Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
14 MEI 2002. - Koninklijk besluit betreffende de vervoersvergunning voor gasachtige producten en andere door middel van leidingen. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 05-06-2002 en tekstbijwerking tot 10-10-2018)
Titre
14 MAI 2002. - Arrêté royal relatif à l'autorisation de transport de produits gazeux et autres par canalisations. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 05-06-2002 et mise à jour au 10-10-2018)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (102)
Texte (102)
HOOFDSTUK I. - Definities.
CHAPITRE I. - Définitions.
Artikel 1. De termen bepaald in artikel 1 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, hebben dezelfde betekenis voor de toepassing van dit besluit.
  Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° " wet van 12 april 1965 " : de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen;
  2° " wet van 29 april 1999 " : de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de gasmarkt en het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten;
  3° " werkdagen " : elke kalenderdag met uitzondering van zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen;
  4° " Bestuur Energie " : Bestuur Energie van het federale Ministerie van Economische Zaken;
  5° " Bestuur Kwaliteit en Veiligheid " : Bestuur Kwaliteit en Veiligheid van het federale Ministerie van Economische Zaken.
  (6° : " Centraal meldpunt " : het centrale meldpunt zoals bepaald in artikel 1, 9° van het koninklijk besluit van 21 september 1988 betreffende de voorschriften en de verplichtingen van raadpleging en informatie bij het uitvoeren van werken in de nabijheid van installaties van vervoer van gasachtige en andere producten door middel van leidingen.) <KB 2006-12-03/31, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 21-12-2006>
  [1 7° " afgevaardigde van de minister" : de ambtenaar van het Bestuur Energie aangeduid door de minister;]1
  [1 8° " MAOP " : de maximale druk aan dewelke een vervoerinstallatie voor gasachtige producten en andere door middel van leidingen mag worden uitgebaat.]1
  
Article 1. Les termes définis à l'article 1er de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations, ont la même signification dans le présent arrêté.
  Pour application du présent arrêté, il y a lieu d'entendre par :
  1° " la loi du 12 avril 1965 " : la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations;
  2° " la loi du 29 avril 1999 " : la loi du 29 avril 1999 relative à l'organisation du marché du gaz et au statut fiscal des producteurs d'électricité;
  3° " jours ouvrables " : tout jour calendrier à l'exception des samedis, dimanches et jours fériés légaux;
  4° " Administration de l'Energie " : l'Administration de l'Energie du Ministère fédéral des Affaires économiques;
  5° " Administration de la Qualité et de la Sécurité " : l'Administration de la Qualité et de la Sécurité du Ministère fédéral des Affaires économiques.
  (6° : " Point central de contact " : le point central de contact tel que défini à l'article 1er 9° de l'arrêté royal du 21 septembre 1988 relatif aux prescriptions et obligations de consultation et d'information à respecter lors de l'exécution de travaux à proximité d'installations de transport de produits gazeux et autres par canalisations.) <AR 2006-12-03/31, art. 1, 002; En vigueur : 21-12-2006>
  [1 7° " délégué du ministre " : le fonctionnaire de l'Administration de l'Energie désigné par le ministre;]1
  [1 8° " MAOP " : la pression maximale à laquelle une installation de transport de produits gazeux et autres par canalisations peut être exploitée.]1
  
HOOFDSTUK II. - Criteria voor de toekenning van de vervoervergunningen.
CHAPITRE II. - Critères d'octroi des autorisations de transport.
Art.2. § 1. De, in artikel 4 van de wet van 12 april 1965 bedoelde, criteria voor de toekenning van de individuele vergunningen voor een nieuwe installatie die geïntegreerd wordt in een bestaand net of die als een directe leiding wordt aangelegd, zijn de volgende :
  1° desgevallend, beschikking over voldoende middelen om de naleving te verzekeren van de openbare dienstverplichtingen ten gunste van afnemers van aardgas die geen in aanmerking komende afnemers zijn;
  2° aanwezigheid bij de aanvrager of in de schoot van de instantie die gelast is met de exploitatie, van een aangepaste functionele en financiële structuur die de mogelijkheid biedt preventieve maatregelen te plannen, toe te passen en te financieren, ten einde de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de installatie en van zijn uitbating te verzekeren en eveneens, desgevallend, te zorgen voor een buitendienststelling, vrijwillig of niet, waarbij de veiligheid en het milieu zo goed mogelijk worden gewaarborgd;
  3° indien de aanvraag uitgaat van een onderneming :
  a) oprichting ervan overeenkomstig de Belgische wetgeving, de wetgeving van een andere Lidstaat van de Gemeenschappen of van een Staat ten aanzien waarvan verbintenissen zijn aangegaan die gelijkaardig zijn met die welke voortvloeien uit de Richtlijn 98/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas;
  b) beschikking over een administratieve zetel, een hoofdvestiging of een maatschappelijke zetel binnen een Lidstaat van de Gemeenschappen of van een Staat ten aanzien waarvan verbintenissen zijn aangegaan die gelijkaardig zijn met die welke voortvloeien uit de Richtlijn 98/30/EG, op voorwaarde dat de activiteit van deze vestiging of maatschappelijke zetel een effectief en bestendig verband heeft met de economie van een van deze Lidstaten;
  4° technische bekwaamheden van de aanvrager of van de onderneming die met de oprichting of de exploitatie van de installatie zal belast worden; om deze technische bekwaamheden te beoordelen, wordt rekening gehouden met de volgende elementen :
  a) de vermelding van voorgaande realisaties of uitbatingen in hetzelfde domein;
  b) het effectief en in voldoende mate aanwezig zijn van het personeel van de onderneming in België, dat moet instaan voor de exploitatie en dat het bewijs geleverd heeft van ervaring in een vervoeronderneming;
  c) de technische middelen voorzien voor de exploitatie in België van de installatie waarop de aanvraag betrekking heeft;
  5° beschikking over een voldoende financiële en economische capaciteit; om de financiële en economische capaciteit van de aanvrager, of van de onderneming die effectief zal belast worden met de exploitatie, te beoordelen, bezorgt de aanvrager voor de drie laatste jaren :
  a) de balansen en resultaatrekeningen;
  b) de omvang van de eigen middelen;
  c) het globaal omzetcijfer;
  De verstrekte documenten worden voor echt verklaard door een Belgische bedrijfsrevisor of een persoon met evenwaardige hoedanigheid volgens de wetgeving van de Staat waarvan de aanvrager afhangt;
  6° bewijs van het bestaan van voldoende risicodekking op het vlak van burgerlijke aansprakelijkheid met betrekking tot de installatie, op basis van de algemeen door de verzekeringsmaatschappijen aanvaarde criteria,
  § 2. De voorwaarden bedoeld bij § 1, 2° tot 6° worden geacht vervuld te zijn voor alle aanvragen, ingediend in de loop van een periode van [1 tien]1 opeenvolgende kalenderjaren, indien de bewijzen voor de naleving van deze voorwaarden worden verstrekt voor de eerste aanvraag, ingediend in de loop van deze periode.
  [1 Indien gedurende deze periode een verandering plaats heeft van de voorwaarden die aanleiding hebben gegeven tot het toekennen van de vervoersvergunning, en die een belangrijke impact heeft op de financiële of economische capaciteit van de houder van een vervoervergunning, moet deze het bewijs leveren dat aan de voorwaarden voldaan is.
   De voorwaarden bedoeld in § 1, 1° tot 6°, worden geacht vervuld te zijn voor alle ingediende aanvragen van de beheerders waarvan sprake in artikel 8 van de wet van 12 april 1965.]1

  § 3. Indien de aanvrager wegens een grondige reden niet in staat is de gevraagde documenten bedoeld in 5° van § 1 voor te leggen, is hij gemachtigd zijn financiële capaciteit te bewijzen met ieder ander passend document.
  § 4. De naleving van de criteria bedoeld bij 6° van § 1 wordt bewezen door voorlegging van een getuigschrift afgeleverd door de bevoegde overheid van de Staat waarvan de aanvrager afhangt.
  Wanneer de bevoegde overheid nalaat het gevraagde getuigschrift af te leveren binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag ingediend via aangetekende zending met ontvangstbewijs, mag het getuigschrift vervangen worden door een verklaring onder eed die betrokkene aflegt voor een gerechtelijke of administratieve overheid, een notaris of een gekwalificeerd beroepsorganisme van het land waarvan de aanvrager afhangt.
  
Art.2. § 1er. Les critères d'octroi, visés à l'article 4 de la loi du 12 avril 1965, des autorisations individuelles, pour une nouvelle installation intégrée à un réseau existant ou construite comme conduite directe, sont les suivants :
  1° le cas échéant, disposition de ressources suffisant pour assurer l'observation des obligations de service public en faveur des clients de gaz naturel non-éligibles;
  2° présence chez le demandeur ou au sein de l'organisme chargé d'assurer l'exploitation, d'une structure fonctionnelle et financière appropriée permettant de planifier, d'adopter et de financer des mesures préventives en vue d'assurer la sûreté et la sécurité de l'installation et de son exploitation ainsi qu'en vue d'assurer, le cas échéant, une mise hors service, volontaire ou non, dans des conditions optimales de sécurité et de respect de l'environnement;
  3° si la demande émane d'une société :
  a) constitution de celle-ci conformément à la législation belge, à celle d'un autre Etat membre des Communautés ou à celle d'un Etat vis-à-vis duquel des engagements similaires à ceux résultant de la Directive 98/30/CE du Parlement européen et du Conseil du 22 juin 1998 concernant des règles communes pour le marché intérieur du gaz naturel ont été pris,
  b) disposition d'un siège administratif, d'un principal établissement ou d'un siège social à l'intérieur d'un Etat membre des Communautés ou d'un Etat vis-à-vis duquel des engagements similaires à ceux résultant de la directive 98/30/CE ont été pris, à condition que l'activité de cet établissement ou siège social présente un lien effectif et continu avec l'économie de l'un de ces Etats membres;
  4° capacités techniques du demandeur ou de l'entreprise qui sera chargée de l'installation ou de l'exploitation; pour apprécier les capacités techniques, les éléments suivants sont pris en considération :
  a) les références des réalisations ou exploitations antérieures dans le même domaine;
  b) le personnel de l'entreprise présent effectivement en Belgique, qui doit être suffisant pour l'exploitation et avoir apporté la preuve d'une expérience dans une entreprise de transport;
  c) les moyens techniques envisagés pour l'exploitation en Belgique de l'installation faisant l'objet de la demande;
  5° disposition d'une capacité financière et économique suffisante; pour apprécier la capacité financière et économique du demandeur ou de l'entreprise qui sera effectivement chargée de l'exploitation, le demandeur fournit pour les trois dernières années :
  a) les bilans et comptes de résultat;
  b) la hauteur des fonds propres;
  c) le chiffre d'affaires global;
  Les documents fournis sont certifiés par un réviseur d'entreprise belge ou une personne de qualité équivalente suivant la législation de l'Etat dont dépend le demandeur;
  6° preuve de l'existence d'une couverture suffisante du risque en matière de responsabilité civile créé par l'installation, sur base des critères généralement acceptés par les entreprises d'assurances.
  § 2. Les conditions visées au § 1er, 2° à 6° sont censées respectées pour toutes les demandes introduites au cours d'une période de [1 dix]1 années civiles successives si les preuves du respect de ces conditions sont fournies pour la première demande introduite au cours de cette période.
  [1 Si au cours de cette période, une modification des conditions qui ont donné lieu à l'octroi de l'autorisation de transport intervient et qui a un impact important sur la capacité financière ou économique du titulaire d'une autorisation de transport, celui-ci devra apporter la preuve du respect de ces conditions.
   Les conditions visées au § 1er, 1° à 6°, sont censées être respectées pour toutes les demandes introduites par les gestionnaires visés à l'article 8 de la loi du 12 avril 1965.]1

  § 3. Si pour une raison justifiée, le demandeur n'est pas en mesure de fournir les documents visés au 5° du § 1er, il peut prouver ses capacités financières par tout autre document approprié.
  § 4. Le respect des critères visés aux 6° du § 1er s'établit par la fourniture d'un certificat délivré par l'autorité compétente de l'Etat dont dépend le demandeur.
  A défaut pour l'autorité compétente de délivrer le certificat demandé dans les trente jours de la réception de la demande introduite par envoi recommandé avec accusé de réception, le certificat peut être remplacé par une déclaration faite sous serment par l'intéressé devant une autorité judiciaire ou administrative, un notaire ou un organisme professionnel qualifié du pays dont dépend le demandeur.
  
HOOFDSTUK III. - Procedure voor de toekenning van de vervoervergunningen.
CHAPITRE III. - Procédure d'octroi des autorisations de transport.
Art.3. De vervoervergunning wordt aangevraagd door een rechtspersoon of een natuurlijke persoon die gevestigd is in een van de Lidstaten van de Europese Unie.
Art.3. L'autorisation de transport est demandée par une personne physique ou morale établie dans un des Etats membres de l'Union européenne.
Art.4. De aanvraag om vervoervergunning wordt gericht tot de minister, ofwel per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, ofwel afgegeven met ontvangstbewijs. De aanvraag moet worden gedateerd en ondertekend door de aanvrager of door zijn gemachtigde.
  Alle stukken die de aanvraag vergezellen bevinden zich op papier van formaat A4 van de norm NBN 18, d.w.z. 210 x 297 mm of zijn volgens dit formaat geplooid.
  De minister kan toestemming verlenen om de aanvraag en de bijbehorende stukken op elektronische wijze in te dienen, alsook om deze documenten te ondertekenen met [1 een handtekening van deze documenten door middel van een elektronische handtekening in de zin van artikel 3.10. van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG of een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van dezelfde verordening]1. De minister kan tevens toelaten om bepaalde documenten uitsluitend op elektronische wijze bij te houden. De minister kan de toepassing van deze regels uitbreiden tot alle documenten die in het kader van de wet van 12 april 1965 vereist worden.
  
Art.4. La demande d'autorisation de transport est adressée au ministre, soit par courrier recommandé avec accusé de réception, soit déposée avec accusé de réception. La demande doit être datée et signée par le demandeur ou par son mandataire.
  Tous les documents qui accompagnent la demande, sont fournis sur papier au format A4 de la norme NBN 18, c'est-à-dire 210 x 297 mm ou sont pliés à ce format.
  Le ministre peut autoriser l'introduction électronique de la demande et des documents d'accompagnement, ainsi que [1 la signature de ces documents par la signature électronique au sens de l'article 3.10. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE ou par la signature électronique qualifiée au sens de l'article 3.12. de ce même règlement]1 de ces documents. Le ministre peut également autoriser la conservation de certains documents de façon exclusivement électronique. Le ministre peut étendre l'application de ces règles à tous les documents requis dans le cadre de la loi du 12 avril 1965.
  
Art.5. De vergunningsaanvraag vermeldt de identiteit van de aanvrager, zijn volledig adres, het onderwerp, het doel en de duur waarvoor de vergunning wordt aangevraagd en verwijst naar de nodige bewijzen voor de naleving van de in artikel 2, § 1, bepaalde toekenningscriteria, onverminderd het bepaalde in artikel 2, §§ 2 en 3.
Art.5. La demande d'autorisation mentionne l'identité du demandeur, son adresse complète, l'objet, l'objectif et la durée pour laquelle l'autorisation est demandée et se réfère aux preuves nécessaires pour le respect des critères d'octroi fixés à l'article 2, § 1er, sans préjudice à l'article 2, §§ 2 et 3.
Art.6. De aanvraag is vergezeld van een algemeen situatieplan en van één of meer omstandig beschreven situatieplannen, opgemaakt volgens stafkaart op de schaal van ten minste 1/25.000, zodat de op het plan aangebrachte inlichtingen klaar en duidelijk leesbaar zijn. Verkleiningen zijn toegelaten, voorzover de leesbaarheid het toelaat.
  De bovenste helft van de voorzijde van de geplooide plans dient blanco te zijn, en op de onderste helft ervan dient het nummer van het plan, de naam of firmanaam van de aanvrager, de benaming van de vervoerinstallatie, de aard van het vervoerde product, de maximale toelaatbare bedrijfsdruk en de nominale diameter van de leiding vermeld te worden.
  Op elk plan of in bijlage ervan moeten inzonderheid en duidelijk vermeld worden :
  1° het tracé van de leidingen, met duidelijke vermelding van het begin- en eindpunt, en de aanduiding van de nodige innemingen voor de andere vervoerinstallaties, inzonderheid van de opslagmiddelen, gebouwen, machines, bouwwerken, toestellen, schraapkolf-, afsluiter-, compressie-, drukreduceer-, meet-, odorisatie- en menginstallaties.
  Oppervlakte-innemingen dienen vermeld te worden;
  2° de aansluitingen op andere vervoerinstallaties met de referenties van deze laatsten;
  3° de naam of het nummer van de gekruiste kanalen, stromen, rivieren, spoorwegen, autosnelwegen of wegen van groot verkeer;
  4° de grenzen van het Rijk, de naam en de grenzen van de provincies en van de gemeenten;
  5° de kruising of het evenwijdig lopen der ontworpen leidingen met alle ondergrondse werken, waarvan de aanvrager na onderzoek kennis heeft en die bij het tracé betrokken zijn.
  In geval van evenwijdigheid worden de ondergrondse werken vermeld, wanneer zij zich op minder dan twee meter van de ontworpen leidingen bevinden.
  6° de wegens brand- of ontploffingsgevaar geclassificeerde inrichtingen die zich in de onmiddellijke omgeving van de vervoerinstallaties bevinden.
  7° De aanduiding van de voorgenomen bevoorradings- en leveringsplaatsen.
  8° een tabel met de gebruikte conventionele tekens wordt ofwel rechtstreeks op het plan aangebracht, ofwel op een afzonderlijk blad in bijlage gevoegd.
  Dwarse doorsneden die de ligging van de ontworpen vervoerinstallaties aangeven ten opzichte van de voetpaden, de naburige gebouwen, de ondergrondse werken, kanalen, stromen, rivieren, spoorwegen, gekruiste autosnelwegen of wegen kunnen ter verduidelijking meegedeeld worden aan de respectievelijke bevoegde overheden van al deze inrichtingen.
Art.6. La demande est accompagnée d'un plan de situation global et d'un ou de plusieurs plans de situation plus élaborés, rédigés selon carte d'état major à l'échelle de 1/25.000 au moins, de sorte que les informations reprises sur le plan soient claires et bien lisibles. Des réductions sont autorisées, pour autant que la lisibilité le permette.
  La mi-partie supérieure du recto des plans pliés doit rester vierge; la partie inférieure doit mentionner le numéro du plan, le nom ou la dénomination sociale du demandeur, la dénomination de l'installation de transport, la nature du produit transporté, la pression maximale admissible et le diamètre nominal de la canalisation.
  Sur chaque plan ou annexe à ce plan figurent en clair notamment :
  1° le tracé pour les canalisations, avec mention claire du point de départ et d'arrivée, et l'indication des emprises nécessaires pour les autres installations de transport, notamment les moyens de stockage, bâtiments, machines, ouvrages, appareils et installations de raclage, de vannes, de compression, de détente, de mesurage, d'odorisation et de mélange.
  Les emprises en surface doivent être indiquées;
  2° les raccordements avec d'autres installations de transport avec les références de ces dernières;
  3° le nom ou le numéro des canaux, fleuves, rivières, chemins de fer, autoroutes ou routes à grande circulation croisées;
  4° les frontières du Royaume, le nom et les limites des provinces et des communes;
  5° le croisement ou le parallélisme des conduites projetées avec tous ouvrages souterrains connus après enquête du demandeur et concernés par le tracé.
  Dans le cas de parallélisme, les ouvrages souterrains sont renseignés s'ils se trouvent à moins de deux mètres des conduites projetées.
  6° les établissements classés pour motif de danger d'incendie ou d'explosion, qui se situent dans l'environnement direct des installations de transport.
  7° L'indication des endroits où une alimentation ou une fourniture est envisagée.
  8° un tableau avec les signes conventionnels employés est soit inscrit directement sur le plan, soit joint sur un feuillet libre.
  Les coupes transversales indiquant la situation des installations de transport projetées par rapport aux trottoirs, bâtiments voisins et ouvrages souterrains, canaux, fleuves, rivières, chemins de fer, autoroutes ou routes croisées peuvent être communiqué pour information aux autorités compétents respectives de chaque établissement.
Art.7. De aanvraag is vergezeld van een beschrijvend overzicht met de volgende inlichtingen :
  1° identiteit van de aanvrager;
  2° alle inlichtingen betreffende de hoedanigheid en de aard van het vervoerde product;
  3° bestemming van het vervoerde gas, overeenkomstig artikel 2, van de wet van 12 april 1965;
  4° technische inlichtingen betreffende de installatie namelijk: de lengte van de leidingen, de aard van het gebruikte materiaal, de ontwerpdruk, de hoogst toelaatbare bedrijfsdruk, de nominale diameter, de nominale buitendiameter, de nominale wanddikte, de aard van de voegen en van de beschermingsbekleding van de leidingen;
  5° een beknopte beschrijving van de installatie vanaf haar beginpunt tot haar eindpunt, met onder andere de vermelding van de schraapkolfstations, de afsluiters, de samendruk-, drukreduceer-, meet-, odorisatie- en mengposten en belangrijke kunstwerken die er deel van uitmaken of waarvan gebruik gemaakt wordt, zoals bruggen, hangbruggen, zinkers, tunnels, de gebeurlijke aftakkingen en aansluitingen;
  6° alle andere inlichtingen die nodig zijn om na te gaan of de installatie zal voldoen aan het koninklijk besluit van 11 maart 1966 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van installaties voor gasvervoer door middel van leidingen;
  7° een lijst van vervoervergunningen voor de installaties waarop de ontworpen installaties, die het voorwerp van de aanvraag uitmaken, moeten aangesloten worden.
Art.7. La demande est accompagnée d'un mémoire descriptif donnant les renseignements suivants :
  1° identité du demandeur;
  2° toutes indications relatives à la qualité et la nature du produit transporté;
  3° destination du gaz transporté, au sens de l'article 2, de la loi du 12 avril 1965;
  4° renseignements techniques relatifs à l'installation, à savoir : la longueur des canalisations, la nature du matériau utilisé, la pression de calcul, la pression de service maximale admissible, le diamètre nominal, le diamètre extérieur nominal, l'épaisseur de paroi nominale, la nature des joints et des revêtements protecteurs des canalisations;
  5° une description succincte de l'installation, de son point de départ jusqu'à son point final, avec entre autres mention des stations de raclage, des vannes d'arrêt, des postes de compression et de détente, des postes de mesure, des postes d'odorisation, des postes de mélange et des oeuvres d'art importants qui en font partie ou qui sont utilisé tels que des ponts, des ponts suspendus, siphons, tunnels, branchements et raccordement éventuels;
  6° tous les autres renseignements qui sont nécessaires à la vérification de la conformité de l'installation à l'arrêté royal du 11 mars 1966 relatif aux mesures de sécurité à prendre lors de l'établissement et l'exploitation d'installations pour transport de gaz par canalisations;
  7° une liste des autorisations de transport pour les installations auxquelles les installations projetées faisant l'objet de la demande doivent se raccorder.
Art.8. Ter aanvulling is de aanvraag vergezeld van :
  1° de adressen, op papier en op etiket, van :
  a) de betrokken besturen en diensten;
  b) de beheerders van het openbaar domein op het grondgebied waarvan de vervoersinstallaties waarvoor de vergunning wordt gevraagd, zijn gelegen;
  c) de beheerders van andere gasvervoerinstallaties en ondergrondse bouwwerken van openbaar nut betrokken bij het tracé;
  d) de gemeente- en provinciebesturen op wier grondgebied deze installaties gelegen zijn;
  e) de betrokken diensten bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu.
  2° alle andere gegevens welke het opstellen van de vervoervergunning mogelijk maken.
  3° het bewijs van betaling van de in hoofdstuk VI bedoelde vergoeding voor het onderzoek.
Art.8. En complément, la demande est accompagnée :
  1° des adresses, sur papier et sur étiquette :
  a) des administrations et services intéressés;
  b) des gestionnaires du domaine public du territoire où sont situées les installations de transport pour lesquelles l'autorisation est demandée;
  c) des gestionnaires d'autres installations de transport de gaz et d'ouvrages souterrains d'utilité publique concernés par le tracé;
  d) des administrations communales et provinciales sur le territoire desquelles ces installations sont posées;
  e) des services concernés compétents pour l'Aménagement du Territoire et l'Environnement.
  2° de tous autres renseignements permettant d'établir l'autorisation de transport.
  3° de la preuve du paiement de la redevance de l'examen visée au chapitre VI.
Art.9. [1 Het aantal exemplaren waarin de stukken van de aanvraag worden ingediend, stemt overeen met het totaal aantal adressen, bedoeld in artikel 8, 1°, vermeerderd met twee exemplaren voor het Bestuur Energie, één exemplaar voor het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid en één exemplaar voor de Commissie wanneer de aanvraag tot haar bevoegdheid behoort.]1
  [1 Elk exemplaar wordt ingediend in een omslag.]1
  De minister, of zijn afgevaardigde, mag naar goedvinden bijkomende afschriften van alle of sommige stukken eisen. De bijkomende afschriften moeten door de aanvrager worden bezorgd binnen tien werkdagen.
  Alle stukken worden door de aanvrager en op zijn kosten bezorgd.
  
Art.9. [1 Le nombre d'exemplaires des documents de demande à introduire correspond au nombre total des adresses, visé à l'article 8, 1°, majoré de deux exemplaires pour l'Administration de l'Energie, un exemplaire pour l'Administration de la Qualité et de la Sécurité, et de un exemplaire pour la Commission si la demande relève de sa compétence.]1
  [1 Chaque exemplaire est introduit sous enveloppe.]1
  Le ministre, ou son délégué, peut exiger des copies supplémentaires de tout ou partie des documents qu'il estime utile. Les copies supplémentaires seront fournies par le demandeur dans les dix jours ouvrables.
  Tous les documents sont fournis par le demandeur et à ses frais.
  
Art.10. § 1. Binnen de tien werkdagen, die volgen op de datum vermeld op het ontvangstbewijs, brengt de minister, of zijn afgevaardigde, de aanvrager op de hoogte van de volledigheid of onvolledigheid van de aanvraag. Zonder bericht wordt de aanvraag geacht volledig te zijn.
  De aanvrager beschikt over een termijn van tien werkdagen vanaf de ontvangstdatum van de brief van de minister, of zijn afgevaardigde, die hem inlicht over de onvolledigheid van zijn aanvraag om de gevraagde inlichtingen, documenten of verduidelijkingen te leveren. Deze bijkomende gegevens worden gericht tot de minister, ofwel per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, ofwel afgegeven met ontvangstbewijs, overeenkomstig dezelfde voorwaarden die geldig zijn voor de initiële aanvraag en die vermeld worden in artikel 4.
  Binnen de tien werkdagen, die volgen op de datum vermeld op het ontvangstbewijs van de bijkomende gegevens, brengt de minister, of zijn afgevaardigde, de aanvrager op de hoogte van de volledigheid of onvolledigheid van de aanvraag. Zonder bericht wordt de aanvraag geacht volledig te zijn.
  Indien de aanvraag nogmaals onvolledig blijkt de zijn, beschikt de aanvrager over een laatste termijn van tien werkdagen om alsnog de gevraagde inlichtingen, documenten of verduidelijkingen te leveren.
  Indien de aanvrager na afloop van de in vorige twee leden bepaalde termijn in gebreke blijft de gevraagde inlichtingen, documenten of verduidelijkingen over te maken, moet een nieuwe aanvraag ingediend worden.
  Nadat de aanvraag conform de bepalingen van dit artikel volledig werd verklaard of geacht werd volledig te zijn, en vooraleer de minister beslist over de aanvraag, kunnen nog gewijzigde of aanvullende plannen of andere documenten worden ingediend door de aanvrager. In voorkomend geval, beslist de minister of zijn afgevaardigde of deze plannen of documenten opnieuw voorgelegd worden aan de overheden en instanties vermeld in artikel 8 en of de beslissingstermijn van zes maand dient te worden verlengd overeenkomstig artikel 12.
  § 2. Binnen de dertig dagen, te rekenen vanaf de verzending van de volledigheidsverklaring of vanaf de dag waarop de aanvraag geacht wordt volledig te zijn, bezorgt de minister, of zijn afgevaardigde, de plans en stukken aan ieder die vermeld wordt in artikel 8 en aan de Commissie wanneer de aanvraag tot haar bevoegdheid behoort. De vermelde overheden en diensten delen hun adviezen en aanbevelingen in tweevoud mee binnen de zestig dagen na de ontvangst van de stukken. Zij kunnen steeds laten weten hoeveel bijkomende exemplaren zij nodig hebben.
  In dringende gevallen mag de termijn van zestig dagen, welke in voorgaand lid voorzien is, door de minister, of zijn afgevaardigde, tot minimum veertien dagen teruggebracht worden. Deze beslissing wordt betekend aan de betrokken overheden en diensten en aan de aanvrager.
  § 3. Elk advies of elke aanbeveling wordt door de minister of zijn afgevaardigde aan de aanvrager meegedeeld.
  Indien de aangeschreven overheden en diensten hun adviezen en aanbevelingen niet binnen de vastgestelde termijn overmaken aan het Bestuur Energie, dan worden zij als positief beschouwd.
  Indien er negatieve adviezen of aanbevelingen zijn, stelt de minister, of zijn afgevaardigde, indien hij dit nodig acht, zo spoedig mogelijk de data van de te houden vergaderingen van de afgevaardigden der betrokken overheden en diensten en dit gebeurlijk ter plaatse, vast.
  Bovendien worden de aanvrager en de betrokken houder(s) van een vervoervergunning verzocht op deze vergaderingen aanwezig te zijn.
  Deze vergaderingen worden voorgezeten door een door de minister, aangeduide ambtenaar.
  Zij hebben tot doel de verschillende belangen overeen te brengen en sommige op te leggen bijzondere voorwaarden voor de bouw en exploitatie van de vervoersinstallatie gebeurlijk voor te stellen.
  Op die vergaderingen zelf worden beknopte notulen opgemaakt, welke door de aanwezige personen worden ondertekend.
  De notulen worden bij het dossier van de vergunningsaanvraag gevoegd.
  Binnen tien werkdagen wordt een afschrift ervan gezonden aan elkeen van de opgeroepen diensten, overheden en personen.
  Deze bestemmelingen beschikken over een termijn van tien werkdagen vanaf de verzendingsdatum, om hun gebeurlijke bemerkingen betreffende de in de notulen opgenomen besluiten mee te delen.
Art.10. § 1er. Dans les dix jours ouvrables suivant la date mentionnée sur l'accusé de réception, le ministre ou son délégué, informe le demandeur du caractère complet ou incomplet de la demande. Sans avis, la demande est réputée être complète.
  Le demandeur dispose d'un délai de dix jours ouvrables à partir de la date de réception du courrier du ministre ou de son délégué, l'informant du caractère incomplet de sa demande pour fournir les renseignements, documents ou explications demandés. Ces données supplémentaires sont adressées au ministre, soit par courrier recommandé avec accusé de réception, soit déposée avec accusé de réception, conformément les mêmes conditions applicables au demande initiale et mentionnées à l'article 4.
  Dans les dix jours ouvrables suivant la date mentionnée sur l'accusé de réception des données supplémentaires, le ministre ou son délégué, informe le demandeur du caractère complet ou incomplet de la demande. Sans avis, la demande est réputée être complète.
  Si la demande s'avère de nouveau incomplète, le demandeur dispose d'un dernier délai de dix jours ouvrables pour fournir les renseignements, documents ou explications demandés.
  Si à l'issue du délai prescrit dans les deux alinéas précédents, le demandeur reste en défaut de fournir les renseignements, documents et explications demandés, une nouvelle demande doit être introduite.
  Après que la demande ait été déclarée complète ou réputée telle, conformément aux dispositions du présent article, et avant que le ministre ne décide de la demande, des plans modifiés ou complémentaires ou d'autres documents peuvent encore être introduits par le demandeur. Le cas échéant, le ministre ou son délégué décide si ces plans ou documents sont soumis une nouvelle fois aux autorités et instances mentionnés à l'article 8 et si la période de décision de six mois doit être prorogée conformément l'article 12.
  § 2. Dans les trente jours de l'expédition de la déclaration relative au caractère complet ou à partir du jour où la demande est réputée complète, le ministre ou son délégué transmet les plans et les documents à chaque instance mentionnée à l'article 8 et à la Commission si la demande relève de sa compétence. Les autorités et services communiquent en double leurs avis et recommandations dans les soixante jours après réception des documents. Ils peuvent toujours signaler le nombre d'exemplaires supplémentaires dont ils ont besoin.
  En cas d'urgence, le délai de soixante jours prévu à l'alinéa précédent, peut être réduit par le ministre ou son délégué à quinze jours au minimum. Cette décision est notifiée aux autorités et services concernés et au demandeur.
  § 3. Chaque avis ou recommandation est communiqué au demandeur par le ministre ou son délégué.
  Si les autorités et services informés ne transmettent pas leurs avis et recommandations dans le délai fixé à l'Administration de l'Energie, ils sont considérés positifs.
  En cas d'avis et recommandations négatifs, le ministre ou son délégué fixe, s'il estime nécessaire, aussitôt les dates des éventuelles réunions à organiser sur place avec les représentants des autorités et des services concernés.
  A ces réunions sont en outre convoqués le demandeur ainsi que le(s) titulaire(s) d'une autorisation de transport intéressé(s).
  Ces réunions sont présidées par un fonctionnaire désigné par le ministre.
  Elles ont pour objet de concilier les divers intérêts et de formuler éventuellement certaines conditions spéciales à proposer pour la construction et l'exploitation de l'installation de transport.
  Des procès-verbaux sommaires des réunions sont dressés séance tenante et signés par les personnes présentes.
  Ces procès-verbaux sont joints au dossier de la demande d'autorisation.
  Des copies en sont envoyées dans les dix jours ouvrables à chacun des services, autorités et personnes qui ont été convoqués.
  Ces destinataires disposent d'un délai de dix jours ouvrables à partir de la date d'expédition pour faire connaître leurs observations éventuelles au sujet des conclusions formulées dans les procès-verbaux.
Art.11. Na het afsluiten van de termijnen zoals bedoeld in het voorgaand artikel, en voor zover de termijn niet verlengd is zoals bedoeld in artikel 12, wordt de aanvrager op de hoogte gebracht van het einde van het onderzoek, en heeft hij tien werkdagen de tijd om alsnog enige opmerkingen te leveren over de verstrekte adviezen en aanbevelingen bedoeld in artikel 10, alvorens het ontwerp van besluit voor de vervoervergunning ter ondertekening wordt voorgelegd aan de minister.
Art.11. A l'issue des délais visés à l'article précédent et pour autant que le délais n'est pas prolongé comme prévu à l'article 12, le demandeur est informé de la fin de l'examen, et il dispose de dix jours ouvrables pour fournir des remarques éventuelles sur les avis et recommandations mentionnés à l'article 10, avant que le projet d'arrêté relatif à l'autorisation de transport soit soumis à la signature du ministre.
Art. 11bis. [1 De plannen van de vervoersvergunning worden ondertekend door de afgevaardigde van de minister.]1
  
Art. 11bis. [1 Les plans de l'autorisation de transport sont signés par le délégué du ministre.]1
  
Art.12. De minister beslist binnen de zes maand, te rekenen vanaf de verzending van de volledigheidsverklaring of vanaf de dag waarop de aanvraag geacht wordt volledig te zijn. Indien de aanvraag een omvangrijk project betreft of indien er vergaderingen moeten gehouden worden die volgen op een negatief advies zoals bepaald in artikel 10 mag de minister, of zijn afgevaardigde, de totale termijn verlengen met maximum twee maanden. Deze beslissing moet worden gemotiveerd en binnen de vijf werkdagen aan de aanvrager worden betekend.
Art.12. Le ministre statue dans les six mois de l'expédition de la déclaration relative au caractère complet ou à partir du jour où la demande est réputée complète. Si la demande concerne un vaste projet ou s'il faut organiser des réunions qui suivent un avis négatif tel que prévu à l'article 10 le ministre, ou son mandataire, peut prolonger le délai total de deux mois au maximum. Cette décision doit être motivée et notifiée dans les cinq jours ouvrables au demandeur.
Art.13. De vergunning wordt verleend voor een duur van ten hoogste vijftig jaar. De duur van de vergunning kan worden beperkt, onder meer in functie van de aard van het te vervoeren product en de hieraan verbonden bijzondere gevaren.
Art.13. L'autorisation est accordée pour une durée de cinquante ans au maximum. La durée de l'autorisation peut être réduite, notamment en fonction de la nature du produit à transporter et des dangers spécifiques y afférents.
Art.14. Een voor eensluidend verklaard afschrift van het ministerieel besluit houdende uitspraak over de vergunningsaanvraag wordt de aanvrager binnen tien werkdagen overgemaakt.
  Een afschrift van dit besluit wordt toegestuurd aan de in artikel 8, 1°, bedoelde diensten, besturen en ondernemingen en aan de Commissie wanneer de aanvraag tot haar bevoegdheid behoort.
Art.14. Une copie certifiée conforme de l'arrêté ministériel statuant sur la demande d'autorisation est adressée au demandeur dans le délai de dix jours ouvrables.
  Une copie de cet arrêté est envoyée aux services, administrations et firmes visée à l'article 8, 1° et à la Commission si la demande relève de sa compétence.
Art.15. De vergunning laat toe de gasvervoerinstallaties op te richten en uit te baten volgens het tracé en de innemingen, welke op de kaart die gehecht is aan de vergunningsakte voorkomen, en volgens de voorschriften die vermeld worden in de vergunningsakte.
Art.15. L'autorisation emporte la permission d'établir et d'exploiter les installations de transport suivant le tracé et les emprises, figurant à la carte jointe à l'acte d'autorisation et suivant les prescriptions mentionnées dans l'acte d'autorisation.
Art. 15bis. [1 De lengte van een aansluiting van een afnemer, zoals vermeld in de van kracht zijnde vervoersvergunning kan worden gewijzigd via een melding van de houder van de vervoersvergunning overeenkomstig artikel 27, voor zover deze melding een plan van de leiding zoals die is gebouwd ("as built" plan) en, indien van toepassing, het akkoord van de overheden of van de in artikel 8 bedoelde instanties die betrokken zijn bij deze melding, inhoudt.
   Indien het Bestuur Energie van oordeel is dat de melding niet volstaat, brengt het binnen 10 werkdagen na ontvangst van de melding de houder van de vervoersvergunning ervan op de hoogte dat hij een aanvraag tot wijziging van de lopende vergunning moet indienen waarvoor een bijvoegsel is vereist.]1

  
Art. 15bis. [1 La longueur d'un raccordement d'un client, telle que mentionnée dans l'autorisation de transport en vigueur, peut être modifiée moyennant une déclaration du titulaire de l'autorisation de transport conformément à l'article 27, pour autant que cette déclaration soit accompagnée d'un plan de la canalisation telle que construite (plan " as built "), ainsi que, le cas échéant, de l'accord des autorités ou instances visées à l'article 8 concernées par ladite déclaration.
   Si l'Administration de l'Energie estime que la déclaration ne suffit pas, elle avise le titulaire de l'autorisation de transport dans les 10 jours ouvrables de la réception de la déclaration de ce qu'il doit introduire une demande de modification de l'autorisation en cours exigeant un avenant.]1

  
HOOFDSTUK IV. - Algemene verplichtingen van de houder van een vervoervergunning en voorwaarden voor de toekenning en het behoud van een vervoervergunning.
CHAPITRE IV. - Obligations générales pour le titulaire d'une autorisation de transport et conditions pour l'attribution et le maintien d'une autorisation de transport.
Afdeling I. - Algemene verplichtingen van de houder van een vervoervergunning.
Section I. - Obligations générales pour le titulaire d'une autorisation de transport.
Art.16. De vergunninghouder mag, onder voorbehoud van de rechten van derden, gebruik maken van de installaties waarop de vergunning betrekking heeft om gas te vervoeren naar de afnemers, met inachtneming evenwel van de voorschriften die dienaangaande in de wet van 12 april 1965, en in de besluiten ter uitvoering ervan, zijn bepaald.
Art.16. Le titulaire est autorisé, tous droits des tiers réservés, à faire usage des installations faisant l'objet de l'autorisation, pour transporter le gaz aux clients, moyennant pourtant de se conformer aux prescriptions édictées à cet égard par la loi du 12 avril 1965 et par les arrêtés pris en exécution de celle-ci.
Art.17. De vergunninghouder dient te allen tijde de toekenningsvoorwaarden van hoofdstuk II alsook de in de vervoervergunning opgelegde voorwaarden na te leven, behoudens in de gevallen voorzien in de artikelen 63, 64 en 65. Op eerste verzoek van de minister of zijn afgevaardigde dient de vergunninghouder te kunnen aantonen dat aan voormelde voorwaarden is voldaan.
Art.17. Le titulaire d'une autorisation de transport doit respecter à tout moment les conditions d'octroi du chapitre II ainsi que les conditions fixées dans l'autorisation de transport, sous réserve des cas prévus aux articles 63, 64 et 65 de cet arrêté. A la première demande du ministre ou de son délégué, le titulaire d'une autorisation doit être en mesure de prouver que les conditions précitées sont remplies.
Art.18. De vervoeronderneming baat uit, onderhoudt en ontwikkelt zijn vervoerinstallaties op een zekere, betrouwbare en doeltreffende manier.
Art.18. L'entreprise de transport exploite, entretient et développe ses installations de transport de manière sûre, fiable et efficace.
Afdeling II. - Voorwaarden voor de toekenning en het behoud van een vervoervergunning.
Section II. - Conditions pour l'attribution et le maintien d'une autorisation de transport.
Art.19. De houder van een vervoersvergunning is gehouden jaarlijks aan de minister of zijn afgevaardigde de noodzakelijke administratieve gegevens over te maken om België toe te laten te voldoen aan haar verplichtingen inzake informatiemededeling aan de Europese Commissie ingevolge de richtlijnen betreffende de organisatie en werking van de gas- en elektriciteitsmarkten.
Art.19. Le titulaire d'une autorisation de transport est tenu de transmettre annuellement au ministre ou à son délégué les données administratives nécessaires en vue de permettre à la Belgique de satisfaire à ses obligations de communication d'information à la Commission européenne résultant des directives relatives à l'organisation et au fonctionnement des marchés du gaz et de l'électricité.
Art. 19bis. <INGEVOEGD bij KB 2006-12-03/31, art. 2; Inwerkingtreding : 21-12-2006> § 1. De houders van een vervoersvergunning zijn gehouden aan de federale minister bevoegd voor energie of zijn afgevaardigde, de geografische gegevens in Lambert 1972-coördinaten van hun vervoersinstallaties over te maken ten laatste op de dag van hun indienststelling.
  § 2. De houders van een vervoersvergunning moeten toetreden tot het centrale meldpunt en aan de beheerder(s) ervan alle informatie over hun installaties overmaken ten laatste op de dag van de indienststelling ervan.
  § 3. In afwijking van §§ 1 en 2, moeten de houders van een vervoersvergunning met betrekking tot hun installaties met een indienststellingsdatum van vóór de inwerkingtreding van dit besluit, aan de bepalingen van dit artikel voldoen binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit besluit.
Art. 19bis. § 1er. Les titulaires d'une autorisation de transport sont tenus de transmettre au Ministre fédéral compétent pour l'Energie ou à son délégué, les données géoréférencées en coordonnées Lambert 1972 de leurs installations de transport au plus tard au moment de leur mise en service.
  § 2. Les titulaires d'une autorisation de transport doivent adhérer au point central de contact et fournir à celui ou ceux qui en assurent l'exploitation toutes les informations relatives à leurs installations et ce au plus tard au moment de leur mise en service.
  § 3. Par dérogation aux §§ 1er et 2, les titulaires d'une autorisation de transport doivent, pour leurs installations mises en service avant l'entrée en vigueur du présent arrêté, se conformer aux prescriptions de cet article dans l'année qui suit la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art.20. De vergunninghouder moet de voor het gasvervoer nodige installaties oprichten volgens het werkschema waarbij de aanvang van de werken moet plaatsvinden binnen een termijn van twee jaar nadat de vergunning werd afgeleverd. De minister kan deze termijn eenmalig verlengen met twee jaar.
  Onverminderd de toepassing van artikel 10, lid 3, van de wet van 12 april 1965, en onverminderd de bij de wetten en reglementen, inzonderheid de bij de uitvoeringsbesluiten van de wet van 12 april 1965 opgelegde toestemmingen en adviezen, moet de vergunninghouder vooraleer tot de bouw-, de aanpassings- of de herstellingswerken van een vervoerinstallatie over te gaan, de Besturen Energie en Kwaliteit en Veiligheid, de Commissie, wanneer de vervoersinstallatie tot haar bevoegdheid behoort, en iedere belanghebbende die vermeld wordt in artikel 8, 1°, b) en c) ten minste tien werkdagen van tevoren daarvan op de hoogte stellen, behoudens als zich een ongeval of ernstige moeilijkheid voordoet waardoor een onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk is. In dit geval volstaat een telefonische verwittiging aan de hiervoor vermelde besturen en belanghebbenden.
  De werken worden zodanig uitgevoerd dat zij de schade aan of de hinder voor de omgeving tot een minimum beperken.
  Binnen zes maanden na de voltooiing der werken worden de met de uitvoering der installaties overeenkomstige definitieve situatieplannen opgemaakt. Op verzoek bezorgt de vergunninghouder deze plannen aan de hiervoor vermelde besturen en belanghebbenden.
  Het voorgaande geldt eveneens voor de op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit reeds afgeleverde vervoervergunningen
Art.20. Le titulaire d'une autorisation doit établir les installations requises au transport du gaz selon le schéma de travail et les travaux doivent être entamés dans les deux ans de la remise de l'autorisation. Le ministre peut prolonger ce délai une seule fois de deux ans.
  Sans préjudice de l'application de l'article 10, alinéa 3, de la loi du 12 avril 1965, et sans préjudice des accords et avis imposés par la loi et les règlements, notamment par les arrêtés pris en exécution de la loi du 12 avril 1965, le titulaire est tenu, avant d'entreprendre des travaux de construction, d'aménagement ou de réparation d'une installation de transport, d'en aviser au moins dix jours ouvrables à l'avance les Administrations de l'Energie et de la Qualité et de la Sécurité, la Commission, si l'installation de transport relève de sa compétence, et chaque intéressé, mentionné à l'article 8, 1°, b) et c) sauf en cas d'accident ou d'incident grave nécessitant une intervention immédiate. Dans ce cas un avis téléphonique aux administrations et intéressés, mentionnés ci-dessus, suffit.
  Les travaux sont exécutés de façon que le dommage ou nuisance pour l'entourage sont limité au minimum.
  Dans les six mois de l'achèvement des travaux, les plans de situation définitifs et conformes à la réalisation des installations sont faits. Sur demande, le titulaire livre ces plans aux administrations et intéressés, mentionnés ci-dessus.
  Ce qui précède concerne aussi les autorisations de transport, déjà délivrés au moment de l'entrée en vigueur de cet arrêté.
Art.21. De onderhouds- en vernieuwingswerken die nodig zijn voor de werking en het onderhoud in goede staat van de installaties en voor het naleven van de desbetreffende wets- en verordeningsbepalingen, vallen ten laste van de vergunninghouder.
  Onverminderd de toepassing van artikel 13 van de wet van 12 april 1965, moet de vergunninghouder in ieder geval tot aan de eindoplevering van de wegenwerken, de kosten dragen voor het herstellen en het onderhouden van de openbare wegen en de waterwegen in de mate dat deze door hem tijdens de uitvoering van de werken voor oprichting en exploitatie van gasvervoerinstallaties, werden beschadigd.
  Bij ontstentenis van andersluidend akkoord met de beheerders van de openbare wegen en waterwegen, wordt binnen tien werkdagen na datum van het ter post aangetekend schriftelijk opleveringsverzoek van de vergunninghouder tot de voorlopige oplevering van voormelde werken overgegaan of wordt proces-verbaal van geweigerde afschouwing opgemaakt.
  Na verloop van een jaar, ingaand de dag van de voorlopige oplevering, en na een aangetekend schriftelijk verzoek, wordt overgegaan tot de eindoplevering der werken of proces-verbaal van geweigerde afschouw opgemaakt. Dit moet binnen een termijn van tien werkdagen gebeuren te rekenen vanaf de ontvangst van het schriftelijk verzoek.
  Indien een proces-verbaal van geweigerde afschouw werd opgemaakt moet de vergunninghouder de eigenaar van de openbare wegen of waterwegen nadien, bij ter post aangetekend schrijven, kennis geven van de eindafwerking en binnen tien werkdagen na de ontvangst van deze inlichting wordt tot de oplevering van bewuste werken overgegaan.
Art.21. Les travaux d'entretien et de renouvellement nécessaires au fonctionnement et à l'entretien en bon état des installations et à l'observation des dispositions légales et réglementaires en la matière sont à charge du titulaire de l'autorisation.
  Sans préjudice de l'application de l'article 13 de la loi du 12 avril 1965, le titulaire de l'autorisation doit supporter en tous cas, et jusqu'à réception définitive des travaux de voirie, les frais de remise en état et d'entretien de la voirie et des voies hydrauliques, dans la mesure des dommages qu'il y a occasionnés pendant l'exécution des travaux d'établissement et d'exploitation des installations de transport de gaz.
  En l'absence d'un autre accord avec le gestionnaire de la voirie et des voies hydrauliques, dans les dix jours ouvrables qui suivent la demande écrite de réception introduite par le titulaire de l'autorisation par lettre recommandée à la poste, il est procédé à la réception provisoire desdits travaux ou dressé procès-verbal de refus de les recevoir.
  A l'expiration du délai d'un an, prenant cours à la date où la réception provisoire est accordée, il est, à la demande écrite du titulaire de l'autorisation par lettre recommandée à la poste, et dans un délai de dix jours ouvrables suivant la réception de la demande, procédé à la réception définitive des travaux ou dressé procès-verbal de refus de les recevoir.
  Dans ce dernier cas, il incombe au titulaire de l'autorisation de donner ultérieurement connaissance par lettre recommandée à la poste, au propriétaire de la voirie ou des voies hydrauliques, de la mise en état définitive et il est procédé à la réception desdits travaux dans les dix jours ouvrables qui suivent le jour d'arrivée de cette information à destination.
Art.22. Voorlopige maatregelen kunnen op kosten van de vergunninghouder opgelegd of genomen worden :
  1° door de overheid, onder wie de gebruikte weg ressorteert, wanneer de openbare veiligheid in het gedrang komt;
  2° door de minister, wanneer de vergunninghouder zijn plichten niet nakomt.
Art.22. Des mesures provisoires peuvent être imposées ou prises aux frais du titulaire de l'autorisation:
  1° par l'autorité dont relève la voie empruntée, si la sécurité publique vient à être compromise;
  2° par le ministre si le titulaire de l'autorisation ne se conforme pas à ses obligations.
Art.23. De minister duidt de vervoervergunningen aan, waarvoor de vergunninghouder periodieke activiteitsverslagen over de naleving van onderhavige algemene verplichtingen en van de vergunningsakte moet opmaken. Hij bepaalt tevens de termijn binnen dewelke deze verslagen hem moeten worden medegedeeld.
Art.23. Le ministre désigne les autorisations de transport pour lesquelles le titulaire est tenu d'établir des rapports périodiques d'activité relatifs à l'exécution des présentes obligations générales et de l'acte d'autorisation. Il fixe le délai dans lequel ces rapports doivent lui être communiqués.
Art.24. Bijkomende bedingen die aan elk geval afzonderlijk zijn aangepast, kunnen in de vergunningsakte ingelast worden.
Art.24. Des clauses complémentaires adaptées à chaque cas particulier, peuvent être insérées dans l'acte d'autorisation.
HOOFDSTUK V. - Wijziging, herziening, schorsing, intrekking of opheffing van de vervoervergunning.
CHAPITRE V. - Modification, révision, suspension, retrait ou abrogation de l'autorisation de transport.
Afdeling I. - Wijziging van vergunde installaties.
Section I. - Modification des installations autorisées.
A. [1 ...]1.
A. [1 ...]1.
Art.25. Wanneer de vergunde vervoersinstallatie wordt gewijzigd of aangepast, is een bijvoegsel aan de lopende vervoersvergunning vereist in volgende gevallen :
  1° bij elke wijziging, aanpassing of uitbreiding die buiten de beschermde zone, zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 21 september 1988 betreffende de voorschriften en de verplichtingen van raadpleging en informatie bij het uitvoeren van werken in de nabijheid van installaties van vervoer van gasachtige en andere producten door middel van leidingen, of buiten de vergunde terreininneming komt;
  2° [1 ...]1 wanneer :
  a) de maximum toelaatbare bedrijfsdruk wordt verhoogd;
  b) de diameter van de leiding wordt vergroot;
  c) een nieuwe installatie wordt bijgeplaatst;
  d) de capaciteit van de bestaande installatie met minstens 50 % toeneemt;
  e) het veranderen van het vervoerde product een verandering van veiligheidsmaatregelen met zich meebrengt.
  3° [1 bij elke wijziging van een advies of een voorwaarde van een overheid of instantie bedoeld in artikel 8, die opgenomen werd in het vervoersvergunning.]1.
  
Art.25. Au cas ou l'installation de transport autorisée est modifiée ou adaptée, un avenant à l'autorisation de transport en cours est requis dans les cas suivants :
  1° lors de toute modification, adaptation ou extension excédant la zone protégée, telle que définie dans l'arrêté royal du 21 septembre 1988 relatif aux prescriptions et obligations de consultation et d'information à respecter lors de l'exécution de travaux à proximité d'installations de transport de produits gazeux et autres par canalisations, ou le terrain dont l'occupation est autorisée;
  2° [1 ...]1 lorsque :
  a) la pression maximale de service admissible est augmentée;
  b) le diamètre de la canalisation est étendu;
  c) une nouvelle installation est annexée;
  d) la capacité de l'installation existante augmente d'au moins 50%;
  e) le changement du produit transporté implique un changement des mesures de sécurité.
  3° [1 lors de toute modification de l'avis ou recommandation d'une autorité ou instance visée à l'article 8, ayant été repris dans l'autorisation de transport.]1
  
Art. 25bis. [1 De volgende werken en handelingen zijn vrijgesteld van vervoersvergunning :
   1° elke wijziging of uitbreiding van een vergunde vervoerinstallatie binnen de grenzen van een omheind station van de houder van de vervoersvergunning, voor zover deze werken geen verhoging van de MAOP, de nominale diameter of de capaciteit van de installatie met zich meebrengen;
   2° alle herstellingen en instandhoudings- en onderhoudswerken aan een vergunde vervoerinstallatie;
   3° alle werken ter bescherming van een vergunde vervoerinstallatie.
   Behalve herstelling door slijpen, zullen de definitieve herstellingen en het plaatsen van composietmoffen voorafgaandelijk gemeld worden aan het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid.]1

  
Art. 25bis. [1 Les actes et travaux suivants sont dispensés d'une autorisation de transport :
   1° toute modification ou extension d'une installation de transport autorisée dans l'enceinte d'une station clôturée du titulaire d'une autorisation de transport, pour autant que ces travaux n'impliquent pas d'augmentation de la MAOP, du diamètre nominal ou de la capacité de l'installation ;
   2° tous travaux de réparation, de conservation et d'entretien d'une installation de transport autorisée;
   3° tous travaux de protection d'une installation de transport autorisée.
   A part la réparation par meulage, les réparations définitives et la mise en place de manchons composites agréés feront l'objet d'une notification préalable à l'Administration de la Qualité et de la Sécurité.]1

  
Art.26. De aanvraag van het bijvoegsel, zoals bedoeld in vorig artikel, evenals de behandeling van die aanvraag gebeuren conform de bepalingen van hoofdstuk III.
Art.26. La demande et le traitement de l'avenant visé à l'article précédent se font selon les dispositions mentionnées au chapitre III.
B. [1 ...]1.
B. [1 ...]1.
Art.27. [1 Bij een wijziging die niet onder de toepassing van artikel 25 en artikel 25bis valt]1, volstaat een melding aan het Bestuur Energie die de volgende gegevens moet omvatten :
  1° de referentie van de bestaande vergunning;
  2° de beschrijving en de motivatie van de wijzigingen;
  3° in voorkomend geval, het situatieplan waarop de nieuwe situatie wordt aangeduid;
  4° [1 ...]1.
  [1 De melding wordt ingediend in drie exemplaren.]1
  
Art.27. [1 en cas de modification non soumise à l'application des articles 25 et 25bis]1, il suffit d'adresser à l'Administration de l'Energie, une déclaration reprenant les informations suivantes :
  1° la référence de l'autorisation existante;
  2° la description et la motivation;
  3° le cas échéant, le plan de situation avec indication de la nouvelle situation;
  4° [1 ...]1.
  [1 La déclaration est introduite en trois exemplaires.]1
  
Art.28. Indien het Bestuur Energie van oordeel is dat de in artikel 27 bedoelde melding niet volstaat, brengt het binnen [1 dertig dagen]1 na ontvangst van de melding de houder van de vervoersvergunning ervan op de hoogte dat hij een aanvraag tot wijziging van de lopende vergunning moet indienen waarvoor een bijvoegsel is vereist.
  Indien het Bestuur Energie niet op de melding gedaan volgens artikel 27 reageert binnen de [1 dertig dagen]1 na ontvangst van de melding, dan mogen de werken worden aangevat en de nieuwe installaties in dienst worden genomen mits naleving van de algemene verplichtingen van de houder van de vervoervergunning, alsook van alle andere toepasselijke voorschriften.
  
Art.28. Si l'Administration de l'Energie estime que la déclaration visée à l'article 27 ne suffit pas, elle avise le titulaire de l'autorisation de transport dans les [1 trente jours]1 de la réception de la déclaration de ce qu'il doit introduire une demande de modification de l'autorisation en cours exigeant un avenant.
  Si l'Administration de l'Energie ne réagit pas à la déclaration faite suivant l'article 27 dans les [1 trente jours]1 après réception de la déclaration, les travaux peuvent être entamés et les nouvelles installations mises en service à condition que les obligations générales du titulaire de l'autorisation de transport, ainsi que toutes les autres prescriptions applicables seraient respectées.
  
Art.29. Het Bestuur Energie brengt de Commissie wanneer de melding tot haar bevoegdheid behoort en het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid binnen de tien werkdagen na ontvangst van de in artikel 27 bedoelde melding op de hoogte van de gedane meldingen.
Art.29. Dans les dix jours ouvrables de la réception de la déclaration visée à l'article 27, l'Administration de l'Energie informe la Commission, si la déclaration relève de sa compétence, et l'Administration de la Qualité et de la Sécurité des déclarations effectuées.
Afdeling II. - Herziening van de vergunningsvoorwaarden.
Section II. - Révision des conditions d'autorisation.
A. Herziening op initiatief van de overheid.
A. Révision sur l'initiative des autorités.
Art.30. De minister kan steeds ambtshalve en na advies van het Bestuur Energie, het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid en de Commissie, wanneer de betrokken vervoervergunning tot haar bevoegdheid behoort, één of meerdere voorwaarden van een toegekende vervoervergunning herzien wanneer hij vaststelt dat de bestaande voorwaarden ontoereikend geworden zijn om de openbare veiligheid te verzekeren. De minister moet zijn beslissing afdoende motiveren en onverwijld met aangetekend schrijven ter kennis brengen aan de vergunninghouder.
Art.30. Le ministre peut toujours revoir d'office et après avis de l'Administration de l'Energie, l'Administration de la Qualité et de la Sécurité et la Commission, si l'autorisation de transport relève de sa compétence, une ou plusieurs conditions d'une autorisation de transport accordée, lorsqu'il constate que les conditions existantes sont devenues inadéquates en matière de sécurité publique. Le ministre doit dûment motiver sa décision et en informer sans retard le titulaire de l'autorisation par courrier recommandé.
B. Herziening op initiatief van de vergunninghouder.
B. Révision sur l'initiative du titulaire d'une autorisation.
Art.31. De vergunninghouder kan steeds een herziening van de lopende vergunningsvoorwaarden aanvragen volgens de procedure voorzien in hoofdstuk III.
Art.31. Le titulaire d'une autorisation peut toujours demander la révision des conditions d'autorisation en cours selon la procédure visée au chapitre III.
Afdeling III. - Schorsing, intrekking of opheffing van de vergunning.
Section III. - Suspension, retrait ou abrogation de l'autorisation.
Onderafdeling I. (vroeg. A.) [1 Schorsing of intrekking op initiatief van de overheid.]1
Sous-section I. (anc. A.) [1 Suspension ou retrait sur l'initiative des autorités.]1
Art.32. Na advies of op de voordracht van de Commissie wanneer de betrokken vervoervergunning tot haar bevoegdheid behoort en na de betrokken vergunninghouder te hebben gehoord, kan de minister de schorsing of de intrekking van de vervoervergunning uitspreken na de betrokken vergunninghouder in gebreke te hebben gesteld, onder meer :
  1° in geval van het niet naleven van de bepalingen van de wet van 12 april 1965, van haar uitvoeringsbesluiten of van de vervoervergunning;
  2° in geval van onvermogen, faillissement;
  3° indien hij niet meer beschikt over financiële en technische middelen en over de organisatie die nodig is om het vervoer te waarborgen of, naar gelang van het geval, de hem, op het ogenblik van de vergunning, toegewezen openbare dienstverplichtingen na te komen;
  In de gevallen bedoeld in het eerste lid, 1°, kan de minister op verzoek van de vergunninghouder overgaan tot een herziening van de vergunningsvoorwaarden in plaats van tot een schorsing of intrekking. Indien de vergunninghouder zich niet schikt naar de nieuwe, door de minister opgelegde voorwaarden binnen de termijn van een jaar te rekenen vanaf de beslissing tot herziening, kan de minister bij gemotiveerde beslissing de schorsing of intrekking van de vervoervergunning uitspreken.
  De aanvraag om en de behandeling van de in het vorige lid bedoelde wijziging van de voorwaarden gebeurt volgens de in hoofdstuk III vermelde bepalingen.
Art.32. Après avis ou sur proposition de la Commission, si l'autorisation de transport concernée relève de sa compétence et après avoir entendue le titulaire d'autorisation concerné, le ministre peut prononcer la suspension ou le retrait de l'autorisation de transport, après mise en demeure du titulaire concerné entre autres :
  1° en cas de manquements aux dispositions de la loi du 12 avril 1965, de ses arrêtés d'exécution ou de l'autorisation de transport;
  2° en cas d'insolvabilité, de faillite;
  3° s'il n'a plus les moyens financiers, techniques et l'organisation nécessaire pour assurer le transport ou selon le cas, assumer les missions de service public qui lui sont assignées, au moment de l'autorisation;
  Dans les cas visés à l'alinéa 1er, 1°, le ministre peut, à la demande du titulaire, procéder à une révision des conditions de l'autorisation au lieu d'une suspension ou d'un retrait. Au cas où le titulaire ne se serait pas conformé aux nouvelles conditions imposées par le ministre dans un délai d'un an à partir de la décision de révision, le ministre peut, par décision motivée, prononcer la suspension ou le retrait de l'autorisation de transport.
  La demande et le traitement de la modification des conditions, visée à l'alinéa précédent se font selon les dispositions mentionnées au chapitre III.
Art.33. Een voor eensluidend verklaard afschrift van dit ministerieel besluit houdende uitspraak over de intrekking of schorsing van een vervoervergunning wordt betekend aan de houder ervan binnen de tien werkdagen.
  In het geval van een intrekking wordt een afschrift van dit besluit toegestuurd aan alle betrokken besturen en diensten en aan de Commissie wanneer de betrokken vervoervergunning tot haar bevoegdheid behoort.
Art.33. Une copie certifiée conforme de l'arrêté ministériel portant le retrait ou la suspension d'une autorisation de transport est signifiée au titulaire de celle-ci dans les dix jours ouvrables.
  En cas de retrait, une copie de l'arrête est envoyée à toutes les administrations et services concernés et à la Commission si l'autorisation de transport concernée relève de sa compétence.
Onderafdeling II. (vroeg. B.)[1 Opheffing op initiatief van de vervoervergunninghouder.]1
Sous-section II. (anc. B.) [1 Abrogation sur l'initiative du titulaire d'une autorisation de transport.]1
A. [1 Opheffing van het exploitatierecht]1
A. [1 Abrogation du droit d'exploitation]1
Art.34. [1 Op aanvraag van de vervoervergunninghouder, wanneer alle door deze vervoervergunning gedekte vervoerinstallaties voor een lange tijd buiten dienst worden gesteld, kan de minister beslissen tot de opheffing van het exploitatierecht voor de duur van de buitendienststelling, zonder afbreuk aan het recht van de bezetting van de betrokken terreinen door de vervoerinstallatie.
   Wanneer de vergunninghouder de installaties opnieuw in gebruik wenst te nemen, moet hij hiertoe voorafgaandelijk een aanvraag indienen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III, met dien verstande dat in dit geval enkel de Commissie, wanneer de betrokken vervoervergunning tot haar bevoegdheid behoort, en het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid over deze aanvraag om advies moeten worden verzocht.]1

  
Art.34. [1 A la demande du titulaire d'une autorisation de transport, lorsque toutes les installations couvertes par une autorisation de transport sont mises hors service pour une longue période, le ministre peut décider de l'abrogation du seul droit d'exploitation pour la durée de la mise hors service, sans préjudice du droit d'occupation des terrains concernés par l'installation de transport.
   Lorsque le titulaire de l'autorisation souhaite de nouveau utiliser les installations, il introduit, à cette fin, une demande préalable, conformément aux dispositions du chapitre III, étant entendu que dans ce cas, c'est uniquement à la Commission, si l'autorisation de transport relève de sa compétence, et à l'Administration de la Qualité et de la Sécurité qu'il faut demander un avis sur cette demande.]1

  
Art.35. De aanvraag om de [1 opheffing van het exploitatierecht]1 wordt gericht tot de minister, ofwel per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, ofwel afgegeven met ontvangstbewijs. De aanvraag moet worden ondertekend en gedateerd door de aanvrager van de vervoervergunning of door zijn gemachtigde.
  Alle stukken die de aanvraag vergezellen bevinden zich op papier van formaat A4 van de norm NBN 18, d.w.z. 210 x 297 mm of zijn volgens dit formaat geplooid.
  De minister kan toestemming verlenen om de aanvraag en de bijbehorende stukken op elektronische wijze in te dienen, alsook om deze documenten te ondertekenen met [2 een handtekening van deze documenten door middel van een elektronische handtekening in de zin van artikel 3.10. van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG of een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van dezelfde verordening]2. De minister kan tevens toelaten om bepaalde documenten uitsluitend op elektronische wijze bij te houden. De minister kan de toepassing van deze regels uitbreiden tot alle documenten die in het kader van de wet van 12 april 1965 vereist worden.
  
Art.35. La demande [1 d'abrogation du droit d'exploitation]1 est adressée au ministre, soit par courrier recommandé avec accusé de réception, soit déposee avec accusé de réception. La demande doit être signée et datée par le demandeur de l'autorisation de transport ou par son mandataire.
  Tous les documents qui accompagnent la demande, sont fournis sur papier au format A4 de la norme NBN 18, c'est-à-dire 210 x 297 mm ou sont pliés à ce format.
  Le ministre peut autoriser l'introduction électronique de la demande et des documents d'accompagnement, ainsi que [2 la signature de ces documents par la signature électronique au sens de l'article 3.10. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE ou par la signature électronique qualifiée au sens de l'article 3.12. de ce même règlement]2 de ces documents. Le ministre peut également autoriser la conservation de certains documents de façon exclusivement électronique. Le ministre peut étendre l'application de ces règles à tous les documents requis dans le cadre de la loi du 12 avril 1965.
  
Art.36. De aanvraag vermeldt de identiteit van de aanvrager, zijn volledig adres, het onderwerp, het doel en de duur waarvoor de [1 opheffing van het exploitatierecht]1 wordt aangevraagd.
  
Art.36. La demande mentionne l'identité du demandeur, son adresse complète, l'objet, l'objectif et la durée pour laquelle [1 l'abrogation du droit d'exploitation]1 est demandée.
  
Art.37. De aanvraag is vergezeld van een algemeen situatieplan en van één of meer omstandig beschreven situatieplannen, opgemaakt volgens stafkaart op de schaal van ten minste 1/25.000, zodat de op het plan aangebrachte inlichtingen klaar en duidelijk leesbaar zijn. Verkleiningen zijn toegelaten, voor zover de leesbaarheid het toelaat.
  De bovenste helft van de voorzijde van de geplooide plans dient blanco te zijn, en op de onderste helft ervan dient het nummer van het plan, de naam of firmanaam van de aanvrager, de benaming van de vervoerinstallatie, de aard van het vervoerde product, de maximale toelaatbare bedrijfsdruk en de nominale diameter van de leiding vermeld te worden.
  Op elk plan of in bijlage ervan moeten inzonderheid en duidelijk de betrokken vervoerinstallaties aangeduid worden, die tijdelijk buiten dienst gesteld worden.
Art.37. La demande est accompagnée d'un plan de situation global et d'un ou de plusieurs plans de situation plus élaborés, rédigés selon carte d'état major à l'échelle de 1/25.000 au moins, de sorte que les informations reprises sur le plan soient claires et bien lisibles. Des réductions sont autorisées, pour autant que la lisibilité le permette.
  La mi-partie supérieure du recto des plans pliés doit rester vierge; la partie inférieure doit mentionner le numéro du plan, le nom ou la dénomination sociale du demandeur, la dénomination de l'installation de transport, la nature du produit transporté, la pression maximale admissible et le diamètre nominal de la canalisation.
  Chaque plan ou son annexe doit indiquer clairement et spécifiquement les installations de transport concernées qui sont temporairement mises hors service.
Art.38. De aanvraag is vergezeld van een technisch beschrijvend overzicht waarin de maatregelen beschreven staan die genomen worden om de vervoerinstallaties buiten dienst te stellen.
Art.38. La demande est accompagnée d'un aperçu technique et descriptif reprenant les mesures qui sont prises pour mettre les installations de transport hors service.
Art.39. De aanvraag om de [1 opheffing van het exploitatierecht]1 moet in [1 in drievoud, behalve voor tweetalige aanvragen die in viervoud moeten]1.
  De minister, of zijn afgevaardigde, mag naar goedvinden bijkomende afschriften van alle of sommige stukken eisen.
  De bijkomende afschriften moeten door de aanvrager worden bezorgd binnen tien werkdagen nadat die afschriften hem zijn gevraagd.
  Alle stukken worden door de aanvrager en op zijn kosten bezorgd.
  
Art.39. La demande [1 d'abrogation du droit d'exploitation]1 est introduite en [1 trois exemplaires, sauf pour les demandes bilingues qui doivent être introduites en quatre exemplaires]1.
  Le ministre, ou son délégué, peut exiger les copies supplémentaires de tout ou partie des documents qu'il estime utile.
  Les copies supplémentaires seront fournies par le demandeur dans les dix jours ouvrables qui suivent la demande de ces copies.
  Tous les documents sont fournis par le demandeur et à ses frais.
  
Art.40. § 1. Binnen de tien werkdagen, die volgen op de datum vermeld op het ontvangstbewijs, brengt de minister, of zijn afgevaardigde, de aanvrager op de hoogte van de volledigheid of onvolledigheid van de aanvraag. Zonder bericht wordt de aanvraag geacht volledig te zijn.
  De aanvrager beschikt over een termijn van tien werkdagen vanaf de ontvangstdatum van de brief van de minister, of zijn afgevaardigde, die hem inlicht over de onvolledigheid van zijn aanvraag om de gevraagde inlichtingen, documenten of verduidelijkingen te leveren. Deze bijkomende gegevens worden gericht tot de minister, ofwel per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, ofwel afgegeven met ontvangstbewijs, overeenkomstig dezelfde voorwaarden die geldig zijn voor een initiële aanvraag en die vermeld worden in artikel 4.
  Binnen de tien werkdagen, die volgen op de datum vermeld op het ontvangstbewijs van de bijkomende gegevens, brengt de minister, of zijn afgevaardigde, de aanvrager op de hoogte van de volledigheid of onvolledigheid van het volledige dossier. Zonder bericht wordt de aanvraag geacht volledig te zijn.
  Indien de aanvraag nogmaals onvolledig blijkt de zijn, beschikt de aanvrager over een laatste termijn van tien werkdagen om alsnog de gevraagde inlichtingen, documenten of verduidelijkingen te leveren.
  Indien de aanvrager na afloop van de in vorige twee alinea's bepaalde termijn in gebreke blijft de gevraagde inlichtingen, documenten of verduidelijkingen over te maken, moet een nieuwe aanvraag ingediend worden.
  § 2. Binnen de dertig dagen, te rekenen vanaf de verzending van de volledigheidsverklaring of vanaf de dag waarop de aanvraag geacht wordt volledig te zijn, verzoekt de minister, of zijn afgevaardigde, de Commissie wanneer de betrokken vervoervergunning tot haar bevoegdheid behoort en het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid om advies. Deze delen hun adviezen en aanbevelingen in tweevoud mee binnen de dertig dagen na de ontvangst van de stukken. Zij kunnen steeds laten weten hoeveel bijkomende exemplaren zij nodig hebben.
  Indien de adviezen en aanbevelingen niet binnen de vastgestelde termijn worden overgemaakt, dan worden zij als positief beschouwd.
Art.40. § 1er. Dans les dix jours ouvrables suivant la date mentionnée sur l'accusé de réception, le ministre ou son délégué, informe le demandeur du caractère complet ou incomplet de la demande. Sans avis, la demande est réputée être complète.
  Le demandeur dispose d'un délai de dix jours ouvrables à partir de la date de réception du courrier du ministre ou de son délégué, l'informant sur le caractère incomplet de sa demande pour fournir les renseignements, documents ou explications demandes. Ces données supplémentaires sont adressées au ministre, soit par courrier recommandé avec accuse de réception, soit déposée avec accusé de réception, conformément aux mêmes conditions applicables à une demande initiale et mentionnées à l'article 4.
  Dans les dix jours ouvrables suivant la date mentionnée sur l'accusé de réception des données supplémentaires, le ministre ou son délégué, informe le demandeur du caractère complet ou incomplet de la demande. Sans avis, la demande est réputée être complète.
  Si la demande s'avère de nouveau incomplète, le demandeur dispose d'un dernier délai de dix jours ouvrables pour fournir les renseignements, documents ou explications demandés.
  Si à l'issue du délai prescrit dans les deux alinéas précédents, le demandeur reste en défaut de fournir les renseignements, documents et explications demandés, une nouvelle demande doit être introduite.
  § 2. Dans les trente jours à compter de l'expédition de la déclaration relative au caractère complet ou à partir du jour où la demande est réputée complète, le ministre ou son délégué demande l'avis de la Commission, si l'autorisation de transport concernée relève de sa compétence, et l'Administration de Qualite et de Sécurité. Ils communiquent en double leurs avis et recommandations dans les trente jours après réception des documents. Ils peuvent toujours signaler le nombre d'exemplaires supplémentaires dont ils ont besoin.
  Si les avis et recommandations ne sont pas transmis dans le délai fixé, ils sont considérés positifs.
Art.41. De minister beslist binnen de vier maand te rekenen vanaf de verzending van de volledigheidsverklaring of vanaf de dag waarop de aanvraag geacht wordt volledig te zijn. In de vergunning worden de voorwaarden bepaald waaraan de buiten dienst gestelde installaties moeten voldoen.
  [1 De plannen van de beslissing tot opheffing van het exploitatierecht worden ondertekend door de afgevaardigde van de minister.]1
  Een voor eensluidend verklaard afschrift van het ministerieel besluit houdende uitspraak over de aanvraag tot [1 opheffing van het exploitatierecht]1 wordt de aanvrager binnen tien werkdagen overgemaakt.
  Een voor éénsluidend verklaard afschrift van dit besluit wordt toegestuurd aan de Commissie, indien het tot haar bevoegdheid behoort en aan het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid
  
Art.41. Le ministre statue dans les quatre mois de la déclaration sur le caractère complet ou à partir du jour ou la demande est réputée complète. L'autorisation mentionne les conditions auxquelles doivent satisfaire les installations mises hors service.
  [1 Les plans de la décision d'abrogation du droit d'exploitation sont signés par le délégué du ministre.]1
  Une copie certifiée conforme de l'arrêté ministériel portant la décision sur la demande [1 d'abrogation du droit d'exploitation]1 d'une autorisation de transport est signifiée au titulaire de celle-ci dans les dix jours ouvrables.
  Une copie certifiée conforme de cet arrêté est envoyée à la Commission s'il relève de sa compétence et à l'Administration de la Qualité et de la Sécurité.
  
B. (vroeg. C.)[1 Volledige opheffing van de vervoersvergunning.]1
B.( vroeg.C) [1 B. Abrogation complète de l'autorisation de transport.]1
Art.42. Op verzoek van de vergunninghouder kan de minister de vervoervergunning volledig opheffen ingeval :
  1° de vergunninghouder zijn vervoeractiviteit stopzet of
  2° de vergunninghouder beslist zijn vervoerinstallaties definitief buiten dienst te stellen.
Art.42. A la demande du titulaire, le ministre peut retirer l'autorisation de transport totalement au cas où :
  1° le titulaire cesse son activité de transport ou
  2° le titulaire décide de mettre hors service ses installations de transport à titre définitif.
Art.43. De bepalingen van artikelen 34 tot 41 met betrekking tot de [1 opheffing van het exploitatierecht]1 zijn op overeenkomstige wijze van toepassing op [1 de volledige opheffing van de vervoersvergunning]1, met dien verstande dat uit het aanvraagdossier moet blijken dat ofwel een ander wettelijk gebruik van de installaties wordt gegarandeerd, ofwel in geval van definitieve buitendienststelling de nodige maatregelen ter bescherming van mens en milieu zowel op technisch als op financieel vlak verzekerd zijn. In geval onvoldoende beschikbare financiële middelen kunnen worden verzekerd, kan de minister een voorafgaande waarborg opleggen.
  Het voor eensluidend verklaard afschrift van de beslissing wordt naar alle betrokken besturen en diensten en aan de Commissie wanneer de betrokken vervoervergunning tot haar bevoegdheid behoort, opgestuurd.
  
Art.43. Les dispositions des articles 34 à 41 relatifs à [1 l'abrogation du droit d'exploitation]1 sont applicables de façon correspondante [1 à l'abrogation complète de l'autorisation de transport]1, étant entendu qu'il doit ressortir du dossier que soit, un autre usage légal des installations est garanti, soit, en cas de mise hors service définitif, des mesures nécessaires en vue de protéger les personnes et l'environnement sont garanties aussi bien sur le plan technique que sur le plan financier. En cas d'impossibilité de garantir suffisamment de moyens financiers, le ministre peut imposer une caution préalable.
  Une copie certifiée conforme de la décision est envoyée à tous les administrations et services concernés et à la Commission si l'autorisation de transport concernée relève de sa compétence.
  
Onderafdeling III. (vroeg. D.) [1 Verval van rechtswege bij einde vergunningstermijn.]1
Sous-section III. (anc. D.) [1 Déchéance d'office à la fin de la durée de l'autorisation de transport.]1
Art.44. Drie jaar vóór het verval van de vergunningstermijn moet de houder aan de minister zijn voornemen melden om een verlenging te bekomen van zijn vergunning of om ze te laten vervallen. In geval van verval, moet de vergunninghouder melden dat ofwel een ander wettelijk gebruik van de installaties wordt gegarandeerd, ofwel in geval van definitieve buitendienststelling de nodige maatregelen ter bescherming van mens en milieu zowel op technisch als op financieel vlak verzekerd zijn. In geval onvoldoende beschikbare financiële middelen kunnen worden verzekerd, kan de minister een voorafgaande waarborg opleggen.
  Indien geen tijdige melding gebeurt, wordt de vergunninghouder hiertoe aangemaand door het Bestuur Energie.
  Indien hij binnen de maand hierop niet reageert, wordt de vervoervergunning onmiddellijk opgeheven en de voormelde waarborg opgelegd.
  Bij verval van rechtswege brengt de minister, of zijn afgevaardigde, de betrokken besturen en diensten op de hoogte, evenals de Commissie wanneer de betrokken vervoervergunning tot haar bevoegdheid behoort.
Art.44. Trois ans avant l'expiration de la durée de l'autorisation, le titulaire doit communiquer au ministre son intention d'obtenir une prorogation de son autorisation ou de la laisser déchoir. En cas de déchéance, le titulaire de l'autorisation doit déclarer que soit, un autre usage légal des installations est garanti, soit, en cas de mise hors service définitif, des mesures nécessaires en vue de protéger les personnes et l'environnement sont garanties aussi bien sur le plan technique que sur le plan financier. En cas d'impossibilité de garantir suffisamment de moyens financiers, le ministre peut imposer une caution préalable.
  Si la déclaration n'est pas faite en temps utile, le titulaire est sommé de la faire par l'Administration de l'Energie.
  S'il ne réagit pas dans le mois, l'autorisation de transport est immédiatement retirée et la caution susvisée imposée.
  En cas de déchéance d'office, le ministre ou son délégué avise les administrations et services concernés ainsi la Commission, si l'autorisation de transport concernée relève de sa compétence.
Afdeling IV. - Verlenging van de vervoervergunning, al dan niet gedeeltelijk opgeheven.
Section IV. - Prorogation de l'autorisation de transport, abrogée partiellement ou non.
Art.45. De vervoervergunning kan door de minister een of meerdere malen verlengd worden, voor een beperkte duur die telkenmale de dertig jaar niet mag te boven gaan.
Art.45. L'autorisation de transport peut être prorogée une ou plusieurs fois par le ministre, pour une durée limitée qui ne peut à chaque fois excéder trente ans.
Art.46. De minister beslist over de aanvragen van verlenging van de vervoervergunningen.
Art.46. Le ministre statue sur les demandes de prorogation des autorisations de transport.
Art.47. De aanvraag wordt, ten minste drie jaar vóór het verstrijken van de vergunning, ofwel per aangetekend schrijven, ofwel afgegeven met ontvangstbewijs, ingediend bij de minister. De aanvraag moet worden ondertekend en gedateerd door de aanvrager van de vervoervergunning of door zijn gemachtigde.
  De minister kan, bij een met redenen omklede beslissing, in de tijd begrensde afwijkingen op de, in het eerste lid gestelde, gestelde termijn toestaan.
  Alle stukken die de aanvraag vergezellen bevinden zich op papier van formaat A4 van de norm NBN 18, d.w.z. 210 x 297 mm of zijn volgens dit formaat geplooid.
  De minister kan toestemming verlenen om de aanvraag en de bijbehorende stukken op elektronische wijze in te dienen, alsook om deze documenten te ondertekenen met [1 een handtekening van deze documenten door middel van een elektronische handtekening in de zin van artikel 3.10. van verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG of een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van dezelfde verordening]1. De minister kan tevens toelaten om bepaalde documenten uitsluitend op elektronische wijze bij te houden. De minister kan de toepassing van deze regels uitbreiden tot alle documenten die in het kader van de wet van 12 april 1965 vereist worden.
  Over deze aanvraag wordt binnen een termijn van vijf jaar na de datum van het aangetekend schrijven uitspraak gedaan.
  De duur van de vervoervergunning wordt van rechtswege verlengd met een termijn van vijf jaar vanaf de vervaldatum van de desbetreffende vergunning, aan de oorspronkelijke voorwaarden, indien ten laatste twee jaar vóór deze vervaldatum geen uitspraak wordt gedaan.
  Ingeval drie jaar voor de nieuwe vervaldatum waarvan sprake in vorig lid nog steeds geen beslissing is genomen, wordt de vervoervergunning van rechtswege verlengd voor een nieuwe periode van dertig jaar, na een ingebrekestelling door de vergunninghouder die gedurende de 6 daaropvolgende maanden zonder gevolg is gebleven.
  
Art.47. La demande est introduite auprès du ministre, au moins trois ans avant l'expiration de l'autorisation, soit par courrier recommandé, soit déposée avec accusé de réception. La demande doit être signée et datée par le demandeur de l'autorisation de transport ou par son préposé.
  Le ministre peut accorder par décision motivée, une dérogation limitée dans le temps au délais fixé dans le premier alinéa.
  Tous les documents qui accompagnent la demande, sont fournis sur papier au format A4 de la norme NBN 18, c'est-à-dire 210 x 297 mm ou sont pliés à ce format.
  Le ministre peut autoriser l'introduction électronique de la demande et des documents d'accompagnement, ainsi que [1 la signature de ces documents par la signature électronique au sens de l'article 3.10. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE ou par la signature électronique qualifiée au sens de l'article 3.12. de ce même règlement]1 de ces documents. Le ministre peut également autoriser la conservation de certains documents de façon exclusivement électronique. Le ministre peut étendre l'application de ces règles à tous les documents requis dans le cadre de la loi du 12 avril 1965.
  Il est statué sur cette demande dans un délai de cinq ans à partir de la date de l'envoi recommandé.
  L'autorisation de transport est prorogée de plein droit d'un délai de cinq ans prenant cours à partir de la date d'échéance de l'autorisation concernée, aux conditions d'origine, au cas où il n'est pas statue dans un délai de deux ans avant cette date d'échéance.
  Au cas où, trois ans avant la nouvelle date d'échéance dont question au paragraphe précédent, il n'est toujours pas statué, l'autorisation de transport est prorogée de plein droit pour une nouvelle période de trente ans, après une mise en demeure par le titulaire, restée sans suite pendant les 6 mois suivants après celle-ci.
  
Art.48. § 1. De verlengingsaanvraag vermeldt de identiteit van de aanvrager, zijn volledig adres, de duur waarvoor de verlenging wordt gevraagd.
  Voor een vervoerinstallatie die uit verschillende gedeelten bestaat die één technisch geheel vormen of waaraan liggingwijzigingen werden aangebracht waarvoor afzonderlijke vergunningen op latere tijdstippen werden verleend, dient één enkele verlengingsaanvraag ingediend te worden. Als datum voor de verlenging wordt daarvoor de datum van de oudste vergunning die het eerst werd verleend in aanmerking genomen.
  § 2. De aanvraag is vergezeld van een algemeen situatieplan en van één of meer omstandig beschreven situatieplannen, opgemaakt volgens stafkaart op de schaal van ten minste 1/25.000, zodat de op het plan aangebrachte inlichtingen klaar en duidelijk leesbaar zijn. Verkleiningen zijn toegelaten, voorzover de leesbaarheid het toelaat.
  De bovenste helft van de voorzijde van de geplooide plans dient blanco te zijn, en op de onderste helft ervan dient het nummer van het plan, de naam of firmanaam van de aanvrager, de benaming van de vervoerinstallatie, de aard van het vervoerde product, de maximale toelaatbare bedrijfsdruk en de nominale diameter van de leiding vermeld te worden.
  Op elk plan of in bijlage ervan moet inzonderheid en duidelijk worden vermeld :
  1° het tracé van de leiding, met duidelijke vermelding van het begin- en eindpunt, en, desgevallend, de aanduiding van de innemingen van de bijhorigheden der vervoerleidingen waarvoor de verlenging wordt gevraagd, inzonderheid van de opslagmiddelen, gebouwen, machines, bouwwerken, toestellen, schraapkolf-, afsluiter-, samendruk-, drukreduceer-, meet-, odorisatie- en mengingsposten. Oppervlakte-innemingen dienen vermeld te worden;
  2° de aansluitingen op andere vervoerinstallaties met de referenties van deze laatsten;
  3° de naam of het nummer van de gekruiste kanalen, stromen, rivieren, spoorwegen, autosnelwegen of wegen van groot verkeer;
  4° de grenzen van het Rijk, de naam en de grenzen van de provincies en van de gemeenten;
  5° de aanduiding van de bevoorradings- en leveringsplaatsen;
  6° een tabel met de gebruikte conventionele tekens, ofwel rechtstreeks op het plan aangebracht, ofwel op een afzonderlijk blad in bijlage gevoegd.
Art.48. § 1er. La demande de prorogation mentionne l'identité du demandeur, son adresse complète, la durée pour laquelle la prorogation est demandée.
  Pour une installation de transport qui comporte plusieurs parties qui constituent un ensemble technique ou à laquelle des modifications d'implantation ont été apportées, pour lesquelles des autorisations particulières postérieures ont été accordées une demande unique de prorogation doit être adressée. Comme date de prorogation, il faut prendre en considération la date de l'autorisation la plus ancienne.
  § 2. La demande est accompagnée d'un plan de situation global et d'un ou de plusieurs plans de situation plus élaborés, rédigés selon carte d'état major à l'échelle de 1/25.000 au moins, de sorte que les informations reprises sur le plan soient claires et bien lisibles. Des réductions sont autorisées, pour autant que la lisibilité le permette.
  La moitié supérieure de la face des plans pliés doit être vierge et la moitié inférieure doit mentionner le numéro du plan, le nom ou la raison sociale du demandeur, la dénomination de l'installation de transport, la nature du produit transporté, la pression de service maximale admissible et le diamètre nominal de la canalisation.
  Chaque plan ou son annexe doit indiquer clairement et spécifiquement :
  1° le tracé de la canalisation, avec mention claire du point de départ et d'arrivée, et, le cas échéant, l'indication des occupations des accessoires des canalisations de transport pour lesquels la prorogation est demandée, en particulier des moyens de stockage, bâtiments, machines, constructions, appareils, postes de raclage, d'arrêt, de compression, de reduction de pression, de mesure, d'odorisation et de mélange. Il y a lieu de mentionner l'occupation de surface;
  2° le raccordement à d'autres installations de transport avec les références de ces dernières;
  3° le nom ou le numéro des canaux, fleuves, rivières, chemins de fer, autoroutes ou routes de grand trafic croisés;
  4° les frontières de l'Etat, le nom et les limites des provinces et des communes;
  5° l'indication des lieux d'approvisionnement et de fourniture;
  6° un tableau comportant les signes conventionnels est mentionné soit directement sur le plan, soit sur une feuille séparée jointe en annexe.
Art.49. De aanvraag is vergezeld van een beschrijvend overzicht met de volgende inlichtingen :
  1° de referenties (nummer, datum, en volledige opschrift) van de ministeriële of koninklijke besluiten waarbij de vervoervergunning werd verleend waarvoor de verlenging wordt gevraagd, desgevallend ook de besluiten van wijziging, herziening, overdracht of gedeeltelijke intrekkingen die erop betrekking hebben;
  2° de aard van het vervoerde product;
  3° de technische inlichtingen nuttig voor de behandeling van de aanvraag, namelijk: de totale lengte van de leiding, de staalsoort, de maximale toegelaten bedrijfsdruk, de nominale diameter, de aard van de bekleding van de leiding, de nominale wanddikte in millimeter;
  4° een korte beschrijving van de installatie vanaf haar beginpunt tot haar eindpunt, met vermelding van de schraapkolfstations, de afsluiters, de samendruk- en ontspanningsposten, de meetposten, de odorisatieposten, de mengposten, de belangrijke kunstwerken die er deel van uitmaken of waarvan gebruik gemaakt wordt, zoals: bruggen, hangbruggen, zinkers, tunnels, de gebeurlijke aftakkingen en aansluitingen, alsook een beknopte beschrijving van het geheel van de beveiligingssystemen;
  5° de referenties van het destijds afgeleverd attest van het welslagen der voorgeschreven proeven, beproevingen en controles, ook voor de achteraf aangebrachte wijzigingen of toevoegingen aan de oorspronkelijke installatie;
  6° het jaar van de indienststelling van de vervoerinstallatie;
  7° de verklaring dat de installatie op het ogenblik van de aanvraag voor de verlenging in dienst is, of, indien niet, daarvoor de redenen aangeven en de beschermingsmaatregelen aanduiden die getroffen werden in afwachting van een gebeurlijke wederindienststelling. Ingeval de installaties geheel of gedeeltelijk voor lange tijd buiten dienst werden gesteld wordt toepassing gemaakt van artikel 33.
Art.49. La demande est accompagnée d'un mémoire descriptif comportant les renseignements suivants :
  1° les références (numéro, date et intitulé complet) des arrêtés ministériels et royaux accordant l'autorisation de transport pour laquelle la prorogation est demandée, le cas échéant également les arrêtés de modification, de révision, de cession ou de retrait partiel y afférents;
  2° la nature du produit transporté;
  3° les renseignements techniques utiles pour le traitement de la demande et notamment : la longueur totale de la canalisation, la catégorie d'acier, la pression de service maximale admissible, le diamètre nominal, la nature de la couverture de la canalisation, l'épaisseur de paroi nominale en millimètres;
  4° une description succincte de l'installation depuis son point de départ jusqu'à son point final, avec mention des stations de raclage, des vannes d'arrêt, des postes de compression et de détente, des postes de mesure, des postes d'odorisation, des postes de mélange, des ouvrages d'art importants qui en font partie ou qui sont utilisées tels que : des ponts, des ponts suspendus, siphons, tunnels, branchements et raccordements éventuels, ainsi qu'une description succincte de tous les systèmes de protection;
  5° les références de l'attestation délivrée à l'époque concernant la réussite des tests, épreuves et contrôles prescrits également pour les modifications ou suppléments apportés ultérieurement à l'installation initiale;
  6° l'année de la mise en service de l'installation de transport;
  7° la déclaration qu'au moment de la demande de la prorogation, l'installation est en service, ou, sinon, l'indication des motifs et des mesures de protection qui ont été prises en attendant une éventuelle remise en service. Dans le cas où les installations sont mises hors service integralement ou partiellement pour une longue période, il est fait application de l'article 33.
Art.50. Ter aanvulling is de aanvraag vergezeld van :
  1° de adressen, op papier en op etiket, van:
  a) de betrokken besturen en diensten;
  b) de beheerders van het openbaar domein op het grondgebied waarvan de vervoersinstallaties waarvoor de vergunning wordt gevraagd, zijn gelegen;
  c) de beheerders van andere gasvervoerinstallaties en ondergrondse bouwwerken van openbaar nut betrokken bij het tracé;
  d) de gemeente- en provinciebesturen op wier grondgebied deze installaties gelegen zijn;
  e) de betrokken diensten bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening en Leefmilieu.
  2° een beschrijving van de rol en van de werking van de installatie sinds haar indienststelling, of sinds het verlenen van de vervoervergunning, inzonderheid de wijzigingen van de aard van het vervoerde product, gebeurlijke overdrachten, belangrijke voorvallen of ongevallen, resultaten van de gedurende de laatste tien jaren uitgevoerde controles, inbegrepen de controle van de kathodische bescherming.
  3° een attest getekend door de aanvrager waarin hij verklaart dat de installatie beantwoordt aan de veiligheidsmaatregelen opgelegd door de vergunning waarvoor de verlenging wordt gevraagd, en dat ze in goede werkingsstaat wordt gehouden.
Art.50. En complément, la demande est accompagnée des éléments suivants :
  1° les adresses, sur papier et sur étiquette :
  a) des administrations et services intéressés;
  b) des gestionnaires du domaine public, occupé par les installations de transport pour lesquelles l'autorisation est demandée;
  c) des gestionnaires d'autres installations de transport de gaz et d'ouvrages souterrains d'utilité publique concernés par le tracé;
  d) des administrations communales et provinciales sur le territoire desquelles ces installations sont posées;
  e) des services concernés compétents pour l'Aménagement du Territoire et l'Environnement.
  2° une description du rôle et du fonctionnement de l'installation depuis sa mise en service ou depuis la délivrance de l'autorisation de transport, notamment les modifications de la nature du produit transporté, les transferts éventuels, les incidents importants ou accidents, les résultats des contrôles effectués au cours des dix dernières annees, en ce compris le contrôle de la protection cathodique.
  3° une attestation signée par le demandeur déclarant que l'installation répond aux mesures de sécurité imposées par l'autorisation pour laquelle la prorogation est demandée, et qu'elle est maintenue en bon état de fonctionnement.
Art.51. Ingeval de verlengingsaanvraag betrekking heeft op [1 een vervoervergunning waarvan het exploitatierecht opgeheven werd overeenkomstig de artikelen 34 tot en met 41]1 vervoervergunning, dient de aanvraag, behalve de elementen voorzien in artikel 48 (aanvraag + plan), een korte beschrijvende nota te bevatten met aanduiding van de in artikel 49, 1° en 3° opgesomde punten, alsmede een korte beschrijving van de buiten dienst gestelde installaties, de datum van de buitendienststelling en de genomen beschermingsmaatregelen. Tevens dient de adressenlijst bedoeld in artikel 50, 1°, te worden toegevoegd, alsmede een attest waarin wordt verklaard dat de betrokken installaties momenteel buiten dienst zijn, de gemelde beschermingsmaatregelen worden genomen en de installaties niet opnieuw in dienst zullen worden genomen dan na het bekomen van een nieuwe vervoervergunning.
  
Art.51. Si la demande de prorogation concerne [1 une autorisation dont le droit d'exploitation a été abrogé conformément aux articles 34 jusqu'à 41 inclus]1, la demande doit comprendre, outre les éléments prévus à l'article 48 (demande + plan), une brève note descriptive avec indication des points énumérés à l'article 49, 1° et 3°, ainsi qu'une brève description des installations mises hors service, la date de la mise hors service et les mesures de protection prises. En outre, il y a lieu de joindre la liste d'adresses, visée à l'article 50, 1°, ainsi qu'une attestation déclarant que les installations concernées sont actuellement hors service, que les mesures de protection mentionnées sont prises et que les installations ne seront remises en service qu'après l'obtention d'une nouvelle autorisation de transport.
  
Art.52. Het voorgaand artikel is van overeenkomstige toepassing op de installaties die voor lange tijd geheel of gedeeltelijk buiten dienst werden gesteld maar waarvan de vervoervergunning niet het voorwerp heeft uitgemaakt van de in artikels 34 tot en met 41 bepaalde [1 opheffing van het exploitatierecht]1.
  
Art.52. L'article précédent s'applique, moyennant les adaptations nécessaires, aux installations ayant été mises hors service intégralement ou partiellement pour une longue période mais dont l'autorisation de transport n'a pas fait l'objet d'une [1 abrogation du droit d'exploitation]1 visée aux articles 34 jusqu'à 41 inclus.
  
Art.53. De aanvraag, de erbij gevoegde plans en stukken moeten [1 in drievoud, behalve voor tweetalige aanvragen die in viervoud moeten]1 worden ingediend.
  Binnen de zestig dagen vanaf de ontvangst van de aanvraag geeft de minister, of zijn afgevaardigde, ontvangstbewijs ervan aan de aanvrager en verwittigt hem ervan indien het aanvraagdossier onvolledig is.
  Alle stukken worden door de aanvrager en op zijn kosten bezorgd.
  De minister, of zijn afgevaardigde, mag naar goedvinden bijkomende afschriften van alle of sommige stukken eisen. Deze bijkomende afschriften moeten door de aanvrager bezorgd worden binnen een termijn van tien werkdagen nadat die afschriften hem zijn gevraagd.
  
Art.53. La demande, les plans annexés et les pièces doivent être introduits en [1 trois exemplaires, sauf pour les demandes bilingues qui doivent être introduites en quatre exemplaires]1.
  Dans les soixante jours de la réception de la demande, le ministre ou son délégué donne l'accusé de réception au demandeur et l'avertit si le dossier n'est pas complet.
  Toutes les pièces sont transmises par le demandeur et à ses frais.
  Le ministre, ou son délégué, peut exiger à son gré des copies de toutes ou de certaines pièces. Les copies doivent être transmises par le demandeur dans un délai de dix jours ouvrables après la demande de celles-ci.
  
Art.54. Na onderzoek van de stukken die de aanvraag vergezellen, kunnen de ambtenaren en beambten van het Bestuur Energie enerzijds en de ambtenaren en beambten van het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid anderzijds de vervoerder om de in de bijlage bij dit besluit vermelde bijkomende inlichtingen en testen verzoeken. Deze bijlage is echter niet van toepassing op de verlengingsaanvragen die betrekking hebben op de vervoerinstallaties die buiten dienst werden gesteld.
Art.54. Après examen des documents accompagnant la demande, les fonctionnaires et agents de l'Administration de l'Energie d'une part et les fonctionnaires et agents de l'Administration de la Qualité et de la Sécurité d'autre part sont autorisés à demander au transporteur, les renseignements et essais complémentaires, repris en annexe au présent arrêté. Cependant, cette annexe n'est pas applicable aux demandes de prorogation relatives aux installations ayant été mises hors service.
Art. 54bis. [1 De plannen van de beslissing tot verlenging van de vervoersvergunning worden ondertekend door de afgevaardigde van de minister.]1
  
Art. 54bis. [1 Les plans de la décision de prorogation de l'autorisation de transport sont signés par le délégué du ministre.]1
  
Art.55. De beslissing over de aanvraag tot verlenging is met redenen omkleed.
  Een voor eensluidend verklaard afschrift van dit besluit wordt betekend aan de aanvrager.
  Een afschrift van dit besluit wordt toegestuurd aan de in artikel 50, 1°, bedoelde diensten, besturen en ondernemingen en aan de Commissie wanneer de betrokken vervoervergunning tot haar bevoegdheid behoort.
Art.55. La décision sur la demande de prorogation est motivée.
  Une copie certifiée conforme de cet arrêté est notifiée au demandeur.
  Une copie de cet arrêté est adressée aux services, administrations et firmes visée à l'article 50, 1°, et à la Commission si l'autorisation de transport relève de sa compétence.
Afdeling V. - Overdracht, controlewijziging, fusie of splitsing.
Section V. - Cession, changement de contrôle, fusion ou scission.
Art.56. De vervoervergunning kan slechts geheel of gedeeltelijk worden overgedragen mits de toestemming van de minister.
  De aanvraag tot overdracht van de vervoervergunning wordt door de houder van de vergunning gericht tot de minister, ofwel per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, ofwel afgegeven met ontvangstbewijs.
  De aanvraag tot overdracht vermeldt de identiteit van de aanvrager, de referenties van de over te dragen vervoervergunning, de identiteit van de begunstigde van de overdracht en de motieven van de overdracht.
  De aanvraag is vergezeld van :
  1° een situatieplan met vermelding van het tracé van de leiding en de aanduiding van de nodige innemingen voor de andere vervoerinstallaties;
  2° een kopie van de akte of overeenkomst die aanleiding geeft tot de overdracht van de vervoervergunning;
  3° een verklaring dat de vervoerinstallaties conform zijn met de vergunningsvoorwaarden, desgevallend bevestigd door het controle-organisme;
  4° een verklaring waarin de begunstigde van de overdracht zich ertoe verbindt de vergunningsvoorwaarden na te leven;
  5° de nodige bewijzen in hoofde van de begunstigde van naleving van de in artikel 2 bepaalde toekenningscriteria.
  Binnen de negentig dagen vanaf het ontvangstbewijs beslist de minister, na advies binnen de dertig dagen van de Commissie wanneer de aanvraag tot overdracht tot haar bevoegdheid behoort, over de overdracht van de vervoervergunning.
  Bij ontstentenis van beslissing van de minister binnen voormelde termijn wordt de overdracht van de vervoervergunning geacht te zijn toegestaan door de minister.
Art.56. L'autorisation de transport ne peut être cédée totalement ou partiellement que moyennant l'accord du ministre.
  La demande de cession de l'autorisation de transport est adressée par le titulaire de l'autorisation au ministre, soit par courrier recommandé avec accusé de réception, soit déposé avec accusé de réception.
  La demande de cession mentionne l'identité du demandeur, les références de l'autorisation de transport à céder, l'identité du bénéficiaire et les motifs de la cession.
  La demande est accompagnée :
  1° d'un plan de situation avec mention du tracé de la canalisation et indication des emprises nécessaires pour les autres installations de transport;
  2° d'une copie de l'acte ou du contrat qui donne lieu à la cession de l'autorisation de transport;
  3° d'une déclaration selon laquelle les installations de transport sont conformes aux conditions d'autorisation, confirmé le cas échéant par l'organisme de contrôle;
  4° d'une déclaration par laquelle le bénéficiaire de la cession s'engage à respecter les conditions d'autorisation;
  5° des preuves nécessaires de la part du bénéficiaire du respect des critères d'octroi détermines à l'article 2.
  Dans les nonante jours à partir du jour de la réception de l'accusé de réception, le ministre statue, après avis de la Commission, si la demande de cession releve de sa compétence, dans les trente jours, sur la cession de l'autorisation de transport.
  A défaut de décision du ministre dans le délai précité, la cession de l'autorisation de transport est réputée accordée par le ministre.
Art.57. In geval van controlewijziging op of fusie of splitsing van de houder van de vervoersvergunning, kan de vervoersvergunning behouden blijven met de toestemming van de minister.
Art.57. En cas de changement de contrôle sur ou de fusion ou de scission du titulaire de l'autorisation de transport, l'autorisation de transport peut être maintenue moyennant l'accord du ministre.
Art.58. De vergunninghouder stelt de minister van de feiten vermeld in artikel 57 in kennis, uiterlijk binnen de maand die volgt op het tot stand komen van een van de situaties beschreven in artikel 57of van de kennisneming van een van deze situaties.
  Na advies van de Commissie, wanneer de kennisgeving tot haar bevoegdheid behoort, beschikt de minister over een termijn van zestig dagen te beginnen vanaf het voormelde ontvangstbewijs om akte te nemen van de controlewijziging, de fusie of de splitsing en in te stemmen met het behoud van de vervoersvergunning of om de vergunninghouder te vragen een aanvraag tot vernieuwing van de vergunning in te dienen.
  De minister kan de vernieuwing van de vergunning slechts vragen indien de controlewijziging, de fusie of de splitsing aanleiding geeft tot het bereiken van een sterke positie als bedoeld in artikel 24 van de wet van 12 april 1965 of een reeds bestaande sterke positie doet toenemen.
  Bij ontstentenis van een vraag vanwege de minister binnen de voormelde termijn van zestig dagen om een hernieuwingsaanvraag van de vergunning in te dienen, wordt de minister verondersteld akte te hebben genomen van de beschreven situaties in artikel 57 en die het onderwerp hebben uitgemaakt van de voormelde notificatie en in te stemmen met het behoud van de vervoersvergunning.
  De procedure van het artikel 56 is van toepassing op de aanvraag tot vernieuwing.
  Gedurende de periode van de vernieuwingsprocedure mag de vergunninghouder de exploitatie van de betrokken vervoerinstallaties tijdelijk voortzetten.
Art.58. Le titulaire de l'autorisation notifie les faits mentionnés a l'article 57 au ministre au plus tard dans le mois qui suit la réalisation d'une des situations décrites à l'article 57 ou de la prise de connaissance d'une de ces situations.
  Le ministre, après avis de la Commission, si la notification relève de sa competence, a un délai de soixante jours à dater de l'accusé de réception précité pour prendre acte du changement de contrôle, de la fusion ou de la scission notifié(e) et être d'accord avec le maintien de l'autorisation de transport ou pour demander au titulaire de l'autorisation d'introduire une demande de renouvellement de l'autorisation.
  Le ministre ne peut imposer le renouvellement de l'autorisation que si le changement de contrôle, la fusion ou la scission donne lieu à une position puissante, dans le sens de l'article 24 de la loi du 12 avril 1965 ou renforce une position puissante préexistante.
  A défaut de demande d'introduction d'une demande de renouvellement de l'autorisation de la part du ministre dans le délai précité de soixante jours, le ministre est considéré avoir pris acte des situations décrites a l'article 57 et ayant fait l'objet de la notification précitée et être d'accord avec le maintien de l'autorisation de transport.
  La procédure de l'article 56 est d'application pour la demande de renouvellement.
  Pendant la période de la procédure de renouvellement, le titulaire de l'autorisation peut continuer temporairement l'exploitation des installations de transport concernées.
HOOFDSTUK VI. - Vergoedingen.
CHAPITRE VI. - Redevances.
Art.59. De aanvrager van een vervoervergunning betaalt, op het ogenblik van het indienen van zijn aanvraag, aan de minister een vergoeding van 1500 euro voor het onderzoek van zijn aanvraag.
Art.59. Le demandeur d'une autorisation de transport paie, au moment de l'introduction de sa demande, au ministre une redevance de 1500 euros pour l'examen de sa demande.
HOOFDSTUK VII. - Diverse bepalingen.
CHAPITRE VII. - Disposition diverses.
Art.60. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, zijn de behoorlijk gemachtigde ambtenaren en beambten van het Ministerie van Economische Zaken bevoegd om inbreuken op dit besluit vast te stellen.
Art.60. Sans préjudice des compétences des officiers de police judiciaire, les fonctionnaires et agents dûment commissionnés du Ministère des Affaires économique sont qualifiés pour constater les infractions au présent arrêté.
Art.61. De duur van de bij wijze van overgangsmaatregel geldende vergunning, zoals bepaald in artikel 26, § 1, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de gasmarkt en betreffende het fiscaal statuut van de elektriciteitsproducenten, wordt beperkt tot de lopende termijn van de oorspronkelijke vergunning of toelating, onverminderd een verlenging van die duur.
  Op de krachtens artikel 26, § 1, van de wet van 29 april 1999 bij wijze van overgangsmaatregel geldende vergunning zijn de bepalingen van dit besluit van toepassing vanaf hun inwerkingtreding. Uitzondering wordt evenwel gemaakt voor de bepalingen van hoofdstuk II van dit besluit, die met ingang van het derde jaar na de inwerkingtreding ervan van toepassing zijn.
  De bepalingen van de oorspronkelijke vergunningen of toelatingen, die in strijd zouden zijn met de nieuwe bepalingen van de wet van 12 april 1965 en haar uitvoeringsbesluiten, houden op uitwerking te hebben op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit en worden vervangen door de overeenkomstige nieuwe bepalingen, onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel.
Art.61. La durée de l'autorisation qui est en vigueur à titre de mesure transitoire, telle que prévue par l'article 26, § 1er, de la loi du 29 avril 1999 relative à l'organisation du marché gaz et relative au statut fiscal des producteurs d'électricité, est limitée à la durée en cours de la concession ou de la permission originale, sans préjudice d'une prorogation de cette durée.
  Les dispositions du présent arrêté sont applicables à partir de leur entrée en vigueur à l'autorisation en vigueur à titre transitoire en vertu de l'article 26, § 1er, de la loi du 29 avril 1999. Une exception est cependant faite pour les dispositions du chapitre II du présent arrêté, qui sont applicables à partir de la troisième année qui suit son entrée en vigueur.
  Les dispositions de ces concessions ou permissions originales qui seraient contraires aux nouvelles dispositions de la loi du 12 avril 1965 et ses arrêtés d'exécution, cessent d'avoir leurs effets au moment de l'entrée en vigueur de cet arrêté et sont remplacées par les nouvelles dispositions correspondantes, sans préjudice de ce qui est fixé aux alinéas 1er et 2 de cet article.
Art.62. § 1. De duur van de bij wijze van overgangsmaatregel geldende vergunning, zoals bepaald in artikel 26 § 2 van de wet van 29 april 1999, wordt beperkt tot vijf jaar vanaf de inwerkingtreding van voormeld artikel 26, § 2.
  Op de krachtens artikel 26, § 1, van de voornoemde wet van 29 april 1999 bij wijze van overgangsmaatregel geldende vergunning zijn de bepalingen van dit besluit van toepassing vanaf hun inwerkingtreding. Uitzondering wordt evenwel gemaakt voor de bepalingen van hoofdstuk II van dit besluit, die met ingang van het derde jaar na de inwerkingtreding ervan van toepassing zijn.
  De houder van een vervoersvergunning, zoals bedoeld in het 1° en het 2° lid, zal desgevallend een nieuwe vergunning aanvragen overeenkomstig hoofdstuk III van dit besluit.
  § 2. Het koninklijk besluit van 11 maart 1966 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van installaties voor gasvervoer door middel van leidingen, is niet van toepassing op de krachtens dit artikel vergunde vervoerinstallaties, behoudens de artikelen 4, 6, 24, 44, 45, 54, 62 lid 1, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69, 70 laatste lid, 71, 72, 73 en 74.
  Indien echter de wanddikte van de betreffende gasvervoerleiding kleiner is dan deze bepaald in artikel 27 van het voormeld koninklijk besluit van 11 maart 1966, dient de houder van de vervoervergunning een versterkt toezicht uit te oefenen, overeenkomstig artikel 66, 3e lid, van het voornoemd koninklijk besluit van 11 maart 1966.
  § 3. Het koninklijk besluit van 25 juli 1967 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van installaties voor het vervoer door middel van leidingen van vloeibare koolwaterstoffen en/of vloeibaar gemaakte koolwaterstoffen, andere dan deze beoogd door artikel 1, 1°, van de wet van 12 april 1965, betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, is niet van toepassing op de krachtens dit artikel vergunde vervoerinstallaties, behoudens de artikelen 2b , 14bis , 34, 39, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 54, 56 en 60.
  Indien echter de wanddikte van de betreffende vervoerleiding kleiner is dan deze bepaald in artikel 17 van het voormeld koninklijk besluit van 25 juli 1967, dient de houder van de vervoervergunning een versterkt toezicht uit te oefenen, overeenkomstig artikel 46, derde lid, van het voornoemd koninklijk besluit van 25 juli 1967, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 30 december 1993.
  § 4. Het koninklijk besluit van 20 februari 1968 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van installaties voor het vervoer door middel van leidingen van pekel, natronloog en afvalvloeistoffen is niet van toepassing op de krachtens dit artikel vergunde vervoerinstallaties, behoudens de artikelen 2b , 39, 44, 49, 51, 52, 53, 54, en 56.
  § 5. Het koninklijk besluit van 9 mei 1969 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van installaties voor het vervoer van gasvormige zuurstof door middel van leidingen, is niet van toepassing op de krachtens dit artikel vergunde vervoerinstallaties, behoudens de artikelen 5, 18bis , 44, 49, 53, 56, 57, 58, 59 en 60.
  Indien echter de wanddikte van de betreffende vervoerleiding kleiner is dan deze bepaald in artikel 22 van het voormeld koninklijk besluit van 9 mei 1969, dient de houder van de vervoervergunning een versterkt toezicht uit te oefenen, overeenkomstig artikel 56, derde lid, van het voornoemd koninklijk besluit van 9 mei 1969, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 18 mei 1993.
Art.62. § 1er. La durée de l'autorisation tenant lieu de mesure transitoire telle que définie par l'article 26, § 2, de la loi du 29 avril 1999, est limitée à cinq ans à partir de l'entrée en vigueur de l'article 26, § 2, précité.
  Les dispositions du présent arrêté sont applicables à partir de leur entrée en vigueur à l'autorisation en vigueur à titre transitoire en vertu de l'article 26, § 1er, de la loi du 29 avril 1999. Une exception est cependant faite pour les dispositions du chapitre II du présent arrêté, qui sont applicables à partir de la troisième année qui suit son entrée en vigueur.
  Le titulaire d'une autorisation de transport, visé aux alinéas 1er et 2, devra, le cas échéant, demander une nouvelle autorisation, conformément au chapitre III de cet arrêté.
  § 2. L'arrêté royal du 11 mars 1966 déterminant les mesures de sécurité à prendre lors de l'établissement et dans l'exploitation des installations de transport de gaz par canalisations, n'est pas d'application aux installations octroyés en vertu de cet article, à l'exception des articles 4, 6, 24, 44, 45, 54, 62 première alinéa, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69, 70 dernière alinéa, et 71, 72, 73 et 74.
  Si toutefois l'épaisseur de la canalisation de gaz concernée est inférieure à celle qui est spécifiée à l'article 27 de l'arrêté royal du 11 mars 1966 précité, le titulaire de l'autorisation de transport est tenu à exercer une surveillance accrue, conformément à l'article 66, alinéa 3, de l'arrêté royal du 11 mars 1966 précité.
  § 3. L'arrêté royal du 25 juillet 1967 déterminant les mesures de sécurité à prendre lors de l'établissement et dans l'exploitation des installations de transport par canalisations d'hydrocarbures liquides et/ou d'hydrocarbures liquéfiés, autres que ceux visés par l'article 1er, 1° de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations, n'est pas d'application aux installations octroyés en vertu de cet article, à l'exception des articles 2b , 14bis , 34, 39, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 54, 56 et 60.
  Si toutefois l'épaisseur de la canalisation de gaz concernée est inférieure à celle qui est spécifiée à l'article 17 de l'arrêté royal du 25 juillet 1967 précité, le titulaire de l'autorisation de transport est tenu à exercer une surveillance accrue, conformément à l'article 46, alinéa 3,de l'arrêté royal du 25 juillet 1967 précité, tel que modifié par l'arrêté royal du 30 décembre 1993.
  § 4. L'arrêté royal du 20 février 1968 déterminant les mesures de sécurité à prendre lors de l'établissement et dans l'exploitation des installations de transport par canalisations de saumure, lessive caustique et liquides résiduaires, n'est pas d'application aux installations octroyés en vertu de cet article, à l'exception des articles 2b , 39, 44, 49, 51, 52, 53, 54, et 56.
  § 5. L'arrêté royal du 9 mai 1969 déterminant les mesures de sécurité à prendre lors de l'établissement et dans l'exploitation des installations de transport par canalisations d'oxygène gazeux, n'est pas d'application aux installations octroyés en vertu de cet article, à l'exception des articles 5, 18bis , 44, 49, 53, 56, 57, 58, 59 en 60.
  Si toutefois l'épaisseur de la canalisation de gaz concernée est inférieure à celle qui est spécifiée à l'article 22 de l'arrêté royal du 9 mai 1969 précité, le titulaire de l'autorisation de transport est tenu à exercer une surveillance accrue, conformément à l'article 56, alinéa 3, de l'arrêté royal du 9 mai 1969 précité, tel que modifié par l'arrêté royal du 18 mai 1993.
Art.63. De op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit ingediende aanvragen voor vergunning of toelating of voor de verlenging, opheffing of overdracht van verleende vergunningen of toelatingen worden afgehandeld volgens de bepalingen die van toepassing waren op het tijdstip van de indiening van de betreffende aanvraag.
  De vervoervergunning wordt toegekend door de minister.
  Op de krachtens artikel 26, § 1, van de voornoemde wet van 29 april 1999 bij wijze van overgangsmaatregel geldende vergunning zijn de bepalingen van dit besluit van toepassing vanaf hun inwerkingtreding. Uitzondering wordt evenwel gemaakt voor de bepalingen van hoofdstuk II van dit besluit, die met ingang van het derde jaar na de inwerkingtreding ervan van toepassing zijn.
Art.63. Les demandes de concession ou de permission ou de prorogation, d'abrogation ou de cession des concessions ou des permissions octroyées, introduites au moment de l'entrée en vigueur de cet arrêté sont traitées selon les dispositions en vigueur au moment de l'introduction de la demande en question.
  L'autorisation de transport est accordée par le ministre.
  Les dispositions du présent arrêté sont applicables à partir de leur entrée en vigueur à l'autorisation en vigueur à titre transitoire en vertu de l'article 26, § 1er, de la loi du 29 avril 1999. Une exception est cependant faite pour les dispositions du chapitre II du présent arrêté, qui sont applicables à partir de la troisième année qui suit son entrée en vigueur.
Art.64. § 1. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 11 maart 1966 tot verklaring van openbaar nut voor het oprichten van gasvervoerinstallaties worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden " hetzij met de vergunnings- of toelatingsaanvraag " worden vervangen door de woorden " hetzij met de vervoers-vergunningsaanvraag ";
  2° het volgende lid wordt toegevoegd : "De minister kan toestemming verlenen om de aanvraag en de bijbehorende stukken op elektronische wijze in te dienen, alsook om deze documenten te ondertekenen met een elektronische handtekening. De minister kan tevens toelaten om bepaalde documenten uitsluitend op elektronische wijze bij te houden. De minister kan de toepassing van deze regels uitbreiden tot alle documenten die in het kader van de wet van 12 april 1965 vereist worden. "
  § 2. In artikel 2 van hetzelfde koninklijk besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "Deze lijst zal geleverd worden op papier of op elektronische drager" worden toegevoegd.
  2° in het tweede lid, 4 en 5, vervallen de woorden "op dezelfde schaal" en "afzonderlijk voor iedere gemeente".
  3° het tweede lid, 5 wordt opgeheven.
  § 3. Artikel 3 van hetzelfde koninklijk besluit wordt aangevuld als volgt : "Elke betrokken gemeente vangt binnen de 14 dagen na ontvangst van de nodige stukken vanwege de minister of zijn afgevaardigde het voormelde onderzoek aan."
  § 4. Artikel 4, derde lid van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen als volgt : "Tezelfdertijd verstuurt elk gemeentebestuur aan de eigenaars, huurders of andere bezetters van de in artikel 2, tweede lid, 4, bedoelde percelen afzonderlijk en per aangetekend schrijven aan hun woonplaats een bericht betreffende de ingediende aanvraag, met vermelding van de termijn waarbinnen en de plaats waar zij hun bezwaren en bemerkingen schriftelijk kunnen neerleggen. De portokosten met betrekking tot de aangetekende zendingen zullen op eenvoudige aanvraag van de gemeente worden terugbetaald door de aanvrager."
  § 5. In artikel 6, tweede lid van hetzelfde koninklijk besluit worden de woorden "binnen drie dagen" vervangen door de woorden "binnen veertien dagen".
  § 6. In artikel 7 van hetzelfde koninklijk besluit worden de woorden ", of zijn afgevaardigde," toegevoegd na de woorden "de minister tot wiens bevoegdheid de energie behoort".
  § 7. In artikel 8 van hetzelfde koninklijk besluit wordt vóór het eerste lid het volgende lid toegevoegd : "De Koning beslist over de in artikel 1 bedoelde aanvraag binnen zes maanden na ontvangst van alle in artikel 2 bedoelde stukken. De minister of zijn afgevaardigde kan mits afdoende motivering deze termijn met maximum twee maand verlengen indien de aanvraag een omvangrijk project betreft of indien er een aanzienlijk aantal bezwaren en bemerkingen bij het onderzoek werden neergelegd. De aanvrager wordt onverwijld op de hoogte gebracht van een gebeurlijke verlengingsbeslissing."
Art.64. § 1er. Dans l'article 1er de l'arrêté royal de 11 mars 1966 relatif à la déclaration publique pour l'établissement d'installations de transport de gaz sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots "soit dans la demande de concession ou de permission" sont remplacés par les mots "soit dans la demande d'autorisation".
  2° l'alinéa suivant est ajouté : "Le ministre peut autoriser l'introduction électronique de la demande et des documents d'accompagnement, ainsi que la signature électronique de ces documents. Le ministre peut également autoriser la conservation de certains documents de façon exclusivement électronique. Le ministre peut étendre l'application de ces règles à tous les documents requis dans le cadre de la loi du 12 avril 1965. "
  § 2. Dans l'article 2 du même arrêté royal sont apportées les modifications suivantes :
  1° les mots "Cette liste sera fournie sur papier ou sur support électronique" sont ajoutés.
  2° dans l'alinéa 2, 4 et 5, les mots "à la même échelle" et "distinct pour chaque commune" sont supprimés.
  3° l'alinéa 2, 5 est abrogé.
  § 3. L'article 3 du même arrêté royal est complété comme suit : "Chaque commune concernée entame l'examen susmentionné dans les quinze jours de la réception, des pièces nécessaires de la part du ministre ou de son délégué."
  § 4. Article 4, alinéa 3, du même arrêté royal, est remplacé par l'alinéa suivant : "En même temps, chaque administration communale envoie aux propriétaires, locataires ou autres occupants des parcelles visées à l'article2, alinéa 2, 4, séparément et par courrier recommandé à leur domicile, un avis concernant la demande introduite, avec mention du délai et du lieu où ils peuvent déposer par écrit leurs objections et remarques. Les frais d'expédition concernant les envois recommandés seront rembourses par le demandeur sur simple demande de la commune."
  § 5. Dans l'article 6, alinéa 2 du même arrêté royal, les mots "dans les trois jours" sont remplacés par les mots "dans les quinze jours".
  § 6. Dans l'article 7 du même arrêté royal, les mots "ou son délégué" sont ajoutés après les mots "le ministre qui a l'énergie dans ses attributions".
  § 7. Dans l'article 8 du même arrêté royal, l'alinéa suivant est inséré avant l'alinéa premier : "Le Roi statue sur la demande visée à l'article 1er dans les six mois de la réception des pièces visées à l'article 2. Le ministre ou son délégué peut, à condition de motivation suffisante, prolonger ce délai de deux mois au maximum, si la demande concerne un vaste projet ou si un nombre considérable d'objections et de remarques ont été déposées à l'enquête. Le demandeur est informé sans retard d'une éventuelle décision de prorogation."
Art.65. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 maart 1966 tot wijziging van de ligging of het tracé van een gasvervoerinstallatie ter uitvoering van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, worden in de eerste zin de woorden "na onderzoek door en op voorstel van het Bestuur Energie van het Ministerie van Economische Zaken" toegevoegd na het woord "wordt".
Art.65. Dans l'article 1er de l'arrêté royal du 15 mars 1966 relatif à la modification de l'implantation ou du tracé d'une installation de transport de gaz en exécution de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations, dans la première phrase les mots ", après examen par et sur la proposition de l'Administration de l'Energie du Ministère des Affaires économiques," sont insérés après le mot "est".
Art.66. Het koninklijk besluit van 11 maart 1966 betreffende het toekennen van toelatingen voor gasvervoer door middel van leidingen wordt opgeheven.
Art.66. L'arrêté royal du 11 mars 1966 relatif à l'octroi des permissions de transport de gaz par canalisations est abrogé.
Art.67. Het koninklijk besluit van 15 maart 1966 betreffende de algemene voorschriften voor gasvervoervergunningen wordt opgeheven, behalve voor wat betreft het vervoer en de levering van aardgas aan een distributieonderneming die niet in aanmerking komt en voor de behoeften van de afnemers van de distributieonderneming die geen in aanmerking komende afnemers zijn.
Art.67. L'arrêté royal du 15 mars 1966 relatif aux prescriptions générales pour les concessions de transport de gaz est abrogé, sauf en ce qui concerne le transport et la fourniture de gaz naturel à une société de distribution non-éligible et pour les besoins des clients non-éligibles de la société de distribution.
Art.68. Het koninklijk besluit van 15 maart 1966 betreffende het toekennen van vergunningen voor gasvervoer door middel van leidingen wordt opgeheven.
Art.68. L'arrêté royal du 15 mars 1966 relatif à l'octroi des concessions de transport de gaz par canalisations est abrogé.
Art.69. Het koninklijk besluit van 11 januari 1991 betreffende de verlenging van een vergunning of van een toelating voor vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen wordt opgeheven.
Art.69. L'arrêté royal du 11 janvier 1991 relatif à la prorogation d'une concession ou permission pour le transport de produits gazeux et autres par canalisations est abrogé.
Art.70. De volgende artikelen van de wet van 29 april 1999 treden in werking:
  1° artikel 3, voor zover het artikel 2, § 1 van de wet van 12 april 1965 vervangt;
  2° de artikelen 4; 5; 7; 8 en 10;
  3° artikel 12 voor zover het artikel 15/5 § 3, lid 3 voor wat de vervoervergunning betreft, in de wet van 12 april 1965 invoegt;
  4° artikelen 16; 17; 19, 20 en 21 betreffende de inbreuken op artikel 3 van de wet van 12 april 1965; 26 §§ 1 en 2 van de wet van 29 april 1999;
  5° alle artikelen of delen van artikelen van de wet van 29 april 1999, die op deze datum nog niet in werking zijn getreden.
Art.70. Les articles suivant articles de la loi du 29 avril 1999 entrent en vigueur :
  1° l'article 3, en ce qu'il remplace l'article 2, § 1er dans la loi du 12 avril 1965;
  2° les articles 4; 5; 7; 8; 10;
  3° l'article 12, dans la mesure où 'il insère un article 15/5, § 3, alinéa 3, en ce qui concerne l'autorisation de transport, dans la loi du 12 avril 1965;
  4° les articles 16; 17; 19, 20 et 21 en ce qui concerne les infractions à l'article 3 de la loi du 12 avril 1965; 26 §§ 1er et 2 de la loi du 29 avril 1999;
  5° tous autres articles ou parties d'article de la loi du 29 avril 1999 non encore en vigueur à cette date.
Art.71. Dit besluit treedt in werking drie maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad , met uitzondering van artikel 70 dat in werking treedt op de datum van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Art.71. Le présent arrêté entre en vigueur trois mois après qu'il aura été publiée au Moniteur belge , à l'exception de l'article 70, qui entre en vigueur à la date de la publication au Moniteur belge.
Art.72. Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Mobiliteit en Vervoer en Onze Staatssecretaris voor Energie zijn belast, ieder wat hem betreft, met de uitvoering van dit besluit.
Art.72. Notre Vice-Première Ministre et Ministre de la Mobilité et des Transports et Notre Secrétaire d'Etat à l'Energie sont chargés, chacun en ce qui le concerne, est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Inlichtingen en testen die door de ambtenaren en beambten van het Bestuur Energie en het Bestuur Kwaliteit en Veiligheid van het Ministerie van Economische Zaken, hierna ambtenaren en beambten genoemd, bij de aanvraag tot verlenging van een vergunning voor vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, kunnen gevraagd worden aan de vervoerders.
  1. Algemene opmerkingen.
  1.1. De hiernavermelde lijst omvat de inlichtingen en testen die door de ambtenaren en beambten kunnen gevraagd worden aan de vervoerders om hen toe te laten een advies uit te brengen in het kader van de verlengingsaanvraag van een vergunning.
  1.2. In het deel "inlichtingen" (punt 2 hierna) wordt voor elke rubriek een hoofddeel en een facultatief deel onderscheiden.
  - Het hoofddeel omvat telkens de mogelijk te stellen vragen door de ambtenaren en beambten, waarop de vervoerders verzocht worden te antwoorden.
  - Op de facultatieve vragen, die door de ambtenaren en beambten kunnen gesteld worden, dienen de vervoerders slechts te antwoorden voor zover zij over de gevraagde informatie beschikken.
  1.3. Afhankelijk van het resultaat van de hydraulische test op de leidingen voor vloeibare producten, beschreven in punt 3.1.1. en 3.1.2., kunnen de ambtenaren en beambten, in overleg met de vervoerders, gedurende de periode van de verlenging, voor de test, een tijdsinterval voorstellen dat korter is dan tien jaar.
  1.4. Op vraag van de ambtenaren en beambten of van de vervoerders kan een erkend controle-organisme, op kosten van de vervoerder, belast worden met het opstellen van een verslag waarin de resultaten weergegeven worden van de volgende metingen :
  a. De peilingen met wanddiktebepaling van de leiding.
  b. De toestand van de bekleding van de leiding.
  c. De hydraulische dichtheidstest voor de leidingen voor het transport van vloeistoffen.
  d. In uitzonderlijke gevallen, eventueel een niet-destructief onderzoek van de al dan niet gelaste verbindingen, in de mate dat het technisch mogelijk is.
  2. Opgave van de inlichtingen die kunnen gevraagd worden.
  2.1. Inwendige corrosie.
  2.1.1. Hoofdinlichtingen :
  - de corrosiesnelheid van de leiding;
  - de maatregelen genomen om deze snelheid te beperken.
  2.1.2. Facultatieve inlichtingen :
  - de aard en de hoeveelheid van de corrosieve en abrasieve bestanddelen van het vervoerde product;
  - de grenswaarden voor deze producten in relatie met het leidingmateriaal.
  2.2. Uitwendige corrosie.
  2.2.1. Hoofdinlichtingen :
  - de gemiddelde waarde van de stroom per oppervlakte-eenheid door de leiding gestuurd voor de kathodische bescherming;
  - de grafiek of tabel bevattende de meest recente opgemeten potentiaalwaarden voor de leiding tegenover de grond.
  2.2.2. Facultatieve inlichtingen :
  - de beschikbare gegevens betreffende de soortelijke weerstand van de ondergrond en de wijze van bepaling;
  - de periodiciteit voor de controles op de efficiëntie van de kathodische bescherming;
  - de resultaten van gebeurlijk uitgevoerde testen in situ.
  2.3. Staat van de leiding.
  2.3.1. Hoofdinlichtingen :
  - de beschikbare informatie omtrent de belangrijke incidenten die op de leiding gebeurden;
  - voor wat betreft verzakkinggebieden: de beschikbare gegevens over uitgevoerde niveaumetingen en spanningsmetingen.
  3. Opgave van de testen die kunnen gevraagd worden.
  3.1. Voor de leidingen voor het vervoer van vloeibare producten.
  3.1.1. Voor leidingen voor transport van vloeibare producten kan, onafhankelijk van de bepalingen genomen in de reeds vigerende koninklijke besluiten, in het kader van de aanvraag tot verlenging van de vervoervergunning, door de ambtenaren en beambten aan de vervoerders voorgesteld worden om een hydraulische test op de leiding uit te voeren.
  3.1.2. Deze test wordt uitgevoerd door middel van het fluïdum waarvoor de leiding bestemd is en wordt uitgevoerd op nominale bedrijfsdruk, zijnde de hoogste druk op gelijk welk punt in de leiding, in normale bedrijfsvoorwaarden.
  3.1.3. De ambtenaren en beambten kunnen de vervoerders verzoeken analoge peilingen uit te voeren als deze die vereist zijn in punt 3.2. voor de leidingen van gasvormige producten.
  3.2. Voor de leidingen voor het vervoer van gasvormige producten.
  3.2.1. Voor de leidingen voor het vervoer van gasvormige producten kunnen de ambtenaren en beambten de vervoerders verzoeken één of meerdere peilingen uit te voeren met het doel ter plaatse de toestand van de bekleding van de leiding na te gaan, er de wanddikte van de buis te bepalen, alsook, in uitzonderlijke gevallen, eventueel, een niet-destructief onderzoek uit te voeren van de al dan niet gelaste verbindingen, in de mate dat het technisch mogelijk is.
  3.2.2. De voorafgaandelijke bepaling van de plaats en het aantal peilingen zal gebeuren in gemeenschappelijk overleg met de vervoerders.
  Eventuele bijkomende peilingen worden gemeenschappelijk vastgesteld in functie van de bekomen resultaten.
  3.3. Voor de leidingen voor het vervoer van gasvormige producten en andere.
  Mochten de vervoerders in het nabije verleden [1 max. 10 jaar vóór de datum van de aanvraag tot verlenging]1 analoge testen uitgevoerd hebben als deze hierboven beschreven (cfr. punt 3.2.1.), dan kunnen deze testen de gevraagde test vervangen.
  
Art. N. Renseignements et essais que les fonctionnaires et agents des Administrations de l'Energie et de la Qualite et de la Sécurité du Ministère des Affaires économiques, ci-après nommés fonctionnaires et agents, sont autorisés à demander aux transporteurs à l'occasion de la demande de prorogation d'une autorisation de transport de produits gazeux et autres par canalisations.
  1. Remarques générales.
  1.1. La liste qui suit contient les renseignements et essais qui peuvent être demandés par les fonctionnaires et agents aux transporteurs afin de leur permettre d'émettre un avis dans le cadre de la demande de prorogation d'une autorisation.
  1.2. La partie "renseignements" (point 2 ci-après) est subdivisée en une partie principale et une partie facultative.
  - La partie principale contient les questions qui peuvent être posées par les fonctionnaires et agents et auxquelles les transporteurs sont priés de répondre.
  - Aux questions facultatives posées par les fonctionnaires et agents, les transporteurs ne doivent répondre que dans la mesure où ils disposent de l'information demandée.
  1.3. En fonction du résultat de l'essai hydraulique sur les canalisations pour produits liquides, décrit sous point 3.1.1. et 3.1.2., les fonctionnaires et agents peuvent, après concertation avec les transporteurs, proposer pendant la période de prorogation un intervalle de temps plus rapproché que celui de dix ans pour les essais ultérieurs.
  1.4. A la demande des fonctionnaires et agents ou des transporteurs, un organisme de contrôle agréé peut être chargé, aux frais de transporteur, de la rédaction d'un rapport donnant les résultats des mesures suivantes :
  a. Les sondages avec détermination de l'épaisseur du tube.
  b. Etat du revêtement du tube.
  c. L'essai hydraulique d'étanchéité pour le transport des produits liquides.
  d. Dans des cas exceptionnels, un examen non-destructif éventuel des joints soudés ou non, dans la mesure où les possibilités techniques le permettent.
  2. Relevé des renseignements qui sont susceptibles d'être demandés.
  2.1. Corrosion intérieure.
  2.1.1. Renseignements principaux :
  - la vitesse de corrosion de la canalisation;
  - les mesures prises pour limiter cette vitesse.
  2.1.2. Renseignements facultatifs :
  - la nature et la quantité des composants corrosifs et abrasifs présents dans le produit transporté;
  - les valeurs limites de ces produits en relation avec le matériau de la canalisation.
  2.2. Corrosion extérieure.
  2.2.1. Renseignements principaux :
  - la valeur moyenne du courant, par unité de surface, envoyé dans la canalisation en vue de la protection cathodique;
  - le graphique ou le tableau contenant les valeurs de potentiel les plus récemment mesurées de la canalisation par rapport au sol.
  2.2.2. Renseignements facultatifs :
  - les informations disponibles relatives à la résistivité du sous-sol et le mode de détermination de celle-ci;
  - la périodicité des contrôles sur l'efficacité de la protection cathodique;
  - les résultats des essais éventuellement effectués in situ.
  2.3. Etat de la canalisation.
  2.3.1. Renseignements principaux :
  - les informations disponibles sur les incidents importants qui se sont produits sur la canalisation;
  - en ce qui concerne les zones d'affaissement : les informations disponibles relatives aux mesures de niveau effectuées et aux mesures de contrainte.
  3. Relevé des essais qui sont susceptibles d'être demandés.
  3.1. Pour des canalisations transportant des produits liquides.
  3.1.1. Pour les canalisations transportant des produits liquides, les fonctionnaires et agents peuvent, indépendamment des arrêtés royaux en vigueur, proposer aux transporteurs, dans le cadre de la demande de la prorogation d'une autorisation, d'effectuer un essai hydraulique sur la canalisation.
  3.1.2. Cet essai sera effectué au moyen du fluide pour lequel la canalisation est destinée et il sera réalisé à une pression de service nominale, c'est-à-dire la pression la plus élevée en n'importe quel point de la canalisation, sous des conditions normales de fonctionnement.
  3.1.3. Les fonctionnaires et agents peuvent demander aux transporteurs d'effectuer des sondages semblables à ceux exigés dans le point 3.2. pour les canalisations de produits gazeux.
  3.2. Pour des canalisations transportant des produits gazeux.
  3.2.1. Pour les canalisations transportant des produits gazeux, les fonctionnaires et agents peuvent demander aux transporteurs d'effectuer un ou plusieurs sondages dans le but de contrôler l'état du revêtement de la canalisation in situ, d'y déterminer l'épaisseur du tube ainsi que dans des cas exceptionnels de faire un examen non-destructif éventuel des jointes soudés ou non, dans la mesure où les possibilités techniques le permettent.
  3.2.2. La détermination préalable de l'endroit et du nombre des sondages aura lieu d'un commun accord avec les transporteurs.
  Des sondages complémentaires éventuels pourront être déterminés d'un commun accord en fonction des résultats obtenus.
  3.3. Pour les canalisations transportant des produits gazeux et autres.
  Dans l'hypothèse dans laquelle les transporteurs ont effectué il y a peu de temps [1 max. 10 ans avant la date de la demande de prorogation ]1 des essais analogues à ceux décrits ci-dessus (point 3.2.1.), ces essais peuvent remplacer l'essai demandé.