Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
24 DECEMBER 2002. - Programmawet (I). (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-12-2002 en tekstbijwerking tot 29-07-2025)
Titre
24 DECEMBRE 2002. - Loi-programme (I). (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 31-12-2002 et mise à jour au 29-07-2025)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
TITEL I. - Algemene bepaling. TITEL II. - Sociale Zaken en Pensioenen. HOOFDSTUK 1. - Sociaal statuut der zelfstandigen. Afdeling 1. - Vereenvoudiging van de bijdragens... Afdeling 2. - Sociaal en Fiscaal statuut van de... Afdeling 3. - Pensioen van zelfstandigen. Afdeling 4. - Aanvullende pensioenen zelfstandi... Onderafdeling 1. - Doel, Toepassingsgebied en D... Onderafdeling 2. - De pensioenovereenkomst. Onderafdeling 3. - Verworven reserves, verworve... Onderafdeling 4. - Stopzetting van de pensioeno... Onderafdeling 5. - Transparantie. Verklaring met de beginselen van het beleggings... Algemene bepalingen inzake informatieverstrekking Informatie vóór de aansluiting TOEKOMSTIG RECHT. Informatie aan de aangeslotenen en de rentegeni... Bijkomende informatie aan de rentegenieters TOE... Onderafdeling 6. - Solidariteit. Onderafdeling 7. - Toezicht. Onderafdeling 8. - Strafbepalingen. Onderafdeling 9. - Overgangsbepalingen. Onderafdeling 10. - Wijzigingsbepalingen. Onderafdeling 11. - Fiscale bepalingen. Onderafdeling 12. - Slotbepalingen. HOOFDSTUK 2. - Rijksdienst voor kinderbijslag v... HOOFDSTUK 3. - Hervorming van de verhoogde kind... HOOFDSTUK 4. - Andere bepalingen betreffende de... HOOFDSTUK 5. - Maatregelen betreffende de onder... Afdeling I. - Maatregelen betreffende de lokale... Afdeling II. - Diverse bepalingen. HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen betreffende de tegem... HOOFDSTUK 7. - Arbeidsongevallen. HOOFDSTUK 8. - Integratie van de mijnwerkers en... HOOFDSTUK 9. - Beroepsziekten. HOOFDSTUK 10. - Jaarlijkse vakantie. HOOFDSTUK 11. - Sociaal statuut van de kunstena... Afdeling 1. - De onderwerping aan de sociale ze... Afdeling 2. - Oprichting van een commissie " Ku... Afdeling 3. - Maatregelen inzake de bijdragever... Afdeling 4. - Aansluiting bij de Rijksdienst vo... Afdeling 5. - Aansluiting bij de Rijksdienst vo... Afdeling 6. - Bepalingen inzake tijdelijke arbeid. HOOFDSTUK 12. - Wijziging van de besluitwet van... HOOFDSTUK 13. - Verjaringstermijn inzake de uit... HOOFDSTUK 14. - De geïntegreerde politie. Afdeling 1. - Fonds voor de pensioenen. Afdeling 2. - Sociale zekerheid. HOOFDSTUK 15. - Kruispuntbank van de sociale ze... HOOFDSTUK 16. - Onmiddellijke aangifte bij tewe... HOOFDSTUK 17. - Wijziging van de wet op de ziek... HOOFDSTUK 18. - Globaal beheer. HOOFDSTUK 19. - Alternatieve financiering. HOOFDSTUK 20. - Vermindering van de bijdrage vo... HOOFDSTUK 21. - Vermindering van de bijdrage vo... HOOFDSTUK 22. - Sociale Maribel. HOOFDSTUK 23. - RIZIV. Afdeling 1. - Geneeskundige verzorging. Onderafdeling 1. - Bijzondere bepalingen. Onderafdeling 2. - Heffing farmacie 2003. Onderafdeling 3. - Bijzonder Solidariteitsfonds. Onderafdeling 4. - Tegemoetkoming endoscopisch ... Onderafdeling 5. - Ondersteuning medische prakt... Onderafdeling 6. - Sportongevallen. Onderafdeling 7. - Indeplaatsstelling. Onderafdeling 8. - Commissie voor tegemoetkomin... Onderafdeling 9. - Maximumfactuur. Onderafdeling 10. - Vakbondspremie. Onderafdeling 11. - Sociaal statuut kinesithera... Afdeling 2. - Uitkeringen. Onderafdeling 1. - In overeenstemming brengen v... Onderafdeling 2. - Borstvoedingspauzes. Onderafdeling 3. - Begrafeniskosten. Onderafdeling 4. - Cumulatie met onderbrekingsu... TITEL III. - Consumentenzaken, Volksgezondheid ... HOOFDSTUK 1. - Wijziging van de wet van 25 maar... HOOFDSTUK 2. - Oprichting van het Federaal Kenn... Afdeling 1. - Algemene bepalingen. Afdeling 2. - Doelstelling van het Kenniscentrum. Afdeling 3. - Opdrachten van het Kenniscentrum. Afdeling 4. - Onderwerpen van de studies en van... Afdeling 5. - Analyse van gegevens. Afdeling 6. - Samenwerking met andere instellin... Afdeling 7. - Financiering. Afdeling 8. - Bestuur van het Kenniscentrum. Afdeling 9. - Personeel. Afdeling 10. - Toezicht. Afdeling 11. - Intermutualistisch Agentschap. Afdeling 12. - Opheffings-, overgangs-, slotbep... Onderafdeling 1. - Opheffingsbepalingen. Onderafdeling 2. - Overgangsbepalingen. Onderafdeling 3. - Slotbepalingen. Onderafdeling 4. - Inwerkingtreding. HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 28 juli... HOOFDSTUK 4. - Federaal Agentschap voor de Veil... Afdeling 1. - Wijzigingen aan de wet van 4 febr... Afdeling 2. [1 - Beheer van de Begrotingsfondse... Afdeling 3. - Wijzigingen aan de organieke wet ... Afdeling 4. - Wijziging aan de wet van 17 maart... Afdeling 5. - Wijziging aan de wet van 23 maart... Afdeling 6. - Wijzigingen aan het koninklijk be... TITEL IV. - Werkgelegenheid. HOOFDSTUK 1. - Rosetta-plan voor zelfstandigen. HOOFDSTUK 1/1. [1 - Startlening die wordt toege... HOOFDSTUK 2. - Toepassingsgebied van de wet van... HOOFDSTUK 3. - Sociale Maribel. HOOFDSTUK 4. - Startbaanovereenkomsten openbare... HOOFDSTUK 5. - Procedures voor outplacement. HOOFDSTUK 6. - Fonds ter bevordering van de kwa... HOOFDSTUK 7. - Harmonisering en vereenvoudiging... Afdeling 1. - Algemene bepalingen. Afdeling 2. - Structurele vermindering. Afdeling 3. - Doelgroepverminderingen. Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen. Onderafdeling 2. - Oudere werknemers. Onderafdeling 3. - Langdurig werkzoekenden. Onderafdeling 4. - Eerste aanwervingen. Onderafdeling 5. - Jonge werknemers. Onderafdeling 5bis. [1 - Specifieke verminderin... Onderafdeling 5bis. VLAAMS_GEWEST.[1 ...]1 Onderafdeling 6. - Collectieve arbeidsduurvermi... Onderafdeling 7. - Herstructureringen. Onderafdeling 7. WAALS_GEWEST. Onderafdeling 8. (NOTA : De toepassing van de b... Onderafdeling 8/1. [1 - Tijdelijke arbeidsduurv... Onderafdeling 9. [1 Forfaitaire bijdragevermind... Onderafdeling 10. [1 - Gesubsidieerde contractu... Onderafdeling 11. [1 - Vermindering voor huispe... Onderafdeling 11. VLAAMS_GEWEST. Onderafdeling 11. WAALS_GEWEST. Onderafdeling 12. [1 - Onthaalouders.]1 Onderafdeling 13. [1 - Kunstenaars.]1 Onderafdeling 14. [1 - Werknemers tewerkgesteld... Onderafdeling 14. WAALS_GEWEST. Onderafdeling 15_VLAAMS_GEWEST Onderafdeling 16. [1 - Betaalde sportbeoefenaar... Onderafdeling 17_VLAAMS_GEWEST.[1 Personen zond... Afdeling 3bis. - (Verder zetten van de doelgroe... Afdeling 4. - Wijzigende en schorsende bepalingen. Afdeling 5. - Overgangsbepalingen. Afdeling 6. - Slotbepalingen. TITEL V. - Maatschappelijke integratie. HOOFDSTUK 1. - Rechtspleging van verplichte pog... HOOFDSTUK 2. - Uitbreiding van de toepassing va... HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 2 apr... HOOFDSTUK 4. - Rusthuis " Zeemanshuis ". TITEL VI. - Financiën. HOOFDSTUK 1. - Wetenschappelijk onderzoek. HOOFDSTUK 2. - Sector van de zeevisserij. HOOFDSTUK 3. - Federale Overheidsdienst Financiën. HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de wet van 21 vent... HOOFDSTUK 5. - Wijziging aan het Wetboek der re... HOOFDSTUK 6. - Bepalingen tot wijziging van het... Afdeling 1. - PC privé. Afdeling 2. - Opcentiemen op de belasting der n... Afdeling 3. - Verrekenbare bedrijfsvoorheffing. Afdeling 4. - Maatregelen betreffende de onderz... HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van de wet van 26 ma... HOOFDSTUK 8. - Regularisatie van de belastbare ... TITEL VII. - Administratieve vereenvoudiging en... TITEL VIII. - Wetenschappelijk onderzoek. HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het koninklijk bes... HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het koninklijk bes... HOOFDSTUK 3. - Herstructurering van sommige fed... Afdeling 1. - Ontbinding van de V.Z.W. " Afrika... Afdeling 2. - Overname van het SOMA door het Al... HOOFDSTUK 4. - Bijzondere bepalingen met betrek... HOOFDSTUK 5. - Financiële bepaling. HOOFDSTUK 6. - Opheffings- en slotbepalingen. TITEL IX. - Energie en Duurzame Ontwikkeling. HOOFDSTUK 1. - Bekrachtiging van koninklijke be... HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 29 apri... Afdeling 1. - Inkomsten gemeenten. Afdeling 2. - De invoering van een toeslag op d... HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 12 apri... HOOFDSTUK 4. - Oprichting van een begrotingsfon... TITEL X. - Personeel en Organisatie. HOOFDSTUK 1. - Copernicuspremie. HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 3 juli ... HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 22 juli... HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de wet van 16 maar... HOOFDSTUK 5. - Wijziging van het koninklijk bes... HOOFDSTUK 6. - Opheffing van het koninklijk bes... HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 10 apri... HOOFDSTUK 8. - Copernicushervorming. - Machtigi... HOOFDSTUK 9. - Overgangs- en slotbepalingen. TITEL XI. - Buitenlandse Zaken en Ontwikkelings... HOOFDSTUK 1. - Nationale Delcrederedienst. HOOFDSTUK 2. - Finexpo - Wijziging van het koni... HOOFDSTUK 3. - Ontwikkelingssamenwerking. HOOFDSTUK 4. - Belgische Investeringsmaatschapp... TITEL XII. - Landsverdediging. TITEL XIII. - Binnenlandse Zaken en Justitie. HOOFDSTUK 1. - Begrotingsfonds voor de organisa... HOOFDSTUK 2. - Gebruik van inbeslag genomen voe... HOOFDSTUK 3. - Personeel Calog. HOOFDSTUK 4. - Toongeld. HOOFDSTUK 5. - Publicatieprocedure in het Belgi... HOOFDSTUK 6. - Voogdij over niet-begeleide mind... TITEL XIV. - Telecommunicatie en Overheidsbedri... HOOFDSTUK 1. - De postsector. HOOFDSTUK 2. - De Post. HOOFDSTUK 3. - Nationale Loterij. TITEL XV. - Mobiliteit. HOOFDSTUK 1. - N.M.B.S. Afdeling 1. - Overname van de schuld. Afdeling 2. - Overdracht van 1/5 van de dividen... Afdeling 3. - Storting van 148.736.114,88 euro ... Afdeling 4. - Wijziging van de wet van 21 maart... HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 21 maar... HOOFDSTUK 3. - Bepalingen met betrekking tot he... TITEL XVI. - Economie. HOOFDSTUK 1. - Begrotingsfonds Nationaal Instit... HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 11 apri... HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 9 janua... TITEL XVII. - Externe Communicatie.
Inhoud
TITRE I. - Disposition générale. TITRE II. - Affaires sociales et pensions. CHAPITRE 1. - Statut social des indépendants. Section 1. - Simplification de la structure des... Section 2. - Statut social et fiscal du conjoin... Section 3. - Pension des indépendants. Section 4. - Pensions complémentaires des indép... Sous-section 1. - Objectif, champ d'application... Sous-section 2. - La convention de pension. Sous-section 3. - Réserves acquises, prestation... Sous-section 4. - Cessation de la convention de... Sous-section 5. - Transparence. Déclaration sur les principes de la politique d... Dispositions générales en matière de fourniture... Informations à fournir avant l'affiliation DROI... Informations à fournir aux affiliés et aux rent... Informations supplémentaires à fournir aux rent... Sous-section 6. - Solidarité. Sous-section 7. - Contrôle. Sous-section 8. - Dispositions pénales. Sous-section 9. - Dispositions transitoires. Sous-section 10. - Dispositions modificatives. Sous-section 11. - Dispositions fiscales. Sous-section 12. - Dispositions finales. CHAPITRE 2. - Office national d'allocations fam... CHAPITRE 3. - Réforme des allocations familiale... CHAPITRE 4. - Autres dispositions relatives aux... CHAPITRE 5. - Dispositions diverses en matière ... Section 1re. - Mesures concernant les mandatair... Section II. - Dispositions diverses. CHAPITRE 6. - Modifications relatives aux alloc... CHAPITRE 7. - Accidents du travail. CHAPITRE 8. - Intégration des ouvriers mineurs ... CHAPITRE 9. - Maladies professionnelles. CHAPITRE 10. - Vacances annuelles. CHAPITRE 11. - Statut social des artistes. Section 1re. - L'assujettissement à la sécurité... Section 2. - Création d'une commission " Artist... Section 3. - Mesures concernant la réduction de... Section 4. - Affiliation à l'Office national d'... Section 5. - Affiliation à l'Office national de... Section 6. - Dispositions relatives au travail ... CHAPITRE 12. - Modification de l'arrêté-loi du ... CHAPITRE 13. - Délai de prescription en matière... CHAPITRE 14. - De la police intégrée. Section 1re. - Fonds de pensions. Section 2. - Sécurité sociale. CHAPITRE 15. - Banque Carrefour de la sécurité ... CHAPITRE 16. - Déclaration immédiate de l'emplo... CHAPITRE 17. - Modification de la loi sur les h... CHAPITRE 18. - Gestion globale. CHAPITRE 19. - Financement alternatif. CHAPITRE 20. - Réduction des cotisations de vac... CHAPITRE 21. - Réduction des cotisations de mal... CHAPITRE 22. - Maribel Social. CHAPITRE 23. - INAMI. Section 1re. - Soins de santé. Sous-section 1. - Dispositions particulières. Sous-section 2. - Taxe pharmacie 2003. Sous-section 3. - Fonds spécial de solidarité. Sous-section 4. - Intervention matériel endosco... Sous-section 5. - Soutien pratique médicale. Sous-section 6. - Accidents de sports. Sous-section 7. - Subrogation. Sous-section 8. - Commission de remboursement d... Sous-section 9. - Maximum à facturer. Sous-section 10. - Prime syndicale. Sous-section 11. - Statut social kinésithérapeu... Section 2. - Indemnités. Sous-section 1. - Alignement des revenus de rem... Sous-section 2. - Pauses d'allaitement. Sous-section 3. - Frais funéraires. Sous-section 4. - Cumul avec des allocations d'... TITRE III. - Protection de la consommation, San... CHAPITRE 1. - Modification de la loi du 25 mars... CHAPITRE 2. - Création du Centre fédéral d'expe... Section 1. - Dispositions générales. Section 2. - De l'objectif du Centre d'expertise. Section 3. - Des missions du Centre d'expertise. Section 4. - Sujets des rapports et des études. Section 5. - Analyse de données. Section 6. - Collaboration avec d'autres établi... Section 7. - Financement. Section 8. - De l'administration du Centre d'ex... Section 9. - Du personnel. Section 10. - Du contrôle. Section 11. - Agence inter mutualiste Section 12. - Dispositions abrogatoires, transi... Sous-section 1. - Dispositions abrogatoires. Sous-section 2. - Dispositions transitoires. Sous-section 3. - Dispositions finales. Sous-section 4. - Entrée en vigueur. CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 28 juil... CHAPITRE 4. - Agence fédérale pour la Sécurité ... Section 1re. - Modifications de la loi du 4 fév... Section 2. [1 - Gestion des Fonds budgétaires v... Section 3. - Modifications de la loi organique ... Section 4. - Modification de la loi du 17 mars ... Section 5. - Modification de la loi du 23 mars ... Section 6. - Modifications de l'arrêté royal du... TITRE IV. - Emploi. CHAPITRE 1. - Plan Rosetta-indépendants. CHAPITRE 1er/1. [1 - Prêt lancement accordé au ... CHAPITRE 2. - Champ d'application de la loi du ... CHAPITRE 3. - Maribel social. CHAPITRE 4. - Conventions de premier emploi sec... CHAPITRE 5. - Procédures de reclassement profes... CHAPITRE 6. - Fonds pour la promotion de la qua... CHAPITRE 7. - Harmonisation et simplification d... Section 1re. - Dispositions générales. Section 2. - Réduction structurelle. Section 3. - Réductions groupes-cibles. Sous-section 1. - Dispositions générales. Sous-section 2. - Travailleurs âgés. Sous-section 3. - Demandeurs d'emploi de longue... Sous-section 4. - Premiers engagements. Sous-section 5. - Jeunes travailleurs. Sous-section 5bis. [1 - Réduction spécifique po... Art.349. Les employeurs visés à l'article 335, ... Sous-section 11. [1 - Réduction pour le personn... Sous-section 12. [1 - Gardien(ne)s d'enfants.]1 Sous-section 14. [1 - Travailleurs occupés en a... Sous-section 13. [1 - Artistes.]1 Sous-section 14. [1 - Travailleurs occupés en a... Section 3bis. - (Continuation de la réduction g... Art.355. A l'article 23, § 1er, de la loi du 24... Art.358. L'article 32 de la même loi, remplacé ... Art.375. Un article 1344septies , rédigé comme ... Art.377. § 1er. L'article 1er, § 1er, alinéa 1e... CHAPITRE 1. - Procédure rendant obligatoire une... Art.380. L'article 5, § 2, de la loi du 2 avril... CHAPITRE 3. - Modifications de la loi du 2 avri... Art.386. L'article 385 entre en vigueur le 1er ... Art.387. (abrogé) Art.388. Le Roi détermine les règles et modalit... Art.390. § 1er. Les services et les agents du S... CHAPITRE 5. - Modification du Code des droits d... Art.394. Dans l'article 150 du Code des droits ... CHAPITRE 5. - Modification du Code des droits d... Art.398. L'article 245 du même Code est complét... Art.399. L'article 469, alinéa 2, du même Code ... Section 2. - Centimes additionnels à l'impôt de... CHAPITRE 7. - Modifications de la loi du 26 mar... Art.404. L'article 42, § 1er, alinéa 2, de la m... Art.407. L'article 47 de la même loi est complé... Art.411. L'article 4 de la loi du 15 janvier 19... TITRE VII. - Simplification administrative et E... Art.415. L'article 1er du même arrêté est rempl... Art.416. L'article 2 du même arrêté, est rempla... CHAPITRE 2. - Modification de l'arrêté royal n°... CHAPITRE 4. - Dispositions particulières relati... Art.420. Le présent chapitre est applicable aux... Art.422. Les biens culturels prêtés par un Etat... CHAPITRE 4. - Dispositions particulières relati... TITRE IX. - Energie et Développement durable. Art.427. L'arrêté royal du 16 juillet 2002 rela... Art.430. L'arrêté royal du 29 septembre 2002 po... CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 29 avri... Art.433. L'article 21 de la même loi est complé... CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 12 avri... CHAPITRE 4. - Création d'un fonds budgétaire po... CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 12 avri... Art.437. A partir de 2002, une retenue de 13,07... CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 22 juil... Art.439. L'intitulé du chapitre 1er de la loi d... CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 3 juill... Art.443. L'article 4 de la même loi, modifié pa... Art.447. L'arrêté royal n° 46 du 10 juin 1982 r... Art.448. L'article 2, alinéa 1er, 1°, de la loi... Art.449. L'article 52, alinéa 2, de la loi-prog... Art.450. § 1er. L'article 438 produit ses effet... Art.452. Les agents du Service public fédéral P... CHAPITRE 9. - Dispositions transitoires et fina... Art.456. Le présent chapitre entre en vigueur à... CHAPITRE 2. - Finexpo - Modification de l'arrêt... Art.459. Dans la loi du 3 novembre 2001 relativ... Art.460. Dans le cadre de la coopération intern... CHAPITRE 4. - Société belge d'investissement po... CHAPITRE 1. - Fonds budgétaire pour l'organisat... Art.466. L'article 5 de la même loi est remplac... Art.467. Dans le tableau annexé à la loi organi... CHAPITRE 4. - Opérations qui exigent la présent... Art.472. Le Moniteur belge est une publication ... Art.474. La publication au Moniteur belge par l... Art.481. A l'article 154bis , § 1er, de la loi ... Art.483. L'arrêté royal du 7 octobre 2002 trans... CHAPITRE 1. - Le secteur postal. CHAPITRE 3. - La Loterie nationale. CHAPITRE 3. - La Loterie nationale. Art.493. (Abrogé) Section 3. - Versement de 148 736 114,88 euros ... Art.494. A partir du 1er décembre 2003, la SNC... Art.495. A l'article 161, alinéa 1er, de la loi... Art.497. A l'article 161ter de la même loi sont... Art.499. L'article 162quater , alinéa 4, de la ... CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 21 mars... CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 11 avri... Art.507. Les dispositions de l'article 506 ne s... CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 9 janvi... CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 11 avri... TITRE XVII. - Communication externe.
Tekst (835)
Texte (835)
TITEL I. - Algemene bepaling.
TITRE I. - Disposition générale.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
TITEL II. - Sociale Zaken en Pensioenen.
TITRE II. - Affaires sociales et pensions.
HOOFDSTUK 1. - Sociaal statuut der zelfstandigen.
CHAPITRE 1. - Statut social des indépendants.
Afdeling 1. - Vereenvoudiging van de bijdragenstructuur.
Section 1. - Simplification de la structure des cotisations.
Art.2. In artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, laatst gewijzigd bij de programmawet van 10 februari 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1) § 1 wordt vervangen als volgt :
  " § 1. De bijdragen van de onderworpenen worden uitgedrukt in een percentage van de beroepsinkomsten. ";
  2) in § 2, eerste lid, worden de woorden " , vermeerderd volgens de modaliteiten bepaald door de Koning, met het bedrag van de bijdragen bedoeld in de artikelen 12 en 13 van dit besluit " geschrapt;
  3) § 4, derde lid, wordt opgeheven;
  4) in § 5, eerste lid, worden de woorden " 112,99 pct. van " geschrapt;
  5) in § 5, tweede lid worden de woorden " 112,99 pct. van " geschrapt.
Art.2. A l'article 11 de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 10 février 1998, les modifications suivantes sont apportées :
  1) le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Les cotisations des assujettis sont exprimées par un pourcentage des revenus professionnels. ";
  2) au § 2, alinéa premier, les mots " , augmentés, selon les modalités déterminées par le Roi, du montant des cotisations visées aux articles 12 et 13 du présent arrêté " sont supprimés;
  3) le § 4, alinéa 3, est supprimé;
  4) au § 5, alinéa premier, les mots " à 112,99 p.c. du " sont remplacés par " au " et les mots " sur 112,99 p.c. du " sont remplacés par " sur le ";
  5) au § 5, alinéa 2, les mots " à 112,99 p.c. dudit " sont remplacés par " audit ".
Art.3. In artikel 12 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
  " Onverminderd de uitzonderingen bedoeld in de §§ 1bis en 2 zijn de onderworpenen de volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd :
  1. 19,65 pct. op het gedeelte der beroepsinkomsten dat 15.732,17 EUR niet te boven gaat;
  2. 14,16 pct. op het gedeelte der beroepsinkomsten dat 15.732,17 EUR te boven gaat, maar 23.186,08 EUR niet overschrijdt. ";
  2° in § 1, tweede lid wordt het bedrag " 152 777 BEF " vervangen door het bedrag " 3.221,08 EUR ";
  3° in § 2, eerste lid wordt het bedrag " 16 362 BEF " vervangen door het bedrag " 405,60 EUR ";
  4° § 2, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
  " Wanneer genoemde inkomsten minstens 405,60 EUR bedragen, is de onderworpene de volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd :
  1. 19,65 pct. op het gedeelte der beroepsinkomsten dat 15.732,17 EUR niet te boven gaat;
  2. 14,16 pct. op het gedeelte der beroepsinkomsten dat 15.732,17 EUR te boven gaat, maar 23.186,08 EUR niet overschrijdt. ";
  5° § 2, derde lid, wordt opgeheven;
  6° § 3 wordt opgeheven.
Art.3. A l'article 12 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 20 juillet 2000, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le § 1er, alinéa 1er, est remplacé par la disposition suivante :
  " Sans préjudice des exceptions visées aux §§ 1erbis et 2, les assujettis sont redevables des cotisations annuelles suivantes :
  1. 19,65 p.c. sur la partie des revenus professionnels qui n'excède pas 15.732,17 EUR;
  2. 14,16 p.c. sur la partie des revenus professionnels qui dépasse 15.732,17 EUR mais n'excède pas 23.186,08 EUR. ";
  2° au § 1er, alinéa 2, le montant " 152 777 BEF " est remplacé par le montant " 3.221,08 EUR ";
  3° au § 2, alinéa 1er, le montant " 16 362 BEF " est remplacé par le montant " 405,60 EUR ";
  4° le § 2, alinéa 2, est remplacé par la disposition suivante :
  " Lorsque lesdits revenus atteignent au moins 405,60 EUR, l'assujetti est redevable des cotisations annuelles suivantes :
  1. 19,65 p.c. sur la partie des revenus professionnels qui n'excède pas 15.732,17 EUR;
  2. 14,16 p.c. sur la partie des revenus professionnels qui dépasse 15.732,17 EUR, mais n'excède pas 23.186,08 EUR. ";
  5° le § 2, alinéa 3, est supprimé;
  6° le § 3 est supprimé.
Art.4. In artikel 13 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, eerste lid, wordt het bedrag " 32 724 BEF " vervangen door het bedrag " 811,20 EUR ";
  2° § 1, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
  " Wanneer bedoelde inkomsten minstens 811,20 EUR belopen, is de onderworpene volgende jaarlijkse bijdragen verschuldigd, vastgesteld op de beroepsinkomsten, bedoeld in artikel 11, §§ 2 en 3 :
  1. 19,65 pct. op het gedeelte der beroepsinkomsten dat 15.732,17 EUR niet te boven gaat;
  2. 14,16 pct. op het gedeelte der beroepsinkomsten dat 15.732,17 EUR te boven gaat, maar 23 186,08 EUR niet overschrijdt ";
  3) in § 1, derde lid, wordt het percentage " 12,99 pct. " vervangen door het percentage " 14,70 pct. ";
  4) § 2 wordt opgeheven.
Art.4. A l'article 13 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 20 juillet 2000, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au § 1er, alinéa 1er, le montant " 32 724 BEF " est remplacé par le montant " 811,20 EUR ";
  2° le § 1er, alinéa 2, est remplacé par la disposition suivante :
  " Lorsque les revenus en question atteignent au moins 811,20 EUR, l'assujetti est redevable des cotisations annuelles suivantes, établies sur les revenus professionnels visés à l'article 11, §§ 2 et 3 :
  1. 19,65 p.c. sur la partie des revenus professionnels qui n'excède pas 15.732,17 EUR;
  2. 14,16 p.c. sur la partie des revenus professionnels qui dépasse 15.732,17 EUR, mais qui n'excède pas 23.186,08 EUR ";
  3) dans le § 1er, alinéa 3, le pourcentage " 12,99 p.c. " est remplacé par le pourcentage " 14,70 p.c. ";
  4) le § 2 est supprimé.
Art.5. Artikel 14, § 2, van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt vervangen als volgt :
  " § 2. De Koning kan, na advies van het Algemeen Beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen, opgericht bij artikel 107 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, en bij een in Ministerraad overlegd besluit, de in de artikelen 12 en 13 bedoelde percentages en het bedrag van de beroepsinkomsten opgenomen in artikel 12, § 1, tweede lid, aanpassen.
  Het bedrag van de bijdrageverhoging ingevolge de aanpassing van het bedrag van de beroepsinkomsten opgenomen in artikel 12, § 1, tweede lid, waarvan sprake in het eerste lid, mag evenwel niet meer bedragen dan 175 EUR. ".
Art.5. L'article 14, § 2, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 20 juillet 2000, est remplacé par la disposition suivante :
  " § 2. Le Roi peut, après avis du Comité général de gestion pour le statut social des travailleurs indépendants, institué par l'article 107 de la loi du 30 décembre 1992 portant des dispositions sociales et diverses, et par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, adapter les pourcentages visés aux articles 12 et 13 et le montant du revenu professionnel repris à l'article 12, § 1er, alinéa 2.
  Le montant de l'augmentation de cotisation suite à l'adaptation du montant du revenu professionnel repris à l'article 12, § 1er, alinéa 2, dont question à l'alinéa 1er, ne peut toutefois pas dépasser 175 EUR. ".
Art.6. In artikel 91, § 4, van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, worden de woorden " naar aanleiding van een verhoging van de forfaitaire bedragen in toepassing van artikel 14, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen " geschrapt.
Art.6. A l'article 91, § 4, de la loi du 30 décembre 1992 portant des dispositions sociales et diverses, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 20 juillet 2000, les mots " à l'occasion d'une augmentation des montants forfaitaires en application de l'article 14, § 2, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants " sont supprimés.
Afdeling 2. - Sociaal en Fiscaal statuut van de meewerkende echtgenoot.
Section 2. - Statut social et fiscal du conjoint aidant.
Art.9. Artikel 15 van de programmawet van 30 december 2001, waarbij een artikel 6bis wordt ingevoegd in het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, wordt opgeheven.
Art.9. L'article 15 de la loi-programme du 30 décembre 2001, insérant un article 6bis dans l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants est abrogé.
Art.10. Artikel 16 van dezelfde programmawet, waarbij artikel 7, 1°, van hetzelfde besluit wordt opgeheven, treedt in werking op 1 januari 2003.
Art.10. L'article 16 de la même loi-programme, abrogeant l'article 7, 1°, du même arrêté, entre en vigueur le 1er janvier 2003.
Art.11. In het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen wordt een artikel 7bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 7bis. - § 1. De echtgenoot of echtgenote van een zelfstandige bedoeld in artikel 2, die, in de loop van een bepaald jaar, geen beroepsactiviteit uitoefent die voor hem rechten opent op uitkeringen in een verplichte regeling voor pensioenen, kinderbijslagen en ziekte- en invaliditeitsverzekering, die minstens gelijkwaardig zijn aan die van het sociaal statuut van zelfstandigen, noch een uitkering geniet in het raam van de sociale zekerheid die voor hem dergelijke eigen rechten opent, wordt vermoed, voor datzelfde jaar, met uitzondering van de kwartalen tijdens dewelke de geholpen zelfstandige geen activiteit uitoefent die de onderwerping aan dit besluit met zich meebrengt, meewerkende echtgenoot te zijn en bijgevolg onderworpen te zijn aan dit besluit als helper in de zin van artikel 6.
  Personen bedoeld in voorgaand lid die niet voldoen aan de omschrijving van artikel 6, dienen een verklaring op erewoord waarvan de toepassingsmodaliteiten door de Koning worden bepaald, af te leggen om dit vermoeden te weerleggen. Bij niet-naleving van deze verplichting is er verval van recht op uitkeringen, onverminderd de mogelijkheid voor de Koning om een administratieve boete van maximaal 500 euro op te leggen.
  Het toepassingsgebied van dit artikel wordt verruimd tot de ongehuwde helper van een zelfstandige die met die zelfstandige verbonden is door een verklaring van wettelijke samenwoning. De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten inzake betrokken personen.
  § 2. In afwijking van § 1 is de meewerkende echtgenoot voor de jaren 2003, 2004 en 2005 enkel onderworpen aan de verplichte regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector der uitkeringen, overeenkomstig de door de Koning te bepalen regelen en voorwaarden.
  Niettemin kan de meewerkende echtgenoot zich voor de jaren 2003, 2004 en 2005 vrijwillig onderwerpen aan dit besluit, overeenkomstig de door de Koning te bepalen regelen en voorwaarden.
  § 3. In afwijking van § 1 is de meewerkende echtgenoot wiens geboortedatum gelegen is voor 1 januari 1956 enkel onderworpen aan de verplichte regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector der uitkeringen. Hij kan zich vrijwillig onderwerpen aan dit besluit overeenkomstig de door de Koning te bepalen regelen en voorwaarden.
  Niettemin kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, situaties bepalen waarin de meewerkende echtgenoot wiens geboortedatum gelegen is voor 1 januari 1956 toch onderworpen is aan de bepalingen van § 1.
  § 4. De toepassing van deze wet mag geen nadeel berokkenen in pensioen, dat daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat, noch aan de meewerkende echtgenoot noch aan de geholpen zelfstandige, zoals bedoeld in artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38.
  De Koning treft alle maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van deze paragraaf. "
Art.11. Un article 7bis , rédigé comme suit, est inséré dans l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants :
  " Art. 7bis. § 1er. L'époux ou l'épouse d'un travailleur indépendant visé à l'article 2, qui, au cours d'une année déterminée, n'exerce pas d'activité professionnelle lui ouvrant des droits propres à des prestations dans un régime obligatoire de pension et d'allocations familiales et d'assurance contre la maladie et l'invalidité, au moins égales à celles du statut social des travailleurs indépendants, ni ne bénéficie d'une prestation dans le cadre du régime de la sécurité sociale lui ouvrant de tels droits propres, est présumé, pour cette même année, à l'exception des trimestres au cours desquels l'indépendant aidé n'exerce pas d'activité entraînant l'assujettissement au présent arrêté, être un conjoint aidant et par conséquent être assujetti à cet arrêté en tant qu'aidant au sens de l'article 6.
  Les personnes visées au paragraphe précédent qui ne satisfont pas à la description de l'article 6 doivent déposer une déclaration sur l'honneur pour le renversement de cette présomption, déclaration dont le Roi fixe les modalités d'application. En cas de non respect de cette obligation, il y a perte du droit aux allocations, sans préjudice de la possibilité pour le Roi d'infliger une amende administrative de 500 euro maximum.
  Le champ d'application de cet article est étendu à l'aidant non marié d'un travailleur indépendant qui est lié à ce travailleur indépendant par une déclaration de cohabitation légale. Le Roi fixe les modalités d'application relatives aux personnes concernées.
  § 2. Par dérogation au § 1er, le conjoint aidant est, pour les années 2003, 2004 et 2005, uniquement assujetti au régime de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des indemnités, conformément aux règles et conditions fixées par le Roi.
  Toutefois, le conjoint aidant peut, pour les années 2003, 2004 et 2005, s'assujettir volontairement à cet arrêté, conformément aux règles et conditions fixées par le Roi.
  § 3. Par dérogation au § 1er, le conjoint aidant dont la date de naissance est antérieure au 1er janvier 1956 est uniquement assujetti au régime de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des indemnités. Il peut s'assujettir volontairement à cet arrêté conformément aux règles et conditions fixées par le Roi.
  Toutefois, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, déterminer des situations dans lesquelles le conjoint aidant dont la date de naissance est antérieure au 1er janvier 1956 est quand même assujetti aux dispositions du § 1er.
  § 4. L'application de la présente loi ne peut porter préjudice à la pension, qui prend cours effectivement et pour la première fois, au bénéfice du conjoint aidant ou à celui du travailleur indépendant se faisant aider, comme visé à l'article 7bis de l'arrêté royal n° 38.
  Le Roi prend toutes les mesures qui sont nécessaires à l'exécution du présent paragraphe. "
Art.12. In artikel 11, § 2, van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 november 1996, worden het vierde en vijfde lid vervangen als volgt :
  " Voor de toepassing van deze paragraaf worden de aan de meewerkende echtgenoot overeenkomstig de fiscale wetgeving toebedeelde inkomsten gevoegd bij de inkomsten van de geholpen zelfstandige in het geval waarin de meewerkende echtgenoot enkel onderworpen is aan de verplichte regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen.
  Voor de berekening van de bijdragen die verschuldigd zijn door een zelfstandige die geholpen wordt door een aan dit besluit onderworpen meewerkende echtgenoot die zich in een periode van begin van bezigheid bevindt, worden de beroepsinkomsten van het refertejaar verminderd met de inkomsten waarop de definitieve bijdragen van de meewerkende echtgenoot worden berekend. De Koning bepaalt welke bijdragen door de geholpen zelfstandige verschuldigd zijn zolang de gegevens betreffende de genoemde inkomsten van de meewerkende echtgenoot niet worden verstrekt. "
Art.12. A l'article 11, § 2, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 18 novembre 1996, les alinéas 4 et 5 sont remplacés par le texte suivant :
  " Pour l'application du présent paragraphe, les revenus attribués au conjoint aidant conformément à la législation fiscale sont ajoutés aux revenus de l'indépendant aidé dans le cas où le conjoint aidant est uniquement assujetti au régime de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des indemnités.
  Pour le calcul des cotisations dues par un travailleur indépendant, aidé par un conjoint aidant assujetti à cet arrêté et qui se trouve dans une période de début d'activité, les revenus professionnels de l'année de référence sont diminués des revenus sur base desquels les cotisation définitives du conjoint aidant son calculées. Le Roi détermine quelles sont les cotisations dues par le travailleur indépendant aidé tant que les données relatives auxdits revenus du conjoint aidant n'ont pas été communiquées. "
Art.13. In artikel 12 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij de programmawet van 10 februari 1998, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, eerste lid, worden de woorden " de uitzonderingen bedoeld in de §§ 1bis en 2 " vervangen door de woorden " de uitzonderingen bedoeld in de §§ 1bis , 1ter en 2 ";
  2° een § 1ter wordt ingevoegd, luidende :
  " § 1ter. In afwijking van § 1, tweede lid, worden voor de berekening van de onder § 1, 1°, bedoelde bijdragen, de beroepsinkomsten van de overeenkomstig artikel 7bis aan dit besluit onderworpen meewerkende echtgenoot geacht de helft van 3.221,08 EUR te bereiken wanneer het referte-inkomen, na toepassing van artikel 11, § 3, de helft van dit bedrag niet bereikt. De aldus vastgestelde bijdragen zijn verschuldigd zelfs zo geen winsten werden verwezenlijkt voor het in artikel 11, § 2, bedoelde refertejaar.
  De onderworpene die, voor een bepaald kwartaal, een in toepassing van het eerste lid verminderde bijdrage betaalt, wordt geacht, voor dat kwartaal, een bijdrage betaald te hebben die minstens gelijk is aan de bijdrage bedoeld in § 1, tweede lid. "
Art.13. A l'article 12 du même arrête, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 10 février 1998, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, alinéa 1er, les mots " des exceptions visées aux §§ 1erbis et 2 " sont remplaces par les mots " des exceptions visées aux §§ 1erbis , 1erter et 2 ";
  2° un § 1er ter est inséré, rédigé comme suit :
  " § 1erter. Par dérogation au § 1er, alinéa 2, pour le calcul des cotisations visées au § 1er, 1°, les revenus professionnels du conjoint aidant assujetti à cet arrêté en vertu de l'article 7bis sont censés atteindre la moitié de 3.221,08 EUR lorsque le revenu de référence, après application de l'article 11, § 3, n'atteint pas la moitié de ce montant. Lesdites cotisations sont dues même s'il n'a pas été réalisé de bénéfices pour l'année de référence visée à l'article 11, § 2.
  L'assujetti qui, pour un trimestre déterminé, paie une cotisation diminuée en application de l'alinéa 1er est censé avoir payé, pour ce trimestre, une cotisation au moins égale à la cotisation visée au § 1er, alinéa 2. "
Art.14. In artikel 52bis van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, laatst gewijzigd bij de programmawet van 30 december 2001, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1 wordt vervangen als volgt :
  " § 1. Met uitzondering van de meewerkende echtgenoten die enkel onderworpen zijn aan de verplichte regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector der uitkeringen, kunnen de zelfstandigen in de zin van artikel 1 van dit besluit, die de voorwaarden vervullen bepaald door de Koning, een verzekeringscontract sluiten teneinde hetzij een aanvullend rustpensioen hetzij een aanvullend rustpensioen en een aanvullend overlevingspensioen ten voordele van de overlevende echtgenoot te vormen. ";
  2° in § 2, eerste lid, worden de woorden " in § 1, eerste lid, bedoelde " geschrapt;
  3° § 2bis wordt vervangen als volgt :
  " De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, specifieke modaliteiten vaststellen voor de meewerkende echtgenoten die onderworpen zijn aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. ";
  4° § 3, tweede lid, wordt geschrapt.
Art.14. A l'article 52bis de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 30 décembre 2001, sont apportées les modifications suivantes :
  1° Le § 1er est remplacé par le texte suivant :
  " § 1er. A l'exception des conjoints aidant qui sont assujettis uniquement au régime de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteur des indemnités, les travailleurs indépendants au sens de l'article 1er de cet arrêté, qui réunissent les conditions fixées par le Roi, peuvent conclure un contrat d'assurance afin de constituer soit une pension complémentaire de retraite, soit une pension complémentaire de retraite et une pension complémentaire de survie en faveur du conjoint survivant. ";
  2° au § 2, alinéa 1er, les mots " visé au § 1er, alinéa 1er " sont supprimés;
  3° le § 2bis est remplacé comme suit :
  " Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, déterminer des modalités spécifiques pour les conjoints aidant assujettis à l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants. ";
  4° le § 3, alinéa 2, est supprimé.
Art.15. Artikel 30 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, wordt aangevuld met een 3°, luidende :
  " 3° bezoldigingen van meewerkende echtgenoten. ".
Art.15. L'article 30 du Code des impôts sur les revenus 1992, remplacé par l'arrêté royal du 20 décembre 1996, est complété par un 3°, rédigé comme suit :
  " 3° les rémunérations des conjoints aidant ".
Art.16. Artikel 33 van hetzelfde Wetboek, opgeheven door het koninklijk besluit van 20 december 1996, wordt hersteld in de volgende lezing :
  " Art. 33. Bezoldigingen van meewerkende echtgenoten zijn alle toekenningen van een deel van de winst en de baten aan de meewerkende echtgenoot die tijdens het belastbaar tijdperk geen beroepsactiviteit uitoefent die voor hem rechten opent op uitkeringen in een verplichte regeling voor pensioenen, kinderbijslagen en ziekte- en invaliditeitsverzekering die minstens gelijkwaardig zijn aan die van het sociaal statuut van zelfstandigen, noch een uitkering geniet binnen het raam van de sociale zekerheid die voor hem dergelijke eigen rechten opent.
  Deze bezoldigingen moeten overeenstemmen met de normale bezoldiging van de prestaties van de meewerkende echtgenoot, doch mogen niet hoger zijn dan 30 pct. van het netto bedrag van de inkomsten van de beroepswerkzaamheid die met de hulp van de echtgenoot wordt uitgeoefend, behoudens indien de prestaties van de meewerkende echtgenoot hem kennelijk recht geven op een groter deel. ".
Art.16. L'article 33 du même Code, abrogé par l'arrêté royal du 20 décembre 1996, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " Art. 33. Les rémunérations des conjoints aidant sont toutes les attributions d'une quote-part de bénéfices ou de profits au conjoint aidant qui, pendant la période imposable, n'exerce pas d'activité professionnelle lui ouvrant des droits propres à des prestations dans un régime obligatoire de pension, d'allocations familiales et d'assurance contre la maladie et l'invalidité, au moins égales à celles du statut social des travailleurs indépendants, ni ne bénéficie d'une prestation dans le cadre du régime de la sécurité sociale lui ouvrant de tels droits propres.
  Ces rémunérations doivent correspondre à la rémunération normale pour les prestations effectuées par le conjoint aidant, sans qu'elles puissent dépasser 30 p.c. du montant net des revenus de l'activité professionnelle exercée avec l'aide du conjoint, sauf s'il est manifeste que les prestations du conjoint aidant lui ouvrent droit à une quote-part plus importante. ".
Art.17. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 33bis ingevoerd, dat luidt als volgt :
  " Art. 33bis. Voor de toekenning van de in artikel 30, 3°, bedoelde bezoldigingen worden de beroepsinkomsten die afzonderlijk worden belast buiten beschouwing gelaten. ".
Art.17. Un article 33bis , rédigé comme suit, est inséré dans le même Code :
  " Art. 33bis. - Pour l'attribution des rémunérations visées à l'article 30, 3°, les revenus professionnels qui sont imposés distinctement ne sont pas pris en considération. ".
Art.18. Artikel 51, 3°, van hetzelfde Wetboek, opgeheven door het koninklijk besluit van 20 december 1996, wordt hersteld in de volgende lezing :
  " 3° voor bezoldigingen van meewerkende echtgenoten : 5 pct.; ".
Art.18. L'article 51, 3°, du même Code, abrogé par l'arrêté royal du 20 décembre 1996, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " 3° les rémunérations des conjoints aidant : 5 p.c.; ".
Art.19. In artikel 52, 4°, van hetzelfde Wetboek, vervallen de woorden " , buiten zijn echtgenoot ".
Art.19. A l'article 52, 4°, du même Code, les mots " , autres que son conjoint, " sont supprimés.
Art.20. In artikel 53 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 30 maart 1994, 7 april 1995 en 20 december 1995, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wet van 22 december 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het 12° wordt aangevuld met de woorden " , behoudens de in artikel 30, 3°, bedoelde bezoldigingen ";
  2° het artikel wordt aangevuld als volgt :
  " 19° voor de belastingplichtigen die in artikel 30, 3°, bedoelde bezoldigingen toekennen, de beroepskosten die eigen zijn aan de in artikel 33, eerste lid, bedoelde meewerkende echtgenoten;
  20° voor de in artikel 33, eerste lid, bedoelde meewerkende echtgenoten, de beroepskosten die betrekking hebben op de activiteiten van de echtgenoot met wie wordt meegewerkt. "
Art.20. A l'article 53 du même Code, modifié par les lois des 30 mars 1994, 7 avril 1995 et 20 décembre 1995, par l'arrêté royal du 20 décembre 1996 et par la loi du 22 décembre 1998, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le 12° est complété par les mots " , à l'exception des rémunérations visées à l'article 30, 3° ";
  2° ledit article est complété comme suit :
  " 19° pour les contribuables qui attribuent des rémunérations visées à l'article 30, 3°, les frais professionnels qui sont propres aux conjoints aidant visés à l'article 33, alinéa 1er;
  20° pour les conjoints aidant visés à l'article 33, alinéa 1er, les frais professionnels qui se rapportent aux activités du conjoint qu'ils ont aidé. "
Art.21. Artikel 57, 1°, van hetzelfde Wetboek, wordt aangevuld met de woorden " , behoudens de in artikel 30, 3°, bedoelde bezoldigingen; ".
Art.21. L'article 57, 1°, du même Code est complété par les mots " , à l'exclusion des rémunérations visées à l'article 30, 3°; ".
Art.22. In artikel 86, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de koninklijk besluiten van 20 december 1996 en 20 juli 2000, worden de woorden " aan de echtgenoot " vervangen door de woorden " aan de niet in artikel 33, eerste lid, bedoelde echtgenoot ".
Art.22. Dans l'article 86, alinéa 1er, du même Code, modifié par les arrêtés royaux des 20 décembre 1996 et 20 juillet 2000, les mots " au conjoint " sont remplacés par les mots " au conjoint non visé à l'article 33, alinéa 1er, ".
Art.23. In artikel 1451 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992, 17 november 1998, 25 januari 1999 en 17 mei 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden " de artikelen 1452 tot 14516bis " vervangen door de woorden " de artikelen 1452 tot 14516 ";
  2° het 6° wordt opgeheven.
Art.23. A l'article 1451 du même Code, modifié par les lois des 28 décembre 1992, 17 novembre 1998, 25 janvier 1999 et 17 mai 2000, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots " aux articles 1452 à 14516bis " sont remplacés par les mots " aux articles 1452 à 14516 ";
  2° le 6° est abrogé.
Art.24. In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, onderafdeling IIbis van hetzelfde Wetboek, wordt het onderdeel " G. Bijdragen voor het vrij pensioen van meewerkende echtgenoot van een zelfstandige " dat artikel 14516bis omvat, ingevoegd bij de wet van 25 januari 1999, opgeheven.
Art.24. Dans le titre II, chapitre III, section première, sous-section IIbis du même Code, la partie " G. Cotisations pour la pension libre du conjoint aidant d'un travailleur indépendant ", comprenant l'article 14516bis , insérée par la loi du 25 janvier 1999, est abrogée.
Art.25. In artikel 157 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wet van 10 augustus 2001, worden de woorden " , bezoldigingen van bedrijfsleiders " vervangen door de woorden " en de in artikel 30, 2° en 3°, bedoelde bezoldigingen ".
Art.25. Dans l'article 157 du même Code, modifié par l'arrêté royal du 20 décembre 1996 et par la loi du 10 août 2001, les mots " , rémunérations des dirigeants d'entreprise " sont remplacés par les mots " et rémunérations visées à l'article 30, 2° et 3°, ".
Art.26. In artikel 158 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995 en bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, worden de woorden " en bezoldigingen van bedrijfsleiders " vervangen door de woorden " en de in artikel 30, 2° en 3°, bedoelde bezoldigingen ".
Art.26. Dans l'article 158 du même Code, modifié par la loi du 20 décembre 1995 et par l'arrêté royal du 20 décembre 1996, les mots " et rémunérations des dirigeants d'entreprise " sont remplacés par les mots " et rémunérations visées à l'article 30, 2° et 3°, ".
Art.27. In artikel 164 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wet van 6 juli 1997, worden de woorden " en de bezoldigingen van bedrijfsleiders " vervangen door de woorden " en de in artikel 30, 2° en 3°, bedoelde bezoldigingen ".
Art.27. Dans l'article 164 du même Code, modifié par l'arrêté royal du 20 décembre 1996 et par la loi du 6 juillet 1997, les mots " et rémunérations des dirigeants d'entreprise " sont remplacés par les mots " et rémunérations visées à l'article 30, 2° et 3° ".
Art.28. In artikel 166 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, worden de woorden " en de bezoldigingen van bedrijfsleiders " vervangen door de woorden " en de in artikel 30, 2° en 3°, bedoelde bezoldigingen ".
Art.28. Dans l'article 166 du même Code, modifié par l'arrêté royal du 20 décembre 1996, les mots " et rémunérations des dirigeants d'entreprise " sont remplacés par les mots " et rémunérations visées à l'article 30, 2° et 3° ".
Art.29. In artikel 167, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, worden de woorden " de bezoldigingen van bedrijfsleiders " vervangen door de woorden " de in artikel 30, 2° en 3°, bedoelde bezoldigingen ".
Art.29. Dans l'article 167, alinéa 2, du même Code, modifié par l'arrêté royal du 20 décembre 1996, les mots " rémunérations des dirigeants d'entreprise " sont remplacés par les mots " rémunérations visées à l'article 30, 2° et 3° ".
Art.30. Artikel 171, 2°, a , van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 januari 1999, wordt opgeheven.
Art.30. L'article 171, 2°, a , du même Code, inséré par la loi du 25 janvier 1999, est abrogé.
Art.31. In artikel 270, 1°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 december 1996 en bij de wet van 22 december 1998, wordt het woord " bezoldigingen " telkens vervangen door de woorden " in artikel 30, 1° en 2°, bedoelde bezoldigingen ".
Art.31. Dans l'article 270, 1°, du même Code, modifié par l'arrêté royal du 12 décembre 1996 et par la loi du 22 décembre 1998, le mot " rémunérations " est chaque fois remplacé par les mots " rémunérations visées à l'article 30, 1° et 2° ".
Art.32. In artikel 271 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 6 juli 1994 en bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, vervallen de woorden " bezoldigingen van bedrijfsleiders ".
Art.32. Dans l'article 271 du même Code, modifié par la loi du 6 juillet 1994 et par l'arrêté royal du 20 décembre 1996, les mots " aux rémunérations des dirigeants d'entreprise, " sont supprimés.
Art.33. Artikel 289ter , § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 10 augustus 2001, wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Geen belastingkrediet wordt verleend aan de in artikel 33, eerste lid, bedoelde meewerkende echtgenoten wanneer hun bezoldigingen voortkomen uit een activiteitsinkomen dat niet in aanmerking komt voor het belastingkrediet of dat wordt toegekend door een belastingplichtige als bedoeld in het derde lid. ".
Art.33. L'article 289ter , § 1er, du même Code, inséré par la loi du 10 août 2001, est complété par l'alinéa suivant :
  " Aucun crédit d'impôt n'est accordé aux conjoints aidant visés à l'article 33, alinéa 1er, lorsque leurs rémunérations proviennent de revenus d'activités qui ne sont pas pris en considération pour le crédit d'impôt ou lorsqu'elles sont attribuées par un contribuable visé à l'alinéa 3. ".
Art.34. In artikel 10 van de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting worden de woorden " aan de echtgenoot " vervangen door de woorden " aan de niet in artikel 33, eerste lid, bedoelde echtgenoot ".
Art.34. Dans l'article 10 de la loi du 10 août 2001 portant réforme de l'impôt des personnes physiques, les mots " à l'autre conjoint " sont remplacés par les mots " à l'autre conjoint non visé à l'article 33, alinéa 1er ".
Art.35. Artikel 49, B , van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " B. 1° In hetzelfde artikel wordt het bedrag van 78 EUR telkens vervangen door het bedrag van 220 EUR;
  2° § 2 van hetzelfde artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
  " In afwijking van de vorige leden wordt, voor de in artikel 33, eerste lid, bedoelde meewerkende echtgenoten het bedrag van 220 EUR telkens vervangen door het bedrag van 200 EUR. ".
Art.35. L'article 49, B , de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
  " B. 1° Dans le même article, le montant de 78 EUR est chaque fois remplacé par le montant de 220 EUR;
  2° le § 2 du même article est complété par l'alinéa suivant :
  " Par dérogation aux alinéas précédents, le montant de 220 EUR est chaque fois remplacé par le montant de 200 EUR pour les conjoints aidant visés à l'article 33, alinéa 1. ".
Art.36. De artikelen 9 tot 14 treden in werking op 1 januari 2003.
Art.36. Les articles 9 à 14 entrent en vigueur le 1er janvier 2003.
Art.37. § 1. De artikelen 15 tot 35 treden in werking vanaf aanslagjaar 2004, behalve artikel 34 dat in werking treedt met ingang van aanslagjaar 2005.
  § 2. In afwijking van de artikelen 15 tot 35 blijft, voor elk van de aanslagjaren 2004 tot 2006, artikel 86 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van toepassing op de meewerkende echtgenoten :
  - die tijdens het belastbaar tijdperk geen beroepsactiviteit hebben uitgeoefend waardoor zij eigen rechten openen op uitkeringen in een verplichte regeling voor pensioenen, kinderbijslagen en ziekte- en invaliditeitsverzekering die minstens gelijkwaardig zijn aan die van het sociaal statuut van zelfstandigen, noch een uitkering binnen het raam van de sociale zekerheid hebben genoten die voor hen dergelijke eigen rechten opent;
  - en die zich tijdens hetzelfde belastbaar tijdperk niet vrijwillig hebben onderworpen aan het sociaal statuut der zelfstandige overeenkomstig artikel 7bis , § 2, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
  § 3. In afwijking van de artikelen 15 tot 35 blijft artikel 86 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van toepassing op de meewerkende echtgenoten :
  - die geboren zijn voor 1 januari 1956;
  - en die, tijdens het belastbaar tijdperk, geen beroepsactiviteit hebben uitgeoefend, waardoor zij eigen rechten openen op uitkeringen in een verplichte regeling voor pensioenen, kinderbijslagen en ziekte- en invaliditeitsverzekering die minstens gelijkwaardig zijn aan die van het sociaal statuut van zelfstandigen, noch een uitkering binnen het raam van de sociale zekerheid hebben ontvangen die voor hen dergelijke eigen rechten openen;
  - en die zich tijdens hetzelfde belastbaar tijdperk niet vrijwillig hebben onderworpen aan het sociaal statuut der zelfstandige overeenkomstig artikel 7bis , § 3, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
Art.37. § 1er. Les articles 15 à 35 entrent en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 2004, sauf l'article 34, qui entre en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 2005.
  § 2. Par dérogation aux articles 15 à 35, l'article 86 du Code des impôts sur les revenus 1992 reste applicable, pour chacun des exercices d'imposition 2004 à 2006, aux conjoints aidant :
  - qui, pendant la période imposable, n'ont pas exercé d'activité professionnelle leur ouvrant des droits propres à des prestations dans un régime obligatoire de pension, d'allocations familiales et d'assurance contre la maladie et l'invalidité, au moins égales à celles du statut social des travailleurs indépendants, et n'ont pas bénéficié d'une prestation dans le cadre du régime de la sécurité sociale leur ouvrant de tels droits propres;
  - et qui ne se sont pas assujettis volontairement pendant la période imposable au statut social des travailleurs indépendants conformément à l'article 7bis , § 2, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
  § 3. Par dérogation aux articles 15 à 35, l'article 86 du Code des impôts sur les revenus 1992 reste applicable aux conjoints aidant :
  - qui sont nés avant le 1er janvier 1956;
  - et qui, pendant la période imposable, n'ont pas exercé d'activité professionnelle leur ouvrant des droits propres à des prestations dans un régime obligatoire de pension, d'allocations familiales et d'assurance contre la maladie et l'invalidité, au moins égales à celles du statut social des travailleurs indépendants, et n'ont pas bénéficié d'une prestation dans le cadre du régime de la sécurité sociale leur ouvrant de tels droits propres;
  - et qui ne se sont pas assujettis volontairement pendant la période imposable au statut social des travailleurs indépendants conformément à l'article 7bis , § 3, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
Afdeling 3. - Pensioen van zelfstandigen.
Section 3. - Pension des indépendants.
Art.38. In artikel 3 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie wordt een § 3ter ingevoegd, luidende :
  " § 3ter. De vermindering voorzien in § 2 is niet van toepassing indien het pensioen voor het eerst en ten vroegste ingaat op 1 januari 2003 en de betrokkene een beroepsloopbaan bewijst van 45 kalenderjaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend krachtens een of meerdere wettelijke Belgische of buitenlandse pensioenregelingen, in de zin van § 3.
  Voor de toepassing van het eerste lid, worden de kalenderjaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend krachtens een buitenlandse regeling vermoed vervuld te zijn in het kader van de werknemersregeling zoals bedoeld in § 3, tweede lid, 2°.
  Voor de toepassing van het eerste lid worden de jaren gelijktijdig gepresteerd in verschillende stelsels slechts één maal gerekend. "
Art.38. Dans l'article 3 de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne, est inséré un § 3ter , rédigé comme suit :
  " § 3ter. La réduction prévue au paragraphe 2 n'est pas applicable lorsque la pension prend cours pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2003 et que l'intéressé prouve une carrière professionnelle de 45 années civiles susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un ou de plusieurs régimes légaux de pension belges ou étrangers, au sens du § 3.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, les années civiles susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un régime étranger sont présumées être accomplies dans le cadre du régime des travailleurs salariés visé au § 3, alinéa 2, 2°.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, les années prestées simultanément dans différents régimes ne sont prises en considération qu'une seule fois. "
Art.39. Artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie wordt aangevuld met de volgende leden :
  " De vermindering voorzien in het derde lid is niet van toepassing indien het pensioen voor het eerst en ten vroegste ingaat op 1 januari 2003 en ten laatste op 1 december 2005 en de betrokkene een beroepsloopbaan bewijst van 43 kalenderjaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend krachtens een of meerdere wettelijke Belgische of buitenlandse pensioenregelingen, zoals bedoeld in artikel 3, § 3.
  De vermindering voorzien in het derde lid is niet van toepassing indien het pensioen voor het eerst en ten vroegste ingaat op 1 januari 2006 en ten laatste op 1 december 2008 en de betrokkene een beroepsloopbaan bewijst van 44 kalenderjaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend krachtens een of meerdere wettelijke Belgische of buitenlandse pensioenregelingen, zoals bedoeld in artikel 3, § 3.
  Voor de toepassing van het vijfde en het zesde lid, worden de kalenderjaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend krachtens een buitenlandse regeling vermoed vervuld te zijn in het kader van de werknemersregeling bedoeld in artikel 3, § 3, tweede lid, 2°.
  Voor de toepassing van het vijfde en het zesde lid worden de jaren gelijktijdig gepresteerd in verschillende stelsels slechts één maal gerekend. "
Art.39. L'article 16, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne, est complété par les alinéas suivants :
  " La réduction prévue à l'alinéa 3 n'est pas applicable lorsque la pension prend cours pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2003 et au plus tard le 1er décembre 2005 et que l'intéressé prouve une carrière professionnelle de 43 années civiles susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un ou de plusieurs régimes légaux de pension belges ou étrangers, au sens de l'article 3, § 3.
  La réduction prévue à l'alinéa 3 n'est pas applicable lorsque la pension prend cours pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2006 et au plus tard le 1er décembre 2008 et que l'intéressé prouve une carrière professionnelle de 44 années civiles susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un ou de plusieurs régimes légaux de pension belges ou étrangers, au sens de l'article 3, § 3.
  Pour l'application des alinéa 5 et 6, les années civiles susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un régime étranger sont présumées être accomplies dans le cadre du régime des travailleurs salariés visé à l'article 3, § 3, alinéa 2, 2°.
  Pour l'application des alinéas 5 et 6, les années prestées simultanément dans différents régimes ne sont prises en considération qu'une seule fois. "
Art.40. In artikel 131bis van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen wordt een § 1quater ingevoegd, luidende :
  " § 1quater. Met ingang van 1 april 2003 worden de bedragen van 7.302,57 EUR, 5.598,95 EUR, 8.201,78 EUR en 6.151,35 EUR, beoogd in § 1, gebracht op respectievelijk 9.307,77 EUR, 6.981,78 EUR, 9.307,77 EUR en 6.981,78 EUR. ".
Art.40. Dans l'article 131bis de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, il est inséré un § 1erquater , rédigé comme suit :
  " § 1erquater. A partir du 1er avril 2003, les montants de 7.302,57 EUR, 5.598,95 EUR, 8.201,78 EUR et 6.151,35 EUR, visés au § 1er, sont portés respectivement à 9.307,77 EUR, 6.981,78 EUR, 9.307,77 EUR et 6.981,78 EUR. ".
Afdeling 4. - Aanvullende pensioenen zelfstandigen.
Section 4. - Pensions complémentaires des indépendants.
Onderafdeling 1. - Doel, Toepassingsgebied en Definities.
Sous-section 1. - Objectif, champ d'application et définitions.
Art.41. Deze afdeling heeft tot doel de betrekkingen te regelen inzake aanvullende pensioenen, met inbegrip van de eventuele solidariteitsprestaties, tussen de zelfstandige, de meewerkende echtgenoot, de zelfstandige helper, de aangeslotene en zijn rechthebbenden, de pensioeninstelling en, in voorkomend geval, de rechtspersoon belast met de organisatie van het solidariteitsstelsel, de pensioenrechten en -reserves te beschermen die voor de aangeslotenen en hun rechthebbenden worden opgebouwd en de doorzichtigheid voor de aangeslotenen te vergroten.
Art.41. < Objectif de régler en matière de pensions complémentaires, y compris les éventuelles prestations de solidarité, les relations entre le travailleur indépendant, le conjoint aidant, l'aidant indépendant, l'affilié et ses ayants droit, l'organisme de pension et, le cas échéant, la personne morale chargée de l'organisation du régime de solidarité, de protéger les droits et les réserves de pension constitués pour les affiliés et leurs ayants droit et d'augmenter la transparence pour les affiliés.
Art.42. Voor de toepassing van deze afdeling en van haar uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
  1° aanvullend pensioen : het rust- en/of overlevingspensioen bij overlijden van de aangeslotene vóór of na pensionering, of de ermee overeenstemmende kapitaalswaarde, die op basis van de overeenkomstig een pensioenovereenkomst gedane stortingen worden opgebouwd ter aanvulling van een krachtens een wettelijke sociale zekerheidsregeling vastgesteld pensioen;
  2° pensioeninstelling : een onderneming of instelling [[7 bedoeld in de Boeken II en III van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,]7 of in artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening], die wordt belast met de opbouw van het aanvullend pensioen en/of de uitkering van de prestaties; <W 2006-10-27/37, art. 187, 1°, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  3° [zelfstandige :
  - [8 de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 12, § 1 of 1bis, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;]8
  - de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 12, § 2, van hetzelfde besluit, die sociale bijdragen verschuldigd is, die minstens gelijk zijn aan de bijdragen, bedoeld in artikel 12, § 1, van hetzelfde besluit;
  - [8 de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 13bis, § 2, 1° of 1° bis, van hetzelfde besluit;]8
  [1 - de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 13, § 1, van hetzelfde besluit die geen effectieve uitkering van een rust- of overlevingspensioen geniet, vervroegd of niet, krachtens de pensioenregeling voor zelfstandigen of een andere pensioenregeling en die sociale bijdragen verschuldigd is, die minstens gelijk zijn aan de bijdragen bedoeld in artikel 12, § 1, van hetzelfde besluit;]1
  4° meewerkende echtgenoot : de persoon bedoeld in artikel 7bis , § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen [die de [in de artikelen 12, § 1 en 13bis, § 2, 2°], bedoelde bijdragen of de overeenkomstig artikel 12, § 1ter, berekende bijdragen van voormeld koninklijk besluit nr. 38 verschuldigd is]; <W 2003-12-22/42, art. 93, 006 ; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <W 2008-07-24/35, art. 70, 2°, 028; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  5° [8 helper: de verzekeringsplichtige helper die de voor een hoofdberoep voorziene bijdragen verschuldigd is overeenkomstig artikelen 12, § 1 of 1bis, of 13bis, § 2, 1° of 1° bis, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;]8
  6° aangeslotene : de zelfstandige, de meewerkende echtgenoot en de helper die een pensioenovereenkomst hebben aangegaan en de gewezen zelfstandige, meewerkende echtgenoot en helper die nog steeds actuele of uitgestelde rechten genieten overeenkomstig de pensioenovereenkomst;
  7° pensioenovereenkomst : de overeenkomst inzake aanvullend pensioen waarin de rechten en de verplichtingen van de aangeslotene, zijn rechthebbenden en van de pensioeninstelling en de regels inzake de opbouw van het aanvullend pensioen en de uitkering van de prestaties worden bepaald;
  8° verworven reserves : de reserves waarop de aangeslotene op een bepaald ogenblik recht heeft overeenkomstig de pensioenovereenkomst;
  [5 8° /1. verworven prestaties : de prestaties waarop de aangeslotene aanspraak kan maken op de pensioenleeftijd conform de pensioenovereenkomst wanneer hij zijn verworven reserves bij de pensioeninstelling laat zonder verdere bijdragebetaling.]5
  9° solidariteitsstelsel : het stelsel van solidariteitsprestaties dat wordt ingericht ten voordele van de aangeslotenen en/of hun rechthebbenden;
  10° solidariteitsreglement : het reglement waarin de rechten en de verplichtingen van de aangeslotenen en/of hun rechthebbenden en van de rechtspersoon die het solidariteitsstelsel inricht, en de regels inzake de uitvoering van het solidariteitsstelsel worden bepaald;
  11° [de wet van 27 oktober 2006 : de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;] <W 2006-10-27/37, art. 187, 2°, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  12° [" de wetgeving inzake het prudentieel toezicht " : [7 de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen]7 en de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, en hun uitvoeringsbesluiten;] <W 2006-10-27/37, art. 187, 3°, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [13° " de [3 FSMA]3 " : de [3 Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten]3, ingesteld door artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 25 maart 2003.] <W 2006-10-27/37, art. 187, 4°, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [2 14° [6 pensionering: de effectieve ingang van het rustpensioen met betrekking tot de beroepsactiviteit die aanleiding gaf tot de opbouw van de prestaties.]6]2
  [4 15° pensioenleeftijd : de pensioenleeftijd die in de pensioenovereenkomst wordt vermeld;]4
  [6 16° wettelijke pensioenleeftijd: de pensioenleeftijd volgens artikel 3 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie;]6
  [9 17° rentegenieter: een persoon die periodieke prestaties ontvangt die onder het toepassingsgebied van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten vallen;
   18° duurzame drager: een hulpmiddel dat een aangeslotene of rentegenieter in staat stelt om persoonlijk aan hem of haar meegedeelde of ter beschikking gestelde informatie op zodanige wijze op te slaan dat deze gedurende een voor het doel van de informatie toereikende periode kan worden geraadpleegd en waarmee de opgeslagen informatie ongewijzigd kan worden gereproduceerd;
   19° Sigedis: de vzw Sigedis, opgericht overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 12 juni 2006 tot uitvoering van Titel III, Hoofdstuk II, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact.]9

  
Art.42. Pour l'application de la présente section et de ses arrêtés d'exécution, il faut entendre par :
  1° pension complémentaire : la pension de retraite et/ou de survie en cas de décès de l'affilié avant ou après la retraite, ou la valeur en capital qui y correspond, qui sont constituées sur la base de versements effectués conformément à une convention de pension en complément d'une pension fixée en vertu d'un régime légal de sécurité sociale;
  2° organisme de pension : une entreprise ou un organisme [[7 visés aux Livres II et III de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance et de réassurance,]7 ou à l'article 2, 1°, de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle], chargé de la constitution de la pension complémentaire et/ou le paiement des prestations; <L 2006-10-27/37, art. 187, 1°, 022; En vigueur : 01-01-2007>
  3° [travailleur indépendant :
  - [8 le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 12, § 1er ou 1erbis, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;]8
  - le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 12, § 2, du même arrêté qui est redevable de cotisations sociales au moins égales à celles visées à l'article 12, § 1er, du même arrêté;
  - [8 le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 13bis, § 2, 1° ou 1° bis, du même arrêté;]8
  [1 - le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 13, § 1er, du même arrêté, qui ne bénéficie pas du paiement effectif d'une pension de retraite ou de survie, anticipée ou non, en vertu du régime de pension des travailleurs indépendants ou d'un autre régime de pension, et qui est redevable de cotisations sociales au moins égales à celles visées à l'article 12, § 1er, du même arrêté;]1
  4° conjoint aidant : la personne visée à l'article 7bis , § 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants [, redevable des cotisations visées (aux articles 12, § 1er et 13bis, § 2, 2°], ou calculées conformément à l'article 12, § 1erter, de l'arrêté royal n° 38 précité); <L 2003-12-22/42, art. 93, 006 ; En vigueur : 01-01-2004> <L 2008-07-24/35, art. 70, 2°, 028; En vigueur : 01-01-2008>
  5° [8 aidant: l'aidant assujetti qui est redevable, conformément aux articles 12, § 1er ou 1erbis, ou 13bis, § 2, 1° ou 1° bis, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, des cotisations dues pour une profession principale;]8
  6° affilié : le travailleur indépendant, le conjoint aidant et l'aidant qui ont souscrit une convention de pension et les anciens travailleur indépendant, conjoint aidant et aidant qui continuent à bénéficier de droits actuels ou différés conformément à la convention de pension;
  7° convention de pension : la convention en matière de pension complémentaire où sont stipulés les droits et obligations de l'affilié, de ses ayants droit et de l'organisme de pension ainsi que les règles relatives à la constitution de la pension complémentaire et le paiement des prestations;
  8° réserves acquises : les réserves auxquelles l'affilié a droit, à un moment déterminé, conformément à la convention de pension;
  [5 8° /1. prestations acquises : les prestations auxquelles l'affilié peut prétendre à l'âge de retraite conformément à la convention de pension s'il laisse ses réserves acquises auprès de l'organisme de pension sans versement ultérieur de cotisations;]5
  9° régime de solidarité : le régime de prestations de solidarité instauré en faveur des affiliés et/ou leurs ayants droit;
  10° règlement de solidarité : le règlement où sont stipulés les droits et obligations des affiliés et/ou de leurs ayants droit et de la personne morale organisant le régime de solidarité, ainsi que les règles relatives à l'exécution du régime de solidarité;
  11° [loi du 27 octobre 2006 : la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle;] <L 2006-10-27/37, art. 187, 2°, 022; En vigueur : 01-01-2007>
  12° [" la législation de contrôle prudential " : [7 la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance]7 et la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle, ainsi que leurs arrêtés d'exécution;] <L 2006-10-27/37, art. 187, 3°, 022; En vigueur : 01-01-2007>
  [13° " la [3 FSMA]3 " : [3 l'Autorité des services et marchés financiers]3, instituée par l'article 44 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers.] <L 2006-10-27/37, art. 187, 4°, 022; En vigueur : 01-01-2007>
  [2 14° [6 mise à la retraite: la prise de cours effective de la pension de retraite relative à l'activité professionnelle qui a donné lieu à la constitution des prestations;]6]2
  [4 15° âge de retraite : l'âge de la retraite qui est mentionné dans la convention de pension;]4
  [6 16° âge légal de la pension: l'âge de la pension en vertu de l'article 3 de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4° de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne;]6
  [9 17° rentier: toute personne qui reçoit des prestations périodiques tombant dans le champ d'application de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution;
   18° support durable: un instrument permettant à un affilié ou à un rentier de stocker des informations qui lui sont communiquées ou sont mises à sa disposition, personnellement, d'une manière permettant de s'y reporter à l'avenir et pendant un laps de temps adapté aux fins auxquelles les informations sont destinées et qui permet la reproduction à l'identique des informations stockées;
   19° Sigedis: l'ASBL Sigedis, créée conformément à l'article 12 de l'arrêté royal du 12 juin 2006 portant exécution du Titre III, Chapitre II, de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations.]9

  
Art.42 TOEKOMSTIG RECHT.    Voor de toepassing van deze afdeling en van haar uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
  1° aanvullend pensioen : het rust- en/of overlevingspensioen bij overlijden van de aangeslotene vóór of na pensionering, of de ermee overeenstemmende kapitaalswaarde, die op basis van de overeenkomstig een pensioenovereenkomst gedane stortingen worden opgebouwd ter aanvulling van een krachtens een wettelijke sociale zekerheidsregeling vastgesteld pensioen;
  2° pensioeninstelling : een onderneming of instelling [[7 bedoeld in de Boeken II en III van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen,]7 of in artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening], die wordt belast met de opbouw van het aanvullend pensioen en/of de uitkering van de prestaties; <W 2006-10-27/37, art. 187, 1°, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  3° [[10 zelfstandige:
   a) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 12, § 1 of 1bis, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
   b) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 12, § 2, van hetzelfde besluit, die sociale bijdragen verschuldigd is, die gebaseerd zijn op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit;
   c) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 12bis, § 2, van hetzelfde besluit;
   d) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 13, § 2, eerste en tweede lid of eerste en vijfde lid van hetzelfde besluit;
   e) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 13, § 3 of § 4, eerste lid, van hetzelfde besluit die sociale bijdragen verschuldigd is, die gebaseerd zijn op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in, naargelang het geval, artikel 12, §§ 1, tweede lid of 1bis, eerste lid, van hetzelfde besluit;
   f) de verzekeringsplichtige zelfstandige bedoeld in artikel 13bis, § 2, 1°, 2°, 7° of 9°, van hetzelfde besluit;]10

  4° [10 meewerkende echtgenoot: de persoon bedoeld in artikel 7bis, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen die:
   a) de in artikel 12, §§ 1 en 1ter, van hetzelfde besluit bedoelde bijdragen verschuldigd is;
   b) de in artikel 13, § 2, eerste en derde lid, van hetzelfde besluit bedoelde bijdragen verschuldigd is:
   c) de in artikel 13, § 3 of § 4, eerste lid, van hetzelfde besluit bedoelde bijdragen verschuldigd is, die gebaseerd zijn op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1ter, eerste lid, van hetzelfde besluit;
   d) de in artikel 13bis, § 2, 3° of 8°, van hetzelfde besluit bedoelde bijdragen verschuldigd is;]10

  5° [8 [10 helper: de verzekeringsplichtige helper die bijdragen verschuldigd is zoals de zelfstandige bepaald onder 3° ;]10]8
  6° aangeslotene : de zelfstandige, de meewerkende echtgenoot en de helper die een pensioenovereenkomst hebben aangegaan en de gewezen zelfstandige, meewerkende echtgenoot en helper die nog steeds actuele of uitgestelde rechten genieten overeenkomstig de pensioenovereenkomst;
  7° pensioenovereenkomst : de overeenkomst inzake aanvullend pensioen waarin de rechten en de verplichtingen van de aangeslotene, zijn rechthebbenden en van de pensioeninstelling en de regels inzake de opbouw van het aanvullend pensioen en de uitkering van de prestaties worden bepaald;
  8° verworven reserves : de reserves waarop de aangeslotene op een bepaald ogenblik recht heeft overeenkomstig de pensioenovereenkomst;
  [5 8° /1. verworven prestaties : de prestaties waarop de aangeslotene aanspraak kan maken op de pensioenleeftijd conform de pensioenovereenkomst wanneer hij zijn verworven reserves bij de pensioeninstelling laat zonder verdere bijdragebetaling.]5
  9° solidariteitsstelsel : het stelsel van solidariteitsprestaties dat wordt ingericht ten voordele van de aangeslotenen en/of hun rechthebbenden;
  10° solidariteitsreglement : het reglement waarin de rechten en de verplichtingen van de aangeslotenen en/of hun rechthebbenden en van de rechtspersoon die het solidariteitsstelsel inricht, en de regels inzake de uitvoering van het solidariteitsstelsel worden bepaald;
  11° [de wet van 27 oktober 2006 : de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;] <W 2006-10-27/37, art. 187, 2°, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  12° [" de wetgeving inzake het prudentieel toezicht " : [7 de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen]7 en de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, en hun uitvoeringsbesluiten;] <W 2006-10-27/37, art. 187, 3°, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [13° " de [3 FSMA]3 " : de [3 Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten]3, ingesteld door artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 25 maart 2003.] <W 2006-10-27/37, art. 187, 4°, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [2 14° [6 pensionering: de effectieve ingang van het rustpensioen met betrekking tot de beroepsactiviteit die aanleiding gaf tot de opbouw van de prestaties.]6]2
  [4 15° pensioenleeftijd : de pensioenleeftijd die in de pensioenovereenkomst wordt vermeld;]4
  [6 16° wettelijke pensioenleeftijd: de pensioenleeftijd volgens artikel 3 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie;]6
  [9 17° rentegenieter: een persoon die periodieke prestaties ontvangt die onder het toepassingsgebied van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten vallen;
   18° duurzame drager: een hulpmiddel dat een aangeslotene of rentegenieter in staat stelt om persoonlijk aan hem of haar meegedeelde of ter beschikking gestelde informatie op zodanige wijze op te slaan dat deze gedurende een voor het doel van de informatie toereikende periode kan worden geraadpleegd en waarmee de opgeslagen informatie ongewijzigd kan worden gereproduceerd;
   19° Sigedis: de vzw Sigedis, opgericht overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 12 juni 2006 tot uitvoering van Titel III, Hoofdstuk II, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact.]9
Art.42 DROIT FUTUR.    Pour l'application de la présente section et de ses arrêtés d'exécution, il faut entendre par :
  1° pension complémentaire : la pension de retraite et/ou de survie en cas de décès de l'affilié avant ou après la retraite, ou la valeur en capital qui y correspond, qui sont constituées sur la base de versements effectués conformément à une convention de pension en complément d'une pension fixée en vertu d'un régime légal de sécurité sociale;
  2° organisme de pension : une entreprise ou un organisme [[7 visés aux Livres II et III de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance et de réassurance,]7 ou à l'article 2, 1°, de la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle], chargé de la constitution de la pension complémentaire et/ou le paiement des prestations; <L 2006-10-27/37, art. 187, 1°, 022; En vigueur : 01-01-2007>
  3° [[10 travailleur indépendant:
   a) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 12, § 1er ou 1erbis, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
   b) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 12, § 2, du même arrêté qui est redevable de cotisations sociales qui sont basées sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, du même arrêté;
   c) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 12bis, § 2, du même arrêté;
   d) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 13, § 2, alinéa 1er et 2 ou alinéa 1er et 5, du même arrêté;
   e) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 13, § 3 ou § 4, alinéa 1er, du même arrêté qui est redevable de cotisations sociales qui sont basées sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé, selon le cas, à l'article 12, §§ 1er, alinéa 2 ou 1erbis, alinéa 1er, du même arrêté;
   f) le travailleur indépendant assujetti visé à l'article 13bis, § 2, 1°, 2°, 7° ou 9°, du même arrêté;]10

  4° [10 conjoint aidant: la personne visée à l'article 7bis, § 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, qui est redevable des cotisations:
   a) visées à l'article 12, §§ 1er et 1erter, du même arrêté;
   b) visées à l'article 13 § 2, alinéas 1er et 3, du même arrêté;
   c) visées à l'article 13, § 3 ou § 4, alinéa 1er, du même arrêté, qui sont basées sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé à l'article 12, § 1erter, alinéa 1er, du même arrêté;
   d) visées à l'article 13bis, § 2, 3° ou 8°, du même arrêté;]10

  5° [8 [10 aidant: l'aidant assujetti qui est redevable des cotisations prévues pour le travailleur indépendant visé sous 3° ;]10]8
  6° affilié : le travailleur indépendant, le conjoint aidant et l'aidant qui ont souscrit une convention de pension et les anciens travailleur indépendant, conjoint aidant et aidant qui continuent à bénéficier de droits actuels ou différés conformément à la convention de pension;
  7° convention de pension : la convention en matière de pension complémentaire où sont stipulés les droits et obligations de l'affilié, de ses ayants droit et de l'organisme de pension ainsi que les règles relatives à la constitution de la pension complémentaire et le paiement des prestations;
  8° réserves acquises : les réserves auxquelles l'affilié a droit, à un moment déterminé, conformément à la convention de pension;
  [5 8° /1. prestations acquises : les prestations auxquelles l'affilié peut prétendre à l'âge de retraite conformément à la convention de pension s'il laisse ses réserves acquises auprès de l'organisme de pension sans versement ultérieur de cotisations;]5
  9° régime de solidarité : le régime de prestations de solidarité instauré en faveur des affiliés et/ou leurs ayants droit;
  10° règlement de solidarité : le règlement où sont stipulés les droits et obligations des affiliés et/ou de leurs ayants droit et de la personne morale organisant le régime de solidarité, ainsi que les règles relatives à l'exécution du régime de solidarité;
  11° [loi du 27 octobre 2006 : la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle;] <L 2006-10-27/37, art. 187, 2°, 022; En vigueur : 01-01-2007>
  12° [" la législation de contrôle prudential " : [7 la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance]7 et la loi du 27 octobre 2006 relative au contrôle des institutions de retraite professionnelle, ainsi que leurs arrêtés d'exécution;] <L 2006-10-27/37, art. 187, 3°, 022; En vigueur : 01-01-2007>
  [13° " la [3 FSMA]3 " : [3 l'Autorité des services et marchés financiers]3, instituée par l'article 44 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers.] <L 2006-10-27/37, art. 187, 4°, 022; En vigueur : 01-01-2007>
  [2 14° [6 mise à la retraite: la prise de cours effective de la pension de retraite relative à l'activité professionnelle qui a donné lieu à la constitution des prestations;]6]2
  [4 15° âge de retraite : l'âge de la retraite qui est mentionné dans la convention de pension;]4
  [6 16° âge légal de la pension: l'âge de la pension en vertu de l'article 3 de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4° de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne;]6
  [9 17° rentier: toute personne qui reçoit des prestations périodiques tombant dans le champ d'application de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution;
   18° support durable: un instrument permettant à un affilié ou à un rentier de stocker des informations qui lui sont communiquées ou sont mises à sa disposition, personnellement, d'une manière permettant de s'y reporter à l'avenir et pendant un laps de temps adapté aux fins auxquelles les informations sont destinées et qui permet la reproduction à l'identique des informations stockées;
   19° Sigedis: l'ASBL Sigedis, créée conformément à l'article 12 de l'arrêté royal du 12 juin 2006 portant exécution du Titre III, Chapitre II, de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations.]9
Art.43. Deze afdeling is van toepassing op de aangeslotenen en hun rechthebbenden, de pensioeninstellingen die worden belast met de opbouw van het aanvullend pensioen en/of de uitkering van de prestaties, de rechtspersonen belast met de organisatie van een solidariteitsstelsel, alsook op de commissarissen en de actuarissen, die bij voormelde instellingen en rechtspersonen zijn aangeduid.
Art.43. La présente section est applicable aux affiliés et à leurs ayants droit, aux organismes de pension chargés de la constitution de la pension complémentaire et/ou du paiement des prestations, aux personnes morales chargée de l'organisation d'un régime de solidarité, ainsi qu'aux commissaires et actuaires désignés auprès des organismes et des personnes morales précités.
Onderafdeling 2. - De pensioenovereenkomst.
Sous-section 2. - La convention de pension.
Art.44. § 1. Met het oog op de opbouw van een aanvullend pensioen kan een zelfstandige, meewerkende echtgenoot of zelfstandige helper een pensioenovereenkomst sluiten bij een pensioeninstelling.
  [1 Onverminderd de vermeldingen die er krachtens andere wettelijke of regelgevende bepalingen in moeten opgenomen worden, moet het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst de pensioenleeftijd vastleggen.]1
  [3 Voor de pensioenovereenkomsten afgesloten vanaf de datum van inwerkingtreding van dit lid, kan de door de pensioenovereenkomst voorziene pensioenleeftijd niet lager zijn dan de op het ogenblik van de afsluiting in voege zijnde wettelijke pensioenleeftijd.]3
  De tekst van de pensioenovereenkomst wordt aan de aangeslotene verstrekt.
  § 2. [2 De bijdrage die de aangeslotene stort voor de opbouw van het aanvullend pensioen wordt uitgedrukt in een percentage van de beroepsinkomsten bepaald bij [4 artikel 11, § 2, eerste, derde, vijfde, zesde, zevende en achtste lid]4, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
   § 2/1. De beroepsinkomsten, bedoeld in § 2, zijn deze die betrekking hebben op het aanslagjaar waarvan het jaartal verwijst naar het tweede kalenderjaar dat onmiddellijk datgene voorafgaat waarvoor de bijdragen ver-schuldigd zijn.
   § 2/2. [5 De beroepsinkomsten, bedoeld in §§ 2 en 2/1 worden vermenigvuldigd met de breuk, die in het begin van elk kalenderjaar door de Koning wordt vastgesteld, in uitvoering van artikel 11, § 3, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.]5
   § 2/3. Op de gezamenlijke voordracht van de minister van Financiën, van de [6 de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft]6 en van de minister van Pensioenen bepaalt de Koning het minimumbedrag van de bijdrage en de maximumbijdragevoet.
   De maximumbijdragevoet mag evenwel 8,17 % niet overschrijden van de beroepsinkomsten vastgesteld bin-nen de grenzen van een drempel en een plafond bepaald door de Koning, op de gezamenlijke voordracht van de minister van Financiën, van [6 de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft]6 en van de minister van Pensioenen.
   § 2/4. De Koning bepaalt hoe de bijdragen worden berekend bij aanvang of hervatting van beroepsactiviteit. Met dit doel bepaalt hij nader wat, in de zin van deze paragraaf, dient verstaan onder aanvang of hervatting van beroepsactiviteit.
   § 2/5. a) In het geval dat de beroepsinkomsten lager zijn dan twee derden van het bedrag bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 en zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van § 2/3, kan de zelfstandige en de helper een bijdrage storten die gelijk is aan 8,17 % van hun beroepsinkomsten.
   b) De meewerkende echtgenoot kan, onder dezelfde voorwaarden, een bijdrage storten die gelijk is aan 8,17 % van zijn beroepsinkomsten indien zijn inkomen van het (referte)jaar, bedoeld in § 2/1, lager is dan twee derden van de helft van het bedrag bedoeld in a).]2

  § 3. Het aandeel van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering in de sociale voordelen toegekend in het kader van de nationale akkoorden en overeenkomsten bedoeld in de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 valt buiten de begrenzing bepaald in § 2.
  § 4. De (FSMA) maakt om de twee jaar een verslag (over de materies bedoeld in deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten en, onder andere) over de kostenstructuur, de wijze van winstdeling en de toepassing van een afkoopvergoeding. <W 2006-10-27/37, art. 188, 022; Inwerkingtreding : 01-11-2006>
  
Art.44. § 1er. En vue de la constitution d'une pension complémentaire, le travailleur indépendant, le conjoint aidant ou l'aidant indépendant peuvent souscrire une convention de pension auprès d'un organisme de pension.
  [1 Sans préjudice des mentions qui doivent y figurer en vertu d'autres dispositions légales ou réglementaires, la convention de pension doit préciser l'âge de retraite.]1
  [3 Pour les conventions de pension souscrites à partir de la date d'entrée en vigueur du présent alinéa, l'âge de retraite prévu par la convention de pension ne peut être inférieur à l'âge légal de la pension en vigueur au moment de la souscription.]3
  Le texte de la convention de pension est communiqué à l'affilié.
  § 2. [2 La cotisation versée par l'affilié en vue de la constitution de la pension complémentaire est exprimée en un pourcentage des revenus professionnels définis [4 à l'article 11, § 2, alinéas 1er, 3, 5, 6 7 et 8]4, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.
   § 2/1. Les revenus professionnels visés au § 2 sont ceux qui se rapportent à l'exercice d'imposition dont l'année renvoie à la deuxième année civile précédant immédiatement celle pour laquelle les cotisations sont dues.
   § 2/2. [5 Les revenus professionnels visés aux §§ 2 et 2/1 sont multipliés par une fraction, qui est fixée par le Roi au début de chaque année civile, en exécution de l'article 11, § 3, alinéa 3, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.]5
   § 2/3. Le Roi détermine, sur la proposition conjointe du ministre des Finances, [6 du ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions]6 et du ministre des Pensions, le montant minimum et le taux maximum de la cotisation.
   Le taux maximum de cotisation ne peut toutefois dépasser 8,17 % des revenus professionnels fixés dans les limites d'un seuil et d'un plafond déterminés par le Roi, sur la proposition conjointe du ministre des Finances, [6 du ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions]6 et du ministre des Pensions.
   § 2/4. Le Roi détermine comment sont calculées les cotisations en cas de début ou de reprise d'activité professionnelle. Il précise à cet effet ce qu'il y a lieu d'entendre par début ou reprise d'activité professionnelle au sens du présent paragraphe.
   § 2/5. a) Au cas où les revenus professionnels sont inférieurs aux deux tiers du montant visé par l'article 12, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 et sans préjudice des dispositions du § 2/3, le travailleur indépendant et l'aidant peuvent verser une cotisation égale à 8,17 % de leurs revenus professionnels.
   b) Le conjoint aidant peut, dans les mêmes conditions, verser une cotisation égale à 8,17 % de ses revenus professionnels si son revenu de l'année (de référence), visé au § 2/1, est inférieur aux deux tiers de la moitié du montant visé au a).]2

  § 3. La participation de l'Institut national d'Assurance Maladie-Invalidité dans les avantages sociaux accordés dans le cadre des accords et conventions nationaux visés dans la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, se situe en dehors des limites prévues au § 2.
  § 4. La (FSMA) établit tous les deux ans un rapport (relatif aux matières visées par la présente section et ses arrêtés d'exécution et notamment) sur la structure des frais, le mode de répartition bénéficiaire, et l'application d'une indemnité de rachat. <L 2006-10-27/37, art. 188, 022; En vigueur : 10-11-2006>
  
Art.45. [1 De bijdragen bedoeld door deze wet hebben, inzake de belastingen op de inkomsten, het karakter van bijdragen verschuldigd in uitvoering van de sociale wetgeving, voor zover de aangeslotene tijdens het betreffende jaar effectief en volledig de bijdragen, verschuldigd krachtens het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, heeft betaald die opeisbaar zijn geworden tijdens dat jaar. ]1
  
Art.45. [1 Les cotisations visées par la présente loi ont, en matière d'impôts sur les revenus, le caractère de cotisations dues en exécution de la législation sociale, pour autant que l'affilié ait, pendant l'année concernée, effectivement et entièrement payé les cotisations dues en vertu de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 qui sont devenues exigibles au cours de cette année.]1
  
Art.46. § 1. De maximumbijdragevoet bedoeld in [1 artikel 44, § 2/3]1 wordt verhoogd met 15 % voor de pensioenovereenkomsten die aan de volgende voorwaarde voldoen :
  - aan de pensioenovereenkomst is een solidariteitsstelsel verbonden, zoals bedoeld (in onderafdeling 6), waarvan de prestaties worden gefinancierd door een solidariteitsbijdrage van ten minste 10 %, geheven op de door de aangeslotene betaalde bijdrage in het kader van artikel 44, § 2; <W 2006-10-27/37, art. 189, 1°, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 2. De sociale pensioenovereenkomst vermeldt uitdrukkelijk dat zij werd gesloten in toepassing van dit artikel.
  § 3. De (FSMA) maakt om de twee jaar een verslag (over de materies bedoeld in deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten en, onder andere) over de kostenstructuur, de wijze van winstdeling en de toepassing van een afkoopvergoeding. <W 2006-10-27/37, art. 189, 2°, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  
Art.46. § 1er. Le taux maximum de cotisation visé à [1 l'article 44, § 2/3]1, est majoré de 15 % pour les conventions de pension qui répondent à la condition suivante :
  - un régime de solidarité tel que visé (à la sous-section 6), dont les prestations sont financées par une cotisation de solidarité d'au moins 10 %, prélevée sur la cotisation payée par l'affilié dans le cadre de l'article 44, § 2 est lié à la convention de pension; <L 2006-10-27/37, art. 189, 1°, 022; En vigueur : 01-01-2004>
  § 2. La convention sociale de pension mentionne expressément qu'elle a été conclue en application du présent article.
  § 3. La (FSMA) établit tous les deux ans un rapport (relatif aux matières visées par la présente section et ses arrêtés d'exécution et notamment) sur la structure des frais, le mode de répartition bénéficiaire, et l'application d'une indemnité de rachat. <L 2006-10-27/37, art. 189, 2°, 022; En vigueur : 01-01-2004>
  
Onderafdeling 3. - Verworven reserves, verworven prestaties en waarborgen.
Sous-section 3. - Réserves acquises, prestations acquises et garanties.
Art.47. De aangeslotene behoudt steeds het recht op de overeenkomstig de pensioenovereenkomst verworven reserves [2 en verworven prestaties]2.
  [3 Bij pensionering of wanneer de prestaties verschuldigd zijn overeenkomstig artikel 49, § 1, vijfde lid of artikel 65/1, worden de prestaties voor zover nodig, aangevuld tot het gedeelte van de gestorte bijdragen dat niet werd gebruikt voor de dekking van het overlijdensrisico vóór de datum waarop de prestaties verschuldigd zijn en, in voorkomend geval, voor de financiering van de solidariteitsprestaties.]3
  [3 De bepaling van het tweede lid is niet van toepassing op de prestaties verschuldigd binnen de vijf jaar volgend op het sluiten van de pensioenovereenkomst.]3
  
Art.47. L'affilie garde toujours le droit aux réserves acquises [2 et aux prestations acquises]2 conformément à la convention de pension.
  [3 A la mise à la retraite ou à la date où les prestations sont dues conformément à l'article 49, § 1er, alinéa 5 ou à l'article 65/1, les prestations sont, au besoin, complétées à concurrence de la partie des contributions versées, qui n'a pas été consommée pour la couverture du risque décès avant la date où les prestations sont dues et, le cas échéant, pour le financement des prestations de solidarité.]3
  [3 La disposition de l'alinéa 2 n'est pas d'application aux prestations dues dans les cinq ans suivant la conclusion de la convention de pension.]3
  
Art.48. [1 § 1. De pensioeninstelling deelt ieder jaar aan de aangeslotenen die het voorgaande jaar een bijdrage hebben betaald, een pensioenfiche mee waarop wordt vermeld :
   1° in een eerste deel uitsluitend de volgende gegevens :
   1. Het bedrag van de verworven reserves op 1 januari van het betrokken jaar.
   Het bedrag van de waarborg bedoeld in artikel 47, tweede lid, wordt eveneens vermeld als het bedrag van de verworven reserves lager ligt dan het bedrag van de waarborg.
   2. Als de verworven prestaties berekenbaar zijn, het bedrag ervan op 1 januari van het betrokken jaar, alsook de datum waarop ze opeisbaar zijn.
   3. Het bedrag van de prestatie op de pensioenleeftijd op 1 januari van het betrokken jaar, berekend op basis van de veronderstelling dat de aangeslotene bijdragen betaalt tot aan de pensioenleeftijd en deze bijdragen gelijk zijn aan die betaald in het vorige jaar.
   Er wordt bepaald dat het gaat om een raming die geen kennisgeving van een recht op een aanvullend pensioen inhoudt.
   4. Het bedrag van de prestatie bij overlijden vóór de pensioenleeftijd op 1 januari van het betrokken jaar, rekening houdende met de pensioenovereenkomst.
   2° in een tweede deel, minstens de volgende gegevens :
   1. het actuele financieringsniveau van de verworven reserves en van de waarborg bedoeld in artikel 47, tweede lid, op 1 januari van het betrokken jaar;
   2. de in 1°, eerste punt, bedoelde bedragen die betrekking hebben op het voorgaande jaar;
   3. de variabele elementen waarmee bij de berekening van de in 1°, punten 1 en 2, bedoelde bedragen rekening wordt gehouden;
   4. het bedrag van de bijdragen die in de loop van het voorbije jaar gestort zijn, opgesplitst per voordeel;
   5. in voorkomend geval, de informatie betreffende de winstdeelname die de Koning bepaalt;
   6. in voorkomend geval, het bedrag van de toeslagen die in het voorbije boekjaar ten laste van de aangeslotene werden gelegd;
   7. in voorkomend geval, de rentevoet die in de loop van het voorbije boekjaar gewaarborgd werd.
   Ter gelegenheid van de in deze paragraaf bedoelde informatieverstrekking brengt de pensioeninstelling de aangeslotene ervan op de hoogte dat hij de gegevens betreffende zijn aanvullend(e) pensioen(en) kan raadplegen in de gegevensbank betreffende de aanvullende pensioenen opgericht door artikel 306 van de programmawet (I) van 27 december 2006.
   De informatieverstrekking kan onder de volgende voorwaarden op elektronische wijze gebeuren :
   - de op elektronische wijze consulteerbare pensioenfiche moet kunnen worden afdrukt;
   - de op elektronische wijze consulteerbare pensioenfiche moet door de pensioeninstelling op een [4 duurzame gegevensdrager]4 worden bewaard.
   Als de pensioenfiche elektronisch wordt bezorgd, dan behoudt de aangeslotene het recht de vraag te stellen om de pensioenfiche voortaan op papier te ontvangen.
  [5 § 1/3. De Koning kan de voorschriften, hypothesen en methodologie bepalen voor de voorstellingswijze(n) en de berekening van de gegevens vermeld in § 1/2.]5
   § 2. De pensioeninstelling deelt op eenvoudig verzoek aan de aangeslotene een historisch overzicht van de verworven reserves mee. Daarbij wordt, in voorkomend geval, het bedrag van de waarborg bedoeld in artikel 47, tweede lid, vermeld. Dit overzicht kan worden beperkt tot de periode van aansluiting bij de pensioeninstelling en tot de periode na de inwerkingtreding van deze wet.
   § 3. [2 Bij pensionering of wanneer er andere prestaties verschuldigd zijn, licht de pensioeninstelling de begunstigde of zijn rechthebbenden in over de prestaties die verschuldigd zijn en over de mogelijke uitbetalingswijzen, met inbegrip van het recht op omzetting in een rente voorzien in artikel 50, § 1, eerste lid en over de noodzakelijke gegevens voor de uitbetaling.]2
   § 4. [6 ...]6
   § 5. De pensioeninstelling deelt aan de VZW SiGeDiS, opgericht overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 12 juni 2006 tot uitvoering van Titel III, Hoofdstuk II, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, de gegevens mee die noodzakelijk zijn voor de in artikel 306, § 2, 5°, van de programmawet (I) van 27 december 2006 bedoelde informatieverstrekking.]1

  
Art.48. [1 § 1er. L'organisme de pension communique chaque année, aux affiliés qui ont payé une cotisation l'année précédente, une fiche de pension qui contient :
   1° dans une première partie, uniquement les données suivantes :
   1. Le montant des réserves acquises au 1er janvier de l'année concernée.
   Est également indiqué le montant garanti en vertu de l'article 47, alinéa 2, si le montant des réserves acquises est inférieur à ce montant.
   2. Si les prestations acquises sont calculables, le montant de celles-ci au 1er janvier de l'année concernée ainsi que la date de leur exigibilité.
   3. Le montant au 1er janvier de l'année concernée de la prestation à l'âge de retraite calculée en supposant que l'affilié verse jusqu'à l'âge de retraite des cotisations égales à celles versées au cours de l'année précédente.
   Il est précisé qu'il s'agit d'une estimation qui ne vaut pas notification d'un droit à une pension complémentaire.
   4. Le montant au 1er janvier de l'année concernée de la prestation en cas décès avant l'âge de retraite à prendre en compte en vertu de la convention de pension.
   2° dans une seconde partie, au moins les données suivantes :
   1. le niveau actuel de financement au 1er janvier de l'année concernée des réserves acquises et de la garantie visée à l'article 47, alinéa 2;
   2. les montants visés au 1°, point 1, relatifs à l'année précédente;
   3. les éléments variables qui sont pris en compte pour le calcul des montants visés au 1°, points 1 et 2;
   4. le montant des contributions versées au cours de l'année précédente, scindé par avantage;
   5. le cas échéant, les informations relatives à la participation bénéficiaire que le Roi détermine;
   6. le cas échéant, le montant des suppléments mis à charge de l'affilié au cours de l'exercice comptable précédent;
   7. le cas échéant, le taux d'intérêt garanti au cours de l'exercice comptable précédent.
   Lors de la communication visée par le présent paragraphe, l'organisme de pension informe l'affilié qu'il peut consulter des données relatives à sa/ses pension(s) complémentaire(s) au sein de la banque de données relatives aux pensions complémentaires créée par l'article 306 de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006.
   La communication peut être réalisée par voie électronique aux conditions suivantes :
   - La fiche de pension consultable par voie électronique doit pouvoir être imprimée en version papier;
   - La fiche de pension consultable par voie électronique doit être conservée par l'organisme de pension sur un support durable.
   En cas de communication par voie électronique, l'affilié visé au présent paragraphe conserve le droit de demander la communication de celle-ci en version papier.
  [4 § 1er/3. Le Roi peut déterminer les règles, les hypothèses et la méthodologie à suivre pour le(s) mode(s) de présentation et le calcul des données visées au § 1er/2.]4
   § 2. L'organisme de pension communique à l'affilié, sur simple demande, un aperçu historique du montant des réserves acquises en mentionnant, le cas échéant, le montant correspondant à la garantie visée à l'article 47, alinéa 2. Cet aperçu peut être limité à la période d'affiliation auprès de l'organisme de pension et à la période qui suit l'entrée en vigueur de la présente loi.
   § 3. [2 Lors de la mise à la retraite ou lorsque d'autres prestations sont dues, l'organisme de pension informe le bénéficiaire ou ses ayants droit sur les prestations qui sont dues, sur les possibles options de paiement, en ce compris sur le droit de transformer en rente prévu à l'article 50, § 1er, alinéa 1er et sur les données nécessaires au paiement.]2
   § 4. [5 ...]5
   § 5. L'organisme de pension communique à l'ASBL SiGeDiS créée suivant l'article 12 de l'arrêté royal du 12 juin 2006 portant exécution du Titre III, Chapitre II, de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, les données nécessaires à l'information visée à l'article 306, § 2, 5,° de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006.]1

  
Art. 48 TOEKOMSTIG RECHT.    [1 § 1. [7 Sigedis stelt voor elke in de databank aanvullende pensioenen gekende aangeslotene jaarlijks een beknopt document op dat de titel "pensioenoverzicht" draagt en waarin de in paragraaf 1/2 bepaalde gegevens zijn opgenomen. Een pensioenoverzicht wordt opgesteld per aansluiting.
   De informatie in het pensioenoverzicht moet nauwkeurig en bijgewerkt zijn.
   Elke wezenlijke wijziging in de in het pensioenoverzicht opgenomen informatie ten opzichte van het voorgaande jaar wordt duidelijk aangegeven.]7

  [7 § 1/1. Sigedis stuurt jaarlijks kosteloos het pensioenoverzicht naar de beveiligde elektronische brievenbus van de sociale zekerheid (e-Box) van de betrokken aangeslotenen en plaatst het eveneens in hun document-omgeving binnen de website www.mypension.be.
   Voor de aangeslotenen die een e-mailadres hebben geregistreerd bij de website www.mypension.be of bij hun beveiligde elektronische brievenbus van de sociale zekerheid (e-Box), stuurt Sigedis naar aanleiding van deze jaarlijkse verzending, een notificatie naar dat e-mailadres om de betrokkene te informeren over de nieuwe beschikbare informatie.
   Sigedis bezorgt eveneens alle pensioenoverzichten kosteloos aan de betrokken pensioeninstelling met daarbij per pensioenoverzicht de indicatie of de betrokken aangeslotene per e-mail werd geïnformeerd zoals bedoeld in het tweede lid, en of de betrokken aangeslotene het voorgaande jaar een bijdrage heeft betaald. De pensioeninstelling bezorgt daarop kosteloos het pensioenoverzicht aan de aangeslotenen die het voorgaande jaar een bijdrage hebben betaald en die niet per e-mail werden geïnformeerd zoals bedoeld in het tweede lid.]7

  [7 § 1/2. Het pensioenoverzicht bevat ten minste de volgende informatie:
   1. de precieze datum waarop de informatie in het pensioenoverzicht betrekking heeft. Het betreft steeds 1 januari van een bepaald jaar;
   2. de persoonsgegevens van de aangeslotene, met inbegrip van het INSZ-nummer, de identificatie van de pensioeninstelling, met inbegrip van de naam, het postadres en het KBO-nummer, alsook de identificatie van de pensioenovereenkomst;
   3. het bedrag van de verworven reserves op 1 januari van het betrokken jaar;
   4. het bedrag van de waarborg bedoeld in artikel 47, tweede lid, en waar verdere informatie te vinden is;
   5. als de verworven prestaties berekenbaar zijn, het bedrag ervan op 1 januari van het betrokken jaar;
   6. het bedrag van de verwachte prestatie op de wettelijke pensioenleeftijd van de aangeslotene, op 1 januari van het betrokken jaar, berekend op basis van de veronderstelling dat:
   - de aangeslotene die het voorgaande kalenderjaar een bijdrage heeft betaald, verder bijdragen betaalt tot aan deze wettelijke pensioenleeftijd en deze bijdragen gelijk zijn aan die betaald in het vorige kalenderjaar.
   - de aangeslotene die het voorgaande kalenderjaar geen bijdrage heeft betaald, aangesloten blijft tot aan deze wettelijke pensioenleeftijd, maar zonder bijkomende bijdragestortingen.
   In het geval economische scenario's een invloed hebben op de berekening van de verwachte prestatie, moet deze een meest realistisch scenario, een gunstig scenario en een ongunstig scenario omvatten, rekening houdend met de specifieke aard van de pensioenovereenkomst.
   Er wordt een waarschuwing toegevoegd dat het gaat om projecties die kunnen verschillen van de definitieve waarde van de te ontvangen uitkeringen;
   7. het bedrag van de prestatie bij overlijden vóór de pensioenleeftijd op 1 januari van het betrokken jaar, rekening houdende met de pensioenovereenkomst;
   8. het actuele financieringsniveau van de verworven reserves en van de waarborg bedoeld in artikel 47, tweede lid, op 1 januari van het betrokken jaar;
   9. het in punt 3 bedoelde bedrag dat betrekking heeft op 1 januari van het voorgaande jaar;
   10. de elementen waarmee bij de berekening van de bijdragen en de in punten 3 en 5 bedoelde bedragen rekening wordt gehouden.
   Hierbij wordt de pensioenleeftijd vermeld, alsook de wettelijke pensioenleeftijd die op de betrokken aangeslotene van toepassing is;
   11. informatie over de bijdragen die het vorige kalenderjaar werden betaald of toegekend opgesplitst per voordeel;
   12. een uitsplitsing van de kosten die het vorige kalenderjaar ten laste van de aangeslotene werden gelegd;
   13. het rendement dat het vorige kalenderjaar aan de aangeslotene werd toegekend;
   14. de eventuele andere door de wetgeving toegelaten inkomende en uitgaande bedragen die een invloed hebben op de evolutie van de verworven reserves tussen twee opeenvolgende jaren.
   Het pensioenoverzicht vermeldt tevens:
   - dat de vermelde bedragen bruto bedragen betreffen en de prestaties bij uitkering nog onderhevig zijn aan belastingen en sociale bijdragen;
   - de contactgegevens van de persoon of dienst waar de aangeslotene terecht kan met vragen of klachten;
   - dat de aangeslotene de gegevens betreffende zijn aanvullend(e) pensioen(en) kan raadplegen op de website www.mypension.be;
   - waar en hoe aanvullende informatie kan worden verkregen, onder meer over:
   * verdere praktische informatie over de opties waarover de aangeslotene in het kader van de pensioenovereenkomst beschikt;
   * de in de jaarrekeningen, jaarverslagen en in de verklaring inzake de beleggingsbeginselen vermelde informatie;
   * indien van toepassing, informatie over de gehanteerde hypothesen voor in rente uitgedrukte bedragen, met name over de actualisatieregels, het soort aanbieder en de duur van de rente;
   * informatie over de hoogte van de uitkeringen in geval van beëindiging van de bijdragebetaling;
   * aanvullende informatie indien het een pensioenovereenkomst betreft waarbij de aangeslotene het beleggingsrisico draagt en waarbij een beleggingsmogelijkheid krachtens een in het kader van de pensioenovereenkomst vastgelegde specifieke regel aan de aangeslotene wordt opgelegd.]7

  [5 § 1/3. De Koning kan de voorschriften, hypothesen en methodologie bepalen voor de voorstellingswijze(n) en de berekening van de gegevens vermeld in § 1/2.]5
   § 2. De pensioeninstelling deelt op eenvoudig verzoek aan de aangeslotene een historisch overzicht van de verworven reserves mee. Daarbij wordt, in voorkomend geval, het bedrag van de waarborg bedoeld in artikel 47, tweede lid, vermeld. Dit overzicht kan worden beperkt tot de periode van aansluiting bij de pensioeninstelling en tot de periode na de inwerkingtreding van deze wet.
   § 3. [7 Met het oog op de uitbetaling van de aanvullende pensioenprestatie geldt de volgende procedure:
   1. Indien de pensioeninstelling de kennisgeving van Sigedis ontvangt, zoals bedoeld in artikel 49, § 1, vierde lid, deelt de pensioeninstelling aan de aangeslotene de informatie bedoeld in het tweede lid mee binnen de volgende termijn:
   a) ten laatste zestig dagen vóór de pensionering van de aangeslotene, indien de pensioeninstelling de kennisgeving van Sigedis minstens negentig dagen vóór de pensionering van de aangeslotene ontvangt;
   b) in de andere gevallen, binnen de dertig dagen na de ontvangst van de kennisgeving van Sigedis.
   2. Indien de pensioeninstelling het verzoek van de aangeslotene, zoals bedoeld in artikel 49, § 1, vijfde of zesde lid, ontvangt, deelt de pensioeninstelling binnen de dertig dagen aan de aangeslotene de informatie bedoeld in het tweede lid mee.
   De informatie zoals bedoeld in het eerste lid bevat de volgende gegevens:
   - de prestaties die verschuldigd zijn, met, indien nodig, de vermelding dat een herberekening van de prestaties zal gebeuren op het ogenblik van de pensionering waardoor het effectief uitgekeerde bedrag kan verschillen;
   - de mogelijke uitbetalingswijzen;
   - in voorkomend geval, het recht op omzetting in een rente voorzien in artikel 50, § 1, en het bedrag van de daarmee overeenstemmende rente met, indien nodig, de vermelding dat een herberekening van de prestaties zal gebeuren op het ogenblik van de pensionering waardoor het effectieve bedrag van de rente kan verschillen;
   - de noodzakelijke gegevens voor de uitbetaling;
   - desgevallend, de mededeling dat, behoudens tegenbericht, het aanvullend pensioen zal worden uitbetaald op het rekeningnummer waarop het wettelijk pensioen wordt betaald en voor het gebruik waarvan in het kader van de uitbetaling van zijn aanvullend pensioen de aangeslotene zijn akkoord heeft gegeven.
   Indien de pensioeninstelling geen kennisgeving of verzoek heeft ontvangen zoals bedoeld in het eerste lid, deelt zij aan de aangeslotene die het voorgaande kalenderjaar geen bijdrage heeft betaald, de in het tweede lid bedoelde gegevens mee uiterlijk zestig dagen vóór het bereiken van diens wettelijke pensioenleeftijd. Indien van toepassing licht de pensioeninstelling de aangeslotene in over de mogelijkheid voorzien in artikel 49, § 1, vijfde lid.
   De niet-naleving van de termijnen bedoeld in het eerste en het derde lid heeft tot gevolg dat, vanaf de dag volgend op het verstrijken van de niet-nageleefde termijn tot op de dag van de effectieve mededeling van de in het tweede lid bedoelde gegevens aan de aangeslotene, van rechtswege en zonder ingebrekestelling de wettelijke intrestvoet zoals bepaald in artikel 2, § 1, van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest, begint te lopen op de uit te keren prestatie.
   Op voorwaarde dat:
   - de verworven prestaties, of bij ontstentenis de verworven reserves, minder bedragen dan het bedragvastgesteld overeenkomstig art. 32, § 1, vierde en vijfde lid, van de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, en dat;
   - het rekeningnummer waarop het wettelijk pensioen van de aangeslotene zal worden betaald beschikbaar is in het netwerk van de sociale zekerheid en de aangeslotene zijn akkoord heeft gegeven voor het gebruik ervan in het kader van de uitbetaling van zijn aanvullend pensioen;
   kan, in de gevallen bedoeld in het eerste lid, 1. en in het derde lid, en in afwijking van het tweede lid, de informatie worden beperkt tot de volgende vermeldingen:
   - de prestaties die verschuldigd zijn, met, indien nodig, de vermelding dat een herberekening van de prestaties zal gebeuren op het ogenblik van de pensionering waardoor het effectief uitgekeerde bedrag kan verschillen;
   - de mededeling dat het aanvullend pensioen zal worden uitbetaald op het rekeningnummer waarop het wettelijk pensioen wordt betaald.
   Op voorwaarde dat de aangeslotene een e-mailadres heeft geregistreerd bij de website www.mypension.be of bij zijn beveiligde elektronische brievenbus van de sociale zekerheid (e-Box) wordt de in het vijfde lid bedoelde informatieverstrekking vervangen door een informatievertrekking langs elektronische weg door Sigedis.
   Sigedis brengt de betrokken pensioeninstelling op de hoogte van deze informatieverstrekking en de datum ervan.]7

  [7 § 3/1. Binnen de dertig dagen nadat de pensioeninstelling op de hoogte is gebracht van het overlijden van de aangeslotene door Sigedis, of bij gebrek aan deze kennisgeving, aan de hand van een bewijskrachtig middel, door een begunstigde of op een andere wijze, deelt de pensioeninstelling aan de begunstigde(n) de volgende informatie mee:
   - de prestaties die verschuldigd zijn;
   - de mogelijke uitbetalingswijzen;
   - in voorkomend geval, het recht op omzetting in een rente voorzien in artikel 50, § 1, en het bedrag van de daarmee overeenstemmende rente;
   - de noodzakelijke gegevens voor de uitbetaling.
   De termijn in het eerste lid wordt opgeschort indien de pensioeninstelling niet over voldoende gegevens beschikt om één of meerdere van de begunstigden te identificeren of te lokaliseren. De pensioeninstelling neemt alle redelijke maatregelen om binnen de kortst mogelijke termijn deze gegevens te bekomen, waarna de termijn bepaald in het eerste lid herneemt. Ter identificatie en opsporing van de personen die overeenkomstig de pensioenovereenkomst de hoedanigheid van begunstigde hebben, vraagt de pensioeninstelling desgevallend de identificatiegegevens van de betrokkenen op bij Sigedis.
   Indien de pensioeninstelling, na ontvangst van de noodzakelijke gegevens voor de uitbetaling van de begunstigde(n) zoals bedoeld in het eerste lid, vaststelt dat gezien de aard of de inhoud van deze informatie bijkomende inlichtingen vereist zijn, deelt de pensioeninstelling dit binnen een termijn van dertig dagen mee.
   Binnen de termijn van dertig dagen na de ontvangst van alle nodige informatie zoals omschreven in het eerste en het derde lid, gaat de pensioeninstelling over tot de uitbetaling van de prestatie. Deze termijn wordt opgeschort indien omwille van een aan de pensioeninstelling externe oorzaak de uitbetaling niet kan plaatsvinden. De termijn begint opnieuw te lopen wanneer de oorzaak ophoudt te bestaan. De pensioeninstelling moet aan de hand van het dossier aantonen waarom de termijn desgevallend is geschorst en bewijzen dat deze schorsing in overeenstemming is met de wet.
   De niet-naleving van de termijnen bedoeld in het eerste, derde en vierde lid heeft tot gevolg dat, vanaf de dag volgend op het verstrijken van de niet-nageleefde termijn en tot op de dag van het opvragen van de nodige inlichtingen zoals beschreven in het eerste en derde lid of van de effectieve uitbetaling door de pensioeninstelling zoals beschreven in het vierde lid, van rechtswege en zonder ingebrekestelling de wettelijke intrestvoet zoals bepaald in artikel 2, § 1, van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest, begint te lopen op de uit te keren prestatie.
   De informatie bedoeld in het eerste en derde lid moet redelijk en relevant zijn met het oog op het regelen van de uitbetaling van de prestatie.]7

   § 4. [6 ...]6
   § 5. [7 De pensioeninstelling deelt aan Sigedis de gegevens mee die noodzakelijk zijn voor de opstelling van het in paragraaf 1 bedoelde pensioenoverzicht, alsook voor de in artikel 306, § 2, 5°, van de programmawet (I) van 27 december 2006 bedoelde informatieverstrekking.]7]1
Art. 48 DROIT FUTUR.    [1 § 1er. [6 Pour chaque affilié connu dans la banque de données des pensions complémentaires, Sigedis établit annuellement un document concis intitulé "relevé des droits à retraite", qui comprend les informations spécifiées au paragraphe 1er/2. Un relevé des droits à retraite est établi pour chaque affiliation.
   Les informations contenues dans le relevé des droits à retraite doivent être précises et à jour.
   Tout changement important dans les informations contenues dans le relevé des droits à retraite par rapport à l'année précédente est indiqué clairement.]6

  [6 § 1er/1. Chaque année, Sigedis envoie sans frais le relevé des droits à retraite à la boîte aux lettres électronique sécurisée de la sécurité sociale (e-Box) des affiliés concernés et le place également dans leur environnement de documents sur le site web www.mypension.be.
   Pour les affiliés qui ont enregistré une adresse e-mail sur le site web www.mypension.be ou sur leur boîte aux lettres électronique sécurisée de la sécurité sociale (e-Box), Sigedis envoie une notification à cette adresse e-mail à l'occasion de cet envoi annuel pour informer la personne concernée des nouvelles informations disponibles.
   Sigedis envoie également tous les relevés des droits à retraite sans frais à l'organisme de pension concerné, en précisant pour chaque relevé des droits à retraite si l'affilié concerné a été informé par courrier électronique comme indiqué à l'alinéa 2 et si l'affilié concerné a payé une cotisation l'année précédente. L'organisme de pension fournit alors sans frais le relevé des droits à retraite aux affiliés qui ont payé une cotisation l'année précédente et qui n'ont pas été informés par courrier électronique comme indiqué à l'alinéa 2.]6

  [6 § 1er/2. Le relevé des droits à retraite contient au moins les informations suivantes:
   1. la date exacte à laquelle les informations figurant dans le relevé des droits à retraite se réfèrent. Il s'agit toujours du 1er janvier d'une année déterminée;
   2. les données personnelles de l'affilié, y compris le numéro NISS, l'identification de l'organisme de pension, en ce compris le nom, l'adresse postale et le numéro BCE, ainsi que l'identification de la convention de pension;
   3. le montant des réserves acquises au 1er janvier de l'année concernée;
   4. le montant garanti en vertu de l'article 47, alinéa 2, et l'endroit où trouver de plus amples informations;
   5. si les prestations acquises sont calculables, le montant de celles-ci au 1er janvier de l'année concernée;
   6. le montant au 1er janvier de l'année concernée de la prestation attendue à l'âge légal de la pension de l'affilié, calculée en supposant que:
   - l'affilié qui a payé une cotisation l'année civile précédente verse jusqu'à cet âge légal de la pension des cotisations égales à celles versées au cours de l'année civile précédente;
   - l'affilié qui n'a pas payé de cotisation l'année civile précédente reste affilié jusqu'à cet âge légal de la pension, mais sans versements de cotisations supplémentaires.
   Dans le cas où des scénarios économiques ont une incidence sur le calcul de la prestation attendue, celle-ci doit comprendre le scénario le plus réaliste, un scénario favorable et un scénario défavorable, tenant compte de la nature propre de la convention de pension.
   Une clause de non-responsabilité précisant qu'il s'agit de projections qui peuvent différer du montant final des prestations à percevoir est ajoutée;
   7. le montant au 1er janvier de l'année concernée de la prestation en cas de décès avant l'âge de retraite à prendre en compte en vertu de la convention de pension;
   8. le niveau actuel de financement au 1er janvier de l'année concernée des réserves acquises et de la garantie visée à l'article 47, alinéa 2;
   9. le montant visé au point 3 relatif au 1er janvier de l'année précédente;
   10. les éléments qui sont pris en compte pour le calcul des cotisations et des montants visés aux points 3 et 5.
   Sont à cet égard indiqués l'âge de retraite ainsi que l'âge légal de la pension qui est applicable à l'affilié concerné;
   11. des informations sur les cotisations qui ont été versées ou affectées à l'affilié au cours de l'année civile précédente, scindées par avantage;
   12. une ventilation des coûts qui ont été mis à charge de l'affilié au cours de l'année civile précédente;
   13. le rendement qui a été attribué à l'affilié au cours de l'année civile précédente;
   14. tout autre montant entrant et sortant autorisé par la loi qui a une incidence sur l'évolution des réserves acquises entre deux années consécutives.
   Le relevé des droits à retraite doit également indiquer:
   - que les montants mentionnés sont des montants bruts et que les prestations, lors de leur versement, seront encore assujetties à des impôts et à des cotisations sociales;
   - les coordonnées de la personne à qui ou du service auquel l'affilié peut s'adresser en cas de questions ou de plaintes;
   - que l'affilié peut consulter les données relatives à sa (ses) pension(s) complémentaire(s) sur le site web www.mypension.be;
   - et comment obtenir des informations supplémentaires, notamment:
   * de plus amples informations pratiques sur les options offertes à l'affilié par la convention de pension;
   * les informations contenues dans les comptes et rapports annuels, ainsi que les informations contenues dans la déclaration relative aux principes fondant la politique de placement;
   * le cas échéant, des informations sur les hypothèses utilisées pour estimer les montants exprimés en rente, en particulier les règles d'actualisation, le type de prestataire et la durée de la rente;
   * des informations sur le niveau des prestations en cas de cessation de versement des cotisations;
   * des informations complémentaires s'il s'agit d'une convention de pension dans laquelle l'affilié supporte le risque d'investissement et où une option d'investissement est imposée à l'affilié par une règle spécifique prévue dans la convention de pension.]6

  [4 § 1er/3. Le Roi peut déterminer les règles, les hypothèses et la méthodologie à suivre pour le(s) mode(s) de présentation et le calcul des données visées au § 1er/2.]4
   § 2. L'organisme de pension communique à l'affilié, sur simple demande, un aperçu historique du montant des réserves acquises en mentionnant, le cas échéant, le montant correspondant à la garantie visée à l'article 47, alinéa 2. Cet aperçu peut être limité à la période d'affiliation auprès de l'organisme de pension et à la période qui suit l'entrée en vigueur de la présente loi.
   § 3. [6 En vue du versement de la prestation de pension complémentaire, la procédure suivante est applicable:
   1. Lorsque l'organisme de pension reçoit la notification de Sigedis, telle que visée à l'article 49, § 1er, alinéa 4, l'organisme de pension communique à l'affilié les informations visées à l'alinéa 2 dans le délai suivant:
   a) au plus tard soixante jours avant la mise à la retraite de l'affilié, si l'organisme de pension reçoit la notification de Sigedis au moins nonante jours avant la mise à la retraite de l'affilié;
   b) dans les autres cas, dans les trente jours qui suivent la réception de la notification de Sigedis.
   2. Lorsque l'organisme de pension reçoit la demande de l'affilié, telle que visée à l'article 49, § 1er, alinéa 5 ou 6, l'organisme de pension communique à l'affilié les informations visées à l'alinéa 2 dans un délai de trente jours.
   Les informations visées à l'alinéa 1er contiennent les données suivantes:
   - les prestations qui sont dues, en mentionnant, si nécessaire, qu'un recalcul des prestations sera opéré lors de la mise à la retraite, ce qui implique que le montant effectivement versé peut être différent;
   - les options de paiement possibles;
   - le cas échéant, le droit de transformer en rente prévu à l'article 50, § 1er, et le montant de la rente correspondante, en mentionnant, si nécessaire, qu'un recalcul des prestations sera opéré lors de la mise à la retraite, ce qui implique que le montant effectif de la rente peut être différent;
   - les données nécessaires au paiement.;
   - le cas échéant, la notification que, sauf avis contraire, la pension complémentaire sera versée sur le numéro de compte sur lequel est versée la pension légale et pour l'utilisation duquel, dans le cadre du paiement de sa pension complémentaire, l'affilié a donné son accord.
   Si l'organisme de pension n'a pas reçu de notification ou de demande telle que visée à l'alinéa 1er, il communique à l'affilié qui n'a pas payé de cotisation l'année civile précédente, les données visées à l'alinéa 2 au plus tard soixante jours avant que ce dernier n'atteigne l'âge légal de la pension. Le cas échéant, l'organisme de pension informe l'affilié de la possibilité prévue par l'article 49, § 1er, alinéa 5.
   Le non-respect des délais visés aux alinéas 1er et 3 a pour conséquence qu'à partir du lendemain de l'échéance du délai non respecté et jusqu'au jour où les informations visées à l'alinéa 2 sont effectivement communiquées à l'affilié, le taux d'intérêt légal tel que visé à l'article 2, § 1er, de la loi du 5 mai 1865 relative au prêt à l'intérêt, commence à courir de plein droit et sans mise en demeure sur la prestation à octroyer.
   A condition que:
   - les prestations acquises ou, à défaut, les réserves acquises, soient inférieures au montant déterminé conformément à l'article 32, § 1er, alinéas 4 et 5, de la loi du 28 avril 2003 relative aux pensions complémentaires et au régime fiscal de celles-ci et de certains avantages complémentaires en matière de sécurité sociale, et que;
   - le numéro de compte sur lequel sera versée la pension légale de l'affilié soit disponible dans le réseau de la sécurité sociale et que l'affilié ait donné son accord pour son utilisation dans le cadre du paiement de sa pension complémentaire;
   dans les cas visés à l'alinéa 1er, 1. et l'alinéa 3, et par dérogation à l'alinéa 2, l'information peut être limitée aux mentions suivantes:
   - les prestations qui sont dues, en mentionnant, si nécessaire, qu'un recalcul des prestations sera opéré lors de la mise à la retraite, ce qui implique que le montant effectivement versé peut être différent;
   - la notification que la pension complémentaire sera versée sur le numéro de compte sur lequel est versée la pension légale.
   A condition que l'affilié ait enregistré une adresse e-mail sur le site web www.mypension.be ou sur sa boîte aux lettres électronique sécurisée de la sécurité sociale (e-Box), la communication d'informations visée à l'alinéa 5 est remplacée par une communication électronique d'informations par Sigedis.
   Sigedis informe l'organisme de pension concerné de cette communication et la date de celle-ci.]6

  [6 § 3/1. Dans les trente jours qui suivent la notification à l'organisme de pension du décès de l'affilié par Sigedis, ou à défaut de cette notification, sur présentation d'un document probant, par un bénéficiaire ou de toute autre manière, l'organisme de pension communique au(x) bénéficiaire(s) les informations suivantes:
   - les prestations qui sont dues;
   - les options de paiement possibles;
   - le cas échéant, le droit de transformer en rente prévu à l'article 50, § 1er, et le montant de la rente correspondante;
   - les données nécessaires au paiement.
   Le délai prévu à l'alinéa 1er est suspendu si l'organisme de pension ne dispose pas de données suffisantes pour identifier ou localiser un ou plusieurs bénéficiaires. L'organisme de pension prend toutes les mesures raisonnables pour obtenir ces données dans le délai le plus court possible, après quoi le délai défini à l'alinéa 1er reprend. Afin d'identifier et de rechercher les personnes ayant la qualité de bénéficiaire conformément à la convention de pension, l'organisme de pension recueille, le cas échéant, les données d'identification des personnes concernées auprès de Sigedis.
   Si l'organisme de pension constate, après avoir reçu du (des) bénéficiaires les données nécessaires au paiement visées à l'alinéa 1er, que des renseignements complémentaires sont requis vu la nature et le contenu de ces informations, l'organisme de pension le fait savoir dans un délai de trente jours.
   Dans un délai de trente jours à compter de la réception de toutes les informations nécessaires, telles que décrites aux alinéas 1er et 3, l'organisme de pension procède au versement de la prestation à octroyer. Ce délai est suspendu si le versement ne peut pas s'effectuer pour une raison étrangère à l'organisme de pension. Le délai commence à courir à nouveau lorsque la raison cesse d'exister. L'organisme de pension doit démontrer à l'aide du dossier le motif pour lequel le délai a été le cas échéant suspendu et il doit prouver que cette suspension est en conformité avec la loi.
   Le non-respect des délais visés aux alinéas 1er, 3 et 4 a pour conséquence qu'à partir du lendemain de l'échéance du délai non respecté et jusqu'au jour où les renseignements nécessaires tels que décrits aux alinéas 1er et 3 sont demandés ou jusqu'au jour du versement effectif par l'organisme de pension tel que décrit à l'alinéa 4, le taux d'intérêt légal tel que visé à l'article 2, § 1er, de la loi du 5 mai 1865 relative au prêt à l'intérêt, commence à courir de plein droit et sans mise en demeure sur la prestation à octroyer.
   Les informations visées aux alinéas 1er et 3 doivent être raisonnables et pertinentes en vue du règlement du versement de la prestation.]6

   § 4. [5 ...]5
   § 5. [6 L'organisme de pension communique à Sigedis les données nécessaires à l'établissement du relevé des droits à retraite visé au paragraphe 1er, ainsi qu'à l'information visée à l'article 306, § 2, 5°, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006.]6]1
Art.49. § 1. [2 Onverminderd de bepalingen van de tweede paragraaf en het recht op overdracht van reserves bedoeld in artikel 51 worden de aanvullende pensioenprestatie, de verworven reserves of de reserves die voortvloeien uit de overdracht van de reserves zoals bedoeld in artikel 51 vereffend bij de pensionering van de aangeslotene. De prestaties worden berekend op de datum van de pensionering van de aangeslotene en uitbetaald ten laatste binnen de dertig dagen die volgen op de communicatie van de voor de uitbetaling noodzakelijke gegevens aan de pensioeninstelling door de aangeslotene.
   De pensioenovereenkomst blijft van kracht tot aan de pensionering.
   Ten laatste negentig dagen vóór de pensionering van de aangeslotene, licht deze laatste de pensioeninstelling schriftelijk in over zijn pensionering.
   Vanaf 1 januari 2017, neemt [3 Sigedis]3 de verplichting over om de pensioeninstelling te informeren over de pensionering van de aangeslotene. De Koning kan de inhoud en de modaliteiten van deze mededeling bepalen.
   In afwijking van het eerste lid, indien de pensionering later is dan de datum waarop de aangeslotene de wettelijke pensioenleeftijd van kracht bereikt of de datum waarop hij voldoet aan de voorwaarden om zijn vervroegd rustpensioen als zelfstandige te verkrijgen, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de reserves bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de aangeslotene, uitbetaald worden vanaf één van deze data op voorwaarde dat de pensioenovereenkomst dit uitdrukkelijk voorziet.]2

  § 2. Voorschotten op prestaties of inpandgevingen van pensioenrechten of de mogelijkheid tot toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet mogen enkel worden toegestaan om de aangeslotene in staat te stellen op het grondgebied van de [1 Europese Economische Ruimte]1 onroerende goederen die belastbare inkomsten opbrengen te verwerven, te bouwen, te verbeteren, te herstellen of te verbouwen. Die voorschotten en leningen moeten worden terugbetaald zodra die goederen uit het vermogen van de aangeslotene verdwijnen.
  Indien de pensioenovereenkomst in voorschotten op prestaties of inpandgevingen van pensioenrechten of in de mogelijkheid tot toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet voorziet, dienen de beperkingen vermeld in het eerste lid uitdrukkelijk in de pensioenovereenkomst te worden vermeld.
  [2 In geval van voorschotten op prestaties, inpandgevingen van pensioenrechten of van toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet, kunnen deze geen termijn voorzien korter dan het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd.]2
  
Art.49. § 1er. [2 Sans préjudice des dispositions du § 2 et du droit au transfert de réserves visé à l'article 51, la prestation de pension complémentaire, les réserves acquises ou les réserves qui résultent du transfert des réserves visées à l'article 51 sont liquidées lors de la mise à la retraite de l'affilié. Les prestations sont calculées à la date de mise à la retraite de l'affilié et payées au plus tard dans les trente jours qui suivent la communication par l'affilié à l'organisme de pension des données nécessaires au paiement.
   La convention de pension reste en vigueur jusqu'à la mise à la retraite.
   Au plus tard nonante jours avant la mise à la retraite de l'affilié, ce dernier informe l'organisme de pension par écrit de sa mise à la retraite.
   A partir du 1er janvier 2017, l'obligation d'informer l'organisme de pension de la mise à la retraite de l'affilié est reprise par [3 Sigedis]3. Le Roi peut préciser le contenu et les modalités de cette information.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, si la mise à la retraite est postérieure à la date où l'affilié atteint l'âge légal de la pension en vigueur ou la date à laquelle il satisfait aux conditions pour obtenir sa pension de retraite anticipée de travailleur indépendant, la prestation de pension complémentaire et les réserves visées à l'alinéa 1er peuvent, à la demande de ce dernier, être liquidées à partir d'une de ces dates à condition que la convention de pension le prévoit expressément.]2

  § 2. Les avances sur prestations ou les mises en gage de droits de pension ou la possibilité d'affecter la valeur de rachat à la reconstitution d'un crédit hypothécaire, ne peuvent être admises que pour permettre à l'affilié d'acquérir, de construire, d'améliorer, de réparer ou de transformer des biens immobiliers situés sur le territoire de l'[1 Espace économique européen]1 et productifs de revenus imposables. Ces avances et prêts doivent être remboursés dès que ces biens sortent du patrimoine de l'affilié.
  Lorsque la convention de pension prévoit des avances sur prestations ou des mises en gage de droits de pensions ou la possibilité d'affecter la valeur de rachat à la reconstitution d'un crédit hypothécaire, les limitations prévues à l'alinéa 1er doivent être expressément inscrites dans la convention de pension.
  [2 En cas d'avances sur prestations, de mises en gage de droits de pension ou d'affectation de la valeur de rachat à la reconstitution d'un crédit hypothécaire, celles-ci ne peuvent prévoir un terme inférieur à l'âge légal de la pension.]2
  
Art. 49 TOEKOMSTIG RECHT.    § 1. [2 Onverminderd de bepalingen van de tweede paragraaf en het recht op overdracht van reserves bedoeld in artikel 51 worden de aanvullende pensioenprestatie, de verworven reserves of de reserves die voortvloeien uit de overdracht van de reserves zoals bedoeld in artikel 51 vereffend bij de pensionering van de aangeslotene. [4 De prestaties worden berekend op de datum van de pensionering van de aangeslotene en uitbetaald ten laatste binnen de dertig dagen na de pensionering van de aangeslotene of, wanneer dit later is, binnen de dertig dagen die volgen op de communicatie van de voor de uitbetaling noodzakelijke gegevens aan de pensioeninstelling door de aangeslotene en/of Sigedis.]4
   De pensioenovereenkomst blijft van kracht tot aan de pensionering.
   Ten laatste negentig dagen vóór de pensionering van de aangeslotene, licht deze laatste de pensioeninstelling schriftelijk in over zijn pensionering.
   Vanaf 1 januari 2017, neemt [3 Sigedis]3 de verplichting over om de pensioeninstelling te informeren over de pensionering van de aangeslotene. De Koning kan de inhoud en de modaliteiten van deze mededeling bepalen.
   In afwijking van het eerste lid, indien de pensionering later is dan de datum waarop de aangeslotene de wettelijke pensioenleeftijd van kracht bereikt of de datum waarop hij voldoet aan de voorwaarden om zijn vervroegd rustpensioen als zelfstandige te verkrijgen, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de reserves bedoeld in het eerste lid, op verzoek van de aangeslotene, uitbetaald worden vanaf één van deze data op voorwaarde dat de pensioenovereenkomst dit uitdrukkelijk voorziet.]2

  [4 Ten laatste vanaf 1 januari 2025 zal, indien de aangeslotene zijn verzoek zoals bedoeld in het vijfde lid, ondubbelzinnig kenbaar maakt via mypension.be, Sigedis ertoe gehouden zijn de betrokken pensioeninstelling hiervan onverwijld op de hoogte te brengen.
   De niet-naleving van de termijn bedoeld in het eerste lid heeft tot gevolg dat, vanaf de dag volgend op het verstrijken van de niet-nageleefde termijn tot op de dag van de effectieve uitbetaling van de prestatie door de pensioeninstelling, zoals bedoeld in het eerste lid, van rechtswege en zonder ingebrekestelling de wettelijke intrestvoet zoals bepaald in artikel 2, § 1, van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest, begint te lopen op de uit te keren prestatie.]4

  § 2. Voorschotten op prestaties of inpandgevingen van pensioenrechten of de mogelijkheid tot toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet mogen enkel worden toegestaan om de aangeslotene in staat te stellen op het grondgebied van de [1 Europese Economische Ruimte]1 onroerende goederen die belastbare inkomsten opbrengen te verwerven, te bouwen, te verbeteren, te herstellen of te verbouwen. Die voorschotten en leningen moeten worden terugbetaald zodra die goederen uit het vermogen van de aangeslotene verdwijnen.
  Indien de pensioenovereenkomst in voorschotten op prestaties of inpandgevingen van pensioenrechten of in de mogelijkheid tot toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet voorziet, dienen de beperkingen vermeld in het eerste lid uitdrukkelijk in de pensioenovereenkomst te worden vermeld.
  [2 In geval van voorschotten op prestaties, inpandgevingen van pensioenrechten of van toewijzing van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet, kunnen deze geen termijn voorzien korter dan het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd.]2
Art. 49 DROIT FUTUR.    § 1er. [2 Sans préjudice des dispositions du § 2 et du droit au transfert de réserves visé à l'article 51, la prestation de pension complémentaire, les réserves acquises ou les réserves qui résultent du transfert des réserves visées à l'article 51 sont liquidées lors de la mise à la retraite de l'affilié. [4 Les prestations sont calculées à la date de mise à la retraite de l'affilié et payées au plus tard dans les trente jours qui suivent la mise à la retraite de l'affilié ou dans les trente jours qui suivent la communication par l'affilié et/ou Sigedis à l'organisme de pension des données nécessaires au paiement, la date la plus tardive étant retenue.]4
   La convention de pension reste en vigueur jusqu'à la mise à la retraite.
   Au plus tard nonante jours avant la mise à la retraite de l'affilié, ce dernier informe l'organisme de pension par écrit de sa mise à la retraite.
   A partir du 1er janvier 2017, l'obligation d'informer l'organisme de pension de la mise à la retraite de l'affilié est reprise par [3 Sigedis]3. Le Roi peut préciser le contenu et les modalités de cette information.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, si la mise à la retraite est postérieure à la date où l'affilié atteint l'âge légal de la pension en vigueur ou la date à laquelle il satisfait aux conditions pour obtenir sa pension de retraite anticipée de travailleur indépendant, la prestation de pension complémentaire et les réserves visées à l'alinéa 1er peuvent, à la demande de ce dernier, être liquidées à partir d'une de ces dates à condition que la convention de pension le prévoit expressément.]2

  [4 A partir du 1er janvier 2025 au plus tard, si l'affilié fait connaître sans ambiguïté sa demande visée à l'alinéa 5 via mypension.be, Sigedis sera tenue d'en informer sans délai l'organisme de pension concerné.
   Le non-respect du délai visé à l'alinéa 1er a pour conséquence qu'à partir du lendemain de l'échéance du délai non respecté et jusqu'au jour du paiement effectif de la prestation par l'organisme de pension, tel que visé à l'alinéa 1er, le taux d'intérêt légal tel que visé à l'article 2, § 1er, de la loi du 5 mai 1865 relative au prêt à l'intérêt, commence à courir de plein droit et sans mise en demeure sur la prestation à octroyer.]4

  § 2. Les avances sur prestations ou les mises en gage de droits de pension ou la possibilité d'affecter la valeur de rachat à la reconstitution d'un crédit hypothécaire, ne peuvent être admises que pour permettre à l'affilié d'acquérir, de construire, d'améliorer, de réparer ou de transformer des biens immobiliers situés sur le territoire de l'[1 Espace économique européen]1 et productifs de revenus imposables. Ces avances et prêts doivent être remboursés dès que ces biens sortent du patrimoine de l'affilié.
  Lorsque la convention de pension prévoit des avances sur prestations ou des mises en gage de droits de pensions ou la possibilité d'affecter la valeur de rachat à la reconstitution d'un crédit hypothécaire, les limitations prévues à l'alinéa 1er doivent être expressément inscrites dans la convention de pension.
  [2 En cas d'avances sur prestations, de mises en gage de droits de pension ou d'affectation de la valeur de rachat à la reconstitution d'un crédit hypothécaire, celles-ci ne peuvent prévoir un terme inférieur à l'âge légal de la pension.]2
Art.50. § 1. Wanneer de prestatie uitgekeerd wordt als een kapitaal, heeft de aangeslotene, of, in geval van overlijden zijn rechthebbenden, het recht om de omvorming in een rente te vragen.
  De Koning stelt de berekeningswijze ter zake vast.
  De pensioeninstelling brengt de aangeslotene van dit recht op de hoogte twee maanden vóór de pensionering of binnen de twee weken nadat zij van de vervroegde pensionering op de hoogte is gebracht. In geval van overlijden van de aangeslotene brengt de pensioeninstelling de rechthebbenden van dit recht op de hoogte binnen de twee weken nadat zij van het overlijden op de hoogte is gebracht.
  § 2. Wanneer het jaarlijks bedrag van de rente bij de aanvang ervan minder dan of gelijk aan 500 euro bedraagt, wordt het kapitaal uitbetaald. Het bedrag van 500 euro wordt geïndexeerd volgens de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
Art.50. § 1er. Lorsque la prestation est exprimée en capital, l'affilié, ou, en cas de décès, ses ayants droit, ont le droit de demander la transformation en rente.
  Le Roi fixe les modalités de calcul en la matière.
  L'organisme de pension informe l'affilié de ce droit deux mois avant la retraite ou dans les deux semaines après qu'il ait eu connaissance de la retraite anticipée. En cas de décès de l'affilié, l'organisme de pension informe les ayants droit de ce droit dans les deux semaines après qu'il ait eu connaissance du décès.
  § 2. Lorsque le montant annuel de la rente est, dès le départ, inférieur ou égal à 500 euros, la prestation est payée en capital. Le montant de 500 euros est indexé suivant les dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Art. 50 TOEKOMSTIG RECHT.    § 1. Wanneer de prestatie uitgekeerd wordt als een kapitaal, heeft de aangeslotene, of, in geval van overlijden zijn rechthebbenden, het recht om de omvorming in een rente te vragen.
  De Koning stelt de berekeningswijze ter zake vast.
  [1 ...]1
  § 2. Wanneer het jaarlijks bedrag van de rente bij de aanvang ervan minder dan of gelijk aan 500 euro bedraagt, wordt het kapitaal uitbetaald. Het bedrag van 500 euro wordt geïndexeerd volgens de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.  
Art. 50 DROIT FUTUR.    § 1er. Lorsque la prestation est exprimée en capital, l'affilié, ou, en cas de décès, ses ayants droit, ont le droit de demander la transformation en rente.
  Le Roi fixe les modalités de calcul en la matière.
  [1 ...]1
  § 2. Lorsque le montant annuel de la rente est, dès le départ, inférieur ou égal à 500 euros, la prestation est payée en capital. Le montant de 500 euros est indexé suivant les dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.  
Onderafdeling 4. - Stopzetting van de pensioenovereenkomst en pensionering.
Sous-section 4. - Cessation de la convention de pension et retraite.
Art.51. Een aangeslotene kan ten alle tijde de pensioenovereenkomst stopzetten en een nieuwe pensioenovereenkomst sluiten bij een andere pensioeninstelling.
  Een aangeslotene heeft het recht om de verworven reserve over te dragen naar die nieuwe pensioenovereenkomst. Op het ogenblik van de overdracht mag geen verlies van winstdelingen ten laste worden gelegd van de aangeslotene, of van de verworven reserves worden afgetrokken. De nieuwe pensioeninstelling mag geen acquisitiekosten aanrekenen op de overgedragen reserves.
  (De overdracht bedoeld in het tweede lid is beperkt tot het deel van de reserves dat niet het voorwerp uitmaakt van een voorschot of in pandgeving of dat niet werd toegewezen aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet.) <W 2006-10-27/37, art. 192, 022; Inwerkingtreding : 10-11-2006>
  De pensioeninstelling deelt uiterlijk binnen dertig dagen na de vraag tot overdracht van de reserves schriftelijk of langs elektronische weg het bedrag van de verworven reserves mee
Art.51. L'affilié peut à tout moment mettre fin à la convention de pension et conclure une nouvelle convention de pension auprès d'un autre organisme de pension.
  L'affilié a le droit de transférer la réserve acquise à cette nouvelle convention de pension. Aucune perte de participations bénéficiaires ne peut être mise à charge de l'affilié ni déduite des réserves acquises au moment du transfert. Le nouvel organisme de pension ne peut imputer des frais d'acquisition sur les réserves transférées.
  (Le transfert visé à l'alinéa 2 est limité à la partie des réserves qui n'a pas fait l'objet d'une avance ou d'une mise en gage ou qui n'a pas été affectée dans le cadre de la reconstitution d'un crédit hypothécaire.) <L 2006-10-27/37, art. 192, 022; En vigueur : 10-11-2006>
  L'organisme de pension communique, par écrit ou par voie électronique et au plus tard dans les trente jours qui suivent la demande de transfert des réserves, le montant des réserves acquises.
Art.52. De pensioeninstelling deelt uiterlijk binnen dertig dagen na de kennisgeving van de pensionering door de aangeslotenen schriftelijk of langs elektronische weg het bedrag van het opgebouwde pensioenkapitaal, desgevallend aangevuld tot de bedragen gewaarborgd in toepassing van artikel 47, en de daarmee overeenstemmende rente mee.
Art.52. L'organisme de pension communique, par écrit ou par voie électronique et au plus tard dans les trente jours qui suivent la notification de la retraite par les affiliés, le montant du capital de pension constitué majoré le cas échéant à concurrence des montants garantis en application de l'article 47, et la rente correspondante.
Art. 52 TOEKOMSTIG RECHT.   [1 ...]1  
Art. 52 DROIT FUTUR.   [1 ...]1  
Onderafdeling 5. - Transparantie.
Sous-section 5. - Transparence.
Verklaring met de beginselen van het beleggings-beleid
Déclaration sur les principes de la politique de placement
Art. 52bis. <INGEVOEGD bij W 2006-10-27/37, art. 193; Inwerkingtreding : 01-01-2007> De pensioeninstelling stelt een schriftelijke verklaring op met de beginselen van haar beleggingsbeleid. Zij herziet deze verklaring ten minste om de drie jaar en onverwijld na elke belangrijke wijziging van het beleggingsbeleid.
  Deze verklaring bevat ten minste de toegepaste wegingsmethoden voor beleggingsrisico's, de risicobeheersprocedures en de strategische spreiding van de activa in het licht van de aard en de duur van de [2 aanvullende pensioenverplichtingen]2.
  De instelling stelt de [1 FSMA]1 binnen de maand in kennis van elke wijziging van de verklaring inzake de beleggingsbeginselen.
  [3 ...]3
  
Art. 52bis. L'organisme de pension élabore une déclaration écrite sur les principes de sa politique de placement. Il la revoit au moins tous les trois ans et immédiatement après tout changement majeur de la politique de placement.
  Cette déclaration contient, au minimum, les méthodes d'évaluation des risques d'investissement, les techniques de gestion des risques mises en oeuvre et la répartition stratégique des actifs eu égard à la nature et à la durée des [2 obligations de pension complémentaire]2.
  L'organisme communique dans le mois toute modification de la déclaration sur les principes de la politique de placement à la [1 FSMA]1.
  [3 ...]3
  
Algemene bepalingen inzake informatieverstrekking
Dispositions générales en matière de fourniture d'informations
Art. 52ter. [1 § 1. De informatie bedoeld in Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling 4, wordt:
   1. regelmatig bijgewerkt;
   2. op een duidelijke wijze geschreven in een heldere, bondige en begrijpelijke taal, waarbij jargon en technische termen worden vermeden indien in plaats daarvan alledaagse woorden kunnen worden gebruikt;
   3. opgesteld op een wijze die niet misleidend is. Er wordt zorg gedragen voor de consistentie, zowel wat woordgebruik als wat inhoud betreft;
   4. op zodanige wijze gepresenteerd dat zij gemakkelijk leesbaar is;
   5. opgesteld in een officiële taal;
   6. bewaard op een duurzame drager en, naar gelang het geval, kosteloos meegedeeld of ter beschikking gesteld op papier, via de website www.mypension.be of op een andere elektronische wijze. Indien de informatie op elektronische wijze wordt meegedeeld of ter beschikking gesteld, kunnen de bestemmelingen verzoeken om naast de informatie in elektronische vorm, ook kosteloos een papieren afschrift te ontvangen.
   § 2. De pensioeninstelling kan via de website www.mypension.be documenten ter beschikking stellen die informatie bevatten zoals voorgeschreven in deze afdeling.
   De pensioeninstelling kan geheel of gedeeltelijk worden ontheven van de individuele informatieverplichtingen aan de aangeslotenen, rentegenieters en/of begunstigden voorzien in deze Afdeling, voor zover Sigedis zich er op grond van een overeenkomst met de pensioeninstelling toe verbindt om die verplichtingen over te nemen.]1

  [2 § 3. De Koning kan de nadere regels en de methodologie vaststellen voor de berekening van de gegevens die op basis van deze Afdeling en haar uitvoeringsbesluiten moeten worden ter beschikking gesteld of meegedeeld aan de aangeslotenen, de rentegenieters en/of de begunstigden.
   De FSMA kan bij reglement één of meerdere gestandaardiseerde presentatiewijze(n) bepalen voor de informatie die op basis van deze Afdeling, en haar uitvoeringsbesluiten, met uitzondering van het pensioenoverzicht zoals bedoeld in artikel 48 § 1, moet worden ter beschikking gesteld of meegedeeld aan de aangeslotenen, de rentegenieters en/of de begunstigden, met opgave van het toepassingsgebied ervan. De FSMA kan de vormgeving van de documenten, waaronder de structuur, de lengte, de inhoud en de volgorde van de rubrieken, de bewoordingen en de lay-out op een uniforme wijze vaststellen.]2

  [3 Voor wat betreft de informatie bedoeld in artikel 52quater, bepaalt de FSMA de in vorig lid bedoelde gestandaardiseerde presentatiewijze en uniforme vormgeving voor de eerste keer ten laatste op 30 juni 2024.]3
  
Art. 52ter. [1 § 1er. Les informations visées dans le Titre II, Chapitre I, Section 4, sont:
   1. mises à jour régulièrement;
   2. rédigées de manière claire, dans un langage non ambigu, succinct et compréhensible, en évitant le jargon et l'emploi de termes techniques lorsque des mots du langage courant peuvent être utilisés à la place;
   3. établies d'une manière non trompeuse, en veillant à ce que leur vocabulaire et leur contenu soient cohérents;
   4. présentées d'une manière qui en rend la lecture aisée;
   5. établies dans une langue officielle;
   6. conservées sur un support durable et, selon le cas, communiquées ou mises à disposition gratuitement sur papier, via le site web www.mypension.be ou par toute autre voie électronique. Si les informations ont été transmises ou mises à disposition par voie électronique, les destinataires peuvent demander à recevoir, en sus des informations sous format électronique, une copie papier qui leur sera fournie gratuitement.
   § 2. L'organisme de pension peut mettre à disposition via le site web www.mypension.be les documents contenant des informations prescrites par la présente section.
   L'organisme de pension peut pour tout ou partie être déchargé des obligations d'information individuelles à l'égard des affiliés, des rentiers et/ou des bénéficiaires, imposées par la présente Section, pour autant que Sigedis s'engage, sur la base d'une convention avec l'organisme de pension, à reprendre ces obligations.]1

  [2 § 3. Le Roi peut préciser les règles et la méthodologie à suivre pour le calcul des données qui, en vertu de la présente Section et de ses arrêtés d'exécution, doivent être communiquées aux affiliés, aux rentiers et/ou aux bénéficiaires ou être mises à leur disposition.
   La FSMA peut, par voie de règlement, fixer une ou plusieurs présentations standard à utiliser pour les informations qui, en vertu de la présente Section et de ses arrêtés d'exécution, à l'exception du relevé des droits à retraite visé à l'article 48, § 1er, doivent être communiquées aux affiliés, aux rentiers et/ou aux bénéficiaires ou être mises à leur disposition, en indiquant leur champ d'application. La FSMA peut déterminer la forme des documents, notamment leur structure, leur longueur, le contenu et l'ordre de leurs rubriques, leurs formulations et leur mise en page, d'une manière uniforme.]2

  [3 En ce qui concerne les informations visées à l'article 52quater, la FSMA détermine la méthode de présentation standard et le format uniforme visés à l'alinéa précédent pour la première fois au plus tard le 30 juin 2024.]3
  
Informatie vóór de aansluiting TOEKOMSTIG RECHT.
Informations à fournir avant l'affiliation DROIT FUTUR.
Art. 52quater. [1 De pensioeninstelling deelt de volgende gegevens mee aan de potentiële aangeslotenen vóór zij de pensioenovereenkomst onderschrijven:
   1° de relevante opties die zijn voorzien in de pensioenovereenkomst, met inbegrip van de beleggingsopties;
   2° de relevante kenmerken van de pensioenovereenkomst, waaronder de soort uitkeringen;
   3° of en hoe in het kader van de beleggingsstrategie rekening wordt gehouden met milieu-, klimaat-, sociale en corporate governancefactoren;
   4° waar verdere informatie beschikbaar is, onder meer met verwijzing naar de website www.mypension.be.
   Indien de aangeslotenen een beleggingsrisico dragen of beleggingsbeslissingen kunnen nemen, wordt eveneens volgende informatie meegedeeld:
   1° de resultaten die de beleggingen van het geheel van pensioenovereenkomsten zoals bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, in het verleden hebben behaald over ten minste de afgelopen vijf jaar, of de hele periode gedurende dewelke deze pensioenovereenkomsten zijn uitgevoerd indien die minder dan vijf jaar is;
   2° de structuur van de kosten die door de aangeslotenen worden gedragen.
   De Koning kan de lijst met gegevens vermeld in het eerste en het tweede lid aanvullen.]1

  
Art. 52quater DROIT FUTUR. 1 L'organisme de pension communique les données suivantes aux affiliés potentiels avant la conclusion de la convention de pension:
   1° les options pertinentes prévues par la convention de pension, y compris les options d'investissement;
   2° les caractéristiques pertinentes de la convention de pension, y compris le type de prestations;
   3° si et de quelle manière les facteurs environnementaux, climatiques, sociaux et de gouvernance d'entreprise sont pris en considération dans la stratégie d'investissement;
   4° où il est possible de trouver des informations supplémentaires, en se référant notamment au site web www.mypension.be.
   Lorsque les affiliés supportent le risque d'investissement ou qu'ils peuvent prendre des décisions en matière de placements, les informations suivantes sont également communiquées:
   1° les performances que les investissements liés à l'ensemble des conventions de pension tel que visé à l'article 53, § 1, alinéa 1er, ont réalisées dans le passé sur une période minimale de cinq ans ou sur toute la période de fonctionnement de ces conventions de pension si elle est inférieure à cinq ans;
   2° la structure des coûts supportés par les affiliés.
   Le Roi peut compléter la liste des données visées aux alinéas 1er et 2.]1  
Informatie aan de aangeslotenen en de rentegenieters TOEKOMSTIG RECHT.
Informations à fournir aux affiliés et aux rentiers DROIT FUTUR.
Art. 52quinquies. [1 De pensioeninstelling stelt volgende informatie over de voorwaarden van de pensioenovereenkomst ter beschikking van de aangeslotenen en de rentegenieters:
   1. de naam van de pensioeninstelling, de lidstaat waar de pensioeninstelling geregistreerd is of een vergunning heeft gekregen en de naam van de bevoegde autoriteit;
   2. de rechten en plichten van de bij de pensioenovereenkomst betrokken partijen;
   3. de voorwaarden betreffende volledige of gedeeltelijke garanties uit hoofde van de pensioenovereenkomst of op een bepaalde hoogte van de uitkeringen, of een verklaring daarover wanneer er geen garantie uit hoofde van de pensioenovereenkomst is voorzien;
   4. een toelichting over de garantie bedoeld in artikel 47, tweede lid;
   5. de opties waarover de aangeslotenen en de rentegenieters beschikken bij het innen van hun prestaties;
   6. indien een aangeslotene of rentegenieter het recht heeft om pensioenrechten over te dragen, verdere informatie over de regelingen voor die overdracht;
   7. bij pensioenovereenkomsten waarbij de aangeslotenen of rentegenieters een beleggingsrisico dragen en waarbij meerdere beleggingsmogelijkheden met verschillende beleggingsprofielen worden geboden:
   - de voorwaarden die aan het scala aan beschikbare beleggingsmogelijkheden verbonden zijn;
   - indien van toepassing, de standaard beleggings-mogelijkheid;
   - de in het kader van de pensioenovereenkomst gehanteerde regel om een bepaalde aangeslotene aan een beleggingsmogelijkheid toe te wijzen.
   Binnen een redelijke termijn wordt alle relevante informatie over wijzigingen van de in het eerste lid bedoelde informatie ter beschikking gesteld van de aangeslotenen en rentegenieters.]1

  
Art. 52quinquies DROIT FUTUR. [1 L'organisme de pension met à la disposition des affiliés et des rentiers les informations suivantes sur les conditions de la convention de pension:
   1. le nom de l'organisme de pension, l'Etat membre dans lequel l'organisme de pension est enregistré ou agréé et le nom de l'autorité compétente;
   2. les droits et obligations des parties à la convention de pension;
   3. les conditions concernant les garanties totales ou partielles au titre de la convention de pension ou d'un niveau donné de prestations ou, lorsque aucune garantie n'est prévue au titre de la convention de pension, une déclaration à cet effet;
   4. des explications sur la garantie visée à l'article 47, alinéa 2;
   5. les options à la disposition des affiliés et des rentiers pour obtenir le versement de leurs prestations;
   6. lorsqu'un affilié ou un rentier a le droit de transférer des droits à retraite, des informations supplémentaires sur les modalités d'un tel transfert;
   7. pour les conventions de pension dans lesquelles les affiliés ou les rentiers supportent un risque d'investissement et qui prévoient plusieurs options avec différents profils d'investissement:
   - les conditions en ce qui concerne l'éventail des options d'investissement disponibles;
   - le cas échéant, l'option d'investissement par défaut;
   - les dispositions de la convention de pension régissant l'attribution d'un affilié donné à une option d'investissement.
   Toute information pertinente concernant d'éventuelles modifications des informations visées à l'alinéa 1er est mise à la disposition des affiliés et des rentiers dans un délai raisonnable.]1

  
Art.53. (§ 1.) De pensioeninstelling stelt elk jaar een verslag op over het beheer van de pensioenovereenkomsten. Dit verslag wordt op verzoek van elke aangeslotene en/of geïnteresseerde ter beschikking gesteld. <W 2006-10-27/37, art. 194, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Het verslag moet informatie bevatten over de volgende elementen :
  1° de beleggingsstrategie op lange en korte termijn en de mate waarin daarbij rekening wordt gehouden met sociale, ethische en leefmilieuaspecten;
  2° het rendement van de beleggingen;
  3° de kostenstructuur;
  4° in voorkomend geval de winstdeling onder de aangeslotenen.
  (§ 2. De pensioeninstelling verstrekt op eenvoudig verzoek aan de aangeslotenen, hun rechthebbenden of hun vertegenwoordigers :
  1° de verklaring inzake de beleggingsbeginselen bedoeld in artikel 52bis;
  2° de jaarrekening en het jaarverslag van de pensioeninstelling, alsook, in voorkomend geval, de jaarrekening en het jaarverslag [2 met betrekking tot het aanvullend pensioen]2 van de aangeslotene;
  3° wanneer de aangeslotene het beleggingsrisico draagt, alle eventueel beschikbare beleggingsmogelijkheden en de feitelijke beleggingsportefeuille, met een beschrijving van de risico's en de kosten die met de beleggingen zijn verbonden.
  De [1 FSMA]1 kan bij reglement de inhoud en de vorm bepalen van de inlichtingen bedoeld in deze paragraaf.) <W 2006-10-27/37, art. 194, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  
Art.53. (§ 1er.) L'organisme de pension rédige chaque année un rapport sur la gestion des conventions de pension. Ce rapport est mis à la disposition de tout affilié et/ou intéressé qui en fait la demande. <L 2006-10-27/37, art. 194, 022; En vigueur : 01-01-2007>
  Le rapport doit contenir des informations sur les éléments suivants :
  1° la stratégie d'investissement à long et à court terme et la mesure dans laquelle sont pris en compte les aspects social, éthique et environnemental;
  2° le rendement des placements;
  3° la structure des frais;
  4° le cas échéant, la participation aux bénéfices des affiliés.
  (§ 2. L'organisme de pension remet sur simple demande, aux affiliés, à leurs ayants droits ou à leurs représentants :
  1° la déclaration relative aux principes fondant la politique de placement visée à l'article 52 bis;
  2° les comptes et rapports annuels de l'organisme de pension, ainsi que, le cas échéant, les comptes et rapports annuels [2 relatifs à la pension complémentaire]2 de l'affilié;
  3° lorsque l'affilié supporte le risque de placement, l'éventail des options éventuelles de placement et le portefeuille de placement existant, avec une description des risques et des coûts relatifs à ces placements.
  La [1 FSMA]1 peut préciser, par voie de règlement, le contenu et la forme des informations visées au présent paragraphe.) <L 2006-10-27/37, art. 194, 022; En vigueur : 01-01-2007>
  
Art. 53 TOEKOMSTIG RECHT.    (§ 1.) [3 De pensioeninstelling stelt elk jaar een verslag op over het beheer van het geheel van pensioenovereenkomsten die, wat betreft de invulling van de elementen bedoeld in het tweede lid, gelijkaardig zijn. Dit transparantieverslag wordt ter beschikking gesteld van de aangeslotenen en de rentegenieters.]3
  Het verslag moet informatie bevatten over de volgende elementen :
  1° [3 het beleggingsprofiel, waaronder de beleggingsstrategie op lange en korte termijn, de mate waarin daarbij rekening wordt gehouden met milieu-, klimaat-, sociale en corporate governancefactoren, alsook de aard van de financiële risico's die door de aangeslotenen en de rentegenieters worden gedragen]3;
  2° het rendement van de beleggingen. [3 Indien de aangeslotenen een beleggingsrisico dragen of beleggingsbeslissingen kunnen nemen, de resultaten die de beleggingen van de betrokken pensioenovereenkomsten in het verleden hebben behaald over ten minste de afgelopen vijf jaar, of alle jaren gedurende welke deze pensioenovereenkomsten werden uitgevoerd indien dat minder dan vijf jaar is]3;
  3° de kostenstructuur;
  4° in voorkomend geval de winstdeling onder de aangeslotenen.
  (§ 2. De pensioeninstelling verstrekt op eenvoudig verzoek aan de aangeslotenen, [4 de rentegenieters]4 of hun vertegenwoordigers :
  1° de verklaring inzake de beleggingsbeginselen bedoeld in artikel 52bis;
  2° de jaarrekening en het jaarverslag van de pensioeninstelling, alsook, in voorkomend geval, de jaarrekening en het jaarverslag [2 met betrekking tot het aanvullend pensioen]2 van de aangeslotene;
  3° wanneer de aangeslotene het beleggingsrisico draagt, alle eventueel beschikbare beleggingsmogelijkheden en de feitelijke beleggingsportefeuille, met een beschrijving van de risico's en de kosten die met de beleggingen zijn verbonden;
  [4 4° eventuele verdere informatie over de gehanteerde hypothesen om de in artikel 48, § 1/2, eerste lid, 6., bedoelde projecties op te stellen.]4
  [4 ...]4
Art. 53 DROIT FUTUR.    (§ 1er.) [3 L'organisme de pension rédige chaque année un rapport sur la gestion de l'ensemble des conventions de pension qui, en ce qui concerne le contenu des éléments visés à l'alinéa 2, sont semblables. Ce rapport de transparence est mis à la disposition des affiliés et des rentiers.]3
  Le rapport doit contenir des informations sur les éléments suivants :
  1° [3 le profil d'investissement, y compris la stratégie d'investissement à long et à court terme, la mesure dans laquelle sont pris en compte les facteurs environnementaux, climatiques, sociaux et de gouvernance d'entreprise ainsi que la nature des risques financiers supportés par les affiliés et les rentiers]3;
  2° le rendement des placements. [3 Lorsque les affiliés supportent le risque d'investissement ou qu'ils peuvent prendre des décisions en matière de placements, les performances que les investissements liés aux conventions de pension concernées ont réalisées dans le passé sur une période minimale de cinq ans ou sur toute la période de fonctionnement de ces conventions de pension si elle est inférieure à cinq ans]3;
  3° la structure des frais;
  4° le cas échéant, la participation aux bénéfices des affiliés.
  (§ 2. L'organisme de pension remet sur simple demande, aux affiliés, [4 aux rentiers]4 ou à leurs représentants :
  1° la déclaration relative aux principes fondant la politique de placement visée à l'article 52 bis;
  2° les comptes et rapports annuels de l'organisme de pension, ainsi que, le cas échéant, les comptes et rapports annuels [2 relatifs à la pension complémentaire]2 de l'affilié;
  3° lorsque l'affilié supporte le risque de placement, l'éventail des options éventuelles de placement et le portefeuille de placement existant, avec une description des risques et des coûts relatifs à ces placements;
  [4 4° toute autre information sur les hypothèses utilisées pour établir les projections visées à l'article 48, § 1er/2, alinéa 1er, point 6.]4
  [4 ...]4
Bijkomende informatie aan de rentegenieters TOEKOMSTIG RECHT.
Informations supplémentaires à fournir aux rentiers DROIT FUTUR.
Art. 53/1 TOEKOMSTIG RECHT. [1 De pensioeninstelling deelt de rentegenieters periodiek informatie mee over de verschuldigde uitkeringen en de overeenkomstige uitbetalingsmogelijkheden.
   De pensioeninstelling deelt de rentegenieters onverwijld mee dat er een definitief besluit werd genomen dat in een verlaging van de hun toekomende uitkeringen resulteert, en ten laatste drie maanden voordat dat besluit wordt toegepast.
   Wanneer tijdens de uitbetalingsfase een aanzienlijk deel van het beleggingsrisico door de rentegenieters wordt gedragen, deelt de pensioeninstelling de rentegenieters hierover regelmatig passende informatie mee.]1

  
Art. 53/1. [1 L'organisme de pension communique régulièrement aux rentiers les informations relatives aux prestations qui leur sont dues et aux options de versement correspondantes.
   L'organisme de pension communique aux rentiers sans délai qu'une décision définitive a été prise conduisant à une réduction du niveau des prestations qui leur sont dues, et au plus tard trois mois avant que cette décision ne soit mise en oeuvre.
   Lorsqu'un niveau important de risque d'investissement est supporté par les rentiers au cours de la phase de versement, l'organisme de pension communique régulièrement aux rentiers des informations appropriées.]1

  
Onderafdeling 6. - Solidariteit.
Sous-section 6. - Solidarité.
Art.54. Het solidariteitsstelsel, bedoeld in artikel 46, § 1, wordt beheerst door een solidariteitsreglement, waarvan de tekst op eenvoudig verzoek aan de aangeslotenen wordt verstrekt.
  De Koning bepaalt, bij een een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de solidariteitsprestaties die in aanmerking komen, en die betrekking hebben op de financiering van de opbouw van het aanvullend pensioen gedurende bepaalde periodes van inactiviteit, de vergoedingen van inkomstenverlies in bepaalde gevallen of de verhoging van lopende uitkeringen, met aanduiding van de prestaties die minstens in het solidariteitsstelsel moeten worden opgenomen.
Art.54. Le régime de solidarité visé à l'article 46, § 1er, est régi par un règlement de solidarité dont le texte est communiqué aux affiliés sur simple demande.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les prestations de solidarité qui sont prises en considération et qui portent sur le financement de la constitution de la pension complémentaire pendant certaines périodes d'inactivité, les indemnités de perte de revenus dans certains cas ou l'augmentation de prestations en cours, en mentionnant les prestations que doit comprendre au moins le régime de solidarité.
Art.55. De Koning bepaalt de nadere regels inzake de financiering en het beheer van het solidariteitsstelsel.
Art.55. Le Roi détermine les modalités de financement et de gestion du régime de solidarité.
Art.56. De inrichter van het solidariteitsstelsel wordt aangeduid in de pensioenovereenkomst.
  De pensioeninstelling of de rechtspersoon, die het solidariteitsstelsel inricht, beheert het stelsel afgezonderd van zijn andere activiteiten.
Art.56. L'organisateur du régime de solidarité est désigné dans la convention de pension.
  L'organisme de pension ou la personne morale qui organise le régime de solidarité gère le régime séparément de ses autres activités.
Art.57. De bepalingen van artikel 53 zijn van overeenkomstige toepassing.
Art.57. Les dispositions de l'article 53 sont d'application par analogie.
Onderafdeling 7. - Toezicht.
Sous-section 7. - Contrôle.
Art.58. Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten wordt toevertrouwd aan de (FSMA).
Art.58. Le contrôle du respect des dispositions de la présente section et de ses arrêtés d'exécution est confié à la (FSMA).
Art. 58bis. <INGEVOEGD bij W 2006-10-27/37, art. 195; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Met het oog op het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten, bezorgen de pensioeninstellingen en de rechtspersonen die bij de uitvoering van de solidariteitsstelsels betrokken zijn, aan de [1 FSMA]1 de lijst van de pensioenovereenkomsten en de solidariteitsstelsels die zij beheren, evenals de inlichtingen over de beheerde toezeggingen, die de [1 FSMA]1 bepaalt.
  De [1 FSMA]1 bepaalt de periodiciteit, de inhoud en de drager van de in het eerste lid bedoelde mededeling.
  [2 Voor zover de in het eerste lid bedoelde inlichtingen door de pensioeninstellingen en de rechtspersonen die bij de uitvoering van de solidariteitsstelsels betrokken zijn, in overeenstemming met de door de VZW SiGeDiS vastgelegde aangifte-instructies meegedeeld worden aan de door artikel 306 van de programmawet (I) van 27 december 2006 opgerichte gegevensbank betreffende de aanvullende pensioenen, wordt er geacht aan de in het eerste lid bedoelde rapporteringsverplichting voldaan te zijn.]2
  
Art. 58bis. En vue du contrôle du respect des dispositions de la présente section et de ses arrêtés d'exécution, les organismes de pension et les personnes morales concernées par l'exécution des régimes de solidarité communiquent à la [1 FSMA]1 la liste des conventions de pension et des régimes de solidarité qu'ils gèrent, ainsi que les renseignements relatifs aux engagements gérés que la [1 FSMA]1 détermine.
  La [1 FSMA]1 fixe la périodicité, le contenu et le support de la communication visée à l'alinéa 1er.
  [2 A condition que les informations visées à l'alinéa 1er soient communiquées par les organismes de pension et les personnes morales concernées par l'exécution des régimes de solidarité conformément aux instructions de déclaration définies par l'ASBL SiGeDiS, à la banque de données relative aux pensions complémentaires instituée par l'article 306 de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006, l'obligation de faire rapport visée à l'alinéa 1er est considérée comme remplie.]2
  
Art. 58ter. <INGEVOEGD bij W 2006-10-27/37, art. 196; Inwerkingtreding : 01-01-2007> Op verzoek van de [1 FSMA]1 verstrekken de pensioeninstellingen en de rechtspersonen die bij de uitvoering van een solidariteitsstelsel betrokken zijn, alle inlichtingen en documenten met het oog op het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten. De in dit lid bedoelde inlichtingen en documenten worden in de wettelijke opgelegde taal gesteld.
  Met hetzelfde doel kan de [1 FSMA]1 op de zetel inspecties verrichten of een kopie maken van alle gegevens waarover de pensioeninstelling beschikt, in voorkomend geval nadat zij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst hiervan verwittigd heeft.
  Met hetzelfde doel zijn de agenten, makelaars of tussenpersonen ertoe gehouden op eenvoudig verzoek alle nodige inlichtingen te verstrekken aan de [1 FSMA]1 over de pensioenovereenkomsten of de solidariteitsstelsels die aan deze wet zijn onderworpen.
  Voor de uitvoering van de drie voorgaande leden kan de [1 FSMA]1 leden van haar personeel of zelfstandige hiertoe gemachtigde deskundigen afvaardigen, die haar verslag uitbrengen.
  
Art. 58ter. Sur demande de la [1 FSMA]1, les organisme de pensions et les personnes morales concernées par l'exécution d'un régime de solidarité soumettent tout renseignement et fournissent tout document en vue du contrôle du respect des dispositions de la présente section et de ses arrêtés d'exécution. Les renseignements et pièces visés dans cet alinéa sont rédigés dans la langue légalement imposée.
  Dans le même but, la [1 FSMA]1 peut procéder à des inspections sur place ou prendre copie de toute information en possession de l'organisme de pension, après en avoir, le cas échéant, informé les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine.
  Dans le même but, les agents, courtiers ou intermédiaires sont tenus de fournir à la [1 FSMA]1, sur simple demande, tout renseignement qu'ils détiennent concernant les conventions de pension ou les régimes de solidarité soumis à la présente loi.
  La [1 FSMA]1 peut, pour l'exécution des trois alinéas précédents, déléguer des membres de son personnel ou des experts indépendants mandatés à cet effet, qui lui font rapport.
  
Art. 58quater. <INGEVOEGD bij W 2006-10-27/37, art. 197; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. Indien de [2 FSMA]2 vaststelt dat de instellingen en rechtspersonen bedoeld in artikel 58ter zich niet schikken naar de bepalingen van deze afdeling of haar uitvoeringsbesluiten, bepaalt zij de termijn binnen dewelke die toestand dient te zijn verholpen.
  Indien de toestand niet is verholpen na deze termijn kan de [2 FSMA]2, ongeacht de andere maatregelen waarin door of krachtens de wet is voorzien, de aangeslotenen en de begunstigden van de pensioenovereenkomsten of hun vertegenwoordigers in kennis stellen van haar aanmaningen.
  Onder de voorwaarden bepaald in dit artikel kan de [2 FSMA]2 haar aanmaningen bekendmaken in het Belgisch Staatsblad of in de pers.
  De kosten van de kennisgeving en de bekendmaking zijn voor rekening van de pensioeninstelling of van de rechtspersoon tot wie de aanmaning gericht wordt.
  § 2. Indien de instellingen en personen bedoeld in artikel 58ter in gebreke blijven bij het verstrijken van de termijn bedoeld in § 1, kan de [2 FSMA]2, nadat de instelling of persoon [3 zijn middelen heeft kunnen laten gelden]3, [3 een dwangsom opleggen die per kalenderdag vertraging niet meer mag bedragen dan 50.000 euro, noch meer dan 2.500.000 euro voor de miskenning van eenzelfde aanmaning]3.
  [3 § 2bis. Onverminderd andere maatregelen bepaald door deze wet of andere wetten en reglementen, kan de FSMA, indien zij een inbreuk vaststelt op de bepalingen van deze wet of van de besluiten of reglementen genomen ter uitvoering ervan, aan de daarvoor verantwoordelijke persoon een administratieve geldboete opleggen, die niet meer mag bedragen dan 2.500.000 euro voor hetzelfde feit of voor hetzelfde geheel van feiten. ]3
  § 3. [3 De dwangsommen en boetes die met toepassing van dit artikel worden opgelegd, worden ten voordele van de Schatkist geïnd door de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen.]3
  [1 § 4. De FSMA stelt de Bank in kennis van de beslissingen die zij met toepassing van § 1 en § 2 neemt ten aanzien van een aan het toezicht van de Bank onderworpen pensioeninstelling.]1
  
Art. 58quater. § 1er. Si la [2 FSMA]2 constate que les organismes et personnes morales visés à l'article 58ter ne se conforment pas aux dispositions de la présente section ou de ses arrêtés exécution, elle fixe le délai dans lequel il doit être remédié à la situation.
  Si, au terme de ce délai, il n'a pas été remédié à la situation, la [2 FSMA]2 peut, indépendamment des autres mesures prévues par ou en vertu de la loi, communiquer ses injonctions aux affiliés et aux bénéficiaires des conventions de pension ou à leurs représentants.
  La [2 FSMA]2 peut, dans les conditions prévues par le présent article, rendre publiques ses injonctions par la voie du Moniteur belge ou par voie de presse.
  Les frais de communication et de publication sont à charge de l'organisme de pension ou de la personne morale auquel l'injonction s'adresse.
  § 2. Si les organismes et personnes visés à l'article 58ter restent en défaut à l'expiration du délai visé au § 1er, la [2 FSMA]2 peut, après que l'institution ou la personne [3 ait pu faire valoir ses moyens]3, lui infliger [3 une astreinte qui ne peut être, par jour calendrier de retard, supérieure à 50.000 euros, ni, pour la méconnaissance d'une même injonction, supérieure à 2.500.000 euros]3.
  [3 § 2bis. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi ou par d'autres lois et règlements, la FSMA peut, lorsqu'elle constate une infraction aux dispositions de la présente loi ou des arrêtés et règlements pris pour son exécution, infliger à la personne responsable une amende administrative, qui ne peut excéder, pour le même fait ou pour le même ensemble de faits, 2.500.000 euros.]3
  § 3. [3 § 3. Les astreintes et amendes imposées en application du présent article sont recouvrées au profit du Trésor par l'administration du Cadastre, de l'Enregistrement et des Domaines.]3
  [1 § 4. La [2 FSMA]2 porte à la connaissance de la Banque les décisions qu'elle prend, par application des §§ 1er et 2, à l'égard d'un organisme de pension soumis au contrôle de la Banque.]1
  
Art.59. (De erkende commissarissen en de actuarissen aangeduid overeenkomstig de wetgeving inzake het prudentieel toezicht) brengen de (FSMA) op de hoogte van elk feit of elke beslissing waarvan zij bij de uitvoering van hun opdracht kennis hebben gekregen en die een inbreuk op de bepalingen van deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten uitmaken. <W 2006-10-27/37, art. 198, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Melding te goeder trouw aan de (FSMA) door de erkende commissarissen en de actuarissen van de in het eerste lid bedoelde feiten of beslissingen vormt geen inbreuk op ongeacht welke beperking inzake de openbaarmaking van informatie, opgelegd op grond van een contract of van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling, en leidt voor de betrokken personen tot geen enkele vorm van aansprakelijkheid met betrekking tot de inhoud van die melding.
Art.59. (Les commissaires agréés et les actuaires désignés conformément à la législation de contrôle prudentiel), doivent porter à la connaissance de la (FSMA) tout fait ou toute décision dont ils ont eu connaissance dans le cadre de leur mission et qui constitue une infraction aux dispositions de la présente section et de ses arrêtés d'exécution. <L 2006-10-27/37, art. 198, 022; En vigueur : 01-01-2007>
  La divulgation de bonne foi à la (FSMA) par les commissaires agréés et les actuaires des faits et décisions visés au premier alinéa, ne constitue pas une violation d'une quelconque restriction à la divulgation d'informations imposée par contrat ou par une disposition législative, réglementaire ou administrative et n'entraîne pour les personnes concernées aucune responsabilité d'aucune sorte relative au contenu de cette communication.
Art.61. § 1. Onder de benaming " [2 Commissie voor de Aanvullende Pensioenen voor Zelfstandigen]2 ", wordt een adviesorgaan ingesteld met als opdracht advies te verstrekken over de besluiten die in uitvoering van deze afdeling worden genomen en overleg te plegen omtrent alle vragen inzake de toepassing van deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten die haar door de bevoegde ministers [2 ...]2n of door de (FSMA) worden voorgelegd.
  De [2 Commissie voor de Aanvullende Pensioenen voor Zelfstandigen]2 kan uit eigen beweging adviezen geven over alle problemen inzake de toepassing van deze afdeling en haar uitvoeringsbesluiten.
  § 2. De [2 Commissie voor de Aanvullende Pensioenen voor Zelfstandigen]2 bestaat uit vijftien leden, benoemd door de Koning omwille van hun ervaring op het vlak van de in deze afdeling geregelde materies :
  1° zes leden worden gekozen om de belangen van de zelfstandigen, de meewerkende echtgenoten en de zelfstandige helpers te vertegenwoordigen, op een dubbele lijst voorgedragen door het Algemeen Beheerscomité voor het Sociaal Statuut van de Zelfstandigen;
  2° twee leden worden gekozen uit de vertegenwoordigers van pensioeninstellingen die in België bedrijvig zijn, op een dubbele lijst voorgedragen door de meest representatieve beroepsorganisaties;
  3° twee leden worden gekozen uit de vertegenwoordigers van de gepensioneerde zelfstandigen, op een dubbele lijst voorgedragen door [1 de Federale Adviesraad voor Ouderen]1;
  4° de overige vijf leden moeten deskundig zijn en blijk geven van ervaring op het vlak van de in deze afdeling geregelde materies.
  § 3. De leden van de [2 Commissie voor de Aanvullende Pensioenen voor Zelfstandigen]2 worden voor zes jaar benoemd; zij zijn herbenoembaar.
  Uitzonderlijk wordt, bij de eerste benoeming, het mandaat van vijf door loting aangewezen leden tot twee jaar beperkt. Het mandaat van vijf andere, eveneens door loting aangewezen leden wordt tot vier jaar beperkt.
  De Koning wijst uit de leden de voorzitter van de [2 Commissie voor de Aanvullende Pensioenen voor Zelfstandigen]2 aan en bepaalt de vergoedingen die de leden zullen genieten.
  § 4. De (FSMA) neemt het secretariaat van de [2 Commissie voor de Aanvullende Pensioenen voor Zelfstandigen]2 op zich.
  De [2 Commissie voor de Aanvullende Pensioenen voor Zelfstandigen]2 stelt haar huishoudelijk reglement op.
  
Art.61. § 1er. Il est institué sous le nom de " [2 Commission des Pensions Complémentaires pour Indépendants]2 ", un organe consultatif qui a pour mission de rendre des avis sur les arrêtés pris en exécution de la présente section et de délibérer sur toutes questions relatives à l'application de la présente section et de ses arrêtés d'exécution qui lui sont soumises par les ministres compétents[2 ...]2 et la (FSMA).
  La [2 Commission des Pensions Complémentaires pour Indépendants]2 peut d'initiative rendre des avis sur tous problèmes concernant l'application de la présente section et de ses arrêtes d'exécution.
  § 2. La [2 Commission des Pensions Complémentaires pour Indépendants]2 se compose de quinze membres nommés par le Roi en raison de leur expérience dans les matières réglées par la présente section :
  1° six membres sont choisis pour représenter les intérêts des travailleurs indépendants, des conjoints aidant et des aidant indépendants, présentés sur une liste double par le Comité Général de Gestion du Statut Social des Indépendants;
  2° deux membres sont choisis parmi les représentants des organismes de pension actifs en Belgique, présentés sur une liste double par les organisations professionnelles les plus représentatives;
  3° deux membres sont choisis parmi les représentants des indépendants pensionnés, présentés sur une liste double par [1 le Conseil consultatif fédéral des aînés]1;
  4° les cinq autres membres doivent présenter des qualifications et une expérience dans le domaine des matières réglées par la présente section.
  § 3. La durée du mandat des membres de la [2 Commission des Pensions Complémentaires pour Indépendants]2 est de six ans; il est renouvelable.
  Exceptionnellement, lors de la première nomination, le mandat de cinq membres désignés par tirage au sort, sera limité à deux ans. Le mandat de cinq autres membres, également désignés par tirage au sort, sera limité à quatre ans.
  Le Roi désigne le président de la [2 Commission des Pensions Complémentaires pour Indépendants]2 parmi les membres qui la composent et détermine les indemnités dont bénéficient les membres.
  § 4. La (FSMA) assume le secrétariat de la [2 Commission des Pensions Complémentaires pour Indépendants]2.
  La [2 Commission des Pensions Complémentaires pour Indépendants]2 établit son règlement d'ordre intérieur.
  
Onderafdeling 8. - Strafbepalingen.
Sous-section 8. - Dispositions pénales.
Art.62. Met een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met een geldboete (van 25 tot 250 euro), of met één van die straffen alleen worden gestraft, de beheerders, zaakvoerders of lasthebbers van pensioeninstellingen en van andere rechtspersonen belast met de organisatie van het solidariteitsstelsel die over de toepassing van deze afdeling wetens en willens onjuiste verklaringen hebben afgelegd aan de (FSMA) of aan de door hem gevolmachtigde persoon, of die hebben geweigerd de ter uitvoering van deze afdeling of haar uitvoeringsbesluiten gevraagde inlichtingen te verstrekken. <W 2006-10-27/37, art. 199, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  Dezelfde straffen zijn van toepassing op de beheerders, commissarissen, aangeduide actuarissen, directeurs, zaakvoerders of lasthebbers van pensioeninstellingen en van andere rechtspersonen belast met de organisatie van het solidariteitsstelsel die niet hebben voldaan aan de verplichtingen hun opgelegd door deze afdeling of haar uitvoeringsbesluiten of die hebben meegewerkt aan de uitvoering van pensioenovereenkomsten die in strijd zijn met deze afdeling of haar uitvoeringsbesluiten.
  Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn toepasselijk op de misdrijven in deze afdeling omschreven, zonder dat het bedrag van de geldboete lager mag zijn dan 40 %van de in deze onderafdeling bepaalde minimumbedragen.
Art.62. Sont punis d'une peine d'emprisonnement d'un mois à cinq ans et d'une amende allant (de 25 à 250 euros), ou d'une de ces peines seulement, les administrateurs, gérants ou mandataires d'organismes de pension et d'autres personnes morales chargées de l'organisation du régime de solidarité qui ont fait sciemment des déclarations inexactes sur l'application de la présente section, à la (FSMA) ou à la personne mandatée par lui, ou qui ont refusé de fournir les informations demandées en application de la présente section ou de ses arrêtés d'exécution. <L 2006-10-27/37, art. 199, 022; En vigueur : 01-01-2004>
  Les mêmes sanctions sont applicables aux administrateurs, commissaires, actuaires désignés, directeurs, gérants ou mandataires d'organismes de pension et d'autres personnes morales chargées de l'organisation du régime de solidarité qui n'ont pas satisfait aux obligations leur imposées par la présente section ou ses arrêtés d'exécution ou qui ont collaboré à l'exécution des conventions de pension qui sont contraires à la présente section ou à ses arrêtés d'exécution.
  Toutes les dispositions du livre premier du Code pénal, y compris celles du chapitre VII et de l'article 85, sont applicables aux délits décrits dans la présente section, sans que le montant de l'amende ne puisse être inférieur à 40 % des montants minimaux déterminés dans la présente sous-section.
Onderafdeling 9. - Overgangsbepalingen.
Sous-section 9. - Dispositions transitoires.
Art.63. Artikel 47, tweede lid, is enkel van toepassing op het deel van de bijdragen dat werd betaald na de datum van inwerkingtreding van dat artikel.
Art.63. L'article 47, alinéa 2, ne s'applique qu'à la partie des contributions qui a été payée après la date d'entrée en vigueur de cet article.
Art.64. De pensioeninstelling mag de keuze van de aangeslotene inzake beleggingen beperken en het beleggingsbeleid aanpassen aan de garantievereiste binnen een termijn van één jaar na de inwerkingtreding van artikel 47, tweede lid.
Art.64. L'organisme de pension peut limiter le choix de l'affilié en matière de placements et adapter la politique d'investissement à l'exigence de garantie dans un délai d'un an suivant l'entrée en vigueur de l'article 47, alinéa 2.
Art.65. De formele aanpassing van de bestaande pensioenovereenkomsten dient te zijn beëindigd uiterlijk één jaar na de datum van inwerkingtreding van dit artikel.
Art.65. L'adaptation formelle des conventions de pension existantes doit être terminée au plus tard un an après la date d'entrée en vigueur du présent article.
Art. 65/1. [1 In afwijking van artikel 49, § 1, voor de aangeslotenen die de leeftijd van 58 jaar of meer in 2016 bereiken, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 60 jaar bereikt voor zover de pensioenovereenkomst zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van het huidige artikel het toelaat.
   In afwijking van artikel 49, § 1, voor de aangeslotenen die de leeftijd van 57 jaar in 2016 bereiken, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 61 jaar bereikt voor zover de pensioenovereenkomst zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van het huidige artikel het toelaat.
   In afwijking van artikel 49, § 1, voor de aangeslotenen die de leeftijd van 56 jaar in 2016 bereiken, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 62 jaar bereikt voor zover de pensioenovereenkomst zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van het huidige artikel het toelaat.
   In afwijking van artikel 49, § 1, voor de aangeslotenen die de leeftijd van 55 jaar in 2016 bereiken, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 63 jaar bereikt voor zover de pensioenovereenkomst zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van het huidige artikel het toelaat.]1

  
Art. 65/1. [1 Par dérogation à l'article 49, § 1er, pour les affiliés qui atteignent l'âge de 58 ans ou plus en 2016, la prestation de pension complémentaire et les réserves acquises peuvent également être liquidées à partir du moment où l'affilié atteint l'âge de 60 ans pour autant que la convention de pension telle qu'en vigueur avant la date d'entrée en vigueur du présent article le permette.
   Par dérogation à l'article 49, § 1er, pour les affiliés qui atteignent l'âge de 57 ans en 2016, la prestation de pension complémentaire et les réserves acquises peuvent également être liquidées à partir du moment où l'affilié atteint l'âge de 61 ans pour autant que la convention de pension telle qu'en vigueur avant la date d'entrée en vigueur du présent article le permette.
   Par dérogation à l'article 49, § 1er, pour les affiliés qui atteignent l'âge de 56 ans en 2016, la prestation de pension complémentaire et les réserves acquises peuvent également être liquidées à partir du moment où l'affilié atteint l'âge de 62 ans pour autant que la convention de pension telle qu'en vigueur avant la date d'entrée en vigueur du présent article le permette.
   Par dérogation à l'article 49, § 1er, pour les affiliés qui atteignent l'âge de 55 ans en 2016, la prestation de pension complémentaire et les réserves acquises peuvent également être liquidées à partir du moment où l'affilié atteint l'âge de 63 ans pour autant que la convention de pension telle qu'en vigueur avant la date d'entrée en vigueur du présent article le permette.]1

  
Art. 65/2. [1 De bepalingen van artikel 49, § 2, derde lid, zijn van toepassing op voorschotten, inpandgevingen of toewijzingen van de afkoopwaarde aan de wedersamenstelling van een hypothecair krediet, overeengekomen vanaf 1 januari 2016.]1
  
Art. 65/2. [1 Les dispositions de l'article 49, § 2, alinéa 3 sont applicables aux avances, mises en gage ou affectations de la valeur de rachat à la reconstitution d'un crédit hypothécaire convenues à partir du 1er janvier 2016.]1
  
Art. 65/3. [1 Bij wijziging van de pensioenleeftijd voorzien in een bij de inwerkingtreding van het huidige artikel bestaande pensioenovereenkomst, mag de pensioenleeftijd niet lager zijn dan de op het ogenblik van de wijziging in voege zijnde wettelijke pensioenleeftijd.]1
  
Art. 65/3. [1 En cas de modification de l'âge de retraite prévu par une convention de pension existant à la date d'entrée en vigueur du présent article, l'âge de retraite ne peut être inférieur à l'âge légal de la pension en vigueur au moment de la modification.]1
  
Art. 65/4. [1 In afwijking van artikel 49, § 1, voor de aangeslotenen die in 2016 de leeftijd van 55 jaar of meer bereiken, mogen de aanvullende pensioenprestatie en de verworven reserves eveneens uitbetaald worden vanaf het ogenblik waarop de aangeslotene de leeftijd van 60 jaar bereikt, voor zover de pensioenovereenkomst zoals van kracht voor de datum van inwerkingtreding van de wet van 18 december 2015 tot waarborging van de duurzaamheid en het sociale karakter van de aanvullende pensioenen en tot versterking van het aanvullende karakter ten opzichte van de rustpensioenen het toelaat, op voorwaarde dat de aangeslotene aan één van de volgende criteria voldoet :
   1° De aangeslotene verkreeg na 30 september 2010 en voor 1 oktober 2015 de uitkering bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen;
   2° De aangeslotene verkreeg na 30 september 2010 en voor 1 oktober 2015 een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van sociale bijdragen van de Commissie voor vrijstelling van bijdragen bedoeld in artikel 22 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
   3° De aangeslotene die sociale bijdragen verschuldigd was overeenkomstig artikel 12, § 1, of artikel 13bis, § 2, 1°, van het voornoemd koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 verkeerde op een gegeven moment na 30 september 2010 en voor 1 oktober 2015 in een toestand van gerechtelijke reorganisatie;
   4° De vennootschap waarvan de aangeslotene, die sociale bijdragen verschuldigd was overeenkomstig artikel 12, § 1, of artikel 13bis, § 2, 1°, van het voornoemd koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, tijdens de referteperiode bedrijfsleider was in de zin van artikel 32, eerste lid, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 verkeerde op een gegeven moment tijdens de referteperiode na 30 september 2010 en voor 1 oktober 2015 in een toestand van gerechtelijke reorganisatie;
   5° Ten eerste overschrijden de beroepsinkomsten van de aangeslotene die geen beroepsinkomsten aangeeft zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° en 2°, Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vastgesteld overeenkomstig artikel 11, § 2, eerste, derde en zevende lid van het voornoemd koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, van minstens één aanslagjaar gelegen tussen 1 januari 2012 en 31 december 2016, 1, 5 keer het bedrag bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 niet.
   Ten tweede zijn deze beroepsinkomsten lager dan de beroepsinkomsten uit de twee voorgaande aanslagjaren.
   Enkel de beroepsinkomsten van aanslagjaren waarin de aangeslotene sociale bijdragen verschuldigd was overeenkomstig artikel 12, § 1, of § 1ter, of artikel 13bis, § 2, 1°, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 komen in aanmerking.
   Het bewijs van de situaties bedoeld in punten 1°, 2° en 5° wordt geleverd aan de hand van een attest van de vrije sociale verzekeringskas voor zelfstandigen, opgericht overeenkomstig artikel 20, § 1, van het voornoemd koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967, of van de Nationale Hulpkas bedoeld in artikel 20, § 3, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 38 waarbij de aangeslotene zich aansloot.]1

  
Art. 65/4. [1 Par dérogation à l'article 49, § 1er, pour les affiliés qui atteignent l'âge de 55 ans ou plus en 2016, la prestation de pension complémentaire et les réserves acquises peuvent également être liquidées à partir du moment où l'affilié atteint l'âge de 60 ans, pour autant que la convention de pension telle qu'en vigueur avant la date d'entrée en vigueur de la loi du 18 décembre 2015 visant à garantir la pérennité et le caractère social des pensions complémentaires et visant à renforcer le caractère complémentaire par rapport aux pensions de retraite le permette et à condition que l'affilié réponde à un des critères suivants :
   1° L'affilié a obtenu, après le 30 septembre 2010 et avant le 1er octobre 2015, le bénéfice de l'indemnité visée à l'article 7 de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants;
   2° L'affilié a obtenu, après le 30 septembre 2010 et avant le 1er octobre 2015, une dispense totale ou partielle de cotisations sociales de la Commission de dispense des cotisations visée à l'article 22 de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
   3° L'affilié qui était redevable des cotisations sociales suivant l'article 12, § 1er, ou l'article 13bis, § 2, 1°, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 précité s'est trouvé, à un moment donné après le 30 septembre 2010 et avant le 1er octobre 2015, en situation de réorganisation judiciaire;
   4° La société dont l'affilié qui était redevable des cotisations sociales conformément à l'article 12, § 1er, ou l'article 13bis, § 2, 1°, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 précité et était pendant la période de référence dirigeant d'entreprise au sens de l'article 32, alinéa premier, 1° et 2°, du Code des impôts sur les revenus 1992 s'est trouvé, à un moment donné pendant la période de référence après le 30 septembre 2010 et avant le 1er octobre 2015, en situation de réorganisation judiciaire;
   5° Premièrement, les revenus professionnels de l'affilié qui ne déclare pas de revenus tels que visés à l'article 32, 1er alinéa, 1° et 2°, du Code des impôts sur les revenus 1992, fixés conformément à l'article 11, § 2, alinéas 1er, 3 et 7, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 précité, d'au moins un exercice d'imposition d'une année située entre le 1er janvier 2012 et le 31 décembre 2016, ne dépassent pas 1,5 fois le montant visé par l'article 12, § 1er, alinéa 2, du même arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967.
   Deuxièmement, ces revenus professionnels sont plus bas que ceux des deux exercices d'imposition précédents.
   Seuls les revenus professionnels des exercices d'impositions pour lesquels l'affilié était redevable des cotisations sociales conformément à l'article 12, § 1er, ou § 1ter, ou à l'article 13bis, § 2, 1°, du même arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 sont pris en compte.
   La preuve des situations visées aux point 1°, 2° et 5° est délivrée sur la base d'une attestation de la caisse libre d'assurances sociales pour travailleurs indépendants constituée conformément à l'article 20, § 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 précité, ou de la Caisse Nationale Auxiliaire visée à l'article 20, § 3, du même arrêté royal n ° 38 du 27 juillet 1967 à laquelle l'affilié s'est affilié.]1

  
Onderafdeling 10. - Wijzigingsbepalingen.
Sous-section 10. - Dispositions modificatives.
Art.66. In artikel 19, 4°ter , van de hypotheekwet van 16 december 1851, ingevoegd bij de wet van 18 december 1968 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van nr. 535 van 31 maart 1987 en 19 mei 1995 en de wet van 25 januari 1999, worden na de woorden " het Sociaal Fonds voor de diamantarbeiders " de woorden " , de pensioeninstellingen en rechtspersonen, belast met de organisatie van het solidariteitsstelsel, bedoeld in de programmawet van 24 december 2002 " toegevoegd.
  2. Wijzigingen aan de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen
Art.66. A l'article 19, 4°ter , de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851, inséré par la loi du 18 décembre 1968 et modifié par l'arrêté royal n° 535 du 31 mars 1987, l'arrêté royal du 19 mai 1995 et la loi du 25 janvier 1999, sont introduits après les mots " Fonds social pour les ouvriers diamantaires " les mots " , les organismes de pension et les personnes morales chargées de l'organisation du régime de solidarité, visés dans la loi-programme du 24 décembre 2002 ".
  2. Modifications à la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances
Art.67. In artikel 2, § 3, eerste lid, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen wordt het 4° als volgt vervangen :
  " 4° de pensioenkassen wiens bedrijvigheid bestaat in het opbouwen van een aanvullend pensioen en/of het uitkeren van de prestaties als bedoeld in de programmawet van 24 december 2002. "
Art.67. A l'article 2, § 3, alinéa 1er, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances, le 4° est remplacé par le texte suivant :
  " 4° aux caisses de pension ayant pour activité la constitution d'une pension complémentaire et/ou le paiement des prestations telle que visée dans la loi-programme du 24 décembre 2002. "
Art.68. In artikel 9, § 2, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 19 juli 1991, worden de woorden " De in artikel 2, § 3, 6°, bedoelde private voorzorgsinstellingen " vervangen door de woorden " De in artikel 2, § 3, 4° en 6°, bedoelde instellingen ".
Art.68. A l'article 9, § 2, alinéa 1er, de la même loi, modifié par la loi du 19 juillet 1991, les mots " Les institutions privées de prévoyance visées à l'article 2, § 3, 6°, " sont remplacés par les mots " Les institutions visées à l'article 2, § 3, 4° et 6°, ".
Art.69. Artikel 36 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 19 juli 1991, wordt aangevuld met de volgende zin :
  " Deze kosten hebben inzonderheid betrekking op de werkingskosten van de (FSMA) en de Commissie voor de Verzekeringen, bedoeld in respectievelijk de artikelen 29 en 41, en de Raad voor het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen en de Commissie voor het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen, bedoeld in respectievelijk de artikelen 60 en 61 van de programmawet van 24 december 2002. ".
  3. Wijziging aan het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen
Art.69. L'article 36 de la même loi, remplacé par la loi du 19 juillet 1991, est complété par la phrase suivante :
  " Ces frais concernent notamment les frais de fonctionnement de la (FSMA) et de la Commission des Assurances, visés respectivement aux articles 29 et 41, et du Conseil de la Pension Complémentaire Libre des Indépendants et de la Commission de la Pension Complémentaire Libre des Indépendants, visés respectivement aux articles 60 et 61 de la loi-programme du 24 décembre 2002. ".
  3. Modification à l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants
Art.70. Artikel 52bis van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, laatst gewijzigd bij de programmawet van 30 december 2001, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 52bis. De sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen, bedoeld in artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, kunnen de bijdragen verschuldigd in toepassing van de programmawet van 24 december 2002 ontvangen. Zij maken de bijdragen over aan de door de betrokken zelfstandigen gekozen pensioeninstelling.
  De Koning kan nadere regels bepalen voor de toepassing van dit artikel. "
  4. Wijzigingen aan de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994
Art.70. L'article 52bis de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 30 décembre 2001, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 52bis. Les caisses d'assurances sociales pour travailleurs indépendants visées à l'article 20 de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, peuvent recevoir les cotisations dues en application de la loi-programme du 24 décembre 2002 Celles-ci transmettent les cotisations à l'organisme de pension choisi par les travailleurs indépendants concernés.
  Le Roi peut déterminer des modalités particulières d'application du présent article. "
  4. Modifications à la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994
Art.71. In artikel 54 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, laatst gewijzigd bij de wet van 24 december 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1, tweede lid, wordt vervangen als volgt :
  " Deze voordelen kunnen onder meer bestaan in een aandeel van het Instituut in de premies of bijdragen voor overeenkomsten die een vervangingsinkomen garanderen bij invaliditeit of voor pensioenovereenkomsten die beantwoorden aan de voorwaarden gesteld in artikel 46, § 1, van de programmawet van 24 december 2002 of voor pensioenstelsels of bij ontstentenis van dergelijke stelsels, voor overeenkomsten gesloten bij een pensioeninstelling, erkend in toepassing van artikel 22 van de wet van 12 juli 1957 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor bedienden voor zover die stelsels of overeenkomsten voldoen aan de voorwaarde bedoeld in voormeld artikel 46, § 1. De premies of bijdragen kunnen slechts gestort worden aan ondernemingen of instellingen bedoeld in artikel 2, § 1 en § 3, 4°, 5° en 6°, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen.
  De Koning kan bepalen onder welke voorwaarden en volgens welke modaliteiten de premies of bijdragen van het Instituut kunnen worden gestort. Hij kan de voorwaarden inzake minimale activiteit bepalen waaraan de geneesheren, tandheelkundigen, apothekers en kinesitherapeuten moeten voldoen om recht te hebben op de sociale voordelen. Hij kan de modaliteiten bepalen voor het controleren van deze voorwaarden en de procedure vastleggen voor het terugvorderen van het aandeel van het Instituut indien aan de voorwaarden niet is voldaan. ";
  2° § 1, derde tot en met het tiende lid, en § 1bis worden opgeheven.
Art.71. A l'article 54 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, modifié en dernier lieu par la loi du 24 décembre 1999, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 1er, alinéa 2, est remplacé par la disposition suivante :
  " Ces avantages peuvent consister notamment dans une participation de l'Institut dans les primes ou cotisations pour des contrats garantissant un revenu de remplacement en cas d'invalidité ou pour des conventions de pension qui répondent aux conditions fixées à l'article 46, § 1er, de la loi-programme du 24 décembre 2002 ou pour des régimes de pension ou à défaut de tels régimes, pour des contrats souscrits auprès d'un organisme de pension agréé en application de l'article 22 de la loi du 12 juillet 1957 relative à la pension de retraite et de survie des employés pour autant que ces régimes ou contrats satisfassent à la condition visée à l'article 46, § 1er, précité. Les primes ou cotisations ne peuvent être versées qu'aux entreprises ou organismes visés à l'article 2, § 1er et § 3, 4°, 5° et 6°, de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances.
  Le Roi peut déterminer sous quelles conditions et selon quelles modalités les primes ou cotisations de l'Institut peuvent être versées. Il peut fixer les conditions en matière d'activité minimale auxquelles les médecins, les praticiens de l'art dentaire, les pharmaciens et les kinésithérapeutes doivent satisfaire pour avoir droit aux avantages sociaux. Il peut fixer les modalités de contrôle de ces conditions et déterminer la procédure pour la récupération de la participation de l'Institut s'il n'est pas satisfait aux conditions. ";
  2° les § 1er, alinéas 3 à 10, et § 1erbis sont abrogés.
Onderafdeling 11. - Fiscale bepalingen.
Sous-section 11. - Dispositions fiscales.
Art.72. Artikel 34, § 1, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992 en 17 mei 2000, wordt aangevuld als volgt :
  " alsmede aanvullende pensioenen als bedoeld in titel II, hoofdstuk I, afdeling 4, van de programmawet van 24 december 2002; ".
Art.72. L'article 34, § 1er, 2°, du Code des impôts sur les revenus 1992, modifié par les lois des 28 décembre 1992 et 17 mai 2000, est complété comme suit :
  " ainsi que les pensions complémentaires visées au titre II, chapitre Ier, section 4, de la loi-programme du 24 décembre 2002; ".
Art.73. Artikel 38, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 6 augustus 1993, 6 juli 1994 en 21 december 1994, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, bij de wetten van 8 augustus 1997, 8 juni 1998 en 7 april 1999, bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, bij de wetten van 22 mei 2001 en 10 juli 2001, bij koninklijk besluit van 13 juli 2001 en bij de wet van 10 augustus 2001, wordt aangevuld als volgt :
  " 16° voordelen die ten name van de verkrijger voortvloeien uit de rechtstreekse betaling door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering van bijdragen of premies aan een pensioeninstelling voor overeenkomsten in uitvoering van de regeling van sociale voordelen voorzien in artikel 54 van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen; ".
Art.73. L'article 38, alinéa 1er, du même Code, modifié par les lois des 28 juillet 1992, 6 août 1993, 6 juillet 1994 et 21 décembre 1994, par l'arrêté royal du 20 décembre 1996, par les lois des 8 août 1997, 8 juin 1998 et 7 avril 1999, par l'arrêté royal du 20 juillet 2000, par les lois des 22 mai 2001 et 10 juillet 2001, par l'arrêté royal du 13 juillet 2001 et par la loi du 10 août 2001, est complété comme suit :
  " 16° les avantages résultant dans le chef du bénéficiaire du paiement direct par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité de cotisations ou de primes à un organisme de pension pour des contrats en exécution du régime d'avantages sociaux prévu à l'article 54 de la loi du 14 juillet 1994 relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités; ".
Art.74. Artikel 39, § 2, 2°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992, 17 mei 2000 en 19 juli 2000, wordt aangevuld als volgt :
  " d) ze niet geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van bijdragen die in aanmerking konden komen als beroepskosten overeenkomstig artikel 52, 7°bis ; ".
Art.74. L'article 39, § 2, 2°, du même Code, modifié par les lois des 28 décembre 1992, 17 mai 2000 et 19 juillet 2000, est complété comme suit :
  " d) qu'ils ne sont pas constitués en tout ou en partie au moyen de cotisations qui pouvaient être prises en compte comme frais professionnels conformément à l'article 52, 7°bis ; ".
Art.75. Artikel 52 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992, 30 maart 1994, 20 december 1995, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wet van 22 december 1998, wordt aangevuld als volgt :
  " 7°bis. tot de in 7° bedoelde bijdragen behoren inzonderheid de bijdragen als vermeld in artikel 45 van de programmawet van 24 december 2002, met uitzondering van de premies of bijdragen die door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering rechtstreeks aan een pensioeninstelling worden betaald voor overeenkomsten in uitvoering van de regeling van sociale voordelen voorzien in artikel 54 van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en die ten name van de verkrijger zijn vrijgesteld ingevolge artikel 38, eerste lid, 16°. ".
Art.75. L'article 52 du même Code, modifié par les lois des 28 décembre 1992, 30 mars 1994, 20 décembre 1995, par l'arrêté royal du 20 décembre 1996 et par la loi du 22 décembre 1998, est complété comme suit :
  " 7°bis. les cotisations visées au point 7° incluent notamment les cotisations visées à l'article 45 de la loi programme du 24 décembre 2002, à l'exception des primes ou cotisations payées directement à un organisme de pension par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité pour des contrats en exécution du régime d'avantages sociaux prévu à l'article 54 de la loi du 14 juillet 1994 relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités et qui sont exonérées dans le chef du bénéficiaire en application de l'article 38, alinéa 1er, 16°. ".
Art.76. In artikel 59, derde lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992 en 6 juli 1994, worden de woorden " artikel 52, 7°bis of in " ingevoegd tussen de woorden " met werkgevers- of persoonlijke bijdragen als bedoeld in " en de woorden " artikel 1453 ".
Art.76. A l'alinéa 3 de l'article 59 du même Code, modifie par les lois des 28 décembre 1992 et 6 juillet 1994, les mots " à l'article 52, 7°bis , ou " sont insérés entre les mots " par des cotisations patronales et personnelles visées " et les mots " à l'article 1453 ".
Art.77. Artikel 1454 van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1994 en gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2001, wordt aangevuld als volgt :
  " 3° die bijdragen niet geheel of gedeeltelijk in aanmerking kunnen komen voor de toepassing van artikel 52, 7°bis. "
Art.77. L'article 1454 du même Code, inséré par la loi du 28 décembre 1994 et modifié par la loi du 10 août 2001, est complété comme suit :
  " 3° que ces cotisations ne puissent pas entrer en considération, en tout ou en partie, pour l'application de l'article 52, 7°bis. "
Art.78. In artikel 169, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 december 1992 en bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001, worden de woorden " zoals het van kracht was voordat het door artikel 70 van de programmawet van 24 december 2002, werd vervangen, of van aanvullende pensioenen als bedoeld in titel II, hoofdstuk I, afdeling 4, (van de programmawet van 24 december 2002)" ingevoegd tussen de woorden " of van aanvullende pensioenen overeenkomstig artikel 52bis van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen " en de woorden " alsmede kapitalen ".
Art.78. A l'article 169, § 1er, alinéa 1er, du même Code, modifié par la loi du 28 décembre 1992 et par l'arrêté royal du 13 juillet 2001, les mots " tel qu'il était en vigueur avant d'être remplacé par l'article 70 de la loi-programme du 24 décembre 2002, soit de pensions complémentaires visées au titre II, chapitre Ier, section 4, de la loi-programme du 24 décembre 2002 " sont insérés entre les mots " soit de pensions complémentaires conformément à l'article 52bis de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants " et les mots " ainsi que les allocations en capital ".
Art.79. In artikel 364ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden " , door in artikel 52, 7°bis , vermelde bijdragen " ingevoegd tussen de woorden " die gevormd zijn door werkgeversbijdragen " en de woorden " of door persoonlijke bijdragen ".
Art.79. A l'article 364ter du même Code, inséré par la loi du 28 décembre 1992, les mots " , de cotisations visées à l'article 52, 7°bis , " sont insérés entre les mots " constitués au moyen de cotisations patronales " et les mots " ou de cotisations personnelles ".
Onderafdeling 12. - Slotbepalingen.
Sous-section 12. - Dispositions finales.
Art.80. (Zie NOTA'S onder opschrift) <W 2006-10-27/37, art. 200, 022; Inwerkingtreding : 10-11-2006> De Koning neemt, op gezamenlijke voordracht van de minister van Pensioenen, [3 de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft]3 en de minister van Economie en na advies van de [2 Commissie voor de Aanvullende Pensioenen voor Zelfstandigen]2 [2 ...]2 en de [1 FSMA]1 de besluiten die voor de uitvoering van deze afdeling nodig zijn.
  De Koning kan in het bijzonder het volgende bepalen :
  1° de minimale voorwaarden waaraan de pensioen- en solidariteitsverplichtingen, dienen te beantwoorden, daaronder begrepen de voorwaarden met betrekking tot de prestaties inzake invaliditeit en arbeidsongeschiktheid;
  2° de verplichtingen van de pensioeninstellingen inzake transparantie en informatie jegens de aangeslotenen en de begunstigden;
  De bevoegde ministers kunnen termijnen bepalen waarbinnen de Commissie [2 ...]2 en de [1 FSMA]1 hun advies dienen uit te brengen. In geval van niet-naleving van een van die termijnen, is het bedoelde advies niet meer vereist.
  
Art.80. (Voir NOTES sous l'intitulé) <L 2006-10-27/37, art. 200, 022; En vigueur : 01-01-2007> Le Roi prend, sur la proposition conjointe du ministre des Pensions,[3 du ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions]3 et du ministre de l'Economie, et après avis de la [2 Commission des Pensions Complémentaires pour Indépendants]2 [2 ...]2 et de la [1 FSMA]1, les arrêtés nécessaires à l'exécution de la présente section.
  Le Roi peut, en particulier, réglementer :
  1° les conditions minimales des obligations de pension et de solidarité, en ce compris les conditions relatives aux prestations en matière d'invalidité et d'incapacité de travail;
  2° les obligations des organismes de pensions en matière de transparence et d'information des affiliés et des bénéficiaires;
  Les ministres compétents peuvent fixer des délais endéans lesquels la Commission [2 ...]2 et la CBFA doivent émettre leurs avis. En cas de non-respect de l'un ou l'autre de ces délais, l'avis correspondant n'est plus requis.
  
Art.82. De artikelen 41 tot 71, 80 en 81 treden in werking op 1 januari 2004 behalve voor de artikelen 60 en 61, die op de datum van publicatie van deze wet in het Belgisch Staatsblad in werking treden.
  De artikelen 72 tot 79 treden in werking vanaf aanslagjaar 2005.
Art.82. Les articles 41 à 71, 80 et 81 entrent en vigueur le 1er janvier 2004, à l'exception des articles 60 et 61, qui entrent en vigueur à la date de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
  Les articles 72 à 79 entrent en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 2005.
HOOFDSTUK 2. - Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers.
CHAPITRE 2. - Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés.
Art.83. Artikel 107 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, vervangen bij de wet van 22 februari 1998 en gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 107. § 1. Bij de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers wordt een Fonds voor collectieve uitrustingen en diensten ingesteld, dat kan tegemoetkomen in de opvangkosten voor elk kind dat volgens de huidige wetgeving recht geeft op kinderbijslag. Dat geldt voor de volgende diensten :
  1° de diensten die instaan voor de opvang van kinderen van 2,5 tot 12 jaar buiten de normale schooluren;
  2° de diensten die instaan voor de opvang van zieke kinderen van 0 tot 12 jaar;
  3° de diensten die, buiten hun normale openingsuren, instaan voor de flexibele opvang van kinderen van 0 tot 12 jaar;
  4° de diensten die instaan voor de urgentie-opvang van kinderen van 0 tot 3 jaar;
  Het Fonds wordt beheerd door het Beheerscomité van de Rijksdienst.
  § 2. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst :
  1° de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de financiering door het Fonds mag gebeuren;
  2° de voordelen waarop aanspraak kan gemaakt worden ten laste van het Fonds, en de toekenningsvoorwaarden van die voordelen.
  § 3. Het Beheerscomité van de Rijksdienst bepaalt in een bijzonder reglement alle andere toepassingsmodaliteiten in verband met de werking van het Fonds. Dat reglement treedt in werking na goedkeuring door de minister die bevoegd is voor Sociale Zaken. Deze goedkeuring wordt verleend binnen 3 maanden bij gebreke waarvan ze geacht wordt verleend te zijn.
  § 4. Het Fonds wordt gefinancierd met alle geldmiddelen die het krijgt toegewezen door of krachtens een wet. Indien de globale uitgaven voor de rechtgevende kinderen opgevangen in de in § 1 bedoelde diensten de globale geldmiddelen van het Fonds overschrijden, worden de tegemoetkomingen van dat Fonds proportioneel verminderd volgens de nadere regels die in het bijzonder reglement zijn vastgelegd.
  § 5. De werkingskosten van het Fonds worden op dat Fonds aangerekend.
  § 6. Het Beheerscomité van de Rijksdienst geeft ieder jaar vóór 31 maart rekenschap over het beheer van het Fonds aan de minister die bevoegd is voor Sociale Zaken. ".
Art.83. L'article 107 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, remplacé par la loi du 22 février 1998 et modifié par la loi du 25 janvier 1999, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art 107. § 1er. Il est institué, à l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés, un Fonds d'équipements et de services collectifs qui peut intervenir dans les frais d'accueil de chaque enfant bénéficiaire d'allocations familiales en vertu des présentes lois, au sein des services suivants :
  1° les services chargés de l'accueil des enfants de 2,5 à 12 ans en dehors des heures régulières d'école;
  2° les services chargés de l'accueil d'enfants malades de 0 à 12 ans;
  3° les services qui, en dehors de leurs heures d'ouverture normales, sont chargés d'accueillir avec souplesse des enfants de 0 à 12 ans;
  4° les services chargés de l'accueil d'urgence d'enfants de 0 à 3 ans.
  Le Fonds est géré par le Comité de gestion de l'Office.
  § 2. Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, après avis du Comité de gestion de l'Office :
  1° les modalités et les conditions dans lesquelles le financement par le Fonds peut être opéré;
  2° les avantages auxquels il peut être prétendu à charge du Fonds et les conditions d'octroi de ceux-ci.
  § 3. Le Comité de gestion de l'Office détermine dans un règlement spécial toutes les autres modalités d'application afférentes au fonctionnement du Fonds. Ce règlement entre en vigueur après approbation du ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions. Cette approbation est donnée dans les 3 mois, à défaut de laquelle elle est censée avoir été donnée.
  § 4. Le Fonds est financé par tous les moyens financiers qui lui sont alloués par ou en vertu d'une loi. Au cas où les dépenses globales à consentir en faveur des enfants bénéficiaires accueillis par les services visés au § 1er dépassent les moyens financiers globaux mis à la disposition du Fonds, les interventions de celui-ci sont diminuées proportionnellement selon les modalités fixées par le règlement spécial.
  § 5. Les frais de fonctionnement du Fonds sont mis à charge de ce Fonds.
  § 6. Chaque année, avant le 31 mars, le Comité de gestion de l'Office rend compte au ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions de la gestion de ce Fonds. ".
Art.84. Artikel 83 treedt in werking op een door de Koning bepaalde datum bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De Koning legt de overgangsbepalingen vast bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Art.84. L'article 83 entre en vigueur à une date fixée par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les dispositions transitoires.
HOOFDSTUK 3. - Hervorming van de verhoogde kinderbijslag voor kinderen met een aandoening.
CHAPITRE 3. - Réforme des allocations familiales majorées pour les enfants atteints d'une affection.
Art.85. Artikel 47 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, vervangen bij de wet van 29 december 1990, wordt vervangen bij de volgende bepaling :
  " Art. 47. § 1. De bedragen bedoeld in de artikelen 40 en 50bis worden voor het kind bedoeld in artikel 63, § 1, naargelang de graad van zelfredzaamheid van het kind, verhoogd met een bijslag van 307,81 EUR, 336,94 EUR of 360,19 EUR, onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
  De zelfredzaamheid van het kind wordt geëvalueerd door vergelijking met een kind van dezelfde leeftijd dat niet gehandicapt is.
  De zelfredzaamheid van het kind kan worden herzien onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
  De Koning bepaalt door wie, volgens welke criteria en op welke wijze de zelfredzaamheid van het kind wordt vastgesteld. Hij kan tevens, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bedragen, bedoeld in het eerste lid, wijzigen.
  Indien de toekenning van de bijslag, bedoeld in het eerste lid, het gevolg zou zijn van een weigering van behandeling, wordt deze bijslag niet toegekend.
  De Koning bepaalt door wie en volgens welke regels de weigering van behandeling wordt vastgesteld.
  § 2. De bedragen bedoeld in de artikelen 40 en 50bis worden voor het kind bedoeld in artikel 63, § 2, naargelang van de ernst van de gevolgen van de aandoening, verhoogd met een bijslag van 60 EUR, 150 EUR, 250 EUR, 350 EUR, 375 EUR of 400 EUR, onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bedragen, bedoeld in het eerste lid, wijzigen.
  Indien de toekenning van de bijslag, bedoeld in het eerste lid, het gevolg zou zijn van een weigering van behandeling, wordt deze bijslag niet toegekend.
  De Koning bepaalt door wie en volgens welke regels de weigering van behandeling wordt vastgesteld.
  In afwijking van het eerste lid, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen onder welke voorwaarden en voor welke periode het kind, dat geboren is na 1 januari 1996, de bijslag geniet met toepassing van § 1. ".
Art.85. L'article 47 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, remplace par la loi du 29 décembre 1990, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 47. § 1er. Les montants visés aux articles 40 et 50bis sont, pour l'enfant visé à l'article 63, § 1er, majorés en fonction du degré d'autonomie de l'enfant, d'un supplément de 307,81 EUR, 336,94 EUR ou 360,19 EUR, dans les conditions déterminées par le Roi.
  L'autonomie de l'enfant est évaluée par comparaison à un enfant du même âge qui n'est pas handicapé.
  Le degré d'autonomie de l'enfant peut faire l'objet d'une révision dans les conditions déterminées par le Roi.
  Le Roi détermine par qui, selon quels critères et de quelle manière le degré d'autonomie est fixé. Il peut également, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, modifier les montants visés à l'alinéa 1.
  Si l'octroi du supplément visé à l'alinéa 1er est la conséquence d'un refus de traitement, ce supplément n'est pas octroyé.
  Le Roi détermine par qui et selon quelles règles le refus de traitement est constaté.
  § 2. Les montants visés aux articles 40 et 50bis sont, pour l'enfant visé à l'article 63, § 2, majorés en fonction de la gravité des conséquences de l'affection, d'un supplément de 60 EUR, 150 EUR, 250 EUR, 350 EUR, 375 EUR ou 400 EUR, dans les conditions déterminées par le Roi.
  Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, modifier les montants visés à l'alinéa 1.
  Si l'octroi du supplément visé à l'alinéa 1er est la conséquence d'un refus de traitement, ce supplément n'est pas octroyé.
  Le Roi détermine par qui et selon quelles règles le refus de traitement est constaté.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, déterminer sous quelles conditions et pour quelle période l'enfant, qui est ne après le 1er janvier 1996, bénéficie du supplément par application du § 1er. ".
Art.86. Artikel 56septies van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 januari 1988 en de wetten van 22 december 1989 en 29 december 1990, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 56septies. § 1. Het kind dat geboren is uiterlijk op 1 januari 1996 en getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct. is rechthebbende op kinderbijslag voor zichzelf, voor zover er geen ander recht op kinderbijslag bestaat voor dit kind krachtens deze wetten of het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.
  De Koning bepaalt door wie, volgens welke criteria en op welke wijze de lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van het kind wordt vastgesteld, alsmede de toekenningsvoorwaarden, de leeftijdsgrens en de bedragen van de kinderbijslag.
  De vaststelling van de lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid kan worden herzien onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
  § 2. Het kind dat geboren is na 1 januari 1996 en een aandoening heeft die gevolgen heeft voor hemzelf, op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van de activiteit en de participatie, of voor zijn familiale omgeving is rechthebbende op kinderbijslag voor zichzelf, voor zover er geen ander recht op kinderbijslag bestaat voor dit kind krachtens deze wetten of het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.
  De Koning bepaalt door wie, volgens welke criteria en op welke wijze de gevolgen van de aandoening bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld, alsmede de toekenningsvoorwaarden, de leeftijdsgrens en de bedragen van de kinderbijslag.
  De vaststelling van de gevolgen van de aandoening kan worden herzien onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
  § 3. In afwijking van § 2, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen onder welke voorwaarden en voor welke periode het kind, dat geboren is na 1 januari 1996, de kinderbijslag geniet met toepassing van § 1.
  § 4. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de toepassing van § 2, eerste lid, uitbreiden tot bepaalde categorieën van kinderen geboren uiterlijk op 1 januari 1996. In dit geval wijzigt Hij § 1 op overeenkomstige wijze. ".
Art.86. L'article 56septies des mêmes lois, modifié par l'arrêté royal du 28 janvier 1988 et les lois des 22 décembre 1989 et 29 décembre 1990, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 56septies. § 1er. L'enfant qui est né au plus tard le 1er janvier 1996 et qui est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 p.c. au moins est attributaire des allocations familiales pour lui-même, pour autant qu'il n'y ait pas un autre droit aux allocations familiales pour cet enfant en vertu des présentes lois ou de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants.
  Le Roi détermine par qui, selon quels critères et de quelle manière est constatée l'incapacité physique et mentale de l'enfant, ainsi que les conditions d'octroi, la limite d'âge et les montants des allocations familiales.
  La constatation de l'incapacité physique et mentale peut faire l'objet d'une révision dans les conditions déterminées par le Roi.
  § 2. L'enfant qui est né après le 1er janvier 1996 et qui est atteint d'une affection qui a des conséquences pour lui sur le plan de l'incapacité physique ou mentale ou sur le plan de l'activité et de la participation, ou pour son entourage familial, est attributaire des allocations familiales pour lui-même, pour autant qu'il n'y ait pas un autre droit aux allocations familiales pour cet enfant en vertu des présentes lois ou de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants.
  Le Roi détermine par qui, selon quels critères et de quelle manière les conséquences de l'affection visées à l'alinéa 1er sont constatées ainsi que les conditions d'octroi, la limite d'âge et les montants des allocations familiales.
  La constatation des conséquences de l'affection peut faire l'objet d'une révision dans les conditions déterminées par le Roi.
  § 3. Par dérogation au § 2, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, déterminer sous quelles conditions et pour quelle période l'enfant, qui est né après le 1er janvier 1996, bénéficie des allocations familiales par application du § 1er.
  § 4. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, étendre l'application du § 2, alinéa 1er, à certaines catégories d'enfants nés au plus tard le 1er janvier 1996. Dans ce cas, Il modifie de manière conforme le § 1er. ".
Art.87. Artikel 63 van dezelfde wetten, vervangen bij de wet van 29 december 1990, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 63. § 1. De kinderbijslag wordt tot de leeftijd van 21 jaar toegekend ten behoeve van het kind dat geboren is uiterlijk op 1 januari 1996 en getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 pct.
  De Koning bepaalt door wie, volgens welke criteria en op welke wijze de lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid van het kind wordt vastgesteld, alsmede de voorwaarden waaraan het kind moet voldoen.
  De vaststelling van de lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid kan worden herzien onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
  § 2. De kinderbijslag wordt tot de leeftijd van 21 jaar toegekend ten behoeve van het kind dat geboren is na 1 januari 1996 en een aandoening heeft die gevolgen heeft voor hemzelf, op het vlak van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of op het vlak van de activiteit en de participatie, of voor zijn familiale omgeving.
  De Koning bepaalt door wie, volgens welke criteria en op welke wijze de gevolgen van de aandoening bedoeld in het eerste lid worden vastgesteld, alsmede de voorwaarden waaraan het kind moet voldoen.
  De vaststelling van de gevolgen van de aandoening kan worden herzien onder de voorwaarden bepaald door de Koning.
  § 3. In afwijking van § 2, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen onder welke voorwaarden en voor welke periode het kind, dat geboren is na 1 januari 1996, de kinderbijslag geniet met toepassing van § 1.
  § 4. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de toepassing van § 2, eerste lid, uitbreiden tot bepaalde categorieën van kinderen geboren uiterlijk op 1 januari 1996. In dit geval wijzigt Hij § 1 op overeenkomstige wijze. ".
Art.87. L'article 63 des mêmes lois, remplacé par la loi du 29 décembre 1990, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 63. § 1er. Les allocations familiales sont accordées jusqu'à l'âge de 21 ans en faveur de l'enfant qui est né au plus tard le 1er janvier 1996 et qui est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 p.c. au moins.
  Le Roi détermine par qui, selon quels critères et de quelle manière l'incapacité physique et mentale de l'enfant est constatée, ainsi que les conditions auxquelles l'enfant doit satisfaire.
  La constatation de l'incapacité physique ou mentale peut faire l'objet d'une révision dans les conditions déterminées par le Roi.
  § 2. Les allocations familiales sont accordées jusqu'à l'âge de 21 ans en faveur de l'enfant qui est né après le 1er janvier 1996 et qui est atteint d'une affection qui a des conséquences pour lui sur le plan de l'incapacité physique ou mentale ou sur le plan de l'activité et de la participation, ou pour son entourage familial.
  Le Roi détermine par qui, selon quels critères et de quelle manière les conséquences de l'affection visées à l'alinéa 1er sont constatées ainsi que les conditions auxquelles l'enfant doit satisfaire.
  La constatation des conséquences de l'affection peut faire l'objet d'une révision dans les conditions déterminées par le Roi.
  § 3. Par dérogation au § 2, le Roi peut par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, déterminer sous quelles conditions et pour quelle période l'enfant, qui est né après le 1er janvier 1996, bénéficie des allocations familiales par application du § 1er.
  § 4. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, étendre l'application du § 2, alinéa 1er, à certaines catégories d'enfants nés au plus tard le 1er janvier 1996. Dans ce cas, Il modifie de manière conforme le § 1er. ".
Art.88. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk.
Art.88. Le Roi fixe la date d'entrée en vigueur du présent chapitre.
(NOTE : entrée en vigueur fixée au 01-05-2003 par AR 2003-03-28/39, art. 26.)
HOOFDSTUK 4. - Andere bepalingen betreffende de gezinsbijslag.
CHAPITRE 4. - Autres dispositions relatives aux prestations familiales.
Art.89. Artikel 40, tweede lid, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 11 december 2001, wordt opgeheven.
Art.89. L'article 40, alinéa 2, des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, inséré par l'arrêté royal du 11 décembre 2001, est abrogé.
Art.90. In artikel 42, § 1, eerste lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 april 1997, worden de woorden " en de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag " vervangen door de woorden " , de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag en de internationale overeenkomsten van de sociale zekerheid van kracht in België. "
Art.90. Dans l'article 42, § 1er, alinéa 1er, des mêmes lois, modifié par l'arrêté royal du 21 avril 1997, les mots " et de la loi du 20 juillet 1971 instituant des prestations familiales garanties. " sont remplacés par les mots " , de la loi du 20 juillet 1971 instituant des prestations familiales garanties et des conventions internationales de sécurité sociale en vigueur en Belgique. "
Art.91. In artikel 51 van dezelfde wetten, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 3, eerste lid, 3°, tweede zin, gewijzigd bij de wet van 22 december 1989, wordt vervangen als volgt :
  " De rechthebbende opent dit recht eveneens voor zijn kleinkinderen en achterkleinkinderen of deze van zijn echtgenoot wanneer deze overeenkomstig artikel 70 in een instelling geplaatst zijn, op voorwaarde dat ze onmiddellijk voor de plaatsing deel uitmaakten van het gezin van deze rechthebbende, of wanneer hij diezelfde kleinkinderen en achterkleinkinderen uitsluitend of hoofdzakelijk op zijn kosten laat opvoeden in een inrichting voor onderwijs, opvoeding of verpleging of bij een particulier; ";
  2° § 3, eerste lid, 6°, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1989, 14 mei 2000 en 12 augustus 2000, wordt vervangen als volgt :
  " 6° de kinderen van een persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, de kinderen die door deze persoon geadopteerd zijn of onder pleegvoogdij genomen, de kinderen van de gewezen echtgenoot, de kinderen die door de gewezen echtgenoot geadopteerd zijn of onder pleegvoogdij genomen, op voorwaarde dat deze kinderen deel uitmaken van het gezin. De rechthebbende opent dit recht eveneens voor de voormelde kinderen, wanneer deze overeenkomstig artikel 70 in een instelling geplaatst zijn, op voorwaarde dat ze onmiddellijk voor de plaatsing deel uitmaakten van het gezin van deze rechthebbende; ".
Art.91. A l'article 51 des mêmes lois, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 3, alinéa 1er, 3°, deuxième phrase, modifié par la loi du 22 décembre 1989, est remplacé par le texte suivant :
  " L'attributaire ouvre également ce droit en faveur de ses petits-enfants et arrière-petits-enfants ou ceux de son conjoint, lorsque ceux-ci sont placés dans une institution conformément à l'article 70, à condition qu'ils aient fait partie du ménage de cet attributaire immédiatement avant le placement, ou lorsqu'il fait élever, exclusivement ou principalement à ses frais, ces mêmes petits-enfants et arrière-petits-enfants dans une institution d'enseignement, d'éducation ou d'hospitalisation ou chez un particulier; ";
  2° le § 3, alinéa 1er, 6°, modifié par les lois des 22 décembre 1989, 14 mai 2000 et 12 août 2000, est remplacé par le texte suivant :
  " 6° les enfants d'une personne avec laquelle il forme un ménage de fait, les enfants adoptés ou pris sous tutelle officieuse par cette personne, les enfants de l'ex-conjoint, les enfants adoptés ou pris sous tutelle officieuse par l'ex-conjoint, à la condition que ces enfants fassent partie du ménage. L'attributaire ouvre également ce droit en faveur des enfants précités lorsque ceux-ci sont placés dans une institution conformément à l'article 70, à condition qu'ils aient fait partie du ménage de cet attributaire immédiatement avant le placement; ".
Art.92. In artikel 56 van dezelfde wetten, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, eerste lid, 1°, gewijzigd bij de wetten van 29 december 1990 en 22 februari 1998, worden de woorden " de werkneemster in bevallingsrust " vervangen door de woorden " de werkneemster gedurende het tijdvak van moederschapsbescherming ";
  2° in § 1, eerste lid, 3°, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998, worden de woorden " de werkneemster in bevallingsrust " en de woorden " of de bevallingsrust " respectievelijk vervangen door de woorden " de werkneemster gedurende het tijdvak van moederschapsbescherming " en de woorden " of het tijdvak van moederschapsbescherming ";
  3° in § 2, eerste lid, 1°, inleidende zin, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998, worden de woorden " de werkneemster in bevallingsrust " vervangen door de woorden " de werkneemster gedurende het tijdvak van moederschapsbescherming ";
  4° in § 2, eerste lid, 1°, a), en 2°, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998, wordt het woord " bevallingsrust " vervangen door het woord " moederschapsbescherming ".
Art.92. A l'article 56 des mêmes lois, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le § 1er, alinéa 1er, 1°, modifié par les lois des 29 décembre 1990 et 22 février 1998, les mots " la travailleuse en repos d'accouchement " sont remplaces par les mots " la travailleuse durant la période de protection de la maternité ";
  2° dans le § 1er, alinéa 1er, 3°, modifié par la loi du 22 février 1998, les mots " la travailleuse en repos d'accouchement " et les mots " ou le repos d'accouchement " sont remplacés respectivement par les mots " la travailleuse durant la période de protection de la maternité " et les mots " ou la période de protection de la maternité ";
  3° dans le § 2, alinéa 1er, 1°, phrase liminaire, modifié par la loi du 22 février 1998, les mots " la travailleuse en repos d'accouchement ", sont remplacés par les mots " la travailleuse durant la période de protection de la maternité ";
  4° dans le § 2, alinéa 1er, 1°, a) , et 2°, modifiés par la loi du 22 février 1998, les mots " repos d'accouchement " sont remplacés par les mots " protection de la maternité ".
Art.93. In artikel 56quinquies van dezelfde wetten worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, eerste lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 januari 1988 en de wetten van 22 december 1989 en 22 februari 1998, worden de woorden " , een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden geniet " ingevoegd tussen de woorden " inkomensvervangende tegemoetkoming geniet " en " of ";
  2° § 1, tweede lid, ingevoegd bij de wet van 29 december 1990, wordt vervangen als volgt :
  " De rechthebbende opent dit recht eveneens ten behoeve van de kinderen waarvan sprake is in het eerste lid, wanneer ze geplaatst zijn in een instelling overeenkomstig artikel 70, op voorwaarde dat ze onmiddellijk voor de plaatsing deel uitmaakten van het gezin van deze rechthebbende. "
Art.93. Dans l'article 56quinquies des mêmes lois, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le § 1er, alinéa 1er, modifié par l'arrêté royal du 28 janvier 1988 et les lois des 22 décembre 1989 et 22 février 1998, les mots " , d'une allocation pour l'aide aux personnes âgées " sont insérés entre les mots " revenus " et " ou ";
  2° le § 1er, alinéa 2, inséré par la loi du 29 décembre 1990, est remplacé par l'alinéa suivant :
  " L'attributaire ouvre également ce droit en faveur des enfants dont il est question à l'alinéa 1er, lorsqu'ils sont places dans une institution conformément à l'article 70, à condition qu'ils aient fait partie du ménage de cet attributaire immédiatement avant le placement. "
Art.94. Artikel 56sexies , § 1, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998, wordt aangevuld met het volgende lid :
  " De voorwaarde van verblijf bepaald in het eerste lid is niet van toepassing op de aanvrager :
  1° die valt onder de toepassing van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen;
  2° die staatloze is;
  3° die vluchteling is in de zin van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  4° die niet bedoeld is onder 1° en die onderdaan is van een Staat die het Europees Sociaal Handvest heeft geratificeerd. "
Art.94. L'article 56sexies , § 1er, des mêmes lois, modifié par la loi du 22 février 1998, est complété par l'alinéa suivant :
  " La condition de résidence fixée à l'alinéa 1er n'est pas applicable au demandeur :
  1° qui tombe sous l'application du Règlement (CEE) n° 1408/71 du 14 juin 1971 du Conseil des Communautés européennes relatif à l'application des régimes de sécurité sociale aux travailleurs salariés, aux travailleurs non salariés, ainsi qu'aux membres de leur famille, qui se déplacent à l'intérieur de la Communauté;
  2° qui est apatride;
  3° qui est réfugié au sens de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
  4° qui n'est pas visé au 1° et est ressortissant d'un Etat qui a ratifié la Charte sociale européenne. "
Art.95. Artikel 57bis , tweede lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 29 april 1996 en 24 december 1999, wordt vervangen als volgt :
  " De minister van Sociale Zaken of de ambtenaar van het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu die hij aanduidt, kan in behartigenswaardige gevallen vrijstelling verlenen van de voorwaarde van rechthebbende te zijn op ten minste zes maandelijkse forfaitaire bijslagen, bepaald in de artikelen 55, vierde lid, 56, § 1, eerste lid, 3°, 56bis , § 1, 56quater , eerste lid, 2°, 56decies, § 1, 56undecies , tweede lid, of 57, tweede lid, indien de werknemer de voorwaarde heeft vervuld om aanspraak te maken op ten minste één forfaitaire maandelijkse bijslag krachtens deze wetten in de loop van vijf jaar die de gebeurtenis bedoeld in deze artikelen onmiddellijk voorafgaan. "
Art.95. L'article 57bis , alinéa 2, des mêmes lois, modifié par les lois des 29 avril 1996 et 24 décembre 1999, est remplacé par l'alinéa suivant :
  " Le ministre des Affaires sociales ou le fonctionnaire du Ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement qu'il désigne peut, dans des cas dignes d'intérêt, accorder dispense de la condition d'être attributaire d'au moins six allocations forfaitaires mensuelles, prévue aux articles 55, alinéa 4, 56, § 1er, alinéa 1er, 3°, 56bis , § 1er, 56quater , alinéa 1er, 2°, 56decies , § 1er, 56undecies , alinéa 2, ou 57, alinéa 2, si le travailleur a satisfait aux conditions pour prétendre à au moins une allocation forfaitaire mensuelle en vertu des présentes lois au cours des cinq ans qui précèdent immédiatement l'événement visé dans ces articles. "
Art.96. Artikel 59 van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 22 december 1989, wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Het voordeel van deze wetten kan eveneens niet ingeroepen worden door de personen bedoeld in artikel 51, § 2, die een ander beroep uitoefenen dan dat van werknemer verbonden door een arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in deze wetten, indien er in hoofde van deze personen een effectief recht op kinderbijslag bestaat voor een kind overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, vooraleer deze personen bedoeld in artikel 51, § 2, rechthebbende worden voor dit kind overeenkomstig dit artikel. "
Art.96. L'article 59 des mêmes lois, modifié par la loi du 22 décembre 1989, est complété comme suit :
  " Le bénéfice des présentes lois ne peut pas non plus être invoqué par les personnes visées à l'article 51, § 2, qui exercent une profession autre que celle de travailleur lié par un contrat de travail visé par lesdites lois, s'il existe dans le chef de ces personnes un droit effectif aux allocations familiales pour un enfant en vertu de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants, avant que ces personnes visées à l'article 51, § 2, ne deviennent attributaires pour cet enfant en vertu de cet article. "
Art.97. Artikel 60, § 3, 3°, d) , van dezelfde wetten, opgeheven bij de wet van 22 februari 1998, wordt hersteld in de volgende lezing :
  " d) onverminderd punt b) , wanneer het kind deel uitmaakt van een gezin, samengesteld uit twee rechthebbenden, waarvan de ene een persoon is bedoeld in artikel 51, § 2, en de andere een recht opent op basis van een zelfstandige activiteit, overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen. Dit recht op kinderbijslag voor een kind in hoofde van deze zelfstandige moet effectief bestaan, vooraleer de persoon bedoeld in artikel 51, § 2, rechthebbende wordt voor dit kind; ".
Art.97. L'article 60, § 3, 3°, d), des mêmes lois, abrogé par la loi du 22 février 1998, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " d) sans préjudice du point b) , lorsque l'enfant fait partie d'un ménage composé de deux attributaires dont l'un est une personne, visée à l'article 51, § 2, et l'autre ouvre un droit sur base d'une activité indépendante conformément à l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants indépendant. Ce droit aux allocations familiales dans le chef de cet indépendant pour un enfant doit exister effectivement avant que la personne visée à l'article 51, § 2, ne devienne attributaire pour cet enfant; ".
Art.98. Artikel 64, § 3, tweede lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 22 december 1989, wordt vervangen als volgt :
  " Na een verandering van voorrangsgerechtigde rechthebbende wordt de toekenning of het verlies van het bedrag bedoeld in artikel 50bis evenwel van kracht overeenkomstig artikel 48, vijfde lid, en wordt de toekenning van de bijslagen bedoeld in de artikelen 42bis en 50ter van kracht overeenkomstig artikel 48, zesde lid. "
Art.98. L'article 64, § 3, alinéa 2, des mêmes lois, modifié par la loi du 22 décembre 1989, est remplacé par l'alinéa suivant :
  " Toutefois, à la suite du changement de l'attributaire prioritaire, l'octroi ou la perte du taux visé à l'article 50bis produit ses effets conformément à l'article 48, alinéa 5, et l'octroi des suppléments visés aux articles 42bis et 50ter produit ses effets conformément à l'article 48, alinéa 6. "
Art.99. In artikel 68, tweede lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 1 augustus 1985, 22 december 1989 en 21 maart 1991, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden " bij postassignatie of " worden geschrapt;
  2° de woorden " een Belgische openbare financiële instelling of bij een bank of private spaarkas onderworpen aan de controle van de Bankcommissie " worden vervangen door de woorden " of bij een kredietinstelling onderworpen aan de controle van de Commissie van het Bank- en Financiewezen. "
Art.99. A l'article 68, alinéa 2, des mêmes lois, modifié par les lois des 1er août 1985, 22 décembre 1989 et 21 mars 1991, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots " par assignation postale ou " sont supprimés;
  2° les mots " d'une institution financière publique belge ou d'une banque ou caisse d'épargne privée soumise au contrôle de la Commission bancaire " sont remplacés par les mots " ou d'un établissement de crédit soumis au contrôle de la Commission bancaire et financière. "
Art.100. In artikel 69 van dezelfde wetten, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° Er wordt een § 2bis ingevoegd, luidende :
  " § 2bis. In afwijking van de §§ 1 en 2, bepaalt de Koning de persoon die kan aangeduid worden als bijslagtrekkende in het geval van een ontvoering van het kind. Hij bepaalt eveneens wat er moet verstaan worden onder ontvoering alsook de periode tijdens welke deze persoon bijslagtrekkende kan zijn. ";
  2° § 3, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 21 april 1997, wordt vervangen als volgt :
  " § 3. In het belang van het kind, kan de vader, de moeder, de adoptant, de pleegvoogd, de toeziende voogd, de curator of de rechthebbende, volgens het geval, overeenkomstig artikel 594, 8°, van het Gerechtelijk Wetboek, verzet aantekenen tegen de betaling aan de persoon bedoeld in de §§ 1, 2 of 2bis. "
Art.100. A l'article 69 des mêmes lois, sont apportées les modifications suivantes :
  1° Il est inséré un § 2bis , rédigé comme suit :
  " § 2bis. Par dérogation aux §§ 1er et 2, le Roi détermine la personne qui peut être désignée comme allocataire en cas d'enlèvement de l'enfant. Il détermine également ce qu'il faut entendre par enlèvement de l'enfant ainsi que la période durant laquelle cette personne peut être allocataire. ";
  2° Le § 3, modifié par l'arrêté royal du 21 avril 1997, est remplacé par la disposition suivante :
  " § 3. Si l'intérêt de l'enfant l'exige, le père, la mère, l'adoptant, le tuteur officieux, le tuteur, le curateur ou l'attributaire, selon le cas, peut faire opposition au paiement à la personne visée aux §§ 1er, 2 ou 2bis , conformément à l'article 594, 8°, du Code judiciaire. "
Art.101. In dezelfde wetten wordt een artikel 70ter ingevoegd, luidende :
  " Art. 70ter. Wanneer een kind bij een particulier geplaatst is door bemiddeling of ten laste van een openbare overheid, is aan de bijslagtrekkende die onmiddellijk voor de plaatsingsmaatregel(en) kinderbijslag voor dat kind ontving, een forfaitaire bijslag verschuldigd, waarvan het bedrag en de toekenningsvoorwaarden door de Koning worden vastgelegd bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  Het recht op de forfaitaire bijslag ontstaat of verdwijnt de eerste dag van de maand die volgt op de mededeling aan de bevoegde kinderbijslaginstelling van de beslissing genomen door de overheid die wordt aangewezen door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, waaruit blijkt of de toekenningsvoorwaarden bedoeld in het eerste lid al dan niet vervuld zijn. "
Art.101. Un article 70ter , rédigé comme suit, est inséré dans les mêmes lois :
  " Art. 70ter. Lorsque l'enfant est placé chez un particulier par l'intermédiaire ou à charge d'une autorité publique, il est dû à l'allocataire qui percevait des allocations familiales pour cet enfant immédiatement avant la mesure de placement ou les mesures de placement dont il a fait l'objet, une allocation forfaitaire dont le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, fixe le montant et les conditions d'octroi.
  Le droit à l'allocation forfaitaire naît ou prend fin le premier jour du mois qui suit celui de la notification à l'organisme d'allocations familiales compétent, de la décision prise par l'autorité désignée par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, constatant que les conditions d'octroi visées à l'alinéa 1er sont ou non réunies. "
Art.102. Artikel 73bis , § 1, tweede lid, van dezelfde wetten, wordt vervangen als volgt :
  " Het kraamgeld wordt ook verleend indien geen recht op kinderbijslag krachtens deze wetten bestaat, op voorwaarde dat het een kind betreft waarvoor een akte van aangifte van een levenloos kind werd opgesteld door de ambtenaar van de burgerlijke stand. "
Art.102. L'article 73bis , § 1er, alinéa 2, des mêmes lois, est remplacé par l'alinéa suivant :
  " L'allocation de naissance est également accordée s'il n'existe aucun droit aux allocations familiales en vertu des présentes lois, à condition qu'il s'agisse d'un enfant à propos duquel un acte de déclaration d'enfant sans vie a été établi par l'officier de l'état civil. "
Art.103. Artikel 73quater , § 3, van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 30 december 1992, wordt vervangen als volgt :
  " § 3. De minister van Sociale Zaken of de ambtenaar van het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu die hij aanduidt, kan evenwel de adoptiepremie toekennen in behartigenswaardige gevallen, wanneer de voorwaarden van § 1, 2° of 4° niet zijn vervuld.
  De minister van Sociale Zaken heeft dezelfde bevoegdheid inzake categorieën van behartigenswaardige gevallen. Hij dient dan wel vooraf het advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers in te winnen. "
Art.103. L'article 73quater , § 3, des mêmes lois, inséré par la loi du 30 décembre 1992, est remplacé par la disposition suivante :
  " § 3. Le ministre des Affaires sociales ou le fonctionnaire du Ministère des Affaires sociales, de la Santé publique ou de l'Environnement qu'il désigne peut toutefois accorder la prime d'adoption dans des cas dignes d'intérêt, lorsque les conditions visées au § 1er, 2° ou 4° ne sont pas réunies.
  Le ministre des Affaires sociales a la même compétence en ce qui concerne des catégories de cas dignes d'intérêt. Il demande dans ce cas au préalable l'avis du Comité de gestion de l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés. "
Art.104. In artikel 101 van dezelfde wetten, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het derde lid, 2°, gewijzigd bij de wet van 29 april 1996, worden de woorden " de Regie der Luchtwegen " vervangen door de woorden " BELGOCONTROL, BIAC ";
  2° in het derde lid, 3° en 4°, gewijzigd bij de wet van 29 april 1996, worden de woorden " de Regie der Luchtwegen " vervangen door de woorden " BELGOCONTROL, BIAC ".
Art.104. A l'article 101 des mêmes lois, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'alinéa 3, 2°, modifié par la loi du 29 avril 1996, les mots " de la Régie des voies aériennes ", sont remplacés par les mots " de BELGOCONTROL, de BIAC ";
  2° dans l'alinéa 3, 3° et 4°, modifié par la loi du 29 avril 1996, les mots " la Régie des voies aériennes ", sont remplacés par les mots " BELGOCONTROL, BIAC ".
Art.105. In artikel 120, eerste lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 30 december 2001, worden de woorden " drie jaar " vervangen door de woorden " vijf jaar ".
Art.105. Dans l'article 120, alinéa 1er, des mêmes lois, modifié par la loi du 30 décembre 2001, les mots " trois ans " sont remplacés par les mots " cinq ans ".
Art.106. In artikel 1 van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het vijfde lid, gewijzigd bij de wet van 29 april 1996, wordt aangevuld als volgt :
  " 4° de persoon die niet bedoeld is onder 1° en die onderdaan is van een Staat die het Europees Sociaal Handvest heeft geratificeerd. ";
  2° het zevende lid, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998, wordt aangevuld als volgt :
  " 5° de adoptiepremie. "
Art.106. A l'article 1er de la loi du 20 juillet 1971 instituant des prestations familiales garanties, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 5, modifié par la loi du 29 avril 1996, est complété comme suit :
  " 4° la personne non visée au 1° qui est ressortissante d'un Etat qui a ratifié la Charte sociale européenne. ";
  2° l'alinéa 7, modifié par la loi du 22 février 1998, est complété comme suit :
  " 5° la prime d'adoption. "
Art.107. Artikel 5, derde lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, ingevoegd bij de wet van 24 mei 1994 en gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994, 30 november 1998 en 27 april 1999, wordt aangevuld als volgt :
  " 14° de minister van Sociale Zaken. "
Art.107. L'article 5, alinéa 3, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, inséré par la loi du 24 mai 1994 et modifié par les lois des 21 décembre 1994, 30 novembre 1998 et 27 avril 1999, est complété comme suit :
  " 14° le ministre des Affaires sociales. "
Art.108. Dit hoofdstuk treedt in werking op de eerste dag van de maand na die waarin deze wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad , met uitzondering van :
  1° artikel 90 dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 2001;
  2° artikel 92 dat uitwerking heeft met ingang van 6 oktober 1996;
  3° de artikelen 96 en 97 die in werking treden de eerste dag van het tweede trimester volgend op dit gedurende welk deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt;
  4° artikel 98 dat uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 2000;
  5° artikel 100, 1°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 1998;
  6° artikel 104 dat uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 1998, in de mate dat het verwijst naar BIAC, en met ingang van 2 oktober 1998, in de mate dat het verwijst naar BELGOCONTROL.
Art.108. Ce chapitre entre en vigueur le 1er jour du mois qui suit celui au cours duquel la présente loi aura été publiée au Moniteur belge , à l'exception :
  1° de l'article 90, qui produit ses effets le 1er juillet 2001;
  2° de l'article 92, qui produit ses effets le 6 octobre 1996;
  3° des articles 96 et 97, qui entrent en vigueur le 1er jour du deuxième trimestre qui suit celui au cours duquel la présente loi aura été publiée au Moniteur belge ;
  4° de l'article 98, qui produit ses effets le 1er octobre 2000;
  5° de l'article 100, 1°, qui produit ses effets le 1er juillet 1998;
  6° de l'article 104 qui produit ses effets le 1er octobre 1998, dans la mesure où il se réfère à BIAC, et le 2 octobre 1998, dans la mesure où il se réfère à BELGOCONTROL.
HOOFDSTUK 5. - Maatregelen betreffende de onderwerping.
CHAPITRE 5. - Dispositions diverses en matière d'assujettissement.
Afdeling I. - Maatregelen betreffende de lokale mandatarissen.
Section 1re. - Mesures concernant les mandataires locaux.
Art.109. In artikel 19, § 4, van de nieuwe gemeentewet, vervangen bij de wet van 12 augustus 2001, en gewijzigd bij de wet van 23 maart 2001, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :
  " Worden eveneens onderworpen aan de bovenvermelde stelsels, de burgemeesters en schepenen onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, indien ze zonder de toepassing van de huidige bepaling enkel prestaties inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging zouden genieten mits betaling van bijkomende persoonlijke bijdragen. "
Art.109. Dans l'article 19, § 4, de la nouvelle loi communale, remplacé par la loi du 12 août 2000 et modifié par la loi du 23 mars 2001, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
  " Sont également assujettis aux régimes susvisés, les bourgmestres et échevins assujettis à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou à l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, qui sans l'application de la présente disposition ne bénéficieraient des prestations en matière d'assurance obligatoire soins de santé que moyennant le paiement de cotisations personnelles complémentaires. "
Art.110. In artikel 37quater van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, ingevoegd bij de wet van 23 maart 2001, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :
  " Worden eveneens onderworpen aan de bovenvermelde stelsels, de voorzitters van openbare centra voor maatschappelijk welzijn of hun vervangers onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, of aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, indien ze zonder de toepassing van de huidige bepaling enkel prestaties inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging zouden genieten mits betaling van bijkomende persoonlijke bijdragen. "
Art.110. Dans l'article 37quater de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, inséré par la loi du 23 mars 2001, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
  " Sont également assujettis aux régimes susvisés, les présidents des centres publics d'action sociale ou leurs remplaçants assujettis à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, ou à l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, qui sans l'application de la présente disposition ne bénéficieraient des prestations en matière d'assurance obligatoire soins de santé que moyennant le paiement de cotisations personnelles complémentaires. "
Afdeling II. - Diverse bepalingen.
Section II. - Dispositions diverses.
Art.111. In de Franse tekst van artikel 42, derde lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wordt het woord " suspendue " vervangen door het woord " interrompue ".
Art.111. Dans le texte français de l'article 42, alinéa 3 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, le mot " suspendue " est remplacé par le mot " interrompue ".
Art.112. Artikel 2, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 april 1997 houdende vrijstelling van bepaalde werkgeversbijdragen ten behoeve van de ondernemingen behorende tot de baggersector met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, gewijzigd bij de wet van 26 maart 1999, wordt vervangen als volgt :
  " De werkgevers, bedoeld in artikel 1, moeten ten minste een gelijkwaardig arbeidsvolume aan boord van schepen, waarvoor een zeebrief kan worden voorgelegd, aantonen en dit in vergelijking met het overeenstemmende kwartaal van 1996. "
Art.112. L'article 2, § 2, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 25 avril 1997 comportant dispense de certaines cotisations patronales au profit des entreprises relevant du secteur du dragage en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, modifié par la loi du 26 mars 1999, est remplacé par la disposition suivante :
  " Les employeurs visés à l'article 1er doivent prouver un volume de travail à bord de navires munis d'une lettre de mer au moins équivalant par comparaison au trimestre correspondant de 1996. "
Art.113. In artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wet van 26 maart 1999, worden de woorden " 31 december 2002 " vervangen door de worden " 31 december 2003 ".
Art.113. A l'article 3 du même arrêté, modifié par la loi du 26 mars 1999, les mots " 31 décembre 2002 " sont remplacés par les mots " 31 décembre 2003 ".
Art.114. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op de datum waarop zij zijn bekendgemaakt aan het Belgisch Staatsblad , met uitzondering :
  - van artikel 109 dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2001;
  - van artikel 110 dat uitwerking heeft met ingang van 1 april 2001;
  - van artikel 111 dat uitwerking heeft met ingang van 16 februari 1999.
Art.114. Les dispositions de ce chapitre entrent en vigueur le jour de leur publication au Moniteur belge , à l'exception :
  - de l'article 109 qui produit ses effets le 1er janvier 2001;
  - de l'article 110 qui produit ses effets le 1er avril 2001;
  - de l'article 111 qui produit ses effets le 16 février 1999.
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.
CHAPITRE 6. - Modifications relatives aux allocations aux personnes handicapées.
Art.115. De woorden " gehandicapte " en " gehandicapten " in het opschrift en in de bepalingen van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten worden respectievelijk vervangen door de woorden " persoon met een handicap " en " personen met een handicap ".
  Evenzo worden de woorden " Ministerie van Sociale Voorzorg " en " Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu " in dezelfde wet vervangen door de woorden " Bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap ".
Art.115. Les mots " handicapé " et " handicapés " contenus dans l'intitulé et les dispositions de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés sont remplacés respectivement par les termes " personne handicapée " et " personnes handicapées ".
  De même, les mots " Ministère de la Prévoyance sociale " et " Ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement " contenus dans la même loi sont remplacés par les termes " Direction d'administration des prestations aux personnes handicapées ".
Art.116. Artikel 1 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Om de in het eerste lid beoogde tegemoetkomingen te kunnen genieten moet voldaan zijn aan de voorwaarden van de artikelen 2, 4 en 7. "
Art.116. L'article 1er de la même loi est complété par l'alinéa suivant :
  " Pour bénéficier des allocations visées à l'alinéa 1er, il faut satisfaire aux conditions des articles 2, 4 et 7. "
Art.117. <W 2004-07-09/30, art. 156, 014; Inwerkingtreding : 01-07-2004> Artikel 2 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 30 december 1992, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 2. § 1. De inkomensvervangende tegemoetkoming wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 21 jaar is en op het ogenblik van het indienen van de aanvraag minder dan 65 jaar is, van wie is vastgesteld dat zijn lichamelijke of psychische toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen.
  De algemene arbeidsmarkt omvat niet de beschutte tewerkstelling.
  § 2. De integratietegemoetkoming wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 21 jaar is en op het ogenblik van het indienen van de aanvraag minder dan 65 jaar is, van wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld.
  § 3. De tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 65 jaar oud is en van wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld.
  De tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden wordt niet toegekend aan de persoon met een handicap die een inkomensvervangende of een integratietegemoetkoming geniet. ".
Art.117. <L 2004-07-09/30, art. 156, 014; En vigueur : 01-07-2004> L'article 2 de la même loi, modifiée en dernier lieu par la loi du 30 décembre 1992, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 2. § 1er. L'allocation de remplacement de revenus est accordée à la personne handicapée qui est âgée d'au moins 21 ans et qui, au moment de l'introduction de la demande, est âgée de moins de 65 ans, dont il est établi que l'état physique ou psychique a réduit sa capacité de gain à un tiers ou moins de ce qu'une personne valide est en mesure de gagner en exerçant une profession sur le marché général du travail.
  Le marché général du travail ne comprend pas les entreprises de travail adapté.
  § 2. L'allocation d'intégration est accordée à la personne handicapée qui est âgée d'au moins 21 ans et qui, au moment de l'introduction de la demande, est âgée de moins de 65 ans, dont le manque ou la réduction d'autonomie est établi.
  § 3. L'allocation pour l'aide aux personnes âgées est accordée à la personne handicapée âgée d'au moins 65 ans dont le manque ou la réduction d'autonomie est établi.
  L'allocation pour l'aide aux personnes âgées n'est pas accordée à la personne handicapée qui bénéficie d'une allocation de remplacement de revenus ou d'une allocation d'intégration. ".
Art.118. Artikel 4 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 4. § 1. De tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 kunnen enkel toegekend worden aan een persoon die zijn werkelijke verblijfplaats in België heeft en die :
  1° Belg is;
  2° onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie;
  3° Marokkaan, Algerijn of Tunesiër is en die voldoet aan de voorwaarden van de Verordening (EEG) nr. 1408 van 14 juni 1971 van de Raad van de Europese gemeenschappen betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen;
  4° staatloos is en die onder de toepassing valt van het Verdrag betreffende de status van staatlozen, ondertekend in New York op 28 september 1954 en goedgekeurd door de wet van 12 mei 1960;
  5° vluchteling is zoals bedoeld in artikel 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  6° niet tot de in 1° tot 5° bepaalde categorieën behoort, maar die tot 21 jaar de verhoging van de kinderbijslag genoten heeft, bedoeld in artikel 47, § 1, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders of in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.
  § 2. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad toepassing van deze wet, onder de door Hem gestelde voorwaarden, uitbreiden tot andere categorieën van personen dan deze beoogd in § 1 die hun werkelijke verblijfplaats in België hebben.
  § 3. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat voor de toepassing van deze wet onder werkelijke verblijfplaats moet worden verstaan.
  § 4. Indien een persoon aan wie een tegemoetkoming bedoeld in artikel 1 werd toegekend niet meer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in § 1 of § 2, dan wordt zijn recht op deze tegemoetkoming afgeschaft. Wanneer hij opnieuw voldoet aan deze voorwaarden, dan kan hij een nieuwe aanvraag indienen.
  § 5. De Koning kan de wijze bepalen waarop wordt toegezien op de naleving van dit artikel. "
Art.118. L'article 4 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 22 février 1998, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 4. § 1er. Les allocations visées à l'article 1er ne peuvent être octroyées qu'à une personne qui a sa résidence réelle en Belgique et qui est :
  1° Belge;
  2° ressortissante d'un pays membre de l'Union européenne;
  3° Marocaine, Algérienne, ou Tunisienne qui satisfait aux conditions du Règlement (CEE) n° 1408 du 14 juin 1971 du Conseil des Communautés européennes relatif à l'application des régimes de sécurité sociale aux travailleurs salariés, aux travailleurs non salariés ainsi qu'aux membres de leur famille qui se déplacent à l'intérieur de la Communauté;
  4° apatride qui tombe sous l'application de la Convention relative au statut des apatrides, signée à New York le 28 septembre 1954 et approuvée par la loi du 12 mai 1960;
  5° réfugiée visée à l'article 49 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
  6° exclue des catégories définies aux 1° à 5°, mais qui a bénéficié jusqu'à l'age de 21 ans de la majoration de l'allocation familiale prévue à l'article 47, § 1er, des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés ou à l'article 20, § 2, de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants.
  § 2. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, aux conditions qu'Il fixe, étendre l'application de la présente loi à d'autres catégories de personnes que celles visées au paragraphe premier qui ont leur résidence réelle en Belgique.
  § 3. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, ce qu'il faut entendre par résidence réelle pour l'application de la présente loi.
  § 4. Si une personne à laquelle une allocation visée à l'article 1er a été octroyée ne satisfait plus aux conditions visées aux § 1er ou § 2, le droit à cette allocation est supprimé. Lorsqu'elle satisfait à nouveau à ces conditions, elle peut introduire une nouvelle demande.
  § 5. Le Roi peut fixer la manière dont est opéré le contrôle du respect de cet article. "
Art.119. Artikel 5 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de programmawet van 22 december 1989, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 5. Het recht op een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming blijft bestaan na de leeftijd van 65 jaar voor zover het zonder onderbreking betaalbaar blijft. "
Art.119. L'article 5 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 22 décembre 1989, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 5. Le droit à l'allocation de remplacement de revenus ou à l'allocation d'intégration continue à exister après l'âge de 65 ans pour autant qu'il reste payable sans interruption. "
Art.120. Artikel 6 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 6. § 1. Het basisbedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming is gelijk aan 4.402,22 EUR per jaar. Dit basisbedrag wordt toegekend aan de personen die behoren tot categorie A. Dit bedrag wordt verhoogd met 50 pct. voor de personen die behoren tot categorie B en met 100 pct. voor de personen die behoren tot categorie C.
  De Koning bepaalt de personen die behoren tot de categorieën A, B en C.
  § 2. Het bedrag van de integratietegemoetkoming varieert volgens de graad van zelfredzaamheid en volgens de categorie waartoe de persoon met een handicap behoort :
  1° tot de categorie 1 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 7 of 8 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan 870,60 EUR;
  2° tot de categorie 2 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 9 tot 11 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan 2.966,67 EUR;
  3° tot de categorie 3 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 12 tot 14 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan 4.740,37 EUR;
  4° tot de categorie 4 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 15 of 16 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan 6.906,12 EUR;
  5° tot de categorie 5 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op ten minste 17 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan 7.834,56 EUR.
  § 3. Het bedrag van de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden varieert volgens de graad van zelfredzaamheid en volgens de categorie waartoe de persoon met een handicap behoort :
  1° tot de categorie 1 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 7 of 8 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden gelijk aan 743,98 EUR;
  2° tot de categorie 2 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 9 tot 11 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden gelijk aan 2.839,94 EUR;
  3° tot de categorie 3 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 12 tot 14 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden gelijk aan 3.452,91 EUR;
  4° tot de categorie 4 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 15 of 16 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden gelijk aan 4.065,70 EUR;
  5° tot de categorie 5 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op ten minste 17 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden gelijk aan 4.994,14 EUR.
  § 4. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, door wie en op welke wijze de vermindering van het verdienvermogen wordt vastgesteld.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, vanaf welke graad, volgens welke criteria, op welke wijze en door wie het gebrek aan zelfredzaamheid wordt vastgesteld.
  Wat de graad van zelfredzaamheid betreft, kan de Koning een onderscheid maken naargelang het gaat om personen met een handicap bedoeld in artikel 2, § 2, of om personen met een handicap bedoeld in artikel 2, § 3.
  § 5. De in dit artikel vermelde bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14 der consumptieprijzen (basis 1996 = 100) overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der werknemers, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer der consumptieprijzen worden gekoppeld.
  § 6. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in dit artikel vastgelegde bedragen verhogen. "
Art.120. L'article 6 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 janvier 1999, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 6. § 1er. Le montant de base de l'allocation de remplacement de revenus s'élève à 4.402,22 EUR par an. Ce montant de base est octroyé aux personnes appartenant à la catégorie A. Ce montant est augmenté de 50 p.c. pour les personnes appartenant à la catégorie B, et de 100 p.c. pour les personnes appartenant à la catégorie C.
  Le Roi détermine les personnes qui appartiennent aux catégories A, B et C.
  § 2. Le montant de l'allocation d'intégration varie selon le degré d'autonomie et selon la catégorie à laquelle la personne handicapée appartient :
  1° à la catégorie 1 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé à 7 ou 8 points. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à 870,60 EUR;
  2° à la catégorie 2 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé de 9 à 11 points. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à 2.966,67 EUR;
  3° à la catégorie 3 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixe de 12 à 14 points. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à 4.740,37 EUR;
  4° à la catégorie 4 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé à 15 ou 16 points. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à 6.906,12 EUR;
  5° à la catégorie 5 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé à 17 points au moins. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à 7.834,56 EUR.
  § 3. Le montant de l'allocation pour l'aide aux personnes âgées varie en fonction du degré d'autonomie et de la catégorie à laquelle la personne handicapée appartient :
  1° à la catégorie 1 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé à 7 ou 8 points. Elle perçoit une allocation pour l'aide aux personnes âgées qui s'élève à 743,98 EUR;
  2° à la catégorie 2 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé de 9 à 11 points. Elle perçoit une allocation pour l'aide aux personnes âgées qui s'élève à 2.839,94 EUR;
  3° à la catégorie 3 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé de 12 à 14 points. Elle perçoit une allocation pour l'aide aux personnes âgées qui s'élève à 3.452,91 EUR;
  4° à la catégorie 4 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé à 15 ou 16 points. Elle perçoit une allocation pour l'aide aux personnes âgées qui s'élève à 4.065,70 EUR;
  5° à la catégorie 5 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé à 17 ou 18 points. Elle perçoit une allocation pour l'aide aux personnes âgées qui s'élève à 4.994,14 EUR.
  § 4. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, par qui et de quelle manière la réduction de capacité de gain est établie.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, à partir de quel degré, selon quels critères, de quelle manière et par qui le manque d'autonomie est établi.
  En matière de degré d'autonomie, le Roi peut faire une distinction suivant qu'il s'agit des personnes handicapées visées à l'article 2, § 2, ou des personnes handicapées visées à l'article 2, § 3.
  § 5. Les montants mentionnés dans le présent article sont liés à l'indice-pivot 103,14 des prix à la consommation (base 1996 = 100) conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
  § 6. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, augmenter les montants fixés dans le présent article. "
Art.121. <W 2004-07-09/30, art. 157, 014; Inwerkingtreding : 01-07-2004> Artikel 7 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 7. § 1. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen enkel toegekend worden indien het bedrag van het inkomen van de persoon met een handicap en het bedrag van het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, het in artikel 6 bedoelde bedrag van de tegemoetkomingen niet overschrijdt.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder " inkomen " en door wie, volgens welke criteria en op welke wijze het bedrag ervan moet worden bepaald.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen dat sommige inkomsten of delen van het inkomen, onder de voorwaarden die hij bepaalt, niet of slechts gedeeltelijk in aanmerking worden genomen. Hij kan daarbij een onderscheid maken naargelang het gaat om een inkomensvervangende tegemoetkoming, een integratietegemoetkoming of een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden. Hij kan eveneens een onderscheid maken naargelang de gerechtigde behoort tot categorie A, B of C, naargelang de graad van zelfredzaamheid van de persoon met een handicap, naargelang het gaat om het inkomen van de persoon met een handicap zelf of om het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, of naargelang de bron van het inkomen.
  § 2. De persoon met een handicap en de persoon met wie hij een huishouden vormt, moeten hun rechten laten gelden :
  1° op de uitkeringen en vergoedingen waarop hij aanspraak kan maken krachtens een andere Belgische of buitenlandse wetgeving of krachtens de regels van toepassing op het personeel van een internationale openbare instelling, en die hun grond vinden in een beperking van het verdienvermogen, in een gebrek aan of vermindering van de zelfredzaamheid of in de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid;
  2° op sociale uitkeringen inzake ziekte en invaliditeit, werkloosheid, arbeidsongevallen, beroepsziekten, rust- en overlevingspensioenen, de inkomensgarantie voor ouderen en het gewaarborgd inkomen voor bejaarden.
  § 3. Onder " huishouden " moet worden verstaan elke samenwoning van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad.
  Het bestaan van een huishouden wordt vermoed wanneer ten minste twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad, hun hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres hebben. Het tegenbewijs kan met alle mogelijke middelen worden geleverd door de persoon met een handicap of door de bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap.
  Wanneer echter één van de leden van het huishouden opgesloten is in een gevangenis of opgenomen is in een instelling voor sociaal verweer, dan houdt het huishouden op te bestaan.
  § 4. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen aan de aanvrager worden toegekend als voorschot op de uitkeringen en vergoedingen bedoeld in § 2.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder welke voorwaarden, op welke wijze en tot welk bedrag deze voorschotten kunnen worden toegekend, alsmede de wijze waarop ze kunnen worden teruggevorderd. De uitbetalingsdienst of -instelling treedt in de rechten van de gerechtigde tot het bedrag van de toegekende voorschotten. ".
  (NOTA : bij arrest nr 123/2004 van 07-07-2004 (B.St. 20-07-2004, p. 56293), heeft het Arbitragehof dit artikel vernietigd)
Art.121. <L 2004-07-09/30, art. 157, 014; En vigueur : 01-07-2004> L'article 7 de la même loi, modifiée en dernier lieu par la loi du 25 janvier 1999, est remplacé par la disposition suivante :
   " Art. 7. - § 1er. Les allocations visées à l'article 1er ne peuvent être accordées que si le montant du revenu de la personne handicapée et le montant du revenu de la personne avec laquelle elle forme un ménage ne dépasse pas le montant des allocations visé à l'article 6.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, ce qu'il faut entendre par " revenu " et par qui, selon quels critères et de quelle manière le montant doit en être fixé.
  Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, déterminer que certains revenus ou parties de revenus, dans les conditions qu'il détermine, ne sont que partiellement ou ne sont pas pris en considération. Il peut opérer une distinction en fonction du fait qu'il s'agit d'une allocation de remplacement de revenus, d'une allocation d'intégration ou d'une allocation pour l'aide aux personnes âgées. Il peut aussi opérer une distinction en fonction de l'appartenance du bénéficiaire à la catégorie A, B ou C, en fonction du degré d'autonomie de la personne handicapée, en fonction du fait qu'il s'agit du revenu de la personne handicapée elle-même ou du revenu de la personne avec laquelle elle forme un ménage, ou en fonction de l'origine des revenus.
  § 2. La personne handicapée et la personne avec laquelle elle forme un ménage, sont tenues de faire valoir leurs droits :
  1° aux prestations et indemnités auxquelles elle peut prétendre en vertu d'une autre législation belge ou étrangère ou en vertu de règles applicables au personnel d'une institution internationale publique, et qui trouvent leur fondement dans une limitation de la capacité de gain, dans un manque ou une réduction de l'autonomie ou dans les articles 1382 et suivants du Code civil relatif à la responsabilité civile;
  2° à des prestations sociales relatives à la maladie et l'invalidité, au chômage, aux accidents du travail, aux maladies professionnelles, aux pensions de retraite et de survie, à la garantie de revenus aux personnes âgées et au revenu garanti pour personnes âgées.
  § 3. Il y lieu d'entendre par " ménage " toute cohabitation de deux personnes qui ne sont pas parentes ou alliées au premier, deuxième ou troisième degré.
  L'existence d'un ménage est présumée lorsque deux personnes au moins qui ne sont pas parentes ou alliées au premier, deuxième ou troisième degré, ont leur résidence principale à la même adresse. La preuve du contraire peut être apportée par tous les moyens possibles par la personne handicapée ou par la direction d'administration des prestations aux personnes handicapées.
  Cependant, si un des membres du ménage est détenu en prison ou dans un établissement de défense sociale, le ménage cesse d'exister.
  § 4. Les allocations visées à l'article 1er peuvent être accordées au demandeur à titre d'avance sur les prestations et indemnités visées au § 2.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, dans quelles conditions, selon quelles modalités et jusqu'à concurrence de quel montant ces avances peuvent être accordées, ainsi que leur mode de récupération. Le service ou l'organisme payeur est subrogé aux droits du bénéficiaire jusqu'à concurrence du montant des avances versées. ".
  (NOTE : par son arrêt n° 123/2004 du 07-07-2004 (M.B. 20-07-2004, p. 56291), la Cour d'Arbitrage a annulé cet article)
Art.122. Artikel 8 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 4 maart 1991, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 8. § 1. De tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 worden toegekend op aanvraag.
  De Koning bepaalt hoe, door wie, vanaf wanneer en op welke wijze de aanvraag wordt ingediend, alsook de ingangsdatum van de beslissing.
  Elke aanvraag tot een inkomensvervangende tegemoetkoming geldt als aanvraag tot een integratietegemoetkoming en omgekeerd.
  De aanvraag tot een integratietegemoetkoming of tot een inkomensvervangende tegemoetkoming ingediend door een persoon die op het ogenblik van de indiening van de aanvraag de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, wordt beschouwd als een aanvraag tot een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden.
  De Koning kan bepalen in welke gevallen de aanvraag ingediend met het oog op het verkrijgen van een sociale uitkering die onder een stelsel van sociale zekerheid of sociale bijstand valt, geldt als aanvraag tot het verkrijgen van een tegemoetkoming bedoeld in artikel 1.
  § 2. De Koning bepaalt in welke gevallen een nieuwe aanvraag kan worden ingediend.
  De Koning bepaalt hoe, door wie en op welke wijze de nieuwe aanvraag wordt ingediend, alsook de ingangsdatum van de beslissing.
  § 3. Het beroep bij de bevoegde rechtbank tegen een beslissing tot toekenning, herziening of weigering van een tegemoetkoming bedoeld in artikel 1 geldt als nieuwe aanvraag in de zin van § 2 zo het onontvankelijk wordt verklaard.
  § 4. De Koning bepaalt in welke gevallen een nieuwe beslissing kan worden genomen. Hij bepaalt eveneens de ingangsdatum van de nieuwe beslissing.
  § 5. De Koning bepaalt in welke gevallen een beslissing kan worden ingetrokken. "
Art.122. L'article 8 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 4 mars 1991, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 8. § 1er. Les allocations visées à l'article 1er sont accordées sur demande.
  Le Roi détermine comment, par qui, à partir de quand et de quelle manière la demande est introduite, ainsi que la date de prise de cours de la décision.
  Chaque demande d'allocation de remplacement de revenus vaut comme demande d'allocation d'intégration et inversement.
  La demande d'allocation d'intégration ou d'allocation de remplacement de revenus introduite par une personne qui a atteint l'âge de 65 ans au moment de l'introduction de la demande, est considérée comme une demande d'allocation pour l'aide aux personnes âgées.
  Le Roi peut déterminer les cas dans lesquels une demande introduite en vue d'obtenir une prestation sociale du régime de la sécurité sociale ou de l'assistance sociale vaut comme demande d'obtention d'une allocation visée à l'article 1.
  § 2. Le Roi détermine dans quels cas une nouvelle demande peut être introduite.
  Le Roi détermine comment, par qui et de quelle manière la nouvelle demande est introduite, ainsi que la date de prise de cours de la décision.
  § 3. Le recours auprès du tribunal compétent contre une décision d'octroi, de révision ou de refus d'une allocation visée à l'article 1er vaut comme nouvelle demande au sens du § 2 s'il est déclaré irrecevable.
  § 4. Le Roi détermine dans quels cas une nouvelle décision peut être prise. Il détermine également la date de prise de cours de la nouvelle décision.
  § 5. Le Roi détermine dans quels cas une décision peut être rapportée. "
Art.123. <W 2004-07-09/30, art. 158, 014; Inwerkingtreding : 01-07-2003> In dezelfde wet wordt een artikel 8bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 8bis. - De Koning bepaalt :
  1° hoe de aanvragen tot het verkrijgen van de tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 worden behandeld en inzonderheid de wijze waarop de openbare besturen tussen beide komen bij het vaststellen van het inkomen van de aanvrager en van de persoon met wie hij een huishouden vormt;
  2° hoe de minister tot wiens bevoegdheid de tegemoetkomingen aan personen met een handicap behoren over deze aanvragen beslist;
  3° de termijnen binnen dewelke de aanvragen om tegemoetkomingen worden onderzocht. ".
Art.123. <L 2004-07-09/30, art. 158, 014; En vigueur : 01-07-2003> Un article 8bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 8bis. - Le Roi détermine :
  1° la manière dont les demandes d'obtention des allocations visées à l'article 1er sont traitées et en particulier la manière dont les administrations publiques interviennent lors de la fixation du revenu du demandeur et de la personne avec laquelle il forme un ménage;
  2° la manière dont le ministre qui a les allocations aux personnes handicapées dans ses attributions prend une décision au sujet de ces demandes;
  3° les délais dans lesquels les demandes d'allocations sont examinées. ".
Art. 123bis. <INGEVOEGD bij W 2004-07-09/30, art. 159; Inwerkingtreding : 01-07-2003> In dezelfde wet wordt een artikel 8ter ingevoegd, luidende :
  " Art. 8ter. De persoon met een handicap aan wie een tegemoetkoming is toegekend, moet nieuwe gegevens die aanleiding kunnen geven tot een vermindering van het bedrag van de tegemoetkoming onmiddellijk meedelen.
  De Koning bepaalt de modaliteiten volgens dewelke en de termijnen waarbinnen deze mededeling moet gebeuren.
  De Koning kan in afwijking van het eerste lid bepalen dat voor de gegevens die hij identificeert geen mededeling moet gebeuren. ".
Art. 123bis. Un article 8ter, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 8ter. - La personne handicapée à laquelle une allocation a été accordée doit communiquer sans délai les données nouvelles qui sont susceptibles de donner lieu à une réduction du montant de l'allocation.
  Le Roi détermine les modalités selon et les délais dans lesquels cette déclaration est faite.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le Roi peut identifier les données pour lesquelles une communication ne doit pas se faire. ".
Art.124. Artikel 9 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij wet van 4 maart 1991, wordt opgeheven.
Art.124. L'article 9 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 4 mars 1991, est abrogé.
Art.125. Artikel 10 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " Art. 10. De beslissing houdende toekenning, herziening of weigering van een tegemoetkoming bedoeld in artikel 1 moet, op straffe van nietigheid, met redenen worden omkleed.
  Zij moet de volgende vermeldingen bevatten :
  1° de mogelijkheid om bij de bevoegde rechtbank beroep in te stellen;
  2° het adres van de bevoegde rechtbank;
  3° de termijn om een beroep in te stellen en de wijze waarop dit moet gebeuren;
  4° de inhoud van de artikelen 728 en 1017 van het Gerechtelijk Wetboek;
  5° de refertes van het dossier en van de dienst die het beheert;
  6° de mogelijkheid om opheldering te verkrijgen omtrent de beslissing bij de dienst die het dossier beheert of bij een aangewezen voorlichtingsdienst.
  Indien de beslissing de in het vorige lid opgesomde vermeldingen niet bevat, gaat de termijn om een beroep in te stellen niet in. "
Art.125. L'article 10 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 10. La décision d'octroi, de révision ou de refus d'une allocation visée à l'article 1er doit, sous peine de nullité, être dûment motivée.
  Elle doit contenir les mentions suivantes :
  1° la possibilité d'intenter un recours devant le tribunal compétent;
  2° l'adresse du tribunal compétent;
  3° le délai et les modalités pour intenter un recours;
  4° le contenu des articles 728 et 1017 du Code judiciaire;
  5° les références du dossier et du service qui gère celui-ci;
  6° la possibilité d'obtenir toute explication sur la décision auprès du service qui gère le dossier ou d'un service d'information désigné.
  Si la décision ne contient pas les mentions prévues à l'alinéa précédent, le délai de recours ne commence pas à courir. "
Art.126. Het tweede lid van artikel 11 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de programmawet van 22 december 1989, wordt opgeheven.
Art.126. L'alinéa 2 de l'article 11 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 22 décembre 1989, est supprimé.
Art.127. Artikel 11bis van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998, wordt opgeheven.
Art.127. L'article 11bis de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 22 février 1998, est abrogé.
Art.128. In artikel 12 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de programmawet van 22 december 1989, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1 worden de woorden " en voor twee derde voor de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden " geschrapt;
  2° § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " § 2. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gevallen waarin de tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 geheel of gedeeltelijk geschorst worden voor de gerechtigden die in gevangenissen opgesloten zijn of in instellingen van sociaal verweer opgenomen zijn, alsook de duur van de schorsing. "
Art.128. A l'article 12 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 22 décembre 1989, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le § 1er, les mots " et pour deux tiers pour l'allocation pour l'aide aux personnes âgées " sont supprimés;
  2° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 2. Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les cas dans lesquels les allocations visées à l'article 1er sont totalement ou partiellement suspendues à l'égard des bénéficiaires détenus dans les prisons ou internés dans les établissements de défense sociale, ainsi que la durée de la suspension. "
Art.129. Artikel 13 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998, wordt opgeheven.
Art.129. L'article 13 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 22 février 1998, est abrogé.
Art.130. Artikel 14 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 30 december 1992, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 14. De bedragen die met toepassing van de artikelen 6, 7 en 12 worden toegekend bij het vaststellen of het herzien van het recht op tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 worden gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der werknemers, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen. "
Art.130. L'article 14 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 30 décembre 1992, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 14. Les montants octroyés lors de la fixation ou de la révision du droit aux allocations visées à l'article 1er en application des articles 6, 7 et 12 sont liés aux variations de l'indice des prix à la consommation conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants. "
Art.131. Artikel 16 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de programmawet van 25 januari 1999, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 16. § 1. De terugvordering van de ten onrechte betaalde tegemoetkomingen verjaart na drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied.
  De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt teruggebracht tot één jaar indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van een administratieve dienst of instelling, waarvan de betrokkene zich normaal geen rekenschap kan geven.
  De in het eerste lid voorgeschreven verjaringstermijn wordt op vijf jaar gebracht wanneer de onverschuldigde sommen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of bewust onvolledige verklaringen. Deze termijn van vijf jaar geldt eveneens ten aanzien van sommen die ten onrechte werden uitbetaald wegens het niet afleggen, door de schuldenaar, van een verklaring die is voorgeschreven door een wets- of verordenende bepaling of die volgt uit een vroeger aangegane verbintenis.
  § 2. Van de beslissing tot terugvordering wordt, op straffe van nietigheid, kennis gegeven aan de schuldenaren bij een ter post aangetekend schrijven.
  Deze brief vermeldt :
  1° de vaststelling van het onverschuldigde;
  2° het totale bedrag van het onverschuldigde alsmede de berekeningswijze ervan;
  3° de inhoud en de refertes van de bepalingen in strijd waarmee de betalingen werden verricht;
  4° de in aanmerking genomen verjaringstermijn en, als deze geen 3 jaar bedraagt, de motivering ervan;
  5° de mogelijkheid om binnen drie maanden na de aanbieding van het aangetekende schrijven aan de belanghebbende, beroep in te stellen bij de bevoegde arbeidsrechtbank;
  6° de mogelijkheid om een met redenen omkleed voorstel met het oog op een gespreide terugbetaling voor te leggen;
  7° de mogelijkheid van de minister tot wiens bevoegdheid de tegemoetkomingen aan personen met een handicap behoren om ambtshalve of op aanvraag van de persoon met een handicap af te zien van de terugvordering van de onverschuldigd betaalde tegemoetkomingen.
  Indien de beslissing de in het vorig lid voorziene vermeldingen niet bevat, gaat de beroepstermijn niet in.
  § 3. De verjaring wordt gestuit door het ter post neerleggen van het aangetekend schrijven, door een terugvordering via de afhouding op de tegemoetkomingen of door de vrijwillige terugbetaling door de persoon met een handicap.
  § 4. De terugvordering wordt van rechtswege toegepast op de vervallen en nog niet uitgekeerde tegemoetkomingen.
  Indien de vervallen en nog niet uitgekeerde bedragen hoger liggen dan het onverschuldigde bedrag, wordt het verschil tussen de achterstallige bedragen en de schuld aan de persoon met een handicap betaald.
  § 5. Indien de dienst de onverschuldigde bedragen niet kan terugvorderen middels de door hem verschuldigde tegemoetkomingen, kan de terugvordering op zijn verzoek uitgevoerd worden door een dienst of instelling die één van de in § 1, 2°, 3°, 4°, 5° en 8° van artikel 1410 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde prestaties uitkeert, of op vervallen en nog niet uitgekeerde bedragen van dezelfde prestaties.
  § 6. De beslissing tot terugvordering kan enkel uitgevoerd worden na het verstrijken van een termijn van drie maanden volgend op de kennisgeving.
  Wanneer de gerechtigde vóór het verstrijken van deze termijn van drie maanden een aanvraag tot verzaking heeft ingediend, wordt de terugvordering opgeschort tot de minister tot wiens bevoegdheid de tegemoetkomingen aan personen met een handicap behoren over de aanvraag uitspraak heeft gedaan.
  Indien de aanvraag om verzaking wordt ingediend na de termijn van drie maanden volgend op de betekening van de schuld, wordt de terugvordering van de onverschuldigde bedragen aangevat of voortgezet totdat de minister tot wiens bevoegdheid de tegemoetkomingen aan personen met een handicap behoren een tegengestelde beslissing heeft genomen.
  § 7. Er wordt ambtshalve afgezien van de terugvordering van de onverschuldigd betaalde tegemoetkomingen bij het overlijden van de persoon met een handicap.
  Er wordt evenwel niet ambtshalve verzaakt :
  1° in geval van bedrog of arglist;
  2° indien er bij het overlijden van de betrokkene vervallen en nog niet uitgekeerde tegemoetkomingen bestaan. In dit geval geschiedt de terugvordering op de vervallen tegemoetkomingen die nog niet betaald werden aan de betrokkene of aan de in artikel 15 bedoelde personen, zelfs indien de betrokkene toen hij nog in leven was een aanvraag om verzaking had ingediend waarover de minister tot wiens bevoegdheid de tegemoetkomingen aan personen met een handicap behoren nog geen beslissing zou hebben genomen;
  3° wanneer het terug te vorderen bedrag hoger ligt dan een door de Koning te bepalen bedrag.
  § 8. De minister tot wiens bevoegdheid de tegemoetkomingen aan personen met een handicap behoren, kan, in de door de Koning bepaalde voorwaarden, ambtshalve of op aanvraag van de persoon met een handicap, afzien van de terugvordering van de onverschuldigd betaalde tegemoetkomingen wanneer het om behartigenswaardige gevallen gaat of wanneer het onverschuldigd betaalde bedrag beneden een door de Koning te bepalen bedrag ligt of buiten verhouding staat tot de vermoedelijke procedurekosten.
  De Koning bepaalt de wijze waarop de aanvraag tot verzaking moet worden ingediend. De aanvraag tot verzaking dient gemotiveerd te zijn. "
Art.131. L'article 16 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 25 janvier 1999, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 16. § 1er. La répétition des allocations versées indûment se prescrit par trois ans à compter de la date du paiement.
  Le délai prévu à l'alinéa 1er est ramené à un an lorsque le paiement résulte uniquement de l'erreur d'un service administratif ou organisme, et dont l'intéressé ne peut normalement se rendre compte.
  Le délai prévu à l'alinéa 1er est porté à cinq ans lorsque les sommes indues ont été perçues suite à des manoeuvres frauduleuses ou à des déclarations fausses ou sciemment incomplètes. Ce délai de cinq ans vaut aussi pour les sommes qui ont été payées à tort par suite d'une absence, par le débiteur, d'une déclaration, prescrite par une disposition légale ou réglementaire, ou faisant suite à un engagement pris antérieurement.
  § 2. La décision de répétition est, sous peine de nullité, portée à la connaissance des débiteurs par lettre recommandée.
  Cette lettre mentionne :
  1° la constatation de l'indu;
  2° le montant total de l'indu, ainsi que le mode de calcul;
  3° le contenu et les références des dispositions en infraction desquelles les paiements ont été effectués;
  4° le délai de prescription pris en considération, et, lorsqu'il n'est pas de trois ans, sa justification;
  5° la possibilité d'introduire un recours auprès du tribunal du travail compétent dans les trois mois de la présentation du pli recommandé à l'intéressé;
  6° la possibilité de soumettre une proposition motivée en vue d'un remboursement étalé;
  7° la possibilité, pour le ministre qui a les allocations aux personnes handicapées dans ses attributions, de renoncer d'office ou à la demande de la personne handicapée, à la récupération des allocations payées indûment.
  Si la décision ne contient pas les mentions prévues à l'alinéa précédent, le délai de recours ne commence pas à courir.
  § 3. La prescription est interrompue par le dépôt du pli recommandé, la récupération par la retenue sur les allocations ou le remboursement volontaire effectué par la personne handicapée.
  § 4. La récupération s'opère de plein droit sur les allocations échues et non encore versées.
  Si les montants échus non encore versés sont supérieurs à l'indu, la différence entre les arriérés et la dette est payée à la personne handicapée.
  § 5. A défaut pour le service de pouvoir récupérer l'indu sur des allocations dues par lui, la récupération peut être opérée à la demande de celui-ci par un service ou un organisme versant l'une des prestations visées au § 1er, 2°, 3°, 4°, 5° et 8° de l'article 1410 du Code Judiciaire, ou sur des montants échus non encore versés de ces mêmes prestations.
  § 6. La décision de récupération ne peut être exécutée qu'après un délai de trois mois à partir de la notification.
  Lorsque le bénéficiaire a introduit une demande en renonciation avant l'expiration de ce délai de trois mois, la récupération est suspendue jusqu'à ce que le ministre qui a les allocations aux personnes handicapées dans ses attributions ait statué sur la demande.
  Si la demande en renonciation est introduite au-delà du délai de trois mois suivant la notification de l'indu, la récupération des sommes indues est entamée ou continuée jusqu'à ce que le ministre qui a les allocations aux personnes handicapées dans ses attributions ait pris une décision contraire.
  § 7. Il est renoncé d'office à la récupération des allocations payées indûment, au décès de la personne handicapée.
  Il n'est toutefois pas renoncé d'office :
  1° en cas de dol ou de fraude;
  2° si, au moment du décès de l'intéressé, il existe des allocations échues et non encore payées. Dans ce cas, la récupération s'effectue sur les allocations échues mais non encore payées à l'intéressé ou aux personnes visées à l'article 15, et ce même si l'intéressé avait introduit de son vivant une demande en renonciation pour laquelle le ministre n'aurait pas encore pris de décision;
  3° quand le montant à récupérer est supérieur au montant à déterminer par le Roi.
  § 8. Le ministre qui a les allocations aux personnes handicapées dans ses attributions peut, dans les conditions déterminées par le Roi, renoncer d'office ou à la demande de la personne handicapée, à la récupération des allocations payées indûment lorsqu'il s'agit de cas dignes d'intérêt ou que la somme payée indûment est inférieure à un montant à déterminer par le Roi ou est hors de proportion avec les frais de procédure présumés.
  Le Roi détermine le mode d'introduction de la demande en renonciation. La demande en renonciation doit être motivée. "
Art.133. De Koning wordt belast met het coördineren van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten.
Art.133. Le Roi est chargé de coordonner la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés.
Art. 133bis. <INGEVOEGD bij W 2004-07-09/30, art. 160; Inwerkingtreding : 01-07-2004> De wettelijke en reglementaire wijzigingen van deze wet worden op 1 juli 2004 niet ambtshalve toegepast voor de aanvragen ingediend eerder dan 1 juni 2004 voor dewelke nog geen enkele beslissing was genomen op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
  De personen met een handicap die, op 1 juli 2004, een in artikel 1 van de wet van 27 februari 1987 bedoelde tegemoetkoming ontvangen, blijven ze verder ontvangen totdat een nieuwe beslissing daarover wordt genomen naar aanleiding van een herziening op hun verzoek of op initiatief van de dienst.
  De beslissing die wordt genomen ten gevolge van een aanvraag om administratieve herziening, die tussen 1 juli 2004 en 31 december 2004 wordt ingediend, heeft uitwerking op 1 juli 2004. Wanneer de nieuwe beslissing resulteert in een lagere uitkering, dan heeft ze uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op de kennisgeving van de beslissing.
Art. 133bis. Les modifications légales et réglementaires de la présente loi ne sont pas appliquées d'office au 1er juillet 2004 aux demandes introduites avant le 1er juin 2004 pour lesquelles aucune décision n'est intervenue à la date d'entrée en vigueur de la présente loi.
  Les personnes handicapées qui, au 1er juillet 2004, perçoivent une allocation visée à l'article 1er de la loi du 27 février 1987 continuent à la percevoir jusqu'à ce que, à l'occasion d'une révision effectuée à leur demande ou à l'initiative du service, une nouvelle décision ait été prise à leur égard.
  La décision prise à la suite d'une demande de révision administrative introduite entre le 1er juillet 2004 et le 31 décembre 2004 produit ses effets le 1er juillet 2004. Si la nouvelle décision entraîne une réduction de l'allocation, elle produit ses effets le premier jour du mois suivant celui de la notification de la décision.
Art.134. (De artikelen 115, 118, 122, 123, 123bis, 125, 126, 127, 130, 131, 132 en 133 treden in werking op 1 juli 2003.
  Het artikel 128 treedt in werking op 1 januari 2003.
  De artikelen 116, 117, 119, 120, 121, 124, 129 en 133bis treden in werking op 1 juli 2004.) <W 2004-07-09/30, art. 161, 014; Inwerkingtreding : 10-01-2003>
  Het artikel 12 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, gewijzigd door artikel 128 van deze programmawet, wordt ambtshalve toegepast op de personen die op 1 januari 2003 werkelijk een tegemoetkoming ontvangen of van wie op die datum het recht op de tegemoetkoming nog niet door een administratieve of gerechtelijke beslissing werd vastgesteld.
Art.134. (Les articles 115, 118, 122, 123, 123bis, 125, 126, 127, 130, 131, 132 et 133 entrent en vigueur le 1er juillet 2003.
  L'article 128 entre en vigueur le 1er janvier 2003.
  Les articles 116, 117, 119, 120, 121, 124, 129 et 133bis entrent en vigueur le 1er juillet 2004.) <L 2004-07-09/30, art. 161, 014; En vigueur : 10-01-2003>
  L'article 12 de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés, modifié par l'article 128 de la présente loi-programme, sera appliqué d'office aux personnes qui perçoivent effectivement une allocation au 1er janvier 2003 ou dont le droit à l'allocation n'a pas encore été fixé par une décision administrative ou judiciaire à cette date.
HOOFDSTUK 7. - Arbeidsongevallen.
CHAPITRE 7. - Accidents du travail.
Art.135. Artikel 24, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, ingevoegd bij de wet van 1 augustus 1985, wordt vervangen als volgt :
  " Indien de verzekeringsonderneming de getroffene genezen verklaart zonder blijvende arbeidsongeschiktheid bij een tijdelijke arbeidsongeschiktheid van meer dan zeven dagen, geeft de verzekeringsonderneming van deze beslissing aan de getroffene kennis volgens de nadere regels bepaald door de Koning. Indien de tijdelijke arbeidsongeschiktheid meer dan dertig dagen bedraagt, wordt de beslissing van de verzekeringsonderneming tot genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschiktheid van de getroffene gestaafd door een medisch getuigschrift opgesteld door een geneesheer geraadpleegd door de getroffene of door de raadsgeneesheer van de verzekeringsonderneming volgens het model bepaald door de Koning. Indien de getroffene zonder kennisgeving van een geldige reden en na een aangetekende ingebrekestelling door de verzekeringsonderneming afwezig blijft op het onderzoek bij de raadsgeneesheer van de verzekeringsonderneming, kan de verzekeringsonderneming de getroffene in kennis stellen van zijn beslissing tot genezenverklaring. "
Art.135. L'article 24, alinéa 1er, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail, inséré par la loi du 1er août 1985, est remplacé par les alinéas suivants :
  " Si l'entreprise d'assurances déclare la victime guérie sans incapacité permanente de travail dans le cas d'une incapacité temporaire de travail de plus de sept jours, l'entreprise d'assurances lui notifie cette décision selon les modalités définies par le Roi. Si l'incapacité temporaire de travail est de plus de trente jours, la décision de l'entreprise d'assurances de déclarer la victime guérie sans incapacité permanente de travail est justifiée par un certificat médical rédigé par le médecin consulté par la victime ou par le médecin-conseil de l'entreprise d'assurances suivant le modèle déterminé par le Roi. Si la victime ne se présente pas devant le médecin-conseil de l'entreprise d'assurances sans avoir fait part d'un motif valable et après avoir été mise en demeure par l'entreprise d'assurances par lettre recommandée, l'entreprise d'assurances peut lui notifier sa décision de déclaration de guérison. "
Art.136. In artikel 26 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 17 juli 1985 en 1 augustus 1985, wordt vóór het eerste lid het volgende lid toegevoegd :
  " Indien de getroffene prothesen of orthopedische toestellen nodig heeft, maakt de genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschiktheid het voorwerp uit van een overeenkomst tussen partijen of van een in kracht van gewijsde gegane beslissing. "
Art.136. Dans l'article 26 de la même loi, modifié par les lois du 17 juillet 1985 et du 1 août 1985, l'alinéa suivant est inséré avant l'alinéa 1er :
  " Si la victime a besoin d'appareils de prothèse ou d'orthopédie, la déclaration de guérison sans incapacité permanente de travail fait l'objet d'un accord entre parties ou d'une décision coulée en force de chose jugée. "
Art.137. Artikel 29 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 29. De getroffene kan de zorgverlener vrij kiezen, behoudens wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn :
  1° de werkgever heeft op eigen kosten een door de Koning erkende medische dienst ingesteld of heeft zich aangesloten bij een erkende medische dienst. De Koning bepaalt de voorwaarden voor de oprichting, de werking en de aansluiting;
  2° de werkgever heeft voor elk type van in de dienst verstrekte zorg ten minste drie zorgverleners aangewezen tot wie de getroffene zich met uitzondering van het verlenen van de eerste zorgen kan wenden;
  3° de oprichting van of de aansluiting bij de dienst, de namen van de zorgverleners en de geografische afbakening tot waar de verplichting geldt om zich tot de medische dienst te wenden, zijn vermeld in het arbeidsreglement of, wat de zeelieden betreft, op de monsterrol;
  4° de werknemers worden geraadpleegd onder de voorwaarden bepaald door de Koning;
  5° de getroffene is verbonden door een arbeidsovereenkomst met de werkgever in wiens dienst het ongeval gebeurde.
  Wanneer de getroffene zich wendt tot een andere zorgverlener dan deze van de medische dienst ingesteld krachtens het eerste lid, vallen de kosten ten laste van de verzekeringsonderneming volgens de voorwaarden en volgens het tarief vastgesteld door de Koning. "
Art.137. L'article 29 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 29. La victime a le libre choix du dispensateur de soins, sauf lorsque les conditions suivantes sont remplies :
  1° l'employeur a institué à sa charge un service médical agréé par le Roi ou s'est affilié auprès d'un service médical agréé. Le Roi détermine les conditions de création, de fonctionnement et d'affiliation;
  2° l'employeur a désigné pour chaque type de soins fournis dans le service au moins trois dispensateurs de soins à qui la victime peut s'adresser, sauf pour ce qui est des premiers soins;
  3° la création du service ou l'affiliation auprès du service, les noms des dispensateurs de soins et la délimitation géographique de l'obligation de s'adresser au service médical sont mentionnés dans le règlement de travail ou, en ce qui concerne les gens de mer, au rôle d'équipage;
  4° les travailleurs sont consultés suivant les conditions fixées par le Roi;
  5° la victime est liée par un contrat de travail à l'employeur au service duquel l'accident a eu lieu.
  Lorsque la victime s'adresse à un dispensateur de soins autre que celui du service médical institué en vertu de l'alinéa 1er, les frais sont à la charge de l'entreprise d'assurances suivant les conditions et suivant le tarif fixés par le Roi. "
Art.138. Artikel 30 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art.138. L'article 30 de la même loi est abrogé.
Art.139. In artikel 31 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999, worden de woorden " geneesheer, apotheker en verplegingsdienst " vervangen door het woord " zorgverlener ".
Art.139. A l'article 31 de la même loi, modifié par la loi du 25 janvier 1999, les termes " du médecin, du pharmacien et du service hospitalier " sont remplacés par les termes " du dispensateur de soins ".
Art.140. Artikel 32 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 32. Tijdens de behandeling mag de verzekeringsonderneming, ingeval de getroffene vrije keuze heeft, een geneesheer aanwijzen belast met het toezicht op de behandeling.
  Tijdens de behandeling mogen de getroffene of zijn rechthebbenden, ingeval de getroffene geen vrije keuze heeft, een geneesheer aanwijzen belast met het toezicht op de behandeling.
  De geneesheer, belast met het toezicht op de behandeling, mag de getroffene vrij bezoeken, mits hij de behandelende geneesheer vooraf verwittigt.
  De Koning bepaalt de honoraria, die verschuldigd zijn aan de geneesheer aangewezen door de getroffene. Zij zijn voor 90 pct. ten laste van de verzekeringsonderneming. "
Art.140. L'article 32 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 32. Au cours du traitement, l'entreprise d'assurances peut, dans le cas où la victime a le libre choix, désigner un médecin chargé de contrôler le traitement.
  Au cours du traitement, la victime ou ses ayants droit peuvent, dans le cas où la victime n'a pas le libre choix, désigner un médecin chargé de contrôler le traitement.
  Le médecin chargé de contrôler le traitement aura libre accès auprès de la victime pour autant qu'il en avertisse le médecin traitant.
  Le Roi détermine les honoraires dus au médecin désigné par la victime. Ils sont supportés à concurrence de 90 p.c. par l'entreprise d'assurances. "
Art.141. In artikel 33 van dezelfde wet worden de woorden " en overnachting " ingevoegd tussen het woord " verplaatsing " en de woorden " die voortvloeien uit het ongeval ".
Art.141. Dans l'article 33 de la même loi, les mots " et de nuitée " sont insérés entre le mot " déplacement " et les mots " résultant de l'accident ".
Art.142. In artikel 35, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 39 van 31 maart 1982, wordt tussen het eerste en het tweede streepje de volgende tekst ingevoegd :
  " - de bedragen die worden uitgekeerd als terugbetaling van de kosten die verbonden zijn aan de huisarbeid. "
Art.142. Dans l'article 35, alinéa 2, de la même loi, modifié par l'arrêté royal n° 39 du 31 mars 1982, le texte suivant est inséré entre les 1er et 2e tirets :
  " - les montants versés au titre de remboursement des frais inhérents au travail à domicile. "
Art.143. In dezelfde wet wordt een artikel 58quater ingevoegd, luidende :
  " De leden van het Beheerscomité en de Technische Comités, alsook de personen die krachtens een wettelijke of reglementaire bepaling gemachtigd zijn om deel te nemen aan deze vergaderingen, de ambtenaren, bedoeld in artikel 87, alsook de personen die voorheen de bedoelde functies hebben uitgeoefend, zijn gebonden door het beroepsgeheim en mogen de vertrouwelijke gegevens waarvan zij kennis hebben gekregen op grond van hun opdracht, aan geen enkele persoon of autoriteit bekendmaken, behalve wanneer ze worden geroepen om getuigenis in rechte in strafzaken af te leggen.
  In afwijking van het eerste lid heeft het Fonds voor arbeidsongevallen het recht vertrouwelijke gegevens over verzekeringsondernemingen mee te delen aan de (FSMA).
  Het Fonds voor arbeidsongevallen mag enkel vertrouwelijke gegevens meedelen als de (FSMA) die enkel zal gebruiken voor de uitoefening van zijn opdrachten en voor zover hij gebonden is aan een gelijkwaardig beroepsgeheim. "
Art.143. Un article 58quater , rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Les membres du Comité de gestion et des Comités techniques, les personnes habilitées en vertu d'une disposition légale ou réglementaire à participer à ces réunions, les agents visés à l'article 87, ainsi que les personnes qui ont exercé auparavant lesdites fonctions sont tenus au secret professionnel et ne peuvent révéler à aucune personne ou autorité les données confidentielles dont ils ont eu connaissance de par leur mission, sauf lorsqu'ils sont appelés à témoigner en justice en matière répressive.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le Fonds des accidents du travail a le droit de communiquer des données confidentielles concernant les entreprises d'assurances à la (FSMA).
  Le Fonds des accidents du travail ne peut communiquer des données confidentielles que si la (FSMA) les utilise uniquement pour l'accomplissement de ses missions et dans la mesure où il est lié par un secret professionnel équivalent. "
Art.144. Artikel 59quater , vierde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr.530 van 31 maart 1987, wordt vervangen als volgt :
  " De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder het Fonds voor arbeidsongevallen enerzijds kan afzien van de invordering van de bedragen bedoeld in artikel 59, 3° en 4°, en anderzijds de werkgever, de reder en de verzekeringsonderneming vrijstelling of vermindering kan verlenen van de opslag en van de verwijlintrest bedoeld in het tweede lid. "
Art.144. L'article 59quater , alinéa 4, de la même loi, inséré par l'arrêté royal n° 530 du 31 mars 1987, est remplacé par l'alinéa suivant :
  " Le Roi détermine les conditions dans lesquelles le Fonds des accidents du travail peut d'une part, renoncer au recouvrement des montants visés à l'article 59, 3° et 4°, et d'autre part, accorder à l'employeur, l'armateur et à l'entreprise d'assurance l'exonération ou la réduction de la majoration et de l'intérêt de retard, visés à l'alinéa 2. "
Art.145. Artikel 72, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 1 augustus 1985 en bij het koninklijk besluit nr. 530 van 31 maart 1987, wordt aangevuld als volgt :
  " of de datum van het ongeval indien de tijdelijke arbeidsongeschiktheid geen zeven dagen overschrijdt en indien de verzekeringsonderneming de getroffene genezen verklaart zonder blijvende arbeidsongeschiktheid. "
Art.145. L'article 72, alinéa 1er, de la même loi, modifié par la loi du 1er août 1985 et par l'arrêté royal n° 530 du 31 mars 1987, est complété comme suit :
  " ou de la date de l'accident si l'incapacité temporaire de travail ne dépasse pas sept jours et si l'entreprise d'assurances déclare la victime guérie sans incapacité permanente de travail. "
Art.146. In artikel 91ter van dezelfde wet wordt een § 3 ingevoegd, luidende :
  " § 3. Inbreuken op artikel 58quater worden gestraft met een gevangenisstraf van 8 dagen tot 6 maanden en met een geldboete van 500 tot 25.000 euro of met één van die straffen alleen. "
Art.146. Dans l'article 91ter de la même loi, il est inséré un § 3, rédigé comme suit :
  " § 3. Les infractions à l'article 58quater sont punies d'un emprisonnement de 8 jours à 6 mois et d'une amende de 500 à 25.000 euros ou d'une de ces peines seulement. "
Art.147. Alle vóór de inwerkingtreding van de artikelen 137 tot 140 verleende erkenningen vervallen van rechtswege op een door de Koning bepaalde datum.
Art.147. Tous les agréments accordés avant l'entrée en vigueur des articles 137 à 140 sont caducs de plein droit à une date déterminée par le Roi.
Art.148. Dit hoofdstuk treedt in werking op de datum waarop deze wet wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad , met uitzondering van de artikelen 137 tot 140 die in werking zullen treden op de datum bepaald door de Koning.
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. 137, 138, 139 en 140 vastgesteld op 22-06-2007 door KB 2007-06-05/38, art. 20 ; zijn van toepassing op de aanvragen om erkenning ingediend vanaf die datum)
Art.148. Ce chapitre entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge , à l'exception des articles 137 à 140, qui entreront en vigueur à la date fixée par le Roi.
  (NOTE : Entrée en vigueur des art. 137, 138, 139 et 140 fixée au 22-06-2007 par AR 2007-06-05/38, art. 20 ; s'appliquent aux demandes d'agrément introduites à partir de cette date).
HOOFDSTUK 8. - Integratie van de mijnwerkers en gelijkgestelden in het algemeen stelsel van de sociale zekerheid.
CHAPITRE 8. - Intégration des ouvriers mineurs et assimilés dans le régime général de la sécurité sociale.
Art.149. Artikel 1, § 2, 1°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wordt opgeheven.
Art.149. L'article 1er, § 2, 1°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs est abrogé.
Art.150. Artikel 5, 1°, van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt :
  " h) het invaliditeitspensioen ten voordele van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden. "
Art.150. L'article 5, 1°, de la même loi est complété comme suit :
  " h) les pensions d'invalidité au profit des ouvriers mineurs et assimilés. "
Art.151. Artikel 2, § 3, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers wordt vervangen als volgt :
  " § 3. De algemene regeling van de sociale zekerheid voor werknemers en de bijzondere regeling voor de mijnwerkers worden versmolten tot één stelsel. De Koning kan de nodige maatregelen treffen om dit stelsel ook te versmelten met de bijzondere regeling voor de zeevarenden tot één enkel stelsel voor het geheel van de werknemers. De bestaande openbare instelling van sociale zekerheid ten behoeve van zeevarenden kan worden behouden. "
Art.151. L'article 2, § 3, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés est remplacé par la disposition suivante :
  " § 3. Le régime général de la sécurité sociale des travailleurs et le régime particulier des ouvriers mineurs sont fusionnés de manière à former un régime unique. Le Roi peut prendre les mesures nécessaires pour fusionner ce régime avec le régime particulier des marins de la marine marchande de manière à former un régime unique commun à l'ensemble des travailleurs. L'établissement public de sécurité sociale pour les marins peut être maintenu. "
Art.152. In artikel 22, § 2, a) , van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste streepje worden de woorden " , in artikel 2, § 7, van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden " geschrapt;
  2° in het tweede streepje worden de woorden " , in artikel 2, § 3, eerste lid, 7°, van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden " geschrapt;
  3° in het derde streepje worden de woorden " en in artikel 2, § 3bis , van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden " geschrapt;
  4° in het vierde streepje worden de woorden " , in artikel 2, § 3ter van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden " geschrapt.
Art.152. A l'article 22, § 2, a) , de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
  1° au premier tiret, les mots " à l'article 2, § 7, de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés, " sont supprimés;
  2° au second tiret, les mots " à l'article 2, § 3, alinéa 1er, 7°, de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés, " sont supprimés;
  3° au troisième tiret, les mots " et à l'article 2, § 3bis , de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimiles, " sont supprimés;
  4° au quatrième tiret, les mots " et à l'article 2, § 3ter de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés et " sont supprimés.
Art.153. In artikel 38 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 2, 1°, wordt aangevuld als volgt : " Voor mijnwerkers en ermee gelijkgestelden tewerkgesteld in de ondergrond van de mijnen of steengroeven met ondergrondse winning wordt deze bijdragevoet op 8,50 pct. gebracht; ";
  2° § 2, 2°, wordt aangevuld als volgt : " Voor mijnwerkers en ermee gelijkgestelden wordt deze bijdragevoet op 0,15 pct. gebracht; ";
  3° § 2 wordt aangevuld als volgt : " 5° 1,00 pct. van het bedrag van het loon van de werknemers onderworpen aan de regeling van de invaliditeitspensioenen voor de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden; ";
  4° § 3, 1°, wordt aangevuld als volgt : " Voor mijnwerkers en ermee gelijkgestelden tewerkgesteld in de ondergrond van de mijnen of steengroeven met ondergrondse winning wordt de bijdrage vastgesteld op 10,36 pct.; ";
  5° § 3, 2°, wordt aangevuld als volgt : " Voor mijnwerkers en ermee gelijkgestelden wordt deze bijdragevoet op 1,35 pct. gebracht; ";
  6° § 3 wordt aangevuld als volgt : " 10° 1,00 pct. van het bedrag van het loon van de werknemers onderworpen aan de regeling van de invaliditeitspensioenen voor de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden; ".
Art.153. A l'article 38 de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 2, 1°, est complété comme suit : " Pour l'ouvrier mineur et assimilé occupé au fond des mines ou des carrière avec exploitation souterraine le taux est porté à 8,50 p.c.; ";
  2° le § 2, 2°, est complété comme suit : " pour l'ouvrier mineur et assimilé le taux est porté à 0,15 p.c.; ";
  3° le § 2 est complété comme suit : " 5° 1,00 p.c., du montant de la rémunération de l'ouvrier assujetti au régime des pensions d'invalidité pour des ouvriers mineurs et assimilés; ";
  4° le § 3, 1°, est complété comme suit : " Pour l'ouvrier mineur et assimilé occupé au fond des mines ou des carrière avec exploitation souterraine le taux est porté à 10,36 p.c.; ";
  5° le § 3, 2°, est complété comme suit : " pour l'ouvrier mineur et assimilé le taux est porté à 1,35 p.c.; ";
  6° le § 3 est complété comme suit : " 10° 1,00 p.c., du montant de la rémunération de l'ouvrier assujetti au régime des pensions d'invalidité pour les ouvriers mineurs et assimilés; ".
Art.154. Artikel 1, 2°, van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971, wordt opgeheven.
Art.154. L'article 1er, 2°, des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés coordonnées le 28 juin 1971 est abrogé.
Art.155. In artikel 37, tweede lid, van dezelfde gecoördineerde wetten worden de woorden " aan het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers " geschrapt.
Art.155. A l'article 37, alinéa 2, des mêmes lois coordonnées, les mots " au Fonds National de retraite des Ouvriers Mineurs " sont supprimés.
Art.156. In artikel 12, 7°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, worden de woorden " waarin voorzien door de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden " vervangen door de woorden " als bedoeld in artikel 2, § 3bis , van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers ".
Art.156. Dans l'article 12, 7°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, les mots " prévu par l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés " sont remplacés par les mots " comme déterminé par l'article 2, § 3bis , de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés ".
Art.157. In artikel 32, 1°, van dezelfde wet worden de woorden " of die vallen onder de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden " geschrapt.
Art.157. Dans l'article 32, 1°, de la même loi, les mots " ou qui tombent sous l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés " sont supprimés.
Art.158. In artikel 78 van dezelfde wet worden de woorden " bepaald bij de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden " vervangen door de woorden " als bedoeld in artikel 2, § 3bis , van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers ".
Art.158. Dans l'article 78 de la même loi, les mots " prévu par l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés " sont remplacés par les mots " comme déterminé par l'article 2, § 3bis , de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés ".
Art.159. In artikel 80bis , 1°, van dezelfde wet worden de woorden " waarin voorzien door de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden " vervangen door de woorden " als bedoeld in artikel 2, § 3bis , van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers ".
Art.159. Dans l'article 80bis , 1°, de la même loi, les mots " prévu par l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés " sont remplacés par " comme déterminé par l'article 2, § 3bis , de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés ".
Art.160. In artikel 86, § 1, 1°, a) , van dezelfde wet, worden de woorden " door die vergoeding, of die vallen onder de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden; " vervangen door de woorden " door die vergoeding ".
Art.160. Dans l'article 86, § 1er, 1°, a) , de la même loi, les mots " par cette indemnité ou qui tombent sous arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés " sont remplacés par les mots " par cette indemnité ".
Art.161. In artikel 97 van dezelfde wet worden de woorden " of krachtens de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden " geschrapt.
Art.161. Dans l'article 97 de la même loi, les mots " ou en exécution de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés " sont supprimés.
Art.162. Artikel 1, 2°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 wordt opgeheven.
Art.162. L'article 1er, 2°, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail est abrogé.
Art.163. Artikel 59, 1°, b) , van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art.163. L'article 59, 1°, b) , de la même loi est abrogé.
Art.164. In artikel 59ter van dezelfde wet wordt het woord " besluitwetten " vervangen door het woord " besluitwet ".
Art.164. A l'article 59ter de la même loi, les mots " les arrêtés-lois " et " des arrêtés-lois " sont respectivement remplacés par les mots " l'arrêté-loi " et " de l'arrêté-loi ".
Art.165. In artikel 94, § 8, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, vervangen bij de wet van 12 augustus 2000, vervallen de woorden " de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid der mijnwerkers en gelijkgestelden ".
Art.165. A l'article 94, § 8, des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés du 19 décembre 1939, remplacé par la loi du 12 août 2000, les mots " l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés " sont supprimés.
Art.166. De besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en er mee gelijkgestelden wordt opgeheven.
Art.166. L'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés est abrogé.
Art.167. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2003.
Art.167. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er janvier 2003.
HOOFDSTUK 9. - Beroepsziekten.
CHAPITRE 9. - Maladies professionnelles.
Art.168. Artikel 52, tweede lid, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, gewijzigd bij de wet van 29 april 1996, wordt vervangen als volgt :
  " Het Fonds voor de beroepsziekten kan ook ambtshalve uitspraak doen over de herziening van de reeds toegekende vergoedingen volgens de voorwaarden en op de wijze bepaald door de Koning.
  Onverminderd hetgeen bepaald is in het vorige lid, kan de Koning na advies van het Beheerscomité van het Fonds voor de beroepsziekten en na advies van de Technische Raad, de beroepsziekten aanduiden die voor ambtshalve herziening in aanmerking komen alsmede de voorwaarden ervan vaststellen. "
Art.168. L'article 52, alinéa 2, des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, modifié par la loi du 29 avril 1996, est remplacé par l'alinéa suivant :
  " Le Fonds des maladies professionnelles peut également statuer d'office sur la révision des indemnités déjà octroyées, selon les conditions et de la manière déterminées par le Roi.
  Sans préjudice de la disposition de l'alinéa précédent, le Roi peut, après avis du Comité de gestion du Fonds des maladies professionnelles et après avis du Conseil technique, déterminer les maladies professionnelles pouvant faire l'objet d'une révision d'office ainsi que les conditions à cet effet. "
HOOFDSTUK 10. - Jaarlijkse vakantie.
CHAPITRE 10. - Vacances annuelles.
Art.169. In de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, wordt een artikel 9bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 9bis. - De Koning bepaalt de personen aan wie het vakantiegeld van een overleden arbeider of leerling-arbeider wordt uitbetaald, de volgorde waarin die personen dat voordeel kunnen genieten, alsmede de na te leven vormvereisten voor het verkrijgen van kwestieuze betaling en de termijn waarin de eventuele aanvraag moet worden ingediend. "
Art.169. Un article 9bis , rédigé comme suit, est inséré dans les lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971 :
  " Art. 9bis. Le Roi détermine les personnes a qui le pécule de vacances d'un ouvrier ou d'un apprenti-ouvrier décédé est payé, l'ordre dans lequel ces personnes sont appelées à bénéficier ainsi que les formalités à remplir pour l'obtention de ce payement et le délai dans lequel la demande éventuelle doit être introduite. "
HOOFDSTUK 11. - Sociaal statuut van de kunstenaars.
CHAPITRE 11. - Statut social des artistes.
Afdeling 1. - De onderwerping aan de sociale zekerheid der werknemers.
Section 1re. - L'assujettissement à la sécurité des travailleurs salariés.
Art.170. In de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wordt een artikel 1bis ingevoegd, luidende :
  " Artikel 1bis. - § 1. Deze wet vindt eveneens toepassing op de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen betaling van een loon artistieke prestaties leveren en/of artistieke werken produceren in opdracht van een natuurlijke of rechtspersoon, tenzij de persoon die de artistieke prestatie levert of het artistieke werk produceert, bewijst dat deze artistieke prestaties en/of werken niet worden geleverd in gelijkaardige socio-economische voorwaarden als die waarin een werknemer zich ten opzichte van zijn werkgever bevindt. Deze bepaling vindt echter geen toepassing wanneer de persoon die de artistieke prestatie levert of het artistieke werk produceert, deze artistieke prestatie levert of dit artistieke werk produceert ter gelegenheid van gebeurtenissen van zijn of haar familie.
  De natuurlijke persoon of rechtspersoon van wie de persoon die de artistieke prestatie levert of het artistieke werk produceert, het loon ontvangt, wordt beschouwd als de werkgever.
  § 2. Onder " het leveren van artistieke prestaties en/of het produceren artistieke werken " dient te worden verstaan de creatie en/of uitvoering of interpretatie van artistieke oeuvres in de audiovisuele en de beeldende kunsten, in de muziek, de literatuur, het spektakel, het theater en de choreografie.
  § 3. De eerste paragraaf is niet van toepassing op de personen die artistieke prestaties leveren en/of artistieke werken produceren in het kader van de rechtspersoon waarvan ze mandataris zijn, zoals bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen. "
Art.170. Un article 1bis , rédigé comme suit, est inséré dans la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs :
  " Article 1bis. § 1er. La présente loi est également applicable aux personnes qui, sans être liées par un contrat de travail, fournissent des prestations artistiques et/ou produisent des oeuvres artistiques contre paiement d'une rémunération pour le compte du donneur d'ordre, personne physique ou morale, à moins que la personne qui fournit ces prestations artistiques et/ou produit ces oeuvres artistiques ne prouve que ces prestations et/ou ces oeuvres artistiques ne sont pas fournies dans des conditions socio-économiques similaires à celles dans lesquelles se trouve un travailleur par rapport à son employeur. Cette disposition n'est toutefois pas applicable lorsque la personne qui fournit la prestation artistique ou qui produit l'oeuvre artistique fournit cette prestation artistique ou produit cette oeuvre artistique à l'occasion d'événements de sa famille.
  La personne physique ou morale de qui la personne qui fournit la prestation artistique ou qui produit l'oeuvre artistique reçoit la rémunération est considérée comme étant l'employeur.
  § 2. Par " fourniture de prestations artistiques et/ou production des oeuvres artistiques " il faut entendre la création et/ou l'exécution ou l'interprétation d'oeuvres artistiques dans le secteur de l'audiovisuel et des arts plastiques, de la musique, de la littérature, du spectacle, du théâtre et de la chorégraphie.
  § 3. Le premier paragraphe n'est pas applicable aux personnes qui fournissent des prestations et/ou produisent des oeuvres artistiques dans le cadre de la personne morale dont elles sont le mandataire au sens de l'article 2 de l'arrêté royal du 19 décembre 1967 portant règlement général en exécution de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants. "
Art.171. Artikel 3, 2°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt opgeheven.
Art.171. L'article 3, 2°, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, est abrogé.
Afdeling 2. - Oprichting van een commissie " Kunstenaars ".
Section 2. - Création d'une commission " Artistes ".
Afdeling 3. - Maatregelen inzake de bijdragevermindering en de bijdragen voor de jaarlijkse vakantieregeling.
Section 3. - Mesures concernant la réduction des cotisations et les cotisations en matière des vacances annuelles.
Art.173. In de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers wordt een artikel 37quinquies ingevoegd, luidende :
  " Art. 37quinquies. § 1. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een forfaitair gedeelte van het gemiddeld dag- en/of uurloon van de werknemers die artistieke prestaties leveren en/of artistieke werken produceren, vrijstellen van de werkgeversbijdragen, bedoeld in artikel 38, §§ 3, 1° tot 7° en 3bis.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de berekening van deze vrijstelling en definieert de noties die nodig zijn voor deze berekening.
  § 2. Onder " het leveren van artistieke prestaties en/of het produceren van artistieke werken " dient te worden verstaan de creatie en/of uitvoering of interpretatie van artistieke oeuvres in de audiovisuele sector, in de beeldende kunsten, in de muziek, de literatuur, het spektakel, het theater en de choreografie.
  § 3. Voor dezelfde werknemer kan het voordeel van de bepalingen van dit artikel niet samen genoten worden met enige andere vermindering van de werkgeversbijdragen, met uitzondering van het voordeel toegekend met toepassing van artikel 35, § 5, en de verminderingen toegekend in het kader van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven. "
Art.173. Un article 37quinquies , rédigé comme suit, est inséré dans la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés :
  " Art. 37quinquies. § 1er. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, exonérer des cotisations patronales, visées aux articles 38, §§ 3, 1° à 7°, et 3bis , une partie forfaitaire du salaire journalier et/ou horaire moyen des travailleurs qui fournissent des prestations artistiques et/ou produisent des oeuvres artistiques.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités pour le calcul de cette exonération et définit les notions qui sont nécessaires pour ce calcul.
  § 2. Par " fourniture de prestations artistiques et/ou production des oeuvres artistiques " il faut entendre la création et/ou l'exécution ou l'interprétation d'oeuvres artistiques dans le secteur audiovisuel et des arts plastiques, de la musique, de la littérature, du spectacle, du théâtre et de la chorégraphie.
  § 3. Pour le même travailleur salarié, on ne peut pas bénéficier en même temps de l'avantage des dispositions de cet article et de quelque réduction des cotisations patronales que ce soit, à l'exception de l'avantage attribué en application de l'article 35, § 5, et des réductions octroyées dans le cadre de la loi du 10 août 2001 relative à la conciliation entre l'emploi et la qualité de vie. "
Art.174. In artikel 38, § 3, 8°, van dezelfde wet worden de woorden " en de personen onderworpen aan de sociale zekerheidsregeling voor werknemers ingevolge de door hen geleverde artistieke prestaties en/of de door hen geproduceerde artistieke werken " ingevoegd tussen de woorden " de handarbeiders " en de woorden " betreft 16,27 pct. "
Art.174. Dans l'article 38, § 3, 8°, de la même loi, les mots " et les personnes soumises au régime de la sécurité sociale des travailleurs salariés en raison des prestations artistiques qu'elles fournissent et/ou des oeuvres artistiques qu'elles produisent " sont insérés entre les mots " les travailleurs manuels " et les mots " 16,27 p.c. de leur rémunération ".
Afdeling 4. - Aansluiting bij de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers.
Section 4. - Affiliation à l'Office national d'Allocations familiales pour travailleurs salariés.
Art.175. Artikel 33, tweede lid, 4°, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998, wordt aangevuld als volgt :
  " c) de werkgevers van personen onderworpen aan de sociale zekerheidsregeling voor werknemers ingevolge de door hen geleverde artistieke prestaties en/of de door hen geproduceerde artistieke werken. "
Art.175. L'article 33, alinéa 2, 4°, des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, modifié par la loi du 22 février 1998, est complété comme suit :
  " c) les employeurs de personnes assujetties à la sécurité sociale des travailleurs salariés en raison de prestations artistiques qu'elles fournissent et/ou des oeuvres artistiques qu'elles produisent. "
Afdeling 5. - Aansluiting bij de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie.
Section 5. - Affiliation à l'Office national des vacances annuelles.
Art.176. In artikel 9 van de gecoördineerde wetten van 28 juni 1971 betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1998, 26 maart 1999 en 22 mei 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het tweede lid worden de woorden " met uitzondering van de personen onderworpen aan de sociale zekerheidsregeling voor werknemers ingevolge de door hen geleverde artistieke prestaties en/of de door hen geproduceerde artistieke werken, " ingevoegd tussen de woorden " de hoofdarbeiders, " en " de zeevarende officieren en daarmee gelijkgestelde personen ";
  2° in het derde lid worden de woorden " ,behalve wanneer het gaat om een persoon onderworpen aan de sociale zekerheidsregeling voor werknemers ingevolge de door hem geleverde artistieke prestaties en/of de door hem geproduceerde artistieke werken, " ingevoegd tussen de woorden " overleden hoofdarbeider " en " kunnen onmiddellijk betaling vragen ".
Art.176. Dans l'article 9 des lois coordonnées le 28 juin 1971 relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, modifié par les lois des 22 février 1998, 26 mars 1999 et 22 mai 2001, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 2, les mots " à l'exception des personnes assujetties à la sécurité sociale des travailleurs salariés en raison de prestations artistiques qu'elles fournissent et/ou des oeuvres artistiques qu'elles produisent, " sont insérés entre les mots " travailleurs intellectuels, " et " pour les officiers navigants et assimilés ";
  2° dans l'alinéa 3, les mots " , sauf s'il s'agit d'une personne assujettie à la sécurité sociale des travailleurs salariés en raison des prestations artistiques qu'elle fournit et/ou des oeuvres artistiques qu'elle produit, " sont insérés entre les mots " travailleur intellectuel décédé " et " peuvent exiger le paiement immédiat ".
Art.177. In artikel 12 van dezelfde wetten worden de woorden " en de personen onderworpen aan de sociale zekerheidsregeling voor werknemers ingevolge de door hen geleverde artistieke prestaties en/of de door hen geproduceerde artistieke werken " ingevoegd tussen de woorden " Wat de handarbeiders betreft " en " , wordt het vakantiegeld uitgekeerd ".
Art.177. Dans l'article 12 des mêmes lois, les mots " et les personnes assujetties à la sécurité sociale des travailleurs salariés en raison de prestations artistiques qu'elles fournissent et/ou des oeuvres artistiques qu'elles produisent " sont insérés entre les mots " En ce qui concerne les travailleurs manuels " et " , les pécules de vacances sont payés ".
Art.178. In artikel 18, § 1, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wetten van 26 maart 1999, 24 december 1999 en 22 mei 2001, worden de woorden " met uitzondering van de personen onderworpen aan de sociale zekerheidsregeling voor werknemers ingevolge de door hen geleverde artistieke prestaties en/of de door hen geproduceerde artistieke werken, " ingevoegd tussen de woorden " behalve voor hoofdarbeiders " en " en voor zeevarende officieren en daarmede gelijkgestelde personen ".
Art.178. Dans l'article 18, § 1er, des mêmes lois, modifié par les lois des 26 mars 1999, 24 décembre 1999 et 22 mai 2001, les mots " à l'exception des personnes assujetties à la sécurité sociale des travailleurs salariés en raison de prestations artistiques qu'elles fournissent et/ou des oeuvres artistiques qu'elles produisent, " sont insérés entre les mots " sauf en ce qui concerne les travailleurs intellectuels " et " et les officiers navigants et assimilés ".
Art.179. In artikel 21 van dezelfde wetten worden de woorden " , met uitzondering van de personen onderworpen aan de sociale zekerheidsregeling voor werknemers ingevolge de door hen geleverde artistieke prestaties en/of de door hen geproduceerde artistieke werken, " ingevoegd tussen de woorden " Voor de hoofdarbeiders " en " en voor de zeevarende officieren en daarmede gelijkgestelde personen ".
Art.179. Dans l'article 21 des mêmes lois, les mots " , à l'exception des personnes assujetties à la sécurité sociale des travailleurs salariés en raison de prestations artistiques qu'elles fournissent et/ou des oeuvres artistiques qu'elles produisent, " sont insérés entre les mots " Pour les travailleurs intellectuels " et " et pour les officiers navigants et assimilés ".
Art.180. Het opschrift van hoofdstuk VIbis van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 22 mei 2001, wordt aangevuld als volgt :
  " en van de personen onderworpen aan de sociale zekerheidsregeling voor werknemers ingevolge de door hen geleverde artistieke prestaties en/of de door hen geproduceerde artistieke werken. "
Art.180. L'intitulé du chapitre VIbis des mêmes lois, inséré par la loi du 22 mai 2001, est complété comme suit :
  " et des personnes assujetties à la sécurité sociale des travailleurs salariés en raison de prestations artistiques qu'elles fournissent et/ou des oeuvres artistiques qu'elles produisent. "
Art.181. In artikel 46bis van dezelfde wetten, ingevoegd bij de wet van 22 mei 2001,worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden " of van een persoon onderworpen aan de sociale zekerheidsregeling voor werknemers ingevolge de door hem geleverde artistieke prestaties en/of de door hem geproduceerde artistieke werken " ingevoegd tussen de woorden " van een arbeider of een leerling-arbeider " en " verjaart ";
  2° in het tweede lid worden de woorden " of aan een persoon onderworpen aan de sociale zekerheidsregeling voor werknemers ingevolge de door hem geleverde artistieke prestaties en/of de door hem geproduceerde artistieke werken " ingevoegd tussen de woorden " aan een arbeider of leerling-arbeider " en " toegekend werd ".
Art.181. Dans l'article 46bis des mêmes lois, inséré par la loi du 22 mai 2001, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots " ou à une personne assujettie à la sécurité sociale des travailleurs salariés en raison des prestations artistiques qu'elle fournit et/ou des oeuvres artistiques qu'elle produit " sont insérés entre les mots " à un ouvrier ou à un apprenti-ouvrier " et " se prescrit ";
  2° dans l'alinéa 2, les mots " ou à une personne assujettie à la sécurité sociale des travailleurs salariés en raison de prestations artistiques qu'elle fournit et/ou des oeuvres artistiques qu'elle produit " sont insérés entre les mots " à un ouvrier ou à un apprenti-ouvrier " et " se prescrit ".
Afdeling 6. - Bepalingen inzake tijdelijke arbeid.
Section 6. - Dispositions relatives au travail temporaire.
Art.182. In artikel 1 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, wordt een § 6 ingevoegd, luidende :
  " § 6. De artistieke prestaties die worden geleverd en/of de artistieke werken die worden geproduceerd tegen betaling van een loon, ten bate van een occasionele werkgever of een occasionele gebruiker, kunnen tijdelijke arbeid uitmaken.
  Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt onder " het leveren van artistieke prestaties en/of het produceren van artistieke werken " verstaan de creatie en/of uitvoering of interpretatie van artistieke oeuvres in de audiovisuele en de beeldende kunsten, in de muziek, de literatuur, het spektakel, het theater en de choreografie.
  De prestaties uitgevoerd door podiumtechnici kunnen ook beschouwd worden als artistieke prestaties, die tijdelijke arbeid kunnen uitmaken.
  De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad wat moet worden verstaan onder occasionele werkgever en occasionele gebruiker. "
Art.182. A l'article 1er de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs, il est inséré un § 6, rédige comme suit :
  " § 6. Les prestations artistiques qui sont fournies et/ou les oeuvres artistiques qui sont produites contre paiement d'une rémunération, pour le compte d'un employeur occasionnel ou d'un utilisateur occasionnel, peuvent constituer du travail temporaire.
  Pour l'application de l'alinéa précédent, il faut entendre par " fourniture de prestations artistiques et/ou production des oeuvres artistiques " la création et/ou l'exécution ou l'interprétation d'oeuvres artistiques dans le secteur de l'audiovisuel et des arts plastiques, de la musique, de la littérature, du spectacle, du théâtre et de la chorégraphie.
  Sont également considérées comme prestations artistiques pouvant constituer du travail temporaire les prestations exécutées par les techniciens de spectacle.
  Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des ministres ce qu'il faut entendre par employeur occasionnel et utilisateur occasionnel. "
Art.183. Op basis van een evaluatie die zal plaatshebben twee jaar na de inwerkingtreding van artikel 182, kan de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het toepassingsgebied van de § 6, ingevoegd in het artikel 1 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, uitbreiden tot andere werkgevers of gebruikers dan de occasionele werkgever of de occasionele gebruiker.
Art.183. Sur la base d'une évaluation qui aura lieu deux ans après l'entrée en vigueur de l'article 182, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, étendre l'application du § 6, inséré à l'article 1er de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à disposition d'utilisateurs, à d'autres employeurs ou utilisateurs que l'employeur occasionnel ou l'utilisateur occasionnel.
Art.184. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 juli 2003.
Art.184. Les dispositions du présent chapitre entrent en vigueur le 1er juillet 2003.
HOOFDSTUK 12. - Wijziging van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij.
CHAPITRE 12. - Modification de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande.
Art.185. Artikel 2 van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, gewijzigd bij het besluit van 18 februari 1997, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 2. § 1. Voor de toepassing van deze besluitwet wordt verstaan onder :
  1° " zeeman " : elke persoon die zich aan boord van een zeeschip bevindt in uitvoering van een arbeidsovereenkomst afgesloten met een reder ter koopvaardij, met het doel arbeid aan boord van zeeschepen te verrichten;
  2° " reder ter koopvaardij " : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een zeeschip onder Belgische vlag, exploiteert, bevracht, beheert of uitrust, ongeacht de rechtstitel welke hij op dit zeeschip bezit, alsook elke vennootschap bedoeld in artikel 2quater van deze besluitwet;
  3° " zeeschip " : elk schip gebruikt of geschikt of bestemd om te worden gebruikt op zee.
  § 2. Onverminderd het bepaalde in internationale overeenkomsten en verordeningen, zijn de reders ter koopvaardij en de zeelieden die zij tewerkstellen aan boord van een zeeschip varende onder Belgische vlag, onderworpen aan deze besluitwet.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden bepalen waaronder de zeelieden die tewerkgesteld zijn aan boord van een zeeschip varende onder Belgische vlag en die niet hun woon- of verblijfplaats hebben in een Europese lidstaat of in een verdragsstaat, uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van deze besluitwet.
  § 3. De leerlingen van de koopvaardij, bedoeld in het koninklijk besluit van 20 mei 1986 houdende regeling van het leerlingenwezen voor beroepen uitgeoefend door arbeiders in loondienst bij de koopvaardij, zijn eveneens onderworpen aan deze besluitwet, en dit voor de leerovereenkomsten van beroepen vastgesteld krachtens artikel 48 van voornoemd besluit. De onderwerping van deze leerlingen wordt echter beperkt tot de regeling betreffende de jaarlijkse vakantie. "
Art.185. L'article 2 de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande, modifié par l'arrêté du 18 février 1997, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 2. § 1er. Pour l'application du présent arrêté-loi, sont réputés :
  1° " marin " : toute personne qui se trouve à bord d'un navire en exécution d'un contrat de travail conclu avec un armateur de la marine marchande, afin d'accomplir un travail à bord de navires;
  2° " armateur de la marine marchande " : toute personne physique ou morale qui exploite, charge, gère ou arme un navire sous pavillon belge, quel que soit le titre juridique qu'il possède sur ce navire, ainsi que toute société visée à l'article 2quater du présent arrêté-loi;
  3° " navire " : tout bateau utilisé ou apte ou destine à être utilisé en mer.
  § 2. Sans préjudice des dispositions des conventions internationales et des règlements internationaux, les armateurs de la marine marchande et les marins qu'ils occupent à bord d'un navire naviguant sous pavillon belge sont assujettis au présent arrêté-loi.
  Le Roi peut, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, fixer les conditions pour les marins occupés à bord d'un navire naviguant sous pavillon belge et qui n'ont pas leur domicile ou résidence dans un Etat membre de l'Union européenne ou dans un Etat contractant, auxquelles ils sont exclus du champ d'application du présent arrêté-loi.
  § 3. Sont également assujettis au présent arrêté-loi, les apprentis de la marine marchande visés par l'arrêté royal du 20 mai 1986 réglementant l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés dans la marine marchande, pour l'apprentissage des professions déterminées conformément à l'article 48 de l'arrêté précité. L'assujettissement de ces apprentis est toutefois limité au régime des vacances annuelles. "
Art.186. Artikel 2ter van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 december 1992, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 2ter. § 1. Zijn verplicht bij de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden aangesloten, alle personen, zonder onderscheid van nationaliteit, die :
  1° ingeschreven zijn in de Belgische Pool van de zeelieden ter koopvaardij;
  2° ingeschreven zijn in de Belgische Pool van de zeelieden ter koopvaardij en onderworpen zijn aan de Belgische sociale zekerheidsregeling van de koopvaardij, met toepassing van de Belgisch-Luxemburgse Overeenkomst van 25 maart 1991 betreffende de vaststelling van de toepasselijke wetgeving voor Belgische zeevarenden onder Luxemburgse vlag en van de Overeenkomst, vastgesteld bij de uitwisseling van de brieven van 10 en 17 april 1991 tussen de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk België en het Groothertogdom Luxemburg;
  3° ingeschreven zijn in de Belgische Pool van de zeelieden ter koopvaardij en overeenkomstig artikel 2bis van deze besluitwet tewerkgesteld worden aan boord van een vreemd schip door bemiddeling van een Belgische reder ter koopvaardij.
  § 2. De zeelieden varend onder vreemde vlag, die niet voldoen aan de voorwaarden bepaald in § 1, 2° en 3°, kunnen bij de Kas aangesloten blijven. Onder voorbehoud van het bepaalde in internationale overeenkomsten en verordeningen, dienen zij hun verblijfplaats in België te hebben. "
Art.186. L'article 2ter du même arrêté-loi, modifié par la loi du 30 décembre 1992, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 2ter. § 1er. Sont obligatoirement affiliés à la Caisse de secours et de prévoyance toutes les personnes, sans distinction de nationalité, qui :
  1° sont inscrites au Pool belge des marins de la marine marchande;
  2° sont inscrites au Pool belge des marins de la marine marchande et sont assujetties à la sécurité sociale belge de la marine marchande, en application de l'accord belgo-luxembourgeois du 25 mars 1991 concernant la détermination de la législation applicable aux marins naviguant sous pavillon luxembourgeois et de l'Accord conclu entre les autorités compétentes du Royaume de Belgique et le grand-duché de Luxembourg par échange de lettres du 10 et 17 avril 1991;
  3° sont inscrites au Pool belge des marins de la marine marchande et sont occupées à bord d'un navire étranger par l'intermédiaire d'un armateur belge, conformément à l'article 2bis du présent arrêté-loi.
  § 2. Les marins naviguant sous pavillon étranger, qui ne remplissent pas les conditions fixées au § 1er, 2° et 3°, peuvent rester affiliés à la Caisse. Sous réserve des dispositions des conventions internationales et des règlements internationaux, il doivent avoir leur résidence en Belgique. "
HOOFDSTUK 13. - Verjaringstermijn inzake de uitbetaling van de pensioenen.
CHAPITRE 13. - Délai de prescription en matière de paiement des pensions.
Art.187. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder prestaties verstaan, de prestaties waarvan [2 de Federale Pensioendienst]2, de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen en de verzekeringsinstellingen die contracten hebben afgesloten in het kader van het stelsel van het rust- en overlevingspensioen voor zelfstandigen de uitbetaling verzekeren, te weten :
  1° de rust- en overlevingspensioenen toegekend in het pensioenstelsel voor werknemers, alsook de prestaties waarvan de toekenning verbonden is aan het genot van bedoelde pensioenen en met name de verwarmingstoelage, het vakantiegeld en de aanvullende toeslag en de herwaarderingspremie;
  [1 1° /1. de overgangsuitkeringen toegekend in de pensioenregeling voor werknemers;]1
  2° de ouderdoms- en weduwerentebijslagen;
  3° de ouderdoms- en weduwerenten gevestigd door de verplichte stortingen verricht overeenkomstig de bepalingen opgesomd in artikel 1 van de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood;
  4° het gewaarborgd inkomen voor bejaarden en de forfaitaire bijzondere verwarmingstoelage;
  5° de inkomensgarantie voor ouderen;
  6° de rust- en overlevingspensioenen toegekend in het pensioenstelsel der zelfstandigen, alsook de prestaties waarvan de toekenning verbonden is aan het genot van bedoelde pensioenen en met name de bijzondere bijslag voor zelfstandigen, de pensioenbijslag en de herwaarderingspremie;
  [1 6° /1. de overgangsuitkeringen toegekend in het pensioenstelsel der zelfstandigen;]1
  7° de aan de uit de echt gescheiden echtgenoten toegekende pensioenen in het stelsel der zelfstandigen, alsook de prestaties waarvan de toekenning verbonden is aan het genot van bedoelde pensioenen en met name de bijzondere bijslag voor zelfstandigen en de herwaarderingspremie;
  8° de onvoorwaardelijke pensioenen van zelfstandigen, alsook de renten die door de aanwending van een levensverzekeringscontract werden gevestigd;
  9° de aanvullende tegemoetkomingen, de tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden en de tegemoetkomingen voor hulp van derden.
  
Art.187. Pour l'application du présent chapitre, on entend par prestations, les prestations dont [2 le Service fédéral des Pensions]2, les caisses d'assurances sociales pour travailleurs indépendants et les organismes assureurs qui ont conclu des contrats dans le cadre du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants assurent le paiement, à savoir :
  1° les pensions de retraite et de survie octroyées dans le régime de pension pour travailleurs salariés, ainsi que les prestations dont l'octroi est lie au bénéfice des pensions précitées et notamment l'allocation de chauffage, le pécule de vacances et le pécule complémentaire et la prime de revalorisation;
  [1 1° /1. les allocations de transition octroyées dans le régime de pension des travailleurs salariés;]1
  2° les majorations de rente de vieillesse et de veuve;
  3° les rentes de vieillesse et de veuve constituées par les versements obligatoires effectués conformément aux dispositions énumérées à l'article 1er de la loi du 28 mai 1971 réalisant l'unification et l'harmonisation des régimes de capitalisation institués dans le cadre des lois relatives à l'assurance en vue de la vieillesse et du décès prématuré;
  4° le revenu garanti aux personnes âgées et l'allocation spéciale forfaitaire de chauffage;
  5° la garantie de revenus aux personnes âgées;
  6° les pensions de retraite et de survie octroyées dans le régime de pension des travailleurs indépendants, ainsi que les prestations dont l'octroi est lié au bénéfice des pensions précitées et notamment l'allocation spéciale de travailleur indépendant, le supplément de pension et la prime de revalorisation;
  [1 6° /1. les allocations de transition octroyées dans le régime de pension des travailleurs indépendants;]1
  7° les pensions de conjoint divorcé octroyées dans le régime des travailleurs indépendants, ainsi que les prestations dont l'octroi est lié au bénéfice des pensions précitées et notamment l'allocation spéciale de travailleur indépendant et la prime de revalorisation;
  8° les pensions inconditionnelles de travailleurs indépendants, ainsi que les rentes constituées par l'affectation d'un contrat d'assurance sur la vie;
  9° les allocations complémentaires, les allocations complémentaires du revenu garanti aux personnes âgées et les allocations pour l'aide d'une tierce personne.
  
Art.188. De uitbetaling van de in dit hoofdstuk bedoelde prestaties verjaart na verloop van tien jaar te rekenen vanaf de dag van hun opeisbaarheid.
  Buiten de oorzaken bedoeld bij artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, wordt de verjaring gestuit door een aanvraag per aangetekend schrijven verzonden hetzij [1 aan de Federale Pensioendienst]1 of aan het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen, wat de voordelen betreft waarvan [1 de Federale Pensioendienst]1 de uitbetaling verzekert, hetzij aan de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen wat de voordelen betreft waarvan zijzelf de uitbetaling verzekeren, hetzij aan de bevoegde verzekeringsinstelling, wat de renten betreft waarvan zij de uitbetaling verzekert.
  Voor de toepassing van artikel 2248 van hetzelfde Wetboek, worden, naargelang van het geval, de kennisgeving van een eerste beslissing, van een nieuwe beslissing en de verbetering van een juridische of materiële vergissing in de uitvoering van een beslissing gelijkgesteld met de erkenning door de schuldenaar van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt.
  
Art.188. Le paiement des prestations prévues par le présent chapitre se prescrit par dix ans à compter du jour de leur exigibilité.
  Outre les causes prévues à l'article 2244 du Code civil, la prescription est interrompue par une demande introduite par lettre recommandée soit, auprès [1 du Service fédéral des Pensions]1 ou, de l'Institut national d'Assurances sociales pour travailleurs indépendants, pour les avantages dont [1 le Service fédéral des Pensions]1 assure le paiement, soit, auprès des caisses d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, pour les avantages dont celles-ci assurent elles-mêmes le paiement, soit, auprès de l'organisme assureur compétent, pour les rentes dont celui-ci assure le paiement.
  Pour l'application de l'article 2248 du même Code, la notification, selon le cas, d'une première décision, d'une nouvelle décision et la rectification d'une erreur de droit ou matérielle dans l'exécution d'une décision sont assimilées à la reconnaissance que le débiteur fait du droit de celui contre lequel il prescrivait.
  
Art.189. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van de artikelen 187 en 188.
  (NOTA : Inwerkingtreding van de artikelen 187 en 188 vastgesteld op 01-10-2003 door KB 2003-07-11/80, art. 1)
Art.189. Le Roi fixe la date d'entrée en vigueur des articles 187 et 188.
  (NOTE : Entrée en vigueur des articles 187 et 188 fixée le 01-10-2003 par AR 2003-07-11/80, art. 1)
HOOFDSTUK 14. - De geïntegreerde politie.
CHAPITRE 14. - De la police intégrée.
Afdeling 1. - Fonds voor de pensioenen.
Section 1re. - Fonds de pensions.
Art.190. [1 § 1er. Les subventions visées aux articles 10 à 14 de la loi du 6 mai 2002 portant création du Fonds des pensions de la police intégrée et portant des dispositions particulières en matière de sécurité sociale, sont attribuées à l'Office national de Sécurité sociale des administrations provinciales et locales, nommé ci-après ONSSAPL, pour le compte des zones de police.
   L'ONSSAPL déduit ces subventions du total des cotisations de sécurité sociale dues par chaque zone de police.
   § 2. Le financement des subventions visées au § 1er se fait par un prélèvement sur le produit des recettes de la T.V.A.
   § 3. A partir du 1er janvier 2014, un montant de 114,9 millions d'euros sera alloué à l'ONSSAPL à titre d'avance annuelle sur les subventions mentionnées au § 1er. Le montant de l'avance annuelle suit l'évolution de l'indice de santé. Il est versé à l'ONSSAPL en douze tranches mensuelles égales.]1

  
Art.190. [1 § 1er. Les subventions visées aux articles 10 à 14 de la loi du 6 mai 2002 portant création du Fonds des pensions de la police intégrée et portant des dispositions particulières en matière de sécurité sociale, sont attribuées à l'Office national de Sécurité sociale des administrations provinciales et locales, nommé ci-après ONSSAPL, pour le compte des zones de police.
   L'ONSSAPL déduit ces subventions du total des cotisations de sécurité sociale dues par chaque zone de police.
   § 2. Le financement des subventions visées au § 1er se fait par un prélèvement sur le produit des recettes de la T.V.A.
   § 3. A partir du 1er janvier 2014, un montant de 114,9 millions d'euros sera alloué à l'ONSSAPL à titre d'avance annuelle sur les subventions mentionnées au § 1er. Le montant de l'avance annuelle suit l'évolution de l'indice de santé. Il est versé à l'ONSSAPL en douze tranches mensuelles égales.]1

  
Art.192. In de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het Fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid, wordt een artikel 13bis ingevoegd, luidend als volgt :
  " Art. 13bis. Een toelage ten laste van de Staatskas wordt toegekend aan de gemeenten of aan de meergemeentepolitiezones ter compensatie, wat de naar de politiezones overgehevelde rijkswachters en militairen betreft, van de last die voortvloeit uit de in artikel 5 bedoelde werkgeversbijdrage. "
Art.192. Dans la loi du 6 mai 2002 portant création du Fonds des pensions de la police intégrée et portant des dispositions particulières en matière de sécurité sociale, est inséré un article 13bis , libellé comme suit :
  " Art. 13bis. Une subvention à charge du Trésor public est accordé aux communes ou aux zones de police pluricommunales pour compenser la charge résultant de l'application aux gendarmes et militaires transférés dans les zones de police de la charge qui résulte de la cotisation patronale visée à l'article 5. "
Afdeling 2. - Sociale zekerheid.
Section 2. - Sécurité sociale.
Art.193. Indien op 30 april 2003 voor bepaalde kwartalen van het jaar 2002 een sociale zekerheidsaangifte zou ontbreken voor de personeelsleden van de lokale politie, zal men voor de voorlopige vaststelling van de sociale zekerheidsrechten van de sociaal verzekerde de gegevens van de sociale zekerheidsaangifte van het eerste kwartaal 2003 eveneens beschouwen als de gegevens van de sociale zekerheidsaangifte van de ontbrekende kwartalen van het jaar 2002.
Art.193. Si à la date du 30 avril 2003, pour des trimestres de l'année 2002, une déclaration de sécurité sociale pour les membres du personnel de la police locale fait défaut, on prendra en considération pour la constatation provisoire des droits de la sécurité sociale de l'assuré social, la déclaration du premier trimestre de 2003 pour la déclaration de chaque trimestre manquant de l'année 2002.
Art.194. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 31 december 2002.
Art.194. Le présent chapitre produit ses effets le 31 décembre 2002.
HOOFDSTUK 15. - Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
CHAPITRE 15. - Banque Carrefour de la sécurité sociale.
Art.195. In artikel 1 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000, worden de woorden " het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu " vervangen door de woorden " de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid ".
Art.195. Dans l'article 1er de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, modifié par la loi du 12 août 2000, les mots " du ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement " sont remplacés par les mots " du Service public fédéral Sécurité sociale ".
Art.196. In artikel 2, eerste lid, 2°, a) , van dezelfde wet worden de woorden " de Ministeries " vervangen door de woorden " de federale overheidsdiensten ".
Art.196. Dans l'article 2, alinéa 1er, 2°, a) , de la même loi, les mots " les ministères " sont remplacés par les mots " les services publics fédéraux ".
Art.197. In artikel 9bis , § 3, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 29 april 1996, worden de woorden " artikel 5, tweede lid " vervangen door de woorden " artikel 5, § 1, eerste lid ".
Art.197. Dans l'article 9bis , § 3, alinéa 2, de la même loi, inséré par la loi du 29 avril 1996, les mots " l'article 5, alinéa 2 " sont remplacés par les mots " l'article 5, § 1er, alinéa 1er ".
Art.198. In de Franse tekst van artikel 15, vierde lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 2 augustus 2002, worden de woorden " Conseil supérieur des Classes moyennes et des Petites et Moyennes Entreprises " vervangen door de woorden " Conseil supérieur des Indépendants et des Petites et Moyennes Entreprises ".
Art.198. Dans le texte français de l'article 15, alinéa 4, de la même loi, remplacé par la loi du 2 août 2002, les mots " Conseil supérieur des Classes moyennes et des Petites et Moyennes Entreprises " sont remplacés par les mots " Conseil supérieur des Indépendants et des Petites et Moyennes Entreprises ".
Art.199. Artikel 17bis van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 17bis. § 1. De volgende instanties kunnen zich verenigen in één of meerdere verenigingen voor het verrichten van hun werkzaamheden inzake informatiebeheer en informatieveiligheid :
  1° de instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, eerste lid, 2°, a) ;
  2° de instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, eerste lid, 2°, c) ;
  3° de Kruispuntbank;
  4° de verenigingen bedoeld in artikel 2 van de wet van 17 juli 2001 betreffende de machtiging voor de federale overheidsdiensten om zich te verenigen met het oog op de uitvoering van werkzaamheden inzake informatiebeheer en informatieveiligheid;
  5° de overheidsdiensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en de openbare instellingen met rechtspersoonlijkheid die onder de Gemeenschappen en Gewesten ressorteren voor zover hun opdrachten betrekking hebben op één of meerdere van de aangelegenheden vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 16 januari 2002 tot uitbreiding van het netwerk van de sociale zekerheid tot sommige overheidsdiensten en openbare instellingen van de Gemeenschappen en Gewesten, met toepassing van artikel 18 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
  De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepalen onder welke voorwaarden andere instellingen van sociale zekerheid of soorten instellingen van sociale zekerheid aan dergelijke vereniging kunnen deelnemen.
  § 2. Indien instanties bedoeld in § 1, 1°, 3°, 4° of 5°, aan een met toepassing van § 1 tot stand gebrachte vereniging deelnemen, kan deze vereniging slechts de vorm aannemen van een vereniging zonder winstoogmerk zoals bedoeld in de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend.
  § 3. De leden van een met toepassing van § 1 tot stand gebrachte vereniging kunnen aan de vereniging werken inzake informatiebeheer en informatieveiligheid toevertrouwen. Het gespecialiseerd personeel van de vereniging kan aan de leden ter beschikking worden gesteld en door deze laatsten in hun schoot worden tewerkgesteld.
  § 4. De leden van een met toepassing van § 1 tot stand gebrachte vereniging zijn gehouden tot het betalen van de kosten van de vereniging in de mate dat zij een beroep doen op haar diensten.
Art.199. L'article 17bis de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, inséré par la loi du 4 mai 1999, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 17bis. - § 1er. Les instances suivantes peuvent s'associer en une ou plusieurs associations pour ce qui concerne leurs travaux en matière de gestion de l'information et de sécurité de l'information :
  1° les institutions de sécurité sociale visées à l'article 2, alinéa 1er, 2°, a) ;
  2° les institutions de sécurité sociale visées à l'article 2, alinéa 1er, 2°, c) ;
  3° la Banque Carrefour;
  4° les associations visées à l'article 2 de la loi du 17 juillet 2001 relative à l'autorisation pour les services publics fédéraux de s'associer en vue de l'exécution de travaux relatifs à la gestion de l'information et à la sécurité de l'information;
   5° les services publics des gouvernements des Communautés et des Régions et les institutions publiques dotées de la personnalité civile qui relèvent des Communautés et des Régions pour autant que leurs missions aient trait à une ou plusieurs des matières mentionnées à l'article 2 de l'arrêté royal du 16 janvier 2002 relatif à l'extension du réseau de la sécurité sociale à certains services publics et institutions publiques des Communautés et es Régions, en application de l'article 18 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale.
  Le Roi peut déterminer, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les conditions selon lesquelles d'autres institutions de sécurité sociale ou d'autres types d'institutions de sécurité sociale peuvent participer à une telle association.
  § 2. Si des instances visées par le § 1er, 1°, 3°, 4° ou 5°, participent à une association fondée en application du § 1er, celle-ci peut uniquement adopter la forme d'une association sans but lucratif conformément à la loi du 27 juin 1921 accordant la personnalité civile aux associations sans but lucratif et aux établissements d'utilité publique.
  § 3. Les membres d'une association fondée en application du § 1er, peuvent confier à l'association des travaux concernant la gestion de l'information et la sécurité de l'information. Le personnel spécialisé de cette association peut être mis à la disposition des membres et être occupé par ces derniers en leur sein.
  § 4. Les membres d'une association fondée en application du § 1er sont tenus de payer les frais de l'association dans la mesure où ils font appel à ses services.
Art.200. In artikel 25, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 6 augustus 1993, worden de woorden " en met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de personen op wie deze sociale gegevens betrekking hebben " ingevoegd na de woorden " met het oog op de veiligheid van de sociale gegevens die door zijn instelling worden verwerkt of uitgewisseld ".
Art.200. Dans l'article 25, alinéa 1er, de la même loi, remplacé par la loi du 6 août 1993, les mots " et à la protection de la vie privée des personnes auxquelles ces données sociales ont trait " sont insérés après les mots " pour concourir à la sécurité des données sociales traitées ou échangées par son institution ".
Art.201. In artikel 35, 1°, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000, worden de woorden " het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu " vervangen door de woorden " de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid ".
Art.201. Dans l'article 35, 1°, de la même loi, modifié par la loi du 12 août 2000, les mots " du Ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement " sont remplacés par les mots " du Service public fédéral Sécurité sociale ".
Art.202. Artikel 46, eerste lid, 4°, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " 4° advies verlenen overeenkomstig artikel 5; ".
Art.202. L'article 46, alinéa 1er, 4°, de la même loi est remplacé par le texte suivant :
  " 4° donner son avis conformément à l'article 5; ".
Art.203. Artikel 61, 1°, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " 1° de personen, hun aangestelden of lasthebbers die bij het verrichten van onderzoeken die nuttig zijn voor de kennis, de conceptie en het beheer van de sociale zekerheid sociale gegevens verwerken in strijd met de bepalingen van artikel 5 of zich niet onderwerpen aan het toezicht van het Toezichtscomité; ".
Art.203. L'article 61, 1°, de la même loi est remplacé par le texte suivant :
  " 1° les personnes, leurs préposés ou mandataires, qui, à l'occasion de la réalisation de recherches pouvant être utiles à la connaissance, à la conception et à la gestion de la sécurité sociale, traitent des données sociales contrairement aux dispositions de l'article 5 ou ne se soumettent pas au contrôle du Comité de Surveillance; ".
HOOFDSTUK 16. - Onmiddellijke aangifte bij tewerkstelling (DIMONA).
CHAPITRE 16. - Déclaration immédiate de l'emploi (DIMONA).
Art.204. In Hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, wordt een artikel 9bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 9bis. - De werkgever verricht de in dit besluit bedoelde aangiften langs elektronische weg, in de vorm en volgens de nadere regelen bepaald door de instelling. "
Art.204. Dans le Chapitre III (de l'arrêté royal du 5 novembre 2002) instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, un article 9bis est inséré, libellé comme suit :
  " Art. 9bis. L'employeur transmet les déclarations visées au présent arrêté, par voie électronique, dans la forme et suivant les modalités déterminées par l'institution. "
Art.205. In hetzelfde besluit wordt een Hoofdstuk IVbis ingevoegd, met als titel " Strafbepalingen " en met als enige artikel een artikel 12bis , luidende :
  " Art. 12bis. § 1. Onverminderd de artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met een geldboete van 2.500 tot 12.500 EUR, of met een van die straffen alleen :
  1° de werkgever, zijn aangestelde of zijn lasthebber die zich niet schikt naar de bepalingen van dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan; de geldboete wordt zoveel maal toegepast als er werknemers zijn ten overstaan van dewelke een inbreuk is gepleegd, zonder dat het totaal bedrag van de geldboeten evenwel hoger mag zijn dan 125.000 EUR;
  2° al wie het krachtens dit besluit georganiseerd toezicht verhindert.
  § 2. Bij herhaling binnen een jaar na een vorige veroordeling kan de straf op het dubbel van het maximum worden gebracht.
  § 3. De werkgever is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe zijn aangestelde wordt veroordeeld.
  § 4. Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van hoofdstuk V, maar met inbegrip van hoofdstuk VII, zijn toepasselijk op de bij dit besluit bepaalde inbreuken.
  Artikel 85 van voormeld wetboek is toepasselijk op de in dit besluit bepaalde inbreuken zonder dat het bedrag van de geldboete lager mag zijn dan 40 % van het bij dit besluit bepaalde minimumbedrag.
  § 5. De strafvordering wegens overtreding van de bepalingen van dit besluit en van de uitvoeringsbesluiten ervan verjaart door verloop van vijf jaar te rekenen van de dag waarop de inbreuk is gepleegd. "
Art.205. Il est inséré dans le même arrêté, un Chapitre IVbis, intitulé " Dispositions pénales ", comprenant l'article 12bis , rédigé comme suit :
  " Art. 12bis. § 1er. Sans préjudice des articles 269 à 274 du Code pénal, sont punis d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de 2.500 à 12.500 EUR, ou de l'une de ces peines seulement :
  1° l'employeur, ses préposés ou mandataires qui ne se sont pas conformés aux dispositions du présent arrêté et de ses arrêtés d'exécution; l'amende est appliquée autant de fois qu'il y a de travailleurs à l'égard desquels une infraction a été commise, sans toutefois que le total des amendes ne puisse excéder 125.000 EUR;
  2° toute personne qui fait obstacle à la surveillance organisée en vertu du présent arrêté.
  § 2. En cas de récidive dans l'année qui suit une condamnation, la peine peut être portée au double du maximum.
  § 3. L'employeur est civilement responsable des amendes auxquelles son préposé est condamné.
  § 4. Toutes les dispositions du livre Ier du Code pénal, le chapitre V excepté, mais le chapitre VII compris, sont applicables aux infractions visées par le présent arrêté.
  L'article 85 du Code précité est applicable aux infractions visées par le présent arrêté sans que le montant de l'amende puisse être inférieur à 40 % du montant minimum vise par le présent arrêté.
  § 5. L'action publique résultant des infractions aux dispositions du présent arrêté et de ses arrêtés d'exécution se prescrit par cinq années révolues à compter du jour où l'infraction a été commise. "
Art.206. In hoofdstuk V van hetzelfde besluit wordt een artikel 12ter ingevoegd, luidende :
  " Art. 12ter. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het toepassingsgebied wijzigen.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in de artikelen 4 tot en met 9 bedoelde gegevens wijzigen en bepalen dat bijkomende gegevens in de aangifte moeten worden opgenomen. "
Art.206. Dans le chapitre V du même arrêté, un article 12ter est inséré, rédigé comme suit :
  " Art. 12ter. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, modifier le champ d'application.
  Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, modifier les données, visées aux articles 4 à 9, et déterminer que des données supplémentaires doivent être reprises dans la déclaration. "
Art.207. In hetzelfde besluit wordt een artikel 12quater ingevoegd, luidende :
  " Art. 12quater. Het koninklijk besluit van 22 februari 1998 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, wordt opgeheven.
  Het koninklijk besluit van 24 september 1998 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling van uitzendkrachten, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, wordt opgeheven. "
Art.207. Dans la même arrêté, un article 12quater est inséré, rédigé comme suit :
  " Art. 12quater. L'arrêté royal du 22 février 1998 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, est abrogé.
  L'arrêté royal du 24 septembre 1998 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi des intérimaires, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, est abrogé. "
Art.208. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op 1 januari 2003.
Art.208. Les dispositions du présent chapitre entrent en vigueur le 1er janvier 2003.
HOOFDSTUK 17. - Wijziging van de wet op de ziekenhuizen.
CHAPITRE 17. - Modification de la loi sur les hôpitaux.
Art.209. Aan artikel 95 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, wordt een 4° toegevoegd, luidend als volgt :
  " 4° De kosten verbonden aan het endoscopisch materiaal en het materiaal voor viscerosynthese, wanneer deze hetzij het voorwerp zijn van een tegemoetkoming door de ziekte- en invaliditeitsverzekering hetzij voorkomen op een door de Minister van sociale zaken, vast te stellen lijst, nadat er een voorstel tot opname in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen werd geformuleerd conform artikel 35, § 2 van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. "
Art.209. A l'article 95 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987, un 4° est ajouté, rédigé comme suit :
  " 4° les coûts liés au matériel endoscopique et au matériel de viscerosynthese, lorsque ceux-ci, soit font l'objet d'une intervention de l'assurance maladie-invalidité, soit figurent sur une liste à établir par le ministre des Affaires sociales, après qu'une proposition d'insertion dans la nomenclature des prestations de santé a été formulée conformément à l'article 35, § 2, de la loi du 14 juillet 1994 relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités. "
Art.210. Artikel 209 treedt in werking op 1 april 2003.
Art.210. L'article 209 entre en vigueur le 1er avril 2003.
HOOFDSTUK 18. - Globaal beheer.
CHAPITRE 18. - Gestion globale.
HOOFDSTUK 19. - Alternatieve financiering.
CHAPITRE 19. - Financement alternatif.
Art.212. In artikel 66 van de programmawet van 2 januari 2001, gewijzigd bij de wetten van 20 juli 2001, 30 december 2001 en 2 augustus 2002, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1 wordt aangevuld met een zevende lid :
  " De Koning kan het bedrag van de alternatieve financiering aanpassen met het oog op de financiering van de startbaanovereenkomsten die deel uitmaken van de globale projecten in de openbare sector bedoeld in artikel 43 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid. ";
  2° § 2 wordt aangevuld als volgt :
  " 7° het bedrag van de verhoging bedoeld in § 1, zesde lid, bestemd voor de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
  8° een bedrag bepaald bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bestemd voor de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ter financiering van de startbaanovereenkomsten die deel uitmaken van de globale projecten in de openbare sector, bedoeld in artikel 43 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid. ";
  3° het artikel wordt aangevuld met een § 5, luidende :
  " § 5. Met ingang van 1 januari 2003 wordt een bedrag van 62.500 duizend euro voorafgenomen op de opbrengst van de accijnzen op de verkoop van tabaksfabrikaten en toegewezen volgens een verdeelsleutel 80-20 aan de RSZ-globaal beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, enerzijds en aan het Fonds voor het financieel evenwicht in het sociaal statuut der zelfstandigen, bedoeld in artikel 21bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, anderzijds. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen. "
Art.212. A l'article 66 de la loi-programme du 2 janvier 2001, modifié par les lois des 20 juillet 2001, 30 décembre 2001 et 2 août 2002, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 1er est complété d'une alinéa 7 :
  " Le Roi peut adapter le montant du financement alternatif en fonction du financement des conventions de premier emploi qui font partie, dans le secteur public, des projets globaux visés à l'article 43 de la loi du 24 décembre 1999 pour la promotion de l'emploi. ";
  2° le § 2 est complété comme suit :
  " 7° le montant de la majoration visée au § 1er, alinéa 6, destiné à l'Office national de l'Emploi;
  8° un montant, fixé par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, destiné à l'Office national de l'Emploi pour le financement des conventions de premier emploi qui font partie, dans le secteur public, des projets globaux visés à l'article 43 de la loi du 24 décembre 1999 pour la promotion de l'emploi. ";
  3° l'article est complété par un § 5, rédigé comme suit :
  " § 5. A partir du 1er janvier 2003 un montant de 62 500 mille euros est repris sur les recettes d'accises sur la vente de tabacs manufacturés et alloué selon une clé de répartition 80-20 à l'O.N.S.S.-gestion globale, visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, d'une part et au Fonds pour l'équilibre financier du statut social des travailleurs indépendants visé à l'article 21bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants d'autre part. Ce montant est adapté annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation. "
HOOFDSTUK 20. - Vermindering van de bijdrage voor jaarlijkse vakantie.
CHAPITRE 20. - Réduction des cotisations de vacances annuelles.
Art.213. Artikel 38, § 3, 8°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, gewijzigd bij de wet van 22 mei 2001, wordt aangevuld met het volgend lid :
  " De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad het in het eerste lid bedoeld bijdragepercentage verminderen volgens de nadere regels die Hij bepaalt, voor zover :
  - de vermindering enkel betrekking heeft op het percentage van de bijdrage verschuldigd voor het tweede kwartaal van het jaar 2003 en op het percentage van de bijdrage verschuldigd voor het tweede kwartaal van het jaar 2004;
  - en het percentage van de toegekende vermindering geen 1,08 % van de loonmassa van de handarbeiders overtreft, voor elk van de twee betrokken kwartalen. "
Art.213. L'article 38, § 3, 8°, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, modifié par la loi du 22 mai 2001, est complété par l'alinéa suivant :
  " Le Roi peut, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, réduire le taux de la cotisation visé à l'alinéa 1er, selon les modalités qu'Il détermine, pour autant que :
  - la réduction n'intervienne que pour le taux de la cotisation due pour le deuxième trimestre de l'année 2003, et pour le taux de la cotisation due pour le deuxième trimestre de l'année 2004;
  - et que le taux de la réduction accordée ne dépasse pas 1,08 % de la masse salariale des travailleurs manuels, pour chacun des deux trimestres concernés. "
Art.214. De Koning wordt ertoe gemachtigd, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een maximum bedrag van 61.973,38 duizend euro in 2003 en een maximum bedrag van 61.973,38 duizend euro in 2004, ten laste van de Schatkist, toe te wijzen aan de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie ten voordele van het stelsel van de wettelijke vakantie van de handarbeiders, om de gevolgen van de vertraging van de economische groei te milderen.
  De Koning bepaalt, voor de jaren 2003 en 2004, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de hoogte van de toegewezen bedragen.
Art.214. Le Roi est habilité à affecter, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, un montant maximum de 61.973,38 mille euros en 2003 et un montant maximum de 61.973,38 mille euros en 2004, à charge du Trésor, à l'Office national des vacances annuelles en faveur du régime des vacances annuelles des travailleurs manuels, afin d'atténuer les effets du ralentissement de la croissance économique.
  Le Roi fixe, pour les années 2003 et 2004, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le montant des sommes affectées.
Art.215. De artikelen 213 en 214 treden in werking op 1 januari 2003.
Art.215. Les articles 213 et 214 entrent en vigueur le 1er janvier 2003.
HOOFDSTUK 21. - Vermindering van de bijdrage voor beroepsziekten.
CHAPITRE 21. - Réduction des cotisations de maladies professionnelles.
Art.216. In artikel 21, § 1, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, worden de woorden " de hierna volgende regelingen " vervangen door de woorden " de hierna volgende takken ".
Art.216. Dans l'article 21, § 1er, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, les mots " régimes suivants " sont remplacés par les mots " branches suivantes ".
Art.217. In artikel 23, vierde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 8 augustus 1997, vervallen de woorden " Voor de werknemers die onderworpen zijn aan het geheel der regelingen, bedoeld in artikel 21, § 2, bedraagt de globale bijdragevoet 37,94 pct. van het loon van de werknemers, waarvan 13,07 pct. ten laste van de werknemer en 24,87 pct. ten laste van de werkgever. "
Art.217. A l'article 23, alinéa 4, de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 8 août 1997, les mots " Pour les travailleurs qui sont assujettis à l'ensemble des régimes, visés à l'article 21, § 2, le taux de la cotisation globale s'élève à 37,94 p.c. de la rémunération du travailleur, dont 13,07 p.c. à charge du travailleur et 24,87 p.c. à charge de l'employeur. " sont supprimés.
Art.218. In artikel 38, § 3, 6°, van dezelfde wet, worden de woorden " 1,10 pct. " vervangen door de woorden " 1,02 pct. "
Art.218. Dans l'article 38, § 3, 6°, de la même loi, les mots " 1,10 p.c. " sont remplacés par les mots " 1,02 p.c. "
Art.219. Artikel 57, eerste lid, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, wordt vervangen als volgt :
  " De werkgevers die personen bedoeld in artikel 2, § 1, 1° 2°, 5° en 6°, tewerkstellen zijn een solidariteitsbijdrage verschuldigd, vastgesteld op 1,02 pct. van het loon van deze werknemers, en de werkgevers die personen bedoeld in artikel 2, § 1, 3°, tewerkstellen zijn een solidariteitsbijdrage verschuldigd, vastgesteld op 1,10 pct. van het loon van deze werknemers. "
Art.219. L'article 57, alinéa 1er, des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, est remplacé par l'alinéa suivant :
  " Les employeurs occupant des personnes visées à l'article 2, § 1er, 1°, 2°, 5° et 6°, sont redevables d'une cotisation de solidarité qui est fixée à 1,02 p.c. de la rémunération de ces travailleurs, et les employeurs occupant des personnes visées à l'article 2, § 1er, 3°, sont redevables d'une cotisation de solidarité qui est fixée à 1,10 p.c. de la rémunération de ces travailleurs. "
Art.220. De artikelen 216 tot 219 treden in werking op 1 januari 2005.
Art.220. Les articles 216 à 219 entrent en vigueur le 1er janvier 2005.
HOOFDSTUK 22. - Sociale Maribel.
CHAPITRE 22. - Maribel Social.
Art.221. In artikel 35, § 5, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, laatst gewijzigd bij de wet van 2 augustus 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen het tweede en het derde lid wordt volgend lid ingevoegd :
  " De in het vorige lid bedoelde forfaitaire vermindering is voor één welbepaalde tewerkstelling cumuleerbaar met elke andere vermindering van de werkgeversbijdragen. Bij cumulatie met een andere vermindering van de werkgeversbijdragen wordt het bedrag van de werkgeversbijdrage dat beschikbaar is voor de andere verminderingen vooraf verminderd met het bedrag van de in het vorige lid bedoelde forfaitaire vermindering. ";
  2° in het derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt het woord " vorige " vervangen door het woord " tweede ".
Art.221. Dans l'article 35, § 5, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, modifié en dernier lieu par la loi du 2 août 2002, sont apportées les modifications suivantes :
   1° l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
  " La réduction forfaitaire visée à l'alinéa précédent est cumulable pour une occupation déterminée avec toutes autres réductions de cotisations patronales. En cas de cumul avec une autre réduction de cotisations patronales, le montant de la cotisation patronale disponible pour les autres réductions est préalablement diminue du montant de la réduction forfaitaire visée à l'alinéa précédent. ";
  2° à l'alinéa 3, qui devient l'alinéa 4, le mot " précédent " est remplacé par le mot " 2 ".
Art.222. Artikel 221 treedt in werking op 1 januari 2003.
Art.222. L'article 221 entre en vigueur le 1er janvier 2003.
HOOFDSTUK 23. - RIZIV.
CHAPITRE 23. - INAMI.
Afdeling 1. - Geneeskundige verzorging.
Section 1re. - Soins de santé.
Onderafdeling 1. - Bijzondere bepalingen.
Sous-section 1. - Dispositions particulières.
Art.223. In artikel 59 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het derde lid wordt vervangen als volgt :
  " Aan het gedeelte dat betrekking heeft op de niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, wordt in 2001, na rekening te hebben gehouden met het ingaan van de besparingen op 1 mei 2000, de helft van de bedragen toegevoegd die overeenkomen met de algebraïsche verschillen tussen de globale budgetten van de financiële middelen en de door de verzekeringsinstellingen geboekte uitgaven voor de desbetreffende verstrekkingen, vastgesteld in de jaren 1999 en 2000; de andere helft wordt toegevoegd in 2002. In 2002 wordt vanaf 1 juli daarenboven de helft toegevoegd van het bedrag dat overeenkomt met het algebraïsch verschil tussen het globaal budget van de financiële middelen en de door de verzekeringsinstellingen geboekte uitgaven voor de desbetreffende verstrekkingen vastgesteld in het jaar 2001; de andere helft wordt toegevoegd in de eerste zes maanden van 2003. De verrekening van het verschil, vastgesteld in 2001, wordt, in afwijking van de bepalingen voorzien in het vijfde lid, doorgevoerd op de forfaitaire bedragen per voorschrift aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, zoals vastgesteld door het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging; de hoegrootheid van de aanpassingen wordt bepaald door de Algemene Raad, na advies van de Commissie voor begrotingscontrole, en ambtshalve uitgevoerd. In 2004 wordt vanaf 1 juli de helft toegevoegd van de algebraïsche verschillen vastgesteld in de jaren 2002 en 2003; de andere helft wordt toegevoegd in de eerste zes maanden van 2005; indien voor de periode 2002-2003 de door de verzekeringsinstellingen geboekte uitgaven nochtans hoger liggen dan het globaal budget van de financiële middelen, dan wordt, voor de toepassing van dit artikel, het globaal budget van financiële middelen van 2003 verhoogd met zijn aandeel in een globaal bedrag van maximaal 170 miljoen euro; dit aandeel wordt berekend, rekening houdend met het verschil tussen de werkelijke uitgaven voor 2002 en de budgettaire voorafbeelding voor 2002, zoals bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 5 augustus 1986 houdende algemeen reglement op de begroting en de boekhouding van de instellingen van openbaar nut behorend tot categorie D, beoogd bij de wet van 16 maart 1954, verminderd met het aandeel in het globaal bedrag van maximaal 170 miljoen euro; dit aandeel wordt vastgelegd door de Algemene Raad, na advies van het Verzekeringscomité en van de Commissie voor begrotingscontrole. Vanaf 2005 wordt jaarlijks in de laatste zes maanden de helft toegevoegd van het algebraïsche verschil vastgesteld in het vorig jaar; de andere helft wordt toegevoegd in de eerste zes maanden van het daaropvolgende jaar. ";
  2° het vierde lid wordt vervangen als volgt :
  " Aan het gedeelte dat betrekking heeft op de in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden wordt in 2002 het bedrag toegevoegd dat overeenkomt met het algebraïsch verschil tussen het globaal budget van de financiële middelen en de door de verzekeringsinstellingen geboekte uitgaven voor de desbetreffende verstrekkingen vastgesteld in de jaren 1999 en 2000. Daarenboven wordt vanaf 1 juli 2002 de helft toegevoegd van het bedrag dat overeenkomt met het algebraïsch verschil vastgesteld in het jaar 2001; de andere helft wordt toegevoegd in de eerste zes maanden van 2003. De verrekening van het verschil, vastgesteld in 2001, wordt, in afwijking van de bepalingen voorzien in het vijfde lid, verrekend in de forfaitaire bedragen per dag en per opname voor de in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, zoals vastgesteld door het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging; de hoegrootheid van de aanpassingen wordt bepaald door de Algemene Raad, na advies van de Commissie voor begrotingscontrole, en ambtshalve uitgevoerd. In 2004 wordt vanaf 1 juli de helft toegevoegd van de algebraïsche verschillen vastgesteld in de jaren 2002 en 2003; de andere helft wordt toegevoegd in de eerste zes maanden van 2005; indien voor de periode 2002-2003 de door de verzekeringsinstellingen geboekte uitgaven nochtans hoger liggen dan het globaal budget van de financiële middelen, dan wordt, voor de toepassing van dit artikel, het globaal budget van financiële middelen van 2003 verhoogd met zijn aandeel in een globaal bedrag van maximaal 170 miljoen euro; dit aandeel wordt berekend, rekening houdend met het verschil tussen de werkelijke uitgaven voor 2002 en de budgettaire voorafbeelding voor 2002, zoals bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 5 augustus 1986 houdende algemeen reglement op de begroting en de boekhouding van de instellingen van openbaar nut behorend tot categorie D, beoogd bij de wet van 16 maart 1954, verminderd met het aandeel in het globaal bedrag van maximaal 170 miljoen euro; dit aandeel wordt vastgelegd door de Algemene Raad, na advies van het Verzekeringscomité en van de Commissie voor begrotingscontrole. Vanaf 2005 wordt jaarlijks in de laatste zes maanden de helft toegevoegd van het algebraïsche verschil vastgesteld in het vorig jaar; de andere helft wordt toegevoegd in de eerste zes maanden van het daarop volgend jaar. "
Art.223. Dans l'article 59 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 3 est remplacé par la disposition suivante :
  " A la partie se rapportant aux bénéficiaires non hospitalisés est ajoutée, en 2001, ayant tenu compte de l'entrée en vigueur des économies au 1er mai 2000, la moitié des montants qui correspondent aux différences algébriques entre les budgets globaux des moyens financiers et les dépenses comptabilisées par les organismes assureurs pour les prestations en question, enregistrées au cours des années 1999 et 2000; l'autre moitié est ajoutée au cours de l'année 2002. En outre, en 2002, sera ajoutée à partir du 1er juillet la moitié du montant correspondant à la différence algébrique répartie entre le budget global des moyens financiers et les dépenses comptabilisées par les organismes assureurs pour les prestations en question enregistrées pour l'année 2001; la seconde moitié sera ajoutée au cours des premiers six mois de 2003. Par dérogation aux dispositions prévues à l'alinéa 5, la différence enregistrée en 2001 est incorporée dans les montants forfaitaires par prescription dispensée à des bénéficiaires non hospitalisés, comme fixé par le Comité de l'assurance soins de santé; le taux des adaptations est fixé par le Conseil général, après avis de la Commission de contrôle budgétaire, et il est exécuté d'office. En 2004, à partir du 1er juillet, sera ajoutée la moitié des différences algébriques enregistrées dans les années 2002 et 2003, l'autre moitié sera ajoutée au cours des premiers six mois de 2005; si pour la période 2002-2003, les dépenses comptabilisées par les organismes assureurs sont toutefois plus élevées que le budget global des moyens financiers le budget global des moyens financiers de 2003 sera, pour l'application du présent article, majoré de sa quote-part dans un montant global de 170 millions d'euros maximum; cette quote-part est calculée en tenant compte de la différence entre les dépenses réelles pour 2002 et la prévision budgétaire pour 2002, telle que définie dans l'article 5, alinéa 2, de l'arrêté royal du 5 août 1986 portant règlement général sur le budget et la comptabilité des organismes d'intérêt public appartenant à la catégorie D, visée par la loi du 16 mars 1954, diminuée de la quote-part dans le montant global de 170 millions d'euros maximum; cette quote-part est fixée par le Conseil général, après avis du Comité de l'assurance et de la Commission de contrôle budgétaire. A partir de 2005, annuellement, est ajoutée dans les derniers six mois de chaque année la moitié de la différence algébrique enregistrée pour l'année précédente; l'autre moitié est ajoutée dans les premiers six mois de l'année qui suit. ";
  2° l'alinéa 4 est remplacé par la disposition suivante :
  " A la partie se rapportant aux bénéficiaires hospitalisés est ajouté, à partir de l'année 2002, le montant qui correspond à la différence algébrique entre le budget global des moyens financiers et des dépenses comptabilisées par les organismes assureurs pour les prestations en question enregistrées au cours des années 1999 et 2000. En outre, à partir du 1er juillet 2002, la moitié du montant correspondant à la différence algébrique constatée au cours de l'année 2001 y est ajoutée; l'autre moitié est ajoutée au cours des six premiers mois de 2003. Le calcul de la différence constatée en 2001, est incorporé, contrairement aux dispositions prévues dans l'alinéa 5, dans les montants forfaitaires par jour et par hospitalisation pour les bénéficiaires hospitalisés, comme il a été fixé par le Comité de l'assurance soins de santé; le taux des adaptations est déterminé par le Conseil général, après avis de la Commission de contrôle budgétaire et effectué d'office. En 2004, à partir du 1er juillet, sera ajoutée la moitié des différences algébriques enregistrées dans les années 2002 et 2003; l'autre moitié sera ajoutée au cours des premiers six mois de 2005; si pour la période 2002-2003, les dépenses comptabilisées par les organismes assureurs sont toutefois supérieures au budget global des moyens financiers, le budget global des moyens financiers de 2003 sera, pour l'application du présent article, majoré de sa quote-part dans un montant global de 170 millions d'euros maximum; cette quote-part est calculée en tenant compte de la différence entre les dépenses réelles pour 2002 et la prévision budgétaire pour 2002, telle que définie dans l'article 5, alinéa 2, de l'arrêté royal du 5 août 1986 portant règlement général sur le budget et la comptabilité des organismes d'intérêt public appartenant à la catégorie D, visée par la loi du 16 mars 1954, diminuée de la quote-part dans le montant global de 170 millions d'euros maximum; cette quote-part est fixée par le Conseil général, après avis du Comité de l'assurance et de la Commission de contrôle budgétaire. A partir de 2005, annuellement, est ajoutée dans les derniers six mois de chaque année la moitié de la différence algébrique enregistrée pour l'année précédente; l'autre moitié est ajoutée dans les premiers six mois de l'année qui suit. "
Art.224. Artikel 69, § 1, van dezelfde wet, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " § 1. De toepassing van de bepalingen van de artikelen 57, 58, 59, 60, §§ 1 en 6, kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, door de Koning worden verruimd tot de andere in artikel 34 bedoelde verstrekkingen, met uitsluiting van de verstrekkingen bedoeld in 1°, 2° en 3°, van dat artikel, voor zover het niet gaat om verstrekkingen inzake klinische biologie en medische beeldvorming. De globalisering van de verrekening van de algebraïsche verschillen is onderworpen aan dezelfde regels als deze bedoeld in artikel 59.
  Met betrekking tot de toepassing van de bepalingen van artikel 59 worden, voor wat betreft de verstrekkingen inzake medische beeldvorming, aan de opgesplitste budgetten in 2001 de bedragen toegevoegd die overeenkomen met de opgesplitste algebraïsche verschillen tussen de globale budgetten van de financiële middelen en de door de verzekeringsinstellingen geboekte uitgaven voor de desbetreffende verstrekkingen, vastgesteld in de jaren 1999 en 2000. In 2002 wordt vanaf 1 juli daarenboven de helft toegevoegd van het bedrag dat overeenkomt met het algebraïsch verschil tussen het globaal budget van de financiële middelen en de door de verzekeringsinstellingen geboekte uitgaven voor de desbetreffende verstrekkingen vastgesteld in het jaar 2001; de andere helft wordt toegevoegd in de eerste zes maanden van 2003. Voor de verrekening van de verschillen vastgesteld in 2001, is dezelfde procedure van toepassing als degene die van toepassing is op de verrekening van de verschillen vastgesteld in 2001 voor de klinische biologie. In 2004 wordt vanaf 1 juli de helft toegevoegd van de algebraïsche verschillen vastgesteld in de jaren 2002 en 2003; de andere helft wordt toegevoegd in de eerste zes maanden van 2005; indien voor de periode 2002-2003 de door de verzekeringsinstellingen geboekte uitgaven nochtans hoger liggen dan het globaal budget van de financiële middelen, dan wordt, voor de toepassing van dit artikel, het globaal budget van financiële middelen van 2003 verhoogd met zijn aandeel in een globaal bedrag van maximaal 170 miljoen euro; dit aandeel wordt berekend, rekening houdend met het verschil tussen de werkelijke uitgaven voor 2002 en de budgettaire voorafbeelding voor 2002, zoals bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 5 augustus 1986 houdende algemeen reglement op de begroting en de boekhouding van de instellingen van openbaar nut behorend tot categorie D, beoogd bij de wet van 16 maart 1954, verminderd met het aandeel in het globaal bedrag van maximaal 170 miljoen euro; dit aandeel wordt vastgelegd door de Algemene Raad, na advies van het Verzekeringscomité en van de Commissie voor begrotingscontrole. Vanaf 2005 wordt jaarlijks in de laatste zes maanden de helft toegevoegd van het algebraïsche verschil vastgesteld in het vorig jaar; de andere helft wordt toegevoegd in de eerste zes maanden van het daarop volgend jaar. "
Art.224. L'article 69, § 1er, de la même loi, est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. L'application des dispositions des articles 57, 58, 59 et 60, §§ 1er et 6, peut être élargie par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, aux autres prestations visées à l'article 34, à l'exclusion des prestations visées aux 1°, 2° et 3°, de cet article, dans la mesure où il ne s'agit pas de prestations de biologique clinique et d'imagerie médicale. La globalisation de l'incorporation des différences algébriques est soumise aux mêmes règles que celles définies dans l'article 59.
  Concernant l'application des dispositions de l'article 59 sont, pour ce qui est des prestations d'imagerie médicale, ajoutés à ces budgets répartis en 2001, les montants qui correspondent aux différences algébriques réparties entre les budgets globaux des moyens financiers et les dépenses comptabilisées par les organismes assureurs pour les prestations en question, enregistrées au cours des années 1999 et 2000. En outre, en 2002, sera ajoutée à partir du 1er juillet la moitié du montant correspondant à la différence algébrique répartie entre le budget global des moyens financiers et les dépenses comptabilisées par les organismes assureurs pour les prestations en question enregistrées pour l'année 2001; la seconde moitié sera ajoutée au cours des six premiers mois de 2003. Pour l'incorporation des différences enregistrées en 2001, la même procédure que celle applicable à l'incorporation des différences constatées en 2001 pour la biologie clinique, est appliquée. En 2004, à partir du 1er juillet, sera ajoutée la moitié des différences algébriques enregistrées dans les années 2002 et 2003; l'autre moitié sera ajoutée au cours des six premiers mois de 2005; si pour la période 2002-2003, les dépenses comptabilisées par les organismes assureurs sont toutefois plus élevées que le budget global des moyens financiers, le budget global des moyens financiers de 2003 sera, pour l'application du présent article, majoré de sa quote-part dans un montant global de 170 millions d'euros maximum; cette quote-part est calculée en tenant compte de la différence entre les dépenses réelles pour 2002 et la prévision budgétaire pour 2002, telle que définie dans l'article 5, alinéa 2, de l'arrêté royal du 5 août 1986 portant règlement général sur le budget et la comptabilité des organismes d'intérêt public appartenant à la catégorie D, visée par la loi du 16 mars 1954, diminuée de la quote-part dans le montant global de 170 millions d'euros maximum; cette quote-part est fixée par le Conseil général, après avis du Comité de l'assurance et de la Commission de contrôle budgétaire. A partir de 2005, annuellement, est ajoutée dans les derniers six mois de chaque année la moitié de la différence algébrique enregistrée pour l'année précédente; l'autre moitié est ajoutée dans les premiers six mois de l'année qui suit. "
Art.225. De wijzigingen van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen bedoeld in artikel 35, § 1, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verstrekkingen en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, die bij toepassing van de procedure bedoeld in artikel 35, § 2, 3°, van de voornoemde wet worden vastgesteld in 2003, hebben in dat jaar geen uitwerking voor zover die wijzigingen betrekking hebben op geneeskundige verstrekkingen bedoeld in artikel 34, eerste lid, 1°, a) en d) , 2° en 3°, en voor zover een nationaal akkoord tussen geneesheren en ziekenfondsen bedoeld in artikel 50 van voornoemde wet voor dat jaar in werking is getreden.
Art.225. Les modifications de la nomenclature des prestations de santé visée dans l'article 35, § 1er, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, qui sont apportées en application de la procédure visée dans l'article 35, § 2, 3°, de la loi précitée en 2003, ne produisent pas leurs effets au courant de cette année pour autant que ces modifications portent sur des prestations de santé visées dans l'article 34, alinéa 1er, 1°, a) et d) , 2° et 3°, et pour autant qu'un accord national médico-mutualiste visé dans l'article 50 de la loi précitée soit entré en vigueur pour cette année.
Onderafdeling 2. - Heffing farmacie 2003.
Sous-section 2. - Taxe pharmacie 2003.
Art.226. In artikel 191, eerste lid, 15°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verstrekkingen en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, vervangen bij de wet van 22 februari 1998 en gewijzigd bij de wetten van 2 januari 2001 en 10 augustus 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het derde lid wordt vervangen als volgt :
  " Voor 1995, 1996, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 worden de bedragen van die heffingen respectievelijk vastgesteld op 2 %, 3 %, 4 %, 4 %, 4 %, 4 %, 3 % en 2 % van de omzet die respectievelijk in 1994, 1995, 1997, 1998, 1999, 2000, 2001 en 2002 is verwezenlijkt. ";
  2° in het vijfde lid wordt de laatste zin vervangen als volgt :
  " Voor de jaren 1995, 1996, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003, dienen ze respectievelijk te worden ingediend voor 1 februari 1996, 1 november 1996, 1 maart 1999, 1 april 1999, 1 mei 2000, 1 mei 2001, 1 mei 2002 en 1 mei 2003. ";
  3° het zesde lid wordt vervangen als volgt :
  " Voor de jaren 1995, 1996, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003, dient de heffing respectievelijk gestort te worden voor 1 maart 1996, 1 december 1996, 1 april 1999, 1 mei 1999, 1 juni 2000, 1 juni 2001, 1 juni 2002 en 1 juni 2003 op rekening nr. 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding, volgens het betrokken jaar : " heffing omzet 1994 ", " heffing omzet 1995 ", " heffing omzet 1997 ", " heffing omzet 1998 ", " heffing omzet 1999 ", " heffing omzet 2000 ", " heffing omzet 2001 " of " heffing omzet 2002 ";
  4° het laatste lid wordt vervangen als volgt :
  " De ontvangsten die voortvloeien uit de voornoemde heffing zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 1995 voor de heffing omzet 1994, 1996 voor de heffing omzet 1995, 1998 voor de heffing omzet 1997, 2000 voor de heffing omzet 1999, 2001 voor de heffing omzet 2000, 2002 voor de heffing omzet 2001 en 2003 voor de heffing omzet 2002. "
Art.226. Dans l'article 191, premier alinéa, 15° de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, remplacé par la loi du 22 février 1998 et modifié par les lois des 2 janvier 2001 et 10 août 2001, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 3 est remplacé par la disposition suivante :
  " Pour 1995, 1996, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 et 2003, les montants de ces cotisations sont fixés respectivement à 2 %, 3 %, 4 %, 4 %, 4 %, 4 %, 3 % et 2 % du chiffre d'affaires qui a été réalisé respectivement en 1994, 1995, 1997, 1998, 1999, 2000, 2001 et 2002. ";
  2° à l'alinéa 5, la dernière phrase est remplacée par la phrase suivante :
  " Pour les années 1995, 1996, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 et 2003, elles doivent être introduites respectivement avant le 1er février 1996, le 1er novembre 1996, le 1er mars 1999, le 1er avril 1999, le 1er mai 2000, le 1er mai 2001, le 1er mai 2002 et le 1er mai 2003. ";
  3° l'alinéa 6 est remplacé par la disposition suivante :
  " Pour les années 1995, 1996, 1998, 1999, 2000, 2001, 2002 et 2003, la cotisation doit être versée respectivement avant le 1er mars 1996, le 1er décembre 1996, le 1er avril 1999, le 1er mai 1999, le 1er juin 2000, le 1er juin 2001, le 1er juin 2002 et le 1er juin 2003 au compte n° 001-1950023-11 de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, en indiquant, suivant l'année concernée, la mention : " cotisation chiffre d'affaires 1994 ", " cotisation chiffre d'affaires 1995 ", " cotisation chiffre d'affaires 1997 ", " cotisation chiffre d'affaires 1998 ", " cotisation chiffre d'affaires 1999 ", " cotisation chiffre d'affaires 2000 ", " cotisation chiffre d'affaires 2001 " ou " cotisation chiffre d'affaires 2002 ";
  4° le dernier alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Les recettes qui résultent de la cotisation susvisée seront imputées dans les comptes de l'assurance obligatoire soins de santé respectivement pour l'année comptable 1995 pour la cotisation chiffre d'affaires 1994, 1996 pour la cotisation chiffre d'affaires 1995, 1998 pour la cotisation chiffre d'affaires 1997, 2000 pour la cotisation chiffre d'affaires 1999, 2001 pour la cotisation chiffre d'affaires 2000, 2002 pour la cotisation chiffre d'affaires 2001 et 2003 pour la cotisation chiffre d'affaires 2002. "
Art.227. In artikel 191, eerste lid, 15°quater , § 2, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wet van 22 augustus 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de eerste zin wordt vervangen door de volgende zin :
  " In afwachting van de vaststelling van de aanvullende heffing, bedoeld in § 1, eerste lid, met betrekking tot de eventuele overschrijding van de uitgaven van de jaren 2002 en 2003 is respectievelijk in 2002 en 2003 door de betrokken farmaceutische firma's een voorschot verschuldigd gelijk aan respectievelijk 1,35 % en 2,55 % van de omzet van respectievelijk het jaar 2001 en het jaar 2002. ";
  2° het eerste lid wordt aangevuld als volgt :
  " Het voorschot gelijk aan 2,55 % van de omzet van het jaar 2002 wordt op het rekeningnummer 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering gestort vóór 1 juli 2003 met de vermelding " voorschot aanvullende heffing dienstjaar 2003. ";
  3° het derde lid wordt vervangen als volgt :
  " Indien op 31 december 2003 de aanvullende heffing, bedoeld in § 1, eerste lid, niet werd ingesteld voor het jaar 2002 of lager is dan 1,35 %, stort het Instituut het voorschot of het saldo vóór 1 april 2004 aan de betrokken farmaceutische firma's terug.
  Indien op 1 oktober 2004 de aanvullende heffing, bedoeld in § 1, eerste lid, niet werd ingesteld voor het jaar 2003 of lager is dan 2,55 %, stort het Instituut het voorschot of het saldo vóór 31 december 2004 aan de betrokken farmaceutische firma's terug. "
Art.227. Dans l'article 191, alinéa 1er, 15°quater , § 2, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 10 août 2001 et modifié par la loi du 22 août 2002, les modifications suivantes sont apportées :
  1° la première phrase est remplacée par la phrase suivante :
  " En attendant la fixation de la cotisation complémentaire visée au § 1er, alinéa 1er, concernant le dépassement éventuel des dépenses des années 2002 et 2003, les firmes pharmaceutiques concernées sont, respectivement en 2002 et 2003, redevables d'une avance égale à respectivement 1,35 % et 2,55 % du chiffre d'affaires de respectivement l'année 2001 et l'année 2002. ";
  2° l'alinéa 1er est complété comme suit :
  " L'avance égale à 2,55 % du chiffre d'affaires de l'année 2002 est versée au compte numéro 001-1950023-11 de l'lnstitut national d'assurance maladie-invalidité avant le 1er juillet 2003, en indiquant la mention " avance cotisation complémentaire exercice 2003. ";
  3° l'alinéa 3 est modifié comme suit :
  " Si au 31 décembre 2003, la cotisation complémentaire visée au § 1er, alinéa 1er, n'a pas été instaurée pour l'année 2002 ou est inférieure à 1,35 %, l'lnstitut rembourse l'avance ou le solde aux firmes pharmaceutiques concernées pour le 1er avril 2004.
  Si au 1er octobre 2004, la cotisation complémentaire visée au § 1er, alinéa 1er, n'a pas été instaurée pour l'année 2003 ou est inférieure à 2,55 p.c., l'Institut rembourse l'avance ou le solde aux firmes pharmaceutiques concernées pour le 31 décembre 2004. "
Art.228. In artikel 191, eerste lid, 15°quinquies , van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 augustus 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  " Voor de jaren 2002 en 2003 wordt een bijkomende heffing van 1,5 pct. van de omzet die respectievelijk in het jaar 2001 en het jaar 2002 is verwezenlijkt, ingesteld onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in 15°. ";
  2° in het tweede lid wordt het woord " respectievelijk " ingevoegd tussen de woorden " dient " en de woorden " te worden " en worden de woorden " en vóór 1 oktober 2003 " ingevoegd na de woorden " 1 november 2002 ";
  3° het derde lid wordt vervangen als volgt :
  " De heffing dient respectievelijk te worden gestort vóór 1 december 2002 en 1 november 2003 op het rekeningnummer 001-1950023-11 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met de vermelding, volgens het betrokken jaar : " bijkomende heffing omzet 2001 " en " bijkomende heffing omzet 2002. ";
  4° de eerste zin van het laatste lid wordt aangevuld als volgt :
  " voor de bijkomende heffing omzet 2001 en in het boekjaar 2003 voor de bijkomende heffing omzet 2002. "
Art.228. Dans l'article 191, alinéa 1er, 15°quinquas , de la même loi, inséré par la loi du 22 août 2002, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa premier est remplacé comme suit :
  " Pour les années 2002 et 2003, une cotisation supplémentaire de 1,5 p.c. du chiffre d'affaires qui a été réalisé respectivement durant l'année 2001 et l'année 2002, est instaurée aux conditions et selon les modalités fixées au 15°. ";
  2° à l'alinéa 2, le mot " respectivement " est inséré entre le mot " introduite " et le mot " avant " et les mots " et avant le 1er octobre 2003 " sont insérés après les mots " 1er novembre 2002. ";
  3° l'alinéa 3 est remplacé comme suit :
  " La cotisation doit être versée respectivement avant le 1er décembre 2002 et le 1er novembre 2003 sur le compte numéro 001-1950023-11 de l'lnstitut national d'assurance maladie-invalidité, en indiquant, suivant l'année concernée, la mention " cotisation supplémentaire chiffre d'affaires 2001 " et " cotisation supplémentaire chiffre d'affaires 2002. ";
  4° la première phrase de l'alinéa dernier est complétée comme suit :
  " pour la cotisation supplémentaire chiffre d'affaires 2001 et pour l'année comptable 2003 pour la cotisation supplémentaire chiffre d'affaires 2002. "
Art.229. In artikel 18, 1°, van de wet van 22 augustus 2002 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg, wordt het woord " quater " geschrapt.
Art.229. A l'article 18, 1°, de la loi du 22 août 2002 portant des mesures en matière de soins de santé, le mot " quater " est supprimé.
Onderafdeling 3. - Bijzonder Solidariteitsfonds.
Sous-section 3. - Fonds spécial de solidarité.
Art.230. In titel III, hoofdstuk 1, afdeling VII, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt artikel 25 vervangen door de volgende bepalingen :
  " Afdeling VII. - Bijzonder solidariteitsfonds.
  Art. 25. § 1. Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging wordt een Bijzonder solidariteitsfonds opgericht, dat wordt gefinancierd door een voorafname op de in artikel 191 bedoelde inkomsten, waarvan het bedrag voor ieder kalenderjaar wordt vastgesteld door de minister.
  § 2. Het College van geneesheren-directeurs verleent aan de in de artikelen 32 en 33 bedoelde rechthebbenden, binnen de perken van de overeenkomstig § 1 vastgestelde financiële middelen, tegemoetkomingen in de kosten van de uitzonderlijke geneeskundige verstrekkingen die niet vergoedbaar zijn door de verzekering voor geneeskundige verzorging, met inbegrip van de farmaceutische producten die niet in aanmerking komen voor vergoeding krachtens de reglementaire bepalingen betreffende de vergoeding aan de farmaceutische verstrekkingen, met uitsluiting van voeding, en die voldoen aan de volgende voorwaarden :
  a) duur zijn;
  b) betrekking hebben op een zeldzame aandoening die de vitale functies van de rechthebbende aantast;
  c) beantwoorden aan een indicatie die voor de rechthebbende op medisch-sociaal vlak absoluut is;
  d) een wetenschappelijke waarde en een doeltreffendheid bezitten die door de gezaghebbende medische instanties in ruime mate worden erkend;
  e) het experimenteel stadium voorbij zijn;
  f) voorgeschreven zijn door een geneesheer die gespecialiseerd is in de behandeling van de betreffende aandoening en toestemming heeft om in België de geneeskunde uit te oefenen.
  § 3. Het College van geneesheren-directeurs kan een tussenkomst verlenen in de extra kosten voor de medische behandeling van chronisch zieke kinderen jonger dan 16 jaar en die ten laste zijn van de in artikel 32 en 33 bedoelde rechthebbenden, binnen de perken van de overeenkomstig § 1 vastgestelde financiële middelen.
  Onder extra-kosten worden verstaan : de medische kosten die tenminste 650 euro op jaarbasis bedragen, waarvoor geen terugbetaling in het kader van de verplichte verzekering geneeskundige verzorging werd verleend en die betrekking hebben op geneeskundige verstrekkingen die voldoen aan de volgende voorwaarden :
  a) beantwoorden aan een indicatie die voor de rechthebbende op medisch-sociaal vlak absoluut is;
  b) een wetenschappelijke waarde en een doeltreffendheid bezitten die door de gezaghebbende medische instanties in ruime mate worden erkend;
  c) het experimenteel stadium voorbij zijn;
  d) voorgeschreven zin door een behandelend geneesheer die toestemming heeft om in België de geneeskunde uit te oefenen.
  Worden niet als extra-kosten beschouwd :
  a) het persoonlijk aandeel met uitzondering van het persoonlijk aandeel bedoeld in artikel 37sexies , tweede lid, 1°, 2° en 3°;
  b) de supplementen op in toepassing van de reglementering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging vastgelegde prijzen en honoraria;
  c) de supplementen op de ligdagprijs en de comfortkosten :
  d) de kosten voor voeding.
  Onder chronisch ziek kind wordt verstaan een kind dat lijdt aan een kanker, aan gedialyseerde nierinsufficiëntie of aan een andere levensbedreigende ziekte die een continue behandeling van minstens zes maanden noodzaakt of een repetitieve behandeling met dezelfde duur.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de doelgroep bedoeld in onderhavige paragraaf uitbreiden.
  De extra kosten worden via een samenvattende staat, waarvan het model door het College van geneesheren-directeurs kan worden bepaald, overgemaakt.
  Deze bepaling geldt voor verstrekkingen die zijn verleend vanaf 1 januari 2003.
  § 4. In afwijking van §§ 2 en 3, kan het College van geneesheren-directeurs beslissen dat het Bijzonder Solidariteitsfonds in behartigenswaardige gevallen de medische kosten van de rechthebbende ten laste kan nemen voor in het buitenland verleende geneeskundige verstrekkingen, alsook de reis- en verblijfskosten van de rechthebbende en, in voorkomend geval, van de persoon die hem vergezelt.
  De Koning kan, na advies van het Verzekeringscomité, bepalen wat onder behartigenswaardige gevallen wordt bedoeld.
  § 5. De Koning kan, na advies van het Verzekeringscomité, de procedures van aanvraag, toekenning en de voorwaarden voor tegemoetkoming vastleggen.
  De Koning kan bepalen in welke omstandigheden de in artikel 153 bedoelde adviserend geneesheer kan beslissen de aanvraag niet door te sturen naar het College van geneesheren-directeurs.
  Bovendien kan de Koning, na advies van de Wetenschappelijke raad, een limitatieve lijst opmaken van de verstrekkingen waarvoor het Bijzonder solidariteitsfonds een tegemoetkoming kan verlenen. Hij kan eveneens het maximumbedrag van de tegemoetkoming van het fonds vaststellen.
  Als de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft op farmaceutische producten kan het College van geneesheren-directeurs het advies van de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen of de Technische Farmaceutische Raad die zijn bedoeld in de artikelen 27 en 29bis , elk volgens zijn bevoegdheid, vragen.
  De Koning kan voor verzekerden die zijn aangetast door specifieke zeldzame aandoeningen die een continue verzorging of een eenmalige ingreep noodzaken en die door Hem worden omschreven, de voorwaarden bepalen waarin de bevoegdheid van het College voor het verlenen van tegemoetkomingen in de kosten, wordt overgedragen aan de verzekeringsinstellingen.
  Het College stelt vast wat onder een " specifieke zeldzame aandoening die continue verzorging noodzaakt " moet worden verstaan en dat de verstrekkingen waarvoor een tegemoetkoming wordt gevraagd voldoen aan de in § 2, eerste lid, a) tot e), bepaalde voorwaarden.
  In deze gevallen bepaalt het College ook de gegevens die de verzekeringsinstellingen hem driemaandelijks moeten toezenden alsook de modaliteiten van deze toezending teneinde onder meer de evolutie van de uitgaven van het Bijzonder Solidariteitsfonds te kunnen volgen.
  Het Bijzonder Solidariteitsfonds kan alleen een tegemoetkoming verlenen indien is voldaan aan de in dit artikel gestelde voorwaarden en indien de rechthebbenden hun rechten hebben doen gelden krachtens de Belgische of buitenlandse wetgeving of krachtens een individueel of collectief gesloten overeenkomst.
  Het Bijzonder Solidariteitsfonds verleent geen tegemoetkoming voor aanvragen die werden ingediend meer dan drie jaar na het einde van de maand waarin de verstrekkingen werden uitgevoerd.
  § 6. Het College van geneesheren-directeurs maakt, telkens binnen de eerste drie maanden van het kalenderjaar, een rapport op met een inventaris van de beslissingen en hun motivering.
  In dit rapport kunnen ook voorstellen of suggesties tot verbetering of aanpassing van de verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen.
  § 7. Behalve in geval van bedrieglijke handelingen verjaart de vordering tot terugvordering van de krachtens de §§ 2, 3 en 4 toegekende bedragen, door verloop van drie jaren na het einde van de maand waarin de betaling is verricht.
  § 8. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder de beslissingsbevoegdheid van het College van geneesheren-directeurs uitgeoefend kan worden door één of meerdere geneesheren, lid van het voornoemde College. Deze beslissingsbevoegdheid kan in geen enkel geval exclusief uitgeoefend worden door geneesheren die tewerkgesteld zijn bij de verzekeringsinstellingen waarbij de belanghebbende rechthebbende aangesloten of ingeschreven is. "
Art.230. Dans le titre III, chapitre 1er, section VII, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, l'article 25 est remplacé par les dispositions suivantes :
  " Section VII. - Du Fonds spécial de solidarité.
  Art. 25. § 1er. Il est créé au sein du Service des soins de santé, un Fonds spécial de solidarité financé par un prélèvement sur les ressources visées à l'article 191 dont le montant est fixé, pour chaque année civile, par le ministre.
  § 2. Le Collège des médecins-directeurs accorde des interventions aux bénéficiaires visés aux articles 32 et 33 dans les limites des moyens financiers fixés conformément au § 1er dans le coût des prestations de santé exceptionnelles qui ne donnent pas droit à un remboursement par l'assurance soins de santé, y compris les produits pharmaceutiques qui ne sont pas susceptibles d'être admis au remboursement en vertu des dispositions réglementaires visant le remboursement des fournitures pharmaceutiques, à l'exclusion de l'alimentation, et qui répondent aux conditions suivantes :
  a) être onéreuses;
  b) viser une affection rare et portant atteinte aux fonctions vitales du bénéficiaire;
  c) répondre à une indication présentant pour le bénéficiaire un caractère absolu sur le plan médico-social;
  d) présenter une valeur scientifique et une efficacité largement reconnues par les instances médicales faisant autorité;
  e) avoir dépassé le stade expérimental;
  f) être prescrites par un médecin spécialisé dans le traitement de l'affection concernée, autorisé à pratiquer la médecine en Belgique.
  § 3. Le Collège des médecins-directeurs peut accorder une intervention dans les coûts supplémentaires liés au traitement médical des enfants âgés de moins de 16 ans atteints de maladies chroniques et qui sont à charge des bénéficiaires visés aux articles 32 et 33 dans les limites des moyens financiers fixés conformément au § 1er.
  Par coûts supplémentaires, il y a lieu d'entendre les coûts médicaux s'élevant au moins à 650 euros sur base annuelle, qui n'ont fait l'objet d'aucun remboursement dans le cadre de l'assurance obligatoire soins de santé et qui ont trait à des prestations de soins de santé qui répondent aux conditions suivantes :
  a) répondre à une indication présentant pour le bénéficiaire un caractère absolu sur le plan médico-social;
  b) présenter une valeur scientifique et une efficacité largement reconnues par les instances médicales faisant autorité;
  c) avoir dépassé le stade expérimental;
  d) être prescrites par un médecin traitant autorisé à pratiquer la médecine en Belgique.
  Ne sont pas considérés comme coûts supplémentaires :
  a) la quote-part personnelle, à l'exception de la quote-part personnelle visée dans l'article 37sexies , alinéa 2, 1°, 2° et 3°;
  b) les suppléments aux pris et honoraires fixés en application de la réglementation de l'assurance obligatoire soins de santé;
  c) les suppléments au prix de la journée d'entretien et les coûts pour le confort;
  d) les coûts pour la nourriture.
  Par enfant malade chronique, il faut entendre un enfant qui est atteint d'un cancer, d'une insuffisance rénale dialysée ou d'une autre maladie menaçant la vie, qui nécessite un traitement continu de six mois au moins ou un traitement répétitif de durée identique.
  Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, élargir le groupe cible visé au présent paragraphe.
  Les coûts supplémentaires sont transmis par le truchement d'un état récapitulatif dont le modèle peut être fixé par le Collège des médecins-directeurs.
  Cette disposition vaut pour les prestations dispensées à partir du 1er janvier 2003.
  § 4. Par dérogation au §§ 2 et 3, le Collège des médecins-directeurs peut décider, dans des cas dignes d'intérêt, que le Fonds spécial de solidarité peut prendre en charge les frais médicaux du bénéficiaire pour des prestations de santé dispensées à l'étranger, ainsi que les frais de voyage et de séjour du bénéficiaire et, le cas échéant, de la personne qui l'accompagne.
  Le Roi peut, après avis du Comité de l'assurance, déterminer ce qu'il y a lieu d'entendre par cas dignes d'intérêt.
  § 5. Le Roi peut, après avis du Comité de l'assurance, déterminer les procédures de demande et d'octroi, ainsi que les conditions pour l'intervention.
  Le Roi peut déterminer les circonstances dans lesquelles le médecin-conseil visé dans l'article 153 peut décider de ne pas transmettre la demande au Collège des médecins-directeurs.
  De plus, le Roi peut, après avis du Conseil scientifique, établir une liste limitative des prestations pour lesquelles le Fonds spécial de solidarité peut intervenir. Il peut également fixer le montant maximum de l'intervention du Fonds.
  Lorsque la demande d'intervention concerne des produits pharmaceutiques, le Collège des médecins-directeurs peut demander l'avis de la Commission de Remboursement des médicaments ou du Conseil technique pharmaceutique visés aux articles 27 et 29bis , chacun suivant sa compétence
  Le Roi peut, pour les assurés atteints d'affectations rares spécifiques qui nécessitent des soins continus ou une intervention unique et qui sont définis par Lui, déterminer les conditions dans lesquelles la compétence du Collège pour accorder des interventions dans les frais, est transférée aux organismes assureurs.
  Le Collège détermine ce qu'il faut entendre par " affection rare spécifique qui nécessite des soins continus ", et que les prestations pour lesquelles une intervention est demandée répondent aux conditions déterminées au § 2, alinéa 1er, a) à e).
  Dans ces cas, le Collège détermine aussi les données que les organismes assureurs doivent lui transmettre trimestriellement, ainsi que les modalités de cette transmission et ce, notamment en vue de pouvoir suivre l'évolution des dépenses du Fonds spécial de solidarité.
  Le Fonds spécial de solidarité peut uniquement accorder une intervention lorsque les conditions fixées dans le présent article sont remplies et lorsque les bénéficiaires ont fait valoir leurs droits en vertu de la législation belge ou étrangère ou d'un contrat conclu à titre individuel ou collectif.
  Le Fonds spécial de solidarité n'accorde pas d'intervention pour les demandes introduites plus de trois ans après la fin du mois au cours duquel les prestations ont été dispensées.
  § 6. Le Collège des médecins-directeurs établit, dans les trois premiers mois de chaque année civile, un rapport contenant un inventaire des décisions et de leur motivation.
  Ce rapport peut également contenir des propositions ou suggestions en vue de l'amélioration ou de l'adaptation de l'assurance soins de santé.
  § 7. Sauf en cas de manoeuvres frauduleuses, l'action en récupération des sommes octroyées en vertu des §§ 2, 3 et 4, se prescrit par trois ans à compter de la fin du mois au cours duquel le paiement a été effectué.
  § 8. Le Roi détermine les conditions dans lesquelles la compétence de décision du Collège des médecins-directeurs peut être exercée par un ou plusieurs médecins, membres dudit Collège. Cette compétence de décision ne peut en aucun cas être exercée exclusivement par des médecins occupés par l'organisme assureur auquel le bénéficiaire intéressé est affilie ou inscrit. "
Onderafdeling 4. - Tegemoetkoming endoscopisch en viscerosynthetisch materiaal.
Sous-section 4. - Intervention matériel endoscopique et de viscérosynthèse.
Art.231. In artikel 37, § 14ter , van dezelfde wet, wordt tussen het tweede en derde lid het volgende lid ingevoegd :
  " De Koning bepaalt de verstrekkingen van endoscopisch en viscerosynthesemateriaal bedoeld in artikel 34, eerste lid, 20°, waarvan de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging door Hem wordt vastgesteld op een percentage dat niet lager mag zijn dan 10 pct van de prijzen vastgesteld door de in artikel 42 bedoelde overeenkomsten of door de Koning, ter uitvoering van artikel 52 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel of ter uitvoering van artikel 49, § 5, tweede lid. "
Art.231. Dans l'article 37, § 14ter , de la même loi, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
  " Le Roi détermine les prestations de matériel endoscopique et de viscérosynthèse visées à l'article 34, alinéa 1er, 20°, pour lesquelles l'intervention de l'assurance soins de santé est fixée par Lui à un pourcentage qui ne peut être inférieur à 10 p.c. des prix prévus par les conventions visées à l'article 42 ou par le Roi, en exécution de l'article 52 de la loi du 14 février 1961 d'expansion économique, de progrès social et de redressement financier ou en exécution de l'article 49, § 5, alinéa 2. "
Onderafdeling 5. - Ondersteuning medische praktijk.
Sous-section 5. - Soutien pratique médicale.
Art.232. In dezelfde wet, wordt een nieuw artikel 36octies ingevoegd, luidende :
  " Art. 36octies. De Koning bepaalt op gezamenlijke voordracht van de ministers die respectievelijk Sociale Zaken en Volksgezondheid onder hun bevoegdheid hebben, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden overeenkomstig dewelke de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen een financiële tegemoetkoming verleent in de kosten verbonden aan de organisatie van een praktijk overeenkomstig de normen vastgesteld op basis van artikel 35duodecies van het koninklijk besluit nr. 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen.
  Het bedoelde besluit wordt genomen op voorstel van de Nationale commissie geneesheren-ziekenfondsen. Indien het voorstel niet binnen de termijn van één maand wordt gedaan of indien de ministers zich er niet bij kunnen aansluiten, kunnen zij een eigen voorstel aan de commissie voorleggen. De Commissie geeft dan advies over het voorstel binnen de termijn van één maand. "
Art.232. Dans la même loi, est inséré un nouvel article 36octies , rédigé comme suit :
  " Art. 36octies. Le Roi détermine sur la proposition conjointe des ministres ayant respectivement les Affaires sociales et la Santé publique dans leurs attributions, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les conditions dans lesquelles l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités accorde une intervention financière dans les coûts liés à l'organisation d'une pratique conformément aux normes fixées sur la base de l'article 35duodecies de l'arrêté royal n° 78 relatif à l'exercice des professions des soins de santé.
  L'arrêté susvisé est pris sur la proposition de la Commission nationale médico-mutualiste. Si la proposition n'est pas faite dans un délai d'un mois ou si les ministres ne peuvent s'y rallier, ceux-ci peuvent soumettre leur propre proposition à la Commission. La Commission rend alors un avis sur cette proposition, dans le délai d'un mois. "
Onderafdeling 6. - Sportongevallen.
Sous-section 6. - Accidents de sports.
Art.233. Artikel 136, § 3, van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art.233. L'article 136, § 3, de la même loi, est abrogé.
Art.234. In artikel 191, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 en gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995, 26 juli 1996, 22 februari 1998, 15 januari 1999, 25 januari 1999, 4 mei 1999, 24 december 1999, 12 augustus 2000, 2 januari 2001, 10 augustus 2001 en 22 augustus 2002 en door het koninklijk besluit van 25 april 1997, wordt een 27° ingevoegd, luidend als volgt :
  " 27° de opbrengst van een inhouding op de premies gestort in het raam van verzekeringsovereenkomsten of in het kader van een systeem, georganiseerd door sportfederaties, dat de dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid, de lichamelijke schade en/of de materiële schade tengevolge van een sportongeval beoogt.
  De Koning bepaalt het bedrag van de inhouding, zonder dat dit evenwel meer dan 10 % mag bedragen, alsmede de toepassingsmodaliteiten van deze bepaling, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  De Koning bepaalt bovendien de nadere regels van berekening, inning en overdracht van deze inhouding, de verdeling ervan alsook het gedeelte dat bestemd is voor financiering van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen van de zelfstandigen. "
Art.234. Dans l'article 191, alinéa 1er, de la même loi, remplacé par l'arrêté royal du 12 août 1994 et modifié par les lois des 20 décembre 1995, 26 juillet 1996, 22 février 1998, 15 janvier 1999, 25 janvier 1999, 4 mai 1999, 24 décembre 1999, 12 août 2000, 2 janvier 2001, 10 août 2001 et 22 août 2002 et par l'arrêté royal du 25 avril 1997, il est inséré un 27°, rédigé comme suit :
  " 27° le produit d'une cotisation sur les primes versées dans le cadre de contrats d'assurance ou dans le cadre d'un système organisé par des fédérations sportives, visant à couvrir la responsabilité civile, les dommages corporels et/ou matériels consécutifs à un accident sportif.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le montant de la cotisation, sans que celle-ci puisse dépasser 10 %, ainsi que les modalités d'application de cette disposition.
  Le Roi fixe, en outre, les modalités de calcul, de perception et de transfert de cette cotisation, sa répartition ainsi que la partie destinée au financement de l'assurance soins de santé et indemnités du régime des travailleurs indépendants. "
Art.235. In artikel 192 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995, 22 februari 1998, 25 januari 1999 en 14 januari 2002, en bij de koninklijke besluiten van 12 augustus 1994 en 25 april 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het vierde lid, 1°, f), worden de termen " en 27° " ingevoegd tussen de termen " 8° " en " bedoelde ";
  2° in het vierde lid, 2°, e) , worden de termen " en 27° " ingevoegd tussen de termen " 8° " en " bedoelde ".
Art.235. A l'article 192, de la même loi, modifié par les lois des 20 décembre 1995, 22 février 1998, 25 janvier 1999 et 14 janvier 2002, ainsi que par les arrêtés royaux des 12 août 1994 et 25 avril 1997, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 4, 1°, f) , les termes " et 27° " sont insérés entre les termes " 8° " et " qui ";
  2° à l'alinéa 4, 2°, e) , les termes " et 27° " sont insérés entre les termes " 8° " et " qui ".
Art.236. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de datum van inwerkingtreding van deze onderafdeling.
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 233 tot 236 vastgesteld op 01-05-2003 door KB 2003-05-12/32, art. 1)
Art.236. Le Roi fixe, par arrête délibéré en Conseil des ministres, la date d'entrée en vigueur de la présente Sous-section.
  (NOTE : Entrée en vigueur des articles 233 à 236 fixée au 01-05-2003 par AR 2003-05-12/32, art. 1)
Onderafdeling 7. - Indeplaatsstelling.
Sous-section 7. - Subrogation.
Art.237. Artikel 136, § 2, van dezelfde wet, wordt aangevuld met de volgende leden :
  " De schade, in de zin van deze bepaling, wordt niet geacht volledig vergoed te zijn in de mate dat de prestaties voortvloeiend uit ziekte, letsels of functionele stoornissen het bedrag van de toegekende schadeloosstelling overtreffen.
  De bij deze wet bedoelde prestaties zijn in dit geval terugvorderbaar van diegene die de schadevergoeding oorspronkelijk verschuldigd is of diens verzekeraar, ongeacht of er dading is geweest of niet. "
Art.237. L'article 136, § 2, de la même loi, est complété par les alinéas suivants :
  " Le dommage, dans le sens de cette disposition, n'est pas censé être couvert complètement dans la mesure où les prestations découlant d'une maladie, de lésions ou de troubles fonctionnels dépassent le montant du dédommagement octroyé.
  Les prestations prévues par la présente loi peuvent dans ce cas être récupérées chez celui qui est initialement redevable du dédommagement ou son assureur, qu'il y ait eu transaction ou pas. "
Art.238. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de inwerkingtreding en de toepassingsregels van het voorgaande artikel.
Art.238. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, l'entrée en vigueur ainsi que les modalités d'application de l'article précédent.
Onderafdeling 8. - Commissie voor tegemoetkoming van bandagen, orthesen en uitwendige prothesen.
Sous-section 8. - Commission de remboursement des bandages, orthèses et prothèses externes.
Art.240. In artikel 34, eerste lid, 4°, van dezelfde wet, worden de woorden " orthopedische toestellen en andere prothesen " vervangen door de woorden " bandagen, orthesen en uitwendige prothesen ".
Art.240. Dans l'article 34, alinéa 1er, 4°, de la même loi, les mots " d'appareils orthopédiques et autres prothèses " sont remplacés par les mots " bandages, orthèses et prothèses externes ".
Onderafdeling 9. - Maximumfactuur.
Sous-section 9. - Maximum à facturer.
Art.243. In artikel 37sexies van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 5 juni 2002 en gewijzigd bij de wet van 22 augustus 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt aangevuld als volgt :
  " Als persoonlijk aandeel worden eveneens beschouwd de kosten die door de rechthebbende, die de leeftijd van 16 jaar niet heeft bereikt, werden gedragen met betrekking tot enterale voeding thuis via sonde of stomie.
  De aanvraagprocedure gebeurt via een eenvoudige medische notificatie aan de adviserend geneesheer van het ziekenfonds waarbij rechthebbende is aangesloten of ingeschreven.
  De Koning kan limitatieve lijsten van in aanmerking komende medische voedingen en vergoedingscriteria vaststellen. ";
  2° in het derde lid, 1°, a) , worden de termen " A en B " vervangen door de termen " A, B en C ".
Art.243. A l'article 37sexies de la même loi, inséré par la loi du 5 juin 2002 et modifié par la loi du 22 août 2002, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 1er est complété comme suit :
  " Sont également considérés comme une intervention personnelle, les frais supportés par le bénéficiaire, qui n'a pas atteint l'âge de 16 ans, concernant l'alimentation entérale au domicile du patient par sonde ou par stomie.
  La procédure de demande consiste en une notification médicale simple adressée au médecin-conseil de la mutualité à laquelle le bénéficiaire est affilié ou inscrit.
  Le Roi peut fixer des listes limitatives d'alimentations médicales et des critères de remboursement prises en considération. ";
  2° à l'alinéa 3, 1°, a) , les termes " A et B " sont remplacés par les termes " A, B et C ".
Art.244. In artikel 37septies van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 5 juni 2002, worden de termen " A en B " vervangen door de termen " A, B en C ".
Art.244. A l'article 37septies de la même loi, inséré par la loi du 5 juin 2002, les termes " A et B " sont remplacés par les termes " A, B et C ".
Art.245. De artikelen 243 en 244 treden in werking op 1 januari 2003.
Art.245. Les articles 243 et 244 entrent en vigueur le 1er janvier 2003.
Onderafdeling 10. - Vakbondspremie.
Sous-section 10. - Prime syndicale.
Art.246. In titel X van de programmawet van 2 januari 2001 wordt tussen hoofdstuk II en hoofdstuk III het volgende hoofdstuk IIbis ingevoegd :
  " Hoofdstuk IIbis. - Tegemoetkoming in de vakbondspremie.
  Art. 59bis. Dit hoofdstuk voorziet in een tegemoetkoming in de kosten van de vakbondspremie voor werknemers, die zijn tewerkgesteld in inrichtingen en diensten die door de Koning worden aangeduid en die geneeskundige verstrekkingen leveren die voorkomen in artikel 34, 7°, 9°, 11°, 12°, 13°, 18° en 21°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. Deze tegemoetkoming valt ten laste van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
  Art. 59ter. De Koning bepaalt de nadere regels met het oog op de vaststelling van de financiële weerslag, het bedrag en de betaling van de financiële tegemoetkoming in de vakbondspremie zoals bedoeld in artikel 59bis.
  Daartoe kan Hij :
  1° de administratieve gegevens aanduiden op basis waarvan de tegemoetkoming wordt berekend;
  2° de wijze bepalen waarop de tegemoetkoming moet worden berekend en worden besteed;
  3° de periode bepalen waarop deze tegemoetkoming van toepassing is;
  4° de natuurlijke of rechtspersonen of de instellingen aanduiden waaraan de tegemoetkoming moet worden betaald en de tijdstippen waarop dit moet gebeuren;
  5° de overheidsdiensten aanduiden, belast met de berekeningen en de betaling van deze tegemoetkoming en met het toezicht op de aanwending ervan. "
Art.246. Dans le titre X de la loi-programme du 2 janvier 2001, le chapitre IIbis suivant est inséré entre le chapitre II et le chapitre III :
  " Chapitre IIbis. - Intervention dans la prime syndicale.
  Art. 59bis. Le présent chapitre prévoit une intervention dans les coûts de la prime syndicale pour les travailleurs salariés employés dans des établissements et services désignés par le Roi et effectuant des prestations de soins qui apparaissent dans l'article 34, 7°, 9°, 11°, 12°, 13°, 18° et 21°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994. Cette intervention est prise en charge par l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
  Art. 59ter. Le Roi fixe les règles en vue de déterminer l'incidence financière, le montant et le paiement de l'intervention financière dans la prime syndicale visée dans l'article 59bis.
  A cet effet, Il peut :
  1° fixer les données administratives sur la base desquelles l'intervention est calculée;
  2° déterminer le mode de calcul de l'intervention et de l'affectation;
  3° fixer la période pendant laquelle cette intervention est en application;
  4° désigner les personnes physiques ou juridiques ou les organismes auxquels l'intervention doit être payée, ainsi que les dates de paiement;
  5° désigner les services publics charges des calculs et du paiement de cette intervention, ainsi que du contrôle de sa mise en oeuvre. "
Onderafdeling 11. - Sociaal statuut kinesitherapeuten.
Sous-section 11. - Statut social kinésithérapeutes.
Art.247. De titel van titel III, hoofdstuk V, afdeling IV, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt door de volgende titel vervangen :
  " Sociaal statuut van de geneesheren, tandheelkundigen, apothekers en kinesitherapeuten en andere voordelen die aan sommige geneesheren kunnen worden toegekend ".
Art.247. L'intitulé du titre III, chapitre V, section IV, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est remplacé par l'intitulé suivant :
  " Du statut social des médecins, des praticiens de l'art dentaire, des pharmaciens et des kinésithérapeutes et des autres avantages qui peuvent être accordés à certains médecins ".
Art.248. In artikel 54, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 21 december 1994, 20 december 1995, 29 april 1996, 22 februari 1998 en 24 december 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt door de volgende bepaling vervangen :
  " De Koning kan, na advies van de Nationale commissie geneesheren-ziekenfondsen, van de Nationale commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen, van de Bestendige commissie belast met het onderhandelen over en het sluiten van de nationale overeenkomst tussen de apothekers en de verzekeringsinstellingen of van de Overeenkomstencommissie belast met het onderhandelen over en het sluiten van de nationale overeenkomst tussen de kinesitherapeuten en de verzekeringsinstellingen, een regeling van sociale voordelen invoeren voor de geneesheren of tandheelkundigen die geacht worden tot de termen van de in artikel 50, § 1, bedoelde akkoorden toegetreden te zijn, of voor de apothekers of de kinesitherapeuten die tot de hen betreffende overeenkomst toetreden en die, volgens de door de Bestendige commissie of de vorenbedoelde Overeenkomstencommissie voorgestelde modaliteiten, het genot ervan vragen. ";
  2° in het tweede lid worden de woorden " de betrokken geneesheren, tandheelkundigen of apothekers " vervangen door de woorden " de betrokken geneesheren, tandheelkundigen, apothekers of kinesitherapeuten " en worden de woorden " en de apothekers " vervangen door de woorden " , de apothekers en de kinesitherapeuten ";
  3° in het derde lid worden de woorden " en voor de kinesitherapeuten " ingelast na de woorden " Die verplichting geldt niet voor de apothekers ".
Art.248. A l'article 54, § 1er, de la même loi, modifié par les lois des 21 décembre 1994, 20 décembre 1995, 29 avril 1996, 22 février 1998 et 24 décembre 1999, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " Le Roi peut, après avis de la Commission nationale médico-mutualiste, de la Commission nationale dento-mutualiste, de la Commission permanente chargée de négocier et de conclure la convention nationale entre les pharmaciens et les organismes assureurs ou de la Commission de convention chargée de négocier et de conclure la convention nationale entre les kinésithérapeutes et les organismes assureurs, instituer un régime d'avantages sociaux pour les médecins ou les praticiens de l'art dentaire qui sont réputés avoir adhéré aux termes des accords visés à l'article 50, § 1er, ou pour les pharmaciens ou les kinésithérapeutes qui adhèrent à la convention qui les concerne et qui en demandent le bénéfice, selon des modalités proposées par la Commission permanente ou la Commission de convention susvisée. ";
  2° à l'alinéa 2, les mots " par les médecins, praticiens de l'art dentaire ou pharmaciens concernés " sont remplacés par les mots " par les médecins, praticiens de l'art dentaire, pharmaciens ou kinésithérapeutes concernés " et les mots " et les pharmaciens " sont remplacés par les mots " , les pharmaciens et les kinésithérapeutes ";
  3° à l'alinéa 3, les mots " et aux kinésithérapeutes " sont insérés après les mots " Cette obligation n'est pas applicable aux pharmaciens ".
Art.249. De artikelen 247 en 248 treden in werking op 1 januari 2003.
Art.249. Les articles 247 et 248 entrent en vigueur le 1er janvier 2003.
Afdeling 2. - Uitkeringen.
Section 2. - Indemnités.
Onderafdeling 1. - In overeenstemming brengen van vervangingsinkomens en invoering van minima bij primaire arbeidsongeschiktheid.
Sous-section 1. - Alignement des revenus de remplacement et instauration de minima en cas d'incapacité de travail primaire.
Art.250. In artikel 87 van dezelfde wet, vervangen door het koninklijk besluit van 13 november 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) het derde lid wordt vervangen door het volgende lid :
  " Voor de in artikel 86, § 1, 1°, c) , bedoelde gerechtigden, alsmede voor de gerechtigden die voormelde hoedanigheid behouden krachtens artikel 131, is het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering gelijk aan het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop zij aanspraak zouden hebben indien ze zich niet in staat van arbeidsongeschiktheid bevonden, gedurende een door de Koning te bepalen tijdvak; deze bepaling is niet van toepassing op de tijdelijke werklozen en de werklozen die door de Koning met een tijdelijke werkloze worden gelijkgesteld. ";
  b) het zevende lid wordt vervangen door het volgende lid :
  " De Koning bepaalt de hoegrootheid van de primaire ongeschiktheidsuitkering. Hij bepaalt eveneens het minimumbedrag van de uitkering die toegekend kan worden aan de verschillende categorieën van gerechtigden bepaald overeenkomstig de artikelen 93 en 93bis , alsmede de toekenningsvoorwaarden waarin begrepen het tijdstip vanaf wanneer voormeld minimumbedrag kan worden toegekend. "
Art.250. A l'article 87 de la même loi, remplacé par l'arrêté royal du 13 novembre 1996, sont apportées les modifications suivantes :
  a) l'alinéa 3 est remplacé par l'alinéa suivant :
  " Pour les titulaires visés à l'article 86, § 1er, 1°, c) , ainsi que pour les titulaires qui maintiennent la qualité précitée en vertu de l'article 131, le montant de l'indemnité d'incapacité primaire est égal à celui de l'allocation de chômage à laquelle ils auraient pu prétendre s'ils ne s'étaient pas trouvés en état d'incapacité de travail, pendant une période a déterminer par le Roi; cette disposition n'est pas applicable aux chômeurs temporaires et aux chômeurs qui sont assimilés à des chômeurs temporaires par le Roi. ";
  b) l'alinéa 7 est remplacé par l'alinéa suivant :
  " Le Roi fixe le taux de l'indemnité d'incapacité primaire. Il fixe également le montant minimum de l'indemnité qui peut être accordée aux différentes catégories de titulaires déterminées conformément aux articles 93 et 93bis , ainsi que les conditions d'octroi en ce compris le moment à partir duquel ledit minimum peut être accordé. "
Art.251. Artikel 96, eerste lid, van dezelfde wet, wordt als volgt aangevuld :
  " Niettemin kan de gerechtigde aanspraak maken op het minimumbedrag zoals bepaald in artikel 87, zevende lid, onder toepassing van de in deze bepaling omschreven voorwaarden. "
Art.251. L'article 96, alinéa 1er, de la même loi, est complété comme suit :
  " Le titulaire peut toutefois prétendre au montant minimum visé à l'article 87, alinéa 7, dans les conditions définies en application de cette disposition. "
Art.252. Aan artikel 93bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 7 april 1995, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen door het volgende lid :
  " Art. 93bis. Het dagbedrag van de minimuminvaliditeitsuitkering die aan niet-regelmatige werknemers met persoon ten laste wordt toegekend, mag in geen geval lager zijn dan het in werkdagen gewaardeerde bedrag van het leefloon dat wordt toegekend krachtens de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, aan twee samenwonende personen. ";
  2° het tweede lid wordt vervangen door het volgende lid :
  " Voor de gerechtigden die geen persoon ten laste hebben, stemt dat bedrag overeen met het in werkdagen gewaardeerde bedrag van het leefloon dat krachtens dezelfde wet wordt toegekend aan een alleenstaand persoon. "
Art.252. A l'article 93bis de la même loi, inséré par la loi du 7 avril 1995, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par l'alinéa suivant :
  " Art. 93bis. Le montant journalier de l'indemnité d'invalidité minimum qui est octroyé aux travailleurs non réguliers ayant des personnes à charge ne peut en aucun cas être inférieur au montant du revenu d'intégration, évalué en jours ouvrables, octroyé en vertu de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, à deux personnes qui cohabitent. ";
  2° l'alinéa 2 est remplacé par l'alinéa suivant :
  " Pour les titulaires n'ayant pas de personne à charge, ce montant correspond au montant du revenu d'intégration, évalué en jours ouvrables, octroyé en vertu de la même loi à une personne isolée. "
Art.253. In artikel 113 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het vijfde lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Voor de gerechtigden in arbeidsongeschiktheid mag het bedrag van de moederschapsuitkering niet lager zijn dan het bedrag van de uitkering waarop zij aanspraak zouden hebben gehad, indien zij niet met moederschapsrust waren geweest. ";
  2° in het zesde lid, vervangen bij de wet van 4 augustus 1996, worden de woorden " mag niet hoger zijn dan " vervangen door de woorden " is gelijk aan ".
Art.253. A l'article 113 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 5 est remplacé par la disposition suivante :
  " Pour les titulaires en incapacité de travail le montant de l'indemnité de maternité ne peut être inférieur au montant de l'indemnité à laquelle elles auraient pu prétendre si elles n'avaient pas été en repos de maternité. ";
  2° dans l'alinéa 6, remplacé par la loi du 4 août 1996, les mots " ne peut être supérieur " sont remplacés par les mots " est égal ".
Onderafdeling 2. - Borstvoedingspauzes.
Sous-section 2. - Pauses d'allaitement.
Art.254. Artikel 207, eerste lid, vierde streepje, van de programmawet van 2 augustus 2002, wordt vervangen als volgt :
  " - de artikelen 31 en 33, die uitwerking hebben met ingang van 1 juli 2002; ".
Art.254. L'article 207, alinéa 1er, quatrième tiret, de la loi programme du 2 août 2002, est remplacé comme suit :
  " - des articles 31 et 33, qui produisent leurs effets le 1er juillet 2002; ".
Onderafdeling 3. - Begrafeniskosten.
Sous-section 3. - Frais funéraires.
Art.255. Artikel 133 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 133. In afwijking van de bepalingen van de artikelen 128 tot 130, wordt de uitkering voor begrafeniskosten betaald voor de in artikel 110 bedoelde gerechtigden, met uitzondering van de gepensioneerden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 7° en 8°, in zoverre zij op de datum van overlijden voldoen aan de in artikel 131 gestelde vereiste. "
Art.255. L'article 133 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 133. Par dérogation aux dispositions des articles 128 à 130, l'allocation pour frais funéraires est payée pour les titulaires visés à l'article 110 à l'exception des pensionnés visés à l'article 32, alinéa 1er, 7° et 8°, pour autant qu'ils remplissent, à la date du décès, la condition prévue à l'article 131. "
Onderafdeling 4. - Cumulatie met onderbrekingsuitkeringen.
Sous-section 4. - Cumul avec des allocations d'interruption.
Art.256. Artikel 104 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende punt :
  " 3° wanneer zij samen genoten worden met een uitkering wegens gedeeltelijke beroepsloopbaanonderbreking die ingaat na de aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid. "
Art.256. L'article 104 de la même loi est complété par le point suivant :
  " 3° lorsqu'elles sont cumulées avec une allocation pour une interruption de carrière partielle prenant cours après la date du début de l'incapacité de travail. "
Art.257. De bepalingen van deze afdeling treden in werking op 1 januari 2003 met uitzondering van artikel 252 dat uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 2002 en met uitzondering van het artikel 254, dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 2002.
Art.257. Les dispositions de la présente section entrent en vigueur le 1er janvier 2003, à l'exception de l'article 252, qui produit ses effets le 1er octobre 2002 et à l'exception de l'article 254, qui produit ses effets le 1er juillet 2002.
TITEL III. - Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu.
TITRE III. - Protection de la consommation, Santé publique et Environnement.
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen.
CHAPITRE 1. - Modification de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments.
Art.258. In artikel 6bis van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, ingevoegd bij de wet van 21 juni 1983, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1 worden tussen het eerste en het tweede lid de volgende leden toegevoegd :
  " Deze voorwaarden hebben inzonderheid betrekking op de bescherming van de proefpersonen, de opzet van de klinische proeven, de personen verantwoordelijk voor de uitvoering ervan, de te volgen procedure voor het aanvangen en het uitvoeren ervan, de mededeling van gegevens en verslagen betreffende de klinische proeven en de bijwerkingen die worden vastgesteld tijdens de klinische proeven.
  Bovendien kan de Koning regels vaststellen in verband met de verrichtingen bedoeld in artikel 6, § 1, eerste lid, inzake geneesmiddelen voor onderzoek. ";
  2° § 2, waarvan de bestaande tekst § 3 wordt, wordt vervangen als volgt :
  " § 2. De Koning bepaalt, na advies van het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek, de regels met betrekking tot de samenstelling en de werking van de ethische commissies met het oog op de uitvoering van klinische proeven, alsook de criteria voor hun erkenning.
  Onverminderd de voorwaarden vastgesteld in toepassing van § 1 en vanaf de vaststelling van de regels in uitvoering van het eerste lid van deze paragraaf, is het gunstig advies van een ethische commissie verplicht voor het uitvoeren van iedere klinische proef.
  De ethische commissie is belast met het toezicht op de bescherming van de rechten, de veiligheid en het welzijn van de proefpersonen die aan een klinische proef deelnemen, het publiek waarborgen te bieden van die bescherming met name door onder andere een oordeel uit te spreken over het protocol van de proef, de geschiktheid van de onderzoeker(s), de faciliteiten en de methoden en documenten die worden gebruikt om de proefpersonen te informeren en hun geïnformeerde schriftelijke toestemming te verkrijgen. "
Art.258. A l'article 6bis de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, inséré par la loi du 21 juin 1983, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au § 1er, sont insérés entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2 les alinéas suivants :
  " Ces conditions concernent notamment la protection des participants aux essais cliniques, la conception des essais cliniques, les personnes responsables de leur conduite, la procédure à respecter pour leur commencement et leur poursuite, la communication d'informations et de rapports relatifs aux essais cliniques et aux effets indésirables observés durant les essais cliniques.
  De plus, le Roi peut fixer des règles en ce qui concerne les opérations prévues à l'article 6, § 1er, alinéa 1er, relatives aux médicaments expérimentaux. ";
  2° le § 2, dont le texte actuel deviendra le § 3, est remplacé comme suit :
  " § 2. Le Roi détermine, après avis du Comité consultatif de bioéthique, les règles relatives à la composition et au fonctionnement des comités d'éthiques en vue de la mise en oeuvre des essais cliniques, ainsi que les critères pour leur agrément.
  Sans préjudice des conditions fixées en application du § 1er et dès la fixation des règles prises en exécution de l'alinéa 1 du présent paragraphe, l'avis favorable d'un comité d'éthique est obligatoire avant le commencement de tout essai clinique.
  Le comité d'éthique est chargé de préserver les droits, la sécurité et le bien-être des participants à un essai clinique et de rassurer le public à ce sujet, notamment en formulant un avis sur le protocole d'essai, l'aptitude de l'(des) investigateur(s) et l'adéquation des installations, ainsi que sur les méthodes et les documents à utiliser pour informer les participants aux essais en vue d'obtenir leur consentement éclairé par écrit. "
HOOFDSTUK 2. - Oprichting van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg.
CHAPITRE 2. - Création du Centre fédéral d'expertise des soins de santé.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Section 1. - Dispositions générales.
Art.259. § 1. Er wordt onder de benaming " Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg ", hierna " Kenniscentrum " genoemd, een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid opgericht, ingedeeld in de categorie B als bedoeld in de wet van 16 maart 1954, betreffende de controle van sommige instellingen van openbaar nut.
  § 2. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de regels met betrekking tot de organisatie en de werking van het Kenniscentrum, voorzover zulks niet geregeld wordt in de wet van 16 maart 1954 of in dit hoofdstuk.
  De Koning bepaalt de vestigingsplaats.
Art.259. § 1er. Il est créé sous la dénomination " Centre fédéral d'expertise des soins de santé ", dénommé ci-après " Centre d'expertise ", un organisme d'intérêt public doté de la personnalité juridique, classé dans la catégorie B visée dans la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public.
  § 2. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les règles relatives à l'organisation et au fonctionnement du Centre d'expertise, pour autant que cela n'ait pas été réglé dans la loi du 16 mars 1954 précitée ou dans le présent chapitre.
  Le Roi détermine le lieu d'établissement.
Art.260. In artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, wordt de categorie B aangevuld met de woorden " Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg ", in te voegen in de alfabetische volgorde.
Art.260. Dans l'article 1er de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public, la catégorie B est complétée par les mots " Centre fédéral d'expertise des soins de santé ", à insérer dans l'ordre alphabétique.
Art.261. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder :
  1° ministers : de Ministers bevoegd voor de Volksgezondheid en de Sociale Zaken;
  2° zorgverleners : [1 de gezondheidszorgberoepen zoals bedoeld in]1 het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen de ziekenhuizen zoals bedoeld in de wet op de ziekenhuizen gecoördineerd op 7 augustus 1987, alsmede de inrichtingen voor revalidatie en herscholing met een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 23, § 3, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, en de diensten en instellingen bedoeld in artikel 34, 11° en 12°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  3° anonieme gegevens : gegevens die niet met een geïdentificeerd of identificeerbaar natuurlijk persoon in verband kunnen worden gebracht;
  4° gecodeerde gegevens : gegevens die slechts door middel van een code in verband kunnen worden gebracht met een geïdentificeerd of identificeerbaar natuurlijk persoon;
  5° Intermutualistisch Agentschap : de rechtspersoon bedoeld in artikel 278.
  
Art.261. Pour l'application du présent chapitre, sauf dispositions contraires, on entend par :
  1° ministres : les Ministres qui ont la Santé publique et les Affaires sociales dans leurs attributions;
  2° dispensateurs de soins : [1 les professions des soins de santé visées par]1 l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'exercice des professions des soins de santé, les hôpitaux tels que visés dans la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987, ainsi que les établissements de rééducation fonctionnelle et de réadaptation professionnelle conventionnés au sens de l'article 23, § 3, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, et les services et institutions visés à l'article 34, 11° et 12°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
  3° données anonymes : des données qui ne peuvent être mises en relation avec une personne physique identifiée ou identifiable;
  4° données codées : des données qui ne peuvent être mises en relation avec une personne identifiée ou identifiable que par l'intermédiaire d'un code;
  5° Agence inter mutualiste : la personne morale visée à l'article 278.
  
Afdeling 2. - Doelstelling van het Kenniscentrum.
Section 2. - De l'objectif du Centre d'expertise.
Art.262. Het Kenniscentrum heeft als doel het verzamelen en verschaffen van objectieve elementen vanuit de verwerking van geregistreerde gegevens en van gevalideerde gegevens, gezondheidseconomische analyses en alle andere informatiebronnen, om kwalitatief de realisatie van de beste gezondheidszorgen te ondersteunen en om een zo efficiënt en zo transparant mogelijke allocatie en aanwending van de beschikbare middelen van de verzekering geneeskundige verzorging door de bevoegde instanties toe te laten en dit rekening houdend met de toegankelijkheid van de zorgen voor de patiënt en met de doelstellingen van het volksgezondheidsbeleid en van de verzekering geneeskundige verzorging.
Art.262. Le Centre d'expertise a pour but la collecte et la fourniture d'éléments objectifs issus du traitement de données enregistrées et de données validées, d'analyses d'économie de la santé et de toutes autres sources d'informations, pour soutenir de manière qualitative la réalisation des meilleurs soins de santé et pour permettre une allocation et une utilisation aussi efficaces et transparentes que possible des moyens disponibles de l'assurance soins de santé par les organes compétents et ce, compte tenu de l'accessibilité des soins pour le patient et des objectifs de la santé publique et de l'assurance soins de santé.
Afdeling 3. - Opdrachten van het Kenniscentrum.
Section 3. - Des missions du Centre d'expertise.
Art.263. § 1. Onverminderd de bevoegdheden zoals bedoeld in artikel 264 die krachtens dit hoofdstuk worden verleend, zijn de opdrachten van het Kenniscentrum :
  1° het maken of het laten maken van kwantitatieve en kwalitatieve analyses op basis van de informatie die het Kenniscentrum ingezameld heeft en op basis van de gegevens die hem ter beschikking worden gesteld op basis van dit hoofdstuk ter ondersteuning van het gezondheidsbeleid en het ontwikkelen van een coherent datamodel hiertoe;
  2° het ter beschikking stellen van de in 1° bedoelde anonieme gegevens en informatie;
  3° het verzamelen en het verspreiden van gegevens en informatie van wetenschappelijke aard met betrekking tot de evaluatie van de medische praktijk en met betrekking tot de evaluatie van technieken in de gezondheidszorg;
  4° het verzamelen en het analyseren van informatie met betrekking tot keuzes voor de allocatie van de middelen in de gezondheidszorg;
  5° het opbouwen van een kennisnet met experten van ondermeer de universiteiten, de ziekenhuizen, de wetenschappelijke verenigingen van zorgverleners en het Intermutualistisch Agentschap;
  6° de ontwikkeling en uitbouw van expertise en know-how op verschillende terreinen die tot zijn opdrachten, zoals bedoeld in dit artikel en het artikel 264 behoren;
  7° het maken of laten maken van gezondheidseconomische analyses.
  § 2. Het Kenniscentrum maakt een jaarlijks activiteitenverslag op dat wordt medegedeeld aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.
Art.263. § 1er. Sans préjudice des compétences telles que visées à l'article 264 qui sont accordées en vertu du présent chapitre, les missions du Centre d'expertise sont :
  1° la réalisation ou la commande d'analyses quantitatives et qualitatives sur la base des informations collectées par le Centre d'expertise et des données mises à sa disposition en vertu du présent chapitre et ce, en vue de soutenir la politique de santé et le développement, à cette fin, d'un modèle de données cohérent;
  2° la mise à disposition des données anonymes et des informations visées sous 1°;
  3° la collecte et la diffusion de données et d'informations à caractère scientifique relatives à l'évaluation de la pratique médicale et relatives à l'évaluation des techniques dans les soins de santé;
  4° la collecte et l'analyse d'informations relatives à des choix pour l'allocation des moyens dans les soins de santé;
  5° le développement d'un réseau d'expertise avec des experts, entre autres, des universités, des hôpitaux, des associations scientifiques de dispensateurs de soins et de l'Agence inter mutualiste;
  6° la mise sur pied et le développement d'une expertise et d'un savoir-faire dans différents domaines qui font partie de ses missions, aux termes du présent article et de l'article 264;
  7° la réalisation ou la commande d'analyses en économie de la santé.
  § 2. Le Centre d'expertise établit un rapport d'activités annuel qui est communiqué à la Chambre des représentants.
Afdeling 4. - Onderwerpen van de studies en van de rapporten.
Section 4. - Sujets des rapports et des études.
Art.264. Het Kenniscentrum maakt studies en rapporten voor het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, voor de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en voor de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, met inbegrip van hun advies-, overleg- en beleidsorganen en van de cel beleidsvoorbereiding van de ministers, binnen het raam van de in een jaarprogramma gestelde opdrachten met betrekking tot de volgende onderwerpen :
  1° de toepassing van " health technology assessment ", inclusief het aanbod van voorzieningen in samenhang met hun financiering en inclusief de evaluatie van geneesmiddelendossiers en de informatieverspreiding over geneesmiddelen;
  2° de evaluatie van de medische praktijk en van de ziekenhuisactiviteiten;
  3° de ontwikkeling van nieuwe vergoedingssystemen, financieringstechnieken en financiële stimuli;
  4° het verantwoord opnamebeleid in functie van de financiering of van het zorgtraject;
  5° het gebruik van pathologiegegevens in de financiering;
  6° de toepassing van regelingen inzake individuele en collectieve responsabilisering van de verschillende actoren in de gezondheidszorg;
  7° de ondersteuning van de doorlichting van de nomenclatuur;
  8° de ondersteuning van een beleid gebaseerd op richtlijnen voor de goede medische praktijk;
  9° de " feedback " van informatie aan de zorgverleners;
  10° de ondersteuning van het maken van keuzes inzake de terugbetaling van de geneeskundige verstrekkingen;
  11° andere onderwerpen inzake de bevordering van de doelmatigheid en de kwaliteit van de zorgverstrekking en de toegankelijkheid tot de zorgen;
  12° het uitwerken van voorstellen met betrekking tot keuzes voor de allocatie van de middelen in de gezondheidszorg;
  13° de evaluatie van sociale effecten en effecten in verband met de volksgezondheid met betrekking tot de in 3°, 4° en 5° bedoelde onderwerpen.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de regels en voorwaarden bepalen volgens dewelke het Kenniscentrum studies en rapporten maakt voor andere organismen en instellingen dan deze bedoeld in het eerste lid. De instellingen waarvoor een uitbreiding wordt beoogd worden opgenomen in het jaarprogramma. Zij zijn onderworpen aan dezelfde regels die gelden voor de instellingen bedoeld in het eerste lid, voor zover de opdracht gepaard gaat met de uitwisseling van persoonsgegevens.
  De Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid en het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering hebben toegang tot elke door de raad van bestuur gevalideerde studie en rapport.
  Het jaarprogramma, bedoeld in het eerste lid, wordt medegedeeld aan de Kamer van volksvertegenwoordigers. Dit jaarprogramma omvat de finaliteiten van elke studie.
Art.264. Le Centre d'expertise réalise des études et des rapports pour l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, le Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement et le Service public fédéral Sécurité sociale, y compris leurs organes de consultation, de concertation et d'orientation, et pour les cellules stratégiques des ministres dans le cadre des missions prévues dans un programme annuel concernant les sujets suivants :
  1° l'application de la " health technology assessment ", y compris l'offre des facilités liées à leur financement et y compris l'évaluation de dossiers de médicaments et la diffusion d'informations sur les médicaments;
  2° l'évaluation de la pratique médicale et des activités hospitalières;
  3° le développement de systèmes de remboursement, de techniques de financement et d'incitants financiers nouveaux;
  4° la politique d'admission justifiée en fonction du financement ou du parcours de soins;
  5° l'utilisation de données de pathologie dans le financement;
  6° l'application de règlements en matière de responsabilisation individuelle et collective des différents dispensateurs de soins de santé;
  7° le soutien de la radioscopie de la nomenclature;
  8° le soutien d'une politique basée sur des directives de bonne pratique médicale;
  9° le " feed-back " de l'information aux dispensateurs de soins;
  10° le soutien de la réalisation de choix concernant le remboursement des prestations de santé;
  11° d'autres sujets concernant la promotion de l'efficacité et de la qualité de la dispensation des soins et l'accessibilité à ces derniers;
  12° l'élaboration de propositions relatives aux choix pour l'allocation des moyens dans les soins de santé;
  13° l'évaluation des effets sociaux et des effets de santé publique relative aux sujets visés sous 3°, 4° et 5°.
  Le Roi peut déterminer, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les règles et les conditions selon lesquelles le Centre d'expertise réalise des études et des rapports pour des organismes et institutions autres que ceux visés dans l'alinéa premier. Les institutions pour lesquelles une extension est prévue, sont reprises dans le programme annuel. Elles sont soumises aux mêmes règles de contrôle que celles en vigueur pour les établissements visés à l'alinéa 1er, pour autant que la mission aille de pair avec l'échange de données à caractère personnel.
  Le Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, le Service public fédéral Sécurité sociale et l'Institut national d'assurance maladie-invalidité ont accès à tout rapport et étude validés par le conseil d'administration.
  Le programme annuel visé à l'alinéa 1er, est communiqué à la Chambre des représentants. Ce programme annuel comprend les finalités de chaque étude.
Afdeling 5. - Analyse van gegevens.
Section 5. - Analyse de données.
Art.265. Het Kenniscentrum analyseert de gegevens over de ziekenhuizen bedoeld in artikel 156 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen.
Art.265. Le Centre d'expertise a pour tâche d'analyser les données relatives aux hôpitaux, telles que visées à l'article 156 de la loi du 29 avril 1996 portant des dispositions sociales.
Art.266. Het Kenniscentrum is bevoegd om analyses uit te voeren op basis van gecodeerde gegevens andere dan die bedoeld in artikel 265 in verband met de in artikelen 263 en 264 bedoelde opdrachten.
Art.266. Le Centre d'expertise est compétent pour réaliser des analyses sur la base de données codées autres que celles visées à l'article 265, relatives aux missions visées aux articles 263 et 264.
Art.267. Het Kenniscentrum maakt de studies, rapporten en analyses zoals bedoeld in de artikelen 264 tot 266 openbaar.
  De Koning bepaalt de modaliteiten van openbaarmaking bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Art.267. Le Centre d'expertise publie les études, rapports et analyses visés aux articles 264 à 266.
  Le Roi détermine les modalités de la publicité par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
Afdeling 6. - Samenwerking met andere instellingen.
Section 6. - Collaboration avec d'autres établissements.
Art.268. Onverminderd de overige bevoegdheden die krachtens dit hoofdstuk worden verleend, kan het Kenniscentrum meewerken aan de ondersteuning van de opdrachten van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, met inbegrip van hun advies-, overleg- en beleidsorganen en van de cellen beleidsvoorbereiding van de ministers, op de afzonderlijke en gemeenschappelijke beleidsdomeinen.
Art.268. Sans préjudice des autres compétences qui sont accordées en vertu du présent chapitre, le Centre d'expertise peut collaborer au soutien des missions de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement et du Service public fédéral Sécurité sociale, y compris de leurs organes de consultation, de concertation et d'orientation et des cellules stratégiques des ministres, dans les domaines politiques distincts et communs.
Afdeling 7. - Financiering.
Section 7. - Financement.
Art.269. Het Kenniscentrum kan worden gefinancierd door :
  1° een jaarlijkse dotatie ingeschreven in de begroting van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;
  2° een jaarlijkse dotatie ingeschreven in de begroting van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid;
  3° een jaarlijks bedrag ten laste van de administratiekosten van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering vastgelegd door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad;
  4° schenkingen en legaten;
  5° mits het akkoord van de minister bevoegd voor Financiën, de opbrengst van de plaatsing van financiële reserves;
  6° de inkomsten uit opdrachten aan het Kenniscentrum toevertrouwd;
  7° toevallige inkomsten.
Art.269. Le Centre d'expertise peut être financé par :
  1° une dotation annuelle inscrite au budget du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement;
  2° une dotation annuelle inscrite au budget du Service public fédéral Sécurité sociale;
  3° un montant annuel à charge des frais d'administration de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité fixé par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres;
  4° des dons et legs;
  5° moyennant l'accord du ministre compétent pour les Finances, le produit du placement de réserves financières;
  6° les recettes provenant des tâches confiées au Centre d'expertise;
  7° revenus occasionnels.
Afdeling 8. - Bestuur van het Kenniscentrum.
Section 8. - De l'administration du Centre d'expertise.
Art.270. § 1. [Het Kenniscentrum wordt bestuurd door een raad van bestuur die bestaat uit een voorzitter en [3 vierentwintig leden]3 waarvan :
  1° twee leden benoemd en ontslagen door de Minister bevoegd voor de Volksgezondheid;
  2° twee leden benoemd en ontslagen door de Minister bevoegd voor sociale Zaken;
  3° de voorzitter van het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;
  4° de voorzitter van het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst sociale Zekerheid;
  5° de leidend ambtenaar van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
  [2 5°bis de administrateur-generaal van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten;]2
  6° drie leden voorgedragen door het Intermutualistisch Agentschap;
  7° twee leden voorgedragen door de Ministerraad;
  8° twee leden die de ziekenhuisorganisaties vertegenwoordigen;
  9° twee leden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van geneesheren;
  10° twee leden voorgedragen door de sociale partners op voorstel van het beheercomité van de sociale Zekerheid;
  11° één lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers, door haar aangeduid;
  [1 12° twee leden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van verpleegkundigen;]1
  [3 13° twee leden die de patiënten en de gebruikers van de gezondheidsdiensten vertegenwoordigen.]3
  Het is mogelijk om experts uit te nodigen in de raad van bestuur.
  De leden bedoeld in 1°, 2° en 7° worden voor de periode van de zittingsduur verlengd met zes maanden benoemd.
  [3 Op voordracht van de ministers worden de voorzitter en de in 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 12° en 13°, bedoelde leden door de Koning benoemd en ontslagen. De voorzitter en de in 6°, 8°, 9°, 10°, 12° en 13°, bedoelde leden worden voor een hernieuwbare periode van zes jaar benoemd.]3
  Onder dezelfde voorwaarden benoemen de Ministers eveneens plaatsvervangers voor de leden bedoeld in 1° en 2°, en benoemt de Koning plaatsvervangers voor de [3 in 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 12° en 13° bedoelde leden]3.
  [De ministers benoemen en ontslaan de plaatsvervangers voor de leden bedoeld in 3°, [2 4°, 5° en 5°bis]2, op voorstel van de respectievelijke effectieve leden.] <W 2006-12-13/35, art. 34, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  De voorzitter behoort noch tot het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, noch tot de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en noch tot de Federale Overheidsdienst sociale Zekerheid. De voorzitter wordt bijgestaan door drie ondervoorzitters, respectievelijk de leidend ambtenaar van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, de voorzitter van het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, en de voorzitter van het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst sociale Zekerheid.
  De leden bedoeld in 1°, 2°, 3°, [2 4°, 5° en 5°bis]2 zijn allen stemgerechtigd. De [3 in 6°, 7°, 8°, 9°, 12° en 13° bedoelde leden]3 zijn enkel stemgerechtigd voor de vaststelling en aanpassingen van het jaarprogramma, inclusief de modaliteiten van eventuele uitbesteding, de vaststelling van het benodigde budget en voor de goedkeuring van de finale validatie en de kwaliteitscontrole van de rapporten en de kwaliteitscontrole van de studies uitgevoerde door derden in opdracht van het Kenniscentrum.
  De vertegenwoordigers van de sociale partners en de vertegenwoordiger van de Kamer van volksvertegenwoordigers zetelen met raadgevende stem.
  De voorzitter is een stemgerechtigde persoon. Bij staking van stemmen is zijn stem doorslaggevend.] <W 2005-12-23/31, art. 66, 016; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  § 2. De Koning bepaalt de administratieve en geldelijke regeling van de voorzitter en bepaalt de vergoedingen en het presentiegeld van de leden van de raad van bestuur, alsook van de leden die zetelen in de raad van bestuur van het Kenniscentrum, alsook de vergoeding van de experten die uitgenodigd worden.
  § 3. De raad van bestuur van het Kenniscentrum stelt zijn huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring aan de ministers voor.
  § 4. Binnen het kader van de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen is de raad van bestuur bevoegd om alle daden van beschikking en beheer te verrichten die nodig zijn om het doel, zoals omschreven in artikel 262, evenals om de opdrachten, zoals omschreven in de artikelen 263 tot 266, te vervullen.
  Tot de taken van algemeen bestuur van de raad van bestuur behoren advies verlenen omtrent de evaluatie van de algemeen directeur en de adjunct-algemeen directeur. De raad van bestuur heeft tevens tot taak het ontwerp van begroting op te maken en toezicht te houden op de uitvoering van de begroting, de jaarrekening van ontvangsten en uitgaven op te maken en jaarlijks op 31 december de actieve en passieve toestand van het Kenniscentrum op te maken.
  De raad van bestuur heeft, naast de taken van algemeen bestuur, tot opdracht de keuze van de onderwerpen in het kader van de in artikelen 263 tot 266 bedoelde aangelegenheden te maken en in voorkomend geval wijzigingen aan te brengen aan het jaarprogramma, de modaliteiten ervan, zoals eventuele uitbestedingen van de opdrachten te bekrachtigen, de vaststelling van het benodigde budget en de finale validatie inclusief de kwaliteitscontrole van de rapporten alsook de kwaliteitscontrole van de studies uitgevoerd door derden in opdracht van het Kenniscentrum.
  § 5. De raad van bestuur kan een beroep doen op de medewerking van personen, van inrichtingen of diensten, die, opgericht door openbare besturen, hetzij op privé-initiatief in staat zijn de middelen aan te wenden om het doel en de opdrachten van het Kenniscentrum te verwezenlijken.
  
Art.270. § 1er. [Le Centre d'expertise est administré par un conseil d'administration composé d'un président et de [3 vingt-quatre membres]3 dont :
  1° deux membres nommés et révoqués par le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions;
  2° deux membres nommés et révoqués par le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions;
  3° le président du Comité de direction du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement;
  4° le président du Comité de direction du Service public fédéral Sécurité sociale;
  5° le fonctionnaire dirigeant de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité;
  [2 5°bis l'administrateur général de l'Agence fédérale des Médicaments et des Produits de Santé;]2
  6° trois membres proposés par l'Agence inter mutualiste;
  7° deux membres proposés par le Conseil des Ministres;
  8° deux membres représentant les organisations des hôpitaux;
  9° deux membres proposés par les organisations professionnelles représentatives des médecins;
  10° deux membres proposés par les partenaires sociaux sur proposition du comité de gestion de la Sécurité sociale;
  11° un membre de la Chambre des représentants désigné par elle;
  [1 12° deux membres proposés par les organisations professionnelles représentatives des infirmiers;]1
  [3 13° deux membres représentant les patients et les usagers des services de santé.]3
  Il est possible d'inviter des experts au conseil d'administration.
  Les membres visés aux 1°, 2° et 7° sont nommes pour la durée de la législature prolongée de six mois.
  [3 Le président et les membres visés aux 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 12° et 13°, sont, sur présentation des ministres, nommés et révoqués par le Roi. Le président et les membres visés aux 6°, 8°, 9°, 10°, 12° et 13°, sont nommés pour une période renouvelable de six ans.]3
  Sous les mêmes conditions, les Ministres nomment également des suppléants pour les membres vises sous 1° et 2°, et le Roi pour les [3 membres visés aux 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 12° et 13°]3.
  [Les ministres nomment et révoquent des suppléants pour les membres visés sous 3°, [2 4°, 5° et 5°bis]2, sur proposition respectivement de chacun de ces membres effectifs.] <L 2006-12-13/35, art. 34, 023; En vigueur : 01-01-2007>
  Le président n'appartient ni à l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, ni au Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, ni au Service public fédéral Sécurité sociale. Le président est assisté par trois vice-présidents, respectivement le fonctionnaire dirigeant de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, le président du Comité de direction du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement et le président du Comité de direction du Service public fédéral Sécurité sociale.
  Les membres visés aux 1°, 2°, 3°, [2 4°, 5° et 5°bis]2 ont tous voix délibérative. Les [3 membres visés aux 6°, 7°, 8°, 9°, 12° et 13°]3, ont voix délibérative uniquement pour la fixation et l'adaptation du programme annuel, y compris les modalités de la sous-traitance éventuelle, la fixation du budget requis et l'approbation de la validation finale, le contrôle de la qualité des rapports ainsi que le contrôle de la qualite des études réalisées par des tiers à la demande du Centre d'expertise.
  Les représentants des partenaires sociaux et le représentant de la Chambre des représentants siègent avec voix consultative.
  Le président a voix délibérative. En cas de partage des voix, sa voix est prédominante.] <L 2005-12-23/31, art. 66, 016; En vigueur : 09-01-2006>
  § 2. Le Roi détermine le régime administratif et pécuniaire du président et fixe les indemnités et jetons de présence des membres du conseil d'administration, ainsi que des membres qui siègent au conseil d'administration du Centre d'expertise, ainsi que l'indemnité des experts qui sont invités.
  § 3. Le conseil d'administration du Centre d'expertise établit son règlement d'ordre intérieur et le soumet à l'approbation des ministres.
  § 4. Dans le cadre des dispositions légales et réglementaires applicables, le conseil d'administration est compétent pour accomplir tous actes de disposition et d'administration nécessaires pour la réalisation de l'objectif tel que défini à l'article 262, ainsi que pour l'accomplissement des missions telles que définies aux articles 263 à 266.
  Les tâches d'administration générale du conseil d'administration comprennent la formulation d'avis sur l'évaluation du directeur général et du directeur général adjoint. Le conseil d'administration a également pour tâche d'établir le projet de budget et de suivre l'exécution du budget, de dresser le compte annuel des recettes et des dépenses et d'arrêter annuellement, au 31 décembre, la situation active et passive du Centre d'expertise.
  Le conseil d'administration a, outre les tâches d'administration générale, pour mission de procéder au choix des sujets dans le cadre des questions visées dans les articles 263 à 266 et, le cas échéant, d'apporter des modifications au programme annuel, d'entériner leurs modalités, comme d'éventuelles sous-traitances des missions, et d'approuver l'établissement du budget requis et la validation finale y compris le contrôle de la qualité des rapports ainsi que le contrôle de la qualité des études réalisées par des tiers à la demande du Centre d'expertise.
  § 5. Le conseil d'administration peut faire appel à la collaboration de personnes, d'institutions ou de services qui, créés par des administrations publiques ou sur initiative privée, sont en mesure d'utiliser les moyens pour réaliser l'objectif et les missions du Centre d'expertise.
  
Afdeling 9. - Personeel.
Section 9. - Du personnel.
Art.271. § 1. De leiding van het Kenniscentrum wordt bij wijze van mandaat toevertrouwd aan een algemeen directeur, die voor een hernieuwbare termijn van zes jaar, door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de beide ministers wordt aangewezen. De algemeen directeur wordt bijgestaan door een adjunct-algemeen directeur, die voor een hernieuwbare termijn van zes jaar, door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de beide ministers bij wijze van mandaat wordt aangewezen.
  De algemeen directeur en de adjunct-algemeen directeur behoren tot een verschillende taalrol.
  § 2. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze van kandidaatstelling, de voorwaarden van aanwijzing, de selectievoorwaarden, en de wijze van uitoefening van en het ontslag van de managementfuncties, evenals het administratief en geldelijk statuut welk van toepassing zijn op deze functies.
  § 3. Het dagelijks bestuur wordt toevertrouwd aan de algemeen directeur en de adjunct-algemeen directeur volgens de modaliteiten vastgelegd door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad. Het dagelijks bestuur omvat onder meer de hiërarchische bevoegdheden over de personeelsleden van het Kenniscentrum, het aanstellen van de experten en het toewijzen van expertiseopdrachten.
Art.271. § 1er. La direction du Centre d'expertise est confiée par mandat à un directeur général, qui est désigné pour un terme renouvelable de six ans par le Roi, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, sur la proposition des deux ministres. Le directeur général est assisté par un directeur général adjoint, qui est désigné par mandat par le Roi pour un terme renouvelable de six ans par un arrête délibéré en Conseil des ministres, sur la proposition des deux ministres.
  Le directeur général et le directeur général adjoint sont de rôle linguistique différent.
  § 2. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le mode de candidature, les conditions de désignation, les conditions de sélection à cette fonction et le mode de l'exercice et la révocation des fonctions de management, ainsi que le statut administratif et pécuniaire qui sont d'application pour ces fonctions.
  § 3. La gestion journalière est confiée au directeur général et au directeur général adjoint selon les modalités fixées par le Roi, par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres. La gestion journalière comprend notamment les compétences hiérarchiques concernant les membres du personnel du Centre d'expertise, la désignation d'experts et l'attribution de missions d'expertise.
Art.272. De personeelsleden die de bevoegdheden uitoefenen zoals bedoeld in artikel 263 kunnen bij arbeidsovereenkomst aangeworven worden en binnen de perken van de personeelsenveloppe, bezoldigd worden in een hogere weddeschaal dan die welke aan de rijksambtenaar bij zijn aanwerving wordt toegekend.
Art.272. Les membres du personnel qui remplissent les missions visées à l'article 263 peuvent être recrutés par contrat de travail et peuvent dans les limites de l'enveloppe de personnel, être rémunérés suivant une échelle de traitement supérieure à celle qui est octroyée au fonctionnaire lors de son recrutement.
Art.273. De Koning kan, in het kader van de oprichting van het Kenniscentrum, personeelsleden, zowel contractueel als statutair, van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering of van een andere openbare dienst overdragen naar het Kenniscentrum.
  De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad, de nadere regels voor de overdracht van het personeel vast.
  Deze overdracht van personeel naar het Kenniscentrum gebeurt in ieder geval met behoud van graad en hoedanigheid. Zij behouden het voordeel van hun administratieve en geldelijke anciënniteit.
Art.273. Le Roi peut transférer, dans le cadre de la création du Centre d'expertise, du personnel, tant contractuel que statutaire, du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, du Service public fédéral Sécurité sociale, de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité ou d'un autre service public vers le Centre d'expertise.
  Le Roi fixe par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres les modalités de transfert du personnel.
  Ce transfert du personnel vers le Centre d'expertise se fait en tout cas avec maintien de grade et de qualité. Les membres du personnel conservent l'avantage de leur ancienneté administrative et pécuniaire.
Art.274. Het Kenniscentrum wijst volgens de modaliteiten bepaald in [1 artikel 37 van de verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, een functionaris voor de gegevensbescherming aan]1.
  De Koning kan de regels bepalen volgens dewelke deze persoon zijn opdracht uitvoert.
  
Art.274. Le Centre d'expertise désigne suivant les modalités définies à [1 l'article 37 du règlement 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, un délégué à la protection des données]1.
  Le Roi peut fixer les modalités suivant lesquelles cette personne exécute sa mission.
  
Art.275. Het Kenniscentrum wijst een beoefenaar in de gezondheidszorg aan onder wiens toezicht en verantwoordelijkheid de verwerking en de analyse van persoonsgegevens betreffende de gezondheid gebeurt.
  De Koning kan de regels bepalen volgens dewelke deze persoon zijn opdracht uitvoert.
Art.275. Le Centre d'expertise désigne un praticien des soins de santé sous la surveillance et la responsabilité duquel le traitement et l'analyse de données à caractère personnel relatives à la santé sont effectués.
  Le Roi peut fixer les règles suivant lesquelles cette personne exécute sa mission.
Art.276. Hij die uit hoofde van zijn functie betrokken is bij de inzameling, de verwerking of de mededeling van gegevens of kennis heeft van dergelijke gegevens is ertoe gehouden het vertrouwelijk karakter ervan te eerbiedigen, behoudens wanneer een wet hem van deze plicht ontslaat of hem verplicht bekend te maken wat hij weet. Het artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op voornoemde personen.
Art.276. Quiconque est associé par sa fonction à la collecte, au traitement ou à la communication de données ou a connaissance de telles données est tenu d'en respecter le caractère confidentiel, sauf lorsqu'une loi le libère de cette obligation ou l'oblige à communiquer ce qu'il sait. L'article 458 du Code pénal est applicable à ces personnes.
Afdeling 10. - Toezicht.
Section 10. - Du contrôle.
Art.277. In afwijking van artikel 9 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut wordt het in dit artikel bedoelde toezicht uitgeoefend door de in artikel 270, § 1, bedoelde leden gekozen onder de leden van de beleidsraad of van de cel beleidsvoorbereiding van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu door de minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft en door de leden gekozen onder de leden van de beleidsraad of van de cel beleidsvoorbereiding van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid door de minister bevoegd voor de Sociale Zaken. Het toezicht inzake alle beslissingen met een budgettaire of financiële terugslag wordt uitgeoefend door bemiddeling van een regeringscommissaris, door de Koning, op voordracht van de minister van Begroting, benoemd.
Art.277. Par dérogation à l'article 9 de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public, le contrôle visé dans le présent article est exercé par les membres, visés à l'article 270, § 1er, choisis parmi les membres du conseil stratégique ou de la cellule stratégique du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement par le ministre qui a la Santé publique dans ses attributions et par les membres choisis parmi les membres du conseil stratégique ou de la cellule stratégique du Service public fédéral Sécurité sociale par le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions. Le contrôle de toutes les décisions ayant une incidence budgétaire ou financière est exercé par l'intermédiaire d'un commissaire du gouvernement nommé par le Roi, sur présentation du ministre du Budget.
Afdeling 11. - Intermutualistisch Agentschap.
Section 11. - Agence inter mutualiste
Art.278. De Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en de [2 Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail]2 worden gemachtigd om toe te treden tot een vereniging van landsbonden van ziekenfondsen, hierna Intermutualistisch Agentschap genoemd, die als doel heeft de door de verzekeringsinstellingen verzamelde gegevens te analyseren in het kader van hun opdrachten en de informatie hieromtrent te verstrekken.
  Het Kenniscentrum, het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid zijn in de raad van bestuur van het Intermutualistisch Agentschap vertegenwoordigd.
  Deze vereniging kan slechts de vorm aannemen van een vereniging zonder winstoogmerk als bedoeld in de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend.
  De in het eerste lid bedoelde werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd :
  1° op initiatief van het Intermutualistisch Agentschap met kennisgeving aan het Kenniscentrum of;
  2° op verzoek van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid Voedselketen en Leefmilieu of de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid met kennisgeving aan het Kenniscentrum en waarbij de ministers, op advies van het Kenniscentrum, kunnen beslissen dat de opdracht, uitgevoerd door het Intermutualistisch Agentschap, al dan niet onder coördinatie van het Kenniscentrum plaatsvindt of;
  3° op verzoek van de ministers, onder coördinatie van het Kenniscentrum.
  ([1 De Koning kan, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, het Intermutualistisch Agentschap toelaten om een representatieve steekproef samen te stellen van 1/40 sociaal verzekerden die aangesloten of ingeschreven zijn bij de in het eerste lid bedoelde verzekeringsinstellingen, aangevuld met 1/40 van de verzekerden van 65 jaar en ouder en een referentiebestand dat aanduidt welke verzekerden deel uitmaken van het gezin waarvoor de maximumfactuur door de verzekeringsinstellingen wordt toegepast]1. Deze steekproef bevat alle sociale gegevens van persoonlijke aard die op de verzekerde betrekking hebben en waarover de verzekeringsinstellingen beschikken in het kader van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, inclusief de gegevens waarover de verzekeringsinstellingen beschikken in uitvoering van artikel 165, zesde tot achtste lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. Deze steekproef bevat echter geen gegevens over de naam van de verzekerde, zijn geboortedag of zijn adres; het Rijksregisternummer of het identificatienummer van de sociale zekerheid van de betrokken verzekerde zijn in de steekproef slechts op dubbel versleutelde wijze beschikbaar. Het intermutualistisch Agentschap geeft aan de instellingen bedoeld in het tweede lid, alsmede aan het Federaal Planbureau op permanente wijze, via een beveiligde verbinding, toegang tot de door haar getrokken permanente representatieve steekproef. De instellingen die toegang krijgen tot de aldus, wat de identiteit van de verzekerde betreft, gecodeerde gegevens van deze steekproef, gebruiken deze gegevens enkel in het kader van hun wettelijke of krachtens de wet voorziene beheers- en onderzoeksopdrachten en voor hun wettelijke of krachtens de wet voorziene controle- en evaluatietaken. De permanente terbeschikkingstelling start met de steekproefdata van het prestatiejaar 2002, 2003 en 2004. Alle steekproefgegevens worden geactualiseerd op 31 december van elk kalenderjaar. De steekproef wordt voor de eerste maal ter beschikking gesteld op 1 januari 2006. [1 De Koning kan met een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, het Intermutualistisch Agentschap en andere instellingen of verenigingen met wettelijke of krachtens de wet voorziene beheers- en onderzoeksopdrachten en/of controle- en evaluatietaken met het oog op de ondersteuning van het te voeren gezondheidsbeleid, opnemen in de lijst van instellingen die toegang hebben tot de permanente representatieve steekproef]1) <W 2005-12-27/31, art. 115, 019; Inwerkingtreding : 09-01-2006> <W 2008-12-19/51, art. 56, 030; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  De raad van bestuur van het Intermutualistisch Agentschap, stelt jaarlijks een programma op van de geplande opdrachten en initiatieven, en in voorkomend geval, de voorgenomen informatieverstrekking. De raad van bestuur maakt dit voor 1 september van elk jaar over aan de ministers via het Kenniscentrum. De regering heeft via het Kenniscentrum inzage in de resultaten van de uitgevoerde werkzaamheden.
  De vereniging wordt beschouwd als onderaannemer van de in het eerste lid bedoelde instellingen met betrekking tot de onderlinge mededeling van sociale gegevens van persoonlijke aard zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, 6°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
  (De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, nadere regels voor de kostenvergoeding aan het [1 Intermutualistisch]1 Agentschap voor opdrachten vanwege de Ministers of onder coördinatie van het [1 Kenniscentrum]1, alsmede voor de terbeschikkingstelling van de in het vijfde lid vermelde permanente representatieve steekproef.) <W 2005-12-27/31, art. 115, 019; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  De Koning bepaalt de modaliteiten van de samenwerking tussen het Intermutualistisch Agentschap en het Kenniscentrum.
  [1 Er wordt een technische commissie opgericht die vastlegt aan welke praktische en kwaliteitscriteria de terbeschikkingstelling van de steekproefbestanden moet voldoen en die de naleving van deze kwaliteitscriteria onderzoekt. Deze kwaliteitscriteria hebben betrekking op de representativiteit van de steekproef, de volledigheid van de data, de permanente toegankelijkheid en de continuïteit van de technische ondersteuning. De commissie houdt tevens toezicht op de maatregelen die worden genomen om de identificatie van de in de steekproef opgenomen verzekerden te vermijden en geeft haar goedkeuring aan de overeenkomst die in dat kader wordt gesloten met [3 een verwerker in de zin van artikel 4, 8), van de verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, die persoonsgegevens pseudonimiseert in de zin van artikel 4, 5), van ditzelfde verdrag]3. De commissie brengt jaarlijks verslag van haar werkzaamheden uit aan de Algemene Raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging en aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
   De commissie is samengesteld uit twee vertegenwoordigers van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, twee vertegenwoordigers van het Intermutualistisch Agentschap en twee vertegenwoordigers van elke instelling die toegang heeft tot de steekproefbestanden. Het voorzitterschap van de commissie wordt waargenomen door de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering of diegene die hij daartoe aanwijst. De commissie stelt een huishoudelijk reglement op waarin met name zijn werkingsregels nader worden bepaald.
   De persoonsgegevens vervat in de permanente representatieve steekproef, kunnen op al dan niet permanente wijze aangevuld worden met of in verband worden gebracht met andere gegevens beschikbaar buiten het kader van de permanente representatieve steekproef en dit volgens de in de hierna volgende opsomming beschreven preciseringen en nadere regels :
   1° Mits evaluatie en controle uitgevoerd door de toezichthoudende artsen van het Intermutualistisch Agentschap met betrekking tot het eventueel verhoogd risico op identificatie, en na goedkeuring door de technische commissie, kunnen de persoonsgegevens vervat in de permanente representatieve steekproef aangevuld worden met niet persoonsgebonden statistische gegevens of indicatoren van demografische en socio-economische aard uit datasets beschikbaar binnen of buiten het Intermutualistisch Agentschap. De aanvullende gegevens betreffen [3 gegevens die niet kunnen worden beschouwd als "persoonsgegevens" in de zin van artikel 4, 1), van de verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG]3. De aanvulling gebeurt op basis van een aan de permanente steekproef en de voormelde datasets gemeenschappelijke variabele die geen identificatie van fysieke personen inhoudt. Het resultaat van deze aanvulling mag niet toelaten de betrokken verzekerden te identificeren.
   2° Mits machtiging van het Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid, kunnen de in de permanente representatieve steekproef vervatte persoonsgegevens, op permanente wijze in verband worden gebracht met andere persoonsgegevens waarover de verzekeringsinstellingen beschikken binnen het kader van de uitvoering van hun wettelijke opdrachten.
   3° Binnen het kader van een eenmalige en tijdelijke studie, waarvan de finaliteit kadert binnen de wettelijke opdrachten van de instellingen die toegang hebben tot de permanente representatieve steekproef, kan het Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid of een ander bevoegd sectoraal comité, machtiging verlenen om de in de permanente representatieve steekproef vervatte gegevens in verband te brengen met andere persoonsgegevens waarover de verzekeringsinstellingen niet beschikken.
   4° Ingeval de voormelde studies een terugkerend karakter vertonen of het beleidsmatig nodig wordt geacht voormelde gegevens op een permanente basis in verband te brengen in het kader van de wettelijke opdrachten van een instelling met toegang tot de permanente representatieve steekproef, kan de Koning machtiging verlenen, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Commissie tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer, om de betrokken instelling permanente toegang te verschaffen tot voormelde in verband gebrachte persoonsgegevens. De Koning bepaalt de nadere regels verbonden aan deze permanente toegang. De controle op deze permanente toegang en op de nadere regels ervan wordt toegewezen aan de respectievelijke toezichthoudende artsen en veiligheidsconsulenten van het Intermutualistisch Agentschap en van de betrokken instelling, dit in gezamenlijk overleg en onder gedeelde verantwoordelijkheid en met verantwoording ten aanzien van de technische commissie. Indien het Intermutualistisch Agentschap permanente toegang wordt gegeven tot voormelde in verband gebrachte persoonsgegevens, worden een toezichthoudende arts en een veiligheidsconsulent van een van de instellingen die toegang hebben tot de permanente representatieve steekproef aangewezen voor de voormelde controle.]1

  
Art.278. La Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité et la [2 Caisse des soins de santé de HR Rail]2 sont habilitées à adhérer à une association d'unions nationales de mutualités, appelée ci-après Agence inter mutualiste, qui a pour but d'analyser dans le cadre des missions des organismes assureurs les données qu'ils collectent et de fournir les informations à ce propos.
  Le Centre d'expertise, l'Institut national d'assurance maladie-invalidité et le Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement et le Service public fédéral Sécurité sociale sont représentés au conseil d'administration de l'Agence inter mutualiste
  Cette association peut uniquement prendre la forme d'une association sans but lucratif telle que visée dans la loi du 27 juin 1921 accordant la personnalité juridique aux associations sans but lucratif et aux établissements d'utilité publique.
  Les travaux visés à l'alinéa 1er peuvent être effectués :
  1° à l'initiative de l'Agence inter mutualiste avec notification au Centre d'expertise ou;
  2° à la demande de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement ou du Service public fédéral Sécurité sociale avec notification au Centre d'expertise, les ministres pouvant décider, sur avis, du Centre d'expertise que la mission effectuée par l'Agence inter mutualiste a lieu ou non sous la coordination du Centre d'expertise ou;
  3° à la demande des ministres, sous la coordination du Centre d'expertise.
  ([1 Le Roi peut, après avis de la Commission de la protection de la vie privée, autoriser l'Agence intermutualiste à constituer un échantillon représentatif de 1/40 assurés sociaux qui sont affiliés ou inscrits auprès des organismes assureurs, visés à l'alinéa 1er, complété par 1/40 assurés de 65 ans et plus ainsi qu'un fichier de référence qui indique quels assurés font partie du ménage pour lequel le maximum à facturer est appliqué par les organismes assureurs.]1. Cet échantillon comporte toutes les données sociales à caractère personnel qui concernent l'assuré et qui sont à la disposition des organismes assureurs dans le cadre de l'assurance obligatoire maladie-invalidité, en ce compris les données dont disposent les organismes assureurs en exécution de l'article 165, alinéas 6 à 8, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de Santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994. Toutefois, cet échantillon ne contient aucune donnée sur le nom de l'assuré, sa date de naissance ou son adresse; le numéro d'inscription au Registre national ou le numéro d'identification de la sécurité sociale de l'assuré visé ne sont disponibles dans l'échantillon que par voie doublement cryptée. L'Agence inter mutualiste donne de manière permanente, via une connexion sécurisée, aux organismes visés à l'alinéa 2, ainsi qu'au Bureau fédéral du Plan, accès à l'échantillon représentatif permanent qu'elle a sélectionné. Les organismes qui bénéficient d'un accès aux données codées - en rapport avec l'identité de l'assuré - de cet échantillon utilisent exclusivement ces données dans le cadre de leurs missions de gestion et de recherche légales ou prévues par la loi, ainsi que pour leurs missions d'évaluation et de contrôle légales ou prévues par la loi. La mise à disposition permanente débute par les données de l'échantillon des années de prestation 2002, 2003 et 2004. Toutes les données de l'échantillon sont mises à jour le 31 décembre de chaque année civile. L'échantillon est pour la première fois mis à disposition le 1er janvier 2006. [1 Le Roi peut, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres et après avis de la Commission de la protection de la vie privée, inscrire l'Agence intermutualiste et d'autres organismes ou associations ayant des missions de gestion et de recherche et/ou des missions d'évaluation et de contrôle, prévues par la loi ou en vertu de la loi, en vue du soutien de la politique de santé à mener, dans la liste des organismes qui ont accès à l'échantillon représentatif permanent.]1) <L 2005-12-27/31, art. 115, 019; En vigueur : 09-01-2006> <L 2008-12-19/51, art. 56, 030; En vigueur : 01-01-2008>
  Le conseil d'administration de l'Agence inter mutualiste fixe annuellement un programme des missions et initiatives prévues, et, le cas échéant, l'information prévue. Le conseil d'administration transmet ce programme avant le 1er septembre de chaque année au ministres par l'intermédiaire du Centre d'expertise. Le gouvernement obtient communication, par l'intermédiaire du Centre d'expertise, des résultats des travaux effectués.
  L'association est considérée comme le sous-traitant des établissements visés à l'alinéa 1er concernant la communication mutuelle des données sociales à caractère personnel aux termes de l'article 2, alinéa 1er, 6°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale.
  (Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités précises de remboursement des frais des missions confiées par les Ministres ou sous la coordination du Centre d'Expertise à l'Agence inter mutualiste, et de la mise à disposition de l'échantillon représentatif permanent cité à l'alinéa 5.) <L 2005-12-27/31, art. 115, 019; En vigueur : 09-01-2006>
  Le Roi fixe les modalités de la collaboration entre l'Agence inter mutualiste et le Centre d'expertise.
  [1 Il est institué une commission technique qui fixe à quels critères pratiques et qualitatifs la mise à disposition des fichiers d'échantillon doit satisfaire et qui vérifie le respect de ces critères de qualité. Ces critères de qualité portent sur la représentativité de l'échantillon, l'exhaustivité des données, l'accessibilité permanente et la continuité du soutien technique. La commission contrôle également les mesures qui sont prises pour éviter l'identification des assurés figurant dans l'échantillon et donne son approbation à la convention qui est conclue dans ce cadre avec [3 un sous-traitant au sens de l'article 4, 8), du règlement 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, qui pseudonymise les données à caractère personnel au sens de l'article 4, 5), du même règlement]3. La commission fait rapport de ses activités chaque année au Conseil général de l'assurance soins de santé et à la Commission de la protection de la vie privée.
   La commission est composée de deux représentants de la Commission de la protection de la vie privée, de deux représentants de l'Agence intermutualiste et de deux représentants de chaque organisme qui a accès aux fichiers d'échantillon. La présidence de la commission est assurée par le fonctionnaire dirigeant du Service des soins de santé de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité ou la personne qu'il désigne à cet effet. La commission établit un règlement d'ordre intérieur qui précise notamment ses règles de fonctionnement.
   Les données à caractère personnel contenues dans l'échantillon représentatif permanent, peuvent de façon permanente ou non être complétées par ou corrélées avec d'autres données disponibles hors du cadre de l'échantillon représentatif permanent et ce, suivant les précisions et modalités décrites dans l'énumération ci-dessous :
   1° Moyennant évaluation et contrôle effectués par les médecins surveillants de l'Agence Intermutualiste concernant le risque éventuellement accru d'identification, et après approbation par la commission technique, les données à caractère personnel contenues dans l'échantillon représentatif permanent peuvent être complétées par des données statistiques sans caractère personnel ou par des indicateurs de nature démographique et socioéconomique tirées de sets de données disponibles au sein ou en dehors de l'Agence intermutualiste. Les données complémentaires concernent [3 des données qui ne peuvent être considérées comme des "données à caractère personnel", au sens de l'article 4, 1), du règlement 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE]3. Le complément est réalisé sur la base d'une variable commune à l'échantillon permanent et aux sets de données précités, qui n'implique pas d'identification de personnes physiques. Le résultat de cette complétion ne peut pas permettre d'identifier les assurés concernés.
   2° Moyennant une autorisation du Comité sectoriel de la Sécurité sociale et de la Santé, les données à caractère personnel contenues dans l'échantillon représentatif permanent peuvent être corrélées de manière permanente avec d'autres données à caractère personnel dont les organismes assureurs disposent dans le cadre de l'exécution de leurs missions légales.
   3° Dans le cadre d'une étude unique et temporaire, dont la finalité s'inscrit dans les missions légales des organismes qui ont accès à l'échantillon représentatif permanent, le Comité sectoriel de la Sécurité sociale et de la Santé ou un autre comité sectoriel compétent, peut autoriser la mise en corrélation des données contenues dans l'échantillon représentatif permanent avec d'autres données à caractère personnel dont les organismes assureurs ne disposent pas.
   4° Si les études précitées présentent un caractère récurrent ou si, conformément à la politique à suivre, il est jugé utile de corréler les données précitées sur une base permanente dans le cadre des missions légales d'un organisme ayant accès à l'échantillon représentatif permanent, le Roi peut autoriser, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis de la Commission de la protection de la vie privée, à donner à l'organisme concerné un accès permanent aux données à caractère personnel corrélées précitées. Le Roi définit les modalités liées à cet accès permanent. Le contrôle de cet accès permanent et de ses modalités est attribué aux médecins surveillants et conseillers en sécurité respectifs de l'Agence Intermutualiste et de l'organisme concerné, et ce d'un commun accord et sous leur responsabilité partagée et en rendant des comptes à la commission technique. Si l'Agence Intermutualiste reçoit un accès permanent aux données à caractère personnel corrélées précitées, un médecin surveillant et un conseiller en sécurité d'un des organismes qui ont accès à l'échantillon représentatif permanent sont désignés pour le contrôle précité. ]1

  
Art.279. Elke overdracht van persoonsgegevens vanuit het Intermutualistisch Agentschap vereist een principiële machtiging van (het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid) van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid. <W 2007-03-01/37, art. 73, 025; Inwerkingtreding : 24-03-2007>
  (Er is evenwel geen principiële machtiging vereist van (het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid) bedoeld in het voormelde artikel 37, voor de in artikel 278, vijfde lid, omschreven terbeschikkingstelling van de gecodeerde permanente representatieve steekproef.) <W 2005-12-27/31, art. 116, 019; Inwerkingtreding : 09-01-2006> <W 2007-03-01/37, art. 73, 025; Inwerkingtreding : 24-03-2007>
Art.279. Toute transmission de données à caractère personnel de l'Agence inter mutualiste requiert une autorisation de principe du (comité sectoriel de la sécurité sociale et de la santé) de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale. <L 2007-03-01/37, art. 73, 025; En vigueur : 24-03-2007>
  (Aucune autorisation de principe n'est toutefois requise de la part du (comité sectoriel de la sécurité sociale et de la santé) visé à l'article 37 précité, pour la mise à disposition de l'échantillon représentatif permanent codé décrit à l'article 278, alinéa 5.) <L 2005-12-27/31, art. 116, 019; En vigueur : 09-01-2006> <L 2007-03-01/37, art. 73, 025; En vigueur : 24-03-2007>
Art.280. Het Intermutualistisch Agentschap wijst, volgens de modaliteiten bepaald in [1 artikel 37 van de verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, een functionaris voor de gegevensbescherming aan]1.
  De Koning kan de regels bepalen volgens dewelke deze persoon zijn opdracht uitvoert.
  
Art.280. L'Agence inter mutualiste désigne, selon les modalités fixées à [1 l'article 37 du règlement 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, un délégué à la protection des données]1.
  Le Roi peut fixer les règles suivant lesquelles cette personne exécute sa mission.
  
Art.281. Het Intermutualistisch Agentschap wijst, al dan niet onder haar personeel, een beoefenaar in de gezondheidszorg aan onder wiens toezicht en verantwoordelijkheid de verwerking van persoonsgegevens betreffende de gezondheid gebeurt.
  De Koning kan de regels bepalen volgens dewelke deze persoon zijn opdracht uitvoert.
Art.281. L'Agence inter mutualiste désigne, parmi son personnel ou non, un praticien des soins de santé chargé du contrôle et responsable du traitement des données à caractère personnel concernant la santé.
  Le Roi peut fixer les règles suivant lesquelles cette personne exécute sa mission.
Afdeling 12. - Opheffings-, overgangs-, slotbepalingen en inwerkingtreding.
Section 12. - Dispositions abrogatoires, transitoires, finales et entrée en vigueur.
Onderafdeling 1. - Opheffingsbepalingen.
Sous-section 1. - Dispositions abrogatoires.
Art.282. Artikel 141 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, wordt opgeheven.
Art.282. L'article 141 de la loi du 29 avril 1996 portant des dispositions sociales, est abrogé.
Art.283. Artikel 157 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, wordt opgeheven.
Art.283. L'article 157 de la loi du 29 avril 1996 portant des dispositions sociales, est abrogé.
Onderafdeling 2. - Overgangsbepalingen.
Sous-section 2. - Dispositions transitoires.
Art.284. In afwachting dat de beleidsraad en de cel beleidsvoorbereiding van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu bestaan, worden de drie leden bedoeld in artikel 270 gekozen door de minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft. In afwachting dat de beleidsraad en de cel beleidsvoorbereiding van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid bestaan, worden de drie leden bedoeld in artikel 270 gekozen door de minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft.
Art.284. En attendant la mise en place du conseil stratégique et de la cellule stratégique du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, les trois membres visés à l'article 270 sont choisis par le ministre qui a la Santé publique dans ses attributions. En attendant la mise en place du conseil stratégique et de la cellule stratégique du Service public fédéral Sécurité sociale, les trois membres visés à l'article 270 sont choisis par le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions.
Onderafdeling 3. - Slotbepalingen.
Sous-section 3. - Dispositions finales.
Art.285. De Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid zijn verplicht het Kenniscentrum, binnen de termijn bepaald door de Koning, alle inlichtingen te verschaffen en gegevens ter beschikking te stellen, die het nodig heeft bij het uitoefenen van de opdrachten die krachtens dit hoofdstuk en haar uitvoeringsbesluiten aan het Kenniscentrum worden toevertrouwd.
  Elke overdracht van persoonsgegevens vanuit de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu en de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, vereist een principiële machtiging van (het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid) van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid. <W 2007-03-01/37, art. 73, 025; Inwerkingtreding : 24-03-2007>
  Indien gegevens overgedragen worden met het oog om ze te koppelen aan andere gegevens dienen deze door de Federale Overheidsdiensten overgemaakt te worden aan de technische cel bedoeld in artikel 155 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen die de koppeling uitvoert.
Art.285. Le Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement et le Service public fédéral Sécurité sociale sont tenus de fournir au Centre d'expertise, dans le délai fixé par le Roi, toutes les informations et de mettre à disposition toutes les données dont il a besoin dans l'exercice des missions qui, en vertu du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution, sont confiées au Centre d'expertise.
  Toute transmission de données à caractère personnel du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et du Service public fédéral Sécurité sociale exige une autorisation de principe du (comité sectoriel de la sécurité sociale et de la santé) de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale. <L 2007-03-01/37, art. 73, 025; En vigueur : 24-03-2007>
  Si des données sont transmises en vue de les coupler avec d'autres données, elles doivent être transmises par les Services publics fédéraux à la cellule technique visée à l'article 155 de la loi du 29 avril 1996 portant des dispositions sociales qui effectue le couplage.
Art.286. Iedere instelling waarmee het Kenniscentrum samenwerkt, voor zover dit gepaard gaat met de uitwisseling van persoonsgegevens, wijst, al dan niet onder haar personeel, volgens de modaliteiten bepaald in [1 artikel 37 van de verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, een functionaris voor de gegevensbescherming aan]1.
  De Koning kan de regels bepalen volgens dewelke deze persoon zijn opdracht uitvoert.
  
Art.286. Chaque établissement avec lequel le Centre d'expertise collabore, pour autant que cette collaboration aille de pair avec l'échange de données à caractère personnel, désigne, parmi son personnel ou non, suivant les modalités définies à [1 l'article 37 du règlement 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, un délégué à la protection des données]1.
  Le Roi peut fixer les règles suivant lesquelles cette personne exécute sa mission.
  
Art.287. In artikel 56ter , § 4, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingevoegd bij de wet van 22 augustus 2002, worden de woorden " door de technische cel, bedoeld in artikel 155 van hogervermelde wet van 29 april 1996 " vervangen door de woorden " het Kenniscentrum bedoeld in titel III, hoofdstuk 2, van de programmawet van 24 december 2002 ".
Art.287. Dans l'article 56ter , § 4, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, inséré par la loi du 22 août 2002, les mots " par la cellule technique visée dans l'article 155 de la loi du 29 avril 1996 précitée " sont remplacés par les mots " le Centre d'expertise visé au titre III, chapitre 2, de la loi-programme du 24 décembre 2002 ".
Art.288. Artikel 206 van dezelfde wet wordt aangevuld met een § 6, luidende :
  " § 6. Het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering is verplicht het Kenniscentrum, binnen de termijn en de modaliteiten bepaald door de Koning, alle inlichtingen te verschaffen en gegevens ter beschikking te stellen, die het nodig heeft bij het uitoefenen van de opdrachten die krachtens hoofdstuk 2 van titel III van de programmawet van 24 december 2002 en haar uitvoeringsbesluiten aan het Kenniscentrum worden toevertrouwd.
  Elke overdracht van persoonsgegevens vanuit het Rijksinstituut voor ziekte en invaliditeitsverzekering, vereist een principiële machtiging van het Toezichtscomité bedoeld in artikel 37 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
  Indien gegevens overgedragen worden met het oog om ze te koppelen aan andere gegevens dienen deze door het Rijksinstituut overgemaakt te worden aan de technische cel bedoeld in artikel 155 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen die de koppeling uitvoert. "
Art.288. L'article 206 de la même loi est complété par un § 6, libellé comme suit :
  " § 6. L'Institut national d'assurance maladie-invalidité est tenu de fournir au Centre d'expertise, dans le délai et selon les modalités fixés par le Roi, toutes les informations et de mettre à sa disposition les données dont il a besoin dans l'exécution des missions qui, en vertu du chapitre 2 du titre III de la loi-programme du 24 décembre 2002 et de ses arrêtés d'exécution, sont confiées au Centre d'expertise.
  Toute transmission de données à caractère personnel de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité exige une autorisation de principe du Comité de surveillance visé à l'article 37 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale.
  Si des données sont transmises en vue d'être couplées avec d'autres données, elles doivent être transmises par l'Institut national à la cellule technique visée à l'article 155 de la loi du 29 avril 1996 portant des dispositions sociales qui effectue le couplage. "
Art.289. Artikel 86ter van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, ingevoegd bij de wet van 22 augustus 2002, wordt aangevuld met een § 5, luidend als volgt :
  " § 5. Voor de uitoefening van haar opdrachten maakt de Commissie gebruik van ondermeer de informatie en de rapporten die hiervoor ter beschikking zijn gesteld door het Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg, bedoeld in titel III, hoofdstuk 2, van de programmawet van 24 december 2002 ".
Art.289. Dans l'article 86ter de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987, inséré par la loi du 22 août 2002, il est ajouté un § 5, rédigé comme suit :
  " § 5. Pour l'exercice de ses missions, la Commission utilise, entre autres, les informations et les rapports qui, à cette fin, sont mis à disposition par le Centre fédéral d'expertise des soins de santé, visé au titre III, chapitre 2, de la loi-programme du 24 décembre 2002 ".
Art.290. In artikel 154ter , § 1, van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, ingevoegd bij de wet van 22 augustus 2002, wordt tussen 2° en 3°, dat een 4° zal vormen, een 3° ingevoegd, luidend als volgt :
  " 3° rapporten inzake health technology assessment , opgesteld door het Federaal Kenniscentrum bedoeld in titel III, hoofdstuk 2, van de programmawet van 24 december 2002 voor het in aanmerking nemen van bedoelde apparatuur of technieken voor terugbetaling door de verzekering geneeskundige verzorging of voor programmatie en erkenning, al of niet in het kader van een medische of medisch-technische dienst of in het kader van de ziekenhuiswet; ".
Art.290. Dans l'article 154ter , § 1er, de la loi du 29 avril 1996 portant des dispositions sociales, inséré par la loi du 22 août 2002, il est ajouté, entre le 2° et le 3°, qui devient un 4°, un 3° rédige comme suit :
  " 3° les rapports en matière de health technology assessment , établis par le Centre fédéral d'expertise, tel que visé au titre III, chapitre 2, de la loi-programme du 24 décembre 2002, pour la prise en compte des appareils et des techniques en question pour le remboursement dans le cadre de l'assurance soins de santé ou de leur programmation et agrément, et ce dans le cadre ou non d'un service médical ou médico-technique ou dans le cadre de la loi sur les hôpitaux; ".
Art.291. Artikel 155 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid :
  " De personeelsleden van de technische cel worden aangeduid door de Koning. "
Art.291. L'article 155 de la même loi est complété par l'alinéa suivant :
  " Les membres du personnel de la cellule technique sont désignés par le Roi. "
Art.292. In artikel 156 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1 vervallen de woorden " en te analyseren ";
  2° in § 1 worden de woorden " en § 4 " ingevoegd na de woorden " volgens de modaliteiten bedoeld in § 3 ";
  3° in § 3, tweede lid, worden telkens de woorden " het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg " ingevoegd na de woorden " het Ministerie en het Instituut ";
  4° in § 3 wordt tussen het tweede en het derde lid het volgend lid ingevoegd :
  " De gegevens worden, tenzij anders bepaald in een gemotiveerde aanvraag, door de technische cel overgemaakt aan het Kenniscentrum binnen een termijn van twee weken na de aanvraag of in voorkomend geval de machtiging van het Toezichtscomité. ";
  5° het artikel wordt aangevuld met een § 4 :
  " § 4. Elke overdracht van persoonsgegevens vanuit de technische cel, zoals bedoeld in § 3, vereist een principiële machtiging van het Toezichtscomité bedoeld in artikel 37 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
  De technische cel stelt halfjaarlijks een rapport op met de aard en bestemming van de overgedragen gegevens. Dit rapport wordt meegedeeld aan de ministers, het Kenniscentrum bedoeld in titel III, hoofdstuk 2, van de programmawet van 24 december 2002, de Multipartitestructuur bedoeld in artikel 153 en het in het vorig lid bedoelde Toezichtscomité. "
Art.292. A l'article 156 de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, les mots " et d'analyser " sont supprimés;
  2° au § 1er, les mots " et au § 4 " sont insérés après les mots " suivant les modalités visées au § 3 ";
  3° au § 3, alinéa 2, les mots " le Centre fédéral d'expertise des soins de santé " sont chaque fois insérés après les mots " le Ministère et l'Institut ";
  4° au § 3 est inséré entre les alinéas 2 et 3, l'alinéa suivant :
  " Les données sont, à moins qu'il en soit disposé autrement dans une demande motivée, transmises par la cellule technique au Centre d'expertise dans un délai de deux semaines, après la demande ou, le cas échéant, l'autorisation du Comité de surveillance. ";
  5° l'article est complété par un § 4 :
  " § 4. Toute transmission de données à caractère personnel par la cellule technique, telle que visée au § 3, requiert une autorisation de principe du Comité de contrôle visé à l'article 37 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque Carrefour de la sécurité sociale.
  La cellule technique rédige un rapport semestriel présentant la nature et la destination des données transmises. Ce rapport est communiqué aux ministres, au Centre d'expertise visé au titre III, chapitre 2, de la loi-programme du 24 décembre 2002, à la Structure multipartite visée à l'article 153 ainsi qu'au Comité de surveillance visé à l'alinéa précité. "
Art.293. In dezelfde wet wordt een artikel 156bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 156bis. - De technische cel heeft de bevoegdheid andere dan de gegevens bepaald in artikel 156 te koppelen, in verband met de opdrachten bedoeld in de artikelen 263 en 264 van de programmawet van 24 december 2002, volgens de modaliteiten en de datum van inwerkingtreding te bepalen door de Koning. "
Art.293. Dans la même loi est inséré un article 156bis , libelle comme suit :
  " Art. 156bis. - La cellule technique a la compétence de coupler des données autres que les données définies dans l'article 156, en rapport avec les articles 263 et 264 de la loi-programme du 24 décembre 2002, suivant les modalités et la date d'entrée en vigueur à déterminer par le Roi. "
Art.294. In artikel 158 van dezelfde wet vervallen de woorden " en de analyse ".
Art.294. A l'article 158 de la même loi, les mots " et l'analyse " sont supprimes.
Art.295. In artikel 159, 5°, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 augustus 2002, wordt de bepaling " - twee werkende leden en plaatsvervangende leden, waarvan telkens één de Federale Overheidsdienst en het Instituut vertegenwoordigen; " aangevuld met de volgende bepaling :
  " - een werkend lid en een plaatsvervanger die het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg vertegenwoordigen en die worden voorgesteld door de raad van bestuur van het Kenniscentrum; ".
Art.295. Dans l'article 159, 5°, de la même loi, modifié par la loi du 22 août 2002, la disposition " - deux membres effectifs et deux membres suppléants, dont un représentant du Service public fédéral et de l'Institut; " est complétée par la disposition suivante :
  " - un membre effectif et un membre suppléant qui représentent le Centre fédéral d'expertise des soins de santé et qui sont proposés par le conseil d'administration de celui-ci; ".
Art.296. Het Intermutualistisch Agentschap evenals de individuele verzekeringsinstellingen zijn verplicht het Kenniscentrum, binnen de termijn bepaald door de Koning, alle inlichtingen te verschaffen en gegevens ter beschikking te stellen die het nodig heeft bij het uitoefenen van de opdrachten die krachtens deze wet en haar uitvoeringsbesluiten aan het Kenniscentrum worden toevertrouwd.
  Elke overdracht van persoonsgegevens vanuit het Intermutualistisch Agentschap evenals vanuit de individuele verzekeringsinstellingen, vereist een principiële machtiging van (het sectoraal comité van de sociale zekerheid en van de gezondheid) van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid. <W 2007-03-01/37, art. 73, 025; Inwerkingtreding : 24-03-2007>
  Indien gegevens overgedragen worden met het oog om ze te koppelen aan andere gegevens dienen deze door het intermutualistisch agentschap en de individuele verzekeringsinstellingen overgemaakt te worden aan de technische cel bedoeld in artikel 155 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen die de koppeling uitvoert.
Art.296. L'Agence inter mutualiste ainsi que les organismes assureurs individuels sont tenus, dans le délai fixé par le Roi, de fournir au Centre d'expertise, toutes les informations et de mettre à sa disposition toutes les données dont il a besoin dans l'exécution des missions qui, en vertu de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution, sont confiées au Centre d'expertise.
  Toute transmission de données à caractère personnel de l'Agence inter mutualiste ainsi que des organismes assureurs individuels exige une autorisation de principe du (comité sectoriel de la sécurité sociale et de la santé) de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale. <L 2007-03-01/37, art. 73, 025; En vigueur : 24-03-2007>
  Si des données sont transmises en vue d'être couplées avec d'autres données, elles doivent être transmises par l'Agence inter mutualiste et les organismes assureurs individuels à la cellule technique visée à l'article 155 de la loi du 29 avril 1996 portant des dispositions sociales qui effectue le couplage.
Art.297. Artikel 17bis , § 1, eerste lid, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, wordt als volgt gewijzigd :
  " De instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, eerste lid, 2°, a) en c) , de Kruispuntbank en het Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg bedoeld in titel III, hoofdstuk 2, van de programmawet van 24 december 2002, kunnen zich verenigen in één of meerdere verenigingen voor wat hun werkzaamheden inzake informatiebeheer betreft. "
Art.297. L'article 17bis , § 1er, alinéa 1er, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, est modifié comme suit :
  " Les institutions de sécurité sociale visées à l'article 2, alinéa 1er, 2°, a) et c) , la Banque-carrefour et le Centre fédéral d'expertise des soins de santé visé au titre III, chapitre 2, de la loi-programme du 24 décembre 2002 peuvent s'associer en une ou plusieurs associations pour ce qui concerne leurs travaux en matière de gestion de l'information. "
Art.298. In artikel 46 van dezelfde wet wordt tussen 6°bis en 7° een 6°ter en een 6°quater ingevoegd, luidend als volgt :
  " 6°ter. Machtiging verlenen voor de mededeling van persoonsgegevens betreffende de gezondheid door de technische cel bedoeld in artikel 155 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen;
  6°quater. Machtiging verlenen voor de mededeling van persoonsgegevens betreffende de gezondheid door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, het Rijksinstituut voor Ziekte en Invalididteitsverzekering en het Intermutualistisch Agentschap evenals de individuele verzekeringsinstellingen; ".
Art.298. A l'article 46 de la même loi sont insérés, entre le 6°bis et 7°, un 6°ter et un 6°quater , libellés comme suit :
  " 6°ter. Accorder l'autorisation pour la communication de données à caractère personnel relatives à la santé par la cellule technique visée à l'article 155 de la loi du 29 avril 1996 portant des dispositions sociales ";
  6°quater. Accorder l'autorisation pour la communication de données à caractère personnel relatives à la santé par le Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement, le Service public fédéral Sécurité sociale, l'Institut national d'assurance maladie-invalidité et l'Agence inter mutualiste ainsi que les organismes assureurs individuels; ".
Art.299. De Koning kan bestaande wetsbepalingen naar de vorm wijzigen, zonder de inhoud ervan te wijzigen of aan de daarin vervatte beginselen te raken, om ze aan te passen aan de bepalingen van dit hoofdstuk.
Art.299. Le Roi peut modifier les dispositions de loi existantes, quant à la forme sans en modifier le contenu ou porter atteinte aux principes y figurant, afin de les adapter aux dispositions du présent chapitre.
Onderafdeling 4. - Inwerkingtreding.
Sous-section 4. - Entrée en vigueur.
Art.300. Dit hoofdstuk treedt in werking op de dag waarop deze wet wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad , met uitzondering van artikel 292 dat in werking treedt op een door de Koning bepaalde datum.
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 292 vastgesteld op 01-02-2004 door KB 2004-02-02/31, art. 1)
Art.300. Le présent chapitre entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge , à l'exception de l'article 292 qui entre en vigueur à une date fixée par le Roi.
  (NOTE : Entrée en vigueur de l'article 292 fixée le 01-02-2004 par AR 2004-02-02/31, art. 1)
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten en van de Bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de Wijziging van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979.
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 28 juillet 1981 portant approbation de la Convention sur le commerce international des espèces de faune et de flore sauvages menacées d'extinction et des Annexes, faites à Washington le 3 mars 1973, ainsi que de l'Amendement à la Convention, adopté à Bonn le 22 juin 1979.
Art.301. In de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten en van de Bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de Wijziging van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979, wordt een artikel 4bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 4bis. De Koning kan een retributie opleggen voor elke aanvraag van vergunning of certificaat, vereist in toepassing van de huidige wet of haar toepassingsbesluiten.
  De Koning bepaalt het bedrag van de retributies evenals de regels voor de inning ervan. "
Art.301. Dans la loi du 28 juillet 1981 portant approbation de la Convention sur le commerce international des espèces de faune et de flore sauvages menacées d'extinction et des Annexes, faites à Washington le 3 mars 1973, ainsi que de l'Amendement à la Convention, adopté à Bonn le 22 juin 1979, un article 4bis est inséré, rédigé comme suit :
  " Art. 4bis. - Le Roi peut imposer une rétribution pour chaque demande de permis ou certificat requis en application de la présente loi ou de ses arrêtes d'application.
  Le Roi détermine le montant de ces rétributions ainsi que les modalités de leur perception. "
HOOFDSTUK 4. - Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.
CHAPITRE 4. - Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire.
Afdeling 1. - Wijzigingen aan de wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.
Section 1re. - Modifications de la loi du 4 février 2000 créant l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire.
Art.302. In artikel 6, § 7, eerste lid, van de wet van 4 februari 2000 houdende oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, worden de woorden " De Koning bepaalt, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, de personeelsformatie, het administratief en geldelijk statuut van het personeel " vervangen door de woorden " De Koning bepaalt het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het Agentschap ".
Art.302. A l'article 6, § 7, alinéa 1er, de la loi du 4 février 2000 relative à l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, modifiée par la loi du 13 juillet 2001, les mots " Le Roi, détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le cadre et le statut administratif et pécuniaire du personnel " sont remplacés par les mots : " Le Roi détermine le statut administratif et pécuniaire du personnel de l'Agence ".
Afdeling 2. [1 - Beheer van de Begrotingsfondsen bedoeld in de rubrieken 25-4, 25-5 en 25-6 van de bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen gevoegde tabel.]1
Section 2. [1 - Gestion des Fonds budgétaires visés aux rubriques 25-4, 25-5 et 25-6 du tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires.]1
Art. 303/1. [1 De minister van Volksgezondheid, de minister van Landbouw en de minister van Leefmilieu kunnen, in onderlinge overeenstemming, een externe onafhankelijke audit laten uitvoeren van het boekhoudkundig beheer van het Begrotingsfonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten, het Begrotingsfonds voor de Grondstoffen en het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten.]1
  
Art. 303/1. [1 Le ministre de la Santé publique, le ministre de l'Agriculture et le ministre de l'Environnement peuvent d'un accord commun faire exécuter un audit externe indépendant de la gestion comptable du Fonds budgétaire pour la production et la protection des végétaux et des produits végétaux, du Fonds budgétaire des matières premières et du Fonds budgétaire pour la santé et la qualité des animaux et des produits animaux.]1
  
Afdeling 3. - Wijzigingen aan de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen.
Section 3. - Modifications de la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires.
Art.304. In de bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen gevoegde tabel worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° In deelrubriek 31-2 Fonds voor de grondstoffen, gewijzigd bij de wet van 21 december 1994 onder de vermelding " aard van de toegewezen ontvangsten " wordt de tekst als volgt gewijzigd :
  a) de woorden " met betrekking tot de procedure voor de erkenning van producten " worden ingevoegd tussen de woorden " grondstoffen " en " administratieve boetes ";
  b) de woorden " met uitzondering van die betreffende de door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen verrichte controles " worden in fine toegevoegd.
  2° In deelrubriek 31-2 Fonds voor de grondstoffen, gewijzigd bij de wet van 21 december 1994 onder de vermelding " aard van de toegestane uitgaven " wordt de tekst als volgt aangevuld : " met uitzondering van de opdrachten van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. "
  3° In deelrubriek 31-4 Fonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten, ingevoegd bij de wet van 24 december 1993, onder de vermelding " aard van de toegewezen ontvangsten ", wordt de tekst als volgt aangevuld : " met uitzondering van die betreffende de door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen verrichte controles. "
  4° In deelrubriek 31-4 Fonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten, ingevoegd bij de wet van 24 december 1993, onder de vermelding " aard van de toegestane uitgaven " wordt de tekst als volgt aangevuld : " , met uitzondering van de prestaties van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. "
  5° In deelrubriek 31-1 Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, vervangen bij de wet van 23 maart 1998, onder de vermelding " aard van de toegewezen ontvangsten ", wordt de tekst als volgt aangevuld : " met uitzondering van die betreffende de door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen verrichte controles. "
  6° In deelrubriek 31-1 Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, vervangen bij de wet van 23 maart 1998, onder de vermelding " aard van de toegestane uitgaven " wordt de tekst als volgt aangevuld : " met uitzondering van die met betrekking tot de opdrachten van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. "
Art.304. Dans le tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, les modification suivantes sont apportées :
  1° Dans la sous-rubrique 31-2 Fonds des matières premières, modifiée par la loi du 21 décembre 1994 sous la mention " nature des recettes affectées " le texte est modifié comme suit :
  a) les mots " afférentes à la procédure d'agrément des produits " sont insérés entre les mots " matières premières " et " amendes administratives ";
  b) les mots " à l'exception de celles relatives aux contrôles effectués par l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire " sont ajoutés in fine.
  2° Dans la sous-rubrique 31-2 Fonds des matières premières, modifiée par la loi du 21 décembre 1994 sous la mention " nature des dépenses autorisées " le texte est complété comme suit : " à l'exception des missions de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire. "
  3° Dans la sous-rubrique 31-4 Fonds pour la production et la protection des végétaux et produits végétaux, inséré par la loi du 24 décembre 1993, sous la mention " nature des recettes affectées ", le texte est complété comme suit : " à l'exception de celles relatives aux contrôles effectués par l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire. "
  4° Dans la sous-rubrique 31-4 Fonds pour la production et la protection des végétaux et produits végétaux, inséré par la loi du 24 décembre 1993, sous la mention " nature des dépenses autorisées " le texte est complété comme suit : " , à l'exception des prestations de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire. "
  5° Dans la sous-rubrique 31-1 Fonds budgétaire pour la santé et la qualité des animaux et des produits animaux, remplacée par la loi du 23 mars 1998, sous la mention " nature des recettes affectées ", le texte est complété comme suit : " à l'exception de celles relatives aux contrôles effectués par l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire. "
  6° Dans la sous-rubrique 31-1 Fonds budgétaire pour la santé et la qualité des animaux et des produits animaux, remplacée par la loi du 23 mars 1998, sous la mention " nature des dépenses autorisées " le texte est complété comme suit : " à l'exception de celles afférentes aux missions de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire. "
Afdeling 4. - Wijziging aan de wet van 17 maart 1993 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten.
Section 4. - Modification de la loi du 17 mars 1993 relative à la création d'un Fonds budgétaire pour la production et la protection des végétaux et des produits végétaux.
Art.305. Artikel 4, 2°, van de wet van 17 maart 1993 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de productie en de bescherming van planten en plantaardige producten, wordt aangevuld als volgt :
  " met uitzondering van de bedragen, retributies en vergoedingen voor de controles en prestaties die onder de bevoegdheid vallen van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. "
Art.305. L'article 4, 2°, de la loi du 17 mars 1993 relative à la création d'un Fonds budgétaire pour la production et la protection des végétaux et des produits végétaux, est complété comme suit :
  " à l'exception des sommes, redevances et rétributions pour les contrôles et prestations relevant des compétences de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire. "
Afdeling 5. - Wijziging aan de wet van 23 maart 1998 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten.
Section 5. - Modification de la loi du 23 mars 1998 relative à la création d'un Fonds budgétaire pour la santé et la qualité des animaux et des produits animaux.
Art.306. In artikel 5 van de wet van 23 maart 1998 betreffende de oprichting van een Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° punt 2° wordt aangevuld als volgt : " met uitzondering van de heffingen voor de controles en prestaties die onder de bevoegdheid vallen van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. ";
  2° punt 6 ° wordt opgeheven.
Art.306. A l'article 5 de la loi du 23 mars 1998 relative à la création d'un Fonds budgétaire pour la santé et la qualité des animaux et des produits animaux, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le point 2°, est complété comme suit : " à l'exception des prélèvements pour les contrôles et prestations relevant des compétences de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire. ";
  2° le point 6 ° est abrogé.
Afdeling 6. - Wijzigingen aan het koninklijk besluit van 22 februari 2001 betreffende de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.
Section 6. - Modifications de l'arrêté royal du 22 février 2001 relatif au financement de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire.
Art.307. In artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 betreffende de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepaling onder a) wordt opgeheven;
  2° in de bepaling onder b) worden op het einde de woorden " evenals de producten die niet tot voedsel dienen " vervangen door de woorden " evenals de retributies verschuldigd voor de controle van het plantaardig reproductiemateriaal of verschuldigd in hoofde van de uitoefening van de erbij betrokken beroepen voor het gedeelte dat geen betrekking heeft op de fytosanitaire activiteiten. ";
  3° de bepaling onder d) wordt aangevuld als volgt " alsook door de heffingen opgelegd door de Koning voor de controles en prestaties van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen uitgevoerd in het kader van deze wet ";
  4° de bepaling onder e) wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " e) door de ontvangsten van de rijkslaboratoria die belast zijn met de ontleding van de grondstoffen, met uitzondering van die met betrekking tot de procedure voor de erkenning van producten. ";
  5° de bepaling onder f) wordt aangevuld als volgt :
  " alsook door de heffingen opgelegd door de Koning voor de controles en prestaties van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen uitgevoerd in het kader van deze wet ".
Art.307. A l'article 1er, 1°, de l'arrêté royal du 22 février 2001 relatif au financement de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le a) est abrogé;
  2° au b) in fine les mots " ainsi qu'aux produits non alimentaires " sont remplacés par les mots " ainsi qu'aux rétributions dues pour le contrôle du matériel végétal de reproduction ou dues du chef de l'exercice des professions s'y rapportant, pour la partie non liée à la politique phytosanitaire. ";
  3° le d) est complété comme suit " ainsi que par les prélèvements imposés par le Roi pour les contrôle et prestations de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire effectués dans le cadre de cette loi ";
  4° le e) est remplacé par la disposition suivante :
  " e) par les recettes des laboratoires de l'Etat chargés de l'analyse des matières premières, à l'exception de celles afférentes à la procédure d'agrément des produits ";
  5° le f) est complété comme suit :
  " ainsi que par les prélèvements imposés par le Roi pour les contrôles et prestations de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire effectués dans le cadre de la présente loi ".
Art.308. Artikel 7 van datzelfde besluit wordt opgeheven.
Art.308. L'article 7 du même arrêté est abrogé.
TITEL IV. - Werkgelegenheid.
TITRE IV. - Emploi.
HOOFDSTUK 1. - Rosetta-plan voor zelfstandigen.
CHAPITRE 1. - Plan Rosetta-indépendants.
Art.310. Artikel 309 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2002.
Art.310. L'article 309 produit ses effets le 1er juillet 2002.
HOOFDSTUK 1/1. [1 - Startlening die wordt toegekend aan de niet-werkende werkzoekende of aan de werknemer die ingeschreven is in een tewerkstellingscel]1
CHAPITRE 1er/1. [1 - Prêt lancement accordé au demandeur d'emploi inoccupé ou au travailleur inscrit auprès d'une cellule pour l'emploi]1
Art. 310/2. [1 Artikel 310/1 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2010.]1
  
Art. 310/2. [1 L'article 310/1 sort ses effets à partir du 1er janvier 2010.]1
  
HOOFDSTUK 2. - Toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 over de collectieve arbeidsovereenkomsten.
CHAPITRE 2. - Champ d'application de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail.
Art.311. In artikel 2, § 3, 1°, van de wet van 5 december 1968 over de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, gewijzigd door de wet van 17 juni 1991 en de koninklijke besluiten van 16 juni 1994 en 7 april 1995, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het woord " en " voor de woorden " het Participatiefonds " wordt geschrapt;
  2° het wordt aangevuld met de woorden " en van de N.V. Nationale Loterij ".
Art.311. A l'article 2, § 3, 1°, de loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, modifié par la loi du 17 juin 1991 et les arrêtés royaux des 16 juin 1994 et 7 avril 1995, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le mot " et " qui précède les termes " le Fond de Participation " est supprimé;
  2° le 1° est complété par les mots " et de la S.A. Loterie Nationale ".
HOOFDSTUK 3. - Sociale Maribel.
CHAPITRE 3. - Maribel social.
Art.312. In artikel 35, § 5, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, ingevoegd bij de wet van 30 december 1988 en laatst gewijzigd bij de programmawet van 2 augustus 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen het derde en het vierde lid wordt het volgende lid ingevoegd :
  " De Koning bepaalt de voorwaarden en nadere regels tot terugvordering, bij de werkgevers die de netto-aangroei van de tewerkstelling niet nakomen, door de sectorale fondsen van de bedragen die met toepassing van het derde lid worden teruggevorderd. ";
  2° in het vijfde lid worden de woorden " na advies van de Nationale Arbeidsraad " ingevoegd tussen de woorden " bij een in Ministerraad overlegd besluit " en " De verdeling wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Ministerraad. ";
  3° tussen het dertiende en het veertiende lid wordt het volgende lid ingevoegd :
  " In afwijking van de bepalingen van het twaalfde lid, wordt de door het Fonds bedoeld in artikel 71, 2°, van voormelde wet van 26 maart 1999 te verrichten storting verminderd ten belope van het bedrag waarmee de dotaties verschuldigd aan dat Fonds worden verminderd met toepassing van artikel 315 van de programmawet van 24 december 2002 ".
Art.312. A l'article 35, § 5, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, inséré par la loi du 30 décembre 1988 et modifié en dernier lieu par la loi-programme du 2 août 2002, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 3 et 4 :
  " Le Roi détermine les conditions et les modalités de récupération, auprès des employeurs qui ne respectent pas l'augmentation nette de l'emploi, par les fonds sectoriels, des montants qui sont récupérés en application de l'alinéa 3. ";
  2° à l'alinéa 5, les mots " après avis du Conseil national du Travail " sont insérés entre les mots " par arrêté délibéré en Conseil des Ministres " et " La répartition est soumise au Conseil des Ministres pour approbation. ";
  3° l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 13 et 14 :
  " En dérogation aux dispositions de l'alinéa 12, le versement à effectuer par le Fonds visé à l'article 71, 2°, de la loi du 26 mars 1999 précitée, est diminue à concurrence du montant de réduction des dotations dues à ce Fonds en application de l'article 315 de la loi-programme du 24 décembre 2002 ".
Art.313. In artikel 71, 3°, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de eerste zin van het derde lid wordt aangevuld als volgt : " na advies van de beheersorganen bedoeld in 1° en 2° ";
  2° tussen het derde en het vierde lid wordt het volgende lid ingevoegd :
  " De Koning bepaalt de voorwaarden en nadere regels tot terugvordering bij de werkgevers die de netto-aangroei van de tewerkstelling niet nakomen, door de fondsen bedoeld in 1° en 2°, van de bedragen die met toepassing van het derde lid worden teruggevorderd. "
Art.313. A l'article 71, 3°, de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses, sont apportées les modifications suivantes :
  1° la première phrase de l'alinéa 3 est complétée comme suit : " après avis des organes de gestion visés aux 1° et 2° ";
  2° l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 3 et 4 :
  " Le Roi détermine les conditions et les modalités de récupération, auprès des employeurs qui ne respectent pas l'augmentation nette de l'emploi, par les fonds visés aux 1° et 2°, des montants qui sont récupérés en application de l'alinéa 3. "
Art.314. In artikel 1, § 7, 2°, van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen het tweede en het derde lid wordt het volgende lid ingevoegd :
  " De Koning bepaalt de voorwaarden en nadere regels tot terugvordering bij de werkgevers die de netto-aangroei van de tewerkstelling die voortvloeit uit de toepassing van artikel 35, § 5, van voormelde wet van 29 juni 1981 niet nakomen, van de bedragen die met toepassing van het tweede lid worden teruggevorderd. ";
  2° de eerste zin van het derde lid wordt aangevuld als volgt :
  " na advies van het beheerscomité van de Dienst. "
Art.314. A l'article 1er, § 7, 2°, de la loi du 1er août 1985 portant des dispositions sociales, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
  " Le Roi détermine les conditions et les modalités de récupération, auprès des employeurs qui ne respectent pas l'augmentation nette de l'emploi, qui découle de l'application de l'article 35, § 5, de la loi du 29 juin 1981 précitée, des montants qui sont récupérés en application de l'alinéa 2. ";
  2° la première phrase de l'alinéa 3 est complétée comme suit :
  " après avis du comité de gestion de l'Office. "
Art.315. De dotaties verschuldigd aan het Fonds bedoeld in artikel 71, 2°, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, gewijzigd bij de wet van 30 december 2001, worden voor het jaar 2003 verminderd met 6.693.126 EUR.
Art.315. Les dotations dues au Fonds visé à l'article 71, 2°, de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses, modifiée par la loi du 30 décembre 2001, sont réduites pour l'année 2003 de 6.693.126 EUR.
HOOFDSTUK 4. - Startbaanovereenkomsten openbare sector.
CHAPITRE 4. - Conventions de premier emploi secteur public.
Art.316. Artikel 7, § 1, derde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, laatst gewijzigd bij de programmawet van 2 augustus 2002, wordt aangevuld als volgt :
  " r) de financiering verzekeren van de startbaanovereenkomsten die deel uitmaken van de globale projecten in de openbare sector bedoeld in artikel 43 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid. "
Art.316. L'article 7, § 1er, alinéa 3, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 2 août 2002, est complété comme suit :
  " r) assurer le financement des conventions de premier emploi qui font partie, dans le secteur public, des projets globaux visés à l'article 43 de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi. "
Art.317. De bepalingen van hoofdstukken 3 en 4 treden in werking op 1 januari 2003.
Art.317. Les dispositions des chapitres 3 et 4 entrent en vigueur le 1er janvier 2003.
HOOFDSTUK 5. - Procedures voor outplacement.
CHAPITRE 5. - Procédures de reclassement professionnel.
Art.318. De artikelen 15 tot 18 van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers, worden ingetrokken.
Art.318. Les articles 15 à 18 de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs, sont rapportés.
Art.319. In de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers, worden de artikelen 15 tot 17 ingevoegd, luidend als volgt :
  " Art. 15. Onder de voorwaarden en volgens de procedure en de nadere regels vastgesteld door de Koning, is de werkgever ertoe gehouden om een bijdrage te betalen ten gunste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, wanneer is vastgesteld dat hij de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 13 en 14 niet heeft nageleefd. Deze bijdrage wordt toegewezen aan het outplacement van de werknemers die niet genoten van de outplacementbegeleiding bepaald bij artikels 13 en 14.
  Het bedrag van deze bijdrage, verhoogd met een bedrag om de administratieve en financiële lasten te dekken, wordt vastgesteld door de Koning.
  Deze bijdrage alsook de verhoging worden gelijkgesteld met een sociale zekerheidsbijdrage, inzonderheid wat de termijnen betreft inzake betaling, de toepassing van de burgerlijke sancties en van de strafbepalingen, het toezicht, de aanwijzing van de rechter bevoegd in geval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering van de instelling, belast met de inning en de invordering van de bijdragen.
  Art. 16. Artikel 15 is enkel van toepassing op de werknemers die werden ontslagen vanaf 15 september 2002.
  Art. 17. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Koning aangewezen ambtenaren toezicht op de naleving van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
  Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie. "
Art.319. Dans la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs, sont insérés les articles 15 à 17, libellés comme suit :
  " Art. 15. Dans les conditions et selon la procédure et les modalités fixées par le Roi, l'employeur est tenu, lorsqu'il est constaté qu'il n'a pas respecté les obligations qui découlent des articles 13 et 14, de payer une contribution en faveur de l'Office national de l'Emploi. Cette contribution est affectée au reclassement professionnel des travailleurs qui n'ont pas bénéficié de la procédure de reclassement professionnel prévue par les articles 13 et 14.
  Le montant de cette contribution, majoré d'un montant pour couvrir les charges administratives et financières, est fixé par le Roi.
  Cette contribution ainsi que la majoration sont assimilées à une cotisation de sécurité sociale, notamment en ce qui concerne les délais de paiement, l'application des sanctions civiles et des dispositions pénales, la surveillance, la désignation du juge compétent en cas de litige, la prescription en matière de procédure judiciaire, le privilège et la communication du montant de la déclaration de la créance des institutions chargées de la perception et du recouvrement des cotisations.
  Art. 16. L'article 15 n'est applicable qu'aux travailleurs qui ont été licenciés à partir du 15 septembre 2002
  Art. 17. Sans préjudice des attributions des officiers de police judiciaire, les fonctionnaires désignés par le Roi surveillent le respect du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution.
  Ces fonctionnaires exercent leur surveillance conformément aux dispositions de la loi du 16 novembre 1972 concernant l'inspection du travail. "
Art.320. Artikel 7, § 1, derde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, laatst gewijzigd bij programmawet van 2 augustus 2002, wordt aangevuld als volgt :
  " s) de betaling verzekeren, volgens de nadere regels en ten belope van het bedrag vastgesteld door de Koning, van de kostprijs van de outplacementbegeleidingen georganiseerd via de tussenkomst van instellingen ingesteld of erkend door de gewestelijke instellingen ingesteld door de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en door de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, en die bevoegd zijn voor deze materie, voor de werknemers die niet genoten van de outplacementbegeleiding bepaald bij artikels 13 en 14 van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers. "
Art.320. L'article 7, § 1er, alinéa 3, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 2 août 2002, est complété comme suit :
  " s) assurer le paiement, selon les modalités et à concurrence du montant fixé par le Roi, du coût des procédures de reclassement professionnel organisées par l'intermédiaire des organismes créés ou reconnus par des institutions régionales instituées par la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles et par la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux Institutions bruxelloises, et compétentes pour cette matière pour les travailleurs qui n'ont pas pu bénéficier de la procédure de reclassement professionnel prévue par les articles 13 et 14 de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs. "
Art.321. Bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening wordt van de reserves, opgebouwd bij het stelsel van de Plaatselijke Werkgelegenheidsagentschappen, in 2003 een bedrag van 270.000 euro aangewend als startkapitaal ter financiering van de outplacementbegeleiding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, s) , van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
Art.321. Auprès de l'Office national de l'Emploi, un montant de 270.000 euros est affecte en 2003 comme capital de départ pour le financement de la procédure de reclassement professionnel visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, s) , de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, en provenance des réserves constituées dans le système des agences locales pour l'emploi.
Art.322. De artikelen 318 en 319 hebben uitwerking met ingang van 15 september 2001.
  De artikelen 320 en 321 treden in werking op 1 januari 2003.
Art.322. Les articles 318 et 319 produisent leurs effets le 15 septembre 2001.
  Les articles 320 et 321 entrent en vigueur le 1er janvier 2003.
HOOFDSTUK 6. - Fonds ter bevordering van de kwaliteit van de arbeidsomstandigheden.
CHAPITRE 6. - Fonds pour la promotion de la qualité des conditions de travail.
Art.323. Artikel 30 van de wet van 5 september 2001 tot verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers, wordt aangevuld als volgt :
  " met uitzondering van de vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen ".
Art.323. L'article 30 de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs, est complété comme suit :
  " à l'exception de la réduction des cotisations de sécurité sociale ".
HOOFDSTUK 7. - Harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van sociale zekerheidsbijdragen.
CHAPITRE 7. - Harmonisation et simplification des régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale.
Afdeling 1. - Algemene bepalingen.
Section 1re. - Dispositions générales.
Art.324. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° wet van 29 juni 1981 : de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;
  2° wet van 24 december 1999 : de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid;
  3° vermindering van bijdragen : een vermindering van de werkgeversbijdragen verschuldigd voor een werknemer, waarvan een werkgever kan genieten zoals bepaald in dit hoofdstuk;
  4° structurele vermindering : de bijdragevermindering zoals bedoeld in afdeling 2 van dit hoofdstuk;
  5° doelgroepvermindering : de vermindering van de bijdragen als bedoeld in afdeling 3 van dit hoofdstuk;
  [1 6° sociale maribel : de vermindering bedoeld in artikel 35, § 5, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.]1
  
Art.324. Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
  1° loi du 29 juin 1981 : la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés;
  2° loi du 24 décembre 1999 : la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi;
  3° réduction des cotisations : une réduction des cotisations patronales dues pour un travailleur dont un employeur peut bénéficier en vertu du présent chapitre
  4° réduction structurelle : la réduction des cotisations visée à la section 2 du présent chapitre;
  5° réduction groupe-cible : la réduction des cotisations visée à la section 3 du présent chapitre;
  [1 6° le maribel social : la réduction visée à l'article 35, § 5, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.]1
  
Art. 324_VLAAMS_GEWEST.    Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° wet van 29 juni 1981 : de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;
  2° wet van 24 december 1999 : de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid;
  3° vermindering van bijdragen : een vermindering van de werkgeversbijdragen verschuldigd voor een werknemer, waarvan een werkgever kan genieten zoals bepaald in dit hoofdstuk;
  4° structurele vermindering : de bijdragevermindering zoals bedoeld in afdeling 2 van dit hoofdstuk;
  5° doelgroepvermindering : de vermindering van de bijdragen als bedoeld in afdeling 3 van dit hoofdstuk;
  [1 6° sociale maribel : de vermindering bedoeld in artikel 35, § 5, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers;]1
  [2 7° algemene verordening gegevensbescherming: verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG;
   8° VDAB: de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, opgericht bij het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding.]2
Art. 324 _REGION_FLAMANDE.
   Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
  1° loi du 29 juin 1981 : la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés;
  2° loi du 24 décembre 1999 : la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi;
  3° réduction des cotisations : une réduction des cotisations patronales dues pour un travailleur dont un employeur peut bénéficier en vertu du présent chapitre
  4° réduction structurelle : la réduction des cotisations visée à la section 2 du présent chapitre;
  5° réduction groupe-cible : la réduction des cotisations visée à la section 3 du présent chapitre;
  [1 6° le maribel social : la réduction visée à l'article 35, § 5, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés;]1
  [2 7° règlement général sur la protection des données : le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE ;
   8° VDAB : l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle, créé par le décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " (Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle).]2
Art.325. De werkgever kan per tewerkstelling van een werknemer genieten van zowel de structurele vermindering als een doelgroepvermindering. Voldoet een werknemer aan de voorwaarden voor meer dan één doelgroepvermindering, toch kan de werkgever slechts één enkele doelgroepvermindering genieten per tewerkstelling van deze werknemer.
  De structurele vermindering en de doelgroepverminderingen zijn voor één welbepaalde tewerkstelling niet cumuleerbaar met een andere vermindering der werkgeversbijdragen, met uitzondering van [1 de sociale maribel]1.
  
Art.325. L'employeur peut, en raison de l'occupation d'un travailleur, bénéficier tant de la réduction structurelle que d'une réduction groupe-cible par occupation. Lorsqu'un travailleur satisfait aux conditions pour bénéficier de plus d'une réduction groupe-cible, l'employeur ne peut toutefois bénéficier que d'une seule réduction groupe-cible par occupation de ce travailleur.
  La réduction structurelle et les réductions groupes-cibles ne sont pas cumulables pour une occupation déterminée avec une autre réduction de cotisations patronales, à l'exception de [1 le maribel social]1.
  
Art.326. Het totale verminderingsbedrag aan structurele vermindering en doelgroepvermindering kan in geen geval de verschuldigde bijdragen bedoeld in artikel 38, § 3, [2 1° of 2° of 3°]2, en § 3bis, van de wet van 29 juni 1981, per tewerkstelling van de betrokken werknemer overschrijden. Geen rekening wordt gehouden met de loonmatigingsbijdrage bedoeld in artikel 38, § 3bis, eerste lid, van dezelfde wet, die niet werd berekend op de werkgeversbijdragen bedoeld (in voornoemd artikel 38, § 3, [2 1° of 2° of 3°, en 8°]2 en § 3bis, eerste en tweede lid) van dezelfde wet. <W 2003-12-22/42, art. 47, 006 ; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  (Bij het bepalen van de verschuldigde bijdragen die per tewerkstelling van de betrokken werknemer niet mogen overschreden worden, wordt geen rekening gehouden met het enkel vertrekvakantiegeld zoals bedoeld in artikel 23bis, § 1,3° van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.) <W 2006-12-27/30, art. 184, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2007, voor wat het vertrekvakantiegeld uitbetaald na 31 december 2006 betreft, zie W 2006-12-27/30, art. 187> [4 , noch met het deel van het basisloon dat het door de Koning bepaalde grensbedrag per kwartaal overschrijdt, zoals bepaald in artikel 38, § 1, tweede lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.]4
  [4 In geval de overschrijding een gevolg is van meerdere tewerkstellingen, zoals bepaald in artikel 2, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het hoofdstuk 7 van titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, bij eenzelfde werkgever, worden de verschuldigde bijdragen die per tewerkstelling niet mogen overschreden worden evenredig verdeeld over de tewerkstellingen volgens de verhouding van het basisloon van de tewerkstelling in het kwartaal en het totale basisloon van al de tewerkstellingen van de werknemer samen over het kwartaal.]4
  In het geval van een overschrijding wordt het bedrag van de bijdrageverminderingen beperkt tot de vermelde verschuldigde werkgeversbijdragen, eerst op de doelgroepvermindering, daarna op de structurele vermindering. Indien de werkgever van geen enkele doelgroepvermindering geniet, wordt de structurele vermindering beperkt tot de hierboven vermelde verschuldigde werkgeversbijdragen.
  In geval van cumulatie met [1 de sociale maribel]1 worden de hierboven vermelde verschuldigde bijdragen verminderd met het bedrag aan vermindering der werkgeversbijdragen in het kader van voormeld artikel 35, § 5, die voor de betrokken werknemer wordt toegepast. (In geval van meerdere tewerkstellingen bij eenzelfde werkgever worden de verschuldigde bijdragen per tewerkstelling evenredig verminderd met het bedrag van de vermindering zoals bepaald in het bedoelde artikel 35 volgens de verhouding van de arbeidsprestaties van de tewerkstelling in het kwartaal en de totale arbeidsprestaties van al de tewerkstellingen van de werknemer samen over het kwartaal). <W 2003-12-22/42, art. 47, 006 ; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  (In afwijking van het vorig lid, wordt bij de toepassing van dit artikel bij een werknemer [3 van een beschutte werkplaats of van een maatwerkbedrijf]3 in geen enkel geval rekening gehouden met de vermindering der werkgeversbijdragen bedoeld in voormeld artikel 35, § 5.) <W 2004-07-09/30, art. 283, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  
Art.326. Le montant total de la réduction correspondant à l'addition de la réduction structurelle et de la réduction groupe-cible ne peut en aucun cas dépasser le montant des cotisations dues visées à l'article 38, § 3, [2 1° ou 2° ou 3°]2, et § 3bis , de la loi du 29 juin 1981, pour le travailleur concerné. Il n'est pas tenu compte de la cotisation de modération salariale visée à l'article 38, § 3bis , alinéa 1er, de la même loi, qui n'aurait pas été calculée sur la base des cotisations patronales visées (à l'article 38 précité, § 3, [2 1° ou 2° ou 3°, et 8°]2, et § 3bis, alinéas 1er et 2), de cette même loi. <L 2003-12-22/42, art. 47, 006 ; En vigueur : 01-01-2004>
  (Pour déterminer les cotisations dues qui ne peuvent, par occupation du travailleur concerné, être dépassées, il n'est pas tenu compte du simple pécule de sortie visé à l'article 23bis, § 1er, 3° de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés) <L 2006-12-27/30, art. 184, 024; En vigueur : 01-01-2007, en ce qui concerne le pécule de sortie payé après le 31 décembre 2006, voir L 2006-12-27/30, art. 187> [4 , ni de la partie du salaire de base qui dépasse le montant limite trimestriel déterminé par le Roi, comme prévu à l'article 38, § 1, alinéa 2, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.]4
  [4 Si le dépassement se produit suite à plusieurs occupations, comme prévu à l'article 2, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté royal du 16 mai 2003 pris en exécution du chapitre 7 du titre IV de la loi-programme du 24 décembre 2002 (I), visant à harmoniser et à simplifier les régimes de réductions de cotisations de sécurité sociale, chez un même employeur, alors le montant limite est réparti proportionnellement entre les occupations selon la proportion du salaire de base de l'occupation dans le trimestre et le salaire de base global de l'ensemble de toutes les occupations du travailleur dans le trimestre.]4
  En cas de dépassement, le montant de la réduction des cotisations est limité aux cotisations patronales dues précitées, d'abord sur la réduction groupe-cible puis sur la réduction structurelle. Lorsque l'employeur ne bénéficie d'aucune réduction groupe-cible, c'est la réduction structurelle qui est limitée au montant précité des cotisations patronales dues.
  En cas de cumul avec [1 le maribel social]1, les cotisations dues précitées sont diminuées du montant de la réduction de cotisations patronales prévue à l'article 35, § 5, précité qui a été appliquée au travailleur concerné. (En cas d'occupations multiples auprès d'un même employeur, les cotisations dues par occupation sont réduites proportionnellement du montant de la réduction comme déterminée à l'article 35 visé selon le rapport entre les prestations de travail de l'occupation au cours du trimestre et les prestations de travail totales de toutes les occupations du travailleur pendant le trimestre.) <L 2003-12-22/42, art. 47, 006 ; En vigueur : 01-01-2004>
  (Par dérogation à l'alinéa précédent, pour l'application du présent article à un travailleur [3 d'un atelier protégé ou d'une entreprise de travail adapté]3, il n'est en aucun cas tenu compte de la diminution des cotisations patronales visées à l'article 35, § 5, précité.) <L 2004-07-09/30, art. 283, 014; En vigueur : 01-07-2004>
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  DROIT FUTUR
Art. 327. [1 De werkgever die in het kader van het collectief ontslag overgaat tot het ontslag van werknemers zonder dat voldaan is aan de voorwaarden van hoofdstuk 4 van Titel 9 van de wet houdende diverse bepalingen (I) van 29 maart 2012, verliest het recht op de bijdrageverminderingen bedoeld in afdelingen 2 en 3 van dit hoofdstuk die hij heeft genoten in het kwartaal van de kennisgeving van het voornemen om over te gaan tot een collectief ontslag bedoeld in artikel 7 van het vermeld koninklijk besluit van 24 mei 1976 betreffende het collectief ontslag en in de daaraan voorafgaande zeven kwartalen voor de werknemers die werden ontslagen in het kader van het collectief ontslag en die op het ogenblik van die kennisgeving minstens de leeftijd van 50 jaar bereikt hadden.]1
  
Art. 327. [1 L'employeur qui, dans le cadre d'un licenciement collectif, procède au licenciement de travailleurs sans avoir satisfait aux conditions du chapitre 4 du Titre 9 de la loi portant dispositions diverses (I) du 29 mars 2012, perd le droit aux réductions de cotisations visées aux sections 2 et 3 du présent chapitre dont il a bénéficié pour le trimestre de la notification du projet de procéder à un licenciement collectif visée à l'article 7 de l'arrêté royal précité du 24 mai 1976 sur les licenciements collectifs et pour les sept trimestres précédents, pour les travailleurs licenciés dans le cadre du licenciement collectif, qui au moment de cette notification, avaient atteint l'âge de 50 ans au moins.]1
  
Art.328. De werkgever geeft afzonderlijk op zijn trimestriële aangifte, per werknemer en per tewerkstelling, de doelgroepvermindering aan waarop hij aanspraak kan maken, alsook de structurele vermindering, indien deze werd toegepast, en de codes met betrekking tot deze verminderingen. De werkgever moet de stukken tot staving van het recht op de doelgroepvermindering bijhouden en moet ze op vraag van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan deze dienst kunnen bezorgen gedurende de verjaringstermijn, als bedoeld in artikel 42 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
  De werkgever duidt op zijn trimestriële aangifte de werknemers aan die zijn aangeworven met een startbaanovereenkomst bedoeld in artikel 27 van de wet van 24 december 1999.
Art.328. L'employeur indique séparément sur sa déclaration trimestrielle, par travailleur et par occupation, la réduction groupe-cible à laquelle il a droit, ainsi que la réduction structurelle lorsqu'elle a été appliquée et les codes relatifs auxdites réductions. L'employeur doit conserver les pièces justifiant le droit à la réduction groupe-cible et doit pouvoir les envoyer à l'Office national de Sécurité sociale à sa demande durant le délai de prescription visé à l'article 42 de la loi du 27 juin 1969 révisant arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
  L'employeur indique sur sa déclaration trimestrielle les travailleurs qui ont été engagés dans le cadre d'une convention de premier emploi visée à l'article 27 de la loi du 24 décembre 1999.
Afdeling 2. - Structurele vermindering.
Section 2. - Réduction structurelle.
Art.329. De werkgevers die werknemers tewerkstellen die onderworpen zijn aan het geheel der regelingen als bedoeld in artikel 21, § 1, van de wet van 29 juni 1981, kunnen per kwartaal voor elk van deze werknemers een structurele vermindering genieten die overeenstemt met de principes zoals uiteengezet in hetgeen volgt.
Art.329. Les employeurs occupant des travailleurs qui sont assujettis à l'ensemble des régimes visés à l'article 21, § 1er, de la loi du 29 juin 1981, peuvent bénéficier trimestriellement, pour chacun desdits travailleurs, d'une réduction structurelle correspondant aux principes développés ci-après.
Art.330. De structurele vermindering heeft betrekking op drie categorieën van tewerkstellingen van werknemers :
  [2 Categorie 1 : de tewerkstellingen in de hoedanigheid van werknemer onderworpen aan het geheel der regelingen als bedoeld in artikel 21, § 1, van de wet van 29 juni 1981 en die niet in een andere categorie wordt bedoeld en de tewerkstellingen als werknemer in dienst genomen met een arbeidsovereenkomst bij de Koninklijke Muntschouwburg of bij het Paleis voor Schone Kunsten; instellingen van openbaar nut aangehaald in Categorie B van artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut. Voor deze categorie wordt de bijdrage bedoeld in artikel 38, § 3, eerste lid, 1°, beperkt tot 22,65 % vanaf 1 april 2016 en de bijdrage bedoeld in artikel 38, § 3, eerste lid, 2°, beperkt tot 22,65 % vanaf 1 april 2016.]2 [3 Voor deze categorie wordt de bijdrage bedoeld in artikel 38, § 3, eerste lid, 1°, beperkt tot 19,88 % vanaf 1 januari 2018 en de bijdrage bedoeld in artikel 38, § 3, eerste lid, 2°, beperkt tot 19,88 % vanaf 1 januari 2018.]3
  Categorie 2 : de tewerkstellingen in de hoedanigheid van werknemer bij een werkgever van de non-profit sector, als bedoeld in artikel 1, van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, met uitzondering van werknemers die worden tewerkgesteld door werkgevers (van de beschutte werkplaatsen) behorende tot het paritair comité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp en [6 door de werkgevers van de beschutte werkplaatsen en de maatwerkbedrijven behorende tot het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de maatwerkbedrijven]6. <W 2003-12-22/42, art. 48, 006 ; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  Categorie 3 : [4 de tewerkstellingen in de hoedanigheid van werknemer [6 bij een werkgever van de beschutte werkplaatsen en de maatwerkbedrijven behorende tot het paritair comité voor de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de maatwerkbedrijven]6. Binnen deze categorie kan de Koning verschillende berekeningsregels voorzien voor de berekening van de vermindering naargelang voor de werknemer de loonmatigingsbijdrage al dan niet verschuldigd is. Voor deze categorie is de bijdrage voorzien in artikel 38, § 3, eerste lid, 1°, van de wet van 29 juni 1981, beperkt tot 22,65 % met ingang van 1 april 2016.]4 [5 Voor deze categorie is de bijdrage bedoeld in artikel 38, § 3, eerste lid, 1°, van de wet van 29 juni 1981, beperkt tot 19,88 % met ingang van 1 januari 2018.]5
  [1 De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het toepassingsgebied van de categorie 3 uitbreiden met andere werkgevers die door de overheid erkend en gesubsidieerd zijn en die een sociale doelstelling hebben.]1
  
Art.330. La réduction structurelle porte sur trois catégories d'occupations de travailleurs :
  [2 Catégorie 1 : les occupations en qualité de travailleur assujetti à l'ensemble des régimes visés à l'article 21, § 1er, de la loi du 29 juin 1981 et qui n'est pas visé dans une autre catégorie ainsi que les occupations en qualité de travailleur lié par un contrat de travail avec le Théatre royal de la Monnaie ou le Palais des Beaux-Arts, organismes d'intérêt public visés à la catégorie B de l'article 1er de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public. Pour cette catégorie la cotisation visée à l'article 38, § 3, alinéa 1er, 1°, est plafonnée à 22,65 % à partir du 1er avril 2016 et la cotisation visée à l'article 38, § 3, alinéa 1er, 2°, est plafonnée à 22,65 % à partir du 1er avril 2016.]2 [3 Pour cette catégorie la cotisation visée à l'article 38, § 3, alinéa 1er, 1°, est plafonnée à 19,88 % à partir du 1er janvier 2018 et la cotisation visée à l'article 38, § 3, alinéa 1er, 2°, est plafonnée à 19,88 % à partir du 1er janvier 2018.]3
  Catégorie 2 : les occupations en qualité de travailleur auprès d'un employeur du secteur non marchand, tel que visé à l'article 1er, de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand, à l'exception des travailleurs occupés par des employeurs relevant de la commission paritaire pour les services des aides familiales et des aides seniors et [6 par les employeurs des ateliers protégés et des entreprises de travail adapté relevant de la commission paritaire pour les entreprises de travail adapté, les ateliers sociaux et les "maatwerkbedrijven"]6.
  Catégorie 3 : [4 les occupations en qualité de travailleur [6 auprès d'un employeur des ateliers protégés et des entreprises de travail adapté relevant de la commission paritaire pour les entreprises de travail adapté, les ateliers sociaux et les "maatwerkbedrijven"]6. Au sein de cette catégorie le Roi peut prévoir des règles de calcul distinctes pour le calcul de la réduction suivant que la cotisation de modération salariale est oui ou non redevalble pour le travailleur. Pour cette catégorie la cotisation visée à l'article 38, § 3, alinéa 1er, 1°, de la loi du 29 juin 1981, est plafonnée à 22,65 % à partir du 1er avril 2016]4 [5 Pour cette catégorie la cotisation visée à l'article 38, § 3, alinéa 1er, 1°, de la loi du 29 juin 1981, est plafonnée à 19,88 % à partir du 1er janvier 2018.]5
  [1 Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, étendre le champ d'application de la catégorie 3 à d'autres employeurs agréés et subsidiés par les pouvoirs publics et présentant un but social.]1
  
Art.331. Voor de werknemers voor wie het geheel van de tewerkstellingen bij één en dezelfde werkgever gedurende het kwartaal overeenstemt met volledige kwartaalprestaties, is de structurele vermindering gelijk aan een forfaitair bedrag F per kwartaal. Bij een refertekwartaalloon lager dan een bepaalde loongrens S0 wordt aan F een complement toegevoegd dat lineair met het verschil tussen de loongrens en het refertekwartaalloon stijgt volgens een hellingscoëfficiënt a. ([10 Voor categorie 2 wordt bij een kwartaalloon hoger dan een bepaalde loongrens S1]10 aan F een complement toegevoegd dat lineair met het verschil tussen het kwartaalloon en de loongrens stijgt volgens een hellingscoëfficiënt d). [11 Bij een refertekwartaalloon lager dan een bepaalde loongrens S2 wordt aan F een complement toegevoegd dat lineair met het verschil tussen deze loongrens en het refertekwartaalloon stijgt volgens een hellingscoëfficiënt {gamma}.]11 <W 2003-12-22/42, art. ,20 006 ; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  [3 F bedraagt 452,50 EUR voor een werknemer van categorie 1, met ingang van 1 april 2013. F bedraagt [5 462,60]5 EUR voor een werknemer van categorie 1, met ingang van 1 januari 2014.]3 [6 [7 ...]7. [8 ...]8 [8 ...]8 ]6 [8 Van 1 april 2016 tot en met 31 december 2017 bedraagt F 438,00 EUR voor een werknemer van categorie 1.]8 [10 Met ingang van 1 januari 2018 bedraagt F 0,00 EUR voor een werknemer van categorie 1.]10
  F bedraagt 0,00 EUR voor een werknemer van categorie 2.
  F bedraagt 471,00 EUR voor een werknemer van categorie 3. [9 In de periode van 1 april 2016 tot 31 december 2017 bedraagt F 438,00 EUR voor een werknemer waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is, behorend tot categorie 3 en 420,00 EUR voor een werknemer waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is, behorend tot categorie 3.]9 [10 Met ingang van 1 januari 2018 is F gelijk aan 0,00 EUR voor een werknemer waarvoor de loonmatigingsbijdrage verschuldigd is, die behoort tot categorie 3. Van 1 januari 2018 tot 31 december 2018 bedraagt F 260,00 EUR voor een werknemer waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is, behorende tot categorie 3. Met ingang van 1 januari 2019 bedraagt F 375,00 EUR voor een werknemer waarvoor de loonmatigingsbijdrage niet verschuldigd is, behorende tot categorie 3.]10
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder tewerkstelling, onder volledige kwartaalprestaties, onder refertekwartaalloon, onder coëfficiënt a, waarbij deze coëfficiënt kan verschillen volgens de tewerkstellingscategorie, en (onder loongrens S0). De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het forfaitaire bedrag F verhogen (De Koning bepaalt eveneens, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder kwartaalloon, onder loongrens S1 en onder coëfficient d). [11 De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder hellingscoëfficiënt {gamma}, waarbij deze coëfficiënt kan verschillen volgens de tewerkstellingscategorie en onder loongrens S2, waarbij deze loongrens kan verschillen volgens de tewerkstellingscategorie.]11 <W 2003-12-22/42, art. 20, 006 ; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, [2 de loongrenzen S0 en S1]2 afzonderlijk aanpassen voor categorie [1 1, 2 en]1 3 rekening houdend met de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen gedurende het voorafgaande jaar. [2 De Koning kan, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Nationale Arbeidsraad, de wijze bepalen waarop de loongrens S0 [4 ...]4 en de loongrens S1 automatisch worden aangepast aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen.]2 [11 De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de wijze waarop de loongrens S2 automatisch wordt aangepast aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen.]11
  [6 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder verhoging van de loongrenzen : de verhoging van de loongrenzen bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering, ten gevolge van de koppeling aan de index zoals bedoeld in artikel 2, § 2, derde lid, van voornoemde wet, met ingang van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin deze loongrenzen verhoogd worden of, indien deze verhoging samenvalt met het begin van een kwartaal, met ingang van dat kwartaal.
  [7 ...]7.
   [8 ...]8
   [8 ...]8
   [8 ...]8 ]6

  
Art.331. Pour les travailleurs pour qui la somme des occupations chez un même employeur au cours du trimestre correspond à des prestations trimestrielles complètes, la réduction structurelle est égale à un montant forfaitaire F par trimestre. Pour un salaire trimestriel de référence inférieur à un plafond salarial déterminé S0, un complément est ajouté à F qui évolue de manière linéaire en fonction de la différence entre le plafond salarial et le salaire trimestriel de référence et dont la pente est déterminée par le coefficient a. ([10 Pour la catégorie 2 pour un salaire trimestriel supérieur à un plafond salarial déterminé S1]10, un complément est ajouté à F qui évolue de manière linéaire en fonction de la différence entre le salaire trimestriel et le plafond salarial et dont la pente est déterminée par le coefficient d.). [11 Pour un salaire trimestriel de référence inférieur à un plafond salarial déterminé S2, un complément est ajouté à F qui évolue de manière linéaire en fonction de la différence entre le plafond salarial et le salaire trimestriel de référence et dont la pente est déterminée par le coefficient {gamma}.]11 <L 2003-12-22/42, art. 20, 006 ; En vigueur : 01-01-2004>
  [3 F s'élève à 452,50 EUR pour un travailleur relevant de la catégorie 1, à partir du 1er avril 2013. F s'élève à [5 462,60]5 EUR pour un travailleur relevant de la catégorie 1, à partir du 1er janvier 2014.]3 [6 [7 ...]7. [8 ...]8 [8 ...]8 ]6 [8 Du 1er avril 2016 au 31 décembre 2017, F s'élève à 438,00 EUR pour un travailleur relevant de la catégorie 1.]8 [10 A partir du 1er janvier 2018, le montant F s'élève à 0,00 EUR pour un travailleur de la catégorie 1.]10
  F s'élève à 0,00 EUR pour un travailleur relevant de la catégorie 2.
  F élève à 471,00 EUR pour un travailleur relevant de la catégorie 3. [9 Du 1er avril 2016 au 31 décembre 2017, F s'élève à 438,00 EUR pour un travailleur relevant de la catégorie 3 pour lequel l'employeur est redevable de la cotisation modération salariale et à 420,00 EUR pour un travailleur relevant de la catégorie 3 pour lequel l'employeur n'est pas redevable de la cotisation de modération salariale.]9 [10 A partir du 1er janvier 2018, F est égal à 0,00 EUR pour un travailleur pour lequel la cotisation de modération salariale est due relevant de la catégorie 3. Du 1er janvier 2018 au 31 décembre 2018, F s'élève à 260,00 EUR pour un travailleur pour lequel la cotisation de modération salariale n'est pas due relevant de la catégorie 3. A partir du 1er janvier 2019, F s'élève à 375,00 EUR pour un travailleur pour lequel la cotisation de modération salariale n'est pas due, relevant de la catégorie 3.]10
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, ce que l'on entend par occupation, par prestations trimestrielles complètes, par salaire trimestriel de référence, et par coefficient a, ce coefficient pouvant être différent selon la catégorie d'occupation, et par plafond salarial S0. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, majorer le montant forfaitaire F. (Le Roi détermine également, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, ce qu'il faut entendre par salaire trimestriel, par plafond salarial S1 et par coefficient d.) [11 Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, ce que l'on entend par coefficient {gamma}, ce coefficient pouvant être différent selon la catégorie d'occupation, et par plafond salarial S2, ce plafond pouvant être différent selon la catégorie d'occupation.]11 <L 2003-12-22/42, art. 20, 006 ; En vigueur : 01-01-2004>
  Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, adapter [2 les plafonds salariaux S0 et S1]2 pour [1 les catégories 1, 2 et 3 séparément]1, tenant compte de l'évolution de l'indice des prix à la consommation durant l'année qui précède. [2 Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis du Conseil national du travail, déterminer les mécanismes par lesquels le plafond salarial S0 [4 ...]4 et le plafond salarial S1 sont automatiquement adaptés à l'évolution de l'indice des prix à la consommation.]2 [11 Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les mécanismes par lesquels le plafond salarial S2 est automatiquement adapté à l'évolution de l'indice des prix à la consommation.]11
  [6 Pour l'application du présent article, il faut entendre par majoration des plafonds salariaux : la majoration des plafonds salariaux visés à l'article 2 de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi sous la forme d'une réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et à certains travailleurs qui ont été victimes d'une restructuration, suite à la liaison à l'indice de prix visée à l'article 2, § 2, alinéa 3, de la loi précitée, à partir du trimestre suivant le trimestre au cours duquel ces plafonds salariaux sont majorés ou, si cette majoration coïncide avec le début d'un trimestre, à partir de ce trimestre.
  [7 ...]7.
   [8 ...]8
   [8 ...]8
   [8 ...]8 ]6

  
Art.332. Voor de werknemers die onvolledige kwartaalprestaties verrichten, wordt de structurele vermindering proportioneel toegekend, voor zover er een minimumdrempel met betrekking tot de globale prestaties van de verschilnde tewerkstellingen van dezelfde werknemer bij dezelfde werkgever wordt bereikt. Voor de werknemers die onvolledige kwartaalprestaties verrichten, is het mogelijk om, volgens een vaste multiplicatiefactor en afhankelijk van de geleverde arbeidsprestaties, af te wijken van een strikt proportionele vermindering van de bijdragen, zonder dat echter het bedrag van de bijdragevermindering in het geval van volledige kwartaalprestaties mag worden overschreden.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat wordt verstaan onder werknemer met onvolledige kwartaalprestaties, ondergrens inzake de globale arbeidsprestaties van de verschillende tewerkstellingen en wat de waarde is van de vaste multiplicatiefactor. (De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, deze ondergrens afhankelijk maken van de contractuele arbeidsduur van de werknemer gedurende de tewerkstelling). <W 2003-12-22/42, art. 22, 006 ; Inwerkingtreding : 01-04-2004>
  (De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, met betrekking tot de werkgevers van de sectoren die gelegenheidswerknemers kunnen tewerkstellen in de zin van de uitvoeringsbesluiten van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die onderworpen zijn aan het geheel der regelingen als bedoeld in artikel 21, § 1, van de wet van 29 juni 1981, voorzien dat een minimumdrempel met betrekking tot de globale prestaties van de verschillende tewerkstellingen van dezelfde werknemer bij dezelfde werkgever niet moet worden bereikt.) <W 2007-04-27/35, art. 47, 026; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
  [1 De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, met betrekking tot de werkgevers van werknemers bedoeld in artikel 353bis/9, 353bis/10, 353bis/13 en 353bis/14 van deze wet, bepalen dat een minimumdrempel met betrekking tot de globale prestaties van de verschillende tewerkstellingen van dezelfde werknemer bij dezelfde werkgever niet moet worden bereikt.]1
  
Art.332. Pour les travailleurs effectuant des prestations trimestrielles incomplètes, la réduction structurelle est accordée proportionnellement, pour autant qu'un seuil minimum en matière de prestations globales des différentes occupations d'un même travailleur chez un même employeur soit atteint. Pour les travailleurs effectuant des prestations trimestrielles incomplètes, il est possible, suivant un facteur de multiplication fixe, de déroger à une réduction de cotisations strictement proportionnelle en fonction des prestations de travail fournies, sans pour autant pouvoir dépasser la réduction de cotisations en cas de prestations trimestrielles complètes.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, ce que l'on entend par travailleurs effectuant des prestations trimestrielles incomplètes, par seuil minimum en matière de prestation globale des différentes occupations et par valeur du facteur de multiplication fixe. (Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, lier ce seuil minimum à la durée de travail contractuelle du travailleur pendant l'occupation.) <L 2003-12-22/42, art. 22, 006 ; En vigueur : 01-04-2004>
  (Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, prévoir, en ce qui concerne les employeurs des secteurs pouvant occuper des travailleurs occasionnels au sens des arrêtés pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, qui sont soumis à l'ensemble des régimes vises à l'article 21, § 1er, de la loi du 29 juin 1981, qu'un seuil minimum en matière de prestations globales des différentes occupations d'un même travailleur chez un même employeur ne doit pas être atteint.) <L 2007-04-27/35, art. 47, 026; En vigueur : 01-04-2007>
  [1 Le Roi peut, par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, prévoir, en ce qui concerne les employeurs des travailleurs visés à l'article 353bis/9, 353bis/10, 353bis/13 et 353bis/14 de cette loi, qu'un seuil minimum en matière de prestations globales des différentes occupations d'un même travailleur chez un même employeur ne doit pas être atteint.]1
  
Art.333. Elk jaar, vóór 30 september, evalueren de sociale gesprekspartners in de Centrale raad voor het bedrijfsleven en de Nationale Arbeidsraad de globale evolutie van de lonen, de vormings- en de tewerkstellingsinspanningen. Indien die globale evaluatie niet positief is, kan het bedrag F verminderd worden voor die sectoren of ondernemingen waarvan de inspanningen inzake vorming en werkgelegenheid als onvoldoende worden beoordeeld. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, dit verminderd bedrag F vast, alsook de criteria en de nadere regels voor het vaststellen van de onvoldoende inspanning inzake vorming en werkgelegenheid.
Art.333. Chaque année, avant le 30 septembre, les interlocuteurs sociaux évaluent, au sein du Conseil central de l'économie et du Conseil national du Travail, l'évolution globale des salaires ainsi que les efforts en matière de formation et d'emploi. Si l'évaluation globale n'est pas positive, le montant F peut être réduit pour les secteurs ou entreprises dont les efforts en matière de formation et d'emploi sont jugés insuffisants. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, ce montant F réduit, ainsi que les critères et les modalités pour la constatation de l'effort insuffisant en matière de formation et d'emploi.
Art.334. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bij de bepaling van het bedrag F en het verminderde bedrag F als bedoeld in artikel 333, rekening houden met de toepassingsmodaliteiten zoals voorgesteld in het interprofessioneel akkoord dat om de twee jaar tussen de sociale gesprekspartners kan worden gesloten. Daartoe, kan Hij, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor de geldigheidsduur van dat interprofessioneel akkoord, afwijken van de bepalingen van de artikels 329 tot 333.
Art.334. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, tenir compte, lors de la fixation du montant F et du montant F réduit visés à l'article 333, des modalités d'application proposées dans l'accord interprofessionnel qui peut être conclu tous les deux ans entre les interlocuteurs sociaux. A cette fin, Il peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pour la durée de validité de cet accord interprofessionnel, déroger aux dispositions des articles 329 à 333.
Afdeling 3. - Doelgroepverminderingen.
Section 3. - Réductions groupes-cibles.
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen.
Sous-section 1. - Dispositions générales.
Art.335. De werkgevers die werknemers tewerkstellen die onderworpen zijn aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, kunnen voor elk van de bedoelde werknemers van een trimestriële doelgroepvermindering genieten zodra ze aan de voorwaarden van onderhavige wet voldoen.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor elke doelgroepvermindering, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels die Hij bepaalt :
  1° de toepassing van onderhavige wet volledig of gedeeltelijk uitbreiden tot de werkgevers- en werknemerscategorieën van de privé-sector en/of van de openbare sector, die Hij bepaalt;
  2° de toepassing van de onderhavige wet volledig of gedeeltelijk beperken tot de werkgevers- en de werknemerscategorieën van de privé-sector en/of van de openbare sector, die Hij bepaalt.
  In afwijking van het eerste lid, [1 zijn onderafdelingen 6 en 8]1 van toepassing op de werkgevers en de werknemers die vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités of het toepassingsgebied van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.
  
Art.335. Les employeurs occupant des travailleurs qui sont assujettis à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, peuvent bénéficier trimestriellement, pour chacun desdits travailleurs, d'une réduction groupe-cible dès lors qu'ils répondent aux conditions de la présente loi.
  Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, dans les conditions et selon les modalités qu'Il détermine, par réduction groupe-cible :
  1° étendre l'application de la présente loi en tout ou en partie aux catégories d'employeurs et de travailleurs du secteur privé et/ou du secteur public qu'Il détermine;
  2° limiter l'application de la présente loi en tout ou en partie aux catégories d'employeurs et de travailleurs du secteur privé et/ou du secteur public qu'Il détermine.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, [1 les sous-sections 6 et 8 s'appliquent]1 aux employeurs et aux travailleurs qui sont compris dans le champ d'application de la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires ou dans celui de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques.
  
Art.336. [1 § 1. Voor de werknemers voor wie het geheel van de tewerkstellingen bij één en dezelfde werkgever gedurende het kwartaal overeenstemt met volledige kwartaalprestaties, is de doelgroepvermindering gelijk aan een bedrag G per kwartaal. Afhankelijk van de beoogde doelgroep, stemt dit bedrag overeen met een bedrag zoals bepaald in dit artikel en wordt het toegekend gedurende een aantal kwartalen dat bepaald wordt door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
   G1 is gelijk aan 1 000 euro.
   G2 is gelijk aan 400 euro.
   G3 is gelijk aan 300 euro.
   G4 is gelijk aan 600 euro.
   G5 is gelijk aan 750 euro.
   G6 is gelijk aan 1 150 euro.
   G7 is gelijk aan het saldo van de verschuldigde bijdragen bedoeld in artikel 326, eerste lid, dat overblijft na toepassing van artikel 326, tweede, derde, vierde en vijfde lid. Artikel 337 is met uitzondering van de ondergrens inzake de globale arbeidsprestaties, niet van toepassing.
   G8 is gelijk aan 1 500 euro.
   G9 is gelijk aan 800 euro.
   G10 is gelijk aan 500 euro.
   G11 is gelijk aan 770 euro.
   G12 is gelijk aan 726,50 euro.
   G13 is gelijk aan het saldo van de verschuldigde bijdragen bedoeld in artikel 326, eerste lid, dat overblijft na toepassing van artikel 326, tweede, derde, vierde en vijfde lid. In dit geval wordt het bekomen bedrag verminderd met het bedrag van de loonmatigingsbijdrage bedoeld in artikel 38, § 3bis, van de wet van 29 juni 1981. Artikel 337 is niet van toepassing.
   G14 is gelijk aan 1 550 euro.
   G15 is gelijk aan 1 050 euro.
   G16 is gelijk aan 450 euro.
   G17 is gelijk aan 2 400 euro.
   G18 is gelijk aan 4 000 euro.
   G19 is gelijk aan een percentage, door de Koning te bepalen bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, van het saldo van de verschuldigde bijdragen bedoeld in artikel 326, eerste lid, dat overblijft na toepassing van artikel 326, tweede, derde, vierde en vijfde lid. Artikel 337 is met uitzondering van de ondergrens inzake de globale arbeidsprestaties, niet van toepassing.
  [2 G20 is gelijk aan 3.100 euro.]2
   § 2. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder tewerkstelling en onder volledige kwartaalprestaties. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de bedragen van dit artikel wijzigen.]1

  
Art.336. [1 § 1er. Pour les travailleurs pour qui l'ensemble des occupations auprès d'un seul et même employeur durant un trimestre correspond à des prestations trimestrielles complètes, la réduction groupe-cible est égale à un montant G par trimestre. Tenant compte des groupes cibles visés, le montant G correspond à un montant comme déterminé par le présent article et est octroyé durant un nombre de trimestres déterminé par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
   G1 est égal à 1 000 euros.
   G2 est égal à 400 euros.
   G3 est égal à 300 euros.
   G4 est égal à 600 euros.
   G5 est égal à 750 euros.
   G6 est égal à 1 150 euros.
   G7 est égal au solde des cotisations dues visées à l'article 326, alinéa 1er, qui subsiste après application de l'article 326, alinéas 2, 3, 4 et 5. A l'exception du seuil minimum en matière de prestations globales, l'article 337 n'est pas d'application.
   G8 est égal à 1 500 euros.
   G9 est égal à 800 euros.
   G10 est égal à 500 euros.
   G11 est égal à 770 euros.
   G12 est égal à 726,50 euros.
   G13 est égal au solde des cotisations dues visées à l'article 326, alinéa 1er, qui subsiste après application de l'article 326, alinéas 2, 3, 4 et 5. Le cas échéant, le montant ainsi obtenu est diminué du montant de la cotisation de modération salariale visée à l'article 38, § 3bis, de la loi du 29 juin 1981. L'article 337 n'est pas d'application.
   G14 est égal à 1 550 euros.
   G15 est égal à 1 050 euros.
   G16 est égal à 450 euros.
   G17 est égal à 2 400 euros.
   G18 est égal à 4 000 euros.
   G19 est égal à un pourcentage, à déterminer par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, du solde des cotisations dues visées à l'article 326, alinéa 1er, qui subsiste après application de l'article 326, alinéas 2, 3, 4 et 5. A l'exception du seuil minimum en matière de prestations globales, l'article 337 n'est pas d'application.
  [2 G20 est égal à 3.100 euros.]2
   § 2. Le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, détermine ce que l'on entend par occupation et par prestations trimestrielles complètes. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, modifier les montants du présent article.]1

  
Art.337. Voor de werknemers met onvolledige kwartaalprestaties, wordt de doelgroepvermindering proportioneel toegekend, voor zover er een ondergrens inzake de globale arbeidsprestaties van de verschillende tewerkstellingen van dezelfde werknemer bij dezelfde werkgever wordt bereikt. Voor de werknemers met onvolledige kwartaalprestaties, is het mogelijk om, volgens een vaste multiplicatiefactor en afhankelijk van de geleverde arbeidsprestaties, af te wijken van een strikt proportionele vermindering van de bijdragen, zonder dat echter het bedrag van de bijdragevermindering in het geval van volledige kwartaalprestaties mag worden overschreden.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat wordt verstaan onder werknemer met onvolledige kwartaalprestaties, ondergrens inzake de globale arbeidsprestaties van de verschillende tewerkstellingen en wat de waarde is van de vaste multiplicatiefactor. (De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, deze ondergrens afhankelijk maken van de contractuele arbeidsduur van de werknemer gedurende de tewerkstelling). <W 2003-12-22/42, art. 23, 006 ; Inwerkingtreding : 01-04-2004>
  [1 De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, met betrekking tot de werkgevers van werknemers bedoeld in de artikelen 353bis/9, 353bis/10, 353bis/13 en 353bis/14 van deze wet, bepalen dat een minimumdrempel met betrekking tot de globale prestaties van de verschillende tewerkstellingen van dezelfde werknemer bij dezelfde werkgever niet moet worden bereikt.]1
  
Art.337. Pour les travailleurs effectuant des prestations trimestrielles incomplètes, la réduction groupe-cible est accordée proportionnellement, pour autant qu'un seuil minimum en matière de prestations globales des différentes occupations d'un même travailleur chez un même employeur soit dépassé. Pour les travailleurs effectuant des prestations trimestrielles incomplètes, il est possible, suivant un facteur de multiplication fixe, de déroger à une réduction de cotisations strictement proportionnelle en fonction des prestations de travail fournies, sans pour autant pouvoir dépasser la réduction de cotisations en cas de prestations trimestrielles complètes.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, ce que l'on entend par travailleurs effectuant des prestations trimestrielles incomplètes, par seuil minimum en matière de prestations globales des différentes occupations et par valeur du facteur de multiplication fixe. (Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, lier ce seuil minimum à la durée de travail contractuelle du travailleur pendant l'occupation.) <L 2003-12-22/42, art. 23, 006 ; En vigueur : 01-04-2004>
  [1 Le Roi peut, par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, prévoir, en ce qui concerne les employeurs des travailleurs visés aux articles 353bis/9, 353bis/10, 353bis/13 et 353bis/14 de cette loi, qu'un seuil minimum en matière de prestations globales des différentes occupations d'un même travailleur chez un même employeur ne doit pas être atteint.]1
  
Art.338. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de categorieën van werknemers en/of werkzoekenden die in aanmerking komen voor een toekenning van de bedoelde doelgroepvermindering. Hij bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, per categorie van werkgevers en van werknemers en/of van werkzoekenden [6 het bedrag G bedoeld in artikel 336, § 1]6 waar de werkgever aanspraak op kan maken alsook de periode waarin de vermindering wordt toegekend. [6 Het bedrag]6 kan degressief verminderen in de loop van de toekenningsperiode. De Koning bepaalt eveneens, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden voor de toekenning van de doelgroepvermindering.
  [4 De Koning kan op een door hem te bepalen wijze voorzien dat na het berekenen van de doelgroepvermindering voor de in onderafdeling 13 bedoelde werknemers, het bekomen bedrag beperkt wordt tot een door hem te bepalen maximum bedrag.]4
  
Art.338. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les catégories de travailleurs et/ou de demandeurs d'emploi qui entrent en considération pour l'octroi de la réduction groupe-cible visée. Il détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, par catégorie d'employeurs et de travailleurs et/ou de demandeurs d'emploi, [6 le montant G visé à l'article 336, § 1er]6 auquel l'employeur a droit et la période durant laquelle la réduction est octroyée. [6 Le montant]6 peut varier de manière dégressive au cours de la période d'octroi. Le Roi détermine également, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les conditions d'octroi de la réduction groupe-cible.
  [4 Le Roi peut prévoir, qu'après le calcul de la réduction groupe-cible pour les travailleurs visés à la sous-section 13, le montant ainsi obtenu, soit limité à un montant maximum à déterminer par lui-même.]4
  
Art. 338bis_VLAAMS_GEWEST. [1 Een werkgever kan de doelgroepverminderingen voor een werknemer genieten met toepassing van onderafdeling 2, 5, 5bis, 10 tot en met 13 en 17, als die werknemer in een vestigingseenheid werkt die in het Vlaamse Gewest ligt.   Als de werkgever niet over een vestigingseenheid in België beschikt, maar een werknemer in België tewerkstelt, zijn de doelgroepverminderingen, vermeld in onderafdeling 2, 5, 5bis, 10 tot en met 13 en 17, in afwijking van het eerste lid van toepassing als de werknemer tijdens het betrokken kwartaal hoofdzakelijk in het Vlaamse Gewest wordt tewerkgesteld.]1
  
Art. 338bis _REGION_FLAMANDE. [1 Un employeur peut bénéficier des réductions groupes-cibles pour un travailleur en application de la sous-section 2, 5, 5bis, 10 à 13 et 17, si ce travailleur travaille dans une unité d'établissement située en Région flamande.   Si l'employeur ne dispose pas d'une unité d'établissement en Belgique mais emploie un travailleur en Belgique, les réductions groupes-cibles visées à la sous-section 2, 5, 5bis, 10 à 13 et 17, s'appliquent par dérogation à l'alinéa 1er si le travailleur est employé principalement en Région flamande pendant le trimestre concerné.]1
  
Art. 338/1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Onverminderd de inspectie- en controlebevoegdheden van de federale instellingen bevoegd voor de socialezekerheidsbijdragen, die ter zake de enige administratieve en technische operatoren zijn, controleren de door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aangewezen ambtenaren de uitvoering van de artikelen 335 tot en met 341bis, 346 tot en met 347bis, 353bis, 353bis/9 tot en met 353bis/14, 353ter en 353quater, en de uitvoeringsmaatregelen daarvan. Hetzelfde geldt voor de artikelen 324 tot en met 328, in de mate dat deze betrekking hebben op de voormelde artikelen.   Zij houden toezicht op de naleving ervan.   De ambtenaren als bedoeld in het eerste lid oefenen die controle of dit toezicht uit in overeenstemming met de bepalingen van de ordonnantie van 30 april 2009 betreffende het toezicht op de reglementeringen inzake werkgelegenheid die tot de bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behoren en de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze reglementeringen.]1
  
Art. 338/1 _REGION_BRUXELLES-CAPITALE.
  [1 Sans préjudice des compétences d'inspection et de contrôle des institutions fédérales compétentes pour les cotisations de sécurité sociale, qui, en la matière, sont les seuls opérateurs administratifs et techniques, les fonctionnaires désignés par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale contrôlent l'application des articles 335 à 341bis, 346 à 347bis inclus, 353bis, 353bis/9 à 353bis/14, 353ter et 353quater, et leurs mesures d'exécution. Il en va de même pour les articles 324 à 328 inclus, dans la mesure où ils se rapportent aux articles précités.
   Ils surveillent le respect de ceux-ci.
   Les fonctionnaires visés à l'alinéa premier exercent ce contrôle ou cette surveillance conformément aux dispositions de l'ordonnance du 30 avril 2009 relative à la surveillance des réglementations en matière d'emploi qui relèvent de la compétence de la Région de Bruxelles-Capitale et à l'instauration d'amendes administratives applicables en cas d'infraction à ces réglementations.]1

  
Art. 338/1_WAALS_GEWEST.   [1 Opdat een werkgever aanspraak zou kunnen maken op één van de doelgroepverminderingen die door een werknemer verschuldigd is [3 overeenkomstig de onderafdelingen 2, 3, 10, 12, en 13]3 van deze afdeling, moet deze werknemer in dienst worden genomen in een inrichtingseenheid in het Franse taalgebied.   In afwijking van vorig lid en indien de werkgever niet over een inrichtingseenheid in België beschikt maar indien hij één werknemer in België tewerkstelt, zijn de doelgroepverminderingen bedoeld in [3 overeenkomstig de onderafdelingen 2, 3, 10, 12, en 13]3 van deze afdeling van toepassing wanneer de werknemer tijdens het betrokken kwartaal hoofdzakelijk op het Franse taalgebied in dienst wordt genomen.]1
  
Art. 338/1 _REGION_WALLONNE.  [1 Pour qu'un employeur puisse bénéficier de l'une des réductions groupes-cibles due pour un travailleur en application [3 des sous-sections 2, 3, 10, 12, et 13]3 de la présente section, ce travailleur doit être occupé dans une unité d'établissement située sur le territoire de la région de langue française.   Par dérogation à l'alinéa précédent, dans le cas où l'employeur ne dispose pas d'unité d'établissement en Belgique mais qu'il occupe un travailleur en Belgique, les réductions groupes-cibles visées aux [3 des sous-sections 2, 3, 10, 12, et 13]3 de la présente section s'appliquent lorsque le travailleur est principalement occupé, pendant le trimestre concerné, sur le territoire de la région de langue française.]1
  
Art. 338/2_WAALS_GEWEST.   [1 Onverminderd de inspectie- en controlebevoegdheden van de federale instellingen bevoegd voor de socialezekerheidsbijdragen, die ter zake de enige administratieve en technische operatoren zijn, wordt de controle op de artikelen 335 tot 338, 339, 341bis, 353bis/9, 353bis/10, 353bis/12 [2 , 353bis/13]2, 353ter en 353quater en de uitvoeringsmaatregelen ervan uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 28 februari 2019 betreffende de controle van de wetgevingen en reglementeringen inzake het economisch beleid, het tewerkstellingsbeleid en het wetenschappelijk onderzoek alsook de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze wetgevingen en reglementeringen..   Het is ook het geval voor de artikelen 324 tot en met 328 voor zover ze betrekking hebben op de artikelen bedoeld in lid 1.]1
  
Art. 338/2 _REGION_WALLONNE.  [1 Sans préjudice des compétences d'inspection et de contrôle des institutions fédérales compétentes pour les cotisations de sécurité sociale, qui, en la matière, sont les seuls opérateurs administratifs et techniques, le contrôle de l'application des article s 335 à 338, 339, 341bis, 353bis/9, 353bis/10, 353bis/12 [2 , 353bis/13]2, 353ter et 353quater, et leurs mesures d'exécution s'exerce conformément aux dispositions du décret du 28 février 2019 relatif au contrôle des législations et réglementations relatives à la politique économique, à la politique de l'emploi et à la recherche scientifique ainsi qu'à l'instauration d'amendes administratives applicables en cas d'infraction à ces législations et réglementations.   Il en va de même pour les article s 324 à 328, dans la mesure où ils se rapportent aux article s visés à l'alinéa 1er.]1
  
Art. 338/2_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.   [1 Opdat een werkgever een van de doelgroepverminderingen voor een werknemer zou genieten met toepassing van de onderafdelingen 2, 5bis, 7, en 10 tot en met 14 van deze afdeling, moet die werknemer tewerkgesteld worden in een vestigingseenheid die op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen is.   Als de werkgever niet over een vestigingseenheid in België beschikt, maar een werknemer in België tewerkstelt, zijn de doelgroepverminderingen als bedoeld in de onderafdelingen 2, 5bis, 7, en 10 tot en met 14 van deze afdeling in afwijking van het eerste lid van toepassing als de werknemer tijdens het betrokken kwartaal overwegend op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt tewerkgesteld.]1
  
Art. 338/2 _BRUXELLES-CAPITALE.   [1 Pour qu'un employeur puisse bénéficier de l'une des réductions groupes-cibles due pour un travailleur en application des sous-sections 2, 5bis, 7 et 10 à 14 incluses de la présente section, ce travailleur doit être occupé dans une unité d'établissement située sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale.   Par dérogation à l'alinéa précédent, dans le cas où l'employeur ne dispose pas d'unité d'établissement en Belgique mais où il occupe un travailleur en Belgique, les réductions groupes-cibles visées aux sous-sections 2, 5bis, 7 et 10 à 14 incluses de la présente section s'appliquent lorsque le travailleur est principalement occupé, pendant le trimestre concerné, sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale.]1
  
Onderafdeling 2. - Oudere werknemers.
Sous-section 2. - Travailleurs âgés.
Art. 339 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  [1 De Regering kan een doelgroepvermindering toekennen voor werkgevers die werknemers in dienst nemen die :
   1° behoren tot de categorie 1 vermeld in artikel 330;
   2° minstens [3 55]3 jaar oud zijn op de laatste dag van het kwartaal waarvoor de vermindering aangevraagd wordt;
   3° een refertekwartaalloon ontvangen dat lager is dan de door de Regering bepaalde loongrens.
  [2 Met behoud van de toepassing van de voorwaarden vermeld in het eerste lid wordt geen doelgroepvermindering toegekend als de werknemer in het volledige kwartaal geen effectieve arbeidsprestaties levert, behalve in geval van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst als vermeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten of in geval van de door de werkgever toegestane vrijstelling van prestaties tijdens de periode van opzegging vermeld in artikel 37 van de voormelde wet.]2
  [3 De doelgroepenvermindering eindigt op de eerste dag van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de werknemers de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt.]3
   De Regering kan het forfaitaire bedrag en de subsidiëringsperiode van de doelgroepvermindering vastleggen met inachtneming van de beschikbare begrotingsmiddelen, de loonontwikkeling en de leeftijd van de werknemer vermeld in het eerste lid.
   De Regering kan aanvullende voorwaarden voor de toekenning van de doelgroepvermindering vastleggen. ]1

  
Art. 339 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
  [1 Le Gouvernement peut octroyer une réduction pour groupe cible en faveur d'employeurs occupant des travailleurs qui :
   1° appartiennent à la catégorie 1 mentionnée à l'article 330;
   2° ont au moins [3 55]3 ans le dernier jour du trimestre pour lequel la réduction est demandée;
   3° perçoivent un salaire trimestriel de référence inférieur au plafond salarial fixé par le Gouvernement.
  [2 Sans préjudice des conditions mentionnées dans l'alinéa 1er, aucune réduction pour groupe cible n'est octroyée si le travailleur n'a fourni aucune prestation effective au cours de l'ensemble du trimestre, sauf si l'exécution de son contrat a été suspendue conformément à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ou si le travailleur a été dispensé par l'employeur de prester le préavis mentionné à l'article 37 de la loi susmentionnée.]2
  [3 La réduction groupe-cible prend fin le premier jour du trimestre qui suit celui au cours duquel les travailleurs atteignent l'âge légal de la retraite.]3
   Le Gouvernement peut fixer le montant forfaitaire et la période de subventionnement de la réduction pour groupe cible en tenant compte des crédits budgétaires disponibles, de l'évolution salariale et de l'âge du travailleur mentionné au premier alinéa.
   Le Gouvernement peut fixer d'autres conditions mises à l'octroi d'une réduction pour groupe cible.]1

  
Art. 339_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.   [1 De Brusselse Hoofdstedelijke Regering kan volgens de voorwaarden die zij bepaalt een doelgroepvermindering toekennen aan de werkgevers die oudere werknemers tewerkstellen.
   De tewerkstelling van de oudere werknemer voldoet minstens aan de volgende voorwaarden :
   1° de oudere werknemer behoort tot de werknemerscategorie 1 als bedoeld in artikel 330 ;
   2° de oudere werknemer is op de laatste dag van het kwartaal minstens 55 jaar oud ;
   3° het refertekwartaalloon van de oudere werknemer is lager dan de door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bepaalde loongrens.
   De vermindering neemt een einde op de laatste dag van het kwartaal in de loop waarvan de oudere werknemer de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt.
   De Brusselse Hoofdstedelijke Regering kan het forfaitaire bedrag en de toekenningsduur van de doelgroepvermindering alsook de gerechtigde leeftijdscategorieën bepalen.]1

  
Art. 339 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
  [1 Le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale peut, selon les conditions qu'il détermine, octroyer une réduction groupes-cibles aux employeurs occupant des travailleurs âgés.
   L'occupation d'un travailleur âgé doit satisfaire au minimum aux conditions suivantes :
   1° le travailleur âgé appartient à la catégorie 1 des travailleurs, visée à l'article 330 ;
   2° le travailleur âgé a atteint au moins l'âge de 55 ans au dernier jour du trimestre ;
   3° le salaire trimestriel de référence du travailleur âgé est inférieur au plafond salarial que le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale détermine.
   La réduction cesse à dater du dernier jour du trimestre au cours duquel le travailleur âgé a atteint l'âge légal de la pension.
   Le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale peut déterminer le montant forfaitaire et la durée d'octroi de la réduction groupes-cibles ainsi que les catégories d'âges qui peuvent en bénéficier.]1

  
Art. 339_WAALS_GEWEST. [1 § 1. Een doelgroepvermindering kan, overeenkomstig de door de Waalse Regering vastgestelde voorwaarden en modaliteiten, worden toegekend aan een werknemer van categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330, onder de volgende minimumvoorwaarden:
   1° de werknemer is op de dag voor zijn indiensttreding een niet-werkende werkzoekende in de zin van artikel 1 van het decreet van 2 februari 2017 betreffende de steun voor tewerkstelling ten behoeve van de doelgroepen;
   2° de werknemer is tussen vijfenvijftig en negenenvijftig jaar oud op de laatste dag van het kwartaal waarin hij door de werkgever wordt aangeworven;
   3° de werknemer heeft een refertekwartaalloon lager dan de door de Regering bepaalde loongrens.
   De in lid 1 bedoelde doelgroepvermindering is per kwartaal gelijk aan de bedragen die respectievelijk door de Regering zijn vastgesteld voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal tussen vijfenvijftig en zevenenvijftig jaar oud zijn en voor de werknemers die op de laatste dag van het kwartaal tussen achtenvijftig en negenenvijftig jaar oud zijn.
   De vermindering houdt op de eerste dag van het kwartaal waarin de werknemers de leeftijd van zestig jaar bereiken.
   Onverminderd de toepassing van de voorwaarden vermeld in de leden 1 tot 3, wordt de doelgroepvermindering niet toegekend als de oudere werknemer in het volledige kwartaal geen effectieve arbeidsprestaties levert, behalve in geval van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst als vermeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, en bij de door de werkgever toegestane vrijstelling van prestaties tijdens de periode van opzegging, vermeld in artikel 37 van de voormelde wet.
   § 2. Een doelgroepvermindering kan, overeenkomstig de door de Waalse Regering vastgestelde voorwaarden en modaliteiten, worden toegekend aan een werknemer van categorie 1 zoals bedoeld in artikel 330, onder de volgende minimumvoorwaarden:
   1° de werknemer is minstens zestig jaar oud op de laatste dag van het kwartaal;
   2° de werknemer heeft een refertekwartaalloon lager dan de door de Regering bepaalde loongrens.
   De in lid 1 bedoelde doelgroepvermindering is per kwartaal gelijk aan de bedragen die respectievelijk door de Regering zijn vastgesteld voor werknemers die op de laatste dag van het kwartaal ten minste zestig tot vierenzestig jaar oud zijn en voor werknemers die op de laatste dag van het kwartaal ten minste vijfenzestig jaar oud zijn. De vermindering houdt op vanaf de eerste dag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarin de werknemers de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt. Onverminderd de toepassing van de voorwaarden vermeld in de leden 1 tot 3, wordt de doelgroepvermindering niet toegekend als de oudere werknemer in het volledige kwartaal geen effectieve arbeidsprestaties levert, behalve in geval van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst als vermeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, en bij de door de werkgever toegestane vrijstelling van prestaties tijdens de periode van opzegging, vermeld in artikel 37 van de voormelde wet.
   § 3. De Regering kan de minimale leeftijd van de in paragrafen 1 en 2 bedoelde werknemers, de bedragen van de doelgroepvermindering en de leeftijdscategorieën die ze genieten, wijzigen. Rekening houdende met de ontwikkeling van de arbeidsmarkt voor de betrokken werkzoekenden, met de economische groei en met de begroting kan de Regering ook het voordeel van de doelgroepvermindering uitbreiden tot werknemers van andere categorieën bedoeld in artikel 330.]1

  
Art. 339 _REGION_WALLONNE.[1 § 1er. Une réduction groupes-cibles peut être octroyée, selon les conditions et modalités fixées par le Gouvernement wallon, au travailleur de la catégorie 1 visée à l'article 330, aux conditions minimales suivantes :
   1° le travailleur est, à la veille de son entrée en service, un demandeur d'emploi inoccupé au sens de l'article 1er du décret du 2 février 2017 relatif aux aides à destination des groupes-cibles;
   2° le travailleur est âgé d'au moins cinquante-cinq ans à cinquante-neuf ans au dernier jour du trimestre au cours duquel il est engagé par l'employeur;
   3° le travailleur a un salaire trimestriel de référence inférieur au plafond salarial, arrêté par le Gouvernement.
   La réduction groupes-cibles visée à l'alinéa 1er équivaut, par trimestre, aux montants respectivement fixés par le Gouvernement pour les travailleurs qui, au dernier jour du trimestre, sont âgés d'au moins cinquante-cinq ans à cinquante-sept ans et pour les travailleurs qui, au dernier jour du trimestre, sont âgés d'au moins cinquante-huit ans à cinquante-neuf ans.
   La réduction cesse à dater du premier jour du trimestre au cours duquel les travailleurs ont atteint l'âge de soixante ans.
   Sans préjudice de l'application des conditions, visées aux alinéas 1er à 3, la réduction groupe-cible n'est pas octroyée si le travailleur âgé ne fournit pas de prestations de travail effectives pendant le trimestre complet, sauf en cas de suspension de l'exécution du contrat de travail, telle que visée par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, et en cas de dispense de prestations, autorisée par l'employeur, pendant la période du préavis, visée à l'article 37 de la loi précitée.
   § 2. Une réduction groupes-cibles peut être octroyée, selon les conditions et modalités fixées par le Gouvernement wallon, au travailleur de la catégorie 1 visée à l'article 330, aux conditions minimales suivantes :
   1° le travailleur est âgé d'au moins soixante ans au dernier jour du trimestre;
   2° le travailleur a un salaire trimestriel de référence inférieur au plafond salarial arrêté par le Gouvernement.
   La réduction groupes-cibles visée à l'alinéa 1er équivaut, par trimestre, aux montants respectivement fixés par le Gouvernement pour les travailleurs qui, au dernier jour du trimestre, sont âgés d'au moins soixante à soixante-quatre ans et pour les travailleurs qui, au dernier jour du trimestre, sont âgés d'au moins soixante-cinq ans. La réduction cesse à dater du premier jour du trimestre qui suit celui au cours duquel les travailleurs ont atteint l'âge légal de la pension. Sans préjudice de l'application des conditions, visées aux alinéas 1er à 3, la réduction groupe cible n'est pas octroyée si le travailleur âgé ne fournit pas de prestations de travail effectives pendant le trimestre complet, sauf en cas de suspension de l'exécution du contrat de travail telle que visée par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, et en cas de dispense de prestations, autorisée par l'employeur, pendant la période du préavis, visée à l'article 37 de la loi précitée.
   § 3. Le Gouvernement peut modifier l'âge minimum des travailleurs visés aux paragraphes 1er et 2, les montants de la réduction groupe-cible et les catégories d'âges qui en bénéficient. En tenant compte de l'évolution du marché de l'emploi pour les demandeurs d'emploi concernés, de la croissance économique et du budget, le Gouvernement peut également étendre le bénéfice de la réduction groupe-cible aux travailleurs d'autres catégories visées à l'article 330.]1

  
Art. 339_VLAAMS_GEWEST. [1 Volgens de voorwaarden die ze nader bepaalt, kan de Vlaamse Regering een doelgroepvermindering toekennen aan werkgevers die oudere werknemers tewerkstellen.
   De tewerkstelling van de oudere werknemer voldoet minimaal aan de volgende voorwaarden :
   1° de oudere werknemer behoort tot de categorie 1 van werknemers, vermeld in artikel 330;
   2° de oudere werknemer heeft op de laatste dag van het kwartaal minimaal de leeftijd van [3 58]3 jaar bereikt;
   3° het refertekwartaalloon van de oudere werknemer is lager dan de door de Vlaamse Regering bepaalde loongrens.
  [2 Met behoud van de toepassing van de voorwaarden, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt de doelgroepvermindering niet toegekend als de oudere werknemer in het volledige kwartaal geen effectieve arbeidsprestaties levert, behalve in geval van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst als vermeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, en bij de door de werkgever toegestane vrijstelling van prestaties tijdens de periode van opzegging, vermeld in artikel 37 van de voormelde wet.]2
   De Vlaamse Regering kan het forfaitaire bedrag en de periode van de toekenning van de doelgroepvermindering vaststellen, rekening houdend met :
   1° de leeftijd van de oudere zittende werknemer;
   2° de leeftijd van de oudere niet-werkende werkzoekende die na de inwerkingtreding van dit decreet wordt aangeworven.
   De Vlaamse Regering bepaalt wat onder oudere zittende werknemer en oudere niet-werkende werkzoekende als vermeld in het derde lid, moet worden verstaan.]1

  
Art. 339 _REGION_FLAMANDE.[1 Selon les conditions qu'il détermine, le Gouvernement flamand peut attribuer une réduction groupe cible aux employeurs occupant des travailleurs âgés.
   L'occupation d'un travailleur âgé doit satisfaire au minimum aux conditions suivantes :
   1° le travailleur âgé appartient à la catégorie 1 des travailleurs, visée à l'article 330 ;
   2° le travailleur âgé a atteint au moins l'âge de [3 58]3 ans au dernier jour du trimestre ;
   3° le salaire trimestriel de référence du travailleur âgé est inférieur au plafond salarial que le Gouvernement flamand détermine.
  [2 Sans préjudice de l'application des conditions, visées aux alinéas 1er et 2, la réduction groupe cible n'est pas octroyée si le travailleur âgé ne fournit pas de prestations de travail effectives pendant le trimestre complet, sauf en cas de suspension de l'exécution du contrat de travail telle que visée à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, et en cas de dispense de prestations, autorisée par l'employeur, pendant la période du préavis, visée à l'article 37 de la loi précitée.]2
   Le Gouvernement flamand peut déterminer le montant forfaitaire et la période d'octroi de la réduction groupe cible en tenant compte de :
   1° l'âge du travailleur âgé en activité ;
   2° l'âge du demandeur d'emploi âgé inoccupé qui est recruté après l'entrée en vigueur du présent décret.
   Le Gouvernement flamand détermine ce qu'il faut entendre par travailleur âgé en activité et par demandeur d'emploi âgé inoccupé comme prévus à l'alinéa 3.]1

  
Onderafdeling 3. - Langdurig werkzoekenden.
Sous-section 3. - Demandeurs d'emploi de longue durée.
Art.340. De werkgevers bedoeld in artikel 335 kunnen aanspraak maken op een doelgroepvermindering tijdens het kwartaal van de aanwerving en tijdens een aantal kwartalen die erop volgen naar aanleiding van de aanwerving van langdurig werkzoekenden als werknemer.
Art.340. Les employeurs visés à l'article 335 peuvent bénéficier d'une réduction groupe-cible durant le trimestre d'engagement et un nombre de trimestres qui suivent à l'occasion de l'engagement de demandeurs d'emploi de longue durée comme travailleurs.
Art.341. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepalen wat wordt verstaan onder werkzoekende en langdurig werkzoekende.
Art.341. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, déterminer ce que l'on entend par demandeur d'emploi et demandeur d'emploi de longue durée.
Art. 341_VLAAMS_GEWEST. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepalen wat wordt verstaan onder werkzoekende en langdurig werkzoekende.
Art. 341 _REGION_FLAMANDE. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, déterminer ce que l'on entend par demandeur d'emploi et demandeur d'emploi de longue durée.
Art. 341bis. <INGEVOEGD bij W 2003-04-08/33, art. 69; Inwerkingtreding : 27-04-2003> De werkgevers bedoeld in artikel 335 kunnen aanspraak maken op een doelgroepvermindering tijdens het kwartaal van indienstneming en tijdens een aantal kwartalen die erop volgen naar aanleiding van de aanwerving van een uitkeringsgerechtigde volledige werkloze, een gerechtigde op maatschappelijke integratie of een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp.
  De Koning kan, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, bepalen wat wordt verstaan onder uitkeringsgerechtigde volledige werkloze, gerechtigde op maatschappelijke integratie en rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp.
Art. 341bis. Les employeurs visés à l'article 335 peuvent bénéficier d'une réduction groupe-cible durant le trimestre d'engagement et un nombre de trimestres qui suivent à l'occasion de l'engagement d'un chômeur complet indemnisé, d'un ayant droit à l'intégration sociale ou d'un ayant droit à l'aide sociale financière.
  Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, déterminer ce que l'on entend par chômeur complet indemnisé, ayant droit à l'intégration sociale et ayant droit à l'aide sociale financière.
Art. 341bis_VLAAMS_GEWEST.    <INGEVOEGD bij W 2003-04-08/33, art. 69; Inwerkingtreding : 27-04-2003> De werkgevers bedoeld in artikel 335 kunnen aanspraak maken op een doelgroepvermindering tijdens het kwartaal van indienstneming en tijdens een aantal kwartalen die erop volgen naar aanleiding van de aanwerving van een uitkeringsgerechtigde volledige werkloze, een gerechtigde op maatschappelijke integratie of een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp.
  De Koning kan, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, bepalen wat wordt verstaan onder uitkeringsgerechtigde volledige werkloze, gerechtigde op maatschappelijke integratie en rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp.
Art. 341bis _REGION_FLAMANDE.
   Les employeurs visés à l'article 335 peuvent bénéficier d'une réduction groupe-cible durant le trimestre d'engagement et un nombre de trimestres qui suivent à l'occasion de l'engagement d'un chômeur complet indemnisé, d'un ayant droit à l'intégration sociale ou d'un ayant droit à l'aide sociale financière.
  Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, déterminer ce que l'on entend par chômeur complet indemnisé, ayant droit à l'intégration sociale et ayant droit à l'aide sociale financière.
Onderafdeling 4. - Eerste aanwervingen.
Sous-section 4. - Premiers engagements.
Art.342. Voor zover ze kunnen beschouwd worden als nieuwe werkgevers, kunnen de werkgevers bedoeld in artikel 335 aanspraak maken op een doelgroepvermindering tijdens een aantal kwartalen, die gespreid zijn over een periode van een aantal kwartalen, voor eerste aanwervingen van werknemers, en met name voor maximaal [2 drie]2 werknemers.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de periode waarin de vermindering wordt toegekend en de periode waarin de vermindering moet worden uitgeput.
  
Art.342. Pour autant qu'ils peuvent être considérés comme de nouveaux employeurs, les employeurs visés à l'article 335 peuvent bénéficier d'une réduction groupe-cible durant un nombre de trimestres s'étalant sur une période d'un nombre de trimestres pour des premiers engagements de travailleurs, et ce, pour maximum [2 trois]2 travailleurs.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, la période durant laquelle la réduction est octroyée ainsi que la période durant laquelle cette réduction doit être épuisée.
  
Art.343. <W 2003-12-22/42, art. 49, 006 ; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. [4 Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt verstaan onder:
   1° "datum van indiensttreding": de dag waarop de contractuele arbeidsrelatie aanvangt;
   2° "nieuwe werkgever van een eerste werknemer": een werkgever die nooit onderworpen is geweest aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, voor de tewerkstelling van werknemers andere dan leerlingen, dienstboden, deeltijds leerplichtigen, gelegenheidswerknemers en flexi-jobwerknemers of die, sedert ten minste twaalf opeenvolgende maanden die de datum van indiensttreding voorafgaan, hieraan niet meer onderworpen was en die, op de datum van indiensttreding van de eerste werknemer, geen deel uitmaakt van een simultane technische bedrijfseenheid waar al een werknemer in dienst is; is evenwel geen nieuwe werkgever van een eerste werknemer, de werkgever die deel uitmaakt van een historische technische bedrijfseenheid, en bij wie op de datum van indiensttreding van de eerste werknemer, tevens één of meer werknemers die vervanger zijn in de zin van artikel 344, in dienst treden;
   3° "nieuwe werkgever van een n-de werknemer": een werkgever die sedert ten minste twaalf opeenvolgende maanden die de datum van indiensttreding van een n-de werknemer voorafgaan, niet onderworpen is geweest aan de voornoemde wet van 27 juni 1969 voor een gelijktijdige tewerkstelling van meer dan n-1 werknemers, andere dan leerlingen, dienstboden, deeltijds leerplichtigen, gelegenheidswerknemers en flexi-jobwerknemers, en die op de datum van indiensttreding van een n-de werknemer geen deel uitmaakt van een simultane technische bedrijfseenheid waar al n werknemers in dienst zijn;
   De Koning verduidelijkt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, hoe de telling van de n-de werknemer bedoeld in het eerste lid, 3°, dient te gebeuren in geval de werkgever deel uitmaakt van een technische bedrijfseenheid;
   4° "technische bedrijfseenheid": de eenheid bestaande uit meerdere juridische entiteiten, met een aantoonbare sociale band door middel van minstens één gemeenschappelijk betrokken persoon, ongeacht zijn functie binnen die entiteiten, en met een gemeenschappelijkheid die zich uit in een simultane of historische socio-economische verwevenheid, respectievelijk simultane of historische technische bedrijfseenheid genoemd;
   Voor het bepalen van de sociale band bedoeld in het eerste lid, 4°, worden de werknemers, overgenomen in toepassing van hoofdstuk III van CAO 32bis, niet in aanmerking genomen;
   5° "simultane technische bedrijfseenheid": twee of meer ondernemingen die op de datum van indiensttreding van de nieuwe werknemer voor wie de werkgever de doelgroepvermindering, bedoeld in deze onderafdeling, wenst toe te passen, in de tijd naast elkaar actief zijn en een sociale band en een socio-economische verwevenheid met elkaar hebben;
   6° "historische technische bedrijfseenheid": twee of meer ondernemingen die op de datum van indiensttreding van de nieuwe werknemer voor wie de werkgever de doelgroepvermindering, bedoeld in deze onderafdeling, wenst toe te passen, een sociale band en een voorafgaandelijke socio-economische verwevenheid met elkaar hebben. De verwevenheid van de verschillende entiteiten is beperkt tot een periode van 12 maanden.]4

  § 2. [4 ...]4
  § 3. [4 ...]4
  [1 § 3/1. [4 ...]4
   § 3/2. [4 ...]4]1

  [3 § 3/3. [4 ...]4]3
  § 4. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat wordt verstaan onder leerlingen, dienstboden [4 , deeltijds leerplichtigen, gelegenheidswerknemers en flexi-jobwerknemers]4.
  
Art.343. <L 2003-12-22/42, art. 49, 006 ; En vigueur : 01-01-2004> § 1er. [4 Pour l'application de la présente sous-section, il faut entendre par:
   1° "date d'entrée en service": le jour auquel la relation de travail contractuelle commence;
   2° "nouvel employeur d'un premier travailleur": l'employeur qui n'a jamais été soumis à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, en raison de l'occupation de travailleurs autres que des apprentis, des travailleurs domestiques, des travailleurs soumis à l'obligation scolaire à temps partiel, des travailleurs occasionnels et des travailleurs exerçant un flexi-job, ou qui a cessé depuis au moins douze mois consécutifs précédant la date de l'entrée en service, d'y être soumis et qui, à la date de l'entrée en service du premier travailleur, ne fait pas partie d'une unité technique d'exploitation simultanée où un travailleur est déjà en service; cependant, n'est pas un nouvel employeur d'un premier travailleur, l'employeur qui fait partie d'une unité technique d'exploitation historique, et chez qui, à la date de l'entrée en service du premier travailleur, également un ou plusieurs travailleurs qui sont des remplaçant au sens de l'article 344, entrent en service;
   3° "nouvel employeur d'un n-ième travailleur": un employeur qui depuis au moins douze mois consécutifs précédant la date d'entrée en service d'un n-ième travailleur, n'a pas été assujetti à la loi du 27 juin 1969 précitée pour un engagement simultané de plus de n-1 travailleurs, autre que des apprentis, des travailleurs domestiques, des travailleurs soumis à l'obligation scolaire à temps partiel, des travailleurs occasionnels et des travailleurs exerçant un flexi-job et qui à la date d'entrée en service d'un n-ième travailleur ne fait pas partie d'une unité technique d'exploitation simultanée où n travailleurs sont déjà en service;
   Le Roi précise par arrêté délibéré en Conseil des ministres, comment le calcul du n-ième travailleur, prévu par l'alinéa 1er, 3°, se réalise lorsque l'employeur fait partie d'une unité technique d'exploitation;
   4° "unité technique d'exploitation": l'unité existant entre plusieurs entités juridiques, avec un lien social avéré au moyen de l'existence d'au moins une personne commune indépendamment de sa fonction au sein des entités et d'une communauté qui s'exprime par une interdépendance socio-économique simultanée ou historique, appelées respectivement unité technique d'exploitation simultanée ou historique;
   Pour la détermination du lien social visé à l'alinéa 1er, 4°, les travailleurs repris en application du chapitre III de la CCT 32bis ne sont pas pris en considération;
   5° "unité technique d'exploitation simultanée": deux ou plusieurs entreprises qui à la date d'entrée en service d'un nouveau travailleur pour qui l'employeur souhaite appliquer la réduction groupe-cible, visée à la présente sous-section, sont actifs simultanément et qui ont entre elles un lien social et une interdépendance socio-économique;
   6° "unité technique d'exploitation historique": deux ou plusieurs entreprises qui à la date d'entrée en service d'un nouveau travailleur pour qui l'employeur souhaite appliquer la réduction groupe-cible, visée à la présente sous-section, ont un lien social et une interdépendance socio-économique antérieure. L'interdépendance des différentes entités est limitée à une période de 12 mois.]4

  § 2. [4 ...]4
  § 3. [4 ...]4
  [1 § 3/1. [4 ...]4
   § 3/2. [4 ...]4]1

  [3 § 3/3. [4 ...]4]3
  § 4. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, ce que l'on entend par apprentis, par travailleurs domestiques [4 , par travailleurs soumis à l'obligation scolaire à temps partiel, par travailleurs occasionnels et par travailleurs exerçant un flexi-job]4.
  
Art.344. [1 De in artikel 343 bedoelde werkgever kan het voordeel van deze onderafdeling niet genieten wanneer de nieuw in dienst genomen werknemer een werknemer vervangt die in de loop van de twaalfmaanden voorafgaand aan de datum van indiensttreding bij dezelfde technische bedrijfseenheid in dienst was.
   De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat onder vervanger wordt verstaan.]1

  
Art.344. [1 L'employeur visé à l'article 343 ne bénéficie pas des avantages de la présente sous-section lorsque le travailleur nouvellement engagé remplace un travailleur qui était occupé dans la même unité technique d'exploitation au cours des douze mois précédant la date d'entrée en service.
   Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, ce qu'il faut entendre par remplaçant.]1

  
Art.345. (§ 1.) Wanneer de nieuwe werkgever voor de aanwerving van een eerste werknemer van het voordeel geniet zoals bedoeld in artikel 342, dan worden de bijdragen voor de administratiekosten die hij, voor de betrokken werknemer, verschuldigd is aan een erkend sociaal secretariaat voor werkgevers, ten laste genomen door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid volgens de nadere regels en ten belope van de bedragen die zijn bepaald bij koninklijk besluit zolang hij van de voordelen geniet zoals bedoeld in artikel 342. <W 2007-04-27/35, art. 42, 026; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
  (§ 2. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, kan de Koning, voor de werkgevers van de sectoren die gelegenheidswerknemers tewerkstellen in de zin van de uitvoeringsbesluiten van de wet tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die onderworpen zijn aan het geheel der regelingen als bedoeld in artikel 21, § 1, van de wet van 29 juni 1981 en voor de categorieën van werknemers tewerkgesteld door deze werkgevers die Hij bepaalt, bepalen dat de bijdragen voor de administratiekosten die de werkgever verschuldigd is aan een erkend sociaal secretariaat van werkgevers voor de bedoelde werknemers ten laste worden genomen door de Rijksdienst voor sociale zekerheid volgens de modaliteiten en ten belope van de bedragen die Hij bepaalt. Hij bepaalt eveneens de periode tijdens welke dit voordeel wordt toegekend.) <W 2007-04-27/35, art. 42, 026; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
Art.345. (§ 1er.) Lorsque le nouvel employeur bénéficie de l'avantage visé à l'article 342 pour l'engagement d'un premier travailleur, les cotisations pour les frais d'administration dont il est redevable à un secrétariat social agréé d'employeurs pour le travailleur visé sont prises en charge par l'Office national de Sécurité sociale selon les modalités et à concurrence des montants fixés par arrêté royal, aussi longtemps qu'il bénéficie des avantages visés à l'article 342. <L 2007-04-27/35, art. 42, 026; En vigueur : 01-04-2007>
  (§ 2. Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le Roi peut prévoir, pour les employeurs des secteurs qui occupent des travailleurs occasionnels au sens des arrêtés pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, soumis à l'ensemble des régimes visés à l'article 21, § 1er, de la loi du 29 juin 1981 et pour les catégories de travailleurs occupés par ces employeurs qu'Il détermine, que les cotisations pour les frais d'administration dont l'employeur est redevable à un secrétariat social agréé d'employeurs sont prises en charge par l'Office national de Sécurité sociale selon les modalités et à concurrence des montants qu'Il fixe. Il détermine également la période durant laquelle cet avantage est octroyé.) <L 2007-04-27/35, art. 42, 026; En vigueur : 01-04-2007>
Onderafdeling 5. - Jonge werknemers.
Sous-section 5. - Jeunes travailleurs.
Art. 346_VLAAMS_GEWEST. <W 2005-12-23/30, art. 77, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2006>
  § 1. [1 ...]1
  § 2. [2 Volgens de voorwaarden die ze nader bepaalt, kan de Vlaamse Regering een doelgroepvermindering voor jonge werknemers toekennen aan de werkgevers, vermeld in artikel 335.
   De tewerkstelling van jonge werknemers voldoet minimaal aan de volgende voorwaarden :
   1° het refertekwartaalloon van de jonge werknemer is lager dan de door de Vlaamse Regering bepaalde loongrens. De Vlaamse Regering bepaalt het tijdstip waarop de loongrens van toepassing is;
   2° op de dag van zijn indienstneming is de jonge werknemer laaggeschoold [5 ...]5 en op de laatste dag van het kwartaal heeft hij de leeftijd van 25 jaar niet bereikt;
   3° [4 de jonge werknemer is niet voltijds leerplichtig;]4
  [4 4° de jonge werknemer volgt geen opleiding waarbij hij binnen de vier maanden, te rekenen vanaf de dag van zijn indienstneming, een diploma of graad kan behalen die valt buiten het toepassingsgebied van punt 2°.]4
   [5 In het tweede lid, 2°, wordt verstaan onder laaggeschoold: de jonge werknemer die geen diploma van secundair onderwijs of een studiegetuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het secundair onderwijs, of een gelijkwaardig diploma of getuigschrift heeft.]5
   De Vlaamse Regering kan specifieke studiebewijzen of attesten gelijkstellen met de diploma's of getuigschriften, vermeld in het derde lid, 1° en 2°.
   Om van het voordeel te genieten dient de jongere werknemer te beschikken over een elektronisch dossier zoals bepaald in artikel 22/2 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding".
   De VDAB beheert de scholingsgegevens van de jonge werknemer in dit elektronisch dossier.
   De Vlaamse Regering bepaalt het forfaitaire bedrag en de periode van toekenning van de doelgroepvermindering.]2

  § 3. [6 ...]6
  § 4. [1 ...]1
  § 5. [1 ...]1
Art. 346 _REGION_FLAMANDE. <L 2005-12-23/30, art. 77, 018; En vigueur : 01-07-2006>
  § 1er. [1 ...]1
  § 2. [2 Selon les conditions qu'il détermine, le Gouvernement flamand peut attribuer une réduction groupe cible pour jeunes travailleurs aux employeurs visés à l'article 335.
   L'occupation de jeunes travailleurs doit satisfaire au minimum aux conditions suivantes :
   1° le salaire trimestriel de référence du jeune travailleur est inférieur au plafond salarial que le Gouvernement flamand détermine. Le Gouvernement flamand détermine à quel moment le plafond salarial est d'application ;
   2° au jour de son recrutement le jeune travailleur est peu [5 ...]5 et au dernier jour du trimestre il n'a pas atteint l'âge de 25 ans ;
   3° [4 le jeune travailleur n'est plus soumis à la scolarité obligatoire;]4
  [4 4° le jeune travailleur ne suit aucune formation où il peut obtenir, dans les quatre mois à compter du jour de sa mise en service, un diplôme ou grade qui se trouve hors du champ d'application du point 2°.]4
   [5 Dans l'alinéa 2, 2°, on entend par peu qualifié : le jeune travailleur qui ne possède pas de diplôme de l'enseignement secondaire ou de certificat d'études de la deuxième année du troisième degré de l'enseignement secondaire ou de diplôme ou certificat équivalent.]5
   Le Gouvernement flamand peut assimiler des certificats ou des attestations spécifiques à des diplômes ou des certificats, visés à l'alinéa 3, 1° et 2°.
   Afin de pour pouvoir bénéficier de cet avantage, le jeune travailleur doit avoir un dossier électronique tel que visé à l'article 22/2 du décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " (Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle) ;
   Le VDAB gère les données de scolarisation du jeune travailleur dans ce dossier électronique.
   Le Gouvernement flamand détermine le montant forfaitaire et la période d'octroi de la réduction groupe cible.]2

  § 3. [6 ...]6
  § 4. [1 ...]1
  § 5. [1 ...]1
Art.347. <W 2003-12-22/42, art. 52, 006 ; Inwerkingtreding : 01-01-2004> De werkgever kan enkel genieten van de doelgroepvermindering bedoeld in artikel 346 in een bepaald kwartaal indien hij gedurende dit kwartaal voldoet aan de naleving van de verplichting om jongeren in dienst te nemen bedoeld in artikel 39, §§ 1 en 2 van de wet van 24 december 1999.
Art.347. <L 2003-12-22/42, art. 52, 006 ; En vigueur : 01-01-2004> L'employeur ne peut bénéficier de la réduction groupe cible visée à l'article 346 pendant un trimestre déterminé que si, durant ce trimestre, il remplit l'obligation d'engager des jeunes, visée à l'article 39, §§ 1er et 2, de la loi du 24 décembre 1999.
Onderafdeling 5bis. [1 - Specifieke vermindering voor mentors]1
Sous-section 5bis. [1 - Réduction spécifique pour des tuteurs]1
Onderafdeling 5bis. VLAAMS_GEWEST.[1 ...]1
Art. 347bis. [1 Les employeurs visés à l'article 335 de la présente loi bénéficient d'une réduction groupe-cible pour des travailleurs qui pendant leur période d'occupation assurent comme tuteurs le suivi de stages ou sont responsables pour la formation d'élèves ou d'enseignants de l'enseignement secondaire technique et professionnel de plein exercice ou en alternance, de demandeurs d'emploi de moins de 26 ans qui suivent une formation professionnelle telle que visée à l'article 27, 6°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant la réglementation du chômage, d'étudiants de l'enseignement de promotion sociale de moins de 26 ans et d'apprenants de moins de 26 ans qui suivent une formation agréée par la Communauté compétente, dans le cadre de conventions à conclure respectivement soit avec des établissements d'enseignement ou de formation, soit avec un service régional de l'emploi ou de la formation professionnelle.
Art. 347bis. [1 De werkgevers bedoeld in artikel 335 van deze wet genieten van een doelgroepvermindering voor de werknemers die gedurende hun tewerkstelling, als mentor de opvolging verzekeren van stages of instaan voor de opleiding van leerlingen of leraren uit het voltijds secundair technisch en beroepsonderwijs of deeltijds onderwijs, van werkzoekenden jonger dan 26 jaar die een beroepsopleiding volgen, zoals bedoeld in artikel 27, 6°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, voor cursisten jonger dan 26 jaar uit het volwassenenonderwijs en van cursisten jonger dan 26 jaar die een door de bevoegde Gemeenschap erkende opleiding volgen, in het kader van de overeenkomsten die worden gesloten met respectievelijk ofwel de onderwijs- of vormingsinstellingen, ofwel de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling of de beroepsopleiding.
   De Koning kan de in het eerste lid bedoelde categorieën van leerlingen, studenten, leraren, werkzoekenden en cursisten, wijzigen of uitbreiden en bepaalt wat moet worden verstaan onder de notie van " opvolging verzekeren van stages " of " instaan voor opleidingen ".]1

  
Art. 347bis. [1 Les employeurs visés à l'article 335 de la présente loi bénéficient d'une réduction groupe-cible pour des travailleurs qui pendant leur période d'occupation assurent comme tuteurs le suivi de stages ou sont responsables pour la formation d'élèves ou d'enseignants de l'enseignement secondaire technique et professionnel de plein exercice ou en alternance, de demandeurs d'emploi de moins de 26 ans qui suivent une formation professionnelle telle que visée à l'article 27, 6°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant la réglementation du chômage, d'étudiants de l'enseignement de promotion sociale de moins de 26 ans et d'apprenants de moins de 26 ans qui suivent une formation agréée par la Communauté compétente, dans le cadre de conventions à conclure respectivement soit avec des établissements d'enseignement ou de formation, soit avec un service régional de l'emploi ou de la formation professionnelle.
   Le Roi peut modifier ou étendre les catégories d'élèves, d'étudiants, d'enseignants, de demandeurs d'emploi et d'apprenants, visées à l'alinéa 1er, et détermine ce que l'on entend par la notion de " suivi de stages " ou de " responsabilité pour des formations ".]1

  
Art. 347bis_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
  
Art. 347bis _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.   [1 [2 Les employeurs visés à l'article 335 de la présente loi bénéficient d'une réduction groupe cible pour des travailleurs qui, pendant leur période d'occupation, assurent comme tuteurs le suivi de stages ou sont responsables pour la formation dans le cadre   a) d'un contrat d'apprentissage conclu en application de la loi du 19 juillet 1983 [3 relative à l'apprentissage industriel]3;   b) d'un contrat d'apprentissage conclu en application de la règlementation relative à la formation continue dans les classes moyennes;   c) d'un contrat d'apprentissage conclu en application de la règlementation instaurant un système de formation en entreprise en vue de préparer à l'intégration professionnelle de personnes handicapées;   d) d'une convention d'immersion professionnelle, mentionnée au Titre IV, chapitre X, de la loi-programme du 2 août 2002.]2   [2 Le Gouvernement]2 peut modifier ou étendre les catégories [2 ...]2, visées à l'alinéa 1er, et détermine ce que l'on entend par la notion de " suivi de stages " ou de " responsabilité pour des formations ".]1  
Art. 347bis _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   [1 [2 De werkgevers bedoeld in artikel 335 van deze wet krijgen een doelgroepvermindering voor de werknemers die gedurende hun tewerkstelling als mentor de opvolging verzekeren van stages of instaan voor de opleiding in het kader van:
   a) een leerovereenkomst die wordt gesloten met toepassing van de wet van 19 juli 1983 op [3 het industrieel leerlingwezen]3;
   b) een leerovereenkomst die wordt gesloten met toepassing van de regelgeving betreffende de voortdurende vorming in de Middenstand;
   c) een leerovereenkomst die wordt gesloten met toepassing van de regelgeving tot oprichting van een stelsel voor opleiding in een bedrijf met het oog op de voorbereiding van de inschakeling van personen met een handicap in het arbeidsproces;
   d) een beroepsinlevingsovereenkomst vermeld in titel IV, hoofdstuk X, van de programmawet van 2 augustus 2002.]2

   [2 De Regering kan de in het eerste lid bedoelde categorieën wijzigen of uitbreiden en bepaalt wat moet worden verstaan onder de begrippen "opvolging verzekeren van stages" of "instaan voor opleidingen]2]1
Art. 347bis _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
   [1 [2 Les employeurs visés à l'article 335 de la présente loi bénéficient d'une réduction groupe cible pour des travailleurs qui, pendant leur période d'occupation, assurent comme tuteurs le suivi de stages ou sont responsables pour la formation dans le cadre
   a) d'un contrat d'apprentissage conclu en application de la loi du 19 juillet 1983 [3 relative à l'apprentissage industriel]3;
   b) d'un contrat d'apprentissage conclu en application de la règlementation relative à la formation continue dans les classes moyennes;
   c) d'un contrat d'apprentissage conclu en application de la règlementation instaurant un système de formation en entreprise en vue de préparer à l'intégration professionnelle de personnes handicapées;
   d) d'une convention d'immersion professionnelle, mentionnée au Titre IV, chapitre X, de la loi-programme du 2 août 2002.]2

   [2 Le Gouvernement]2 peut modifier ou étendre les catégories [2 ...]2, visées à l'alinéa 1er, et détermine ce que l'on entend par la notion de " suivi de stages " ou de " responsabilité pour des formations ".]1
Onderafdeling 6. - Collectieve arbeidsduurvermindering en Vierdagenweek.
Art.349. Les employeurs visés à l'article 335, alinéa 3, qui procèdent à une réduction de la durée du travail, dans les conditions fixées par ou en vertu de la présente sous-section , bénéficient d'une réduction groupe-cible.
Art.348. Voor de toepassing van deze onderafdeling verstaat men onder arbeidsduur, de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de voltijds tewerkgestelde werknemers, berekend over een periode van een jaar, zoals deze voortvloeit hetzij uit het werkrooster dat in het arbeidsreglement is opgenomen en dat eventueel over een cyclus wordt toegepast, hetzij uit het werkrooster gecombineerd met inhaalrustdagen toegekend in het kader van de vermindering van de arbeidsduur.
  Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt rekening gehouden met de arbeidsduur die is vastgesteld hetzij bij collectieve arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, hetzij in het arbeidsreglement.
  De Koning kan nadere regelen bepalen voor de berekening van de arbeidsduur.
Art.350. L'employeur bénéficie pendant un nombre de trimestres, à partir du trimestre qui suit l'introduction du régime de réduction de la durée du travail dans l'entreprise, d'un montant forfaitaire de réduction durant un nombre de trimestres dépendant de la durée de travail après l'introduction du régime de réduction de la durée du travail à condition que la réduction de la durée du travail soit au moins égale à une heure complète de réduction effective de la durée du travail en deçà de 38 heures par semaine et soit instituée pour une durée indéterminée. Le montant forfaitaire de cette réduction groupe-cible est octroyé par travailleur à temps plein concerné.
  Le Roi détermine les conditions et la procédure qui doivent être respectées, ainsi que le dossier et les documents qui doivent être présentés afin de pouvoir obtenir la réduction groupe-cible.
  Une réduction groupe-cible peut être accordée pour les travailleurs à temps partiel dont la rémunération doit être adaptée en raison de la réduction du temps de travail introduite conformément à l'alinéa 1 [1 et pour autant que leur durée hebdomadaire moyenne normale du travail soit d'au moins 28 heures]1.
  
Art.349. De werkgevers bedoeld in artikel 335, derde lid, die overgaan tot een arbeidsduurvermindering, volgens de voorwaarden bepaald in of krachtens deze onderafdeling, genieten een doelgroepvermindering.
  De Koning bepaalt de nadere regelen betreffende deze arbeidsduurvermindering.
Art.351. Une réduction groupe-cible est également accordée pendant un nombre de trimestres en cas d'instauration de la semaine de quatre jours dans l'entreprise. Le montant forfaitaire de cette réduction groupe-cible est octroyé par travailleur concerné.
  Le Roi détermine ce qu'il faut entendre par instauration de la semaine de quatre jours pour l'application de la présente disposition.
  Le Roi détermine les conditions et la procédure qui doit être respectée ainsi que le dossier et les documents qui doivent être présentés afin de pouvoir obtenir la réduction groupe-cible pour l'introduction de la semaine de quatre jours.
Art.350. De werkgever geniet tijdens een aantal kwartalen, vanaf het kwartaal dat volgt op de invoering van het stelsel van arbeidsduurvermindering in de onderneming, van een forfaitaire vermindering gedurende een aantal kwartalen afhankelijk van de arbeidsduur na de invoering van het stelsel van arbeidsduurvermindering onder de voorwaarden dat de arbeidsduurvermindering ten minste een vol uur arbeidsduurvermindering uitmaakt onder de 38 uren per week en werd ingesteld voor onbepaalde tijd. Het forfaitaire bedrag van de doelgroepvermindering wordt toegekend per betrokken voltijdse werknemer.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en de procedure die moeten worden nageleefd en het dossier en de documenten die moeten worden voorgelegd om de doelgroepvermindering te kunnen verkrijgen.
  Er kan een doelgroepvermindering worden toegekend voor deeltijdse werknemers van wie het loon moet worden aangepast wegens de arbeidsuurvermindering die werd ingevoerd overeenkomstig het eerste lid [1 en voor zover hun normale, gemiddelde wekelijkse arbeidsduur minimaal 28 uur bedraagt]1.
  
Art. 350. L'employeur bénéficie pendant un nombre de trimestres, à partir du trimestre qui suit l'introduction du régime de réduction de la durée du travail dans l'entreprise, d'un montant forfaitaire de réduction durant un nombre de trimestres dépendant de la durée de travail après l'introduction du régime de réduction de la durée du travail à condition que la réduction de la durée du travail soit au moins égale à une heure complète de réduction effective de la durée du travail en deçà de 38 heures par semaine et soit instituée pour une durée indéterminée. Le montant forfaitaire de cette réduction groupe-cible est octroyé par travailleur à temps plein concerné.
  Le Roi détermine les conditions et la procédure qui doivent être respectées, ainsi que le dossier et les documents qui doivent être présentés afin de pouvoir obtenir la réduction groupe-cible.
  Une réduction groupe-cible peut être accordée pour les travailleurs à temps partiel dont la rémunération doit être adaptée en raison de la réduction du temps de travail introduite conformément à l'alinéa 1 [1 et pour autant que leur durée hebdomadaire moyenne normale du travail soit d'au moins 28 heures]1.
  
Art.351. Er wordt eveneens een doelgroepvermindering toegekend tijdens een aantal kwartalen in geval van invoering van de vierdagenweek in de onderneming. Het forfaitaire bedrag van die doelgroepvermindering wordt toegekend per betrokken werknemer.
  De Koning bepaalt wat moet worden verstaan onder invoering van de vierdagenweek voor de toepassing van deze bepaling.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en de procedure die moeten worden nageleefd en het dossier en de documenten die moeten worden voorgelegd om van de doelgroepvermindering te kunnen genieten bij de invoering van de vierdagenweek.
Art. 351. Une réduction groupe-cible est également accordée pendant un nombre de trimestres en cas d'instauration de la semaine de quatre jours dans l'entreprise. Le montant forfaitaire de cette réduction groupe-cible est octroyé par travailleur concerné.
  Le Roi détermine ce qu'il faut entendre par instauration de la semaine de quatre jours pour l'application de la présente disposition.
  Le Roi détermine les conditions et la procédure qui doit être respectée ainsi que le dossier et les documents qui doivent être présentés afin de pouvoir obtenir la réduction groupe-cible pour l'introduction de la semaine de quatre jours.
Art.352. Voor de voltijds tewerkgestelde werknemers die betrokken zijn bij de arbeidsduurvermindering zoals bepaald in deze onderafdeling, is artikel 28, § 4, van de arbeidswet van 16 maart 1971 eveneens van toepassing bij overschrijding van het wekelijks aantal arbeidsuren die voortvloeien uit het werkrooster dat in het arbeidsreglement is opgenomen.
Art. 352. Pour les travailleurs occupés à temps plein et concernés par la réduction de la durée du travail telle que prévue par la présente sous-section , l'article 28, § 4, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail s'applique également en cas de dépassement du nombre d'heures hebdomadaires de travail qui résultent de l'horaire de travail prévu dans le règlement de travail.
Art.353. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is gemachtigd de voordelen die krachtens deze onderafdeling werden toegekend, terug te vorderen bij inbreuk door de werkgever op de bepalingen inzake de arbeidsduur van de arbeidswet van 16 maart 1971 of op de bepalingen van deze onderafdeling.
  Deze terugvordering gebeurt voor elk kwartaal en per werknemer waarop de inbreuk betrekking heeft.1,De terugvordering is enkel mogelijk indien de inbreuk heeft geleid hetzij tot een minnelijke schikking met de werkgever, hetzij tot een administratieve geldboete, hetzij tot een veroordeling door een strafrechtbank.
Art. 353. L'Office national de Sécurité sociale est habilité à récupérer les avantages octroyés en vertu de la présente sous-section , en cas d'infraction de l'employeur aux dispositions relatives à la durée du travail de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou aux dispositions de la présente sous-section.
  Cette récupération est effectuée pour chaque trimestre et pour chaque travailleur sur lequel porte l'infraction. La récupération ne peut s'effectuer que si l'infraction s'est soldée, soit par une transaction avec l'employeur, soit par une amende administrative, soit par une condamnation par une juridiction pénale.
Onderafdeling 7. - Herstructureringen.
Art. 353bis. Les employeurs visées à l'article 335 peuvent bénéficier d'une réduction groupes-cibles pour les travailleurs licencies dans le cadre d'une restructuration, pendant le trimestre de l'entrée en service et pendant un certain nombre de trimestres qui suivent, lorsqu'ils engagent, par l'intervention d'une cellule de mise à l'emploi, de tels travailleurs, victimes d'une restructuration.
Onderafdeling 7. WAALS_GEWEST.
Art. 353bis_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 353bis. <INGEVOEGD bij W 2003-12-22/42, art. 25 ; Inwerkingtreding : 01-07-2004> De werkgevers bedoeld in artikel 335 kunnen genieten van een doelgroepvermindering voor werknemers ontslagen in het kader van een herstructurering tijdens het kwartaal van indienstneming en tijdens een aantal kwartalen die er op volgen, wanneer zij dergelijke werknemers, slachtoffer van een herstructurering, in dienst nemen door toedoen van een tewerkstellingscel.
  [1 De bepalingen van het eerste lid zijn eveneens van toepassing op de werkgevers bedoeld in artikel 335 wanneer zij werknemers in dienst nemen die als gevolg van het faillissement, de sluiting of de vereffening van de onderneming ontslagen worden.]1
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat wordt verstaan onder werknemers ontslagen in het kader van een herstructurering, evenals wat dient te worden verstaan onder tewerkstellingscel.
  [2 Onverminderd artikel 31 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in crisis, is dit artikel van toepassing voor de werknemers die als gevolg van faillissement, sluiting of vereffening van de onderneming ontslagen worden vanaf 1 juli 2011.]2
  
Art. 353bis. Les employeurs visées à l'article 335 peuvent bénéficier d'une réduction groupes-cibles pour les travailleurs licencies dans le cadre d'une restructuration, pendant le trimestre de l'entrée en service et pendant un certain nombre de trimestres qui suivent, lorsqu'ils engagent, par l'intervention d'une cellule de mise à l'emploi, de tels travailleurs, victimes d'une restructuration.
  [1 Les dispositions de l'alinéa premier sont également d'application pour les employeurs visés à l'article 335 lorsqu'ils engagent des travailleurs licenciés suite à la faillite, la fermeture ou la liquidation de l'entreprise.]1
  Le Roi détermine, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, ce qu'il faut entendre par travailleurs licenciés dans le cadre d'une restructuration, ainsi que ce qu'il faut entendre par cellule de mise à l'emploi.
  [2 Sans préjudice de l'article 31 de la loi du 19 juin 2009 portant des dispositions diverses en matière d'emploi pendant la crise, cet article est d'application pour les travailleurs licenciés suite à la faillite, la fermeture ou la liquidation de l'entreprise à partir du 1er juillet 2011.]2
  
-
Sous-section 8. (NOTE : L'application des dispositions du titre IV, chapitre 7, section 3, sous-section 8, est prolongée jusqu'au 31 décembre 2010; voir <AR 2010-09-28/08, art. 1, 040; En vigueur : 30-09-2010>)
  [1 Adaptation temporaire de crise de la durée du travail]1
  
Art. 353bis /1.(NOTE : L'application des dispositions du titre IV, chapitre 7, section 3, sous-section 8, est prolongée jusqu'au 31 décembre 2010; voir <AR 2010-09-28/08, art. 1, 040; En vigueur : 30-09-2010>)
  [1 [2 1. Pour l'application de la présente sous-section, on entend par durée du travail, la durée hebdomadaire comme définie par l'article 348, alinéa 1er.
   Pour l'application de la présente sous-section, il est tenu compte de la durée du travail fixée, soit par convention collective de travail conclue conformément à la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires, soit par le règlement de travail.
   Le Roi peut fixer les modalités pour le calcul de la durée du travail]2
.]1

  
Art. 353bis /2.(NOTE : L'application des dispositions du titre IV, chapitre 7, section 3, sous-section 8, est prolongée jusqu'au 31 décembre 2010; voir <AR 2010-09-28/08, art. 1, 040; En vigueur : 30-09-2010>)
  [1 [3 Les employeurs visés à l'article 335, alinéa 3, qui procèdent à une adaptation temporaire de la durée du travail dans les conditions fixées par ou en vertu de la présente sous-section, au motif qu'ils sont soumis à des difficultés économiques en raison du Brexit, tel que prévu à l'article 2 de la loi du 6 mars 2020 visent à maintenir l'emploi après le retrait du Royaume-Uni de l'Union européenne, bénéficient d'une réduction groupe-cible.
   Le Roi fixe les modalités relatives à cette adaptation de la durée du travail ]3
.]1

  
Onderafdeling 8. (NOTA : De toepassing van de bepalingen van titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 8, wordt verlengd tot 31 december 2010; zie )
Art. 353bis/3.(NOTE : L'application des dispositions du titre IV, chapitre 7, section 3, sous-section 8, est prolongée jusqu'au 31 décembre 2010; voir )
Art. 353bis /1.(NOTA : De toepassing van de bepalingen van titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 8, wordt verlengd tot 31 december 2010; zie <span class="domain-tag domain-kb"><span class="domain-tag domain-kb">&lt;KB 2010-09-28/08, art. 1, 040; Inwerkingtreding : 30-09-2010&gt;</span></span>)
  [1 [2 Voor de toepassing van deze onderafdeling verstaat men onder arbeidsduur, de wekelijkse arbeidsduur zoals gedefinieerd in artikel 348, eerste lid.
   Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt rekening gehouden met de arbeidsduur die is vastgesteld hetzij bij collectieve arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, hetzij in het arbeidsreglement.
   De Koning kan nadere regelen bepalen voor de berekening van de arbeidsduur]2
.]1

  
Art. 353bis /4.(NOTE : L'application des dispositions du titre IV, chapitre 7, section 3, sous-section 8, est prolongée jusqu'au 31 décembre 2010; voir <AR 2010-09-28/08, art. 1, 040; En vigueur : 30-09-2010>)
  [1 [2 L'adaptation temporaire de la durée du travail et l'instauration de la semaine de quatre jours doivent être fixés soit par convention collective de travail, conclue au niveau de l'entreprise soit, à défaut de délégation syndicale au sein de l'entreprise, par une modification du règlement de travail, et s'appliquant à l'ensemble des travailleurs de l'entreprise ou à une catégorie spécifique de travailleurs de l'entreprise. Les conventions collectives de travail ou les dispositions du règlement de travail mentionnent explicitement qu'elles sont conclues, respectivement incluses dans le cadre du titre 2, chapitre 3 - Adaptation temporaire de la durée du travail - de la loi précitée du 6 mars 2020 visant à maintenir l'emploi après le retrait du Royaume-Uni de l'Union européenne.
   Le Roi fixe le contenu minimum de cette convention collective de travail et les procédures à suivre. Ces prescriptions sont également d'application dans l'hypothèse où l'adaptation temporaire de la durée de travail et l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours sont prévues par le règlement de travail.
   Le contenu minimum visé à l'alinéa 2 prévoit au minimum la mention claire de la date de début et de fin de l'adaptation temporaire de la durée du travail et, le cas échéant, de l'introduction temporaire de la semaine de quatre jours, et prévoit une compensation salariale. La date de début ne peut précéder la date de début de la reconnaissance comme employeur soumis à des difficultés économiques en raison du Brexit et la date de fin ne peut se situer après la date de fin de la reconnaissance. La convention collective de travail ne peut contenir de disposition autorisant une reconduction tacite.
   La compensation salariale visée à l'alinéa 3 ne peut avoir comme conséquence que le salaire brut du travailleur soit plus élevé que le salaire brut auquel il avait droit avant l'adaptation temporaire de la durée du travail. Il n'est pas tenu compte à cet égard de l'adaptation des salaires à l'indice des prix, ni des augmentations barémiques.
   Cette compensation salariale est considérée comme du salaire au sens de l'article 2 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs et de l'article 23 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés sur lequel des cotisations de sécurité sociale sont calculée]2
.]1

  
Art. 353bis /2.(NOTA : De toepassing van de bepalingen van titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 8, wordt verlengd tot 31 december 2010; zie <span class="domain-tag domain-kb"><span class="domain-tag domain-kb">&lt;KB 2010-09-28/08, art. 1, 040; Inwerkingtreding : 30-09-2010&gt;</span></span>)
  [1 [3 De werkgevers bedoeld in artikel 335, derde lid, die overgaan tot een tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur, volgens de voorwaarden bepaald in of krachtens deze onderafdeling, op grond van het feit dat ze in economische moeilijkheden verkeren als gevolg van de Brexit, zoals bepaald in artikel 2 van de wet van 6 maart 2020 tot behoud van tewerkstelling na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, genieten een doelgroepvermindering.
   De Koning bepaalt de nadere regelen betreffende deze aanpassing van de arbeidsduur]3
.]1

  
Art. 353bis /2.(NOTE : L'application des dispositions du titre IV, chapitre 7, section 3, sous-section 8, est prolongée jusqu'au 31 décembre 2010; voir <AR 2010-09-28/08, art. 1, 040; En vigueur : 30-09-2010>)
  [1 [3 Les employeurs visés à l'article 335, alinéa 3, qui procèdent à une adaptation temporaire de la durée du travail dans les conditions fixées par ou en vertu de la présente sous-section, au motif qu'ils sont soumis à des difficultés économiques en raison du Brexit, tel que prévu à l'article 2 de la loi du 6 mars 2020 visent à maintenir l'emploi après le retrait du Royaume-Uni de l'Union européenne, bénéficient d'une réduction groupe-cible.
   Le Roi fixe les modalités relatives à cette adaptation de la durée du travail ]3
.]1

  
Art. 353bis /3.(NOTA : De toepassing van de bepalingen van titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 8, wordt verlengd tot 31 december 2010; zie <span class="domain-tag domain-kb"><span class="domain-tag domain-kb">&lt;KB 2010-09-28/08, art. 1, 040; Inwerkingtreding : 30-09-2010&gt;</span></span>)
  [1 [2 De werkgever geniet vanaf het kwartaal van invoering van het stelsel van tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur in de onderneming en tot het kwartaal waarin de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur loopt, een forfaitaire doelgroepvermindering per kwartaal waarvan het forfaitaire bedrag afhangt van de procentuele aanpassing van de arbeidsduur.
   De tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur moet de arbeidsduur verminderen met een vierde of met een vijfde.
   Het forfaitaire bedrag van deze doelgroepvermindering ligt hoger ingeval de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur gecombineerd wordt met de tijdelijke invoering van de vierdagenweek in de onderneming.
   Het forfaitaire bedrag van deze doelgroepvermindering wordt toegekend per betrokken werknemer.
   De Koning bepaalt wat moet worden verstaan onder invoering van de vierdagenweek voor de toepassing van deze bepaling.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en de procedure die moeten worden nageleefd en het dossier en de documenten die moeten worden voorgelegd om de doelgroepvermindering te verkrijgen]2
.]1

  
Art. 353bis /3.(NOTE : L'application des dispositions du titre IV, chapitre 7, section 3, sous-section 8, est prolongée jusqu'au 31 décembre 2010; voir <AR 2010-09-28/08, art. 1, 040; En vigueur : 30-09-2010>)
  [1 [2 L'employeur bénéficie à partir du trimestre d'introduction du régime d'adaptation temporaire de la durée du travail dans l'entreprise et jusqu'au trimestre pendant lequel l'adaptation temporaire de la durée du travail se termine, d'une réduction forfaitaire groupe-cible pour chaque trimestre, dont le montant forfaitaire dépend du pourcentage de l'adaptation de la durée du travail.
   L'adaptation temporaire de la durée du travail doit diminuer la durée du travail d'un quart ou d'un cinquième.
   Le montant forfaitaire de cette réduction groupe-cible est plus élevé lorsque l'adaptation temporaire de la durée du travail est combinée avec l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours dans l'entreprise.
   Le montant forfaitaire de cette réduction groupe-cible est octroyé par travailleur concerné.
   Le Roi détermine ce qu'il faut entendre par instauration de la semaine de quatre jours pour l'application de la présente disposition.
   Le Roi détermine les conditions et la procédure qui doivent être respectées, ainsi que le dossier et les documents qui doivent être présentés afin de pouvoir obtenir la réduction groupe-cible]2
.]1

  
Art. 353bis /4.(NOTA : De toepassing van de bepalingen van titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 8, wordt verlengd tot 31 december 2010; zie <span class="domain-tag domain-kb"><span class="domain-tag domain-kb">&lt;KB 2010-09-28/08, art. 1, 040; Inwerkingtreding : 30-09-2010&gt;</span></span>)
  [1 [2 De tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en de invoering van de vierdagenweek moeten worden vastgesteld bij een op het niveau van de onderneming gesloten collectieve arbeidsovereenkomst of, wanneer er binnen de onderneming geen vakbondsafvaardiging is, bij een wijziging van het arbeidsreglement, en moeten van toepassing zijn op het geheel van de werknemers van de onderneming of op een specifieke categorie van werknemers van de onderneming. De collectieve arbeidsovereenkomsten of de bepalingen in het arbeidsreglement vermelden uitdrukkelijk dat ze gesloten, respectievelijk opgenomen worden in het kader van Titel 2, hoofdstuk 3 - Tijdelijke aanpassing van de Arbeidsduur - van de voornoemde wet van 6 maart 2020 tot behoud van tewerkstelling na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie.
   De Koning bepaalt de minimale inhoud van de bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst en de na te leven procedures. Deze voorschriften zijn eveneens van toepassing wanneer de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en de tijdelijke invoering van de vierdagenweek in het arbeidsreglement zijn opgenomen.
   De minimale inhoud bedoeld in het tweede lid bevat op zijn minst de duidelijke vermelding van de begin- en einddatum van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en, in voorkomend geval, van de tijdelijke invoering van de vierdagenweek, en voorziet in een looncompensatie. De begindatum mag de begindatum van erkenning als werkgever die in economische moeilijkheden verkeert als gevolg van de Brexit, niet voorafgaan en de einddatum mag niet vallen na de einddatum van deze erkenning. De collectieve arbeidsovereenkomst mag geen bepaling bevatten waardoor zij stilzwijgend verlengd kan worden.
   De looncompensatie bedoeld in het derde lid, mag niet tot gevolg hebben dat het brutoloon van de werknemer hoger is dan het brutoloon waarop hij recht had vóór de invoering van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de aanpassing van de lonen aan de index en aan de baremieke loonsverhogingen.
   Deze looncompensatie is loon in de zin van artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers en van artikel 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, waarop socialezekerheidsbijdragen worden berekend ]2
.]1

  
Art. 353bis /4.(NOTE : L'application des dispositions du titre IV, chapitre 7, section 3, sous-section 8, est prolongée jusqu'au 31 décembre 2010; voir <AR 2010-09-28/08, art. 1, 040; En vigueur : 30-09-2010>)
  [1 [2 L'adaptation temporaire de la durée du travail et l'instauration de la semaine de quatre jours doivent être fixés soit par convention collective de travail, conclue au niveau de l'entreprise soit, à défaut de délégation syndicale au sein de l'entreprise, par une modification du règlement de travail, et s'appliquant à l'ensemble des travailleurs de l'entreprise ou à une catégorie spécifique de travailleurs de l'entreprise. Les conventions collectives de travail ou les dispositions du règlement de travail mentionnent explicitement qu'elles sont conclues, respectivement incluses dans le cadre du titre 2, chapitre 3 - Adaptation temporaire de la durée du travail - de la loi précitée du 6 mars 2020 visant à maintenir l'emploi après le retrait du Royaume-Uni de l'Union européenne.
   Le Roi fixe le contenu minimum de cette convention collective de travail et les procédures à suivre. Ces prescriptions sont également d'application dans l'hypothèse où l'adaptation temporaire de la durée de travail et l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours sont prévues par le règlement de travail.
   Le contenu minimum visé à l'alinéa 2 prévoit au minimum la mention claire de la date de début et de fin de l'adaptation temporaire de la durée du travail et, le cas échéant, de l'introduction temporaire de la semaine de quatre jours, et prévoit une compensation salariale. La date de début ne peut précéder la date de début de la reconnaissance comme employeur soumis à des difficultés économiques en raison du Brexit et la date de fin ne peut se situer après la date de fin de la reconnaissance. La convention collective de travail ne peut contenir de disposition autorisant une reconduction tacite.
   La compensation salariale visée à l'alinéa 3 ne peut avoir comme conséquence que le salaire brut du travailleur soit plus élevé que le salaire brut auquel il avait droit avant l'adaptation temporaire de la durée du travail. Il n'est pas tenu compte à cet égard de l'adaptation des salaires à l'indice des prix, ni des augmentations barémiques.
   Cette compensation salariale est considérée comme du salaire au sens de l'article 2 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs et de l'article 23 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés sur lequel des cotisations de sécurité sociale sont calculée]2
.]1

  
Art. 353bis /5.(NOTA : De toepassing van de bepalingen van titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 8, wordt verlengd tot 31 december 2010; zie <span class="domain-tag domain-kb"><span class="domain-tag domain-kb">&lt;KB 2010-09-28/08, art. 1, 040; Inwerkingtreding : 30-09-2010&gt;</span></span>)
  [1 [2 Voor de voltijds tewerkgestelde werknemers die betrokken zijn bij de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur zoals bepaald in deze onderafdeling, is artikel 28, § 4, van de arbeidswet van 16 maart 1971 eveneens van toepassing bij overschrijding van het wekelijks aantal arbeidsuren die voortvloeien uit het werkrooster dat in het arbeidsreglement is opgenomen]2.]1
  
Art. 353bis /5.(NOTE : L'application des dispositions du titre IV, chapitre 7, section 3, sous-section 8, est prolongée jusqu'au 31 décembre 2010; voir <AR 2010-09-28/08, art. 1, 040; En vigueur : 30-09-2010>)
  [1 [2 Pour les travailleurs occupés à temps plein et concernés par l'adaptation temporaire de la durée du travail telle que prévue par la présente sous-section, l'article 28, § 4, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail s'applique également en cas de dépassement du nombre hebdomadaire d'heures de travail qui résultent de l'horaire de travail prévu dans le règlement de travail]2.]1
  
Art. 353bis /6.(NOTA : De toepassing van de bepalingen van titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 8, wordt verlengd tot 31 december 2010; zie <span class="domain-tag domain-kb"><span class="domain-tag domain-kb">&lt;KB 2010-09-28/08, art. 1, 040; Inwerkingtreding : 30-09-2010&gt;</span></span>)
  [1 [2 De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is gemachtigd de voordelen die krachtens deze onderafdeling werden toegekend, terug te vorderen bij inbreuk door de werkgever op de bepalingen inzake de arbeidsduur van de arbeidswet van 16 maart 1971 of op de bepalingen van deze onderafdeling.
   Deze terugvordering gebeurt voor elk kwartaal en per werknemer waarop de inbreuk betrekking heeft.
   De terugvordering is enkel mogelijk indien de inbreuk heeft geleid hetzij tot een minnelijke schikking met de werkgever, hetzij tot een administratieve geldboete, hetzij tot een veroordeling door een strafrechtbank]2
.]1

  
Art. 353bis /6.(NOTE : L'application des dispositions du titre IV, chapitre 7, section 3, sous-section 8, est prolongée jusqu'au 31 décembre 2010; voir <AR 2010-09-28/08, art. 1, 040; En vigueur : 30-09-2010>)
  [1 [2 L'Office national de Sécurité sociale est habilité à récupérer les avantages octroyés en vertu de la présente sous-section, en cas d'infraction de l'employeur aux dispositions relatives à la durée du travail de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou aux dispositions de la présente sous-section.
   Cette récupération est effectuée pour chaque trimestre et pour chaque travailleur sur lequel porte l'infraction.
   La récupération ne peut s'effectuer que si l'infraction s'est soldée, soit par une transaction avec l'employeur, soit par une amende administrative, soit par une condamnation par une juridiction pénale]2
.]1

  
Art. 353bis /7.(NOTA : De toepassing van de bepalingen van titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 8, wordt verlengd tot 31 december 2010; zie <span class="domain-tag domain-kb"><span class="domain-tag domain-kb">&lt;KB 2010-09-28/08, art. 1, 040; Inwerkingtreding : 30-09-2010&gt;</span></span>)
  [1 [2 Wanneer gedurende de periode van tijdelijke crisisaanpassing van de arbeidsduur, de werkgever de arbeidsovereenkomst beëindigt zoals bedoeld in artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, wordt onder "lopend loon" begrepen het loon waarop de werknemer op het ogenblik van de beëindiging aanspraak had kunnen maken indien zijn arbeidsduur niet was aangepast]2.]1
  
Art. 353bis /7.(NOTE : L'application des dispositions du titre IV, chapitre 7, section 3, sous-section 8, est prolongée jusqu'au 31 décembre 2010; voir <AR 2010-09-28/08, art. 1, 040; En vigueur : 30-09-2010>)
  [1 [2 En cas de congé visé par l'article 39 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, donné par l'employeur pendant la période d'adaptation temporaire de crise de la durée du travail, on entend par "rémunération en cours" la rémunération à laquelle le travailleur aurait eu droit au moment du congé si la durée du travail n'avait pas été adaptée ]2.]1
  
Onderafdeling 8/1. [1 - Tijdelijke arbeidsduurvermindering in het kader van de COVID-19 pandemie.]1
Art. 353bis/7/3. [1 Les employeurs visés à l'article 353bis/7/1 qui procèdent à une adaptation temporaire de la durée du travail dans les conditions fixées par ou en vertu de la présente sous-section bénéficient d'une réduction groupe-cible.
Art. 353bis /7/1. [1 Deze onderafdeling is van toepassing op de werkgever bedoeld in artikel 335, derde lid, op wie een erkenning als onderneming in herstructurering of als onderneming in moeilijkheden van toepassing is, zoals bedoeld in artikel 4, tweede en derde lid, van het koninklijk besluit nr. 46 van 26 juin 2020 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 5° van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) tot ondersteuning van de werkgevers en de werknemers, waarvan het begin van de erkenning ten vroegste aanvangt op 1 maart 2020 en ten laatste op 31 december 2020.]1
  
Art. 353bis /7/4. [1 L'employeur bénéficie à partir du trimestre d'introduction du régime d'adaptation temporaire de la durée du travail dans l'entreprise et jusqu'au trimestre pendant lequel l'adaptation temporaire de la durée du travail se termine, d'une réduction forfaitaire groupe-cible pour chaque trimestre, dont le montant forfaitaire dépend du pourcentage de l'adaptation de la durée du travail, à condition que la durée du travail ait diminué d'un quart ou d'un cinquième.
   Le montant forfaitaire de cette réduction groupe-cible est plus élevé lorsque l'adaptation temporaire de la durée du travail est combinée avec l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours dans l'entreprise.
   Le montant forfaitaire de cette réduction groupe-cible est octroyé par travailleur concerné.
   Le Roi détermine ce qu'il faut entendre par instauration de la semaine de quatre jours pour l'application de la présente disposition.
   Le Roi détermine les conditions et la procédure qui doivent être respectées, ainsi que le dossier et les documents qui doivent être présentés afin de pouvoir obtenir la réduction groupe-cible.]1

  
Art. 353bis /7/2. [1 Het begrip "arbeidsduur" in de zin van deze onderafdeling dient te worden verstaan zoals het gedefinieerd wordt in artikel 348, eerste lid.
   Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt rekening gehouden met de arbeidsduur die is vastgesteld hetzij bij collectieve arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, hetzij in het arbeidsreglement.
   De Koning kan nadere regelen bepalen voor de berekening van de arbeidsduur.]1

  
Art. 353bis /7/5. [1 L'adaptation temporaire de la durée du travail et l'instauration de la semaine de quatre jours doivent être fixés soit par convention collective de travail, conclue au niveau de l'entreprise soit, à défaut de délégation syndicale au sein de l'entreprise, par une modification du règlement de travail, et s'appliquant à l'ensemble des travailleurs de l'entreprise ou à une catégorie spécifique de travailleurs de l'entreprise. Les conventions collectives de travail ou les dispositions du règlement de travail mentionnent explicitement qu'elles sont respectivement conclues dans le cadre de la Sous-section 8/1 - Réduction temporaire de la durée de travail dans le cadre de la pandémie COVID-19 - titre IV, chapitre 7, section 3, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.
   Le Roi fixe le contenu minimum de cette convention collective de travail et les procédures à suivre. Ces prescriptions sont également d'application dans l'hypothèse où l'adaptation temporaire de la durée du travail et l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours sont prévues par le règlement de travail.
   L'adaptation temporaire de la durée du travail et l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours, ne peuvent être introduite que pour une période d'une année au maximum, dont les dates de début et de fin tombent dans la période de reconnaissance comme entreprise en restructuration ou comme entreprise en difficulté, dont la date de début de la reconnaissance est antérieure au 1er janvier 2021. La date de début de l'adaptation de la durée du travail et de l'instauration de la semaine de quatre jours, ne peut précéder la date d'entrée en vigueur de la présente sous-section.
   Le contenu minimum visé à l'alinéa 2 prévoit au moins la mention claire de la date de début et de fin de l'adaptation temporaire de la durée du travail et, le cas échéant, de l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours, et prévoit une compensation salariale. La convention collective de travail, ou, le cas échéant, le règlement de travail, ne peut contenir de disposition autorisant une reconduction tacite.
   La compensation salariale visée à l'alinéa 4 ne peut avoir comme conséquence que le salaire brut du travailleur soit plus élevé que le salaire brut auquel il avait droit avant l'adaptation temporaire de la durée du travail. Il n'est pas tenu compte à cet égard de l'adaptation des salaires à l'indice des prix, ni des augmentations barémiques.
   Cette compensation salariale est considérée comme de la rémunération au sens de l'article 2 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs et de l'article 23 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés sur lequel des cotisations de sécurité sociale sont calculées.]1

  
Art. 353bis /7/3. [1 De werkgevers bedoeld in artikel 353bis/7/1, die overgaan tot een tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur, genieten een doelgroepvermindering volgens de voorwaarden bepaald in of krachtens deze onderafdeling.
   De Koning bepaalt de nadere regelen betreffende deze aanpassing van de arbeidsduur.]1

  
Art. 353bis /7/6. [1 Pour les travailleurs occupés à temps plein et concernés par l'adaptation temporaire de la durée du travail telle que prévue par la présente sous-section, l'article 28, § 4, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail s'applique également en cas de dépassement du nombre hebdomadaire d'heures de travail qui résultent de l'horaire de travail prévu dans le règlement de travail.]1
  
Art. 353bis /7/4. [1 De werkgever geniet vanaf het kwartaal van invoering van het stelsel van tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur in de onderneming en tot het kwartaal waarin de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur loopt, een forfaitaire doelgroepvermindering per kwartaal waarvan het forfaitaire bedrag afhangt van de procentuele aanpassing van de arbeidsduur, op voorwaarde dat de arbeidsduur met een vierde of met een vijfde wordt verminderd.
   Het forfaitaire bedrag van deze doelgroepvermindering ligt hoger ingeval de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur gecombineerd wordt met de tijdelijke invoering van de vierdagenweek in de onderneming.
   Het forfaitaire bedrag van deze doelgroepvermindering wordt toegekend per betrokken werknemer.
   De Koning bepaalt wat moet worden verstaan onder invoering van de vierdagenweek voor de toepassing van deze bepaling.
   De Koning bepaalt de voorwaarden en de procedure die moeten worden nageleefd en het dossier en de documenten die moeten worden voorgelegd om de doelgroepvermindering te verkrijgen.]1

  
Art. 353bis /7/4. [1 L'employeur bénéficie à partir du trimestre d'introduction du régime d'adaptation temporaire de la durée du travail dans l'entreprise et jusqu'au trimestre pendant lequel l'adaptation temporaire de la durée du travail se termine, d'une réduction forfaitaire groupe-cible pour chaque trimestre, dont le montant forfaitaire dépend du pourcentage de l'adaptation de la durée du travail, à condition que la durée du travail ait diminué d'un quart ou d'un cinquième.
   Le montant forfaitaire de cette réduction groupe-cible est plus élevé lorsque l'adaptation temporaire de la durée du travail est combinée avec l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours dans l'entreprise.
   Le montant forfaitaire de cette réduction groupe-cible est octroyé par travailleur concerné.
   Le Roi détermine ce qu'il faut entendre par instauration de la semaine de quatre jours pour l'application de la présente disposition.
   Le Roi détermine les conditions et la procédure qui doivent être respectées, ainsi que le dossier et les documents qui doivent être présentés afin de pouvoir obtenir la réduction groupe-cible.]1

  
Art. 353bis /7/5. [1 De tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en de invoering van de vierdagenweek moeten worden vastgesteld bij een op het niveau van de onderneming gesloten collectieve arbeidsovereenkomst of, wanneer er binnen de onderneming geen vakbondsafvaardiging is, bij een wijziging van het arbeidsreglement, en moeten van toepassing zijn op het geheel van de werknemers van de onderneming of op een specifieke categorie van werknemers van de onderneming. De collectieve arbeidsovereenkomsten of de bepalingen in het arbeidsreglement vermelden uitdrukkelijk dat ze gesloten, respectievelijk opgenomen worden in het kader van onderafdeling 8/1 - Tijdelijke arbeidsduurvermindering in het kader van de COVID-19 pandemie - titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, van de programmawet (I) van 24 december 2002.
   De Koning bepaalt de minimale inhoud van de bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst en de na te leven procedures. Deze voorschriften zijn eveneens van toepassing wanneer de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en de tijdelijke invoering van de vierdagenweek in het arbeidsreglement zijn opgenomen.
   De tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en van de tijdelijke invoering van de vierdagenweek, kunnen ingevoerd worden voor een periode van maximum één jaar, waarvan zowel de begin- als einddatum vallen binnen de periode van erkenning als onderneming in herstructurering of als onderneming in moeilijkheden, waarvan de begindatum van de erkenning 1 januari 2021 voorafgaat. De begindatum van de aanpassing van de arbeidsduur en de invoering van de vierdagenweek mag de begindatum van de inwerkingtreding van deze onderafdeling, niet voorafgaan.
   De minimale inhoud bedoeld in het tweede lid bevat op zijn minst de duidelijke vermelding van de begin- en einddatum van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en, in voorkomend geval, van de tijdelijke invoering van de vierdagenweek, en voorziet in een looncompensatie. De collectieve arbeidsovereenkomst, of desgevallend het arbeidsreglement, mag geen bepaling bevatten waardoor zij stilzwijgend verlengd kan worden.
   De looncompensatie bedoeld in het vierde lid, mag niet tot gevolg hebben dat het brutoloon van de werknemer hoger is dan het brutoloon waarop hij recht had vóór de invoering van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de aanpassing van de lonen aan de index en aan de baremieke loonsverhogingen.
   Deze looncompensatie is loon in de zin van artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers en van artikel 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, waarop sociale zekerheidsbijdragen worden berekend.]1

  
Art. 353bis /7/5. [1 L'adaptation temporaire de la durée du travail et l'instauration de la semaine de quatre jours doivent être fixés soit par convention collective de travail, conclue au niveau de l'entreprise soit, à défaut de délégation syndicale au sein de l'entreprise, par une modification du règlement de travail, et s'appliquant à l'ensemble des travailleurs de l'entreprise ou à une catégorie spécifique de travailleurs de l'entreprise. Les conventions collectives de travail ou les dispositions du règlement de travail mentionnent explicitement qu'elles sont respectivement conclues dans le cadre de la Sous-section 8/1 - Réduction temporaire de la durée de travail dans le cadre de la pandémie COVID-19 - titre IV, chapitre 7, section 3, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.
   Le Roi fixe le contenu minimum de cette convention collective de travail et les procédures à suivre. Ces prescriptions sont également d'application dans l'hypothèse où l'adaptation temporaire de la durée du travail et l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours sont prévues par le règlement de travail.
   L'adaptation temporaire de la durée du travail et l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours, ne peuvent être introduite que pour une période d'une année au maximum, dont les dates de début et de fin tombent dans la période de reconnaissance comme entreprise en restructuration ou comme entreprise en difficulté, dont la date de début de la reconnaissance est antérieure au 1er janvier 2021. La date de début de l'adaptation de la durée du travail et de l'instauration de la semaine de quatre jours, ne peut précéder la date d'entrée en vigueur de la présente sous-section.
   Le contenu minimum visé à l'alinéa 2 prévoit au moins la mention claire de la date de début et de fin de l'adaptation temporaire de la durée du travail et, le cas échéant, de l'instauration temporaire de la semaine de quatre jours, et prévoit une compensation salariale. La convention collective de travail, ou, le cas échéant, le règlement de travail, ne peut contenir de disposition autorisant une reconduction tacite.
   La compensation salariale visée à l'alinéa 4 ne peut avoir comme conséquence que le salaire brut du travailleur soit plus élevé que le salaire brut auquel il avait droit avant l'adaptation temporaire de la durée du travail. Il n'est pas tenu compte à cet égard de l'adaptation des salaires à l'indice des prix, ni des augmentations barémiques.
   Cette compensation salariale est considérée comme de la rémunération au sens de l'article 2 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs et de l'article 23 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés sur lequel des cotisations de sécurité sociale sont calculées.]1

  
Art. 353bis /7/6. [1 Voor de voltijds tewerkgestelde werknemers die betrokken zijn bij de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur zoals bepaald in deze onderafdeling, is artikel 28, § 4, van de arbeidswet van 16 maart 1971 eveneens van toepassing bij overschrijding van het wekelijks aantal arbeidsuren die voortvloeien uit het werkrooster dat in het arbeidsreglement is opgenomen.]1
  
Sous-section 9. [1 Réduction de cotisations forfaitaire pour des travailleurs fixes avec un contrat de travail à temps plein dans l'horeca.]1
  

Wijzigingen

Cette réduction groupe-cible n'est applicable que pour les employeurs qui utilisent par unité d'établissement la caisse enregistreuse, visé à l'arrêté royal du 30 décembre 2009 fixant la définition et les conditions auxquelles doit répondre un système de caisse enregistreuse dans le secteur horeca et qui l'ont déclaré auprès du fisc conformément à l'arrêté royal précité du 30 décembre 2009.
Cette réduction groupe-cible est applicable pour 5 travailleurs fixes à temps plein au choix pendant un nombre de trimestres à déterminer, qui peut être indéterminé.
Cette période de référence et la façon de calculer la moyenne des travailleurs employés pendant cette période de référence, sont déterminés par le Roi.
Le Roi détermine pour cette sous-section, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le montant de la réduction, le nombre de trimestres pour lequel la réduction est applicable, la notion de "travailleur fixe" et de "contrat de travail à temps plein" et les conditions sur le plan de l'enregistrement des travailleurs pour l'obtention de la réduction.
----------
----------
Art. 353bis /7/7. [1 De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is gemachtigd de voordelen die krachtens deze onderafdeling werden toegekend, terug te vorderen bij inbreuk door de werkgever op de bepalingen inzake de arbeidsduur van de arbeidswet van 16 maart 1971 of op de bepalingen van deze onderafdeling.
   Deze terugvordering gebeurt voor elk kwartaal en per werknemer waarop de inbreuk betrekking heeft.
   De terugvordering is enkel mogelijk indien de inbreuk heeft geleid hetzij tot een minnelijke schikking met de werkgever, hetzij tot een administratieve geldboete, hetzij tot een veroordeling door een strafrechtbank.]1

  
Art. 353bis /9. [1 Les pouvoirs publics et ceux qui y sont assimilés, tels que visés à l'article 93 de la loi-programme du 30 décembre 1988, peuvent bénéficier d'une réduction groupe-cible pour :
   1° des contractuels subventionnés qu'ils occupent sous les conditions du chapitre 2 du titre III de la loi-programme du 30 décembre 1988, au maximum à concurrence d'un montant forfaitaire déterminé par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
   2° les travailleurs contractuels en remplacement de fonctionnaires bénéficiant d'une interruption de carrière instaurée par les articles 99 à 107 de la loi du 22 janvier 1985 de redressement contenant des dispositions sociales, et ce même si aucune prime n'est due pour leur occupation.
   Les employeurs visés à l'article 335 de la présente loi peuvent aussi bénéficier d'une réduction groupe-cible, au maximum à concurrence d'un montant forfaitaire déterminé par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pour :
   1° les travailleurs contractuels visés à l'article 9, § 1er, à l'article 10quater, § 1er, et à l'article 12, § 1er, de la loi du 10 avril 1995 relative à la redistribution du travail dans le secteur public;
   2° les travailleurs contractuels en remplacement de membres du personnel visés à l'article 4 de la loi du 19 juillet 2012 relative à la semaine de quatre jours et au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public.]1

  
Art. 353bis /7/8. [1 Wanneer gedurende de periode van tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur bedoeld in deze onderafdeling, de werkgever de arbeidsovereenkomst beëindigt zoals bedoeld in artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, wordt onder "lopend loon" begrepen het loon waarop de werknemer op het ogenblik van de beëindiging aanspraak had kunnen maken indien zijn arbeidsduur niet was aangepast.]1
  
Art. 353bis /9_REGION_WALLONNE.    [1 Les pouvoirs publics et ceux qui y sont assimilés, tels que visés à l'article 93 de la loi-programme du 30 décembre 1988, peuvent bénéficier d'une réduction groupe-cible pour :   1° [2 ...]2   2° les travailleurs contractuels en remplacement de fonctionnaires bénéficiant d'une interruption de carrière instaurée par les articles 99 à 107 de la loi du 22 janvier 1985 de redressement contenant des dispositions sociales, et ce même si aucune prime n'est due pour leur occupation.   Les employeurs visés à l'article 335 de la présente loi peuvent aussi bénéficier d'une réduction groupe-cible, au maximum à concurrence d'un montant forfaitaire déterminé par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pour :   1° les travailleurs contractuels visés à l'article 9, § 1er, à l'article 10quater, § 1er, et à l'article 12, § 1er, de la loi du 10 avril 1995 relative à la redistribution du travail dans le secteur public;   2° les travailleurs contractuels en remplacement de membres du personnel visés à l'article 4 de la loi du 19 juillet 2012 relative à la semaine de quatre jours et au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public.]1  
Onderafdeling 9. [1 Forfaitaire bijdragevermindering voor vaste werknemers met een voltijdse arbeidsovereenkomst in de horeca.]1
Art. 353bis/9_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. &nbsp;&nbsp; [1 Les pouvoirs publics et ceux qui y sont assimilés, tels que visés à l'article 93 de la loi-programme du 30 décembre 1988, peuvent bénéficier d'une réduction groupe-cible pour :&nbsp;&nbsp; 1° [2 ...]2&nbsp;&nbsp; 2° les travailleurs contractuels en remplacement de fonctionnaires bénéficiant d'une interruption de carrière instaurée par les articles 99 à 107 de la loi du 22 janvier 1985 de redressement contenant des dispositions sociales, et ce même si aucune prime n'est due pour leur occupation.&nbsp;&nbsp; Les employeurs visés à l'article 335 de la présente loi peuvent aussi bénéficier d'une réduction groupe-cible, au maximum à concurrence d'un montant forfaitaire déterminé par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pour :&nbsp;&nbsp; 1° les travailleurs contractuels visés à l'article 9, § 1er, à l'article 10quater, § 1er, et à l'article 12, § 1er, de la loi du 10 avril 1995 relative à la redistribution du travail dans le secteur public;&nbsp;&nbsp; 2° les travailleurs contractuels en remplacement de membres du personnel visés à l'article 4 de la loi du 19 juillet 2012 relative à la semaine de quatre jours et au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public.]1&nbsp;&nbsp;
Art. 353bis /8. [1 Werkgevers bedoeld in artikel 335 die ressorteren onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf en die gemiddeld maximum 49 werknemers tewerkstelden gedurende een te bepalen referteperiode, kunnen aanspraak maken op een doelgroepvermindering.
   De doelgroepvermindering is enkel van toepassing voor de werkgevers die per vestigingseenheid gebruik maken van het geregistreerd kassasysteem, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen, en die deze kassa hebben aangegeven bij de fiscus overeenkomstig bovenvermeld koninklijk besluit van 30 december 2009.
   Deze doelgroepvermindering geldt voor 5 vaste voltijdse werknemers naar keuze gedurende een te bepalen aantal kwartalen, dat mogelijk onbeperkt is.
   Deze referteperiode en de wijze waarop het gemiddelde van de tijdens deze referteperiode tewerkgestelde werknemers wordt berekend, worden bepaald door de Koning.
   De Koning bepaalt voor deze onderafdeling, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van de vermindering, het aantal kwartalen waarvoor de vermindering geldt, de noties "vaste werknemer" en "voltijdse arbeidsovereenkomst" en de voorwaarden op vlak van registratie van de werknemers voor het verkrijgen van de vermindering.]1

  
Art. 353bis /8. [1 Les employeurs mentionnés à l'article 335 qui ressortissent de la Commission paritaire de l'industrie hôtelière et qui emploient en moyenne au maximum 49 travailleurs durant une période de référence à déterminer, peuvent bénéficier d'une réduction groupe-cible.
   Cette réduction groupe-cible n'est applicable que pour les employeurs qui utilisent par unité d'établissement la caisse enregistreuse, visé à l'arrêté royal du 30 décembre 2009 fixant la définition et les conditions auxquelles doit répondre un système de caisse enregistreuse dans le secteur horeca et qui l'ont déclaré auprès du fisc conformément à l'arrêté royal précité du 30 décembre 2009.
   Cette réduction groupe-cible est applicable pour 5 travailleurs fixes à temps plein au choix pendant un nombre de trimestres à déterminer, qui peut être indéterminé.
   Cette période de référence et la façon de calculer la moyenne des travailleurs employés pendant cette période de référence, sont déterminés par le Roi.
   Le Roi détermine pour cette sous-section, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le montant de la réduction, le nombre de trimestres pour lequel la réduction est applicable, la notion de "travailleur fixe" et de "contrat de travail à temps plein" et les conditions sur le plan de l'enregistrement des travailleurs pour l'obtention de la réduction.]1

  
Onderafdeling 10. [1 - Gesubsidieerde contractuelen.]1
Art. 353bis/10. [1 Les employeurs visés à l'article 335 peuvent bénéficier d'une réduction groupe-cible pour des contractuels subventionnés qu'ils occupent sous les conditions de l'arrêté royal n° 474 du 28 octobre 1986 portant création d'un régime de contractuels subsidiés par l'Etat auprès de certains pouvoirs locaux, au maximum à concurrence d'un montant forfaitaire déterminé par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres.]1
Art. 353bis /9. [1 De openbare besturen en wie er mee gelijkgesteld wordt, zoals bedoeld in artikel 93 van de programmawet van 30 december 1988, kunnen een doelgroepvermindering genieten voor :
   1° de gesubsidieerde contractuelen die ze tewerkstellen onder de voorwaarden van hoofdstuk 2 van titel III van de programmawet van 30 december 1988, maximaal ten belope van een door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad forfaitair bedrag.
   2° de contractuele werknemers die zij tewerkstellen ter vervanging van ambtenaren die genieten van de loopbaanonderbreking ingevoerd door de artikelen 99 tot 107 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, en dit, zelfs ingeval er geen enkele premie verschuldigd is voor hun tewerkstelling.
   De werkgevers bedoeld in artikel 335 van deze wet kunnen ook een doelgroepvermindering genieten, maximaal ten belope van een door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaald forfaitair bedrag voor :
   1° de contractuele werknemers bedoeld in artikel 9, § 1, artikel 10quater, § 1, en artikel 12, § 1, van de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector;
   2° de contractuele werknemers die zij tewerkstellen ter vervanging van de in artikel 4 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector bedoelde personeelsleden.]1

  
Art. 353bis /9. [1 Les pouvoirs publics et ceux qui y sont assimilés, tels que visés à l'article 93 de la loi-programme du 30 décembre 1988, peuvent bénéficier d'une réduction groupe-cible pour :
   1° des contractuels subventionnés qu'ils occupent sous les conditions du chapitre 2 du titre III de la loi-programme du 30 décembre 1988, au maximum à concurrence d'un montant forfaitaire déterminé par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
   2° les travailleurs contractuels en remplacement de fonctionnaires bénéficiant d'une interruption de carrière instaurée par les articles 99 à 107 de la loi du 22 janvier 1985 de redressement contenant des dispositions sociales, et ce même si aucune prime n'est due pour leur occupation.
   Les employeurs visés à l'article 335 de la présente loi peuvent aussi bénéficier d'une réduction groupe-cible, au maximum à concurrence d'un montant forfaitaire déterminé par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pour :
   1° les travailleurs contractuels visés à l'article 9, § 1er, à l'article 10quater, § 1er, et à l'article 12, § 1er, de la loi du 10 avril 1995 relative à la redistribution du travail dans le secteur public;
   2° les travailleurs contractuels en remplacement de membres du personnel visés à l'article 4 de la loi du 19 juillet 2012 relative à la semaine de quatre jours et au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public.]1

  
Art. 353bis /9_WAALS_GEWEST.
   [1 De openbare besturen en wie er mee gelijkgesteld wordt, zoals bedoeld in artikel 93 van de programmawet van 30 december 1988, kunnen een doelgroepvermindering genieten voor :
   1° [2 ...]2
   2° de contractuele werknemers die zij tewerkstellen ter vervanging van ambtenaren die genieten van de loopbaanonderbreking ingevoerd door de artikelen 99 tot 107 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, en dit, zelfs ingeval er geen enkele premie verschuldigd is voor hun tewerkstelling.
   De werkgevers bedoeld in artikel 335 van deze wet kunnen ook een doelgroepvermindering genieten, maximaal ten belope van een door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaald forfaitair bedrag voor :
   1° de contractuele werknemers bedoeld in artikel 9, § 1, artikel 10quater, § 1, en artikel 12, § 1, van de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector;
   2° de contractuele werknemers die zij tewerkstellen ter vervanging van de in artikel 4 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector bedoelde personeelsleden.]1
Art. 353bis /9_REGION_WALLONNE.
   [1 Les pouvoirs publics et ceux qui y sont assimilés, tels que visés à l'article 93 de la loi-programme du 30 décembre 1988, peuvent bénéficier d'une réduction groupe-cible pour :
   1° [2 ...]2
   2° les travailleurs contractuels en remplacement de fonctionnaires bénéficiant d'une interruption de carrière instaurée par les articles 99 à 107 de la loi du 22 janvier 1985 de redressement contenant des dispositions sociales, et ce même si aucune prime n'est due pour leur occupation.
   Les employeurs visés à l'article 335 de la présente loi peuvent aussi bénéficier d'une réduction groupe-cible, au maximum à concurrence d'un montant forfaitaire déterminé par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pour :
   1° les travailleurs contractuels visés à l'article 9, § 1er, à l'article 10quater, § 1er, et à l'article 12, § 1er, de la loi du 10 avril 1995 relative à la redistribution du travail dans le secteur public;
   2° les travailleurs contractuels en remplacement de membres du personnel visés à l'article 4 de la loi du 19 juillet 2012 relative à la semaine de quatre jours et au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public.]1
Art. 353bis /9_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   [1 De openbare besturen en wie er mee gelijkgesteld wordt, zoals bedoeld in artikel 93 van de programmawet van 30 december 1988, kunnen een doelgroepvermindering genieten voor :
   1° [2 ...]2
   2° de contractuele werknemers die zij tewerkstellen ter vervanging van ambtenaren die genieten van de loopbaanonderbreking ingevoerd door de artikelen 99 tot 107 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, en dit, zelfs ingeval er geen enkele premie verschuldigd is voor hun tewerkstelling.
   De werkgevers bedoeld in artikel 335 van deze wet kunnen ook een doelgroepvermindering genieten, maximaal ten belope van een door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaald forfaitair bedrag voor :
   1° de contractuele werknemers bedoeld in artikel 9, § 1, artikel 10quater, § 1, en artikel 12, § 1, van de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector;
   2° de contractuele werknemers die zij tewerkstellen ter vervanging van de in artikel 4 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector bedoelde personeelsleden.]1
Art. 353bis /9_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
   [1 Les pouvoirs publics et ceux qui y sont assimilés, tels que visés à l'article 93 de la loi-programme du 30 décembre 1988, peuvent bénéficier d'une réduction groupe-cible pour :
   1° [2 ...]2
   2° les travailleurs contractuels en remplacement de fonctionnaires bénéficiant d'une interruption de carrière instaurée par les articles 99 à 107 de la loi du 22 janvier 1985 de redressement contenant des dispositions sociales, et ce même si aucune prime n'est due pour leur occupation.
   Les employeurs visés à l'article 335 de la présente loi peuvent aussi bénéficier d'une réduction groupe-cible, au maximum à concurrence d'un montant forfaitaire déterminé par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pour :
   1° les travailleurs contractuels visés à l'article 9, § 1er, à l'article 10quater, § 1er, et à l'article 12, § 1er, de la loi du 10 avril 1995 relative à la redistribution du travail dans le secteur public;
   2° les travailleurs contractuels en remplacement de membres du personnel visés à l'article 4 de la loi du 19 juillet 2012 relative à la semaine de quatre jours et au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public.]1
Art. 353bis /9_VLAAMS_GEWEST.[1 De openbare besturen en wie er mee gelijkgesteld wordt, zoals bedoeld in artikel 93 van de programmawet van 30 december 1988, kunnen een doelgroepvermindering genieten voor :
   1° [2 ...]2.
   2° de contractuele werknemers die zij tewerkstellen ter vervanging van ambtenaren die genieten van de loopbaanonderbreking ingevoerd door de artikelen 99 tot 107 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, en dit, zelfs ingeval er geen enkele premie verschuldigd is voor hun tewerkstelling.
   De werkgevers bedoeld in artikel 335 van deze wet kunnen ook een doelgroepvermindering genieten, maximaal ten belope van een door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaald forfaitair bedrag voor :
   1° de contractuele werknemers bedoeld in artikel 9, § 1, artikel 10quater, § 1, en artikel 12, § 1, van de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector;
   2° de contractuele werknemers die zij tewerkstellen ter vervanging van de in artikel 4 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de vierdagenweek en het halftijds werken vanaf 50 of 55 jaar in de openbare sector bedoelde personeelsleden.]1

  
Art. 353bis /9_REGION_FLAMANDE.[1 Les pouvoirs publics et ceux qui y sont assimilés, tels que visés à l'article 93 de la loi-programme du 30 décembre 1988, peuvent bénéficier d'une réduction groupe-cible pour :
   1° [2 ...]2.
   2° les travailleurs contractuels en remplacement de fonctionnaires bénéficiant d'une interruption de carrière instaurée par les articles 99 à 107 de la loi du 22 janvier 1985 de redressement contenant des dispositions sociales, et ce même si aucune prime n'est due pour leur occupation.
   Les employeurs visés à l'article 335 de la présente loi peuvent aussi bénéficier d'une réduction groupe-cible, au maximum à concurrence d'un montant forfaitaire déterminé par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pour :
   1° les travailleurs contractuels visés à l'article 9, § 1er, à l'article 10quater, § 1er, et à l'article 12, § 1er, de la loi du 10 avril 1995 relative à la redistribution du travail dans le secteur public;
   2° les travailleurs contractuels en remplacement de membres du personnel visés à l'article 4 de la loi du 19 juillet 2012 relative à la semaine de quatre jours et au travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans dans le secteur public.]1

  
Art. 353bis /10. [1 De werkgevers bedoeld in artikel 335 kunnen een doelgroepvermindering genieten voor gesubsidieerde contractuelen die ze tewerkstellen onder de voorwaarden van het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen, maximaal ten belope van een door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerrraad bepaald forfaitair bedrag.]1
  
Art. 353bis /10. [1 Les employeurs visés à l'article 335 peuvent bénéficier d'une réduction groupe-cible pour des contractuels subventionnés qu'ils occupent sous les conditions de l'arrêté royal n° 474 du 28 octobre 1986 portant création d'un régime de contractuels subsidiés par l'Etat auprès de certains pouvoirs locaux, au maximum à concurrence d'un montant forfaitaire déterminé par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres.]1
  
Art. 353bis /10_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
  Opgeheven art. 43 van 20 FEBRUARI 2017. - Programmadecreet 2017
Art. 353bis /11. [1 Les employeurs visées à l'article 335 qui engagent du personnel de maison, peuvent bénéficier, pour un seul d'entre eux, d'une réduction groupe-cible, au maximum à concurrence d'un montant forfaitaire déterminé par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres. Dans le sens de cette subdivision, les employeurs concernés sont les personnes physiques qui, depuis le 1er janvier 1980, n'ont pas été soumises à la loi de sécurité sociale du 27 juin 1969 en raison de l'occupation de travailleurs domestiques. Le Roi peut déterminer des conditions supplémentaires auxquelles l'employeur doit satisfaire au moment de l'engagement.
   On entend par personnel de maison, le travailleur qui est principalement occupé des travaux manuels ou intellectuels à l'intérieur du domaine, à l'intérieur ou à l'extérieur de la maison, pour les besoins privés de l'employeur ou de sa famille.
   On entend par travailleurs domestiques, les travailleurs qui s'engagent à effectuer, contre rémunération et sous l'autorité de l'employeur, principalement des travaux ménagers d'ordre manuel, destinés aux besoins du ménage de l'employeur ou de sa famille;
   Le Roi peut déterminer des conditions supplémentaires auxquelles le travailleur doit satisfaire au moment de l'engagement.]1

  
Onderafdeling 11. [1 - Vermindering voor huispersoneel.]1
Sous-section 11. [1 - Réduction pour le personnel de maison.]1
Onderafdeling 11. VLAAMS_GEWEST.
Sous-section 12. [1 - Gardien(ne)s d'enfants.]1
Onderafdeling 11. WAALS_GEWEST.
Art. 353bis/12. [1 Les employeurs visés à l'article 335, qui en tant que services pour famille d'accueil agréés visés a`l'article 3, 9°, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, occupent des personnes qui assurent l'accueil de jour d'enfants, bénéficient pour chacun des dits travailleurs d'une réduction groupe-cible, au maximum à concurrence d'un montant forfaitaire déterminé par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres.]1
Art. 353bis /11. [1 De werkgevers bedoeld in artikel 335 die huispersoneel in dienst nemen, kunnen voor één van hen een doelgroepvermindering genieten, maximaal ten belope van een door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaald forfaitair bedrag. In de zin van deze onderafdeling worden als werkgevers beschouwd, de natuurlijke personen die sinds 1 januari 1980 niet onderworpen geweest zijn aan de voornoemde wet van 27 juni 1969 wegens tewerkstelling van dienstboden. De Koning kan bijkomende voorwaarden bepalen waaraan de werkgever moet voldoen op het moment van de indienstneming.
   Onder huispersoneel wordt verstaan de werknemers die in dienst zijn genomen om, tegen loon, onder het gezag van een werkgever hoofd- of handarbeid uit te voeren binnen het onroerend goed, binnenshuis of buiten het huis, voor de privé-behoeften van de werkgever of van diens gezin.
   Onder dienstboden wordt verstaan de werknemers die hoofdzakelijk tewerkgesteld zijn aan huishoudelijke arbeid van lichamelijke aard voor de behoeften van de huishouding van de werkgever of van zijn gezin.
   De Koning kan bijkomende voorwaarden bepalen waaraan de werknemer moet voldoen op het moment van de indienstneming.]1

  
Art. 353bis /11. [1 Les employeurs visées à l'article 335 qui engagent du personnel de maison, peuvent bénéficier, pour un seul d'entre eux, d'une réduction groupe-cible, au maximum à concurrence d'un montant forfaitaire déterminé par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres. Dans le sens de cette subdivision, les employeurs concernés sont les personnes physiques qui, depuis le 1er janvier 1980, n'ont pas été soumises à la loi de sécurité sociale du 27 juin 1969 en raison de l'occupation de travailleurs domestiques. Le Roi peut déterminer des conditions supplémentaires auxquelles l'employeur doit satisfaire au moment de l'engagement.
   On entend par personnel de maison, le travailleur qui est principalement occupé des travaux manuels ou intellectuels à l'intérieur du domaine, à l'intérieur ou à l'extérieur de la maison, pour les besoins privés de l'employeur ou de sa famille.
   On entend par travailleurs domestiques, les travailleurs qui s'engagent à effectuer, contre rémunération et sous l'autorité de l'employeur, principalement des travaux ménagers d'ordre manuel, destinés aux besoins du ménage de l'employeur ou de sa famille;
   Le Roi peut déterminer des conditions supplémentaires auxquelles le travailleur doit satisfaire au moment de l'engagement.]1

  
Art. 353bis /13. [1 Les employeurs visés à l'article 335 qui occupent des personnes fournissant des prestations artistiques et l'employeur visé à l'article 1erbis de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs pour des personnes qui fournissent des prestations artistiques et/ou produisent des oeuvres artistiques, peuvent bénéficier d'une réduction groupe-cible, au maximum à concurrence d'un montant forfaitaire déterminé par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
   Le Roi peut déterminer le salaire trimestriel de référence minimal au dessous duquel la réduction groupe-cible n'est pas accordée.
   Par "fourniture de prestations artistiques et/ou production des oeuvres artistiques" il faut entendre la création et/ou l'exécution ou l'interprétation d'oeuvres artistiques dans le secteur de l'audiovisuel et des arts plastiques, de la musique, de la littérature, du spectacle, du théâtre et de la chorégraphie.]1

  
Onderafdeling 12. [1 - Onthaalouders.]1
Sous-section 14. [1 - Travailleurs occupés en application de l'article 60, § 7, de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale.]1
Art. 353bis /12. [1 De werkgevers bedoeld in artikel 335 die als erkende diensten voor opvanggezinnen bedoeld bij artikel 3, 9°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, personen tewerkstellen die instaan voor dagopvang van kinderen, genieten voor elk van bedoelde werknemers een doelgroepvermindering, maximaal ten belope van een door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaald forfaitair bedrag.]1
  
Art. 353bis /12. [1 Les employeurs visés à l'article 335, qui en tant que services pour famille d'accueil agréés visés a`l'article 3, 9°, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, occupent des personnes qui assurent l'accueil de jour d'enfants, bénéficient pour chacun des dits travailleurs d'une réduction groupe-cible, au maximum à concurrence d'un montant forfaitaire déterminé par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres.]1
  
Art. 353bis /12_DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 ...]1
  
Art. 353bis /14. [1 Les employeurs visés à l'article 335 peuvent bénéficier d'une réduction groupe-cible pour les travailleurs qu'ils occupent en application de l'article 60, § 7, de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale, aux conditions de l'arrêté royal du 2 avril 1998 portant exécution de l'article 33 de la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi, à concurrence d'un montant forfaitaire maximum déterminé par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres.]1
  
Onderafdeling 13. [1 - Kunstenaars.]1
Sous-section 13. [1 - Artistes.]1
Art. 353bis /13. [1 De werkgevers bedoeld in artikel 335 die personen tewerkstellen die artistieke prestaties leveren en de werkgever in de zin van artikel 1bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders voor wat betreft de personen die artistieke prestaties leveren en/of artistieke werken produceren, genieten van een doelgroepvermindering, maximaal ten belope van een door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaald forfaitair bedrag.
   De Koning kan een minimum refertekwartaalloon bepalen waaronder de doelgroepvermindering niet wordt toegekend.
   Onder "het leveren van artistieke prestaties en/of het produceren van artistieke werken" dient te worden verstaan de creatie en/of uitvoering of interpretatie van artistieke oeuvres in de audiovisuele sector, in de beeldende kunsten, in de muziek, in de literatuur, in het spektakel, in het theater en in de choreografie.]1

  
Art. 353bis /13. [1 Les employeurs visés à l'article 335 qui occupent des personnes fournissant des prestations artistiques et l'employeur visé à l'article 1erbis de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs pour des personnes qui fournissent des prestations artistiques et/ou produisent des oeuvres artistiques, peuvent bénéficier d'une réduction groupe-cible, au maximum à concurrence d'un montant forfaitaire déterminé par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
   Le Roi peut déterminer le salaire trimestriel de référence minimal au dessous duquel la réduction groupe-cible n'est pas accordée.
   Par "fourniture de prestations artistiques et/ou production des oeuvres artistiques" il faut entendre la création et/ou l'exécution ou l'interprétation d'oeuvres artistiques dans le secteur de l'audiovisuel et des arts plastiques, de la musique, de la littérature, du spectacle, du théâtre et de la chorégraphie.]1

  
Onderafdeling 14. [1 - Werknemers tewerkgesteld met toepassing van artikel 60, § 7 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.]1
Sous-section 14. [1 - Travailleurs occupés en application de l'article 60, § 7, de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale.]1
Onderafdeling 14. WAALS_GEWEST.
Art. 353bis/15_REGION_FLAMANDE.[1 La surveillance et le contrôle de l'exécution des sous-sections 1 et 2, de la sous-section 5, 5bis, 10 à 13 et 17, et de ses arrêtés d'exécution sont exercés conformément au décret du 30 avril 2004 relatif au contrôle des lois sociales.]1
Art. 353bis /14. [1 De werkgevers bedoeld in artikel 335 kunnen een doelgroepvermindering genieten voor werknemers die zij met toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn tewerkstellen onder de voorwaarden van het koninklijk besluit van 2 april 1998 tot uitvoering van artikel 33 van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid, maximaal ten belope van een door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaald forfaitair bedrag.]1
  
Art. 353bis /14. [1 Les employeurs visés à l'article 335 peuvent bénéficier d'une réduction groupe-cible pour les travailleurs qu'ils occupent en application de l'article 60, § 7, de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'action sociale, aux conditions de l'arrêté royal du 2 avril 1998 portant exécution de l'article 33 de la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi, à concurrence d'un montant forfaitaire maximum déterminé par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres.]1
  
Art. 353bis /16. [1 Les employeurs visés à l'article 335 qui ressortissent à la Commission paritaire nationale des sports ou les associations sportives, les clubs sportifs, les centres sportifs et les personnes morales de droit public dont la mission est de promouvoir le sport et l'éducation physique pour autant qu'ils occupent des sportifs rémunérés ou des coureurs cyclistes professionnels, peuvent bénéficier, pour chacun desdits travailleurs, d'une réduction groupe-cible, au maximum à concurrence d'un montant déterminé par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des ministres.
   Pour l'application de la présente sous-section, il faut entendre par:
   1° "association sportive ou club sportif": toute organisation qui, dans le cadre de la formation permanente, favorise l'éducation physique, le sport et la vie en plein air;
   2° "centre sportif": un ensemble ou un groupe de bâtiments et d'infrastructures mis à disposition pour l'exercice de disciplines sportives intérieures et extérieures;
   3° "sportif rémunéré": personne qui s'engage à se préparer ou à participer à une compétition ou à une exhibition sportive sous l'autorité d'une autre personne moyennant une rémunération en application de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré ou de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
   4° "coureur cycliste professionnel": le titulaire d'une licence de "coureur élite avec contrat" délivrée par la Royale Ligue Vélocipédique Belge.]1

  
Art. 353bis /14_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
  
Sous-section 17._REGION_FLAMANDE.[1 Personnes sans expérience professionnelle récente et durable]1
  
Onderafdeling 15_VLAAMS_GEWEST
Art. 353bis/17_REGION_FLAMANDE. [1 Le Gouvernement flamand peut accorder une réduction groupe-cible pour les personnes sans expérience professionnelle récente et durable aux employeurs visés à l'article 335, selon les conditions qu'il détermine.&nbsp;&nbsp; L'emploi de la personne sans expérience professionnelle récente et durable remplit au moins toutes les conditions suivantes :&nbsp;&nbsp; 1° la personne sans expérience professionnelle récente et durable est inscrite auprès du VDAB en tant que demandeur d'emploi inoccupé, le jour précédant son entrée en service, tel que visé à l'article 1er, alinéa 1er, 8°, a), de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 juin 2009 portant organisation de l'emploi et de la formation professionnelle ;&nbsp;&nbsp; 2° le salaire trimestriel de référence de la personne sans expérience professionnelle récente et durable est inférieur au plafond salarial que le Gouvernement flamand détermine.&nbsp;&nbsp; L'employeur, visé à l'alinéa 1er, peut bénéficier de l'avantage visé à l'alinéa 1er si la personne sans expérience professionnelle récente et durable dispose d'un fichier personnel sur la plate-forme électronique visée à l'article 22/2, alinéa 1er, du décret du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " (Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle).&nbsp;&nbsp; VDAB gère les données relatives à la carrière de la personne sans expérience professionnelle récente et durable dans son fichier personnel sur la plate-forme électronique.&nbsp;&nbsp; Le Gouvernement flamand détermine le montant forfaitaire et la période d'octroi de la réduction groupe-cible.&nbsp;&nbsp; Le Gouvernement flamand détermine ce qu'il faut entendre par personne sans expérience professionnelle récente et durable, telle que visée à l'alinéa 1er.&nbsp;&nbsp; Le Gouvernement flamand détermine l'âge de la personne pour laquelle une réduction groupe-cible peut être accordée.]1
Art. 353bis /15_VLAAMS_GEWEST.[1 Het toezicht en de controle op de uitvoering van onderafdeling 1 tot en met 2, onderafdeling 5, 5bis, 10 tot en met 13 en onderafdeling 17, en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden uitgevoerd conform het decreet van 30 april 2004 houdende sociaalrechtelijk toezicht.]1
  
Art. 353bis /18_REGION_FLAMANDEter. [1 VDAB agit en tant que responsable du traitement des données à caractère personnel au sens de l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données, pour le traitement des données à caractère personnel dans le cadre de la délimitation du groupe cible, la gestion des données relatives à la carrière sur la plate-forme électronique, visée à l'article 353bis/17, alinéa 4, l'octroi de la réduction groupe-cible, visée à l'article 353bis/17, et le flux de données, visé à l'article 353bis/19, alinéa 1er.]1
  
Onderafdeling 16. [1 - Betaalde sportbeoefenaars.]1
Art. 353bis/19_REGION_FLAMANDE.[1 Dans le cadre de la réduction groupe-cible, visée à l'article 353bis/17, VDAB transmet les données suivantes par la voie électronique à l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale :&nbsp;&nbsp; 1° le numéro NISS de la personne sans expérience professionnelle récente et durable ;&nbsp;&nbsp; 2° le nom de la réduction groupe-cible ;&nbsp;&nbsp; 3° [2 la date de début de la période]2 dans laquelle la personne sans expérience professionnelle récente et durable donne droit à la réduction groupe-cible, pour que l'organisme puisse apprécier de manière automatisée le droit à la réduction groupe-cible pour les personnes sans expérience professionnelle récente et durable.&nbsp;&nbsp; Dans le présent article, on entend par numéro INSS : le numéro d'identification de la sécurité sociale en Belgique.&nbsp;&nbsp; Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives à l'exécution des droits de la personne sans expérience professionnelle récente et durable sur la base du règlement général sur la protection des données et la consultation de sources de données.]1
Art. 353bis /16. [1 De werkgevers bedoeld in artikel 335 die ressorteren onder het nationaal Paritair Comité voor de sport, of de sportverenigingen, sportcentra en sportclubs, de publiekrechtelijke rechtspersonen die tot doel hebben sport en lichamelijke opvoeding te bevorderen voor zover zij betaalde sportbeoefenaars of beroepswielrenners tewerkstellen, kunnen voor elk van bedoelde werknemers een doelgroepvermindering genieten, maximaal ten belope van het bedrag bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
   Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt verstaan onder:
   1° "sportvereniging of sportclub": elke organisatie die in het kader van de permanente vorming, de lichamelijke opvoeding, de sport en het openluchtleven bevordert;
   2° "sportcentrum": een geheel of groep van gebouwen en infrastructuur ter beschikking gesteld voor het beoefenen van binnen- en buitensporten;
   3° "betaalde sportbeoefenaar": persoon die de verplichting aangaat zich voor te bereiden op of deel te nemen aan een sportcompetitie of -exhibitie onder het gezag van een ander persoon tegen loon in toepassing van de wet van 24 februari 1978 betreffende de betaalde sportbeoefenaars of van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
   4° "beroepswielrenner": de houder van een vergunning van "eliterenner met contract" afgeleverd door de Koninklijke Belgische Wielrijdersbond.]1

  
Art. 353bis /16. [1 Les employeurs visés à l'article 335 qui ressortissent à la Commission paritaire nationale des sports ou les associations sportives, les clubs sportifs, les centres sportifs et les personnes morales de droit public dont la mission est de promouvoir le sport et l'éducation physique pour autant qu'ils occupent des sportifs rémunérés ou des coureurs cyclistes professionnels, peuvent bénéficier, pour chacun desdits travailleurs, d'une réduction groupe-cible, au maximum à concurrence d'un montant déterminé par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des ministres.
   Pour l'application de la présente sous-section, il faut entendre par:
   1° "association sportive ou club sportif": toute organisation qui, dans le cadre de la formation permanente, favorise l'éducation physique, le sport et la vie en plein air;
   2° "centre sportif": un ensemble ou un groupe de bâtiments et d'infrastructures mis à disposition pour l'exercice de disciplines sportives intérieures et extérieures;
   3° "sportif rémunéré": personne qui s'engage à se préparer ou à participer à une compétition ou à une exhibition sportive sous l'autorité d'une autre personne moyennant une rémunération en application de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré ou de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
   4° "coureur cycliste professionnel": le titulaire d'une licence de "coureur élite avec contrat" délivrée par la Royale Ligue Vélocipédique Belge.]1

  
Onderafdeling 17_VLAAMS_GEWEST.[1 Personen zonder recente, duurzame werkervaring]1
Section 3bis. - (Continuation de la réduction groupes-cibles en cas de restructuration ou de transformation juridique de l'employeur)
Art. 353bis /17_VLAAMS_GEWEST. [1 De Vlaamse Regering kan een doelgroepvermindering voor personen zonder recente, duurzame werkervaring aan de werkgevers, vermeld in artikel 335, toekennen volgens de voorwaarden die ze nader bepaalt.
   De tewerkstelling van de persoon zonder recente, duurzame werkervaring voldoet minimaal aan al de volgende voorwaarden:
   1° de persoon zonder recente, duurzame werkervaring is op de dag voor zijn indienstneming ingeschreven als niet-werkende werkzoekende bij VDAB als vermeld in artikel 1, eerste lid, 8°, a), van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding;
   2° het refertekwartaalloon van de persoon zonder recente, duurzame werkervaring is lager dan de loongrens die de Vlaamse Regering bepaalt.
   De werkgever, vermeld in het eerste lid, kan genieten van het voordeel, vermeld in het eerste lid, als de persoon zonder recente, duurzame werkervaring beschikt over een persoonlijk bestand op het elektronisch platform, vermeld in artikel 22/2, eerste lid, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap "Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding".
   VDAB beheert de loopbaangegevens van de persoon zonder recente, duurzame werkervaring in het persoonlijk bestand van de persoon op het elektronisch platform.
   De Vlaamse Regering bepaalt het forfaitaire bedrag en de periode van toekenning van de doelgroepvermindering.
   De Vlaamse Regering bepaalt wat onder persoon zonder recente, duurzame werkervaring als vermeld in het eerste lid, moet worden verstaan.
   De Vlaamse Regering bepaalt de leeftijd van de persoon waarvoor een doelgroepvermindering kan worden toegekend.]1

  
Art. 353ter. [1 Peuvent prétendre continuer à bénéficier des réductions groupes-cibles visées au présent chapitre dont bénéficiait la structure juridique préexistante, les employeurs suivants:
   1° l'entreprise qui est la bénéficiaire d'une opération de restructuration juridique similaire à des situations décrites aux articles 12:2 à 12:10 et 12:103 du Code des sociétés et des associations ou qui est transformée en une SCES agréée ou en une SC agréée comme ES telles que visées aux articles 14:37 à 14:45 du même Code;
   2° l'entreprise sans but de répartition de bénéfices dont le patrimoine provient pour tout ou partie de l'actif net d'une ou plusieurs entreprises sans but de répartition de bénéfices;
   3° l'entreprise qui bénéficie d'un apport tel que visé à l'article 12:101 du Code des sociétés et des associations.
   La poursuite du bénéfice de la réduction groupe cible est uniquement octroyée si une convention écrite a été conclue entre les entreprises concernées dans laquelle le transfert, tel que visé à l'alinéa 1er, 1° à 3°, figure et que l'employeur succédant transmet à l'Office national de sécurité sociale avec le modèle de déclaration demandant la poursuite du bénéfice de la réduction, établi par l'Office précité, dans lequel l'employeur succédant déclare vis-à-vis de l'Office être solidairement responsable des éventuelles dettes sociales de l'employeur préexistant.
   L'Office national de sécurité sociale est assimilé à un tiers par rapport à l'opération de restructuration visée par le Code des sociétés et des associations et cette opération ne porte pas préjudice aux droits dudit Office de vérifier que les conditions d'octroi et de maintien des réductions de cotisations groupes cibles sont remplies dans le chef de l'entreprise qui est la bénéficiaire finale de celle-ci.
   Afin d'éviter que la poursuite de la réduction du groupe cible appliquée en exécution du chapitre 7, section 3, sous-section 4 ne conduise à l'application de la réduction pour différents travailleurs de même rang chez le même employeur ou au sein d'une unité technique d'entreprise simultanée, le Roi développe des règles pour éviter cette double utilisation.]1

  
Art. 353bis /18_VLAAMS_GEWEST. [1 VDAB treedt op als de verwerkingsverantwoordelijke van persoonsgegevens als vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de afbakening van de doelgroep, het beheer van de loopbaangegevens op het elektronisch platform, vermeld in artikel 353bis/17, vierde lid, de toekenning van de doelgroepvermindering, vermeld in artikel 353bis/17, en de gegevensstroom, vermeld in artikel 353bis/19, eerste lid.]1
  
Art. 353bis /18_REGION_FLAMANDEter. [1 VDAB agit en tant que responsable du traitement des données à caractère personnel au sens de l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données, pour le traitement des données à caractère personnel dans le cadre de la délimitation du groupe cible, la gestion des données relatives à la carrière sur la plate-forme électronique, visée à l'article 353bis/17, alinéa 4, l'octroi de la réduction groupe-cible, visée à l'article 353bis/17, et le flux de données, visé à l'article 353bis/19, alinéa 1er.]1
  
Art. 353bis /19_VLAAMS_GEWEST.[1 VDAB bezorgt in het kader van de doelgroepvermindering, vermeld in artikel 353bis/17, de volgende gegevens via elektronische weg aan de instelling die belast is met de inning en de invordering van de socialezekerheidsbijdragen:
   1° het INSZ-nummer van de persoon zonder recente, duurzame werkervaring;
   2° de naam van de doelgroepvermindering;
   3° de [2 begindatum van de periode]2 waarin de persoon zonder recente, duurzame werkervaring recht geeft op de doelgroepvermindering, opdat de instelling op een geautomatiseerde manier het recht op de doelgroepvermindering voor personen zonder recente, duurzame werkervaring kan beoordelen.
   In dit artikel wordt verstaan onder INSZ-nummer: het identificatienummer van de sociale zekerheid in België.
   De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de uitvoering van de rechten van de persoon zonder recente, duurzame werkervaring op grond van de algemene verordening gegevensbescherming en de raadpleging van gegevensbronnen.]1

  
Art. 353bis /19_REGION_FLAMANDE.[1 Dans le cadre de la réduction groupe-cible, visée à l'article 353bis/17, VDAB transmet les données suivantes par la voie électronique à l'organisme chargé de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale :
   1° le numéro NISS de la personne sans expérience professionnelle récente et durable ;
   2° le nom de la réduction groupe-cible ;
   3° [2 la date de début de la période]2 dans laquelle la personne sans expérience professionnelle récente et durable donne droit à la réduction groupe-cible, pour que l'organisme puisse apprécier de manière automatisée le droit à la réduction groupe-cible pour les personnes sans expérience professionnelle récente et durable.
   Dans le présent article, on entend par numéro INSS : le numéro d'identification de la sécurité sociale en Belgique.
   Le Gouvernement flamand peut arrêter des modalités relatives à l'exécution des droits de la personne sans expérience professionnelle récente et durable sur la base du règlement général sur la protection des données et la consultation de sources de données.]1

  
Art. 353bis /20_VLAAMS_GEWEST. [1 Met behoud van de toepassing van de noodzakelijke bewaring van de persoonsgegevens voor de latere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, voor wetenschappelijk of historisch onderzoek of voor statistische doeleinden, vermeld in artikel 89 van de algemene verordening gegevensbescherming, worden de persoonsgegevens bewaard gedurende de strikt noodzakelijke duur voor de toekenning van de doelgroepvermindering, vermeld in artikel 353bis/17, met een maximale bewaartermijn die niet meer mag bedragen dan tien jaar na de verjaring van alle vorderingen die tot de bevoegdheid van de verwerkingsverantwoordelijke behoren, en in voorkomend geval, de definitieve beëindiging van de gerechtelijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die voortvloeien uit de verwerking van die gegevens.]1
  
Art. 353bis /20_REGION_FLAMANDE. [1 Sans préjudice de l'application de leur conservation nécessaire en vue du traitement ultérieur, à des fins archivistiques dans l'intérêt public, à des fins de recherche scientifique ou historique ou à des fins statistiques, figurant à l'article 89 du règlement général sur la protection des données, les données à caractère personnel sont conservées pendant la durée strictement nécessaire à l'octroi de la réduction groupe-cible, visée à l'article 353bis/17, avec un délai maximal de conservation qui ne peut pas dépasser dix ans après la prescription de toutes les actions relevant de la compétence du responsable du traitement, et, le cas échéant, la cessation définitive des procédures et recours judiciaires, administratifs et extrajudiciaires, découlant du traitement de ces données.]1
  
Afdeling 3bis. - (Verder zetten van de doelgroepvermindering in geval van herstructurering of juridische wijziging van de werkgever.)
Art.355. A l'article 23, § 1er, de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi, modifié par la loi du 2 janvier 2001, sont apportées les modifications suivantes :
Art. 353ter. [1 De volgende werkgevers kunnen de in dit hoofdstuk bedoelde doelgroepverminderingen, die de pre-existente juridische structuur genoot, verder blijven genieten:
   1° de onderneming die de begunstigde is van één van de juridische herstructureringsoperaties gelijkaardig aan de situaties omschreven in de artikelen 12:2 tot 12:10 en 12:103 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen of die omgezet wordt in een erkende CVSO of een CV erkend als SO zoals bepaald door de artikelen 14:37 tot 14:45 van hetzelfde Wetboek;
   2° de onderneming zonder winstuitkeringsdoel waarvan het patrimonium geheel of gedeeltelijk afkomstig is van het netto actief van één of meerdere ondernemingen zonder winstuitkeringsdoel;
   3° de onderneming die de begunstigde is van een inbreng, zoals bedoeld in artikel 12:101 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.
   De voortzetting van de doelgroepvermindering is enkel toegestaan indien er tussen de betreffende ondernemingen een schriftelijke overeenkomst werd afgesloten waarin de overgang, zoals bedoeld in het eerste lid, 1° tot 3°, is opgenomen en de opvolgende werkgever aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de door deze laatste opgestelde modelverklaring met aanvraag tot voortzetting overmaakt, waarin de opvolgende werkgever ten aanzien van de Rijksdienst verklaart hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor de eventuele sociale schulden van de pre-existente werkgever.
   De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wordt gelijkgesteld met een derde in verhouding tot een herstructureringsoperatie zoals bedoeld door het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en deze operatie doet geen afbreuk aan de rechten van vernoemde Rijksdienst om na te gaan of de voorwaarden voor de toekenning en het behoud van de bijdragenverminderingen voor doelgroepen vervuld zijn in hoofde van de onderneming die de uiteindelijke begunstigde is.
   Om te vermijden dat de verderzetting van de doelgroepvermindering toegepast in uitvoering van hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 4 leidt tot de toepassing van de vermindering voor verschillende werknemers van dezelfde rang bij dezelfde werkgever of binnen een simultane technische bedrijfseenheid, werkt de Koning een regeling uit waardoor dit dubbelgebruik wordt vermeden.]1

  
Art. 353ter. [1 Peuvent prétendre continuer à bénéficier des réductions groupes-cibles visées au présent chapitre dont bénéficiait la structure juridique préexistante, les employeurs suivants:
   1° l'entreprise qui est la bénéficiaire d'une opération de restructuration juridique similaire à des situations décrites aux articles 12:2 à 12:10 et 12:103 du Code des sociétés et des associations ou qui est transformée en une SCES agréée ou en une SC agréée comme ES telles que visées aux articles 14:37 à 14:45 du même Code;
   2° l'entreprise sans but de répartition de bénéfices dont le patrimoine provient pour tout ou partie de l'actif net d'une ou plusieurs entreprises sans but de répartition de bénéfices;
   3° l'entreprise qui bénéficie d'un apport tel que visé à l'article 12:101 du Code des sociétés et des associations.
   La poursuite du bénéfice de la réduction groupe cible est uniquement octroyée si une convention écrite a été conclue entre les entreprises concernées dans laquelle le transfert, tel que visé à l'alinéa 1er, 1° à 3°, figure et que l'employeur succédant transmet à l'Office national de sécurité sociale avec le modèle de déclaration demandant la poursuite du bénéfice de la réduction, établi par l'Office précité, dans lequel l'employeur succédant déclare vis-à-vis de l'Office être solidairement responsable des éventuelles dettes sociales de l'employeur préexistant.
   L'Office national de sécurité sociale est assimilé à un tiers par rapport à l'opération de restructuration visée par le Code des sociétés et des associations et cette opération ne porte pas préjudice aux droits dudit Office de vérifier que les conditions d'octroi et de maintien des réductions de cotisations groupes cibles sont remplies dans le chef de l'entreprise qui est la bénéficiaire finale de celle-ci.
   Afin d'éviter que la poursuite de la réduction du groupe cible appliquée en exécution du chapitre 7, section 3, sous-section 4 ne conduise à l'application de la réduction pour différents travailleurs de même rang chez le même employeur ou au sein d'une unité technique d'entreprise simultanée, le Roi développe des règles pour éviter cette double utilisation.]1

  
Art. 353quater. [1 De werkgever die de doelgroepverminderingen bij toepassing van artikel 353ter voortzet, is hoofdelijk aansprakelijk voor alle op het ogenblik van de voortzetting gekende en nog niet gekende sociale schulden van de pre-existente werkgever.]1
  
Art.357. Dans la même loi, il est inséré un article 27bis , rédigé comme suit :
  " Le jeune lié par une convention de premier emploi visée à l'article 27, alinéa 1er, 2°, ne peut, pour la formation suivie, bénéficier du congé-éducation payé octroyé dans le cadre de la formation permanente des travailleurs, visé au chapitre IV, section 6, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales. "
Afdeling 4. - Wijzigende en schorsende bepalingen.
Art.358. L'article 32 de la même loi, remplacé par la loi du 2 janvier 2001, est remplacé par la disposition suivante :
Art.354. In artikel 99, eerste lid van de programmawet van 30 december 1988, worden de woorden " en 9° " vervangen door de woorden " en § 3bis ".
Art. 354. Dans l'article 99, alinéa 1er de la loi-programme du 30 décembre 1988, les mots " et 9° " sont remplacés par les mots " et § 3bis ".
Art.355. In artikel 23, § 1, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, gewijzigd bij de wet van 2 januari 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de 1° wordt opgeheven;
  2° in de 2° worden de woorden " bij een tekort aan jongeren bepaald in 1°, " geschrapt;
  3° in de 3° worden de woorden " 1° en " geschrapt.
Art.360. Un article 40bis , rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 40bis. L'employeur privé peut être dispensé de tout ou partie de l'application des dispositions du présent chapitre lorsqu'il démontre que son entreprise a connu une diminution graduelle de l'effectif du personnel.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, ce qu'il faut entendre par diminution graduelle de l'effectif du personnel, ainsi que les conditions et modalités d'octroi de la dispense visée à l'alinéa 1. "
Art.356. In artikel 27 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 2 januari 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid, 2°, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " 2° een combinatie van een deeltijdse arbeidsovereenkomst, minstens halftijds, die wordt gesloten tussen een jongere en een werkgever uit de openbare of private sector, en een door de jongere gevolgde opleiding, en dit gedurende een periode van maximum 36 maanden met ingang van de dag waarop de jongere begint met de uitvoering van het ene of het andere luik van de combinatie. De Koning bepaalt de minimumduur van voornoemde periode, de opleidingen die in aanmerking komen, alsmede de nadere regelen met betrekking tot het sluiten en uitvoeren van de in dit punt 2° bedoelde startbaanovereenkomst; ";
  2° het eerste lid, 3°, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " 3° a) een leerovereenkomst, gesloten in toepassing van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst, of
  b) een leerovereenkomst of een stageovereenkomst, gesloten in toepassing van de reglementering betreffende de voortdurende vorming in de Middenstand, of
  c) een overeenkomst voor socioprofessionele inschakeling, of
  d) elke andere vorm van opleidings- of inschakelingsovereenkomst die de Koning bepaalt,
  alle gedurende een periode van maximum 36 maanden met ingang van de dag waarop de jongere de uitvoering van zijn overeenkomst aanvat. De Koning bepaalt de minimumduur van voornoemde periode. ";
  3° het derde en vierde lid worden opgeheven.
Art.361. L'article 45 de la même loi, remplacé par la loi-programme du 30 décembre 2001, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 45. § 1er. Le nouveau travailleur peut bénéficier d'une nouvelle convention de premier emploi visée à l'article 27, alinéa 1er, 1°, pour autant que la durée d'exécution de la ou des conventions de premier emploi qu'il a conclues précédemment en application de l'article 27, alinéa 1er, 1°, 2° ou 3°, n'excède pas douze mois.
  La durée de la nouvelle convention de premier emploi visée à l'alinéa 1er est égale à une période de 12 mois diminuée de la période d'exécution de la ou des conventions de premier emploi conclues précédemment, lorsque celle ou celles-ci ont été conclues en application de l'article 27, alinéa 1er, 1°.
  La durée de la nouvelle convention de premier emploi visée à l'alinéa 1er est égale à une période de 12 mois au maximum lorsque la ou les conventions de premier emploi précédentes ont été conclues en application de l'article 27, alinéa 1er, 2° ou 3°.
  § 2. Le nouveau travailleur peut bénéficier d'une nouvelle convention de premier emploi visée à l'article 27, alinéa 1er, 2° ou 3°, pour autant que la durée de l'exécution de la ou des conventions de premier emploi qu'il a conclues précédemment en application de l'article 27, alinéa 1er, 2° ou 3°, n'excède pas 36 mois.
  La durée de la nouvelle convention de premier emploi visée à l'alinéa 1er est égale à une période de 36 mois diminuée de la période d'exécution de la ou des conventions de premier emploi conclues précédemment en application de l'article 27, alinéa 1er, 2°, ou 3°. "
Art.357. In dezelfde wet wordt een artikel 27bis ingevoegd, luidend als volgt :
  " De jongere, verbonden door een startbaanovereenkomst, bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2°, mag voor de gevolgde opleiding niet genieten van het betaald educatief verlof in het kader van de voortdurende vorming van de werknemers, zoals bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 6, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen. "
Art.362. Sont abrogés :
  - l'article 35, §§ 1er à 4 et § 5, alinéa 1er, de la loi du 29 juin 1981, modifié par les lois des 30 décembre 1988, 26 mars 1999, 24 décembre 1999, 12 août 2000 et 5 septembre 2001 et l'arrêté royal du 30 novembre 2001;
  - les articles 60 à 64, 65, alinéa 2, de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, modifiés par les lois des 3 avril 1995, 22 décembre 1995, 26 juillet 1996, 22 février 1998, 26 mars 1999 et 2 janvier 2001 et par l'arrêté royal du 30 novembre 2001;
  - l'article 18 de la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi, modifié par les lois du 22 février 1998 et du 25 janvier 1999 et l'arrêté royal du 30 novembre 2001;
  - les articles 3 à 12 de l'arrêté royal du 14 mars 1997 portant des mesures spécifiques de promotion de l'emploi pour les petites et moyennes entreprises en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, modifiés par les lois du 13 février 1998, 25 janvier 1999, 26 mars 1999, 24 décembre 1999, 12 août 2000, 2 janvier 2001, 30 décembre 2001 et l'arrêté royal du 30 novembre 2001;
  - les articles 31, § 2, 36, 37, 38, modifié par la loi du 2 janvier 2001, 44, modifié par la loi du 2 janvier 2001, et 54, modifié par la loi du 2 janvier 2001, de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi;
  - les articles 5 à 12 et l'article 13, §§ 2, 3 et 4 de la loi du 10 août 2001 relative à la conciliation entre l'emploi et la qualité de vie.
  (- article 7, § 1erbis, alinéa 4, 3°, de arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
  - article 9, § 4, 2°, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale.) <L 2003-04-08/33, art. 71, 004; En vigueur : 27-04-2003>
Art.358. Artikel 32 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 2 januari 2001, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 32. § 1. De startbaanovereenkomst moet schriftelijk worden opgemaakt voor elke nieuwe werknemer afzonderlijk, ten laatste op het moment waarop hij met de uitvoering van de overeenkomst aanvangt.
  De Koning bepaalt het model van de startbaanovereenkomst.
  Voor de naleving van de verplichting bedoeld in artikel 39, §§ 1 en 2, en van wat bepaald wordt in artikel 39, § 3, en voor de doelgroepvermindering bedoeld in titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 5, van de programmawet van 24 december 2002 komen alleen als nieuwe werknemer in aanmerking :
  1° de nieuwe werknemers die als dusdanig worden vermeld op de aangifte aan de instelling die instaat voor de inning van sociale zekerheidsbijdragen;
  2° de nieuwe werknemers die door de werkgever zijn aangeworven tijdens de geldigheidsduur van de startbaankaart bedoeld in § 2.
  § 2. Door middel van een startbaankaart attesteert het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, bevoegd voor de woonplaats van de werkzoekende, dat de jongere voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 23 en dat de jongere al dan niet een laaggeschoolde jongere is in de zin van artikel 24.
  De startbaankaart kan worden aangevraagd door de jongere. De startbaankaart kan tevens worden aangevraagd door een werkgever indien de jongere op het ogenblik van de indienstneming geen geldige startbaankaart bezit. Deze aanvraag wordt enkel aanvaard indien zij individueel wordt opgesteld en de identiteit van de werkgever vermeldt alsmede de identiteit van de werknemer, zijn woonplaats en identificatienummer van de sociale zekerheid, de datum van de indienstneming en als de werkgever een kopie van de startbaanovereenkomst voorlegt.
  De aanvraag van de startbaankaart bedoeld in het vorige lid moet ten laatste op de 30e dag volgend op de dag van de indienstneming ingediend worden bij het bevoegde werkloosheidsbureau. Wanneer de aanvraag van de startbaankaart wordt ingediend buiten deze termijn, wordt de periode gedurende dewelke de doelgroepvermindering bedoeld in titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 5, van de programmawet van 24 december 2002 kan worden toegekend, verminderd met een periode die aanvangt op de dag van de indienstneming en die eindigt op de laatste dag van het kwartaal waarin de datum gelegen is van de laattijdige indiening van de aanvraag van de startbaankaart.
  Indien de aanvraag bedoeld in de vorige leden per post wordt verstuurd, wordt de postdatum als de datum van indiening beschouwd.
  De startbaankaart draagt als geldigheidsdatum :
  1° de datum waarop de aanvraag wordt ingediend indien de werkzoekende nog niet in dienst is genomen;
  2° de datum van de indienstneming indien de werkzoekende reeds in dienst is genomen.
  De startbaankaart heeft een geldigheidsduur van zes maanden en geldt voor elke aanwerving die tijdens de geldigheidsduur wordt verricht.
  De geldigheidsduur van de startbaankaart kan worden verlengd per periode van telkens drie maanden, voor zover de jongere aantoont dat hij bij het indienen van de aanvraag tot verlenging of bij de aanwerving opnieuw aan de vereiste voorwaarden voldoet.
  Indien de jongere een nieuwe startbaanovereenkomst sluit bij een andere werkgever, dient de jongere of deze werkgever zich binnen de zestig dagen aan te dienen bij het bevoegde werkloosheidsbureau met de startbaankaart van de jongere en een kopie van de vorige en de nieuwe startbaanovereenkomst. Het bevoegde werkloosheidsbureau zal op dat moment de startbaankaart aanvullen met de begin- en einddata van de nieuwe startbaanovereenkomsten.
  Wanneer een nieuwe startbaankaart wordt aangevraagd tijdens de geldigheidsduur van een vorige startbaankaart, wordt een startbaankaart gegeven met dezelfde geldigheidsperiode als de vorige startbaankaart.
  § 3. In afwijking van § 1, derde lid, wordt de doelgroepvermindering bedoeld in titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, onderafdeling 5, van de programmawet van 24 december 2002, voor de jonge werknemers bedoeld in artikel 27, eerste lid, 3°, a) en b) slechts toegekend vanaf 1 september van het kalenderjaar waarin de jongere de leeftijd van 18 jaar bereikt.
  Voor de jongeren bedoeld in het eerste lid, die niet voldoen aan de leeftijdsvereiste, wordt de werkgever, tot het tijdstip waarop hij aanspraak kan maken op de doelgroepvermindering bedoeld in het eerste lid, vrijgesteld van de werkgeversbijdragen zoals bedoeld in artikel 38, § 3, 1° tot 7°, en 9° en § 3bis, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers of in artikel 2, § 3, 1° tot 5°, en 7°, en § 3bis van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden, in artikel 56, 1° en 2°, van de wetten tot vergoeding van de schade die het resultaat is van beroepsziekte, gecoördineerd op 3 juni 1970, en in artikel 59, 1°, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
  De Koning bepaalt de nadere regelen betreffende de toekenning van en de controle op de vermindering bedoeld in het tweede lid.
Art. 358. L'article 32 de la même loi, remplacé par la loi du 2 janvier 2001, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 32. § 1er. La convention de premier emploi doit être constatée par écrit pour chaque nouveau travailleur individuellement, au plus tard au moment où il commence l'exécution de sa convention.
  Le Roi fixe le modèle de convention de premier emploi.
  Seuls sont pris en considération comme nouveau travailleur, pour l'évaluation du respect de l'obligation visée à l'article 39, §§ 1er et 2, et de ce qui est prévu par l'article 39, § 3, ainsi que pour le bénéfice de la réduction groupe-cible visée au titre IV, chapitre 7, section 3, sous-section 5, de la loi-programme du 24 décembre 2002 :
  1° les nouveaux travailleurs qui sont renseignés comme tels sur la déclaration à l'institution chargée de la perception des cotisations de sécurité sociale;
  2° les nouveaux travailleurs qui sont engagés par l'employeur durant la période de validité de la carte de premier emploi visée au § 2.
  § 2. Au moyen d'une carte premier emploi, le bureau du chômage de l'Office national de l'Emploi compétent pour la résidence du demandeur d'emploi, atteste que le jeune remplit les conditions prévues à l'article 23 et que le jeune est ou non un jeune moins qualifié au sens de l'article 24.
  La carte premier emploi peut être demandée par le jeune. La carte premier emploi peut également être demandée par un employeur, lorsque le jeune, au moment de l'engagement, ne dispose pas d'une carte premier emploi valable. Cette dernière demande est seulement acceptée lorsqu'elle est faite individuellement, mentionne l'identité de l'employeur ainsi que l'identité du travailleur, son domicile et son numéro d'identification pour la sécurité sociale, la date de l'engagement et si l'employeur présente une copie de la convention de premier emploi.
  La demande de la carte premier emploi visée à l'alinéa précédent doit être introduite au plus tard le 30e jour qui suit le jour de l'engagement au bureau de chômage compétent. Lorsque la demande de la carte premier emploi est introduite en dehors du délai précité, la période pendant laquelle le bénéfice de la réduction groupe-cible visée au titre IV, chapitre 7, section 3, sous-section 5, de la loi-programme du 24 décembre 2002 peut être accordé, est diminuée de la période commençant le jour de l'engagement et se terminant le dernier jour du trimestre dans lequel se situe la date de l'introduction tardive de la demande de la carte premier emploi.
  Lorsque la demande visée aux alinéas précédents est envoyée par la poste, la date de la poste est prise en compte comme date d'introduction.
  La carte premier emploi porte comme date de validité :
  1° la date à laquelle la demande est introduite lorsque le demandeur d'emploi n'a pas encore été engagé;
  2° la date de l'engagement lorsque le travailleur a déjà été engagé.
  La carte premier emploi à une durée de validité de six mois et est valable pour tout engagement effectué pendant sa période de validité.
  La validité de la carte premier emploi peut être prolongée par périodes de trois mois chacune, pour autant que le jeune démontre qu'il satisfait à nouveau aux conditions requises au moment de l'introduction de la demande de prolongation ou au moment de l'engagement.
  Si le jeune conclut une nouvelle convention de premier emploi auprès d'un autre employeur, le jeune ou cet employeur doit se présenter dans les soixante jours au bureau de chômage compétent, muni de la carte de premier emploi du jeune et d'une copie de l'ancienne et de la nouvelle convention de premier emploi. Le bureau de chômage compétent complètera alors la carte de premier emploi en y indiquant la date de début et de fin de la nouvelle convention de premier emploi.
  Lorsqu'une nouvelle carte premier emploi est demandée durant la période de validité d'une carte précédente, il est délivré une carte premier emploi ayant la même période de validité que la carte premier emploi précédente.
  § 3. Par dérogation au § 1er, alinéa 3, le bénéfice de la réduction groupe-cible visée au titre IV, chapitre 7, section 3, sous-section 5, de la loi-programme du 24 décembre 2002 n'est octroyée pour les jeunes travailleurs visés à l'article 27, alinéa 1er, 3°, a) et b) , qu'à partir du 1er septembre de l'année civile dans laquelle le jeune atteint l'âge de 18 ans.
  Pour les jeunes visés à l'alinéa 1er, qui ne remplissent pas la condition d'âge, l'employeur, jusqu'au moment qu'il peut prétendre à la réduction groupe cible visée à l'alinéa 1er, est exonéré des cotisations patronales prévues à l'article 38, § 3, 1° à 7°, et 9°, et § 3bis , de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés ou à l'article 2, § 3, 1° à 5°, et 7°, et § 3bis , de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés, à l'article 56, 1° et 2°, des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles coordonnées le 3 juin 1970, et à l'article 59, 1°, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
  Le Roi détermine les modalités d'octroi et de contrôle de la réduction visée à l'alinéa 2.
Art.359. In artikel 35, § 3, van dezelfde wet, vervangen bij de programmawet van 2 augustus 2002, worden de woorden " de opleidingen, " geschrapt.
Art. 359. Dans l'article 35, § 3, de la même loi, remplacé par la loi-programme du 2 août 2002, les mots " les formations, " sont supprimés.
Art.360. In dezelfde wet wordt een artikel 40bis ingevoegd, luidend als volgt :
  " Art. 40bis. De werkgever uit de privé-sector kan geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld van de bepalingen van dit hoofdstuk indien hij aantoont dat zijn onderneming een geleidelijke afbouw van het personeelsbestand gekend heeft.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat moet verstaan worden onder geleidelijke afbouw van het personeelsbestand, alsook de voorwaarden en nadere regels voor de toekenning van de in het eerste lid bedoelde vrijstelling. "
Art.364. L'employeur qui a engagé, avant le 1er janvier 2004, un travailleur qui remplissait les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 7, § 1erbis , alinéa 4, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs salariés, peut bénéficier, à partir du 1er janvier 2004, de la réduction de groupe-cible visée à la sous-section 3 de la section 3.
  Celle-ci lui est appliquée dans les conditions et suivant les modalités déterminées par le Roi, en tenant compte du nombre de trimestres durant lesquels il a bénéficié de cette réduction.
Art.361. Artikel 45 van dezelfde wet, vervangen bij de programmawet van 30 december 2001, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Art. 45. § 1. De nieuwe werknemer kan voor een nieuwe startbaanovereenkomst zoals bedoeld in artikel 27, eerste lid, 1°, in aanmerking komen, voor zover de duur van de uitvoering van de startbaanovereenkomst of startbaanovereenkomsten die hij voorheen in toepassing van artikel 27, eerste lid, 1°, 2° of 3°, heeft gesloten, een termijn van 12 maanden niet overschrijdt.
  De duur van de in het eerste lid bedoelde nieuwe startbaanovereenkomst is gelijk aan de periode van 12 maanden, verminderd met de periode van uitvoering van de voorheen gesloten startbaanovereenkomst of startbaanovereenkomsten, wanneer deze gesloten werd of werden in toepassing van artikel 27, eerste lid, 1°.
  De duur van de in het eerste lid bedoelde nieuwe startbaanovereenkomst is gelijk aan een periode van maximum 12 maanden wanneer de voorgaande startbaanovereenkomst of startbaanovereenkomsten gesloten werd of werden in toepassing van artikel 27, eerste lid, 2° of 3°.
  § 2. De nieuwe werknemer kan voor een nieuwe startbaanovereenkomst zoals bedoeld in artikel 27, eerste lid, 2° of 3°, in aanmerking komen, voor zover de duur van de uitvoering van de startbaanovereenkomst of startbaanovereenkomsten die hij voorheen in toepassing van artikel 27, eerste lid, 2° of 3°, heeft gesloten, een termijn van 36 maanden niet overschrijdt.
  De duur van de in het eerste lid bedoelde nieuwe startbaanovereenkomst is gelijk aan de periode van 36 maanden, verminderd met de periode van uitvoering van de voorgaande startbaanovereenkomst of startbaanovereenkomsten die werden gesloten in toepassing van artikel 27, eerste lid, 2° of 3°. "
Art. 361. L'article 45 de la même loi, remplacé par la loi-programme du 30 décembre 2001, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 45. § 1er. Le nouveau travailleur peut bénéficier d'une nouvelle convention de premier emploi visée à l'article 27, alinéa 1er, 1°, pour autant que la durée d'exécution de la ou des conventions de premier emploi qu'il a conclues précédemment en application de l'article 27, alinéa 1er, 1°, 2° ou 3°, n'excède pas douze mois.
  La durée de la nouvelle convention de premier emploi visée à l'alinéa 1er est égale à une période de 12 mois diminuée de la période d'exécution de la ou des conventions de premier emploi conclues précédemment, lorsque celle ou celles-ci ont été conclues en application de l'article 27, alinéa 1er, 1°.
  La durée de la nouvelle convention de premier emploi visée à l'alinéa 1er est égale à une période de 12 mois au maximum lorsque la ou les conventions de premier emploi précédentes ont été conclues en application de l'article 27, alinéa 1er, 2° ou 3°.
  § 2. Le nouveau travailleur peut bénéficier d'une nouvelle convention de premier emploi visée à l'article 27, alinéa 1er, 2° ou 3°, pour autant que la durée de l'exécution de la ou des conventions de premier emploi qu'il a conclues précédemment en application de l'article 27, alinéa 1er, 2° ou 3°, n'excède pas 36 mois.
  La durée de la nouvelle convention de premier emploi visée à l'alinéa 1er est égale à une période de 36 mois diminuée de la période d'exécution de la ou des conventions de premier emploi conclues précédemment en application de l'article 27, alinéa 1er, 2°, ou 3°. "
Art.362. Worden opgeheven :
  - artikel 35, §§ 1 tot 4 en § 5, eerste lid, van de wet van 29 juni 1981, gewijzigd bij de wetten van 30 december 1988, 26 maart 1999, 24 december 1999, 12 augustus 2000 en 5 september 2001 en het koninklijk besluit van 30 november 2001;
  - de artikelen 60 tot 64, 65, tweede lid, van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, gewijzigd bij de wetten van 3 april 1995, 22 december 1995, 26 juli 1996, 22 februari 1998, 26 maart 1999 en 2 januari 2001 en het koninklijk besluit van 30 november 2001;
  - artikel 18 van de wet van 22 december 1995 houdende maatregelen tot uitvoering van het meerjarenplan voor werkgelegenheid, gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1998 en 25 januari 1999 en het koninklijk besluit van 30 november 2001;
  - de artikelen 3 tot 12 van het koninklijk besluit van 14 maart 1997 houdende specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine en middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, gewijzigd bij de wetten van 13 februari 1998, 25 januari 1999, 26 maart 1999, 24 december 1999, 12 augustus 2000, 2 januari 2001, 30 december 2001 en het koninklijk besluit van 30 november 2001;
  - de artikelen 31, § 2, 36, 37, 38, gewijzigd bij de wet van 2 januari 2001, 44, gewijzigd bij de wet van 2 januari 2001, en 54, gewijzigd bij de wet van 2 januari 2001, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid;
  - de artikelen 5 tot 12 en artikel 13, §§ 2, 3 en 4 van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven.
  (- artikel 7, § 1bis, vierde lid, 3°, van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
  - artikel 9, § 4, 2°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.) <W 2003-04-08/33, art. 71, 004; Inwerkingtreding : 27-04-2003>
Art. 362. Sont abrogés :
  - l'article 35, §§ 1er à 4 et § 5, alinéa 1er, de la loi du 29 juin 1981, modifié par les lois des 30 décembre 1988, 26 mars 1999, 24 décembre 1999, 12 août 2000 et 5 septembre 2001 et l'arrêté royal du 30 novembre 2001;
  - les articles 60 à 64, 65, alinéa 2, de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, modifiés par les lois des 3 avril 1995, 22 décembre 1995, 26 juillet 1996, 22 février 1998, 26 mars 1999 et 2 janvier 2001 et par l'arrêté royal du 30 novembre 2001;
  - l'article 18 de la loi du 22 décembre 1995 portant des mesures visant à exécuter le plan pluriannuel pour l'emploi, modifié par les lois du 22 février 1998 et du 25 janvier 1999 et l'arrêté royal du 30 novembre 2001;
  - les articles 3 à 12 de l'arrêté royal du 14 mars 1997 portant des mesures spécifiques de promotion de l'emploi pour les petites et moyennes entreprises en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, modifiés par les lois du 13 février 1998, 25 janvier 1999, 26 mars 1999, 24 décembre 1999, 12 août 2000, 2 janvier 2001, 30 décembre 2001 et l'arrêté royal du 30 novembre 2001;
  - les articles 31, § 2, 36, 37, 38, modifié par la loi du 2 janvier 2001, 44, modifié par la loi du 2 janvier 2001, et 54, modifié par la loi du 2 janvier 2001, de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi;
  - les articles 5 à 12 et l'article 13, §§ 2, 3 et 4 de la loi du 10 août 2001 relative à la conciliation entre l'emploi et la qualité de vie.
  (- article 7, § 1erbis, alinéa 4, 3°, de arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
  - article 9, § 4, 2°, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale.) <L 2003-04-08/33, art. 71, 004; En vigueur : 27-04-2003>
Art.363. Het koninklijk besluit nr 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren, gewijzigd bij de wetten van 30 maart 1987, 28 mei 1991, 22 februari 1998, 6 mei 1998 en 24 december 1999, wordt opgeheven.
  (De overeenkomsten werk-opleiding, gesloten vóór 1 januari 2004, blijven evenwel tot hun einde onderworpen aan de bepalingen van voormeld koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 en van zijn uitvoeringsbesluiten.) <W 2003-12-22/42, art. 53, 006 ; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 364bis. § 1er. Par dérogation à l'article 32, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi, l'employeur peut, entre le 1er octobre 2003 et le 31 décembre 2003, conclure par écrit une convention de premier emploi avec le jeune avec qui il est lié par une convention emploi-formation lui donnant droit à une réduction de cotisations patronales sur la base de l'article 2 de l'arrêté royal n° 495 du 31 décembre 1986 instaurant un système associant le travail et la formation pour les jeunes de 18 à 25 ans et portant réduction temporaire des cotisations patronales de sécurité sociale dues dans le chef de ces jeunes, pour une durée égale à la durée de validité restante de la convention emploi-formation.
  § 2. Par dérogation à l'article 32, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 24 décembre 1999 précitée, l'employeur peut, entre le 1er octobre 2003 et le 31 décembre 2003, conclure par écrit une convention de premier emploi avec l'apprenti dont l'occupation donne droit à l'exonération de cotisations patronales sur la base de l'article 5, § 1er, de l'arrêté royal n° 495 précité du 31 décembre 1986, pour une durée égale à la durée de validité restante du contrat d'apprentissage ou du contrat de stage.
Afdeling 5. - Overgangsbepalingen.
Art. 364ter. L'employeur qui a engagé avant le 1er janvier 2004 un travailleur qui remplissait les conditions en vue de l'obtention de la réduction visée à l'article 2 ou 5 de l'arrêté royal n° 495 du 31 décembre 1986 instaurant un système associant le travail et la formation pour les jeunes de 18 à 25 ans et portant réduction temporaire des cotisations patronales de sécurité sociale dues dans le chef de ces jeunes, peut bénéficier à partir du 1er janvier 2004 de la réduction groupe cible pour les jeunes si ce travailleur ne remplit pas les conditions d'obtention de la réduction groupe cible visée à l'article 346 et à condition que l'employeur satisfasse aux conditions de l'article 347. Cette réduction lui est accordée dans les conditions et selon les règles fixées par le Roi, compte tenu du nombre de trimestres pour lesquels il a bénéficié de la réduction prévue à l'article 2 ou 5 de l'arrêté royal précité.
Art.364. De werkgever die voor 1 januari 2004 een werknemer aanwierf die voldeed aan de voorwaarden tot de verkrijging van de vermindering bedoeld in artikel 7, § 1bis , vierde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, kan vanaf 1 januari 2004 van de doelgroepvermindering, bedoeld in onderafdeling 3 van afdeling 3, genieten.
  Deze wordt hem toegestaan binnen de voorwaarden en regels vastgesteld door de Koning, rekeninghoudend met het aantal kwartalen waarvoor hij de vermindering genoten heeft.
Art. 364. L'employeur qui a engagé, avant le 1er janvier 2004, un travailleur qui remplissait les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 7, § 1erbis , alinéa 4, de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs salariés, peut bénéficier, à partir du 1er janvier 2004, de la réduction de groupe-cible visée à la sous-section 3 de la section 3.
  Celle-ci lui est appliquée dans les conditions et suivant les modalités déterminées par le Roi, en tenant compte du nombre de trimestres durant lesquels il a bénéficié de cette réduction.
Art. 364_VLAAMS_GEWEST.    De werkgever die voor 1 januari 2004 een werknemer aanwierf die voldeed aan de voorwaarden tot de verkrijging van de vermindering bedoeld in artikel 7, § 1bis , vierde lid, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, kan vanaf 1 januari 2004 van de doelgroepvermindering, bedoeld in onderafdeling 3 van afdeling 3, genieten.
  Deze wordt hem toegestaan binnen de voorwaarden en regels vastgesteld door de Koning, rekeninghoudend met het aantal kwartalen waarvoor hij de vermindering genoten heeft.
Art. 365bis. L'employeur qui a engagé, avant le 1er janvier 2004, un travailleur qui remplissait les conditions de prise en charge par l'Office national de sécurité sociale de la cotisation dans les frais d'administration lors de l'adhésion à un secrétariat social agréé selon les dispositions de l'article 124 de la loi-programme du 30 décembre 1988, peut bénéficier, à partir du 1er janvier 2004, de l'intervention visée à l'article 345.
  Celle-ci lui est accordée dans les conditions et selon les règles déterminées par le Roi, en tenant compte du nombre de trimestres pour lesquels il pouvait bénéficier de l'intervention prévue à l'article 124 précité.
Art. 364_VLAAMS_GEWEST TOEKOMSTIG RECHT. [1 ...]1
  
Art.366. L'employeur qui a engagé, avant le 1er janvier 2004, un travailleur qui remplissait les conditions pour obtenir la réduction visée aux articles 60 à 64 de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, peut bénéficier, à partir du 1er janvier 2004, de la réduction de groupe-cible visée à la sous-section 3 de la section 3. Celle-ci lui est appliquée dans les conditions et suivant les modalités déterminées par le Roi, en tenant compte du nombre de trimestres durant lesquels il a bénéficié de la réduction prévue aux articles 60 à 64 de la loi du 21 décembre 1994 précitée.
Art. 364bis. <INGEVOEGD bij W 2003-04-08/33, art. 72; Inwerkingtreding : 27-04-2003> § 1. In afwijking van artikel 32, § 1, eerste lid, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, kan de werkgever tussen 1 oktober 2003 en 31 december 2003 schriftelijk een startbaanovereenkomst afsluiten met de jongere met wie hij een overeenkomst werkopleiding heeft die aanleiding geeft tot de vrijstelling van werkgeversbijdragen op basis van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren, met een duurtijd gelijk aan de resterende voorziene duur van de overeenkomst werkopleiding.
  § 2. In afwijking van artikel 32, § 1, eerste lid, van hogervermelde wet van 24 december 1999, kan de werkgever tussen 1 oktober 2003 en 31 december 2003 schriftelijk een startbaanovereenkomst afsluiten met de leerling die hij tewerkstelt en die aanleiding geeft tot de vrijstelling van werkgeversbijdragen op basis van artikel 5, § 1, van hogervermeld koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986, met een duurtijd gelijk aan de resterende voorziene duur van leer- of stageovereenkomst.
Art. 364bis. § 1er. Par dérogation à l'article 32, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi, l'employeur peut, entre le 1er octobre 2003 et le 31 décembre 2003, conclure par écrit une convention de premier emploi avec le jeune avec qui il est lié par une convention emploi-formation lui donnant droit à une réduction de cotisations patronales sur la base de l'article 2 de l'arrêté royal n° 495 du 31 décembre 1986 instaurant un système associant le travail et la formation pour les jeunes de 18 à 25 ans et portant réduction temporaire des cotisations patronales de sécurité sociale dues dans le chef de ces jeunes, pour une durée égale à la durée de validité restante de la convention emploi-formation.
  § 2. Par dérogation à l'article 32, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 24 décembre 1999 précitée, l'employeur peut, entre le 1er octobre 2003 et le 31 décembre 2003, conclure par écrit une convention de premier emploi avec l'apprenti dont l'occupation donne droit à l'exonération de cotisations patronales sur la base de l'article 5, § 1er, de l'arrêté royal n° 495 précité du 31 décembre 1986, pour une durée égale à la durée de validité restante du contrat d'apprentissage ou du contrat de stage.
Art. 364ter. <W 2003-12-22/42, art. 54, 006 ; Inwerkingtreding : 01-01-2004> De werkgever die vóór 1 januari 2004 een werknemer aanwierf die voldeed aan de voorwaarden tot het verkrijgen van de vermindering bedoeld in de artikelen 2 of 5 van het koninklijk besluit nr 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren, kan vanaf 1 januari 2004 genieten van de doelgroepvermindering voor jongeren indien deze werknemer niet voldoet aan de voorwaarden tot het bekomen van de doelgroepvermindering bedoeld in artikel 346 en op voorwaarde dat de werkgever voldoet aan artikel 347. Deze wordt hem toegestaan binnen de voorwaarden en regels vastgesteld door de Koning, rekening houdend met het aantal kwartalen waarvoor hij de vermindering bepaald bij de artikelen 2 of 5 van voormeld koninklijk besluit heeft genoten.
Art. 364ter. L'employeur qui a engagé avant le 1er janvier 2004 un travailleur qui remplissait les conditions en vue de l'obtention de la réduction visée à l'article 2 ou 5 de l'arrêté royal n° 495 du 31 décembre 1986 instaurant un système associant le travail et la formation pour les jeunes de 18 à 25 ans et portant réduction temporaire des cotisations patronales de sécurité sociale dues dans le chef de ces jeunes, peut bénéficier à partir du 1er janvier 2004 de la réduction groupe cible pour les jeunes si ce travailleur ne remplit pas les conditions d'obtention de la réduction groupe cible visée à l'article 346 et à condition que l'employeur satisfasse aux conditions de l'article 347. Cette réduction lui est accordée dans les conditions et selon les règles fixées par le Roi, compte tenu du nombre de trimestres pour lesquels il a bénéficié de la réduction prévue à l'article 2 ou 5 de l'arrêté royal précité.
Art.365. De werkgever die voor 1 januari 2004 een werknemer aanwierf die voldeed aan de voorwaarden tot de verkrijging van de vermindering bedoeld in artikel 115bis van de programmawet van 30 december 1988, kan vanaf 1 januari 2004 genieten van de doelgroepvermindering, bedoeld in onderafdeling 4 van afdeling 3, genieten. Deze wordt hem toegestaan binnen de voorwaarden en regels vastgesteld door de Koning, rekening houdend met het aantal kwartalen waarvoor hij de vermindering bepaald bij voormeld artikel genoten heeft.
Art.369. L'employeur qui a réduit, avant le 1er octobre 2001, le temps de travail tout en remplissant les conditions pour obtenir la réduction visée à l'arrêté royal du 24 novembre 1997 contenant des conditions plus précises relatives à l'instauration de la réduction de cotisations pour la redistribution du travail en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, bénéficie de la réduction de groupe-cible visée à la sous-section 6 de la section 3. Celle-ci lui est appliquée dans les conditions et suivant les modalités déterminées par le Roi, tenant compte du nombre de trimestres durant lesquels il a bénéficié de la réduction prévue par l'arrêté royal du 24 novembre 1997 précité.
Art. 365bis. <W 2003-12-22/42, art. 55, 006 ; Inwerkingtreding : 01-01-2004> De werkgever die voor 1 januari 2004 een werknemer aanwierf die voldeed aan de voorwaarden tot de tenlasteneming vanwege de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de bijdrage in de administratiekosten bij aansluiting bij een erkend sociaal secretariaat volgens de bepalingen bedoeld in artikel 124 van de programmawet van 30 december 1988, kan vanaf 1 januari 2004 genieten van de tussenkomst bedoeld in artikel 345.
  Deze wordt hem toegestaan binnen de voorwaarden en regels vastgesteld door de Koning, rekening houdend met het aantal kwartalen waarvoor hij van de tenlasteneming bepaald bij voormeld artikel 124 kon genieten.
Art. 365bis. L'employeur qui a engagé, avant le 1er janvier 2004, un travailleur qui remplissait les conditions de prise en charge par l'Office national de sécurité sociale de la cotisation dans les frais d'administration lors de l'adhésion à un secrétariat social agréé selon les dispositions de l'article 124 de la loi-programme du 30 décembre 1988, peut bénéficier, à partir du 1er janvier 2004, de l'intervention visée à l'article 345.
  Celle-ci lui est accordée dans les conditions et selon les règles déterminées par le Roi, en tenant compte du nombre de trimestres pour lesquels il pouvait bénéficier de l'intervention prévue à l'article 124 précité.
Art.366. De werkgever die voor 1 januari 2004 een werknemer aanwierf die voldeed aan de voorwaarden tot de verkrijging van de vermindering bedoeld in de artikelen 60 tot 64 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, kan vanaf 1 januari 2004 van de doelgroepvermindering bedoeld in onderafdeling 3 van afdeling 3 genieten. Deze wordt hem toegestaan binnen de voorwaarden en regels vastgesteld door de Koning, rekeninghoudend met het aantal kwartalen waarvoor hij de vermindering bepaald bij artikelen 60 tot 64 van voormelde wet van 21 december 1994 genoten heeft.
Art. 366. L'employeur qui a engagé, avant le 1er janvier 2004, un travailleur qui remplissait les conditions pour obtenir la réduction visée aux articles 60 à 64 de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, peut bénéficier, à partir du 1er janvier 2004, de la réduction de groupe-cible visée à la sous-section 3 de la section 3. Celle-ci lui est appliquée dans les conditions et suivant les modalités déterminées par le Roi, en tenant compte du nombre de trimestres durant lesquels il a bénéficié de la réduction prévue aux articles 60 à 64 de la loi du 21 décembre 1994 précitée.
Art.367. De werkgever die voor 1 oktober 2001 de arbeidsduur verminderde en daarbij voldeed aan de voorwaarden tot de verkrijging van de vermindering bedoeld in artikel 9 van het koninklijk besluit van 24 februari 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de tewerkstellingsakkoorden in toepassing van de artikelen 7, § 2, 30, § 2 en 33 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, geniet van de doelgroepvermindering bedoeld in onderafdeling 6 van afdeling 3.
  Deze wordt hem toegestaan binnen de voorwaarden en regels vastgesteld door de Koning, rekeninghoudend met het aantal kwartalen waarvoor hij de vermindering bepaald bij artikel 9 van voormeld koninklijk besluit van 24 februari 1997 genoten heeft.
Art. 367. L'employeur qui a réduit, avant le 1er octobre 2001, le temps du travail tout en remplissant les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 9 de l'arrêté royal du 24 février 1997 contenant des conditions plus précises relatives aux accords pour l'emploi en application des articles 7, § 2, 30, § 2, et 33, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, bénéficie de la réduction de groupe-cible visée à la sous-section 6 de la section 3.
  Celle-ci lui est appliquée dans les conditions et suivant les modalités déterminées par le Roi, en tenant compte du nombre de trimestres durant lesquels il a bénéficié de la réduction prévue à l'article 9 de l'arrêté royal du 24 février 1997 précité.
Art.368. De werkgever die voor 1 januari 2004 een werknemer aanwierf die voldeed aan de voorwaarden tot de verkrijging van de vermindering bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 14 maart 1997 houdende specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine en middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, kan vanaf 1 januari 2004 genieten van de doelgroepvermindering, bedoeld in onderafdeling 4 van afdeling 3 genieten. Deze wordt hem toegestaan binnen de voorwaarden en regels vastgesteld door de Koning, rekeninghoudend met het aantal kwartalen waarvoor hij de vermindering bepaald bij artikel 4 van voormeld koninklijk besluit van 14 maart 1997 genoten heeft.
Art. 368. L'employeur qui a engagé, avant le 1er janvier 2004, un travailleur qui remplissait les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 4 de l'arrêté royal du 14 mars 1997 portant des mesures spécifiques de promotion de l'emploi pour les petites et moyennes entreprises en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, peut bénéficier, à partir du 1er janvier 2004, de la réduction de groupe, visée à la sous-section 4 de la section 3. Celle-ci lui est appliquée dans les conditions et suivant les modalités déterminées par le Roi, en tenant compte du nombre de trimestres durant lesquels il a bénéficié de la réduction prévue à l'article 4 de l'arrêté royal du 14 mars 1997 précité.
Art.369. De werkgever die voor 1 oktober 2001 de arbeidsduur verminderde en daarbij voldeed aan de voorwaarden tot de verkrijging van de vermindering bedoeld in het koninklijk besluit van 24 november 1997 houdende nadere voorwaarden met betrekking tot de invoering van de arbeidsherverdelende bijdragevermindering met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, geniet van de doelgroepvermindering bedoeld in onderafdeling 6 van afdeling 3. Deze wordt hem toegestaan binnen de voorwaarden en regels vastgesteld door de Koning, rekeninghoudend met het aantal kwartalen waarvoor hij de vermindering bepaald bij voormeld koninklijk besluit van 24 november 1997 genoten heeft.
Art. 369. L'employeur qui a réduit, avant le 1er octobre 2001, le temps de travail tout en remplissant les conditions pour obtenir la réduction visée à l'arrêté royal du 24 novembre 1997 contenant des conditions plus précises relatives à l'instauration de la réduction de cotisations pour la redistribution du travail en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, bénéficie de la réduction de groupe-cible visée à la sous-section 6 de la section 3. Celle-ci lui est appliquée dans les conditions et suivant les modalités déterminées par le Roi, tenant compte du nombre de trimestres durant lesquels il a bénéficié de la réduction prévue par l'arrêté royal du 24 novembre 1997 précité.
Art.370. De werkgever die voor 1 oktober 2001 de vierdagenweek invoerde en daarbij voldeed aan de voorwaarden tot de verkrijging van de vermindering bedoeld in Hoofdstuk II, afdeling VI, onderafdeling 2 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, geniet van de doelgroepvermindering bedoeld in onderafdeling 6 van afdeling 3.
  Deze wordt hem toegestaan binnen de voorwaarden en regels vastgesteld door de Koning, rekeninghoudend met het aantal kwartalen waarvoor hij de vermindering bepaald bij voormeld hoofdstuk II, afdeling VI, onderafdeling 2, van de wet van 26 maart 1999 genoten heeft.
Art. 370. L'employeur qui a instauré, avant le 1er octobre 2001, la semaine de quatre jours tout en remplissant les conditions pour obtenir la réduction visée au Chapitre II, section VI, sous-section 2 de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses, bénéficie de la réduction de groupe-cible visée à la sous-section 6 de la section 3.
  Celle-ci lui est appliquée dans les conditions et suivant les modalités déterminées par le Roi, tenant compte du nombre de trimestres durant lesquels il a bénéficié de la réduction prévue au chapitre II, section VI, sous-section 2, de la loi du 26 mars 1999 précitée.
Art.371. De werkgever die voor 1 januari 2004 een jongere op het einde van een startbaanovereenkomst in dienst heeft gehouden in het kader van een geschreven arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, kan vanaf 1 januari 2004 van de doelgroepvermindering bedoeld in onderafdeling 5 van afdeling 3 genieten.
  Deze wordt hem toegestaan binnen de voorwaarden en regels vastgesteld door de Koning, rekeninghoudend met het aantal kwartalen waarvoor hij de vermindering bepaald bij artikel 37 van de wet van 24 december 1999 genoten heeft.
Art. 371. L'employeur qui, avant le 1er janvier 2004, a maintenu à son service un jeune au terme d'un contrat de premier emploi dans le cadre d'un contrat de travail écrit à durée indéterminée peut bénéficier, à partir du 1er janvier 2004, de la réduction visée à la sous-section 5 de la section 3.
  Celle-ci lui est appliquée dans les conditions et suivant les modalités déterminées par le Roi, tenant compte du nombre de trimestres durant lesquels il a bénéficié de la réduction prévue à l'article 37 de la loi du 24 décembre 1999.
Art.372. De werkgever die voor 1 januari 2004 de arbeidsduur verminderde of de vierdagenweek invoerde en daarbij voldeed aan de voorwaarden tot de verkrijging van de vermindering bedoeld in artikelen 5 tot 12 van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven, geniet van de doelgroepvermindering bedoeld in onderafdeling 6 van afdeling 3. Deze wordt hem toegestaan binnen de voorwaarden en regels vastgesteld door de Koning, rekeninghoudend met het aantal kwartalen waarvoor hij de vermindering bepaald bij artikelen 5 tot 12 van voornoemde wet van 10 augustus 2001 genoten heeft.
Art. 372. L'employeur qui, avant le 1er janvier 2004, a réduit le temps de travail ou a instauré la semaine de quatre jours tout en remplissant les conditions pour obtenir la réduction visée aux articles 5 à 12 de la loi du 10 août 2001 relative à la conciliation entre l'emploi et la qualité de vie, bénéficie de la réduction de groupe-cible visée à la sous-section 6 de la section 3. Celle-ci lui est appliquée dans les conditions et suivant les modalités déterminées par le Roi, en tenant compte du nombre de trimestres durant lesquels il a bénéficié de la réduction prévue aux articles 5 à 12 de la loi du 10 août 2001 précitée.
Art. 372bis. <INGEVOEGD bij W 2003-04-08/33, art. 73; Inwerkingtreding : 27-04-2003> De werkgever die voor 1 januari 2004 een werknemer aanwierf die voldeed aan de voorwaarden tot de verkrijging van de vermindering bedoeld in artikel 9, § 4, 2°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, kan vanaf 1 januari 2004 van de doelgroepvermindering bedoeld in onderafdeling 3 van afdeling 3, genieten.
  Deze wordt hem toegestaan binnen de voorwaarden en regels vastgesteld door de Koning, rekeninghoudend met het aantal kwartalen waarvoor hij de vermindering genoten heeft.
Art. 372bis. L'employeur qui a engagé, avant le 1er janvier 2004, un travailleur qui remplissait les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 9, § 4, 2°, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, peut bénéficier, à partir du 1er janvier 2004, de la réduction de groupe-cible visée à la sous-section 3 de la section 3.
  Celle-ci lui est appliquée dans les conditions et suivant les modalités déterminées par le Roi, en tenant compte du nombre de trimestres durant lesquels il a bénéficié de cette réduction.
Art. 372bis_VLAAMS_GEWEST.    <INGEVOEGD bij W 2003-04-08/33, art. 73; Inwerkingtreding : 27-04-2003> De werkgever die voor 1 januari 2004 een werknemer aanwierf die voldeed aan de voorwaarden tot de verkrijging van de vermindering bedoeld in artikel 9, § 4, 2°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, kan vanaf 1 januari 2004 van de doelgroepvermindering bedoeld in onderafdeling 3 van afdeling 3, genieten.  Deze wordt hem toegestaan binnen de voorwaarden en regels vastgesteld door de Koning, rekeninghoudend met het aantal kwartalen waarvoor hij de vermindering genoten heeft.     Art. 372bis_VLAAMS_GEWEST TOEKOMSTIG RECHT. [1 ...]1  

Wijzigingen

[1]  <DVR 2022-01-14/24, art. 58, 103; Inwerkingtreding : 01-07-2025>      Afdeling 6. - Slotbepalingen.  Art. 373. De Koning kan de geldende wetsbepalingen betreffende de verschillende maatregelen voor tewerkstelling die gepaard gaan met een bijdragevermindering, coördineren en in overeenstemming brengen door er de wijzigingen in aan te brengen die zich opdringen met het oog op een formele vereenvoudiging, zonder dat er echter aan de grondslag van deze bepalingen geraakt wordt.  Bij de federale Wetgevende Kamers zal, tijdens de zitting, indien zij vergaderd zijn, zoniet bij het begin van hun volgende zitting, een wetsontwerp worden ingediend ter bekrachtiging van het koninklijk besluit tot coördinatie.  Art. 374. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2004, (met uitzondering van de artikelen 355, 360, 361 en 373, die in werking treden op 1 januari 2003). W 2003-04-01/48, art. 23, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2003>  (In afwijking van het vorige lid, treedt artikel 353bis in werking op een datum bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.) <W 2003-12-22/42, art. 26, 006 ; Inwerkingtreding : 01-07-2004>  TITEL V. - Maatschappelijke integratie.  HOOFDSTUK 1. - Rechtspleging van verplichte poging tot minnelijke schikking inzake de aanpassing van de huurprijs of inzake de invordering van achterstallige huurgelden of inzake de uithuiszetting.  Art. 375. In deel IV, boek IV, hoofdstuk XVbis van het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 1344septies ingevoegd, luidende :  " Art. 1344septies. Voor de huur van woningen worden de hoofdvorderingen inzake de aanpassing van de huurprijs of inzake de invordering van achterstallige huurgelden of inzake de uithuiszetting verplicht vooraf aan de rechter voorgelegd overeenkomstig de artikelen 731, eerste lid, 732 en 733. Het schriftelijk verzoek om minnelijke schikking wordt aan het dossier van de rechtspleging toegevoegd nadat de griffier de datum van neerlegging erop heeft vermeld; ingeval het verzoek mondeling wordt gedaan, maakt de griffier daarvan proces-verbaal op dat aan het dossier van de rechtspleging wordt toegevoegd.  Wanneer geen minnelijke schikking tot stand komt en een partij haar vordering ten gronde voor de rechter wenst te brengen, handelt zij overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.  Het verzoek om minnelijke schikking dat is ingediend overeenkomstig de voorafgaande leden heeft, wat de termijnen betreft die bij wet worden verleend, de gevolgen van een dagvaarding vanaf de dag van zijn indiening, voorzover wanneer de partijen niet tot een schikking zijn gekomen, de vordering in rechte wordt ingeleid binnen een maand na de datum van het proces-verbaal waaruit de ontstentenis van schikking blijkt. "  Art. 376. (Opgeheven) <W 2008-06-18/34, art. 3, 027; Inwerkingtreding : 24-07-2008>  HOOFDSTUK 2. - Uitbreiding van de toepassing van de regels betreffende de huurovereenkomsten met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de huurder in het bijzonder.  Art. 377. § 1. Artikel 1, § 1, eerste lid, van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling 2, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 20 februari 1991, wordt aangevuld als volgt :  " Een woning is elk roerend of onroerend goed of een deel ervan dat tot hoofdverblijfplaats van de huurder is bestemd. "  § 2. De bepaling die in het Burgerlijk Wetboek wordt ingevoegd bij § 1 is van toepassing op de overeenkomsten die worden gesloten na de inwerkingtreding van dit hoofdstuk.  Op de overeenkomsten die lopen, is de bedoelde bepaling van toepassing één jaar na de inwerkingtreding van dit hoofdstuk.  In geen geval kan de toepassing van de bedoelde bepaling leiden tot het opzeggen van lopende overeenkomsten.  Art. 378. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2003.  HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.  Art. 379. In artikel 2 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wordt een § 7 toegevoegd, luidende :  " § 7. In afwijking van artikel 1, 1°, is bevoegd om maatschappelijke dienstverlening aan een dakloze persoon die niet verblijft in een instelling als bedoeld in § 1 toe te kennen, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar de betrokkene zijn feitelijke verblijfplaats heeft.  Het O.C.M.W. dient iedere toekenning van maatschappelijke dienstverlening aan een dakloze persoon onmiddellijk aan de Bestuursdirectie van het Maatschappelijk Welzijn te melden. "  Art. 380. Artikel 5, § 2, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt aangevuld met een nieuw lid dat ingevoegd wordt tussen het huidige tweede en derde lid, luidende :  " Het bewijs van de aanbieding van een huisvesting wordt geleverd op basis van een kopie van het sociaal verslag aangevuld met tastbare bewijzen van de aanbieding door het O.C.M.W. van een degelijke en aangepaste huisvesting, evenals van de afwijzing van de aanbieding door de betrokkene. "  Art. 381. Artikel 5, § 2bis , van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :  " § 2bis. In afwijking van § 1, 2°, neemt de Staat 0 % van de maatschappelijke dienstverlening ten laste binnen de beperkingen bepaald krachtens artikel 11, § 2, toegekend in geld of in natura aan de vreemdelingen die zich vluchteling verklaard hebben of die aangevraagd hebben om als vluchteling te worden erkend, wanneer het ontbreken van voldoende maatregelen door het O.C.M.W. om de opvang van deze vreemdelingen op het grondgebied van zijn gemeente te bevorderen tot gevolg heeft dat zij ertoe aangezet worden zich in een andere gemeente te vestigen.  De modaliteiten die het mogelijk maken te evalueren wanneer er gebrek aan voldoende maatregelen voor de opvang van deze vreemdelingen bestaat evenals de aanvaardbare bewijzen om dit ontbreken van voldoende maatregelen te weerleggen, worden door de Koning bepaald, bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad. "  Art. 382. Artikel 15 van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt :  " Onverminderd de definitieve tenlasteneming van de kosten van de dienstverlening, bepaalt de minister tot wiens bevoegdheid de maatschappelijke integratie behoort, binnen vijf werkdagen, het centrum dat voorlopig moet tussenkomen wanneer twee of meerdere O.C.M.W.'s achten niet territoriaal bevoegd te zijn om een vraag te onderzoeken.  De Koning stelt de uitvoeringsmodaliteiten van deze bepaling vast. "  Art. 383. Artikel 57bis van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wordt opgeheven.  HOOFDSTUK 4. - Rusthuis " Zeemanshuis ".  Art. 384.Het rusthuis, genaamd " Zeemanshuis " van de " [1 administratieve dienst met boekhoudkundige autonomieHelena en Isabella Godtschalck " werft, voor al haar personeelsleden voor de haar toegekende opdrachten, personeel bij arbeidsovereenkomst aan. Deze aanwervingen zijn niet onderworpen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die de administratieve en geldelijke arbeidsvoorwaarden van de personeelsleden van de federale overheidsdiensten regelen.  ----------  <W 2019-04-13/21, art. 20, 091; Inwerkingtreding : 01-01-2018>   TITEL VI. - Financiën.  HOOFDSTUK 1. - Wetenschappelijk onderzoek.  Art. 385. (opgeheven) <W 2005-12-23/30, art. 112, 018; Inwerkingtreding : 09-01-2006>  Art. 386. Artikel 385 treedt in werking op 1 oktober 2003.  HOOFDSTUK 2. - Sector van de zeevisserij.  Art. 387. (opgeheven) <W 2005-12-23/30, art. 112, 018; Inwerkingtreding : 09-01-2006>  Art. 388. De Koning bepaalt de nadere regels en modaliteiten in verband met de wijze :  - waarop bij de indiening van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing het bewijs wordt geleverd dat de werknemers voor wie de ingehouden bedrijfsvoorheffing niet volledig is gestort voor de periode waarop de aangifte betrekking heeft, daadwerkelijk aan boord van een in artikel 387, eerste lid, bedoeld schip waren tewerkgesteld;  - waarop, in het geval bedoeld in artikel 387, derde lid, bij de indiening van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing het onderscheid moet worden gemaakt tussen de ingehouden en de gestorte bedrijfsvoorheffing.  Art. 389. De artikelen 387 en 388 zijn van toepassing op de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 1 januari 2003.  HOOFDSTUK 3. - Federale Overheidsdienst Financiën.  Art. 390. § 1. De diensten en de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën nemen de bevoegdheden en rechten over die de wettelijke en reglementaire bepalingen respectievelijk toekennen aan de administraties en aan de ambtenaren van het Ministerie van Financiën.  De Koning verdeelt de bevoegdheden en rechten toegekend aan de administraties en de ambtenaren van het Ministerie van Financiën respectievelijk over de diensten en de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën.  § 2. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de betrokken wettelijke bepalingen wijzigen om ze in overeenstemming te brengen met de nieuwe bevoegdheden vastgelegd in uitvoering van de § 1.  HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de wet van 21 ventôse jaar VII betreffende de inrichting van de bewaring der hypotheken.  Art. 391. Artikel 4 van de wet van 21 ventôse jaar VII betreffende de inrichting van de bewaring der hypotheken, wordt als volgt vervangen :  " Art. 4. Vóór zijn ambtsinstelling, legt de hypotheekbewaarder-titularis of de hypotheekbewaarder-interimaris de bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 bepaalde eed af en verbindt hij zich tevens onder eed het hem opgedragen ambt getrouw en nauwgezet te vervullen.  De eed wordt afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg binnen het rechtsgebied waarvan de hypotheekbewaring haar zetel heeft.  De hypotheekbewaarder wordt slechts beëdigd op vertoon van de bekendmaking, bij uittreksel, van zijn aanstellingsbesluit in het Belgisch Staatsblad. "  Art. 392. Hoofdstuk V van dezelfde wet wordt als volgt vervangen :  " Hoofdstuk V. - Leeftijdsgrens, interim, plaatsvervanging in geval van afwezigheid of verhindering.  Art. 12. De hypotheekbewaarders-titularissen worden benoemd tot de leeftijdsgrens voor rijksambtenaren.  Art. 13. § 1. Ingeval een betrekking van hypotheekbewaarder-titularis definitief vacant wordt, anders dan door overlijden of afzetting, en er op de datum van de vacature niet in een vervanging van de titularis bij wijze van benoeming wordt voorzien, wordt de betrekking voorlopig verleend bij wijze van interim.  § 2. Ingeval er, anders dan door overlijden of omwille van redenen die verband houden met het belang van de dienst, een einde komt aan de aanstelling van een interimaris in een definitief vacante betrekking van hypotheekbewaarder en er op dat ogenblik niet in een vervanging bij wijze van benoeming wordt voorzien, wordt de betrekking opnieuw voorlopig verleend bij wijze van interim.  § 3. De hypotheekbewaarders-interimarissen worden door de Minister van Financiën aangesteld tot dat in de definitief vacante betrekking bij wijze van benoeming is voorzien, zonder dat de interimaris na het bereiken van de leeftijdsgrens voor rijksambtenaren in dienst kan blijven. De aanstelling geschiedt na advies van de Directeur-generaal van het kadaster, de registratie en de domeinen.  § 4. In de gevallen bedoeld in de §§ 1 en 2 is de aangestelde hypotheekbewaarder-interimaris aansprakelijk voor zijn beheer.  § 5. Indien de definitief vacante betrekking van hypotheekbewaarder niet is verleend bij wijze van benoeming of van interim op de datum van de vacature of van de beëindiging van de aanstelling van de interimaris, mag de hypotheekbewaarder-titularis of de hypotheekbewaarder-interimaris zijn functies niet verlaten vooraleer zijn opvolger geïnstalleerd werd, op straffe van rekenschap te geven van alle schade en interesten waartoe de tijdelijke vacature van het kantoor aanleiding zou kunnen geven.  § 6. In geval van overlijden, afzetting of beëindiging van een interim van een hypotheekbewaarder in het belang van de dienst wordt de betrekking, in afwachting van de benoeming van een titularis of de aanstelling van een interimaris, voorlopig waargenomen door een eerstaanwezend inspecteur, dienstchef, van de registratie en de domeinen. Deze laatste is aansprakelijk voor zijn beheer, maar een borgstelling wordt hem niet opgelegd.  In die gevallen wordt er aanstonds in de betrekking voorzien bij wijze van benoeming of van interim.  De aanstelling van een interimaris geschiedt overeenkomstig § 3. In voorkomend geval is de aangestelde hypotheekbewaarder-interimaris aansprakelijk voor zijn beheer.  § 7. De hypotheekbewaarder-interimaris is ertoe gehouden borg te stellen.  Hij is onderworpen aan alle verplichtingen die uit het ambt voortvloeien.  Art. 14. § 1. In geval van afwezigheid of van verhindering van een hypotheekbewaarder-titularis of een hypotheekbewaarder-interimaris, wordt hij vervangen door een eerstaanwezend inspecteur, dienstchef, van de registratie en de domeinen.  De titularis of de interimaris blijft aansprakelijk voor het beheer van de plaatsvervanger, zowel tegenover het publiek als tegenover de Staat.  § 2. In geval van tuchtschorsing of schorsing in het belang van de dienst van een hypotheekbewaarder wordt de betrekking voorlopig waargenomen door een eerstaanwezend inspecteur, dienstchef, van de registratie en de domeinen. Deze laatste is aansprakelijk voor zijn beheer, maar een borgstelling wordt hem niet opgelegd. "  HOOFDSTUK 5. - Wijziging aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en aan het Wetboek der successierechten.  Art. 393. Artikel 161, 5°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, wordt vervangen als volgt :  " 5° waarmerkingen en akten van bekendheid, in de gevallen bedoeld in artikel 139 van de hypotheekwet van 16 december 1851; ".  Art. 394. In artikel 150 van het Wetboek der successierechten, vervangen bij de wet van 2 mei 2002, worden in het tweede lid, 5°, de woorden " artikel 3 van " geschrapt.  Art. 395. Artikel 394 treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van de wet van 2 mei 2002 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.  HOOFDSTUK 6. - Bepalingen tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.  Afdeling 1. - PC privé.  Art. 396. Artikel 38, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 6 augustus 1993, 6 juli 1994 en 21 december 1994, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, bij de wetten van 8 augustus 1997, 8 juni 1998 en 7 april 1999, bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001 en bij de wet van 10 augustus 2001, wordt aangevuld als volgt :  " 17° in zover zij niet meer bedragen dan 1.250,00 EUR per aanbod, de tussenkomsten van de werkgever ten beloop van maximum 60 % van de aankoopprijs (exclusief BTW) die door de werknemers wordt betaald voor de aankoop van een geheel van pc, randapparatuur en printer, internetaansluiting en internetabonnement, alsook de voor de bedrijfsvoering dienstige software in het kader van een door de werkgever georganiseerd plan, zonder dat die werkgever op enig ogenblik zelf eigenaar van de voormelde elementen mag zijn.  De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad de voorwaarden waaraan die vrijstelling moet voldoen. "  Art. 397. Artikel 396 treedt in werking op de datum bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. (NOTA : inwerkingtreding op 01-01-2003; zie KB 2003-03-25/37, art. 3.)  Afdeling 2. - Opcentiemen op de belasting der niet inwoners (natuurlijke personen) en toepassing van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting in de berekening van de bedrijfsvoorheffing.  Art. 398. Artikel 245 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :  " De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad die opcentiemen verhogen tot maximaal zeven opcentiemen. "  Art. 399. Artikel 469, tweede lid, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld als volgt :  " De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad dat percentage verhogen tot maximaal 7 pct. "  Afdeling 3. - Verrekenbare bedrijfsvoorheffing.  Art. 400. Artikel 296 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :  " De geheven bedrijfsvoorheffing is :  - de overeenkomstig artikel 272 ingehouden bedrijfsvoorheffing;  - de niet ingehouden bedrijfsvoorheffing die werkelijk in de Schatkist wordt gestort. "  Afdeling 4. - Maatregelen betreffende de onderzoeks- en Vierdagenweek.  Art. 401. In artikel 354 van hetzelfde Wetboek gewijzigd bij de wet van 15 maart 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :  1° het eerste lid wordt aangevuld als volgt :  " Wanneer voor de toepassing van de vennootschapsbelasting en van de belasting van niet-inwoners die overeenkomstig de artikelen 233 en 248 wordt gevestigd, de belastingplichtige anders dan per kalenderjaar boekhoudt, wordt de termijn van drie jaar verlengd met eenzelfde tijdperk als dat welke is verlopen tussen 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd en de datum van afsluiting van het boekjaar in de loop van hetzelfde jaar. ";  2° in het vierde lid worden de woorden " binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van 3 jaar " vervangen door de woorden " binnen de in het eerste lid bedoelde termijn ".  Art. 402. Artikel 398 treedt in werking vanaf aanslagjaar 2005.  Artikel 399 treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.  De in artikel 245 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde opcentiemen en het in artikel 469, tweede lid, van hetzelfde Wetboek vermelde percentage worden, respectievelijk voor het aanslagjaar 2004 en voor het jaar 2003, vastgelegd op 6,7.  Artikel 401 en dit artikel treden in werking op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.  HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen.  Art. 403. Artikel 41, 4°, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, wordt vervangen als volgt :  " 4° aanbod : het aanbod van de optie dat schriftelijk en gedateerd aan de begunstigde ter kennis wordt gebracht; ".  Art. 404. Artikel 42, § 1, tweede lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :  " Wanneer de begunstigde het aanbod ten laatste op de zestigste dag die volgt op de datum van het aanbod, schriftelijk heeft aanvaard, wordt de optie uit fiscaal oogpunt geacht op die zestigste dag te zijn toegekend, zelfs indien aan de uitoefening van de optie opschortende of ontbindende voorwaarden zijn verbonden. De begunstigde die voor het verstrijken van die termijn de aanbieder niet schriftelijk de aanvaarding van het aanbod heeft medegedeeld, wordt geacht het aanbod te hebben geweigerd. "  Art. 405. In artikel 43, § 4, 1°, van dezelfde wet, worden de woorden " de gemiddelde koers " vervangen door de woorden " de gemiddelde slotkoers ".  Art. 406. In artikel 43, § 4, 2°, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen worden tussen de woorden " door een bedrijfsrevisor " en de woorden " die door die vennootschap wordt aangewezen ", de woorden " of door een accountant " ingevoegd.  Art. 407. Artikel 47 van dezelfde wet wordt aangevuld met een § 4 luidend als volgt :  " § 4. Voor de aandelenoptieplannen afgesloten tussen 1 januari 1999 en 31 december 2002, kan de vennootschap die de opties aanbiedt, vóór 30 juni 2003, met instemming van de begunstigden, uitoefeningsperiode ervan zonder bijkomende fiscale last met hoogstens 3 jaar verlengen.  Dit akkoord moet aan de Administratie worden betekend vóór 31 juli 2003.  Voor de toepassing van het eerste lid wordt afgeweken van artikel 499 van het Wetboek van vennootschappen. "  HOOFDSTUK 8. - Regularisatie van de belastbare bezoldigingen en vergoedingen van personeelsleden van de lokale politie.  Art. 408. Voor de toepassing van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 worden de belastbare bezoldigingen en vergoedingen van de personeelsleden van de lokale politie waarvoor de berekening of regularisatie voor de niet geregulariseerde maanden van het jaar 2002 door het " sociaal secretariaat van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus " in het jaar 2003 (uiterlijk op 30 december 2003) wordt uitgevoerd, geacht ten belope van 80 pct. te zijn betaald of toegekend in het jaar 2002. " <W 2003-12-22/42, art. 299, 006 ; Inwerkingtreding : 10-01-2003>  TITEL VII. - Administratieve vereenvoudiging en E-government.  Art. 409. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de van kracht zijnde wettelijke bepalingen opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen teneinde de elektronische communicatie tussen burgers en ondernemingen enerzijds en de overheid anderzijds mogelijk te maken.  Hiertoe kan Hij :  1° naast de bestaande administratieve werkwijzen, het vervullen van allerhande formaliteiten en het meedelen van administratieve beslissingen elektronisch mogelijk maken;  2° de administratieve procedures en formulieren aldus aanpassen dat gegevens waarover de overheid reeds beschikt niet langer door de burger of ondernemingen moeten worden verstrekt;  3° het gebruik van fiscale zegels of andere vormen van rechtstreekse betaling, vooraf of op het ogenblik van het vervullen van de administratieve formaliteiten, vervangen door andere vormen van betaling;  4° de bestaande regels inzake de openbaarheid en bekendmaking van bepaalde administratieve beslissingen aanpassen aan de mogelijkheden die geboden worden via de federale portal.  De krachtens dit artikel genomen koninklijke besluiten die niet bij wet worden bekrachtigd op de eerste dag van de twaalfde maand volgend op deze van hun publicatie in het Belgisch Staatsblad , houden op uitwerking te hebben.  Art. 410. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels vast volgens welke burgers en ondernemingen elektronisch kunnen communiceren met de overheid en er elektronisch stukken of akten kunnen aan doorsturen.  Art. 411. Artikel 4 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999, wordt vervangen als volgt :  " Art. 4. De Kruispuntbank is belast met het inzamelen, het opslaan en het verwerken van de gegevens met betrekking tot de identificatie van de personen, voor zover verscheidene instellingen van sociale zekerheid deze gegevens nodig hebben voor de toepassing van de sociale zekerheid, voor zover de identificatie van deze personen vereist is in uitvoering (van de wet van 16 januari 2003) tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister en tot oprichting van erkende ondernemingsloketten, of voorzover de identificatie van deze personen vereist is voor de uitvoering door een federale overheidsdienst van de opdrachten die hem zijn toegewezen door of krachtens de wet. De aan de Kruispuntbank ter beschikking gestelde gegevens moeten voldoen aan de door de Kruispuntbank vastgelegde kwaliteitsnormen om de betrokken persoon eenduidig te kunnen identificeren. <Erratum, zie B.St. 07-02-2003, p. 5350>  Deze opdracht heeft geen betrekking op de gegevens die door het Rijksregister worden opgeslagen. "  Art. 412. In artikel 40, eerste lid, van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap, worden de woorden " bij de Diensten van de Eerste Minister " vervangen door de woorden " bij de Federale Overheidsdienst Kanselarij van de Eerste Minister ".  TITEL VIII. - Wetenschappelijk onderzoek.  HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 275 van 31 december 1983 betreffende sommige wetenschappelijke inrichtingen van de Staat.  Art. 413. In artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 275 van 31 december 1983 betreffende sommige wetenschappelijke inrichtingen van de Staat, worden de volgende wijzigingen aangebracht :  1° in punt 2° worden de woorden " binnen de twaalf maanden " geschrapt;  2° de paragraaf wordt aangevuld als volgt :  " Dezelfde reglementering is van toepassing op de leden van het contractueel personeel die in dienst zijn genomen in de vroegere bij het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika of de Koninklijke Bibliotheek van België opgerichte centra. "  HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 504 van 31 december 1986 houdende oprichting van de wetenschappelijke instellingen van de Staat, afhangend van beide ministers van Onderwijs of van de minister(s) aangewezen in een bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, als staatsdiensten met afzonderlijk beheer.  Art. 414. Het opschrift van het koninklijk besluit nr. 504 van 31 december 1986 houdende oprichting van de wetenschappelijke instellingen van de Staat, afhangend van beide ministers van Onderwijs of van de minister(s) aangewezen in een bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, als staatsdiensten met afzonderlijk beheer, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1987, wordt vervangen als volgt :  " Koninklijk besluit nr. 504 van 31 december 1986 waarbij de onder de voor het Wetenschapsbeleid bevoegde minister ressorterende wetenschappelijke instellingen van de Staat opgericht worden als staatsdiensten met afzonderlijk beheer ".  Art. 415. Artikel 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :  " Artikel 1. De hierna opgesomde wetenschappelijke instellingen van de Staat die ressorteren onder de minister die bevoegd is voor het Wetenschapsbeleid, zijn staatsdiensten met afzonderlijk beheer :  1° het Algemeen Rijksarchief en de Rijksarchieven in de Provinciën;  2° de Koninklijke Bibliotheek van België;  3° het Belgisch Instituut voor Ruimte-aëronomie;  4° het Koninklijk Meteorologisch Instituut van België;  5° de Koninklijke Sterrenwacht van België;  6° het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika;  7° het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen;  8° de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis;  9° de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België;  10° het Koninklijk Instituut voor Kunstpatrimonium. "  Art. 416. Artikel 2 van hetzelfde besluit, wordt vervangen als volgt :  " Onder de organieke voorschriften die van toepassing zijn op het materiële en financiële beheer van de diensten bedoeld in artikel 1, legt de Koning, op voordracht van de ministers die bevoegd zijn voor het Wetenschapsbeleid en Financiën, de nadere regelen vast die hen in staat stellen giften en legaten te krijgen. "  Art. 417. Artikel 4 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.  HOOFDSTUK 3. - Herstructurering van sommige federale wetenschappelijke instellingen.  Afdeling 1. - Ontbinding van de V.Z.W. " Afrika Instituut - ASDOC ".  Art. 418. § 1. (Na de respectieve ontbinding van de VZW " ASDOC " en de instelling van openbaar nut " Afrikaans Instituut ", die uiterlijk op 31 december 2003 plaats moeten vinden, hevelt de Koning de goederen, rechten en verplichtingen alsmede de personeelsleden van de betrokken instellingen over naar het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika.) <W 2003-04-08/33, art. 149, 004; Inwerkingtreding : 27-04-2003>  § 2. De overgeplaatste personeelsleden (...) kunnen tot hun vertrek een betrekking blokkeren in de personeelsformatie van het Museum. Zij kunnen slechts door personen worden vervangen die in dienst worden genomen overeenkomstig de permanente voorschriften van de statuten die op het Museum van toepassing zijn. <W 2003-04-08/33, art. 149, 004; Inwerkingtreding : 27-04-2003>  § 3. De krachtens § 2 overgeplaatste personeelsleden behouden hun hoedanigheid, hun bezoldiging en de andere voordelen die zij hadden of zouden hebben verkregen indien zij in (de instellingen bedoeld in § 1) het ambt hadden blijven uitoefenen dat zij bij hun overplaatsing bekleedden. <W 2003-04-08/33, art. 149, 004; Inwerkingtreding : 27-04-2003>  Het bedrag van het pensioen dat hun zal worden toegekend, mag niet lager zijn dan het bedrag van het pensioen dat zij zouden hebben gekregen overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen die op het ogenblik van de overplaatsing op hen van toepassing waren, maar rekening houdend met de wijzigingen die deze bepalingen later zouden hebben ondergaan krachtens maatregelen die van toepassing zijn op (de instellingen bedoeld in § 1). <W 2003-04-08/33, art. 149, 004; Inwerkingtreding : 27-04-2003>  Afdeling 2. - Overname van het SOMA door het Algemeen Rijksarchief.  Art. 419.[1 § 1. De Koning integreert het Studie- en documentatiecentrum "Oorlog en Hedendaagse Maatschappij", hierna te noemen het "CEGESOMA", als operationele directie in de federale wetenschappelijke instelling "Algemeen Rijksarchief - Rijksarchief in de Provinciën", hierna te noemen "Rijksarchief". De Koning regelt de nadere regels van de overdracht aan de instelling van de goederen, collecties, rechten en verplichtingen van het CEGESOMA alsook van zijn personeelsleden.   § 2. De in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden behouden hun hoedanigheid, hun bezoldiging en de andere voordelen die zij hadden of zouden hebben verkregen indien zij in het CEGESOMA het ambt hadden blijven uitoefenen dat zij bij hun integratie bekleedden.   Het bedrag van het pensioen dat hun zal worden toegekend, mag niet lager zijn dan het bedrag van het pensioen dat zij zouden hebben gekregen overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen die op het ogenblik van de overplaatsing op hen van toepassing waren, maar rekening houdend met de wijzigingen die deze bepalingen later zouden hebben ondergaan krachtens maatregelen die van toepassing zijn op het CEGESOMA.  ----------  <W 2015-12-26/03, art. 68, 066; Inwerkingtreding : 01-01-2016>   HOOFDSTUK 4. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot het beheer van sommige wetenschappelijke instellingen.  Art. 420. Dit hoofdstuk is van toepassing op de federale wetenschappelijke instellingen die onder het gezag staan van de minister die bevoegd is voor het Wetenschapsbeleid.  Art. 421. Wanneer één van de wetenschappelijke instellingen als bedoeld in artikel 420 van een nieuwe personeelsformatie wordt voorzien overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 april 1999 tot vaststelling van het statuut van het toegevoegd vorsingspersoneel en van het beheerspersoneel van de wetenschappelijke instellingen van de Staat, kunnen de eventuele betrekkingen opgericht in de graad van adjunct-adviseur tijdelijk geblokkeerd worden door leden van onderwijzend personeel, die bij beslissing van de minister die bevoegd is voor het Wetenschapsbeleid, gedetacheerd zijn bij de instelling op de datum waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, en dat tot hun vertrek.  Art. 422. De culturele goederen die door een buitenlandse Staat, een openbare instantie of een buitenlandse culturele instelling uitgeleend worden om tentoongesteld te worden in een federale wetenschappelijke instelling, zijn niet vatbaar voor beslag voor de duur dat zij aan de betrokken instelling uitgeleend worden.  De lijst van die culturele goederen wordt ter informatie voorgelegd aan de minister die bevoegd is voor het Wetenschapsbeleid.  Art. 423. De verenigingen zonder winstoogmerk of de stichtingen die meewerken of wensen mee te werken aan het vervullen van de opdrachten van één van de federale wetenschappelijke instellingen en eventueel hun maatschappelijke zetel wensen te hebben in de betrokken instelling, moeten een erkenning van het instellingshoofd krijgen na advies van de bevoegde wetenschappelijke raad.  De voorwaarden voor het toekennen van die erkenning worden bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, met inachtneming van de voorschriften genomen ter uitvoering van artikel 140 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit.  De vereniging die niet wordt erkend, mag in geen geval deelnemen aan de opdrachten en activiteiten van de instelling, noch onder geen enkel voorwendsel een van haar lokalen betrekken.  HOOFDSTUK 5. - Financiële bepaling.  Art. 424. In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen wordt de tekst van de derde kolom (Aard van de toegestane uitgaven) tegenover het fonds " 11-1 Wederbelegging van terugbetalingen van terugvorderbare voorschotten, van vergoedingen en van retributies gestort voor werken voor rekening van derden " aangevuld als volgt :  " met inbegrip van de betaling van de lonen en toelagen van het statutair en contractueel personeel van de Federale diensten voor wetenschappelijke, technische en culturele aangelegenheden en de eraan verbonden federale wetenschappelijke instellingen, dat in dienst is genomen voor de voorbereiding, de uitvoering, het beheer en de follow-up ervan ".  HOOFDSTUK 6. - Opheffings- en slotbepalingen.  Art. 425. Het koninklijk besluit nr 275 van 31 december 1983 betreffende sommige wetenschappelijke instellingen van de Staat, zoals gewijzigd bij deze wet, wordt opgeheven.  Art. 426. Deze titel treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van :  1° hoofdstuk I, dat uitwerking heeft met ingang van 31 december 1983;  2° artikel 419, dat in werking treedt op 1 januari 2003;  3° artikel 425 dat in werking treedt de eerste dag van de maand die volgt op die tijdens welke deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.  TITEL IX. - Energie en Duurzame Ontwikkeling.  HOOFDSTUK 1. - Bekrachtiging van koninklijke besluiten.  Art. 427. Het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, wordt bekrachtigd met uitwerking op 1 juli 2003.  Art. 428. De hoofdstukken IV en V van het koninklijk besluit van 23 oktober 2002 betreffende de openbare dienstverplichtingen in de aardgasmarkt, worden bekrachtigd met uitwerking op 1 oktober 2002.  Art. 429. De hoofdstukken III en VI van het koninklijk besluit van 11 oktober 2002 betreffende de openbare dienstverplichtingen in de elektriciteitsmarkt, worden bekrachtigd met uitwerking op 1 oktober 2002.  Art. 430. Het koninklijk besluit van 29 september 2002, houdende de wijziging van het koninklijk besluit van 18 januari 2001 betreffende het voorlopige systeem tot dekking van de werkingskosten van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas, wordt bekrachtigd met uitwerking op 1 augustus 2002.  HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt.  Afdeling 1. - Inkomsten gemeenten.  Art. 431. In de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, wordt een artikel 12bis ingevoegd, luidende :  " Art. 12bis. Onverminderd de bepalingen van artikel 12 zal de netbeheerder jaarlijks aan de gemeenten een bedrag storten. Bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na overleg met de Gewesten, bepaalt de Koning de verdeling over de gemeenten. Bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalt de Koning het bedrag, de modaliteiten en de wijze waarop de netbeheerder de kost ervan in de tarieven dient op te nemen. "  Afdeling 2. - De invoering van een toeslag op de verbruikte elektriciteit ter financiering van openbare dienstverplichtingen.  Art. 432. Artikel 12 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, gewijzigd bij de wet van 30 december 2001, wordt aangevuld met een § 5, luidende :  " § 5. Op de tarieven bedoeld in § 1 wordt lastens de netgebruikers door de netbeheerder een toeslag geheven, genaamd " federale bijdrage ", die mag worden doorgerekend aan de eindafnemers, tot financiering van sommige openbare dienstverplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering van en controle op de elektriciteitsmarkt. De opbrengst van deze toeslag is bestemd voor :  1° de financiering van de verplichtingen die voortvloeien uit de denuclearisatie van de nucleaire sites BP1 en BP2 te Mol-Dessel, alsook uit de behandeling, de conditionering, de opslag en de berging van het geaccumuleerd radioactief afval, met inbegrip van het radioactief afval afkomstig van de gedenucleariseerde installaties, ten gevolge van de nucleaire activiteiten op genoemde sites;  2° de gedeeltelijke financiering van de werkingskosten van de commissie zoals bedoeld in artikel 25, § 3, en dit onverminderd de overige bepalingen van artikel 25, § 3;  3° de gedeeltelijke financiering van de uitvoering van de maatregelen van begeleiding en maatschappelijke steunverlening inzake energie voorzien door de wet van 4 september 2002 houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financiële maatschappelijke steunverlening aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering;  4° de financiering van het federale beleid ter reductie van de emissies van broeikasgassen met het oog op de naleving van de internationale verbintenissen van België inzake bescherming van het leefmilieu en duurzame ontwikkeling.  Het gedeelte van de elektriciteit geleverd aan eindafnemers en geproduceerd met aanwending van hernieuwbare energiebronnen of door eenheden van kwalitatieve warmtekrachtkoppeling, wordt vrijgesteld van het deel van deze toeslag bedoeld in 1° en 4°. De Koning bepaalt de nadere regels voor de toepassing van de vrijstelling. "  Art. 433. Artikel 21 van dezelfde wet wordt aangevuld met de volgende leden :  " De federale bijdrage bedoeld in artikel 12, § 5, wordt geïnd door de netbeheerder onder de vorm van een toeslag op de tarieven bedoeld in artikel 12, § 1. De netbeheerder stort de ontvangen sommen, overeenkomstig een verdeelsleutel, bepaald bij een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, respectievelijk :  1° in een fonds dat beheerd wordt door de commissie voor de financiering van haar werkingskosten overeenkomstig artikel 25, § 3;  2° in het fonds bedoeld in het eerste lid, 3°, met het oog op de gedeeltelijke financiering van de uitvoering van de maatregelen bedoeld in artikel 12, § 5, 3°, en waarvan de middelen te dien einde ter beschikking gesteld worden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 4 september 2002 houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financiële maatschappelijke steunverlening aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering;  3° aan de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen, die belast is met het beheer van de sanering van de nucleaire passiva, met het oog op de financiering van de uitvoering van de maatregelen bedoeld in artikel 12, § 5, 1°;  4° in een fonds voor de financiering van het federale beleid ter reductie van de emissies van broeikasgassen, dat beheerd wordt door de commissie.  Bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalt de Koning :  1° het bedrag en de berekeningswijze van de federale bijdrage bedoeld in artikel 12, § 5;  2° de verdeelsleutel voor de verdeling van de opbrengst van de federale bijdrage over de fondsen bedoeld in het vorige lid en de modaliteiten van storting in deze fondsen;  3° de nadere regels voor het beheer van deze fondsen door de commissie.  Elk besluit tot vaststelling van het bedrag en de berekeningswijze van de bijdrage bedoeld in artikel 12, § 5, wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet bij wet is bekrachtigd binnen de twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding. "  HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige en andere producten door middel van leidingen.  Art. 434. Artikel 15/11 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige en andere producten door middel van leidingen, ingevoegd bij de wet van 29 april 1999, wordt aangevuld met de volgende leden :  " De houders van een leveringsvergunning heffen een toeslag, genaamd " federale bijdrage ", die mag worden doorgerekend aan de eindafnemers, tot financiering van sommige openbare dienstverplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering van en de controle op de gasmarkt.  De opbrengst van deze toeslag is bestemd voor :  1° de gedeeltelijke financiering van de werkingskosten van de commissie zoals bedoeld in artikel 15/15, § 4, en dit onverminderd de overige bepalingen van artikel 15/15, § 4;  2° de gedeeltelijke financiering van de uitvoering van de maatregelen van begeleiding en maatschappelijke steunverlening inzake energie voorzien door de wet van 4 september 2002 houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financiële maatschappelijke steunverlening aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering.  De federale bijdrage bedoeld in het vorige lid wordt geïnd door de houders van een leveringsvergunning onder de vorm van een toeslag op hun tarieven. De houders van een leveringsvergunning storten de ontvangen sommen, overeenkomstig een verdeelsleutel, bepaald bij een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, respectievelijk :  1° in een fonds voor de financiering van haar werkingskosten overeenkomstig artikel 15/15, § 4, dat beheerd wordt door de commissie;  2° in het fonds bedoeld in het eerste lid, 3°, met het oog op de gedeeltelijke financiering van de uitvoering van de maatregelen bedoeld in het tweede lid, 2°, waarvan de middelen te dien einde ter beschikking gesteld worden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 4 september 2002 houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financiële maatschappelijke steunverlening aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering.  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad :  1° het bedrag en de berekeningswijze van de federale bijdrage bedoeld in het tweede lid;  2° de verdeelsleutel voor de verdeling van de opbrengst van de federale bijdrage over de fondsen bedoeld in het vorige lid en de modaliteiten van storting in deze fondsen;  3° de nadere regels voor het beheer van deze fondsen door de commissie.  Elk besluit tot vaststelling van het bedrag en de berekeningswijze van de bijdrage bedoeld in dit artikel, wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet bij wet is bekrachtigd binnen de twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding. "  HOOFDSTUK 4. - Oprichting van een begrotingsfonds voor de financiering van het federale beleid ter reductie van de emissies van broeikasgassen.  Art. 435. Er wordt bij de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu een fonds opgericht bestemd voor de financiering van het federale beleid ter reductie van de emissies van broeikasgassen, dat een begrotingsfonds vormt in de zin van artikel 45 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991.  Art. 436. <W 2004-12-27/30, art. 238, 011; Inwerkingtreding : 10-01-2005> In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, wordt een rubriek 25 ingevoegd, luidende als volgt :  " 25. Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu  Benaming van het organiek begrotingsfonds  25-1 Fonds bestemd voor de financiering van het federale beleid ter reductie van de emissies van broeikasgassen.  Aard van de toegewezen ontvangsten  Een door de Koning bepaald deel van de opbrengst van de federale bijdrage bedoeld in artikel 12, § 5, 4°, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, gewijzigd bij de wet van 24 december 2002, zoals jaarlijks vastgesteld door de Koning in uitvoering van artikel 21 van dezelfde wet, met een maximum van 2,3 miljoen euro.  De opbrengst van de retributies ten laste van de rekeninghouders in het nationaal register voor handel in broeikasgasemissierechten krachtens artikel 6 van de beschikking nr. 280/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 betreffende een bewakingssysteem voor de uitstoot van broeikasgassen in de Gemeenschap en de uitvoering van het Protocol van Kyoto.  Aard van de toegestane uitgaven  Financiering van personeels-, vormings-, administratie- en werkingskosten, kosten voor studies, wetenschappelijk onderzoek en investeringen, deelnemingen voortvloeiend uit de voorbereiding en uitvoering door de federale overheid van maatregelen gericht op het nakomen van de verplichtingen van de federale Staat die voortvloeien uit :  1° het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering, en zijn Bijlagen I en II, gedaan te New York op 9 mei 1992 en goedgekeurd door de wet van 11 mei 1995;  2° het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering, en zijn Bijlagen A en B, gedaan te Kyoto op 11 december 1997 en goedgekeurd door de wet van 12 juli 2001;  2bis° de Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad;  3° de beschikking 280/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 betreffende een bewakingssysteem voor de uitstoot van broeikasgassen in de Gemeenschap en de uitvoering van het Protocol van Kyoto;  4° de beschikking 2002/358/EG van de Raad van de Europese Unie van 15 mei 2002 betreffende de goedkeuring, namens de Europese Gemeenschap, van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen;  5° het samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende het opstellen, het uitvoeren en het opvolgen van een Nationaal Klimaatplan, alsook het rapporteren, in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering en het Protocol van Kyoto, en het eventueel toekomstig afzonderlijk samenwerkingsakkoord over de flexibiliteitsmechanismen bedoeld in artikel 6, § 2, 6°, van dit samenwerkingsakkoord.  De retributies ten laste van de rekeninghouders in het nationaal register voor handel in broeikasgasemissierechten zijn uitsluitend bestemd voor de werkingskosten van het nationaal register voor handel in broeikasgasemissierechten.  TITEL X. - Personeel en Organisatie.  HOOFDSTUK 1. - Copernicuspremie.  Art. 437. Vanaf 2002 wordt een inhouding van 13,07 % verricht op het bedrag van de Copernicuspremie toegekend aan sommige personeelsleden van de overheidsdiensten, volgens de nadere regels bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.  (NOTA : bij arrest nr 99/2004 van 02-06-2004 (B.St. 14-06-2004, p. 44343), heeft het Arbitragehof dit artikel vernietigd)  HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector.  Art. 438. Artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt aangevuld als volgt :  " Het bedrag van dit plafond is dit dat van kracht is op de datum van consolidatie van de arbeidsongeschiktheid of op de datum waarop de arbeidsongeschiktheid een karakter van bestendigheid vertoont. "  HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken.  Art. 439. Het opschrift van hoofdstuk 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, vervalt.  Art. 440. Artikel 1 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 april 1997, bij de wetten van 22 maart 1999 en 30 december 2001 en bij koninklijk besluit van 8 april 2002, wordt vervangen door de volgende bepaling :  " Artikel 1. Deze wet is van toepassing op het federaal administratief openbaar ambt. Dit omvat :  1° de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten en de diensten die ervan afhangen;  2° het burgerpersoneel van het Ministerie van Landsverdediging of van elke andere benaming die het zou opvolgen;  3° de volgende rechtspersonen van publiek recht :  - de Regie der gebouwen;  - het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen;  - het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau;  - het Belgisch Instituut voor normalisatie;  - de Centrale Dienst voor sociale en culturele actie van het Ministerie van Landsverdediging;  - het Nationaal Geografisch Instituut;  - het Nationaal Instituut voor oorlogsinvaliden, oud-strijders en oorlogsslachtoffers;  - de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;  - de CONTROLEDIENST VOOR DE VERZEKERINGEN;  - de Dienst voor de overzeese sociale zekerheid;  - het Fonds voor arbeidsongevallen;  - het Fonds voor beroepsziekten;  - de Hulp- en voorzorgskas voor zeevarenden;  - de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;  - de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen;  - de Pool van zeelieden ter koopvaardij;  - de Rijksdienst voor de kinderbijslag voor werknemers;  - de Rijksdienst voor sociale zekerheid;  - de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;  - het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen;  - het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;  - de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie;  - de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening;  - de Rijksdienst voor pensioenen;  - de Kruispuntbank van de sociale zekerheid;  - het Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg. "  Art. 441. Artikel 2 van dezelfde wet wordt opgeheven.  Art. 442. Artikel 3 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 20 mei 1997, 7 december 1998 en 22 maart 1999, wordt vervangen als volgt :  " Art. 3. De personeelsleden worden aangeworven in de hoedanigheid van statutair ambtenaar. "  Art. 443. Artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 maart 1994, bij het koninklijk besluit van 3 april 1997 en bij de wetten van 20 mei 1997, 22 maart 1999 en 26 maart 2001, wordt vervangen als volgt :  " Art. 4. In afwijking van artikel 3 en onverminderd de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, bepaalt de Koning, op voorstel van de minister bevoegd voor de Ambtenarenzaken, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, de omstandigheden waarin er kan worden overgegaan tot de indienstneming van personen via arbeidsovereenkomst, de voorwaarden en de modaliteiten van hun indienstneming en hun arbeidsvoorwaarden.  Voor de rechtspersonen van publiek recht bedoeld in artikel 1, 3°, die gerangschikt zijn bij de openbare instellingen van sociale zekerheid, wordt het voorstel samen opgesteld door de ministers waaronder ze ressorteren met het akkoord van de minister tot wiens bevoegdheid de Ambtenarenzaken behoren.  Bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, genomen op voorstel van de minister tot wiens bevoegdheid de Buitenlandse Zaken behoren, kan de Koning afwijken van de bepalingen die uitgevaardigd zijn in uitvoering van het eerste lid, voor de arbeidsovereenkomsten die afgesloten worden met het oog op het uitoefenen van functies in de diplomatieke en consulaire posten in het buitenland. "  Art. 444. In dezelfde wet worden opgeheven :  1° artikel 4, § 4, gewijzigd bij de wet van 30 maart 1994, en § 5;  2° artikel 5;  3° artikel 6, gewijzigd bij de wet van 22 maart 1999;  4° artikel 7, gewijzigd bij de wetten van 20 mei 1997 en 22 maart 1999;  5° artikel 8, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 april 1997;  6° artikel 9, vervangen bij de wet van 22 maart 1999;  7° artikel 10;  8° artikel 11;  9° artikel 11bis , ingevoegd bij de wet van 3 april 1997 en vervangen bij de wet van 22 maart 1999;  10° het hoofdstuk II, dat de artikelen 12 tot 16 omvat;  11° het hoofdstuk III, dat de artikelen 17 tot 21 en 23 tot 35 omvat;  12° het hoofdstuk IV, dat de artikelen 36 tot 38 omvat.  HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle van sommige instellingen van openbaar nut.  Art. 445. Aan artikel 11 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle van sommige instellingen van openbaar nut worden de volgende wijzigingen aangebracht :  1° § 1, eerste lid, vervangen bij de wet van 22 juli 1993, wordt vervangen als volgt :  " § 1. De Koning bepaalt het statuut van het personeel van de instellingen opgesomd in artikel 1, op voorstel van de minister of de ministers onder wie zij ressorteren. Het akkoord van de minister tot wiens bevoegdheid de Begroting behoort is vereist voor de vaststelling van het geldelijk statuut. ";  2° § 2 wordt vervangen als volgt :  " § 2. Elke instelling opgesomd in artikel 1, krijgt, naargelang het geval, een personeelsformatie, een personeelsplan of eender welke gelijkwaardige maatregel die als doel heeft de behoeften inzake personeel van de instelling te bepalen.  Voor de instellingen bedoeld in § 1, tweede lid, wordt een personeelsplan opgesteld, dat bepaald wordt :  1° door de minister of de ministers waaronder de instelling ressorteert, mits de inspecteur van Financiën een gunstig advies heeft gegeven, indien de instelling behoort tot categorie A;  2° door het beheersorgaan van de instelling, mits de regeringscommissaris of de afgevaardigde van de minister van Financiën, naargelang het geval, een gunstig advies heeft gegeven indien de instelling behoort tot de categorieën B, C of D.  Bij gebrek aan een gunstig advies van de inspecteur van Financiën, van de regeringscommissaris of van de afgevaardigde van de minister van Financiën, verzoeken de minister of de ministers waaronder de instelling ressorteert het akkoord van de ministers tot wiens bevoegdheid de Begroting en Ambtenarenzaken behoren. Bij gebrek aan instemming van één van deze laatsten, kunnen zij het personeelsplan aan de Ministerraad voorleggen.  Voor de instellingen die niet bedoeld zijn in § 1, tweede lid, wordt een personeelsformatie, een personeelsplan of elke gelijkwaardige maatregel opgesteld, dat bepaald wordt :  1° door de minister of de ministers waaronder de instelling ressorteert, indien het gaat om een instelling van categorie A, mits de inspecteur van Financiën een gunstig advies heeft gegeven;  2° door het beheersorgaan van de instelling die ressorteert onder de categorieën B, C of D, mits de regeringscommissaris of de afgevaardigde van de minister van Financiën, naargelang het geval, een gunstig advies heeft gegeven.  Bij gebrek aan een gunstig advies van de inspecteur van Financiën, de regeringscommissaris of de afgevaardigde van de minister van Financiën, wordt een beroep ingesteld bij de minister tot wiens bevoegdheid de Begroting behoort. Indien er geen akkoord is van deze laatste kunnen de minister of de ministers waaronder de instelling ressorteert de personeelsformatie, het personeelsplan of elke gelijkwaardige maatregel aan de Ministerraad voorleggen. "  HOOFDSTUK 5. - Wijziging van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, in toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.  Art. 446. In artikel 19 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, in toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, gewijzigd door de wet van 12 augustus 2000, worden de woorden " de personeelsformatie " en " personeelsformaties " respectievelijk vervangen door de woorden " het personeelsplan " en " personeelsplannen " en de woorden " ontwerp van personeelsformatie " door de woorden " ontwerp van personeelsplan ".  HOOFDSTUK 6. - Opheffing van het koninklijk besluit nr. 46 van 10 juni 1982 betreffende de cumulatie van beroepsactiviteiten in sommige openbare diensten.  Art. 447. Het koninklijk besluit nr. 46 van 10 juni 1982 betreffende de cumulatie van beroepsactiviteiten in sommige openbare diensten, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 142 van 30 december 1982, de wet van 28 december 1983, de koninklijke besluiten nr. 424 van 1 augustus 1986 en nr. 445 van 20 augustus 1986, de wet van 22 juli 1993, het koninklijk besluit van 3 april 1997 en de wet van 22 maart 1999, wordt opgeheven.  HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector.  Art. 448. Artikel 2, eerste lid, 1°, van de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector, wordt vervangen als volgt :  " 1° het federaal administratief openbaar ambt, zoals gedefinieerd in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken; ".  HOOFDSTUK 8. - Copernicushervorming. - Machtiging aan de Koning.  Art. 449. Artikel 52, tweede lid, van de programmawet van 19 juli 2001, wordt vervangen als volgt :  " Deze delegatie geldt tot en met 31 december 2002 en, voor wat uitsluitend het Belgisch Instituut voor Post- en Telecommunicatie betreft, tot en met 30 juni 2003. "  HOOFDSTUK 9. - Overgangs- en slotbepalingen.  Art. 450. § 1. Artikel 438 heeft uitwerking met ingang van 25 november 1998.  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de datum van inwerkingtreding van de artikelen 443, 444, 4°, en 447.  Artikel 449 treedt in werking op 1 januari 2003.  § 2. Tot op de datum van inwerkingtreding van artikel 444, 4°, gaat de inspecteur van Financiën, de afgevaardigde van de minister van Financiën of de op de voordracht van de minister van Financiën aangewezen regeringscommissaris vóór de aanvang van de wervingsprocedure na of de wervingen al dan niet binnen de perken van het bedrag van de personeelsenveloppe vallen en overeenstemmen met de eventuele bijzondere voorwaarden.  (NOTA : Inwerkingtredingt van art. 447 vastgesteld op 02-07-2007, door KB 2007-06-14/31, art. 11)  (NOTA : Inwerkingtreding van art. 444, 4° vastgesteld op 23-07-2007, door KB 2007-07-09/31, art. 7, voor de federale overheidsdiensten, de programmatorische federale overheidsdiensten, alsook de diensten die ervan afhangen)  Art. 451. Elk personeelslid dat op 1 januari 2003 twee jaar tewerkgesteld is in een contract " uitzonderlijke en tijdelijke behoeften " bij een overheidsdienst bedoeld in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, wordt geacht tewerkgesteld te zijn in een contract van onbepaalde duur.  Elk personeelslid dat op 1 januari 2003 geen twee jaar tewerkgesteld is in een contract " uitzonderlijke en tijdelijke behoeften " bij een overheidsdienst bedoeld in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, wordt geacht te voldoen aan de voorwaarden voor tewerkstelling in een contract " uitzonderlijke en tijdelijke behoeften ".  Art. 452. De gezamenlijke door de minister van Ambtenarenzaken en de minister van Binnenlandse Zaken aangewezen ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie, gaan over naar het administratief en logistiek kader van de federale politie.  De artikelen 242, eerste tot derde lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, en 4, § 1, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, zijn van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde ambtenaren.  De Koning bepaalt de datum en de nadere regels van de in het eerste lid bedoelde overgang. Te dien einde, kan Hij afwijken van artikel 242, derde lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus.  TITEL XI. - Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking.  HOOFDSTUK 1. - Nationale Delcrederedienst.  Art. 453. In artikel 1, § 2, 6°, van het koninklijk besluit nr. 42 van 31 augustus 1939 waarbij de wet van 2 augustus 1932, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 januari 1935 en 22 oktober 1937 en bij de wet van 14 juli 1938 betreffende den waarborg van goeden afloop voor verrichtingen van den uitvoerhandel en oprichting van een Delcrederedienst, wordt afgeschaft en vervangen, vervangen bij de wet van 17 juni 1991, wordt het woord " Regering " vervangen door " federale Regering ".  Art. 454. In artikel 3, 1°, van hetzelfde besluit, vervangen bij de wet van 17 juni 1991, wordt het woord " Regering " vervangen door " federale Regering ".  Art. 455. Artikel 12 van hetzelfde besluit, vervangen bij de wet van 30 december 1988, wordt vervangen als volgt :  " Art. 12. § 1. De Dienst wordt geleid door een raad van bestuur, bestaande uit een voorzitter, een ondervoorzitter en achttien leden, allen benoemd door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.  De voorzitter en de ondervoorzitter alsook drie leden en drie plaatsvervangers worden benoemd door de Koning uit kringen nauw betrokken bij de bevordering van de buitenlandse handel.  Drie leden en drie plaatsvervangers worden benoemd uit kringen nauw betrokken bij de bevordering van de buitenlandse handel op voordracht van respectievelijk de Vlaamse Regering, de Waalse Regering en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. Elk Gewest draagt een lid en een plaatsvervanger voor.  Zes leden en zes plaatsvervangers worden benoemd op voordracht van de ministers bevoegd voor respectievelijk Overheidsbedrijven en Participaties, Economische Zaken, Financiën, Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Deze leden en hun plaatsvervangers vertegenwoordigen in de raad van bestuur de minister dat hen heeft voorgedragen.  Zes leden en zes plaatsvervangers worden benoemd op voordracht van respectievelijk de Vlaamse Regering, de Waalse Regering en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. Elk Gewest draagt twee leden en twee plaatsvervangers voor. Deze leden en hun plaatsvervangers vertegenwoordigen in de raad van bestuur de Regering die hen heeft voorgedragen.  Het mandaat van de voorzitter, de ondervoorzitter, de leden en de plaatsvervangers bedraagt vijf jaar; het kan worden hernieuwd. De Koning kan een einde maken aan het mandaat bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, dat genomen wordt op voordracht van de betrokken Regering voor de in het derde en vijfde lid bedoelde mandaten.  § 2. De raad van bestuur telt evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden. Wat de voorzitter en de ondervoorzitter betreft, is wanneer de ene Nederlandstalig is, de andere Franstalig. Eenzelfde regeling geldt ten aanzien van de werkende en plaatsvervangende leden voorgedragen door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering krachtens § 1, vijfde lid.  De werkende en plaatsvervangende leden bedoeld in § 1, tweede en derde lid, tellen eveneens evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden.  § 3. Een mandaat van voorzitter, ondervoorzitter of lid van de raad van bestuur kan niet worden toegekend aan een lid van de Wetgevende Kamers, van het Europees Parlement, van (de gemeenschaps- en gewestparlementen), de personen die de hoedanigheid hebben van minister of staatssecretaris of van lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering, van bestendig afgevaardigde, van burgemeester, schepen of voorzitter van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente met meer dan 30 000 inwoners. <W 2006-03-27/35, art. 54, 020; Inwerkingtreding : 21-04-2006>  Het mandaat van deze personen, verkozen of benoemd in de functies bedoeld in het vorig lid, houdt van rechtswege op bij de eedaflegging of de uitoefening van deze functies.  Slechts één lid van de raad van bestuur mag een ambt uitoefenen in een kredietinstelling of in een handelsvennootschap of een vennootschap opgericht in de vorm van een handelsvennootschap die rechtstreeks of zijdelings een belang van meer dan 25 pct. in een zodanige kredietinstelling bezit.  § 4. De Koning bepaalt de bezoldigingen en de vergoedingen die aan de voorzitter, de ondervoorzitter, de leden en de plaatsvervangers worden toegekend. "  Art. 456. Dit hoofdstuk treedt in werking op de door de Koning bepaalde datum.  HOOFDSTUK 2. - Finexpo - Wijziging van het koninklijk besluit van 30 mei 1997 houdende de versterking van de doeltreffendheid van de instrumenten voor financiële steun aan de export.  Art. 457. In artikel 2 van het koninklijk besluit van 30 mei 1997 houdende de versterking van de doeltreffendheid van de instrumenten voor financiële steun aan de export, genomen met toepassing van artikel 3, § 1, 1° en 6°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, wordt de zin " Die medewerking bestaat in een bijdrage in de rentelast met betrekking tot de financiering van de betalingstermijnen " aangevuld met de woorden " en desgevallend in de toekenning van een aanvullende gift ten belope van ten hoogste 50 % van de kredietverzekeringspremie ".  HOOFDSTUK 3. - Ontwikkelingssamenwerking.  Art. 458. Artikel 10 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, wordt aangevuld met een 6°, luidend als volgt :  " 6° een solidariteitsnota, waarin de regering verduidelijkt welke maatregelen zij voorziet opdat, volgens een jaarlijks volgehouden stijging, de middelen die worden ingezet voor de Belgische officiële ontwikkelingshulp, in overeenstemming met de richtsnoeren van het Comité voor ontwikkelingshulp van de OESO, uiterlijk vanaf 2010 ten minste 0,7 % van het Bruto Nationaal Inkomen zullen bedragen. "  HOOFDSTUK 4. - Belgische Investeringsmaatschappij voor ontwikkelingslanden (bio).  Art. 459. In de wet van 3 november 2001 tot oprichting van de Belgische Investeringsmaatschappij voor ontwikkelingslanden wordt een nieuw artikel 5bis ingevoegd, luidend als volgt :  " Art. 5bis. § 1. De controle op de financiële toestand, op de jaarrekeningen en op de regelmatigheid, vanuit het oogpunt van de wet en van de statuten van BIO, van de verrichtingen weer te geven in de jaarrekeningen, wordt opgedragen aan twee commissarissen.  § 2. Het Rekenhof benoemt een commissaris onder de leden van het Hof. De andere commissaris wordt benoemd door de raad van bestuur, onder de leden, natuurlijke personen of rechtspersonen, van het Instituut voor bedrijfsrevisoren.  § 3. De commissarissen worden benoemd voor een hernieuwbare termijn van drie jaar. "  TITEL XII. - Landsverdediging.  Art. 460. In het kader van de internationale samenwerking is de Minister van Landsverdediging ertoe gemachtigd, voor wat betreft de buitenlandse beursstagiairs, het bedrag van de gedurende de stage of vorming toegekende maandelijkse beurs ten laste te nemen van de begroting. Wat betreft de buitenlandse stagiairs zonder beurs kan hij de voeding, het logement en de dagelijkse kleine uitgaven, of de geldelijke tegenwaarde ervan die aan de stagiairs gestort wordt, ten laste nemen van de begroting.  De Minister van Landsverdediging is belast met de uitvoeringsmaatregelen ter zake, in functie van de bijzonderheden van de stage of van de vorming.  Art. 461. Artikel 45 van de programmawet van 19 juli 2001 voor het begrotingsjaar 2001, wordt opgeheven.  Art. 462. De artikelen 460 en 461 hebben uitwerking met ingang van 1 augustus 2002.  TITEL XIII. - Binnenlandse Zaken en Justitie.  HOOFDSTUK 1. - Begrotingsfonds voor de organisatie van Europese Toppen in Brussel.  Art. 463. Artikel 2, tweede lid, van de wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van een Fonds ter financiering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, wordt aangevuld met het volgende lid :  " Dit fonds omvat twee deelfondsen, een DEEL I-fonds " Fonds ter financiering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel ", gefinancierd met de middelen bepaald in artikel 3, en een tweede deelfonds " Fonds ter financiering van sommige uitgaven verricht die verbonden zijn met de veiligheid voortvloeiend uit de organisatie van de Europese Toppen te Brussel ", gefinancierd met de middelen bepaald in artikel 4. "  Art. 464. Artikel 3 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :  " Art. 3. Een voorafneming op de opbrengst van de personenbelasting wordt toegewezen aan het DEEL Ifonds bedoeld in artikel 2. Deze voorafname gebeurt ten belope van het volgende bedrag : 3,082 miljard Belgische frank vanaf het begrotingsjaar 2001 en de uitgaven die ten laste van het fonds kunnen worden gedaan zijn uitgaven verricht met toepassing van artikel 43 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen. "  Art. 465. Artikel 4 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :  " Art. 4. Een voorafneming op de opbrengst van de personenbelasting wordt toegewezen aan het tweede deelfonds bedoeld in artikel 2. Deze voorafname bedraagt 12,5 miljoen euro in het begrotingsjaar 2003 en 25,0 miljoen euro vanaf het begrotingsjaar 2004. De uitgaven die ten laste van het Fonds kunnen worden gedaan zijn uitgaven, inclusief toelagen aan de lokale politiezones en de gemeenten, die verbonden zijn met de veiligheid voortvloeiend uit de organisatie van de Europese Toppen te Brussel.  Buiten de bedragen toegekend krachtens het voorgaande lid zullen er in de toekomst geen bijkomende financiële middelen meer vrijgemaakt worden ten behoeve van de lokale politiezones voor de uitgaven verbonden met de veiligheid voortvloeiend uit de organisatie van de Europese Toppen te Brussel. "  Art. 466. Artikel 5 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :  " Art. 5. Over de aanwending van de middelen bedoeld in artikel 3 wordt beslist door de Samenwerkingscommissie bedoeld in artikel 43 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen. Over de aanwending van de middelen bedoeld in artikel 4 wordt beslist door de federale leden van de Samenwerkingscommissie na advies van de Samenwerkingscommissie. "  Art. 467. In de tabel ingevoegd bij de organieke wet van 27 december 2000 houdende oprichting van begrotingsfondsen, het laatst gewijzigd bij de wet van 26 april 2002, wordt onder de titel " 13 Binnenlandse Zaken " een nieuw begrotingsfonds 13-X ingevoegd, luidend als volgt :  Benaming van het organiek begrotingsfonds :  " 13-X Fonds ter financiering van sommige uitgaven verricht die verbonden zijn met de veiligheid voortvloeiend uit de organisatie van de Europese Toppen te Brussel "  Aard van de toegewezen ontvangsten :  " Een voorafname op de opbrengsten van de personenbelasting, in uitvoering van artikel 4 van de wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van een Fonds ter financiering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel en tot wijziging van de organieke wet van 27 december1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen "  Aard van de gemachtigde uitgaven :  " Uitgaven verricht die verbonden zijn met de veiligheid voortvloeiend uit de organisatie van de Europese Toppen te Brussel ".  HOOFDSTUK 2. - Gebruik van inbeslag genomen voertuigen door de politie.  Art. 468. Artikel 35 van het Wetboek van strafvordering, gewijzigd bij de wet van 20 mei 1997 en vervangen bij de wet van 14 januari 1999, waarvan de bestaande tekst § 1 zal worden, wordt aangevuld met een § 2, luidende :  " § 2. Indien de in de vorige paragraaf bedoelde zaken bestaan uit voertuigen kunnen deze, voor zover zij eigendom zijn van de verdachte of inverdenkinggestelde, ter beschikking gesteld worden van de federale politie. De beslissing tot terbeschikkingstelling wordt genomen, naargelang het geval, door de procureur des Konings of de federale procureur, conform de richtlijnen van de Minister van Justitie genomen in uitvoering van de artikelen 143bis en 143ter van het Gerechtelijk Wetboek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. De terbeschikkingstelling houdt in dat de federale politie, die het voertuig als een goed huisvader dient te gebruiken, het kan gebruiken voor haar normale werking. In geval van teruggave, geeft elke minwaarde ingevolge gebruik van het voertuig, na compensatie met de eventuele meerwaarde, aanleiding tot vergoeding.  Het rechtsmiddel als bedoeld in artikel 28sexies kan slechts worden ingesteld binnen een maand vanaf de inbeslagneming als bedoeld in § 1. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp toezenden of neerleggen vooraleer een termijn van een jaar is verstreken te rekenen vanaf, hetzij de dag van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp, hetzij de dag van het verstrijken van de hoger bedoelde termijn van een maand. "  Art. 469. Artikel 89 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 10 juli 1967, 20 mei 1997 en 28 november 2000, wordt aangevuld met de volgende leden :  " Indien de in het vorige lid bedoelde zaken bestaan uit voertuigen kunnen deze, voor zover zij eigendom zijn van de verdachte of inverdenkinggestelde, ter beschikking gesteld worden van de federale politie. De beslissing tot terbeschikkingstelling wordt genomen, naargelang het geval, door de procureur des Konings of de federale procureur, conform de richtlijnen van de Minister van Justitie genomen in uitvoering van de artikelen 143bis en 143ter van het Gerechtelijk Wetboek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. Zij is evenwel slechts uitvoerbaar indien de onderzoeksrechter er binnen de tien dagen na de kennisgeving ervan, geen verzet tegen aantekent ter wille van het onderzoek. De terbeschikkingstelling houdt in dat de federale politie, die het voertuig als een goed huisvader dient te gebruiken, het kan gebruiken voor haar normale werking. In geval van teruggave, geeft elke minwaarde ingevolge gebruik van het voertuig, na compensatie met de eventuele meerwaarde, aanleiding tot vergoeding.  Het rechtsmiddel als bedoeld in artikel 61quater kan slechts worden ingesteld binnen een maand vanaf de inbeslagneming als bedoeld in het eerste lid. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp toezenden of neerleggen vooraleer een termijn van een jaar is verstreken te rekenen vanaf, hetzij de dag van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp, hetzij de dag van het verstrijken van de hoger bedoelde termijn van een maand. "  HOOFDSTUK 3. - Personeel Calog.  Art. 470. Bijlage XII bij Deel XII van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, bekrachtigd bij de programmawet van 30 december 2001, wordt aangevuld als volgt :  1° in tabel " niveau C ", rechterkolom, wordt een punt 2.40bis ingevoegd, luidende :  " 2.40bis. D4 : 606 000 - 923 900 (loonschaal genoten door het personeelslid voor wie het bezit van een diploma of studiegetuigschrift dat in aanmerking wordt genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 2 bij de Rijksbesturen, een aanwervingsvoorwaarde was) ";  2° in tabel " niveau B ", rechterkolom, worden, onder punt 2.4, twee punten ingevoegd, luidende :  " 2.4bis. D6 : 646 000 - 992 600 (loonschaal genoten door het personeelslid voor wie het bezit van een diploma of studiegetuigschrift dat in aanmerking wordt genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 2+ bij de Rijksbesturen, een aanwervingsvoorwaarde was);  2.4ter. D7 : 690 000 - 1 028 300 (voorwaarde idem punt 2.4.bis ) ".  HOOFDSTUK 4. - Toongeld.  Art. 471. De minister van Justitie en de minister van Financiën stellen samen het bedrag vast dat door de federale politie mag worden gebruikt als toongeld.  Dit toongeld wordt afgehouden van een rekening die de Belgische Staat aanhoudt bij de Nationale Bank van België.  HOOFDSTUK 5. - Publicatieprocedure in het Belgisch Staatsblad.  Art. 472. Het Belgisch Staatsblad is een officiële publicatie uitgegeven door het Bestuur van het Belgisch Staatsblad , die alle teksten waarvoor de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad wordt bevolen, verzamelt.  Art. 473. De te publiceren teksten worden gegroepeerd in uitgaven. Elke uitgave heeft een datum en een oplopend volgnummer. Meerdere uitgaven per publicatiedatum zijn mogelijk. Het eerste nummer van het Belgisch Staatsblad van elke jaargang draagt het volgnummer 1.  Het Belgisch Staatsblad heeft een doorlopende paginering die begint met bladzijde 1 op het eerste nummer van elke jaargang.  Elke uitgave vermeldt uitdrukkelijk de naam en de functie van de voor het Bestuur van het Belgisch Staatsblad verantwoordelijke ambtenaar en de plaats van publicatie.  Art. 474.<W 2005-07-20/41, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 31-07-2005> De bekendmaking in het Belgisch Staatsblad door het Bestuur van het Belgisch Staatsblad gebeurt in vier exemplaren die op papier gedrukt worden.  Eén exemplaar wordt gedeponeerd in uitvoering van de wet van 8 april 1965 tot instelling van het wettelijk depot bij de Koninklijke Bibliotheek van België, één exemplaar wordt in bewaring gegeven bij de Minister van Justitie als bewaarder van 's Lands zegel, één exemplaar wordt toegezonden aan het Algemeen Rijksarchief en één exemplaar ligt ter inzage bij het Bestuur van het Belgisch Staatsblad.  [1 Eén exemplaar wordt bewaard op elektronische wijze. De Koning bepaalt de modaliteiten van de bewaring op elektronische wijze. Hij kan de elektronische bronbestanden van de in het eerste lid bedoelde exemplaren, of één van die bestanden, conform verklaren aan een op elektronische wijze bewaard exemplaar in de zin van dit lid.  In geval van betwisting omtrent de juistheid van een vermelding in het Belgisch Staatsblad mag het exemplaar dat in bewaring wordt gegeven bij de Minister van Justitie als bewaarder van 's Lands zegel in geen geval worden onttrokken aan die bewaring. Ingeval op verzoek van een rechtscollege een deel van het Belgisch Staatsblad moet worden overgelegd, wordt een door de Minister van Justitie voor eensluidend verklaard afschrift van de relevante passage(s) afgegeven.  ----------  <W 2019-05-05/19, art. 117, 092; Inwerkingtreding : 17-10-2013>   Art. 475. <W 2005-07-20/41, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 31-07-2005> Elke andere terbeschikkingstelling van het publiek gebeurt via de internetsite van het Bestuur van het Belgisch Staatsblad.  De op deze internetsite ter beschikking gestelde publicaties zijn de exacte reproducties in elektronisch formaat van de in artikel 474 vermelde exemplaren op papier.  Art. 475bis. <ingevoegd bij W 2005-07-20/41, art. 6; Inwerkingtreding : 31-07-2005> Iedere burger kan bij de diensten van het Belgisch Staatsblad, door middel van een gratis telefonische hulpdienst, een afschrift van de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte akten en documenten verkrijgen tegen kostprijs. Deze dienst is eveneens belast met het leveren van een hulpdienst aan de burgers bij het zoeken naar documenten.  Art. 475ter. <ingevoegd bij W 2005-07-20/41, art. 7; Inwerkingtreding : 31-07-2005> Bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad worden andere begeleidende maatregelen genomen met het oog op een zo ruim mogelijke verspreiding van en toegang tot de in het Belgisch Staatsblad opgenomen informatie.  Art. 476. De datum waarop, overeenkomstig artikel 475, de terbeschikkingstelling via de internetsite van het Bestuur van het Belgisch Staatsblad gebeurt is gelijk aan de datum die vermeld wordt op de gepubliceerde uitgave overeenkomstig de bepalingen van artikel 473.  Voor de in artikel 474 vermelde exemplaren gedeponeerd en in bewaring worden gegeven, wordt daarop de datum waarop de terbeschikkingstelling via de internetsite van het Bestuur van het Belgisch Staatsblad gebeurt alsmede de naam, de functie en de handtekening van de door de Minister van Justitie aangewezen leidend ambtenaar van het Bestuur van het Belgisch Staatsblad of zijn vervanger aangebracht.  Art. 477. Voor het gebruik van de overeenkomstig artikel 475 via de internetsite van het Bestuur van het Belgisch Staatsblad ter beschikking gestelde elektronische bestanden is geen enkele vergoeding verschuldigd, noch voor de consultatie, noch voor verdere verwerking.  De bestanden mogen vrij gebruikt worden, zowel voor persoonlijk als voor commercieel gebruik.  Art. 478. De artikelen 472 tot 477 treden in werking op 1 januari 2003.  HOOFDSTUK 6. - Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen.  Art. 479. Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen  (NOTA : Justel heeft van artikel 479 een onafhandelijke tekst gemaakt : W 2002-12-24/45.)  TITEL XIV. - Telecommunicatie en Overheidsbedrijven.  HOOFDSTUK 1. - De postsector.  Art. 480. In de wet van 26 december 1956 op de postdienst, worden opgeheven :  1° de artikelen 3 b) en 3 c) ;  2° artikel 12;  3° artikel 13, vervangen bij de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.  Art. 481. In artikel 154bis , § 1, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, ingevoegd door de wet van 3 mei 1999, worden de woorden " vóór 31 december 2002 " vervangen door de woorden " vóór 31 december 2003 ".  Art. 482. In het opschrift van Bijlage 1 van dezelfde wet, worden de woorden " artikel 84, § 2 " vervangen door de woorden " artikel 84, § 3 ".  Art. 483. Het koninklijk besluit van 7 oktober 2002 tot omzetting van artikel 1, 1, en artikel 1, 2, van de Richtlijn 2002/39/CE van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijn 97/67/CE met betrekking tot de verdere openstelling van de postmarkt in de gemeenschap voor mededinging, wordt bekrachtigd met ingang van de dag van zijn inwerkingtreding.  HOOFDSTUK 2. - De Post.  Art. 484. In artikel 44, § 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 december 1992, 6 juli 1994 en 12 december 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :  1° op het einde van § 3, punt 13, wordt het punt vervangen door een puntkomma;  2° § 3 wordt aangevuld als volgt :  " 14° de diensten en de leveringen van goederen bijkomstig bij deze diensten verricht door de openbare postdiensten, wanneer het diensten betreft vermeld in artikel 131, 1°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. "  Art. 485. Artikel 15 van de wet van 6 juli 1971 houdende oprichting van De Post, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :  " Het eerste lid is met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde van toepassing tot 31 december 2004. "  Art. 486. Artikel 44, § 3, 14°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, ingevoegd bij artikel 484, 2°, treedt in werking met ingang van 1 januari 2005.  Art. 487. Artikel 485 treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.  HOOFDSTUK 3. - Nationale Loterij.  Art. 488. In artikel 3, § 1, eerste en tweede lid, van de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij, wordt het woord " nadere " telkens vervangen door het woord " algemene ".  Art. 489. In artikel 6, § 1, 1°, 2° en 3°, van dezelfde wet, wordt het woord " nadere " vervangen door het woord " algemene ".  Art. 490. In artikel 7 van dezelfde wet worden de woorden " van de diensten bedoeld in artikel 6, § 1, 1°, 2° en 3°, voor zover er voor de organisatie van deze diensten gebruik wordt gemaakt " vervangen door de woorden " het recht voor de diensten bedoeld in artikel 6, § 1, 1°, 2° en 3°, gebruik te maken ".  Art. 491. In artikel 11, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, worden volgende wijzigingen aangebracht :  1° het woord " alsmede " wordt geschrapt;  2° het woord " en " tussen " de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur " en " de onderhandelingen over het beheerscontract " wordt vervangen door " , ";  3° de woorden " en de uitwerking van de uitvoeringsregels volgens dewelke de openbare loterijen, weddenschappen, wedstrijden en kansspelen worden georganiseerd, alsook de deelnemingsregels aan deze loterijen, weddenschappen, wedstrijden en kansspelen " worden ingevoegd tussen de woorden " de onderhandelingen over het beheerscontract " en " worden opgedragen aan een directiecomité ".  TITEL XV. - Mobiliteit.  HOOFDSTUK 1. - N.M.B.S.  Afdeling 1. - Overname van de schuld.  Art. 492.<Opgeheven bij KB 2008-09-28/33, art. 20, 039; Inwerkingtreding : 31-12-2008, juist vóór middernacht>   Afdeling 2. - Overdracht van 1/5 van de dividenden.  Art. 493. (Opgeheven) <KB 2004-10-18/32, art. 35, 009 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>  Afdeling 3. - Storting van 148.736.114,88 euro door de FPM aan de N.M.B.S..  Art. 494. <W 2003-12-22/42, art. 472, 006 ; Inwerkingtreding : 31-12-2003> Vanaf 1 december 2003 is de NMBS gemachtigd om over te gaan tot een kapitaalverhoging van 64 135 960 euro gewone aandelen, met een nominale eenheidswaarde van 3,09866906 euro, wat neerkomt op een totaal van honderd achtennegentig miljoen zevenhonderd zesendertigduizend honderd en veertien euro en negenentachtig cent, (198 736 114,89 euro).  Voornoemde kapitaalverhoging gebeurt met naleving van artikel 56 van de programmawet van 20 december 1995 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen.  Deze kapitaalsverhoging van de NMBS zal voor 148 736 114,88 euro uiterlijk op 31 december 2003 worden onderschreven door de HST-Fin.  De HST-Fin zal in 2004 op een tweede kapitaalverhoging van de NMBS voor 50,01 miljoen euro onderschrijven, waarvan vijfentwintig miljoen met storting uiterlijk op 10 januari 2004 en vijfentwintig miljoen euro en één cent volgens de modaliteiten bepaald in een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad.  Afdeling 4. - Wijziging van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.  Art. 495. In artikel 161, eerste lid, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, worden de woorden " opgesteld op grond van het advies van het auditcomité " vervangen door de woorden " opgesteld nadat het advies van het auditcomité is ingewonnen ".  Art. 496. In artikel 161bis, § 1, laatste lid, van dezelfde wet, worden de woorden " legt iedere maand een verslag voor van de rekeningen per activiteitssector " vervangen door de woorden " legt driemaandelijks een verslag voor van de rekeningen per activiteitssector ". (NOTA : de programma-wet 2003-12-22/42, art. 463, vervangt volledig het betrokken artikel 161bis, met eerste toepassing voor het boekjaar 2003. Justel beschouwt dat deze vervanging de door het onderhavig artikel 496 aangebrachte verwijzing vernietigt.)  Art. 497. In artikel 161ter van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :  1° § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :  " Het auditcomité bestaat uit vier bestuurders, anderen dan de gedelegeerd bestuurder. De raad van bestuur benoemt de leden van het auditcomité. Dit comité mag de gedelegeerd bestuurder uitnodigen op zijn vergaderingen, die er zetelt met raadgevende stem.  Het benoemings- en bezoldigingscomité bestaat uit vier bestuurders, waaronder de voorzitter van de raad van bestuur die het comité voorzit, en de gedelegeerd bestuurder. De raad van bestuur benoemt de leden van benoemings- en bezoldigingscomité. ";  2° in § 3 wordt het derde lid vervangen door volgende bepaling :  " De regeringscommissaris neemt met raadgevende stem deel aan de vergaderingen van het auditcomité. De algemene vergadering kan, op voorstel van de raad van bestuur, een extern auditeur aanduiden opdat hij eveneens met raadgevende stem zou deelnemen aan de vergaderingen van dit comité. ";  3° in § 5 wordt het eerste lid vervangen door de volgende bepaling :  " Het strategisch comité bestaat uit :  1° de tien leden van de raad van bestuur;  2° vier leden van het directiecomité, bij wie de gedelegeerd bestuurder van de N.M.B.S. niet is inbegrepen;  3° zes leden die de vakorganisaties vertegenwoordigen die zijn aangesloten bij een interprofessionele organisatie die zetelt in de Nationale Arbeidsraad; ";  4° in § 5, vijfde lid, worden de woorden " op voorstel van de minister die bevoegd is voor de Spoorwegen " vervangen door de woorden " op voorstel van de representatieve vakorganisaties. ";  5° in § 7 worden de woorden " voorgezeten door de voorzitter van de raad van bestuur " vervangen door de woorden " voorgezeten door de gedelegeerd bestuurder ".  Art. 498. In artikel 162ter van dezelfde wet, wordt het volgende lid ingevoegd tussen het eerste en het tweede lid :  " Onverminderd artikel 29, § 1, derde lid, worden de personeelsleden van de N.M.B.S. benoemd of aangeworven bij of krachtens een beslissing van de raad van bestuur op voorstel van het directiecomité. "  Art. 499. Artikel 162quater , vierde lid, van dezelfde wet, wordt aangevuld met de volgende bepaling :  " De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de akten waarvan de goedkeuringswijze afwijkt van dit artikel. "  Art. 500. Artikel 162septies van dezelfde wet wordt aangevuld met de woorden " ; voor de gedelegeerd bestuurder, wordt onderhavig artikel opgeschort tot afloop van zijn huidig mandaat "  Art. 501. Artikel 162octies van dezelfde wet, waarvan de huidige tekst § 1 zal uitmaken, wordt aangevuld met een § 2, luidende :  " § 2. Het auditcomité, het strategisch comité, het directiecomité, het benoemings- en bezoldigingscomité stellen een huishoudelijk reglement op, dat uitdrukkelijk het kader formuleert dat hun werking regelt. De huishoudelijke reglementen worden ter goedkeuring voorgelegd aan de raad van bestuur. "  HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven ter versterking van de transparantieregels voor alle autonome overheidsbedrijven.  Art. 502. Artikel 17 van dezelfde wet wordt aangevuld met een § 4, luidende :  " § 4. De raad van bestuur richt in zijn schoot een bezoldigingscomité op, alsook elk ander comité dat hij nodig zal achten. Hij legt de samenstelling en de werkingswijze ervan vast in overeenstemming met deze wet.  Het bezoldigingscomité maakt een voorstel van beslissing, naargelang van het geval, over aan de raad van bestuur, aan de Koning of aan de algemene vergadering, voor elke beslissing betreffende geldelijke voordelen, rechtstreekse of onmiddellijke, onrechtstreekse of uitgestelde, rechtstreeks verbonden aan de functie of toegekend aan leden van beheersorganen. Hij stelt daarnaast jaarlijks een verslag op betreffende de bezoldigingen dat in het beheersverslag zal worden ingevoegd. "  Art. 503. In artikel 27, § 2, van dezelfde wet wordt tussen het eerste en het tweede lid, een nieuw lid toegevoegd, luidende :  " Het beheersverslag omvat verder volledige informatie over de bezoldiging van de leden van de beheersorganen alsook over de mandaten en de bijhorende bezoldigingen die deze leden en het personeel van het bedrijf uitoefenen binnen de vennootschappen, groepen en organismen binnen dewelke het bedrijf participaties bezit of waarvoor zij bijdraagt aan de werking, en waar deze personen op haar voorstel werden aangewezen. "  HOOFDSTUK 3. - Bepalingen met betrekking tot het akoestisch isolatieprogramma voor de woningen in de omgeving van de luchthaven Brussel-Nationaal.  Art. 504. § 1. De Koning stelt de voorwaarden vast voor de uitvoering van een akoestisch isolatieprogramma voor de woningen in de omgeving van de luchthaven Brussel-Nationaal. Hij bepaalt te dien einde de niveaus van geluidswering die moeten worden bereikt in het kader van het programma, de contouren van de geluidszones, de woningen waarop het programma betrekking heeft, de plaatsen die voor isolatiewerken in aanmerking komen, evenals alle andere modaliteiten ter uitvoering van het programma met inbegrip van, in voorkomend geval, de aankoop van bepaalde categorieën van woningen.  § 2. De exploitant van de luchthaven Brussel-Nationaal wordt belast met de uitvoering van het isolatieprogramma en de financiering ervan via twee ondernemingen die hij te dien einde opricht. Een onderneming staat in voor de uitvoering van het isolatieprogramma; de andere staat in voor de financiering ervan. Enkel deze beide ondernemingen evenals elke andere persoon waarop zij in het kader van het programma beroep zouden doen, kunnen aansprakelijk worden gesteld voor de uitvoering van het programma.  § 3. De Koning kan vergoedingen opleggen ter financiering van het isolatieprogramma en de exploitant van de luchthaven Brussel-Nationaal belasten met de inning ervan, ten laste van iedere natuurlijke of rechtspersoon die vanaf de luchthaven Brussel-Nationaal door de lucht passagiers, bagage, post of vracht vervoert.  § 4. De Koning bepaalt de nadere regelen waaronder de Belgische Staat of een openbare instelling die onder haar bevoegdheid valt, benevens in voorkomend geval de betrokken Gewesten, een participatie kan nemen in het kapitaal van de vennootschap belast met de financiering van het isolatieprogramma, met inbegrip van het onderschrijven van winstbewijzen. De onderneming belast met de financiering van het isolatieprogramma kan, onder staatswaarborg, een lening van 35,7 miljoen euro aangaan. De voorwaarden van deze lening moeten worden onderworpen aan de goedkeuring van de Minister van Financiën.  TITEL XVI. - Economie.  HOOFDSTUK 1. - Begrotingsfonds Nationaal Instituut voor de statistiek.  Art. 505. In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, wordt de rubriek 32 - Economische Zaken aangevuld als volgt :  1° de eerste kolom, " Benaming van het organiek begrotingsfonds ", wordt aangevuld met de rubriek :  " 32-11 Fonds Nationaal Instituut voor de statistiek ";  2° de tweede kolom, " Aard van de toegewezen ontvangsten ", wordt aangevuld met de rubriek 32-11, luidende :  " Ontvangsten van het Nationaal Instituut voor de statistiek afkomstig van dienstverlening aan derden ";  3° de derde kolom, " Aard van de gemachtigde uitgaven ", wordt aangevuld met de rubriek 32-11, luidende :  " Uitgaven van gelijk welke aard van het Nationaal Instituut voor de statistiek in het kader van zijn dienstverlening aan derden ".  HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 11 april 1999 betreffende de overeenkomsten inzake de verkrijging van een recht van deeltijds gebruik van onroerende goederen.  Art. 506. In artikel 2 van de wet van 11 april 1999 betreffende de overeenkomsten inzake de verkrijging van een recht van deeltijds gebruik van onroerende goederen, gewijzigd bij wet van 19 januari 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :  1° in punt 1° worden de woorden " ten minste drie jaar " vervangen door de woorden " meer dan één jaar ",  2° punt 1° wordt aangevuld met de volgende bepaling :  " Worden eveneens bedoeld de overeenkomsten met een looptijd van één jaar of minder die voorzien in een stilzwijgende verlenging. "  Art. 507. De bepalingen van artikel 506 zijn niet van toepassing op de overeenkomsten die werden gesloten vóór de inwerkingtreding van deze bepalingen.  HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 9 januari 2000 betreffende grensoverschrijdende geldoverschrijvingen.  Art. 508. In de wet van 9 januari 2000 betreffende grensoverschrijdende geldoverschrijvingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :  1° het opschrift van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : " Wet betreffende grensoverschrijdende geldoverschrijvingen en betalingen ";  2° de artikelen 1 tot en met 12 van dezelfde wet vormen een hoofdstuk I, waarvan het opschrift luidt als volgt :  " Hoofdstuk I. - Omzetting van de Richtlijn 97/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 1997 betreffende de grensoverschrijdende overschrijvingen ";  3° in de tekst van de artikelen 1, 2, 3, 10 en 12 van dezelfde wet worden de woorden " deze wet " telkens vervangen door de woorden " dit hoofdstuk ";  4° na artikel 11 van dezelfde wet wordt een nieuw hoofdstuk II ingevoegd, luidende :  " Hoofdstuk II. - Bestraffing van inbreuken op de verordening (EG) nr. 2560/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 2001 betreffende grensoverschrijdende betalingen in euro.  Art. 11bis. § 1. Worden gestraft met een geldboete van 250 euro tot 10.000 euro, zij die de bepalingen overtreden van de artikelen 3, 4 en 5 van de verordening (EG) nr. 2560/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 2001 betreffende grensoverschrijdende betalingen in euro.  § 2. Onverminderd de toepassing van de gewone regelen inzake herhaling, worden de bij § 1 bepaalde straffen verdubbeld wanneer een in § 1, van dit artikel bedoelde inbreuk zich voordoet binnen vijf jaar na een in kracht van gewijsde gegane veroordeling wegens een overtreding op voormeld artikel.  § 3. De rechtbank kan de aanplakking van het vonnis of van de door haar opgestelde samenvatting ervan bevelen gedurende de door haar bepaalde termijn zowel buiten als binnen de inrichtingen van de overtreder, evenals de bekendmaking van het vonnis of van de samenvatting ervan door middel van kranten of op enige andere wijze, en dit alles op kosten van de overtreder; zij kan bovendien de verbeurdverklaring bevelen van de ongeoorloofde winsten die met behulp van de inbreuk werden gemaakt.  § 4. De vennootschappen en verenigingen met rechtspersoonlijkheid zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de veroordelingen tot schadevergoeding, geldboeten, kosten, verbeurdverklaringen, teruggave en geldelijke sancties van welke aard ook, die wegens inbreuk op de bepalingen van deze wet tegen hun organen of aangestelden zijn uitgesproken.  Dit geldt eveneens voor de leden van alle handelsverenigingen die geen rechtspersoonlijkheid bezitten, wanneer de inbreuk door een vennoot, zaakvoerder of aangestelde is gepleegd ter gelegenheid van een tot de werkzaamheid van de vereniging behorende verrichting. Evenwel is de burgerrechtelijk aansprakelijke vennoot persoonlijk niet verder gehouden dan tot de sommen of waarden die de verrichting hem opgebracht heeft.  Deze vennootschappen, verenigingen en leden kunnen rechtstreeks voor de strafrechter gedagvaard worden door het openbaar ministerie of door de burgerlijke partij.  § 5. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, zijn van toepassing op de inbreuken bedoeld in dit artikel.  In afwijking van artikel 43 van het Strafwetboek, oordeelt de rechtbank, zo deze een veroordeling uitspreekt naar aanleiding van een van de inbreuken bedoeld in dit artikel, of de bijzondere verbeurdverklaring bevolen moet worden. Deze bepaling is niet van toepassing in het geval van herhaling als bedoeld in § 2.  Na het verstrijken van een termijn van tien dagen na de uitspraak, is de griffier van de rechtbank of van het hof ertoe gehouden de minister tot wiens bevoegdheid de Economische Zaken behoren, elk vonnis of arrest betreffende een inbreuk bedoeld in dit artikel ter kennis te brengen bij een gewone brief.  De griffier is eveneens verplicht de minister onverwijld in te lichten over elke voorziening tegen een dergelijke uitspraak.  Art. 11ter. Wanneer een inbreuk als bedoeld in artikel 11bis , § 1 wordt vastgesteld, kan de minister tot wiens bevoegdheid de Economische Zaken behoren, of de door hem aangestelde ambtenaar met toepassing van artikel 11quater , een waarschuwing richten tot de overtreder, waarbij die tot stopzetting van deze handeling wordt aangemaand.  De overtreder wordt, binnen drie weken vanaf de vaststelling van de feiten, in kennis gesteld van deze waarschuwing, per aangetekende brief met ontvangstbewijs, of door overhandiging van een kopie van het proces-verbaal van de vaststelling van de feiten.  De waarschuwing vermeldt :  1° de ten laste gelegde feiten en de geschonden wetsbepaling(en);  2° de termijn waarbinnen zij dienen te worden stopgezet;  3° dat, indien aan de waarschuwing geen gevolg wordt gegeven, de met toepassing van artikel 11quater aangestelde ambtenaren de procureur des Konings kunnen inlichten of een minnelijke regeling zoals bepaald in artikel 11quinquies voorstellen.  Art. 11quater. § 1. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van de gerechtelijke politie, zijn de door de minister tot wiens bevoegdheid de Economische Zaken behoren aangestelde ambtenaren bevoegd om de in artikel 11bis , § 1 vermelde inbreuken op te sporen en vast te stellen. De processen-verbaal welke door die ambtenaren worden opgesteld, hebben bewijskracht tot het tegendeel is bewezen. Een afschrift ervan wordt bij een ter post aangetekende brief met ontvangstmelding binnen dertig dagen na de datum van vaststellingen, aan de overtreder toegezonden.  § 2. In de uitoefening van hun ambt mogen de in § 1 bedoelde ambtenaren :  1° binnentreden tijdens de gewone openings- of werkuren in de lokalen en vertrekken waar zij voor het vervullen van hun opdracht toegang moeten hebben;  2° alle dienstige vaststellingen doen, zich op eerste vordering en ter plaatse de documenten, stukken of boeken die zij voor hun opsporingen en vaststellingen nodig hebben, doen voorleggen en daarvan afschrift nemen;  3° tegen ontvangstbewijs beslag leggen op documenten, stukken of boeken noodzakelijk voor het bewijs van een inbreuk of om de mededaders of medeplichtigen van de overtreders op te sporen; het beslag is van rechtswege opgeheven, bij ontstentenis van een bevestiging door het openbaar ministerie binnen de vijftien dagen;  4° indien zij redenen hebben te geloven aan het bestaan van een inbreuk, in bewoonde lokalen binnentreden met voorafgaande machtiging van de rechter bij de politierechtbank. De bezoeken in de bewoonde lokalen moeten tussen acht en achttien uur en door minstens twee ambtenaren gezamenlijk geschieden.  § 3. In de uitoefening van hun ambt kunnen de in § 1 bedoelde ambtenaren de bijstand van de politie vorderen.  § 4. Onverminderd hun ondergeschiktheid aan hun meerderen in het bestuur, oefenen de gemachtigde ambtenaren de hun door dit artikel verleende bevoegdheden uit onder het toezicht van de procureur-generaal en van de federale procureur voor wat de taken betreft inzake de opsporing en de vaststelling van de inbreuken omschreven in deze wet.  § 5. In geval van toepassing van artikel 11ter , wordt het in § 1 bedoeld proces-verbaal pas toegezonden aan de procureur des Konings, wanneer aan de waarschuwing geen gevolg is gegeven.  In geval van toepassing van artikel 11quinquies , wordt het proces-verbaal pas toegezonden aan de procureur des Konings, wanneer de overtreder niet is ingegaan op het voorstel tot minnelijke schikking.  Art. 11quinquies. De daartoe door de minister tot wiens bevoegdheid de Economische Zaken behoren aangestelde ambtenaren kunnen, na inzage van de processen-verbaal waarbij een inbreuk wordt vastgesteld zoals bedoeld in artikel 11bis , § 1, en opgesteld door de in artikel 11quater bedoelde ambtenaren, aan de overtreders de betaling voorstellen van een som die de strafvordering doet vervallen.  De Koning stelt de tarieven alsook de modaliteiten van betaling en inning vast.  Het in het eerste lid bedoelde bedrag mag niet meer belopen dan het maximum van bij artikel 11bis , § 1, van deze wet bepaalde geldboete, verhoogd met de opdeciemen.  De binnen de aangegeven termijn uitgevoerde betaling doet de strafvordering vervallen, behalve indien tevoren een klacht gericht werd aan de procureur des Konings, de onderzoeksrechter verzocht werd een onderzoek in te stellen of indien het feit bij de rechtbank aanhangig gemaakt werd. In deze gevallen worden de betaalde bedragen aan de overtreder teruggestort. ";  5° artikel 13 van dezelfde wet vormt een hoofdstuk III, waarvan het opschrift luidt als volgt : " Hoofdstuk III. - Slotbepaling ".  TITEL XVII. - Externe Communicatie.  Art. 509. Artikel 82 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, wordt opgeheven.  Art. 510. De Belgische Federale Voorlichtingsdienst wordt ontbonden op de datum bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.  Op voorstel van de eerste minister en de minister van Buitenlandse Zaken, regelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de overdracht van de goederen, rechten en verplichtingen van de Belgische Federale Voorlichtingsdienst aan de Federale Overheidsdienst Kanselarij van de Eerste Minister en de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.  Art. 511. De artikelen 509 en 511 treden in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.  Artikel 510 treedt in werking op de door de Koning te bepalen datum.  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 510 vastgesteld op 01-04-2003 door KB 2003-05-03/42, art. 12)  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 292 vastgesteld op 01-02-2004 door KB 2003-02-02/31, art. 1)  
Art. 372bis _REGION_FLAMANDE.
   L'employeur qui a engagé, avant le 1er janvier 2004, un travailleur qui remplissait les conditions pour obtenir la réduction visée à l'article 9, § 4, 2°, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, peut bénéficier, à partir du 1er janvier 2004, de la réduction de groupe-cible visée à la sous-section 3 de la section 3.
  Celle-ci lui est appliquée dans les conditions et suivant les modalités déterminées par le Roi, en tenant compte du nombre de trimestres durant lesquels il a bénéficié de cette réduction.
Art. 372bis_VLAAMS_GEWEST TOEKOMSTIG RECHT. [1 ...]1
  
CHAPITRE 1. - Procédure rendant obligatoire une tentative de conciliation concernant l'adaptation du prix des loyers, le recouvrement des arriérés de loyers ou l'expulsion.
Afdeling 6. - Slotbepalingen.
Art.375. Un article 1344septies , rédigé comme suit, est inséré dans la partie IV, livre IV, chapitre XVbis , du Code judiciaire :
Art. 373. De Koning kan de geldende wetsbepalingen betreffende de verschillende maatregelen voor tewerkstelling die gepaard gaan met een bijdragevermindering, coördineren en in overeenstemming brengen door er de wijzigingen in aan te brengen die zich opdringen met het oog op een formele vereenvoudiging, zonder dat er echter aan de grondslag van deze bepalingen geraakt wordt.
  Bij de federale Wetgevende Kamers zal, tijdens de zitting, indien zij vergaderd zijn, zoniet bij het begin van hun volgende zitting, een wetsontwerp worden ingediend ter bekrachtiging van het koninklijk besluit tot coördinatie.
Art. 373. Le Roi peut coordonner et mettre en concordance les dispositions législatives en vigueur relatives aux différentes mesures pour l'emploi qui sont assorties de réductions de cotisations en y apportant les modifications qui se recommandent dans un but de simplification formelle, sans qu'il puisse être porté atteinte aux principes inscrits dans ces dispositions.
  Un arrêté royal de coordination fera l'objet d'un projet de loi de ratification qui sera soumis aux Chambres législatives fédérales au cours de la session, si elles sont réunies sinon au début de leur plus prochaine session.
Art. 374. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2004, (met uitzondering van de artikelen 355, 360, 361 en 373, die in werking treden op 1 januari 2003). W 2003-04-01/48, art. 23, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  (In afwijking van het vorige lid, treedt artikel 353bis in werking op een datum bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.) <W 2003-12-22/42, art. 26, 006 ; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
Art. 374. Le présent chapitre entre en vigueur au 1er janvier 2004, (à l'exception des articles 355, 360, 361 et 373 qui entrent en vigueur le 1er janvier 2003). <L 2003-04-01/48, art. 23, 003; En vigueur : 01-01-2003>
  (Par dérogation à l'alinéa précédent, l'article 353bis entre en vigueur à une date déterminée par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.) <L 2003-12-22/42, art. 26, 006 ; En vigueur : 01-07-2004>
TITEL V. - Maatschappelijke integratie.
Art.377. § 1er. L'article 1er, § 1er, alinéa 1er, du livre III, titre VIII, chapitre II, section 2, du Code civil, inséré par la loi du 20 février 1991, est complété comme suit :
HOOFDSTUK 1. - Rechtspleging van verplichte poging tot minnelijke schikking inzake de aanpassing van de huurprijs of inzake de invordering van achterstallige huurgelden of inzake de uithuiszetting.
CHAPITRE 1. - Procédure rendant obligatoire une tentative de conciliation concernant l'adaptation du prix des loyers, le recouvrement des arriérés de loyers ou l'expulsion.
Art. 375. In deel IV, boek IV, hoofdstuk XVbis van het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 1344septies ingevoegd, luidende :
  " Art. 1344septies. Voor de huur van woningen worden de hoofdvorderingen inzake de aanpassing van de huurprijs of inzake de invordering van achterstallige huurgelden of inzake de uithuiszetting verplicht vooraf aan de rechter voorgelegd overeenkomstig de artikelen 731, eerste lid, 732 en 733. Het schriftelijk verzoek om minnelijke schikking wordt aan het dossier van de rechtspleging toegevoegd nadat de griffier de datum van neerlegging erop heeft vermeld; ingeval het verzoek mondeling wordt gedaan, maakt de griffier daarvan proces-verbaal op dat aan het dossier van de rechtspleging wordt toegevoegd.
  Wanneer geen minnelijke schikking tot stand komt en een partij haar vordering ten gronde voor de rechter wenst te brengen, handelt zij overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
  Het verzoek om minnelijke schikking dat is ingediend overeenkomstig de voorafgaande leden heeft, wat de termijnen betreft die bij wet worden verleend, de gevolgen van een dagvaarding vanaf de dag van zijn indiening, voorzover wanneer de partijen niet tot een schikking zijn gekomen, de vordering in rechte wordt ingeleid binnen een maand na de datum van het proces-verbaal waaruit de ontstentenis van schikking blijkt. "
Art. 375. Un article 1344septies , rédigé comme suit, est inséré dans la partie IV, livre IV, chapitre XVbis , du Code judiciaire :
  " Art. 1344septies. En matière de location de logements, les demandes principales concernant l'adaptation du loyer, le recouvrement des arriérés de loyers ou l'expulsion doivent obligatoirement être soumises au préalable au juge, conformément aux articles 731, alinéa 1er, 732 et 733. La demande écrite de conciliation est jointe au dossier de la procédure après que le greffier y a indiqué la date de dépôt. Si la demande est orale, le greffier en dresse un procès-verbal qui sera joint au dossier de la procédure.
  Si aucune conciliation n'intervient et qu'une partie souhaite porter sa demande au fond devant le juge, elle agit conformément aux dispositions du présent chapitre.
  La demande de conciliation introduite conformément aux alinéas précédents produit, quant aux délais impartis par la loi, les effets d'une citation à compter du jour de son introduction, pour autant que, si les parties ne sont pas parvenues à une conciliation, la demande en droit soit introduite dans le mois de la date du procès-verbal constatant l'absence de conciliation. "
Art.379. A l'article 2 de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale, il est inséré un § 7, rédigé comme suit :
  " § 7. Par dérogation à l'article 1er, 1°, est compétent pour attribuer une aide sociale à un sans-abri qui ne réside pas dans un établissement visé au § 1er, le centre public d'aide sociale de la commune ou l'intéressé à sa résidence de fait.
  Le C.P.A.S. doit signaler immédiatement à la direction d'administration de l'aide sociale toute attribution d'aide sociale à un sans-abri. "
HOOFDSTUK 2. - Uitbreiding van de toepassing van de regels betreffende de huurovereenkomsten met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de huurder in het bijzonder.
Art.380. L'article 5, § 2, de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale, est complété par un nouvel alinéa inséré entre l'actuel alinéa 2 et l'alinéa 3 et libellé comme suit :
Art. 377. § 1. Artikel 1, § 1, eerste lid, van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling 2, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 20 februari 1991, wordt aangevuld als volgt :
  " Een woning is elk roerend of onroerend goed of een deel ervan dat tot hoofdverblijfplaats van de huurder is bestemd. "
  § 2. De bepaling die in het Burgerlijk Wetboek wordt ingevoegd bij § 1 is van toepassing op de overeenkomsten die worden gesloten na de inwerkingtreding van dit hoofdstuk.
  Op de overeenkomsten die lopen, is de bedoelde bepaling van toepassing één jaar na de inwerkingtreding van dit hoofdstuk.
  In geen geval kan de toepassing van de bedoelde bepaling leiden tot het opzeggen van lopende overeenkomsten.
Art.381. L'article 5, § 2bis , de la même loi est remplacé par la disposition suivante aussi libelle :
  " § 2bis. Par dérogation au § 1er, 2°, l'Etat prend en charge 0 % de l'aide sociale accordée dans les limites fixées en vertu de l'article 11, § 2, octroyée en espèces ou en nature aux étrangers qui se sont déclarés réfugiés ou qui ont demandé à être reconnus en tant que tels, lorsque l'absence de mesures suffisantes prises par le C.P.A.S. en vue de favoriser l'accueil de ces étrangers sur le territoire de sa commune, a pour conséquence d'inciter ceux-ci à s'installer sur le territoire d'une autre commune.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités permettant d'évaluer quand il y a absence de mesures suffisantes d'accueil de ces étrangers et les preuves admissibles pour réfuter l'absence de mesures suffisantes. "
Art. 378. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2003.
Art.382. L'article 15 de la même loi est complété par la disposition suivante :
  " Sans préjudice de la prise en charge définitive des frais de l'aide sociale, lorsque deux ou plusieurs C.P.A.S. estiment ne pas être compétent territorialement pour examiner une demande d'aide, le ministre qui a l'intégration sociale dans ses attributions détermine, dans un délai de cinq jours ouvrables, le centre qui doit intervenir à titre provisoire.
  Le Roi détermine les modalités d'application de cette disposition. "
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
CHAPITRE 3. - Modifications de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale et de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publique d'aide sociale.
Art. 379. In artikel 2 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wordt een § 7 toegevoegd, luidende :
  " § 7. In afwijking van artikel 1, 1°, is bevoegd om maatschappelijke dienstverlening aan een dakloze persoon die niet verblijft in een instelling als bedoeld in § 1 toe te kennen, het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar de betrokkene zijn feitelijke verblijfplaats heeft.
  Het O.C.M.W. dient iedere toekenning van maatschappelijke dienstverlening aan een dakloze persoon onmiddellijk aan de Bestuursdirectie van het Maatschappelijk Welzijn te melden. "
Art. 379. A l'article 2 de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale, il est inséré un § 7, rédigé comme suit :
  " § 7. Par dérogation à l'article 1er, 1°, est compétent pour attribuer une aide sociale à un sans-abri qui ne réside pas dans un établissement visé au § 1er, le centre public d'aide sociale de la commune ou l'intéressé à sa résidence de fait.
  Le C.P.A.S. doit signaler immédiatement à la direction d'administration de l'aide sociale toute attribution d'aide sociale à un sans-abri. "
Art. 380. Artikel 5, § 2, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn wordt aangevuld met een nieuw lid dat ingevoegd wordt tussen het huidige tweede en derde lid, luidende :
  " Het bewijs van de aanbieding van een huisvesting wordt geleverd op basis van een kopie van het sociaal verslag aangevuld met tastbare bewijzen van de aanbieding door het O.C.M.W. van een degelijke en aangepaste huisvesting, evenals van de afwijzing van de aanbieding door de betrokkene. "
Art.384. La maison de repos, appelée " Zeemanshuis " de la " [1 service administratif à comptabilité autonome]1 Helena et Isabella Godtschalck " engage du personnel par contrat de travail, pour tous les membres de son personnel pour les missions qui lui sont attribuées. Ces embauches ne sont pas soumises aux dispositions légales et réglementaires qui déterminent les conditions de travail administratives et financières des membres du personnel des services publics fédéraux.
  
Art. 381. Artikel 5, § 2bis , van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " § 2bis. In afwijking van § 1, 2°, neemt de Staat 0 % van de maatschappelijke dienstverlening ten laste binnen de beperkingen bepaald krachtens artikel 11, § 2, toegekend in geld of in natura aan de vreemdelingen die zich vluchteling verklaard hebben of die aangevraagd hebben om als vluchteling te worden erkend, wanneer het ontbreken van voldoende maatregelen door het O.C.M.W. om de opvang van deze vreemdelingen op het grondgebied van zijn gemeente te bevorderen tot gevolg heeft dat zij ertoe aangezet worden zich in een andere gemeente te vestigen.
  De modaliteiten die het mogelijk maken te evalueren wanneer er gebrek aan voldoende maatregelen voor de opvang van deze vreemdelingen bestaat evenals de aanvaardbare bewijzen om dit ontbreken van voldoende maatregelen te weerleggen, worden door de Koning bepaald, bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad. "
Art. 381. L'article 5, § 2bis , de la même loi est remplacé par la disposition suivante aussi libelle :
  " § 2bis. Par dérogation au § 1er, 2°, l'Etat prend en charge 0 % de l'aide sociale accordée dans les limites fixées en vertu de l'article 11, § 2, octroyée en espèces ou en nature aux étrangers qui se sont déclarés réfugiés ou qui ont demandé à être reconnus en tant que tels, lorsque l'absence de mesures suffisantes prises par le C.P.A.S. en vue de favoriser l'accueil de ces étrangers sur le territoire de sa commune, a pour conséquence d'inciter ceux-ci à s'installer sur le territoire d'une autre commune.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités permettant d'évaluer quand il y a absence de mesures suffisantes d'accueil de ces étrangers et les preuves admissibles pour réfuter l'absence de mesures suffisantes. "
Art. 382. Artikel 15 van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt :
  " Onverminderd de definitieve tenlasteneming van de kosten van de dienstverlening, bepaalt de minister tot wiens bevoegdheid de maatschappelijke integratie behoort, binnen vijf werkdagen, het centrum dat voorlopig moet tussenkomen wanneer twee of meerdere O.C.M.W.'s achten niet territoriaal bevoegd te zijn om een vraag te onderzoeken.
  De Koning stelt de uitvoeringsmodaliteiten van deze bepaling vast. "
Art. 382. L'article 15 de la même loi est complété par la disposition suivante :
  " Sans préjudice de la prise en charge définitive des frais de l'aide sociale, lorsque deux ou plusieurs C.P.A.S. estiment ne pas être compétent territorialement pour examiner une demande d'aide, le ministre qui a l'intégration sociale dans ses attributions détermine, dans un délai de cinq jours ouvrables, le centre qui doit intervenir à titre provisoire.
  Le Roi détermine les modalités d'application de cette disposition. "
Art. 383. Artikel 57bis van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wordt opgeheven.
Art. 383. L'article 57bis de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publiques d'aide sociale, est abrogé.
HOOFDSTUK 4. - Rusthuis " Zeemanshuis ".
Art.386. L'article 385 entre en vigueur le 1er octobre 2003.
Art. 384. Het rusthuis, genaamd " Zeemanshuis " van de " [1 administratieve dienst met boekhoudkundige autonomie]1 Helena en Isabella Godtschalck " werft, voor al haar personeelsleden voor de haar toegekende opdrachten, personeel bij arbeidsovereenkomst aan. Deze aanwervingen zijn niet onderworpen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die de administratieve en geldelijke arbeidsvoorwaarden van de personeelsleden van de federale overheidsdiensten regelen.
  
Art. 384. La maison de repos, appelée " Zeemanshuis " de la " [1 service administratif à comptabilité autonome]1 Helena et Isabella Godtschalck " engage du personnel par contrat de travail, pour tous les membres de son personnel pour les missions qui lui sont attribuées. Ces embauches ne sont pas soumises aux dispositions légales et réglementaires qui déterminent les conditions de travail administratives et financières des membres du personnel des services publics fédéraux.
  
TITEL VI. - Financiën.
Art.387. (abrogé)
HOOFDSTUK 1. - Wetenschappelijk onderzoek.
Art.388. Le Roi détermine les règles et modalités afférentes à la manière :
Art.389. Les articles 387 et 388 sont applicables aux rémunérations payées ou attribuées à partir du 1er janvier 2003.
Art. 386. Artikel 385 treedt in werking op 1 oktober 2003.
Art. 386. L'article 385 entre en vigueur le 1er octobre 2003.
HOOFDSTUK 2. - Sector van de zeevisserij.
Art.390. § 1er. Les services et les agents du Service public fédéral Finances reprennent les compétences et les pouvoirs que les dispositions légales et réglementaires attribuent respectivement aux administrations et aux agents du ministère des Finances.
CHAPITRE 4. - Modification de la loi du 21 ventôse an VII, relative à l'organisation de la conservation des hypothèques.
Art. 388. De Koning bepaalt de nadere regels en modaliteiten in verband met de wijze :
  - waarop bij de indiening van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing het bewijs wordt geleverd dat de werknemers voor wie de ingehouden bedrijfsvoorheffing niet volledig is gestort voor de periode waarop de aangifte betrekking heeft, daadwerkelijk aan boord van een in artikel 387, eerste lid, bedoeld schip waren tewerkgesteld;
  - waarop, in het geval bedoeld in artikel 387, derde lid, bij de indiening van de aangifte in de bedrijfsvoorheffing het onderscheid moet worden gemaakt tussen de ingehouden en de gestorte bedrijfsvoorheffing.
Art.391. L'article 4 de la loi du 21 ventôse an VII relative à l'organisation de la conservation des hypothèques, est remplacé par le texte suivant :
  " Art. 4. Avant son entrée en fonction, le conservateur des hypothèques titulaire ou le conservateur des hypothèques intérimaire prête le serment fixé par l'article 2 du décret du 20 juillet 1831, et celui de remplir avec fidélité et exactitude les fonctions qui lui sont confiées.
  Le serment est prêté à l'audience du tribunal de première instance dans le ressort duquel la conservation des hypothèques à son siège.
  Le conservateur des hypothèques n'est admis à prêter serment que sur présentation de la publication au Moniteur belge , par extrait, de son arrêté de désignation. "
Art. 389. De artikelen 387 en 388 zijn van toepassing op de bezoldigingen betaald of toegekend vanaf 1 januari 2003.
Art.392. Le chapitre V de la même loi est remplacé par le texte suivant :
  " Chapitre V. - De la limite d'âge, de l'intérim et de la suppléance en cas d'absence ou d'empêchement
  Art. 12. Les conservateurs des hypothèques-titulaires sont nommes jusqu'à la limite d'âge pour les agents de l'Etat.
  Art. 13. § 1er. S'il y a vacance définitive d'un emploi de conservateur des hypothèques titulaire, autrement que par décès ou révocation, et si, à la date de la vacance, le remplacement du titulaire par voie de nomination n'est pas prévu, l'emploi est conféré provisoirement à titre d'intérim.
  § 2. Si, autrement que par décès ou pour des raisons liées à l'intérêt du service, la désignation d'un intérimaire dans un emploi définitivement vacant de conservateur des hypothèques prend fin et si, à ce moment, le remplacement par voie de nomination n'est pas prévu, l'emploi est à nouveau conféré provisoirement à titre d'intérim.
  § 3. Les conservateurs des hypothèques intérimaires sont désignés par le ministre des Finances jusqu'au moment ou l'emploi définitivement vacant est pourvu par voie de nomination, sans que l'intérimaire puisse rester en service après avoir atteint la limite d'âge pour les agents de l'Etat. La désignation est faite après avis du Directeur général du cadastre, de l'enregistrement et des domaines.
  § 4. Dans les cas visés aux §§ 1er et 2, le conservateur des hypothèques intérimaire désigné est responsable de sa gestion.
  § 5. Si l'emploi définitivement vacant de conservateur des hypothèques n'est pas conféré par voie de nomination ou d'intérim à la date de la vacance ou de la fin de la désignation de l'intérimaire, le conservateur des hypothèques titulaire ou le conservateur des hypothèques intérimaire ne peut quitter ses fonctions avant l'installation de son successeur, à peine de répondre de tous dommages et intérêts auxquels la vacance momentanée du bureau pourrait donner lieu.
  § 6. En cas de décès, révocation ou fin d'un intérim d'un conservateur des hypothèques dans l'intérêt du service, l'emploi est occupé provisoirement, en attendant la nomination d'un titulaire ou la désignation d'un intérimaire, par un inspecteur principal, chef de service, de l'enregistrement et des domaines. Ce dernier est responsable de sa gestion, mais aucun cautionnement ne lui est imposé.
  Dans ces cas, il est pourvu sur-le-champ à l'emploi par voie de nomination ou d'intérim.
  La désignation d'un intérimaire se fait conformément au § 3. Le cas échéant, le conservateur des hypothèques intérimaire désigné est responsable de sa gestion.
  § 7. Le conservateur des hypothèques intérimaire est tenu de fournir un cautionnement.
  Il est soumis à toutes les obligations de la fonction.
  Art. 14. § 1er. En cas d'absence ou d'empêchement d'un conservateur des hypothèques titulaire ou d'un conservateur des hypothèques intérimaire, il est suppléé par un inspecteur principal, chef de service, de l'enregistrement et des domaines.
  Le titulaire ou l'intérimaire assume la responsabilité de la gestion du suppléant, tant envers le public qu'envers l'Etat.
  § 2. En cas de suspension disciplinaire ou suspension dans l'intérêt du service d'un conservateur des hypothèques, l'emploi est occupé provisoirement par un inspecteur principal, chef de service, de l'enregistrement et des domaines. Ce dernier est responsable de sa gestion, mais aucun cautionnement ne lui est imposé. "
HOOFDSTUK 3. - Federale Overheidsdienst Financiën.
CHAPITRE 5. - Modification du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe et Code des droits de succession.
Art. 390. § 1. De diensten en de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën nemen de bevoegdheden en rechten over die de wettelijke en reglementaire bepalingen respectievelijk toekennen aan de administraties en aan de ambtenaren van het Ministerie van Financiën.
  De Koning verdeelt de bevoegdheden en rechten toegekend aan de administraties en de ambtenaren van het Ministerie van Financiën respectievelijk over de diensten en de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën.
  § 2. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de betrokken wettelijke bepalingen wijzigen om ze in overeenstemming te brengen met de nieuwe bevoegdheden vastgelegd in uitvoering van de § 1.
Art. 390. § 1er. Les services et les agents du Service public fédéral Finances reprennent les compétences et les pouvoirs que les dispositions légales et réglementaires attribuent respectivement aux administrations et aux agents du ministère des Finances.
  Le Roi répartit les compétences et les pouvoirs attribuées aux administrations et agents du ministère des Finances respectivement entre les services et agents du Service public fédéral Finances.
  § 2. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, modifier les dispositions législatives concernées pour les mettre en concordance avec les nouvelles compétences fixées en exécution du § 1er.
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de wet van 21 ventôse jaar VII betreffende de inrichting van de bewaring der hypotheken.
Art.394. Dans l'article 150 du Code des droits de succession, modifié par la loi du 2 mai 2002, à l'alinéa 2, 5°, les mots " de l'article 3 " sont supprimés.
Art. 391. Artikel 4 van de wet van 21 ventôse jaar VII betreffende de inrichting van de bewaring der hypotheken, wordt als volgt vervangen :
  " Art. 4. Vóór zijn ambtsinstelling, legt de hypotheekbewaarder-titularis of de hypotheekbewaarder-interimaris de bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 bepaalde eed af en verbindt hij zich tevens onder eed het hem opgedragen ambt getrouw en nauwgezet te vervullen.
  De eed wordt afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg binnen het rechtsgebied waarvan de hypotheekbewaring haar zetel heeft.
  De hypotheekbewaarder wordt slechts beëdigd op vertoon van de bekendmaking, bij uittreksel, van zijn aanstellingsbesluit in het Belgisch Staatsblad. "
Art. 391. L'article 4 de la loi du 21 ventôse an VII relative à l'organisation de la conservation des hypothèques, est remplacé par le texte suivant :
  " Art. 4. Avant son entrée en fonction, le conservateur des hypothèques titulaire ou le conservateur des hypothèques intérimaire prête le serment fixé par l'article 2 du décret du 20 juillet 1831, et celui de remplir avec fidélité et exactitude les fonctions qui lui sont confiées.
  Le serment est prêté à l'audience du tribunal de première instance dans le ressort duquel la conservation des hypothèques à son siège.
  Le conservateur des hypothèques n'est admis à prêter serment que sur présentation de la publication au Moniteur belge , par extrait, de son arrêté de désignation. "
Art. 392. Hoofdstuk V van dezelfde wet wordt als volgt vervangen :
  " Hoofdstuk V. - Leeftijdsgrens, interim, plaatsvervanging in geval van afwezigheid of verhindering.
  Art. 12. De hypotheekbewaarders-titularissen worden benoemd tot de leeftijdsgrens voor rijksambtenaren.
  Art. 13. § 1. Ingeval een betrekking van hypotheekbewaarder-titularis definitief vacant wordt, anders dan door overlijden of afzetting, en er op de datum van de vacature niet in een vervanging van de titularis bij wijze van benoeming wordt voorzien, wordt de betrekking voorlopig verleend bij wijze van interim.
  § 2. Ingeval er, anders dan door overlijden of omwille van redenen die verband houden met het belang van de dienst, een einde komt aan de aanstelling van een interimaris in een definitief vacante betrekking van hypotheekbewaarder en er op dat ogenblik niet in een vervanging bij wijze van benoeming wordt voorzien, wordt de betrekking opnieuw voorlopig verleend bij wijze van interim.
  § 3. De hypotheekbewaarders-interimarissen worden door de Minister van Financiën aangesteld tot dat in de definitief vacante betrekking bij wijze van benoeming is voorzien, zonder dat de interimaris na het bereiken van de leeftijdsgrens voor rijksambtenaren in dienst kan blijven. De aanstelling geschiedt na advies van de Directeur-generaal van het kadaster, de registratie en de domeinen.
  § 4. In de gevallen bedoeld in de §§ 1 en 2 is de aangestelde hypotheekbewaarder-interimaris aansprakelijk voor zijn beheer.
  § 5. Indien de definitief vacante betrekking van hypotheekbewaarder niet is verleend bij wijze van benoeming of van interim op de datum van de vacature of van de beëindiging van de aanstelling van de interimaris, mag de hypotheekbewaarder-titularis of de hypotheekbewaarder-interimaris zijn functies niet verlaten vooraleer zijn opvolger geïnstalleerd werd, op straffe van rekenschap te geven van alle schade en interesten waartoe de tijdelijke vacature van het kantoor aanleiding zou kunnen geven.
  § 6. In geval van overlijden, afzetting of beëindiging van een interim van een hypotheekbewaarder in het belang van de dienst wordt de betrekking, in afwachting van de benoeming van een titularis of de aanstelling van een interimaris, voorlopig waargenomen door een eerstaanwezend inspecteur, dienstchef, van de registratie en de domeinen. Deze laatste is aansprakelijk voor zijn beheer, maar een borgstelling wordt hem niet opgelegd.
  In die gevallen wordt er aanstonds in de betrekking voorzien bij wijze van benoeming of van interim.
  De aanstelling van een interimaris geschiedt overeenkomstig § 3. In voorkomend geval is de aangestelde hypotheekbewaarder-interimaris aansprakelijk voor zijn beheer.
  § 7. De hypotheekbewaarder-interimaris is ertoe gehouden borg te stellen.
  Hij is onderworpen aan alle verplichtingen die uit het ambt voortvloeien.
  Art. 14. § 1. In geval van afwezigheid of van verhindering van een hypotheekbewaarder-titularis of een hypotheekbewaarder-interimaris, wordt hij vervangen door een eerstaanwezend inspecteur, dienstchef, van de registratie en de domeinen.
  De titularis of de interimaris blijft aansprakelijk voor het beheer van de plaatsvervanger, zowel tegenover het publiek als tegenover de Staat.
  § 2. In geval van tuchtschorsing of schorsing in het belang van de dienst van een hypotheekbewaarder wordt de betrekking voorlopig waargenomen door een eerstaanwezend inspecteur, dienstchef, van de registratie en de domeinen. Deze laatste is aansprakelijk voor zijn beheer, maar een borgstelling wordt hem niet opgelegd. "
Art. 392. Le chapitre V de la même loi est remplacé par le texte suivant :
  " Chapitre V. - De la limite d'âge, de l'intérim et de la suppléance en cas d'absence ou d'empêchement
  Art. 12. Les conservateurs des hypothèques-titulaires sont nommes jusqu'à la limite d'âge pour les agents de l'Etat.
  Art. 13. § 1er. S'il y a vacance définitive d'un emploi de conservateur des hypothèques titulaire, autrement que par décès ou révocation, et si, à la date de la vacance, le remplacement du titulaire par voie de nomination n'est pas prévu, l'emploi est conféré provisoirement à titre d'intérim.
  § 2. Si, autrement que par décès ou pour des raisons liées à l'intérêt du service, la désignation d'un intérimaire dans un emploi définitivement vacant de conservateur des hypothèques prend fin et si, à ce moment, le remplacement par voie de nomination n'est pas prévu, l'emploi est à nouveau conféré provisoirement à titre d'intérim.
  § 3. Les conservateurs des hypothèques intérimaires sont désignés par le ministre des Finances jusqu'au moment ou l'emploi définitivement vacant est pourvu par voie de nomination, sans que l'intérimaire puisse rester en service après avoir atteint la limite d'âge pour les agents de l'Etat. La désignation est faite après avis du Directeur général du cadastre, de l'enregistrement et des domaines.
  § 4. Dans les cas visés aux §§ 1er et 2, le conservateur des hypothèques intérimaire désigné est responsable de sa gestion.
  § 5. Si l'emploi définitivement vacant de conservateur des hypothèques n'est pas conféré par voie de nomination ou d'intérim à la date de la vacance ou de la fin de la désignation de l'intérimaire, le conservateur des hypothèques titulaire ou le conservateur des hypothèques intérimaire ne peut quitter ses fonctions avant l'installation de son successeur, à peine de répondre de tous dommages et intérêts auxquels la vacance momentanée du bureau pourrait donner lieu.
  § 6. En cas de décès, révocation ou fin d'un intérim d'un conservateur des hypothèques dans l'intérêt du service, l'emploi est occupé provisoirement, en attendant la nomination d'un titulaire ou la désignation d'un intérimaire, par un inspecteur principal, chef de service, de l'enregistrement et des domaines. Ce dernier est responsable de sa gestion, mais aucun cautionnement ne lui est imposé.
  Dans ces cas, il est pourvu sur-le-champ à l'emploi par voie de nomination ou d'intérim.
  La désignation d'un intérimaire se fait conformément au § 3. Le cas échéant, le conservateur des hypothèques intérimaire désigné est responsable de sa gestion.
  § 7. Le conservateur des hypothèques intérimaire est tenu de fournir un cautionnement.
  Il est soumis à toutes les obligations de la fonction.
  Art. 14. § 1er. En cas d'absence ou d'empêchement d'un conservateur des hypothèques titulaire ou d'un conservateur des hypothèques intérimaire, il est suppléé par un inspecteur principal, chef de service, de l'enregistrement et des domaines.
  Le titulaire ou l'intérimaire assume la responsabilité de la gestion du suppléant, tant envers le public qu'envers l'Etat.
  § 2. En cas de suspension disciplinaire ou suspension dans l'intérêt du service d'un conservateur des hypothèques, l'emploi est occupé provisoirement par un inspecteur principal, chef de service, de l'enregistrement et des domaines. Ce dernier est responsable de sa gestion, mais aucun cautionnement ne lui est imposé. "
HOOFDSTUK 5. - Wijziging aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en aan het Wetboek der successierechten.
CHAPITRE 5. - Modification du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe et Code des droits de succession.
Art. 393. Artikel 161, 5°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, wordt vervangen als volgt :
  " 5° waarmerkingen en akten van bekendheid, in de gevallen bedoeld in artikel 139 van de hypotheekwet van 16 december 1851; ".
Art.396. L'article 38, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, modifié par les lois du 28 juillet 1992, 6 août 1993, 6 juillet 1994 et 21 décembre 1994, par l'arrêté royal du 20 décembre 1996, par les lois du 8 août 1997, 8 juin 1998 et 7 avril 1999, par arrêté royal du 13 juillet 2001 et par la loi du 10 août 2001, est complété comme suit :
  " 17° dans la mesure où elles ne dépassent pas 1.250,00 EUR l'offre, les interventions de l'employeur à concurrence de maximum 60 % du prix d'achat (hors T.V.A.) payé par les travailleurs pour l'achat d'une configuration complète de pc, de périphériques et d'une imprimante, la connexion internet et l'abonnement à internet, ainsi que le logiciel au service de l'activité professionnelle dans le cadre d'un plan organisé par l'employeur, sans que cet employeur ne puisse à aucun moment être lui-même propriétaire des éléments susmentionnés.
  Le Roi détermine par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres les conditions auxquelles cette exonération est subordonnée. "
Art. 394. In artikel 150 van het Wetboek der successierechten, vervangen bij de wet van 2 mei 2002, worden in het tweede lid, 5°, de woorden " artikel 3 van " geschrapt.
Art.397. L'article 396 entre en vigueur à la date fixée par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres. (NOTE : entrée en vigueur fixée au 01-01-2003 par l'AR 2003-03-25/37, art. 3.)
Art. 395. Artikel 394 treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van de wet van 2 mei 2002 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.
Section 2. - Centimes additionnels à l'impôt des non-résidents (personnes physiques) et application de la taxe communale additionnelle à l'impôt des personnes physiques dans le calcul du précompte professionnel.
HOOFDSTUK 6. - Bepalingen tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Art.398. L'article 245 du même Code est complété par l'alinéa suivant :
Afdeling 1. - PC privé.
Art.399. L'article 469, alinéa 2, du même Code est complété comme suit :
Art. 396. Artikel 38, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 6 augustus 1993, 6 juli 1994 en 21 december 1994, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, bij de wetten van 8 augustus 1997, 8 juni 1998 en 7 april 1999, bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001 en bij de wet van 10 augustus 2001, wordt aangevuld als volgt :
  " 17° in zover zij niet meer bedragen dan 1.250,00 EUR per aanbod, de tussenkomsten van de werkgever ten beloop van maximum 60 % van de aankoopprijs (exclusief BTW) die door de werknemers wordt betaald voor de aankoop van een geheel van pc, randapparatuur en printer, internetaansluiting en internetabonnement, alsook de voor de bedrijfsvoering dienstige software in het kader van een door de werkgever georganiseerd plan, zonder dat die werkgever op enig ogenblik zelf eigenaar van de voormelde elementen mag zijn.
  De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad de voorwaarden waaraan die vrijstelling moet voldoen. "
Art. 396. L'article 38, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, modifié par les lois du 28 juillet 1992, 6 août 1993, 6 juillet 1994 et 21 décembre 1994, par l'arrêté royal du 20 décembre 1996, par les lois du 8 août 1997, 8 juin 1998 et 7 avril 1999, par arrêté royal du 13 juillet 2001 et par la loi du 10 août 2001, est complété comme suit :
  " 17° dans la mesure où elles ne dépassent pas 1.250,00 EUR l'offre, les interventions de l'employeur à concurrence de maximum 60 % du prix d'achat (hors T.V.A.) payé par les travailleurs pour l'achat d'une configuration complète de pc, de périphériques et d'une imprimante, la connexion internet et l'abonnement à internet, ainsi que le logiciel au service de l'activité professionnelle dans le cadre d'un plan organisé par l'employeur, sans que cet employeur ne puisse à aucun moment être lui-même propriétaire des éléments susmentionnés.
  Le Roi détermine par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres les conditions auxquelles cette exonération est subordonnée. "
Art. 397. Artikel 396 treedt in werking op de datum bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. (NOTA : inwerkingtreding op 01-01-2003; zie KB 2003-03-25/37, art. 3.)
Art.400. L'article 296 du même Code est complété par l'alinéa suivant :
  " Le précompte professionnel perçu est :
  - le précompte professionnel retenu en exécution de l'article 272;
  - le précompte professionnel non retenu qui est versé réellement au Trésor. "
Afdeling 2. - Opcentiemen op de belasting der niet inwoners (natuurlijke personen) en toepassing van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting in de berekening van de bedrijfsvoorheffing.
Section 2. - Centimes additionnels à l'impôt des non-résidents (personnes physiques) et application de la taxe communale additionnelle à l'impôt des personnes physiques dans le calcul du précompte professionnel.
Art. 398. Artikel 245 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
  " De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad die opcentiemen verhogen tot maximaal zeven opcentiemen. "
Art.401. A l'article 354 du même Code, modifie par la loi du 15 mars 1999, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 1er est complété comme suit :
  " Lorsque, pour l'application de l'impôt des sociétés et de l'impôt des non-résidents qui est établi conformément aux articles 233 et 248, le contribuable tient une comptabilité autrement que par année civile, le délai de trois ans est prolongé d'une période égale à celle qui s'étend entre le 1er janvier de l'année dont le millésime désigne l'exercice d'imposition et la date de clôture des écritures de l'exercice comptable au cours de cette même année. ";
  2° dans l'alinéa 4, les mots " dans le délai de trois ans prévu à l'alinéa 1er " sont remplacés par les mots " dans le délai prévu à l'alinéa 1er ".
Art. 399. Artikel 469, tweede lid, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld als volgt :
  " De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad dat percentage verhogen tot maximaal 7 pct. "
Art.402. L'article 398 entre en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 2005.
  L'article 399 entre en vigueur à partir du 1er janvier 2004.
  Les centimes additionnels visés à l'article 245 du Code des impôts sur les revenus 1992 et le pourcentage visé à l'article 469, alinéa 2, du même Code sont, respectivement pour l'exercice d'imposition 2004 et pour l'année 2003, fixés à 6,7.
  L'article 401 et le présent article entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
Afdeling 3. - Verrekenbare bedrijfsvoorheffing.
CHAPITRE 7. - Modifications de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses.
Art. 400. Artikel 296 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
  " De geheven bedrijfsvoorheffing is :
  - de overeenkomstig artikel 272 ingehouden bedrijfsvoorheffing;
  - de niet ingehouden bedrijfsvoorheffing die werkelijk in de Schatkist wordt gestort. "
Art.403. L'article 41, 4°, de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses, est remplacé par la disposition suivante :
  " 4° offre : l'offre d'option datée et notifiée par écrit au bénéficiaire; ".
Afdeling 4. - Maatregelen betreffende de onderzoeks- en Vierdagenweek.
Art.404. L'article 42, § 1er, alinéa 2, de la même loi est remplace par la disposition suivante :
Art. 401. In artikel 354 van hetzelfde Wetboek gewijzigd bij de wet van 15 maart 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt aangevuld als volgt :
  " Wanneer voor de toepassing van de vennootschapsbelasting en van de belasting van niet-inwoners die overeenkomstig de artikelen 233 en 248 wordt gevestigd, de belastingplichtige anders dan per kalenderjaar boekhoudt, wordt de termijn van drie jaar verlengd met eenzelfde tijdperk als dat welke is verlopen tussen 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd en de datum van afsluiting van het boekjaar in de loop van hetzelfde jaar. ";
  2° in het vierde lid worden de woorden " binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van 3 jaar " vervangen door de woorden " binnen de in het eerste lid bedoelde termijn ".
Art. 401. A l'article 354 du même Code, modifie par la loi du 15 mars 1999, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 1er est complété comme suit :
  " Lorsque, pour l'application de l'impôt des sociétés et de l'impôt des non-résidents qui est établi conformément aux articles 233 et 248, le contribuable tient une comptabilité autrement que par année civile, le délai de trois ans est prolongé d'une période égale à celle qui s'étend entre le 1er janvier de l'année dont le millésime désigne l'exercice d'imposition et la date de clôture des écritures de l'exercice comptable au cours de cette même année. ";
  2° dans l'alinéa 4, les mots " dans le délai de trois ans prévu à l'alinéa 1er " sont remplacés par les mots " dans le délai prévu à l'alinéa 1er ".
Art. 402. Artikel 398 treedt in werking vanaf aanslagjaar 2005.
  Artikel 399 treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.
  De in artikel 245 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde opcentiemen en het in artikel 469, tweede lid, van hetzelfde Wetboek vermelde percentage worden, respectievelijk voor het aanslagjaar 2004 en voor het jaar 2003, vastgelegd op 6,7.
  Artikel 401 en dit artikel treden in werking op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
Art. 402. L'article 398 entre en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 2005.
  L'article 399 entre en vigueur à partir du 1er janvier 2004.
  Les centimes additionnels visés à l'article 245 du Code des impôts sur les revenus 1992 et le pourcentage visé à l'article 469, alinéa 2, du même Code sont, respectivement pour l'exercice d'imposition 2004 et pour l'année 2003, fixés à 6,7.
  L'article 401 et le présent article entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen.
Art.407. L'article 47 de la même loi est complété par un § 4 libellé comme suit :
Art. 403. Artikel 41, 4°, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, wordt vervangen als volgt :
  " 4° aanbod : het aanbod van de optie dat schriftelijk en gedateerd aan de begunstigde ter kennis wordt gebracht; ".
Art. 403. L'article 41, 4°, de la loi du 26 mars 1999 relative au plan d'action belge pour l'emploi 1998 et portant des dispositions diverses, est remplacé par la disposition suivante :
  " 4° offre : l'offre d'option datée et notifiée par écrit au bénéficiaire; ".
Art. 404. Artikel 42, § 1, tweede lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " Wanneer de begunstigde het aanbod ten laatste op de zestigste dag die volgt op de datum van het aanbod, schriftelijk heeft aanvaard, wordt de optie uit fiscaal oogpunt geacht op die zestigste dag te zijn toegekend, zelfs indien aan de uitoefening van de optie opschortende of ontbindende voorwaarden zijn verbonden. De begunstigde die voor het verstrijken van die termijn de aanbieder niet schriftelijk de aanvaarding van het aanbod heeft medegedeeld, wordt geacht het aanbod te hebben geweigerd. "
Art.408. Pour l'application du Code des impôts sur les revenus 1992, sont censées avoir été payées ou attribuées à concurrence de 80 p.c., en 2002, les rémunérations et primes imposables des membres du personnel de la police locale pour lesquels le calcul ou la régularisation des mois non encore régularisés de l'année 2002 par le " secrétariat social de la police intégrée, structurée à deux niveaux " est effectué au cours de l'année 2003 (au plus tard le 31 décembre 2003) " <L 2003-12-22/42, art. 299, 006 ; En vigueur : 10-01-2003>
Art. 405. In artikel 43, § 4, 1°, van dezelfde wet, worden de woorden " de gemiddelde koers " vervangen door de woorden " de gemiddelde slotkoers ".
Art. 405. Dans l'article 43, § 4, 1°, de la même loi, les mots " le cours moyen " sont remplacés par les mots " le cours moyen de clôture ".
Art. 406. In artikel 43, § 4, 2°, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen worden tussen de woorden " door een bedrijfsrevisor " en de woorden " die door die vennootschap wordt aangewezen ", de woorden " of door een accountant " ingevoegd.
Art.409. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, abroger, compléter, modifier ou remplacer les dispositions légales en vigueur afin de permettre les communications électroniques entre, d'une part, les citoyens et les entreprises et, d'autre part, les pouvoirs publics.
  A cet effet, Il peut :
  1° à coté des procédures administratives actuelles, prévoir l'accomplissement d'une série de formalités et la communication des décisions administratives par voie électronique;
  2° adapter les procédures et les formulaires administratifs pour lesquels des données sont déjà disponibles auprès des pouvoirs publics et ne doivent donc plus être fournies par les citoyens ou les entreprises;
  3° remplacer l'utilisation de timbres fiscaux ou d'autres formes de paiement direct préalablement ou au moment de l'accomplissement de formalités administratives, par d'autres moyens de paiement;
  4° adapter les règles actuelles en matière de publicité et de publication de certaines décisions administratives aux possibilités qui sont offertes via le portail fédéral.
  Les arrêtés royaux pris en vertu du présent article qui ne sont pas confirmés par une loi le premier jour du douzième mois qui suit celui de leur publication au Moniteur belge , cessent de produire leurs effets.
Art. 407. Artikel 47 van dezelfde wet wordt aangevuld met een § 4 luidend als volgt :
  " § 4. Voor de aandelenoptieplannen afgesloten tussen 1 januari 1999 en 31 december 2002, kan de vennootschap die de opties aanbiedt, vóór 30 juni 2003, met instemming van de begunstigden, uitoefeningsperiode ervan zonder bijkomende fiscale last met hoogstens 3 jaar verlengen.
  Dit akkoord moet aan de Administratie worden betekend vóór 31 juli 2003.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt afgeweken van artikel 499 van het Wetboek van vennootschappen. "
Art. 407. L'article 47 de la même loi est complété par un § 4 libellé comme suit :
  " § 4. Pour les plans d'options sur action conclus entre le 1er janvier 1999 et le 31 décembre 2002, la société qui offre les options peut, avant le 30 juin 2003, en accord avec les bénéficiaires des options allonger la période d'exercice de celles-ci de maximum 3 ans sans charge fiscale supplémentaire.
  Cet accord doit être notifié à l'Administration avant le 31 juillet 2003.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, il est dérogé à l'article 499 du Code des Sociétés. "
HOOFDSTUK 8. - Regularisatie van de belastbare bezoldigingen en vergoedingen van personeelsleden van de lokale politie.
Art.411. L'article 4 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque Carrefour de la sécurité sociale, modifié par la loi du 25 janvier 1999, est remplacé par la disposition suivante :
Art. 408. Voor de toepassing van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 worden de belastbare bezoldigingen en vergoedingen van de personeelsleden van de lokale politie waarvoor de berekening of regularisatie voor de niet geregulariseerde maanden van het jaar 2002 door het " sociaal secretariaat van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus " in het jaar 2003 (uiterlijk op 30 december 2003) wordt uitgevoerd, geacht ten belope van 80 pct. te zijn betaald of toegekend in het jaar 2002. " <W 2003-12-22/42, art. 299, 006 ; Inwerkingtreding : 10-01-2003>
Art. 408. Pour l'application du Code des impôts sur les revenus 1992, sont censées avoir été payées ou attribuées à concurrence de 80 p.c., en 2002, les rémunérations et primes imposables des membres du personnel de la police locale pour lesquels le calcul ou la régularisation des mois non encore régularisés de l'année 2002 par le " secrétariat social de la police intégrée, structurée à deux niveaux " est effectué au cours de l'année 2003 (au plus tard le 31 décembre 2003) " <L 2003-12-22/42, art. 299, 006 ; En vigueur : 10-01-2003>
TITEL VII. - Administratieve vereenvoudiging en E-government.
TITRE VII. - Simplification administrative et E-government.
Art. 409. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de van kracht zijnde wettelijke bepalingen opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen teneinde de elektronische communicatie tussen burgers en ondernemingen enerzijds en de overheid anderzijds mogelijk te maken.
  Hiertoe kan Hij :
  1° naast de bestaande administratieve werkwijzen, het vervullen van allerhande formaliteiten en het meedelen van administratieve beslissingen elektronisch mogelijk maken;
  2° de administratieve procedures en formulieren aldus aanpassen dat gegevens waarover de overheid reeds beschikt niet langer door de burger of ondernemingen moeten worden verstrekt;
  3° het gebruik van fiscale zegels of andere vormen van rechtstreekse betaling, vooraf of op het ogenblik van het vervullen van de administratieve formaliteiten, vervangen door andere vormen van betaling;
  4° de bestaande regels inzake de openbaarheid en bekendmaking van bepaalde administratieve beslissingen aanpassen aan de mogelijkheden die geboden worden via de federale portal.
  De krachtens dit artikel genomen koninklijke besluiten die niet bij wet worden bekrachtigd op de eerste dag van de twaalfde maand volgend op deze van hun publicatie in het Belgisch Staatsblad , houden op uitwerking te hebben.
Art. 409. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, abroger, compléter, modifier ou remplacer les dispositions légales en vigueur afin de permettre les communications électroniques entre, d'une part, les citoyens et les entreprises et, d'autre part, les pouvoirs publics.
  A cet effet, Il peut :
  1° à coté des procédures administratives actuelles, prévoir l'accomplissement d'une série de formalités et la communication des décisions administratives par voie électronique;
  2° adapter les procédures et les formulaires administratifs pour lesquels des données sont déjà disponibles auprès des pouvoirs publics et ne doivent donc plus être fournies par les citoyens ou les entreprises;
  3° remplacer l'utilisation de timbres fiscaux ou d'autres formes de paiement direct préalablement ou au moment de l'accomplissement de formalités administratives, par d'autres moyens de paiement;
  4° adapter les règles actuelles en matière de publicité et de publication de certaines décisions administratives aux possibilités qui sont offertes via le portail fédéral.
  Les arrêtés royaux pris en vertu du présent article qui ne sont pas confirmés par une loi le premier jour du douzième mois qui suit celui de leur publication au Moniteur belge , cessent de produire leurs effets.
Art. 410. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels vast volgens welke burgers en ondernemingen elektronisch kunnen communiceren met de overheid en er elektronisch stukken of akten kunnen aan doorsturen.
Art.413. Dans l'article 4, § 2, de l'arrêté royal n° 275 du 31 décembre 1983 relatif à certains établissements scientifiques de l'Etat, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le 2°, les mots " dans les douze mois " sont supprimés;
  2° le paragraphe est complété par la disposition suivante :
  " La même réglementation est applicable aux membres du personnel contractuel engagés dans les anciens centres créés auprès du Musée royal de l'Afrique centrale ou de la Bibliothèque royale de Belgique. "
Art. 411. Artikel 4 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 4. De Kruispuntbank is belast met het inzamelen, het opslaan en het verwerken van de gegevens met betrekking tot de identificatie van de personen, voor zover verscheidene instellingen van sociale zekerheid deze gegevens nodig hebben voor de toepassing van de sociale zekerheid, voor zover de identificatie van deze personen vereist is in uitvoering (van de wet van 16 januari 2003) tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister en tot oprichting van erkende ondernemingsloketten, of voorzover de identificatie van deze personen vereist is voor de uitvoering door een federale overheidsdienst van de opdrachten die hem zijn toegewezen door of krachtens de wet. De aan de Kruispuntbank ter beschikking gestelde gegevens moeten voldoen aan de door de Kruispuntbank vastgelegde kwaliteitsnormen om de betrokken persoon eenduidig te kunnen identificeren.
  Deze opdracht heeft geen betrekking op de gegevens die door het Rijksregister worden opgeslagen. "
Art. 411. L'article 4 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque Carrefour de la sécurité sociale, modifié par la loi du 25 janvier 1999, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 4. La Banque Carrefour est chargée de collecter, d'enregistrer et de traiter les données relatives à l'identification des personnes, pour autant que plusieurs institutions de la sécurité sociale aient besoin de ces données pour l'application de la sécurité sociale, pour autant que l'identification de ces personnes soit requise en exécution (de la loi du 16 janvier 2003) portant création d'une Banque Carrefour des Entreprises, modernisation du registre du commerce et création de guichets d'entreprises agréés, ou pour autant que l'identification de ces personnes soit requise pour l'exécution par un service public fédéral des missions qui lui sont accordées par ou en vertu d'une loi. Les données mises en disposition de la Banque Carrefour satisfont aux normes de qualité fixés par la Banque Carrefour afin de pouvoir identifier de manière univoque les personnes concernées.
  La présente mission ne porte pas sur les données qui sont enregistrées par le Registre national. "
Art. 412. In artikel 40, eerste lid, van de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap, worden de woorden " bij de Diensten van de Eerste Minister " vervangen door de woorden " bij de Federale Overheidsdienst Kanselarij van de Eerste Minister ".
Art.414. L'intitulé de l'arrête royal n° 504 du 31 décembre 1986 créant les établissements scientifiques de l'Etat qui relèvent des deux ministres de l'Education nationale ou du (des) ministre(s) désigne(s) par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, en tant que services de l'Etat à gestion séparée, confirmé par la loi du 30 mars 1987, est remplacé par l'intitulé suivant :
  " Arrêté royal n° 504 du 31 décembre 1986 constituant en services de l'Etat à gestion séparée les établissements scientifiques de l'Etat qui relèvent du ministre qui a la Politique scientifique dans ses attributions ".
TITEL VIII. - Wetenschappelijk onderzoek.
Art.415. L'article 1er du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 275 van 31 december 1983 betreffende sommige wetenschappelijke inrichtingen van de Staat.
Art.416. L'article 2 du même arrêté, est remplacé par la disposition suivante :
Art. 413. In artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 275 van 31 december 1983 betreffende sommige wetenschappelijke inrichtingen van de Staat, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt 2° worden de woorden " binnen de twaalf maanden " geschrapt;
  2° de paragraaf wordt aangevuld als volgt :
  " Dezelfde reglementering is van toepassing op de leden van het contractueel personeel die in dienst zijn genomen in de vroegere bij het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika of de Koninklijke Bibliotheek van België opgerichte centra. "
Art. 413. Dans l'article 4, § 2, de l'arrêté royal n° 275 du 31 décembre 1983 relatif à certains établissements scientifiques de l'Etat, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le 2°, les mots " dans les douze mois " sont supprimés;
  2° le paragraphe est complété par la disposition suivante :
  " La même réglementation est applicable aux membres du personnel contractuel engagés dans les anciens centres créés auprès du Musée royal de l'Afrique centrale ou de la Bibliothèque royale de Belgique. "
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 504 van 31 december 1986 houdende oprichting van de wetenschappelijke instellingen van de Staat, afhangend van beide ministers van Onderwijs of van de minister(s) aangewezen in een bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, als staatsdiensten met afzonderlijk beheer.
CHAPITRE 2. - Modification de l'arrêté royal n° 504 du 31 décembre 1986 créant les établissements scientifiques de l'Etat qui relèvent des deux ministres de l'Education nationale ou du (des) ministre(s) désigné(s) par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, en tant que services de l'Etat à gestion séparée.
Art. 414. Het opschrift van het koninklijk besluit nr. 504 van 31 december 1986 houdende oprichting van de wetenschappelijke instellingen van de Staat, afhangend van beide ministers van Onderwijs of van de minister(s) aangewezen in een bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, als staatsdiensten met afzonderlijk beheer, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1987, wordt vervangen als volgt :
  " Koninklijk besluit nr. 504 van 31 december 1986 waarbij de onder de voor het Wetenschapsbeleid bevoegde minister ressorterende wetenschappelijke instellingen van de Staat opgericht worden als staatsdiensten met afzonderlijk beheer ".
Art. 414. L'intitulé de l'arrête royal n° 504 du 31 décembre 1986 créant les établissements scientifiques de l'Etat qui relèvent des deux ministres de l'Education nationale ou du (des) ministre(s) désigne(s) par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, en tant que services de l'Etat à gestion séparée, confirmé par la loi du 30 mars 1987, est remplacé par l'intitulé suivant :
  " Arrêté royal n° 504 du 31 décembre 1986 constituant en services de l'Etat à gestion séparée les établissements scientifiques de l'Etat qui relèvent du ministre qui a la Politique scientifique dans ses attributions ".
Art. 415. Artikel 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  " Artikel 1. De hierna opgesomde wetenschappelijke instellingen van de Staat die ressorteren onder de minister die bevoegd is voor het Wetenschapsbeleid, zijn staatsdiensten met afzonderlijk beheer :
  1° het Algemeen Rijksarchief en de Rijksarchieven in de Provinciën;
  2° de Koninklijke Bibliotheek van België;
  3° het Belgisch Instituut voor Ruimte-aëronomie;
  4° het Koninklijk Meteorologisch Instituut van België;
  5° de Koninklijke Sterrenwacht van België;
  6° het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika;
  7° het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen;
  8° de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis;
  9° de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België;
  10° het Koninklijk Instituut voor Kunstpatrimonium. "
Art.418. § 1er. (Après la dissolution respective de l'ASBL " CEDAF " et de l'établissement d'utilité publique " Institut africain ", lesquelles dissolutions devront intervenir au plus tard le 31 décembre 2003, le Roi transfère au Musée royal de l'Afrique centrale les biens, droits et obligations ainsi que les membres du personnel des institutions concernées.) <L 2003-04-08/33, art. 149, 004; En vigueur : 27-04-2003>
  § 2. Les membres du personnel transférés (...) peuvent bloquer un emploi du cadre organique du Musée jusqu'à leur départ. Ils ne peuvent être remplacés que par des agents recrutés selon les règles permanentes des statuts applicables au Musée. <L 2003-04-08/33, art. 149, 004; En vigueur : 27-04-2003>
  § 3. Les membres du personnel transférés en vertu du § 2 conservent leur qualité, leur rémunération et les autres avantages qu'ils avaient ou auraient eus s'ils avaient continué d'exercer (au sein des institutions visées au § 1er) la fonction qu'ils exerçaient au moment de leur transfert. <L 2003-04-08/33, art. 149, 004; En vigueur : 27-04-2003>
  Le montant de la pension qui leur sera accordé ne pourra être inférieur au montant de la pension qu'ils auraient obtenu conformément aux dispositions législatives et réglementaires qui leur étaient applicables au moment du transfert, mais compte tenu des modifications que ces dispositions auraient subies ultérieurement en vertu de mesures applicables (aux institutions visées au § 1er). <L 2003-04-08/33, art. 149, 004; En vigueur : 27-04-2003>
Art. 416. Artikel 2 van hetzelfde besluit, wordt vervangen als volgt :
  " Onder de organieke voorschriften die van toepassing zijn op het materiële en financiële beheer van de diensten bedoeld in artikel 1, legt de Koning, op voordracht van de ministers die bevoegd zijn voor het Wetenschapsbeleid en Financiën, de nadere regelen vast die hen in staat stellen giften en legaten te krijgen. "
Art. 416. L'article 2 du même arrêté, est remplacé par la disposition suivante :
  " Parmi les règles organiques applicables à la gestion matérielle et financière des services visés à l'article 1er, le Roi détermine sur proposition des ministres qui ont la Politique scientifique et les Finances dans leurs attributions, les modalités qui leur permettront de recevoir des dons ou des legs. "
Art. 417. Artikel 4 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art.419. [1 § 1er. Le Roi intègre le Centre d'Etudes et de Documentation "Guerre et Sociétés contemporaines", dénommé ci-après "CEGESOMA", comme direction opérationnelle dans l'établissement scientifique fédéral "Archives générales du Royaume - Archives de l'Etat dans les Provinces", dénommé ci-après "Archives de l'Etat". Le Roi règle les modalités de transfert à l'établissement des biens, collections, droits et obligations du CEGESOMA ainsi que des membres de son personnel.
   § 2. Les membres du personnel visés au paragraphe 1er conservent leur qualité, leur rémunération et les autres avantages qu'ils avaient ou auraient eus s'ils avaient continué d'exercer au sein du CEGESOMA la fonction qu'ils exerçaient au moment de leur intégration.
   Le montant de la pension qui leur sera accordé ne pourra être inférieur au montant de la pension qu'ils auraient obtenu conformément aux dispositions législatives et réglementaires qui leur étaient applicables au moment du transfert, mais compte tenu des modifications que ces dispositions auraient subies ultérieurement en vertu de mesures applicables au CEGESOMA.]1

  
HOOFDSTUK 3. - Herstructurering van sommige federale wetenschappelijke instellingen.
CHAPITRE 4. - Dispositions particulières relatives à la gestion de certains établissements scientifiques.
Afdeling 1. - Ontbinding van de V.Z.W. " Afrika Instituut - ASDOC ".
Art.420. Le présent chapitre est applicable aux établissements scientifiques fédéraux placés sous l'autorité du ministre qui a la Politique scientifique dans ses attributions.
Art. 418. § 1. (Na de respectieve ontbinding van de VZW " ASDOC " en de instelling van openbaar nut " Afrikaans Instituut ", die uiterlijk op 31 december 2003 plaats moeten vinden, hevelt de Koning de goederen, rechten en verplichtingen alsmede de personeelsleden van de betrokken instellingen over naar het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika.) <W 2003-04-08/33, art. 149, 004; Inwerkingtreding : 27-04-2003>
  § 2. De overgeplaatste personeelsleden (...) kunnen tot hun vertrek een betrekking blokkeren in de personeelsformatie van het Museum. Zij kunnen slechts door personen worden vervangen die in dienst worden genomen overeenkomstig de permanente voorschriften van de statuten die op het Museum van toepassing zijn. <W 2003-04-08/33, art. 149, 004; Inwerkingtreding : 27-04-2003>
  § 3. De krachtens § 2 overgeplaatste personeelsleden behouden hun hoedanigheid, hun bezoldiging en de andere voordelen die zij hadden of zouden hebben verkregen indien zij in (de instellingen bedoeld in § 1) het ambt hadden blijven uitoefenen dat zij bij hun overplaatsing bekleedden. <W 2003-04-08/33, art. 149, 004; Inwerkingtreding : 27-04-2003>
  Het bedrag van het pensioen dat hun zal worden toegekend, mag niet lager zijn dan het bedrag van het pensioen dat zij zouden hebben gekregen overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen die op het ogenblik van de overplaatsing op hen van toepassing waren, maar rekening houdend met de wijzigingen die deze bepalingen later zouden hebben ondergaan krachtens maatregelen die van toepassing zijn op (de instellingen bedoeld in § 1). <W 2003-04-08/33, art. 149, 004; Inwerkingtreding : 27-04-2003>
Art. 418. § 1er. (Après la dissolution respective de l'ASBL " CEDAF " et de l'établissement d'utilité publique " Institut africain ", lesquelles dissolutions devront intervenir au plus tard le 31 décembre 2003, le Roi transfère au Musée royal de l'Afrique centrale les biens, droits et obligations ainsi que les membres du personnel des institutions concernées.) <L 2003-04-08/33, art. 149, 004; En vigueur : 27-04-2003>
  § 2. Les membres du personnel transférés (...) peuvent bloquer un emploi du cadre organique du Musée jusqu'à leur départ. Ils ne peuvent être remplacés que par des agents recrutés selon les règles permanentes des statuts applicables au Musée. <L 2003-04-08/33, art. 149, 004; En vigueur : 27-04-2003>
  § 3. Les membres du personnel transférés en vertu du § 2 conservent leur qualité, leur rémunération et les autres avantages qu'ils avaient ou auraient eus s'ils avaient continué d'exercer (au sein des institutions visées au § 1er) la fonction qu'ils exerçaient au moment de leur transfert. <L 2003-04-08/33, art. 149, 004; En vigueur : 27-04-2003>
  Le montant de la pension qui leur sera accordé ne pourra être inférieur au montant de la pension qu'ils auraient obtenu conformément aux dispositions législatives et réglementaires qui leur étaient applicables au moment du transfert, mais compte tenu des modifications que ces dispositions auraient subies ultérieurement en vertu de mesures applicables (aux institutions visées au § 1er). <L 2003-04-08/33, art. 149, 004; En vigueur : 27-04-2003>
Afdeling 2. - Overname van het SOMA door het Algemeen Rijksarchief.
Art.422. Les biens culturels prêtés par un Etat étranger, une collectivité publique ou une institution culturelle étrangère, destinés à être exposés dans un établissement scientifique fédéral, sont insaisissables pour la durée de leur prêt à l'établissement concerné.
Art. 419. [1 § 1. De Koning integreert het Studie- en documentatiecentrum "Oorlog en Hedendaagse Maatschappij", hierna te noemen het "CEGESOMA", als operationele directie in de federale wetenschappelijke instelling "Algemeen Rijksarchief - Rijksarchief in de Provinciën", hierna te noemen "Rijksarchief". De Koning regelt de nadere regels van de overdracht aan de instelling van de goederen, collecties, rechten en verplichtingen van het CEGESOMA alsook van zijn personeelsleden.
   § 2. De in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden behouden hun hoedanigheid, hun bezoldiging en de andere voordelen die zij hadden of zouden hebben verkregen indien zij in het CEGESOMA het ambt hadden blijven uitoefenen dat zij bij hun integratie bekleedden.
   Het bedrag van het pensioen dat hun zal worden toegekend, mag niet lager zijn dan het bedrag van het pensioen dat zij zouden hebben gekregen overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen die op het ogenblik van de overplaatsing op hen van toepassing waren, maar rekening houdend met de wijzigingen die deze bepalingen later zouden hebben ondergaan krachtens maatregelen die van toepassing zijn op het CEGESOMA.]1

  
Art. 419. [1 § 1er. Le Roi intègre le Centre d'Etudes et de Documentation "Guerre et Sociétés contemporaines", dénommé ci-après "CEGESOMA", comme direction opérationnelle dans l'établissement scientifique fédéral "Archives générales du Royaume - Archives de l'Etat dans les Provinces", dénommé ci-après "Archives de l'Etat". Le Roi règle les modalités de transfert à l'établissement des biens, collections, droits et obligations du CEGESOMA ainsi que des membres de son personnel.
   § 2. Les membres du personnel visés au paragraphe 1er conservent leur qualité, leur rémunération et les autres avantages qu'ils avaient ou auraient eus s'ils avaient continué d'exercer au sein du CEGESOMA la fonction qu'ils exerçaient au moment de leur intégration.
   Le montant de la pension qui leur sera accordé ne pourra être inférieur au montant de la pension qu'ils auraient obtenu conformément aux dispositions législatives et réglementaires qui leur étaient applicables au moment du transfert, mais compte tenu des modifications que ces dispositions auraient subies ultérieurement en vertu de mesures applicables au CEGESOMA.]1

  
HOOFDSTUK 4. - Bijzondere bepalingen met betrekking tot het beheer van sommige wetenschappelijke instellingen.
CHAPITRE 4. - Dispositions particulières relatives à la gestion de certains établissements scientifiques.
Art. 420. Dit hoofdstuk is van toepassing op de federale wetenschappelijke instellingen die onder het gezag staan van de minister die bevoegd is voor het Wetenschapsbeleid.
Art.424. A la troisième colonne (Nature des dépenses autorisées) du tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, le texte figurant en regard du fonds " 11-1 Remploi du remboursement d'avances récupérables, de redevances et de rétributions pour travaux effectues pour comptes de tiers " est complété comme suit :
  " en ce compris le paiement des salaires et allocations du personnel statutaire et contractuel des Services fédéraux des affaires scientifiques, techniques et culturelles et les établissements scientifiques fédéraux y liés engagés pour assurer la préparation, l'exécution, la gestion et le suivi de leurs activités ".
Art. 421. Wanneer één van de wetenschappelijke instellingen als bedoeld in artikel 420 van een nieuwe personeelsformatie wordt voorzien overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 april 1999 tot vaststelling van het statuut van het toegevoegd vorsingspersoneel en van het beheerspersoneel van de wetenschappelijke instellingen van de Staat, kunnen de eventuele betrekkingen opgericht in de graad van adjunct-adviseur tijdelijk geblokkeerd worden door leden van onderwijzend personeel, die bij beslissing van de minister die bevoegd is voor het Wetenschapsbeleid, gedetacheerd zijn bij de instelling op de datum waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, en dat tot hun vertrek.
Art. 421. Lorsqu'un des établissements scientifiques visés à l'article 420 est doté d'un nouveau cadre organique pris conformément à l'arrêté royal du 30 avril 1999 fixant le statut du personnel adjoint à la recherche et du personnel de gestion des établissements scientifiques de l'Etat, les emplois éventuels créés dans le grade de conseiller adjoint peuvent être bloqués temporairement par des membres du personnel enseignant détachés auprès de l'institution à la date de publication de la présente loi au Moniteur belge par décision du ministre qui a la Politique scientifique dans ses attributions, et cela jusqu'à leur départ.
Art. 422. De culturele goederen die door een buitenlandse Staat, een openbare instantie of een buitenlandse culturele instelling uitgeleend worden om tentoongesteld te worden in een federale wetenschappelijke instelling, zijn niet vatbaar voor beslag voor de duur dat zij aan de betrokken instelling uitgeleend worden.
  De lijst van die culturele goederen wordt ter informatie voorgelegd aan de minister die bevoegd is voor het Wetenschapsbeleid.
Art. 422. Les biens culturels prêtés par un Etat étranger, une collectivité publique ou une institution culturelle étrangère, destinés à être exposés dans un établissement scientifique fédéral, sont insaisissables pour la durée de leur prêt à l'établissement concerné.
  La liste de ces biens culturels est communiquée pour information au ministre qui a la Politique scientifique dans ses attributions.
Art. 423. De verenigingen zonder winstoogmerk of de stichtingen die meewerken of wensen mee te werken aan het vervullen van de opdrachten van één van de federale wetenschappelijke instellingen en eventueel hun maatschappelijke zetel wensen te hebben in de betrokken instelling, moeten een erkenning van het instellingshoofd krijgen na advies van de bevoegde wetenschappelijke raad.
  De voorwaarden voor het toekennen van die erkenning worden bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, met inachtneming van de voorschriften genomen ter uitvoering van artikel 140 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit.
  De vereniging die niet wordt erkend, mag in geen geval deelnemen aan de opdrachten en activiteiten van de instelling, noch onder geen enkel voorwendsel een van haar lokalen betrekken.
Art. 423. Les associations sans but lucratif ou les fondations qui concourent ou désirent concourir à la réalisation des missions d'un des établissements scientifiques fédéraux et éventuellement avoir leur siège social dans l'établissement concerné, doivent obtenir une agréation du chef d'établissement après avis du conseil scientifique compétent.
  Les conditions d'octroi de cette agréation sont fixées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, dans le respect des règles prises en exécution de l'article 140 des lois coordonnées sur la comptabilité de l'Etat.
  L'association qui n'obtient pas cette agréation ne peut plus participer d'aucune manière aux missions et activités de l'établissement ni occuper un quelconque de ses locaux sous aucun prétexte.
HOOFDSTUK 5. - Financiële bepaling.
TITRE IX. - Energie et Développement durable.
Art. 424. In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen wordt de tekst van de derde kolom (Aard van de toegestane uitgaven) tegenover het fonds " 11-1 Wederbelegging van terugbetalingen van terugvorderbare voorschotten, van vergoedingen en van retributies gestort voor werken voor rekening van derden " aangevuld als volgt :
  " met inbegrip van de betaling van de lonen en toelagen van het statutair en contractueel personeel van de Federale diensten voor wetenschappelijke, technische en culturele aangelegenheden en de eraan verbonden federale wetenschappelijke instellingen, dat in dienst is genomen voor de voorbereiding, de uitvoering, het beheer en de follow-up ervan ".
Art. 424. A la troisième colonne (Nature des dépenses autorisées) du tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, le texte figurant en regard du fonds " 11-1 Remploi du remboursement d'avances récupérables, de redevances et de rétributions pour travaux effectues pour comptes de tiers " est complété comme suit :
  " en ce compris le paiement des salaires et allocations du personnel statutaire et contractuel des Services fédéraux des affaires scientifiques, techniques et culturelles et les établissements scientifiques fédéraux y liés engagés pour assurer la préparation, l'exécution, la gestion et le suivi de leurs activités ".
HOOFDSTUK 6. - Opheffings- en slotbepalingen.
Art.427. L'arrêté royal du 16 juillet 2002 relatif à l'établissement de mécanismes visant la promotion de l'électricité produite à partir des sources d'énergie renouvelables, est confirmé avec effet au 1er juillet 2003.
Art. 425. Het koninklijk besluit nr 275 van 31 december 1983 betreffende sommige wetenschappelijke instellingen van de Staat, zoals gewijzigd bij deze wet, wordt opgeheven.
Art.428. Les chapitres IV et V de l'arrêté royal du 23 octobre 2002 relatif aux obligations de service public dans le marché du gaz naturel, sont confirmés avec effet au 1er octobre 2002.
Art. 426. Deze titel treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van :
  1° hoofdstuk I, dat uitwerking heeft met ingang van 31 december 1983;
  2° artikel 419, dat in werking treedt op 1 januari 2003;
  3° artikel 425 dat in werking treedt de eerste dag van de maand die volgt op die tijdens welke deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 426. Le présent titre entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge , à l'exception :
  1° du chapitre Ier qui produit ses effets le 31 décembre 1983;
  2° de l'article 419 qui entre en vigueur le 1er janvier 2003;
  3° de l'article 425 qui entre en vigueur le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel la présente loi sera publiée au Moniteur belge.
TITEL IX. - Energie en Duurzame Ontwikkeling.
Art.430. L'arrêté royal du 29 septembre 2002 portant modification de l'arrêté royal du 18 janvier 2001 relatif au système provisoire visant à couvrir les frais de fonctionnement de la Commission de Régulation de l'Electricité et du Gaz, est confirmé avec effet au 1er août 2002.
HOOFDSTUK 1. - Bekrachtiging van koninklijke besluiten.
CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 29 avril 1999 relative à l'organisation du marché de l'électricité.
Art. 427. Het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, wordt bekrachtigd met uitwerking op 1 juli 2003.
Art. 427. L'arrêté royal du 16 juillet 2002 relatif à l'établissement de mécanismes visant la promotion de l'électricité produite à partir des sources d'énergie renouvelables, est confirmé avec effet au 1er juillet 2003.
Art. 428. De hoofdstukken IV en V van het koninklijk besluit van 23 oktober 2002 betreffende de openbare dienstverplichtingen in de aardgasmarkt, worden bekrachtigd met uitwerking op 1 oktober 2002.
Art.431. Un article 12bis , rédigé comme suit, est inséré dans la loi du 29 avril 1999 relative à l'organisation du marché d'électricité :
  " Art. 12bis. Sans préjudice des dispositions de l'article 12, le gestionnaire de réseau versera annuellement un montant aux communes. Par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après concertation avec les Régions, le Roi fixe la répartition entre les communes. Par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le Roi fixe le montant, les modalités et la manière dont le gestionnaire de réseau doit en intégrer le coût dans les tarifs. "
Art. 429. De hoofdstukken III en VI van het koninklijk besluit van 11 oktober 2002 betreffende de openbare dienstverplichtingen in de elektriciteitsmarkt, worden bekrachtigd met uitwerking op 1 oktober 2002.
Art. 429. Les chapitres III et VI de l'arrêté royal du 11 octobre 2002 relatif aux obligations de service public dans le marché l'électricité, sont confirmés avec effet au 1er octobre 2002.
Art. 430. Het koninklijk besluit van 29 september 2002, houdende de wijziging van het koninklijk besluit van 18 januari 2001 betreffende het voorlopige systeem tot dekking van de werkingskosten van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas, wordt bekrachtigd met uitwerking op 1 augustus 2002.
Art.432. L'article 12 de la loi du 29 avril 1999 relative à l'organisation du marché de l'électricité, modifié par la loi du 30 décembre 2001, est complété par un § 5, rédigé comme suit :
  " § 5. Une surcharge, dénommée " cotisation fédérale " et destinée au financement de certaines obligations de service public et des coûts liés à la régulation et au contrôle du marché de l'électricité, est prélevée sur les tarifs visés au § 1er par le gestionnaire du réseau à charge des utilisateurs du réseau, qui peuvent la répercuter sur les clients finals. Le produit de cette surcharge est affecté :
  1° au financement des obligations résultant de la dénucléarisation des sites nucléaires BP1 et BP2 à Mol-Dessel, ainsi que du traitement, du conditionnement, de l'entreposage et de l'évacuation des déchets radioactifs accumulés, y compris les déchets radioactifs résultant de la dénucléarisation des installations, afférent aux activités nucléaires sur ces sites;
  2° au financement partiel des frais de fonctionnement de la commission visés à l'article 25, § 3, et ceci nonobstant les autres dispositions de l'article 25, § 3;
  3° au financement partiel de la mise en oeuvre des mesures de guidance et d'aide sociale en matière d'énergie prévues dans la loi du 4 septembre 2002 visant à confier aux centres publics d'aide sociale la mission de guidance et d'aide sociale financière dans le cadre de la fourniture d'énergie aux personnes les plus démunies;
  4° au financement de la politique fédérale de réduction des émissions de gaz à effet de serre en vue du respect des engagements internationaux de la Belgique en matière de protection de l'environnement et de développement durable.
  La part d'électricité fournie à des clients finals et produite à partir de sources d'énergie renouvelables ou d'unités de cogénération de qualité est exonérée de la partie de la surcharge visée au 1° et 4°. Le Roi arrête les modalités d'application de l'exonération. "
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt.
Art.433. L'article 21 de la même loi est complété par les alinéas suivants :
Afdeling 1. - Inkomsten gemeenten.
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations.
Art. 431. In de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, wordt een artikel 12bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 12bis. Onverminderd de bepalingen van artikel 12 zal de netbeheerder jaarlijks aan de gemeenten een bedrag storten. Bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na overleg met de Gewesten, bepaalt de Koning de verdeling over de gemeenten. Bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalt de Koning het bedrag, de modaliteiten en de wijze waarop de netbeheerder de kost ervan in de tarieven dient op te nemen. "
Art.434. L'article 15/11 de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations, inséré par la loi du 29 avril 1999, est complété par les alinéas suivants :
  " Une surcharge, dénommée " cotisation fédérale " et destinée au financement de certaines obligations de service public et des coûts liés à la régulation et au contrôle du marché du gaz, est prélevée par les titulaires d'une autorisation de fourniture, qui peuvent la répercuter sur les clients finals.
  Le produit de cette surcharge est affecté :
  1° Au financement partiel des frais de fonctionnement de la commission visés à l'article 15/15, § 4, et ceci nonobstant les autres dispositions de l'article 15/15, § 4;
  2° Au financement partiel de la mise en oeuvre des mesures de guidance et d'aide sociale en matière d'énergie prévues dans la loi du 4 septembre 2002 visant à confier aux centres publics d'aide sociale la mission de guidance et d'aide sociale financière dans le cadre de la fourniture d'énergie aux personnes les plus démunies.
  La cotisation fédérale visée à l'alinéa précédent est perçue par les titulaires d'une autorisation de fourniture sous la forme d'une surcharge sur leurs tarifs. Les titulaires d'une autorisation de fourniture versent les sommes perçues, selon une clé de répartition fixée par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, respectivement :
  1° dans un fonds pour le financement de ses frais de fonctionnement conformément à l'article 15/15, § 4, qui est gère par la commission
  2° dans le fonds visé au premier alinéa, 3°, en vue du financement partiel des mesures visées au deuxième alinéa, 2°, dont les moyens sont, à cette fin, mis à la disposition, des centres publics d'aide sociale, conformément aux dispositions de la loi du 4 septembre 2002 visant à confier aux centres publics d'aide sociale la mission de guidance et d'aide sociale financière dans le cadre de la fourniture d'énergie aux personnes les plus démunies.
  Par arrête délibéré en Conseil des Ministres, le Roi fixe :
  1° le montant et le mode de calcul de la cotisation fédérale visée au deuxième alinéa;
  2° la clé de répartition du produit de la cotisation fédérale entre les fonds visés à l'alinéa précédent et les modalités de versement à ces fonds;
  3° les modalités de gestion de ces fonds par la commission.
  Tout arrêté fixant le montant et le mode de calcul de la cotisation visée au présent article, est censé ne jamais avoir produit d'effets s'il n'a pas été confirmé par la loi dans les douze mois de sa date d'entrée en vigueur. "
Afdeling 2. - De invoering van een toeslag op de verbruikte elektriciteit ter financiering van openbare dienstverplichtingen.
CHAPITRE 4. - Création d'un fonds budgétaire pour le financement de la politique fédérale de réduction des émissions de gaz à effet de serre.
Art. 432. Artikel 12 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, gewijzigd bij de wet van 30 december 2001, wordt aangevuld met een § 5, luidende :
  " § 5. Op de tarieven bedoeld in § 1 wordt lastens de netgebruikers door de netbeheerder een toeslag geheven, genaamd " federale bijdrage ", die mag worden doorgerekend aan de eindafnemers, tot financiering van sommige openbare dienstverplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering van en controle op de elektriciteitsmarkt. De opbrengst van deze toeslag is bestemd voor :
  1° de financiering van de verplichtingen die voortvloeien uit de denuclearisatie van de nucleaire sites BP1 en BP2 te Mol-Dessel, alsook uit de behandeling, de conditionering, de opslag en de berging van het geaccumuleerd radioactief afval, met inbegrip van het radioactief afval afkomstig van de gedenucleariseerde installaties, ten gevolge van de nucleaire activiteiten op genoemde sites;
  2° de gedeeltelijke financiering van de werkingskosten van de commissie zoals bedoeld in artikel 25, § 3, en dit onverminderd de overige bepalingen van artikel 25, § 3;
  3° de gedeeltelijke financiering van de uitvoering van de maatregelen van begeleiding en maatschappelijke steunverlening inzake energie voorzien door de wet van 4 september 2002 houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financiële maatschappelijke steunverlening aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering;
  4° de financiering van het federale beleid ter reductie van de emissies van broeikasgassen met het oog op de naleving van de internationale verbintenissen van België inzake bescherming van het leefmilieu en duurzame ontwikkeling.
  Het gedeelte van de elektriciteit geleverd aan eindafnemers en geproduceerd met aanwending van hernieuwbare energiebronnen of door eenheden van kwalitatieve warmtekrachtkoppeling, wordt vrijgesteld van het deel van deze toeslag bedoeld in 1° en 4°. De Koning bepaalt de nadere regels voor de toepassing van de vrijstelling. "
Art. 432. L'article 12 de la loi du 29 avril 1999 relative à l'organisation du marché de l'électricité, modifié par la loi du 30 décembre 2001, est complété par un § 5, rédigé comme suit :
  " § 5. Une surcharge, dénommée " cotisation fédérale " et destinée au financement de certaines obligations de service public et des coûts liés à la régulation et au contrôle du marché de l'électricité, est prélevée sur les tarifs visés au § 1er par le gestionnaire du réseau à charge des utilisateurs du réseau, qui peuvent la répercuter sur les clients finals. Le produit de cette surcharge est affecté :
  1° au financement des obligations résultant de la dénucléarisation des sites nucléaires BP1 et BP2 à Mol-Dessel, ainsi que du traitement, du conditionnement, de l'entreposage et de l'évacuation des déchets radioactifs accumulés, y compris les déchets radioactifs résultant de la dénucléarisation des installations, afférent aux activités nucléaires sur ces sites;
  2° au financement partiel des frais de fonctionnement de la commission visés à l'article 25, § 3, et ceci nonobstant les autres dispositions de l'article 25, § 3;
  3° au financement partiel de la mise en oeuvre des mesures de guidance et d'aide sociale en matière d'énergie prévues dans la loi du 4 septembre 2002 visant à confier aux centres publics d'aide sociale la mission de guidance et d'aide sociale financière dans le cadre de la fourniture d'énergie aux personnes les plus démunies;
  4° au financement de la politique fédérale de réduction des émissions de gaz à effet de serre en vue du respect des engagements internationaux de la Belgique en matière de protection de l'environnement et de développement durable.
  La part d'électricité fournie à des clients finals et produite à partir de sources d'énergie renouvelables ou d'unités de cogénération de qualité est exonérée de la partie de la surcharge visée au 1° et 4°. Le Roi arrête les modalités d'application de l'exonération. "
Art. 433. Artikel 21 van dezelfde wet wordt aangevuld met de volgende leden :
  " De federale bijdrage bedoeld in artikel 12, § 5, wordt geïnd door de netbeheerder onder de vorm van een toeslag op de tarieven bedoeld in artikel 12, § 1. De netbeheerder stort de ontvangen sommen, overeenkomstig een verdeelsleutel, bepaald bij een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, respectievelijk :
  1° in een fonds dat beheerd wordt door de commissie voor de financiering van haar werkingskosten overeenkomstig artikel 25, § 3;
  2° in het fonds bedoeld in het eerste lid, 3°, met het oog op de gedeeltelijke financiering van de uitvoering van de maatregelen bedoeld in artikel 12, § 5, 3°, en waarvan de middelen te dien einde ter beschikking gesteld worden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 4 september 2002 houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financiële maatschappelijke steunverlening aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering;
  3° aan de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen, die belast is met het beheer van de sanering van de nucleaire passiva, met het oog op de financiering van de uitvoering van de maatregelen bedoeld in artikel 12, § 5, 1°;
  4° in een fonds voor de financiering van het federale beleid ter reductie van de emissies van broeikasgassen, dat beheerd wordt door de commissie.
  Bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalt de Koning :
  1° het bedrag en de berekeningswijze van de federale bijdrage bedoeld in artikel 12, § 5;
  2° de verdeelsleutel voor de verdeling van de opbrengst van de federale bijdrage over de fondsen bedoeld in het vorige lid en de modaliteiten van storting in deze fondsen;
  3° de nadere regels voor het beheer van deze fondsen door de commissie.
  Elk besluit tot vaststelling van het bedrag en de berekeningswijze van de bijdrage bedoeld in artikel 12, § 5, wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet bij wet is bekrachtigd binnen de twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding. "
Art.436. <L 2004-12-27/30, art. 238, 011; En vigueur : 10-01-2005> Au tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires est insérée une rubrique 25, rédigée comme suit :
  " 25. Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement
  Dénomination du Fonds budgétaire organique
  25-1 Fonds destiné au financement de la politique fédérale de réduction des émissions de gaz à effet de serre.
  Nature des recettes affectées
  Une part déterminée par le Roi du produit de la cotisation fédérale visée à l'article 12, § 5, 4°, de la loi du 29 avril 1999, relative à l'organisation du marché de l'électricité, modifié par la loi du 24 décembre 2002, fixée annuellement par le Roi en application de l'article 21 de la même loi, avec un maximum de 2,3 millions d'euros.
  Le produit des redevances à charge des titulaires d'un compte sur le registre national des émissions de gaz à effet de serre, en vertu de l'article 6 de la décision n° 280/2004/CE du Parlement européen et du Conseil du 11 février 2004 relative à un mécanisme pour surveiller les émissions de gaz à effet de serre dans la Communauté et mettre en oeuvre le Protocole de Kyoto.
  Nature des dépenses autorisées
  Financement des frais de personnel, de formation, d'administration et de fonctionnement, les frais d'études, de recherches scientifiques, d'investissements, des participations découlant de la préparation et de l'exécution par l'autorité fédérale de mesures visant à remplir les obligations à charge de l'Etat fédéral qui découlent :
  1° de la Convention-cadre des Nations Unies sur les Changements climatiques, et ses Annexes I et II, faites à New York le 9 mai 1992 et approuvées par la loi du 11 mai 1995;
  2° du Protocole de Kyoto à la Convention-cadre des Nations Unies sur les Changements climatiques, et ses Annexes A et B, faits à Kyoto le 11 décembre 1997 et approuvés par la loi du 12 juillet 2001;
  2bis° de la directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 octobre 2003 établissant un système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre dans la Communauté et modifiant la directive 96/61/CE du Conseil;
  3° de la décision 280/2004/CE du Parlement européen et du Conseil du 11 février 2004 relative à un mécanisme pour surveiller les émissions de gaz à effet de serre dans la Communauté et mettre en oeuvre le Protocole de Kyoto;
  4° de la décision 2002/358/CE du Conseil de l'Union européenne du 15 mai 2002 relative à l'approbation, au nom de la Communauté européenne, du protocole de Kyoto à la Convention-cadre des Nations Unies sur les Changements climatiques et l'exécution conjointe des engagements qui en découlent;
  5° de l'accord de coopération entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relatif à l'établissement, l'exécution et le suivi d'un Plan national Climat, ainsi que l'établissement de rapports, dans le cadre de la Convention-cadre des Nations Unies sur les Changements climatiques et du Protocole de Kyoto et de l'éventuel futur accord de coopération particulier sur les mécanismes de flexibilité visé à l'article 6, § 2, 6°, de cet accord de coopération.
  Les redevances à charge des titulaires d'un compte sur le registre national des émissions de gaz à effet de serre sont exclusivement affectées aux frais de fonctionnement du registre national des émissions de gaz à effet de serre.
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige en andere producten door middel van leidingen.
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations.
Art. 434. Artikel 15/11 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige en andere producten door middel van leidingen, ingevoegd bij de wet van 29 april 1999, wordt aangevuld met de volgende leden :
  " De houders van een leveringsvergunning heffen een toeslag, genaamd " federale bijdrage ", die mag worden doorgerekend aan de eindafnemers, tot financiering van sommige openbare dienstverplichtingen en van de kosten verbonden aan de regulering van en de controle op de gasmarkt.
  De opbrengst van deze toeslag is bestemd voor :
  1° de gedeeltelijke financiering van de werkingskosten van de commissie zoals bedoeld in artikel 15/15, § 4, en dit onverminderd de overige bepalingen van artikel 15/15, § 4;
  2° de gedeeltelijke financiering van de uitvoering van de maatregelen van begeleiding en maatschappelijke steunverlening inzake energie voorzien door de wet van 4 september 2002 houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financiële maatschappelijke steunverlening aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering.
  De federale bijdrage bedoeld in het vorige lid wordt geïnd door de houders van een leveringsvergunning onder de vorm van een toeslag op hun tarieven. De houders van een leveringsvergunning storten de ontvangen sommen, overeenkomstig een verdeelsleutel, bepaald bij een koninklijk besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, respectievelijk :
  1° in een fonds voor de financiering van haar werkingskosten overeenkomstig artikel 15/15, § 4, dat beheerd wordt door de commissie;
  2° in het fonds bedoeld in het eerste lid, 3°, met het oog op de gedeeltelijke financiering van de uitvoering van de maatregelen bedoeld in het tweede lid, 2°, waarvan de middelen te dien einde ter beschikking gesteld worden van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 4 september 2002 houdende toewijzing van een opdracht aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake de begeleiding en de financiële maatschappelijke steunverlening aan de meest hulpbehoevenden inzake energielevering.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad :
  1° het bedrag en de berekeningswijze van de federale bijdrage bedoeld in het tweede lid;
  2° de verdeelsleutel voor de verdeling van de opbrengst van de federale bijdrage over de fondsen bedoeld in het vorige lid en de modaliteiten van storting in deze fondsen;
  3° de nadere regels voor het beheer van deze fondsen door de commissie.
  Elk besluit tot vaststelling van het bedrag en de berekeningswijze van de bijdrage bedoeld in dit artikel, wordt geacht nooit uitwerking te hebben gehad indien het niet bij wet is bekrachtigd binnen de twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding. "
Art. 434. L'article 15/11 de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations, inséré par la loi du 29 avril 1999, est complété par les alinéas suivants :
  " Une surcharge, dénommée " cotisation fédérale " et destinée au financement de certaines obligations de service public et des coûts liés à la régulation et au contrôle du marché du gaz, est prélevée par les titulaires d'une autorisation de fourniture, qui peuvent la répercuter sur les clients finals.
  Le produit de cette surcharge est affecté :
  1° Au financement partiel des frais de fonctionnement de la commission visés à l'article 15/15, § 4, et ceci nonobstant les autres dispositions de l'article 15/15, § 4;
  2° Au financement partiel de la mise en oeuvre des mesures de guidance et d'aide sociale en matière d'énergie prévues dans la loi du 4 septembre 2002 visant à confier aux centres publics d'aide sociale la mission de guidance et d'aide sociale financière dans le cadre de la fourniture d'énergie aux personnes les plus démunies.
  La cotisation fédérale visée à l'alinéa précédent est perçue par les titulaires d'une autorisation de fourniture sous la forme d'une surcharge sur leurs tarifs. Les titulaires d'une autorisation de fourniture versent les sommes perçues, selon une clé de répartition fixée par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, respectivement :
  1° dans un fonds pour le financement de ses frais de fonctionnement conformément à l'article 15/15, § 4, qui est gère par la commission
  2° dans le fonds visé au premier alinéa, 3°, en vue du financement partiel des mesures visées au deuxième alinéa, 2°, dont les moyens sont, à cette fin, mis à la disposition, des centres publics d'aide sociale, conformément aux dispositions de la loi du 4 septembre 2002 visant à confier aux centres publics d'aide sociale la mission de guidance et d'aide sociale financière dans le cadre de la fourniture d'énergie aux personnes les plus démunies.
  Par arrête délibéré en Conseil des Ministres, le Roi fixe :
  1° le montant et le mode de calcul de la cotisation fédérale visée au deuxième alinéa;
  2° la clé de répartition du produit de la cotisation fédérale entre les fonds visés à l'alinéa précédent et les modalités de versement à ces fonds;
  3° les modalités de gestion de ces fonds par la commission.
  Tout arrêté fixant le montant et le mode de calcul de la cotisation visée au présent article, est censé ne jamais avoir produit d'effets s'il n'a pas été confirmé par la loi dans les douze mois de sa date d'entrée en vigueur. "
HOOFDSTUK 4. - Oprichting van een begrotingsfonds voor de financiering van het federale beleid ter reductie van de emissies van broeikasgassen.
Art.437. A partir de 2002, une retenue de 13,07 % est effectuée sur le montant de la prime Copernic accordée à certains agents des services publics selon les modalités fixées par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
Art. 435. Er wordt bij de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu een fonds opgericht bestemd voor de financiering van het federale beleid ter reductie van de emissies van broeikasgassen, dat een begrotingsfonds vormt in de zin van artikel 45 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991.
Art. 435. Il est créé auprès du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement un fonds destiné au financement de la politique fédérale de réduction des émissions de gaz à effet de serre, qui constitue un fonds budgétaire au sens de l'article 45 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991.
Art. 436. <W 2004-12-27/30, art. 238, 011; Inwerkingtreding : 10-01-2005> In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, wordt een rubriek 25 ingevoegd, luidende als volgt :
  " 25. Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu
  Benaming van het organiek begrotingsfonds
  25-1 Fonds bestemd voor de financiering van het federale beleid ter reductie van de emissies van broeikasgassen.
  Aard van de toegewezen ontvangsten
  Een door de Koning bepaald deel van de opbrengst van de federale bijdrage bedoeld in artikel 12, § 5, 4°, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, gewijzigd bij de wet van 24 december 2002, zoals jaarlijks vastgesteld door de Koning in uitvoering van artikel 21 van dezelfde wet, met een maximum van 2,3 miljoen euro.
  De opbrengst van de retributies ten laste van de rekeninghouders in het nationaal register voor handel in broeikasgasemissierechten krachtens artikel 6 van de beschikking nr. 280/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 betreffende een bewakingssysteem voor de uitstoot van broeikasgassen in de Gemeenschap en de uitvoering van het Protocol van Kyoto.
  Aard van de toegestane uitgaven
  Financiering van personeels-, vormings-, administratie- en werkingskosten, kosten voor studies, wetenschappelijk onderzoek en investeringen, deelnemingen voortvloeiend uit de voorbereiding en uitvoering door de federale overheid van maatregelen gericht op het nakomen van de verplichtingen van de federale Staat die voortvloeien uit :
  1° het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering, en zijn Bijlagen I en II, gedaan te New York op 9 mei 1992 en goedgekeurd door de wet van 11 mei 1995;
  2° het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering, en zijn Bijlagen A en B, gedaan te Kyoto op 11 december 1997 en goedgekeurd door de wet van 12 juli 2001;
  2bis° de Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad;
  3° de beschikking 280/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 betreffende een bewakingssysteem voor de uitstoot van broeikasgassen in de Gemeenschap en de uitvoering van het Protocol van Kyoto;
  4° de beschikking 2002/358/EG van de Raad van de Europese Unie van 15 mei 2002 betreffende de goedkeuring, namens de Europese Gemeenschap, van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen;
  5° het samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende het opstellen, het uitvoeren en het opvolgen van een Nationaal Klimaatplan, alsook het rapporteren, in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering en het Protocol van Kyoto, en het eventueel toekomstig afzonderlijk samenwerkingsakkoord over de flexibiliteitsmechanismen bedoeld in artikel 6, § 2, 6°, van dit samenwerkingsakkoord.
  De retributies ten laste van de rekeninghouders in het nationaal register voor handel in broeikasgasemissierechten zijn uitsluitend bestemd voor de werkingskosten van het nationaal register voor handel in broeikasgasemissierechten.
Art. 436. <L 2004-12-27/30, art. 238, 011; En vigueur : 10-01-2005> Au tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires est insérée une rubrique 25, rédigée comme suit :
  " 25. Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement
  Dénomination du Fonds budgétaire organique
  25-1 Fonds destiné au financement de la politique fédérale de réduction des émissions de gaz à effet de serre.
  Nature des recettes affectées
  Une part déterminée par le Roi du produit de la cotisation fédérale visée à l'article 12, § 5, 4°, de la loi du 29 avril 1999, relative à l'organisation du marché de l'électricité, modifié par la loi du 24 décembre 2002, fixée annuellement par le Roi en application de l'article 21 de la même loi, avec un maximum de 2,3 millions d'euros.
  Le produit des redevances à charge des titulaires d'un compte sur le registre national des émissions de gaz à effet de serre, en vertu de l'article 6 de la décision n° 280/2004/CE du Parlement européen et du Conseil du 11 février 2004 relative à un mécanisme pour surveiller les émissions de gaz à effet de serre dans la Communauté et mettre en oeuvre le Protocole de Kyoto.
  Nature des dépenses autorisées
  Financement des frais de personnel, de formation, d'administration et de fonctionnement, les frais d'études, de recherches scientifiques, d'investissements, des participations découlant de la préparation et de l'exécution par l'autorité fédérale de mesures visant à remplir les obligations à charge de l'Etat fédéral qui découlent :
  1° de la Convention-cadre des Nations Unies sur les Changements climatiques, et ses Annexes I et II, faites à New York le 9 mai 1992 et approuvées par la loi du 11 mai 1995;
  2° du Protocole de Kyoto à la Convention-cadre des Nations Unies sur les Changements climatiques, et ses Annexes A et B, faits à Kyoto le 11 décembre 1997 et approuvés par la loi du 12 juillet 2001;
  2bis° de la directive 2003/87/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 octobre 2003 établissant un système d'échange de quotas d'émission de gaz à effet de serre dans la Communauté et modifiant la directive 96/61/CE du Conseil;
  3° de la décision 280/2004/CE du Parlement européen et du Conseil du 11 février 2004 relative à un mécanisme pour surveiller les émissions de gaz à effet de serre dans la Communauté et mettre en oeuvre le Protocole de Kyoto;
  4° de la décision 2002/358/CE du Conseil de l'Union européenne du 15 mai 2002 relative à l'approbation, au nom de la Communauté européenne, du protocole de Kyoto à la Convention-cadre des Nations Unies sur les Changements climatiques et l'exécution conjointe des engagements qui en découlent;
  5° de l'accord de coopération entre l'Etat fédéral, la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale relatif à l'établissement, l'exécution et le suivi d'un Plan national Climat, ainsi que l'établissement de rapports, dans le cadre de la Convention-cadre des Nations Unies sur les Changements climatiques et du Protocole de Kyoto et de l'éventuel futur accord de coopération particulier sur les mécanismes de flexibilité visé à l'article 6, § 2, 6°, de cet accord de coopération.
  Les redevances à charge des titulaires d'un compte sur le registre national des émissions de gaz à effet de serre sont exclusivement affectées aux frais de fonctionnement du registre national des émissions de gaz à effet de serre.
TITEL X. - Personeel en Organisatie.
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique.
HOOFDSTUK 1. - Copernicuspremie.
Art.439. L'intitulé du chapitre 1er de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique, est supprimé.
Art. 437. Vanaf 2002 wordt een inhouding van 13,07 % verricht op het bedrag van de Copernicuspremie toegekend aan sommige personeelsleden van de overheidsdiensten, volgens de nadere regels bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  (NOTA : bij arrest nr 99/2004 van 02-06-2004 (B.St. 14-06-2004, p. 44343), heeft het Arbitragehof dit artikel vernietigd)
Art.440. L'article 1er de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 3 avril 1997, par les lois des 22 mars 1999 et 30 décembre 2001 et par l'arrêté royal du 8 avril 2002, est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 1. - La présente loi s'applique à la fonction publique administrative fédérale. Celle-ci comprend :
  1° les services publics fédéraux et les services publics fédéraux de programmation ainsi que les services qui en dépendent;
  2° le personnel civil du Ministère de la Défense ou de toute autre dénomination qui lui succéderait;
  3° les personnes morales de droit public suivantes :
  - la Régie des bâtiments;
  - l'Agence fédérale pour la Sécurité de la chaîne alimentaire;
  - le Bureau d'intervention et de restitution belge;
  - l'Institut belge de normalisation;
  - l'Office central d'Action sociale et culturelle du Ministère de la Défense;
  - l'Institut géographique national;
  - l'Institut national des invalides de guerre, anciens combattants et victimes de la guerre;
  - l'Office de contrôle des mutualités et des unions nationales de mutualités;
  - l'Office de contrôle des assurances;
  - l'Office de sécurité sociale d'Outre-mer;
  - le Fonds des accidents du travail;
  - le Fonds des maladies professionnelles;
  - la Caisse de secours et de prévoyance en faveur des marins;
  - la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité;
  - la Caisse auxiliaire de paiement des allocations de chômage;
  - le Pool des marins de la marine marchande;
  - l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés;
  - l'Office national de sécurité sociale;
  - l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales;
  - l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants;
  - l'Institut national d'assurance maladie-invalidite;
  - l'Office national des vacances annuelles;
  - l'Office national de l'emploi;
  - l'Office national des pensions;
  - la Banque Carrefour de la sécurité sociale;
  - le Centre fédéral d'expertise des soins de santé. "
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector.
CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 3 juillet 1967 sur la prévention ou la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public.
Art. 438. Artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt aangevuld als volgt :
  " Het bedrag van dit plafond is dit dat van kracht is op de datum van consolidatie van de arbeidsongeschiktheid of op de datum waarop de arbeidsongeschiktheid een karakter van bestendigheid vertoont. "
Art. 438. L'article 4, § 1er, alinéa 2, de la loi du 3 juillet 1967 sur la prévention ou la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public, modifié par l'arrêté royal du 20 juillet 2000, est complété comme suit :
  " Le montant de ce plafond est celui en vigueur à la date de consolidation de l'incapacité de travail ou à la date à laquelle l'incapacité de travail présente un caractère de permanence. "
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken.
Art.443. L'article 4 de la même loi, modifié par la loi du 30 mars 1994, par l'arrêté royal du 3 avril 1997 et par les lois des 20 mai 1997, 22 mars 1999 et 26 mars 2001, est remplacé par la disposition suivante :
Art. 439. Het opschrift van hoofdstuk 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, vervalt.
Art.444. Sont abrogés dans la même loi :
  1° l'article 4, § 4, modifié par la loi du 30 mars 1994, et § 5;
  2° l'article 5;
  3° l'article 6, modifié par la loi du 22 mars 1999;
  4° l'article 7, modifié par les lois des 20 mai 1997 et 22 mars 1999;
  5° l'article 8, modifié par l'arrêté royal du 3 avril 1997;
  6° l'article 9, remplacé par la loi du 22 mars 1999;
  7° l'article 10;
  8° l'article 11;
  9° l'article 11bis , inséré par la loi du 3 avril 1997 et remplacé par la loi du 22 mars 1999;
  10° le chapitre II, contenant les articles 12 à 16;
  11° le chapitre III, contenant les articles 17 à 21 et 23 à 35;
  12° le chapitre IV, contenant les articles 36 à 38.
Art. 440. Artikel 1 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 april 1997, bij de wetten van 22 maart 1999 en 30 december 2001 en bij koninklijk besluit van 8 april 2002, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Artikel 1. Deze wet is van toepassing op het federaal administratief openbaar ambt. Dit omvat :
  1° de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten en de diensten die ervan afhangen;
  2° het burgerpersoneel van het Ministerie van Landsverdediging of van elke andere benaming die het zou opvolgen;
  3° de volgende rechtspersonen van publiek recht :
  - de Regie der gebouwen;
  - het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen;
  - het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau;
  - het Belgisch Instituut voor normalisatie;
  - de Centrale Dienst voor sociale en culturele actie van het Ministerie van Landsverdediging;
  - het Nationaal Geografisch Instituut;
  - het Nationaal Instituut voor oorlogsinvaliden, oud-strijders en oorlogsslachtoffers;
  - de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;
  - de CONTROLEDIENST VOOR DE VERZEKERINGEN;
  - de Dienst voor de overzeese sociale zekerheid;
  - het Fonds voor arbeidsongevallen;
  - het Fonds voor beroepsziekten;
  - de Hulp- en voorzorgskas voor zeevarenden;
  - de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
  - de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen;
  - de Pool van zeelieden ter koopvaardij;
  - de Rijksdienst voor de kinderbijslag voor werknemers;
  - de Rijksdienst voor sociale zekerheid;
  - de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;
  - het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen;
  - het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
  - de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie;
  - de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening;
  - de Rijksdienst voor pensioenen;
  - de Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
  - het Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg. "
Art. 440. L'article 1er de la même loi, modifié par l'arrêté royal du 3 avril 1997, par les lois des 22 mars 1999 et 30 décembre 2001 et par l'arrêté royal du 8 avril 2002, est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 1. - La présente loi s'applique à la fonction publique administrative fédérale. Celle-ci comprend :
  1° les services publics fédéraux et les services publics fédéraux de programmation ainsi que les services qui en dépendent;
  2° le personnel civil du Ministère de la Défense ou de toute autre dénomination qui lui succéderait;
  3° les personnes morales de droit public suivantes :
  - la Régie des bâtiments;
  - l'Agence fédérale pour la Sécurité de la chaîne alimentaire;
  - le Bureau d'intervention et de restitution belge;
  - l'Institut belge de normalisation;
  - l'Office central d'Action sociale et culturelle du Ministère de la Défense;
  - l'Institut géographique national;
  - l'Institut national des invalides de guerre, anciens combattants et victimes de la guerre;
  - l'Office de contrôle des mutualités et des unions nationales de mutualités;
  - l'Office de contrôle des assurances;
  - l'Office de sécurité sociale d'Outre-mer;
  - le Fonds des accidents du travail;
  - le Fonds des maladies professionnelles;
  - la Caisse de secours et de prévoyance en faveur des marins;
  - la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité;
  - la Caisse auxiliaire de paiement des allocations de chômage;
  - le Pool des marins de la marine marchande;
  - l'Office national d'allocations familiales pour travailleurs salariés;
  - l'Office national de sécurité sociale;
  - l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales;
  - l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants;
  - l'Institut national d'assurance maladie-invalidite;
  - l'Office national des vacances annuelles;
  - l'Office national de l'emploi;
  - l'Office national des pensions;
  - la Banque Carrefour de la sécurité sociale;
  - le Centre fédéral d'expertise des soins de santé. "
Art. 441. Artikel 2 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art.445. A l'article 11 de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 1er, alinéa 1er, remplacé par la loi du 22 juillet 1993, est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Le Roi fixe le statut du personnel des organismes énumérés à l'article 1er, sur proposition du ou des ministres dont ils relèvent. L'accord du ministre qui a le Budget dans ses attributions est requis pour la fixation du statut pécuniaire. ";
   2° le § 2 est remplacé par les dispositions suivantes :
  " § 2. Chaque organisme énuméré à l'article 1er, est doté, selon le cas, d'un cadre organique, d'un plan du personnel ou de toute autre mesure équivalente ayant pour but de définir les besoins en personnel de l'organisme.
  Pour les organismes vises au § 1er, alinéa 2, il est établi un plan du personnel, fixé :
  1° par le ou les ministres dont l'organisme relève, moyennant l'avis favorable de l'inspecteur des Finances, si l'organisme appartient à la catégorie A;
  2° par l'organe de gestion de l'organisme, moyennant l'avis favorable du commissaire du gouvernement ou du délégué du ministre des Finances, selon le cas, si l'organisme appartient aux catégories B, C ou D.
  A défaut d'un avis favorable de l'inspecteur des Finances, du commissaire du gouvernement ou du délégué du ministre des Finances, le ou les ministres dont l'organisme relève sollicitent l'accord des ministres ayant le Budget et la Fonction publique dans leurs attributions. A défaut d'accord d'un de ces derniers, ils peuvent soumettre le plan du personnel au Conseil des Ministres.
  Pour les organismes qui ne sont pas visés au § 1er, alinéa 2, il est établi un cadre organique, un plan du personnel ou toute mesure équivalente, fixé :
  1° par le ou les ministres dont l'organisme relève, s'il s'agit d'un organisme de la catégorie A, moyennant l'avis favorable de l'inspecteur des Finances;
  2° par l'organe de gestion de l'organisme relevant des catégories B, C ou D, moyennant l'avis favorable du commissaire du gouvernement ou du délégué du ministre des Finances, selon le cas.
  A défaut d'avis favorable de l'inspecteur des Finances, du commissaire du gouvernement ou du délégué du ministre des Finances, un recours est ouvert auprès du ministre qui a le Budget dans ses attributions. A défaut d'accord de ce dernier, le ou les ministres dont relève l'organisme peuvent soumettre le cadre organique, le plan de personnel ou toute mesure équivalente au Conseil des Ministres. "
Art. 442. Artikel 3 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 20 mei 1997, 7 december 1998 en 22 maart 1999, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 3. De personeelsleden worden aangeworven in de hoedanigheid van statutair ambtenaar. "
CHAPITRE 5. - Modification de l'arrêté royal du 3 avril 1997 portant des mesures en vue de la responsabilisation des institutions publiques de sécurité sociale, en application de l'article 47 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions.
Art. 443. Artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 maart 1994, bij het koninklijk besluit van 3 april 1997 en bij de wetten van 20 mei 1997, 22 maart 1999 en 26 maart 2001, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 4. In afwijking van artikel 3 en onverminderd de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, bepaalt de Koning, op voorstel van de minister bevoegd voor de Ambtenarenzaken, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, de omstandigheden waarin er kan worden overgegaan tot de indienstneming van personen via arbeidsovereenkomst, de voorwaarden en de modaliteiten van hun indienstneming en hun arbeidsvoorwaarden.
  Voor de rechtspersonen van publiek recht bedoeld in artikel 1, 3°, die gerangschikt zijn bij de openbare instellingen van sociale zekerheid, wordt het voorstel samen opgesteld door de ministers waaronder ze ressorteren met het akkoord van de minister tot wiens bevoegdheid de Ambtenarenzaken behoren.
  Bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, genomen op voorstel van de minister tot wiens bevoegdheid de Buitenlandse Zaken behoren, kan de Koning afwijken van de bepalingen die uitgevaardigd zijn in uitvoering van het eerste lid, voor de arbeidsovereenkomsten die afgesloten worden met het oog op het uitoefenen van functies in de diplomatieke en consulaire posten in het buitenland. "
Art. 443. L'article 4 de la même loi, modifié par la loi du 30 mars 1994, par l'arrêté royal du 3 avril 1997 et par les lois des 20 mai 1997, 22 mars 1999 et 26 mars 2001, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 4. Par dérogation à l'article 3 et sans préjudice des dispositions de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, sur proposition du ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions, le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les circonstances dans lesquelles il peut être procédé à l'engagement de personnes sous contrat de travail, les conditions et les modalités de leur engagement et leurs conditions de travail.
  Pour les personnes morales de droit public visées à l'article 1er, 3°, classées institutions publiques de sécurité sociale, la proposition est faite conjointement par les ministres dont elles relèvent avec l'accord du ministre qui a la Fonction publique dans ses attributions.
  Par arrêté délibéré en Conseil des Ministres pris sur proposition du ministre qui a les Affaires étrangères dans ses attributions, le Roi peut déroger aux dispositions prises en exécution de l'alinéa 1er pour les contrats de travail conclus en vue d'exercer des fonctions dans les postes diplomatiques et consulaires établis à l'étranger. "
Art. 444. In dezelfde wet worden opgeheven :
  1° artikel 4, § 4, gewijzigd bij de wet van 30 maart 1994, en § 5;
  2° artikel 5;
  3° artikel 6, gewijzigd bij de wet van 22 maart 1999;
  4° artikel 7, gewijzigd bij de wetten van 20 mei 1997 en 22 maart 1999;
  5° artikel 8, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 april 1997;
  6° artikel 9, vervangen bij de wet van 22 maart 1999;
  7° artikel 10;
  8° artikel 11;
  9° artikel 11bis , ingevoegd bij de wet van 3 april 1997 en vervangen bij de wet van 22 maart 1999;
  10° het hoofdstuk II, dat de artikelen 12 tot 16 omvat;
  11° het hoofdstuk III, dat de artikelen 17 tot 21 en 23 tot 35 omvat;
  12° het hoofdstuk IV, dat de artikelen 36 tot 38 omvat.
Art. 444. Sont abrogés dans la même loi :
  1° l'article 4, § 4, modifié par la loi du 30 mars 1994, et § 5;
  2° l'article 5;
  3° l'article 6, modifié par la loi du 22 mars 1999;
  4° l'article 7, modifié par les lois des 20 mai 1997 et 22 mars 1999;
  5° l'article 8, modifié par l'arrêté royal du 3 avril 1997;
  6° l'article 9, remplacé par la loi du 22 mars 1999;
  7° l'article 10;
  8° l'article 11;
  9° l'article 11bis , inséré par la loi du 3 avril 1997 et remplacé par la loi du 22 mars 1999;
  10° le chapitre II, contenant les articles 12 à 16;
  11° le chapitre III, contenant les articles 17 à 21 et 23 à 35;
  12° le chapitre IV, contenant les articles 36 à 38.
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle van sommige instellingen van openbaar nut.
Art.447. L'arrêté royal n° 46 du 10 juin 1982 relatif aux cumuls d'activités professionnelles dans certains services publics, modifié par l'arrêté royal n° 142 du 30 décembre 1982, la loi du 28 décembre 1983, les arrêtés royaux n° 424 du 1er août 1986 et n° 445 du 20 août 1986, la loi du 22 juillet 1993, l'arrêté royal du 3 avril 1997 et la loi du 22 mars 1999, est abroge.
Art. 445. Aan artikel 11 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle van sommige instellingen van openbaar nut worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 1, eerste lid, vervangen bij de wet van 22 juli 1993, wordt vervangen als volgt :
  " § 1. De Koning bepaalt het statuut van het personeel van de instellingen opgesomd in artikel 1, op voorstel van de minister of de ministers onder wie zij ressorteren. Het akkoord van de minister tot wiens bevoegdheid de Begroting behoort is vereist voor de vaststelling van het geldelijk statuut. ";
  2° § 2 wordt vervangen als volgt :
  " § 2. Elke instelling opgesomd in artikel 1, krijgt, naargelang het geval, een personeelsformatie, een personeelsplan of eender welke gelijkwaardige maatregel die als doel heeft de behoeften inzake personeel van de instelling te bepalen.
  Voor de instellingen bedoeld in § 1, tweede lid, wordt een personeelsplan opgesteld, dat bepaald wordt :
  1° door de minister of de ministers waaronder de instelling ressorteert, mits de inspecteur van Financiën een gunstig advies heeft gegeven, indien de instelling behoort tot categorie A;
  2° door het beheersorgaan van de instelling, mits de regeringscommissaris of de afgevaardigde van de minister van Financiën, naargelang het geval, een gunstig advies heeft gegeven indien de instelling behoort tot de categorieën B, C of D.
  Bij gebrek aan een gunstig advies van de inspecteur van Financiën, van de regeringscommissaris of van de afgevaardigde van de minister van Financiën, verzoeken de minister of de ministers waaronder de instelling ressorteert het akkoord van de ministers tot wiens bevoegdheid de Begroting en Ambtenarenzaken behoren. Bij gebrek aan instemming van één van deze laatsten, kunnen zij het personeelsplan aan de Ministerraad voorleggen.
  Voor de instellingen die niet bedoeld zijn in § 1, tweede lid, wordt een personeelsformatie, een personeelsplan of elke gelijkwaardige maatregel opgesteld, dat bepaald wordt :
  1° door de minister of de ministers waaronder de instelling ressorteert, indien het gaat om een instelling van categorie A, mits de inspecteur van Financiën een gunstig advies heeft gegeven;
  2° door het beheersorgaan van de instelling die ressorteert onder de categorieën B, C of D, mits de regeringscommissaris of de afgevaardigde van de minister van Financiën, naargelang het geval, een gunstig advies heeft gegeven.
  Bij gebrek aan een gunstig advies van de inspecteur van Financiën, de regeringscommissaris of de afgevaardigde van de minister van Financiën, wordt een beroep ingesteld bij de minister tot wiens bevoegdheid de Begroting behoort. Indien er geen akkoord is van deze laatste kunnen de minister of de ministers waaronder de instelling ressorteert de personeelsformatie, het personeelsplan of elke gelijkwaardige maatregel aan de Ministerraad voorleggen. "
Art. 445. A l'article 11 de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 1er, alinéa 1er, remplacé par la loi du 22 juillet 1993, est remplacé par la disposition suivante :
  " § 1er. Le Roi fixe le statut du personnel des organismes énumérés à l'article 1er, sur proposition du ou des ministres dont ils relèvent. L'accord du ministre qui a le Budget dans ses attributions est requis pour la fixation du statut pécuniaire. ";
   2° le § 2 est remplacé par les dispositions suivantes :
  " § 2. Chaque organisme énuméré à l'article 1er, est doté, selon le cas, d'un cadre organique, d'un plan du personnel ou de toute autre mesure équivalente ayant pour but de définir les besoins en personnel de l'organisme.
  Pour les organismes vises au § 1er, alinéa 2, il est établi un plan du personnel, fixé :
  1° par le ou les ministres dont l'organisme relève, moyennant l'avis favorable de l'inspecteur des Finances, si l'organisme appartient à la catégorie A;
  2° par l'organe de gestion de l'organisme, moyennant l'avis favorable du commissaire du gouvernement ou du délégué du ministre des Finances, selon le cas, si l'organisme appartient aux catégories B, C ou D.
  A défaut d'un avis favorable de l'inspecteur des Finances, du commissaire du gouvernement ou du délégué du ministre des Finances, le ou les ministres dont l'organisme relève sollicitent l'accord des ministres ayant le Budget et la Fonction publique dans leurs attributions. A défaut d'accord d'un de ces derniers, ils peuvent soumettre le plan du personnel au Conseil des Ministres.
  Pour les organismes qui ne sont pas visés au § 1er, alinéa 2, il est établi un cadre organique, un plan du personnel ou toute mesure équivalente, fixé :
  1° par le ou les ministres dont l'organisme relève, s'il s'agit d'un organisme de la catégorie A, moyennant l'avis favorable de l'inspecteur des Finances;
  2° par l'organe de gestion de l'organisme relevant des catégories B, C ou D, moyennant l'avis favorable du commissaire du gouvernement ou du délégué du ministre des Finances, selon le cas.
  A défaut d'avis favorable de l'inspecteur des Finances, du commissaire du gouvernement ou du délégué du ministre des Finances, un recours est ouvert auprès du ministre qui a le Budget dans ses attributions. A défaut d'accord de ce dernier, le ou les ministres dont relève l'organisme peuvent soumettre le cadre organique, le plan de personnel ou toute mesure équivalente au Conseil des Ministres. "
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, in toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
Art.448. L'article 2, alinéa 1er, 1°, de la loi du 10 avril 1995 relative à la redistribution du travail dans le secteur public, est remplacé par le texte suivant :
Art. 446. In artikel 19 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, in toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, gewijzigd door de wet van 12 augustus 2000, worden de woorden " de personeelsformatie " en " personeelsformaties " respectievelijk vervangen door de woorden " het personeelsplan " en " personeelsplannen " en de woorden " ontwerp van personeelsformatie " door de woorden " ontwerp van personeelsplan ".
Art. 446. A l'article 19 de l'arrêté royal du 3 avril 1997 portant des mesures en vue de la responsabilisation des institutions publiques de sécurité sociale, en application de l'article 47 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, modifié par la loi du 12 août 2000, les mots " cadre organique " et " cadres organiques " sont respectivement remplacés par les mots " plan du personnel " et " plans du personnel ".
HOOFDSTUK 6. - Opheffing van het koninklijk besluit nr. 46 van 10 juni 1982 betreffende de cumulatie van beroepsactiviteiten in sommige openbare diensten.
Art.449. L'article 52, alinéa 2, de la loi-programme du 19 juillet 2001, est remplacé par la disposition suivante :
Art. 447. Het koninklijk besluit nr. 46 van 10 juni 1982 betreffende de cumulatie van beroepsactiviteiten in sommige openbare diensten, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 142 van 30 december 1982, de wet van 28 december 1983, de koninklijke besluiten nr. 424 van 1 augustus 1986 en nr. 445 van 20 augustus 1986, de wet van 22 juli 1993, het koninklijk besluit van 3 april 1997 en de wet van 22 maart 1999, wordt opgeheven.
Art. 447. L'arrêté royal n° 46 du 10 juin 1982 relatif aux cumuls d'activités professionnelles dans certains services publics, modifié par l'arrêté royal n° 142 du 30 décembre 1982, la loi du 28 décembre 1983, les arrêtés royaux n° 424 du 1er août 1986 et n° 445 du 20 août 1986, la loi du 22 juillet 1993, l'arrêté royal du 3 avril 1997 et la loi du 22 mars 1999, est abroge.
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector.
Art.450. § 1er. L'article 438 produit ses effets le 25 novembre 1998.
Art. 448. Artikel 2, eerste lid, 1°, van de wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector, wordt vervangen als volgt :
  " 1° het federaal administratief openbaar ambt, zoals gedefinieerd in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken; ".
Art.451. Tout membre du personnel qui, au 1er janvier 2003, est engagé depuis deux ans au moins dans les liens d'un contrat " besoins exceptionnels et temporaires " auprès d'un service public, visé à l'article 1er de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique, est considéré être engagé dans les liens d'un contrat de travail à durée indéterminée.
  Tout membre du personnel qui, au 1er janvier 2003, est engagé depuis moins de deux ans dans les liens d'un contrat " besoins exceptionnels et temporaires " auprès d'un service public, prévu à l'article 1er de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique, est censé remplir les conditions d'engagement pour un contrat de travail " besoins exceptionnels et temporaires ".
HOOFDSTUK 8. - Copernicushervorming. - Machtiging aan de Koning.
Art.452. Les agents du Service public fédéral Personnel et Organisation qui sont conjointement désignés par le ministre de la Fonction publique et le ministre de l'Intérieur, passent au cadre administratif et logistique de la police fédérale.
Art. 449. Artikel 52, tweede lid, van de programmawet van 19 juli 2001, wordt vervangen als volgt :
  " Deze delegatie geldt tot en met 31 december 2002 en, voor wat uitsluitend het Belgisch Instituut voor Post- en Telecommunicatie betreft, tot en met 30 juni 2003. "
Art. 449. L'article 52, alinéa 2, de la loi-programme du 19 juillet 2001, est remplacé par la disposition suivante :
  " Cette délégation sera valable jusqu'au 31 décembre 2002 inclus et, pour ce qui concerne exclusivement l'Institut belge des Postes et Télécommunications, jusqu'au 30 juin 2003 inclus. "
HOOFDSTUK 9. - Overgangs- en slotbepalingen.
CHAPITRE 9. - Dispositions transitoires et finales.
Art. 450. § 1. Artikel 438 heeft uitwerking met ingang van 25 november 1998.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de datum van inwerkingtreding van de artikelen 443, 444, 4°, en 447.
  Artikel 449 treedt in werking op 1 januari 2003.
  § 2. Tot op de datum van inwerkingtreding van artikel 444, 4°, gaat de inspecteur van Financiën, de afgevaardigde van de minister van Financiën of de op de voordracht van de minister van Financiën aangewezen regeringscommissaris vóór de aanvang van de wervingsprocedure na of de wervingen al dan niet binnen de perken van het bedrag van de personeelsenveloppe vallen en overeenstemmen met de eventuele bijzondere voorwaarden.
  (NOTA : Inwerkingtredingt van art. 447 vastgesteld op 02-07-2007, door KB 2007-06-14/31, art. 11)
  (NOTA : Inwerkingtreding van art. 444, 4° vastgesteld op 23-07-2007, door KB 2007-07-09/31, art. 7, voor de federale overheidsdiensten, de programmatorische federale overheidsdiensten, alsook de diensten die ervan afhangen)
Art. 450. § 1er. L'article 438 produit ses effets le 25 novembre 1998.
  Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, la date d'entrée en vigueur des articles 443, 444, 4°, et 447.
  L'article 449 entre en vigueur le 1er janvier 2003.
  § 2. Jusqu'à la date d'entrée en vigueur de l'article 444, 4°, l'inspecteur des Finances, le délégué du ministre des Finances ou le commissaire du gouvernement désigné sur la proposition du ministre des Finances vérifient, avant que ne soient entamées les procédures de recrutement, la conformité des recrutements avec les limites du montant de l'enveloppe de personnel et les conditions particulières éventuelles.
  (NOTE : Entrée en vigueur de l'art. 447 fixée au 02-07-2007, par AR 2007-06-14/31, art. 11)
  (NOTE : Entrée en vigueur de l'art. 444, 4° fixée au 23-07-2007, par AR 2007-07-09/31, art. 7 pour les services publics fédéraux, les services publics fédéraux de programmation ainsi que les services qui en dépendent)
Art. 451. Elk personeelslid dat op 1 januari 2003 twee jaar tewerkgesteld is in een contract " uitzonderlijke en tijdelijke behoeften " bij een overheidsdienst bedoeld in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, wordt geacht tewerkgesteld te zijn in een contract van onbepaalde duur.
  Elk personeelslid dat op 1 januari 2003 geen twee jaar tewerkgesteld is in een contract " uitzonderlijke en tijdelijke behoeften " bij een overheidsdienst bedoeld in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, wordt geacht te voldoen aan de voorwaarden voor tewerkstelling in een contract " uitzonderlijke en tijdelijke behoeften ".
Art. 451. Tout membre du personnel qui, au 1er janvier 2003, est engagé depuis deux ans au moins dans les liens d'un contrat " besoins exceptionnels et temporaires " auprès d'un service public, visé à l'article 1er de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique, est considéré être engagé dans les liens d'un contrat de travail à durée indéterminée.
  Tout membre du personnel qui, au 1er janvier 2003, est engagé depuis moins de deux ans dans les liens d'un contrat " besoins exceptionnels et temporaires " auprès d'un service public, prévu à l'article 1er de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique, est censé remplir les conditions d'engagement pour un contrat de travail " besoins exceptionnels et temporaires ".
Art. 452. De gezamenlijke door de minister van Ambtenarenzaken en de minister van Binnenlandse Zaken aangewezen ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie, gaan over naar het administratief en logistiek kader van de federale politie.
  De artikelen 242, eerste tot derde lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, en 4, § 1, van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, zijn van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde ambtenaren.
  De Koning bepaalt de datum en de nadere regels van de in het eerste lid bedoelde overgang. Te dien einde, kan Hij afwijken van artikel 242, derde lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus.
Art.455. L'article 12 du même arrêté, remplacé par la loi du 30 décembre 1988, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 12. § 1er. L'Office est dirigé par un conseil d'administration, composé d'un président, d'un vice-président et de dix-huit membres, tous nommés par le Roi par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
  Le président et le vice-président ainsi que trois membres et trois suppléants sont nommés par le Roi dans les milieux particulièrement concernés par le développement du commerce extérieur.
  Trois membres et trois suppléants sont nommés dans les milieux particulièrement concernés par le développement du commerce extérieur sur la proposition respectivement du Gouvernement flamand, du Gouvernement wallon et du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale. Chaque Région propose un membre et un suppléant.
  Six membres et six suppléants sont nommés sur la proposition des ministres qui ont respectivement dans leurs attributions les Entreprises et Participations publiques, les Affaires économiques, les Finances, les Affaires étrangères, le Commerce extérieur et la Coopération au Développement. Ces membres et leurs suppléants représentent au conseil d'administration le ministre qui les a proposés.
  Six membres et six suppléants sont nommés respectivement sur la proposition du Gouvernement flamand, du Gouvernement wallon et du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale. Chaque Région propose deux membres et deux suppléants. Ces membres et ces suppléants représentent au conseil d'administration le Gouvernement qui les a proposés.
  Le mandat du président et du vice-président, des membres et des suppléants est de cinq ans; il est renouvelable. Le Roi peut mettre fin au mandat par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pris sur proposition du Gouvernement concerné pour les mandats visés aux alinéas 3 et 5.
  § 2. Le conseil d'administration comprend autant de membres d'expression française que de membres d'expression néerlandaise. En ce qui concerne le président et le vice-président ainsi que les membres effectifs et suppléants proposés par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale en vertu du § 1er, alinéa 5, l'un est d'expression française et l'autre d'expression néerlandaise.
  Les membres effectifs et suppléants visés au § 1er, alinéas 2 et 3, comptent également autant de membres d'expression française que de membres d'expression néerlandaise.
  § 3. Il ne peut être attribué de mandat de président, de vice-président ou de membre du conseil d'administration à des personnes qui sont membres des Chambres législatives, du Parlement européen, des (Parlements de communauté et de région), qui ont la qualité de ministre ou de secrétaire d'Etat ou de membre d'un Gouvernement de Communauté ou de Région, de député permanent, de bourgmestre, d'échevin ou de président d'un centre public d'aide sociale d'une commune de plus de 30 000 habitants. <L 2006-03-27/35, art. 54, 020; En vigueur : 21-04-2006>
  Le mandat des personnes élues ou nommées aux fonctions visées à l'alinéa précédent, cesse de plein droit lors de la prestation de serment ou de l'exercice de ces fonctions.
  Le conseil d'administration ne peut comporter qu'un seul membre exerçant une fonction dans un établissement de crédit ou dans une société commerciale ou une société constituée sous la forme d'une société commerciale qui est directement ou indirectement intéressée dans un tel établissement de crédit à raison de plus de 25 p.c.
  § 4. Le Roi fixe les émoluments et les indemnités alloués au président, au vice-président, aux membres et aux suppléants. "
TITEL XI. - Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking.
Art.456. Le présent chapitre entre en vigueur à la date fixée par le Roi.
HOOFDSTUK 1. - Nationale Delcrederedienst.
CHAPITRE 2. - Finexpo - Modification de l'arrêté royal du 30 mai 1997 relatif au renforcement de l'efficacité des instruments de soutien financier à l'exportation.
Art. 453. In artikel 1, § 2, 6°, van het koninklijk besluit nr. 42 van 31 augustus 1939 waarbij de wet van 2 augustus 1932, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 januari 1935 en 22 oktober 1937 en bij de wet van 14 juli 1938 betreffende den waarborg van goeden afloop voor verrichtingen van den uitvoerhandel en oprichting van een Delcrederedienst, wordt afgeschaft en vervangen, vervangen bij de wet van 17 juni 1991, wordt het woord " Regering " vervangen door " federale Regering ".
Art.457. A l'article 2 de l'arrêté royal du 30 mai 1997 relatif au renforcement de l'efficacité des instruments de soutien financier à l'exportation, pris en application de l'article 3, § 1er, 1° et 6°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne, la phrase " Ce concours prend la forme d'une intervention dans la charge d'intérêt relative au financement des délais de paiement " est complétée avec les mots " et le cas échéant permet l'octroi d'un don complémentaire à concurrence de maximum 50 % de la prime d'assurance-crédit ".
Art. 454. In artikel 3, 1°, van hetzelfde besluit, vervangen bij de wet van 17 juni 1991, wordt het woord " Regering " vervangen door " federale Regering ".
Art. 454. Dans l'article 3, 1°, du même arrêté, remplacé par la loi du 17 juin 1991, le mot " Gouvernement " est remplacé par " Gouvernement fédéral ".
Art. 455. Artikel 12 van hetzelfde besluit, vervangen bij de wet van 30 december 1988, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 12. § 1. De Dienst wordt geleid door een raad van bestuur, bestaande uit een voorzitter, een ondervoorzitter en achttien leden, allen benoemd door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  De voorzitter en de ondervoorzitter alsook drie leden en drie plaatsvervangers worden benoemd door de Koning uit kringen nauw betrokken bij de bevordering van de buitenlandse handel.
  Drie leden en drie plaatsvervangers worden benoemd uit kringen nauw betrokken bij de bevordering van de buitenlandse handel op voordracht van respectievelijk de Vlaamse Regering, de Waalse Regering en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. Elk Gewest draagt een lid en een plaatsvervanger voor.
  Zes leden en zes plaatsvervangers worden benoemd op voordracht van de ministers bevoegd voor respectievelijk Overheidsbedrijven en Participaties, Economische Zaken, Financiën, Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Deze leden en hun plaatsvervangers vertegenwoordigen in de raad van bestuur de minister dat hen heeft voorgedragen.
  Zes leden en zes plaatsvervangers worden benoemd op voordracht van respectievelijk de Vlaamse Regering, de Waalse Regering en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering. Elk Gewest draagt twee leden en twee plaatsvervangers voor. Deze leden en hun plaatsvervangers vertegenwoordigen in de raad van bestuur de Regering die hen heeft voorgedragen.
  Het mandaat van de voorzitter, de ondervoorzitter, de leden en de plaatsvervangers bedraagt vijf jaar; het kan worden hernieuwd. De Koning kan een einde maken aan het mandaat bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, dat genomen wordt op voordracht van de betrokken Regering voor de in het derde en vijfde lid bedoelde mandaten.
  § 2. De raad van bestuur telt evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden. Wat de voorzitter en de ondervoorzitter betreft, is wanneer de ene Nederlandstalig is, de andere Franstalig. Eenzelfde regeling geldt ten aanzien van de werkende en plaatsvervangende leden voorgedragen door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering krachtens § 1, vijfde lid.
  De werkende en plaatsvervangende leden bedoeld in § 1, tweede en derde lid, tellen eveneens evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden.
  § 3. Een mandaat van voorzitter, ondervoorzitter of lid van de raad van bestuur kan niet worden toegekend aan een lid van de Wetgevende Kamers, van het Europees Parlement, van (de gemeenschaps- en gewestparlementen), de personen die de hoedanigheid hebben van minister of staatssecretaris of van lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering, van bestendig afgevaardigde, van burgemeester, schepen of voorzitter van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente met meer dan 30 000 inwoners. <W 2006-03-27/35, art. 54, 020; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
  Het mandaat van deze personen, verkozen of benoemd in de functies bedoeld in het vorig lid, houdt van rechtswege op bij de eedaflegging of de uitoefening van deze functies.
  Slechts één lid van de raad van bestuur mag een ambt uitoefenen in een kredietinstelling of in een handelsvennootschap of een vennootschap opgericht in de vorm van een handelsvennootschap die rechtstreeks of zijdelings een belang van meer dan 25 pct. in een zodanige kredietinstelling bezit.
  § 4. De Koning bepaalt de bezoldigingen en de vergoedingen die aan de voorzitter, de ondervoorzitter, de leden en de plaatsvervangers worden toegekend. "
Art. 455. L'article 12 du même arrêté, remplacé par la loi du 30 décembre 1988, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 12. § 1er. L'Office est dirigé par un conseil d'administration, composé d'un président, d'un vice-président et de dix-huit membres, tous nommés par le Roi par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
  Le président et le vice-président ainsi que trois membres et trois suppléants sont nommés par le Roi dans les milieux particulièrement concernés par le développement du commerce extérieur.
  Trois membres et trois suppléants sont nommés dans les milieux particulièrement concernés par le développement du commerce extérieur sur la proposition respectivement du Gouvernement flamand, du Gouvernement wallon et du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale. Chaque Région propose un membre et un suppléant.
  Six membres et six suppléants sont nommés sur la proposition des ministres qui ont respectivement dans leurs attributions les Entreprises et Participations publiques, les Affaires économiques, les Finances, les Affaires étrangères, le Commerce extérieur et la Coopération au Développement. Ces membres et leurs suppléants représentent au conseil d'administration le ministre qui les a proposés.
  Six membres et six suppléants sont nommés respectivement sur la proposition du Gouvernement flamand, du Gouvernement wallon et du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale. Chaque Région propose deux membres et deux suppléants. Ces membres et ces suppléants représentent au conseil d'administration le Gouvernement qui les a proposés.
  Le mandat du président et du vice-président, des membres et des suppléants est de cinq ans; il est renouvelable. Le Roi peut mettre fin au mandat par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pris sur proposition du Gouvernement concerné pour les mandats visés aux alinéas 3 et 5.
  § 2. Le conseil d'administration comprend autant de membres d'expression française que de membres d'expression néerlandaise. En ce qui concerne le président et le vice-président ainsi que les membres effectifs et suppléants proposés par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale en vertu du § 1er, alinéa 5, l'un est d'expression française et l'autre d'expression néerlandaise.
  Les membres effectifs et suppléants visés au § 1er, alinéas 2 et 3, comptent également autant de membres d'expression française que de membres d'expression néerlandaise.
  § 3. Il ne peut être attribué de mandat de président, de vice-président ou de membre du conseil d'administration à des personnes qui sont membres des Chambres législatives, du Parlement européen, des (Parlements de communauté et de région), qui ont la qualité de ministre ou de secrétaire d'Etat ou de membre d'un Gouvernement de Communauté ou de Région, de député permanent, de bourgmestre, d'échevin ou de président d'un centre public d'aide sociale d'une commune de plus de 30 000 habitants. <L 2006-03-27/35, art. 54, 020; En vigueur : 21-04-2006>
  Le mandat des personnes élues ou nommées aux fonctions visées à l'alinéa précédent, cesse de plein droit lors de la prestation de serment ou de l'exercice de ces fonctions.
  Le conseil d'administration ne peut comporter qu'un seul membre exerçant une fonction dans un établissement de crédit ou dans une société commerciale ou une société constituée sous la forme d'une société commerciale qui est directement ou indirectement intéressée dans un tel établissement de crédit à raison de plus de 25 p.c.
  § 4. Le Roi fixe les émoluments et les indemnités alloués au président, au vice-président, aux membres et aux suppléants. "
Art. 456. Dit hoofdstuk treedt in werking op de door de Koning bepaalde datum.
CHAPITRE 4. - Société belge d'investissement pour les pays en développement (bio).
HOOFDSTUK 2. - Finexpo - Wijziging van het koninklijk besluit van 30 mei 1997 houdende de versterking van de doeltreffendheid van de instrumenten voor financiële steun aan de export.
Art.459. Dans la loi du 3 novembre 2001 relative à la création de la Société belge d'investissement pour les pays en développement, un nouvel article 5bis est inséré, libellé comme suit :
Art. 457. In artikel 2 van het koninklijk besluit van 30 mei 1997 houdende de versterking van de doeltreffendheid van de instrumenten voor financiële steun aan de export, genomen met toepassing van artikel 3, § 1, 1° en 6°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, wordt de zin " Die medewerking bestaat in een bijdrage in de rentelast met betrekking tot de financiering van de betalingstermijnen " aangevuld met de woorden " en desgevallend in de toekenning van een aanvullende gift ten belope van ten hoogste 50 % van de kredietverzekeringspremie ".
Art. 457. A l'article 2 de l'arrêté royal du 30 mai 1997 relatif au renforcement de l'efficacité des instruments de soutien financier à l'exportation, pris en application de l'article 3, § 1er, 1° et 6°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne, la phrase " Ce concours prend la forme d'une intervention dans la charge d'intérêt relative au financement des délais de paiement " est complétée avec les mots " et le cas échéant permet l'octroi d'un don complémentaire à concurrence de maximum 50 % de la prime d'assurance-crédit ".
HOOFDSTUK 3. - Ontwikkelingssamenwerking.
Art.460. Dans le cadre de la coopération internationale, le ministre de la Défense est autorisé, en ce qui concerne les stagiaires étrangers boursiers, à prendre à charge du budget le montant de la bourse mensuelle allouée durant le stage ou la formation. En ce qui concerne les stagiaires étrangers non boursiers, il peut prendre à charge du budget la nourriture, le logement et les menues dépenses journalières ou la contre-valeur en argent qui est versée aux stagiaires.
Art. 458. Artikel 10 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, wordt aangevuld met een 6°, luidend als volgt :
  " 6° een solidariteitsnota, waarin de regering verduidelijkt welke maatregelen zij voorziet opdat, volgens een jaarlijks volgehouden stijging, de middelen die worden ingezet voor de Belgische officiële ontwikkelingshulp, in overeenstemming met de richtsnoeren van het Comité voor ontwikkelingshulp van de OESO, uiterlijk vanaf 2010 ten minste 0,7 % van het Bruto Nationaal Inkomen zullen bedragen. "
Art. 458. L'article 10 des lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991, est complété par un 6°, libellé comme suit :
  " 6° une note de solidarité, dans laquelle le gouvernement explique quelles mesures il prévoit en vue d'atteindre, selon un calendrier de croissance maintenue et annuelle, au plus tard à partir de 2010, 0,7 % du Revenu national brut pour les moyens affectes à l'aide au développement officielle belge, selon les critères établis au sein du Comité d'aide au développement de l'OCDE. "
HOOFDSTUK 4. - Belgische Investeringsmaatschappij voor ontwikkelingslanden (bio).
CHAPITRE 4. - Société belge d'investissement pour les pays en développement (bio).
Art. 459. In de wet van 3 november 2001 tot oprichting van de Belgische Investeringsmaatschappij voor ontwikkelingslanden wordt een nieuw artikel 5bis ingevoegd, luidend als volgt :
  " Art. 5bis. § 1. De controle op de financiële toestand, op de jaarrekeningen en op de regelmatigheid, vanuit het oogpunt van de wet en van de statuten van BIO, van de verrichtingen weer te geven in de jaarrekeningen, wordt opgedragen aan twee commissarissen.
  § 2. Het Rekenhof benoemt een commissaris onder de leden van het Hof. De andere commissaris wordt benoemd door de raad van bestuur, onder de leden, natuurlijke personen of rechtspersonen, van het Instituut voor bedrijfsrevisoren.
  § 3. De commissarissen worden benoemd voor een hernieuwbare termijn van drie jaar. "
Art. 459. Dans la loi du 3 novembre 2001 relative à la création de la Société belge d'investissement pour les pays en développement, un nouvel article 5bis est inséré, libellé comme suit :
  " Art. 5bis. § 1er. Le contrôle de la situation financière, des comptes annuels et de la régularité, au regard de la loi et des statuts de BIO, des opérations à constater dans les comptes annuels, est confié à deux commissaires.
  § 2. La Cour des comptes nomme un commissaire parmi les membres de la Cour. L'autre commissaire est nommé par le conseil d'administration, parmi les membres, personnes physiques ou morales, de l'Institut des réviseurs d'entreprise.
  § 3. Les commissaires sont nommés pour un terme renouvelable de trois ans. "
TITEL XII. - Landsverdediging.
CHAPITRE 1. - Fonds budgétaire pour l'organisation de Sommets européens à Bruxelles.
Art. 460. In het kader van de internationale samenwerking is de Minister van Landsverdediging ertoe gemachtigd, voor wat betreft de buitenlandse beursstagiairs, het bedrag van de gedurende de stage of vorming toegekende maandelijkse beurs ten laste te nemen van de begroting. Wat betreft de buitenlandse stagiairs zonder beurs kan hij de voeding, het logement en de dagelijkse kleine uitgaven, of de geldelijke tegenwaarde ervan die aan de stagiairs gestort wordt, ten laste nemen van de begroting.
  De Minister van Landsverdediging is belast met de uitvoeringsmaatregelen ter zake, in functie van de bijzonderheden van de stage of van de vorming.
Art.463. L'article 2, alinéa 2, de la loi du 10 août 2001 créant un Fonds de financement du rôle international et de la fonction de capitale de Bruxelles et modifiant la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, est complété par l'alinéa suivant :
  " Ce fonds est composé de deux sous-fonds, un premier sous-fonds " Fonds de financement du rôle international et de la fonction de capitale de Bruxelles ", financé par les moyens prévus à l'article 3 et un deuxième sous-fonds " Fonds de financement de certaines dépenses effectuées qui sont liées à la sécurité découlant de l'organisation des Sommets européens à Bruxelles ", financé par les moyens visés à l'article 4. "
Art. 461. Artikel 45 van de programmawet van 19 juli 2001 voor het begrotingsjaar 2001, wordt opgeheven.
Art.464. L'article 3 de la même loi est remplacé par la disposition suivante
  " Art. 3. Un prélèvement sur le produit de l'impôt des personnes physiques est affecté au premier sous-fonds visé à l'article 2. Ce prélèvement s'effectue à concurrence du montant suivant : 3,082 milliards de francs belges à partir de l'année budgétaire 2001 et les dépenses qui peuvent être réalisées à charge du fonds sont des dépenses effectuées en application de l'article 43 de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux Institutions bruxelloises. "
Art. 462. De artikelen 460 en 461 hebben uitwerking met ingang van 1 augustus 2002.
Art.465. L'article 4 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 4. Un prélèvement sur le produit de l'impôt des personnes physiques est affecté au deuxième sous-fonds visé à l'article 2. Ce prélèvement s'élève à 12,5 millions d'euros pour l'année budgétaire 2003 et 25,0 millions d'euros à partir de l'année budgétaire 2004. Les dépenses qui peuvent être réalisées à charge de ce Fonds sont des dépenses, y compris les subventions aux zones de police locale et aux communes, liées à la sécurité découlant de l'organisation des Sommets européens à Bruxelles.
  Outre les montants octroyés en vertu de l'alinéa précédent, aucun moyen financier supplémentaire ne sera libéré à l'avenir au profit des zones de police locale en ce qui concerne les dépenses liées à la sécurité découlant de l'organisation des Sommets européens à Bruxelles. "
TITEL XIII. - Binnenlandse Zaken en Justitie.
Art.466. L'article 5 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
HOOFDSTUK 1. - Begrotingsfonds voor de organisatie van Europese Toppen in Brussel.
Art.467. Dans le tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, modifié en dernier lieu par la loi du 26 avril 202, il est inséré un nouveau fonds budgétaire 13-X sous le titre " 13 Intérieur ", rédigé comme suit :
Art. 463. Artikel 2, tweede lid, van de wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van een Fonds ter financiering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Dit fonds omvat twee deelfondsen, een DEEL I-fonds " Fonds ter financiering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel ", gefinancierd met de middelen bepaald in artikel 3, en een tweede deelfonds " Fonds ter financiering van sommige uitgaven verricht die verbonden zijn met de veiligheid voortvloeiend uit de organisatie van de Europese Toppen te Brussel ", gefinancierd met de middelen bepaald in artikel 4. "
Art. 463. L'article 2, alinéa 2, de la loi du 10 août 2001 créant un Fonds de financement du rôle international et de la fonction de capitale de Bruxelles et modifiant la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, est complété par l'alinéa suivant :
  " Ce fonds est composé de deux sous-fonds, un premier sous-fonds " Fonds de financement du rôle international et de la fonction de capitale de Bruxelles ", financé par les moyens prévus à l'article 3 et un deuxième sous-fonds " Fonds de financement de certaines dépenses effectuées qui sont liées à la sécurité découlant de l'organisation des Sommets européens à Bruxelles ", financé par les moyens visés à l'article 4. "
Art. 464. Artikel 3 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " Art. 3. Een voorafneming op de opbrengst van de personenbelasting wordt toegewezen aan het DEEL Ifonds bedoeld in artikel 2. Deze voorafname gebeurt ten belope van het volgende bedrag : 3,082 miljard Belgische frank vanaf het begrotingsjaar 2001 en de uitgaven die ten laste van het fonds kunnen worden gedaan zijn uitgaven verricht met toepassing van artikel 43 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen. "
Art.468. A l'article 35 du Code d'instruction criminelle, modifié par la loi du 20 mai 1997 et remplacé par la loi du 14 janvier 1999, dont le texte actuel formera le § 1er, il est ajouté un § 2, rédigé comme suit :
  " § 2. Si les biens visés au paragraphe précédent comprennent des véhicules, ils peuvent, pour autant qu'ils soient propriété du suspect ou de l'inculpé, être mis à la disposition de la police fédérale. La décision de mise à disposition est prise en, selon le cas, par le procureur du Roi ou par le procureur fédéral, conformément aux directives du ministre de la Justice prises en exécution des articles 143bis et 143ter du Code judiciaire. Cette décision n'est susceptible d'aucun recours. La mise à disposition implique que la police fédérale, à qui il incombe d'utiliser le véhicule en bon père de famille, puisse l'utiliser pour son fonctionnement normal. En cas de restitution, toute moins-value due à l'usage du véhicule donne lieu, après compensation avec l'éventuelle plus-value, à une indemnisation.
  Le recours visé à l'article 28sexies ne peut être intenté que dans le mois suivant la saisie visée au § 1er. Le requérant ne peut envoyer ni déposer de requête ayant le même objet avant l'expiration d'un délai d'un an, à compter soit du jour de la dernière décision concernant le même objet, soit du jour de l'expiration du délai d'un mois visé ci-dessus. "
Art. 465. Artikel 4 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " Art. 4. Een voorafneming op de opbrengst van de personenbelasting wordt toegewezen aan het tweede deelfonds bedoeld in artikel 2. Deze voorafname bedraagt 12,5 miljoen euro in het begrotingsjaar 2003 en 25,0 miljoen euro vanaf het begrotingsjaar 2004. De uitgaven die ten laste van het Fonds kunnen worden gedaan zijn uitgaven, inclusief toelagen aan de lokale politiezones en de gemeenten, die verbonden zijn met de veiligheid voortvloeiend uit de organisatie van de Europese Toppen te Brussel.
  Buiten de bedragen toegekend krachtens het voorgaande lid zullen er in de toekomst geen bijkomende financiële middelen meer vrijgemaakt worden ten behoeve van de lokale politiezones voor de uitgaven verbonden met de veiligheid voortvloeiend uit de organisatie van de Europese Toppen te Brussel. "
Art.469. L'article 89 du même Code, modifié par les lois des 10 juillet 1967, 20 mai 1997 et 28 novembre 2000, est complété par les alinéas suivants :
  " Si les biens visés à l'alinéa précédent comprennent des véhicules, ils peuvent, pour autant qu'ils soient propriété du suspect ou de l'inculpé, être mis à la disposition de la police fédérale. La décision de mise à disposition est prise, selon le cas, par le procureur du Roi ou par le procureur fédéral, conformément aux directives du ministre de la Justice prises en exécution des articles 143bis et 143ter du Code judiciaire. Cette décision n'est susceptible d'aucun recours. Toutefois, elle n'est exécutable que si le juge d'instruction n'y fait pas opposition, dans les dix jours suivant sa notification, dans l'intérêt de l'instruction. La mise à disposition implique que la police fédérale, à qui il incombe d'utiliser le véhicule en bon père de famille, puisse l'utiliser pour son fonctionnement normal. En cas de restitution, toute moins-value due à l'usage du véhicule donne lieu, après compensation avec l'éventuelle plus-value, à une indemnisation.
  Le recours visé à l'article 61quater ne peut être intenté que dans le mois suivant la saisie visée à l'alinéa 1. Le requérant ne peut envoyer ni déposer de requête ayant le même objet avant l'expiration d'un délai d'un an, à compter soit du jour de la dernière décision concernant le même objet, soit du jour de l'expiration du délai d'un mois visé ci-dessus. "
Art. 466. Artikel 5 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " Art. 5. Over de aanwending van de middelen bedoeld in artikel 3 wordt beslist door de Samenwerkingscommissie bedoeld in artikel 43 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen. Over de aanwending van de middelen bedoeld in artikel 4 wordt beslist door de federale leden van de Samenwerkingscommissie na advies van de Samenwerkingscommissie. "
Art. 466. L'article 5 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 5. Le Comité de coopération visé à l'article 43 de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux Institutions bruxelloises, décide de l'utilisation des moyens visés à l'article 3. Les membres fédéraux du Comité de coopération, après avis du Comité de coopération, décident de l'utilisation des moyens visés à l'article 4. "
Art. 467. In de tabel ingevoegd bij de organieke wet van 27 december 2000 houdende oprichting van begrotingsfondsen, het laatst gewijzigd bij de wet van 26 april 2002, wordt onder de titel " 13 Binnenlandse Zaken " een nieuw begrotingsfonds 13-X ingevoegd, luidend als volgt :
  Benaming van het organiek begrotingsfonds :
  " 13-X Fonds ter financiering van sommige uitgaven verricht die verbonden zijn met de veiligheid voortvloeiend uit de organisatie van de Europese Toppen te Brussel "
  Aard van de toegewezen ontvangsten :
  " Een voorafname op de opbrengsten van de personenbelasting, in uitvoering van artikel 4 van de wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van een Fonds ter financiering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel en tot wijziging van de organieke wet van 27 december1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen "
  Aard van de gemachtigde uitgaven :
  " Uitgaven verricht die verbonden zijn met de veiligheid voortvloeiend uit de organisatie van de Europese Toppen te Brussel ".
Art.470. L'annexe XII à la Partie XII de l'arrêté royal du 30 mars 2001 portant la position juridique du personnel des services de police, confirmée par la loi-programme du 30 décembre 2001, est complétée comme suit :
  1° dans le tableau " niveau C ", colonne de droite, un point 2.40bis est inséré, rédigé comme suit :
  " 2.40bis. D4 : 606 000 - 923 900 (6) (échelle de traitement dont bénéficie le membre du personnel pour qui la possession d'un diplôme ou d'un certificat d'études pris en compte pour le recrutement aux emplois du niveau 2 dans les administrations fédérales, était une condition de recrutement);
  2° dans le tableau " niveau B ", colonne de droite, sont insérés sous le point 2.4, deux points, rédigés comme suit :
  " 2.4bis. D6 : 646 000 - 992 600 (6) (échelle de traitement dont bénéficie le membre du personnel pour qui la possession d'un diplôme ou d'un certificat d'études pris en compte pour le recrutement aux emplois niveau 2+ dans les administrations fédérales, était une condition de recrutement);
  2.4ter. D7 : 690 000 - 1.028 300 (6) (condition identique au point 2.4.bis ) ".
HOOFDSTUK 2. - Gebruik van inbeslag genomen voertuigen door de politie.
CHAPITRE 4. - Opérations qui exigent la présentation d'une somme d'argent.
Art. 468. Artikel 35 van het Wetboek van strafvordering, gewijzigd bij de wet van 20 mei 1997 en vervangen bij de wet van 14 januari 1999, waarvan de bestaande tekst § 1 zal worden, wordt aangevuld met een § 2, luidende :
  " § 2. Indien de in de vorige paragraaf bedoelde zaken bestaan uit voertuigen kunnen deze, voor zover zij eigendom zijn van de verdachte of inverdenkinggestelde, ter beschikking gesteld worden van de federale politie. De beslissing tot terbeschikkingstelling wordt genomen, naargelang het geval, door de procureur des Konings of de federale procureur, conform de richtlijnen van de Minister van Justitie genomen in uitvoering van de artikelen 143bis en 143ter van het Gerechtelijk Wetboek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. De terbeschikkingstelling houdt in dat de federale politie, die het voertuig als een goed huisvader dient te gebruiken, het kan gebruiken voor haar normale werking. In geval van teruggave, geeft elke minwaarde ingevolge gebruik van het voertuig, na compensatie met de eventuele meerwaarde, aanleiding tot vergoeding.
  Het rechtsmiddel als bedoeld in artikel 28sexies kan slechts worden ingesteld binnen een maand vanaf de inbeslagneming als bedoeld in § 1. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp toezenden of neerleggen vooraleer een termijn van een jaar is verstreken te rekenen vanaf, hetzij de dag van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp, hetzij de dag van het verstrijken van de hoger bedoelde termijn van een maand. "
Art. 468. A l'article 35 du Code d'instruction criminelle, modifié par la loi du 20 mai 1997 et remplacé par la loi du 14 janvier 1999, dont le texte actuel formera le § 1er, il est ajouté un § 2, rédigé comme suit :
  " § 2. Si les biens visés au paragraphe précédent comprennent des véhicules, ils peuvent, pour autant qu'ils soient propriété du suspect ou de l'inculpé, être mis à la disposition de la police fédérale. La décision de mise à disposition est prise en, selon le cas, par le procureur du Roi ou par le procureur fédéral, conformément aux directives du ministre de la Justice prises en exécution des articles 143bis et 143ter du Code judiciaire. Cette décision n'est susceptible d'aucun recours. La mise à disposition implique que la police fédérale, à qui il incombe d'utiliser le véhicule en bon père de famille, puisse l'utiliser pour son fonctionnement normal. En cas de restitution, toute moins-value due à l'usage du véhicule donne lieu, après compensation avec l'éventuelle plus-value, à une indemnisation.
  Le recours visé à l'article 28sexies ne peut être intenté que dans le mois suivant la saisie visée au § 1er. Le requérant ne peut envoyer ni déposer de requête ayant le même objet avant l'expiration d'un délai d'un an, à compter soit du jour de la dernière décision concernant le même objet, soit du jour de l'expiration du délai d'un mois visé ci-dessus. "
Art. 469. Artikel 89 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 10 juli 1967, 20 mei 1997 en 28 november 2000, wordt aangevuld met de volgende leden :
  " Indien de in het vorige lid bedoelde zaken bestaan uit voertuigen kunnen deze, voor zover zij eigendom zijn van de verdachte of inverdenkinggestelde, ter beschikking gesteld worden van de federale politie. De beslissing tot terbeschikkingstelling wordt genomen, naargelang het geval, door de procureur des Konings of de federale procureur, conform de richtlijnen van de Minister van Justitie genomen in uitvoering van de artikelen 143bis en 143ter van het Gerechtelijk Wetboek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. Zij is evenwel slechts uitvoerbaar indien de onderzoeksrechter er binnen de tien dagen na de kennisgeving ervan, geen verzet tegen aantekent ter wille van het onderzoek. De terbeschikkingstelling houdt in dat de federale politie, die het voertuig als een goed huisvader dient te gebruiken, het kan gebruiken voor haar normale werking. In geval van teruggave, geeft elke minwaarde ingevolge gebruik van het voertuig, na compensatie met de eventuele meerwaarde, aanleiding tot vergoeding.
  Het rechtsmiddel als bedoeld in artikel 61quater kan slechts worden ingesteld binnen een maand vanaf de inbeslagneming als bedoeld in het eerste lid. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp toezenden of neerleggen vooraleer een termijn van een jaar is verstreken te rekenen vanaf, hetzij de dag van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp, hetzij de dag van het verstrijken van de hoger bedoelde termijn van een maand. "
Art. 469. L'article 89 du même Code, modifié par les lois des 10 juillet 1967, 20 mai 1997 et 28 novembre 2000, est complété par les alinéas suivants :
  " Si les biens visés à l'alinéa précédent comprennent des véhicules, ils peuvent, pour autant qu'ils soient propriété du suspect ou de l'inculpé, être mis à la disposition de la police fédérale. La décision de mise à disposition est prise, selon le cas, par le procureur du Roi ou par le procureur fédéral, conformément aux directives du ministre de la Justice prises en exécution des articles 143bis et 143ter du Code judiciaire. Cette décision n'est susceptible d'aucun recours. Toutefois, elle n'est exécutable que si le juge d'instruction n'y fait pas opposition, dans les dix jours suivant sa notification, dans l'intérêt de l'instruction. La mise à disposition implique que la police fédérale, à qui il incombe d'utiliser le véhicule en bon père de famille, puisse l'utiliser pour son fonctionnement normal. En cas de restitution, toute moins-value due à l'usage du véhicule donne lieu, après compensation avec l'éventuelle plus-value, à une indemnisation.
  Le recours visé à l'article 61quater ne peut être intenté que dans le mois suivant la saisie visée à l'alinéa 1. Le requérant ne peut envoyer ni déposer de requête ayant le même objet avant l'expiration d'un délai d'un an, à compter soit du jour de la dernière décision concernant le même objet, soit du jour de l'expiration du délai d'un mois visé ci-dessus. "
HOOFDSTUK 3. - Personeel Calog.
Art.472. Le Moniteur belge est une publication officielle éditée par la Direction du Moniteur belge , qui rassemble tous les textes pour lesquelles la publication au Moniteur belge est ordonnée.
Art. 470. Bijlage XII bij Deel XII van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, bekrachtigd bij de programmawet van 30 december 2001, wordt aangevuld als volgt :
  1° in tabel " niveau C ", rechterkolom, wordt een punt 2.40bis ingevoegd, luidende :
  " 2.40bis. D4 : 606 000 - 923 900 (6) (loonschaal genoten door het personeelslid voor wie het bezit van een diploma of studiegetuigschrift dat in aanmerking wordt genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 2 bij de Rijksbesturen, een aanwervingsvoorwaarde was) ";
  2° in tabel " niveau B ", rechterkolom, worden, onder punt 2.4, twee punten ingevoegd, luidende :
  " 2.4bis. D6 : 646 000 - 992 600 (6) (loonschaal genoten door het personeelslid voor wie het bezit van een diploma of studiegetuigschrift dat in aanmerking wordt genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau 2+ bij de Rijksbesturen, een aanwervingsvoorwaarde was);
  2.4ter. D7 : 690 000 - 1 028 300 (6) (voorwaarde idem punt 2.4.bis ) ".
Art. 470. L'annexe XII à la Partie XII de l'arrêté royal du 30 mars 2001 portant la position juridique du personnel des services de police, confirmée par la loi-programme du 30 décembre 2001, est complétée comme suit :
  1° dans le tableau " niveau C ", colonne de droite, un point 2.40bis est inséré, rédigé comme suit :
  " 2.40bis. D4 : 606 000 - 923 900 (6) (échelle de traitement dont bénéficie le membre du personnel pour qui la possession d'un diplôme ou d'un certificat d'études pris en compte pour le recrutement aux emplois du niveau 2 dans les administrations fédérales, était une condition de recrutement);
  2° dans le tableau " niveau B ", colonne de droite, sont insérés sous le point 2.4, deux points, rédigés comme suit :
  " 2.4bis. D6 : 646 000 - 992 600 (6) (échelle de traitement dont bénéficie le membre du personnel pour qui la possession d'un diplôme ou d'un certificat d'études pris en compte pour le recrutement aux emplois niveau 2+ dans les administrations fédérales, était une condition de recrutement);
  2.4ter. D7 : 690 000 - 1.028 300 (6) (condition identique au point 2.4.bis ) ".
HOOFDSTUK 4. - Toongeld.
Art.474. La publication au Moniteur belge par la Direction du Moniteur belge se fait en quatre exemplaires imprimés sur papier.
Art. 471. De minister van Justitie en de minister van Financiën stellen samen het bedrag vast dat door de federale politie mag worden gebruikt als toongeld.
  Dit toongeld wordt afgehouden van een rekening die de Belgische Staat aanhoudt bij de Nationale Bank van België.
Art.475. <L 2005-07-20/41, art. 5, 015; En vigueur : 31-07-2005> Toute autre mise à disposition du public est réalisée par l'intermédiaire du site internet de la Direction du Moniteur belge.
  Les publications mises à disposition sur ce site internet sont les reproductions exactes dans un format électronique des exemplaires sur papier prévus à l'article 474.
HOOFDSTUK 5. - Publicatieprocedure in het Belgisch Staatsblad.
Art. 475bis. Tout citoyen peut obtenir à prix coûtant auprès des services du Moniteur belge, par le biais d'un service d'aide téléphonique gratuit, une copie des actes et documents publiés au Moniteur belge. Ce service est également chargé de fournir aux citoyens un service d'aide à la recherche de documents.
Art. 472. Het Belgisch Staatsblad is een officiële publicatie uitgegeven door het Bestuur van het Belgisch Staatsblad , die alle teksten waarvoor de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad wordt bevolen, verzamelt.
Art. 475ter. D'autres mesures d'accompagnement sont prises par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres afin d'assurer la diffusion et l'accès les plus larges possibles aux informations contenues dans le Moniteur belge.
Art. 473. De te publiceren teksten worden gegroepeerd in uitgaven. Elke uitgave heeft een datum en een oplopend volgnummer. Meerdere uitgaven per publicatiedatum zijn mogelijk. Het eerste nummer van het Belgisch Staatsblad van elke jaargang draagt het volgnummer 1.
  Het Belgisch Staatsblad heeft een doorlopende paginering die begint met bladzijde 1 op het eerste nummer van elke jaargang.
  Elke uitgave vermeldt uitdrukkelijk de naam en de functie van de voor het Bestuur van het Belgisch Staatsblad verantwoordelijke ambtenaar en de plaats van publicatie.
Art.476. La date à laquelle est réalisée, conformément à l'article 475, la mise à disposition sur le site internet de la Direction du Moniteur belge est identique à la date mentionnée sur l'édition publiée conformément aux dispositions de l'article 473.
  Avant que les exemplaires prévus à l'article 474 ne soient déposés et conservés, il y est apposé la date à laquelle est réalisée la mise à disposition sur le site internet de la Direction du Moniteur belge ainsi que le nom, la fonction et la signature du fonctionnaire dirigeant de la Direction du Moniteur belge ou son représentant, désigné par le ministre de la Justice.
Art. 474. <W 2005-07-20/41, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 31-07-2005> De bekendmaking in het Belgisch Staatsblad door het Bestuur van het Belgisch Staatsblad gebeurt in vier exemplaren die op papier gedrukt worden.
  Eén exemplaar wordt gedeponeerd in uitvoering van de wet van 8 april 1965 tot instelling van het wettelijk depot bij de Koninklijke Bibliotheek van België, één exemplaar wordt in bewaring gegeven bij de Minister van Justitie als bewaarder van 's Lands zegel, één exemplaar wordt toegezonden aan het Algemeen Rijksarchief en één exemplaar ligt ter inzage bij het Bestuur van het Belgisch Staatsblad.
  [1 Eén exemplaar wordt bewaard op elektronische wijze. De Koning bepaalt de modaliteiten van de bewaring op elektronische wijze. Hij kan de elektronische bronbestanden van de in het eerste lid bedoelde exemplaren, of één van die bestanden, conform verklaren aan een op elektronische wijze bewaard exemplaar in de zin van dit lid.]1
  In geval van betwisting omtrent de juistheid van een vermelding in het Belgisch Staatsblad mag het exemplaar dat in bewaring wordt gegeven bij de Minister van Justitie als bewaarder van 's Lands zegel in geen geval worden onttrokken aan die bewaring. Ingeval op verzoek van een rechtscollege een deel van het Belgisch Staatsblad moet worden overgelegd, wordt een door de Minister van Justitie voor eensluidend verklaard afschrift van de relevante passage(s) afgegeven.
  
Art. 474. <L 2005-07-20/41, art. 4, 015; En vigueur : 31-07-2005> La publication au Moniteur belge par la Direction du Moniteur belge se fait en quatre exemplaires imprimés sur papier.
  Un exemplaire est déposé en exécution de la loi du 8 avril 1965 instituant le dépôt légal à la Bibliothèque royale de Belgique, un exemplaire est conservé auprès du Ministre de la Justice en tant que gardien du sceau de l'Etat, un exemplaire est transmis aux Archives générales du Royaume et un exemplaire est disponible pour consultation auprès de la Direction du Moniteur belge.
  [1 Un exemplaire est conservé électroniquement. Le Roi détermine les modalités de la conservation électronique. Il peut déclarer les fichiers source électroniques des exemplaires visés dans l'alinéa 1er, ou un de ces fichiers, conforme à un exemplaire conservé électroniquement au sens du présent alinéa.]1
  En cas de contestation relative à l'exactitude d'une mention contenue dans le Moniteur belge, l'exemplaire qui est conservé auprès du Ministre de la Justice en tant que gardien du sceau de l'Etat, ne peut en aucun cas être soustrait à cette conservation. Dans le cas où, à la demande d'une juridiction, une partie du Moniteur belge doit être présentée, une copie certifiée conforme par le Ministre de la Justice du ou des passages pertinents sera délivrée.
  
Art. 475. <W 2005-07-20/41, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 31-07-2005> Elke andere terbeschikkingstelling van het publiek gebeurt via de internetsite van het Bestuur van het Belgisch Staatsblad.
  De op deze internetsite ter beschikking gestelde publicaties zijn de exacte reproducties in elektronisch formaat van de in artikel 474 vermelde exemplaren op papier.
Art. 475. <L 2005-07-20/41, art. 5, 015; En vigueur : 31-07-2005> Toute autre mise à disposition du public est réalisée par l'intermédiaire du site internet de la Direction du Moniteur belge.
  Les publications mises à disposition sur ce site internet sont les reproductions exactes dans un format électronique des exemplaires sur papier prévus à l'article 474.
Art. 475bis. <INGEVOEGD bij W 2005-07-20/41, art. 6; Inwerkingtreding : 31-07-2005> Iedere burger kan bij de diensten van het Belgisch Staatsblad, door middel van een gratis telefonische hulpdienst, een afschrift van de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte akten en documenten verkrijgen tegen kostprijs. Deze dienst is eveneens belast met het leveren van een hulpdienst aan de burgers bij het zoeken naar documenten.
Art. 475bis. Tout citoyen peut obtenir à prix coûtant auprès des services du Moniteur belge, par le biais d'un service d'aide téléphonique gratuit, une copie des actes et documents publiés au Moniteur belge. Ce service est également chargé de fournir aux citoyens un service d'aide à la recherche de documents.
Art. 475ter. <INGEVOEGD bij W 2005-07-20/41, art. 7; Inwerkingtreding : 31-07-2005> Bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad worden andere begeleidende maatregelen genomen met het oog op een zo ruim mogelijke verspreiding van en toegang tot de in het Belgisch Staatsblad opgenomen informatie.
Art. 475ter. D'autres mesures d'accompagnement sont prises par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres afin d'assurer la diffusion et l'accès les plus larges possibles aux informations contenues dans le Moniteur belge.
Art. 476. De datum waarop, overeenkomstig artikel 475, de terbeschikkingstelling via de internetsite van het Bestuur van het Belgisch Staatsblad gebeurt is gelijk aan de datum die vermeld wordt op de gepubliceerde uitgave overeenkomstig de bepalingen van artikel 473.
  Voor de in artikel 474 vermelde exemplaren gedeponeerd en in bewaring worden gegeven, wordt daarop de datum waarop de terbeschikkingstelling via de internetsite van het Bestuur van het Belgisch Staatsblad gebeurt alsmede de naam, de functie en de handtekening van de door de Minister van Justitie aangewezen leidend ambtenaar van het Bestuur van het Belgisch Staatsblad of zijn vervanger aangebracht.
Art. 476. La date à laquelle est réalisée, conformément à l'article 475, la mise à disposition sur le site internet de la Direction du Moniteur belge est identique à la date mentionnée sur l'édition publiée conformément aux dispositions de l'article 473.
  Avant que les exemplaires prévus à l'article 474 ne soient déposés et conservés, il y est apposé la date à laquelle est réalisée la mise à disposition sur le site internet de la Direction du Moniteur belge ainsi que le nom, la fonction et la signature du fonctionnaire dirigeant de la Direction du Moniteur belge ou son représentant, désigné par le ministre de la Justice.
Art. 477. Voor het gebruik van de overeenkomstig artikel 475 via de internetsite van het Bestuur van het Belgisch Staatsblad ter beschikking gestelde elektronische bestanden is geen enkele vergoeding verschuldigd, noch voor de consultatie, noch voor verdere verwerking.
  De bestanden mogen vrij gebruikt worden, zowel voor persoonlijk als voor commercieel gebruik.
Art. 477. Aucune rétribution n'est due ni pour l'utilisation des fichiers électroniques mis à disposition sur le site internet de la Direction du Moniteur belge conformément à l'article 475 ni pour leur consultation et pour leur transformation ultérieure.
  Les fichiers peuvent être utilisés librement aussi bien pour un usage commercial que pour un usage privé.
Art. 478. De artikelen 472 tot 477 treden in werking op 1 januari 2003.
Art.480. Sont abrogés, dans la loi du 26 décembre 1956 sur le service des postes :
  1° les articles 3, b) et 3, c) ;
  2° l'article 12;
  3° l'article 13, remplacé par la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques.
HOOFDSTUK 6. - Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen.
Art.481. A l'article 154bis , § 1er, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, inséré par la loi du 3 mai 1999, les mots " avant le 31 décembre 2002 " sont remplacés par les mots " avant le 31 décembre 2003 ".
Art. 479. Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen
  (NOTA : Justel heeft van artikel 479 een onafhandelijke tekst gemaakt : W 2002-12-24/45.)
Art. 479. Tutelle des mineurs étrangers non accompagnés.
  (NOTE : Justel a détaché l'article 479 pour en faire le texte autonome L 2002-12-24/45.)
TITEL XIV. - Telecommunicatie en Overheidsbedrijven.
Art.483. L'arrêté royal du 7 octobre 2002 transposant l'article 1er, 1er, et l'article1er, 2, de la Directive 2002/39/CE du Parlement européen et du Conseil modifiant la Directive 97/67 en ce qui concerne la poursuite de l'ouverture à la concurrence des services postaux de la Communauté, est confirmé avec effet à la date de son entrée en vigueur.
HOOFDSTUK 1. - De postsector.
CHAPITRE 1. - Le secteur postal.
Art. 480. In de wet van 26 december 1956 op de postdienst, worden opgeheven :
  1° de artikelen 3 b) en 3 c) ;
  2° artikel 12;
  3° artikel 13, vervangen bij de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.
Art.484. Les modifications suivantes sont apportées à l'article 44, § 3, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, remplacé par la loi du 28 décembre 1992 et modifié par les arrêtés royaux du 29 décembre 1992, du 6 juillet 1994 et du 12 décembre 1996 :
  1° à la fin du § 3, point 13, le point est remplacé par un point-virgule;
  2° le § 3 est complété comme suit :
  " 14° les prestations de services et les livraisons de biens accessoires à ces prestations de services effectuées par les services publics postaux, lorsqu'il s'agit de services mentionnés à l'article 131, 1°, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques. "
Art. 481. In artikel 154bis , § 1, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, ingevoegd door de wet van 3 mei 1999, worden de woorden " vóór 31 december 2002 " vervangen door de woorden " vóór 31 december 2003 ".
Art. 481. A l'article 154bis , § 1er, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, inséré par la loi du 3 mai 1999, les mots " avant le 31 décembre 2002 " sont remplacés par les mots " avant le 31 décembre 2003 ".
Art. 482. In het opschrift van Bijlage 1 van dezelfde wet, worden de woorden " artikel 84, § 2 " vervangen door de woorden " artikel 84, § 3 ".
Art.486. L'article 44, § 3, 14°, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, inséré par l'article 484, 2°, entre en vigueur à partir du 1er janvier 2005.
Art. 483. Het koninklijk besluit van 7 oktober 2002 tot omzetting van artikel 1, 1, en artikel 1, 2, van de Richtlijn 2002/39/CE van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van de Richtlijn 97/67/CE met betrekking tot de verdere openstelling van de postmarkt in de gemeenschap voor mededinging, wordt bekrachtigd met ingang van de dag van zijn inwerkingtreding.
Art. 483. L'arrêté royal du 7 octobre 2002 transposant l'article 1er, 1er, et l'article1er, 2, de la Directive 2002/39/CE du Parlement européen et du Conseil modifiant la Directive 97/67 en ce qui concerne la poursuite de l'ouverture à la concurrence des services postaux de la Communauté, est confirmé avec effet à la date de son entrée en vigueur.
HOOFDSTUK 2. - De Post.
CHAPITRE 3. - La Loterie nationale.
Art. 484. In artikel 44, § 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 29 december 1992, 6 juli 1994 en 12 december 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° op het einde van § 3, punt 13, wordt het punt vervangen door een puntkomma;
  2° § 3 wordt aangevuld als volgt :
  " 14° de diensten en de leveringen van goederen bijkomstig bij deze diensten verricht door de openbare postdiensten, wanneer het diensten betreft vermeld in artikel 131, 1°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. "
Art. 484. Les modifications suivantes sont apportées à l'article 44, § 3, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, remplacé par la loi du 28 décembre 1992 et modifié par les arrêtés royaux du 29 décembre 1992, du 6 juillet 1994 et du 12 décembre 1996 :
  1° à la fin du § 3, point 13, le point est remplacé par un point-virgule;
  2° le § 3 est complété comme suit :
  " 14° les prestations de services et les livraisons de biens accessoires à ces prestations de services effectuées par les services publics postaux, lorsqu'il s'agit de services mentionnés à l'article 131, 1°, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques. "
Art. 485. Artikel 15 van de wet van 6 juli 1971 houdende oprichting van De Post, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :
  " Het eerste lid is met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde van toepassing tot 31 december 2004. "
Art. 485. L'article 15 de la loi du 6 juillet 1971 portant création de La Poste, est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit :
  " L'alinéa 1er est relatif à la taxe sur la valeur ajoutée applicable jusqu'au 31 décembre 2004. "
Art. 486. Artikel 44, § 3, 14°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, ingevoegd bij artikel 484, 2°, treedt in werking met ingang van 1 januari 2005.
Art.490. Dans l'article 7 de la même loi, les mots " des services visés à l'article 6, § 1er, 1°, 2° et 3°, pour autant que pour l'organisation de ces services, il soit fait " sont remplacés par les mots " le droit pour les services visés à l'article 6, § 1er, 1°, 2° et 3°, de faire ".
Art. 487. Artikel 485 treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art.491. A l'article 11, § 1er, alinéa 1er, de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots " ainsi que " sont supprimés;
  2° le mot " et " situé entre " l'exécution des décisions du conseil d'administration " et " la négociation du contrat de gestion " est remplacé par " , ";
  3° les mots " et l'élaboration des modalités d'exécution selon lesquelles sont organisées les loteries publiques, paris, concours et jeux de hasard ainsi que les règles de participation à ces loteries, paris, concours et jeux de hasard, " sont insérés entre les mots " la négociation du contrat de gestion " et " sont confiées à un comité de direction ".
HOOFDSTUK 3. - Nationale Loterij.
CHAPITRE 3. - La Loterie nationale.
Art. 488. In artikel 3, § 1, eerste en tweede lid, van de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij, wordt het woord " nadere " telkens vervangen door het woord " algemene ".
Art. 488. A l'article 3, § 1er, alinéas 1er et 2, de la loi du 19 avril 2002 relative à la rationalisation du fonctionnement et de la gestion de la Loterie Nationale, le mot " modalités " est chaque fois remplacé par les mots " modalités générales ".
Art. 489. In artikel 6, § 1, 1°, 2° en 3°, van dezelfde wet, wordt het woord " nadere " vervangen door het woord " algemene ".
Art. 489. A l'article 6, § 1er,1°, 2° et 3°, de la même loi, le mot " modalités " est chaque fois remplacé par les mots " modalités générales ".
Art. 490. In artikel 7 van dezelfde wet worden de woorden " van de diensten bedoeld in artikel 6, § 1, 1°, 2° en 3°, voor zover er voor de organisatie van deze diensten gebruik wordt gemaakt " vervangen door de woorden " het recht voor de diensten bedoeld in artikel 6, § 1, 1°, 2° en 3°, gebruik te maken ".
Art. 490. Dans l'article 7 de la même loi, les mots " des services visés à l'article 6, § 1er, 1°, 2° et 3°, pour autant que pour l'organisation de ces services, il soit fait " sont remplacés par les mots " le droit pour les services visés à l'article 6, § 1er, 1°, 2° et 3°, de faire ".
Art. 491. In artikel 11, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het woord " alsmede " wordt geschrapt;
  2° het woord " en " tussen " de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur " en " de onderhandelingen over het beheerscontract " wordt vervangen door " , ";
  3° de woorden " en de uitwerking van de uitvoeringsregels volgens dewelke de openbare loterijen, weddenschappen, wedstrijden en kansspelen worden georganiseerd, alsook de deelnemingsregels aan deze loterijen, weddenschappen, wedstrijden en kansspelen " worden ingevoegd tussen de woorden " de onderhandelingen over het beheerscontract " en " worden opgedragen aan een directiecomité ".
Art. 491. A l'article 11, § 1er, alinéa 1er, de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots " ainsi que " sont supprimés;
  2° le mot " et " situé entre " l'exécution des décisions du conseil d'administration " et " la négociation du contrat de gestion " est remplacé par " , ";
  3° les mots " et l'élaboration des modalités d'exécution selon lesquelles sont organisées les loteries publiques, paris, concours et jeux de hasard ainsi que les règles de participation à ces loteries, paris, concours et jeux de hasard, " sont insérés entre les mots " la négociation du contrat de gestion " et " sont confiées à un comité de direction ".
TITEL XV. - Mobiliteit.
Art.493. (Abrogé)
HOOFDSTUK 1. - N.M.B.S.
Section 3. - Versement de 148 736 114,88 euros par la SFP à la S.N.C.B..
Afdeling 1. - Overname van de schuld.
Art.494. A partir du 1er décembre 2003, la SNCB est autorisée à procéder à une augmentation de capital de 64 135 960 euros actions ordinaires, d'une valeur unitaire nominale de 3,09866906 euros, soit un total de cent nonante-huit millions euros sept cent trente-six mille cent quatorze euros et quatre-vingt-neuf cents (198 736 114,89 euros).
Art. 492. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)">Opgeheven art. 20 van 28 SEPTEMBER 2008. - Koninklijk besluit betreffende de herstructurering van het Fonds voor spoorweginfrastructuur. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding bij W2009-08-21/05, art. 2, 1°) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-12-2008 en tekstbijwerking tot 24-12-2008)
Section 4. - Modification de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques.
Afdeling 2. - Overdracht van 1/5 van de dividenden.
Art.495. A l'article 161, alinéa 1er, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, les mots " réalisé sur base de l'avis du comité d'audit " sont remplacés par les mots " réalisé après avoir recueilli l'avis du comité d'audit ".
Art.496. A l'article 161bis , § 1er, dernier alinéa, de la même loi, les mots " un rapport mensuel des comptes par secteur d'activités " sont remplacés par les mots " un rapport trimestriel des comptes par secteur d'activités ". (NOTE : la loi-programme 2003-12-22/42, art. 463, remplace complètement l'article 161bis en question, avec premier effet à l'exercice comptable 2003. Justel considère que ce remplacement rend sans effet la modification apportée par le présent article 496.)
Afdeling 3. - Storting van 148.736.114,88 euro door de FPM aan de N.M.B.S..
Art.497. A l'article 161ter de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
Art. 494. <W 2003-12-22/42, art. 472, 006 ; Inwerkingtreding : 31-12-2003> Vanaf 1 december 2003 is de NMBS gemachtigd om over te gaan tot een kapitaalverhoging van 64 135 960 euro gewone aandelen, met een nominale eenheidswaarde van 3,09866906 euro, wat neerkomt op een totaal van honderd achtennegentig miljoen zevenhonderd zesendertigduizend honderd en veertien euro en negenentachtig cent, (198 736 114,89 euro).
  Voornoemde kapitaalverhoging gebeurt met naleving van artikel 56 van de programmawet van 20 december 1995 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen.
  Deze kapitaalsverhoging van de NMBS zal voor 148 736 114,88 euro uiterlijk op 31 december 2003 worden onderschreven door de HST-Fin.
  De HST-Fin zal in 2004 op een tweede kapitaalverhoging van de NMBS voor 50,01 miljoen euro onderschrijven, waarvan vijfentwintig miljoen met storting uiterlijk op 10 januari 2004 en vijfentwintig miljoen euro en één cent volgens de modaliteiten bepaald in een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad.
Art. 494. <L 2003-12-22/42, art. 472, 006 ; En vigueur : 31-12-2003> A partir du 1er décembre 2003, la SNCB est autorisée à procéder à une augmentation de capital de 64 135 960 euros actions ordinaires, d'une valeur unitaire nominale de 3,09866906 euros, soit un total de cent nonante-huit millions euros sept cent trente-six mille cent quatorze euros et quatre-vingt-neuf cents (198 736 114,89 euros).
  L'augmentation de capital précitée se fait dans le respect de l'article 56 de la loi-programme du 20 décembre 1995 portant des dispositions fiscales, financières et diverses.
  Cette augmentation de capital de la SNCB sera souscrite à hauteur de 148 736 114,88 euros au plus tard le 31 décembre 2003 par la Financière TGV.
  La TGV-Fin souscrira à une deuxième augmentation de capital de la SNCB de cinquante millions d'euros et un cent, dont 25 millions d'euros seront versés au plus tard le 10 janvier 2004, et 25 millions d'euros et un cent seront versés selon les modalités définies par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
Afdeling 4. - Wijziging van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.
Art.499. L'article 162quater , alinéa 4, de la même loi, est complété par la disposition suivante :
Art. 495. In artikel 161, eerste lid, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, worden de woorden " opgesteld op grond van het advies van het auditcomité " vervangen door de woorden " opgesteld nadat het advies van het auditcomité is ingewonnen ".
Art. 495. A l'article 161, alinéa 1er, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, les mots " réalisé sur base de l'avis du comité d'audit " sont remplacés par les mots " réalisé après avoir recueilli l'avis du comité d'audit ".
Art. 496. In artikel 161bis, § 1, laatste lid, van dezelfde wet, worden de woorden " legt iedere maand een verslag voor van de rekeningen per activiteitssector " vervangen door de woorden " legt driemaandelijks een verslag voor van de rekeningen per activiteitssector ". (NOTA : de programma-wet 2003-12-22/42, art. 463, vervangt volledig het betrokken artikel 161bis, met eerste toepassing voor het boekjaar 2003. Justel beschouwt dat deze vervanging de door het onderhavig artikel 496 aangebrachte verwijzing vernietigt.)
Art. 496. A l'article 161bis , § 1er, dernier alinéa, de la même loi, les mots " un rapport mensuel des comptes par secteur d'activités " sont remplacés par les mots " un rapport trimestriel des comptes par secteur d'activités ". (NOTE : la loi-programme 2003-12-22/42, art. 463, remplace complètement l'article 161bis en question, avec premier effet à l'exercice comptable 2003. Justel considère que ce remplacement rend sans effet la modification apportée par le présent article 496.)
Art. 497. In artikel 161ter van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Het auditcomité bestaat uit vier bestuurders, anderen dan de gedelegeerd bestuurder. De raad van bestuur benoemt de leden van het auditcomité. Dit comité mag de gedelegeerd bestuurder uitnodigen op zijn vergaderingen, die er zetelt met raadgevende stem.
  Het benoemings- en bezoldigingscomité bestaat uit vier bestuurders, waaronder de voorzitter van de raad van bestuur die het comité voorzit, en de gedelegeerd bestuurder. De raad van bestuur benoemt de leden van benoemings- en bezoldigingscomité. ";
  2° in § 3 wordt het derde lid vervangen door volgende bepaling :
  " De regeringscommissaris neemt met raadgevende stem deel aan de vergaderingen van het auditcomité. De algemene vergadering kan, op voorstel van de raad van bestuur, een extern auditeur aanduiden opdat hij eveneens met raadgevende stem zou deelnemen aan de vergaderingen van dit comité. ";
  3° in § 5 wordt het eerste lid vervangen door de volgende bepaling :
  " Het strategisch comité bestaat uit :
  1° de tien leden van de raad van bestuur;
  2° vier leden van het directiecomité, bij wie de gedelegeerd bestuurder van de N.M.B.S. niet is inbegrepen;
  3° zes leden die de vakorganisaties vertegenwoordigen die zijn aangesloten bij een interprofessionele organisatie die zetelt in de Nationale Arbeidsraad; ";
  4° in § 5, vijfde lid, worden de woorden " op voorstel van de minister die bevoegd is voor de Spoorwegen " vervangen door de woorden " op voorstel van de representatieve vakorganisaties. ";
  5° in § 7 worden de woorden " voorgezeten door de voorzitter van de raad van bestuur " vervangen door de woorden " voorgezeten door de gedelegeerd bestuurder ".
Art. 497. A l'article 161ter de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
  " Le comité d'audit est composé de quatre administrateurs, à l'exclusion de l'administrateur délégué. Le conseil d'administration nomme les membres du comité d'audit. Ce comité peut inviter à ses réunions l'administrateur délégué, qui y siège avec voix consultative.
  Le comité de nomination et de rémunération est composé de quatre administrateurs, dont le président du conseil d'administration qui le préside et l'administrateur délégué. Le conseil d'administration nomme les membres du comité de nomination et de rémunération. ";
  2° au § 3, l'alinéa 3 est remplacé par la disposition suivante :
  " Le commissaire du gouvernement participe avec voix consultative aux réunions du comité d'audit. L'assemblée générale peut désigner, sur proposition du conseil d'administration, un auditeur extérieur afin qu'il participe également avec voie consultative aux réunions de ce comité. ";
  3° au § 5, l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " Le comité stratégique est composé :
  1° des dix membres du conseil d'administration;
  2° de quatre membres du comité de direction, en ce non compris l'administrateur délégué de la S.N.C.B.;
  3° de six membres représentant les organisations représentatives des travailleurs affiliées à une organisation interprofessionnelle siégeant au Conseil national du travail; ";
  4° au 5e alinéa du § 5, les mots " sur la proposition du ministre ayant les Chemins de fer dans ses attributions " sont remplacés par les mots " sur la proposition des organisations représentatives des travailleurs. ";
  5° au § 7, les mots " présidé par le président du conseil d'administration " sont remplacés par les mots " présidé par l'administrateur délégué ".
Art. 498. In artikel 162ter van dezelfde wet, wordt het volgende lid ingevoegd tussen het eerste en het tweede lid :
  " Onverminderd artikel 29, § 1, derde lid, worden de personeelsleden van de N.M.B.S. benoemd of aangeworven bij of krachtens een beslissing van de raad van bestuur op voorstel van het directiecomité. "
Art.502. Article 17 de la même loi est complété par un § 4, rédigé comme suit :
  " § 4. Le conseil d'administration constitue en son sein un comité des rémunérations ainsi que tout autre comité qu'il estimera nécessaire. Il en fixe la composition et le mode de fonctionnement en se conformant à la présente loi.
  Le comité de rémunération remet une proposition de décision au conseil d'administration, au Roi ou à l'assemblée générale selon le cas, pour chaque décision relative aux avantages pécuniaires, directs ou immédiats, indirects ou postposés, liés directement à la fonction ou accordés aux membres des organes de gestion. Il établit en outre annuellement un rapport relatif aux rémunérations qui sera inséré dans le rapport de gestion. "
Art. 499. Artikel 162quater , vierde lid, van dezelfde wet, wordt aangevuld met de volgende bepaling :
  " De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de akten waarvan de goedkeuringswijze afwijkt van dit artikel. "
Art.503. Dans l'article 27, § 2, un nouvel alinéa est inséré entre l'alinéa 1er et 2, rédige comme suit :
  " Le rapport de gestion comprendra en outre des informations complètes sur la rémunération des membres des organes de gestion ainsi que sur les mandats et les rémunérations y afférent que ces membres et le personnel de l'entreprise exercent dans les sociétés, groupements et organismes dans lesquels l'entreprise détient des participations ou au fonctionnement desquels elle contribue, et où ces personnes ont été désignées sur sa proposition. "
Art. 500. Artikel 162septies van dezelfde wet wordt aangevuld met de woorden " ; voor de gedelegeerd bestuurder, wordt onderhavig artikel opgeschort tot afloop van zijn huidig mandaat "
Art. 500. L'article 162septies de la même loi est complété par les mots " ; pour l'administrateur délégué, le présent article est suspendu jusqu'au terme de son actuel mandat ".
Art. 501. Artikel 162octies van dezelfde wet, waarvan de huidige tekst § 1 zal uitmaken, wordt aangevuld met een § 2, luidende :
  " § 2. Het auditcomité, het strategisch comité, het directiecomité, het benoemings- en bezoldigingscomité stellen een huishoudelijk reglement op, dat uitdrukkelijk het kader formuleert dat hun werking regelt. De huishoudelijke reglementen worden ter goedkeuring voorgelegd aan de raad van bestuur. "
Art.504. § 1er. Le Roi fixe les conditions de la mise en oeuvre d'un programme d'isolation acoustique des habitations aux abords de l'aéroport de Bruxelles-National. A cette fin, Il définit les degrés d'atténuation sonore à atteindre dans le cadre du programme, les contours des zones de bruit, les logements éligibles, les pièces susceptibles de faire l'objet des travaux d'isolation, ainsi que les autres modalités de mise en oeuvre du programme, en ce compris, le cas échéant, le rachat de certaines catégories de logements.
  § 2. L'exploitant de l'aéroport de Bruxelles-National est chargé de la mise en oeuvre du programme d'isolation et du financement de celui-ci, au travers de deux sociétés qu'il aura constituées à cette fin, la première chargée de l'exécution du programme et l'autre de son financement. Ces deux sociétés, ainsi que les intervenants à qui elles confieraient des missions dans le cadre du programme, peuvent seules être tenues responsables de l'exécution du programme.
  § 3. Le Roi peut instituer des redevances afin de financer le programme d'isolation et en imposer la perception à l'exploitant de l'aéroport de Bruxelles-National, à la charge de toute personne physique ou morale transportant par voie aérienne des passagers, des bagages, du courrier ou du fret, au départ de l'aéroport de Bruxelles-National.
  § 4. Le Roi détermine les conditions auxquelles l'Etat belge ou une institution publique qui ressortit sous sa compétence peut, le cas échéant au côté des Régions concernées, prendre une participation dans le capital de la société chargée du financement du programme d'isolation, en ce compris par la souscription de parts bénéficiaires. La société chargée du financement du programme d'isolation est autorisée à contracter, sous la garantie de l'état, un emprunt de 35,7 millions d'euros. Les conditions de cet emprunt doivent être soumises à l'approbation du Ministre des Finances.
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven ter versterking van de transparantieregels voor alle autonome overheidsbedrijven.
CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 21 mars 1991 portant reforme de certaines entreprises publiques en vue d'accroître les règles de transparence pour l'ensemble des entreprises publiques autonomes.
Art. 502. Artikel 17 van dezelfde wet wordt aangevuld met een § 4, luidende :
  " § 4. De raad van bestuur richt in zijn schoot een bezoldigingscomité op, alsook elk ander comité dat hij nodig zal achten. Hij legt de samenstelling en de werkingswijze ervan vast in overeenstemming met deze wet.
  Het bezoldigingscomité maakt een voorstel van beslissing, naargelang van het geval, over aan de raad van bestuur, aan de Koning of aan de algemene vergadering, voor elke beslissing betreffende geldelijke voordelen, rechtstreekse of onmiddellijke, onrechtstreekse of uitgestelde, rechtstreeks verbonden aan de functie of toegekend aan leden van beheersorganen. Hij stelt daarnaast jaarlijks een verslag op betreffende de bezoldigingen dat in het beheersverslag zal worden ingevoegd. "
Art. 502. Article 17 de la même loi est complété par un § 4, rédigé comme suit :
  " § 4. Le conseil d'administration constitue en son sein un comité des rémunérations ainsi que tout autre comité qu'il estimera nécessaire. Il en fixe la composition et le mode de fonctionnement en se conformant à la présente loi.
  Le comité de rémunération remet une proposition de décision au conseil d'administration, au Roi ou à l'assemblée générale selon le cas, pour chaque décision relative aux avantages pécuniaires, directs ou immédiats, indirects ou postposés, liés directement à la fonction ou accordés aux membres des organes de gestion. Il établit en outre annuellement un rapport relatif aux rémunérations qui sera inséré dans le rapport de gestion. "
Art. 503. In artikel 27, § 2, van dezelfde wet wordt tussen het eerste en het tweede lid, een nieuw lid toegevoegd, luidende :
  " Het beheersverslag omvat verder volledige informatie over de bezoldiging van de leden van de beheersorganen alsook over de mandaten en de bijhorende bezoldigingen die deze leden en het personeel van het bedrijf uitoefenen binnen de vennootschappen, groepen en organismen binnen dewelke het bedrijf participaties bezit of waarvoor zij bijdraagt aan de werking, en waar deze personen op haar voorstel werden aangewezen. "
Art.505. Au tableau annexé à la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires, la rubrique 32 - Affaires économiques, est complétée comme suit :
  1° la première colonne, " Dénomination du fonds budgétaire organique ", est complétée par la rubrique :
  " 32-11 Fonds Institut national de statistique ";
  2° la deuxième colonne, " Nature des recettes affectées, est complétée par la rubrique 32-11, rédigée comme suit :
  " Recettes de l'Institut national de Statistique résultant de prestations de services à des tiers ";
  3° la troisième colonne, " Nature des dépenses autorisées ", est complétée par la rubrique 32-11, rédigée comme suit :
  " Dépenses de toute nature de l'Institut national de statistique dans le cadre de ses prestations de services à des tiers ".
HOOFDSTUK 3. - Bepalingen met betrekking tot het akoestisch isolatieprogramma voor de woningen in de omgeving van de luchthaven Brussel-Nationaal.
CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 11 avril 1999 relative aux contrats portant sur l'acquisition d'un droit d'utilisation d'immeubles à temps partagé.
Art. 504. § 1. De Koning stelt de voorwaarden vast voor de uitvoering van een akoestisch isolatieprogramma voor de woningen in de omgeving van de luchthaven Brussel-Nationaal. Hij bepaalt te dien einde de niveaus van geluidswering die moeten worden bereikt in het kader van het programma, de contouren van de geluidszones, de woningen waarop het programma betrekking heeft, de plaatsen die voor isolatiewerken in aanmerking komen, evenals alle andere modaliteiten ter uitvoering van het programma met inbegrip van, in voorkomend geval, de aankoop van bepaalde categorieën van woningen.
  § 2. De exploitant van de luchthaven Brussel-Nationaal wordt belast met de uitvoering van het isolatieprogramma en de financiering ervan via twee ondernemingen die hij te dien einde opricht. Een onderneming staat in voor de uitvoering van het isolatieprogramma; de andere staat in voor de financiering ervan. Enkel deze beide ondernemingen evenals elke andere persoon waarop zij in het kader van het programma beroep zouden doen, kunnen aansprakelijk worden gesteld voor de uitvoering van het programma.
  § 3. De Koning kan vergoedingen opleggen ter financiering van het isolatieprogramma en de exploitant van de luchthaven Brussel-Nationaal belasten met de inning ervan, ten laste van iedere natuurlijke of rechtspersoon die vanaf de luchthaven Brussel-Nationaal door de lucht passagiers, bagage, post of vracht vervoert.
  § 4. De Koning bepaalt de nadere regelen waaronder de Belgische Staat of een openbare instelling die onder haar bevoegdheid valt, benevens in voorkomend geval de betrokken Gewesten, een participatie kan nemen in het kapitaal van de vennootschap belast met de financiering van het isolatieprogramma, met inbegrip van het onderschrijven van winstbewijzen. De onderneming belast met de financiering van het isolatieprogramma kan, onder staatswaarborg, een lening van 35,7 miljoen euro aangaan. De voorwaarden van deze lening moeten worden onderworpen aan de goedkeuring van de Minister van Financiën.
Art. 504. § 1er. Le Roi fixe les conditions de la mise en oeuvre d'un programme d'isolation acoustique des habitations aux abords de l'aéroport de Bruxelles-National. A cette fin, Il définit les degrés d'atténuation sonore à atteindre dans le cadre du programme, les contours des zones de bruit, les logements éligibles, les pièces susceptibles de faire l'objet des travaux d'isolation, ainsi que les autres modalités de mise en oeuvre du programme, en ce compris, le cas échéant, le rachat de certaines catégories de logements.
  § 2. L'exploitant de l'aéroport de Bruxelles-National est chargé de la mise en oeuvre du programme d'isolation et du financement de celui-ci, au travers de deux sociétés qu'il aura constituées à cette fin, la première chargée de l'exécution du programme et l'autre de son financement. Ces deux sociétés, ainsi que les intervenants à qui elles confieraient des missions dans le cadre du programme, peuvent seules être tenues responsables de l'exécution du programme.
  § 3. Le Roi peut instituer des redevances afin de financer le programme d'isolation et en imposer la perception à l'exploitant de l'aéroport de Bruxelles-National, à la charge de toute personne physique ou morale transportant par voie aérienne des passagers, des bagages, du courrier ou du fret, au départ de l'aéroport de Bruxelles-National.
  § 4. Le Roi détermine les conditions auxquelles l'Etat belge ou une institution publique qui ressortit sous sa compétence peut, le cas échéant au côté des Régions concernées, prendre une participation dans le capital de la société chargée du financement du programme d'isolation, en ce compris par la souscription de parts bénéficiaires. La société chargée du financement du programme d'isolation est autorisée à contracter, sous la garantie de l'état, un emprunt de 35,7 millions d'euros. Les conditions de cet emprunt doivent être soumises à l'approbation du Ministre des Finances.
TITEL XVI. - Economie.
Art.507. Les dispositions de l'article 506 ne s'appliquent pas aux contrats conclus avant l'entrée en vigueur de ces dispositions.
HOOFDSTUK 1. - Begrotingsfonds Nationaal Instituut voor de statistiek.
CHAPITRE 3. - Modification de la loi du 9 janvier 2000 relative aux virements d'argent transfrontaliers.
Art. 505. In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, wordt de rubriek 32 - Economische Zaken aangevuld als volgt :
  1° de eerste kolom, " Benaming van het organiek begrotingsfonds ", wordt aangevuld met de rubriek :
  " 32-11 Fonds Nationaal Instituut voor de statistiek ";
  2° de tweede kolom, " Aard van de toegewezen ontvangsten ", wordt aangevuld met de rubriek 32-11, luidende :
  " Ontvangsten van het Nationaal Instituut voor de statistiek afkomstig van dienstverlening aan derden ";
  3° de derde kolom, " Aard van de gemachtigde uitgaven ", wordt aangevuld met de rubriek 32-11, luidende :
  " Uitgaven van gelijk welke aard van het Nationaal Instituut voor de statistiek in het kader van zijn dienstverlening aan derden ".
Art.508. Dans la loi du 9 janvier 2000 relative aux virements d'argent transfrontaliers, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'intitulé de la même loi est remplacé par l'intitule suivant : " Loi relative aux virements d'argent et paiements transfrontaliers ";
  2° les articles 1er à 12 y compris de la même loi, formeront un chapitre Ier intitulé comme suit :
  " Chapitre I. - Transposition de la Directive 97/5/CE du Parlement européen et du Conseil du 27 janvier 1997 concernant les virements transfrontaliers ";
  3° dans le texte des articles 1, 2, 3, 10 et 12 de la même loi, les mots " la présente loi " ou " de la présente loi " sont chaque fois remplacés par les mots " le présent chapitre " ou " du présent chapitre ";
  4° il est inséré après l'article 11 de la même loi un nouveau chapitre II, rédigé comme suit :
  " Chapitre II. - Répression des infractions au règlement (CE) n° 2560/2001 du Parlement européen et du Conseil du 19 décembre 2001 concernant les paiements transfrontaliers en euros.
  Art. 11bis. § 1er. Sont punis d'une amende de 250 à 10.000 euros, ceux qui commettent une infraction aux dispositions des articles 3, 4 et 5 du règlement (CE) n° 2560/2001 du Parlement européen et du Conseil du 19 décembre 2001 concernant les paiements transfrontaliers en euros.
  § 2. Sans préjudice de l'application des règles habituelles en matière de récidive, les peines prévues au § 1er sont doublées en cas d'infraction aux dispositions du § 1er, du présent article, intervenant dans les cinq ans à dater d'une condamnation coulée en force de chose jugée prononcée du chef d'une infraction aux dispositions de l'article précité.
  § 3. Le tribunal peut ordonner l'affichage du jugement ou du résumé qu'il en rédige pendant le délai qu'il détermine aussi bien à l'extérieur qu'à l'intérieur des établissements du contrevenant et aux frais de celui-ci de même que la publication du jugement ou du résumé aux frais du contrevenant par la voie des journaux ou de toute autre manière; il peut, en outre, ordonner la confiscation des bénéfices illicites réalisés à la faveur de l'infraction.
  § 4. Les sociétés et associations ayant la personnalité civile sont civilement responsables des condamnations aux dommages-intérêts, amendes, frais, confiscations, restitutions et sanctions pécuniaires quelconques prononcées pour infraction aux dispositions de la présente loi contre leurs organes ou préposés.
  Il en est de même des membres de toutes associations commerciales dépourvues de la personnalité civile, lorsque l'infraction a été commise par un associé, gérant ou préposé, à l'occasion d'une opération entrant dans le cadre de l'activité de l'association. L'associé civilement responsable n'est toutefois personnellement tenu qu'à concurrence des sommes ou valeurs qu'il a retirées de l'opération.
  Ces sociétés, associations et membres pourront être cités directement devant la juridiction répressive par le ministère public ou la partie civile.
  § 5. Les dispositions du livre 1er du Code pénal, sans exception du chapitre VII et de l'article 85, sont applicables aux infractions visées par le présent article.
  Par dérogation à l'article 43 du Code pénal, le tribunal apprécie, lorsqu'il prononce une condamnation pour l'une des infractions visées par le présent article, s'il y a lieu d'ordonner la confiscation spéciale. La présente disposition n'est pas d'application dans le cas de récidive visé par le § 2.
  A l'expiration d'un délai de dix jours à compter du prononcé, le greffier du tribunal ou de la cour est tenu de porter à la connaissance du ministre ayant les Affaires économiques dans ses attributions, par lettre ordinaire, tout jugement ou arrêt relatif à une infraction visée par la présente loi.
  Le greffier est également tenu d'aviser sans délai le ministre de tout recours introduit contre pareille décision.
  Art. 11ter. Lorsqu'il est constaté une infraction aux dispositions de l'article 11bis , § 1er, le ministre qui a les Affaires économiques dans ses attributions ou l'agent commissionné en application de l'article 11quater , peut adresser au contrevenant un avertissement le mettant en demeure de mettre fin à cet acte.
  L'avertissement est notifié au contrevenant dans un délai de trois semaines à dater de la constatation des faits, par lettre recommandée avec accusé de réception ou par la remise d'une copie du procès-verbal de constatation des faits.
  L'avertissement mentionne :
  1° les faits imputés et la ou les dispositions légales enfreintes;
  2° le délai dans lequel il doit y être mis fin;
  3° qu'au cas où il n'est pas donné suite à l'avertissement, les agents commissionnés en application de l'article 11quater pourront aviser le procureur du Roi ou proposer un règlement transactionnel tel que prévu à l'article 11quinquies.
  Art. 11quater. § 1er. Sans préjudice des attributions des officiers de police judiciaire, les agents commissionnés par le ministre ayant les Affaires économiques dans ses attributions sont compétents pour rechercher et constater les infractions mentionnées à l'article 11bis , § 1er. Les procès-verbaux dressés par ces agents font foi jusqu'à preuve du contraire. Une copie en est adressée au contrevenant, par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, dans les trente jours de la date des constatations.
  § 2. Dans l'exercice de leur fonction, les agents visés au § 1er peuvent :
  1° pénétrer, pendant les heures habituelles d'ouverture ou de travail, dans les locaux et pièces dont l'accès est nécessaire à l'accomplissement de leur mission;
  2° faire toutes les constatations utiles, se faire produire, sur première réquisition et sans déplacement, les documents, pièces ou livres nécessaires à leurs recherches et constatations et en prendre copie;
  3° saisir, contre récépissé, les documents, pièces ou livres qui sont nécessaires pour faire la preuve d'une infraction ou pour rechercher les coauteurs ou complices des contrevenants; la saisie est levée de plein droit à défaut de confirmation par le ministère public dans les quinze jours;
  4° s'ils ont des raisons de croire à l'existence d'une infraction, pénétrer dans les locaux habités, avec l'autorisation préalable du juge du tribunal de police. Les visites dans les locaux habités doivent s'effectuer entre huit et dix-huit heures et être faites conjointement par deux agents au moins.
  § 3. Dans l'exercice de leur fonction, les agents visés au § 1er peuvent requérir l'assistance de la police.
  § 4. Sans préjudice de leur subordination à leurs supérieurs dans l'administration, les agents commissionnés exercent les pouvoirs qui leur sont accordés par le présent article sous la surveillance du procureur général et du procureur fédéral pour ce qui concerne les tâches de recherche et de constatation des délits visés par la présente loi.
  § 5. En cas d'application de l'article 11ter , le procès-verbal visé au § 1er n'est transmis au procureur du Roi que lorsqu'il n'a pas été donné suite à l'avertissement.
  En cas d'application de l'article 11quinquies , le procès-verbal n'est transmis au procureur du Roi que lorsque le contrevenant n'a pas accepté la proposition de transaction.
  Art. 11quinquies. Les agents commissionnés à cette fin par le ministre ayant les Affaires économiques dans ses attributions peuvent, au vu des procès-verbaux constatant une infraction aux dispositions visées à l'article 11bis , § 1er, et dressés par les agents visés à l'article 11quater , proposer aux contrevenants le paiement d'une somme qui éteint l'action publique.
  Les tarifs ainsi que les modalités de paiement et de perception sont fixés par le Roi.
  La somme prévue à l'alinéa 1er ne peut être supérieure au maximum de l'amende prévue à l'article 11bis , § 1er, de la présente loi, majorée des décimes additionnels.
  Le paiement effectué dans le délai indiqué éteint l'action publique sauf si auparavant, une plainte a été adressée au procureur du Roi, le juge d'instruction a été requis d'instruire ou le tribunal a été saisi du fait. Dans ces cas, les sommes payées sont restituées au contrevenant. ";
  5° l'article 13 de la même loi formera un chapitre III, intitulé comme suit : " Chapitre III. - Disposition finale ".
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 11 april 1999 betreffende de overeenkomsten inzake de verkrijging van een recht van deeltijds gebruik van onroerende goederen.
CHAPITRE 2. - Modification de la loi du 11 avril 1999 relative aux contrats portant sur l'acquisition d'un droit d'utilisation d'immeubles à temps partagé.
Art. 506. In artikel 2 van de wet van 11 april 1999 betreffende de overeenkomsten inzake de verkrijging van een recht van deeltijds gebruik van onroerende goederen, gewijzigd bij wet van 19 januari 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in punt 1° worden de woorden " ten minste drie jaar " vervangen door de woorden " meer dan één jaar ",
  2° punt 1° wordt aangevuld met de volgende bepaling :
  " Worden eveneens bedoeld de overeenkomsten met een looptijd van één jaar of minder die voorzien in een stilzwijgende verlenging. "
Art. 506. A l'article 2 de la loi du 11 avril 1999 relative aux contrats portant sur l'acquisition d'un droit d'utilisation d'immeubles à temps partagé, modifiée par la loi du 19 janvier 2001, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au point 1°, les mots " au moins trois ans " sont remplacés par " plus d'un an ",
  2° le point 1° est complété par la disposition suivante :
  " Sont également visés les contrats d'une durée égale ou inférieure à un an qui prévoient une tacite reconduction. "
Art. 507. De bepalingen van artikel 506 zijn niet van toepassing op de overeenkomsten die werden gesloten vóór de inwerkingtreding van deze bepalingen.
Art.510. Le Service fédéral belge d'information est dissout à la date fixée par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
  Sur proposition du premier ministre et du ministre des Affaires étrangères, le Roi règle, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le transfert des biens, droits et obligations du Service fédéral belge d'information au Service public fédéral Chancellerie du Premier ministre et au Service public fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement.
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van de wet van 9 januari 2000 betreffende grensoverschrijdende geldoverschrijvingen.
Art. 511. Les articles 509 et 511 entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
Art. 508. In de wet van 9 januari 2000 betreffende grensoverschrijdende geldoverschrijvingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het opschrift van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : " Wet betreffende grensoverschrijdende geldoverschrijvingen en betalingen ";
  2° de artikelen 1 tot en met 12 van dezelfde wet vormen een hoofdstuk I, waarvan het opschrift luidt als volgt :
  " Hoofdstuk I. - Omzetting van de Richtlijn 97/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 1997 betreffende de grensoverschrijdende overschrijvingen ";
  3° in de tekst van de artikelen 1, 2, 3, 10 en 12 van dezelfde wet worden de woorden " deze wet " telkens vervangen door de woorden " dit hoofdstuk ";
  4° na artikel 11 van dezelfde wet wordt een nieuw hoofdstuk II ingevoegd, luidende :
  " Hoofdstuk II. - Bestraffing van inbreuken op de verordening (EG) nr. 2560/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 2001 betreffende grensoverschrijdende betalingen in euro.
  Art. 11bis. § 1. Worden gestraft met een geldboete van 250 euro tot 10.000 euro, zij die de bepalingen overtreden van de artikelen 3, 4 en 5 van de verordening (EG) nr. 2560/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 2001 betreffende grensoverschrijdende betalingen in euro.
  § 2. Onverminderd de toepassing van de gewone regelen inzake herhaling, worden de bij § 1 bepaalde straffen verdubbeld wanneer een in § 1, van dit artikel bedoelde inbreuk zich voordoet binnen vijf jaar na een in kracht van gewijsde gegane veroordeling wegens een overtreding op voormeld artikel.
  § 3. De rechtbank kan de aanplakking van het vonnis of van de door haar opgestelde samenvatting ervan bevelen gedurende de door haar bepaalde termijn zowel buiten als binnen de inrichtingen van de overtreder, evenals de bekendmaking van het vonnis of van de samenvatting ervan door middel van kranten of op enige andere wijze, en dit alles op kosten van de overtreder; zij kan bovendien de verbeurdverklaring bevelen van de ongeoorloofde winsten die met behulp van de inbreuk werden gemaakt.
  § 4. De vennootschappen en verenigingen met rechtspersoonlijkheid zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de veroordelingen tot schadevergoeding, geldboeten, kosten, verbeurdverklaringen, teruggave en geldelijke sancties van welke aard ook, die wegens inbreuk op de bepalingen van deze wet tegen hun organen of aangestelden zijn uitgesproken.
  Dit geldt eveneens voor de leden van alle handelsverenigingen die geen rechtspersoonlijkheid bezitten, wanneer de inbreuk door een vennoot, zaakvoerder of aangestelde is gepleegd ter gelegenheid van een tot de werkzaamheid van de vereniging behorende verrichting. Evenwel is de burgerrechtelijk aansprakelijke vennoot persoonlijk niet verder gehouden dan tot de sommen of waarden die de verrichting hem opgebracht heeft.
  Deze vennootschappen, verenigingen en leden kunnen rechtstreeks voor de strafrechter gedagvaard worden door het openbaar ministerie of door de burgerlijke partij.
  § 5. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, zijn van toepassing op de inbreuken bedoeld in dit artikel.
  In afwijking van artikel 43 van het Strafwetboek, oordeelt de rechtbank, zo deze een veroordeling uitspreekt naar aanleiding van een van de inbreuken bedoeld in dit artikel, of de bijzondere verbeurdverklaring bevolen moet worden. Deze bepaling is niet van toepassing in het geval van herhaling als bedoeld in § 2.
  Na het verstrijken van een termijn van tien dagen na de uitspraak, is de griffier van de rechtbank of van het hof ertoe gehouden de minister tot wiens bevoegdheid de Economische Zaken behoren, elk vonnis of arrest betreffende een inbreuk bedoeld in dit artikel ter kennis te brengen bij een gewone brief.
  De griffier is eveneens verplicht de minister onverwijld in te lichten over elke voorziening tegen een dergelijke uitspraak.
  Art. 11ter. Wanneer een inbreuk als bedoeld in artikel 11bis , § 1 wordt vastgesteld, kan de minister tot wiens bevoegdheid de Economische Zaken behoren, of de door hem aangestelde ambtenaar met toepassing van artikel 11quater , een waarschuwing richten tot de overtreder, waarbij die tot stopzetting van deze handeling wordt aangemaand.
  De overtreder wordt, binnen drie weken vanaf de vaststelling van de feiten, in kennis gesteld van deze waarschuwing, per aangetekende brief met ontvangstbewijs, of door overhandiging van een kopie van het proces-verbaal van de vaststelling van de feiten.
  De waarschuwing vermeldt :
  1° de ten laste gelegde feiten en de geschonden wetsbepaling(en);
  2° de termijn waarbinnen zij dienen te worden stopgezet;
  3° dat, indien aan de waarschuwing geen gevolg wordt gegeven, de met toepassing van artikel 11quater aangestelde ambtenaren de procureur des Konings kunnen inlichten of een minnelijke regeling zoals bepaald in artikel 11quinquies voorstellen.
  Art. 11quater. § 1. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van de gerechtelijke politie, zijn de door de minister tot wiens bevoegdheid de Economische Zaken behoren aangestelde ambtenaren bevoegd om de in artikel 11bis , § 1 vermelde inbreuken op te sporen en vast te stellen. De processen-verbaal welke door die ambtenaren worden opgesteld, hebben bewijskracht tot het tegendeel is bewezen. Een afschrift ervan wordt bij een ter post aangetekende brief met ontvangstmelding binnen dertig dagen na de datum van vaststellingen, aan de overtreder toegezonden.
  § 2. In de uitoefening van hun ambt mogen de in § 1 bedoelde ambtenaren :
  1° binnentreden tijdens de gewone openings- of werkuren in de lokalen en vertrekken waar zij voor het vervullen van hun opdracht toegang moeten hebben;
  2° alle dienstige vaststellingen doen, zich op eerste vordering en ter plaatse de documenten, stukken of boeken die zij voor hun opsporingen en vaststellingen nodig hebben, doen voorleggen en daarvan afschrift nemen;
  3° tegen ontvangstbewijs beslag leggen op documenten, stukken of boeken noodzakelijk voor het bewijs van een inbreuk of om de mededaders of medeplichtigen van de overtreders op te sporen; het beslag is van rechtswege opgeheven, bij ontstentenis van een bevestiging door het openbaar ministerie binnen de vijftien dagen;
  4° indien zij redenen hebben te geloven aan het bestaan van een inbreuk, in bewoonde lokalen binnentreden met voorafgaande machtiging van de rechter bij de politierechtbank. De bezoeken in de bewoonde lokalen moeten tussen acht en achttien uur en door minstens twee ambtenaren gezamenlijk geschieden.
  § 3. In de uitoefening van hun ambt kunnen de in § 1 bedoelde ambtenaren de bijstand van de politie vorderen.
  § 4. Onverminderd hun ondergeschiktheid aan hun meerderen in het bestuur, oefenen de gemachtigde ambtenaren de hun door dit artikel verleende bevoegdheden uit onder het toezicht van de procureur-generaal en van de federale procureur voor wat de taken betreft inzake de opsporing en de vaststelling van de inbreuken omschreven in deze wet.
  § 5. In geval van toepassing van artikel 11ter , wordt het in § 1 bedoeld proces-verbaal pas toegezonden aan de procureur des Konings, wanneer aan de waarschuwing geen gevolg is gegeven.
  In geval van toepassing van artikel 11quinquies , wordt het proces-verbaal pas toegezonden aan de procureur des Konings, wanneer de overtreder niet is ingegaan op het voorstel tot minnelijke schikking.
  Art. 11quinquies. De daartoe door de minister tot wiens bevoegdheid de Economische Zaken behoren aangestelde ambtenaren kunnen, na inzage van de processen-verbaal waarbij een inbreuk wordt vastgesteld zoals bedoeld in artikel 11bis , § 1, en opgesteld door de in artikel 11quater bedoelde ambtenaren, aan de overtreders de betaling voorstellen van een som die de strafvordering doet vervallen.
  De Koning stelt de tarieven alsook de modaliteiten van betaling en inning vast.
  Het in het eerste lid bedoelde bedrag mag niet meer belopen dan het maximum van bij artikel 11bis , § 1, van deze wet bepaalde geldboete, verhoogd met de opdeciemen.
  De binnen de aangegeven termijn uitgevoerde betaling doet de strafvordering vervallen, behalve indien tevoren een klacht gericht werd aan de procureur des Konings, de onderzoeksrechter verzocht werd een onderzoek in te stellen of indien het feit bij de rechtbank aanhangig gemaakt werd. In deze gevallen worden de betaalde bedragen aan de overtreder teruggestort. ";
  5° artikel 13 van dezelfde wet vormt een hoofdstuk III, waarvan het opschrift luidt als volgt : " Hoofdstuk III. - Slotbepaling ".
Art. 508. Dans la loi du 9 janvier 2000 relative aux virements d'argent transfrontaliers, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'intitulé de la même loi est remplacé par l'intitule suivant : " Loi relative aux virements d'argent et paiements transfrontaliers ";
  2° les articles 1er à 12 y compris de la même loi, formeront un chapitre Ier intitulé comme suit :
  " Chapitre I. - Transposition de la Directive 97/5/CE du Parlement européen et du Conseil du 27 janvier 1997 concernant les virements transfrontaliers ";
  3° dans le texte des articles 1, 2, 3, 10 et 12 de la même loi, les mots " la présente loi " ou " de la présente loi " sont chaque fois remplacés par les mots " le présent chapitre " ou " du présent chapitre ";
  4° il est inséré après l'article 11 de la même loi un nouveau chapitre II, rédigé comme suit :
  " Chapitre II. - Répression des infractions au règlement (CE) n° 2560/2001 du Parlement européen et du Conseil du 19 décembre 2001 concernant les paiements transfrontaliers en euros.
  Art. 11bis. § 1er. Sont punis d'une amende de 250 à 10.000 euros, ceux qui commettent une infraction aux dispositions des articles 3, 4 et 5 du règlement (CE) n° 2560/2001 du Parlement européen et du Conseil du 19 décembre 2001 concernant les paiements transfrontaliers en euros.
  § 2. Sans préjudice de l'application des règles habituelles en matière de récidive, les peines prévues au § 1er sont doublées en cas d'infraction aux dispositions du § 1er, du présent article, intervenant dans les cinq ans à dater d'une condamnation coulée en force de chose jugée prononcée du chef d'une infraction aux dispositions de l'article précité.
  § 3. Le tribunal peut ordonner l'affichage du jugement ou du résumé qu'il en rédige pendant le délai qu'il détermine aussi bien à l'extérieur qu'à l'intérieur des établissements du contrevenant et aux frais de celui-ci de même que la publication du jugement ou du résumé aux frais du contrevenant par la voie des journaux ou de toute autre manière; il peut, en outre, ordonner la confiscation des bénéfices illicites réalisés à la faveur de l'infraction.
  § 4. Les sociétés et associations ayant la personnalité civile sont civilement responsables des condamnations aux dommages-intérêts, amendes, frais, confiscations, restitutions et sanctions pécuniaires quelconques prononcées pour infraction aux dispositions de la présente loi contre leurs organes ou préposés.
  Il en est de même des membres de toutes associations commerciales dépourvues de la personnalité civile, lorsque l'infraction a été commise par un associé, gérant ou préposé, à l'occasion d'une opération entrant dans le cadre de l'activité de l'association. L'associé civilement responsable n'est toutefois personnellement tenu qu'à concurrence des sommes ou valeurs qu'il a retirées de l'opération.
  Ces sociétés, associations et membres pourront être cités directement devant la juridiction répressive par le ministère public ou la partie civile.
  § 5. Les dispositions du livre 1er du Code pénal, sans exception du chapitre VII et de l'article 85, sont applicables aux infractions visées par le présent article.
  Par dérogation à l'article 43 du Code pénal, le tribunal apprécie, lorsqu'il prononce une condamnation pour l'une des infractions visées par le présent article, s'il y a lieu d'ordonner la confiscation spéciale. La présente disposition n'est pas d'application dans le cas de récidive visé par le § 2.
  A l'expiration d'un délai de dix jours à compter du prononcé, le greffier du tribunal ou de la cour est tenu de porter à la connaissance du ministre ayant les Affaires économiques dans ses attributions, par lettre ordinaire, tout jugement ou arrêt relatif à une infraction visée par la présente loi.
  Le greffier est également tenu d'aviser sans délai le ministre de tout recours introduit contre pareille décision.
  Art. 11ter. Lorsqu'il est constaté une infraction aux dispositions de l'article 11bis , § 1er, le ministre qui a les Affaires économiques dans ses attributions ou l'agent commissionné en application de l'article 11quater , peut adresser au contrevenant un avertissement le mettant en demeure de mettre fin à cet acte.
  L'avertissement est notifié au contrevenant dans un délai de trois semaines à dater de la constatation des faits, par lettre recommandée avec accusé de réception ou par la remise d'une copie du procès-verbal de constatation des faits.
  L'avertissement mentionne :
  1° les faits imputés et la ou les dispositions légales enfreintes;
  2° le délai dans lequel il doit y être mis fin;
  3° qu'au cas où il n'est pas donné suite à l'avertissement, les agents commissionnés en application de l'article 11quater pourront aviser le procureur du Roi ou proposer un règlement transactionnel tel que prévu à l'article 11quinquies.
  Art. 11quater. § 1er. Sans préjudice des attributions des officiers de police judiciaire, les agents commissionnés par le ministre ayant les Affaires économiques dans ses attributions sont compétents pour rechercher et constater les infractions mentionnées à l'article 11bis , § 1er. Les procès-verbaux dressés par ces agents font foi jusqu'à preuve du contraire. Une copie en est adressée au contrevenant, par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, dans les trente jours de la date des constatations.
  § 2. Dans l'exercice de leur fonction, les agents visés au § 1er peuvent :
  1° pénétrer, pendant les heures habituelles d'ouverture ou de travail, dans les locaux et pièces dont l'accès est nécessaire à l'accomplissement de leur mission;
  2° faire toutes les constatations utiles, se faire produire, sur première réquisition et sans déplacement, les documents, pièces ou livres nécessaires à leurs recherches et constatations et en prendre copie;
  3° saisir, contre récépissé, les documents, pièces ou livres qui sont nécessaires pour faire la preuve d'une infraction ou pour rechercher les coauteurs ou complices des contrevenants; la saisie est levée de plein droit à défaut de confirmation par le ministère public dans les quinze jours;
  4° s'ils ont des raisons de croire à l'existence d'une infraction, pénétrer dans les locaux habités, avec l'autorisation préalable du juge du tribunal de police. Les visites dans les locaux habités doivent s'effectuer entre huit et dix-huit heures et être faites conjointement par deux agents au moins.
  § 3. Dans l'exercice de leur fonction, les agents visés au § 1er peuvent requérir l'assistance de la police.
  § 4. Sans préjudice de leur subordination à leurs supérieurs dans l'administration, les agents commissionnés exercent les pouvoirs qui leur sont accordés par le présent article sous la surveillance du procureur général et du procureur fédéral pour ce qui concerne les tâches de recherche et de constatation des délits visés par la présente loi.
  § 5. En cas d'application de l'article 11ter , le procès-verbal visé au § 1er n'est transmis au procureur du Roi que lorsqu'il n'a pas été donné suite à l'avertissement.
  En cas d'application de l'article 11quinquies , le procès-verbal n'est transmis au procureur du Roi que lorsque le contrevenant n'a pas accepté la proposition de transaction.
  Art. 11quinquies. Les agents commissionnés à cette fin par le ministre ayant les Affaires économiques dans ses attributions peuvent, au vu des procès-verbaux constatant une infraction aux dispositions visées à l'article 11bis , § 1er, et dressés par les agents visés à l'article 11quater , proposer aux contrevenants le paiement d'une somme qui éteint l'action publique.
  Les tarifs ainsi que les modalités de paiement et de perception sont fixés par le Roi.
  La somme prévue à l'alinéa 1er ne peut être supérieure au maximum de l'amende prévue à l'article 11bis , § 1er, de la présente loi, majorée des décimes additionnels.
  Le paiement effectué dans le délai indiqué éteint l'action publique sauf si auparavant, une plainte a été adressée au procureur du Roi, le juge d'instruction a été requis d'instruire ou le tribunal a été saisi du fait. Dans ces cas, les sommes payées sont restituées au contrevenant. ";
  5° l'article 13 de la même loi formera un chapitre III, intitulé comme suit : " Chapitre III. - Disposition finale ".
TITEL XVII. - Externe Communicatie.
TITRE XVII. - Communication externe.
Art. 509. Artikel 82 van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, wordt opgeheven.
Art. 509. L'article 82 de la loi du 5 août 1978 de réformes économiques et budgétaires, est abrogé.
Art. 510. De Belgische Federale Voorlichtingsdienst wordt ontbonden op de datum bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  Op voorstel van de eerste minister en de minister van Buitenlandse Zaken, regelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de overdracht van de goederen, rechten en verplichtingen van de Belgische Federale Voorlichtingsdienst aan de Federale Overheidsdienst Kanselarij van de Eerste Minister en de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
Art. 510. Le Service fédéral belge d'information est dissout à la date fixée par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
  Sur proposition du premier ministre et du ministre des Affaires étrangères, le Roi règle, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le transfert des biens, droits et obligations du Service fédéral belge d'information au Service public fédéral Chancellerie du Premier ministre et au Service public fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement.
Art. 511. De artikelen 509 en 511 treden in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  Artikel 510 treedt in werking op de door de Koning te bepalen datum.
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 510 vastgesteld op 01-04-2003 door KB 2003-05-03/42, art. 12)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 292 vastgesteld op 01-02-2004 door KB 2003-02-02/31, art. 1)
Art. 511. Les articles 509 et 511 entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
  L'article 510 entre en vigueur à la date fixée par le Roi.
  (NOTE : Entrée en vigueur de l'article 510 fixée le 01-04-2003 par AR 2003-05-03/42, art. 12)
  (NOTE : Entrée en vigueur de l'article 292 fixée le 01-02-2004 par AR 2003-02-02/31, art. 1)