Artikel 1. De directie van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk van de federale politie omvat de drie volgende departementen :
a) Dienst Expertises;
b) Dienst Arbeidsgeneeskunde;
c) Dienst Beheer en ontwikkeling.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
9 JANUARI 2003. - Ministerieel besluit houdende organisatie van de directie van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk van de federale politie.
Titre
9 JANVIER 2003. - Arrêté ministériel portant organisation de la direction du service interne de prévention et de protection au travail de la police fédérale.
Documentinformatie
Info du document
Tekst (8)
Texte (8)
Article 1. La direction du service interne pour la prévention et la protection au travail de la police fédérale comprend les trois départements suivants :
a) Service Expertises;
b) Service Médecine du travail;
c) Service Gestion et développements.
a) Service Expertises;
b) Service Médecine du travail;
c) Service Gestion et développements.
Art. 2. De dienst Expertises wordt ondermeer belast met de opdrachten en taken bedoeld in de artikelen 5, 7, § 1, 8 en 12 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk, uitgezonderd de taken en opdrachten bedoeld in de artikelen 5, tweede lid, 15° en 7, § 1, 5° van hetzelfde besluit.
Art. 2. Le service Expertises est notamment chargé des missions et tâches visées aux articles 5, 7, § 1er, 8 et 12 de l'arrêté royal du 27 mars 1998 relatif au service interne pour la prévention et la protection au travail, excepté celles visées aux articles 5, alinéa 2, 15° et 7, § 1er, 5°, du même arrêté.
Art. 3. De dienst Arbeidsgeneeskunde wordt belast met de opdrachten en taken bedoeld in de artikelen 6 en 7, § 2 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk. Deze dienst werkt ook mee aan de uitvoering van de opdrachten en taken van de dienst Expertises.
Art. 3. Le service Médecine du travail est chargé des missions et tâches visées aux articles 6 et 7, § 2 de l'arrêté royal du 27 mars 1998 relatif au service interne pour la prévention et la protection au travail. Ce service collabore également à la réalisation des missions et tâches dévolues au service Expertises.
Art. 4. De dienst Beheer en ontwikkeling staat de diensten Expertises en Arbeidsgeneeskunde bij voor de uitvoering van hun opdrachten en taken.
Art. 4. Le service Gestion et développement assiste les services Expertises et Médecine du travail pour la réalisation de leurs missions et tâches.
Art. 5. § 1. De directie van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk van de federale politie is dermate samengesteld dat haar opdrachten kunnen worden vervuld met inachtneming van het principe van de multidisciplinariteit. Dit principe vereist het gecoördineerd optreden van preventieadviseurs waaronder de gespecialiseerde preventieadviseur bedoeld in artikel 32 sexies van de wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, en deskundigen van de directie van de interne dienst die over verschillende vaardigheden beschikken die bijdragen tot de bevordering van het welzijn van de personeelsleden bij de uitvoering van hun werk.
§ 2. De in § 1 bedoelde bevoegdheden hebben inzonderheid betrekking op :
1° de arbeidsveiligheid;
2° de arbeidsgeneeskunde;
3° de ergonomie;
4° de bedrijfshygiëne;
5° de psychosociale aspecten van de arbeid;
zoals bepaald in artikel 22 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk.
§ 3. De directie van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk van de federale politie en de dienst Expertises van deze directie zijn beide geleid door een politieambtenaar, bekleed met ten minste de graad van politiecommissaris en die met vrucht een erkende cursus van het eerste niveau heeft beëindigd zoals bedoeld in artikel 22 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk.
§ 4. Het diensthoofd Arbeidsgeneeskunde en zijn adjuncten moeten voldoen aan de voorwaarden bedoeld in het artikel 22, eerste lid, 2° van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk.
Het diensthoofd Arbeidsgeneeskunde is uitsluitend tegenover de directeur van de directie van de interne dienst voor de preventie en bescherming op het werk verantwoording verschuldigd voor zijn werkzaamheden in verband met de leiding, het beheer en de organisatie van de dienst. De personeelsleden die deel uitmaken van deze dienst oefenen hun opdrachten uit uitsluitend onder de verantwoordelijkheid van deze preventieadviseur-arbeidsgeneesheer.
§ 2. De in § 1 bedoelde bevoegdheden hebben inzonderheid betrekking op :
1° de arbeidsveiligheid;
2° de arbeidsgeneeskunde;
3° de ergonomie;
4° de bedrijfshygiëne;
5° de psychosociale aspecten van de arbeid;
zoals bepaald in artikel 22 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk.
§ 3. De directie van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk van de federale politie en de dienst Expertises van deze directie zijn beide geleid door een politieambtenaar, bekleed met ten minste de graad van politiecommissaris en die met vrucht een erkende cursus van het eerste niveau heeft beëindigd zoals bedoeld in artikel 22 van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk.
§ 4. Het diensthoofd Arbeidsgeneeskunde en zijn adjuncten moeten voldoen aan de voorwaarden bedoeld in het artikel 22, eerste lid, 2° van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk.
Het diensthoofd Arbeidsgeneeskunde is uitsluitend tegenover de directeur van de directie van de interne dienst voor de preventie en bescherming op het werk verantwoording verschuldigd voor zijn werkzaamheden in verband met de leiding, het beheer en de organisatie van de dienst. De personeelsleden die deel uitmaken van deze dienst oefenen hun opdrachten uit uitsluitend onder de verantwoordelijkheid van deze preventieadviseur-arbeidsgeneesheer.
Art. 5. § 1er. La direction du service interne pour la prévention et la protection au travail de la police fédérale est composée de manière à pouvoir accomplir ses missions sur la base du principe de multidisciplinarité. Ce principe implique l'intervention coordonnée de conseillers en prévention dont le conseiller spécialisé prévu par l'article 32 sexies de la loi du 11 juin 2002 relative à la protection contre la violence et le harcèlement moral ou sexuel au travail, et d'experts, membres de la direction du service interne, qui disposent de compétences différentes contribuant à la promotion du bien-être des membres du personnel lors de l'exécution de leur travail.
§ 2. Les compétences visées au § 1er ont notamment trait à :
1° la sécurité du travail;
2° la médecine du travail;
3° l'ergonomie;
4° l'hygiène industrielle;
5° les aspects psychosociaux du travail;
telles que définis à l'article 22 de l'arrêté royal du 27 mars 1998 relatif au service externe pour la prévention et la protection au travail.
§ 3. La direction du service interne de prévention et de protection au travail de la police fédérale et le service Expertises de cette direction sont tous deux dirigés par un officier de police revêtu au minimum du grade de commissaire de police qui a terminé avec fruit un cours agréé de formation complémentaire de premier niveau tel que prévu par l'article 22 de l'arrêté royal du 27 mars 1998 relatif aux services externes pour la prévention et la protection au travail.
§ 4. Le chef du service Médecine du travail et ses adjoints doivent répondre aux conditions fixées à l'article 22, alinéa 1er, 2° de l'arrêté royal du 27 mars 1998 relatif aux services externes pour la prévention et la protection au travail.
Le chef du service Médecine du travail est exclusivement responsable de ses activités de direction, de gestion et d'organisation de son service devant le directeur de la direction du service interne de prévention et de protection au travail. Les membres du personnel de ce service exercent leurs missions sous la responsabilité exclusive de ce conseiller en prévention-médecin du travail.
§ 2. Les compétences visées au § 1er ont notamment trait à :
1° la sécurité du travail;
2° la médecine du travail;
3° l'ergonomie;
4° l'hygiène industrielle;
5° les aspects psychosociaux du travail;
telles que définis à l'article 22 de l'arrêté royal du 27 mars 1998 relatif au service externe pour la prévention et la protection au travail.
§ 3. La direction du service interne de prévention et de protection au travail de la police fédérale et le service Expertises de cette direction sont tous deux dirigés par un officier de police revêtu au minimum du grade de commissaire de police qui a terminé avec fruit un cours agréé de formation complémentaire de premier niveau tel que prévu par l'article 22 de l'arrêté royal du 27 mars 1998 relatif aux services externes pour la prévention et la protection au travail.
§ 4. Le chef du service Médecine du travail et ses adjoints doivent répondre aux conditions fixées à l'article 22, alinéa 1er, 2° de l'arrêté royal du 27 mars 1998 relatif aux services externes pour la prévention et la protection au travail.
Le chef du service Médecine du travail est exclusivement responsable de ses activités de direction, de gestion et d'organisation de son service devant le directeur de la direction du service interne de prévention et de protection au travail. Les membres du personnel de ce service exercent leurs missions sous la responsabilité exclusive de ce conseiller en prévention-médecin du travail.
Art. 6. De minimale duur van de prestaties van de in dit besluit bedoelde preventieadviseurs wordt zodanig bepaald dat de in artikelen 2 tot en met 4 van dit besluit bedoelde opdrachten en taken volledig en doeltreffend kunnen worden vervuld. Deze duur wordt vastgesteld in het identificatiedocument bedoeld in artikel 8, vierde lid, van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk.
Art. 6. La durée minimale des prestations des conseillers en prévention visés par le présent arrêté est déterminée de sorte que les missions et tâches visées aux articles 2 à 4 du présent arrêté puissent toujours être accomplies de manière complète et efficace. Cette durée est fixée dans le document d'identification visé à l'article 8, alinéa 4 de l'arrêté royal du 27 mars 1998 relatif au service interne de prévention et de protection au travail.
Art. 7. Het ministerieel besluit van 5 april 1995 houdende organisatie van een dienst voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing bij de rijkswacht, wordt opgeheven.
Art. 7. L'arrêté ministériel du 5 avril 1995 portant organisation d'un service de sécurité, d'hygiène et d'embellissement des lieux de travail à la gendarmerie est abrogé.
Art. 8. Dit besluit treedt in werking de eerste dag van de maand, volgend op die gedurende welke het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Brussel, 9 januari 2003.
A. DUQUESNE.
Brussel, 9 januari 2003.
A. DUQUESNE.
Art. 8. Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel il aura été publié au Moniteur belge.
Bruxelles, le 9 janvier 2003.
A. DUQUESNE.
Bruxelles, le 9 janvier 2003.
A. DUQUESNE.