Artikel 1. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 2, 7° wordt vervangen als volgt :
" 7° het verlof voor loopbaanonderbreking, met uitzondering van de loopbaanonderbreking voor palliatieve verzorging en de loopbaan-onderbreking voor ouderschapsverlof ";
2° § 3, 9° wordt vervangen als volgt :
" 9° het verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht ";
3° er wordt een § 4 ingevoegd, luidende :
" § 4. Voor het bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeel in toepassing van artikel 4, § 1, 3° van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken zijn naast de verloven opgenomen onder § 3 de bepalingen van toepassing betreffende het verlof voor opdracht van algemeen belang in het kader van de Europees programma's Phare, Tacis of Meda. "
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
10 JUNI 2002. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen.
Titre
10 JUIN 2002. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat.
Documentinformatie
Numac: 2002002146
Datum: 2002-06-10
Info du document
Numac: 2002002146
Date: 2002-06-10
Tekst (24)
Texte (24)
Article 1. A l'article 1er de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, modifié par l'arrêté royal du 26 mai 1999, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 2, 7°, est remplacé par le texte suivant :
" 7° au congé pour interruption de la carrière professionnelle, à l'exception de l'interruption de la carrière pour soins palliatifs et de l'interruption de la carrière pour congé parental ";
2° le § 3, 9°, est remplacé par le texte suivant :
" 9° le congé pour l'exercice d'une fonction au sein d'un secrétariat, de la cellule de coordination générale de la politique, d'une cellule de politique générale, au sein du cabinet d'un mandataire politique fédéral, communautaire, régional, provincial ou local ou au sein du cabinet d'un mandataire politique du pouvoir législatif ";
3° il est inséré un § 4 rédigé comme suit :
" § 4. Pour le personnel engagé dans les liens d'un contrat de travail en application de l'article 4, § 1er, 3° de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique, sont applicables, outre les congés repris sous le § 3, les dispositions relatives au congé pour mission d'intérêt général dans le cadre des programmes européens Phare, Tacis ou Meda. "
1° le § 2, 7°, est remplacé par le texte suivant :
" 7° au congé pour interruption de la carrière professionnelle, à l'exception de l'interruption de la carrière pour soins palliatifs et de l'interruption de la carrière pour congé parental ";
2° le § 3, 9°, est remplacé par le texte suivant :
" 9° le congé pour l'exercice d'une fonction au sein d'un secrétariat, de la cellule de coordination générale de la politique, d'une cellule de politique générale, au sein du cabinet d'un mandataire politique fédéral, communautaire, régional, provincial ou local ou au sein du cabinet d'un mandataire politique du pouvoir législatif ";
3° il est inséré un § 4 rédigé comme suit :
" § 4. Pour le personnel engagé dans les liens d'un contrat de travail en application de l'article 4, § 1er, 3° de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique, sont applicables, outre les congés repris sous le § 3, les dispositions relatives au congé pour mission d'intérêt général dans le cadre des programmes européens Phare, Tacis ou Meda. "
Art.2. In artikel 7, § 1 van hetzelfde besluit wordt het woord " deeltijdse " vervangen door het woord " halftijdse ".
Art.2. Dans l'article 7, § 1er, du même arrêté, le mot " partielle " est remplacé par les mots " à mi-temps ".
Art.3. Artikel 8, eerste lid, 2° van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" 2° het verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht. "
" 2° het verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht. "
Art.3. L'article 8, alinéa 1er, 2° du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" 2° le congé pour l'exercice d'une fonction au sein d'un secrétariat, de la cellule de coordination générale de la politique, d'une cellule de politique générale, au sein du cabinet d'un mandataire politique fédéral, communautaire, régional, provincial ou local ou au sein du cabinet d'un mandataire politique du pouvoir législatif. "
" 2° le congé pour l'exercice d'une fonction au sein d'un secrétariat, de la cellule de coordination générale de la politique, d'une cellule de politique générale, au sein du cabinet d'un mandataire politique fédéral, communautaire, régional, provincial ou local ou au sein du cabinet d'un mandataire politique du pouvoir législatif. "
Art.4. Artikel 17 van hetzelfde besluit, wordt aangevuld met het volgende lid :
" De ambtenaar die het verlof wenst te genieten bij toepassing van dit artikel, deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. Die mededeling gebeurt schriftelijk minstens één maand vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt. "
" De ambtenaar die het verlof wenst te genieten bij toepassing van dit artikel, deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. Die mededeling gebeurt schriftelijk minstens één maand vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt. "
Art.4. L'article 17 du même arrêté est complété par l'alinéa suivant :
" L'agent qui désire bénéficier du congé par application du présent article communique à l'autorité dont il relève la date à laquelle le congé prendra cours et sa durée. Cette communication se fait par écrit au moins un mois avant le début du congé à moins que l'autorité n'accepte un délai plus court à la demande de l'intéressé. "
" L'agent qui désire bénéficier du congé par application du présent article communique à l'autorité dont il relève la date à laquelle le congé prendra cours et sa durée. Cette communication se fait par écrit au moins un mois avant le début du congé à moins que l'autorité n'accepte un délai plus court à la demande de l'intéressé. "
Art.5. In de Nederlandse tekst van artikel 20, § 2 van hetzelfde besluit wordt het woord " dienstanciënniteit " vervangen door het woord " dienstactiviteit ".
Art.5. Dans le texte néerlandais de l'article 20, § 2 du même arrêté, le mot " dienstanciënniteit " est remplacé par le mot " dienstactiviteit ".
Art.6. Artikel 35, § 1, eerste lid van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 mei 1999, wordt vervangen als volgt :
" § 1. Aan de ambtenaar in dienstactiviteit wordt, bij de geboorte of de adoptie van een kind, drie maanden ouderschapsverlof toegestaan in het raam van de volledige onderbreking van de beroepsloopbaan, bedoeld in artikel 100 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, of zes maanden ouderschapsverlof in het raam van de halftijdse beroepsloopbaan, bedoeld in artikel 102 van de voornoemde herstelwet van 22 januari 1985. Het verlof kan niet worden gesplitst in maanden. "
" § 1. Aan de ambtenaar in dienstactiviteit wordt, bij de geboorte of de adoptie van een kind, drie maanden ouderschapsverlof toegestaan in het raam van de volledige onderbreking van de beroepsloopbaan, bedoeld in artikel 100 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, of zes maanden ouderschapsverlof in het raam van de halftijdse beroepsloopbaan, bedoeld in artikel 102 van de voornoemde herstelwet van 22 januari 1985. Het verlof kan niet worden gesplitst in maanden. "
Art.6. L'article 35, § 1er, alinéa 1er du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 26 mai 1999, est remplacé par la disposition suivante :
§ 1er. L'agent en activité de service obtient, lors de la naissance ou de l'adoption d'un enfant, un congé parental d'une durée de trois mois dans le cadre de l'interruption complète de la carrière professionnelle visée à l'article 100 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 portant des dispositions sociales ou d'une durée de six mois dans le cadre de l'interruption à mi-temps de la carrière professionnelle visée à l'article 102 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 précitée. Le congé ne peut pas être fractionné en mois. "
§ 1er. L'agent en activité de service obtient, lors de la naissance ou de l'adoption d'un enfant, un congé parental d'une durée de trois mois dans le cadre de l'interruption complète de la carrière professionnelle visée à l'article 100 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 portant des dispositions sociales ou d'une durée de six mois dans le cadre de l'interruption à mi-temps de la carrière professionnelle visée à l'article 102 de la loi de redressement du 22 janvier 1985 précitée. Le congé ne peut pas être fractionné en mois. "
Art.7. In artikel 38 van hetzelfde besluit worden het derde en vierde lid opgeheven.
Art.7. Dans l'article 38 du même arrêté les alinéas 3 et 4 sont abrogés.
Art.8. In artikel 40 van hetzelfde besluit vervallen de woorden " alsook de minimale periode van vijf dagen bedoeld in artikel 38, derde lid ".
Art.8. Dans l'article 40 du même arrêté, les mots " ainsi que la période minimale de 5 jours visée à l'article 38, alinéa 3 " sont supprimés.
Art.9. Artikel 46, § 1 van hetzelfde besluit, wordt vervangen als volgt :
" § 1. Onder voorbehoud van artikel 48 en in afwijking van artikel 41, wordt het verlof wegens ziekte zonder tijdsbeperking toegestaan, naar aanleiding van :
1° een arbeidsongeval;
2° een ongeval op de weg van en naar het werk;
3° een beroepsziekte.
Bovendien en behalve voor de toepassing van artikel 48 komen de verlofdagen toegestaan naar aanleiding van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk of een beroepsziekte, zelfs na de datum van consolidering, niet in aanmerking voor het bepalen van het aantal verlofdagen welke de ambtenaar nog kan krijgen bij toepassing van artikel 41. "
" § 1. Onder voorbehoud van artikel 48 en in afwijking van artikel 41, wordt het verlof wegens ziekte zonder tijdsbeperking toegestaan, naar aanleiding van :
1° een arbeidsongeval;
2° een ongeval op de weg van en naar het werk;
3° een beroepsziekte.
Bovendien en behalve voor de toepassing van artikel 48 komen de verlofdagen toegestaan naar aanleiding van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk of een beroepsziekte, zelfs na de datum van consolidering, niet in aanmerking voor het bepalen van het aantal verlofdagen welke de ambtenaar nog kan krijgen bij toepassing van artikel 41. "
Art.9. L'article 46, § 1er, du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Sous réserve de l'article 48 et par dérogation à l'article 41, le congé de maladie est accordé sans limite de temps, lorsqu'il est provoqué par :
1° un accident de travail;
2° un accident survenu sur le chemin du travail;
3° une maladie professionnelle.
En outre et sauf pour l'application de l'article 48, les jours de congé accordés suite à un accident du travail, à un accident survenu sur le chemin du travail ou à une maladie professionnelle, même après la date de consolidation, ne sont pas pris en considération pour déterminer le nombre de jours de congé que l'agent peut encore obtenir en vertu de l'article 41. "
" § 1er. Sous réserve de l'article 48 et par dérogation à l'article 41, le congé de maladie est accordé sans limite de temps, lorsqu'il est provoqué par :
1° un accident de travail;
2° un accident survenu sur le chemin du travail;
3° une maladie professionnelle.
En outre et sauf pour l'application de l'article 48, les jours de congé accordés suite à un accident du travail, à un accident survenu sur le chemin du travail ou à une maladie professionnelle, même après la date de consolidation, ne sont pas pris en considération pour déterminer le nombre de jours de congé que l'agent peut encore obtenir en vertu de l'article 41. "
Art.10. Artikel 68, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Voor de toepassing van artikel 66, is de laatste activiteitswedde deze, welke verschuldigd was overeenkomstig het prestatiestelsel op het ogenblik waarop de ambtenaar zich in disponibiliteit bevond. "
" Voor de toepassing van artikel 66, is de laatste activiteitswedde deze, welke verschuldigd was overeenkomstig het prestatiestelsel op het ogenblik waarop de ambtenaar zich in disponibiliteit bevond. "
Art.10. L'article 68, alinéa 2, du même arrêté est remplacé par l'alinéa suivant :
" Pour l'application de l'article 66, le dernier traitement d'activité est celui qui était dû en raison du régime de prestations qui était celui au moment où l'agent s'est trouvé en disponibilité. "
" Pour l'application de l'article 66, le dernier traitement d'activité est celui qui était dû en raison du régime de prestations qui était celui au moment où l'agent s'est trouvé en disponibilité. "
Art.11. Het opschrift van Afdeling 1 van Hoofdstuk XI van hetzelfde besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 19 juli 2001, wordt vervangen als volgt :
" Verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht. "
" Verlof voor het uitoefenen van een ambt bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid, bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht. "
Art.11. L'intitulé de la Section 1re du Chapitre XI du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 19 juillet 2001, est remplacé par le texte suivant :
" Congé pour l'exercice d'une fonction au sein d'un secrétariat, de la cellule de coordination générale de la politique, d'une cellule de politique générale, au sein du cabinet d'un mandataire politique fédéral, communautaire, régional, provincial ou local ou au sein du cabinet d'un mandataire politique du pouvoir législatif. "
" Congé pour l'exercice d'une fonction au sein d'un secrétariat, de la cellule de coordination générale de la politique, d'une cellule de politique générale, au sein du cabinet d'un mandataire politique fédéral, communautaire, régional, provincial ou local ou au sein du cabinet d'un mandataire politique du pouvoir législatif. "
Art.12. Artikel 95 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 juli 2001, wordt vervangen als volgt :
" Art. 95. De ambtenaar kan, met akkoord van de minister waaronder hij ressorteert verlof krijgen wanneer hij aangewezen wordt om een ambt uit te oefenen bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht.
Met uitzondering van de Federale Regering is het akkoord voor wat betreft de andere organen afhankelijk van de voorwaarde dat deze een reglement hebben genomen waarbij de nadere regels inzake terugbetaling van de bezoldiging van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar worden bepaald. Voor wat betreft de Federale Regering, is het verlof onbezoldigd. "
" Art. 95. De ambtenaar kan, met akkoord van de minister waaronder hij ressorteert verlof krijgen wanneer hij aangewezen wordt om een ambt uit te oefenen bij een secretariaat, de cel algemene beleidscoördinatie of een cel algemeen beleid bij het kabinet van een federaal, gemeenschaps-, gewestelijk, provinciaal of lokaal politiek mandataris of bij het kabinet van een politiek mandataris van de wetgevende macht.
Met uitzondering van de Federale Regering is het akkoord voor wat betreft de andere organen afhankelijk van de voorwaarde dat deze een reglement hebben genomen waarbij de nadere regels inzake terugbetaling van de bezoldiging van de in het eerste lid bedoelde ambtenaar worden bepaald. Voor wat betreft de Federale Regering, is het verlof onbezoldigd. "
Art.12. L'article 95 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 19 juillet 2001, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 95. L'agent peut obtenir avec l'accord du ministre dont il relève, un congé pour exercer une fonction au sein d'un secrétariat, de la cellule de coordination générale de la politique, d'une cellule de politique générale, au sein du cabinet d'un mandataire politique fédéral, communautaire, régional, provincial ou local ou au sein du cabinet d'un mandataire politique du pouvoir législatif.
A l'exception du Gouvernement fédéral, l'accord est, en ce qui concerne les autres organes, soumis à la condition que ces organes aient adopté un règlement dans lequel ils définissent les modalités de remboursement de la rémunération de l'agent visé à l'alinéa 1. En ce qui concerne le Gouvernement fédéral, le congé n'est pas rémunéré. "
" Art. 95. L'agent peut obtenir avec l'accord du ministre dont il relève, un congé pour exercer une fonction au sein d'un secrétariat, de la cellule de coordination générale de la politique, d'une cellule de politique générale, au sein du cabinet d'un mandataire politique fédéral, communautaire, régional, provincial ou local ou au sein du cabinet d'un mandataire politique du pouvoir législatif.
A l'exception du Gouvernement fédéral, l'accord est, en ce qui concerne les autres organes, soumis à la condition que ces organes aient adopté un règlement dans lequel ils définissent les modalités de remboursement de la rémunération de l'agent visé à l'alinéa 1. En ce qui concerne le Gouvernement fédéral, le congé n'est pas rémunéré. "
Art.13. Afdeling 2 van Hoofdstuk XI van hetzelfde besluit, bestaande uit de artikelen 99 tot 112, wordt vervangen als volgt :
" Afdeling 2. - Verlof voor opdracht van algemeen belang.
Art. 99. De ambtenaar bekomt verlof voor de uitoefening van een opdracht.
Onder opdracht moet worden verstaan :
1° de uitoefening van ambten ter vervulling van een nationale of internationale opdracht toevertrouwd :
a) door de Federale Regering, een Gewest- of Gemeenschapsregering, het College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het College van de Franse Gemeenschapscommissie of een openbaar bestuur;
b) door een buitenlandse regering of een buitenlands overheidsbestuur;
c) door een internationale instelling;
2° met voorafgaande machtiging van de minister tot wiens bevoegdheid ambtenarenzaken behoort en de minister van begroting, elke opdracht die is toevertrouwd door een instelling die geen overheidskarakter heeft, die belast werd met de uitvoering van de Europese programma's Phare, Tacis of Meda;
3° elke internationale opdracht die is toevertrouwd door een beslissing van de ministerraad in het raam van de ontwikkelingssamenwerking, vredesopdrachten, de wetenschappelijke vorsing of de humanitaire hulp;
4° elke nationale opdracht met voorafgaande machtiging van de minister tot wiens bevoegdheid ambtenarenzaken behoort in dienst van jeugdbewegingen, jeugddiensten of jeugdgroeperingen of in dienst van sommige culturele instellingen die erkend zijn door de bevoegde overheid.
Art. 100. Indien de opdracht waarmede de ambtenaar belast is, hem in feite of in rechte verhindert het hem toevertrouwde ambt uit te oefenen, verkrijgt hij de vrijstellingen van dienst die voor het vervullen van een dergelijke opdracht vereist zijn.
Die vrijstellingen worden toegekend voor een duur van ten hoogste twee jaar. Zij kunnen hernieuwd worden voor periodes waarvan er geen de duur van twee jaar mag overschrijden.
Art. 101. De duur van de in artikel 99, tweede lid, 2°, vermelde opdrachten mag voor de gehele loopbaan niet meer dan zes jaar bedragen.
Art. 102. § 1. Iedere minister kan, met instemming van de betrokkene een ambtenaar die onder hem ressorteert, met de uitvoering van een opdracht belasten.
Eveneens kan iedere ambtenaar, met akkoord van de minister onder wie hij ressorteert, de uitvoering van een opdracht aanvaarden.
§ 2. De ambtenaar die wordt aangewezen om een mandaat in een Belgische overheidsdienst uit te oefenen wordt ambtshalve in verlof voor opdracht geplaatst voor de duur van het mandaat.
Art. 103. Met het oog op de toepassing van de beschikking van de Europese Commissie van 7 januari 1998 houdende regeling van toepassing op de nationale deskundigen die bij de diensten van de Commissie zijn gedetacheerd, maakt de minister tot wiens bevoegdheid de buitenlandse betrekkingen behoren in het Belgisch Staatsblad een oproep bekend waarin duidelijk wordt uiteengezet welke bekwaamheid, geschiktheid en beroepservaring van de gegadigden gevergd worden alsook hoelang de opdracht duurt en onder welke voorwaarden die wordt uitgeoefend.
De ambtenaar maakt binnen vijftien dagen na de datum van de bekendmaking van de in het eerste lid bedoelde oproep via de hiërarchische weg zijn kandidatuur aan de minister onder wie hij ressorteert, over.
Laatstgenoemde stuurt, wanneer hij meent zich met de uitoefening van de opdracht akkoord te kunnen verklaren, de kandidatuur, met uitsluiting van elk ander element, binnen vijftien dagen na de ontvangst ervan door naar de minister tot wiens bevoegdheid de buitenlandse zaken behoren.
De minister tot wiens bevoegdheid de buitenlandse zaken behoren legt de kandidatuur ter beslissing voor aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Art. 104. § 1. Tijdens de duur van een opdracht welke als van algemeen belang erkend is, is de ambtenaar met verlof.
Het verlof wordt niet bezoldigd. Het wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
§ 2. In afwijking van § 1, tweede lid wordt het verlof bezoldigd :
1° wanneer de ambtenaar wordt aangewezen als nationale deskundige krachtens de beschikking van 7 januari 1998 van de Europese Commissie;
2° wanneer de ambtenaar een opdracht uitoefent bij het Rentenfonds voor het beheer van de federale Staatsschuld;
3° wanneer de opdracht is toegekend voor een opdracht in het kader van het Europees programma "Institution Building" ingevoerd door de Verordening nr. 622/98 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de bijstand ten gunste van de kandidaat-landen;
4° wanneer het een opdracht betreft zoals vermeld in artikel 99, tweede lid, 3°;
Art. 105. § 1. Het karakter van algemeen belang wordt van rechtswege erkend :
1° voor de opdrachten welke de uitoefening van een ambt in een ontwikkelingsland inhouden;
2° voor de opdrachten vermeld in artikel 99, tweede lid, 3° en 4°;
3° voor de opdrachten vermeld in artikel 102, § 2;
4° voor de opdrachten uitgeoefend door de ambtenaar die als nationaal deskundige is aangewezen krachtens de beschikking van de Europese Commissie van 7 januari 1998;
5° voor de opdrachten uitgeoefend bij het Rentenfonds voor het beheer van de federale staatsschuld;
6° voor de opdrachten uitgeoefend in het raam van het Europees programma " Institution Building ", dat is ingesteld bij het reglement nr. 622/98 van de Raad van de Europese Unie betreffende de bijstand ten gunste van de kandidaat-landen.
§ 2. Het verlof voor opdracht kan voor de niet in § 1 bedoelde internationale opdrachten worden toegestaan door de minister onder wie de ambtenaar ressorteert. De minister kan tevens het karakter van algemeen belang erkennen indien de opdracht geacht wordt van overwegend belang te zijn hetzij voor het land, hetzij voor de Federale Regering of de federale administratie.
§ 3. Iedere opdracht verliest van rechtswege haar karakter van algemeen belang vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de ambtenaar een dienstanciënniteit heeft bereikt die volstaat om aanspraak te kunnen maken op het krijgen van een onmiddellijk ingaand dan wel uitgesteld pensioen ten laste van de buitenlandse regering, van het buitenlandse openbare bestuur of van de internationale instelling ten behoeve waarvan de opdracht werd vervuld.
Art. 106. De ambtenaar die met de uitvoering van een van algemeen belang erkende opdracht wordt belast, verkrijgt de verhogingen in zijn weddeschaal alsmede de bevorderingen tot een hogere graad of de veranderingen van graad waarop hij aanspraak kan maken, op het tijdstip waarop hij die zou verkrijgen of zou verkregen hebben indien hij werkelijk in dienst was gebleven.
Art. 107. Tijdens de duur van een opdracht die niet erkend werd als zijnde van algemeen belang, wordt de ambtenaar op non-activiteit gesteld. In die stand heeft hij geen recht op wedde en kan hij zijn aanspraken op bevordering of op bevordering in zijn weddeschaal niet doen gelden.
Art. 108. De ambtenaar met verlof wegens internationale opdracht, zoals vermeld in artikel 99, tweede lid, 1° en 3°, verkrijgt een vergoeding die bestemd is om werkelijke lasten te dragen en/of toelagen.
De minister, onder wie de ambtenaar ressorteert, bepaalt het bedrag van deze vergoedingen en toelagen, volgens de nadere voorwaarden die van kracht zijn voor de ambtenaren van de carrière van de Buitendienst en van de Kanselarijcarrière Buitenlandse dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Internationale Samenwerking en afhankelijk van de graad waarmee de ambtenaar die met verlof is wegens opdracht bekleed is.
Art. 109. De minister, onder wie de met een opdracht belaste ambtenaar ressorteert, beslist volgens de behoeften van de dienst of de betrekking waarvan de betrokkene titularis is als vacant moet worden beschouwd zodra de betrokken ambtenaar één jaar afwezig is.
Aan de in het eerste lid bedoelde ministeriële beslissing moet het advies van de secretaris-generaal voorafgaan.
Het eerste en het tweede lid van dit artikel zijn niet toepasselijk als de ambtenaar in opdracht een ambtenaar van het Ministerie van Financiën is die een opdracht uitoefent bij het Rentenfonds voor het beheer van de federale Staatsschuld.
Art. 110. Met inachtneming van een opzeggingstermijn van ten hoogste drie maanden, kan de minister onder wie de ambtenaar ressorteert, ieder ogenblik een einde maken aan de opdracht waarmee de ambtenaar is belast, tijdens de vervulling ervan.
De ambtenaar kan op ieder ogenblik een einde maken aan de opdracht tijdens de vervulling ervan.
Art. 111. De ambtenaar wiens opdracht verstreken is of onderbroken wordt bij ministeriële beslissing, bij beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of bij beslissing van de ambtenaar zelf, stelt zich ter beschikking van de minister onder wie hij ressorteert.
Indien hij zonder geldige reden weigert of verwaarloost dit te doen wordt hij, na tien dagen afwezigheid, als ontslaggevend beschouwd.
Art. 112. Zodra zijn opdracht verstreken is, bezet de ambtenaar die in zijn opdracht niet werd vervangen, die betrekking wanneer hij zijn dienst hervat. "
" Afdeling 2. - Verlof voor opdracht van algemeen belang.
Art. 99. De ambtenaar bekomt verlof voor de uitoefening van een opdracht.
Onder opdracht moet worden verstaan :
1° de uitoefening van ambten ter vervulling van een nationale of internationale opdracht toevertrouwd :
a) door de Federale Regering, een Gewest- of Gemeenschapsregering, het College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het College van de Franse Gemeenschapscommissie of een openbaar bestuur;
b) door een buitenlandse regering of een buitenlands overheidsbestuur;
c) door een internationale instelling;
2° met voorafgaande machtiging van de minister tot wiens bevoegdheid ambtenarenzaken behoort en de minister van begroting, elke opdracht die is toevertrouwd door een instelling die geen overheidskarakter heeft, die belast werd met de uitvoering van de Europese programma's Phare, Tacis of Meda;
3° elke internationale opdracht die is toevertrouwd door een beslissing van de ministerraad in het raam van de ontwikkelingssamenwerking, vredesopdrachten, de wetenschappelijke vorsing of de humanitaire hulp;
4° elke nationale opdracht met voorafgaande machtiging van de minister tot wiens bevoegdheid ambtenarenzaken behoort in dienst van jeugdbewegingen, jeugddiensten of jeugdgroeperingen of in dienst van sommige culturele instellingen die erkend zijn door de bevoegde overheid.
Art. 100. Indien de opdracht waarmede de ambtenaar belast is, hem in feite of in rechte verhindert het hem toevertrouwde ambt uit te oefenen, verkrijgt hij de vrijstellingen van dienst die voor het vervullen van een dergelijke opdracht vereist zijn.
Die vrijstellingen worden toegekend voor een duur van ten hoogste twee jaar. Zij kunnen hernieuwd worden voor periodes waarvan er geen de duur van twee jaar mag overschrijden.
Art. 101. De duur van de in artikel 99, tweede lid, 2°, vermelde opdrachten mag voor de gehele loopbaan niet meer dan zes jaar bedragen.
Art. 102. § 1. Iedere minister kan, met instemming van de betrokkene een ambtenaar die onder hem ressorteert, met de uitvoering van een opdracht belasten.
Eveneens kan iedere ambtenaar, met akkoord van de minister onder wie hij ressorteert, de uitvoering van een opdracht aanvaarden.
§ 2. De ambtenaar die wordt aangewezen om een mandaat in een Belgische overheidsdienst uit te oefenen wordt ambtshalve in verlof voor opdracht geplaatst voor de duur van het mandaat.
Art. 103. Met het oog op de toepassing van de beschikking van de Europese Commissie van 7 januari 1998 houdende regeling van toepassing op de nationale deskundigen die bij de diensten van de Commissie zijn gedetacheerd, maakt de minister tot wiens bevoegdheid de buitenlandse betrekkingen behoren in het Belgisch Staatsblad een oproep bekend waarin duidelijk wordt uiteengezet welke bekwaamheid, geschiktheid en beroepservaring van de gegadigden gevergd worden alsook hoelang de opdracht duurt en onder welke voorwaarden die wordt uitgeoefend.
De ambtenaar maakt binnen vijftien dagen na de datum van de bekendmaking van de in het eerste lid bedoelde oproep via de hiërarchische weg zijn kandidatuur aan de minister onder wie hij ressorteert, over.
Laatstgenoemde stuurt, wanneer hij meent zich met de uitoefening van de opdracht akkoord te kunnen verklaren, de kandidatuur, met uitsluiting van elk ander element, binnen vijftien dagen na de ontvangst ervan door naar de minister tot wiens bevoegdheid de buitenlandse zaken behoren.
De minister tot wiens bevoegdheid de buitenlandse zaken behoren legt de kandidatuur ter beslissing voor aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
Art. 104. § 1. Tijdens de duur van een opdracht welke als van algemeen belang erkend is, is de ambtenaar met verlof.
Het verlof wordt niet bezoldigd. Het wordt voor het overige met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
§ 2. In afwijking van § 1, tweede lid wordt het verlof bezoldigd :
1° wanneer de ambtenaar wordt aangewezen als nationale deskundige krachtens de beschikking van 7 januari 1998 van de Europese Commissie;
2° wanneer de ambtenaar een opdracht uitoefent bij het Rentenfonds voor het beheer van de federale Staatsschuld;
3° wanneer de opdracht is toegekend voor een opdracht in het kader van het Europees programma "Institution Building" ingevoerd door de Verordening nr. 622/98 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de bijstand ten gunste van de kandidaat-landen;
4° wanneer het een opdracht betreft zoals vermeld in artikel 99, tweede lid, 3°;
Art. 105. § 1. Het karakter van algemeen belang wordt van rechtswege erkend :
1° voor de opdrachten welke de uitoefening van een ambt in een ontwikkelingsland inhouden;
2° voor de opdrachten vermeld in artikel 99, tweede lid, 3° en 4°;
3° voor de opdrachten vermeld in artikel 102, § 2;
4° voor de opdrachten uitgeoefend door de ambtenaar die als nationaal deskundige is aangewezen krachtens de beschikking van de Europese Commissie van 7 januari 1998;
5° voor de opdrachten uitgeoefend bij het Rentenfonds voor het beheer van de federale staatsschuld;
6° voor de opdrachten uitgeoefend in het raam van het Europees programma " Institution Building ", dat is ingesteld bij het reglement nr. 622/98 van de Raad van de Europese Unie betreffende de bijstand ten gunste van de kandidaat-landen.
§ 2. Het verlof voor opdracht kan voor de niet in § 1 bedoelde internationale opdrachten worden toegestaan door de minister onder wie de ambtenaar ressorteert. De minister kan tevens het karakter van algemeen belang erkennen indien de opdracht geacht wordt van overwegend belang te zijn hetzij voor het land, hetzij voor de Federale Regering of de federale administratie.
§ 3. Iedere opdracht verliest van rechtswege haar karakter van algemeen belang vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de ambtenaar een dienstanciënniteit heeft bereikt die volstaat om aanspraak te kunnen maken op het krijgen van een onmiddellijk ingaand dan wel uitgesteld pensioen ten laste van de buitenlandse regering, van het buitenlandse openbare bestuur of van de internationale instelling ten behoeve waarvan de opdracht werd vervuld.
Art. 106. De ambtenaar die met de uitvoering van een van algemeen belang erkende opdracht wordt belast, verkrijgt de verhogingen in zijn weddeschaal alsmede de bevorderingen tot een hogere graad of de veranderingen van graad waarop hij aanspraak kan maken, op het tijdstip waarop hij die zou verkrijgen of zou verkregen hebben indien hij werkelijk in dienst was gebleven.
Art. 107. Tijdens de duur van een opdracht die niet erkend werd als zijnde van algemeen belang, wordt de ambtenaar op non-activiteit gesteld. In die stand heeft hij geen recht op wedde en kan hij zijn aanspraken op bevordering of op bevordering in zijn weddeschaal niet doen gelden.
Art. 108. De ambtenaar met verlof wegens internationale opdracht, zoals vermeld in artikel 99, tweede lid, 1° en 3°, verkrijgt een vergoeding die bestemd is om werkelijke lasten te dragen en/of toelagen.
De minister, onder wie de ambtenaar ressorteert, bepaalt het bedrag van deze vergoedingen en toelagen, volgens de nadere voorwaarden die van kracht zijn voor de ambtenaren van de carrière van de Buitendienst en van de Kanselarijcarrière Buitenlandse dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Internationale Samenwerking en afhankelijk van de graad waarmee de ambtenaar die met verlof is wegens opdracht bekleed is.
Art. 109. De minister, onder wie de met een opdracht belaste ambtenaar ressorteert, beslist volgens de behoeften van de dienst of de betrekking waarvan de betrokkene titularis is als vacant moet worden beschouwd zodra de betrokken ambtenaar één jaar afwezig is.
Aan de in het eerste lid bedoelde ministeriële beslissing moet het advies van de secretaris-generaal voorafgaan.
Het eerste en het tweede lid van dit artikel zijn niet toepasselijk als de ambtenaar in opdracht een ambtenaar van het Ministerie van Financiën is die een opdracht uitoefent bij het Rentenfonds voor het beheer van de federale Staatsschuld.
Art. 110. Met inachtneming van een opzeggingstermijn van ten hoogste drie maanden, kan de minister onder wie de ambtenaar ressorteert, ieder ogenblik een einde maken aan de opdracht waarmee de ambtenaar is belast, tijdens de vervulling ervan.
De ambtenaar kan op ieder ogenblik een einde maken aan de opdracht tijdens de vervulling ervan.
Art. 111. De ambtenaar wiens opdracht verstreken is of onderbroken wordt bij ministeriële beslissing, bij beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of bij beslissing van de ambtenaar zelf, stelt zich ter beschikking van de minister onder wie hij ressorteert.
Indien hij zonder geldige reden weigert of verwaarloost dit te doen wordt hij, na tien dagen afwezigheid, als ontslaggevend beschouwd.
Art. 112. Zodra zijn opdracht verstreken is, bezet de ambtenaar die in zijn opdracht niet werd vervangen, die betrekking wanneer hij zijn dienst hervat. "
Art.13. La section 2 du Chapitre XI du même arrêté, composée des articles 99 à 112, est remplacée par les dispositions suivantes :
" Section 2. - Congé pour mission d'intérêt général.
Art. 99. L'agent obtient un congé pour l'exercice d'une mission.
Par mission, il faut entendre :
1° l'exercice de fonctions en exécution d'une mission nationale ou internationale confiée :
a) par le Gouvernement fédéral, un Gouvernement régional ou communautaire, le Collège de la Commission communautaire commune, le Collège de la Commission communautaire française ou une administration publique;
b) par un Gouvernement étranger ou une administration publique étrangère;
c) par un organisme international;
2° moyennant autorisation préalable du ministre qui a la fonction publique dans ses attributions et le ministre du budget, toute mission confiée par un organisme qui n'a pas de caractère public, chargé de l'exécution des programmes européens Phare, Tacis ou Meda;
3° toute mission internationale confiée par décision du Conseil des Ministres dans le cadre de la coopération au développement, des missions de paix, de la recherche scientifique ou de l'aide humanitaire;
4° toute mission nationale, moyennant autorisation préalable du ministre qui a la fonction publique dans ses attributions, exercée au service de mouvements, services ou groupements de jeunesse ou certains organismes culturels reconnus par l'autorité compétente.
Art. 100. Si la mission dont l'agent est chargé l'empêche en fait ou en droit de s'acquitter des fonctions qui lui sont confiées, l'agent obtient les dispenses de service nécessaires à l'exécution d'une telle mission.
Ces dispenses sont accordées au maximum pour deux ans. Elles sont renouvelables pour des périodes dont chacune ne peut excéder deux ans.
Art. 101. La durée des missions visées à l'article 99, alinéa 2, 2° ne peut excéder six ans pour l'ensemble de la carrière.
Art. 102. § 1er. Chaque ministre peut, avec l'assentiment de l'intéressé, charger de l'exercice d'une mission un agent qui relève de son autorité.
De même, tout agent peut, avec l'accord du ministre dont il relève, accepter l'exercice d'une mission.
§ 2. L'agent désigné pour exercer un mandat dans un service public belge est mis d'office en congé pour mission pour la durée du mandat.
Art. 103. Pour l'application de la décision de la Commission du 7 janvier 1998 fixant le régime applicable aux experts nationaux détachés auprès des services de la Commission, le ministre qui a les affaires étrangères dans ses attributions publie au Moniteur belge un appel qui précise les qualifications, les aptitudes et l'expérience professionnelle requises des candidats ainsi que la durée et les conditions d'exercice de la mission.
Dans les quinze jours qui suivent la date de la publication de l'appel visé à l'alinéa 1er, l'agent adresse, par la voie hiérarchique, sa candidature au ministre dont il relève.
Ce dernier, s'il estime pouvoir donner son accord à l'exercice de la mission, transmet la candidature, à l'exclusion de tout autre élément, au ministre qui a les affaires étrangères dans ses attributions dans les quinze jours qui suivent la réception.
Le ministre qui a les affaires étrangères dans ses attributions soumet, pour décision, les candidatures à la Commission des Communautés européennes.
Art. 104. § 1er. Pendant la durée d'une mission reconnue d'intérêt général, l'agent est placé en congé.
Le congé n'est pas rémunéré. Il est assimilé pour le surplus à une période d'activité de service.
§ 2. Par dérogation au § 1er, alinéa 2, le congé est rémunéré :
1° lorsque l'agent est désigné en qualité d'expert national en vertu de la décision du 7 janvier 1998 de la Commission européenne;
2° lorsque l'agent exerce une mission auprès du Fonds des Rentes pour la Gestion de la dette de l'Etat fédéral;
3° lorsque la mission est accordée dans le cadre du programme européen "Institution Building" institué par le Règlement n° 622/98 du Conseil des Communautés européennes relatif à l'assistance en faveur des Etats candidats;
4° lorsqu'il s'agit d'une mission visée à l'article 99, alinéa 2, 3°.
Art. 105. § 1er. Le caractère d'intérêt général est reconnu de plein droit :
1° aux missions qui comportent l'exercice de fonctions dans un pays en voie de développement;
2° aux missions visées par l'article 99, alinéa 2, 3° et 4°;
3° aux missions visées par l'article 102, § 2;
4° aux missions exercées par l'agent désigné en qualité d'expert national en vertu de la décision de la Commission européenne du 7 janvier 1998;
5° aux missions exercées auprès du Fonds des Rentes pour la gestion de la dette de l'Etat fédéral;
6° aux missions exercées dans le cadre du programme européen " Institution Building " institué par le règlement n° 622/98 du Conseil de l'Union européenne relatif à l'assistance en faveur des Etats candidats.
§ 2. Le congé pour mission peut être accordé aux missions internationales non visées au § 1er par le ministre dont relève l'agent. Le ministre peut également reconnaître le caractère d'intérêt général si la mission est censée présenter un intérêt prépondérant soit pour le pays, soit pour le Gouvernement fédéral ou l'administration fédérale.
§ 3. Toute mission perd de plein droit son caractère d'intérêt général à partir du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel l'agent a atteint une ancienneté de service suffisante pour pouvoir prétendre à l'obtention d'une pension immédiate ou différée à charge du gouvernement étranger, de l'administration publique étrangère ou de l'organisme international au profit duquel la mission est accomplie.
Art. 106. L'agent chargé de l'exécution d'une mission reconnue d'intérêt général obtient les augmentations dans son échelle de traitement ainsi que les promotions ou les changements de grade auxquels il peut prétendre, au moment où il les obtiendrait ou les aurait obtenus s'il était resté effectivement en service.
Art. 107. Pendant la durée d'une mission qui n'est pas reconnue d'intérêt général, l'agent est placé en non-activité. Dans cette position, il n'a pas droit au traitement et ne peut faire valoir ses titres à la promotion ou à l'avancement dans son échelle de traitement.
Art. 108. L'agent en congé pour une mission internationale visée à l'article 99, alinéa 2, 1° et 3°, obtient des indemnités destinées à supporter des charges réelles et/ou des allocations.
Le ministre dont relève l'agent détermine le montant de ces indemnités et allocations, selon les modalités en vigueur pour les agents de la carrière du Service extérieur et de la carrière de la Chancellerie du Ministère des Affaires étrangères, du Commerce extérieur et de la Coopération internationale et en fonction du grade dont est revêtu l'agent en congé pour mission.
Art. 109. Le ministre dont relève l'agent en mission décide, selon les nécessités du service, si l'emploi dont l'intéressé est titulaire doit être considéré comme vacant dès que l'agent intéressé est absent pendant un an.
La décision ministérielle visée à l'alinéa 1er doit être précédée de l'avis du secrétaire général.
Les alinéas 1er et 2 du présent article ne sont pas applicables lorsque l'agent en mission est un agent relevant du Ministère des Finances qui exerce une mission auprès du Fonds des Rentes pour la gestion de la dette de l'Etat fédéral.
Art. 110. Moyennant un préavis de trois mois au plus, le ministre dont relève l'agent peut à tout instant mettre fin, en cours d'exercice, à la mission dont est chargé l'intéressé.
L'agent peut mettre fin à tout moment à sa mission pendant l'exercice de celle-ci.
Art. 111. L'agent dont la mission vient à expiration ou est interrompue par décision ministérielle, par décision de la Commission des Communautés européennes ou par décision de l'agent lui-même, se remet à la disposition du ministre dont il relève.
Si, sans motif valable, il refuse ou néglige de le faire, il est, après dix jours d'absence, considéré comme démissionnaire.
Art. 112. Dès que cesse sa mission, l'agent qui n'a pas été remplacé dans son emploi occupe cet emploi lorsqu'il reprend son activité. "
" Section 2. - Congé pour mission d'intérêt général.
Art. 99. L'agent obtient un congé pour l'exercice d'une mission.
Par mission, il faut entendre :
1° l'exercice de fonctions en exécution d'une mission nationale ou internationale confiée :
a) par le Gouvernement fédéral, un Gouvernement régional ou communautaire, le Collège de la Commission communautaire commune, le Collège de la Commission communautaire française ou une administration publique;
b) par un Gouvernement étranger ou une administration publique étrangère;
c) par un organisme international;
2° moyennant autorisation préalable du ministre qui a la fonction publique dans ses attributions et le ministre du budget, toute mission confiée par un organisme qui n'a pas de caractère public, chargé de l'exécution des programmes européens Phare, Tacis ou Meda;
3° toute mission internationale confiée par décision du Conseil des Ministres dans le cadre de la coopération au développement, des missions de paix, de la recherche scientifique ou de l'aide humanitaire;
4° toute mission nationale, moyennant autorisation préalable du ministre qui a la fonction publique dans ses attributions, exercée au service de mouvements, services ou groupements de jeunesse ou certains organismes culturels reconnus par l'autorité compétente.
Art. 100. Si la mission dont l'agent est chargé l'empêche en fait ou en droit de s'acquitter des fonctions qui lui sont confiées, l'agent obtient les dispenses de service nécessaires à l'exécution d'une telle mission.
Ces dispenses sont accordées au maximum pour deux ans. Elles sont renouvelables pour des périodes dont chacune ne peut excéder deux ans.
Art. 101. La durée des missions visées à l'article 99, alinéa 2, 2° ne peut excéder six ans pour l'ensemble de la carrière.
Art. 102. § 1er. Chaque ministre peut, avec l'assentiment de l'intéressé, charger de l'exercice d'une mission un agent qui relève de son autorité.
De même, tout agent peut, avec l'accord du ministre dont il relève, accepter l'exercice d'une mission.
§ 2. L'agent désigné pour exercer un mandat dans un service public belge est mis d'office en congé pour mission pour la durée du mandat.
Art. 103. Pour l'application de la décision de la Commission du 7 janvier 1998 fixant le régime applicable aux experts nationaux détachés auprès des services de la Commission, le ministre qui a les affaires étrangères dans ses attributions publie au Moniteur belge un appel qui précise les qualifications, les aptitudes et l'expérience professionnelle requises des candidats ainsi que la durée et les conditions d'exercice de la mission.
Dans les quinze jours qui suivent la date de la publication de l'appel visé à l'alinéa 1er, l'agent adresse, par la voie hiérarchique, sa candidature au ministre dont il relève.
Ce dernier, s'il estime pouvoir donner son accord à l'exercice de la mission, transmet la candidature, à l'exclusion de tout autre élément, au ministre qui a les affaires étrangères dans ses attributions dans les quinze jours qui suivent la réception.
Le ministre qui a les affaires étrangères dans ses attributions soumet, pour décision, les candidatures à la Commission des Communautés européennes.
Art. 104. § 1er. Pendant la durée d'une mission reconnue d'intérêt général, l'agent est placé en congé.
Le congé n'est pas rémunéré. Il est assimilé pour le surplus à une période d'activité de service.
§ 2. Par dérogation au § 1er, alinéa 2, le congé est rémunéré :
1° lorsque l'agent est désigné en qualité d'expert national en vertu de la décision du 7 janvier 1998 de la Commission européenne;
2° lorsque l'agent exerce une mission auprès du Fonds des Rentes pour la Gestion de la dette de l'Etat fédéral;
3° lorsque la mission est accordée dans le cadre du programme européen "Institution Building" institué par le Règlement n° 622/98 du Conseil des Communautés européennes relatif à l'assistance en faveur des Etats candidats;
4° lorsqu'il s'agit d'une mission visée à l'article 99, alinéa 2, 3°.
Art. 105. § 1er. Le caractère d'intérêt général est reconnu de plein droit :
1° aux missions qui comportent l'exercice de fonctions dans un pays en voie de développement;
2° aux missions visées par l'article 99, alinéa 2, 3° et 4°;
3° aux missions visées par l'article 102, § 2;
4° aux missions exercées par l'agent désigné en qualité d'expert national en vertu de la décision de la Commission européenne du 7 janvier 1998;
5° aux missions exercées auprès du Fonds des Rentes pour la gestion de la dette de l'Etat fédéral;
6° aux missions exercées dans le cadre du programme européen " Institution Building " institué par le règlement n° 622/98 du Conseil de l'Union européenne relatif à l'assistance en faveur des Etats candidats.
§ 2. Le congé pour mission peut être accordé aux missions internationales non visées au § 1er par le ministre dont relève l'agent. Le ministre peut également reconnaître le caractère d'intérêt général si la mission est censée présenter un intérêt prépondérant soit pour le pays, soit pour le Gouvernement fédéral ou l'administration fédérale.
§ 3. Toute mission perd de plein droit son caractère d'intérêt général à partir du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel l'agent a atteint une ancienneté de service suffisante pour pouvoir prétendre à l'obtention d'une pension immédiate ou différée à charge du gouvernement étranger, de l'administration publique étrangère ou de l'organisme international au profit duquel la mission est accomplie.
Art. 106. L'agent chargé de l'exécution d'une mission reconnue d'intérêt général obtient les augmentations dans son échelle de traitement ainsi que les promotions ou les changements de grade auxquels il peut prétendre, au moment où il les obtiendrait ou les aurait obtenus s'il était resté effectivement en service.
Art. 107. Pendant la durée d'une mission qui n'est pas reconnue d'intérêt général, l'agent est placé en non-activité. Dans cette position, il n'a pas droit au traitement et ne peut faire valoir ses titres à la promotion ou à l'avancement dans son échelle de traitement.
Art. 108. L'agent en congé pour une mission internationale visée à l'article 99, alinéa 2, 1° et 3°, obtient des indemnités destinées à supporter des charges réelles et/ou des allocations.
Le ministre dont relève l'agent détermine le montant de ces indemnités et allocations, selon les modalités en vigueur pour les agents de la carrière du Service extérieur et de la carrière de la Chancellerie du Ministère des Affaires étrangères, du Commerce extérieur et de la Coopération internationale et en fonction du grade dont est revêtu l'agent en congé pour mission.
Art. 109. Le ministre dont relève l'agent en mission décide, selon les nécessités du service, si l'emploi dont l'intéressé est titulaire doit être considéré comme vacant dès que l'agent intéressé est absent pendant un an.
La décision ministérielle visée à l'alinéa 1er doit être précédée de l'avis du secrétaire général.
Les alinéas 1er et 2 du présent article ne sont pas applicables lorsque l'agent en mission est un agent relevant du Ministère des Finances qui exerce une mission auprès du Fonds des Rentes pour la gestion de la dette de l'Etat fédéral.
Art. 110. Moyennant un préavis de trois mois au plus, le ministre dont relève l'agent peut à tout instant mettre fin, en cours d'exercice, à la mission dont est chargé l'intéressé.
L'agent peut mettre fin à tout moment à sa mission pendant l'exercice de celle-ci.
Art. 111. L'agent dont la mission vient à expiration ou est interrompue par décision ministérielle, par décision de la Commission des Communautés européennes ou par décision de l'agent lui-même, se remet à la disposition du ministre dont il relève.
Si, sans motif valable, il refuse ou néglige de le faire, il est, après dix jours d'absence, considéré comme démissionnaire.
Art. 112. Dès que cesse sa mission, l'agent qui n'a pas été remplacé dans son emploi occupe cet emploi lorsqu'il reprend son activité. "
Art.14. Artikel 113 van hetzelfde besluit wordt aangevuld als volgt :
" De ambtenaar die een afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden wenst te genieten bij toepassing van dit artikel, deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert de datum mee waarop de afwezigheid zal aanvangen en de duur ervan. Die mededeling gebeurt schriftelijk minstens drie maanden vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt. "
" De ambtenaar die een afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden wenst te genieten bij toepassing van dit artikel, deelt aan de overheid onder welke hij ressorteert de datum mee waarop de afwezigheid zal aanvangen en de duur ervan. Die mededeling gebeurt schriftelijk minstens drie maanden vóór de aanvang van het verlof, tenzij de overheid op verzoek van de betrokkene een kortere termijn aanvaardt. "
Art.14. L'article 113 du même arrêté est complété par l'alinéa suivant :
" L'agent qui désire bénéficier d'une absence de longue durée pour raisons personnelles par application du présent article communique à l'autorité dont il relève la date à laquelle l'absence prendra cours et sa durée. Cette communication se fait par écrit au moins trois mois avant le début de l'absence, à moins que l'autorité n'accepte un délai plus court à la demande de l'agent. "
" L'agent qui désire bénéficier d'une absence de longue durée pour raisons personnelles par application du présent article communique à l'autorité dont il relève la date à laquelle l'absence prendra cours et sa durée. Cette communication se fait par écrit au moins trois mois avant le début de l'absence, à moins que l'autorité n'accepte un délai plus court à la demande de l'agent. "
Art.15. Artikel 116, § 1 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" § 1. De ambtenaar bekomt verlof om zijn loopbaan volledig of halftijds te onderbreken met al dan niet opeenvolgende periodes van ten minste drie maanden en ten hoogste twaalf maanden.
De periodes waarin de ambtenaar zijn loopbaan volledig onderbreekt mogen in totaal niet meer bedragen dan tweeënzeventig maanden tijdens de hele loopbaan. Onverminderd de toepassing van het derde lid, geldt dit ook voor de periodes van halftijdse loopbaanonderbreking. De periode van volledige loopbaanonderbreking en de periode van halftijdse loopbaanonderbreking kunnen worden gecumuleerd.
De maximumperiode van tweeënzeventig maanden waarin de ambtenaar zijn loopbaan volledig kan onderbreken, kan op verzoek van de ambtenaar geheel of gedeeltelijk omgezet worden in eenzelfde maximumperiode van tweeënzeventig maanden waarbinnen halftijdse loopbaanonderbreking kan opgenomen worden.
Voor de berekening van de duur van de tweeënzeventig maanden wordt geen rekening gehouden met de periodes van loopbaanonderbreking om palliatieve zorg te verstrekken, voor zorg voor een zwaar ziek gezins- en familielid en voor ouderschapsverlof.
In geval van halftijdse loopbaanonderbreking worden de prestaties hetzij elke dag verricht hetzij volgens een andere verdeling over de week. "
" § 1. De ambtenaar bekomt verlof om zijn loopbaan volledig of halftijds te onderbreken met al dan niet opeenvolgende periodes van ten minste drie maanden en ten hoogste twaalf maanden.
De periodes waarin de ambtenaar zijn loopbaan volledig onderbreekt mogen in totaal niet meer bedragen dan tweeënzeventig maanden tijdens de hele loopbaan. Onverminderd de toepassing van het derde lid, geldt dit ook voor de periodes van halftijdse loopbaanonderbreking. De periode van volledige loopbaanonderbreking en de periode van halftijdse loopbaanonderbreking kunnen worden gecumuleerd.
De maximumperiode van tweeënzeventig maanden waarin de ambtenaar zijn loopbaan volledig kan onderbreken, kan op verzoek van de ambtenaar geheel of gedeeltelijk omgezet worden in eenzelfde maximumperiode van tweeënzeventig maanden waarbinnen halftijdse loopbaanonderbreking kan opgenomen worden.
Voor de berekening van de duur van de tweeënzeventig maanden wordt geen rekening gehouden met de periodes van loopbaanonderbreking om palliatieve zorg te verstrekken, voor zorg voor een zwaar ziek gezins- en familielid en voor ouderschapsverlof.
In geval van halftijdse loopbaanonderbreking worden de prestaties hetzij elke dag verricht hetzij volgens een andere verdeling over de week. "
Art.15. L'article 116, § 1er du même arrêté, est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. L'agent obtient un congé pour interrompre sa carrière de manière complète ou à mi-temps, par périodes consécutives ou non de trois mois au mois et de douze mois au plus.
Les périodes pendant lesquelles l'agent interrompt sa carrière de manière complète ne peuvent au total excéder septante-deux mois au cours de la carrière. Sans préjudice de l'application de l'alinéa 3, cette règle vaut également pour les périodes d'interruption à mi-temps de la carrière. La période d'interruption complète et la période d'interruption à mi-temps peuvent être cumulées.
Le maximum de septante-deux mois d'interruption complète de la carrière peut, à la demande de l'agent, être converti en tout ou en partie en une même période maximum de septante-deux mois dans laquelle une interruption à mi-temps de la carrière peut être prise.
Pour le calcul des périodes de septante-deux mois, il n'est pas tenu compte des périodes d'interruption de la carrière pour donner des soins palliatifs, des soins à un membre de la famille ou à un parent gravement malade et pour congé parental.
En cas d'interruption à mi-temps de la carrière, les prestations s'effectuent soit chaque jour soit selon une autre répartition sur la semaine. "
" § 1er. L'agent obtient un congé pour interrompre sa carrière de manière complète ou à mi-temps, par périodes consécutives ou non de trois mois au mois et de douze mois au plus.
Les périodes pendant lesquelles l'agent interrompt sa carrière de manière complète ne peuvent au total excéder septante-deux mois au cours de la carrière. Sans préjudice de l'application de l'alinéa 3, cette règle vaut également pour les périodes d'interruption à mi-temps de la carrière. La période d'interruption complète et la période d'interruption à mi-temps peuvent être cumulées.
Le maximum de septante-deux mois d'interruption complète de la carrière peut, à la demande de l'agent, être converti en tout ou en partie en une même période maximum de septante-deux mois dans laquelle une interruption à mi-temps de la carrière peut être prise.
Pour le calcul des périodes de septante-deux mois, il n'est pas tenu compte des périodes d'interruption de la carrière pour donner des soins palliatifs, des soins à un membre de la famille ou à un parent gravement malade et pour congé parental.
En cas d'interruption à mi-temps de la carrière, les prestations s'effectuent soit chaque jour soit selon une autre répartition sur la semaine. "
Art.16. In artikel 118, § 2, tweede lid van hetzelfde besluit worden de woorden " vanaf de geboorte of adoptie van een derde kind " vervangen door de woorden " vanaf elke geboorte of adoptie volgend op die van een tweede kind ".
Art.16. Dans l'article 118, § 2, alinéa 2 du même arrêté, les mots " à partir de la naissance ou de l'adoption d'un troisième enfant " sont remplacés par les mots " à partir de chaque naissance ou adoption qui suit celle d'un deuxième enfant ".
Art.17. Artikel 119 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 119. De ambtenaar die zijn loopbaan halftijds onderbreekt ontvangt per maand een onderbrekingstoelage van 130,20 EUR.
Wanneer de halftijdse onderbreking van de loopbaan aanvangt binnen een termijn van drie jaar vanaf de geboorte of adoptie van een tweede kind, wordt het maandelijkse bedrag van de onderbrekingstoelage, die bedoeld is in het eerste lid, verhoogd tot 142,59 EUR.
Wanneer de halftijdse onderbreking van de loopbaan aanvangt binnen een termijn van drie jaar vanaf de geboorte of adoptie vanaf elke geboorte of adoptie volgend op die van een tweede kind, wordt het maandelijkse bedrag van de onderbrekingstoelage, die bedoeld is in het eerste lid, verhoogd tot 154,99 EUR.
De in dit artikel vermelde uitkeringen worden betaald door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. "
" Art. 119. De ambtenaar die zijn loopbaan halftijds onderbreekt ontvangt per maand een onderbrekingstoelage van 130,20 EUR.
Wanneer de halftijdse onderbreking van de loopbaan aanvangt binnen een termijn van drie jaar vanaf de geboorte of adoptie van een tweede kind, wordt het maandelijkse bedrag van de onderbrekingstoelage, die bedoeld is in het eerste lid, verhoogd tot 142,59 EUR.
Wanneer de halftijdse onderbreking van de loopbaan aanvangt binnen een termijn van drie jaar vanaf de geboorte of adoptie vanaf elke geboorte of adoptie volgend op die van een tweede kind, wordt het maandelijkse bedrag van de onderbrekingstoelage, die bedoeld is in het eerste lid, verhoogd tot 154,99 EUR.
De in dit artikel vermelde uitkeringen worden betaald door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. "
Art.17. L'article 119 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 119. L'agent qui interrompt sa carrière à mi-temps perçoit par mois une allocation d'interruption de 130,20 EUR.
Lorsque l'interruption à mi-temps de la carrière prend cours dans un délai de trois ans à partir de la naissance ou de l'adoption d'un deuxième enfant le montant mensuel de l'allocation d'interruption visé à l'alinéa 1er, est augmenté jusqu'à 142,59 EUR.
Lorsque l'interruption à mi-temps de la carrière prend cours dans un délai de trois ans à partir de chaque naissance ou adoption qui suit celle d'un deuxième enfant, le montant mensuel de l'allocation d'interruption visé à l'alinéa 1er, est augmenté jusqu'à 154,99 EUR.
Les allocations visées dans le présent article sont payées par l'Office national de l'Emploi. "
" Art. 119. L'agent qui interrompt sa carrière à mi-temps perçoit par mois une allocation d'interruption de 130,20 EUR.
Lorsque l'interruption à mi-temps de la carrière prend cours dans un délai de trois ans à partir de la naissance ou de l'adoption d'un deuxième enfant le montant mensuel de l'allocation d'interruption visé à l'alinéa 1er, est augmenté jusqu'à 142,59 EUR.
Lorsque l'interruption à mi-temps de la carrière prend cours dans un délai de trois ans à partir de chaque naissance ou adoption qui suit celle d'un deuxième enfant, le montant mensuel de l'allocation d'interruption visé à l'alinéa 1er, est augmenté jusqu'à 154,99 EUR.
Les allocations visées dans le présent article sont payées par l'Office national de l'Emploi. "
Art.18. In artikel 125 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 januari 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het woord " deeltijdse " wordt vervangen door het woord " halftijdse ";
2° het artikel 125 wordt aangevuld met het volgende lid :
" Het opvangverlof, bevallingsverlof en vaderschapsverlof stellen een einde aan de stelsels van voltijdse en halftijdse loopbaanonderbreking. "
1° het woord " deeltijdse " wordt vervangen door het woord " halftijdse ";
2° het artikel 125 wordt aangevuld met het volgende lid :
" Het opvangverlof, bevallingsverlof en vaderschapsverlof stellen een einde aan de stelsels van voltijdse en halftijdse loopbaanonderbreking. "
Art.18. A l'article 125 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 28 janvier 2002, sont apportées les modifications suivantes :
1° le mot " partielle " est remplacé par le mot " à mi-temps ";
2° l'article 125 est complété par l'alinéa suivant :
" Le congé d'accueil, le congé de maternité et le congé de paternité mettent fin aux régimes d'interruption de carrière à temps plein et à mi-temps. "
1° le mot " partielle " est remplacé par le mot " à mi-temps ";
2° l'article 125 est complété par l'alinéa suivant :
" Le congé d'accueil, le congé de maternité et le congé de paternité mettent fin aux régimes d'interruption de carrière à temps plein et à mi-temps. "
Art.19. Artikel 138 van hetzelfde besluit wordt als volgt vervangen :
" Art. 138. § 1 Alvorens een beslissing tot uitsluiting of terugvordering van uitkeringen te nemen, roept de directeur de ambtenaar op om hem te horen. De ambtenaar moet evenwel niet worden opgeroepen om te worden gehoord in zijn verweermiddelen :
1° wanneer de beslissing tot uitsluiting het gevolg is van een werkhervatting, een pensionering of een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, of van het feit dat de loopbaanonderbreker de uitoefening van een zelfstandige activiteit voortzet terwijl hij reeds gedurende één jaar de uitoefening van deze activiteit heeft gecumuleerd met het genot van onderbrekingsuitkeringen;
2° in geval van terugvordering ten gevolge van de toekenning van een uitkeringsbedrag dat niet overeenstemt met de bepalingen van de artikelen 118, 119 en 120;
3° wanneer de ambtenaar schriftelijk heeft meegedeeld dat hij niet wenst te worden verhoord.
Indien de ambtenaar de dag van de oproeping belet is, mag hij vragen het verhoor te verdagen tot een latere datum die niet later mag vallen dan vijftien dagen na die welke voor het eerste verhoor was vastgesteld.
Behoudens gevallen van overmacht wordt het uitstel maar eenmaal verleend.
De aanvraag tot uitstel moet, behoudens in de gevallen van overmacht, op het werkloosheidsbureau toekomen uiterlijk de dag voor de dag waarop de ambtenaar werd opgeroepen.
De ambtenaar kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een advocaat of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakorganisatie, bedoeld in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en vakbonden van haar personeel.
§ 2. De beslissing van de directeur, waarbij onrechtmatig ontvangen onderbrekingsuitkeringen worden teruggevorderd, wordt bij een ter post aangetekend schrijven aan de betrokken ambtenaar ter kennis gebracht en vermeldt zowel de periode voor dewelke teruggevorderd wordt als het terug te vorderen bedrag.
De directeur zendt een afschrift van deze beslissing aan de overheid onder welke de ambtenaar ressorteert.
De beslissingen van de directeur moeten, op straffe van verval, binnen drie maanden na kennisgeving aan de bevoegde Arbeidsrechtbank voorgelegd worden. "
" Art. 138. § 1 Alvorens een beslissing tot uitsluiting of terugvordering van uitkeringen te nemen, roept de directeur de ambtenaar op om hem te horen. De ambtenaar moet evenwel niet worden opgeroepen om te worden gehoord in zijn verweermiddelen :
1° wanneer de beslissing tot uitsluiting het gevolg is van een werkhervatting, een pensionering of een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, of van het feit dat de loopbaanonderbreker de uitoefening van een zelfstandige activiteit voortzet terwijl hij reeds gedurende één jaar de uitoefening van deze activiteit heeft gecumuleerd met het genot van onderbrekingsuitkeringen;
2° in geval van terugvordering ten gevolge van de toekenning van een uitkeringsbedrag dat niet overeenstemt met de bepalingen van de artikelen 118, 119 en 120;
3° wanneer de ambtenaar schriftelijk heeft meegedeeld dat hij niet wenst te worden verhoord.
Indien de ambtenaar de dag van de oproeping belet is, mag hij vragen het verhoor te verdagen tot een latere datum die niet later mag vallen dan vijftien dagen na die welke voor het eerste verhoor was vastgesteld.
Behoudens gevallen van overmacht wordt het uitstel maar eenmaal verleend.
De aanvraag tot uitstel moet, behoudens in de gevallen van overmacht, op het werkloosheidsbureau toekomen uiterlijk de dag voor de dag waarop de ambtenaar werd opgeroepen.
De ambtenaar kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een advocaat of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakorganisatie, bedoeld in de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en vakbonden van haar personeel.
§ 2. De beslissing van de directeur, waarbij onrechtmatig ontvangen onderbrekingsuitkeringen worden teruggevorderd, wordt bij een ter post aangetekend schrijven aan de betrokken ambtenaar ter kennis gebracht en vermeldt zowel de periode voor dewelke teruggevorderd wordt als het terug te vorderen bedrag.
De directeur zendt een afschrift van deze beslissing aan de overheid onder welke de ambtenaar ressorteert.
De beslissingen van de directeur moeten, op straffe van verval, binnen drie maanden na kennisgeving aan de bevoegde Arbeidsrechtbank voorgelegd worden. "
Art.19. L'article 138 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 138. § 1er Préalablement à toute décision d'exclusion ou de récupération des allocations, le directeur convoque l'agent aux fins d'être entendu. Cependant, l'agent ne doit pas être convoqué pour être entendu en ses moyens de défense :
1° lorsque la décision d'exclusion est due à une reprise de travail, une mise à la pension, une fin de contrat de travail ou au fait que l'interrompant poursuit l'exercice d'une activité indépendante alors qu'il a cumulé pendant un an l'exercice de cette activité avec le bénéfice des allocations d'interruption;
2° dans le cas d'une récupération à la suite de l'octroi d'un montant d'allocations ne correspondant pas aux dispositions des articles 118, 119 et 120;
3° lorsque l'agent a communiqué par écrit qu'il ne désire pas être entendu.
Si l'agent est empêché le jour de la convocation, il peut demander la remise de l'audition à une date ultérieure, laquelle ne peut être postérieure de plus de quinze jours à celle qui était fixée pour la première audition.
La remise n'est accordée qu'une seule fois, sauf en cas de force majeure.
La demande de remise doit, sauf en cas de force majeure, parvenir au bureau de chômage au plus tard la veille du jour auquel l'agent a été convoqué.
L'agent peut se faire représenter ou se faire assister par un avocat ou un délégué d'une organisation syndicale représentative, visée dans la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités.
§ 2. La décision du directeur, par laquelle des allocations d'interruption perçues indûment sont récupérées, est notifiée à l'agent concerné par lettre recommandée à la poste et doit mentionner aussi bien la période pour laquelle il y a récupération que le montant à récupérer.
Le directeur envoie une copie de cette décision à l'autorité dont l'agent relève.
Les décisions du directeur doivent, sous peine de déchéance, être soumises au Tribunal du Travail compétent, dans les trois mois de la notification de la décision. "
" Art. 138. § 1er Préalablement à toute décision d'exclusion ou de récupération des allocations, le directeur convoque l'agent aux fins d'être entendu. Cependant, l'agent ne doit pas être convoqué pour être entendu en ses moyens de défense :
1° lorsque la décision d'exclusion est due à une reprise de travail, une mise à la pension, une fin de contrat de travail ou au fait que l'interrompant poursuit l'exercice d'une activité indépendante alors qu'il a cumulé pendant un an l'exercice de cette activité avec le bénéfice des allocations d'interruption;
2° dans le cas d'une récupération à la suite de l'octroi d'un montant d'allocations ne correspondant pas aux dispositions des articles 118, 119 et 120;
3° lorsque l'agent a communiqué par écrit qu'il ne désire pas être entendu.
Si l'agent est empêché le jour de la convocation, il peut demander la remise de l'audition à une date ultérieure, laquelle ne peut être postérieure de plus de quinze jours à celle qui était fixée pour la première audition.
La remise n'est accordée qu'une seule fois, sauf en cas de force majeure.
La demande de remise doit, sauf en cas de force majeure, parvenir au bureau de chômage au plus tard la veille du jour auquel l'agent a été convoqué.
L'agent peut se faire représenter ou se faire assister par un avocat ou un délégué d'une organisation syndicale représentative, visée dans la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités.
§ 2. La décision du directeur, par laquelle des allocations d'interruption perçues indûment sont récupérées, est notifiée à l'agent concerné par lettre recommandée à la poste et doit mentionner aussi bien la période pour laquelle il y a récupération que le montant à récupérer.
Le directeur envoie une copie de cette décision à l'autorité dont l'agent relève.
Les décisions du directeur doivent, sous peine de déchéance, être soumises au Tribunal du Travail compétent, dans les trois mois de la notification de la décision. "
Art.20. In artikel 143 van hetzelfde besluit wordt 2° opgeheven.
Art.20. Dans l'article 143 du même arrêté, le 2° est abrogé.
Art.21. In artikel 152 van hetzelfde besluit wordt tussen het eerste en het tweede lid de volgende leden ingevoegd :
" De ambtenaren die op de datum van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 10 juni 2002, tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen een deeltijdse loopbaanonderbreking genieten ten belope van een kwart of een derde, blijven onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren, tot de aan de gang zijnde periode van afwezigheid is afgelopen.
De ambtenaren die op de datum van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 10 juni 2002, tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen een verlof voor opdracht genieten blijven onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren, tot de aan de gang zijnde machtiging is afgelopen. "
" De ambtenaren die op de datum van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 10 juni 2002, tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen een deeltijdse loopbaanonderbreking genieten ten belope van een kwart of een derde, blijven onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren, tot de aan de gang zijnde periode van afwezigheid is afgelopen.
De ambtenaren die op de datum van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 10 juni 2002, tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen een verlof voor opdracht genieten blijven onderworpen aan de bepalingen die op hen van toepassing waren, tot de aan de gang zijnde machtiging is afgelopen. "
Art.21. Dans l'article 152 du même arrêté, les alinéas suivants sont insérés entre les alinéas 1er et 2 :
" Les agents qui, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 10 juin 2002, modifiant l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, bénéficient d'une interruption partielle de la carrière à raison d'un quart ou d'un tiers, restent régis par les dispositions qui leur étaient applicables jusqu'à l'expiration de la période d'absence en cours.
Les agents qui, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 10 juin 2002, modifiant l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, bénéficient d'un congé pour mission, restent régis par les dispositions qui leur étaient applicables jusqu'à l'expiration de l'autorisation en cours. "
" Les agents qui, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 10 juin 2002, modifiant l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, bénéficient d'une interruption partielle de la carrière à raison d'un quart ou d'un tiers, restent régis par les dispositions qui leur étaient applicables jusqu'à l'expiration de la période d'absence en cours.
Les agents qui, à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal du 10 juin 2002, modifiant l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, bénéficient d'un congé pour mission, restent régis par les dispositions qui leur étaient applicables jusqu'à l'expiration de l'autorisation en cours. "
Art.22. In artikel 153 van hetzelfde besluit wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :
" Voor de ambtenaren die vanaf 1 december 1998 hun loopbaan deeltijds hebben onderbroken, worden deze periodes van afwezigheid aangerekend op de tweeënzeventig maanden halftijdse loopbaan-onderbreking bedoeld in artikel 116. "
" Voor de ambtenaren die vanaf 1 december 1998 hun loopbaan deeltijds hebben onderbroken, worden deze periodes van afwezigheid aangerekend op de tweeënzeventig maanden halftijdse loopbaan-onderbreking bedoeld in artikel 116. "
Art.22. Dans l'article 153 du même arrêté l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" Pour les agents qui à partir du 1er décembre 1998 ont interrompu leur carrière à temps partiel, les périodes d'absence sont imputées sur les septante-deux mois d'interruption de carrière à mi-temps visés à l'article 116. "
" Pour les agents qui à partir du 1er décembre 1998 ont interrompu leur carrière à temps partiel, les périodes d'absence sont imputées sur les septante-deux mois d'interruption de carrière à mi-temps visés à l'article 116. "
Art.23. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad , met uitzondering van het nieuw artikel 99, tweede lid, 2° dat uitwerking heeft met ingang van 1 december 1998 en het nieuw artikel 108 dat uitwerking heeft met ingang van 1 augustus 1999.
Art.23. Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel il aura été publié au Moniteur belge , à l'exception du nouvel article 99, alinéa 2, 2° qui produit ses effets le 1er décembre 1998 et du nouvel article 108 qui produit ses effets le 1er août 1999.
Art. 24. Onze Ministers en Onze Staatssecretarissen zijn, ieder wat hen betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 10 juni 2002.
ALBERT
Van Koningswege :
De minister van Werkgelegenheid,
Mevr. L. ONKELINX
De minister van Ambtenarenzaken,
L. VAN DEN BOSSCHE.
Gegeven te Brussel, 10 juni 2002.
ALBERT
Van Koningswege :
De minister van Werkgelegenheid,
Mevr. L. ONKELINX
De minister van Ambtenarenzaken,
L. VAN DEN BOSSCHE.
Art. 24. Nos Ministres et Nos Secrétaires d'Etat sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 10 juin 2002.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de L'emploi,
Mme L. ONKELINX
Le Ministre de la Fonction publique,
L. VAN DEN BOSSCHE.
Donné à Bruxelles, le 10 juin 2002.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de L'emploi,
Mme L. ONKELINX
Le Ministre de la Fonction publique,
L. VAN DEN BOSSCHE.