Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
12 DECEMBER 2002. - Koninklijk besluit houdende wijzigingen van diverse reglementaire bepalingen betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen
Titre
12 DECEMBRE 2002. - Arrêté royal portant des modifications de diverses dispositions réglementaires en matière de congés et d'absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat
Documentinformatie
Numac: 2002002290
Datum: 2002-12-12
Info du document
Numac: 2002002290
Date: 2002-12-12
Inhoud
Tekst (30)
Texte (30)
HOOFDSTUK I. - Wijziging van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel.
CHAPITRE I. - Modification de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat.
Artikel 1. In artikel 28ter , § 1, derde lid, 3°, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 november 1982 en vervangen bij het koninklijk besluit van 19 november 1998, worden de woorden " de artikels 15 en 20 " vervangen door de woorden " de artikels 15, 15bis en 20 ".
Article 1. Dans l'article 28ter , § 1er, alinéa 3, 3° de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat, inséré par l'arrêté royal du 18 novembre 1982 et modifié par l'arrêté royal du 19 novembre 1998, les mots " aux articles 15 et 20 " sont remplacés par les mots " aux articles 15, 15bis et 20 ".
Art.2. In artikel 108 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 13 november 1967 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 november 1998, wordt 1° opgeheven.
Art.2. A l'article 108 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 13 novembre 1967 et modifié par l'arrêté royal du 19 novembre 1998, le 1° est abrogé.
HOOFDSTUK II. - Wijziging van het koninklijk besluit van 11 februari 1991 tot vaststelling van de individuele geldelijke rechten van de personen bij arbeidsovereenkomst aangeworven in de ministeries.
CHAPITRE II. - Modification de l'arrêté royal du 11 février 1991 fixant les droits individuels pécuniaires des personnes engagées par contrat de travail dans les ministères.
Art.3. Artikel 3, § 1, tweede lid, b), van het koninklijk besluit van 11 februari 1991 tot vaststelling van de individuele geldelijke rechten van de personen bij arbeidsovereenkomst aangeworven in de ministeries, vervangen bij het koninklijk besluit van 8 augustus 1997, wordt aangevuld als volgt :
" - de dagen afwezigheid die bekomen werden met toepassing van het artikel 30, §§ 2 en 3, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. "
" - de dagen afwezigheid die bekomen werden met toepassing van het artikel 30, §§ 2 en 3, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. "
Art.3. L'article 3, § 1er, alinéa 2, b), de l'arrêté royal du 11 février 1991 fixant les droits individuels pécuniaires des personnes engagées par contrat de travail dans les ministères, remplacé par l'arrêté royal du 8 août 1997, est complété comme suit :
" - des jours d'absence obtenus en application de l'article 30, §§ 2 et 3, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. "
" - des jours d'absence obtenus en application de l'article 30, §§ 2 et 3, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. "
HOOFDSTUK III. - Wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen.
CHAPITRE III. - Modification de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat.
Art.4. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 26 mei 1999 en 10 juni 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2 wordt 3° opgeheven;
2° § 3, 2° wordt vervangen als volgt :
" 2° het omstandigheidsverlof, met uitzondering van dat wat vermeld is in artikel 15bis ";
3° § 3, 7° wordt vervangen als volgt :
" 7° het opvangverlof, in zoverre dat het personeelslid geen gebruik maakte van de bepalingen van artikel 30, § 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; "
4° § 3 wordt aangevuld als volgt :
" 10° de borstvoedingspauzes. "
1° in § 2 wordt 3° opgeheven;
2° § 3, 2° wordt vervangen als volgt :
" 2° het omstandigheidsverlof, met uitzondering van dat wat vermeld is in artikel 15bis ";
3° § 3, 7° wordt vervangen als volgt :
" 7° het opvangverlof, in zoverre dat het personeelslid geen gebruik maakte van de bepalingen van artikel 30, § 3 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; "
4° § 3 wordt aangevuld als volgt :
" 10° de borstvoedingspauzes. "
Art.4. A l'article 1er de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, modifié par les arrêtés royaux des 26 mai 1999 et 10 juin 2002, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 2, le 3° est abrogé;
2° le § 3, 2° est remplacé par le texte suivant :
" 2° au congé de circonstances, à l'exception de celui visé à l'article 15bis ";
3° le § 3, 7° est remplacé par la disposition suivante :
" 7° au congé d'accueil, dans la mesure où le membre du personnel n'a pas fait usage des dispositions de l'article 30, § 3, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail; "
4° le § 3 est complété comme suit :
" 10° aux pauses d'allaitement. "
1° au § 2, le 3° est abrogé;
2° le § 3, 2° est remplacé par le texte suivant :
" 2° au congé de circonstances, à l'exception de celui visé à l'article 15bis ";
3° le § 3, 7° est remplacé par la disposition suivante :
" 7° au congé d'accueil, dans la mesure où le membre du personnel n'a pas fait usage des dispositions de l'article 30, § 3, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail; "
4° le § 3 est complété comme suit :
" 10° aux pauses d'allaitement. "
Art.5. Artikel 12, § 1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 mei 1999, wordt aangevuld met het volgende lid :
" Voor de berekening van de duur van het jaarlijks vakantieverlof dat wordt toegekend aan het personeel dat bij overeenkomst wordt aangeworven, worden de periodes van afwezigheid voor vaderschapsverlof en adoptieverlof toegekend bij het artikel 30, §§ 2 en 3, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, beschouwd als periodes van dienstactiviteit in de zin van het eerste lid. "
" Voor de berekening van de duur van het jaarlijks vakantieverlof dat wordt toegekend aan het personeel dat bij overeenkomst wordt aangeworven, worden de periodes van afwezigheid voor vaderschapsverlof en adoptieverlof toegekend bij het artikel 30, §§ 2 en 3, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, beschouwd als periodes van dienstactiviteit in de zin van het eerste lid. "
Art.5. L'article 12, § 1er du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 26 mai 1999, est complété par l'alinéa suivant :
" Pour le calcul de la durée du congé annuel de vacances accordé au personnel engagé par contrat, les périodes d'absence pour congé de paternité et d'adoption accordé par l'article 30, §§ 2 et 3, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail sont considérées comme des périodes d'activité de service au sens de l'alinéa 1. "
" Pour le calcul de la durée du congé annuel de vacances accordé au personnel engagé par contrat, les périodes d'absence pour congé de paternité et d'adoption accordé par l'article 30, §§ 2 et 3, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail sont considérées comme des périodes d'activité de service au sens de l'alinéa 1. "
Art.6. Artikel 15, 2° en 12°, van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art.6. L'article 15, 2° et 12°, du même arrêté est abrogé.
Art.7. Een artikel 15bis wordt ingevoegd in hetzelfde besluit, luidende :
" Art. 15bis. Een omstandigheidsverlof wordt eveneens toegekend voor de bevalling van de echtgenote of van de persoon met wie de ambtenaar op het tijdstip van de gebeurtenis samenleeft.
Het verlof bedoeld in dit artikel bedraagt tien werkdagen en wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. "
" Art. 15bis. Een omstandigheidsverlof wordt eveneens toegekend voor de bevalling van de echtgenote of van de persoon met wie de ambtenaar op het tijdstip van de gebeurtenis samenleeft.
Het verlof bedoeld in dit artikel bedraagt tien werkdagen en wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. "
Art.7. Un article 15bis , rédigé comme suit, est inséré dans le même arrêté :
" Art. 15bis. Un congé de circonstances est également accordé pour l'accouchement de l'épouse ou de la personne avec laquelle l'agent vit en couple au moment de l'événement.
Le congé visé au présent article est de dix jours ouvrables et est assimilé à une période d'activité de service. "
" Art. 15bis. Un congé de circonstances est également accordé pour l'accouchement de l'épouse ou de la personne avec laquelle l'agent vit en couple au moment de l'événement.
Le congé visé au présent article est de dix jours ouvrables et est assimilé à une période d'activité de service. "
Art.8. Artikel 28 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 mei 1999, wordt vervangen als volgt :
" Art. 28. Op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar wordt de moederschapsrust, in toepassing van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, na de achtste week verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode waarin zij verder gearbeid heeft vanaf de zevende week vóór de werkelijke datum van de bevalling of vanaf de negende week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. Deze periode wordt, bij vroeggeboorte, verminderd met de dagen waarop arbeid verricht werd tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat.
Worden daarvoor gelijkgesteld met werkdagen die tot na het postnataal verlof verschoven kunnen worden :
1° het jaarlijks vakantieverlof;
2° de in artikel 14 bedoelde feestdagen;
3° de in de artikelen 15 en 20 bedoelde verloven;
4° het verlof om dwingende redenen van familiaal belang;
5° de afwezigheden wegens ziekte, met uitsluiting van afwezigheden bedoeld in artikel 26. "
" Art. 28. Op verzoek van de vrouwelijke ambtenaar wordt de moederschapsrust, in toepassing van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, na de achtste week verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode waarin zij verder gearbeid heeft vanaf de zevende week vóór de werkelijke datum van de bevalling of vanaf de negende week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. Deze periode wordt, bij vroeggeboorte, verminderd met de dagen waarop arbeid verricht werd tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat.
Worden daarvoor gelijkgesteld met werkdagen die tot na het postnataal verlof verschoven kunnen worden :
1° het jaarlijks vakantieverlof;
2° de in artikel 14 bedoelde feestdagen;
3° de in de artikelen 15 en 20 bedoelde verloven;
4° het verlof om dwingende redenen van familiaal belang;
5° de afwezigheden wegens ziekte, met uitsluiting van afwezigheden bedoeld in artikel 26. "
Art.8. L'article 28 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 26 mai 1999, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 28. A la demande de l'agent féminin, le congé de maternité est, en application de l'article 39 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail prolongé, après la huitième semaine, d'une période dont la durée est égale à la durée de la période au cours de laquelle elle a continué à travailler à partir de la septième semaine avant la date réelle de l'accouchement ou à partir de la neuvième semaine lorsqu'une naissance multiple est attendue. En cas de naissance prématurée, cette période est réduite à concurrence des jours pendant lesquelles elle a travaillé pendant la période de sept jours qui précède l'accouchement.
Sont assimilés à des jours ouvrables qui peuvent être reportés jusqu'après le congé postnatal :
1° le congé annuel de vacances;
2° les jours fériés visés à l'article 14;
3° les congés visés aux articles 15 et 20;
4° le congé pour motifs impérieux d'ordre familial;
5° les absences pour maladie, à l'exclusion des absences visées à l'article 26. "
" Art. 28. A la demande de l'agent féminin, le congé de maternité est, en application de l'article 39 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail prolongé, après la huitième semaine, d'une période dont la durée est égale à la durée de la période au cours de laquelle elle a continué à travailler à partir de la septième semaine avant la date réelle de l'accouchement ou à partir de la neuvième semaine lorsqu'une naissance multiple est attendue. En cas de naissance prématurée, cette période est réduite à concurrence des jours pendant lesquelles elle a travaillé pendant la période de sept jours qui précède l'accouchement.
Sont assimilés à des jours ouvrables qui peuvent être reportés jusqu'après le congé postnatal :
1° le congé annuel de vacances;
2° les jours fériés visés à l'article 14;
3° les congés visés aux articles 15 et 20;
4° le congé pour motifs impérieux d'ordre familial;
5° les absences pour maladie, à l'exclusion des absences visées à l'article 26. "
Art.9. In artikel 31, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden " met toepassing van de artikelen 42 en 43 van de arbeidswet van 16 maart 1971 " vervangen door de woorden " met toepassing van de artikelen 42 en 43 van de arbeidswet van 16 maart 1971 en het artikel 18 van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector ".
Art.9. A l'article 31, alinéa 1er, du même arrêté, les mots " en application des articles 42 et 43 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail " sont remplacés par les mots " en application des articles 42 et 43 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail et de l'article 18 de la loi du 14 décembre 2000 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail dans le secteur public ".
Art.10. In artikel 33, § 1, van hetzelfde besluit worden de woorden " , op datum van de bevalling, " geschrapt.
Art.10. A l'article 33, § 1er, du même arrêté, les mots " , à la date de l'accouchement, " sont supprimés.
Art.11. Een artikel 33bis wordt ingevoegd in hetzelfde besluit, luidende :
" Art. 33bis. Wanneer het pasgeboren kind evenwel gedurende ten minste acht weken, te rekenen vanaf zijn geboorte, in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan de vrouwelijke ambtenaar de verlenging van het postnataal verlof waarop zij krachtens artikel 28 recht heeft, uitstellen tot op het ogenblik waarop het pasgeboren kind naar huis komt. Met dat doel bezorgt de vrouwelijke ambtenaar aan de overheid waaronder zij ressorteert :
1° op het ogenblik dat zij het werk herneemt, een getuigschrift van de verplegingsinrichting waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in de verplegingsinrichting opgenomen is sinds ten minste acht weken;
2° op het ogenblik dat zij de verlenging van het postnataal verlof aanvraagt, een getuigschrift van de verplegingsinrichting dat de datum vermeldt waarop het pasgeboren kind de inrichting verlaat.
De vrouwelijke ambtenaar behoudt haar recht op het uitstel van de verlenging van het postnataal verlof wanneer haar kind overlijdt binnen een jaar na zijn geboorte. "
" Art. 33bis. Wanneer het pasgeboren kind evenwel gedurende ten minste acht weken, te rekenen vanaf zijn geboorte, in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan de vrouwelijke ambtenaar de verlenging van het postnataal verlof waarop zij krachtens artikel 28 recht heeft, uitstellen tot op het ogenblik waarop het pasgeboren kind naar huis komt. Met dat doel bezorgt de vrouwelijke ambtenaar aan de overheid waaronder zij ressorteert :
1° op het ogenblik dat zij het werk herneemt, een getuigschrift van de verplegingsinrichting waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in de verplegingsinrichting opgenomen is sinds ten minste acht weken;
2° op het ogenblik dat zij de verlenging van het postnataal verlof aanvraagt, een getuigschrift van de verplegingsinrichting dat de datum vermeldt waarop het pasgeboren kind de inrichting verlaat.
De vrouwelijke ambtenaar behoudt haar recht op het uitstel van de verlenging van het postnataal verlof wanneer haar kind overlijdt binnen een jaar na zijn geboorte. "
Art.11. Un article 33bis , rédigé comme suit, est inséré dans le même arrêté :
" Art. 33bis. Toutefois, lorsque le nouveau-né doit rester dans l'établissement hospitalier pendant au moins huit semaines à compter de sa naissance, l'agent féminin peut reporter la prolongation du congé postnatal auquel elle a droit en vertu de l'article 28 jusqu'au moment où le nouveau-né entre au foyer. A cet effet, l'agent féminin remet à l'autorité dont elle relève :
1° au moment de la reprise du travail, une attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né est hospitalisé depuis au moins huit semaines;
2° au moment où elle demande la prolongation du congé postnatal, une attestation de l'établissement hospitalier certifiant la date de sortie du nouveau-né.
L'agent féminin conserve son droit au report de la prolongation du congé postnatal en cas de décès de son enfant dans l'année de sa naissance. "
" Art. 33bis. Toutefois, lorsque le nouveau-né doit rester dans l'établissement hospitalier pendant au moins huit semaines à compter de sa naissance, l'agent féminin peut reporter la prolongation du congé postnatal auquel elle a droit en vertu de l'article 28 jusqu'au moment où le nouveau-né entre au foyer. A cet effet, l'agent féminin remet à l'autorité dont elle relève :
1° au moment de la reprise du travail, une attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né est hospitalisé depuis au moins huit semaines;
2° au moment où elle demande la prolongation du congé postnatal, une attestation de l'établissement hospitalier certifiant la date de sortie du nouveau-né.
L'agent féminin conserve son droit au report de la prolongation du congé postnatal en cas de décès de son enfant dans l'année de sa naissance. "
Art.12. Een artikel 33ter wordt ingevoegd in hetzelfde besluit, luidende :
" Art. 33ter. § 1. De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een dienstvrijstelling om haar kind met moedermelk te voeden en/of melk af te kolven tot zeven maanden na de geboorte van het kind.
In uitzonderlijke omstandigheden die verband houden met de gezondheidstoestand van het kind en voor zover één en ander blijkt uit een medisch getuigschrift, kan de totale duur tijdens welke de vrouwelijke ambtenaar recht heeft op borstvoedingspauzes, met maximum twee maanden worden verlengd.
§ 2. De borstvoedingspauze duurt een half uur. De vrouwelijke ambtenaar die tijdens een werkdag vier uur of langer werkt, heeft die dag recht op één pauze. De vrouwelijke ambtenaar die tijdens een werkdag ten minste zeven en een half uur werkt, heeft die dag recht op twee pauzes. Als de vrouwelijke ambtenaar recht heeft op twee pauzes tijdens een werkdag, kan zij deze opnemen in één keer of twee keer.
De duur van borstvoedingspauze(s) is bij de duur van de prestaties van de werkdag begrepen.
De vrouwelijke ambtenaar dient met de overheid waaronder zij ressorteert overeen te komen op welk(e) moment(en) van de dag zij de borstvoedingspauze(s) kan nemen. Bij ontstentenis van een akkoord vallen de borstvoedingspauzes onmiddellijk vóór of na de in het arbeidsreglement bepaalde rusttijden.
§ 3. De vrouwelijke ambtenaar die wenst de borstvoedingspauzes te genieten brengt schriftelijk twee maanden op voorhand de overheid waaronder ze ressorteert hiervan op de hoogte, tenzij deze op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.
Het recht op borstvoedingspauzes wordt toegekend mits het bewijs van borstvoeding wordt geleverd. Het bewijs wordt vanaf het begin van de uitoefening van het recht, naar keuze van de vrouwelijke ambtenaar geleverd door een attest van een consultatiebureau voor zuigelingen (Kind en Gezin, O.N.E. of Dienst für Kind und Familie) of door een medisch getuigschrift.
Nadien bezorgt de vrouwelijke ambtenaar aan de overheid waarvan zij afhangt elke maand een attest of een medisch getuigschrift, telkens op de datum waarop de uitoefening van het recht op borstvoedingspauzes voor het eerst is ingegaan. "
" Art. 33ter. § 1. De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op een dienstvrijstelling om haar kind met moedermelk te voeden en/of melk af te kolven tot zeven maanden na de geboorte van het kind.
In uitzonderlijke omstandigheden die verband houden met de gezondheidstoestand van het kind en voor zover één en ander blijkt uit een medisch getuigschrift, kan de totale duur tijdens welke de vrouwelijke ambtenaar recht heeft op borstvoedingspauzes, met maximum twee maanden worden verlengd.
§ 2. De borstvoedingspauze duurt een half uur. De vrouwelijke ambtenaar die tijdens een werkdag vier uur of langer werkt, heeft die dag recht op één pauze. De vrouwelijke ambtenaar die tijdens een werkdag ten minste zeven en een half uur werkt, heeft die dag recht op twee pauzes. Als de vrouwelijke ambtenaar recht heeft op twee pauzes tijdens een werkdag, kan zij deze opnemen in één keer of twee keer.
De duur van borstvoedingspauze(s) is bij de duur van de prestaties van de werkdag begrepen.
De vrouwelijke ambtenaar dient met de overheid waaronder zij ressorteert overeen te komen op welk(e) moment(en) van de dag zij de borstvoedingspauze(s) kan nemen. Bij ontstentenis van een akkoord vallen de borstvoedingspauzes onmiddellijk vóór of na de in het arbeidsreglement bepaalde rusttijden.
§ 3. De vrouwelijke ambtenaar die wenst de borstvoedingspauzes te genieten brengt schriftelijk twee maanden op voorhand de overheid waaronder ze ressorteert hiervan op de hoogte, tenzij deze op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt.
Het recht op borstvoedingspauzes wordt toegekend mits het bewijs van borstvoeding wordt geleverd. Het bewijs wordt vanaf het begin van de uitoefening van het recht, naar keuze van de vrouwelijke ambtenaar geleverd door een attest van een consultatiebureau voor zuigelingen (Kind en Gezin, O.N.E. of Dienst für Kind und Familie) of door een medisch getuigschrift.
Nadien bezorgt de vrouwelijke ambtenaar aan de overheid waarvan zij afhangt elke maand een attest of een medisch getuigschrift, telkens op de datum waarop de uitoefening van het recht op borstvoedingspauzes voor het eerst is ingegaan. "
Art.12. Un article 33ter , rédigé comme suit, est inséré dans le même arrêté :
" Art. 33ter. § 1er. L'agent féminin a droit à une dispense de service afin d'allaiter son enfant au lait maternel et/ou de tirer son lait jusqu'à sept mois après la naissance de l'enfant.
Dans des circonstances exceptionnelles liées à l'état de santé de l'enfant, attestées par un certificat médical, la période totale pendant laquelle l'agent féminin a le droit de prendre des pauses d'allaitement peut être prolongée de deux mois maximum.
§ 2. La pause d'allaitement dure une demi-heure. L'agent féminin qui preste quatre heures ou plus par journée de travail a droit à une pause à prendre pendant ce même jour. L'agent féminin qui preste au moins sept heures et demie par journée de travail a droit à deux pauses à prendre ce même jour. Lorsque l'agent féminin a droit à deux pauses au cours de la journée de travail, elle peut les prendre en une ou deux fois sur cette même journée.
La durée de la ou des pause(s) d'allaitement est incluse dans la durée des prestations de la journée de travail.
Le(s) moment(s) de la journée au(x)quel(s) l'agent féminin peut prendre la ou les pause(s) d'allaitement est (sont) à convenir entre l'agent et l'autorité dont elle relève. A défaut d'accord, les pauses d'allaitement suivent ou précèdent directement les temps de repos prévus au règlement du travail.
§ 3. L'agent féminin qui souhaite obtenir le bénéfice des pauses d'allaitement avertit par écrit deux mois à l'avance l'autorité dont elle relève, à moins que celle-ci n'accepte de réduire ce délai à la demande de l'intéressée.
Le droit aux pauses d'allaitement est accordé moyennant la preuve de l'allaitement. La preuve de l'allaitement est, à partir du début de l'exercice du droit aux pauses d'allaitement apportée, au choix de l'agent féminin, par une attestation d'un centre de consultation des nourrissons (O.N.E., Kind en Gezin ou Dienst für Kind und Familie) ou par un certificat médical.
Une attestation ou un certificat médical doit ensuite être remis par l'agent féminin chaque mois à l'autorité dont elle relève, à la date anniversaire de l'exercice du droit aux pauses d'allaitement. "
" Art. 33ter. § 1er. L'agent féminin a droit à une dispense de service afin d'allaiter son enfant au lait maternel et/ou de tirer son lait jusqu'à sept mois après la naissance de l'enfant.
Dans des circonstances exceptionnelles liées à l'état de santé de l'enfant, attestées par un certificat médical, la période totale pendant laquelle l'agent féminin a le droit de prendre des pauses d'allaitement peut être prolongée de deux mois maximum.
§ 2. La pause d'allaitement dure une demi-heure. L'agent féminin qui preste quatre heures ou plus par journée de travail a droit à une pause à prendre pendant ce même jour. L'agent féminin qui preste au moins sept heures et demie par journée de travail a droit à deux pauses à prendre ce même jour. Lorsque l'agent féminin a droit à deux pauses au cours de la journée de travail, elle peut les prendre en une ou deux fois sur cette même journée.
La durée de la ou des pause(s) d'allaitement est incluse dans la durée des prestations de la journée de travail.
Le(s) moment(s) de la journée au(x)quel(s) l'agent féminin peut prendre la ou les pause(s) d'allaitement est (sont) à convenir entre l'agent et l'autorité dont elle relève. A défaut d'accord, les pauses d'allaitement suivent ou précèdent directement les temps de repos prévus au règlement du travail.
§ 3. L'agent féminin qui souhaite obtenir le bénéfice des pauses d'allaitement avertit par écrit deux mois à l'avance l'autorité dont elle relève, à moins que celle-ci n'accepte de réduire ce délai à la demande de l'intéressée.
Le droit aux pauses d'allaitement est accordé moyennant la preuve de l'allaitement. La preuve de l'allaitement est, à partir du début de l'exercice du droit aux pauses d'allaitement apportée, au choix de l'agent féminin, par une attestation d'un centre de consultation des nourrissons (O.N.E., Kind en Gezin ou Dienst für Kind und Familie) ou par un certificat médical.
Une attestation ou un certificat médical doit ensuite être remis par l'agent féminin chaque mois à l'autorité dont elle relève, à la date anniversaire de l'exercice du droit aux pauses d'allaitement. "
Art.13. In artikel 34 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 26 mei 1999, worden de woorden "bij de geboorte of de adoptie van een kind" vervangen door de woorden "bij de geboorte, de adoptie of de plaatsing van een kind in een opvanggezin in het kader van de pleegzorg".
Art.13. A l'article 34 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 26 mai 1999, les mots " après la naissance ou l'adoption d'un enfant " sont remplacés par les mots " après la naissance, l'adoption ou le placement d'un enfant dans une famille d'accueil dans le cadre de la politique d'accueil ".
Art.14. In artikel 35, § 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijke besluit van 26 mei 1999 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 juni 2002, worden de woorden " Het verlof kan niet worden gesplitst in maanden. " vervangen door de woorden " Op vraag van de ambtenaar kan het voltijds verlof opgesplitst worden in maanden. Het halftijds verlof kan niet worden gesplitst in maanden. "
Art.14. Dans l'article 35, § 1er, du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 26 mai 1999 et modifié par l'arrêté du 10 juin 2002, les mots " Le congé ne peut pas être fractionné par mois. " sont remplacés par les mots " A la demande de l'agent, le congé à temps plein peut être fractionné par mois. Le congé à mi-temps ne peut pas être fractionné par mois. "
Art.15. Artikel 36, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Voor de toepassing van dit artikel wordt de situatie die ontstaat ingevolge een rechterlijke beslissing tot plaatsing in een opvanggezin van een minderjarige en pleegvoogdij gelijkgesteld met adoptie. "
" Voor de toepassing van dit artikel wordt de situatie die ontstaat ingevolge een rechterlijke beslissing tot plaatsing in een opvanggezin van een minderjarige en pleegvoogdij gelijkgesteld met adoptie. "
Art.15. L'article 36, alinéa 2, du même arrêté est remplacé comme suit :
" Pour l'application du présent article, la situation qui résulte suite à une décision judiciaire de placement d'un mineur dans une famille d'accueil et de tutelle officieuse est assimilée à l'adoption. "
" Pour l'application du présent article, la situation qui résulte suite à une décision judiciaire de placement d'un mineur dans une famille d'accueil et de tutelle officieuse est assimilée à l'adoption. "
Art.16. In artikel 56, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden " wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst of " geschrapt.
Art.16. A l'article 56, alinéa 1er, du même arrêté, les mots " par retrait d'emploi dans l'intérêt du service ou " sont supprimés.
Art.17. Artikel 57 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art.17. L'article 57 du même arrêté est abrogé.
Art.18. Artikel 60, § 1, derde lid, van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art.18. L'article 60, § 1er, alinéa 3, du même arrêté est abrogé.
Art.19. Afdeling 2 van hoofdstuk IX van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 september 2002, wordt opgeheven.
Art.19. La section 2 du chapitre IX du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 5 septembre 2002, est abrogée.
Art.20. In artikel 117 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 26 mei 1999 en 20 juli 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 2, derde lid wordt opgeheven;
2° § 3, tweede lid wordt vervangen als volgt :
" De ambtenaar die zijn loopbaan deeltijds met toepassing van dit artikel onderbreekt, ontvangt maandelijks van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een uitkering waarvan het bedrag als volgt wordt vastgesteld :
1° 86,32 EUR voor de ambtenaren die hun prestaties met één vijfde verminderen;
2° 215,80 EUR voor de ambtenaren die hun prestaties met de helft verminderen. "
1° § 2, derde lid wordt opgeheven;
2° § 3, tweede lid wordt vervangen als volgt :
" De ambtenaar die zijn loopbaan deeltijds met toepassing van dit artikel onderbreekt, ontvangt maandelijks van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een uitkering waarvan het bedrag als volgt wordt vastgesteld :
1° 86,32 EUR voor de ambtenaren die hun prestaties met één vijfde verminderen;
2° 215,80 EUR voor de ambtenaren die hun prestaties met de helft verminderen. "
Art.20. A l'article 117 du même arrêté, modifié par les arrêtés royaux des 26 mai 1999 et 20 juillet 2000, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 2, alinéa 3 est abrogé;
2° le § 3, alinéa 2 est remplacé par la disposition suivante :
" L'agent qui interrompt partiellement sa carrière en application du présent article perçoit par mois, de l'Office national de l'Emploi, une allocation dont le montant est fixé comme suit :
1° 86,32 EUR pour les agents qui réduisent leurs prestations d'un cinquième;
2° 215,80 EUR pour les agents qui réduisent leurs prestations de moitié. "
1° le § 2, alinéa 3 est abrogé;
2° le § 3, alinéa 2 est remplacé par la disposition suivante :
" L'agent qui interrompt partiellement sa carrière en application du présent article perçoit par mois, de l'Office national de l'Emploi, une allocation dont le montant est fixé comme suit :
1° 86,32 EUR pour les agents qui réduisent leurs prestations d'un cinquième;
2° 215,80 EUR pour les agents qui réduisent leurs prestations de moitié. "
Art.21. In artikel 128, eerste lid van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 26 mei 1999 worden de woorden " dient het bestuur " vervangen te worden door de woorden " kan het bestuur ".
Art.21. Dans l'article 128, alinéa 1er du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 26 mai 1999, les mots " l'administration est tenue de " sont remplacés par les mots " l'administration peut ".
Art.22. De artikelen 130, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 mei 1999, 131 en 132 van hetzelfde besluit worden opgeheven.
Art.22. Les articles 130, modifié par l'arrêté du 26 mai 1999, 131 et 132 du même arrêté sont abrogés.
Art.23. In artikel 152 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 juni 2002, wordt tussen het derde en het vierde lid het volgende lid ingevoegd :
" De ambtenaren die op de datum van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 12 december 2002 houdende wijzigingen van diverse reglementaire bepalingen betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen een loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen of medische bijstand ten belope van één derde of één vierde van hun normale prestaties genieten, blijven onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren, tot de aan de gang zijnde periode van afwezigheid is afgelopen. "
" De ambtenaren die op de datum van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 12 december 2002 houdende wijzigingen van diverse reglementaire bepalingen betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen een loopbaanonderbreking voor palliatieve zorgen of medische bijstand ten belope van één derde of één vierde van hun normale prestaties genieten, blijven onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren, tot de aan de gang zijnde periode van afwezigheid is afgelopen. "
Art.23. Dans l'article 152 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 10 juin 2002, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 3 et 4 :
" Les agents qui bénéficient, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2002 portant des modifications de diverses dispositions réglementaires en matière de congés et d'absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, d'une interruption de la carrière professionnelle pour soins palliatifs ou assistance médicale à concurrence d'un tiers ou d'un quart de leurs prestations normales, restent soumis aux dispositions qui leur étaient applicables jusqu'à ce que la période d'absence en cours soit écoulée. "
" Les agents qui bénéficient, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 12 décembre 2002 portant des modifications de diverses dispositions réglementaires en matière de congés et d'absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, d'une interruption de la carrière professionnelle pour soins palliatifs ou assistance médicale à concurrence d'un tiers ou d'un quart de leurs prestations normales, restent soumis aux dispositions qui leur étaient applicables jusqu'à ce que la période d'absence en cours soit écoulée. "
Art.24. In artikel 153 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 juni 2002, worden tussen het tweede en het derde lid de volgende leden ingevoegd :
" Voor de ambtenaren die vóór 1 januari 2002 hun loopbaan hebben onderbroken voor palliatieve zorgen, worden deze periodes van afwezigheid aangerekend op de maxima per omstandigheid bedoeld in artikel 117, § 1.
Voor de ambtenaren die vóór 1 januari 2002 hun loopbaan hebben onderbroken wegens medische bijstand, worden deze periodes van afwezigheid aangerekend op de maxima per omstandigheid bedoeld in artikel 117, § 2. "
" Voor de ambtenaren die vóór 1 januari 2002 hun loopbaan hebben onderbroken voor palliatieve zorgen, worden deze periodes van afwezigheid aangerekend op de maxima per omstandigheid bedoeld in artikel 117, § 1.
Voor de ambtenaren die vóór 1 januari 2002 hun loopbaan hebben onderbroken wegens medische bijstand, worden deze periodes van afwezigheid aangerekend op de maxima per omstandigheid bedoeld in artikel 117, § 2. "
Art.24. Dans l'article 153 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 10 juin 2002, les alinéas suivants sont insérés entre les alinéas 2 et 3 :
" Pour les agents qui, avant le 1er janvier 2002, ont interrompu leur carrière professionnelle pour soins palliatifs, les périodes d'absences sont imputées sur les maxima par circonstance visés à l'article 117, § 1er.
Pour les agents qui, avant le 1er janvier 2002, ont interrompu leur carrière professionnelle pour assistance médicale, les périodes d'absences sont imputées sur les maxima par circonstance visés à l'article 117, § 2. "
" Pour les agents qui, avant le 1er janvier 2002, ont interrompu leur carrière professionnelle pour soins palliatifs, les périodes d'absences sont imputées sur les maxima par circonstance visés à l'article 117, § 1er.
Pour les agents qui, avant le 1er janvier 2002, ont interrompu leur carrière professionnelle pour assistance médicale, les périodes d'absences sont imputées sur les maxima par circonstance visés à l'article 117, § 2. "
HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen.
CHAPITRE IV. - Dispositions finales.
Art.25. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad , met uitzondering van de artikelen 1, 3, 4, 2°, 3° en 4°, 5, 6, 7 en 12, die uitwerking hebben met ingang van 1 juli 2002 en met uitzondering van de artikelen 20, 21 en 22, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2002.
Artikelen 6 en 7 zijn enkel van toepassing voor zover de bevalling heeft plaatsgevonden na de inwerkingtreding van deze artikelen.
Artikelen 6 en 7 zijn enkel van toepassing voor zover de bevalling heeft plaatsgevonden na de inwerkingtreding van deze artikelen.
Art.25. Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel il aura été publié au Moniteur belge , à l'exception des articles 1er, 3, 4, 2°, 3° et 4°, 5, 6, 7 et 12, qui produisent leurs effets le 1er juillet 2002 et à l'exception des articles 20, 21 et 22, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2002.
Les articles 6 et 7 ne sont applicables que pour autant que l'accouchement ait eu lieu après l'entrée en vigueur de ces articles.
Les articles 6 et 7 ne sont applicables que pour autant que l'accouchement ait eu lieu après l'entrée en vigueur de ces articles.
Art. 26. Onze Ministers en Onze Staatssecretarissen zijn, ieder wat hen betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 26. Nos Ministres et Nos Secrétaires d'Etat sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.