Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
10 APRIL 1992. - Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit. - Inkomstenbelastingen. - Bericht aan de werkgevers. - Loonfiche 281.10
Titre
10 AVRIL 1992. - Administration de la fiscalité des entreprises et des revenus. - Impôts sur les revenus. - Avis aux employeurs. - Fiches de rémunérations 281.10
Documentinformatie
Inhoud
Inhoud
Tekst (3)
Texte (3)
Artikel M. Indien de werknemer opteert voor de forfaitaire aftrek van beroepskosten overeenkomstig artikel 51 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, worden de vergoedingen door de werkgever toegekend als terugbetaling of betaling van reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling voortaan vrijgesteld, voor zover de werknemer die verplaatsing maakt :
  a) met het openbaar gemeenschappelijk vervoer : voor het volledige bedrag van de vergoeding;
  b) met het gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden dat door de werkgever of door een groep van werkgevers wordt georganiseerd : voor een bedrag dat maximaal gelijk is aan de prijs van een treinabonnement eerste klasse voor die afstand;
  c) met een ander dan in a of b vermeld vervoermiddel : voor een maximum bedrag van 150 EUR (6 051 BEF) per jaar.
  De wijzigingen hebben gevolgen voor de opmaak van de individuele fiches 281.10 en de toepassing van de bedrijfsvoorheffing.
  A. FICHES 281.10 (vergoedingen betaald of toegekend vanaf 1 januari 2001)
  De werkgevers worden verzocht de jaarlijkse vergoeding die ze in 2001 hebben toegekend als betaling of terugbetaling van de reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling als volgt uit te splitsen op de individuele fiches 281.10. (model inkomsten 2001 zie bijlage) :
  1° De werknemer gebruikt het openbaar gemeenschappelijk vervoer (trein, tram, bus, metro).
  In vak 14, a en 14, d (tegenover de kenletter " V "), het totale jaarbedrag vermelden van de vergoeding die de werkgever heeft toegekend als betaling of terugbetaling van de kosten voor de verplaatsingen van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling met één of meerdere openbare gemeenschappelijke vervoermiddelen.
  Het in vak 14, a, te vermelden bedrag heeft zowel betrekking op de verplichte als op de vrijwillige bijdrage van de werkgever in de prijs van een al dan niet regelmatig abonnement, evenals op de vergoedingen in de prijs van losse tickets, meerrittenkaarten, enz.
  In vak 14, a, mogen alleen de vergoedingen worden ingevuld, waarvan de werkgever kan vaststellen dat ze betrekking hebben op de betaling of terugbetaling van kosten voor woon-werkverplaatsingen met het openbaar gemeenschappelijk vervoer. Dit is inzonderheid het geval voor reiskosten die de werkgever rechtstreeks aan een maatschappij voor openbaar gemeenschappelijk vervoer betaalt (in het kader van het zogenaamde derdebetalerssysteem) of voor zover de werknemer t.o.v. zijn werkgever kan aantonen (bv. aan de hand van de in het vorige lid vermelde vervoerbewijzen) dat de vergoedingen op dergelijke reiskosten betrekking hebben.
  2° De werkgever organiseert gemeenschappelijk vervoer.
  Onder " georganiseerd gemeenschappelijk vervoer " moet worden verstaan : het gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden met een autobus, autocar of minibus dat door de werkgever of door een groep van werkgevers wordt georganiseerd met eigen middelen of door tussenkomst van een maatschappij voor personenvervoer.
  a) In ontkennend geval :
  - in vak 14, b, de vermelding " JA " schrappen.
  b) In bevestigend geval :
  - in vak 14, b, de vermelding " NEEN " schrappen.
  - De werknemer gebruikt bovendien het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer :
  in vak 14, b en 14, d (tegenover de kenletter " V ") ook het totale jaarbedrag vermelden van de vergoeding die de werkgever heeft toegekend als betaling of terugbetaling van de kosten die de werknemer heeft gedaan voor de verplaatsingen van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling met het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer.
  In vak 14, b, mogen alleen de vergoedingen worden ingevuld waarvan de werkgever kan vaststellen dat ze betrekking hebben op de betaling of terugbetaling van kosten voor woon-werkverplaatsingen met het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer. Dit is inzonderheid het geval voor de vergoedingen die de werknemer aan zijn werkgever terugbetaalt als bijdrage in het vervoer dat de werkgever zelf organiseert of mede organiseert of voor zover de werknemer of de maatschappij voor personenvervoer t.o.v. de werkgever aantoont (bv. aan de hand van een attest of betalingsbewijzen door die maatschappij uitgereikt) dat de werknemer bijdragen heeft betaald in dergelijk georganiseerd gemeenschappelijk vervoer.
  In vak 14, b, moet alleen de eventuele vergoeding zelf (ten belope van de bijdrage van de werknemer) worden vermeld. Het voordeel dat volgt uit het gemeenschappelijk vervoer dat de werkgever (alleen of tezamen met andere werkgevers) kosteloos of beneden kostprijs met eigen middelen of door tussenkomst van een maatschappij voor personenvervoer organiseert is een sociaal voordeel dat van belasting is vrijgesteld. De waarde van dat vrijgestelde sociale voordeel, moet bijgevolg niet in vak 14, b en evenmin in vak 14, d (tegenover de kenletter " V ") worden opgenomen.
  3° De werknemer gebruikt een ander vervoermiddel.
  In vak 14, c en 14, d (tegenover de kenletter " V "), het totale jaarbedrag vermelden van de vergoeding die de werkgever heeft toegekend als betaling of terugbetaling van de kosten voor de verplaatsingen van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling met een ander dan onder punt A, 1° of 2° vermeld vervoermiddel (auto, moto, bromfiets, enz.).
  De vergoedingen als betaling of terugbetaling van kosten voor verplaatsingen met de fiets mogen hier ook worden vermeld, op voorwaarde dat het geen specifieke kilometervergoeding voor verplaatsingen met de fiets betreft die op grond van artikel 38, eerste lid, 14°, van voormeld wetboek wordt vrijgesteld (zie punt A, 4° hierna).
  In vak 14, c en 14, d (tegenover de kenletter " V ") moet ook het bedrag van de vergoedingen worden vermeld waarvan de werkgever niet kan vaststellen dat ze betrekking hebben op de betaling of terugbetaling van kosten voor woon-werkverplaatsingen met het openbaar gemeenschappelijk vervoer of met het door de werkgever georganiseerd gemeenschappelijk vervoer.
  4° De werknemer gebruikt de fiets en ontvangt een specifieke kilometervergoeding als vermeld in artikel 38, eerste lid, 14°, van voormeld wetboek.
  In vak 19, het totaal aantal afgelegde kilometers (heen en terug) vermelden evenals het totale jaarbedrag van de fietsvergoeding, met inbegrip van het vrijgestelde gedeelte (zie ook nr. 45 van het bericht aan de werkgevers en andere schuldenaars van de aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen inkomsten gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 21 april 2001).
  In vak 9, d het totale jaarbedrag vermelden van de door de werkgever toegekende vergoeding in de mate dat zij het maximum vrijgesteld bedrag van 0,15 EUR (6 BEF) per kilometer overschrijdt (zie ook nr. 29 van voormeld bericht).
  B. BEDRIJFSVOORHEFFING (vergoedingen betaald of toegekend vanaf 1 januari 2002)
  Bij de berekening van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing mag reeds met voormelde vrijstelling rekening worden gehouden, mits de betrokken werknemer onder meer schriftelijk aan zijn werkgever bevestigt dat hij bij zijn aangifte in de personenbelasting, alleen aanspraak zal maken op de wettelijke forfaitaire beroepskosten.
  In dat geval mag het vrijgesteld gedeelte van de vergoedingen voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing overeenkomstig volgende regels worden vastgesteld :
  a) De werknemer gebruikt het openbaar gemeenschappelijk vervoer (trein, tram, bus, metro)
  Voor zover de werkgever kan vaststellen (zie terzake punt A, 1°, derde lid) dat de vergoedingen betrekking hebben op de betaling of terugbetaling van kosten voor woon-werkverplaatsingen met één of meerdere openbare gemeenschappelijke vervoermiddelen, mag het bedrag van de vergoeding voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing worden vrijgesteld.
  b) De werknemer gebruikt het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer
  Voor zover de werkgever kan vaststellen (zie terzake punt A, 2°, b, tweede gedachtenstreep, tweede lid) dat de vergoedingen betrekking hebben op de betaling of terugbetaling van kosten voor woon-werkverplaatsingen met het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer, mag het bedrag van de vergoeding voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing worden vrijgesteld; met dien verstande dat het bedrag van de vrijstelling van de vergoeding beperkt is tot de prijs van een treinabonnement eerste klasse voor die afstand.
  c) De werknemer gebruikt een ander vervoermiddel.
  Bij de berekening van de bedrijfsvoorheffing mag maximum 150 EUR (6 051 BEF) worden vrijgesteld van het totaalbedrag :
  - van de vergoedingen die de werkgever heeft toegekend als betaling of terugbetaling van de kosten voor woon-werkverplaatsingen met andere vervoermiddelen dan het openbaar gemeenschappelijk vervoer of het georganiseerd gemeenschappelijk vervoer en
  - van de vergoedingen waarvan de werkgever niet kan vaststellen dat ze betrekking hebben op de betaling of terugbetaling van kosten voor woon-werkverplaatsingen met het openbaar gemeenschappelijk vervoer of het door de werkgever georganiseerd gemeenschappelijk vervoer.
  (Zie terzake punt A, 3°).
  d) De werknemer gebruikt de fiets en ontvangt een specifieke kilometervergoeding als vermeld in artikel 38, eerste lid, 14° van voornoemd Wetboek.
  De verschuldigde bedrijfsvoorheffing moet worden vastgesteld rekening houdend met het vrijgesteld bedrag van 0,15 EUR (6 BEF) per afgelegde kilometer.
  (de pers wordt verzocht dit bericht over te nemen).
Article M. Désormais, pour autant que le travailleur opte pour la déduction forfaitaire des frais professionnels conformément à l'article 51 du Code des impôts sur les revenus 1992, les indemnités accordées par l'employeur en remboursement ou paiement des frais de déplacement du domicile au lieu de travail sont exonérées, dans la mesure où le travailleur utilise pour effectuer ce déplacement :
  a) un transport public en commun : pour le montant total de l'indemnité ;
  b) un transport collectif des membres du personnel organisé par l'employeur ou par un groupe d'employeurs : pour un montant limité au prix d'un abonnement première classe en train pour cette distance ;
  c) un autre moyen de transport que ceux visés sous a) ou b) : pour un montant maximum de 150 EUR (6 051 BEF) par année.
  Les modifications portent tant sur la manière de compléter les fiches individuelles 281.10 que sur l'application du précompte professionnel.
  A. FICHES 281.10 (indemnités payées ou attribuées à partir du 1er janvier 2001)
  Les employeurs sont invités à compléter les fiches individuelles 281.10 (modèle revenus 2001 en annexe), en y ventilant le montant de l'indemnité annuelle dans les frais de déplacement du domicile au lieu de travail qu'ils ont accordés en paiement ou remboursement en 2001, selon les modalités suivantes :
  1° Le travailleur utilise les transports publics en commun (train, tram, bus, métro).
  Mentionner au cadre 14, a et 14, d (en regard de la lettre d'identification " V "), le montant total annuel de l'indemnité accordée par l'employeur en paiement ou remboursement des frais de déplacement du domicile au lieu de travail effectué au moyen d'un ou plusieurs moyens de transports publics en commun.
  Le montant à mentionner au cadre 14, a, concerne non seulement l'intervention libre et obligatoire de l'employeur, dans le prix d'un abonnement régulier ou non, mais aussi l'indemnité dans le prix des tickets individuels ou des cartes de plusieurs voyages, etc.
  Ne peuvent être mentionnées au cadre 14, a, que les indemnités dont l'employeur peut établir qu'elles se rapportent au paiement ou au remboursement des frais de déplacement du domicile au lieu de travail effectué au moyen de transports publics en commun. C'est notamment le cas pour les frais de déplacement qui sont payés directement par l'employeur à la société de transport public en commun (dans le cadre du soi-disant système du tiers payant) ou lorsque le travailleur peut démontrer à son employeur (par ex. au moyen des tickets de transports mentionnés à l'alinéa précédent) que les indemnités portent sur de tels frais de déplacement.
  2° L'employeur organise un transport collectif.
  Il faut comprendre par " transport collectif organisé " : le transport en commun des membres du personnel au moyen d'un autobus, d'un autocar ou d'un minibus, organisé par l'employeur ou par un groupe d'employeurs par leurs propres moyens ou à l'intervention d'une société de transport de personnes.
  a) Dans la négative :
  - au cadre 14, b, biffer la mention " OUI ".
  b) Dans l'affirmative :
  - au cadre 14, b, biffer la mention " NON ".
  - Le travailleur utilise en outre le transport collectif organisé :
  Mentionner également au cadre 14, b et 14, d (en regard de la lettre d'identification " V "), le montant total annuel de l'indemnité accordée par l'employeur en paiement ou remboursement des frais de déplacement du domicile au lieu de travail supportés par le travailleur qui fait usage d'un transport collectif organisé.
  Au cadre 14, b, ne peuvent être mentionnées que les indemnités dont l'employeur peut établir qu'elles se rapportent au paiement ou au remboursement des frais de déplacement du domicile au lieu de travail effectué au moyen d'un transport collectif organisé. C'est notamment le cas des indemnités qui sont remboursées par le travailleur à son employeur au titre d'intervention dans le transport organisé par l'employeur lui-même ou par un groupe d'employeurs ou lorsque le travailleur ou la société de transport de personnes peut démontrer à l'employeur (par ex. au moyen d'une attestation ou d'une preuve de paiement établie par cette société) que le travailleur est intervenu dans le coût d'un tel transport collectif organisé.
  Au cadre 14, b, seule l'indemnité proprement dite (à concurrence du montant de l'intervention du travailleur) doit être mentionnée. L'avantage qui découle du transport collectif organisé par l'employeur (seul ou en commun avec d'autres employeurs), soit gratuitement ou en dessous du prix de revient, avec ses propres moyens ou à l'intervention d'une société de transport de personnes, constitue un avantage social exonéré à l'impôt des personnes physiques. La valeur de cet avantage social exonéré, ne doit pas, par conséquent, être mentionnée au cadre 14, b et encore moins au cadre 14, d (en regard de la lettre d'identification " V ").
  3° Le travailleur utilise un autre moyen de transport.
  Mentionner au cadre 14, c et 14, d (en regard de la lettre d'identification " V "), le montant total annuel de l'indemnité accordée par l'employeur en paiement ou remboursement des frais de déplacement du domicile au lieu de travail effectué avec un moyen de transport autre que ceux visés aux points A, 1° ou 2° ci-dessus (auto, moto, vélomoteur, etc.).
  Les indemnités en paiement ou remboursement des frais de déplacement à bicyclette peuvent également être mentionnées ici, pour autant qu'il ne s'agisse pas de l'indemnité kilométrique spécifique pour les déplacements à bicyclette qui est exonérée en vertu de l'article 38, alinéa 1er, 14° du code précité (voir point A, 4° ci-après).
  Au cadre 14, c et 14, d (en regard de la lettre d'identification " V ") doit également être mentionné le montant des indemnités dont l'employeur ne peut pas établir qu'elles concernent le paiement ou le remboursement des frais de déplacement du domicile au lieu de travail effectué en transport public en commun ou au moyen du transport collectif organisé.
  4° Le travailleur utilise une bicyclette et perçoit l'indemnité kilométrique spécifique visée à l'article 38, alinéa 1er, 14 ° du code précité.
  Mentionner au cadre 19, le nombre total de kilomètres parcourus (aller et retour) ainsi que le montant annuel total de l'indemnité " vélo ", y compris la partie exonérée (voir aussi n° 45 de l'avis aux employeurs et autres débiteurs de revenus soumis au précompte professionnel publié au Moniteur belge du 21 avril 2001).
  Mentionner au cadre 9, d, le montant total annuel de l'indemnité octroyée par l'employeur, dans la mesure où elle dépasse le montant maximum exonéré de 0,15 EUR (6 BEF) par kilomètre (voir aussi n° 29 de l'avis précité).
  B. PRECOMPTE PROFESSIONNEL (indemnités payées ou attribuées à partir du 1er janvier 2002)
  Dans la mesure où le bénéficiaire de l'intervention dans les frais de déplacement du domicile au lieu de travail confirme notamment par écrit à son employeur qu'il ne revendique dans sa déclaration à l'impôt des personnes physiques que le forfait légal prévu en matière de frais professionnels, il peut être tenu compte de l'exonération précitée lors de la détermination du précompte professionnel dû.
  Dans ce cas, pour la détermination du précompte professionnel, la partie exonérée des indemnités peut être établie conformément aux règles suivantes :
  a) Le travailleur utilise les transports publics en commun (train, tram, bus, métro)
  Pour autant que l'employeur peut établir (voir également point A, 1°, 3e alinéa) que les indemnités se rapportent au paiement ou au remboursement des frais de déplacement du domicile au lieu de travail effectué au moyen d'un ou plusieurs moyen(s) de transports publics en commun, le montant de l'indemnité peut être exonéré lors de la détermination du précompte professionnel.
  b) Le travailleur utilise un transport collectif organisé.
  Pour autant que l'employeur peut établir (voir également point A, 2°, b, 2e tiret, 2e alinéa) que les indemnités se rapportent au paiement ou au remboursement de frais de déplacement du domicile au lieu de travail effectué au moyen d'un transport collectif organisé, le montant de l'indemnité peut être exonéré lors de la détermination du précompte professionnel ; étant entendu que l'exonération de l'indemnité est limitée au prix d'un abonnement 1re classe en train pour cette distance.
  c) Le travailleur utilise un autre moyen de transport.
  Pour la détermination du précompte professionnel seul peut être exonéré un montant maximum de 150 EUR (6 051 BEF) du montant total :
  - des indemnités accordées par l'employeur en paiement ou remboursement des frais de déplacement du domicile au lieu de travail effectué avec un moyen de transport autre que le transport public en commun ou le transport collectif organisé et
  - des indemnités, dont l'employeur ne peut pas établir qu'elles se rapportent au paiement ou au remboursement de frais de déplacement du domicile au lieu de travail effectué en transport public en commun ou au moyen du transport collectif organisé.
  (Voir également point A, 3°)
  d) Le travailleur utilise une bicyclette et perçoit l'indemnité kilométrique spécifique visée à l'article 38, alinéa 1er, 14 ° du Code précité.
  Le précompte professionnel dû doit être déterminé en tenant compte du montant exonéré de 0,15 EUR (6 BEF) par kilomètre parcouru.
  (La presse est invitée à reproduire le présent avis)
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Loonfiche nr 281.10.
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 07-02-2002, p. 4266-4267).
Art. N. Fiche de rémunérations n° 281.10.
  (Annexe non reprise pour motifs techniques. Voir M.B. 07-02-2002, p. 4268-4269).