Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° " werkdagen " : elke dag met uitzondering van zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen;
2° " pijpleiding " : alle leidingen en uitrustingen die horen bij het vervoer van gasachtige en andere producten zoals bepaald in de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, in het koninklijk besluit van 15 juni 1967 houdende uitbreiding van zekere bepalingen van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen, tot het vervoer door middel van leidingen van vloeibare koolwaterstoffen en/of vloeibaar gemaakte koolwaterstoffen, andere dan deze beoogd door artikel 1, littera a) van deze wet, in het koninklijk besluit van 15 juni 1967 houdende uitbreiding van zekere bepalingen van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen, tot het vervoer door middel van leidingen van pekel, natronloog en afvalvloeistoffen, alsook in het koninklijk besluit van 14 maart 1969 houdende uitbreiding van zekere bepalingen van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen, tot het vervoer door middel van leidingen van zuurstof in gasvormige toestand;
3° " elektriciteitskabel " : alle kabels en uitrustingen die horen bij de transmissie van elektrische energie;
4° [1 "elektronische communicatiekabel" : Een kabel die gebruikt wordt voor het aanbieden van een elektronisch communicatienetwerk zoals bepaald in artikel 2, 3° van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie;]1
5° " kabel " : elektriciteitskabel of [2 elektronische communicatiekabel]2;
6° [2 "minister": afhankelijk van de onderliggende materie:
a) inzake elektriciteitskabel: de federale minister bevoegd voor energie en de minister bevoegd voor het mariene milieu en mariene ruimtelijke planning;
b) inzake elektronische communicatiekabel: de minister bevoegd voor telecommunicatie en de minister bevoegd voor het mariene milieu en mariene ruimtelijke planning]2;
7° "betrokken administraties" : de administraties bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 12 augustus 2000 tot instelling van de raadgevende commissie belast met de coördinatie tussen de administraties die betrokken zijn bij het beheer van de exploratie en de exploitatie van het continentaal plat en van de territoriale zee en tot vaststelling van de werkingsmodaliteiten en -kosten ervan;
8° " afgevaardigde van de minister " : de ambtenaar die is aangesteld overeenkomstig artikel 25;
9° [2 "wet van 11 december 2022": de wet van 11 december 2022 ter bescherming van het marien milieu en ter organisatie van de mariene ruimtelijke planning in de Belgische zeegebieden;]2
[2 10° "wet van 29 april 1999": de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt.]2
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
12 MAART 2002. - [Koninklijk besluit betreffende de nadere regels voor het leggen van kabels die in de territoriale zee of het nationaal grondgebied binnenkomen of die geplaatst of gebruikt worden in het kader van de exploratie van het continentaal plat, de exploitatie van de minerale rijkdommen en andere niet-levende rijkdommen daarvan of van de werkzaamheden van kunstmatige eilanden, installaties of inrichtingen die onder Belgische rechtsmacht vallen] (Opschrift vervangen door KB2014-03-20/03, art. 18, 003; Inwerkingtreding : 07-04-2014) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 09-05-2002 en tekstbijwerking tot 17-05-2024)
Titre
12 MARS 2002. - [Arrêté royal relatif aux modalités de pose de câbles qui pénètrent dans la mer territoriale ou dans le territoire national ou qui sont installés ou utilisés dans le cadre de l'exploration du plateau continental, de l'exploitation des ressources minérales et autres ressources non vivantes ou de l'exploitation d'îles artificielles, d'installations ou d'ouvrages relevant de la juridiction belge] (Intitulé remplacé par AR2014-03-20/03, art. 18, 003; En vigueur : 07-04-2014) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 09-05-2002 et mise à jour au 17-05-2024)
Documentinformatie
Numac: 2002011121
Datum: 2002-03-12
Info du document
Numac: 2002011121
Date: 2002-03-12
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Definities.
HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen.
HOOFDSTUK III. - Toekenningscriteria.
HOOFDSTUK IV. - Indiening van de aanvragen.
HOOFDSTUK V. - Behandeling van de aanvragen.
HOOFDSTUK Vbis. [1 Hoofdstuk Vbis Behandeling v...
HOOFDSTUK Vter. [1 Duurtijd van de vergunning.]1
HOOFDSTUK VI. - [1 Verplichtingen van de houder...
HOOFDSTUK VII. - [1 Wijziging, verlenging, over...
Afdeling 1. - Wijziging.
Afdeling 2. - Verlenging.
Afdeling 3. - Overdracht en verandering van con...
Afdeling 4. - Intrekking.
HOOFDSTUK VIII. - Diverse bepalingen.
BIJLAGE.
Inhoud
CHAPITRE I. - Définitions.
CHAPITRE II. - Dispositions générales.
CHAPITRE III. - Critères d'octroi.
CHAPITRE IV. - Introduction des demandes.
CHAPITRE V. - Traitement des demandes.
CHAPITRE Vbis. [1 Traitement des demandes si la...
CHAPITRE Vter. [1 Durée de l'autorisation]1
CHAPITRE VI. - [1 Obligations des titulaires d'...
CHAPITRE VII. - [1 Modification, prorogation, c...
Section 1. - Modification.
Section 2. - Prorogation.
Section 3. - Cession et changement de contrôle.
Section 4. - Retrait.
CHAPITRE VIII. - Dispositions diverses.
ANNEXE.
Tekst (46)
Texte (46)
HOOFDSTUK I. - Definities.
CHAPITRE I. - Définitions.
Article 1. Pour l'application du présent arrêté, l'on entend par :
1° "jours ouvrables" : chaque jour à l'exception des samedis, dimanches et jours fériés légaux;
2° "pipeline" : toute canalisation et tout équipement liés au transport de produits gazeux et autres tels que définis par la loi du 12 avril 1965 sur le transport de produits gazeux et autres par canalisations, par l'arrêté royal du 15 juin 1967 portant extension de certaines dispositions de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations, au transport par canalisations d'hydrocarbures liquides et/ou d'hydrocarbures liquéfiés autres que ceux visés par l'article 1er, litera a) de cette loi, par l'arrêté royal du 15 juin 1967 portant extension de certaines dispositions de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations, au transport par canalisations de saumure, lessive caustique et liquides résiduaires, ainsi que par l'arrêté royal du 14 mars 1969 portant extension de certaines dispositions de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations, au transport par canalisations d'oxygène gazeux;
3° "câble d'énergie électrique" : tout câble et tout équipement liés au transport d'énergie électrique;
4° [1 câble de communication électronique " : un câble utilisé pour la mise à disposition d'un réseau de communications électroniques tel que défini à l'article 2, 3° de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques;]1
5° "câble" : câble d'énergie électrique ou [2 câble de communication électronique]2;
6° [2 "ministre" : selon la matière traitée :
a) pour le câble d'énergie électrique : le ministre fédéral qui a l'énergie dans ses attributions et le ministre qui a l'environnement maritime et l'aménagement des espaces marins dans ses attributions ;
b) pour le câble de communication électronique : le ministre qui a les télécommunications dans ses attributions et le ministre qui a l'environnement maritime et l'aménagement des espaces marins dans ses attributions ;]2
7° "administrations concernées" : les administrations visées à l'article 2 de l'arrêté royal du 12 août 2000 instituant la commission consultative chargée d'assurer la coordination entre les administrations concernées par la gestion de l'exploration et de l'exploitation du plateau continental et de la mer territoriale et en fixant les modalités et les frais de fonctionnement;
8° "délégué du ministre" : le fonctionnaire désigné conformément à l'article 25;
9° [2 " loi du 11 décembre 2022 " : loi du 11 décembre 2022 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges ; ]2
[2 " 10° " la loi du 29 avril 1999 ": loi du 29 avril 1999 relative à l'organisation du marché de l'électricité. ]2
1° "jours ouvrables" : chaque jour à l'exception des samedis, dimanches et jours fériés légaux;
2° "pipeline" : toute canalisation et tout équipement liés au transport de produits gazeux et autres tels que définis par la loi du 12 avril 1965 sur le transport de produits gazeux et autres par canalisations, par l'arrêté royal du 15 juin 1967 portant extension de certaines dispositions de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations, au transport par canalisations d'hydrocarbures liquides et/ou d'hydrocarbures liquéfiés autres que ceux visés par l'article 1er, litera a) de cette loi, par l'arrêté royal du 15 juin 1967 portant extension de certaines dispositions de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations, au transport par canalisations de saumure, lessive caustique et liquides résiduaires, ainsi que par l'arrêté royal du 14 mars 1969 portant extension de certaines dispositions de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations, au transport par canalisations d'oxygène gazeux;
3° "câble d'énergie électrique" : tout câble et tout équipement liés au transport d'énergie électrique;
4° [1 câble de communication électronique " : un câble utilisé pour la mise à disposition d'un réseau de communications électroniques tel que défini à l'article 2, 3° de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques;]1
5° "câble" : câble d'énergie électrique ou [2 câble de communication électronique]2;
6° [2 "ministre" : selon la matière traitée :
a) pour le câble d'énergie électrique : le ministre fédéral qui a l'énergie dans ses attributions et le ministre qui a l'environnement maritime et l'aménagement des espaces marins dans ses attributions ;
b) pour le câble de communication électronique : le ministre qui a les télécommunications dans ses attributions et le ministre qui a l'environnement maritime et l'aménagement des espaces marins dans ses attributions ;]2
7° "administrations concernées" : les administrations visées à l'article 2 de l'arrêté royal du 12 août 2000 instituant la commission consultative chargée d'assurer la coordination entre les administrations concernées par la gestion de l'exploration et de l'exploitation du plateau continental et de la mer territoriale et en fixant les modalités et les frais de fonctionnement;
8° "délégué du ministre" : le fonctionnaire désigné conformément à l'article 25;
9° [2 " loi du 11 décembre 2022 " : loi du 11 décembre 2022 visant la protection du milieu marin et l'organisation de l'aménagement des espaces marins belges ; ]2
[2 " 10° " la loi du 29 avril 1999 ": loi du 29 avril 1999 relative à l'organisation du marché de l'électricité. ]2
HOOFDSTUK II. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE II. - Dispositions générales.
Art.2. De [1 kabels]1 worden zodanig ingeplant dat de impact op de bezetting van de zeebodem zoveel mogelijk beperkt wordt, meer bepaald dat zij in de mate van het mogelijke worden aangelegd in de nabijheid van bestaande kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen, kabels en pijpleidingen, rekening houdend met de beschermde en voorbehouden zones bepaald in de bijlage van dit besluit.
Art.2. Les [1 câbles]1 sont implantés de manière à minimiser l'impact sur l'occupation du sol marin notamment en étant posés, dans la mesure du possible, au plus près des îles artificielles, installations et ouvrages, câbles et pipelines existants, en tenant compte des zones protégées et réservées prévues à l'annexe du présent arrêté.
Wijzigingen
Art.3. De [1 kabels]1 worden zodanig ontworpen, gerealiseerd en geplaatst dat exploitatie, onderhoud en ingrepen in alle veiligheid kunnen worden uitgevoerd.
Hiertoe worden ten minste de voorschriften vermeld in de bijlage bij dit besluit toegepast.
Hiertoe worden ten minste de voorschriften vermeld in de bijlage bij dit besluit toegepast.
Art.3. Les [1 câbles]1 sont conçus, réalisés et posés de manière à permettre une exploitation, un entretien et toutes interventions en sécurité.
A cet effet, les prescriptions reprises en annexe du présent arrêté sont, au minimum, d'application.
A cet effet, les prescriptions reprises en annexe du présent arrêté sont, au minimum, d'application.
Wijzigingen
Art.4. Tijdens de aanleg, de exploitatie of de eventuele ontmanteling worden alle nodige maatregelen inzake signalisatie en lichtbakens genomen, die bepaald zijn in de van kracht zijnde wetgeving en reglementering om het risico te voorkomen dat schepen, luchtschepen en andere drijvende of vliegende toestellen met de installaties zouden in botsing komen.
Art.4. Toutes les mesures de signalisation et de balisage au cours de la pose, en phase d'exploitation ou de démantèlement éventuel, prévues par les législation et réglementation en vigueur, sont prises afin de prévenir les risques de collision des installations par les navires, les aéronefs et autres engins flottants ou volants.
HOOFDSTUK III. - Toekenningscriteria.
CHAPITRE III. - Critères d'octroi.
Art.5. De criteria voor toekenning van vergunningen voor de aanleg van [2 kabels]2 zijn de volgende :
1° [2 Voor zover het een elektriciteitskabel betreft]2 de impact van de integratie van deze elektriciteitskabel in het elektrisch systeem, [3 op basis van het besluit genomen in uitvoering van artikel 11 van de wet van 29 april 1999]3, en met name rekening houdend met de betrouwbaarheid en de stabiliteit van het elektrisch systeem, de regelmatigheid van levering van elektrische energie, de kwaliteit van de geleverde elektriciteit en alle andere elementen die bijdragen tot de veiligheid en zekerheid van de elektrische netten en van de daaraan verbonden uitrustingen;
2° de kwaliteit van het project op technisch en economisch gebied, inzonderheid door de toepassing van de best beschikbare technologieën;
3° de kwaliteit van het voorgelegde plan inzake exploitatie en onderhoud;
4° [3 onverminderd de verplichtingen die op België rusten krachtens internationale verdragen:
a) de oprichting van de rechtspersoon-aanvrager overeenkomstig de Belgische wetgeving of de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of, indien de vergunningaanvraag betrekking heeft op de aansluiting voor een domeinconcessie bedoeld in artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999, van een ander land voor zover internationale overeenkomsten waardoor België is gebonden vereisen dat inschrijvers uit die landen aan de concurrerende inschrijvingsprocedure bedoeld in artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999 kunnen deelnemen;
b) de beschikking over een centrale administratie, een hoofdvestiging of een maatschappelijke zetel binnen een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, of, indien de vergunningaanvraag betrekking heeft op de aansluiting voor een domeinconcessie bedoeld in artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999, van een ander land voor zover internationale overeenkomsten waardoor België is gebonden vereisen dat inschrijvers uit die landen aan de concurrerende inschrijvingsprocedure bedoeld in artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999 kunnen deelnemen, op voorwaarde dat de activiteit van deze vestiging of maatschappelijke zetel een effectief en bestendig verband vertegenwoordigt met de economie van een van deze lidstaten;]3
5° ontstentenis van een toestand van faillissement [3 ...]3 of van vereffening uit hoofde van de aanvrager of van elke analoge situatie die het resultaat is van een procedure van dezelfde aard, die van kracht is in een nationale wetgeving of reglementering of van een lopende procedure die tot dat resultaat zou kunnen leiden;
6° ontstentenis van [1 de gerechtelijke reorganisatie]1 of van elke analoge situatie die het resultaat is van een procedure van dezelfde aard, die van kracht is in een nationale wetgeving of reglementering, [3 ...]3;
7° ontstentenis van veroordeling bij vonnis dat in kracht van gewijsde is getreden, uitgesproken ten aanzien van de aanvrager, krachtens artikel 5 van het Strafwetboek, [3 of van een persoon die lid is van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de aanvrager of daarin vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid heeft]3, voor een overtreding die na de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 tot instelling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen, ten laste zou zijn gelegd van de rechtspersoon;
8° technische bekwaamheden van de aanvrager of van de onderneming die met de oprichting van de elektriciteitskabel zal belast worden, inzonderheid geëvalueerd krachtens volgende criteria :
a) de vermelding van voorgaande realisaties aan de hand waarvan de technische kennis op dit gebied kan worden geëvalueerd, in hetzelfde of in een gelijkaardig domein, gedurende de drie jaar die het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend, voorafgaan;
b) [3 een organigram van de organisatorische structuur die de aanvrager voorstelt voor de uitvoering en uitbating van het project, met een beschrijving van de voorhanden profielen en aanduiding van de voorgestelde en inzetbare personeelsbezetting;]3
c) de technische middelen die men voor ogen heeft voor de realisatie van de werkzaamheden voor de aanleg en de exploitatie van de elektriciteitskabel waarop de aanvraag betrekking heeft;
9° de beschikking over een voldoende financiële en economische capaciteit, die inzonderheid zal geëvalueerd worden op basis van de documenten vermeld in artikel 6, § 2, 5° die door de aanvrager moeten verstrekt worden;
10° de verbintenis tot vestiging van voldoende risicodekking op het vlak van burgerlijke aansprakelijkheid met betrekking tot de geplande elektriciteitskabel;
11° de aanwezigheid bij de aanvrager van een aangepaste functionele [3 ...]3 structuur die de mogelijkheid biedt preventieve maatregelen te plannen en toe te passen teneinde de betrouwbaarheid en de veiligheid te verzekeren van de elektriciteitskabel waarvoor de aanvraag wordt ingediend en eveneens, desgevallend, te zorgen voor een buitendienststelling of definitieve afstand in optimale en veilige omstandigheden en met respect voor het milieu;
12° het voorstel van technische en financiële bepalingen voor de behandeling van [2 kabels]2 [3 door toepassing van de best beschikbare technieken]3 wanneer zij definitief buiten gebruik worden gesteld.
1° [2 Voor zover het een elektriciteitskabel betreft]2 de impact van de integratie van deze elektriciteitskabel in het elektrisch systeem, [3 op basis van het besluit genomen in uitvoering van artikel 11 van de wet van 29 april 1999]3, en met name rekening houdend met de betrouwbaarheid en de stabiliteit van het elektrisch systeem, de regelmatigheid van levering van elektrische energie, de kwaliteit van de geleverde elektriciteit en alle andere elementen die bijdragen tot de veiligheid en zekerheid van de elektrische netten en van de daaraan verbonden uitrustingen;
2° de kwaliteit van het project op technisch en economisch gebied, inzonderheid door de toepassing van de best beschikbare technologieën;
3° de kwaliteit van het voorgelegde plan inzake exploitatie en onderhoud;
4° [3 onverminderd de verplichtingen die op België rusten krachtens internationale verdragen:
a) de oprichting van de rechtspersoon-aanvrager overeenkomstig de Belgische wetgeving of de wetgeving van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of, indien de vergunningaanvraag betrekking heeft op de aansluiting voor een domeinconcessie bedoeld in artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999, van een ander land voor zover internationale overeenkomsten waardoor België is gebonden vereisen dat inschrijvers uit die landen aan de concurrerende inschrijvingsprocedure bedoeld in artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999 kunnen deelnemen;
b) de beschikking over een centrale administratie, een hoofdvestiging of een maatschappelijke zetel binnen een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, of, indien de vergunningaanvraag betrekking heeft op de aansluiting voor een domeinconcessie bedoeld in artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999, van een ander land voor zover internationale overeenkomsten waardoor België is gebonden vereisen dat inschrijvers uit die landen aan de concurrerende inschrijvingsprocedure bedoeld in artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999 kunnen deelnemen, op voorwaarde dat de activiteit van deze vestiging of maatschappelijke zetel een effectief en bestendig verband vertegenwoordigt met de economie van een van deze lidstaten;]3
5° ontstentenis van een toestand van faillissement [3 ...]3 of van vereffening uit hoofde van de aanvrager of van elke analoge situatie die het resultaat is van een procedure van dezelfde aard, die van kracht is in een nationale wetgeving of reglementering of van een lopende procedure die tot dat resultaat zou kunnen leiden;
6° ontstentenis van [1 de gerechtelijke reorganisatie]1 of van elke analoge situatie die het resultaat is van een procedure van dezelfde aard, die van kracht is in een nationale wetgeving of reglementering, [3 ...]3;
7° ontstentenis van veroordeling bij vonnis dat in kracht van gewijsde is getreden, uitgesproken ten aanzien van de aanvrager, krachtens artikel 5 van het Strafwetboek, [3 of van een persoon die lid is van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de aanvrager of daarin vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid heeft]3, voor een overtreding die na de inwerkingtreding van de wet van 4 mei 1999 tot instelling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen, ten laste zou zijn gelegd van de rechtspersoon;
8° technische bekwaamheden van de aanvrager of van de onderneming die met de oprichting van de elektriciteitskabel zal belast worden, inzonderheid geëvalueerd krachtens volgende criteria :
a) de vermelding van voorgaande realisaties aan de hand waarvan de technische kennis op dit gebied kan worden geëvalueerd, in hetzelfde of in een gelijkaardig domein, gedurende de drie jaar die het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend, voorafgaan;
b) [3 een organigram van de organisatorische structuur die de aanvrager voorstelt voor de uitvoering en uitbating van het project, met een beschrijving van de voorhanden profielen en aanduiding van de voorgestelde en inzetbare personeelsbezetting;]3
c) de technische middelen die men voor ogen heeft voor de realisatie van de werkzaamheden voor de aanleg en de exploitatie van de elektriciteitskabel waarop de aanvraag betrekking heeft;
9° de beschikking over een voldoende financiële en economische capaciteit, die inzonderheid zal geëvalueerd worden op basis van de documenten vermeld in artikel 6, § 2, 5° die door de aanvrager moeten verstrekt worden;
10° de verbintenis tot vestiging van voldoende risicodekking op het vlak van burgerlijke aansprakelijkheid met betrekking tot de geplande elektriciteitskabel;
11° de aanwezigheid bij de aanvrager van een aangepaste functionele [3 ...]3 structuur die de mogelijkheid biedt preventieve maatregelen te plannen en toe te passen teneinde de betrouwbaarheid en de veiligheid te verzekeren van de elektriciteitskabel waarvoor de aanvraag wordt ingediend en eveneens, desgevallend, te zorgen voor een buitendienststelling of definitieve afstand in optimale en veilige omstandigheden en met respect voor het milieu;
12° het voorstel van technische en financiële bepalingen voor de behandeling van [2 kabels]2 [3 door toepassing van de best beschikbare technieken]3 wanneer zij definitief buiten gebruik worden gesteld.
Art.5. Les critères d'octroi des autorisations en vue de la pose de [2 câbles]2 sont les suivants :
1° [2 pour autant qu'il s'agisse d'un câble d'énergie électrique]2 l'impact de l'intégration de ce câble d'énergie électrique dans le système électrique, [3 sur base de l'arrêté pris en application de l'article 11 de la loi du 29 avril 1999]3, et tenant compte, notamment, de la fiabilité et de la stabilité du système électrique, de la régularité de la fourniture d'énergie électrique, de la qualité de l'électricité fournie et de l'ensemble des autres éléments concourant à la sécurité et à la sûreté des réseaux électriques et des équipements associés;
2° la qualité du projet au point de vue technique et économique, notamment par la mise en oeuvre des meilleures technologies disponibles;
3° la qualité du plan d'exploitation et d'entretien présenté;
4° [3 sans préjudice des obligations assumées par la Belgique en vertu de traités internationaux:
a) la constitution de l'établissement de l'entité juridique - le demandeur conformément à la législation belge ou à celle d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen ou, si la demande d'autorisation concerne le raccordement d'un concession domaniale visée à l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999, d'un autre pays pour autant que des accords internationaux qui lient la Belgique exigent que des soumissionnaires ressortissants de ces pays puissent participer à la procédure de mise en concurrence visée à l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999 ;
b) la disposition d'une administration centrale, d'un principal établissement ou d'un siège social à l'intérieur d'un Etat membre de l'Espace économique européen, ou, si la demande d'autorisation concerne le raccordement d'une concession domaniale visée à l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999, d'un autre pays pour autant que des accords internationaux qui lient la Belgique exigent que des soumissionnaires ressortissants de ces pays puissent participer à la procédure de mise en concurrence visée à l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999 à condition que l'activité de cet établissement ou de ce siège social présente un lien effectif et continu avec l'économie de l'un de ces Etats ;]3;
5° l'absence d'état de faillite [3 ...]3 ou de liquidation dans le chef du demandeur ou de toute situation analogue résultant d'une procédure de même nature en vigueur dans une législation ou réglementation nationale, ou de procédure en cours susceptible d'aboutir à ce résultat;
6° l'absence de [1 réorganisation judiciaire]1 ou de toute situation analogue résultant d'une procédure de même nature en vigueur dans une législation ou réglementation nationale, [3 ...]3;
7° l'absence de condamnation par un jugement ayant force de chose jugée, prononcée à l'égard du demandeur sur base de l'article 5 du Code pénal, [3 ou d'une personne qui est membre de l'organe d'administration, de gestion ou de surveillance du demandeur ou qui dispose d'un pouvoir de représentation, de décision ou de contrôle]3, pour une infraction qui, après l'entrée en vigueur de la loi du 4 mai 1999 instaurant la responsabilité pénale des personnes morales, aurait été imputée à la personne morale;
8° les capacités techniques du demandeur ou de l'entreprise qui sera chargée de l'établissement du câble d'énergie électrique, évaluées notamment en vertu des critères suivants :
a) les références des réalisations antérieures qui permettent d'évaluer les connaissances techniques dans le même domaine ou dans un domaine similaire, au cours des trois années qui précèdent celle au cours de laquelle la demande est introduite;
b) [3 un organigramme de la structure organisationnelle proposée par le demandeur pour la mise en oeuvre et l'exploitation du projet, avec une description des profils disponibles et une indication de l'effectif proposé et déployable ; ]3
c) les moyens techniques envisagés pour la réalisation des travaux de pose et d'exploitation du câble d'énergie électrique faisant l'objet de la demande;
9° la disposition d'une capacité financière et économique suffisante, qui sera évaluée notamment sur base des documents, à fournir par le demandeur, repris à l'article 6, § 2, 5°;
10° l'engagement de la constitution d'une couverture suffisante du risque en matière de responsabilité civile occasionné par le câble d'énergie électrique projeté;
11° la présence chez le demandeur d'une structure fonctionnelle [3 ...]3 appropriée, permettant de planifier et d'adopter des mesures préventives en vue d'assurer la sûreté et la sécurité du câble d'énergie électrique faisant l'objet de la demande ainsi qu'en vue d'assurer, le cas échéant, une mise hors service ou un abandon définitif dans des conditions optimales de sécurité et de respect de l'environnement;
12° la proposition de dispositions techniques et financières pour le traitement des [2 câbles]2 [3 par la mise en oeuvre des meilleures techniques disponibles]3 lors de leur mise hors service définitive.
1° [2 pour autant qu'il s'agisse d'un câble d'énergie électrique]2 l'impact de l'intégration de ce câble d'énergie électrique dans le système électrique, [3 sur base de l'arrêté pris en application de l'article 11 de la loi du 29 avril 1999]3, et tenant compte, notamment, de la fiabilité et de la stabilité du système électrique, de la régularité de la fourniture d'énergie électrique, de la qualité de l'électricité fournie et de l'ensemble des autres éléments concourant à la sécurité et à la sûreté des réseaux électriques et des équipements associés;
2° la qualité du projet au point de vue technique et économique, notamment par la mise en oeuvre des meilleures technologies disponibles;
3° la qualité du plan d'exploitation et d'entretien présenté;
4° [3 sans préjudice des obligations assumées par la Belgique en vertu de traités internationaux:
a) la constitution de l'établissement de l'entité juridique - le demandeur conformément à la législation belge ou à celle d'un autre Etat membre de l'Espace économique européen ou, si la demande d'autorisation concerne le raccordement d'un concession domaniale visée à l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999, d'un autre pays pour autant que des accords internationaux qui lient la Belgique exigent que des soumissionnaires ressortissants de ces pays puissent participer à la procédure de mise en concurrence visée à l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999 ;
b) la disposition d'une administration centrale, d'un principal établissement ou d'un siège social à l'intérieur d'un Etat membre de l'Espace économique européen, ou, si la demande d'autorisation concerne le raccordement d'une concession domaniale visée à l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999, d'un autre pays pour autant que des accords internationaux qui lient la Belgique exigent que des soumissionnaires ressortissants de ces pays puissent participer à la procédure de mise en concurrence visée à l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999 à condition que l'activité de cet établissement ou de ce siège social présente un lien effectif et continu avec l'économie de l'un de ces Etats ;]3;
5° l'absence d'état de faillite [3 ...]3 ou de liquidation dans le chef du demandeur ou de toute situation analogue résultant d'une procédure de même nature en vigueur dans une législation ou réglementation nationale, ou de procédure en cours susceptible d'aboutir à ce résultat;
6° l'absence de [1 réorganisation judiciaire]1 ou de toute situation analogue résultant d'une procédure de même nature en vigueur dans une législation ou réglementation nationale, [3 ...]3;
7° l'absence de condamnation par un jugement ayant force de chose jugée, prononcée à l'égard du demandeur sur base de l'article 5 du Code pénal, [3 ou d'une personne qui est membre de l'organe d'administration, de gestion ou de surveillance du demandeur ou qui dispose d'un pouvoir de représentation, de décision ou de contrôle]3, pour une infraction qui, après l'entrée en vigueur de la loi du 4 mai 1999 instaurant la responsabilité pénale des personnes morales, aurait été imputée à la personne morale;
8° les capacités techniques du demandeur ou de l'entreprise qui sera chargée de l'établissement du câble d'énergie électrique, évaluées notamment en vertu des critères suivants :
a) les références des réalisations antérieures qui permettent d'évaluer les connaissances techniques dans le même domaine ou dans un domaine similaire, au cours des trois années qui précèdent celle au cours de laquelle la demande est introduite;
b) [3 un organigramme de la structure organisationnelle proposée par le demandeur pour la mise en oeuvre et l'exploitation du projet, avec une description des profils disponibles et une indication de l'effectif proposé et déployable ; ]3
c) les moyens techniques envisagés pour la réalisation des travaux de pose et d'exploitation du câble d'énergie électrique faisant l'objet de la demande;
9° la disposition d'une capacité financière et économique suffisante, qui sera évaluée notamment sur base des documents, à fournir par le demandeur, repris à l'article 6, § 2, 5°;
10° l'engagement de la constitution d'une couverture suffisante du risque en matière de responsabilité civile occasionné par le câble d'énergie électrique projeté;
11° la présence chez le demandeur d'une structure fonctionnelle [3 ...]3 appropriée, permettant de planifier et d'adopter des mesures préventives en vue d'assurer la sûreté et la sécurité du câble d'énergie électrique faisant l'objet de la demande ainsi qu'en vue d'assurer, le cas échéant, une mise hors service ou un abandon définitif dans des conditions optimales de sécurité et de respect de l'environnement;
12° la proposition de dispositions techniques et financières pour le traitement des [2 câbles]2 [3 par la mise en oeuvre des meilleures techniques disponibles]3 lors de leur mise hors service définitive.
HOOFDSTUK IV. - Indiening van de aanvragen.
CHAPITRE IV. - Introduction des demandes.
Art.6. § 1. [2 De aanvragen tot vergunning voor de aanleg van kabels worden door een rechtspersoon gericht aan de minister of zijn afgevaardigde. De aanvragen tot vergunning voor de aanleg van kabels worden ingediend op elektronische wijze, of op een elektronische informatiedrager in vijf exemplaren.
De afgevaardigde van de minister kan eveneens papieren exemplaren van het geheel of een gedeelte van het dossier opvragen.
Indien de vergunningaanvraag betrekking heeft op de aansluiting voor een domeinconcessie bedoeld in artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999, wordt de aanvraag ingediend volgens de procedure vastgesteld overeenkomstig artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999.]2.
§ 2. [2 De aanvraag wordt ingediend gebruikmakend van het modelformulier dat door de afgevaardigde van de minister ter beschikking wordt gesteld op de website van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, en bevat ten minste:]2
1° Naam, voornaam, beroep, woonplaats en nationaliteit van de aanvrager;
2° [2 ...]2 de naam van de vennootschap, de rechtsvorm, de maatschappelijke zetel en desgevallend de statuten ervan alsook de documenten waarin de bevoegdheid van de ondertekenaars van de aanvraag wordt bevestigd;
3° Een [2 hoofdstuk]2 betreffende het voorwerp met een globale beschrijving van het project;
4° Een [2 hoofdstuk dat]2 beantwoordt aan elk van de criteria die in artikel 5 zijn bedoeld;
5° Indien de aanvrager wegens een grondige reden niet in staat is de gevraagde documenten voor te leggen een geval waarin hij gemachtigd is zijn financieel vermogen te bewijzen met ieder ander passend document een [2 hoofdstuk]2 die de beoordeling van de financiële en economische draagkracht van de aanvrager moet toelaten, inzonderheid samen met de volgende elementen die voor echt worden verklaard door een Belgische bedrijfsrevisor of een persoon met evenwaardige hoedanigheid volgens de wetgeving van de Staat waarvan de aanvrager afhangt :
a) bankattesten of passende financiële waarborgen;
b) de drie laatste balansen en resultatenrekeningen van de onderneming;
c) de omvang van de eigen middelen;
d) [2 een financieringsplan die de robuustheid van de financiering aantoont met een gedetailleerde beschrijving van de wijze waarop het project zal worden gefinancierd inclusief de beoogde financiers en het beoogde aandeel dat zij zouden dragen]2;
e) een becijferd voorstel van een verzekeringsmaatschappij met maatschappelijke zetel in België of in een ander land van de Europese Economische Ruimte voor de risicodekking op het vlak van de burgerlijke aansprakelijkheid met betrekking tot de geplande elektriciteitskabel;
[2 f) een realistisch zakelijk plan dat een inschatting van de kosten en opbrengsten bevat evenals de voornaamste assumpties van deze inschatting met inbegrip van een prognose van de opbrengst.]2
6° [1 Voor zover het een elektriciteitskabel betreft]1 een [2 hoofdstuk]2 met beschrijving van het project waarvoor de aanvraag wordt ingediend en de technische maatregelen die genomen worden voor een correcte integratie in het overeenstemmende elektrische net alsook van de bepalingen voor de exploitatie en het onderhoud;
7° [2 Een dieptekaart in projectie WGS 84 op schaal 1:100.000]2 waarop volgende elementen zijn aangeduid :
a) [2 het geplande tracé van de kabel met in bijlage een tabel van de gebruikte conventionele tekens en de coördinaten van de punten met richtingverandering in WGS 84 (xx° xx,xxxxxx') en WGS 84 UTM31N dit zowel in xlsx-formaat, PDF, als een shapefile;]2
b) de pijpleidingen en kabels die gekruist worden of gelegen zijn in een zone van duizend meter aan weerszijden van de geplande elektriciteitskabel;
c) de kunstmatige eilanden en windmolens die gelegen zijn in een zone van vijfhonderd meter van de elektriciteitskabel;
d) de [1 kabels]1 die gelegen zijn in een zone van tweehonderd vijftig meter aan weerszijden van de geplande elektriciteitskabel;
e) de zones die bepaald zijn in artikel 1,§ 1, van het koninklijk besluit van 16 mei 1977 houdende maatregelen tot bescherming van de scheepvaart, de zeevisserij, het milieu en andere wezenlijke belangen bij de exploratie en exploitatie van minerale en andere niet-levende rijkdommen van de zeebedding en de ondergrond in de territoriale zee en op het continentaal plat;
f) de beschermde zeegebieden gecreëerd krachtens [2 artikel 9 van de wet van 11 december 2022]2;
8° De kruisingsplannen die zijn opgesteld samen met de eigenaar of de beheerder van de bestaande kabels of pijpleidingen die zullen gekruist worden door de geplande [2 kabel]2 in horizontale en verticale projectie op toereikende schaal;
9° De plannen op een minimale schaal van 1 : 10.000 met vermelding in horizontale en verticale projectie van de kruisingen met de commerciële zeevaartroutes en van de anker- en beschermingszones voor sturing en geleiding van schepen;
10° Een [2 hoofdstuk]2 met de beschrijving van de uit te voeren aanleg- en exploitatie-activiteiten, de bij elke etappe aangewende technische middelen alsook de toepassing ervan, met inbegrip van de aanwijzende planning van al deze activiteiten;
11° Een [2 hoofdstuk]2 met beschrijving van de technische maatregelen die opgelegd zijn bij het definitief buiten gebruik stellen van de [2 kabel]2 en van de financiële maatregelen die de realisatie van die maatregelen moeten waarborgen;
12° [2 ...]2;
13° De inlichtingen en documenten bepaald in de bijlage bij dit besluit;
§ 3. De minister of zijn afgevaardigde kan bijkomende kopieën opvragen van alle of een gedeelte van de documenten bedoeld in § 2.
§ 4. De documenten en attesten gevraagd krachtens § 2, 4° en 5°, moeten niet verstrekt worden indien zij gedurende het lopende jaar aan de minister zijn overgemaakt. In dat geval vermeldt de aanvrager de referentie van de aanvraag waaraan deze documenten werden toegevoegd.
De afgevaardigde van de minister kan eveneens papieren exemplaren van het geheel of een gedeelte van het dossier opvragen.
Indien de vergunningaanvraag betrekking heeft op de aansluiting voor een domeinconcessie bedoeld in artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999, wordt de aanvraag ingediend volgens de procedure vastgesteld overeenkomstig artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999.]2.
§ 2. [2 De aanvraag wordt ingediend gebruikmakend van het modelformulier dat door de afgevaardigde van de minister ter beschikking wordt gesteld op de website van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, en bevat ten minste:]2
1° Naam, voornaam, beroep, woonplaats en nationaliteit van de aanvrager;
2° [2 ...]2 de naam van de vennootschap, de rechtsvorm, de maatschappelijke zetel en desgevallend de statuten ervan alsook de documenten waarin de bevoegdheid van de ondertekenaars van de aanvraag wordt bevestigd;
3° Een [2 hoofdstuk]2 betreffende het voorwerp met een globale beschrijving van het project;
4° Een [2 hoofdstuk dat]2 beantwoordt aan elk van de criteria die in artikel 5 zijn bedoeld;
5° Indien de aanvrager wegens een grondige reden niet in staat is de gevraagde documenten voor te leggen een geval waarin hij gemachtigd is zijn financieel vermogen te bewijzen met ieder ander passend document een [2 hoofdstuk]2 die de beoordeling van de financiële en economische draagkracht van de aanvrager moet toelaten, inzonderheid samen met de volgende elementen die voor echt worden verklaard door een Belgische bedrijfsrevisor of een persoon met evenwaardige hoedanigheid volgens de wetgeving van de Staat waarvan de aanvrager afhangt :
a) bankattesten of passende financiële waarborgen;
b) de drie laatste balansen en resultatenrekeningen van de onderneming;
c) de omvang van de eigen middelen;
d) [2 een financieringsplan die de robuustheid van de financiering aantoont met een gedetailleerde beschrijving van de wijze waarop het project zal worden gefinancierd inclusief de beoogde financiers en het beoogde aandeel dat zij zouden dragen]2;
e) een becijferd voorstel van een verzekeringsmaatschappij met maatschappelijke zetel in België of in een ander land van de Europese Economische Ruimte voor de risicodekking op het vlak van de burgerlijke aansprakelijkheid met betrekking tot de geplande elektriciteitskabel;
[2 f) een realistisch zakelijk plan dat een inschatting van de kosten en opbrengsten bevat evenals de voornaamste assumpties van deze inschatting met inbegrip van een prognose van de opbrengst.]2
6° [1 Voor zover het een elektriciteitskabel betreft]1 een [2 hoofdstuk]2 met beschrijving van het project waarvoor de aanvraag wordt ingediend en de technische maatregelen die genomen worden voor een correcte integratie in het overeenstemmende elektrische net alsook van de bepalingen voor de exploitatie en het onderhoud;
7° [2 Een dieptekaart in projectie WGS 84 op schaal 1:100.000]2 waarop volgende elementen zijn aangeduid :
a) [2 het geplande tracé van de kabel met in bijlage een tabel van de gebruikte conventionele tekens en de coördinaten van de punten met richtingverandering in WGS 84 (xx° xx,xxxxxx') en WGS 84 UTM31N dit zowel in xlsx-formaat, PDF, als een shapefile;]2
b) de pijpleidingen en kabels die gekruist worden of gelegen zijn in een zone van duizend meter aan weerszijden van de geplande elektriciteitskabel;
c) de kunstmatige eilanden en windmolens die gelegen zijn in een zone van vijfhonderd meter van de elektriciteitskabel;
d) de [1 kabels]1 die gelegen zijn in een zone van tweehonderd vijftig meter aan weerszijden van de geplande elektriciteitskabel;
e) de zones die bepaald zijn in artikel 1,§ 1, van het koninklijk besluit van 16 mei 1977 houdende maatregelen tot bescherming van de scheepvaart, de zeevisserij, het milieu en andere wezenlijke belangen bij de exploratie en exploitatie van minerale en andere niet-levende rijkdommen van de zeebedding en de ondergrond in de territoriale zee en op het continentaal plat;
f) de beschermde zeegebieden gecreëerd krachtens [2 artikel 9 van de wet van 11 december 2022]2;
8° De kruisingsplannen die zijn opgesteld samen met de eigenaar of de beheerder van de bestaande kabels of pijpleidingen die zullen gekruist worden door de geplande [2 kabel]2 in horizontale en verticale projectie op toereikende schaal;
9° De plannen op een minimale schaal van 1 : 10.000 met vermelding in horizontale en verticale projectie van de kruisingen met de commerciële zeevaartroutes en van de anker- en beschermingszones voor sturing en geleiding van schepen;
10° Een [2 hoofdstuk]2 met de beschrijving van de uit te voeren aanleg- en exploitatie-activiteiten, de bij elke etappe aangewende technische middelen alsook de toepassing ervan, met inbegrip van de aanwijzende planning van al deze activiteiten;
11° Een [2 hoofdstuk]2 met beschrijving van de technische maatregelen die opgelegd zijn bij het definitief buiten gebruik stellen van de [2 kabel]2 en van de financiële maatregelen die de realisatie van die maatregelen moeten waarborgen;
12° [2 ...]2;
13° De inlichtingen en documenten bepaald in de bijlage bij dit besluit;
§ 3. De minister of zijn afgevaardigde kan bijkomende kopieën opvragen van alle of een gedeelte van de documenten bedoeld in § 2.
§ 4. De documenten en attesten gevraagd krachtens § 2, 4° en 5°, moeten niet verstrekt worden indien zij gedurende het lopende jaar aan de minister zijn overgemaakt. In dat geval vermeldt de aanvrager de referentie van de aanvraag waaraan deze documenten werden toegevoegd.
Art.6. § 1er. [2 Les demandes d'autorisation de pose de câbles sont adressées par une personne morale au ministre ou à son délégué. Les demandes d'autorisation de pose de câbles sont introduites par voie électronique, ou sur un support électronique de données en cinq exemplaires.
Le délégué du ministre peut également demander des copies papier de tout ou partie du dossier.
Si la demande d'autorisation concerne le raccordement d'une concession domaniale visée à l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999, la demande est introduite selon la procédure déterminée conformément à l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999.]2.
§ 2. [2 La demande est introduite au moyen du modèle de formulaire mis à disposition par le délégué du ministre sur le site internet du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, et contient au moins :]2
1° Les nom, prénom, profession, domicile et nationalité du demandeur;
2° [2 ...]2 la dénomination sociale, la forme juridique, le siège social et, le cas échéant, les statuts de celle-ci, ainsi que les documents attestant des pouvoirs des signataires de la demande;
3° [2 Un chapitre ]2 reprenant l'objet et la description globale du projet;
4° [2 Un chapitre]2 répondant à chacun des critères visés à l'article 5;
5° A moins que, pour une raison justifiée, le demandeur ne soit pas en mesure de fournir ces documents, auquel cas il peut prouver ses capacités financières par tout autre document approprié, [2 un chapitre]2 permettant d'apprécier la capacité financière et économique du demandeur, comprenant notamment les éléments suivants, certifiés par un réviseur d'entreprise belge ou une personne de qualité équivalente suivant la législation de l'Etat dont dépend le demandeur :
a) des attestations bancaires ou garanties financières appropriées;
b) les trois derniers bilans et comptes de résultats de l'entreprise;
c) la hauteur des fonds propres;
d) [2 un plan de financement qui montre la robustesse du financement en détaillant le mode de financement du projet, comprenant les investisseurs prévus et la part envisagée de leur contribution]2;
e) une proposition chiffrée d'une compagnie d'assurance ayant son siège en Belgique ou dans un autre Etat de l'Espace économique européen, pour la couverture du risque en matière de responsabilité civile créé par le câble d'énergie électrique projeté;
[2 f) un plan d'entreprise réaliste qui comprend une estimation des coûts et des recettes ainsi que les principales hypothèses de cette estimation, y compris une prévision du rendement.]2
6° [1 Pour autant qu'il s'agisse d'un câble d'énergie électrique]1 [2 un chapitre]2 décrivant le projet faisant l'objet de la demande et les conditions techniques prises pour assurer son insertion correcte dans le réseau électrique correspondant, ainsi que les dispositions pour l'exploitation et l'entretien;
7° [2 Une carte des profondeurs en projection WGS 84 à l'échelle 1:100.000 ]2 sur laquelle sont indiqués :
a) [2 l'itinéraire prévu du câble avec en annexe un tableau des signes conventionnels utilisés et les coordonnées des points de changement de direction en WGS 84 (xx° xx,xxxxxx') et en WGS 84 UTM31N, tous deux au format xlsx, PDF, et un fichier shapefile ;]2
b) les pipelines et les câbles croisés ou situés dans une zone de mille mètres de part et d'autre du câble d'énergie électrique prévu;
c) les îles artificielles, installations et ouvrages situés dans une zone de cinq cent mètres du câble d'énergie électrique;
d) les [1 câbles ]1 situés dans une zone de deux cent cinquante mètres de part et d'autre du câble d'énergie électrique prévu;
e) les zones définies à l'article 1er, § 1er, de l'arrêté royal du 16 mai 1977 portant des mesures de protection de la navigation, de la pêche maritime, de l'environnement et d'autres intérêts essentiels lors de l'exploration et d'exploitation des ressources minérales et autres ressources non vivantes du lit de la mer et du sous-sol dans la mer territoriale et sur le plateau continental;
f) les aires marines protégées créées en vertu de [2 l'article 9 de la loi du 11 décembre 2022 ]2;
8° Les plans de croisement établis conjointement avec le propriétaire ou le gestionnaire des câbles ou des pipelines existants qui seront croisés par [2 câble]2 en projection horizontale et verticale nécessaires à une échelle suffisante;
9° Les plans à une échelle minimale de 1 : 10.000 indiquant en projection horizontale et verticale les croisements des couloirs de navigation maritime commerciale ainsi que des zones d'ancrage et de protection aux fins de pilotage et du guidage des navires;
10° [2 Un chapitre]2 reprenant la description des activités de pose et d'exploitation à effectuer, des moyens techniques utilisés pour chaque étape des activités ainsi que de leur mise en oeuvre, y compris le planning indicatif de toutes ces activités;
11° [2 Un chapitre]2 décrivant les mesures techniques prévues lors de la mise hors service définitive du [2 câble]2 et les mesures financières destinées à garantir la réalisation de ces mesures;
12° [2 ...]2;
13° Les renseignements et documents prévus à l'annexe du présent arrêté;
§ 3. Le ministre ou son délégué peut exiger des copies supplémentaires de tout ou partie des documents visés au § 2.
§ 4. Les documents et attestations demandés en vertu du § 2, 4° et 5° ne doivent pas être fournis s'ils ont fait l'objet d'une transmission au ministre dans l'année en cours. Dans ce cas, le demandeur précise la référence de la demande à laquelle ces documents ont été joints.
Le délégué du ministre peut également demander des copies papier de tout ou partie du dossier.
Si la demande d'autorisation concerne le raccordement d'une concession domaniale visée à l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999, la demande est introduite selon la procédure déterminée conformément à l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999.]2.
§ 2. [2 La demande est introduite au moyen du modèle de formulaire mis à disposition par le délégué du ministre sur le site internet du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie, et contient au moins :]2
1° Les nom, prénom, profession, domicile et nationalité du demandeur;
2° [2 ...]2 la dénomination sociale, la forme juridique, le siège social et, le cas échéant, les statuts de celle-ci, ainsi que les documents attestant des pouvoirs des signataires de la demande;
3° [2 Un chapitre ]2 reprenant l'objet et la description globale du projet;
4° [2 Un chapitre]2 répondant à chacun des critères visés à l'article 5;
5° A moins que, pour une raison justifiée, le demandeur ne soit pas en mesure de fournir ces documents, auquel cas il peut prouver ses capacités financières par tout autre document approprié, [2 un chapitre]2 permettant d'apprécier la capacité financière et économique du demandeur, comprenant notamment les éléments suivants, certifiés par un réviseur d'entreprise belge ou une personne de qualité équivalente suivant la législation de l'Etat dont dépend le demandeur :
a) des attestations bancaires ou garanties financières appropriées;
b) les trois derniers bilans et comptes de résultats de l'entreprise;
c) la hauteur des fonds propres;
d) [2 un plan de financement qui montre la robustesse du financement en détaillant le mode de financement du projet, comprenant les investisseurs prévus et la part envisagée de leur contribution]2;
e) une proposition chiffrée d'une compagnie d'assurance ayant son siège en Belgique ou dans un autre Etat de l'Espace économique européen, pour la couverture du risque en matière de responsabilité civile créé par le câble d'énergie électrique projeté;
[2 f) un plan d'entreprise réaliste qui comprend une estimation des coûts et des recettes ainsi que les principales hypothèses de cette estimation, y compris une prévision du rendement.]2
6° [1 Pour autant qu'il s'agisse d'un câble d'énergie électrique]1 [2 un chapitre]2 décrivant le projet faisant l'objet de la demande et les conditions techniques prises pour assurer son insertion correcte dans le réseau électrique correspondant, ainsi que les dispositions pour l'exploitation et l'entretien;
7° [2 Une carte des profondeurs en projection WGS 84 à l'échelle 1:100.000 ]2 sur laquelle sont indiqués :
a) [2 l'itinéraire prévu du câble avec en annexe un tableau des signes conventionnels utilisés et les coordonnées des points de changement de direction en WGS 84 (xx° xx,xxxxxx') et en WGS 84 UTM31N, tous deux au format xlsx, PDF, et un fichier shapefile ;]2
b) les pipelines et les câbles croisés ou situés dans une zone de mille mètres de part et d'autre du câble d'énergie électrique prévu;
c) les îles artificielles, installations et ouvrages situés dans une zone de cinq cent mètres du câble d'énergie électrique;
d) les [1 câbles ]1 situés dans une zone de deux cent cinquante mètres de part et d'autre du câble d'énergie électrique prévu;
e) les zones définies à l'article 1er, § 1er, de l'arrêté royal du 16 mai 1977 portant des mesures de protection de la navigation, de la pêche maritime, de l'environnement et d'autres intérêts essentiels lors de l'exploration et d'exploitation des ressources minérales et autres ressources non vivantes du lit de la mer et du sous-sol dans la mer territoriale et sur le plateau continental;
f) les aires marines protégées créées en vertu de [2 l'article 9 de la loi du 11 décembre 2022 ]2;
8° Les plans de croisement établis conjointement avec le propriétaire ou le gestionnaire des câbles ou des pipelines existants qui seront croisés par [2 câble]2 en projection horizontale et verticale nécessaires à une échelle suffisante;
9° Les plans à une échelle minimale de 1 : 10.000 indiquant en projection horizontale et verticale les croisements des couloirs de navigation maritime commerciale ainsi que des zones d'ancrage et de protection aux fins de pilotage et du guidage des navires;
10° [2 Un chapitre]2 reprenant la description des activités de pose et d'exploitation à effectuer, des moyens techniques utilisés pour chaque étape des activités ainsi que de leur mise en oeuvre, y compris le planning indicatif de toutes ces activités;
11° [2 Un chapitre]2 décrivant les mesures techniques prévues lors de la mise hors service définitive du [2 câble]2 et les mesures financières destinées à garantir la réalisation de ces mesures;
12° [2 ...]2;
13° Les renseignements et documents prévus à l'annexe du présent arrêté;
§ 3. Le ministre ou son délégué peut exiger des copies supplémentaires de tout ou partie des documents visés au § 2.
§ 4. Les documents et attestations demandés en vertu du § 2, 4° et 5° ne doivent pas être fournis s'ils ont fait l'objet d'une transmission au ministre dans l'année en cours. Dans ce cas, le demandeur précise la référence de la demande à laquelle ces documents ont été joints.
HOOFDSTUK V. - Behandeling van de aanvragen.
CHAPITRE V. - Traitement des demandes.
Art.7. De afgevaardigde van de minister controleert of het bij de aanvraag gevoegde dossier alle in artikel 6 bedoelde documenten bevat.
Indien het dossier onvolledig is, wordt de aanvrager daarvan in kennis gesteld binnen tien werkdagen na ontvangst van dit dossier door de afgevaardigde van de minister, met vermelding van de vastgestelde ontbrekende elementen, waarna de aanvrager zijn aanvraag dient aan te vullen binnen tien werkdagen na ontvangst van die informatie.
Indien het dossier onvolledig is, wordt de aanvrager daarvan in kennis gesteld binnen tien werkdagen na ontvangst van dit dossier door de afgevaardigde van de minister, met vermelding van de vastgestelde ontbrekende elementen, waarna de aanvrager zijn aanvraag dient aan te vullen binnen tien werkdagen na ontvangst van die informatie.
Art.7. Le délégué du ministre vérifie si le dossier annexé à la demande comprend l'ensemble des documents visés à l'article 6.
Si le dossier est incomplet, l'information est transmise au demandeur dans les dix jours ouvrables de la réception de ce dossier par le délégué du ministre, avec mention des manquements constatés, à charge pour le demandeur de compléter sa demande dans les dix jours ouvrables de la réception par celui-ci de cette information.
Si le dossier est incomplet, l'information est transmise au demandeur dans les dix jours ouvrables de la réception de ce dossier par le délégué du ministre, avec mention des manquements constatés, à charge pour le demandeur de compléter sa demande dans les dix jours ouvrables de la réception par celui-ci de cette information.
Art.8. Binnen vijftien werkdagen volgend op de ontvangst van de aanvraag, eventueel vermeerderd met de termijn die de aanvrager nodig had om zijn dossier aan te vullen, maakt de afgevaardigde van de minister het dossier voor aanvraag tot vergunning over :
1° voor advies, aan de betrokken administraties en aan elke administratie die bij de aanvraag zou kunnen betrokken zijn;
2° voor de beoordeling van de milieueffecten, aan de Beheerseenheid van het mathematisch model van de Noordzee en de Scheldemonding.
1° voor advies, aan de betrokken administraties en aan elke administratie die bij de aanvraag zou kunnen betrokken zijn;
2° voor de beoordeling van de milieueffecten, aan de Beheerseenheid van het mathematisch model van de Noordzee en de Scheldemonding.
Art.8. Dans les quinze jours ouvrables de la réception de la demande, éventuellement augmentés du délai mis par le demandeur pour compléter son dossier, le délégué du ministre transmet le dossier de demande d'autorisation :
1° pour avis, aux administrations concernées ainsi qu'à toute autre administration qui pourrait être intéressée par la demande;
2° pour évaluation des incidences sur l'environnement, à l'Unité de Gestion du Modèle mathématique de la Mer du Nord et de l'Estuaire de l'Escaut.
1° pour avis, aux administrations concernées ainsi qu'à toute autre administration qui pourrait être intéressée par la demande;
2° pour évaluation des incidences sur l'environnement, à l'Unité de Gestion du Modèle mathématique de la Mer du Nord et de l'Estuaire de l'Escaut.
Art.9. Binnen een termijn van vijftien werkdagen nadat zij het dossier voor aanvraag tot vergunning ontvangen hebben, kunnen de krachtens artikel 8 geraadpleegde administraties de afgevaardigde van de minister verzoeken om bijkomende inlichtingen die nodig zijn voor het onderzoek bedoeld in artikel 8. In dat geval vraagt de afgevaardigde van de minister aan de aanvrager binnen tien werkdagen na ontvangst van het verzoek dat hij vanwege de geraadpleegde administraties heeft ontvangen, om hem de aldus gevraagde bijkomende inlichtingen over te maken. De aanvrager beantwoordt dat verzoek binnen tien werkdagen na ontvangst van de overmaking van het verzoek van de geraadpleegde administraties door de afgevaardigde van de minister.
In het geval bedoeld in het eerste lid wordt de termijn bepaald in artikel 10 verlengd met de antwoordtermijnen van de afgevaardigde van de minister en van de aanvrager.
In het geval bedoeld in het eerste lid wordt de termijn bepaald in artikel 10 verlengd met de antwoordtermijnen van de afgevaardigde van de minister en van de aanvrager.
Art.9. Les administrations consultées en vertu de l'article 8, peuvent, endéans un délai de quinze jours ouvrables à partir de la réception par celles-ci du dossier de demande d'autorisation, requérir au délégué du ministre la communication d'informations complémentaires, nécessaires à l'examen visé à l'article 8. Dans ce cas, le délégué du ministre sollicite auprès du demandeur, dans les dix jours ouvrables de la réception des requêtes qui lui ont été communiquées par les administrations consultées, la communication à ces dernières des informations complémentaires ainsi requises. Le demandeur procède à cette communication dans les dix jours ouvrables de la réception de la transmission qui lui est faite, par le délégué du ministre, des requêtes des administrations consultées.
Dans l'hypothèse visée à l'alinéa premier, le délai prescrit à l'article 10 est prolongé à concurrence des délais de réponse du délégué du ministre et du demandeur.
Dans l'hypothèse visée à l'alinéa premier, le délai prescrit à l'article 10 est prolongé à concurrence des délais de réponse du délégué du ministre et du demandeur.
Art.10. Binnen veertig werkdagen nadat de zaak bij hen aanhangig werd gemaakt, verlenen de administraties vermeld in artikel 8 aan de afgevaardigde van de minister hun advies en hun evaluatie van de impact op het milieu. Deze adviezen kunnen gepaard gaan met technische voorwaarden betreffende de vergunning, inzonderheid wat artikel 15, 5° betreft. Bij gebrek aan advies of evaluatie binnen genoemde termijn, wordt dit gunstig geacht.
Art.10. Dans les quarante jours ouvrables suivant leur saisine, les administrations mentionnées à l'article 8 rendent leur avis et leur évaluation des incidences sur l'environnement au délégué du ministre. Ceux-ci peuvent être assortis de conditions techniques relatives à l'autorisation, notamment en ce qui concerne l'article 15, 5°. A défaut d'avis ou d'évaluation rendu dans le délai mentionné, celui-ci est réputé favorable.
Art.11. Binnen twintig werkdagen na de ontvangst door de afgevaardigde van de minister van de adviezen en van de evaluatie van de impact op het milieu krachtens artikel 10, of, bij gebrek aan adviezen bij het verstrijken van de in dat artikel bedoelde termijn, eventueel verlengd overeenkomstig artikel 9, tweede lid, (maakt de afgevaardigde van de minister zijn voorstel tot toekenning of weigering voor beslissing over aan de minister). Het wordt vergezeld van de evaluatie van de impact op het milieu en van het advies van de administraties vermeld in artikel 8, eerste lid, 1°.
Art.11. Dans les vingt jours ouvrables qui suivent la réception par le délégué du ministre des avis et de l'évaluation des incidences sur l'environnement en vertu de l'article 10, ou, à défaut d'avis, à l'expiration du délai visé dans cet article, éventuellement prolongé conformément à l'article 9, alinéa 2, le délégué du ministre transmet une proposition d'octroi ou de refus de l'autorisation, pour décision, au ministre. Elle est accompagnée de l'évaluation de l'incidence sur l'environnement et de l'avis des administrations mentionnées à l'article 8, alinéa 1er,1°.
Art.12. De vergunning wordt verleend bij met redenen omkleed ministerieel besluit dat in het bijzonder rekening houdt met de conclusies omtrent de evaluatie van de impact op het milieu. Het ministerieel besluit van vergunning wordt genomen binnen een termijn van vijfentwintig werkdagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het voorstel bedoeld in artikel 11. Dat besluit wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. De voorwaarden betreffende elke vergunning worden bepaald bij het ministerieel besluit van toekenning.
Een voor eensluidend verklaard afschrift van het ministerieel besluit van toekenning wordt gestuurd naar de aanvrager en naar de administraties vermeld in artikel 8.
Een voor eensluidend verklaard afschrift van het ministerieel besluit van toekenning wordt gestuurd naar de aanvrager en naar de administraties vermeld in artikel 8.
Art.12. L'autorisation est accordée par arrêté ministériel motivé tenant compte notamment des conclusions de l'évaluation des incidences sur l'environnement. L'arrêté ministériel d'autorisation est pris dans un délai de vingt-cinq jours ouvrables prenant cours à la date de réception de la proposition visée à l'article 11. Cet arrêté est publié, par extrait, au Moniteur belge . Les conditions relatives à chaque autorisation sont déterminées par l'arrêté ministériel d'octroi.
Une copie certifiée conforme de l'arrêté ministériel d'octroi est envoyée au demandeur ainsi qu'aux administrations mentionnées à l'article 8.
Une copie certifiée conforme de l'arrêté ministériel d'octroi est envoyée au demandeur ainsi qu'aux administrations mentionnées à l'article 8.
Art.13. Indien de Minister beslist om de vergunning niet toe te kennen, wordt de aanvrager hiervan op de hoogte gebracht per aangetekend schrijven, binnen vijfentwintig werkdagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het in artikel 11 bedoelde voorstel.
Art.13. Si le ministre décide de ne pas octroyer l'autorisation, le demandeur en est informé par lettre recommandée, dans les vingt-cinq jours ouvrables prenant cours à la date de réception de la proposition visée à l'article 11.
HOOFDSTUK Vbis. [1 Hoofdstuk Vbis Behandeling van de aanvragen indien de vergunningaanvraag betrekking heeft op de aansluiting voor een domeinconcessie bedoeld in artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999.]1
CHAPITRE Vbis. [1 Traitement des demandes si la demande d'autorisation concerne le raccordement d'une concession domaniale visée à l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999 ]1
Art. 13/1. [1 In het geval een concurrerende inschrijvingsprocedure wordt georganiseerd overeenkomstig artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999, raadpleegt de afgevaardigde van de minister voorafgaand aan voornoemde procedure de betrokken administraties aangaande eventuele randvoorwaarden en mogelijke restricties betreffende zowel de kabelaansluitingen tussen de productie-installaties binnen een kavel alsook de kabelaansluitingen tussen de productie-installaties en het Modular Offshore Grid. De conclusies uit voornoemde raadpleging worden in het bestek en dus in de concessiedocumenten opgenomen als deel uitmakend van de voorwaarden van de betreffende kabelvergunning.]1
Art. 13/1. [1 Lorsqu'une procédure de mise en concurrence est organisée conformément à l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999, le délégué du Ministre consulte, préalablement à ladite procédure, les administrations concernées en ce qui concerne les conditions préalables et les restrictions éventuelles concernant tant les connexions de câbles entre les installations de production à l'intérieur d'un parcelle que les connexions de câbles entre les installations de production et le Modular Offshore Grid. Les conclusions de la consultation précitée seront incluses dans le cahier des charges et dès lors dans les documents de concession comme faisant partie des conditions de l'autorisation d'exploitation du câble concerné. ]1
Art. 13/2. [1 Indien de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de aansluiting voor een domeinconcessie bedoeld in artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999 wordt de aanvraag ingediend samen met de aanvraag voor de domeinconcessie met toepassing van de procedure vastgesteld overeenkomstig artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999.]1
Art. 13/2. [1 Si la demande d'autorisation concerne le raccordement d'une concession domaniale visée à l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999, la demande est introduite en même temps que la demande de concession domaniale selon la procédure établie conformément à l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999. ]1
Art. 13/3. [1 Indien de vergunningaanvraag betrekking heeft op de aansluiting voor een domeinconcessie bedoeld in artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999, en deze volledig en ontvankelijk is overeenkomstig artikel 6 en voor zover deze voldoet aan alle toekenningscriteria bedoeld in artikel 5 en voor zover het gerelateerde project in aanmerking komt voor de verkrijging van een domeinconcessie overeenkomstig artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999 of voornoemde domeinconcessie reeds verkregen werd, wordt de vergunning verleend door de minister en dat op hetzelfde moment als de verlening van de domeinconcessie overeenkomstig artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999.]1
Art. 13/3. [1 Si la demande d'autorisation concerne le raccordement d'une concession domaniale visée à l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999, qu'elle est complète et recevable conformément à l'article 6 et pour autant qu'elle répond à tous les critères d'attribution visés à l'article 5 et pour autant que le projet y afférent est éligible à l'obtention d'une concession domaniale conformément à l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999 ou si la concession du domaine précité a déjà été obtenue, l'autorisation est octroyée par le ministre et ce en même temps que l'octroi de la concession domaniale conformément à l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999. ]1
Art. 13/4. [1 Indien de vergunningaanvraag betrekking heeft op de aansluiting voor een domeinconcessie bedoeld in artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999, deelt de minister, de beslissing om de vergunning niet toe te kennen mee door het nemen van de gemotiveerde gunningsbeslissing met toepassing van de procedure vastgesteld overeenkomstig artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999.]1
Art. 13/4. [1 Si la demande concerne le raccordement d'une concession domaniale visée à l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999, le ministre communique la décision de ne pas octroyer l'autorisation en prenant la décision d'attribution motivée selon la procédure établie conformément à l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999.]1
HOOFDSTUK Vter. [1 Duurtijd van de vergunning.]1
CHAPITRE Vter. [1 Durée de l'autorisation]1
Art.14. [1 De vergunning vervalt indien de begunstigde de activiteiten voor de aanleg niet heeft afgerond binnen een termijn van achtenveertig maanden te rekenen vanaf te betekening van de vergunning. Als die voorwaarde wegens overmacht niet wordt nageleefd, kan de minister op gemotiveerd verzoek van de begunstigde deze termijn verlengen.
De vergunning wordt verleend voor een maximale duur van veertig jaar, eenmaal verlengbaar met dertig jaar, volgens de procedure bedoeld in hoofdstuk VII, afdeling 2. De voornoemde vergunningsduur omvat zowel de bouwfase, exploitatiefase en de ontmantelingsfase.]1
De vergunning wordt verleend voor een maximale duur van veertig jaar, eenmaal verlengbaar met dertig jaar, volgens de procedure bedoeld in hoofdstuk VII, afdeling 2. De voornoemde vergunningsduur omvat zowel de bouwfase, exploitatiefase en de ontmantelingsfase.]1
Art.14. [1 L'autorisation devient caduque si le bénéficiaire n'a pas terminé les activités de construction dans un délai de quarante-huit mois à compter de la notification de l'autorisation. En cas de non-respect de cette condition, dû à un cas de force majeure, le ministre peut prolonger ce délai sur demande motivée du bénéficiaire.
L'autorisation est octroyée pour une durée maximale de quarante ans, renouvelable une fois pour trente ans, conformément à la procédure visée au chapitre VII, section 2. La durée de l'autorisation précitée comprend à la fois la phase de construction, la phase d'exploitation et la phase de démantèlement. ]1
L'autorisation est octroyée pour une durée maximale de quarante ans, renouvelable une fois pour trente ans, conformément à la procédure visée au chapitre VII, section 2. La durée de l'autorisation précitée comprend à la fois la phase de construction, la phase d'exploitation et la phase de démantèlement. ]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK VI. - [1 Verplichtingen van de houders van een vergunning voor de aanleg van kabels]1
CHAPITRE VI. - [1 Obligations des titulaires d'une autorisation pour la pose de câbles]1
Art.15. De houders van een vergunning :
1° moeten, indien de statuten van de vennootschap ten gunste van dewelke de vergunning is verleend, zoals zij zijn toegevoegd aan de aanvraag, aanzienlijk gewijzigd worden, aan de minister een kopie van deze wijzigingen overmaken evenals van het proces-verbaal van de buitengewone algemene vergadering die daartoe heeft beslist;
2° moeten de minister voorafgaandelijk inlichten over elk plan dat kan leiden tot wijziging van de controle van de rechtspersoon die houder van de vergunning is of tot gehele of gedeeltelijke overdracht aan een derde van de rechten die voortvloeien uit het bezit van de vergunning;
3° moeten, de minister informeren over elke aanzienlijke verandering van die aard dat zij een wijziging kan aanbrengen aan het technisch en financieel vermogen op basis waarvan de vergunning werd toegekend;
4° mogen de activiteiten voor de aanleg niet onderbreken zonder wettige reden;
5° moeten alle noodzakelijke maatregelen treffen voor de bescherming van de veiligheid van personen en goederen alsook het behoud van het mariene milieu;
6° moeten een permanent systeem uitbouwen voor de evaluatie en de controle van de verplichtingen bedoeld in 5°;
7° moeten een risicodekking afsluiten met betrekking tot de burgerlijke aansprakelijkheid zoals voorgesteld in het dossier voor aanvraag tot vergunning en elk jaar het bewijs leveren van de vernieuwing van het contract
8° moeten de kruising van de elektriciteitskabel waarop de vergunning betrekking heeft met een nieuwe kabel of pijpleiding aanvaarden volgens bepalingen die de veiligheid garanderen en die zijn opgesteld samen met de aanvrager van de vergunning tot aanleg waarvoor deze kruising nodig is; de kosten van deze maatregelen zijn ten laste van de nieuwe aanvrager;
9° moeten, na oproeping, deelnemen aan de vergaderingen van de opvolgingscommissie bedoeld in artikel 24;
10° moeten, indien zij een kenmerk van de kabel waarop de vergunning betrekking heeft willen wijzigen, daartoe, bij de bevoegde minister, een aanvraag indienen via aangetekend schrijven met ontvangstbewijs;
[1 11° maken voorafgaand aan de start van de bouwfase het bewijs over aan de minister waaruit blijkt dat de in artikel 6, § 2, e), bedoelde waarborg werd voorzien en dat daartoe een verzekeringsovereenkomst werd gesloten met een verzekeringsmaatschappij met maatschappelijke zetel in België of in een ander land van de Europese Economische Ruimte.]1
1° moeten, indien de statuten van de vennootschap ten gunste van dewelke de vergunning is verleend, zoals zij zijn toegevoegd aan de aanvraag, aanzienlijk gewijzigd worden, aan de minister een kopie van deze wijzigingen overmaken evenals van het proces-verbaal van de buitengewone algemene vergadering die daartoe heeft beslist;
2° moeten de minister voorafgaandelijk inlichten over elk plan dat kan leiden tot wijziging van de controle van de rechtspersoon die houder van de vergunning is of tot gehele of gedeeltelijke overdracht aan een derde van de rechten die voortvloeien uit het bezit van de vergunning;
3° moeten, de minister informeren over elke aanzienlijke verandering van die aard dat zij een wijziging kan aanbrengen aan het technisch en financieel vermogen op basis waarvan de vergunning werd toegekend;
4° mogen de activiteiten voor de aanleg niet onderbreken zonder wettige reden;
5° moeten alle noodzakelijke maatregelen treffen voor de bescherming van de veiligheid van personen en goederen alsook het behoud van het mariene milieu;
6° moeten een permanent systeem uitbouwen voor de evaluatie en de controle van de verplichtingen bedoeld in 5°;
7° moeten een risicodekking afsluiten met betrekking tot de burgerlijke aansprakelijkheid zoals voorgesteld in het dossier voor aanvraag tot vergunning en elk jaar het bewijs leveren van de vernieuwing van het contract
8° moeten de kruising van de elektriciteitskabel waarop de vergunning betrekking heeft met een nieuwe kabel of pijpleiding aanvaarden volgens bepalingen die de veiligheid garanderen en die zijn opgesteld samen met de aanvrager van de vergunning tot aanleg waarvoor deze kruising nodig is; de kosten van deze maatregelen zijn ten laste van de nieuwe aanvrager;
9° moeten, na oproeping, deelnemen aan de vergaderingen van de opvolgingscommissie bedoeld in artikel 24;
10° moeten, indien zij een kenmerk van de kabel waarop de vergunning betrekking heeft willen wijzigen, daartoe, bij de bevoegde minister, een aanvraag indienen via aangetekend schrijven met ontvangstbewijs;
[1 11° maken voorafgaand aan de start van de bouwfase het bewijs over aan de minister waaruit blijkt dat de in artikel 6, § 2, e), bedoelde waarborg werd voorzien en dat daartoe een verzekeringsovereenkomst werd gesloten met een verzekeringsmaatschappij met maatschappelijke zetel in België of in een ander land van de Europese Economische Ruimte.]1
Art.15. Les titulaires d'une autorisation sont tenus :
1° si les statuts de la société au profit de laquelle l'autorisation est accordée, tels qu'ils sont annexés à la demande, font l'objet de modifications notables, d'adresser au ministre copie de ces modifications ainsi que, le cas échéant, du procès-verbal de l'assemblée générale extraordinaire qui les a décidées;
2° d'informer au préalable le ministre de tout projet susceptible d'inférer un changement de contrôle de la personne morale titulaire de l'autorisation ou de transférer à un tiers tout ou partie des droits découlant du bénéfice de l'autorisation;
3° d'informer le ministre de toute modification notable de nature à modifier les capacités techniques et financières sur le fondement desquelles l'autorisation a été accordée;
4° de ne pas interrompre, sans raison légitime, les activités de pose;
5° de prendre toutes les mesures nécessaires à la sauvegarde de la sécurité des personnes et des biens ainsi qu'à la préservation du milieu marin;
6° de mettre en place un système permanent d'évaluation et de contrôle des obligations visées au 5°;
7° de contracter la couverture du risque en matière de responsabilité civile, telle que proposée dans le dossier de demande d'autorisation et de fournir chaque année la preuve du renouvellement du contrat;
8° d'accepter le croisement du câble d'énergie électrique faisant l'objet de l'autorisation par un nouveau câble ou un pipeline, suivant des dispositions assurant la sécurité, établies en commun avec le demandeur de l'autorisation de pose nécessitant ce croisement; le coût de ces dispositions est à charge du nouveau demandeur;
9° de participer, sur convocation, aux réunions de la Commission de suivi visée à l'article 24;
10° lorsqu'ils souhaitent modifier une des caractéristiques du câble faisant l'objet de l'autorisation, d'en faire la demande par envoi recommandé avec accusé de réception auprès du ministre compétent.
[1 11° de soumettre avant le début de la phase de construction, au ministre la preuve que la garantie visée à l'article 6, § 2, e), a été constituée et qu'un contrat d'assurance a été conclu à cet effet avec une compagnie d'assurance ayant son siège en Belgique ou dans un autre Etat de l'Espace économique européen.]1
1° si les statuts de la société au profit de laquelle l'autorisation est accordée, tels qu'ils sont annexés à la demande, font l'objet de modifications notables, d'adresser au ministre copie de ces modifications ainsi que, le cas échéant, du procès-verbal de l'assemblée générale extraordinaire qui les a décidées;
2° d'informer au préalable le ministre de tout projet susceptible d'inférer un changement de contrôle de la personne morale titulaire de l'autorisation ou de transférer à un tiers tout ou partie des droits découlant du bénéfice de l'autorisation;
3° d'informer le ministre de toute modification notable de nature à modifier les capacités techniques et financières sur le fondement desquelles l'autorisation a été accordée;
4° de ne pas interrompre, sans raison légitime, les activités de pose;
5° de prendre toutes les mesures nécessaires à la sauvegarde de la sécurité des personnes et des biens ainsi qu'à la préservation du milieu marin;
6° de mettre en place un système permanent d'évaluation et de contrôle des obligations visées au 5°;
7° de contracter la couverture du risque en matière de responsabilité civile, telle que proposée dans le dossier de demande d'autorisation et de fournir chaque année la preuve du renouvellement du contrat;
8° d'accepter le croisement du câble d'énergie électrique faisant l'objet de l'autorisation par un nouveau câble ou un pipeline, suivant des dispositions assurant la sécurité, établies en commun avec le demandeur de l'autorisation de pose nécessitant ce croisement; le coût de ces dispositions est à charge du nouveau demandeur;
9° de participer, sur convocation, aux réunions de la Commission de suivi visée à l'article 24;
10° lorsqu'ils souhaitent modifier une des caractéristiques du câble faisant l'objet de l'autorisation, d'en faire la demande par envoi recommandé avec accusé de réception auprès du ministre compétent.
[1 11° de soumettre avant le début de la phase de construction, au ministre la preuve que la garantie visée à l'article 6, § 2, e), a été constituée et qu'un contrat d'assurance a été conclu à cet effet avec une compagnie d'assurance ayant son siège en Belgique ou dans un autre Etat de l'Espace économique européen.]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK VII. - [1 Wijziging, verlenging, overdracht en intrekking van de vergunning voor de aanleg van kabels]1
CHAPITRE VII. - [1 Modification, prorogation, cession et retrait de l'autorisation pour la pose de câbles]1
Afdeling 1. - Wijziging.
Section 1. - Modification.
Art.16. [1 Elke aanvraag tot wijziging wordt ingediend op elektronische wijze of op een elektronische informatiedrager.]1. Indien de wijziging geen invloed heeft op het milieu volgens het advies dat binnen twintig dagen is uitgebracht door de minister die bevoegd is voor het Leefmilieu en geen aanzienlijke toename van het risico met zich meebrengt - waarbij deze elementen behoorlijk gestaafd zijn in de aanvraag - kan de minister de vergunning inzake wijziging toestaan. De minister brengt zijn beslissing ter kennis binnen zestig werkdagen na ontvangst van de aanvraag. In geval van weigering door de minister of in geval van aanzienlijke toename van het risico of van wijziging met invloed op het milieu wordt toepassing gemaakt van de relevante procedure bepaald in de artikelen 6 tot 13. Een vergunning inzake wijziging leidt niet tot verlenging van de tijdsduur van de oorspronkelijke vergunning.
Art.16. [1 Toute demande de modification est introduite par voie électronique ou sur un support électronique.]1
Wijzigingen
Afdeling 2. - Verlenging.
Section 2. - Prorogation.
Art.17. De aanvraag tot verlenging van de vergunning wordt [1 bij de minister of zijn afgevaardigde ingediend op elektronische wijze, of op een elektronische informatiedrager]1, ten minste zes maanden vóór het verstrijken van de geldigheidsduur.
Art.17. La demande de prorogation de l'autorisation, est [1 introduite auprès du ministre ou de son délégué par voie électronique, ou sur un support électronique]1, six mois au moins avant l'expiration de son terme.
Wijzigingen
Art.18. De minister beslist over de aanvraag tot verlenging van de vergunning bij ministerieel besluit binnen vijfentwintig dagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag bedoeld in artikel 17.
Art.18. Le ministre statue sur la demande de prorogation de l'autorisation, par arrêté ministériel, dans un délai de vingt-cinq jours ouvrables prenant cours à la date de réception de la demande visée à l'article 17.
Art.19. Een eensluidend verklaard afschrift van het ministerieel besluit tot verlenging van de vergunning wordt verstuurd naar de aanvrager en [1 , tenzij indien de vergunningaanvraag betrekking heeft op de aansluiting voor een domeinconcessie bedoeld in artikel 6/3 van de wet van 29 april 1999,]1 naar de administraties vermeld in artikel 8.
Art.19. Une copie certifiée conforme de l'arrêté ministériel de prorogation de l'autorisation est envoyée au demandeur [1 ainsi que, sauf si la demande d'autorisation concerne le raccordement d'une concession domaniale visée à l'article 6/3 de la loi du 29 avril 1999, aux administrations]1 mentionnées à l'article 8.
Wijzigingen
Afdeling 3. - Overdracht en verandering van controle.
Section 3. - Cession et changement de contrôle.
Art.20. De vergunning kan slechts worden overgedragen [1 , geheel of gedeeltelijk,]1 met instemming van de minister. In dat geval wordt de procedure bedoeld in hoofdstuk V van dit besluit toegepast.
Art.20. L'autorisation ne peut être cédée [1 , entièrement ou partiellement,]1 que moyennant l'accord du ministre. La procédure visée au chapitre V du présent arrêté s'applique dans ce cas.
Wijzigingen
Art.21. In geval van verandering van controle zoals bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 6 maart 1900 betreffende de geconsolideerde rekeningen van ondernemingen, van houder van de vergunning, kan (de vergunning) behouden blijven met instemming van de minister.
Art.21. En cas de changement de contrôle, tel que défini à l'article 2 de l'arrêté royal du 6 mars 1990 relatif aux comptes consolidés des entreprises, du titulaire de l'autorisation, (l'autorisation en lieu et place) peut être maintenue moyennant l'accord du ministre.
Afdeling 4. - Intrekking.
Section 4. - Retrait.
Art.22. Indien wordt vastgesteld dat de voorwaarden van dit besluit of van het vergunningsbesluit niet worden nageleefd, richt de afgevaardigde van de minister bij een ter post aangetekende brief een ingebrekestelling aan de houder van de vergunning, waarin een termijn wordt vastgelegd die niet korter mag zijn dan vijftig werkdagen, om te voldoen aan zijn verplichtingen en de voorwaarden inzake aanleg, of, bij gebreke daaraan, om uitleg te verschaffen.
Indien de houder, bij het verstrijken van de toegekende termijn, zijn verplichtingen weigert na te leven, geen enkele uitleg verschaft of ongerechtvaardigde of onvoldoende uitleg verschaft, richt de afgevaardigde van de minister het dossier en zijn voorstellen aan de minister opdat laatstgenoemde zou beslissen over de intrekking van de vergunning.
Indien de houder, bij het verstrijken van de toegekende termijn, zijn verplichtingen weigert na te leven, geen enkele uitleg verschaft of ongerechtvaardigde of onvoldoende uitleg verschaft, richt de afgevaardigde van de minister het dossier en zijn voorstellen aan de minister opdat laatstgenoemde zou beslissen over de intrekking van de vergunning.
Art.22. En cas de constat du non respect des conditions du présent arrêté ou de l'arrêté d'autorisation, le délégué du ministre adresse au titulaire de l'autorisation une mise en demeure, par lettre recommandée à la poste, lui fixant un délai qui ne peut être inférieur à cinquante jours ouvrables, afin qu'il satisfasse à ses obligations et conditions en matière de pose, ou, qu'à défaut, il présente ses explications.
A l'expiration du délai imparti, si le titulaire refuse de respecter ses obligations, ne fournit aucune explication ou des explications injustifiées ou insuffisantes, le délégué du ministre adresse le dossier et ses propositions au ministre afin que celui-ci statue sur le retrait de l'autorisation.
A l'expiration du délai imparti, si le titulaire refuse de respecter ses obligations, ne fournit aucune explication ou des explications injustifiées ou insuffisantes, le délégué du ministre adresse le dossier et ses propositions au ministre afin que celui-ci statue sur le retrait de l'autorisation.
Art.23. Bij intrekking worden de maatregelen opgelegd in artikel 6, § 2, 11° voor het beveiligen van de betrokken zone en voor het behoud en de bescherming van het mariene milieu verwezenlijkt door de houder van de vergunning en onder zijn verantwoordelijkheid.
Op verzoek van de houder van de vergunning en met instemming van de minister verleend bij ministerieel besluit, kunnen in het licht van de evolutie van de technieken andere maatregelen worden toegepast dan die welke bij de toekenning van de vergunning opgelegd zijn en die ten minste een evenwaardig resultaat garanderen.
Op verzoek van de houder van de vergunning en met instemming van de minister verleend bij ministerieel besluit, kunnen in het licht van de evolutie van de technieken andere maatregelen worden toegepast dan die welke bij de toekenning van de vergunning opgelegd zijn en die ten minste een evenwaardig resultaat garanderen.
Art.23. Lors du retrait, les mesures prévues à l'article 6, § 2, 11°, pour la mise en sécurité de la zone concernée et pour la préservation et la protection du milieu marin, sont réalisées par le titulaire de l'autorisation et sous sa responsabilité.
A la demande du titulaire de l'autorisation, moyennant accord du ministre délivré par arrêté ministériel, et suivant l'évolution des techniques, d'autres mesures que celles prévues lors de l'octroi de l'autorisation, et garantissant un résultat d'une qualité au minimum équivalente, peuvent être appliquées.
A la demande du titulaire de l'autorisation, moyennant accord du ministre délivré par arrêté ministériel, et suivant l'évolution des techniques, d'autres mesures que celles prévues lors de l'octroi de l'autorisation, et garantissant un résultat d'une qualité au minimum équivalente, peuvent être appliquées.
HOOFDSTUK VIII. - Diverse bepalingen.
CHAPITRE VIII. - Dispositions diverses.
Art.24. Teneinde de moeilijkheden en de pressie te analyseren die zich voordoen bij de toepassing van de vergunningen met het oog op de aanleg van kabels wordt een " Opvolgingscommissie " opgericht die is samengesteld uit afgevaardigden van de (Ministers bevoegd voor Energie, Economische Zaken en Leefmilieu). Zij vergadert ten minste eenmaal per jaar en zo nodig, na oproeping door de afgevaardigde van de minister.
Art.24. Aux fins d'analyser les problèmes et contraintes rencontrés lors de la mise en oeuvre des autorisations en vue de la pose de câbles d'énergie électrique, est établie une "Commission du suivi" qui est composée des délégués des ministres qui ont l'Energie, les Affaires Economiques et l'Environnement dans leurs attributions. Elle se réunit au minimum une fois par an et en cas de nécessité, sur convocation du délégué du ministre.
Art.25. De minister stelt uit de ambtenaren van het Bestuur Energie van het Ministerie van Economische Zaken de afgevaardigden aan, die belast worden :
1° met de vertegenwoordiging van de minister in de gevallen bedoeld in dit besluit;
2° met het toezicht op de toepassing van dit besluit.
1° met de vertegenwoordiging van de minister in de gevallen bedoeld in dit besluit;
2° met het toezicht op de toepassing van dit besluit.
Art.25. Le ministre désigne, parmi les agents de l'Administration de l'Energie du Ministère des Affaires économiques, les délégués chargés de :
1° le représenter dans les cas visés par le présent arrêté;
2° surveiller l'application du présent arrêté.
1° le représenter dans les cas visés par le présent arrêté;
2° surveiller l'application du présent arrêté.
Art.26. Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Mobiliteit en Vervoer, Onze Minister van Economie en Onze Staatssecretaris voor Energie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art.26. Notre Vice-Première Ministre et Ministre de la Mobilité et des Transports, Notre Ministre de l'Economie et Notre Secrétaire d'Etat à l'Energie sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N.1. Technische voorschriften.
De voorschriften van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (A.R.E.I.) zijn van toepassing, met uitzondering van die welke betrekking hebben op de wijze van aanleg van [1 kabels]1; deze worden vervangen door de bepalingen van hierna volgend punt 2.
2. Veiligheidsvoorschriften.
2.1. Wijze van aanleg
2.1.1. Algemeen principe
De aanleg van [1 kabels]1 gebeurt zodanig dat :
- de aanleg en latere werkzaamheden in alle veiligheid voor het personeel kunnen worden uitgevoerd;
- de veiligheid van de kabels, pijpleidingen en bestaande installaties behouden blijft;
- de betrouwbaarheid en de mogelijkheid tot onderhoud van bestaande [1 kabels]1 en pijpleidingen en van kabels waarop de vergunning betrekking heeft, gewaarborgd zijn.
2.1.2. Sleuven
[2 De kabels worden geplaatst in sleuven die in de zeebodem zijn uitgegraven. De wijze waarop de sleuf gerealiseerd wordt, moet worden goedgekeurd bij de aflevering van de vergunning.
De kabels worden gelegd en ingegraven op een diepte van minimaal een meter onder de zeebodem. Voor de kruising met zeevaartroutes wordt de diepte nader omschreven in de vergunning. Die diepte moet immers bepaald worden in functie van bestaande en toekomstige toestanden, baggerwerken inbegrepen.
Indien de kabel op bepaalde locaties en voor een beperkte lengte voornoemde minimale ingraafdiepte niet behaalt, dan kan de vergunninghouder ten aanzien van de minister en van zijn afgevaardigde motiveren en aantonen dat hij alle redelijke inspanningen heeft getroffen om de kabel diep genoeg in te graven en dat het risico op beschadiging beperkt is, onder meer op basis van een kabelbegravingsrisicoanalyse (cable burial risk assessment, CBRA). Het bewijs van inspanning tot minimale begravingsdiepte en de kabelbegravingsrisicoanalyse wordt jaarlijks opgemaakt en bezorgd aan de minister en aan zijn afgevaardigde. Indien de minister oordeelt dat het bewijs van inspanning onvoldoende is, of dat het risico op schade aan de kabel te hoog is, wordt de vergunninghouder hiervan op de hoogte gebracht en verplicht om bijkomende maatregelen te treffen]2.
2.2. Beschermde zone
2.2.1. Om het risico op beschadiging van de [3 kabel]3 zoveel mogelijk te beperken, wordt een beschermde zone van 250 meters gecreëerd; die zone bevindt zich aan weerszijden van de kabel.
In die zone :
- mag geen enkel anker worden uitgeworpen;
- mag geen enkele activiteit, buiten de aanleg van een andere kabel volgens de voorwaarden van dit besluit, plaatsvinden die risico's voor de [3 kabel]3 kan opleveren.
2.2.2. In afwijking van vorig punt, mag de titularis van de vergunning voor aanleg van de [3 kabel]3 of de vennootschap die hij met naam aangesteld heeft om de exploitatie uit te voeren, voor exploitatiebehoeften op de [3 kabel]3 ingrijpen.
2.2.3. De minister kan, bij wijze van uitzondering, via met redenen omkleed besluit, vergunning geven tot het werpen van een anker of het uitvoeren van werkzaamheden in de beschermde zone, na het advies van de titularissen van de vergunningen te hebben ingewonnen.
2.3. Voorbehouden zone
2.3.1. Teneinde de mogelijkheid te waarborgen tot het later aanleggen van kabels of pijpleidingen of de mogelijkheid om de nodige ingrepen in alle veiligheid te kunnen uitvoeren, wordt tussen elke kabel en tussen de kabels en pijpleiding een reserveruimte voorzien.
De reservezone voor de [1 kabels]1 bestaat uit een afstand van 50 meters aan weerszijden van de [3 kabel]3 waarin geen enkele installatie mag worden opgericht noch enige kabel of pijpleiding mag worden aangelegd.
2.3.2. In afwijking van vorig punt mag de afstand tot de [3 kabels]3 minder dan 50 meter bedragen in de volgende omstandigheden :
1° eenpolige [3 kabels]3 beschermd met dezelfde beveiligingsschakelaar; de energiekabels worden dan geplaatst in dezelfde sleuf indien van deze afwijking gebruik wordt gemaakt;
2° aankomst- en vertrek [3 kabels]3 naar een windturbine indien verscheidene windturbines in parallel geschakeld zijn;
3° aankomst- en vertrekpunt naar een installatie met één of meer kabels;
4° convergentiepunt van verschillende [3 kabels]3 die gebruik maken van hetzelfde mechanisme om naar het vasteland terug te keren;
5° gedeelten van [3 kabels]3 die herstelling hebben ondergaan.
3. Kabeltype
Het elektriciteitskabeltype is speciaal geselecteerd voor de toepassing waarop de vergunning betrekking heeft. De kenmerken van de [3 kabel]3(s) behoren tot de inlichtingen die in de aanvraag moeten verstrekt worden.
De voorschriften van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (A.R.E.I.) zijn van toepassing, met uitzondering van die welke betrekking hebben op de wijze van aanleg van [1 kabels]1; deze worden vervangen door de bepalingen van hierna volgend punt 2.
2. Veiligheidsvoorschriften.
2.1. Wijze van aanleg
2.1.1. Algemeen principe
De aanleg van [1 kabels]1 gebeurt zodanig dat :
- de aanleg en latere werkzaamheden in alle veiligheid voor het personeel kunnen worden uitgevoerd;
- de veiligheid van de kabels, pijpleidingen en bestaande installaties behouden blijft;
- de betrouwbaarheid en de mogelijkheid tot onderhoud van bestaande [1 kabels]1 en pijpleidingen en van kabels waarop de vergunning betrekking heeft, gewaarborgd zijn.
2.1.2. Sleuven
[2 De kabels worden geplaatst in sleuven die in de zeebodem zijn uitgegraven. De wijze waarop de sleuf gerealiseerd wordt, moet worden goedgekeurd bij de aflevering van de vergunning.
De kabels worden gelegd en ingegraven op een diepte van minimaal een meter onder de zeebodem. Voor de kruising met zeevaartroutes wordt de diepte nader omschreven in de vergunning. Die diepte moet immers bepaald worden in functie van bestaande en toekomstige toestanden, baggerwerken inbegrepen.
Indien de kabel op bepaalde locaties en voor een beperkte lengte voornoemde minimale ingraafdiepte niet behaalt, dan kan de vergunninghouder ten aanzien van de minister en van zijn afgevaardigde motiveren en aantonen dat hij alle redelijke inspanningen heeft getroffen om de kabel diep genoeg in te graven en dat het risico op beschadiging beperkt is, onder meer op basis van een kabelbegravingsrisicoanalyse (cable burial risk assessment, CBRA). Het bewijs van inspanning tot minimale begravingsdiepte en de kabelbegravingsrisicoanalyse wordt jaarlijks opgemaakt en bezorgd aan de minister en aan zijn afgevaardigde. Indien de minister oordeelt dat het bewijs van inspanning onvoldoende is, of dat het risico op schade aan de kabel te hoog is, wordt de vergunninghouder hiervan op de hoogte gebracht en verplicht om bijkomende maatregelen te treffen]2.
2.2. Beschermde zone
2.2.1. Om het risico op beschadiging van de [3 kabel]3 zoveel mogelijk te beperken, wordt een beschermde zone van 250 meters gecreëerd; die zone bevindt zich aan weerszijden van de kabel.
In die zone :
- mag geen enkel anker worden uitgeworpen;
- mag geen enkele activiteit, buiten de aanleg van een andere kabel volgens de voorwaarden van dit besluit, plaatsvinden die risico's voor de [3 kabel]3 kan opleveren.
2.2.2. In afwijking van vorig punt, mag de titularis van de vergunning voor aanleg van de [3 kabel]3 of de vennootschap die hij met naam aangesteld heeft om de exploitatie uit te voeren, voor exploitatiebehoeften op de [3 kabel]3 ingrijpen.
2.2.3. De minister kan, bij wijze van uitzondering, via met redenen omkleed besluit, vergunning geven tot het werpen van een anker of het uitvoeren van werkzaamheden in de beschermde zone, na het advies van de titularissen van de vergunningen te hebben ingewonnen.
2.3. Voorbehouden zone
2.3.1. Teneinde de mogelijkheid te waarborgen tot het later aanleggen van kabels of pijpleidingen of de mogelijkheid om de nodige ingrepen in alle veiligheid te kunnen uitvoeren, wordt tussen elke kabel en tussen de kabels en pijpleiding een reserveruimte voorzien.
De reservezone voor de [1 kabels]1 bestaat uit een afstand van 50 meters aan weerszijden van de [3 kabel]3 waarin geen enkele installatie mag worden opgericht noch enige kabel of pijpleiding mag worden aangelegd.
2.3.2. In afwijking van vorig punt mag de afstand tot de [3 kabels]3 minder dan 50 meter bedragen in de volgende omstandigheden :
1° eenpolige [3 kabels]3 beschermd met dezelfde beveiligingsschakelaar; de energiekabels worden dan geplaatst in dezelfde sleuf indien van deze afwijking gebruik wordt gemaakt;
2° aankomst- en vertrek [3 kabels]3 naar een windturbine indien verscheidene windturbines in parallel geschakeld zijn;
3° aankomst- en vertrekpunt naar een installatie met één of meer kabels;
4° convergentiepunt van verschillende [3 kabels]3 die gebruik maken van hetzelfde mechanisme om naar het vasteland terug te keren;
5° gedeelten van [3 kabels]3 die herstelling hebben ondergaan.
3. Kabeltype
Het elektriciteitskabeltype is speciaal geselecteerd voor de toepassing waarop de vergunning betrekking heeft. De kenmerken van de [3 kabel]3(s) behoren tot de inlichtingen die in de aanvraag moeten verstrekt worden.
Art. N.1. Prescriptions techniques.
Les prescriptions du Règlement général sur les installations électriques (RGIE) sont d'application à l'exception de celles relatives au mode de pose des [1 câbles]1, lesquelles sont remplacées par celles reprises au point 2 ci-après.
2. Prescriptions de sécurité.
2.1. Mode de pose.
2.1.1. Principe général.
La pose des câbles d'énergie électrique est réalisée de façon à :
- permettre les opérations de pose et les interventions ultérieures en toute sécurité pour le personnel;
- maintenir en sécurité les câbles, pipelines et installations existantes;
- assurer la fiabilité et la maintenance des câbles et pipelines existants et des [1 câbles]1 faisant l'objet de l'autorisation.
2.1.2. Tranchées
[2 Les câbles sont posés en tranchées creusées dans le sol marin. Le mode de réalisation de la tranchée est soumis à approbation lors de la délivrance de l'autorisation.
Les câbles sont posés et enfouis à une profondeur d'au moins un mètre sous le fond marin. Pour le croisement des voies de circulation des navires, la profondeur est précisée dans l'autorisation. Cette profondeur est en effet à déterminer en fonction des situations existantes et des situations futures, y compris tous les travaux de dragages.
Si le câble n'atteint pas la profondeur d'enfouissement minimale précitée à certains endroits et sur une longueur limitée, le titulaire de l'autorisation peut justifier et démontrer au ministre et à son délégué qu'il a fait tous les efforts raisonnables pour enfouir le câble à une profondeur suffisante et que le risque de dommage est limité, notamment sur la base d'une évaluation du risque d'enfouissement du câble (CBRA). La preuve des efforts déployés pour assurer une profondeur d'enfouissement minimale et l'évaluation du risque d'enfouissement est préparée chaque année et remise au ministre et à son délégué. Si le ministre estime que la preuve de l'effort est insuffisante ou que le risque d'endommagement du câble est trop élevé, le titulaire de la licence en est informé et est tenu de prendre des mesures supplémentaires]2.
2.2. Zone protégée
2.2.1. Afin de minimiser les risques d'endommagement du [3 câble]3, il est créé une zone protégée de 250 mètres, située de part et d'autre de celui-ci.
Dans cette zone :
- aucune ancre ne peut être jetée;
- aucune activité, autre que la pose d'un autre câble sous les conditions du présent arrêté, susceptible de créer des risques pour le [3 câble]3 ne peut être entreprise.
2.2.2. Par dérogation au point ci-avant, le titulaire de l'autorisation de pose du [3 câble]3, ou la société qu'il a nommément désignée pour en exécuter l'exploitation, peut intervenir sur le [3 câble]3 pour les besoins de l'exploitation.
2.2.3. Le ministre peut autoriser, à titre exceptionnel, la pose d'ancre ou l'exécution de travaux dans la zone protégée par arrêté motivé, après avoir pris avis des titulaires des autorisations.
2.3. Zone réservée.
2.3.1. Afin de s'assurer de la possibilité de pose ultérieure de câbles ou pipelines et de la possibilité d'effectuer en toute sécurité les interventions nécessaires, il est prévu un espace de réserve entre chaque câble et entre les câbles et pipeline.
La zone de réserve pour les [1 câbles]1 est constituée par une distance de 50 mètres de part et d'autre du [3 câble]3 dans laquelle aucune installation ne peut être érigée, ni aucun câble ou pipeline posé.
2.3.2. Par dérogation au point ci-avant, des câbles d'énergie électrique peuvent être séparés de moins de 50 mètres dans les conditions suivantes :
1° câbles d'énergie électrique mono-polaires protégés par un même disjoncteur; les câbles d'énergie sont alors disposés dans la même tranchée s'il est fait usage de cette dérogation;
2° câbles d'énergie électrique d'arrivée et de départ à une éolienne si plusieurs éoliennes sont raccordées en parallèle;
3° point d'arrivée et de départ à une installation d'un ou plusieurs câbles;
4° point de convergence de plusieurs câbles d'énergie électrique utilisant un même dispositif pour rejoindre le sol ferme;
5° parties de câbles d'énergie électrique ayant fait l'objet d'une réparation.
3. Type de câble
Le type de [3 câble]3 est spécialement sélectionné pour l'application faisant l'objet de l'autorisation. Les différentes caractéristiques du ou des câble(s) d'energie electrique font partie des renseignements à fournir dans la demande.
Les prescriptions du Règlement général sur les installations électriques (RGIE) sont d'application à l'exception de celles relatives au mode de pose des [1 câbles]1, lesquelles sont remplacées par celles reprises au point 2 ci-après.
2. Prescriptions de sécurité.
2.1. Mode de pose.
2.1.1. Principe général.
La pose des câbles d'énergie électrique est réalisée de façon à :
- permettre les opérations de pose et les interventions ultérieures en toute sécurité pour le personnel;
- maintenir en sécurité les câbles, pipelines et installations existantes;
- assurer la fiabilité et la maintenance des câbles et pipelines existants et des [1 câbles]1 faisant l'objet de l'autorisation.
2.1.2. Tranchées
[2 Les câbles sont posés en tranchées creusées dans le sol marin. Le mode de réalisation de la tranchée est soumis à approbation lors de la délivrance de l'autorisation.
Les câbles sont posés et enfouis à une profondeur d'au moins un mètre sous le fond marin. Pour le croisement des voies de circulation des navires, la profondeur est précisée dans l'autorisation. Cette profondeur est en effet à déterminer en fonction des situations existantes et des situations futures, y compris tous les travaux de dragages.
Si le câble n'atteint pas la profondeur d'enfouissement minimale précitée à certains endroits et sur une longueur limitée, le titulaire de l'autorisation peut justifier et démontrer au ministre et à son délégué qu'il a fait tous les efforts raisonnables pour enfouir le câble à une profondeur suffisante et que le risque de dommage est limité, notamment sur la base d'une évaluation du risque d'enfouissement du câble (CBRA). La preuve des efforts déployés pour assurer une profondeur d'enfouissement minimale et l'évaluation du risque d'enfouissement est préparée chaque année et remise au ministre et à son délégué. Si le ministre estime que la preuve de l'effort est insuffisante ou que le risque d'endommagement du câble est trop élevé, le titulaire de la licence en est informé et est tenu de prendre des mesures supplémentaires]2.
2.2. Zone protégée
2.2.1. Afin de minimiser les risques d'endommagement du [3 câble]3, il est créé une zone protégée de 250 mètres, située de part et d'autre de celui-ci.
Dans cette zone :
- aucune ancre ne peut être jetée;
- aucune activité, autre que la pose d'un autre câble sous les conditions du présent arrêté, susceptible de créer des risques pour le [3 câble]3 ne peut être entreprise.
2.2.2. Par dérogation au point ci-avant, le titulaire de l'autorisation de pose du [3 câble]3, ou la société qu'il a nommément désignée pour en exécuter l'exploitation, peut intervenir sur le [3 câble]3 pour les besoins de l'exploitation.
2.2.3. Le ministre peut autoriser, à titre exceptionnel, la pose d'ancre ou l'exécution de travaux dans la zone protégée par arrêté motivé, après avoir pris avis des titulaires des autorisations.
2.3. Zone réservée.
2.3.1. Afin de s'assurer de la possibilité de pose ultérieure de câbles ou pipelines et de la possibilité d'effectuer en toute sécurité les interventions nécessaires, il est prévu un espace de réserve entre chaque câble et entre les câbles et pipeline.
La zone de réserve pour les [1 câbles]1 est constituée par une distance de 50 mètres de part et d'autre du [3 câble]3 dans laquelle aucune installation ne peut être érigée, ni aucun câble ou pipeline posé.
2.3.2. Par dérogation au point ci-avant, des câbles d'énergie électrique peuvent être séparés de moins de 50 mètres dans les conditions suivantes :
1° câbles d'énergie électrique mono-polaires protégés par un même disjoncteur; les câbles d'énergie sont alors disposés dans la même tranchée s'il est fait usage de cette dérogation;
2° câbles d'énergie électrique d'arrivée et de départ à une éolienne si plusieurs éoliennes sont raccordées en parallèle;
3° point d'arrivée et de départ à une installation d'un ou plusieurs câbles;
4° point de convergence de plusieurs câbles d'énergie électrique utilisant un même dispositif pour rejoindre le sol ferme;
5° parties de câbles d'énergie électrique ayant fait l'objet d'une réparation.
3. Type de câble
Le type de [3 câble]3 est spécialement sélectionné pour l'application faisant l'objet de l'autorisation. Les différentes caractéristiques du ou des câble(s) d'energie electrique font partie des renseignements à fournir dans la demande.