Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
19 DECEMBER 2001. - Koninklijk besluit tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen. (NOTA : Opgeheven voor de Vlaamse Gemeenschap vanaf het verkoopseizoen 2005-2006 bij BVR2005-07-08/37, art. 18, 8°) (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest <BWG 2006-02-23/45, art. 36, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2005>) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 06-02-2002 en tekstbijwerking tot 04-08-2005).
Titre
19 DECEMBRE 2001. - Arrêté royal instituant un régime de soutien aux producteurs de certaines cultures arables. (NOTE : Abrogé pour la Communauté flamande à partir de la campagne de commercialisation 2005-2006 par AGF2005-07-08/37, art. 18, 8°) (NOTE : abrogé pour la Région wallonne <ARW 2006-02-23/45, art. 36, 004; En vigueur : 01-01-2005>) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 06-02-2002 et mise à jour au 23-03-2006).
Documentinformatie
Numac: 2002016023
Datum: 2001-12-19
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2002016023
Date: 2001-12-19
Moniteur: Voir
Tekst (15)
Texte (15)
Artikel 1. (Zie NOTA'S onder opschrift) Voor de toepassing van dit besluit verstaat men onder :
  1. Bedrijf : het geheel van de productie-eenheden gelegen op het nationaal grondgebied, op autonome wijze beheerd door één producent, ongeacht de speculaties.
  2. Productie-eenheid : het geheel van de functioneel samenhangende middelen, met inbegrip van voor zijn exclusief gebruik de gronden, die voor de producent nodig zijn om één of meerdere land- of tuinbouwspeculaties te bedrijven.
  3. Producent : de uitbater, natuurlijke of rechtspersoon of groepering van natuurlijke personen of van rechtspersonen of van beide die op autonome wijze, voor eigen profijt en rekening, een landbouwbedrijf beheren.
  4. Akkerbouwgewassen : de granen, oliehoudende zaden, eiwithoudende gewassen, olievlas, vezelvlas en -hennep welke worden genoemd in bijlage I van dit besluit.
  5. Productieregio's : de landbouwstreken zoals vastgesteld bij het koninklijk besluit van 24 februari 1951 houdende grensbepaling van de landbouwstreken van het Rijk, laatst gewijzigd door het koninklijk besluit van 15 februari 1974.
  6. Perceel bouwland : aaneengesloten oppervlakte die uitgebaat wordt door één enkele producent en volledig ingezaaid is met één enkel akkerbouwgewas of uit productie genomen wordt in toepassing van artikel 3 van dit besluit en gelegen in één enkele productieregio.
  7. Areaalbetalingen : de areaalbetalingen ingesteld volgens de verordening (EG) nr. 1251/1999.
  8. Braaklegging : het uit productie nemen van een oppervlakte die in aanmerking komt voor areaalbetaling in de zin van artikel 7 van verordening (EG) nr. 1251/1999.
  a) Verplichte braak : de braaklegging opgelegd aan de producent die areaalbetalingen aanvraagt, overeenkomstig artikel 6, § 1 van de verordening (EG) nr. 1251/1999.
  b) Vrijwillige braak : de braaklegging vrijwillig uitgevoerd door een producent bovenop de verplichting vermeld in punt a), overeenkomstig artikel 6, § 5 en § 7 van de verordening (EG) nr. 1251/1999.
  c) Meerjarige braak : de verplichte of vrijwillige braak die het voorwerp uitmaakt van een verbintenis van de producent om dezelfde percelen gedurende meerdere opeenvolgende jaren braak te leggen met een maximum van vijf jaar.
  9. De Minister : de Minister die voor Landbouw bevoegd is.
  ++++++++++++++++++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  

Wijzigingen

++++++++++
Artikel 1. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
Voor de toepassing van dit besluit verstaat men onder :
1. Bedrijf : het geheel van de productie-eenheden gelegen op het nationaal grondgebied, op autonome wijze beheerd door één producent, ongeacht de speculaties.
3. Producent : de uitbater, natuurlijke of rechtspersoon of groepering van natuurlijke personen of van rechtspersonen of van beide die op autonome wijze, voor eigen profijt en rekening, een landbouwbedrijf beheren.
4. Akkerbouwgewassen : de granen, oliehoudende zaden, eiwithoudende gewassen, olievlas, vezelvlas en -hennep welke worden genoemd in bijlage I van dit besluit.
5. Productieregio's : de landbouwstreken zoals vastgesteld bij het koninklijk besluit van 24 februari 1951 houdende grensbepaling van de landbouwstreken van het Rijk, laatst gewijzigd door het koninklijk besluit van 15 februari 1974.
6. Perceel bouwland : aaneengesloten oppervlakte die uitgebaat wordt door één enkele producent en volledig ingezaaid is met één enkel akkerbouwgewas of uit productie genomen wordt in toepassing van artikel 3 van dit besluit en gelegen in één enkele productieregio.
(7bis. Steunaanvraag " oppervlakten " : elke aanvraag tot betaling van steun op grond van de in artikel 1, paragraaf 1, onder a) (sector van de plantaardige productie) en b) (sector van de dierlijke productie), punt iii), van Verordening (EEG) nr. 3508/92 genoemde steunregelingen, met betrekking tot oppervlakten akkerbouwgewassen en voedergewassen, aangegeven met het oog op een steunaanvraag in de dierlijke sector.
7. Areaalbetalingen : de areaalbetalingen ingesteld volgens de verordening (EG) nr. 1251/1999.
8. Braaklegging : het uit productie nemen van een oppervlakte die in aanmerking komt voor areaalbetaling in de zin van artikel 7 van verordening (EG) nr. 1251/1999.
a) Verplichte braak : de braaklegging opgelegd aan de producent die areaalbetalingen aanvraagt, overeenkomstig artikel 6, § 1 van de verordening (EG) nr. 1251/1999.
b) Vrijwillige braak : de braaklegging vrijwillig uitgevoerd door een producent bovenop de verplichting vermeld in punt a), overeenkomstig artikel 6, § 5 en § 7 van de verordening (EG) nr. 1251/1999.
c) Meerjarige braak : de verplichte of vrijwillige braak die het voorwerp uitmaakt van een verbintenis van de producent om dezelfde percelen gedurende meerdere opeenvolgende jaren braak te leggen met een maximum van vijf jaar.
++++++++++++++++++++++++++
Article 1. (Voir NOTES sous l'intitulé) Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
  1. Exploitation : l'ensemble des unités de production situées sur le territoire national, gérées de façon autonome par un seul et même producteur, quelles que soient les spéculations.
  2. Unité de production : l'ensemble des moyens de production en connexité fonctionnelle, qui sont nécessaires au producteur en vue d'exploiter une ou plusieurs spéculations agricoles ou horticoles et comprenant à son usage exclusif les terres.
  3. Producteur : l'exploitant, personne physique ou personne morale ou groupement de personnes physiques ou de personnes morales ou des deux, qui gère de manière autonome, à son profit et pour son compte, une exploitation agricole.
  4. Cultures arables : les céréales, oléagineux, protéagineux, lin oléagineux, lin et chanvre destinés à la production de fibres visés à l'annexe I du présent arrêté.
  5. Régions de production : les régions agricoles visées par l'arrêté royal du 24 février 1951 fixant la délimitation des régions agricoles du Royaume, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 15 février 1974.
  6. Parcelle de culture : la portion continue de terrain exploitée par un seul producteur, entièrement ensemencée en une seule culture arable ou retirée de la production en application de l'article 3 du présent arrêté et située dans une seule région de production.
  7. Aides à la surface : les paiements à la surface instaurés par le règlement (CE) n° 1251/1999.
  8. Gel de terres : le retrait de la production d'une superficie éligible aux paiements à la surface au sens de l'article 7 du règlement (CE) n° 1251/1999.
  a) Gel obligatoire : le gel de terres incombant au producteur revendiquant le bénéfice des aides à la surface, conformément à l'article 6, § 1 du règlement (CE) n° 1251/1999.
  b) Gel volontaire : le gel opéré volontairement par un producteur au-delà de l'obligation visée sous le point a), conformément à l'article 6, § 5 et § 7 du règlement (CE) n° 1251/1999.
  c) Gel pluriannuel : le gel obligatoire ou volontaire qui fait l'objet de la part du producteur, d'un engagement à maintenir les mêmes parcelles gelées pendant plusieurs années avec un maximum de cinq ans.
  9. Le Ministre : le Ministre qui a l'Agriculture dans ses attributions.
  ++++++++++++++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  

Wijzigingen

++++++++++
Article 1. (COMMUNAUTE FLAMANDE)
Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
1. Exploitation : l'ensemble des unités de production situées sur le territoire national, gérées de façon autonome par un seul et même producteur, quelles que soient les spéculations.
3. Producteur : l'exploitant, personne physique ou personne morale ou groupement de personnes physiques ou de personnes morales ou des deux, qui gère de manière autonome, à son profit et pour son compte, une exploitation agricole.
4. Cultures arables : les céréales, oléagineux, protéagineux, lin oléagineux, lin et chanvre destinés à la production de fibres visés à l'annexe I du présent arrêté.
5. Régions de production : les régions agricoles visées par l'arrêté royal du 24 février 1951 fixant la délimitation des régions agricoles du Royaume, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 15 février 1974.
6. Parcelle de culture : la portion continue de terrain exploitée par un seul producteur, entièrement ensemencée en une seule culture arable ou retirée de la production en application de l'article 3 du présent arrêté et située dans une seule région de production.
7. Aides à la surface : les paiements à la surface instaurés par le règlement (CE) n° 1251/1999.
(7bis. Demande d'aide " aux surfaces " : toute demande de paiement d'aide sur la base des régimes d'aide mentionnés à l'article 1er, paragraphe 1er, sous a) (secteur de la production végétale) et b) (production animalière), point iii), du Règlement (CEE), n° 3508/92, ayant trait aux surfaces de cultures arables et fourragères, déclarées en vue d'une demande d'aide dans le secteur animalier.
8. Gel de terres : le retrait de la production d'une superficie éligible aux paiements à la surface au sens de l'article 7 du règlement (CE) n° 1251/1999.
a) Gel obligatoire : le gel de terres incombant au producteur revendiquant le bénéfice des aides à la surface, conformément à l'article 6, § 1 du règlement (CE) n° 1251/1999.
b) Gel volontaire : le gel opéré volontairement par un producteur au-delà de l'obligation visée sous le point a), conformément à l'article 6, § 5 et § 7 du règlement (CE) n° 1251/1999.
c) Gel pluriannuel : le gel obligatoire ou volontaire qui fait l'objet de la part du producteur, d'un engagement à maintenir les mêmes parcelles gelées pendant plusieurs années avec un maximum de cinq ans.
Art. 2. (Zie NOTA'S onder opschrift) § 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt het Rijk ingedeeld :
  a) enerzijds in basisarealen welke de volgende landbouwstreken omvatten :
  - basisareaal I : voor wat betreft maïs : Polders, Zandstreek, Kempen en Zandleemstreek;
  - basisareaal II : voor wat betreft de andere akkerbouwgewassen dan maïs : Polders, Zandstreek, Kempen en Zandleemstreek en voor wat betreft het geheel van de akkerbouwgewassen : Leemstreek, Henegouwse Kempen, Condroz, Weidestreek, Fagne, Famenne, Ardennen, Jura en de Hoge Ardennen;
  b) anderzijds in 13 productieregio's. De gemiddelde opbrengsten voor granen enerzijds en oliehoudende zaden anderzijds die gelden voor elk van deze productieregio's zijn opgenomen in bijlage II van dit besluit.
  § 2. Voor het verkoopseizoen 2001/2002 (oogst 2001), worden de areaalbetalingen voor de oliehoudende zaden vastgesteld op basis van de in bijlage II van dit besluit gemiddelde regionale opbrengst voor oliehoudende zaden, vermenigvuldigd met 1,95.
  § 3. De vaststelling van een eventuele overschrijding van de gemiddelde opbrengst bedoeld in artikel 3, § 7, van verordening (EG) nr. 1251/1999 gebeurt op het vlak van het Rijk.
  ++++++++++++++++++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  
Art. 2. (Voir NOTES sous l'intitulé) § 1. Pour l'application du présent arrêté, le Royaume est divisé :
  a) d'une part en superficies de base regroupant les régions agricoles suivantes :
  - superficie de base I : en ce qui concerne le maïs : Polders, région sablonneuse, Campine et région sablo-limoneuse;
  - superficie de base II : en ce qui concerne les cultures arables autres que le maïs : Polders, région sablonneuse, Campine et région sablo-limoneuse et en ce qui concerne l'ensemble des cultures arables : région limoneuse, Campine hennuyère, Condroz, région herbagère, Fagne, Famenne, Ardenne, région jurassique et Haute Ardenne;
  b) d'autre part en 13 régions de production. Pour chacune de ces régions de production, un rendement moyen pour les céréales, d'une part et pour les graines oléagineuses, d'autre part est fixé à l'annexe II du présent arrêté.
  § 2. Pour la campagne de commercialisation 2001/2002 (récolte 2001), les aides à la surface des oléagineux sont fixées sur la base du rendement moyen régional pour les oléagineux visé à l'annexe II du présent arrêté, multiplié par 1,95.
  § 3. La constatation du dépassement éventuel du rendement moyen visée à l'article 3, § 7, du règlement (CE) n° 1251/1999 est opérée au niveau du Royaume.
  ++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  
Art. 3. (Zie NOTA'S onder opschrift) § 1. Onverminderd de toepassing van de bepalingen van § 3 moet de producent van akkerbouwgewassen die een aanvraag indient voor areaalbetalingen, volgens de modaliteiten en voorwaarden vastgesteld door de Minister, namelijk wat betreft het eerbiedigen van het onderhoud van de gronden, binnen elke productieregio een gedeelte van zijn akkerbouwgewassen uit productie nemen.
  Deze uit productiename moet plaats vinden in elke productieregio en binnen elke productieregio moet het uit productie te nemen gedeelte minstens gelijk zijn aan 10 % van de som van het areaal akkerbouwgewassen en het uit productie genomen areaal waarvoor een areaalbetaling wordt aangevraagd.
  Het braakpercentage aangehaald in het tweede lid is van toepassing voor de uitgevoerde inzaai voor het verkoopseizoen 2001/2002 (oogst 2001) en volgende. Indien voor een verkoopseizoen een afwijkend percentage moet toegepast worden, wordt dit vastgesteld door de Minister.
  In afwijking van artikel 5 van het ministerieel besluit van 17 oktober 1995 houdende invoering van een premie ter compensatie van inkomensverliezen ten gevolge van bebossing van landbouwgrond in uitvoering van de verordening (EEG) nr. 2080/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een communautaire steunregeling voor bosbouwmaatregelen in de landbouw, is deze jaarlijkse premie per hectare uit productie genomen landbouwgrond in het kader van de braakverplichting beperkt tot het bedrag vastgesteld voor de braak in de betrokken productiezone.
  § 2. Onverminderd de toepassing van de bepalingen van § 3 mag de totale uit productie genomen oppervlakte in het kader van de verplichte braak en de vrijwillige braak per bedrijf de grens van 50 % van de totale oppervlakte van akkerbouwgewassen en braakgelegde gronden waarvoor een areaalbetaling is aangevraagd, niet overschrijden.
  § 3. Is vrijgesteld van de braakverplichting volgens § 1, de producent van akkerbouwgewassen waarvan de steunaanvraag slechts betrekking heeft op een oppervlakte welke de theoretische oppervlakte nodig voor de productie van 92 ton granen, niet overschrijdt.
  De berekening van deze theoretische oppervlakte gebeurt enerzijds op basis van de referentierendementen opgenomen in bijlage II van dit besluit en anderzijds op basis van de oppervlakten geteeld respectievelijk in de verschillende productieregio's en deze waarop de aanvraag betrekking heeft.
  De producent geviseerd in het eerste lid kan niettemin aanspraak maken op areaalbetalingen voor percelen bouwland braakgelegd in het kader van de vrijwillige braak. In dit geval wordt het percentage van 50 % vermeld in § 2 verminderd met het percentage voor de verplichte braak vermeld in § 1.
Art. 3. (Voir NOTES sous l'intitulé) § 1. Sans préjudice de l'application des dispositions du § 3, le producteur de cultures arables revendiquant des aides à la surface doit retirer de la production, à l'intérieur de chaque région de production, une partie de ses cultures arables, et ce suivant les modalités et conditions fixées par le Ministre, notamment en ce qui concerne le respect de l'entretien des terres.
  Ce retrait de la production doit s'opérer dans chaque région de production et être, à l'intérieur de chacune d'elles, au minimum égal à 10 % de la somme de la superficie des cultures arables et de la superficie des terres retirées de la production pour lesquelles une aide à la surface est demandée.
  Le pourcentage de gel visé au deuxième alinéa est d'application pour les emblavements effectués pour la campagne de commercialisation 2001/2002 (récolte 2001) et campagnes suivantes. Lorsque, pour une campagne de commercialisation, un pourcentage différent doit être appliqué, celui-ci est fixé par le Ministre.
  En dérogation à l'article 5 de l'Arrêté ministériel du 17 octobre 1995 instaurant une prime destinée à compenser la perte de revenu découlant du boisement des surfaces agricoles en application du règlement (CEE) n° 2080/92 du Conseil du 30 juin 1992 instituant un régime communautaire d'aides aux mesures forestières en agriculture, cette prime annuelle par hectare de terre agricole retirée de la production dans le cadre de l'obligation de gel, est limitée au montant fixé pour la jachère dans la zone de production concernée.
  § 2. Sans préjudice de l'application des dispositions du § 3, la somme des surfaces retirées de la production dans le cadre du gel obligatoire et du gel volontaire ne peut pas dépasser par exploitation 50 % de la surface totale des terres consacrées aux cultures arables et des terres retirées de la production pour laquelle une aide à la surface est demandée.
  § 3. Est exempté de l'obligation de gel visée au § 1, le producteur de cultures arables dont la demande d'aide porte sur une superficie n'excédant pas la superficie théorique nécessaire à la production de 92 tonnes de céréales.
  Le calcul de cette superficie théorique est réalisé d'une part sur la base des rendements de référence fixés à l'annexe II du présent arrêté et d'autre part sur la base des superficies cultivées respectivement dans les différentes régions de production concernées et sur lesquelles porte la demande.
  Le producteur visé au 1er alinéa peut toutefois bénéficier de l'aide à la surface pour les terres faisant l'objet d'un gel volontaire. Dans ce cas, le pourcentage de 50 % visé au § 2 est réduit du pourcentage fixé pour le gel obligatoire visé au § 1.
Art. 4. (Zie NOTA'S onder opschrift) Om in aanmerking te komen voor de areaalbetalingen moet de producent :
  - uiterlijk op 31 mei van elk seizoen hebben ingezaaid volgens de voor de productieregio gebruikelijke normen.
  In geval van oliehoudende zaden, worden de categorieën zaaizaad door de Minister vastgesteld.
  Nochtans is, voor het verkoopseizoen 2001/2002 (oogst 2001) de uiterste inzaaidatum vastgesteld op 15 juni 2001.
  - een steunaanvraag opgesteld hebben waarvan de modaliteiten en de indieningsdatum worden vastgesteld door de Minister, zonder de datum van 15 mei overschreden te hebben.
  ++++++++++++++++++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  

Wijzigingen

++++++++++
Art. 4. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
Om in aanmerking te komen voor de areaalbetalingen moet de producent :
- uiterlijk op 31 mei van elk seizoen hebben ingezaaid volgens de voor de productieregio gebruikelijke normen.
In geval van oliehoudende zaden, worden de categorieën zaaizaad door de Minister vastgesteld.
Nochtans is, voor het verkoopseizoen 2001/2002 (oogst 2001) de uiterste inzaaidatum vastgesteld op 15 juni 2001.
- een steunaanvraag opgesteld hebben waarvan de modaliteiten en de indieningsdatum worden vastgesteld door de Minister, zonder de datum van 15 mei overschreden te hebben.
++++++++++
Art. 4. (Voir NOTES sous l'intitulé) Pour bénéficier des aides à la surface, le producteur doit :
  - avoir mis en terre la semence conformément aux normes usuelles de la région de production, au plus tard pour le 31 mai de chaque campagne.
  Lorsqu'il s'agit d'oléagineux, les catégories de semences sont déterminées par le Ministre.
  Toutefois, pour la campagne de commercialisation 2001/2002 (récolte 2001) la date limite de semis est fixée au 15 juin 2001.
  - avoir formulé une demande d'aide dont les modalités et dates d'introduction sont déterminées par le Ministre, sans pouvoir excéder la date du 15 mai.
  ++++++++++++++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  

Wijzigingen

++++++++++
Art. 4. (COMMUNAUTE FLAMANDE)
Pour bénéficier des aides à la surface, le producteur doit :
- avoir mis en terre la semence conformément aux normes usuelles de la région de production, au plus tard pour le 31 mai de chaque campagne.
Lorsqu'il s'agit d'oléagineux, les catégories de semences sont déterminées par le Ministre.
Toutefois, pour la campagne de commercialisation 2001/2002 (récolte 2001) la date limite de semis est fixée au 15 juin 2001.
- avoir formulé une demande d'aide dont les modalités et dates d'introduction sont déterminées par le Ministre, sans pouvoir excéder la date du 15 mai.
++++++++++
Art. 5. (Zie NOTA'S onder opschrift) Om in aanmerking te komen moet de steunaanvraag betrekking hebben op aaneengesloten percelen bouwland van minstens 0,3 ha en met een breedte van minimum 20 meter.
  ++++++++++++++++++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  

Wijzigingen

++++++++++
Art. 5. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
§ 1. Om in aanmerking te komen, moet de steunaanvraag betrekking hebben op aaneengesloten percelen bouwland of braak van minstens 0,30 ha en met een breedte van minstens 20 meter.
§ 2. Het voederareaal, aangegeven met het oog op het verkrijgen van premies in de dierlijke sector, mag in een buurland liggen, op voorwaarde dat het maximaal 30 km van de productie-eenheid verwijderd is en dat minstens 20 % van de oppervlakte, met betrekking tot steun voor rundvee en schapen, zich in België bevindt.
§ 3. Het voederareaal, gelegen in een buurland, kan worden aangegeven door een Belgische producent met het oog op het verkrijgen van premies in de dierlijke sector. Daarvoor zal de producent als bijlage een correspondentietabel, beschikbaar in de Buitendienst, bij zijn steunaanvraag " oppervlakten " voegen. Die tabel zal voor elk perceel, gelegen in het buurland en opgenomen in de steunaanvraag die is ingediend in België, de overeenkomstige gegevens weergeven zodat het kan worden gelokaliseerd en afgebakend in het systeem van aangifte dat van kracht is in het buurland. Bovendien zal de producent zijn identificatie bezorgen aan het buurland.++++++++++++
Art. 5. (Voir NOTES sous l'intitulé) Pour être prise en considération, la demande d'aide doit porter sur des parcelles de cultures d'une superficie minimale de 0,3 ha d'un seul tenant et d'une largeur de 20 mètres au minimum.
  ++++++++++++++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  

Wijzigingen

++++++++++
§ 1er. Pour être prise en considération, la demande d'aide doit porter sur des parcelles de cultures ou en friche d'une superficie minimale de 0,3 ha d'un seul tenant et d'une largeur d'au moins 20 mètres.
§ 2. La surface fourragère, déclarée en vue de l'obtention de primes dans le secteur animalier, peut se situer dans un pays voisin, à condition qu'elle se situe à au maximum 30 km de l'unité de production et qu'au moins 20 % de la surface, relative à la demande d'aide pour bovins et ovins, se trouve en Belgique.
§ 3. La surface fourragère, située dans un pays voisin, peut être déclarée par un producteur belge en vue d'obtenir des primes dans le secteur animalier. A cet effet, le producteur doit joindre en annexe un tableau de correspondance, disponible auprès du Service extérieur, à sa demande d'aide " à la surface ". Le tableau mentionnera pour chaque parcelle, située dans un pays voisin et reprise dans la demande d'aide introduite en Belgique, les données correspondantes, de sorte qu'elles puissent être localisées et délimitées dans le système de déclaration en vigueur dans le pays voisin. En outre, le producteur transmettra son identification au pays voisin.
++++++++++++++++++++++
Art. 6. (Zie NOTA'S onder opschrift) § 1. Aanvragen voor areaalbetalingen en braakleggingsaangiften kunnen niet worden ingediend voor gronden die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik waren.
  § 2. Evenwel kunnen er areaalbetalingsaanvragen voor vezelvlas of -hennep en eventueel voor de bijhorende verplichte braak, ingediend worden voor gronden die in de loop van tenminste één van de verkoopseizoenen 1998/1999, 1999/2000 en 2000/2001 in het kader van verordening (EEG) nr. 1308/70 van de Raad van 29 juni 1970 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector vlas en hennep steun hebben ontvangen.
  § 3. Binnen de voorwaarden en de grenzen vastgesteld door de Minister, kan er evenwel afgeweken worden op de bepaling van § 1 van huidig artikel :
  a) in geval van een ruilverkaveling waarvan het plan officieel werd neergelegd in de periode, gaande van 1 januari 1991 tot 1 juli 1997;
  b) in geval van een vervanging van gronden op voorwaarde dat voor elke oppervlakte cultuurgrond die in aanmerking komt voor de areaalbetaling een equivalente oorspronkelijk in aanmerking komende oppervlakte cultuurgrond niet meer als dusdanig wordt beschouwd :
  - in geval van een ruilverkaveling waarvan het plan officieel werd neergelegd, of een onteigening uitgevoerd na de bovenvermelde bedoelde periode in § 3, a);
  - in geval van een oprichting of het verplaatsen van een stal omwille van een interne herstructurering van het bedrijf of omwille van milieumaatregelen;
  - in geval van het ontstaan van een wettelijke verplichting gebonden aan de bescherming of het behoud van het milieu;
  - in geval van een vernieuwing van fruitboomaanplantingen binnen het bedrijf ter voorkoming van " bodemmoeheid ";
  - in geval van toepassing van lange vruchtafwisselingen binnen een bedrijf waarvoor de totale productie beantwoordt aan de biologische productiemethode zoals voorzien in verordening (EEG) nr. 2092/91.
Art. 6. (Voir NOTES sous l'intitulé) § 1. Les demandes concernant les aides à la surface et les déclarations de gel ne sont pas recevables pour des terres qui étaient consacrées au pâturage permanent, aux cultures permanentes, aux forêts ou à des utilisations non agricoles au 31 décembre 1991.
  § 2. Toutefois, les demandes de paiement pour des superficies consacrées à la culture de lin ou de chanvre destinés à la production de fibres et éventuellement au gel obligatoire y afférent, peuvent être présentées pour les terres ayant bénéficié, pendant au moins l'une des campagnes 1998/1999, 1999/2000 et 2000/2001, d'une aide octroyée dans le cadre du règlement (CEE) n° 1308/70 du Conseil du 29 juin 1970 portant organisation commune des marchés dans le secteur du lin et du chanvre.
  § 3. Dans les conditions et limites fixées par le Ministre, il peut être dérogé à la disposition du § 1 du présent article :
  a) à condition qu'il y ait eu un remembrement dont le plan a été officiellement déposé dans la période comprise entre le 1er janvier 1991 et le 1er juillet 1997;
  b) à condition qu'il y ait un échange de terres effectué de telle sorte que pour toute superficie de terre de culture déclarée comme éligible à l'aide à la surface, une superficie équivalente de terre de culture initialement éligible ne soit plus considérée comme telle :
  - en cas de remembrement dont le plan a été officiellement déposé ou en cas d'expropriation exécutée après la période visée au § 3, a) ci-avant;
  - en cas de création ou de transfert d'une étable pour cause de restructuration interne de l'exploitation ou pour des raisons environnementales;
  - en cas de naissance d'une obligation réglementaire liée à la protection ou à la sauvegarde du milieu;
  - en cas de renouvellement de plantations fruitières au sein d'une exploitation en vue de prévenir la " fatigue du sol ";
  - en cas d'établissement de rotations longues au sein d'une exploitation dont la totalité de la production répond au mode de production biologique, tel que prévu par le règlement (CEE) n° 2092/91.
Art. 7. (Zie NOTA'S onder opschrift) In toepassing van artikel 3 van dit besluit, kunnen, binnen de voorwaarden en grenzen vastgesteld door de Minister, de braakgelegde gronden worden gebruikt :
  a) voor de productie van grondstoffen voor de vervaardiging, in de Gemeenschap, van niet specifiek voor voeding of vervoedering bestemde producten;
  b) voor de teelt van voederleguminosen binnen een landbouwbedrijf waarvoor de totale productie beantwoordt aan de biologische productiemethode zoals voorzien in verordening (EEG) nr. 2092/91.
  ++++++++++++++++++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  

Wijzigingen

++++++++++
Art. 7. (VLAAMSE GEMEENSCHAP)
In toepassing van artikel 3 van dit besluit, kunnen, binnen de voorwaarden en grenzen vastgesteld door de Minister, de braakgelegde gronden worden gebruikt :
a) voor de productie van grondstoffen voor de vervaardiging, in de Gemeenschap, van niet specifiek voor voeding of vervoedering bestemde producten;
b) voor de teelt van voederleguminosen binnen een landbouwbedrijf waarvoor de totale productie beantwoordt aan de biologische productiemethode zoals voorzien in verordening (EEG) nr. 2092/91.
(c) voor de aanleg van gewasbedekkingen die een bevoordeelde omgeving vormen voor de fauna in het kader van de bijzondere beschikkingen, genomen op het gebied van faunabraak;
++++++++++
Art. 7. (Voir NOTES sous l'intitulé) Dans les conditions et limites fixées par le Ministre, les terres gelées en application de l'article 3 du présent arrêté peuvent être utilisées :
  a) pour la production de matières destinées à la fabrication, sur le territoire de la Communauté, de produits qui ne sont pas directement destinés à la consommation humaine ou animale;
  b) pour la culture de légumineuses fourragères au sein d'une exploitation agricole dont la totalité de la production répond au mode de production biologique, tel que prévu par le règlement (CEE) n° 2092/91.
  ++++++++++++++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  

Wijzigingen

++++++++++
Art. 7. (COMMUNAUTE FLAMANDE)
Dans les conditions et limites fixées par le Ministre, les terres gelées en application de l'article 3 du présent arrêté peuvent être utilisées :
a) pour la production de matières destinées à la fabrication, sur le territoire de la Communauté, de produits qui ne sont pas
directement destinés à la consommation humaine ou animale;
b) pour la culture de légumineuses fourragères au sein d'une exploitation agricole dont la totalité de la production répond au mode de production biologique, tel que prévu par le règlement (CEE) n° 2092/91.
(c) pour l'aménagement de couvertures de cultures constituant un environnement privilégié pour la faune dans le cadre de mesures particulières, prises dans le domaine d'une faune en abandon;
++++++++++++++++++++++
Art. 8. (Zie NOTA'S onder opschrift) § 1. Overtredingen van dit besluit, van de uitvoeringsbesluiten, van de verordeningen (EEG) nr. 3508/92 en (EG) nr. 1251/1999, 1257/1999, 1673/2000 van de Raad en van de verordeningen (EEG) nr. 3887/92, en (EG) nr. 2316/1999, 2461/1999 van de Commissie worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten.
  § 2. Het niet eerbiedigen van de maatregelen in verband met het onderhoud van de in artikel 3 bedoelde uit productie genomen gronden heeft volgens de modaliteiten vastgesteld door de Minister, een vermindering of weigering van de steun als gevolg.
  ++++++++++++++++++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  
Art. 8. (Voir NOTES sous l'intitulé) § 1. Les infractions au présent arrêté, à ses arrêtés d'exécution, aux règlements (CEE) n° 3508/92 et (CE) n° 1251/1999, 1257/1999, 1673/2000 du Conseil et aux règlements (CEE) n° 3887/92 et (CE) n° 2316/1999, 2461/1999 de la Commission sont recherchées, constatées et punies conformément à la loi du 28 mars 1975 relative au commerce des produits de l'agriculture, de l'horticulture et de la pêche maritime.
  § 2. Le non-respect des mesures relatives à l'entretien des terres retirées de la production visées à l'article 3 entraîne, selon les modalités fixées par le Ministre, la réduction ou la suppression de l'aide.
  ++++++++++++++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  
Art. 9. Het koninklijk besluit van 14 december 2000 tot vaststelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen wordt opgeheven.
  ++++++++++++++++++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  
Art. 9. (Voir NOTES sous l'intitulé) L'arrêté royal du 14 décembre 2000 instituant un régime de soutien aux producteurs de certaines cultures arables est abrogé.
  ++++++++++++++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  
Art. 9bis. (Waals Gewest) <INGEVOEGD bij BWG 2002-12-19/04, art. 8; Inwerkingtreding : 01-08-2002> De inspecteur-generaal van de Afdeling Landbouwsteun van het Directoraat-generaal Landbouw van het Ministerie van het Waalse Gewest en, wanneer deze afwezig of verhinderd is, de ambtenaar die hem vervangt, is gedelegeerd om de uitgaven met betrekking tot de steun bepaald bij dit besluit vast te leggen, goed te keuren en te ordonnanceren.
  ++++++++++++++++++++++++++
Art. 9bis. (REGION WALLONNE) (abrogé pour la Région wallonne)
  ++++++++++
Art. 10. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van het verkoopseizoen 2001/2002 (oogst 2001).
Art. 10. (Voir NOTES sous l'intitulé) Le présent arrêté produit ses effets à partir de la campagne de commercialisation 2001/2002 (récolte 2001).
Art. 11. Onze Minister toegevoegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken, belast met Landbouw, is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Brussel, 19 december 2001.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister toegevoegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken,
  belast met Landbouw,
  Mevr. A.-M. NEYTS-UYTTEBROECK
Art. 11. (Voir NOTES sous l'intitulé) Notre Ministre adjoint au Ministre des Affaires étrangères, chargé de l'Agriculture, est chargée de l'exécution du présent arrêté.
  Donné à Bruxelles, le 19 décembre 2001.
  ALBERT
  Par le Roi :
  La Ministre adjointe au Ministre des Affaires étrangères,
  chargée de l'Agriculture,
  Mme A.-M. NEYTS-UYTTEBROECK
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage I. Akkerbouwgewassen.
Art. N1. (Voir NOTES sous l'intitulé) Annexe I. Cultures arables.
  GN-code                              Omschrijving
  I. GRANEN
  1001 10                              Harde tarwe
  1001 90                              Andere tarwe en mengkoren, ander dan
                                        durum tarwe
  1002 00 00                           Rogge
  1003 00                              Gerst
  1004 00                              Haver
  1005                                 Mais (snijmais inbegrepen)
  0709 90 60                           Suiker mais
  1007 00                              Graansorgho
  1008                                 Boekweit, gierst (andere dan sorgho)
                                        en kanariezaad; andere granen (bv.
                                        Triticale)
  II. OLIEHOUDENDE ZADEN
  1201 00                              Sojabonen
  1205 00                              Kool - en raapzaad
  1206 00                              Zonnebloempitten
  III. EIWITHOUDENDE GEWASSEN
  0713 10                              Erwten (droog geoogst)
  0713 50                              Tuin- en veldbonen (droog geoogst)
  1209 29 50                           Niet-bittere lupinen
  IV. VLAS
  ex 1204 00                           Lijnzaad (olievlas) (Linum
                                        usitatissimum L.)
  ex 5301 10 00                        Vezelvlas, onbewerkt of geroot
                                        (Linum usitatissi-mum L.)
  V. HENNEP
  ex 5302 10 00                        Vezelhennep, onbewerkt of geroot
                                        (Cannabis sativa L.)
  Code-NC                              Designation des marchandises
  I. CEREALES
  1001 10                              Ble dur
  1001 90                              Autre ble et meteil autre que le ble
                                        dur
  1002 00 00                           Seigle
  1003 00                              Orge
  1004 00                              Avoine
  1005                                 Mais (y compris le mais ensilage)
  0709 90 60                           Mais doux
  1007 00                              Sorgho a grain
  1008                                 Sarrasin, millet et alpiste; autres
                                        cereales (p.ex. triticale)
  II. OLEAGINEUX
  1201 00                              Feves de soja
  1205 00                              Graines de navette ou de colza
  1206 00                              Graines de tournesol
  III. PROTEAGINEUX
  0713 10                              Pois (recoltes a l'etat sec)
  0713 50                              Feves et feveroles (recoltes a l'etat
                                        sec)
  1209 29 50                           Lupins doux
  IV. LIN
  ex 1204 00                           Graines de lin (lin oleagineux)
                                        (Linum usitatissimum L.)
  ex 5301 10 00                        Lin brut ou roui destine a la
                                        production de fibres (Linum
                                        usitatissimum L.)
  V. CHANVRE
  ex 5302 10 00                        Chanvre brut ou roui destine a la
                                        production de fibres (Cannabis
                                        sativa L.)
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 19 december 2001.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister toegevoegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken, belast met Landbouw,
  Mevr. A.-M. NEYTS-UYTTEBROECK
  Vu pour être annexé à Notre arrêté du 19 décembre 2001.
  ALBERT
  Par le Roi :
  La Ministre adjointe au Ministre des Affaires étrangères, chargée de l'Agriculture,
  Mme A.-M. NEYTS-UYTTEBROECK
Art. N2. Bijlage II. - Gemiddelde regionale opbrengsten.
Art. N2. (Voir NOTES sous l'intitulé) Annexe II. Rendements régionaux moyens.
  Productieregio's         Opbrengsten granen       Opbrengsten oliehoudende
                            ton/ha                   zaden ton/ha
  Polders en Duinen            6,73                       2,40
  Zandstreek                   5,41                       2,85
  Kempen                       4,73                       2,72
  Zandleemstreek               6,12                       3,12
  Leemstreek                   6,64                       3,31
  Henegouwse Kempen            6,44                       (*)
  Condroz                      6,22                       3,07
  Famenne                      5,21                       2,97
  Fagne                        5,04                       3,15
  Weidestreek                  6,26                       3,03
  Hoge Ardennen                3,77                       (*)
  Ardennen                     3,64                       2,99
  Jurastreek                   4,02                       3,38
  Regions de productions      Rendements en cereales tonnes/ha
             -                               -
     Polders et dunes                       6,73
     Sablonneuse                            5,41
     Campine                                4,73
     Sablo-limoneuse                        6,12
     Limoneuse                              6,64
     Campine hennuyere                      6,44
     Condroz                                6,22
     Famenne                                5,21
     Fagnes                                 5,04
     Herbagere                              6,26
     Haute Ardenne                          3,77
     Ardenne                                3,64
     Jurassique                             4,02
  (*) De opbrengst voor granen geldt als referentie.
  Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 19 december 2001.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister toegevoegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken, belast met Landbouw,
  Mevr. A.-M. NEYTS-UYTTEBROECK
  ++++++++++++++++++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  
  (*) Le rendement des céréales sert de référence.
  Vu pour être annexé à Notre arrêté du 19 décembre 2001.
  ALBERT
  Par le Roi :
  La Ministre adjointe au Ministre des Affaires étrangères, chargée de l'Agriculture,
  Mme A.-M. NEYTS-UYTTEBROECK
  ++++++++++++++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  

Wijzigingen

Namur, le 19 décembre 2002.
Le Ministre-Président,
J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
Le Ministre de l'Agriculture et de la Ruralité,
J. HAPPART.
++++++++++++++++++++++
  Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Waalse Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen.
  Namen, 19 december 2002.
  De Minister-President,
  J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE
  De Minister van Landbouw en Landelijke Aangelegenheden,
  J. HAPPART.
  ++++++++++++++++++++++++++
-