1. Deze oppervlakten dienen uit productie te worden genomen gedurende een periode die uiterlijk op 15 januari ingaat en ten vroegste op 31 augustus van hetzelfde jaar eindigt. Deze periode bedraagt bij meerjarige braak minimaal twee jaren en maximaal vijf opeenvolgende jaren.
De betrokken producenten kunnen evenwel, maar uitsluitend met het oog op de inzaai of aanplant van kool- en raapzaad, van wintergranen of enig ander gewas dat pas het jaar nadien geoogst wordt :
- vanaf 1 augustus de noodzakelijke werkzaamheden vóór inzaai of aanplant uitvoeren;
- vanaf 15 augustus overgaan tot inzaai of aanplant van hogervermelde teelten.
2. De uit productie genomen oppervlakten mogen niet worden gebruikt voor andere landbouwproducties dan bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, en ook niet voor een ander winstgevend doel dat onverenigbaar is met de akkerbouw.
Nochtans mogen de uit productie genomen gronden gebruikt worden voor de teelt van voederleguminosen, zoals dit is voorzien in artikel 7, alinea 1, punt b van het koninklijk besluit van 19 december 2001, onder de volgende voorwaarden :
- het landbouwbedrijf moet voor zijn totale productie beantwoorden aan de voorschriften die zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 2092/91;
- deze uit productie genomen gronden moeten ingezaaid zijn met :
. ofwel een of meerdere soorten voederleguminosen opgenomen in bijlage XIV van de verordening (EG) nr. 2316/1999;
. ofwel een mengsel hoofdzakelijk samengesteld uit deze voeder-leguminosen samen met granen en/of grassen, voor zover een afzonderlijke oogst van de componenten van het mengsel niet mogelijk is.
- voor deze oppervlakten kan geen steun toegekend worden zoals voorzien in de verordening (EG) nr. 603/1995 van de Raad van 21 februari 1995 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van de droogvoeders.
3. De bepalingen van § 1, punt 2, eerste lid van het huidige artikel gelden evenwel niet voor bouwland bebost in het kader van artikel 31 van de verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad en afgeboekt uit hoofde van de braakleggingsverplichting voor zover deze bepalingen onverenigbaar zijn met de in de betrokken verordening vastgestelde eisen inzake bebossing.
§ 2. Indien de voor de areaalbetaling in aanmerking komende oppervlakten gelegen zijn in meerdere landbouwstreken kan :
- de braakverplichting geheel of gedeeltelijk in een andere landbouwstreek gerealiseerd worden op voorwaarde dat de braak te leggen oppervlakten zich situeren in aan elkaar grenzende landbouwstreken en de braak te leggen oppervlakte aangepast wordt met een factor die de rendementsverhouding weergeeft van de betrokken landbouwstreken. De overdracht van de braakverplichting en de aanpassing van de oppervlakte met een factor die de rendementsverhouding aangeeft van de betrokken landbouwstreken mag echter niet leiden tot een onderschrijding van de braakverplichting in hectare;
- de braakverplichting geheel of gedeeltelijk gerealiseerd worden in een andere landbouwstreek op voorwaarde dat de braakverplichting in een bepaalde landbouwstreek kleiner is dan 2 ha en de braak te leggen oppervlakte wordt aangepast met een factor om rekening te houden met de opbrengstverschillen tussen de betrokken landbouwstreken. De overdracht van de braakverplichting en de aanpassing van de oppervlakte met een factor die de rendementsverhouding aangeeft van de betrokken landbouwstreken mag echter niet leiden tot een onderschrijding van de braakverplichting in hectare.
§ 3. Het bedrag van de toegekende areaalbetaling voor de uit productie genomen oppervlakten wordt bepaald door de effectieve ligging van elk uit productie genomen perceel bouwland.
++++++++++
GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
=========================
Art. 1. (WAALSE GEWEST) § 1. Om in het kader van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen in aanmerking te komen voor de areaalbetaling, moeten de uit productie genomen oppervlakten voldoen aan de hierna vermelde voorwaarden.
1. Deze oppervlakten dienen uit productie te worden genomen gedurende een periode die uiterlijk op 15 januari ingaat en ten vroegste op 31 augustus van hetzelfde jaar eindigt. Deze periode bedraagt bij meerjarige braak minimaal twee jaren en maximaal vijf opeenvolgende jaren.
De betrokken producenten kunnen evenwel, maar uitsluitend met het oog op de inzaai of aanplant van kool- en raapzaad, van wintergranen of enig ander gewas dat pas het jaar nadien geoogst wordt :
- vanaf 1 augustus de noodzakelijke werkzaamheden vóór inzaai of aanplant uitvoeren;
- vanaf 15 augustus overgaan tot inzaai of aanplant van hogervermelde teelten.
2. (De uit productie genomen oppervlakten mogen niet worden gebruikt voor andere landbouwproducties dan bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 19 december 2001, en ook niet voor een ander landbouw- of winstgevend doel dat onverenigbaar is met de akkerbouw.)
Nochtans mogen de uit productie genomen gronden gebruikt worden voor de teelt van voederleguminosen, zoals dit is voorzien in artikel 7, alinea 1, punt b van het koninklijk besluit van 19 december 2001, onder de volgende voorwaarden :
- het landbouwbedrijf moet voor zijn totale productie beantwoorden aan de voorschriften die zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 2092/91;
- deze uit productie genomen gronden moeten ingezaaid zijn met :
. ofwel een of meerdere soorten voederleguminosen opgenomen in bijlage XIV van de verordening (EG) nr. 2316/1999;
. ofwel een mengsel hoofdzakelijk samengesteld uit deze voeder-leguminosen samen met granen en/of grassen, voor zover een afzonderlijke oogst van de componenten van het mengsel niet mogelijk is.
- voor deze oppervlakten kan geen steun toegekend worden zoals voorzien in de verordening (EG) nr. 603/1995 van de Raad van 21 februari 1995 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van de droogvoeders.
3. De bepalingen van § 1, punt 2, eerste lid van het huidige artikel gelden evenwel niet voor bouwland bebost in het kader van artikel 31 van de verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad en afgeboekt uit hoofde van de braakleggingsverplichting voor zover deze bepalingen onverenigbaar zijn met de in de betrokken verordening vastgestelde eisen inzake bebossing.
§ 2. Indien de voor de areaalbetaling in aanmerking komende oppervlakten gelegen zijn in meerdere landbouwstreken kan :
- de braakverplichting geheel of gedeeltelijk in een andere landbouwstreek gerealiseerd worden op voorwaarde dat de braak te leggen oppervlakten zich situeren in aan elkaar grenzende landbouwstreken en de braak te leggen oppervlakte aangepast wordt met een factor die de rendementsverhouding weergeeft van de betrokken landbouwstreken. De overdracht van de braakverplichting en de aanpassing van de oppervlakte met een factor die de rendementsverhouding aangeeft van de betrokken landbouwstreken mag echter niet leiden tot een onderschrijding van de braakverplichting in hectare;
- de braakverplichting geheel of gedeeltelijk gerealiseerd worden in een andere landbouwstreek op voorwaarde dat de braakverplichting in een bepaalde landbouwstreek kleiner is dan 2 ha en de braak te leggen oppervlakte wordt aangepast met een factor om rekening te houden met de opbrengstverschillen tussen de betrokken landbouwstreken. De overdracht van de braakverplichting en de aanpassing van de oppervlakte met een factor die de rendementsverhouding aangeeft van de betrokken landbouwstreken mag echter niet leiden tot een onderschrijding van de braakverplichting in hectare.
§ 3. Het bedrag van de toegekende areaalbetaling voor de uit productie genomen oppervlakten wordt bepaald door de effectieve ligging van elk uit productie genomen perceel bouwland.
Wijzigingen
Artikel 1. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
1. Deze oppervlakten dienen uit productie te worden genomen gedurende een periode die uiterlijk op 15 januari ingaat en ten vroegste op 31 augustus van hetzelfde jaar eindigt. Deze periode bedraagt bij meerjarige braak minimaal twee jaren en maximaal vijf opeenvolgende jaren.
De betrokken producenten kunnen evenwel, maar uitsluitend met het oog op de inzaai of aanplant van kool- en raapzaad, van wintergranen of enig ander gewas dat pas het jaar nadien geoogst wordt :
- vanaf 1 augustus de noodzakelijke werkzaamheden vóór inzaai of aanplant uitvoeren;
- vanaf 15 augustus overgaan tot inzaai of aanplant van hogervermelde teelt
Nochtans mogen de uit productie genomen gronden gebruikt worden voor de teelt van voederleguminosen, zoals dit is voorzien in artikel 7, alinea 1, punt b van het koninklijk besluit van 19 december 2001, onder de volgende voorwaarden :
- het landbouwbedrijf moet voor zijn totale productie beantwoorden aan de voorschriften die zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 2092/91;
- deze uit productie genomen gronden moeten ingezaaid zijn met :
. ofwel een of meerdere soorten voederleguminosen opgenomen in bijlage XIV van de verordening (EG) nr. 2316/1999;
. ofwel een mengsel hoofdzakelijk samengesteld uit deze voeder-leguminosen samen met granen en/of grassen, voor zover een afzonderlijke oogst van de componenten van het mengsel niet mogelijk is.
- voor deze oppervlakten kan geen steun toegekend worden zoals voorzien in de verordening (EG) nr. 603/1995 van de Raad van 21 februari 1995 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van de droogvoeders.
3. De bepalingen van § 1, punt 2, eerste lid van het huidige artikel gelden evenwel niet voor bouwland bebost in het kader van artikel 31 van de verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad en afgeboekt uit hoofde van de braakleggingsverplichting voor zover deze bepalingen onverenigbaar zijn met de in de betrokken verordening vastgestelde eisen inzake bebossing.
§ 2. Indien de voor de areaalbetaling in aanmerking komende oppervlakten gelegen zijn in meerdere landbouwstreken kan :
- de braakverplichting geheel of gedeeltelijk in een andere landbouwstreek gerealiseerd worden op voorwaarde dat de braak te leggen oppervlakten zich situeren in aan elkaar grenzende landbouwstreken en de braak te leggen oppervlakte aangepast wordt met een factor die de rendementsverhouding weergeeft van de betrokken landbouwstreken. De overdracht van de braakverplichting en de aanpassing van de oppervlakte met een factor die de rendementsverhouding aangeeft van de betrokken landbouwstreken mag echter niet leiden tot een onderschrijding van de braakverplichting in hectare;
- de braakverplichting geheel of gedeeltelijk gerealiseerd worden in een andere landbouwstreek op voorwaarde dat de braakverplichting in een bepaalde landbouwstreek kleiner is dan 2 ha en de braak te leggen oppervlakte wordt aangepast met een factor om rekening te houden met de opbrengstverschillen tussen de betrokken landbouwstreken. De overdracht van de braakverplichting en de aanpassing van de oppervlakte met een factor die de rendementsverhouding aangeeft van de betrokken landbouwstreken mag echter niet leiden tot een onderschrijding van de braakverplichting in hectare.
§ 3. Het bedrag van de toegekende areaalbetaling voor de uit productie genomen oppervlakten wordt bepaald door de effectieve ligging van elk uit productie genomen perceel bouwland.
++++++++++