Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
2 AUGUSTUS 2002. - Wet tot aanvulling, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF, de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de CBF en van de CDV voor de strafgerechten, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en tot wijziging van verschillende andere wetsbepalingen.
Titre
2 AOUT 2002. - Loi complétant, en ce qui concerne les voies de recours contre les décisions prises par le ministre, par la CBF, par l'OCA et par les entreprises de marché et en ce qui concerne l'intervention de la CBF et de l'OCA devant les juridictions répressives, la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers et modifiant diverses autres dispositions légales.
Documentinformatie
Numac: 2002003391
Datum: 2002-08-02
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2002003391
Date: 2002-08-02
Moniteur: Voir
Tekst (11)
Texte (11)
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid zoals bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 77 de la Constitution.
Art. 2. In de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, wordt een hoofdstuk VI ingevoegd, dat luidt als volgt :
  HOOFDSTUK VI. - Verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de minister, de CBF en de marktondernemingen en tussenkomst van de CBF voor de strafgerechten
  Art. 120. § 1. Ondernemingen die om erkenning of handhaving van de hoedanigheid van Belgische gereglementeerde markt verzoeken, alsook de CBF kunnen, beroep instellen bij het hof van beroep te Brussel tegen de beslissingen die de minister neemt op grond van artikel 3, § 1 en § 3.
  Daarnaast kunnen aanvragers of houders van een vergunning alsook de CBF, beroep instellen bij het hof van beroep te Brussel tegen de beslissingen inzake vergunning of intrekking van een vergunning die de minister neemt op grond van de artikelen 16 tot 18, of wanneer de minister geen uitspraak heeft gedaan binnen de krachtens artikel 18 vastgestelde termijnen.
  § 2. Het beroep als bedoeld in § 1 moet, op straffe van verval, worden ingesteld binnen 30 dagen na de kennisgeving van de beslissing of na afloop van de vastgestelde termijn.
  § 3. Het beroep als bedoeld in § 1 moet, op straffe van niet-ontvankelijkheid die ambtshalve wordt uitgesproken, worden ingesteld bij ondertekend verzoekschrift ingediend ter griffie van het hof van beroep te Brussel in zoveel exemplaren als er partijen zijn.
  Op straffe van niet-ontvankelijkheid, bevat het verzoekschrift :
  1° de vermelding van de dag, de maand en het jaar;
  2° indien de verzoeker een natuurlijke persoon is, zijn naam, voornamen en woonplaats; indien de verzoeker een rechtspersoon is, zijn naam, zijn rechtsvorm, zijn maatschappelijke zetel en het orgaan dat hem vertegenwoordigt;
  3° de vermelding van de beslissing waarop het beroep betrekking heeft;
  4° de uiteenzetting van de middelen;
  5° de aanduiding van de plaats, de dag en het uur van de verschijning vastgesteld door de griffie van het hof van beroep;
  6° de inventaris van de verantwoordingsstukken die samen met het verzoekschrift ter griffie zijn neergelegd.
  Het verzoekschrift wordt door de griffie van het hof van beroep te Brussel ter kennis gebracht van alle partijen die door verzoeker in het geding zijn opgeroepen.
  Op ieder ogenblik, kan het hof van beroep te Brussel ambtshalve alle andere partijen, wier toestand beïnvloed dreigt te worden door de beslissing over het beroep, in het geding oproepen.
  Het hof van beroep stelt de termijn vast waarbinnen de partijen elkaar hun schriftelijke opmerkingen moeten overleggen en een kopie ervan ter griffie moeten neerleggen. Het hof bepaalt eveneens de datum van de debatten.
  Elk van de partijen kan haar schriftelijke opmerkingen neerleggen bij de griffie van het hof van beroep te Brussel en ter plaatse het dossier op de griffie raadplegen. Het hof van beroep bepaalt de termijn waarbinnen die opmerkingen moeten worden overgelegd. Ze worden door de griffie ter kennis gebracht van de partijen.
  § 4. De griffie van het hof van beroep te Brussel vraagt, binnen vijf dagen na de inschrijving van de zaak op de rol, de toezending van het dossier met de stukken aan het secretariaat van de minister. Binnen vijf dagen na de ontvangst van de vraag moet het dossier worden toegezonden.
  § 5. Behoudens in behoorlijk gemotiveerde omstandigheden, beslist het hof van beroep te Brussel binnen een termijn van 60 dagen na de neerlegging van het in § 3 bedoelde verzoekschrift.
  § 6. Het beroep als bedoeld in § 1 heeft geen opschortende werking. Wanneer een dergelijk beroep is ingesteld, kan het hof van beroep te Brussel evenwel, alvorens recht te spreken, de opschorting bevelen van de uitvoering van de beslissing van de minister als de aanvrager ernstige middelen inroept die de herziening van de beslissing kunnen rechtvaardigen en als de onmiddellijke uitvoering ervan een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel dreigt te berokkenen. Het Hof doet onverwijld uitspraak over de vraag tot opschorting.
  Art. 121. § 1. In de volgende gevallen kan bij het hof van beroep te Brussel beroep worden ingesteld tegen de beslissingen van de CBF :
  1° elke beslissing waartegen beroep kan worden ingesteld en die is genomen met toepassing van de bepalingen van titel II van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 op de bankcontrole en het uitgifteregime voor titels en effecten en de uitvoeringsbesluiten daarvan;
  2° elke beslissing die is genomen met toepassing van hoofdstuk II van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen, en van het koninklijk besluit van 8 november 1989 op de openbare overnameaanbiedingen en de wijzigingen in de controle op vennootschappen;
  3° elke beslissing die is genomen met toepassing van artikel 10 van deze wet en van de uitvoeringsmaatregelen daarvan;
  4° elke beslissing waarbij een dwangsom of een administratieve geldboete wordt opgelegd en die is genomen met toepassing van artikel 36, § 1, tweede lid, 2°, of § 2, van deze wet, artikel 16, § 4, van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen, artikel 22 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, artikel 103, § 1, derde lid, of § 2, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, artikel 109, § 1, tweede lid, of § 2, van de wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs, alsook met toepassing van elke andere wetsbepaling die de CBF de bevoegdheid zou verlenen een dwangsom of een administratieve boete op te leggen.
  Wanneer de CBF uitspraak moet doen en er nog geen beslissing is gevallen na afloop van een termijn van 45 dagen, die aanvangt met de haar door een belanghebbende ter kennis gebrachte aanmaning tot uitspraak, wordt het stilzwijgen van de CBF als een afwijzingsbeslissing beschouwd waartegen beroep kan worden ingesteld. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de bijzondere bepalingen die een andere termijn opleggen of die andere gevolgen verbinden aan het stilzwijgen van de CBF.
  § 2. Onverminderd de strengere bijzondere bepalingen bepaald door of krachtens de wet, kan beroep worden ingesteld zoals bedoeld in § 1 door de bij de procedure voor de CBF betrokken partijen alsook door elke persoon die kan aantonen een belang te hebben.
  Onverminderd de bijzondere voorschriften bepaald door of krachtens de wet, bedraagt de beroepstermijn, op straffe van nietigheid, 15 dagen voor het beroep als bedoeld in § 1, 1° tot 3°. Die termijn bedraagt 30 dagen voor het beroep als bedoeld in § 1, 4°.
  De termijn voor het instellen van beroep vangt, voor de personen die deze kennisgeving ontvangen hebben, aan met de kennisgeving van de betwiste beslissingen, voor alle andere belanghebbende personen, op de datum waarop deze beslissing is gepubliceerd of hen bekend werd. Wanneer de CBF geen uitspraak heeft gedaan binnen de door of krachtens de wet vastgestelde termijn, vangt de termijn aan na afloop van die termijn.
  Het beroep als bedoeld in § 1, 1°, 2° en 3°, kan pas worden ingesteld 15 dagen nadat de eiser het directiecomité van de CBF tevergeefs heeft verzocht, met een aangetekende brief met ontvangstbewijs, om de betwiste beslissing in te trekken of te wijzigen. De eiser is er echter niet toe gehouden de indiening van zijn beroep uit te stellen indien de CBF van plan is haar beslissing uit te voeren niettegenstaande het verzoek dat de eiser heeft gericht aan het directiecomité van de CBF. De termijn voor het instellen van beroep als bedoeld in het tweede lid wordt verlengd met 21 dagen te rekenen vanaf de datum van verzending van de aangetekende brief waarin om de intrekking of de wijziging van de betwiste beslissing wordt verzocht, voorzover die brief verzonden is vóór het verstrijken van de termijn bedoeld in tweede lid.
  § 3. Artikel 120, § 3, is van toepassing op het beroep als bedoeld in § 1.
  § 4. De griffie van het hof van beroep te Brussel vraagt aan de CBF, binnen 5 dagen na de inschrijving van de zaak op de rol, de toezending van het dossier met de stukken. Binnen 5 dagen na de ontvangst van de vraag moet het dossier worden toegezonden.
  § 5. Behoudens in behoorlijk gemotiveerde omstandigheden, beslist het hof van beroep te Brussel binnen een termijn van 60 dagen na het indienen van de vraag over het beroep als bedoeld in § 1, 1° tot 3°.
  § 6. Het beroep bedoeld in § 1, 4°, schorst de beslissing van de CBF op. Het beroep bedoeld in § 1, 1°, 2° en 3°, schorst de beslissing van de CBF niet op, tenzij daarop door of krachtens de wet in uitzonderingen zijn voorzien. Het hof van beroep te Brussel kan evenwel, alvorens recht te spreken, de opschorting bevelen van de uitvoering van de beslissing van de CBF als de aanvrager ernstige middelen inroept die de herziening van de beslissing kunnen rechtvaardigen en als de onmiddellijke uitvoering ervan een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel dreigt te berokkenen. Het Hof doet onverwijld uitspraak over de vraag tot opschorting.
  Art. 122. Bij de Raad van State kan, volgens een versnelde procedure zoals vastgesteld door de Koning, beroep worden ingesteld :
  1° door de eiser, tegen de weigering tot inschrijving waartoe de CBF heeft beslist krachtens de artikelen 120 en 121 van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten, of wanneer de CBF geen uitspraak heeft gedaan binnen een termijn van drie maanden na indiening van een volledig dossier. In dit laatste geval wordt het verzoek om inschrijving geacht te zijn verworpen. De beleggingsinstelling kan een zelfde beroep instellen tegen de weigering tot inschrijving waartoe de CBF heeft beslist krachtens artikel 138 of artikel 141, § 2 van de voormelde wet van 4 december 1990;
  2° door de beleggingsinstelling, tegen de weigeringen tot erkenning of aanvaarding waartoe door de CBF is beslist krachtens artikel 120, § 2, 1°, 2° en 3°, van de voormelde wet van 4 december 1990;
  3° door de beleggingsinstelling, tegen de beslissingen die de CBF heeft genomen krachtens artikel 134, tweede lid, 2° en 5°, artikel 139 en artikel 141, § 3, van de voormelde wet van 4 december 1990. Het beroep schorst de uitvoering van de beslissing tenzij de CBF hier anders over beslist indien er ernstig gevaar dreigt voor de schuldeisers of de deelnemers;
  4° door de aanvrager van een vergunning, tegen de beslissingen inzake vergunning die de CBF heeft genomen krachtens de artikelen 10 en 11 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen. Een zelfde beroep kan worden ingesteld indien de CBF geen uitspraak heeft gedaan binnen de bij het eerste lid van het voormelde artikel 10 vastgestelde termijnen. In dit laatste geval wordt het beroep behandeld als was de aanvraag verworpen;
  5° door de kredietinstelling, tegen de beslissingen die de CBF heeft genomen krachtens het derde lid van artikel 34 van de voormelde wet van 22 maart 1993;
  6° door de kredietinstelling, tegen de beslissingen die de CBF heeft genomen krachtens artikel 57, § 1, tweede lid, 2°, 3° en 4°, en tegen de gelijkaardige beslissingen genomen krachtens artikel 75, § 2 en artikel 84 van de voormelde wet van 22 maart 1993. Een zelfde beroep kan worden ingesteld tegen de beslissingen die de CBF heeft genomen krachtens § 1, tweede lid, 1°, van het voormelde artikel 57, alsmede tegen de gelijkaardige beslissingen genomen krachtens de artikelen 75, § 2 en 84 van de voormelde wet van 22 maart 1993, indien de CBF de instelling ter kennis heeft gebracht dat zij deze beslissingen zal bekendmaken. Het beroep schorst de beslissing en haar bekendmaking, tenzij de CBF, bij ernstig gevaar voor de spaarders, haar beslissing uitvoerbaar heeft verklaard niettegenstaande elk beroep;
  7° door de aanvrager, tegen de beslissingen inzake vergunning die de CBF heeft genomen krachtens de artikelen 50 en 51 van de wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs. Een zelfde beroep kan worden ingesteld door de aanvrager indien de CBF geen uitspraak heeft gedaan binnen de bij het eerste lid van het voormelde artikel 50 vastgestelde termijnen. In dit laatste geval wordt het beroep behandeld als was de aanvraag verworpen;
  8° door de beleggingsonderneming, tegen de beslissingen die de CBF heeft genomen krachtens artikel 104, § 1, 2°, 3° en 4°, van de voormelde wet van 6 april 1995 of van de besluiten die ernaar verwijzen en tegen de gelijkaardige beslissingen genomen krachtens artikel 134 van dezelfde wet. Een zelfde beroep kan worden ingesteld tegen de beslissingen die de CBF heeft genomen krachtens § 1, 1°, van het voormelde artikel 104, of van de besluiten die ernaar verwijzen, alsook tegen de gelijkaardige beslissingen die zij heeft genomen krachtens het voormelde artikel 134, indien de CBF de instelling ter kennis heeft gebracht dat zij deze beslissingen zal bekendmaken. Het beroep schorst de beslissing en haar bekendmaking, tenzij de CBF, bij ernstig gevaar voor de beleggers, haar beslissing uitvoerbaar heeft verklaard niettegenstaande elk beroep;
  9° door de aanvragers, tegen de beslissingen inzake vergunning die de CBF heeft genomen krachtens artikel 129 van de voormelde wet van 6 april 1995. Een zelfde beroep kan worden ingesteld indien de CBF geen uitspraak heeft gedaan binnen de bij het eerste lid van dit artikel vastgestelde termijnen. In dit laatste geval wordt het beroep behandeld als was de aanvraag verworpen;
  10° door de aanvrager van een registratie en door de betrokken vennootschap, tegen de beslissingen van de CBF om de registratie te weigeren, te schorsen of te herroepen krachtens artikel 139 van de voormelde wet van 6 april 1995 en van zijn uitvoeringsmaatregelen. Het beroep schorst de beslissing op tenzij de CBF, om zwaarwichtige redenen, haar beslissing uitvoerbaar niettegenstaande hoger beroep zou hebben verklaard;
  Art. 123. § 1. Een emittent, een persoon die de toelating van het financieel instrument heeft gevraagd, en de CBF kunnen beroep instellen bij het hof van beroep te Brussel tegen beslissingen die de marktonderneming neemt op grond van artikel 7 en waarbij financiële instrumenten worden toegelaten tot, geschorst van of geschrapt uit de notering aan of de verhandeling op een Belgische gereglementeerde markt.
  § 2. Gekwalificeerde tussenpersonen kunnen beroep instellen bij het hof van beroep te Brussel tegen beslissingen van het Rentenfonds met betrekking tot het lidmaatschap van de gereglementeerde markt die het Fonds inricht, of die hen een sanctie opleggen krachtens artikel 2, zesde lid, van de besluitwet van 18 mei 1945 houdende oprichting van een Rentenfonds.
  § 3. Het beroep als bedoeld in §§ 1 en 2 moet, op straffe van verval, worden ingesteld binnen 30 dagen na de kennisgeving van de beslissing.
  § 4. Artikel 120, § 3, is van toepassing op het beroep als bedoeld in §§ 1 en 2.
  § 5. De griffie van het hof van beroep te Brussel vraagt de marktonderneming of het Rentenfonds, binnen 5 dagen na de inschrijving van de zaak op de rol, de toezending van het dossier met de stukken. Binnen 5 dagen na de ontvangst van de vraag moet het dossier worden toegezonden.
  § 6. Behoudens in behoorlijk gemotiveerde omstandigheden en behalve wanneer het gaat om een beroep tegen een beslissing waarbij een dwangsom of een administratieve geldboete is opgelegd, beslist het hof van beroep te Brussel binnen een termijn van 60 dagen na het indienen van de vraag.
  § 7. Het beroep als bedoeld in §§ 1 en 2 heeft geen opschortende werking met uitzondering van het beroep ingediend tegen een beslissing van het Rentenfonds als die een dwangsom of een administratieve boete heeft opgelegd in toepassing van artikel 2, zesde lid, van de besluitwet van 18 mei 1945. Wanneer een dergelijk beroep is ingesteld, kan het hof van beroep te Brussel evenwel, alvorens recht te spreken, de opschorting bevelen van de uitvoering van de beslissing van de marktonderneming als de aanvrager ernstige middelen inroept die de herziening van de beslissing kunnen rechtvaardigen en als de onmiddellijke uitvoering ervan een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel dreigt te berokkenen. Het hof doet onverwijld uitspraak over de vraag tot opschorting.
  Art. 124. Om de toepassing van het strafrecht te vragen, is de CBF gemachtigd om in elke stand van het geding tussen te komen voor het strafgerecht waarbij een door deze wet of door een wet die de CBF belast met het toezicht op de naleving van haar bepalingen, bestraft misdrijf aanhangig is, zonder dat de CBF daarom het bestaan van enig nadeel hoeft aan te tonen. De tussenkomst geschiedt volgens de regels die gelden voor de burgerlijke partij. "
Art. 2. Il est inséré dans la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers un chapitre VI, rédigé comme suit :
  CHAPITRE VI. - Voies de recours contre les décisions prises par le ministre, par la CBF et par les entreprises de marché et intervention de la CBF devant les juridictions répressives
  Art. 120. § 1er. Un recours auprès de la cour d'appel de Bruxelles est ouvert aux entreprises sollicitant la reconnaissance ou le maintien de la qualité de marché réglementé belge, ainsi qu'à la CBF, contre les décisions prises par le ministre en vertu de l'article 3, § 1er et § 3.
  Un recours est également ouvert auprès de la cour d'appel de Bruxelles, aux demandeurs ou aux titulaires d'agrément, ainsi qu'à la CBF, contre les décisions prises par le ministre en matière d'agrément ou de retrait d'agrément en vertu des articles 16 à 18, ou lorsque le ministre n'a pas statué dans les délais fixés en vertu de l'article 18.
  § 2. Les recours visés au § 1er doivent être formés à peine de déchéance dans les 30 jours de la notification de la décision ou de l'échéance du délai fixé.
  § 3. Les recours visés au § 1er sont formés, à peine d'irrecevabilité prononcée d'office, par requête signée et déposée au greffe de la cour d'appel de Bruxelles en autant d'exemplaires que de parties à la cause.
  A peine d'irrecevabilité, la requête contient :
  1° l'indication des jours, mois et an;
  2° si le requérant est une personne physique, ses nom, prénoms et domicile; si le requérant est une personne morale, sa dénomination, sa forme, son siège social et l'organe qui la représente;
  3° la mention de la décision faisant l'objet du recours;
  4° l'exposé des moyens;
  5° l'indication des lieu, jour et heure de la comparution fixés par le greffe de la cour d'appel;
  6° l'inventaire des pièces et documents justificatifs remis au greffe en même temps que la requête.
  La requête est notifiée par le greffe de la cour d'appel de Bruxelles à toutes les parties appelées à la cause par le requérant.
  A tout moment, la cour d'appel de Bruxelles peut d'office appeler à la cause toutes autres personnes dont la situation risque d'être affectée par la décision à intervenir sur le recours.
  La cour d'appel fixe le délai dans lequel les parties doivent se communiquer leurs observations écrites et en déposer copie au greffe. Elle fixe également la date des débats.
  Les parties peuvent chacune déposer leurs observations écrites au greffe de la cour d'appel de Bruxelles et consulter le dossier au greffe sans déplacement. La cour d'appel de Bruxelles fixe les délais de production de ces observations. Elles sont portées par le greffe à la connaissance des parties.
  § 4. Le greffe de la cour d'appel de Bruxelles demande au secrétariat du ministre, dans les 5 jours de l'inscription de la cause au rôle, l'envoi du dossier de la procédure. La transmission est effectuée dans les 5 jours de la réception de la demande.
  § 5. Sauf circonstances dûment motivées, la cour d'appel de Bruxelles statue dans un délai de 60 jours à compter du dépôt de la requête visée au § 3.
  § 6. Les recours visés au § 1er ne sont pas suspensifs. Toutefois, la cour d'appel de Bruxelles, saisie d'un tel recours, peut avant dire droit, ordonner la suspension de l'exécution de la décision du ministre lorsque le demandeur invoque des moyens sérieux susceptibles de justifier la réformation de la décision et que l'exécution immédiate de celle-ci risque de causer un préjudice grave et difficilement réparable. La cour statue toutes affaires cessantes sur la demande de suspension.
  Art. 121. § 1er. Un recours auprès de la cour d'appel de Bruxelles est ouvert contre les décisions de la CBF dans les cas suivants :
  1° contre toute décision susceptible de recours prise en application des dispositions du titre II de l'arrêté royal n° 185 du 9 juillet 1935 sur le contrôle des banques et le régime des émissions de titres et valeurs et de ses arrêtés d'exécution;
  2° contre toute décision prise en application des dispositions du chapitre II de la loi du 2 mars 1989 relative à la publicité des participations importantes dans les sociétés cotées en bourse et réglementant les offres publiques d'acquisition et de l'arrêté royal du 8 novembre 1989 relatif aux offres publiques d'acquisition et aux modifications du contrôle des sociétés;
  3° contre toute décision prise en application de l'article 10 de la présente loi et de ses mesures d'exécution;
  4° contre toute décision infligeant une astreinte ou une amende administrative, prise en application de l'article 36, § 1er, alinéa 2, 2°, ou § 2, de la présente loi, de l'article 16, § 4, de la loi du 2 mars 1989 relative à la publicité des participations importantes dans les sociétés cotées en bourse et réglementant les offres publiques d'acquisition, de l'article 22 de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins de blanchiment de capitaux, de l'article 103, § 1er, alinéa 3, ou § 2, de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédits, de l'article 109, § 1er, alinéa 2, ou § 2, de la loi du 6 avril 1995 relative aux marchés secondaires, au statut des entreprises d'investissement et à leur contrôle, aux intermédiaires et conseillers en placements, ainsi qu'en application de toute autre disposition légale qui donnerait à la CBF la compétence d'infliger une astreinte ou une amende administrative.
  Lorsque la CBF est tenue de statuer et qu'à l'expiration d'un délai de 45 jours, prenant cours à la mise en demeure de statuer qui lui est notifiée par un intéressé, il n'est pas intervenu de décision, le silence de la CBF est réputé constituer une décision de rejet susceptible de recours. Cette disposition ne préjudicie pas aux dispositions spéciales qui établissent un délai différent ou qui attachent des effets différents au silence de la CBF.
  § 2. Sans préjudice des dispositions spéciales plus restrictives prévues par ou en vertu de la loi, les recours visés au § 1er sont ouverts aux parties en cause devant la CBF ainsi qu'à toute personne justifiant d'un intérêt.
  Sans préjudice des dispositions spéciales prévues par ou en vertu de la loi, le délai de recours, prescrit à peine de nullité, est de 15 jours pour les recours visés au § 1er, 1° à 3°. Il est de 30 jours pour les recours visés au § 1er, 4°.
  Le délai de recours court à compter de la notification de la décision attaquée pour les personnes ayant reçu cette notification et à compter de la date à laquelle cette décision a été publiée ou leur a été connue, pour les autres personnes intéressées. Lorsque la CBF n'a pas statué dans le délai fixé par ou en vertu de la loi, le délai court à compter de l'échéance de ce délai.
  Les recours visés au § 1er, 1°, 2° et 3°, ne peuvent être introduits que 15 jours après que le demandeur a sollicité du comité de direction de la CBF, par lettre recommandée avec accusé de réception, le retrait ou la modification de la décision incriminée, sans qu'il soit satisfait à sa demande. Le demandeur n'est toutefois pas tenu de retarder l'introduction de son recours si la CBF entend procéder à l'exécution de sa décision nonobstant la sollicitation adressée par le demandeur au comité de direction de la CBF. Le délai de recours visé à l'alinéa 2 est prolongé de 21 jours à compter de la date d'envoi de la lettre recommandée sollicitant le retrait ou la modification de la décision incriminée, pour autant que cette lettre soit adressée avant l'expiration du délai visé à l'alinéa 2.
  § 3. L'article 120, § 3, est applicable aux recours visés au § 1er.
  § 4. Le greffe de la cour d'appel de Bruxelles demande à la CBF, dans les 5 jours de l'inscription de la cause au rôle, l'envoi du dossier de la procédure. La transmission est effectuée dans les 5 jours de la réception de la demande.
  § 5. Sauf circonstances dûment motivées, la cour d'appel de Bruxelles statue, sur les recours visés au § 1er, 1° à 3°, dans un délai de 60 jours à compter de l'introduction de la demande.
  § 6. Les recours visés au § 1er, 4°, sont suspensifs de la décision de la CBF. Les recours visés aux § 1er, 1°, 2° et 3°, ne sont pas suspensifs de la décision de la CBF, sauf les exceptions prévues par ou en vertu de la loi. Toutefois, la cour d'appel de Bruxelles, peut avant dire droit, ordonner la suspension de l'exécution de la décision de la CBF lorsque le demandeur invoque des moyens sérieux susceptibles de justifier la réformation de la décision et lorsque l'exécution immédiate de celle-ci risque de causer un préjudice grave et difficilement réparable. La cour statue toutes affaires cessantes sur la demande de suspension.
  Art. 122. Un recours auprès du Conseil d'Etat est ouvert, selon une procédure accélérée déterminée par le Roi :
  1° au demandeur, contre le refus d'inscription décidé par la CBF en vertu des articles 120 et 121 de la loi du 4 décembre 1990 relative aux opérations financières et aux marchés financiers, ou lorsque la CBF n'a pas statué dans un délai de trois mois à dater de l'introduction d'un dossier complet. Dans ce dernier cas, la demande d'inscription est censée rejetée. Un même recours est ouvert à l'organisme de placement contre le refus d'inscription décidé par la CBF en vertu de l'article 138 ou de l'article 141, § 2, de la loi du 4 décembre 1990 précitée;
  2° à l'organisme de placement, contre les refus d'agrément ou d'acceptation décidés par la CBF en vertu de l'article 120, § 2, 1°, 2° et 3°, de la loi du 4 décembre 1990 précitée;
  3° à l'organisme de placement, contre les décisions de la CBF prises en vertu de l'article 134, alinéa 2, 2° et 5°, de l'article 139 et de l'article 141, § 3, de la loi du 4 décembre 1990 précitée. Le recours suspend l'exécution de la décision sauf si la CBF en décide autrement en cas de péril grave pour les créanciers ou les participants;
  4° au demandeur d'agrément, contre les décisions de la CBF prises en matière d'agrément en vertu des articles 10 et 11 de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit. Un même recours est ouvert lorsque la CBF n'a pas statué dans les délais fixés au 1er alinéa de l'article 10 précité; dans ce dernier cas, le recours est traité comme s'il y avait eu rejet de la demande;
  5° à l'établissement de crédit, contre les décisions de la CBF prises en vertu de l'alinéa 3 de l'article 34 de la loi du 22 mars 1993 précitée;
  6° à l'établissement de crédit, contre les décisions de la CBF prises en vertu de l'article 57, § 1er, alinéa 2, 2°, 3° et 4°, et contre les décisions équivalentes prises en vertu de l'article 75, § 2, et de l'article 84 de la loi du 22 mars 1993 précitée. Un même recours est ouvert contre les décisions de la CBF prises en vertu du § 1er, alinéa 2, 1°, de l'article 57 précité, ainsi que contre les décisions équivalentes prises en vertu des l'articles 75, § 2 et 84 de la loi du 22 mars 1993 précitée, lorsque la CBF a notifié à l'établissement qu'elle publiera ces décisions. Le recours est suspensif de la décision et de sa publication, sauf si, en raison d'un péril grave pour les épargnants, la CBF a déclaré sa décision exécutoire nonobstant recours;
  7° au demandeur, contre les décisions prises par la CBF en matière d'agrément en vertu des articles 50 et 51 de la loi du 6 avril 1995 relative aux marchés secondaires, au statut des entreprises d'investissement et à leur contrôle, aux intermédiaires et conseillers en placements. Un même recours est ouvert au demandeur lorsque la CBF n'a pas statué dans les délais fixés à l'alinéa 1er de l'article 50 précité. Dans ce dernier cas, le recours est traité comme s'il y avait eu rejet de la demande;
  8° à l'entreprise d'investissement, contre les décisions de la CBF prises en vertu de l'article 104, § 1er, 2°, 3° et 4°, de la loi du 6 avril 1995 précitée ou des arrêtés qui s'y réfèrent et contre les décisions équivalentes prises en vertu de l'article 134 de la même loi. Un même recours est ouvert contre des décisions de la CBF prises en vertu du § 1er, 1°, de l'article 104 précité, ou des arrêtés qui s'y réfèrent, ainsi que des décisions équivalentes prises en vertu de l'article 134 précité, lorsque la CBF a notifié à l'entreprise qu'elle publiera ces décisions. Le recours est suspensif de la décision et de sa publication sauf si, en raison d'un péril grave pour les investisseurs, la CBF a déclaré sa décision exécutoire nonobstant recours;
  9° au demandeur, contre les décisions prises par la CBF en matière d'agrément en vertu de l'article 129 de la loi du 6 avril 1995 précitée. Un même recours est ouvert lorsque la CBF n'a pas statué dans les délais fixés à l'alinéa 1er de cet article. Dans ce dernier cas, le recours est traité comme s'il y avait eu rejet de la demande;
  10° au demandeur d'enregistrement et à la société concernée, contre les décisions de la CBF de refus d'enregistrement et de suspension ou révocation de l'enregistrement, prises en vertu de l'article 139 de la loi du 6 avril 1995 précitée et de ses mesures d'exécution. Le recours est suspensif de la décision à moins que la CBF n'ait, pour motifs graves, déclaré que sa décision était exécutoire nonobstant recours;
  Art. 123. § 1er. Un recours auprès de la cour d'appel de Bruxelles est ouvert à l'émetteur, à la personne ayant demandé l'admission de l'instrument financier, ainsi qu'à la CBF, contre les décisions prises par l'entreprise de marché, en vertu de l'article 7, en matière d'admission, de suspension ou de radiation d'instruments financiers, à la cotation ou aux négociations sur un marché réglementé belge.
  § 2. Un recours auprès de la cour d'appel de Bruxelles est ouvert aux intermédiaires qualifiés contre les décisions du Fonds des Rentes relatives à la qualité de membre du marché réglementé que le Fonds organise ou à une sanction qui leur a été imposée en vertu de l'article 2, alinéa 6, de l'arrêté-loi du 18 mai 1945 portant création d'un Fonds des Rentes.
  § 3. Les recours visés aux §§ 1er et 2 doivent être formés à peine de déchéance dans les 30 jours de la notification de la décision.
  § 4. L'article 120, § 3, est applicable aux recours visés aux §§ 1er et 2.
  § 5. Le greffe de la cour d'appel de Bruxelles demande à l'entreprise de marché ou au Fonds des Rentes, dans les 5 jours de l'inscription de la cause au rôle, l'envoi du dossier de la procédure. La transmission est effectuée dans les 5 jours de la réception de la demande.
  § 6. Sauf circonstances dûment motivées et sauf lorsqu'il s'agit d'un recours contre une décision ayant infligé une astreinte ou une amende administrative, la cour d'appel de Bruxelles statue dans un délai de 60 jours à compter de l'introduction de la demande.
  § 7. Les recours visés au §§ 1er et 2 ne sont pas suspensifs, à l'exception du recours formé contre une décision du Fonds des Rentes ayant infligé une astreinte ou une amende administrative en application de l'article 2, alinéa 6, de l'arrêté loi du 18 mai 1945 précité. Toutefois, la cour d'appel de Bruxelles, saisie d'un tel recours, peut avant dire droit, ordonner la suspension de l'exécution de la décision de l'entreprise de marché lorsque le demandeur invoque des moyens sérieux susceptibles de justifier la réformation de la décision et que l'exécution immédiate de celle-ci risque de causer un préjudice grave et difficilement réparable. La cour statue toutes affaires cessantes sur la demande de suspension.
  Art. 124. Aux fins de demander l'application de la loi pénale, la CBF est habilitée à intervenir en tout état de cause devant la juridiction répressive saisie d'une infraction punie par la présente loi ou par une loi qui confie à la CBF le contrôle du respect de ses dispositions, sans que la CBF ait à justifier d'un dommage. L'intervention suit les règles applicables à la partie civile. "
Art. 3. In de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, wordt een hoofdstuk VII ingevoegd, dat luidt als volgt :
  HOOFDSTUK VII. - Verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de CDV en tussenkomst van de CDV voor de strafgerechten.
  Art. 125. §. 1. Een beroep bij het hof van beroep van Brussel is mogelijk voor de ondernemingen tegen de beslissingen van de CDV die hen een administratieve boete opleggen in toepassing van artikel 82, § 1, eerste lid, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen.
  § 2. Het beroep bedoeld in § 1 moet op straffe van verval worden ingesteld binnen 30 dagen na de kennisgeving van de beslissing.
  § 3. Artikel 120, § 3, is van toepassing op het beroep bedoeld in § 1.
  § 4. De griffie van het hof van beroep van Brussel vraagt binnen de 5 dagen na inschrijving van het geschil op de rol aan de CDV de opzending van het dossier van de procedure. De verzending wordt gedaan binnen 5 dagen na ontvangst van de vraag.
  § 5. Het beroep bedoeld in § 1 schorst de beslissing van de CDV op.
  Art. 126. Bij de Raad van State kan, volgens een versnelde procedure vastgesteld door de Koning, beroep worden ingesteld :
  1° door de aanvrager van een toelating, tegen de beslissingen inzake toelating die de CDV heeft genomen krachtens artikel 3 van de voormelde wet van 9 juli 1975;
  2° door de verzekeringsondernemingen of de voorzorgsinstelling, tegen de beslissingen tot uitbreiding van het verzoek om inlichtingen die de CDV heeft genomen krachtens artikel 21, § 1bis , van voornoemde wet van 9 juli 1975;
  3° door de verzekeringsondernemingen of de voorzorgsinstelling, tegen de beslissingen tot verhoging van tarief die de CDV heeft genomen krachtens artikel 21octies van voornoemde wet van 9 juli 1975;
  4° door de verzekeringsondernemingen of de voorzorgsinstelling, tegen de beslissingen die de CDV heeft genomen krachtens artikel 26, § 2 en § 4, 2°, 3° en 4°, van de voormelde wet van 9 juli 1975;
  5° door de verzekeringsondernemingen of de voorzorgsinstelling, tegen de beslissingen van intrekking van de toelating, die de CDV heeft genomen krachtens artikel 43, van de voormelde wet van 9 juli 1975;
  6° door de verzekeringsondernemingen, tegen de beslissingen tot verzet die de CDV heeft genomen krachtens artikelen 51 en 58 van de voormelde wet van 9 juli 1975, of wanneer de CDV geen beslissing betekend heeft binnen de termijn vastgelegd in artikel 51, tweede lid, van dezelfde wet;
  7° door de hypothecaire onderneming, tegen de beslissingen van weigering tot inschrijving, van intrekking van de inschrijving en van verzet, die de CDV heeft genomen krachtens artikel 43, §§ 1, 2 en 6, van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet;
  8° door de hypothecaire onderneming, tegen de beslissingen van verbieding, die de CDV heeft genomen krachtens artikel 43bis , § 3, van de voormelde wet van 4 augustus 1992;
  9° door de verzekeringstussenpersoon, tegen de beslissingen van inschrijving of van weigering van inschrijving in een categorie van het register van de tussenpersonen, van schrapping of wijziging van de inschrijving en van waarschuwing die de CDV heeft genomen krachtens artikelen 5, 8, 9 en 13 van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen.
  Art. 127. De artikelen 7, 21, § 1bis , derde lid, en § 2, 21octies , § 3, 26, § 2, tweede lid, en § 4, tweede lid, 52, 59 en 89 van voornoemde wet van 9 juli 1975 worden opgeheven.
  De artikelen 43, § 8, 43bis , § 3, tweede lid, laatste zin, van voornoemde wet van 4 augustus 1992 worden opgeheven.
  De artikelen 9, achtste lid, en 13, vierde lid, tweede zin, van voornoemde wet van 27 maart 1995 worden opgeheven.
  Art. 128. Om de toepassing van het strafrecht te vragen, is de CDV gemachtigd om in elke stand van het geding tussen te komen voor het strafgerecht waarbij een door deze wet of door een wet die de CDV belast met het toezicht op de naleving van haar bepalingen, bestraft misdrijf aanhangig is, zonder dat de CDV daarom het bestaan van enig nadeel hoeft aan te tonen. De tussenkomst geschiedt volgens de regels die gelden voor de burgerlijke partij. "
Art. 3. Il est inséré dans la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers un chapitre VII, rédigé comme suit :
  CHAPITRE VII. - Voies de recours contre les décisions prises par l'OCA et intervention de l'OCA devant les juridictions répressives.
  Art. 125. § 1er. Un recours auprès de la cour d'appel de Bruxelles est ouvert aux entreprises contre les décisions de l'OCA qui leur infligent une amende administrative en application de l'article 82, § 1er, alinéa 1er de la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurance.
  § 2. Les recours visés au § 1er doivent être formés à peine de déchéance dans les 30 jours de la notification de la décision.
  § 3. L'article 120, § 3, est applicable aux recours visés au § 1er.
  § 4. Le greffe de la cour d'appel de Bruxelles demande à l'OCA, dans les 5 jours de l'inscription de la cause au rôle, l'envoi du dossier de la procédure. La transmission est effectuée dans les 5 jours de la réception de la demande.
  § 5. Les recours visés au § 1er sont suspensifs de la décision de l'OCA.
  Art. 126. Un recours auprès du Conseil d'Etat est ouvert, selon une procédure accélérée déterminée par le Roi :
  1° au demandeur d'agrément, contre les décisions prises par l'OCA en matière d'agrément en vertu de l'article 3 de la loi du 9 juillet 1975 précitée;
  2° à l'entreprise d'assurances ou à l'institution de prévoyance, contre les décisions de demande d'extension de renseignements prises par l'OCA en vertu de l'article 21, § 1erbis, de la loi du 9 juillet 1975 précitée;
  3° à l'entreprise d'assurances ou à l'institution de prévoyance, contre les décisions de relèvement de tarif prises par l'OCA en vertu de l'article 21octies de la loi du 9 juillet 1975 précitée;
  4° à l'entreprise d'assurances ou à l'institution de prévoyance, contre les décisions prises par l'OCA en vertu de l'article 26, § 2 et § 4, 2°, 3° et 4°, de la loi du 9 juillet 1975 précitée;
  5° à l'entreprise d'assurances ou à l'institution de prévoyance, contre les décisions de révocation de l'agrément prise par l'OCA en vertu de l'article 43 de la loi du 9 juillet 1975 précitée;
  6° à l'entreprise d'assurances, contre les décisions d'opposition prises par l'OCA en vertu des articles 51 et 58 de la loi du 9 juillet 1975 précitée ou lorsque l'OCA n'a pas notifié de décision dans le délai fixé à l'article 51, alinéa 2, de la même loi;
  7° à l'entreprise hypothécaire, contre les décisions de refus d'inscription, de radiation de l'inscription et d'opposition prises par l'OCA en vertu de l'article 43, §§ 1er, 2 et 6, de la loi du 4 août 1992 relative au crédit hypothécaire;
  8° à l'entreprise hypothécaire, contre les décisions d'interdiction prises par l'OCA en vertu de l'article 43bis, § 3, de la loi du 4 août 1992 précitée;
  9° à l'intermédiaire d'assurances, contre les décisions d'inscription ou de refus d'inscription dans une catégorie du registre des intermédiaires, de radiation ou de modification de l'inscription, et d'avertissement, prises par l'OCA en vertu des articles 5, 8, 9 et 13 de la loi du 27 mars 1995 relative à l'intermédiation en assurances et à la distribution d'assurances.
  Art. 127. Les articles 7, 21, § 1er bis, alinéa 3, et § 2, 21octies , § 3, 26, § 2, alinéa 2 et § 4, alinéa 2, 52, 59 et 89 de la loi du 9 juillet 1975 précitée, sont abrogés.
  Les articles 43, § 8, et 43bis, § 3, alinéa 2, dernière phrase, de la loi du 4 août 1992 précitée, sont abrogés.
  Les articles 9, alinéa 8 et 13, alinéa 4, deuxième phrase, de la loi du 27 mars 1995 précitée, sont abrogés.
  Art. 128. Aux fins de demander l'application de la loi pénale, l'OCA est habilité à intervenir en tout état de cause devant la juridiction répressive saisie d'une infraction punie par la présente loi ou par une loi qui confie à l'OCA le contrôle du respect de ses dispositions, sans que l'OCA ait à justifier d'un dommage. L'intervention suit les règles applicables à la partie civile. "
Art. 4. § 1. In artikel 30 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973, wordt een § 2bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de regels van de versnelde procedure toepasselijk op het beroep bedoeld in artikel 122 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, daarbij indien nodig afwijkend van § 1 alsook van de artikelen 14, 17, 18, 21, 21bis en 90.
  Hij stelt inzonderheid de termijn vast waarbinnen de aanvrager het beroep moet instellen op straffe van verval, de termijnen waarbinnen alle partijen hun memorie moeten indienen alsook de termijn waarbinnen de Raad van State zich dient uit te spreken.
  Hij kan bijzondere regels bepalen voor de samenstelling van de kamers. Hij kan voor de beroepen bedoeld in artikel 122 van de voormelde wet van 2 augustus 2002, verschillende regels vaststellen.
  Hij kan de eiser verplichten om vóór de indiening van het beroep, bij het directiecomité van de CBF een verzoek in te dienen tot intrekking of wijziging van de betwiste beslissing. "
  § 2. In artikel 30 van de voornoemde gecoördineerde wetten op de Raad van State, wordt een § 2ter ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de regels van de versnelde procedure toepasselijk op het beroep bedoeld in artikel 122 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, daarbij indien nodig afwijkend van § 1 alsook van de artikelen 14, 17, 18, 21, 21bis en 90.
  Hij stelt inzonderheid de termijn vast waarbinnen de aanvrager het beroep moet instellen op straffe van verval, de termijnen waarbinnen alle partijen hun memorie moeten indienen alsook de termijn waarbinnen de Raad van State zich dient uit te spreken.
  Hij kan bijzondere regels bepalen voor de samenstelling van de kamers. Hij kan voor de beroepen bedoeld in artikel 126 van de voormelde wet van 2 augustus 2002, verschillende regels vaststellen.
  Hij kan de eiser verplichten om vóór de indiening van het beroep, bij het directiecomité van de CDV een verzoek in te dienen tot intrekking of wijziging van de betwiste beslissing. "
Art. 4. § 1er. A l'article 30 des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat du 12 janvier 1973, il est inséré un § 2bis, rédigé comme suit :
  " Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les règles de la procédure accélérée applicables aux recours visés à l'article 122 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, en dérogeant au besoin au paragraphe 1er ainsi qu'aux articles 14, 17, 18, 21, 21bis et 90.
  Il fixe notamment le délai dans lequel le demandeur doit introduire le recours à peine de déchéance, les délais dans lesquels chaque partie doit communiquer son mémoire, ainsi que le délai dans lequel le Conseil d'Etat doit statuer.
  Il peut fixer des règles particulières de composition des chambres. Il peut fixer des règles distinctes selon les recours visés à l'article 122 de la loi du 2 août 2002 précitée.
  Il peut imposer au demandeur, préalablement à l'introduction du recours, de solliciter, auprès du comité de direction de la CBF, le retrait ou la modification de la décision incriminée. "
  § 2. A l'article 30 des lois coordonnées sur le Conseil d'Etat précitées, il est inséré un § 2ter, rédigé comme suit :
  " Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les règles de la procédure accélérée applicables aux recours visés à l'article 126 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, en dérogeant au besoin au paragraphe 1er ainsi qu'aux articles 14, 17, 18, 21, 21bis et 90.
  Il fixe notamment le délai dans lequel le demandeur doit introduire le recours à peine de déchéance, les délais dans lesquels chaque partie doit communiquer son mémoire, ainsi que le délai dans lequel le Conseil d'Etat doit statuer.
  Il peut fixer des règles particulières de composition des chambres. Il peut fixer des règles distinctes selon les recours visés à l'article 126 de la loi du 2 août 2002 précitée.
  Il peut imposer au demandeur, préalablement à l'introduction du recours, de solliciter, auprès de l'organe de l'OCA qu'Il détermine, le retrait ou la modification de la décision incriminée. "
Art. 5. In de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen, wordt een artikel 18ter ingevoegd, dat luidt als volgt :
  " Art. 18ter. § 1. Elke vordering, ten gronde of in kort geding gelet op haar hoogdringendheid, die volledig of gedeeltelijk steunt op één of meer bepalingen van dit hoofdstuk of op bepalingen die door de Koning zijn vastgelegd met toepassing van artikel 15, §§ 1 en 2, alsook elke vordering met als doel of mogelijk gevolg de opening van een openbaar overnameaanbod of een wijziging van het resultaat, de voorwaarden of het verloop van een dergelijk bod, vallen onder de uitsluitende bevoegdheid van het hof van beroep te Brussel.
  § 2. De vordering moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen een termijn van 15 dagen nadat de eiser kennis heeft gekregen van het feit waarop zijn vordering steunt.
  §. 3. De vorderingen bedoeld in § 1 moeten, op straffe van niet-ontvankelijkheid die ambtshalve wordt uitgesproken, worden ingediend bij ondertekend verzoekschrift ingediend ter griffie van het hof van beroep te Brussel in zoveel exemplaren als er partijen zijn.
  Op straffe van niet-ontvankelijkheid, bevat het verzoekschrift :
  1° de vermelding van de dag, de maand en het jaar;
  2° indien de eiser een natuurlijke persoon is, zijn naam, voornamen en woonplaats; indien de eiser een rechtspersoon is, zijn naam, zijn rechtsvorm, zijn maatschappelijke zetel en het orgaan dat hem vertegenwoordigt;
  3° de uiteenzetting van de middelen;
  4° de aanduiding van de plaats, de dag en het uur van de verschijning vastgesteld door de griffie van het hof van beroep;
  5° de inventaris van de verantwoordingsstukken die samen met het verzoekschrift ter griffie zijn neergelegd.
  Het verzoekschrift wordt door de griffie van het hof van beroep te Brussel ter kennis gebracht van alle partijen die door verzoeker in het geding zijn opgeroepen. Elke betrokken derde kan tussenkomen in de procedure.
  Het hof van beroep van Brussel stelt de termijn vast waarbinnen de partijen elkaar hun schriftelijke opmerkingen moeten overleggen en een kopie ervan ter griffie moeten neerleggen. Het hof bepaalt eveneens de datum van de debatten.
  Elk van de partijen kan haar schriftelijke opmerkingen neerleggen bij de griffie van het hof van beroep te Brussel en ter plaatse het dossier op de griffie raadplegen. Het hof van beroep bepaalt de termijn waarbinnen die opmerkingen moeten worden overgelegd. Ze worden door de griffie ter kennis gebracht van de partijen.
  § 4. Behoudens in behoorlijk gemotiveerde omstandigheden, beslist het hof van beroep te Brussel binnen een termijn van 60 dagen na het indienen van de aanvraag.
  § 5. Het hof van beroep te Brussel doet uitspraak in eerste en laatste instantie. Het kan in eerste instantie geen andere vordering behandelen dan bedoeld in § 1, met dien verstande dat de regels van het Gerechtelijk Wetboek inzake samenhang en tegeneis niet hoeven te worden toegepast. "
Art. 5. Un article 18ter, rédigé comme suit, est inséré dans la loi du 2 mars 1989 relative à la publicité des participations importantes dans les sociétés cotées en bourse et réglementant les offres publiques d'acquisition :
  " Art. 18ter. § 1er. Toute demande, au fond ou au provisoire vu l'urgence, fondée en tout ou en partie sur une ou plusieurs dispositions du présent chapitre ou des dispositions arrêtées par le Roi en exécution de l'article 15, §§ 1er et 2, ainsi que toute demande qui a pour objet ou qui est susceptible d'avoir pour effet de provoquer l'ouverture d'une offre publique d'acquisition ou de modifier le résultat, les conditions ou le déroulement d'une telle offre, sont de la compétence exclusive de la cour d'appel de Bruxelles.
  § 2. A peine de déchéance, la demande doit être introduite dans un délai de 15 jours à compter de la connaissance, par le demandeur, du fait fondant sa demande.
  § 3. Les demandes visées au § 1er sont introduites, à peine d'irrecevabilité prononcée d'office, par requête signée et déposée au greffe de la cour d'appel de Bruxelles en autant d'exemplaires que de parties à la cause.
  A peine d'irrecevabilité, la requête contient :
  1° l'indication des jour, mois et an;
  2° si le demandeur est une personne physique, ses nom, prénoms et domicile; si le demandeur est une personne morale, sa dénomination, sa forme, son siège social et l'organe qui la représente;
  3° l'exposé des moyens;
  4° l'indication des lieu, jour et heure de la comparution fixés par le greffe de la cour d'appel;
  5° l'inventaire des pièces et documents justificatifs remis au greffe en même temps que la requête.
  La requête est notifiée par le greffe de la cour d'appel de Bruxelles à toutes les parties appelées à la cause par le requérant. Tout tiers intéressé peut intervenir dans la procédure.
  La cour d'appel de Bruxelles fixe le délai dans lequel les parties doivent se communiquer leurs observations écrites et en déposer copie au greffe. Elle fixe également la date des débats.
  Les parties peuvent chacune déposer leurs observations écrites au greffe de la cour d'appel de Bruxelles et consulter le dossier au greffe sans déplacement. La cour d'appel de Bruxelles fixe les délais de production de ces observations. Elles sont portées par le greffe à la connaissance des parties.
  § 4. Sauf circonstances dûment motivées, la cour d'appel de Bruxelles statue dans un délai de 60 jours à compter de l'introduction de la demande.
  § 5. La cour d'appel de Bruxelles statue en premier et dernier ressort. Elle n'est susceptible de connaître en premier ressort d'aucune autre demande que celles visées au § 1er, étant entendu qu'il n'y a pas lieu d'appliquer les règles du Code judiciaire relatives à la connexité et aux demandes reconventionnelles. "
Art. 6. Een artikel 584bis luidend als volgt, wordt ingevoegd in het Gerechtelijk Wetboek :
  " Art. 584bis. Artikel 584 is niet van toepassing op de vorderingen bedoeld in § 1 van artikel 18ter van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen. De voorzitter van de rechtbank van koophandel blijft evenwel bevoegd om in geval van absolute noodzakelijkheid, op verzoekschrift, iedere voorlopige maatregel te bevelen, tot op het ogenblik dat op tegenspraak uitspraak is gedaan door het hof van beroep te Brussel. "
Art. 6. Un article 584bis, rédigé comme suit, est inséré dans le Code judiciaire :
  " Art. 584bis. L'article 584 n'est pas applicable à l'égard des demandes visées au § 1er de l'article 18ter de la loi du 2 mars 1989 relative à la publicité des participations importantes dans les sociétés cotées en bourse et réglementant les offres publiques d'acquisition. Toutefois, le président du tribunal de commerce reste compétent pour ordonner, sur requête, en cas d'absolue nécessité, toute mesure provisoire, jusqu'à ce qu'il soit statué de manière contradictoire par la cour d'appel de Bruxelles. "
Art. 7. Een artikel 605bis , luidend als volgt, wordt ingevoegd in het Gerechtelijk Wetboek :
  " Art. 605bis. Het hof van beroep neemt kennis van het beroep bedoeld in de artikelen 120, 121, 123 en 125 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten. "
Art. 7. Un article 605bis, rédigé comme suit, est inséré dans le Code judiciaire :
  " Art. 605bis. La cour d'appel connaît des recours visés aux articles 120, 121, 123 et 125 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers. "
Art. 8. Een artikel 605ter , luidend als volgt, wordt ingevoegd in het Gerechtelijk Wetboek :
  " Art. 605ter. Het hof van beroep neemt in eerste en laatste instantie kennis van de vorderingen bedoeld in artikel 18ter van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen. ".
Art. 8. Un article 605ter, rédigé comme suit, est inséré dans le Code judiciaire :
  " Art. 605ter. La cour d'appel connaît en premier et dernier ressort des demandes visées à l'article 18ter de la loi du 2 mars 1989 relative à la publicité des participations importantes dans les sociétés cotées en bourse et réglementant les offres publiques d'acquisition. ".
Art. 9. Een artikel 633bis , luidend als volgt, wordt ingevoegd in het Gerechtelijk Wetboek :
  " Art. 633bis. Enkel het hof van beroep te Brussel is bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen in de gevallen zoals bedoeld in de artikelen 605bis en 605ter. "
Art. 9. Un article 633bis, rédigé comme suit, est inséré dans le Code judiciaire :
  " Art. 633bis. Est seule compétente pour connaître de la demande, dans les cas prévus aux articles 605bis et 605ter, la cour d'appel de Bruxelles. "
Art. 10. Een artikel 633ter , luidend als volgt, wordt ingevoegd in het Gerechtelijk Wetboek :
  " Art. 633ter. De voorzitter van de rechtbank van koophandel die met toepassing van artikel 584bis bevoegd is, is de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel. "
Art. 10. Un article 633ter, rédigé comme suit, est inséré dans le Code judiciaire :
  " Art. 633ter. Le président du tribunal de commerce qui est compétent en application de l'article 584bis est le président du tribunal de commerce de Bruxelles. "
Art. 11. De Koning bepaalt de datum van de inwerkingtreding van elk van de bepalingen van deze wet.
  De voor de hoven, rechtbanken en andere instanties hangende procedures, met inbegrip van de verhaalmiddelen tegen hun beslissingen, zullen worden voortgezet en afgesloten conform de regels die van toepassing zijn vóór de inwerkingtreding van deze wet.
  (NOTA : inwerkingtreding van artikelen 1, 2, 4, §1, en 5 tot 11 vastgesteld op 01-06-2003 door KB 2003-04-04/53, art. 1, inzake de verhaalmiddelen tegen de beslissingen van de Minister, de (CBFA), de CDV en de marktondernemingen, alsook inzake de tussenkomst van de (CBFA) en van de CDV voor de strafgerechten) <KB 2003-03-25/34, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Gegeven te Punat, 2 augustus 2002.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  Voor de Minister van Binnenlandse Zaken, afwezig :
  De Minister van Justitie,
  M. VERWILGHEN
  De Minister van Justitie,
  M. VERWILGHEN
  De Minister van Financiën,
  D. REYNDERS
  De Minister van Economie,
  Ch. PICQUE
  Met 's Lands zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  M. VERWILGHEN.
Art. 11. Le Roi fixe la date d'entrée en vigueur de chacune des dispositions de la présente loi.
  Les procédures pendantes devant les cours, les tribunaux et les autres instances, y compris les voies de recours qui peuvent être introduites contre leurs décisions, seront poursuivies et clôturées conformément aux règles applicables avant l'entrée en vigueur de la présente loi.
  (NOTE : Entrée en vigueur des articles 1, 2, 4, §1, et 5 à 11 fixée au 01-06-2003 par AR 2003-04-04/53, art. 1, en ce qui concerne les voies de recours contre les décisions prises par le Ministre, par la (CBFA), par l'OCA et par les entreprises de marché et en ce qui concerne l'intervention de la (CBFA) et de l'OCA devant les juridictions répressives) <AR 2003-03-25/34, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-2004>
  Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
  Donné à Punat, le 2 août 2002.
  ALBERT
  Par le Roi :
  Pour le Ministre de l'Intérieur, absent :
  Le Ministre de la Justice,
  M. VERWILGHEN
  Le Ministre de la Justice,
  M. VERWILGHEN
  Le Ministre des Finances,
  D. REYNDERS
  Le Ministre de l'Economie,
  Ch. PICQUE
  Scellé du sceau de l'Etat :
  Le Ministre de la Justice,
  M. VERWILGHEN.