verleent tot het hoger onderwijs,
  gehomologeerd of uitgereikt door de examencommissie van de Staat of van een van de Gemeenschappen voor het secundair onderwijs.
  2) Diploma uitgereikt na het examen bedoeld in artikel 5 van de wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, gecoördineerd op 31 december 1949.
  3) Brevet van :
  - verpleeg- of ziekenhuisassistent(e);
  - verpleger of verpleegster;
  uitgereikt, hetzij door een door de Staat of één van de Gemeenschappen in de categorie van de aanvullende secundaire beroepsscholen opgerichte, gesubsidieerde of erkende verplegingsafdeling, hetzij door een door de Staat of een van de Gemeenschappen ingestelde examencommissie.
  4) Einddiploma, studiegetuigschrift of getuigschrift van het zesde leerjaar van het algemeen, het technisch, het kunst- of het beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan uitgereikt na het volgen met vrucht door een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een van de Gemeenschappen.
  5) Getuigschrift, diploma of brevet van het zeevaartonderwijs van de hogere secundaire cyclus.
  6) Diploma van een tot de groep handel, administratie en organisatie behorende afdeling van een hogere secundaire technische leergang
  van een inrichting voor technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een van de Gemeenschappen, uitgereikt na een cyclus van ten minste zevenhonderd vijftig lestijden.
  NIVEAU C (OVERGANGSMAATREGEL)
  1) Getuigschrift uitgereikt na een van de voorbereidende proeven voorgeschreven in de artikelen 10, 10bis en 12, van de op 31 december 1949 gecoördineerde wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, zoals die bepalingen bestonden voor 8 juni 1964.
  2) Gehomologeerd of door de examencommissie van de Staat voor het hoger middelbaar onderwijs uitgereikt diploma of getuigschrift van hoger middelbaar onderwijs.
  3) Erkend of aanvaard diploma van middelbare studies van de hogere graad (handelsafdeling).
  4) Diploma of eindgetuigschrift van hoger middelbaar onderwijs behaald met vrucht.
  5) Gehomologeerd diploma van de hogere secundaire technische school of eindgetuigschrift van studies in een hogere secundaire technische school
  uitgereikt na een cyclus van drie jaren hogere secundaire studies, met vrucht, door een inrichting van technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of diploma van de hogere secundaire technische school uitgereikt door de examencommissie van de Staat.
  6) Diploma of eindgetuigschrift van de hogere secundaire technische school - vroeger categorieën A2, A6/A2, A6/C1/A2, A7/A2, A8/A2, A2A, C1, C1A, C5/C1, C1/A2
  uitgereikt na een cyclus van drie jaren hogere secundaire studiën, met vrucht, door een inrichting van technisch onderwijs, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een examencommissie van de Staat.
  7) Gehomologeerd diploma van hoger secundair kunstonderwijs met volledig leerplan,
  uitgereikt overeenkomstig de voorwaarden bepaald bij het koninklijk besluit van 10 februari 1971 tot vaststelling van de gelijkwaardigheid van het studiepeil van de inrichtingen voor kunstonderwijs met dat van hogere secundaire technische school en waarbij de voorwaarden voor het uitreiken van de diploma's bepaald worden en het koninklijk besluit van 25 juni 1976 tot regeling van de studies van sommige hogere secundaire afdelingen van de inrichtingen voor kunstonderwijs met volledig leerplan.
  8) Einddiploma, eindgetuigschrift, studieattest of brevet van het zesde jaar van het kunst- of beroepssecundair onderwijs met volledig leerplan, uitgereikt door een inrichting opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat.
  9) Brevet of eindgetuigschrift uitgereikt na afloop van de hogere cyclus van een beroepsafdeling
  verbonden aan een inrichting voor technisch onderwijs opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat en gerangschikt in één van de categorieën A4, C3, C2, C5.
  10) Diploma uitgereikt na een cyclus van ten minste zevenhonderd vijftig lestijden
  door een inrichting voor technisch onderwijs gerangschikt in de categorie B3/B1, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat.
  11) Einddiploma of -getuigschrift uitgereikt na een cyclus van ten minste zevenhonderd vijftig lestijden
  door een inrichting voor technisch onderwijs gerangschikt in de categorie B3/B2, opgericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat en die bij de toelating een diploma van lagere secundaire studies of het welslagen voor een daarmede gelijkgesteld toelatingsexamen eist.
  NIVEAU D - NIVEAU E
  Geen enkele vereiste van diploma of studiegetuigschrift wordt gesteld.
Art. N. Annexe IV. CHAPITRE I.
  Les diplômes et certificats pris en considération pour l'admission dans les administrations de la Région de Bruxelles-Capitale selon les niveaux, sont les suivants :
  NIVEAU A
  1) Diplomes de :
  -- licencié
  -- docteur
  -- pharmacien
  -- agrégé
  -- ingénieur civil
  -- ingénieur agronome
  -- ingénieur chimiste et des industries agricoles
  -- ingénieur commercial
  -- ingénieur civil architecte
  -- ingénieur biologiste
  -- médecin
  -- dentiste
  -- vetérinaire
  délivrés par les universités belges, y compris les écoles annexées à ces universités, ou par les établissements y assimilés par la loi ou le décret si les études ont comporté au moins quatre années, même si une partie de ces études n'a pas été accomplie dans un des établissements d'enseignement précités ou par un jury d'examen institué par l'Etat ou l'une des Communautes.
  2) Diplômes de :
  -- licencié en sciences commerciales
  -- agrégé de l'enseignement secondaire supérieur pour les sciences commerciales
  -- ingénieur commercial
  -- licencié en sciences administratives
  -- licencié traducteur
  -- licencié interprète
  -- licencié en sciences nautiques
  -- ingénieur industriel
  -- architecte
  -- licencié en communication appliquée
  délivrés par un établissement d'enseignement supérieur de type long, créé, subventionné ou reconnu par l'Etat ou par l'une des Communautés ou par un jury d'examen institué par l'Etat ou l'une des Communautés.
  3) Diplômes de :
  -- architecte d'intérieur
  -- licencié en recherche et développement
  -- maître en musique ou en arts plastiques ou en art dramatique ou en arts audiovisuels
  délivrés par un établissement d'enseignement supérieur de type long, créé, subventionné ou reconnu par la Communauté flamande ou par un jury d'examen institué par cette Communauté.
  4) Certificat délivré à ceux qui ont termine les études
  de la section polytechnique ou de la section "Toutes Armes" de l'Ecole royale militaire et qui peuvent porter le titre d'ingénieur civil ou celui de licencié, avec la qualification déterminée par le Roi, en vertu de la loi du 11 septembre 1933 sur la protection des titres de l'enseignement supérieur.
  NIVEAU A (MESURES TRANSITOIRES)
  1) Diplôme délivré par l'Université coloniale de Belgique à Anvers ou diplôme de licencié délivré par l'Institut universitaire des Territoires d'Outre-Mer à Anvers, si les études ont comporté au moins quatre années.
  2) Diplômes de :
  -- licencié en sciences commerciales
  -- d'ingénieur commercial
  -- d'agregé de l'enseignement secondaire supérieur pour les sciences commerciales
  -- de licencié traducteur
  -- de licencié interprète
  délivré par des établissements d'enseignement technique supérieur du troisième degré, ou par des établissements d'enseignement technique - classés comme instituts supérieurs de commerce A5 - ou par un jury d'examens institué par l'Etat.
  3) Diplôme ou certificat de fin d'études délivré après un cycle de cinq ans par :
  -- la section de sciences administratives de l'Institut d'enseignement supérieur Lucien Cooremans à Bruxelles;
  -- le "Hoger Instituut voor Bestuurs- en Handelswetenschappen" à Ixelles;
  -- le "Provinciaal Hoger Instituut voor Bestuurswetenschappen" à Anvers.
  NIVEAU B
  1) Certificat, diplôme ou brevet d'enseignement maritime du cycle supérieur.
  2) Diplôme de géomètre-expert immobilier.
  3) Diplome de géomètre des mines.
  4) Diplôme de l'enseignement supérieur de type court et de plein exercice
  délivré par un établissement créé, subventionné ou reconnu par l'Etat ou l'une des Communautés ou par un jury d'examens institué par l'Etat ou l'une des Communautés.
  5) Diplôme ou certificat de candidature
  délivré après un cycle d'au moins deux années d'études, soit par les universités belges, y compris les écoles annexées à ces universités, les établissements y assimilés par la loi ou les établissements d'enseignement supérieur de type long, créés, subventionnés ou reconnus par l'Etat ou l'une des Communautés soit par un jury d'examens institué par l'Etat ou l'une des Communautés.
  6) Diplôme d'ingénieur technicien délivré après des cours supérieurs techniques du deuxième degré.
  7) Diplôme d'une section classée dans l'enseignement supérieur économique ou supérieur social du type court et de promotion sociale ou de l'enseignement artistique ou technique supérieur du 3e, 2e ou 1er degré
  délivré par un etablissement créé, subventionné ou reconnu par l'Etat ou l'une des Communautés.
  8) Certificat attestant la réussite des deux premières années d'études de la section polytechnique ou de la section "Toutes Armes" de l'Ecole royale militaire.
  NIVEAU B (MESURES TRANSITOIRES)
  1) Diplôme délivré après un cycle d'au moins deux années d'études par l'Université coloniale de Belgique à Anvers ou diplôme de candidature délivré par l'Institut universitaire des Territoires d'Outre-Mer à Anvers.
  2) Diplôme de candidature délivré après un cycle d'au moins deux années d'études
  par une école d'enseignement technique supérieur du troisième degré ou par des établissements d'enseignement technique, classés comme instituts supérieurs de commerce dans la catégorie A5.
  3) Diplôme de conducteur civil délivré par une université belge.
  4) Diplôme d'ingénieur technicien délivre par une école supérieure technique du deuxième degré.
  5) Diplôme :
  -- d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur
  -- d'instituteur primaire
  -- d'institutrice primaire
  -- d'institutrice gardienne
  6) Diplôme de gradué en sciences agronomiques,
  délivré conformément aux dispositions de l'article 8 de l'arrêté royal du 31 octobre 1934 fixant les conditions de collation des diplômes, d'ingénieur agronome, d'ingénieur chimiste agricole, d'ingénieur des eaux et forêts, d'ingénieur agronome colonial, d'ingénieur horticole, d'ingénieur de génie rural, d'ingénieur des industries agricoles, tel qu'il a été modifié par l'arrêté royal du 16 juillet 1936.
  7) Diplôme délivré par un établissement d'enseignement technique supérieur du premier degré et de plein exercice, créé, subventionné ou reconnu par l'Etat ou par un jury d'Etat.
  8) Diplôme classé dans l'une des catégories suivantes : A1, A6/A1, A7/A1, C1/A1, A8/A1, A1/D, A2An, C1/D, C5/C1/D, C1/An
  délivré par un établissement d'enseignement technique supérieur, créé, subventionné ou reconnu par l'Etat ou par un jury d'Etat.
  9) Diplôme classé dans la catégorie B3/B1
  délivré après un cycle d'au moins sept cent cinquante périodes par un établissement d'enseignement technique - créé, subventionné ou reconnu par l'Etat et qui, lors de l'admission, exige :
  -- ou un diplôme d'études secondaires supérieures complètes;
  -- ou la réussite d'un examen d'entrée y assimilé;
  -- ou un diplôme d'une section classée en catégorie B3/B2.
  NIVEAU C
  1) Certificat d'enseignement secondaire supérieur ou
  diplôme d'aptitude à accéder à l'enseignement supérieur,
  homologué ou délivré par le jury d'Etat ou de l'une des Communautés pour l'enseignement secondaire.
  2) Diplôme délivré à la suite de l'examen prevu à l'article 5 des lois sur la collation des grades académiques et le programme des examens universitaires, coordonnées le 31 décembre 1949.
  3) Brevet :
  -- d'hospitalier ou d'hospitalière ou d'assistant ou d'assistante en soins hospitaliers;
  -- d'infirmier ou d'infirmière;
  délivré soit par une section de nursing créée, subventionnée ou reconnue par l'Etat dans la catégorie des écoles professionnelles complémentaires soit par un jury d'examen institué par l'Etat ou l'une des Communautés.
  4) Diplôme, certificat d'etudes ou attestation de fréquentation avec fruit de la sixième année d'enseignement général, technique artistique ou professionnel secondaire de plein exercice, délivré par un établissement subventionné ou reconnu par l'Etat ou par l'une des Communautés.
  5) Certificat, diplôme ou brevet d'enseignement maritime du cycle secondaire supérieur.
  6) Diplôme d'une section appartenant au groupe commerce, administration et organisation d'un cours technique secondaire supérieur
  d'un établissement d'enseignement technique créé, subventionné ou reconnu par l'Etat ou l'une des Communautés, délivré apres un cycle d'au moins sept cent cinquante périodes.
  NIVEAU C (MESURES TRANSITOIRES)
  1) Certificat delivré à la suite d'une des épreuves préparatoires prévues aux articles 10, 10bis et 12, des lois sur la collation des grades académiques et le programme des examens universitaires, coordonnées le 31 décembre 1949, telles que ces dispositions existaient avant le 8 juin 1964.
  2) Diplôme ou certificat de l'enseignement moyen supérieur, homologué ou délivré par le jury d'Etat pour l'enseignement moyen supérieur.
  3) Diplôme agréé de fin d'études moyennes du degré supérieur (section commerciale).
  4) Diplôme ou certificat de fin d'études de l'enseignement moyen supérieur obtenu avec fruit.
  5) Diplôme homologué d'école technique secondaire supérieure ou certificat de fin d'études d'école technique secondaire supérieure
  délivré après un cycle de trois années d'études secondaires supérieures, avec fruit, par un établissement d'enseignement technique, créé, subventionné ou reconnu par l'Etat ou diplôme d'école technique secondaire supérieure délivre par le jury d'Etat.
  6) Diplôme ou certificat de fin d'études d'école technique secondaire supérieure - anciennes catégories A2, A6/A2, A6/C1/A2, A7/A2, A8/A2, A2A, C1, C1A, C5/C1, C1/A2
  délivré après un cycle de trois années d'études secondaires supérieures, avec fruit, par un établissement d'enseignement technique, créé, subventionné ou reconnu par l'Etat ou par un jury d'Etat de l'enseignement secondaire.
  7) Diplôme homologué d'enseignement artistique secondaire supérieur de plein exercice,
  délivré conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 10 février 1971 fixant l'équivalence du niveau des études des établissements d'enseignement artistique à celui de l'école technique secondaire supérieure et déterminant les conditions dans lesquelles les diplômes sont délivrés et de l'arrêté royal du 25 juin 1976 réglant les études de certaines sections secondaires supérieures des établissements d'enseignement artistique de plein exercice.
  8) Diplôme, certificat de fin d'études, brevet ou attestation d'études de la sixième année de l'enseignement artistique ou professionnel secondaire supérieur de plein exercice, délivré par un établissement créé, subventionné ou reconnu par l'Etat.
  9) Brevet ou certificat de fin d'études délivré après la fréquentation du cycle secondaire supérieur d'une section professionnelle
  d'un établissement d'enseignement technique creé, subventionné ou reconnu par l'Etat et classé dans l'une des catégories A4, C3, C2, C5.
  10) Diplôme délivré après un cycle d'au moins sept cent cinquante périodes
  par un etablissement d'enseignement technique classé dans la catégorie B3/B1, créé, subventionné ou reconnu par l'Etat.
  11) Diplôme ou certificat de fin d'études délivré après un cycle d'au moins sept cent cinquante périodes
  par un établissement d'enseignement technique classé dans la catégorie B3/B2 créé, subventionné ou reconnu par l'Etat et qui, lors de l'admission, exige un diplôme d'études secondaires inférieures ou la réussite d'un examen d'entrée y assimilé.
  NIVEAU D - NIVEAU E
  Aucun diplôme ou certificat d'études n'est requis.
HOOFDSTUK II.
CHAPITRE II.