Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
20 DECEMBER 2001. - Ministerieel besluit houdende uitvoering van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen. (NOTA1 : In het geheel van de tekst wordt de vermelding " het Bestuur voor het Landbouwproductiebeheer (DG 3) " vervangen door de vermelding " de Administratie Landbouwproductiebeheer (ALP) " voor de Vlaamse Gemeenschap bij MB 2003-11-28/40, art. 5, §1; Inwerkingtreding : 01-08-2002) (NOTA2 : In het geheel van de tekst van hetzelfde besluit wordt de vermelding " provinciale bureaus " vervangen door de vermelding " Buitendiensten " voor de Vlaamse Gemeenschap bij MB 2003-11-28/40, art. 5, §2; Inwerkingtreding : 01-08-2002) (NOTA3 : In het geheel van de tekst van hetzelfde besluit wordt de vermelding " het provinciaal bureau " vervangen door de vermelding " de Buitendienst " voor de Vlaamse Gemeenschap bij MB 2003-11-28/40, art. 5, §3; Inwerkingtreding : 01-08-2002) (NOTA4 : Opgeheven voor de Vlaamse Gemeenschap vanaf het verkoopseizoen 2005-2006 bij BVR2005-07-08/37, art. 18, 9°) (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij BWG2009-05-14/19, art. 2, 33°, 005; Inwerkingtreding : 22-06-2009) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 06-02-2002 en tekstbijwerking tot 12-06-2009)
Titre
20 DECEMBRE 2001. - Arrêté ministériel portant application de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 instituant un régime de soutien aux producteurs de certaines cultures arables. (NOTE1 : Dans l'ensemble du texte, la dénomination " l'Administration de la gestion de la production agricole (DG 3) " est remplacée par la dénomination " l'Administration de la gestion de la production agricole (AGP) " pour la Communauté flamande par AM 2003-11-28/40, art. 5, §1er; En vigueur : 01-08-2002) (NOTE2 : Dans l'ensemble du texte, la dénomination " bureaux provinciaux " est remplacée par la dénomination " services extérieurs " pour la Communauté flamande par AM 2003-11-28/40, art. 5, §2; En vigueur : 01-08-2002) (NOTE3 : Dans l'ensemble du texte, la dénomination " bureau provincial " est remplacée par la dénomination " service extérieur " pour la Communauté flamande par AM 2003-11-28/40, art. 5, §3; En vigueur : 01-08-2002) (NOTE4 : Abrogé pour la Communauté flamande à partir de la campagne de commercialisation 2005-2006 par AGF2005-07-08/37, art. 18, 9°) (NOTE : abrogé pour la Région wallonne par ARW2009-05-14/19, art. 2, 33°, 005; En vigueur : 22-06-2009) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 06-02-2002 et mise à jour au 12-06-2009)
Documentinformatie
Numac: 2002016024
Datum: 2001-12-20
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2002016024
Date: 2001-12-20
Moniteur: Voir
Tekst (17)
Texte (17)
Artikel 1. § 1. Om in het kader van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen in aanmerking te komen voor de areaalbetaling, moeten de uit productie genomen oppervlakten voldoen aan de hierna vermelde voorwaarden.
  1. Deze oppervlakten dienen uit productie te worden genomen gedurende een periode die uiterlijk op 15 januari ingaat en ten vroegste op 31 augustus van hetzelfde jaar eindigt. Deze periode bedraagt bij meerjarige braak minimaal twee jaren en maximaal vijf opeenvolgende jaren.
  De betrokken producenten kunnen evenwel, maar uitsluitend met het oog op de inzaai of aanplant van kool- en raapzaad, van wintergranen of enig ander gewas dat pas het jaar nadien geoogst wordt :
  - vanaf 1 augustus de noodzakelijke werkzaamheden vóór inzaai of aanplant uitvoeren;
  - vanaf 15 augustus overgaan tot inzaai of aanplant van hogervermelde teelten.
  2. De uit productie genomen oppervlakten mogen niet worden gebruikt voor andere landbouwproducties dan bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, en ook niet voor een ander winstgevend doel dat onverenigbaar is met de akkerbouw.
  Nochtans mogen de uit productie genomen gronden gebruikt worden voor de teelt van voederleguminosen, zoals dit is voorzien in artikel 7, alinea 1, punt b van het koninklijk besluit van 19 december 2001, onder de volgende voorwaarden :
  - het landbouwbedrijf moet voor zijn totale productie beantwoorden aan de voorschriften die zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 2092/91;
  - deze uit productie genomen gronden moeten ingezaaid zijn met :
  . ofwel een of meerdere soorten voederleguminosen opgenomen in bijlage XIV van de verordening (EG) nr. 2316/1999;
  . ofwel een mengsel hoofdzakelijk samengesteld uit deze voeder-leguminosen samen met granen en/of grassen, voor zover een afzonderlijke oogst van de componenten van het mengsel niet mogelijk is.
  - voor deze oppervlakten kan geen steun toegekend worden zoals voorzien in de verordening (EG) nr. 603/1995 van de Raad van 21 februari 1995 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van de droogvoeders.
  3. De bepalingen van § 1, punt 2, eerste lid van het huidige artikel gelden evenwel niet voor bouwland bebost in het kader van artikel 31 van de verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad en afgeboekt uit hoofde van de braakleggingsverplichting voor zover deze bepalingen onverenigbaar zijn met de in de betrokken verordening vastgestelde eisen inzake bebossing.
  § 2. Indien de voor de areaalbetaling in aanmerking komende oppervlakten gelegen zijn in meerdere landbouwstreken kan :
  - de braakverplichting geheel of gedeeltelijk in een andere landbouwstreek gerealiseerd worden op voorwaarde dat de braak te leggen oppervlakten zich situeren in aan elkaar grenzende landbouwstreken en de braak te leggen oppervlakte aangepast wordt met een factor die de rendementsverhouding weergeeft van de betrokken landbouwstreken. De overdracht van de braakverplichting en de aanpassing van de oppervlakte met een factor die de rendementsverhouding aangeeft van de betrokken landbouwstreken mag echter niet leiden tot een onderschrijding van de braakverplichting in hectare;
  - de braakverplichting geheel of gedeeltelijk gerealiseerd worden in een andere landbouwstreek op voorwaarde dat de braakverplichting in een bepaalde landbouwstreek kleiner is dan 2 ha en de braak te leggen oppervlakte wordt aangepast met een factor om rekening te houden met de opbrengstverschillen tussen de betrokken landbouwstreken. De overdracht van de braakverplichting en de aanpassing van de oppervlakte met een factor die de rendementsverhouding aangeeft van de betrokken landbouwstreken mag echter niet leiden tot een onderschrijding van de braakverplichting in hectare.
  § 3. Het bedrag van de toegekende areaalbetaling voor de uit productie genomen oppervlakten wordt bepaald door de effectieve ligging van elk uit productie genomen perceel bouwland.
  ++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  =========================
  Art. 1. (WAALSE GEWEST) § 1. Om in het kader van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen in aanmerking te komen voor de areaalbetaling, moeten de uit productie genomen oppervlakten voldoen aan de hierna vermelde voorwaarden.
  1. Deze oppervlakten dienen uit productie te worden genomen gedurende een periode die uiterlijk op 15 januari ingaat en ten vroegste op 31 augustus van hetzelfde jaar eindigt. Deze periode bedraagt bij meerjarige braak minimaal twee jaren en maximaal vijf opeenvolgende jaren.
  De betrokken producenten kunnen evenwel, maar uitsluitend met het oog op de inzaai of aanplant van kool- en raapzaad, van wintergranen of enig ander gewas dat pas het jaar nadien geoogst wordt :
  - vanaf 1 augustus de noodzakelijke werkzaamheden vóór inzaai of aanplant uitvoeren;
  - vanaf 15 augustus overgaan tot inzaai of aanplant van hogervermelde teelten.
  2. (De uit productie genomen oppervlakten mogen niet worden gebruikt voor andere landbouwproducties dan bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, en ook niet voor een ander landbouw- of winstgevend doel dat onverenigbaar is met de akkerbouw.)
  Nochtans mogen de uit productie genomen gronden gebruikt worden voor de teelt van voederleguminosen, zoals dit is voorzien in artikel 7, alinea 1, punt b van het koninklijk besluit van 19 december 2001, onder de volgende voorwaarden :
  - het landbouwbedrijf moet voor zijn totale productie beantwoorden aan de voorschriften die zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 2092/91;
  - deze uit productie genomen gronden moeten ingezaaid zijn met :
  . ofwel een of meerdere soorten voederleguminosen opgenomen in bijlage XIV van de verordening (EG) nr. 2316/1999;
  . ofwel een mengsel hoofdzakelijk samengesteld uit deze voeder-leguminosen samen met granen en/of grassen, voor zover een afzonderlijke oogst van de componenten van het mengsel niet mogelijk is.
  - voor deze oppervlakten kan geen steun toegekend worden zoals voorzien in de verordening (EG) nr. 603/1995 van de Raad van 21 februari 1995 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van de droogvoeders.
  3. De bepalingen van § 1, punt 2, eerste lid van het huidige artikel gelden evenwel niet voor bouwland bebost in het kader van artikel 31 van de verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad en afgeboekt uit hoofde van de braakleggingsverplichting voor zover deze bepalingen onverenigbaar zijn met de in de betrokken verordening vastgestelde eisen inzake bebossing.
  § 2. Indien de voor de areaalbetaling in aanmerking komende oppervlakten gelegen zijn in meerdere landbouwstreken kan :
  - de braakverplichting geheel of gedeeltelijk in een andere landbouwstreek gerealiseerd worden op voorwaarde dat de braak te leggen oppervlakten zich situeren in aan elkaar grenzende landbouwstreken en de braak te leggen oppervlakte aangepast wordt met een factor die de rendementsverhouding weergeeft van de betrokken landbouwstreken. De overdracht van de braakverplichting en de aanpassing van de oppervlakte met een factor die de rendementsverhouding aangeeft van de betrokken landbouwstreken mag echter niet leiden tot een onderschrijding van de braakverplichting in hectare;
  - de braakverplichting geheel of gedeeltelijk gerealiseerd worden in een andere landbouwstreek op voorwaarde dat de braakverplichting in een bepaalde landbouwstreek kleiner is dan 2 ha en de braak te leggen oppervlakte wordt aangepast met een factor om rekening te houden met de opbrengstverschillen tussen de betrokken landbouwstreken. De overdracht van de braakverplichting en de aanpassing van de oppervlakte met een factor die de rendementsverhouding aangeeft van de betrokken landbouwstreken mag echter niet leiden tot een onderschrijding van de braakverplichting in hectare.
  § 3. Het bedrag van de toegekende areaalbetaling voor de uit productie genomen oppervlakten wordt bepaald door de effectieve ligging van elk uit productie genomen perceel bouwland.
  

Wijzigingen

Artikel 1. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
1. Deze oppervlakten dienen uit productie te worden genomen gedurende een periode die uiterlijk op 15 januari ingaat en ten vroegste op 31 augustus van hetzelfde jaar eindigt. Deze periode bedraagt bij meerjarige braak minimaal twee jaren en maximaal vijf opeenvolgende jaren.
De betrokken producenten kunnen evenwel, maar uitsluitend met het oog op de inzaai of aanplant van kool- en raapzaad, van wintergranen of enig ander gewas dat pas het jaar nadien geoogst wordt :
- vanaf 1 augustus de noodzakelijke werkzaamheden vóór inzaai of aanplant uitvoeren;
- vanaf 15 augustus overgaan tot inzaai of aanplant van hogervermelde teelt
Nochtans mogen de uit productie genomen gronden gebruikt worden voor de teelt van voederleguminosen, zoals dit is voorzien in artikel 7, alinea 1, punt b van het koninklijk besluit van 19 december 2001, onder de volgende voorwaarden :
- het landbouwbedrijf moet voor zijn totale productie beantwoorden aan de voorschriften die zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 2092/91;
- deze uit productie genomen gronden moeten ingezaaid zijn met :
. ofwel een of meerdere soorten voederleguminosen opgenomen in bijlage XIV van de verordening (EG) nr. 2316/1999;
. ofwel een mengsel hoofdzakelijk samengesteld uit deze voeder-leguminosen samen met granen en/of grassen, voor zover een afzonderlijke oogst van de componenten van het mengsel niet mogelijk is.
- voor deze oppervlakten kan geen steun toegekend worden zoals voorzien in de verordening (EG) nr. 603/1995 van de Raad van 21 februari 1995 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van de droogvoeders.
3. De bepalingen van § 1, punt 2, eerste lid van het huidige artikel gelden evenwel niet voor bouwland bebost in het kader van artikel 31 van de verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad en afgeboekt uit hoofde van de braakleggingsverplichting voor zover deze bepalingen onverenigbaar zijn met de in de betrokken verordening vastgestelde eisen inzake bebossing.
§ 2. Indien de voor de areaalbetaling in aanmerking komende oppervlakten gelegen zijn in meerdere landbouwstreken kan :
- de braakverplichting geheel of gedeeltelijk in een andere landbouwstreek gerealiseerd worden op voorwaarde dat de braak te leggen oppervlakten zich situeren in aan elkaar grenzende landbouwstreken en de braak te leggen oppervlakte aangepast wordt met een factor die de rendementsverhouding weergeeft van de betrokken landbouwstreken. De overdracht van de braakverplichting en de aanpassing van de oppervlakte met een factor die de rendementsverhouding aangeeft van de betrokken landbouwstreken mag echter niet leiden tot een onderschrijding van de braakverplichting in hectare;
- de braakverplichting geheel of gedeeltelijk gerealiseerd worden in een andere landbouwstreek op voorwaarde dat de braakverplichting in een bepaalde landbouwstreek kleiner is dan 2 ha en de braak te leggen oppervlakte wordt aangepast met een factor om rekening te houden met de opbrengstverschillen tussen de betrokken landbouwstreken. De overdracht van de braakverplichting en de aanpassing van de oppervlakte met een factor die de rendementsverhouding aangeeft van de betrokken landbouwstreken mag echter niet leiden tot een onderschrijding van de braakverplichting in hectare.
§ 3. Het bedrag van de toegekende areaalbetaling voor de uit productie genomen oppervlakten wordt bepaald door de effectieve ligging van elk uit productie genomen perceel bouwland.
++++++++++
Article 1. § 1er. Pour être prises en compte au titre de l'aide à la surface octroyée dans le cadre de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 instituant un régime de soutien aux producteurs de certaines cultures arables, les superficies retirées de la production doivent répondre aux conditions énoncées ci-après.
  1. Les terres doivent être retirées de la production, au cours d'une période commençant au plus tard le 15 janvier et se terminant au plus tôt le 31 août de la même année. Toutefois, en cas de gel pluriannuel, cette période couvre au minimum deux années et au maximum cinq années consécutives.
  Les producteurs concernés sont néanmoins autorisés, uniquement en vue de la réalisation des ensemencements ou des implantations de colza, de navette, de céréales d'hiver ou d'une autre culture qui ne sera récoltée que l'année suivante :
  - à effectuer, à partir du 1 août, les travaux nécessaires avant semis ou implantation;
  - à procéder, à partir du 15 août, au semis ou à l'implantation des cultures visées ci-avant.
  2. Les terres retirées de la production ne peuvent être utilisées pour aucune production agricole autre que celles visées à l'article 7 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, ni faire l'objet d'une utilisation lucrative qui serait incompatible avec une culture arable.
  Néanmoins les terres retirées de la production peuvent être utilisées pour la culture de légumineuses fourragères, tel que cela est prévu à l'article 7, 1 alinéa, point b de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, sous les conditions suivantes :
  - l'exploitation agricole doit pour la totalité de sa production, répondre aux obligations prévues par le règlement (CEE) n° 2092/91;
  - ces terres retirées de la production doivent être semées avec :
  . soit une ou plusieurs espèces de légumineuses fourragères reprises à l'annexe XIV du règlement (CE) n° 2316/1999;
  . soit un mélange composé principalement de ces légumineuses fourragères ainsi que de céréales et/ou de graminées, pour autant qu'une récolte séparée des composants du mélange ne soit pas possible.
  - ces superficies ne bénéficient pas des aides prévues par le règlement (CE) n° 603/95 du Conseil du 21 février 1995 portant organisation commune des marchés dans le secteur des fourrages séchés.
  3. Toutefois, les dispositions du § 1er, point 2, premier alinéa du présent article ne s'appliquent pas aux terres boisées dans le cadre de l'article 31 du règlement (CE) n° 1257/1999 du Conseil comptabilisées au titre de l'obligation de gel, pour autant que ces dispositions s'avèrent incompatibles avec les exigences de boisement requises par ce règlement.
  § 2. Dans le cas où les superficies éligibles à l'aide à la surface sont situées dans plusieurs régions de production :
  - l'obligation de gel peut être réalisée entièrement ou partiellement sur les superficies éligibles d'une autre région agricole à condition que les superficies à geler se situent dans des régions agricoles contiguës et pour autant que la superficie à geler soit ajustée d'un facteur pour tenir compte de la différence de rendement entre les régions concernées. Le transfert de l'obligation de gel et l'adaptation des surfaces à geler par un facteur qui reflète le rapport de rendement entre les régions agricoles concernées ne peut conduire à une diminution en hectares de l'obligation de gel;
  - l'obligation de gel peut être réalisée entièrement ou partiellement sur les superficies éligibles d'une autre région agricole à condition que l'obligation de gel dans une région agricole donnée soit inférieure à 2 ha et pour autant que la superficie à geler soit ajustée d'un facteur pour tenir compte de la différence de rendement entre les régions concernées. Le transfert de l'obligation de gel et l'adaptation des surfaces à geler par un facteur qui reflète le rapport de rendement entre les régions agricoles concernées ne peuvent conduire à une diminution en hectares de l'obligation de gel.
  § 3. Le montant de l'aide à la surface accordée pour les superficies retirées de la production est déterminé par la localisation effective de chaque parcelle retirée de la production.
  ++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  ======================
  Art. 1. (REGION WALLONNE) § 1er. Pour être prises en compte au titre de l'aide à la surface octroyée dans le cadre de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 instituant un régime de soutien aux producteurs de certaines cultures arables, les superficies retirées de la production doivent répondre aux conditions énoncées ci-après.
  1. Les terres doivent être retirées de la production, au cours d'une période commençant au plus tard le 15 janvier et se terminant au plus tôt le 31 août de la même année. Toutefois, en cas de gel pluriannuel, cette période couvre au minimum deux années et au maximum cinq années consécutives.
  Les producteurs concernés sont néanmoins autorisés, uniquement en vue de la réalisation des ensemencements ou des implantations de colza, de navette, de céréales d'hiver ou d'une autre culture qui ne sera récoltée que l'année suivante :
  - à effectuer, à partir du 1 août, les travaux nécessaires avant semis ou implantation;
  - à procéder, à partir du 15 août, au semis ou à l'implantation des cultures visées ci-avant.
  2. (Les terres retirées de la production ne peuvent être utilisées pour aucune production agricole autre que celles visées à l'article 7 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, ni faire l'objet d'une autre utilisation agricole ou lucrative qui serait incompatible avec une culture arable.)
  Néanmoins les terres retirées de la production peuvent être utilisées pour la culture de légumineuses fourragères, tel que cela est prévu à l'article 7, 1 alinéa, point b de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, sous les conditions suivantes :
  - l'exploitation agricole doit pour la totalité de sa production, répondre aux obligations prévues par le règlement (CEE) n° 2092/91;
  - ces terres retirées de la production doivent être semées avec :
  . soit une ou plusieurs espèces de légumineuses fourragères reprises à l'annexe XIV du règlement (CE) n° 2316/1999;
  . soit un mélange composé principalement de ces légumineuses fourragères ainsi que de céréales et/ou de graminées, pour autant qu'une récolte séparée des composants du mélange ne soit pas possible.
  - ces superficies ne bénéficient pas des aides prévues par le règlement (CE) n° 603/95 du Conseil du 21 février 1995 portant organisation commune des marchés dans le secteur des fourrages séchés.
  3. Toutefois, les dispositions du § 1er, point 2, premier alinéa du présent article ne s'appliquent pas aux terres boisées dans le cadre de l'article 31 du règlement (CE) n° 1257/1999 du Conseil comptabilisées au titre de l'obligation de gel, pour autant que ces dispositions s'avèrent incompatibles avec les exigences de boisement requises par ce règlement.
  § 2. Dans le cas où les superficies éligibles à l'aide à la surface sont situées dans plusieurs régions de production :
  - l'obligation de gel peut être réalisée entièrement ou partiellement sur les superficies éligibles d'une autre région agricole à condition que les superficies à geler se situent dans des régions agricoles contiguës et pour autant que la superficie à geler soit ajustée d'un facteur pour tenir compte de la différence de rendement entre les régions concernées. Le transfert de l'obligation de gel et l'adaptation des surfaces à geler par un facteur qui reflète le rapport de rendement entre les régions agricoles concernées ne peut conduire à une diminution en hectares de l'obligation de gel;
  - l'obligation de gel peut être réalisée entièrement ou partiellement sur les superficies éligibles d'une autre région agricole à condition que l'obligation de gel dans une région agricole donnée soit inférieure à 2 ha et pour autant que la superficie à geler soit ajustée d'un facteur pour tenir compte de la différence de rendement entre les régions concernées. Le transfert de l'obligation de gel et l'adaptation des surfaces à geler par un facteur qui reflète le rapport de rendement entre les régions agricoles concernées ne peuvent conduire à une diminution en hectares de l'obligation de gel.
  § 3. Le montant de l'aide à la surface accordée pour les superficies retirées de la production est déterminé par la localisation effective de chaque parcelle retirée de la production.
  

Wijzigingen

Article 1. (COMMUNAUTE FLAMANDE)
1. Les terres doivent être retirées de la production, au cours d'une période commençant au plus tard le 15 janvier et se terminant au plus tôt le 31 août de la même année. Toutefois, en cas de gel pluriannuel, cette période couvre au minimum deux années et au maximum cinq années consécutives.
Les producteurs concernés sont néanmoins autorisés, uniquement en vue de la réalisation des ensemencements ou des implantations de colza, de navette, de céréales d'hiver ou d'une autre culture qui ne sera récoltée que l'année suivante :
- à effectuer, à partir du 1 août, les travaux nécessaires avant semis ou implantation;
- à procéder, à partir du 15 août, au semis ou à l'implantation des cultures visées ci-avant.
Néanmoins les terres retirées de la production peuvent être utilisées pour la culture de légumineuses fourragères, tel que cela est prévu à l'article 7, 1 alinéa, point b de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, sous les conditions suivantes :
- l'exploitation agricole doit pour la totalité de sa production, répondre aux obligations prévues par le règlement (CEE) n° 2092/91;
- ces terres retirées de la production doivent être semées avec :
. soit une ou plusieurs espèces de légumineuses fourragères reprises à l'annexe XIV du règlement (CE) n° 2316/1999;
. soit un mélange composé principalement de ces légumineuses fourragères ainsi que de céréales et/ou de graminées, pour autant qu'une récolte séparée des composants du mélange ne soit pas possible.
- ces superficies ne bénéficient pas des aides prévues par le règlement (CE) n° 603/95 du Conseil du 21 février 1995 portant organisation commune des marchés dans le secteur des fourrages séchés.
3. Toutefois, les dispositions du § 1er, point 2, premier alinéa du présent article ne s'appliquent pas aux terres boisées dans le cadre de l'article 31 du règlement (CE) n° 1257/1999 du Conseil comptabilisées au titre de l'obligation de gel, pour autant que ces dispositions s'avèrent incompatibles avec les exigences de boisement requises par ce règlement.
§ 2. Dans le cas où les superficies éligibles à l'aide à la surface sont situées dans plusieurs régions de production :
- l'obligation de gel peut être réalisée entièrement ou partiellement sur les superficies éligibles d'une autre région agricole à condition que les superficies à geler se situent dans des régions agricoles contiguës et pour autant que la superficie à geler soit ajustée d'un facteur pour tenir compte de la différence de rendement entre les régions concernées. Le transfert de l'obligation de gel et l'adaptation des surfaces à geler par un facteur qui reflète le rapport de rendement entre les régions agricoles concernées ne peut conduire à une diminution en hectares de l'obligation de gel;
- l'obligation de gel peut être réalisée entièrement ou partiellement sur les superficies éligibles d'une autre région agricole à condition que l'obligation de gel dans une région agricole donnée soit inférieure à 2 ha et pour autant que la superficie à geler soit ajustée d'un facteur pour tenir compte de la différence de rendement entre les régions concernées. Le transfert de l'obligation de gel et l'adaptation des surfaces à geler par un facteur qui reflète le rapport de rendement entre les régions agricoles concernées ne peuvent conduire à une diminution en hectares de l'obligation de gel.
§ 3. Le montant de l'aide à la surface accordée pour les superficies retirées de la production est déterminé par la localisation effective de chaque parcelle retirée de la production.
++++++++++
Art. 2. § 1. De producent die voor meerjarige braak koos kan onder de hierna vermelde voorwaarden zijn verbintenis wijzigen :
  1. Ingeval de producent in zijn aanvraag voor areaalbetalingen uitdrukkelijk op zijn verbintenis terugkomt vóór het verstrijken van de in de verbintenis vastgestelde periode, moet hij een bedrag terugbetalen, gelijk aan 5 % van de areaalsteun uitgekeerd voor de in het voorafgaande jaar braakgelegde grond, vermenigvuldigd met het aantal jaren dat hij zijn oorspronkelijke verbintenis niet naleeft.
  2. De producent kan evenwel zonder bestraffing afzien van zijn verbintenis :
  - indien hij beslist de braakgelegde arealen op te nemen in de regeling die wordt voorzien in het kader van het artikel 31 van de verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad;
  - in geval van ruilverkaveling uitgevoerd door tussenkomst van de bevoegde overheid, van opzeg van de pacht door de verpachter, van onteigening of in geval van overmacht.
Art. 2. § 1er. Le producteur ayant opté pour le gel pluriannuel peut modifier son engagement aux conditions suivantes :
  1. Dans le cas où le producteur, dans sa demande d'aide à la surface , revient expressément sur son engagement avant l'échéance de la période fixée dans l'engagement, il doit rembourser un montant égal à 5 % de l'aide à la surface versé pour le gel de terres effectué au titre de l'année précédente, multiplié par le nombre d'années pour lesquelles il manque à son obligation initiale.
  2. Toutefois, le producteur peut, sans pénalité, renoncer à son engagement :
  - s'il décide d'affecter les superficies gelées au régime prévu dans le cadre de l'article 31 du règlement (CE) n° 1257/1999 du Conseil;
  - en cas de remembrement effectué à l'intervention de l'autorité compétente, de congé donné par le bailleur, d'expropriation ou en cas de force majeure.
Art. 3. § 1. De producent is verplicht de braakgelegde gronden te onderhouden zodat deze uit landbouwkundig oogpunt in goede staat blijven.
  Enkel spontane bodembedekking of inzaai van gewassen is toegelaten evenals de overgang van spontane bedekking naar inzaai.
  Inzaai dient plaats te hebben ten laatste op 31 mei terwijl na 15 januari de grond niet langer naakt mag blijven dan strikt noodzakelijk voor de werkzaamheden verbonden aan inzaai.
  Voor het verkoopseizoen 2001/2002 (oogst 2001) evenwel is de uiterste inzaaidatum vastgesteld op 15 juni.
  Bij het behoud van een spontane bodembedekking tot op het einde van de braakverplichting mag evenwel niet meer omgeploegd worden na 15 januari.
  Bij meerjarige braak is spontane bodembedekking uitgesloten. De tijdens de eerste campagne van de verbintenis ingezaaide bodembedekking dient behouden te worden tot op het einde ervan.
  In geval van inzaai zijn de gewassen, toegelaten op braakgelegde gronden met verplichting van maaien vóór de zaadvorming, opgenomen in bijlage I van dit besluit, deze zonder verplichting tot maaien in bijlage II.
  Een vrijstelling van de maaiverplichting vóór de zaadvorming van de soorten opgenomen in bijlage I wordt toegekend voor zover voor deze soorten een gecertificeerd zaaizaadmengsel van soorten van minstens 2 verschillende families, voorkomend in bijlage I en/of bijlage II van dit besluit gebruikt werd. Dit mengsel moet ten minste 20 % van elke familie bevatten. In dit geval moeten de producenten met het oog op eventuele controle de aankoopbewijzen en de certificeringsetiketten van dit gezaaide mengsel bijhouden.
  De bodembedekking moet tijdig vernietigd worden t.t.z. hetzij door te maaien, hetzij door fijn te malen hetzij op enige andere geschikte wijze, en dit om de verspreiding van onkruid te voorkomen zowel in geval van spontane groei als in geval van inzaai.
  In overeenstemming met het Verdrag van Bern, bijlage 2 betreffende de bescherming van bedreigde soorten of met de richtlijn 79/409/EEG betreffende de bescherming van de vogels in het wild, kan een afwijking op de maaiverplichting voor zaadvorming voor de soorten vermeld in bijlage I toegekend worden op basis van een attest opgesteld door de bevoegde gewestelijke autoriteit bij aanwezigheid op de braakgelegde gronden van beschermde soorten.
  § 2. De bodembedekking mag niet bestemd zijn voor zaadwinning en mag in geen geval gebruikt worden voor landbouwdoeleinden vóór het einde van de braakliggingsperiode, noch voor een voor commercialisering bestemde plantaardige productie tot 15 januari volgend op het einde van de braakleggingsperiode.
  § 3. De bodembedekking van welke aard ook dient :
  - in geval van maaien, fijnmalen of van iedere andere vorm van vernietiging tijdens de braak, ter plaatse te blijven;
  - op het einde van de braakperiode tussen 15 en 31 augustus gemaaid, fijngemalen of vernietigd te worden door toediening van fytofarmaceutische producten zoals voorzien in § 4, of op gelijk welke andere geschikte manier.
  Het afgemaaide, fijngemalen of op enige andere wijze vernietigd product dient ter plaatse te blijven en mag nooit gebruikt worden voor commercialisering of enig ander doeleinde. Enkel de hergroei na 31 augustus van de vegetatie mag eventueel gebruikt worden voor eigen noodwendigheid van het bedrijf.
  Een afwijking op de verplichting tot vernietiging van de bodembedekking tussen 15 en 31 augustus bedoeld in § 3, 2e streepje, kan toegekend worden op basis van een attest opgesteld door de bevoegde gewestelijke autoriteit bij aanwezigheid op de braakgelegde gronden van beschermde soorten vermeld in het Verdrag van Bern, bijlage 2 of in richtlijn 79/409/EEG vernoemd in het laatste lid van § 1.
  § 4. Alleen de fytofarmaceutische producten die voorkomen in bijlage III van dit besluit mogen worden gebruikt op de uit productie genomen gronden.
  ++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  ==========================
  Art. 3. (WAALSE GEWEST) § 1. De producent is verplicht de braakgelegde gronden te onderhouden zodat deze uit landbouwkundig oogpunt in goede staat blijven.
  Enkel spontane bodembedekking of inzaai van gewassen is toegelaten evenals de overgang van spontane bedekking naar inzaai.
  Inzaai dient plaats te hebben ten laatste op 31 mei terwijl na 15 januari de grond niet langer naakt mag blijven dan strikt noodzakelijk voor de werkzaamheden verbonden aan inzaai.
  Voor het verkoopseizoen 2001/2002 (oogst 2001) evenwel is de uiterste inzaaidatum vastgesteld op 15 juni.
  Bij het behoud van een spontane bodembedekking tot op het einde van de braakverplichting mag evenwel niet meer omgeploegd worden na 15 januari.
  Bij meerjarige braak is spontane bodembedekking uitgesloten. De tijdens de eerste campagne van de verbintenis ingezaaide bodembedekking dient behouden te worden tot op het einde ervan.
  In geval van inzaai zijn de gewassen, toegelaten op braakgelegde gronden met verplichting van maaien vóór de zaadvorming, opgenomen in bijlage I van dit besluit, deze zonder verplichting tot maaien in bijlage II.
  Een vrijstelling van de maaiverplichting vóór de zaadvorming van de soorten opgenomen in bijlage I wordt toegekend voor zover voor deze soorten een gecertificeerd zaaizaadmengsel van soorten van minstens 2 verschillende families, voorkomend in bijlage I en/of bijlage II van dit besluit gebruikt werd. Dit mengsel moet ten minste 20 % van elke familie bevatten. In dit geval moeten de producenten met het oog op eventuele controle de aankoopbewijzen en de certificeringsetiketten van dit gezaaide mengsel bijhouden.
  De bodembedekking moet tijdig vernietigd worden t.t.z. hetzij door te maaien, hetzij door fijn te malen hetzij op enige andere geschikte wijze, en dit om de verspreiding van onkruid te voorkomen zowel in geval van spontane groei als in geval van inzaai.
  In overeenstemming met het Verdrag van Bern, bijlage 2 betreffende de bescherming van bedreigde soorten of met de richtlijn 79/409/EEG betreffende de bescherming van de vogels in het wild, kan een afwijking op de maaiverplichting voor zaadvorming voor de soorten vermeld in bijlage I toegekend worden op basis van een attest opgesteld door de bevoegde gewestelijke autoriteit bij aanwezigheid op de braakgelegde gronden van beschermde soorten.
  § 2. De bodembedekking mag niet bestemd zijn voor zaadwinning en mag in geen geval gebruikt worden voor landbouwdoeleinden vóór het einde van de braakliggingsperiode, noch voor een voor commercialisering bestemde plantaardige productie tot 15 januari volgend op het einde van de braakleggingsperiode.
  § 3. De bodembedekking van welke aard ook dient :
  - in geval van maaien, fijnmalen of van iedere andere vorm van vernietiging tijdens de braak, ter plaatse te blijven;
  - op het einde van de braakperiode tussen 15 en 31 augustus gemaaid, fijngemalen of vernietigd te worden door toediening van fytofarmaceutische producten zoals voorzien in § 4, of op gelijk welke andere geschikte manier.
  (Gemaaide, fijn gemalen en op elke andere wijze vernietigde bodembedekkende gewassen moeten ter plaatse blijven liggen en mogen nooit worden gebruikt voor verkoop- of andere doeleinden. De producent kan evenwel in voorkomend geval gebruiken :
  - voor eigen behoeften op zijn bedrijf, de hergroei na 31 augustus;
  - als veevoeders, de opbrengst van op braakland ingezaaide veevoederleguminosen, voorzover het bedrijf volledig aan de biologische landbouw gewijd is.) >BWG 2002-12-19/12, art. 2, 002; Inwerkingtreding : onbepaald >
  Een afwijking op de verplichting tot vernietiging van de bodembedekking tussen 15 en 31 augustus bedoeld in § 3, 2e streepje, kan toegekend worden op basis van een attest opgesteld door de bevoegde gewestelijke autoriteit bij aanwezigheid op de braakgelegde gronden van beschermde soorten vermeld in het Verdrag van Bern, bijlage 2 of in richtlijn 79/409/EEG vernoemd in het laatste lid van § 1.
  (Om de als braakliggend aangegeven gronden in 2003 te mogen gebruiken om het vee te voederen, wordt voor het verkoopseizoen 2003/2004 een afwijking van de verplichting bedoeld in het eerste lid, eerste streepje, om elke soort bodembedekkende gewassen tot en met 31 augustus ter plaatse te behouden en van de verplichting bedoeld in het tweede lid, eerste streepje, om de bodembedekkende gewassen tussen 15 en 31 augustus te vernietigen, toegestaan aan de producenten die aan volgende voorwaarden voldoen :
  1° de in aanmerking komende braakgelegde percelen zijn op het grondgebied van het Waalse Gewest gelegen;
  2° de producent is eigenaar van runderen en/of schaapachtigen;
  3° de bodembekkende gewassen op de braakgelegde percelen worden uitsluitend voor het vee van het bedrijf van de in aanmerking komende producent geoogst;
  4° enkel de runderen en schaapachtigen uit eigen bedrijf worden op de braakgelegde percelen geweid. Bedoeld vee dient op zijn naam geïdentificeerd en geregistreerd te zijn in het vee-identificatie en -registratiesysteem (Sanitel) en dient zich op de productie-eenheid of eenheden die door de in aanmerking komende producent beheerd worden, te bevinden;
  5° de braakgelegde percelen zijn aangegeven in de oppervlakte-aangifte bedoeld in artikel 8, § 1, onder de bestemming van perceel X (eenjarige braak) of in het kader van een verbintenis tot meerjarige braak (perceelbestemming 2, 3, 4 of 5). De percelen mogen evenwel niet onder het stelsel van de met braakland samenhangende fauna (aangegeven onder gewascode 851 F) braakgelegd zijn;
  6° de percelen mogen noch voor commerciële doeleinden gemaaid of als weiland gebruikt worden. Het voeder dat van bedoelde percelen afkomstig is, mag noch verkocht, noch afgestaan worden aan een andere producent, noch voor verbruik door vee vreemd aan het bedrijf van de betrokken producent bestemd zijn;
  7° de braakgelegde percelen mogen noch tijdelijk verhuurd noch tijdelijk afgestaan worden als weiland.)
  § 4. Alleen de fytofarmaceutische producten die voorkomen in bijlage III van dit besluit mogen worden gebruikt op de uit productie genomen gronden.
  

Wijzigingen

Art. 3. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
§ 1. De producent is verplicht de braakgelegde gronden te onderhouden zodat deze uit landbouwkundig oogpunt in goede staat blijven.
Enkel spontane bodembedekking of inzaai van gewassen is toegelaten evenals de overgang van spontane bedekking naar inzaai.
Inzaai dient plaats te hebben ten laatste op 31 mei terwijl na 15 januari de grond niet langer naakt mag blijven dan strikt noodzakelijk voor de werkzaamheden verbonden aan inzaai.
Voor het verkoopseizoen 2001/2002 (oogst 2001) evenwel is de uiterste inzaaidatum vastgesteld op 15 juni.
Bij het behoud van een spontane bodembedekking tot op het einde van de braakverplichting mag evenwel niet meer omgeploegd worden na 15 januari.
Bij meerjarige braak is spontane bodembedekking uitgesloten. De tijdens de eerste campagne van de verbintenis ingezaaide bodembedekking dient behouden te worden tot op het einde ervan.
In geval van inzaai zijn de gewassen, toegelaten op braakgelegde gronden met verplichting van maaien vóór de zaadvorming, opgenomen in bijlage I van dit besluit, deze zonder verplichting tot maaien in bijlage II.
Een vrijstelling van de maaiverplichting vóór de zaadvorming van de soorten opgenomen in bijlage I wordt toegekend voor zover voor deze soorten een gecertificeerd zaaizaadmengsel van soorten van minstens 2 verschillende families, voorkomend in bijlage I en/of bijlage II van dit besluit gebruikt werd. Dit mengsel moet ten minste 20 % van elke familie bevatten. In dit geval moeten de producenten met het oog op eventuele controle de aankoopbewijzen en de certificeringsetiketten van dit gezaaide mengsel bijhouden.
De bodembedekking moet tijdig vernietigd worden t.t.z. hetzij door te maaien, hetzij door fijn te malen hetzij op enige andere geschikte wijze, en dit om de verspreiding van onkruid te voorkomen zowel in geval van spontane groei als in geval van inzaai.
In overeenstemming met het Verdrag van Bern, bijlage 2 betreffende de bescherming van bedreigde soorten of met de richtlijn 79/409/EEG betreffende de bescherming van de vogels in het wild, kan een afwijking op de maaiverplichting voor zaadvorming voor de soorten vermeld in bijlage I toegekend worden op basis van een attest opgesteld door de bevoegde gewestelijke autoriteit bij aanwezigheid op de braakgelegde gronden van beschermde soorten.
§ 2. De bodembedekking mag niet bestemd zijn voor zaadwinning en mag in geen geval gebruikt worden voor landbouwdoeleinden vóór het einde van de braakliggingsperiode, noch voor een voor commercialisering bestemde plantaardige productie tot 15 januari volgend op het einde van de braakleggingsperiode.
§ 3. De bodembedekking van welke aard ook dient :
- in geval van maaien, fijnmalen of van iedere andere vorm van vernietiging tijdens de braak, ter plaatse te blijven;
- op het einde van de braakperiode tussen 15 en 31 augustus gemaaid, fijngemalen of vernietigd te worden door toediening van fytofarmaceutische producten zoals voorzien in § 4, of op gelijk welke andere geschikte manier.
Een afwijking op de verplichting tot vernietiging van de bodembedekking tussen 15 en 31 augustus bedoeld in § 3, 2e streepje, kan toegekend worden op basis van een attest opgesteld door de bevoegde gewestelijke autoriteit bij aanwezigheid op de braakgelegde gronden van beschermde soorten vermeld in het Verdrag van Bern, bijlage 2 of in richtlijn 79/409/EEG vernoemd in het laatste lid van § 1.
§ 4. Alleen de fytofarmaceutische producten die voorkomen in bijlage III van dit besluit mogen worden gebruikt op de uit productie genomen gronden.
++++++++++
Art. 3. § 1er. Le producteur doit assurer l'entretien des terres gelées afin de les maintenir en bonnes conditions agronomiques.
  Seuls sont autorisés un couvert spontané ou un semis, ainsi que le passage d'un couvert spontané vers un couvert implanté.
  Le semis doit être réalisé au plus tard pour le 31 mai et la terre ne peut rester nue, après le 15 janvier, que pendant le temps strictement nécessaire pour la réalisation d'un semis.
  Toutefois, pour la campagne de commercialisation 2001/2002 (récolte 2001), la date limite de semis est fixée au 15 juin.
  En cas de maintien du couvert spontané jusqu'à la fin de l'obligation de gel, la terre ne peut plus être labourée après le 15 janvier.
  En cas de gel pluriannuel le couvert spontané est exclu. Le couvert végétal semé pendant la première campagne de l'engagement doit être maintenu jusqu'à la fin de celui-ci.
  En cas de semis, les espèces autorisées sur les terres gelées avec obligation de fauchage avant la fructification, sont reprises à l'annexe I du présent arrêté, celles sans obligation de fauchage à l'annexe II.
  Une dérogation à l'obligation de fauche avant la fructification pour les espèces reprises à l'annexe I est accordée pour autant que ces espèces soient semées en mélange certifié de semences d'espèces d'au moins deux familles différentes reprises à l'annexe I et/ou à l'annexe II du présent arrêté. Ce mélange doit comporter au moins 20 % de chaque famille. Dans ce cas et en vue d'un contrôle éventuel, le producteur doit conserver les preuves d'achat et les étiquettes de certification de ce mélange de semences.
  Le couvert doit être détruit à temps, c'est-à-dire soit fauché, soit broyé, soit détruit par tout autre mode approprié, et ce afin d'éviter la prolifération des mauvaises herbes; que ce couvert soit spontané ou qu'il résulte d'un semis.
  En conformité avec la Convention de Berne, annexe 2 relative à la protection des espèces menacées ou avec la directive 79/409/CEE relative à la protection des oiseaux sauvages, une dérogation à l'obligation de fauche avant la fructification pour les espèces reprises à l'annexe I peut être accordée sur la base d'une attestation établie par l'autorité régionale compétente reconnaissant la présence sur les terres gelées d'espèces protégées.
  § 2. Le couvert végétal ne peut être destiné à la production de semences et ne peut être utilisé en aucun cas à des fins agricoles avant la fin de la période de gel, ni donner lieu à une production végétale destinée à être commercialisée jusqu'au 15 janvier suivant la fin de la période de gel.
  § 3. Quel que soit le type de couvert, celui-ci doit :
  - pendant la durée du gel, rester en place en cas de fauche, de broyage ou de tout autre mode de destruction;
  - à la fin de la période de gel, entre le 15 et le 31 août, être fauché, être broyé, ou être détruit par application de produits phyto-pharmaceutiques autorisés tels que prévus au § 4, ou par tout autre moyen approprié.
  Le produit de la fauche, du broyage ou de tout autre mode de destruction du couvert doit rester en place et ne peut jamais être utilisé pour la commercialisation ou à toute autre fin. Seule la repousse de la végétation après le 31 août peut éventuellement être utilisée pour les besoins propres de l'exploitation.
  Une dérogation à l'obligation de destruction du couvert végétal entre le 15 et le 31 août visée au § 3, 1 alinéa, 2ème tiret, peut être accordée sur la base d'une attestation établie par l'autorité régionale compétente reconnaissant la présence sur les terres gelées d'espèces protégées concernées par la Convention de Berne, annexe 2 relative à la protection des espèces menacées ou par la directive 79/409/CEE citée au dernier alinéa du § 1er.
  § 4. Seuls les produits phytopharmaceutiques figurant à l'annexe III du présent arrêté peuvent être utilisés sur les terres gelées.
  ++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  ======================
  Art. 3. (REGION WALLONNE) § 1er. Le producteur doit assurer l'entretien des terres gelées afin de les maintenir en bonnes conditions agronomiques.
  Seuls sont autorisés un couvert spontané ou un semis, ainsi que le passage d'un couvert spontané vers un couvert implanté.
  Le semis doit être réalisé au plus tard pour le 31 mai et la terre ne peut rester nue, après le 15 janvier, que pendant le temps strictement nécessaire pour la réalisation d'un semis.
  Toutefois, pour la campagne de commercialisation 2001/2002 (récolte 2001), la date limite de semis est fixée au 15 juin.
  En cas de maintien du couvert spontané jusqu'à la fin de l'obligation de gel, la terre ne peut plus être labourée après le 15 janvier.
  En cas de gel pluriannuel le couvert spontané est exclu. Le couvert végétal semé pendant la première campagne de l'engagement doit être maintenu jusqu'à la fin de celui-ci.
  En cas de semis, les espèces autorisées sur les terres gelées avec obligation de fauchage avant la fructification, sont reprises à l'annexe I du présent arrêté, celles sans obligation de fauchage à l'annexe II.
  Une dérogation à l'obligation de fauche avant la fructification pour les espèces reprises à l'annexe I est accordée pour autant que ces espèces soient semées en mélange certifié de semences d'espèces d'au moins deux familles différentes reprises à l'annexe I et/ou à l'annexe II du présent arrêté. Ce mélange doit comporter au moins 20 % de chaque famille. Dans ce cas et en vue d'un contrôle éventuel, le producteur doit conserver les preuves d'achat et les étiquettes de certification de ce mélange de semences.
  Le couvert doit être détruit à temps, c'est-à-dire soit fauché, soit broyé, soit détruit par tout autre mode approprié, et ce afin d'éviter la prolifération des mauvaises herbes; que ce couvert soit spontané ou qu'il résulte d'un semis.
  En conformité avec la Convention de Berne, annexe 2 relative à la protection des espèces menacées ou avec la directive 79/409/CEE relative à la protection des oiseaux sauvages, une dérogation à l'obligation de fauche avant la fructification pour les espèces reprises à l'annexe I peut être accordée sur la base d'une attestation établie par l'autorité régionale compétente reconnaissant la présence sur les terres gelées d'espèces protégées.
  § 2. Le couvert végétal ne peut être destiné à la production de semences et ne peut être utilisé en aucun cas à des fins agricoles avant la fin de la période de gel, ni donner lieu à une production végétale destinée à être commercialisée jusqu'au 15 janvier suivant la fin de la période de gel.
  § 3. Quel que soit le type de couvert, celui-ci doit :
  - pendant la durée du gel, rester en place en cas de fauche, de broyage ou de tout autre mode de destruction;
  - à la fin de la période de gel, entre le 15 et le 31 août, être fauché, être broyé, ou être détruit par application de produits phyto-pharmaceutiques autorisés tels que prévus au § 4, ou par tout autre moyen approprié.
  (Le produit de la fauche, du broyage ou de tout autre mode de destruction du couvert doit rester en place et ne peut jamais être utilisé pour la commercialisation ou à toute autre fin. Toutefois, le producteur peut éventuellement utiliser :
  - pour les besoins propres de son exploitation, la repousse de la végétation après le 31 août;
  - comme fourrage pour le bétail, le produit des jachères de légumineuses fourragères cultivées pour autant qu'il s'agisse d'une exploitation complètement consacrée à l'agriculture biologique.)
  Une dérogation à l'obligation de destruction du couvert végétal entre le 15 et le 31 août visée au § 3, 1 alinéa, 2ème tiret, peut être accordée sur la base d'une attestation établie par l'autorité régionale compétente reconnaissant la présence sur les terres gelées d'espèces protégées concernées par la Convention de Berne, annexe 2 relative à la protection des espèces menacées ou par la directive 79/409/CEE citée au dernier alinéa du § 1er.
  (Afin de pouvoir utiliser en 2003 les terres déclarées en gel pour nourrir le bétail, une dérogation à l'obligation visée au premier alinéa, 1er tiret, de garder tout type de couvert en place jusqu'au 31 août et à l'obligation visée au premier alinéa, 2e tiret, de détruire le couvert végétal entre le 15 et le 31 août, est accordée, pour la campagne 2003/2004, aux producteurs qui satisfont aux conditions suivantes :
  1° les parcelles gelées considérées sont situées sur le territoire de la Région wallonne;
  2° le producteur est propriétaire de bovins et/ou d'ovins;
  3° le couvert des parcelles gelées est récolté exclusivement pour le bétail de l'exploitation du producteur considéré;
  4° le producteur ne laisse pâturer sur les parcelles gelées que des bovins et ovins de son exploitation. Tous ces animaux doivent être identifiés et enregistrés à son nom dans le système d'identification et d'enregistrement des animaux (Sanitel) et doivent être localisés dans l'unité ou les unités de production gérées par le producteur concerné;
  5° les parcelles gelées ont été déclarées dans la déclaration de superficie visée à l'article 8, § 1er, sous la destination de parcelle X (gel annuel) ou dans le cadre d'un engagement pluriannuel de gel (destination de parcelle 2, 3, 4 ou 5). Toutefois, les parcelles ne peuvent pas avoir été gelées sous le régime jachère faune (déclarées sous le code culture 851 F);
  6° les parcelles gelées ne sont ni fauchées, ni pâturées, à des fins commerciales. Le fourrage provenant desdites parcelles ne peut être ni vendu, ni cédé à un autre producteur, ni destiné à la consommation par du bétail extérieur à l'exploitation du producteur concerné;
  7° les parcelles gelées ne sont ni louées ni cédées temporairement pour le pâturage.)
  § 4. Seuls les produits phytopharmaceutiques figurant à l'annexe III du présent arrêté peuvent être utilisés sur les terres gelées.
  

Wijzigingen

Art. 3. (COMMUNAUTE FLAMANDE )
§ 1er. Le producteur doit assurer l'entretien des terres gelées afin de les maintenir en bonnes conditions agronomiques.
Seuls sont autorisés un couvert spontané ou un semis, ainsi que le passage d'un couvert spontané vers un couvert implanté.
Le semis doit être réalisé au plus tard pour le 31 mai et la terre ne peut rester nue, après le 15 janvier, que pendant le temps strictement nécessaire pour la réalisation d'un semis.
Toutefois, pour la campagne de commercialisation 2001/2002 (récolte 2001), la date limite de semis est fixée au 15 juin.
En cas de maintien du couvert spontané jusqu'à la fin de l'obligation de gel, la terre ne peut plus être labourée après le 15 janvier.
En cas de gel pluriannuel le couvert spontané est exclu. Le couvert végétal semé pendant la première campagne de l'engagement doit être maintenu jusqu'à la fin de celui-ci.
En cas de semis, les espèces autorisées sur les terres gelées avec obligation de fauchage avant la fructification, sont reprises à l'annexe I du présent arrêté, celles sans obligation de fauchage à l'annexe II.
Une dérogation à l'obligation de fauche avant la fructification pour les espèces reprises à l'annexe I est accordée pour autant que ces espèces soient semées en mélange certifié de semences d'espèces d'au moins deux familles différentes reprises à l'annexe I et/ou à l'annexe II du présent arrêté. Ce mélange doit comporter au moins 20 % de chaque famille. Dans ce cas et en vue d'un contrôle éventuel, le producteur doit conserver les preuves d'achat et les étiquettes de certification de ce mélange de semences.
Le couvert doit être détruit à temps, c'est-à-dire soit fauché, soit broyé, soit détruit par tout autre mode approprié, et ce afin d'éviter la prolifération des mauvaises herbes; que ce couvert soit spontané ou qu'il résulte d'un semis.
En conformité avec la Convention de Berne, annexe 2 relative à la protection des espèces menacées ou avec la directive 79/409/CEE relative à la protection des oiseaux sauvages, une dérogation à l'obligation de fauche avant la fructification pour les espèces reprises à l'annexe I peut être accordée sur la base d'une attestation établie par l'autorité régionale compétente reconnaissant la présence sur les terres gelées d'espèces protégées.
§ 2. Le couvert végétal ne peut être destiné à la production de semences et ne peut être utilisé en aucun cas à des fins agricoles avant la fin de la période de gel, ni donner lieu à une production végétale destinée à être commercialisée jusqu'au 15 janvier suivant la fin de la période de gel.
§ 3. Quel que soit le type de couvert, celui-ci doit :
- pendant la durée du gel, rester en place en cas de fauche, de broyage ou de tout autre mode de destruction;
- à la fin de la période de gel, entre le 15 et le 31 août, être fauché, être broyé, ou être détruit par application de produits phyto-pharmaceutiques autorisés tels que prévus au § 4, ou par tout autre moyen approprié.
Une dérogation à l'obligation de destruction du couvert végétal entre le 15 et le 31 août visée au § 3, 1 alinéa, 2ème tiret, peut être accordée sur la base d'une attestation établie par l'autorité régionale compétente reconnaissant la présence sur les terres gelées d'espèces protégées concernées par la Convention de Berne, annexe 2 relative à la protection des espèces menacées ou par la directive 79/409/CEE citée au dernier alinéa du § 1er.
§ 4. Seuls les produits phytopharmaceutiques figurant à l'annexe III du présent arrêté peuvent être utilisés sur les terres gelées.
++++++++++
Art. 4. Artikel 3 van dit besluit, met uitzondering van het eerste lid van zijn § 1, is niet van toepassing op braakgelegde gronden gebruikt in overeenstemming met artikel 7 van het koninklijk besluit van 19 december 2001.
Art. 4. L'article 3 du présent arrêté, à l'exception du 1 alinéa de son § 1er, n'est pas d'application pour les terres gelées utilisées conformément à l'article 7 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001.
Art. 5. § 1. De producent kan, op één of meerdere braakgelegde percelen op zijn bedrijf kiezen om een verbintenis voor faunabraak aan te gaan met het doel de fauna te beschermen en de ontwikkeling ervan te bevorderen, door middel van het sluiten van een overeenkomst met een jachtrechthouder of met een vertegenwoordiger van een vereniging voor natuurbehoud of met een vertegenwoordiger van een erkende wildbeheerseenheid. Deze overeenkomst moet goedgekeurd en geviseerd worden door de gewestelijke bevoegde autoriteit en met name de volgende elementen bevatten :
  - namen en adressen van de partijen die de overeenkomst tekenen;
  - een inventaris van de betrokken percelen;
  - de algemene verbintenissen met betrekking tot de braakgelegde gronden, onverminderd de afwijkingen voorzien in § 2, evenals de specifieke verbintenissen voor de faunabraak vermeld in § 3.
  Wanneer de producent houder is van het jachtrecht kan de overeenkomst vervangen worden door een verklaring op eer houdende deze verbintenissen die ook van toepassing zijn voor de overeenkomst.
  § 2. Voor de percelen bouwland die onder de faunabraak regeling vallen zijn de voorwaarden van artikel 3 van dit besluit van toepassing. Niettemin wordt een afwijking toegestaan voor :
  - de verplichting tot maaien voor vruchtvorming van de bodembedekking van de soorten behorend tot bijlage I van dit besluit onverminderd de bepalingen bedoeld in artikel 3, § 1, eerste en achtste alinea van dit besluit;
  - de verplichting tot maaien van de bodembedekking tussen 15 en 31 augustus volgens artikel 3, § 3 van dit besluit.
  § 3. Om in aanmerking te komen voor de faunabraak zal de producent er zich toe verbinden :
  - ten laatste op 31 mei een bodembedekker in te zaaien volgens de bepalingen van artikel 3, § 1, 8e alinea van dit besluit;
  Voor het verkoopseizoen 2001/2002 (oogst 2001) evenwel is de uiterste inzaaidatum vastgesteld op 15 juni 2001.
  - gedurende de gehele periode van de verbintenis het provinciaal bureau van het Bestuur voor het Landbouwproductiebeheer (DG 3), vermeld in artikel 8, § 2, van dit besluit, te verwittigen van de voorziene datum van de totale vernietiging van de bodembedekking en tenminste 2 dagen voor de start van de uitvoering van de werkzaamheden;
  - de percelen braak te leggen ten minste tot 1 november en ten laatste tot 15 december;
  - de bodembedekking vernietigen op het einde van de periode van de verbintenis.
  § 4. De producent die wenst deel te nemen aan de regeling faunabraak moet op het zelfde moment van de indiening van de aanvraag voor steun vermeld in artikel 8 van dit besluit, een oppervlakteaangifte dienstig voor het bekomen van premies voor braakgelegde gronden onder het stelsel " Faunabraak " indienen door middel van een formulier waarvan het model bepaald is door het Bestuur voor het Landbouwproductiebeheer (DG 3).
  Deze oppervlakteaangifte moet vergezeld zijn van een kopij van de overeenkomst of de verklaring van eer zoals vermeld in § 1. In dit laatste geval, zal de producent bij de verklaring van eer een document voegen dat bewijst dat hij beschikt over een geldige jachtvergunning evenals een document dat aantoont dat hij houder is van het jachtrecht op de betrokken percelen.
  ++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  ==========================
  Art. 5. (WAALSE GEWEST) § 1. De producent kan, op één of meerdere braakgelegde percelen op zijn bedrijf kiezen om een verbintenis voor faunabraak aan te gaan met het doel de fauna te beschermen en de ontwikkeling ervan te bevorderen, door middel van het sluiten van een overeenkomst met een jachtrechthouder of met een vertegenwoordiger van een vereniging voor natuurbehoud of met een vertegenwoordiger van een erkende wildbeheerseenheid. Deze overeenkomst moet goedgekeurd en geviseerd worden door de gewestelijke bevoegde autoriteit en met name de volgende elementen bevatten :
  - namen en adressen van de partijen die de overeenkomst tekenen;
  - een inventaris van de betrokken percelen;
  - de algemene verbintenissen met betrekking tot de braakgelegde gronden, onverminderd de afwijkingen voorzien in § 2, evenals de specifieke verbintenissen voor de faunabraak vermeld in § 3.
  Wanneer de producent houder is van het jachtrecht kan de overeenkomst vervangen worden door een verklaring op eer houdende deze verbintenissen die ook van toepassing zijn voor de overeenkomst.
  § 2. Voor de percelen bouwland die onder de faunabraak regeling vallen zijn de voorwaarden van artikel 3 van dit besluit van toepassing. Niettemin wordt een afwijking toegestaan voor :
  - de verplichting tot maaien voor vruchtvorming van de bodembedekking van de soorten behorend tot bijlage I van dit besluit onverminderd de bepalingen bedoeld in artikel 3, § 1, eerste en achtste alinea van dit besluit;
  - de verplichting tot maaien van de bodembedekking tussen 15 en 31 augustus volgens artikel 3, § 3 van dit besluit.
  § 3. Om in aanmerking te komen voor de faunabraak zal de producent er zich toe verbinden :
  - ten laatste op 31 mei een bodembedekker in te zaaien volgens de bepalingen van artikel 3, § 1, 8e alinea van dit besluit;
  Voor het verkoopseizoen 2001/2002 (oogst 2001) evenwel is de uiterste inzaaidatum vastgesteld op 15 juni 2001.
  - gedurende de gehele periode van de verbintenis (de buurtdienst van het Bestuur), vermeld in artikel 8, § 2, van dit besluit, te verwittigen van de voorziene datum van de totale vernietiging van de bodembedekking en tenminste 2 dagen voor de start van de uitvoering van de werkzaamheden;
  - de percelen braak te leggen ten minste tot 1 november en ten laatste tot 15 december;
  - de bodembedekking vernietigen op het einde van de periode van de verbintenis.
  § 4. De producent die wenst deel te nemen aan de regeling faunabraak moet op het zelfde moment van de indiening van de aanvraag voor steun vermeld in artikel 8 van dit besluit, een oppervlakteaangifte dienstig voor het bekomen van premies voor braakgelegde gronden onder het stelsel " Faunabraak " indienen door middel van een formulier waarvan het model bepaald is door (het Bestuur).
  Deze oppervlakteaangifte moet vergezeld zijn van een kopij van de overeenkomst of de verklaring van eer zoals vermeld in § 1. In dit laatste geval, zal de producent bij de verklaring van eer een document voegen dat bewijst dat hij beschikt over een geldige jachtvergunning evenals een document dat aantoont dat hij houder is van het jachtrecht op de betrokken percelen.
  ++++++++++
Art. 5. § 1er. Le producteur peut, sur une ou plusieurs des parcelles gelées de son exploitation, choisir de s'engager dans un régime de jachère faune destine à protéger et favoriser la faune sauvage, en concluant un contrat avec un titulaire du droit de chasse ou avec un représentant d'une association oeuvrant pour la protection de la nature ou avec un représentant d'un conseil cynégétique agréé. Ce contrat doit être agréé et visé par l'autorité régionale compétente et il doit comprendre notamment :
  - les noms et adresses des parties contractantes;
  - l'inventaire des parcelles concernées;
  - les engagements généraux relatifs aux terres gelées, sans préjudice des dérogations prévues au § 2, ainsi que les engagements spécifiques au régime jachère faune visés au § 3.
  Lorsque le producteur est titulaire du droit de chasse, le contrat peut être remplacé par une déclaration sur l'honneur reprenant les mêmes engagements que ceux prévus pour le contrat.
  § 2. Pour les parcelles concernées par le régime jachère faune, les conditions prévues à l'article 3 du présent arrêté s'appliquent. Toutefois, une derogation est accordée en ce qui concerne :
  - l'obligation de fauche avant la fructification du couvert comprenant des espèces reprises à l'annexe I du présent arrêté sans préjudice de l'application des dispositions visées à l'article trois, § 1er, 1 et 8e alinéas du présent arrête;
  - l'obligation de fauche du couvert entre le 15 et le 31 août visée à l'article trois, § 3 du présent arreté.
  § 3. En outre, pour pouvoir bénéficier du régime de jachère faune, le producteur s'engage à :
  - semer, au plus tard pour le 31 mai un couvert conforme aux prescriptions visées à l'article 3, § 1er, 8e alinéa du présent arrêté.
  Toutefois, pour la campagne de commercialisation 2001/2002 (récolte 2001), la date limite de semis est fixée au 15 juin 2001.
  - pendant toute la période de l'engagement, avertir le Bureau provincial de l'Administration de la gestion de la production agricole (DG 3) visé à l'article 8, § 2, du présent arrêté, de la date prévue pour toute destruction du couvert végétal, au moins deux jours ouvrables avant la date d'exécution de ces travaux;
  - maintenir les parcelles gelées au plus tôt jusqu'au 1 novembre et au plus tard jusqu'au 15 décembre;
  - détruire le couvert à la fin de la période de l'engagement.
  § 4. Le producteur désirant bénéficier du régime jachère faune est tenu d'introduire, en même temps que la demande d'aide visée à l'article 8 du présent arrêté, une déclaration de superficie servant à l'octroi des aides pour les terres mises en jachère sous le régime " Jachère faune " établie au moyen d'un formulaire dont le modèle est fixé par l'Administration de la gestion de la production agricole (DG 3).
  Cette déclaration de superficie doit être accompagnée de l'original du contrat ou de la déclaration sur l'honneur visés au § 1er. Dans ce dernier cas, le producteur annexe à la déclaration sur l'honneur un document prouvant qu'il détient un permis de chasse légalement valide ainsi qu'un document attestant qu'il est titulaire du droit de chasse sur les parcelles concernées.
  ++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  ======================
  Art. 5. (REGION WALLONNE) § 1er. Le producteur peut, sur une ou plusieurs des parcelles gelées de son exploitation, choisir de s'engager dans un régime de jachère faune destiné à protéger et favoriser la faune sauvage, en concluant un contrat avec un titulaire du droit de chasse ou avec un représentant d'une association oeuvrant pour la protection de la nature ou avec un représentant d'un conseil cynégétique agrée. Ce contrat doit être agréé et visé par l'autorité régionale compétente et il doit comprendre notamment :
  - les noms et adresses des parties contractantes;
  - l'inventaire des parcelles concernées;
  - les engagements généraux relatifs aux terres gelées, sans préjudice des dérogations prévues au § 2, ainsi que les engagements spécifiques au régime jachère faune visés au § 3.
  Lorsque le producteur est titulaire du droit de chasse, le contrat peut être remplacé par une déclaration sur l'honneur reprenant les mêmes engagements que ceux prévus pour le contrat.
  § 2. Pour les parcelles concernées par le régime jachère faune, les conditions prévues à l'article 3 du présent arrêté s'appliquent. Toutefois, une dérogation est accordée en ce qui concerne :
  - l'obligation de fauche avant la fructification du couvert comprenant des espèces reprises à l'annexe I du présent arrêté sans préjudice de l'application des dispositions visées à l'article trois, § 1er, 1 et 8e alinéas du présent arrêté;
  - l'obligation de fauche du couvert entre le 15 et le 31 août visée à l'article trois, § 3 du présent arrêté.
  § 3. En outre, pour pouvoir bénéficier du regime de jachère faune, le producteur s'engage à :
  - semer, au plus tard pour le 31 mai un couvert conforme aux prescriptions visées a l'article 3, § 1er, 8e alinéa du présent arrêté.
  Toutefois, pour la campagne de commercialisation 2001/2002 (récolte 2001), la date limite de semis est fixée au 15 juin 2001.
  - pendant toute la periode de l'engagement, avertir le (service de proximité de l'Administration) visé à l'article 8, § 2, du présent arrêté, de la date prévue pour toute destruction du couvert végétal, au moins deux jours ouvrables avant la date d'exécution de ces travaux;
  - maintenir les parcelles gelées au plus tôt jusqu'au 1 novembre et au plus tard jusqu'au 15 décembre;
  - détruire le couvert à la fin de la période de l'engagement.
  § 4. Le producteur désirant bénéficier du régime jachère faune est tenu d'introduire, en même temps que la demande d'aide visée à l'article 8 du présent arrête, une déclaration de superficie servant à l'octroi des aides pour les terres mises en jachère sous le régime " Jachère faune " établie au moyen d'un formulaire dont le modele est fixé par (l'Administration).
  Cette déclaration de superficie doit être accompagnée de l'original du contrat ou de la declaration sur l'honneur visés au § 1er. Dans ce dernier cas, le producteur annexe à la déclaration sur l'honneur un document prouvant qu'il détient un permis de chasse légalement valide ainsi qu'un document attestant qu'il est titulaire du droit de chasse sur les parcelles concernées.
  ++++++++++++
Art. 6. § 1. De areaalsteun voor de akkerbouwgewassen wordt toegekend :
  1. uitsluitend voor de oppervlakten gelegen in de productieregio's van het nationaal grondgebied;
  2. uitsluitend voor de oppervlakten waarvoor het gewas tenminste tot het begin van de bloei wordt onderhouden in normale groeiomstandigheden, en meer bepaald :
  a) voor wat betreft de oliehoudende zaden, de eiwithoudende gewassen, olievlas en vezelvlas, tenminste tot en met 30 juni van het oogstjaar tenzij het gewas voor deze datum volledig rijp wordt geoogst;
  b) voor wat betreft eiwithoudende gewassen, mogen deze slechts worden geoogst na het melkrijpheidsstadium;
  c) voor wat betreft vezelhennep, de oogst niet mag plaatsvinden vóór het verstrijken van de periode van tien dagen na het einde van de bloei;
  3. voor vezelvlas en -hennep, als ten laatste op 15 september volgend op de indiening van de bedoelde steunaanvraag een kopie wordt overgemaakt van de contracten of verbintenis vermeld in art. 2, § 1 van verordening (EG) nr. 1673/2001 van de Raad van 27 juli 2000 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector vezelvlas en -hennep;
  4. en voor vezelhennep enkel als een aan de inzaai voorafgaande toestemming tot inzaai werd aangevraagd en bekomen bij DG4 Dienst EU-interventie en Steun.
  § 2. Per uitzonderlijke titel, kan worden afgeweken van de bepalingen opgenomen in § 1, punt 2, van het huidig artikel wanneer de vastgestelde vervaldagen voor de verschillende gewastypes niet kunnen worden gerespecteerd wegens uitzonderlijke klimatologische omstandigheden. Deze moeten tijdig worden erkend door de Minister of naar behoren worden gerechtvaardigd door de producent aanvrager van steun vóór elke controle of vóór elke oogst. In deze gevallen, blijven bedoelde oppervlakken in aanmerking komen voor areaalsteun op voorwaarde dat de betrokken oppervlakten tot de bedoelde tijdstippen niet opnieuw zijn gebruikt.
  § 3. Bovendien wordt de areaalbetaling enkel toegekend onder de volgende bijkomende voorwaarden :
  1. voor wat betreft de oliehoudende zaden :
  a) voor gecertificeerd zaaizaad van de " dubbel nul " kool- en raapzaadvariëteiten of associaties van deze variëteiten met de vermelding " dubbel nul " zoals voorzien in artikel 4, § 1 van verordening (EG) nr. 2316/1999.
  Nochtans worden voor het verkoopseizoen 2001/2002 (oogst 2001) enkel de variëteiten of associaties van variëteiten die in bijlage van verordening (EG) nr. 2256/2000 zijn opgenomen, in overweging genomen.
  b) in toepassing van artikel 4, punt 2, c) van verordening (EG) nr. 2316/1999, voor koolzaad en raapzaad afkomstig van zaaizaden van teeltmateriaal die voor de inzaai voor inspectie en controle zijn geregistreerd voor het voortbrengen van een gewas waarvan het zaad bestemd is om te worden gebruikt als kwekerszaad, pre-basiszaad, basiszaad of gecertificeerd zaaizaad, dan wel voor onderzoek of voor proefdoeleinden om te bepalen of het teeltmateriaal aan de gemeenschappelijke rassencatalogus voor landbouwgewassen als "00"-variëteit kan toegevoegd worden.
  2. wat betreft vezelvlas en hennep :
  a) voor de rassen opgenomen in de bijlage XII van verordening (EG) nr. 2316/1999 op de datum van 15 mei voorafgaand aan de campagne waarvoor de areaalbetaling wordt aangevraagd;
  b) bovendien moet het gebruikte zaaizaad van vezelvlas gecertificeerd zijn conform de richtlijn 69/208/EEG of hoevezaad zijn;
  c) bovendien moet het zaaizaad van hennep gecertificeerd zijn conform de richtlijn 69/208/EEG van de Raad en ingezaaid worden met een minimale dosis van 30 kg per hectare.
  3. wat betreft olievlas :
  - indien het lijnzaad wordt geteeld uit zaad van vlasrassen die worden beschouwd als andere rassen dan die welke hoofdzakelijk zijn bestemd voor de vezels als bedoeld in punt 2, a) van deze § 3.
  ++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  =========================
  Art. 6. (WAALSE GEWEST) § 1. De areaalsteun voor de akkerbouwgewassen wordt toegekend :
  1. uitsluitend voor de oppervlakten gelegen in de productieregio's van het nationaal grondgebied;
  2. uitsluitend voor de oppervlakten waarvoor het gewas tenminste tot het begin van de bloei wordt onderhouden in normale groeiomstandigheden, en meer bepaald :
  a) voor wat betreft de oliehoudende zaden, de eiwithoudende gewassen, olievlas en vezelvlas, tenminste tot en met 30 juni van het oogstjaar tenzij het gewas voor deze datum volledig rijp wordt geoogst;
  b) voor wat betreft eiwithoudende gewassen, mogen deze slechts worden geoogst na het melkrijpheidsstadium;
  c) voor wat betreft vezelhennep, de oogst niet mag plaatsvinden vóór het verstrijken van de periode van tien dagen na het einde van de bloei;
  3. voor vezelvlas en -hennep, als ten laatste op 15 september volgend op de indiening van de bedoelde steunaanvraag een kopie wordt overgemaakt van de contracten of verbintenis vermeld in art. 2, § 1 van verordening (EG) nr. 1673/2001 van de Raad van 27 juli 2000 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector vezelvlas en -hennep;
  4. en voor vezelhennep enkel als een aan de inzaai voorafgaande toestemming tot inzaai werd aangevraagd en bekomen bij (de Afdeling Onderzoek, Ontwikkeling en Kwaliteit, Directie Kwaliteit Plantaardige en Dierlijke Producten, van het Directoraat-generaal Landbouw van het Ministerie van het Waalse Gewest).
  § 2. Per uitzonderlijke titel, kan worden afgeweken van de bepalingen opgenomen in § 1, punt 2, van het huidig artikel wanneer de vastgestelde vervaldagen voor de verschillende gewastypes niet kunnen worden gerespecteerd wegens uitzonderlijke klimatologische omstandigheden. Deze moeten tijdig worden erkend door de Minister of naar behoren worden gerechtvaardigd door de producent aanvrager van steun vóór elke controle of vóór elke oogst. In deze gevallen, blijven bedoelde oppervlakken in aanmerking komen voor areaalsteun op voorwaarde dat de betrokken oppervlakten tot de bedoelde tijdstippen niet opnieuw zijn gebruikt.
  § 3. Bovendien wordt de areaalbetaling enkel toegekend onder de volgende bijkomende voorwaarden :
  1. voor wat betreft de oliehoudende zaden :
  a) voor gecertificeerd zaaizaad van de " dubbel nul " kool- en raapzaadvariëteiten of associaties van deze variëteiten met de vermelding " dubbel nul " zoals voorzien in artikel 4, § 1 van verordening (EG) nr. 2316/1999.
  Nochtans worden voor het verkoopseizoen 2001/2002 (oogst 2001) enkel de variëteiten of associaties van variëteiten die in bijlage van verordening (EG) nr. 2256/2000 zijn opgenomen, in overweging genomen.
  b) in toepassing van artikel 4, punt 2, c) van verordening (EG) nr. 2316/1999, voor koolzaad en raapzaad afkomstig van zaaizaden van teeltmateriaal die voor de inzaai voor inspectie en controle zijn geregistreerd voor het voortbrengen van een gewas waarvan het zaad bestemd is om te worden gebruikt als kwekerszaad, pre-basiszaad, basiszaad of gecertificeerd zaaizaad, dan wel voor onderzoek of voor proefdoeleinden om te bepalen of het teeltmateriaal aan de gemeenschappelijke rassencatalogus voor landbouwgewassen als "00"-variëteit kan toegevoegd worden.
  2. wat betreft vezelvlas en hennep :
  a) voor de rassen opgenomen in de bijlage XII van verordening (EG) nr. 2316/1999 op de datum van 15 mei voorafgaand aan de campagne waarvoor de areaalbetaling wordt aangevraagd;
  b) bovendien moet het gebruikte zaaizaad van vezelvlas gecertificeerd zijn conform de richtlijn 69/208/EEG of hoevezaad zijn;
  c) bovendien moet het zaaizaad van hennep gecertificeerd zijn conform de richtlijn 69/208/EEG van de Raad en ingezaaid worden met een minimale dosis van 30 kg per hectare.
  3. wat betreft olievlas :
  - indien het lijnzaad wordt geteeld uit zaad van vlasrassen die worden beschouwd als andere rassen dan die welke hoofdzakelijk zijn bestemd voor de vezels als bedoeld in punt 2, a) van deze § 3.
  

Wijzigingen

Art. 6. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
§ 1. De areaalsteun voor de akkerbouwgewassen wordt toegekend :
1. uitsluitend voor de oppervlakten gelegen in de productieregio's van het nationaal grondgebied;
2. uitsluitend voor de oppervlakten waarvoor het gewas tenminste tot het begin van de bloei wordt onderhouden in normale groeiomstandigheden, en meer bepaald :
a) voor wat betreft de oliehoudende zaden, de eiwithoudende gewassen, olievlas en vezelvlas, tenminste tot en met 30 juni van het oogstjaar tenzij het gewas voor deze datum volledig rijp wordt geoogst;
b) voor wat betreft eiwithoudende gewassen, mogen deze slechts worden geoogst na het melkrijpheidsstadium;
c) voor wat betreft vezelhennep, de oogst niet mag plaatsvinden vóór het verstrijken van de periode van tien dagen na het einde van de bloei;
3. voor vezelvlas en -hennep, als ten laatste op 15 september volgend op de indiening van de bedoelde steunaanvraag een kopie wordt overgemaakt van de contracten of verbintenis vermeld in art. 2, § 1 van verordening (EG) nr. 1673/2001 van de Raad van 27 juli 2000 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector vezelvlas en -hennep;
§ 2. Per uitzonderlijke titel, kan worden afgeweken van de bepalingen opgenomen in § 1, punt 2, van het huidig artikel wanneer de vastgestelde vervaldagen voor de verschillende gewastypes niet kunnen worden gerespecteerd wegens uitzonderlijke klimatologische omstandigheden. Deze moeten tijdig worden erkend door de Minister of naar behoren worden gerechtvaardigd door de producent aanvrager van steun vóór elke controle of vóór elke oogst. In deze gevallen, blijven bedoelde oppervlakken in aanmerking komen voor areaalsteun op voorwaarde dat de betrokken oppervlakten tot de bedoelde tijdstippen niet opnieuw zijn gebruikt.
§ 3. Bovendien wordt de areaalbetaling enkel toegekend onder de volgende bijkomende voorwaarden :
1. voor wat betreft de oliehoudende zaden :
a) voor gecertificeerd zaaizaad van de " dubbel nul " kool- en raapzaadvariëteiten of associaties van deze variëteiten met de vermelding " dubbel nul " zoals voorzien in artikel 4, § 1 van verordening (EG) nr. 2316/1999.
Nochtans worden voor het verkoopseizoen 2001/2002 (oogst 2001) enkel de variëteiten of associaties van variëteiten die in bijlage van verordening (EG) nr. 2256/2000 zijn opgenomen, in overweging genomen.
b) in toepassing van artikel 4, punt 2, c) van verordening (EG) nr. 2316/1999, voor koolzaad en raapzaad afkomstig van zaaizaden van teeltmateriaal die voor de inzaai voor inspectie en controle zijn geregistreerd voor het voortbrengen van een gewas waarvan het zaad bestemd is om te worden gebruikt als kwekerszaad, pre-basiszaad, basiszaad of gecertificeerd zaaizaad, dan wel voor onderzoek of voor proefdoeleinden om te bepalen of het teeltmateriaal aan de gemeenschappelijke rassencatalogus voor landbouwgewassen als "00"-variëteit kan toegevoegd worden.
2. wat betreft vezelvlas en hennep :
a) voor de rassen opgenomen in de bijlage XII van verordening (EG) nr. 2316/1999 op de datum van 15 mei voorafgaand aan de campagne waarvoor de areaalbetaling wordt aangevraagd;
b) bovendien moet het gebruikte zaaizaad van vezelvlas gecertificeerd zijn conform de richtlijn 69/208/EEG of hoevezaad zijn;
c) bovendien moet het zaaizaad van hennep gecertificeerd zijn conform de richtlijn 69/208/EEG van de Raad en ingezaaid worden met een minimale dosis van 30 kg per hectare.
3. wat betreft olievlas :
- indien het lijnzaad wordt geteeld uit zaad van vlasrassen die worden beschouwd als andere rassen dan die welke hoofdzakelijk zijn bestemd voor de vezels als bedoeld in punt 2, a) van deze § 3.
++++++++++
Art. 6. § 1er. Pour les cultures arables, l'aide à la surface est octroyée :
  1. uniquement pour les superficies situées dans les régions de production du territoire national;
  2. uniquement pour les superficies sur lesquelles la culture est entretenue au moins jusqu'au début de la floraison dans des conditions de croissance normales, et plus précisément :
  a) en ce qui concerne les graines oléagineuses, les cultures protéagineuses, le lin oléagineux et le lin destiné à la production de fibres, au moins jusqu'au 30 juin de l'année de récolte, à moins qu'avant cette date, une récolte ait eu lieu au stade de la pleine maturité;
  b) en ce qui concerne les cultures protéagineuses, la récolte ne peut avoir lieu qu'après le stade de la maturité laiteuse;
  c) en ce qui concerne le chanvre destiné à la production de fibres, la récolte ne peut avoir lieu moins de dix jours après la fin de la floraison;
  3. pour le lin et le chanvre destines à la production de fibres, à condition que la copie d'un des contrats ou de l'engagement visés à l'article 2, § 1er, du règlement (CE) n° 1673/2000 du Conseil du 27 juillet 2000 portant organisation commune des marchés dans le secteur du lin et du chanvre destinés à la production de fibres soit déposée au plus tard pour le 15 septembre suivant l'introduction de ladite demande d'aide à la surface;
  4. et pour le chanvre destiné à la production de fibres uniquement si un permis d'ensemencement était demandé à et octroyé par la DG4 Service intervention et aides UE, avant le semis.
  § 2. A titre exceptionnel, il peut être dérogé aux dispositions reprises au § 1er, point 2, du présent article lorsque les échéances fixées pour les différents types de cultures ne peuvent être respectées en raison de circonstances climatiques particulières. Celles-ci devront être reconnues en temps utile par le Ministre ou être dûment justifiées par le producteur demandeur d'aide avant tout contrôle et avant toute récolte. Dans ces cas, les superficies visées demeurent éligibles au paiement à la surface pour autant qu'elles soient restées libres de toute nouvelle occupation jusqu'à ces échéances.
  § 3. En outre, l'aide à la surface est seulement attribuée sous les conditions supplémentaires suivantes :
  1. en ce qui concerne les graines oléagineuses :
  a) pour les semences certifiées de variétés ou d'associations variétales de graines de colza et de navette " double zéro " telles que prévues à l'article 4, § 1er du règlement (CE) n° 2316/1999.
  Toutefois, pour la campagne de commercialisation 2001/2002 (récolte 2001), seules sont prises en considération les variétés ou associations variétales énumérées à l'annexe du règlement (CE) n° 2256/2000.
  b) en application de l'article 4, point 2, c) du règlement (CE) n° 2316/1999, pour le colza et la navette provenant de semences appartenant à des matériels de reproduction enregistrés avant les semis, pour inspection et contrôle, en vue de l'obtention d'un produit dont les graines sont destinées à être utilisées comme semences de sélection, de pré-base, de base ou certifiées à des fins de semis, de recherche ou d'essai pour déterminer si le matériel de reproduction peut être ajouté au Catalogue national des variétés des especes agricoles et ensuite au Catalogue Commun en tant que variété " 00 ".
  2. en ce qui concerne le lin et le chanvre destinés à la production de fibres :
  a) pour les variétés figurant à l'annexe XII du règlement (CE) n° 2316/1999 à la date du 15 mai précédant la campagne au titre de laquelle le paiement à la surface est demandé;
  b) en outre pour les semences de lin, celles-ci doivent être certifiées conformément à la directive 69/208/CEE ou être des semences de ferme;
  c) en outre pour les semences de chanvre, celles-ci doivent être certifiées conformément à la directive 69/208/CEE du Conseil et elles doivent être semées à la dose minimale de 30 kg par hectare.
  3. en ce qui concerne le lin oléagineux :
  - pour autant que les graines de lin soient produites à partir de semences de variétés de lin considérées comme autres que celles destinées principalement à la production de fibres visées au point 2, a) du présent § 3.
  ++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  ======================
  Art. 6. (REGION WALLONNE) § 1er. Pour les cultures arables, l'aide à la surface est octroyée :
  1. uniquement pour les superficies situées dans les régions de production du territoire national;
  2. uniquement pour les superficies sur lesquelles la culture est entretenue au moins jusqu'au début de la floraison dans des conditions de croissance normales, et plus précisément :
  a) en ce qui concerne les graines oléagineuses, les cultures protéagineuses, le lin oléagineux et le lin destiné a la production de fibres, au moins jusqu'au 30 juin de l'année de récolte, à moins qu'avant cette date, une récolte ait eu lieu au stade de la pleine maturité;
  b) en ce qui concerne les cultures protéagineuses, la récolte ne peut avoir lieu qu'après le stade de la maturité laiteuse;
  c) en ce qui concerne le chanvre destiné a la production de fibres, la récolte ne peut avoir lieu moins de dix jours après la fin de la floraison;
  3. pour le lin et le chanvre destinés à la production de fibres, à condition que la copie d'un des contrats ou de l'engagement visés à l'article 2, § 1er, du règlement (CE) n° 1673/2000 du Conseil du 27 juillet 2000 portant organisation commune des marchés dans le secteur du lin et du chanvre destinés à la production de fibres soit déposée au plus tard pour le 15 septembre suivant l'introduction de ladite demande d'aide à la surface;
  4. et pour le chanvre destiné à la production de fibres uniquement si un permis d'ensemencement etait demandé à et octroyé par (la Division de la Recherche, du Développement et de la Qualité, Direction de la Qualité des Produits animaux et végétaux, de la Direction générale de l'Agriculture du Ministere de la Région wallonne), avant le semis.
  § 2. A titre exceptionnel, il peut être derogé aux dispositions reprises au § 1er, point 2, du présent article lorsque les échéances fixées pour les différents types de cultures ne peuvent être respectées en raison de circonstances climatiques particulières. Celles-ci devront être reconnues en temps utile par le Ministre ou être dûment justifiées par le producteur demandeur d'aide avant tout contrôle et avant toute récolte. Dans ces cas, les superficies visées demeurent éligibles au paiement à la surface pour autant qu'elles soient restées libres de toute nouvelle occupation jusqu'à ces échéances.
  § 3. En outre, l'aide à la surface est seulement attribuée sous les conditions supplémentaires suivantes :
  1. en ce qui concerne les graines oléagineuses :
  a) pour les semences certifiées de variétés ou d'associations variétales de graines de colza et de navette " double zéro " telles que prevues à l'article 4, § 1er du règlement (CE) n° 2316/1999.
  Toutefois, pour la campagne de commercialisation 2001/2002 (récolte 2001), seules sont prises en considération les varietés ou associations variétales énumérées à l'annexe du règlement (CE) n° 2256/2000.
  b) en application de l'article 4, point 2, c) du règlement (CE) n° 2316/1999, pour le colza et la navette provenant de semences appartenant à des matériels de reproduction enregistrés avant les semis, pour inspection et contrôle, en vue de l'obtention d'un produit dont les graines sont destinées à être utilisées comme semences de sélection, de pré-base, de base ou certifiées à des fins de semis, de recherche ou d'essai pour déterminer si le matériel de reproduction peut être ajouté au Catalogue national des varietes des espèces agricoles et ensuite au Catalogue Commun en tant que variété " 00 ".
  2. en ce qui concerne le lin et le chanvre destinés à la production de fibres :
  a) pour les variétés figurant à l'annexe XII du règlement (CE) n° 2316/1999 à la date du 15 mai précédant la campagne au titre de laquelle le paiement a la surface est demandé;
  b) en outre pour les semences de lin, celles-ci doivent être certifiées conformément à la directive 69/208/CEE ou être des semences de ferme;
  c) en outre pour les semences de chanvre, celles-ci doivent être certifiées conformément à la directive 69/208/CEE du Conseil et elles doivent être semées à la dose minimale de 30 kg par hectare.
  3. en ce qui concerne le lin oléagineux :
  - pour autant que les graines de lin soient produites à partir de semences de variétés de lin considérées comme autres que celles destinées principalement à la production de fibres visées au point 2, a) du présent § 3.
  

Wijzigingen

Art. 6. (COMMUNAUTE FLAMANDE)
§ 1er. Pour les cultures arables, l'aide à la surface est octroyée :
1. uniquement pour les superficies situées dans les régions de production du territoire national;
2. uniquement pour les superficies sur lesquelles la culture est entretenue au moins jusqu'au début de la floraison dans des conditions de croissance normales, et plus précisément :
a) en ce qui concerne les graines oleagineuses, les cultures protéagineuses, le lin oléagineux et le lin destiné à la production de fibres, au moins jusqu'au 30 juin de l'année de récolte, a moins qu'avant cette date, une récolte ait eu lieu au stade de la pleine maturité;
b) en ce qui concerne les cultures protéagineuses, la récolte ne peut avoir lieu qu'après le stade de la maturité laiteuse;
c) en ce qui concerne le chanvre destiné a la production de fibres, la récolte ne peut avoir lieu moins de dix jours après la fin de la floraison;
3. pour le lin et le chanvre destinés à la production de fibres, à condition que la copie d'un des contrats ou de l'engagement visés à l'article 2, § 1er, du règlement (CE) n° 1673/2000 du Conseil du 27 juillet 2000 portant organisation commune des marchés dans le secteur du lin et du chanvre destinés à la production de fibres soit déposée au plus tard pour le 15 septembre suivant l'introduction de ladite demande d'aide à la surface;
§ 2. A titre exceptionnel, il peut être dérogé aux dispositions reprises au § 1er, point 2, du présent article lorsque les échéances fixées pour les différents types de cultures ne peuvent être respectées en raison de circonstances climatiques particulières. Celles-ci devront être reconnues en temps utile par le Ministre ou être dûment justifiées par le producteur demandeur d'aide avant tout controle et avant toute récolte. Dans ces cas, les superficies visées demeurent eligibles au paiement à la surface pour autant qu'elles soient restées libres de toute nouvelle occupation jusqu'à ces échéances.
§ 3. En outre, l'aide à la surface est seulement attribuée sous les conditions supplémentaires suivantes :
1. en ce qui concerne les graines oléagineuses :
a) pour les semences certifiées de variétés ou d'associations variétales de graines de colza et de navette " double zéro " telles que prévues à l'article 4, § 1er du règlement (CE) n° 2316/1999.
Toutefois, pour la campagne de commercialisation 2001/2002 (récolte 2001), seules sont prises en considération les variétés ou associations variétales énumérées à l'annexe du règlement (CE) n° 2256/2000.
b) en application de l'article 4, point 2, c) du règlement (CE) n° 2316/1999, pour le colza et la navette provenant de semences appartenant à des matériels de reproduction enregistrés avant les semis, pour inspection et contrôle, en vue de l'obtention d'un produit dont les graines sont destinées à être utilisées comme semences de sélection, de pré-base, de base ou certifiées à des fins de semis, de recherche ou d'essai pour déterminer si le matériel de reproduction peut être ajouté au Catalogue national des variétés des espèces agricoles et ensuite au Catalogue Commun en tant que variété " 00 ".
2. en ce qui concerne le lin et le chanvre destinés à la production de fibres :
a) pour les variétés figurant à l'annexe XII du règlement (CE) n° 2316/1999 à la date du 15 mai précédant la campagne au titre de laquelle le paiement à la surface est demandé;
b) en outre pour les semences de lin, celles-ci doivent être certifiées conformément à la directive 69/208/CEE ou être des semences de ferme;
c) en outre pour les semences de chanvre, celles-ci doivent être certifiées conformément à la directive 69/208/CEE du Conseil et elles doivent être semées à la dose minimale de 30 kg par hectare.
3. en ce qui concerne le lin oléagineux :
- pour autant que les graines de lin soient produites à partir de semences de variétés de lin considérées comme autres que celles destinées principalement à la production de fibres visées au point 2, a) du présent § 3.
++++++++++
Art. 7. Opdat niet-premiegerechtigde gronden in aanmerking zouden kunnen komen in de regeling voor areaalsteun, gebruikmakend van een of meerdere afwijkingen voorzien in artikel 6, § 3, punt b), gedachtenstreepjes 2 tot 5 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, moet de producent aan volgende voorwaarden voldoen :
  - een aanvraag indienen voor de ruil van gronden met de wijziging van hun statuut op een daartoe specifiek formulier ter beschikking gesteld door de provinciale bureaus van het Bestuur voor Landbouwproductiebeheer (DG 3);
  - de aanvraag indienen op het provinciaal bureau ten laatste op 30 november van het jaar voorafgaand aan dit waarvoor een areaalsteun wordt aangevraagd;
  - aantonen dat de ruil gepaard gaat zonder toename van de totale premiegerechtigde oppervlakte van zijn bedrijf;
  - de schriftelijke toestemming te hebben ontvangen van het bovenvernoemde Bestuur (DG 3) vóór de uiterste indieningsdatum van de aanvraag voor areaalsteun voor het betreffende jaar.
  ++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  ==========================
  Art. 7. (WAALSE GEWEST) Opdat niet-premiegerechtigde gronden in aanmerking zouden kunnen komen in de regeling voor areaalsteun, gebruikmakend van een of meerdere afwijkingen voorzien in artikel 6, § 3, punt b), gedachtenstreepjes 2 tot 5 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, moet de producent aan volgende voorwaarden voldoen :
  - een aanvraag indienen voor de ruil van gronden met de wijziging van hun statuut op een daartoe specifiek formulier ter beschikking gesteld (door de buurtdienst van het Bestuur);
  - de aanvraag indienen op (door de buurtdienst van het Bestuur) ten laatste op 30 november van het jaar voorafgaand aan dit waarvoor een areaalsteun wordt aangevraagd;
  - aantonen dat de ruil gepaard gaat zonder toename van de totale premiegerechtigde oppervlakte van zijn bedrijf;
  - de schriftelijke toestemming te hebben ontvangen (van de buurtdienst van het Bestuur) vóór de uiterste indieningsdatum van de aanvraag voor areaalsteun voor het betreffende jaar.
  

Wijzigingen

Art. 7. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
Opdat niet-premiegerechtigde gronden in aanmerking zouden kunnen komen in de regeling voor areaalsteun, gebruikmakend van een of meerdere afwijkingen voorzien in artikel 6, § 3, punt b), gedachtenstreepjes 2 tot 5 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, moet de producent aan volgende voorwaarden voldoen :
- een aanvraag indienen voor de ruil van gronden met de wijziging van hun statuut op een daartoe specifiek formulier ter beschikking gesteld door de provinciale bureaus van het Bestuur voor Landbouwproductiebeheer (DG 3);
- de aanvraag indienen op het provinciaal bureau ten laatste op 30 november van het jaar voorafgaand aan dit waarvoor een areaalsteun wordt aangevraagd;
- aantonen dat de ruil gepaard gaat zonder toename van de totale premiegerechtigde oppervlakte van zijn bedrijf;
++++++++++
Art. 7. Pour que des terres non éligibles puissent être prises en compte dans le régime d'aide à la surface en bénéficiant d'une ou de plusieurs dérogations prévues à l'article 6, § 3, point b), tirets 2 à 5 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, le producteur doit satisfaire aux conditions suivantes :
  - présenter une demande d'échange de terres avec modification de leur statut, sur le formulaire spécifique disponible auprès des Bureaux provinciaux de l'Administration de la gestion de la production agricole (DG 3);
  - introduire la demande auprès du Bureau provincial au plus tard le 30 novembre de l'année précédant celle pour laquelle une aide à la surface est sollicitée;
  - prouver que l'échange se fait sans augmentation de la superficie totale des terres eligibles de son exploitation;
  - avoir reçu l'autorisation écrite de l'Administration précitée (DG 3) avant la date limite pour le dépôt de la demande d'aide à la surface pour l'année concernée.
  ++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  ======================
  Art. 7. (REGION WALLONNE) Pour que des terres non éligibles puissent être prises en compte dans le régime d'aide à la surface en bénéficiant d'une ou de plusieurs derogations prévues à l'article 6, § 3, point b), tirets 2 a 5 de l'arrêté royal du 19 décembre 2001, le producteur doit satisfaire aux conditions suivantes :
  - présenter une demande d'échange de terres avec modification de leur statut, sur le formulaire spécifique disponible (auprès des services de proximité de l'Administration);
  - introduire la demande (auprès du service de proximité de l'Administration) au plus tard le 30 novembre de l'année précédant celle pour laquelle une aide à la surface est sollicitée;
  - prouver que l'échange se fait sans augmentation de la superficie totale des terres éligibles de son exploitation;
  - avoir reçu l'autorisation écrite (du service de proximité de l'Administration) avant la date limite pour le dépôt de la demande d'aide à la surface pour l'année concernée.
  

Wijzigingen

Art. 7. (COMMUNAUTE FLAMANDE)
Pour que des terres non éligibles puissent être prises en compte dans le régime d'aide à la surface en bénéficiant d'une ou de plusieurs dérogations prévues à l'article 6, § 3, point b), tirets 2 à 5 de l'arrête royal du 19 décembre 2001, le producteur doit satisfaire aux conditions suivantes :
- présenter une demande d'échange de terres avec modification de leur statut, sur le formulaire spécifique disponible auprès des Bureaux provinciaux de l'Administration de la gestion de la production agricole (DG 3);
- introduire la demande auprès du Bureau provincial au plus tard le 30 novembre de l'année précédant celle pour laquelle une aide à la surface est sollicitée;
- prouver que l'échange se fait sans augmentation de la superficie totale des terres éligibles de son exploitation;
++++++++++
Art. 8. § 1. Om in aanmerking te komen voor de steunregeling voor bepaalde akkerbouwgewassen moet elke producent een aanvraag voor areaalsteun, genaamd " oppervlakteaangifte ", indienen waarin alle percelen landbouwgrond van het bedrijf worden vermeld.
  Deze steunaanvraag naar behoren ingevuld en ondertekend moet ingediend worden :
  a) ofwel bij middel van een gepersonaliseerd formulier dat door het Bestuur voor Landbouwproductiebeheer (DG 3) aan elke producent steunaanvrager wordt toegestuurd;
  b) ofwel bij middel van een blanco exemplaar van bedoeld formulier ter beschikking gesteld door de provinciale bureaus vermeld in bijlage IV van het huidige besluit;
  c) ofwel bij middel van computerdiskettes ingediend in het bijzonder door de landbouworganisaties en aangevuld conform het lastenboek dat werd meegedeeld aan de geïnteresseerden door DG 3, vergezeld voor elke producent steunaanvrager van een naar behoren ondertekend uittreksel op papier van de oppervlakteaangifte.
  In alle gevallen moet de oppervlakteaangifte voorzien zijn van de bewijsstukken zoals voorzien in bedoeld formulier.
  § 2. De steunaanvraag moet jaarlijks ingediend worden bij het provinciaal bureau van het Bestuur voor het Landbouwproductiebeheer (DG 3) zoals vermeld in bijlage IV van dit besluit, en dit ten laatste op een uiterste datum.
  § 3. Zonder tegenstrijdige beslissing is de uiterste datum bedoeld in § 2 van dit artikel, vastgesteld op :
  a) ten laatste 30 april van het oogstjaar om 17 uur voor de steunaanvragen ingediend onder de vorm van een papieren formulier per aangetekend schrijven op te sturen met de poststempel als kracht van bewijs of af te geven op het provinciaal bureau van DG 3 tegen aflevering van een ontvangstbewijs;
  b) ten laatste 15 mei van het oogstjaar om 17 uur voor de aanvragen ingediend onder geïnformatiseerde vorm.
  Niettemin is voor de campagne 2001/2002 (oogst 2001) de uiterste datum in alle gevallen vastgesteld op ten laatste 15 mei 2001, om 17 uur.
  § 4. Zonder tegenstrijdige beslissing moet elke eventuele wijziging van de benuttiging het gebruik van percelen uiterlijk op 31 mei schriftelijk gemeld worden bij het in § 2 vermelde Bureau, onverminderd de bepalingen voorzien in artikel 8, § 1, van verordening (EEG) nr. 3887/92.
  Niettemin is voor de campagne 2001/2002 (oogst 2001) de uiterste datum voor het aanbrengen van een wijziging in perceelsgebruik vastgesteld op ten laatste 15 juni 2001 om 17 uur.
  Toevoegingen van landbouwpercelen en oppervlakten kunnen niet aangebracht worden behalve in de gevallen dat de producent, na de einddatum voor indiening van de steunaanvragen het recht op gebruik van die percelen heeft verkregen ten gevolge van :
  a) een ruilverkaveling uitgevoerd door tussenkomst van de bevoegde overheid;
  b) een uitbreiding van bedrijf door :
  - overdracht van eigendom van gronden;
  - overdracht van genot van gronden in toepassing van de artikelen 31, 34 en 38 van de pachtwet of wanneer een pacht die normaal beëindigd is door het verstrijken van de pachtperiode onmiddellijk gevolgd wordt door het afsluiten van een nieuwe pacht.
  Deze toevoegingen moeten ook schriftelijk meegedeeld worden bij het in § 2 vermelde provinciaal bureau ten laatste op de vastgestelde uiterste datum voor de inzaai zoals voorzien in artikel 4, 1e streepje van het koninklijk besluit van 19 december 2001.
  § 5. Voor het verkoopseizoen 2001/2002 (oogst 2001) kunnen de producenten die beroep doen op de mogelijkheid bedoeld in artikel 7 punt b) van het koninklijk besluit van 19 december 2001, voederleguminosen aangeven als braak voor zover de aanvraag is ingediend ten laatste op 1 juli 2001.
  ++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  ==========================
  Art. 8. (WAALSE GEWEST) § 1. Om in aanmerking te komen voor de steunregeling voor bepaalde akkerbouwgewassen moet elke producent een aanvraag voor areaalsteun, genaamd " oppervlakteaangifte ", indienen waarin alle percelen landbouwgrond van het bedrijf worden vermeld.
  Deze steunaanvraag naar behoren ingevuld en ondertekend moet ingediend worden :
  a) ofwel bij middel van een gepersonaliseerd formulier dat door (het Bestuur) aan elke producent steunaanvrager wordt toegestuurd;
  b) ofwel bij middel van een blanco exemplaar van bedoeld formulier ter beschikking gesteld door (buurtdiensten van het Bestuur) vermeld in bijlage IV van het huidige besluit;
  c) ofwel bij middel van computerdiskettes ingediend in het bijzonder door de landbouworganisaties en aangevuld conform het lastenboek dat werd meegedeeld aan de geïnteresseerden door (het Bestuur), vergezeld voor elke producent steunaanvrager van een naar behoren ondertekend uittreksel op papier van de oppervlakteaangifte.
  In alle gevallen moet de oppervlakteaangifte voorzien zijn van de bewijsstukken zoals voorzien in bedoeld formulier.
  § 2. De steunaanvraag moet jaarlijks ingediend worden (bij de buurtdienst van het Bestuur) zoals vermeld in bijlage IV van dit besluit, en dit ten laatste op een uiterste datum.
  § 3. Zonder tegenstrijdige beslissing is de uiterste datum bedoeld in § 2 van dit artikel, vastgesteld op :
  a) ten laatste 30 april van het oogstjaar om 17 uur voor de steunaanvragen ingediend onder de vorm van een papieren formulier per aangetekend schrijven op te sturen met de poststempel als kracht van bewijs of af te geven (bij de buurtdienst van het Bestuur) tegen aflevering van een ontvangstbewijs;
  b) ten laatste 15 mei van het oogstjaar om 17 uur voor de aanvragen ingediend onder geïnformatiseerde vorm.
  Niettemin is voor de campagne 2001/2002 (oogst 2001) de uiterste datum in alle gevallen vastgesteld op ten laatste 15 mei 2001, om 17 uur.
  (§ 4. Na de uiterste datum die is vastgesteld voor de indiening van de steunaanvraag voor de oppervlakte mogen landbouwpercelen die niet in de oorspronkelijke aanvraag opgenomen waren en wijzigingen met betrekking tot het gebruik of de steunregeling erin aangebracht worden voorzover die veranderingen schriftelijk gemeld worden aan de buurtdienst van het Bestuur, uiterlijk op de datum bepaald voor het inzaaien en voorzover de vereisten geldend in de sectorale regelgevingen die op de betrokken steunregeling van toepassing zijn, nageleefd worden.)
  § 5. Voor het verkoopseizoen 2001/2002 (oogst 2001) kunnen de producenten die beroep doen op de mogelijkheid bedoeld in artikel 7 punt b) van het koninklijk besluit van 19 december 2001, voederleguminosen aangeven als braak voor zover de aanvraag is ingediend ten laatste op 1 juli 2001.
  

Wijzigingen

Art. 8. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
§ 1. Om in aanmerking te komen voor de steunregeling voor bepaalde akkerbouwgewassen moet elke producent een aanvraag voor areaalsteun, genaamd " oppervlakteaangifte ", indienen waarin alle percelen landbouwgrond van het bedrijf worden vermeld.
Deze steunaanvraag naar behoren ingevuld en ondertekend moet ingediend worden :
a) ofwel bij middel van een gepersonaliseerd formulier dat door het Bestuur voor Landbouwproductiebeheer (DG 3) aan elke producent steunaanvrager wordt toegestuurd;
b) ofwel bij middel van een blanco exemplaar van bedoeld formulier ter beschikking gesteld door de provinciale bureaus vermeld in bijlage IV van het huidige besluit;
In alle gevallen moet de oppervlakteaangifte voorzien zijn van de bewijsstukken zoals voorzien in bedoeld formulier.
§ 2. De steunaanvraag moet jaarlijks ingediend worden bij het provinciaal bureau van het Bestuur voor het Landbouwproductiebeheer (DG 3) zoals vermeld in bijlage IV van dit besluit, en dit ten laatste op een uiterste datum.
§ 3. Zonder tegenstrijdige beslissing is de uiterste datum bedoeld in § 2 van dit artikel, vastgesteld op :
b) ten laatste 15 mei van het oogstjaar om 17 uur voor de aanvragen ingediend onder geïnformatiseerde vorm.
Niettemin is voor de campagne 2001/2002 (oogst 2001) de uiterste datum in alle gevallen vastgesteld op ten laatste 15 mei 2001, om 17 uur.
§ 5. Voor het verkoopseizoen 2001/2002 (oogst 2001) kunnen de producenten die beroep doen op de mogelijkheid bedoeld in artikel 7 punt b) van het koninklijk besluit van 19 december 2001, voederleguminosen aangeven als braak voor zover de aanvraag is ingediend ten laatste op 1 juli 2001.
++++++++++
Art. 8. § 1er. Pour être admis au benéfice du régime de soutien pour certaines cultures arables, chaque producteur introduit une demande d'aide à la surface, dite " déclaration de superficie " indiquant toutes les parcelles agricoles de l'exploitation.
  Cette demande d'aide, dûment complétée et signee, doit être introduite :
  a) soit au moyen du formulaire personnalisé que l'Administration de la gestion de la production agricole (DG 3) adresse à chaque producteur demandeur d'aides;
  b) soit au moyen d'un exemplaire vierge dudit formulaire disponible auprès des Bureaux provinciaux cités en annexe IV du présent arrêté;
  c) soit, au moyen de disquettes informatiques introduites notamment par les organisations agricoles et présentées conformément au cahier des charges communiqué aux intéressés par la DG 3, accompagnées pour chaque producteur demandeur d'aides d'un tirage sur papier de sa déclaration dûment signée.
  Dans tous les cas, la déclaration doit être accompagnée des documents justificatifs prévus dans ledit formulaire.
  § 2. La demande d'aides doit être introduite chaque année auprès du Bureau provincial de l'Administration de la gestion de la production agricole (DG 3), désigné à l'annexe IV du présent arrêté, au plus tard à une date limite.
  § 3. Sauf décision contraire, la date limite visée au § 2 du présent article est fixée :
  a) au 30 avril de l'année de récolte a 17 heures au plus tard pour les demandes d'aides introduites sous la forme du formulaire papier, à envoyer sous pli recommandé, cachet de la poste faisant foi, ou à déposer au Bureau provincial de la DG 3 contre délivrance d'un reçu;
  b) au 15 mai de l'année de récolte à 17 heures au plus tard pour les demandes d'aides introduites sous la forme informatisée.
  Toutefois, pour la campagne 2001/2002 (récolte 2001), la date limite fixée dans tous les cas est le 15 mai 2001, à 17 heures au plus tard.
  § 4. Sauf décision contraire, toute modification éventuelle d'utilisation de parcelles doit être communiquée par écrit au Bureau visé au § 2 au plus tard le 31 mai, sans préjudice des dispositions prévues à l'article 8, § 1er du règlement (CEE) n° 3887/92.
  Toutefois, pour la campagne 2001/2002 (récolte 2001), la date limite pour apporter une modification d'utilisation de parcelles est fixée au 15 juin 2001 à 17 heures au plus tard.
  Les ajouts de parcelles agricoles et de superficies ne peuvent être apportés que dans les cas où le producteur a acquis, après la date limite d'introduction des demandes d'aides, le droit d'utilisation de ces parcelles suite à :
  a) un remembrement effectué à l'intervention de l'autorité compétente;
  b) un agrandissement de l'exploitation par :
  - transfert de propriété de terres;
  - transfert de jouissance de terres en application des articles 31, 34 et 38 de la loi sur le bail à ferme ou encore résultant de la conclusion d'un nouveau bail à ferme faisant directement suite à un bail précédent arrivé à expiration normale de son terme.
  Ces ajouts doivent aussi être communiqués par écrit au bureau provincial visé au § 2, au plus tard à la date limite fixée pour les semis telle que prévue à l'article 4, 1 tiret de l'arrêté royal du 19 décembre 2001.
  § 5. Pour la campagne de commercialisation 2001/2002 (récolte 2001), les producteurs qui recourent à la possibilité visée à l'article 7, point b) de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 peuvent déclarer en gel des superficies de légumineuses fourragères, ceci pour autant que la requête soit introduite au plus tard le 1 juillet 2001.
  ++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  ======================
  Art. 8. (REGION WALLONNE) § 1er. Pour être admis au benéfice du régime de soutien pour certaines cultures arables, chaque producteur introduit une demande d'aide à la surface, dite " déclaration de superficie " indiquant toutes les parcelles agricoles de l'exploitation.
  Cette demande d'aide, dûment complétée et signée, doit être introduite :
  a) soit au moyen du formulaire personnalisé que (l'Administration) adresse à chaque producteur demandeur d'aides;
  b) soit au moyen d'un exemplaire vierge dudit formulaire disponible auprès des (services de proximité de l'Administration) cités en annexe IV du présent arrêté;
  c) soit, au moyen de disquettes informatiques introduites notamment par les organisations agricoles et présentées conformément au cahier des charges communiqué aux intéressés par (l'Administration), accompagnées pour chaque producteur demandeur d'aides d'un tirage sur papier de sa déclaration dûment signée.
  Dans tous les cas, la déclaration doit être accompagnée des documents justificatifs prévus dans ledit formulaire.
  § 2. La demande d'aides doit être introduite chaque année (auprès du service de proximité de l'Administration), désigné à l'annexe IV du présent arrêté, au plus tard à une date limite.
  § 3. Sauf décision contraire, la date limite visée au § 2 du présent article est fixée :
  a) au 30 avril de l'année de récolte à 17 heures au plus tard pour les demandes d'aides introduites sous la forme du formulaire papier, à envoyer sous pli recommandé, cachet de la poste faisant foi, ou à deposer (au service de proximité de l'Administration) contre délivrance d'un reçu;
  b) au 15 mai de l'année de récolte à 17 heures au plus tard pour les demandes d'aides introduites sous la forme informatisée.
  Toutefois, pour la campagne 2001/2002 (récolte 2001), la date limite fixee dans tous les cas est le 15 mai 2001, à 17 heures au plus tard.
  (§ 4. Après la date limite fixée pour l'introduction de la demande d'aide à la surface, des parcelles agricoles ne faisant pas partie de ladite demande initiale peuvent y être ajoutées et des modifications concernant l'utilisation ou le regime d'aide peuvent y être apportées pour autant que ces changements se fassent par écrit au service de proximité de l'Administration, au plus tard à la date prévue pour l'ensemencement et que les exigences voulues par les réglementations sectorielles applicables au régime d'aide concerné soient respectées.)
  § 5. Pour la campagne de commercialisation 2001/2002 (récolte 2001), les producteurs qui recourent à la possibilité visée à l'article 7, point b) de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 peuvent déclarer en gel des superficies de légumineuses fourragères, ceci pour autant que la requête soit introduite au plus tard le 1 juillet 2001.
  

Wijzigingen

Art. 8. (COMMUNAUTE FLAMANDE)
§ 1er. Pour être admis au bénéfice du régime de soutien pour certaines cultures arables, chaque producteur introduit une demande d'aide à la surface, dite " déclaration de superficie " indiquant toutes les parcelles agricoles de l'exploitation.
Cette demande d'aide, dûment complétée et signée, doit être introduite :
a) soit au moyen du formulaire personnalisé que l'Administration de la gestion de la production agricole (DG 3) adresse à chaque producteur demandeur d'aides;
b) soit au moyen d'un exemplaire vierge dudit formulaire disponible auprès des Bureaux provinciaux cités en annexe IV du présent arrêté;
Dans tous les cas, la déclaration doit être accompagnée des documents justificatifs prévus dans ledit formulaire.
§ 2. La demande d'aides doit être introduite chaque année auprès du Bureau provincial de l'Administration de la gestion de la production agricole (DG 3), désigné a l'annexe IV du présent arrêté, au plus tard à une date limite.
§ 3. Sauf décision contraire, la date limite visée au § 2 du présent article est fixée :
b) au 15 mai de l'année de récolte à 17 heures au plus tard pour les demandes d'aides introduites sous la forme informatisée.
Toutefois, pour la campagne 2001/2002 (récolte 2001), la date limite fixée dans tous les cas est le 15 mai 2001, à 17 heures au plus tard.
§ 5. Pour la campagne de commercialisation 2001/2002 (récolte 2001), les producteurs qui recourent à la possibilité visée à l'article 7, point b) de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 peuvent déclarer en gel des superficies de légumineuses fourragères, ceci pour autant que la requête soit introduite au plus tard le 1 juillet 2001.
++++++++++
Art. 9. Voor de toepassing van dit besluit kan, mits hun toelating, rekening gehouden worden met de gegevens geleverd door de producenten, in overeenstemming met de bepalingen van het koninklijk besluit van 2 april 2001 betreffende de organisatie van de jaarlijkse landbouwtelling in de maand mei.
Art. 9. Pour l'application du présent arrêté, il peut être tenu compte, moyennant leur autorisation, des données fournies par les producteurs conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 2 avril 2001, relatif à l'organisation d'un recensement agricole annuel au mois de mai.
Art. 10. § 1. Onverminderd de bepalingen van titel II, hoofdstuk III, sectie 3 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscompatibiliteit en het koninklijk besluit van 31 mei 1933, betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, verliest de producent elk recht op het gebruik van de areaalbetaling indien hij nalaat gevolg te geven aan de verzoeken om bijkomende inlichtingen of bewijsstukken vanwege het Ministerie van Landbouw.
  § 2. De percelen die niet beantwoorden aan de verplichtingen bedoeld in artikel 3, §§ 2 en 3, van dit besluit worden niet beschouwd als braakgelegde gronden.
  § 3. Indien de verplichtingen bedoeld in artikel 3, §§ 1 en 4 en artikel 5, § 3, tweede streepje van dit besluit niet worden nageleefd wordt de areaalbetaling verminderd met een bedrag gelijk aan het resultaat van de oppervlakte van de percelen in overtreding vermenigvuldigd met het van toepassing zijnde areaalbetaling per hectare vermenigvuldigd met een percentage.
  Het in het vorige lid bedoelde percentage is vastgesteld op :
  - 20 % in geval van inzaai van een bodembedekking welke andere gewassen bevat dan deze bedoeld in bijlage I en II van dit besluit;
  - 30 % in geval van niet vernietiging van de bodembedekking bestaande uit gewassen bedoeld in bijlage I van dit besluit, waarbij geen gebruik gemaakt werd van een gecertificeerd zaaizaadmengsel van minstens 2 verschillende families en bestaande uit minstens 20 % van ieder van hen; de vernietiging van de bodembedekking kan ofwel gebeuren door te maaien, door fijn te malen of op iedere andere geschikte wijze;
  - 30 % in geval van aanwezigheid van onkruiden in het stadium van vruchtzetting zowel bij spontane bodembedekking als bij inzaai;
  - 50 % in geval van het gebruik van andere fytofarmaceutische producten dan deze vermeld in bijlage III van dit besluit;
  - 50 % in geval van afwezigheid van een bodembedekking;
  - 100 % bij niet verwittiging van het provinciaal bureau van de voorziene datum van iedere vernietiging van de bodembedekking ingeplant voor een faunabraak en dit tenminste 2 dagen voor de datum van de start van de uitvoering van deze werkzaamheden.
  § 4. De steun die ten onrechte zou gestort zijn geweest, zal teruggevorderd worden, vermeerderd met de intrest berekend aan de wettelijke koers vanaf de betalingsdatum.
  ++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  ==========================
  Art. 10. (WAALSE GEWEST) § 1. Onverminderd de bepalingen van titel II, hoofdstuk III, sectie 3 van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscompatibiliteit en het koninklijk besluit van 31 mei 1933, betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, verliest de producent elk recht op het gebruik van de areaalbetaling indien hij nalaat gevolg te geven aan de verzoeken om bijkomende inlichtingen of bewijsstukken (van het Bestuur).
  § 2. De percelen die niet beantwoorden aan de verplichtingen bedoeld in artikel 3, §§ 2 en 3, van dit besluit worden niet beschouwd als braakgelegde gronden.
  § 3. Indien de verplichtingen bedoeld in artikel 3, §§ 1 en 4 en artikel 5, § 3, tweede streepje van dit besluit niet worden nageleefd wordt de areaalbetaling verminderd met een bedrag gelijk aan het resultaat van de oppervlakte van de percelen in overtreding vermenigvuldigd met het van toepassing zijnde areaalbetaling per hectare vermenigvuldigd met een percentage.
  Het in het vorige lid bedoelde percentage is vastgesteld op :
  - 20 % in geval van inzaai van een bodembedekking welke andere gewassen bevat dan deze bedoeld in bijlage I en II van dit besluit;
  - 30 % in geval van niet vernietiging van de bodembedekking bestaande uit gewassen bedoeld in bijlage I van dit besluit, waarbij geen gebruik gemaakt werd van een gecertificeerd zaaizaadmengsel van minstens 2 verschillende families en bestaande uit minstens 20 % van ieder van hen; de vernietiging van de bodembedekking kan ofwel gebeuren door te maaien, door fijn te malen of op iedere andere geschikte wijze;
  - 30 % in geval van aanwezigheid van onkruiden in het stadium van vruchtzetting zowel bij spontane bodembedekking als bij inzaai;
  - 50 % in geval van het gebruik van andere fytofarmaceutische producten dan deze vermeld in bijlage III van dit besluit;
  - 50 % in geval van afwezigheid van een bodembedekking;
  - 100 % bij niet verwittiging (van de buurtdienst van het Bestuur) van de voorziene datum van iedere vernietiging van de bodembedekking ingeplant voor een faunabraak en dit tenminste 2 dagen voor de datum van de start van de uitvoering van deze werkzaamheden.
  (§ 4. Indien het bedrag onverschuldigd gestort wordt, wordt dat onverschuldigde bedrag vermeerderd met interesten die berekend worden volgens de wettelijke rentevoet. De interesten lopen vanaf de kennisgeving aan de producent van de verplichting tot terugbetaling tot en met de datum van terugbetaling of van aftrek van de verschuldigde sommen.
  Ongeacht de steunregeling die door het Bestuur wordt beheerd, kan het Bestuur, indien er een onverschuldigd bedrag gestort is of indien er een bijkomende inhouding verricht wordt, een compensatie verrichten met elk steunbedrag bedoeld in dit besluit dat aan de producent verschuldigd is.)
  

Wijzigingen

Art. 10. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
§ 2. De percelen die niet beantwoorden aan de verplichtingen bedoeld in artikel 3, §§ 2 en 3, van dit besluit worden niet beschouwd als braakgelegde gronden.
§ 3. Indien de verplichtingen bedoeld in artikel 3, §§ 1 en 4 en artikel 5, § 3, tweede streepje van dit besluit niet worden nageleefd wordt de areaalbetaling verminderd met een bedrag gelijk aan het resultaat van de oppervlakte van de percelen in overtreding vermenigvuldigd met het van toepassing zijnde areaalbetaling per hectare vermenigvuldigd met een percentage.
Het in het vorige lid bedoelde percentage is vastgesteld op :
- 20 % in geval van inzaai van een bodembedekking welke andere gewassen bevat dan deze bedoeld in bijlage I en II van dit besluit;
- 30 % in geval van niet vernietiging van de bodembedekking bestaande uit gewassen bedoeld in bijlage I van dit besluit, waarbij geen gebruik gemaakt werd van een gecertificeerd zaaizaadmengsel van minstens 2 verschillende families en bestaande uit minstens 20 % van ieder van hen; de vernietiging van de bodembedekking kan ofwel gebeuren door te maaien, door fijn te malen of op iedere andere geschikte wijze;
- 30 % in geval van aanwezigheid van onkruiden in het stadium van vruchtzetting zowel bij spontane bodembedekking als bij inzaai;
- 50 % in geval van het gebruik van andere fytofarmaceutische producten dan deze vermeld in bijlage III van dit besluit;
- 50 % in geval van afwezigheid van een bodembedekking;
- 100 % bij niet verwittiging van het provinciaal bureau van de voorziene datum van iedere vernietiging van de bodembedekking ingeplant voor een faunabraak en dit tenminste 2 dagen voor de datum van de start van de uitvoering van deze werkzaamheden.
++++++++++
Art. 10. § 1er. Sans préjudice des dispositions du titre II, chapitre III, section 3 de l'arrêté royal du 17 juillet 1991 portant coordination des lois sur la compatibilité de l'Etat et de l'arrêté royal du 31 mai 1933, concernant les déclarations à faire en matière de subventions, indemnités et allocations, le producteur perd tout droit au bénéfice de l'aide à la surface s'il s'abstient de donner suite aux demandes de renseignements ou de documents complémentaires émanant du Ministere de l'Agriculture.
  § 2. Les parcelles ne répondant pas aux obligations visées à l'article 3, §§ 2 et 3 du présent arrêté ne sont pas considérées comme des terres gelées.
  § 3. En cas de non-respect des obligations visées à l'article 3, §§ 1er et 4 et à l'article 5, § 3, 2e tiret du présent arrêté, l'aide à la surface est diminuée à concurrence d'un montant égal au produit de la surface des parcelles en infraction par le montant de l'aide à la surface en vigueur multiplié par un pourcentage.
  Le pourcentage visé à l'alinéa précédent est fixé à :
  - 20 % en cas d'implantation d'un couvert végétal comprenant des espèces autres que celles visées aux annexes I et II du présent arrêté;
  - 30 % en cas de non destruction en temps utile du couvert comprenant des espèces visées à l'annexe I du présent arrêté, non semées en mélange certifié de semences d'espèces d'au moins deux familles différentes et comportant au moins 20 % de chacune d'elles; la destruction du couvert pouvant se faire soit par fauchage, soit par broyage, soit par tout autre mode approprié;
  - 30 % en cas de présence de mauvaises herbes au stade fructification, que le couvert soit spontané ou résultant d'un semis;
  - 50 % en cas d'application de produits phytopharmaceutiques autres que ceux vises à l'annexe III du présent arrêté;
  - 50 % en cas d'absence de couvert végétal;
  - 100 % en cas de non avertissement du Bureau provincial de la date prévue pour toute destruction du couvert végétal implanté pour une jachère faune, ceci au moins 2 jours ouvrables avant la date d'exécution de ces travaux.
  § 4. Les aides qui auraient été indûment versées seront récupérées en les majorant d'un intérêt calculé au taux légal à partir de la date du paiement.
  ++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  ======================
  Art. 10. (REGION WALLONNE) § 1er. Sans préjudice des dispositions du titre II, chapitre III, section 3 de l'arrêté royal du 17 juillet 1991 portant coordination des lois sur la compatibilité de l'Etat et de l'arrêté royal du 31 mai 1933, concernant les déclarations à faire en matière de subventions, indemnités et allocations, le producteur perd tout droit au bénéfice de l'aide à la surface s'il s'abstient de donner suite aux demandes de renseignements ou de documents complémentaires émanant (de l'Administration).
  § 2. Les parcelles ne répondant pas aux obligations visées à l'article 3, §§ 2 et 3 du présent arrêté ne sont pas considérées comme des terres gelées.
  § 3. En cas de non-respect des obligations visées à l'article 3, §§ 1er et 4 et à l'article 5, § 3, 2e tiret du présent arrêté, l'aide à la surface est diminuée à concurrence d'un montant égal au produit de la surface des parcelles en infraction par le montant de l'aide à la surface en vigueur multiplié par un pourcentage.
  Le pourcentage visé à l'alinéa précédent est fixé à :
  - 20 % en cas d'implantation d'un couvert végétal comprenant des espèces autres que celles visées aux annexes I et II du présent arrêté;
  - 30 % en cas de non destruction en temps utile du couvert comprenant des espèces visées à l'annexe I du présent arrêté, non semées en mélange certifié de semences d'especes d'au moins deux familles différentes et comportant au moins 20 % de chacune d'elles; la destruction du couvert pouvant se faire soit par fauchage, soit par broyage, soit par tout autre mode approprié;
  - 30 % en cas de présence de mauvaises herbes au stade fructification, que le couvert soit spontané ou résultant d'un semis;
  - 50 % en cas d'application de produits phytopharmaceutiques autres que ceux visés à l'annexe III du présent arrêté;
  - 50 % en cas d'absence de couvert végétal;
  - 100 % en cas de non avertissement (du service de proximité de l'Administration) de la date prévue pour toute destruction du couvert végétal implanté pour une jachère faune, ceci au moins 2 jours ouvrables avant la date d'exécution de ces travaux.
  (§ 4. En cas de montant indûment versé, ce montant indu est majoré d'intérêts calculés au taux légal. Les intérêts courent de la notification au producteur de l'obligation de remboursement jusqu'à la date du remboursement ou de la deduction des sommes dues.
  Quel que soit le régime d'aides géré par l'Administration, en cas de montant indûment versé ou de prélèvement supplémentaire, l'Administration peut opérer une compensation avec tout montant d'aide visé au présent arrêté, dû au producteur.)
  

Wijzigingen

Art. 10. (COMMUNAUTE FLAMANDE)
§ 2. Les parcelles ne répondant pas aux obligations visées à l'article 3, §§ 2 et 3 du présent arrêté ne sont pas considérées comme des terres gelées.
§ 3. En cas de non-respect des obligations visées à l'article 3, §§ 1er et 4 et à l'article 5, § 3, 2e tiret du présent arrêté, l'aide à la surface est diminuée à concurrence d'un montant égal au produit de la surface des parcelles en infraction par le montant de l'aide à la surface en vigueur multiplié par un pourcentage.
Le pourcentage visé à l'alinéa précédent est fixé à :
- 20 % en cas d'implantation d'un couvert végétal comprenant des espèces autres que celles visées aux annexes I et II du présent arrêté;
- 30 % en cas de non destruction en temps utile du couvert comprenant des espèces visées à l'annexe I du présent arrêté, non semées en mélange certifié de semences d'espèces d'au moins deux familles différentes et comportant au moins 20 % de chacune d'elles; la destruction du couvert pouvant se faire soit par fauchage, soit par broyage, soit par tout autre mode approprié;
- 30 % en cas de presence de mauvaises herbes au stade fructification, que le couvert soit spontané ou résultant d'un semis;
- 50 % en cas d'application de produits phytopharmaceutiques autres que ceux visés à l'annexe III du présent arrêté;
- 50 % en cas d'absence de couvert végétal;
- 100 % en cas de non avertissement du Bureau provincial de la date prévue pour toute destruction du couvert végétal implanté pour une jachère faune, ceci au moins 2 jours ouvrables avant la date d'exécution de ces travaux.
++++++++++
Art. 11. Het ministerieel besluit van 15 december 2000 houdende de toepassingsbepalingen van het koninklijk besluit van 14 december 2000 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen wordt ingetrokken.
Art. 11. L'arrêté ministériel du 15 décembre 2000 portant application de l'arrêté royal du 14 décembre 2000 instituant un régime de soutien aux producteurs de certaines cultures arables est abrogé.
Art. 12. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van het verkoopseizoen 2001/2002 (oogst 2001).
  Brussel, 20 december 2001.
  Mevr. A.-M. NEYTS-UYTTEBROECK.
Art. 12. Le présent arrêté produit ses effets a partir de la campagne de commercialisation 2001/2002 (récolte 2001).
  Bruxelles, le 20 décembre 2001.
  Mme A.-M. NEYTS-UYTTEBROECK.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage I. (niet gepubliceerd)
Art. N1. Annexe I. (pas publié)
Art. N2. Bijlage II. (niet gepubliceerd)
Art. N2. Annexe II. (pas publié)
Art. N3. Bijlage III. (niet gepubliceerd)
  ++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  =========================
  Art. N3. (WAALSE GEWEST)
  Bijlage III. - Pesticiden voor landbouwgebruik, toegelaten op braakliggende gronden.
Art. N3. Annexe III. (pas publié)
  ++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  ======================
  Art. N3. (REGION WALLONNE)
  Annexe III. - Pesticides à usage agricole autorisés pour la jachère.
      Voorwaarden             Producten            Planten en/of organismen
                                                    waarop ze gericht zijn
          -                       -                            -
  1° Voor het inzaaien  GLYPHOSATE                 Jaarlijkse en vaste
                                                    graminea en dicotylen
                        GLUFOSINATE-AMMONIUM       Jaarlijkse en vaste
                                                    graminea en dicotylen
                        GLYPHOSATE-TRIMESIUM       Jaarlijkse en vaste
                                                    graminea en dicotylen
                        AMINES                     Jaarlijkse en vaste
                                                    graminea en dicotylen
                        DIQUAT                     Jaarlijkse en vaste
                                                    graminea en dicotylen
                        PARAQUAT                   Jaarlijkse en vaste
                                                    graminea en dicotylen
                        DIQUAT + PARAQUAT          Jaarlijkse en vaste
                                                    graminea en dicotylen
                        DIURON + AMITROLE          Op braakliggende gronden,
                                                    met wachtperiode van
                                                    minstens acht maanden
                                                    voor navolgende gewassen
                        TRICLOPYR + FLUROXYPYR     Dicotylen en struikvormige
                                                    gewassen
  2° Na 31 mei          BENTAZONE                  Jaarlijkse dicotylen in de
                                                    graminea
                        CHLORPROPHAME              Jaarlijkse graminea en
                                                    dicotylen in klaver
                        ETHOFUMESATE               Bepaalde dicotylen
                                                    (guichelkruid) en
                                                    bepaalde graminea
                                                    (beemdgras, vossenstaart,
                                                    apera spica-venti,
                                                    nagroeiende
                                                    graangewassen) in het
                                                    raaigras
                        FLUAZIFOP-P-BUTYL          Tegen vossenstaart,
                                                    gierst, hanenpoot, wilde
                                                    haver, apera spica-venti,
                                                    nagroeiende
                                                    graangewassen, kweekgras
                                                    en vaste graminea in
                                                    klaver
                        FLUROXYPYR                 Dicotylen in graminea en
                                                    in braakland
                        FLUROXYPYR + CLOPYRALID +  In de lente, dicotylen op
                         MCPA                       braakliggende gronden
                                                    (opgelet, vernietigt
                                                    klaver)
                        CYCLOXYDIM                 Jaarlijkse graminea en
                                                    kweekgras in klaver
                        2,4 D                      Dicotylen in graminea
                        MCPA                       Jaarlijkse en vaste
                                                    dicotylen in graminea
                        2,4 D +MCPA                Jaarlijkse en vaste
                                                    dicotylen in graminea
                        MCPB                       Jaarlijkse en vaste
                                                    dicotylen in klaver
                        DIURON                     Jaarlijkse graminea en
                                                    dicotylen in beemdgras
                                                    (begin oktober)
                        PARAQUAT                   Selectief
                                                    onkruidverdelgingsmiddel
                                                    tijdens rustperiode
                                                    (november-februari) in
                                                    klaver
                        METABENZTHIAZURON          Beemdgras in graminea
                                                    (half september half
                                                    oktober)
  3° Als plaatselijke   CLOPYRALID + FLUROXYPYR +  Tijdens lente of herfst,
     behandeling         IOXYNIL                    dicotylen in graminea
                        CLOPYRALID +MECOPROP       Dicotylen en schadelijke
                         (MCPP)                     distels in graminea
                        DICAMBA                    Jaarlijkse en vaste
                                                    dicotylen in graminea
                        MECOPROP-P                 Jaarlijkse en vaste
                                                    dicotylen in graminea
                                                    (opgelet, vernietigt
                                                    klaver)
                        TRICLOPYR                  Houtgewassen,
                                                    paardenstaarten en
                                                    dicotylen
                        TRICLOPYR + FLUROXYPYR     Dicotylen en struikvormige
                                                    gewassen
  4° Om de groei en de  TRIMESIUM-GLYPHOSATE       Rood en hoog zwenkgras,
     fructificatie van                              witte mosterdplant,
     de bodembedekker te                            phacelie, ray-grass
     beperken                                       anglaistrefles blanc,
                                                    incarnat et violet, vesce
                                                    commune
                        METSULFURON-METHYL         Witte mosterdplant,
                                                    voederraapzaad,
                                                    phaceliawitte,
                                                    Alexandrie-, rode en
                                                    purperen klaverwikke,
                                                    braakland
                        TRIBENURON-METHYL          Witte mosterdplant,
                                                    voederraapzaad, phacelia
                        DICAMBA                    Phacelia, witte, Perzische
                                                    en rode klaver
                        Toepassingsstadia :Rood
                         en hoog zwenkgras: van
                         zaadschieting tot
                         opzwellingWitte mosterd:
                         van bloemknop en
                         bloembladen tot enkele
                         bloemen/stengels
                         Phacelia: van bloemknop
                         en bloembladen tot
                         eerste
                         bloemenVoederradijs:
                         vanaf volle bloeiEngels,
                         Italiaans en gemengd
                         raaigras: van
                         zaadschieting tot
                         opzwellingwitte,
                         Alexandrie-, rode en
                         purperen, paarse en
                         gemengde klaver: vanaf
                         begin van bloei tot
                         volle bloeiWikke : vanaf
                         begin van de bloei tot
                         eerste platte peulen
  5° Vernietiging       GLYPHOSATE                 Jaarlijkse en vaste
     bodembedekker en                               graminea en dicotylen
     braakland
                        GLUFOSINATE-AMMONIUM       Jaarlijkse en vaste
                                                    graminea en dicotylen
                        GLYPHOSATE-TRIMESIUM       Jaarlijkse en vaste
                                                    graminea en dicotylen
  6° Vernietiging       CHLOROPHACINONE            Veldmuizen
     knaagdieren in
     meerjaarlijkse
     braakland
       Conditions               Produits                Plantes et/ou
                                                       organismes vises
           -                       -                           -
  1° Avant semis        GLYPHOSATE                 Graminees et dicotylees
                                                    annuelles et vivaces
                        GLUFOSINATE-AMMONIUM       Graminees et dicotylees
                                                    annuelles et vivaces
                        GLYPHOSATE-TRIMESIUM       Graminees et dicotylees
                                                    annuelles et vivaces
                        AMINES                     Graminees et dicotylees
                                                    annuelles et vivaces
                        DIQUAT                     Graminees et dicotylees
                                                    annuelles et vivaces
                        PARAQUAT                   Graminees et dicotylees
                                                    annuelles et vivaces
                        DIQUAT + PARAQUAT          Graminees et dicotylees
                                                    annuelles et vivaces
                        DIURON + AMITROLE          Sur jachere, avec une
                                                    periode d'attente d'au
                                                    moins 8 mois avant une
                                                    culture subsequente
                        TRICLOPYR + FLUROXYPYR     Dicotylees et plantes
                                                    buissonnantes
  2° Avant la date du   BENTAZONE                  Dicotylees annuelles dans
     31 mai                                         les graminees
                        CHLORPROPHAME              Graminees et dicotylees
                                                    annuelles en trefle
                        ETHOFUMESATE               Certaines dicotylees
                                                    (mouron) et certaines
                                                    graminees(paturin,
                                                    vulpin, jouet du vent,
                                                    repousses de cereales)
                                                    dans le ray-grass
                        FLUAZIFOP-P-BUTYL          Contre vulpin, panic,
                                                    pied-de-coq, folle
                                                    avoine, jouet du vent,
                                                    repousses de cereales,
                                                    chiendent et graminees
                                                    vivaces dans le trefle
                        FLUROXYPYR                 Dicotylees dans les
                                                    graminees et dans les
                                                    terres non cultivees
                        FLUROXYPYR + CLOPYRALID +  Au printemps, dicotylees
                         MCPA                       sur jachere (attention,
                                                    detruit le trefle)
                        CYCLOXYDIM                 Graminees annuelles et
                                                    chiendent dans le trefle
                        2,4 D                      Dicotylees dans les
                                                    graminees
                        MCPA                       Dicotylees annuelles et
                                                    vivaces dans les
                                                    graminees
                        2,4 D + MCPA               Dicotylees annuelles et
                                                    vivaces dans les
                                                    graminees
                        MCPB                       Dicotylees annuelles et
                                                    vivaces dans le trefle
                        DIURON                     Graminees et dicotylees
                                                    annuelles dans le paturin
                                                    des pres (debut octobre)
                        PARAQUAT                   Herbicide selectif pendant
                                                    le repos vegetatif
                                                    (novembre-fevrier) dans
                                                    le trefle
                        METABENZTHIAZURON          Paturin dans les graminees
                                                    (mi-09- mi octobre)
  3° En traitement      CLOPYRALID + FLUROXYPYR +  Au printemps ou a
     localise            IOXYNIL                    l'automne, dicotylees
                                                    dans les graminees
                        CLOPYRALID + MECOPROP      Dicotylees et chardons
                         (MCPP)                     nuisibles dans les
                                                    graminees
                        DICAMBA                    Dicotylees annuelles et
                                                    vivaces dans les
                                                    graminees
                        MECOPROP-P                 Dicotylees annuelles et
                                                    vivaces dans les
                                                    graminees (attention,
                                                    detruit le trefle)
                        TRICLOPYR                  Plantes ligneuses, preles
                                                    et dicotylees
                        TRICLOPYR + FLUROXYPYR     Dicotylees et plantes
                                                    buissonnantes
  4° Pour limiter la    TRIMESIUM-GLYPHOSATE       Fetuques rouge et elevee,
     croissance et la                               moutarde blanche,
     fructification du                              phacelie, ray-grass
     couvert                                        anglais, trefles blanc,
                                                    incarnat et violet, vesce
                                                    commune
                        METSULFURON-METHYL         Moutarde blanche, navette
                                                    fourragere, phacelie,
                                                    trefles blanc,
                                                    d'Alexandrie, incarnat et
                                                    violet, vesce commune,
                                                    jachere spontanee
                        TRIBENURON-METHYL          Moutarde blanche, navette
                                                    fourragere, phacelie
                        DICAMBA                    Phacelie, trefles blanc,
                                                    de Perse et incarnat
                        Stades d'application :
                         Fetuques rouge et elevee:
                         du stade " montaison "
                         au stade " gonflement "
                         Moutarde blanche : du
                         stade " boutons
                         decolles-premiers
                         petales " au stade "
                         quelques fleurs/pieds "
                         Phacelie : du stade "
                         boutons
                         decolles/premiers
                         petales " au stade "
                         premieres fleurs " Radis
                         fourrager : a partir du
                         stade " pleine floraison
                         " Ray-grass anglais,
                         italien et hybride : du
                         stade " montaison " au
                         stade " gonflement "
                         Trefles blanc, de Perse,
                         d'Alexandrie, violet,
                         hybride, incarnat : du
                         stade " debut floraison
                         " au stade " pleine
                         floraison " Vesce
                         commune : du stade "
                         debut floraison " au
                         stade " premieres
                         gousses plates "
  5° Destruction du     GLYPHOSATE                 Graminees et dicotylees
     couvert en fin de                              annuelles et vivaces
     jachere
                        GLUFOSINATE-AMMONIUM       Graminees et dicotylees
                                                    annuelles et vivaces
                        GLYPHOSATE-TRIMESIUM       Graminees et dicotylees
                                                    annuelles et vivaces
  6° Destruction des    CHLOROPHACINONE            Campagnols des champs
     rongeurs dans les
     jacheres
     pluriannuelles
  Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Waalse Regering van 19 november 2002 tot wijziging van het ministerieel besluit van 20 december 2001 houdende uitvoering van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen.
  Namen, 19 december 2002.
  De Minister-President,
  J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
  De Minister van Landbouw en Landelijke Aangelegenheden,
  J. HAPPART
  
  Vu pour être annexé à l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 décembre 2002 modifiant l'arrêté ministériel du 20 décembre 2001 portant application de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 instituant un régime de soutien aux producteurs de certaines cultures arables.
  Namur, le 19 décembre 2002.
  Le Ministre-Président,
  J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
  Le Ministre de l'Agriculture et de la Ruralité,
  J. HAPPART
  
  Voorwaarden      Producten               Betrokken planten en/of organismen
  1° Voor het      GLYPHOSATE              Eenjarige en doorlevende
   zaaien                                   grasachtigen en tweezaadlobbigen
                   GLUFOSINATE-AMMONIUM    Eenjarige en doorlevende
                                            grasachtigen en tweezaadlobbigen
                   GLYPHOSATE-TRIMESIUM    Eenjarige en doorlevende
                                            grasachtigen en tweezaadlobbigen
                   AMINES                  Eenjarige en doorlevende
                                            grasachtigen en tweezaadlobbigen
                   DIQUAT                  Eenjarige en doorlevende
                                            grasachtigen en tweezaadlobbigen
                   PARAQUAT                Eenjarige en doorlevende
                                            grasachtigen en tweezaadlobbigen
                   DIQUAT + PARAQUAT       Eenjarige en doorlevende
                                            grasachtigen en tweezaadlobbigen
                   DIURON + AMITROLE       Op braak met een wachtperiode van
                                            minstens 8 maanden voor een
                                            volgende cultuur
                   TRICLOPYR + FLUROXYPYR  Tweezaadlobbige onkruiden en
                                            struiken
  2° Voor de       BENTAZONE               Eenjarige tweezaadlobbigen
   datum van                                in grassen
   31 mei          CHLORPROPHAME           Eenjarige grasachtigen en
                                            tweezaadlobbigen in klaver
                   ETHOFUMESATE            Bepaalde tweezaadlobbigen (muur)
                                            en bepaalde grasachtigen
                                            (straatgras, duist, windhalm)
                                            in raaigras
                   FLUAZIFOP-P-BUTYL       Tegen duist, hanepoot, wilde
                                            haver, windhalm, graanopslag,
                                            kweek en doorlevende
                                            grasachtigen in klaver
                   FLUROXYPYR              Tweezaadlobbigen in grassen en
                                            niet beteelde gronden
                   FLUROXYPYR + CLOPYRALID In de lente, tweezaadlobbigen
                    + MCPA                  op braakland (vernietigt
                                            klaver)
                   CYCLOXYDIM              Eenjarige grasachtigen en
                                            kweekgras in klaver
                   2,4 D                   Tweezaadlobbige onkruiden in
                                            grassen
                   MCPA                    Eenjarige en doorlevende
                                            tweezaadlobbigen in grassen
                   2,4 D + MCPA            Eenjarige en doorlevende
                                            tweezaadlobbigen in grassen
                   MCPB                    Eenjarige en doorlevende
                                            tweezaadlobbigen in klaver
                   DIURON                  Eenjarige grasachtigen en
                                            tweezaadlobbige onkruiden in
                                            veldbeemdgras (begin oktober)
                   PARAQUAT                Als selectief herbicide in de
                                            rustperiode
                                            (november - februari) in klaver
                   METABENZTHIAZURON       Straatgras in grassen
                                            (half september - half oktober)
  3° Bij           CLOPYRALID + FLUROXYPYR Tweezaadlobbigen in grassen in
   plaatselijk      + IOXYNIL               de lente of in de herfst
   behandeling     CLOPYRALID +MECOPROP    Tweezaadlobbigen en distels
                    (MCPP)                  in grassen
                   DICAMBA                 Eenjarige en doorlevende
                                            tweezaadlobbigen in grassen
                   MECOPROP-P              Eenjarige en doorlevende
                                            tweezaadlobbigen in grassen
                                            (vernietigt klaver)
                   TRICLOPYR               Houtige planten, paardestaart en
                                            tweezaadlobbige onkruiden
                   TRICLOPYR + FLUROXYPYR  Tweezaadlobbige onkruiden en
                                            struiken
  4° Met het oog   TRIMESIUM-GLYPHOSATE    Rood en rietzwenkgras,
   op het                                   gele mosterd, facelia,
   verminderen                              Engels raaigras
   van de groei                             Witte, rode en inkarnaatklaver,
   en                                       voederwikke
  de               METSULFURON-METHYL       Gele mosterd, voederraap,
   vruchtzetting                             facelia,
   van de
   bodembedekking
                                           Witte, Alexendrijnse,
                                            inkarnaat- en rode klaver
                                           Voederwikke, spontaan braakland
                   TRIBENURON-METHYL       Gele mosterd, voederraap, facelia
                   DICAMBA                 Facelia, witte, Perzische en
                                            inkarnaatklaver
                   Toepassingsstadia :
                   Rood en rietzwengras : vanaf het stadium " eerste knoop "
                    tot het stadium " zwellen van de stengel "
                   Gele mosterd : vanaf het stadium " openen
                    bloemknoppen - eerste kroonbladeren " tot het stadium
                    " enkele bloemen/plant "
                   Facelia : vanaf het stadium " openen bloemknoppen - eerste
                    kroonbladeren " tot het stadium " eerste bloemen "
                   Bladramenas : vanaf volle bloei
                   Engels, Italiaans en hybride raaigras : vanaf het stadium
                    " eerste knoop " tot het stadium
                    " zwellen van de stengel "
                   Witte, rode, inkarnaat-, Perzische, Alexandrijnse,
                    bastaardklaver : vanaf het stadium
                    " begin bloei " tot het stadium " volle bloei "
                   Voederwikke : vanaf het stadium " begin bloei " tot het
                    stadium " eerste platte peulen "
  5° Vernietiging  GLYPHOSATE              Eenjarige en doorlevende
   van de                                   grasachtigen en tweezaadlobbigen
   vegetatie op
   het einde van
   de  
  braaklegging     GLUFOSINATE-AMMONIUM    Eenjarige en doorlevende
                                            grasachtigen en tweezaadlobbigen
                   GLYPHOSATE-TRIMESIUM    Eenjarige en doorlevende
                                            grasachtigen en tweezaadlobbigen
  6° vernietiging  CHLOROPHACINONE         Bos - en veldmuizen
   van knaagdieren
   in meerjarige
   braak
  Conditions                               Plantes et/ou organismes vises
  1° Avant semis   GLYPHOSATE              Graminees et dicotylees annuelles
                                            et vivaces
                   GLUFOSINATE-AMMONIUM    Graminees et dicotylees annuelles
                                            et vivaces
                   GLYPHOSATE-TRIMESIUM    Graminees et dicotylees annuelles
                                            et vivaces
                   AMINES                  Graminees et dicotylees annuelles
                                            et vivaces
                   DIQUAT                  Graminees et dicotylees annuelles
                                            et vivaces
                   PARAQUAT                Graminees et dicotylees annuelles
                                            et vivaces
                   DIQUAT + PARAQUAT       Graminees et dicotylees annuelles
                                            et vivaces
                   DIURON + AMITROLE       Sur jachere, avec une periode
                                            d'attente d'au moins 8 mois
                                            avant la culture suivante
                   TRICLOPYR + FLUROXYPYR  Herbes et arbustes dicotyles
  2° Avant la date BENTAZONE               Dicotylees annuelles dans les
   du 31 mai                                graminees
                   CHLORPROPHAME           Graminees et dicotylees annuelles
                                            en trefle
                   ETHOFUMESATE            Certaines dicotylees (mouron) et
                                            certaines graminees (paturin,
                                            vulpin, jouet du vent) dans le
                                            ray-grass
                   FLUAZIFOP-P-BUTYL       Contre vulpin, pied-de-coq, folle
                                            avoine, jouet du vent, repousses
                                            de cereales, chiendent et
                                            graminees annuelles dans le
                                            trefle
                   FLUROXYPYR              Dicotylees dans les graminees et
                                            dans les terres non cultivees
                   FLUROXYPYR + CLOPYRALID Au printemps, dicotylees sur
                    + MCPA                  jacheres (detruit le trefle)
                   CYCLOXYDIM              Graminees annuelles et chiendent
                                            dans le trefle
                   2,4 D                   Dicotylees dans les graminees
                   MCPA                    Dicotylees annuelles et vivaces
                                            dans les graminees
                   2,4 D + MCPA            Dicotylees annuelles et vivaces
                                            dans les graminees
                   MCPB                    Dicotylees annuelles et vivaces
                                            dans le trefle
                   DIURON                  Graminees et dicotylees annuelles
                                            dans le paturin des pres
                                            (debut octobre)
                   PARAQUAT                Comme herbicide selectif pendant
                                            le repos vegetatif
                                            (novembre-fevrier) dans le trefle
                   METABENZTHIAZURON       Paturin dans les graminees
                                            (mi-septembre - mi-octobre)
  3° En traitement CLOPYRALID + FLUROXYPYR Au printemps ou a l'automne,
   localise         + IOXYNIL               dicotylees dans les graminees
                   CLOPYRALID + MECOPROP   Dicotylees et chardons dans les
                    (MCPP)                  graminees
                   DICAMBA                 Dicotylees annuelles et vivaces
                                            dans les graminees
                   MECOPROP-P              Dicotylees annuelles et vivaces
                                            dans les graminees
                                            (detruit le trefle)
                   TRICLOPYR               Plantes ligneuses, preles et
                                            dicotylees
                   TRICLOPYR + FLUROXYPYR  Herbes et arbustes dicotyles
  4° Pour limiter  TRIMESIUM-GLYPHOSATE    Fetuques rouge et
   la croissance                            elevee, moutarde jaune,
   et                                       phacelia, ray-grass anglais
                                           Trefles blanc, incarnat et
                                            violet, vesce commune
  la               METSULFURON-METHYL      Moutarde jaune,
   fructification                           chou fourrager, phacelia
   du couvert                              Trefles blanc, d'Alexandrie,
                                            incarnat et violet
                                           Vesce commune, jachere spontanee
                   TRIBENURON-METHYL       Moutarde jaune, chou fourrager,
                                            phacelia
                   DICAMBA                 Phacelia, trefles blanc, perse
                                            et incarnat
                   Stades d'application :
                   Fetuques rouge et elevee : du stade " premier bouton "
                    au stade " gonflement de la tige "
                   Moutarde jaune : du stade " boutons decolles - premiers
                    petales " au stade " quelques fleurs/plante "
                   Phacelia : du stade " boutons decolles - premiers
                    petales " au stade " premieres fleurs "
                   Radis fourrager : a partir de la pleine floraison
                   Ray-grass anglais, italien et hybride : du stade " premier
                    bouton " au stade " gonflement de la tige "
                   Trefles blanc, perse, d'Alexandrie, hybride : du stade
                    " debut floraison " au stade " pleine floraison "
                   Vesce commune : du stade " debut floraison " au stade
                    " premieres gousses plates "
  5° Destruction   GLYPHOSATE              Graminees et dicotylees
   de la                                    annuelles et vivaces
   vegetation
   en fin de
   jachere         GLUFOSINATE-AMMONIUM    Graminees et dicotylees
                                            annuelles et vivaces
                   GLYPHOSATE-TRIMESIUM    Graminees et dicotylees
                                            annuelles et vivaces
  6° Destruction   CHLOROPHACINONE         Rats et souris des champs
   des rongeurs
   dans les
   jacheres
   pluriannuelles
  Gezien om gevoegd te worden bij het ministerieel besluit van 28 november 2003.
  De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking,
  L. SANNEN
  ++++++++++
  Vu pour être annexé à l'arrêté ministériel du 28 novembre 2003.
  Le Ministre flamand de l'Environnement, de l'Agriculture et de la Coopération au Développement,
  L. SANNEN
  ++++++++++
Art. N4. Bijlage IV. (niet gepubliceerd)
  ++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  =========================
  Art. N4. (WAALSE GEWEST)
  Bijlage IV.
  Naargelang van de provincie of het deel ervan waarin de plaats vermeld in rubriek 1 van het formulier bedoeld in artikel 8, § 2, van het ministerieel besluit van 20 december 2001 ligt, dient de steunaanvraag gericht te worden aan één der volgende diensten :
Art. N4. Annexe IV. (pas publié)
  ++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  ======================
  Art. N4. (REGION WALLONNE)
  Annexe IV.
  En fonction de la province ou partie de province dont fait partie la localité mentionnée en rubrique 1 du formulaire vise à l'article 8, § 2, de l'arrêté ministériel du 20 décembre 2001, la demande d'aides doit être introduite à l'une des adresses suivantes :
  Waals-Brabant :
       Direction des Services exterieurs, Bureau de Wavre,
       Complexe MANIFAGRI-Zoning nord,
       Avenue Solvay 5, 1300 WAVER
       tel. 010-23 88 40fax. 010-23 88 49
  Henegouwen :
       Direction des Services exterieurs, Bureau de Mons,
       Cite administrative de l'Etat - bloc 9
       Chemin de l'Inquietude, 7000 BERGEN.
       tel. 065-34 14 68 fax. 065-84 28 80
  Luik (behalve de gemeenten Malmedy, Waimes en Duitstalige gemeenten) :
       Direction des Services exterieurs, Bureau de Liege,
       Boulevard de la Sauveniere 73, 2e etage, 4000 LUIK
       tel. 04-230 0 30 fax. 04-222 00 39
  De gemeenten Malmedy, Waimes en Duitstalige gemeenten :
       Direction des Services exterieurs, Bureau de Malmedy,
       Avenue des Allies 13, 4960 MALMEDY
       tel. 080-44 06 10 fax. 080-44 06 30
  Luxemburg :
       Direction des Services exterieurs, Bureau de Marche
       Rue du Luxembourg 5, 6900 MARCHE-EN-FAMENNE
       tel. 084-32 74 50 fax. 084-32 74 80
  Namen:
       Direction des Services exterieurs, Bureau de Ciney,
       Rue Edouard Dinot 30, 5590 CINEY
       tel. 083-23 07 40 fax. 083-22 04 05
  Brabant wallon :
       Direction des Services exterieurs, Bureau de Wavre,
       Complexe MANIFAGRI-Zoning nord,
       Avenue Solvay 5, 1300 WAVRE
       tel. 010-23 88 40fax. 010-23 88 49
  Hainaut :
       Direction des Services exterieurs, Bureau de Mons,
       Cite administrative de l'Etat - bloc 9
       Chemin de l'Inquietude, 7000 MONS
       tel. 065-34 14 68 fax. 065-84 28 80
  Liege (sauf les communes de Malmedy, Waimes et germanophones) :
       Direction des Services exterieurs, Bureau de Liege,
       Boulevard de la Sauveniere 73, 2e etage, 4000 LIEGE
       tel. 04-230 30 30 fax. 04-222 00 39
  Les communes de Malmedy, Waimes et germanophones :
       Direction des Services exterieurs, Bureau de Malmedy,
       Avenue des Allies 13, 4960 MALMEDY
       tel. 080-44 06 10 fax. 080-44 06 30
  Luxembourg :
       Direction des Services exterieurs, Bureau de Marche
       Rue du Luxembourg 5, 6900 MARCHE-EN-FAMENNE
       tel. 084-32 74 50 fax. 084-32 74 80
  Namur :
       Direction des Services exterieurs, Bureau de Ciney,
       Rue Edouard Dinot 30, 5590 CINEY
       tel. 083-23 07 40 fax. 083-22 04 05
  Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Waalse Regering van 19 november 2002 tot wijziging van het ministerieel besluit van 20 december 2001 houdende uitvoering van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen.
  Namen, 19 december 2002.
  De Minister-President,
  J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
  De Minister van Landbouw en Landelijke Aangelegenheden,
  J. HAPPART.
  

Wijzigingen

Art. N4. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
Afhankelijk van de provincie of deel van de provincie waarvan de plaats vermeld in rubriek 1 van het formulier bedoeld in artikel 8, § 2 van het ministerieel besluit van 20 december 2001 deel uitmaakt, moet de steunaanvraag ingediend worden op één van de volgende adressen :
  Vu pour être annexé à l'arrêté du Gouvernement wallon du 19 décembre 2002 modifiant l'arrêté ministériel du 20 décembre 2001 portant application de l'arrêté royal du 19 décembre 2001 instituant un régime de soutien aux producteurs de certaines cultures arables.
  Namur, le 19 décembre 2002.
  Le Ministre-Président,
  J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
  Le Ministre de l'Agriculture et de la Ruralité,
  J. HAPPART.
  

Wijzigingen

Art. N4. (COMMUNAUTE FLAMANDE)
En fonction de la province ou partie de province dont fait partie la localité mentionnée en rubrique 1 du formulaire visé à l'article 8, § 2, de l'arrêté ministériel du 20 décembre 2001, la demande d'aides doit être introduite à l'une des adresses suivantes :
  Antwerpen :        Administratie Landbouwproductiebeheer
                     Buitendienst Antwerpen
                     Van Heybeeckstraat 28, 2170 MERKSEM
                     tel. 03-641 80 90                     fax. 03-641 80 78
  Vlaams-Brabant :   Administratie Landbouwproductiebeheer
                     Buitendienst Vlaams-Brabant
                     WTC III, 13 e verdieping
                     Simon Bolivarlaan 30, 1000 BRUSSEL
                     tel. 02-208 42 06                     fax. 02-208 42 55
  West-Vlaanderen :  Administratie Landbouwproductiebeheer
                     Buitendienst West-Vlaanderen
                     Hoogstraat 9, 8000 Brugge
                     tel. 050-47 27 06 fax.                050-34 60 70
  Oost-Vlaanderen :  Administratie Landbouwproductiebeheer
                     Buitendienst Oost-Vlaanderen
                     Administratief Centrum
                      " Ter Plaeten "
                     Sint-Lievenslaan 33A, 9000 GENT
                     tel. 09-268 65 00                     fax. 09-268 65 99
  Limburg :          Administratie Landbouwproductiebeheer
                     Buitendienst Limburg
                     Helbeekplein 9, 1er etage,
                      3500 HASSELT
                     tel. 011-26 39 10                     fax. 011-26 39 14
  Anvers :           Administratie Landbouwproductiebeheer
                     Buitendienst Antwerpen
                     Van Heybeeckstraat 28, 2170 MERKSEM
                     tel. 03-641 80 90                     fax : 03-641 80 78
  Brabant flamand :  Administratie Landbouwproductiebeheer
                     Buitendienst Vlaams-Brabant
                     WTC III, 13e verdieping
                     Simon Bolivarlaan 30, 1000 BRUSSEL
                     tel. 02-208 42 06                     fax : 02-208 42 55
  Flandre            Administratie Landbouwproductiebeheer
   occidentale :     Buitendienst West-Vlaanderen
                     Hoogstraat 9, 8000 Brugge
                     tel. 050-47 27 06                     fax : 050-34 60 70
  Flandre            Administratie Landbouwproductiebeheer
   orientale :       Buitendienst Oost-Vlaanderen
                     Administratief Centrum
                      " Ter Plaeten "
                     Sint-Lievenslaan 33A, 9000 GENT
                     tel. 09-268 65 00                     fax : 09-268 65 99
  Limbourg :         Administratie Landbouwproductiebeheer
                     Buitendienst Limburg
                     Helbeekplein 9, 1er etage,
                      3500 HASSELT
                     tel. 011-26 39 10                     fax : 011-26 39 14
  Gezien om gevoegd te worden bij het ministerieel besluit van 28 november 2003.
  De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking,
  L. SANNEN
  ++++++++++
  Vu pour être annexé à l'arrêté ministériel du 28 novembre 2003.
  Le Ministre flamand de l'Environnement, de l'Agriculture et de la Coopération au Développement,
  L. SANNEN
  ++++++++++