Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
2 AUGUSTUS 2002. - Koninklijk besluit houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de plaatsen gelegen op het Belgisch grondgebied, beheerd door de Dienst Vreemdelingenzaken, waar een vreemdeling wordt opgesloten, ter beschikking gesteld van de regering of vastgehouden, overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. (NOTA : art. 2; 21; 29; 35; 36; 72; 98, 3°; 115 en 127 vernietigd bij arrest van de Raad van State nr. 188.705 van 10-12-2008, afdeling bestuursrechtspraak; zie B.St. 25-06-2009, p. 43930) (NOTA : De woorden " en op andere ogenblikken tijdens zijn verblijf " in het eerste lid van artikel 111/1 zijn vernietigd bij het arrest nr 208.281 van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, van 20-10-2010, zie B.St. van 02-12-2010, p. 73739) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 12-09-2002 en tekstbijwerking tot 28-06-2024)
Titre
2 AOUT 2002. - Arrêté royal fixant le régime et les règles de fonctionnement applicables aux lieux situés sur le territoire belge, gérés par l'Office des étrangers, où un étranger est détenu, mis à la disposition du Gouvernement ou maintenu, en application des dispositions citées dans l'article 74/8, § 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. (NOTE : art. 2; 21; 29; 35; 36; 72; 98, 3°; 115 et 127 annulés par l'arrêt du Conseil d'Etat n° 188.705 du 10-12-2008, section du contentieux administratif; voir M.B. 25-06-2009, p. 43930) (NOTE : Les mots " et à autres moments au cours de son séjour " sont annulés par l'arrêt n° 208.281 du Conseil d'Etat, la section du contentieux administratif, du 20-10-2010, voir M.B. du 02-12-2010, p. 73739) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 12-09-2002 et mise à jour au 28-06-2024)
Documentinformatie
Numac: 2002000655
Datum: 2002-08-02
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2002000655
Date: 2002-08-02
Moniteur: Voir
Inhoud
TITEL I. - Definities en algemene bepalingen. TITEL II. - Reglementering inzake bewoners. HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. HOOFDSTUK II. - Regels bij aankomst in het cent... HOOFDSTUK III. - Regels tijdens het verblijf in... Afdeling 1. - Briefwisseling en telefoongebruik. 1.1- Briefwisseling. 1.2- Telefoongebruik. Afdeling 2. - Bezoek. 2.1- Algemene bepalingen. 2.2- Bezoek aan de bewoners. 2.2.1- Algemene modaliteiten. 2.2.2- Bezoek van de diplomatieke of consulaire... 2.2.3- Bezoek van de familieleden. 2.2.3./1. [1 - De intieme bezoeken.]1 2.2.4- Bezoek van andere personen. 2.3- Bezoek aan het centrum. 2.3.1- Algemene modaliteiten. 2.3.2- Door de leden van de Kamer van Volksvert... 2.3.3- Door bepaalde overheden en instellingen. 2.3.4- Door andere personen en organisaties. Afdeling 3. - De morele en religieuze beleving ... Afdeling 4. - De medische en sociale verzorging... 4.1- De medische verzorging 4.2- Juridische bijstand 4. 3- De sociale verzorging, de ontspanning en ... 4.4- De werking van niet gouvernementele- en an... 4.5- Het materieel welzijn en hygiëne van de be... 4.5.1- Verlichting, verwarming en verluchting 4.5.2- Kledij en persoonlijke hygiëne 4.5.3- Voeding TITEL III. - Leefregels en tuchtregime in het c... HOOFDSTUK I. - De leefregels. Afdeling 1. [1 Groepsregime ]1 Afdeling 2. [1 Kamerregime.]1 Afdeling 3. Afdeling 4. [1 Regime dat afwijkt van de regime... HOOFDSTUK II. - Het tuchtregime. Afdeling 1. - Plichten van de bewoners van het ... Afdeling 2. - Algemene bepalingen. Afdeling 3. - Inbreuken. Afdeling 4. - Ordemaatregelen. Afdeling 5. - Dwangmaatregelen. Afdeling 6. - Overbrenging naar een andere inst... TITEL IV. - Veiligheid en handhaving van de ope... HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. Hoofdstuk I/1. [1 - Fouillering en bewaargeving]1 HOOFDSTUK II. - Ontsnapping. HOOFDSTUK III. - Risico op zelfmoord. HOOFDSTUK IV. - Brand- en bomalarm. TITEL V. - Administratieve voorschriften. HOOFDSTUK I. - Invrijheidstelling en verwijdering. HOOFDSTUK II. - Geboorte. HOOFDSTUK III. - Overlijden. TITEL VI. - Individuele klachten van bewoners e... TITEL VII. - Slotbepalingen.
Inhoud
TITRE 1. - Définitions et dispositions générales. TITRE II. - Réglementation relative aux occupants. CHAPITRE I. - Dispositions générales. CHAPITRE II. - Règles à l'arrivee dans le centre. CHAPITRE III. - Règles durant le séjour dans le... Section 1. - Echange de correspondance et usage... 1.1- Echange de correspondance. 1.2- Usage du téléphone Section 2. - Visites. 2.1- Dispositions générales. 2.2- Visite aux occupants. 2.2.1- Modalités générales. 2.2.2- Visite des représentants diplomatiques o... 2.2.3- Visite de membres de la famille. 2.2.3./1. [1 Les visites intimes]1 2.2.4- Visite d'autres personnes. 2.3- Visite du centre. 2.3.1- Modalités générales. 2.3.2- Par les membres de la Chambre des Représ... 2.3.3- Par des autorités et institutions partic... 2.3.4- Par d'autres personnes et organisations. Section 3. - Le régime moral et religieux dans ... Section 4. - L'assistance médicale et sociale d... 4.1- L'assistance médicale. 4.2- Assistance juridique 4.3- L'assistance sociale, les loisirs et le dé... 4.4- Activités des organisations non gouverneme... 4.5- Bien-être matériel et hygiène des occupants 4.5.1- Eclairage, chauffage et aération 4.5.2- Habillement et hygiène personnelle. 4.5.3- Alimentation. TITRE III. - Règles de vie et régime disciplina... CHAPITRE I. - Les règles de vie. Section 1. [1 Régime de groupe]1 Section 2. [1 Régime de chambre. ]1 Section 3. Section 4. [1 Régime dérogeant aux régimes des ... CHAPITRE II. - Le régime disciplinaire. Section 1. - Obligations des occupants du centre. Section 2. - Dispositions générales. Section 3. - Infractions. Section 4. - Mesures d'ordre. Section 5. - Mesures coercitives. Section 6. - Transfert vers un autre établissem... TITRE IV. - Sécurité et maintien de l'ordre pub... CHAPITRE I. - Dispositions générales. Chapitre Ier/1 [1 Fouille et dépôt]1 CHAPITRE II. - Evasion. CHAPITRE III. - Risque de suicide. CHAPITRE IV. - Incendie et alerte à la bombe. TITRE V. - Prescriptions administratives. CHAPITRE I. - Mise en liberté et éloignement. CHAPITRE II. - Naissance. CHAPITRE III. - Décès. TITRE VI. - Plaintes individuelles d'occupants ... TITRE VII. - Dispositions finales.
Tekst (212)
Texte (212)
TITEL I. - Definities en algemene bepalingen.
TITRE 1. - Définitions et dispositions générales.
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° de wet : de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  2° de Minister : de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft;
  3° centrum : plaats, beheerd door de Dienst Vreemdelingenzaken, gericht op de opvang van personen onderworpen aan een administratieve maatregel tot opsluiting, terbeschikkingstelling van de regering of vasthouding met toepassing van de bepalingen vermeld in artikel 74/8, § 1, van de wet;
  4° plaatsvervanger : de persoon die bij afwezigheid van de centrumdirecteur de verantwoordelijkheid draagt over het centrum;
  5° de Directeur-generaal : de Directeur-generaal van de Dienst Vreemdelingenzaken of zijn gemachtigde;
  6° de bewoners : de vreemdelingen die in de centra zijn ondergebracht;
  [1 7° INAD-centra : plaatsen bedoeld in de artikelen 74/5,§ 1, 1° en 74/8,§ 1;]1
  [2 [3 ...]3
   9° [3 ...]3]2

  
Article 1. Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
  1° la loi : la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
  2° le Ministre : le Ministre qui a l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers dans ses compétences;
  3° centre : lieu géré par l'Office des étrangers, aménagé pour l'accueil des personnes soumises à une mesure administrative de détention, de mise à la disposition du Gouvernement ou de maintien en application des dispositions mentionnées dans l'article 74/8, § 1er, de la loi;
  4° remplaçant : la personne qui assume la responsabilité du centre en l'absence du directeur du centre;
  5° le Directeur général : le Directeur général de l'Office des étrangers ou son délégué;
  6° le occupants : les étrangers placés dans les centres;
  [1 7° Centres IN Abrogé : lieux visés au sens des articles 74/5, § 1er, 1° et 74/8, § 1er;]1
  [2 [3 ...]3
   9° [3 ...]3]2

  
Art. 2. [1 Dit besluit bepaalt het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de plaatsen bedoeld in artikel 74/8, § 2, van de wet en is, behoudens uitdrukkelijk tegengestelde bepaling, niet van toepassing op de INAD-centra en de woonunits die bedoeld worden in het koninklijk besluit van 14 mei 2009 houdende vaststelling van het regime en de werkingsregels, toepasbaar op de woonunits, als bedoeld in artikel 74/8, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
   Het huishoudelijk reglement regelt de uitvoeringsmodaliteiten van de bepalingen van dit besluit die betrekking hebben op de dagelijkse werking van het centrum. Dit reglement mag geen bepalingen bevatten die de draagwijdte van dit besluit beperken.
   Het huishoudelijk reglement wordt goedgekeurd door de Minister.]1

  
Art. 2. [1 Le présent arrêté détermine le régime et les règles de fonctionnement applicables aux lieux visés à l'article 74/8, § 2, de la loi et n'est pas applicable, sauf disposition expresse en sens contraire, aux centres INAD et aux lieux d'hébergement visés par l'arrêté royal du 14 mai 2009 fixant le régime et les règles de fonctionnement applicables aux lieux d'hébergement au sens de l'article 74/8, § 2, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
   Le règlement d'ordre intérieur règle les modalités d'exécution des dispositions du présent arrêté qui concernent le fonctionnement quotidien du centre. Ce règlement ne peut contenir de dispositions qui restreignent la portée de cet arrêté.
   Le règlement d'ordre intérieur est approuvé par le Ministre.]1

  
Art. 3. Het personeel van het centrum heeft als opdracht :
  1° de vreemdelingen die in het centrum zijn ondergebracht vast te houden in afwachting van, al naargelang het geval, een eventuele machtiging tot binnenkomst of verblijf in het Rijk of hun verwijdering van het grondgebied;
  2° hen psychologisch en sociaal te begeleiden en voor te bereiden op hun eventuele verwijdering;
  3° hen aan te zetten tot naleving van de beslissing tot verwijdering die ten aanzien van hen zou worden genomen.
  [2 De organisatie en werking van het centrum dient hierop gericht te zijn.]2
  
Art. 3. Le personnel du centre a pour mission :
  1° de maintenir les étrangers placés dans le centre dans l'attente, selon le cas, d'une éventuelle autorisation d'entrer ou de séjourner dans le Royaume ou de leur éloignement du territoire;
  2° de les accompagner psychologiquement et socialement et de les préparer a leur éloignement éventuel;
  3° de les inciter au respect de la décision d'éloignement qui serait prise à leur égard.
  [2 L'organisation et le fonctionnement du centre doivent être aménagés à ces fins.]2
  
Art. 4. De centra staan in voor de opvang van :
  1° vreemdelingen die ressorteren onder [1 de artikelen 74/5, §§ 1, 2° en 2 van de wet]1;
  2° vreemdelingen die ressorteren onder artikel 74/6 van de wet;
  3° vreemdelingen, die ressorteren onder artikel 7, 25 en 27 van de wet.
  [3 ...]3
  
Art. 4. Les centres s'occupent de l'accueil de :
  1° les étrangers auxquels [1 s'appliquent les articles 74/5,§§ 1er, 2° et 2 de la loi]1;
  2° les étrangers auxquels s'applique l'article 74/6 de la loi;
  3° les étrangers auxquels s'appliquent les articles 7, 25 et 27 de la loi.
  [3 ...]3
  
Art. 5. De opsluiting, de terbeschikkingstelling van de regering en de vasthouding zijn geen sancties maar middelen voor de uitvoering van een verwijderingsmaatregel.
Art. 5. La détention, la mise à la disposition du Gouvernement et le maintien ne constituent pas des sanctions mais des moyens d'exécution d'une mesure d'éloignement.
TITEL II. - Reglementering inzake bewoners.
TITRE II. - Réglementation relative aux occupants.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
Art. 6. De bewoner heeft, onder de voorwaarden bepaald in dit besluit, recht op een individuele, medische, psychologische en sociale begeleiding.
  De bewoners van het centrum dienen elkaars mening en eigenheid, onder meer op godsdienstig, filosofisch, cultureel en politiek vlak te respecteren.
Art. 6. L'occupant a droit, sous les conditions déterminées dans le présent arrêté, à une assistance individuelle, médicale, psychologique et sociale.
  Les occupants du centre doivent respecter l'opinion et la spécificité d'autrui notamment en matière religieuse, philosophique, culturelle et politique.
Art. 7. Elke bewoner wordt door het personeel van het centrum gelijkwaardig, correct en respectvol behandeld, met respect voor de persoonlijke levenssfeer en zonder enige discriminatie.
Art. 7. Chaque occupant est traité par le personnel du centre d'une manière égale, correcte et respectueuse, en ayant égard à sa vie privée et sans aucune discrimination.
Art. 8. Het personeel van het centrum onderhoudt met de bewoners enkel het contact dat verantwoord is door de dienstopdracht. Een professionele houding is steeds vereist.
Art. 8. Le personnel du centre n'a avec les occupants que les contacts légitimés pour exercer sa mission de service. Une attitude professionnelle est exigée de manière permanente.
Art. 9. Indien de centrumdirecteur vaststelt dat er in hoofde van een bewoner ernstige elementen aanwezig zijn die de vrijlating van deze bewoner of het uitstel van diens vertrek kunnen verantwoorden, moet hij deze elementen ter beoordeling voorleggen aan de Directeur-generaal of de hiertoe door de Directeur-generaal aangeduide dienst of persoon.
  Personeelsleden die menen de aanwezigheid van dergelijke elementen te hebben vastgesteld, brengen hiervan onverwijld de centrumdirecteur op de hoogte.
Art. 9. Lorsque le directeur du centre constate qu'il existe à l'égard d'un occupant de sérieux éléments de nature à justifier la mise en liberté ou le sursis au départ de celui-ci, il doit soumettre ces éléments pour décision au Directeur général ou au service ou à la personne désignée par le Directeur général.
  Les membres du personnel qui pensent avoir constaté la présence de tels éléments doivent en informer le directeur du centre sans délai.
HOOFDSTUK II. - Regels bij aankomst in het centrum.
CHAPITRE II. - Règles à l'arrivee dans le centre.
Art. 10. [1 De bewoner wordt onderworpen aan een fouillering, zoals bepaald in de artikelen 111/1 en 111/2.]1
  
Art. 10. [1 L'occupant fait l'objet d'une fouille, tel que déterminé aux articles 111/1 à 111/2.]1
  
Art. 11. [1 De gevaarlijke of verboden substanties of voorwerpen moeten in bewaring gegeven worden, ter beschikking gesteld worden van de bevoegde overheden of vernietigd worden, overeenkomstig artikel 111/3.]1
  
Art. 11. [1 Les substances ou objets dangereux ou interdits doivent être mis en dépôt, tenus à la disposition des autorités compétentes ou détruits, conformément à l'article 111/3.]1
  
Art. 12. Na het veiligheidsonderzoek dient de bewoner gebruik te maken van de sanitaire inrichting, tenzij dit om medische of veiligheidsredenen niet aangewezen is.
Art. 12. Après le contrôle de sécurité, l'occupant doit faire usage des installations sanitaires, à moins que des raisons médicales ou de sécurité ne le déconseillent.
Art. 13. De bewoner dient zijn medewerking te verlenen aan een medisch onderzoek. Dit onderzoek heeft plaats binnen de kortst mogelijke tijd.
  De aan het centrum verbonden [1 arts]1 stelt zich op de hoogte van de gezondheidstoestand van de bewoner en van zijn medische noden en zorgt zo nodig voor een gepaste behandeling.
  
Art. 13. L'occupant doit collaborer à l'examen médical. Cet examen a lieu le plus tôt possible.
  Le médecin attaché au centre s'informe de l'état de santé de l'occupant et de ses besoins médicaux et veille, si nécessaire, à un traitement approprié.
Art. 14. De bewoner dient zijn medewerking te verlenen aan de op hem van toepassing zijnde administratieve procedures [1 en aan de opgelegde transferten]1.
  Alle documenten die nuttig kunnen zijn voor de identificatie en de behandeling van het administratief dossier van de bewoner, moeten voor de duur van zijn verblijf in het centrum in bewaring genomen worden. De bewoner mag deze documenten inzien en kan op eigen verzoek een kopie ervan behouden, tenzij er is vastgesteld dat deze documenten vals of vervalst zijn.
  De bewoner kan onderworpen worden aan het nemen van vingerafdrukken, overeenkomstig [1 de artikelen 30bis en 51/3]1 van de wet.
  
Art. 14. L'occupant doit collaborer aux procédures administratives qui lui sont applicables [1 et aux transferts imposés]1.
  Tous les documents qui peuvent être utiles à l'identification et au traitement du dossier administratif de l'occupant doivent être mis en dépôt pendant la durée de son séjour dans le centre. L'occupant peut consulter ces documents et en conserver une copie, à sa demande, sauf s'il est constaté que ces documents sont faux ou falsifiés.
  L'occupant peut être soumis à la prise des empreintes digitales, conformément [1 aux articles 30bis et 51/3]1 de la loi.
  
Art. 15. Elke bewoner heeft recht op één gratis nationaal telefoongesprek van minimum tien minuten.
Art. 15. Chaque occupant a droit à un appel téléphonique [1 national]1 gratuit d'au moins dix minutes.
  
Art. 16. De bewoner kan te kennen geven welke godsdienstige of filosofische overtuiging hij belijdt en of hij wil deelnemen aan de beoefening van een bepaalde eredienst in het centrum.
Art. 16. L'occupant peut faire connaître les convictions religieuses ou philosophiques qu'il pratique et s'il veut participer à la célébration d'un culte précis dans le centre.
Art. 17. Dit besluit en het huishoudelijk reglement van het centrum moeten steeds ter beschikking gesteld worden van iedere persoon die deze wenst te consulteren gedurende zijn verblijf in het centrum.
  Elke bewoner wordt in het bezit gesteld van een onthaalbrochure met de rechten en plichten betreffende zijn verblijf in het centrum en de mogelijkheden op het vlak van medische, psychosociale, morele, filosofische of religieuze bijstand. Elke bewoner ontvangt een informatiebrochure die hem inlicht over de beroepsmogelijkheden tegen de opsluiting, de terbeschikkingstelling van de regering of de vasthouding, de mogelijkheden om een klacht te formuleren aangaande de omstandigheden van de opsluiting, de terbeschikkingstelling van de regering of de vasthouding, om bijstand van een niet-gouvernementele organisatie te verkrijgen en om een beroep te doen op juridische bijstand. Deze beide brochures zijn minstens beschikbaar in de drie landstalen en in het Engels.
  De centrumdirecteur, zijn plaatsvervanger of het personeelslid dat hij aanwijst, verduidelijkt aan de bewoner de reden van zijn opsluiting, zijn terbeschikkingstelling van de regering of zijn vasthouding, de wets- en verordeningsbepalingen waaraan hij onderworpen is, alsook de beroepsmogelijkheden die ertegen openstaan. Dit gebeurt in een taal die de bewoner begrijpt. Indien nodig wordt beroep gedaan op een tolk.
Art. 17. Le présent arrêté et le règlement d'ordre intérieur du centre doivent constamment être mis à la disposition de chaque personne qui souhaite les consulter durant son séjour dans le centre.
  Chaque occupant est mis en possession d'une brochure d'accueil contenant les droits et les devoirs relatifs à son séjour dans le centre et les possibilités d'une assistance dans les domaines médical, psycho-social, moral, philosophique ou religieux. Chaque occupant reçoit une brochure d'information qui lui explique les possibilités de recours contre la détention, la mise à disposition du Gouvernement ou le maintien, les possibilités d'introduire une plainte concernant les circonstances de la détention, de la mise à disposition du Gouvernement ou du maintien, d'obtenir l'assistance d'une organisation non-gouvernementale et de faire appel à une assistance juridique. Ces deux brochures sont disponibles au minimum dans les trois langues nationales et en anglais.
  Le directeur du centre, son remplaçant ou un membre du personnel qu'il désigne précise à l'occupant les raisons de sa détention, de sa mise à la disposition du Gouvernement ou de son maintien, les dispositions légales et réglementaires auxquelles il est soumis, ainsi que les voies de recours envisageables contre cette décision. Ceci se déroule dans une langue que l'occupant comprend. Si necessaire il est fait appel à un interprète.
HOOFDSTUK III. - Regels tijdens het verblijf in het centrum.
CHAPITRE III. - Règles durant le séjour dans le centre.
Afdeling 1. - Briefwisseling en telefoongebruik.
Section 1. - Echange de correspondance et usage du téléphone.
1.1- Briefwisseling.
1.1- Echange de correspondance.
Art. 18. Onder briefwisseling wordt elke vorm van inkomende of uitgaande post verstaan.
Art. 18. Par échange de correspondance, il faut entendre toute forme de courrier entrant ou sortant.
Art. 19. Behoudens de bepalingen in artikel 21 hebben de bewoners het recht dagelijks onbeperkt briefwisseling te voeren.
Art. 19. Sous réserve des dispositions de l'article 21, les occupants ont le droit d'échanger de la correspondance quotidiennement et de manière illimitée.
Art. 20. Te allen tijde kan de inkomende briefwisseling gecontroleerd worden om na te gaan of deze geen andere voorwerpen dan brieven bevat. Deze controle gebeurt in aanwezigheid van de geadresseerde. Gevaarlijke of verboden voorwerpen worden in bewaring genomen.
  Behoudens de gevallen bepaald in artikel 21 mag het personeel van het centrum geen kennis nemen van de inhoud van de brieven.
Art. 20. A tout moment, les arrivées postales peuvent être contrôlées afin de déterminer si elles ne contiennent pas d'autres objets que des lettres. Ce contrôle a lieu en présence du destinataire. Les objets dangereux ou interdits sont mis en dépôt.
  Hormis dans les cas visés à l'article 21, le personnel du centre ne peut pas prendre connaissance du contenu des lettres.
Art. 21. [1 Indien er ernstige aanwijzingen zijn dat de briefwisseling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of de openbare orde of indien het nemen van preventiemaatregelen noodzakelijk is ter voorkoming van strafbare feiten, ter bescherming van de gezondheid, de goede zeden of de rechten en vrijheden van anderen of ter bescherming van de veiligheid van het centrum, kan de briefwisseling van of gericht aan een bewoner, voor de verzending of de overhandiging ervan, aan een inhoudelijke controle door de centrumdirecteur of diens plaatsvervanger worden onderworpen, met uitzondering van de briefwisseling bedoeld in artikelen 21/1 en 21/2. Deze controle gebeurt in aanwezigheid van de betrokken bewoner.
   Indien blijkt dat de inhoud van de briefwisseling, bedoeld in eerste lid, een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of de openbare orde of indien dit noodzakelijk is ter voorkoming van strafbare feiten, ter bescherming van de gezondheid, de goede zeden of de rechten en vrijheden van de anderen of ter bescherming van de veiligheid van het centrum, kan de centrumdirecteur of diens plaatsvervanger beslissen de briefwisseling niet te verzenden of niet te overhandigen. Hij dient de minister hiervan onmiddellijk via hiërarchische weg, op de hoogte te brengen.]1

  
Art. 21. [1 Lorsqu'il existe des indices sérieux qu'un échange de correspondance constitue un danger pour la sécurité nationale, la sécurité publique ou l'ordre public ou si la prise de mesures de prévention contre des faits punissables, la protection de la santé, des bonnes moeurs ou des droits et libertés d'autrui ou la protection de sécurité du centre le commandent, la correspondance que l'occupant envoie ou reçoit peut être soumise à un contrôle de son contenu par le directeur du centre ou son remplaçant avant son envoi ou sa distribution, à l'exception de la correspondance visée aux articles 21/1 et 21/2. Ce contrôle a lieu en présence de l'occupant concerné.
   S'il ressort que le contenu de la correspondance visée à l'alinéa 1er, constitue une menace sérieuse pour la sécurité nationale, la sécurité publique ou l'ordre public ou si la prise de mesures de prévention contre des faits punissables, la protection de la santé, des bonnes moeurs ou des droits et libertés d'autrui ou la protection de la sécurité du centre le requièrent, le directeur du centre ou son remplaçant peut décider de ne pas envoyer ou de ne pas remettre la correspondance. Il doit en aviser immédiatement le ministre par la voie hiérarchique.]1

  
Art. 21/1. [1 De briefwisseling tussen de bewoner en de advocaat van zijn keuze is niet onderworpen aan de in de artikelen 20 en 21 bepaalde controle van de centrumdirecteur.
   Teneinde de vrije briefwisseling te verzekeren worden de hoedanigheid en het beroepsadres van de advocaat en de identiteit van de bewoner op de briefomslag vermeld.
   Indien de centrumdirecteur ernstige gronden heeft om aan te nemen dat de briefwisseling tussen de advocaat en de bewoner geen betrekking heeft op de rechtshulpverlening, kan hij de ter verzending aangeboden of toegezonden brieven aan de controle onderwerpen van de Stafhouder van de Orde van advocaten van het gerechtelijk arrondissement waar het centrum gelegen is.]1

  
Art. 21/1. [1 La correspondance entre l'occupant et l'avocat de son choix n'est pas soumise au contrôle du directeur du centre, déterminé aux articles 20 et 21.
   Afin d'assurer la liberté de correspondance la qualité et l'adresse professionnelle de l'avocat et l'identité de l'occupant figurent sur l'enveloppe.
   Si le directeur du centre a des raisons sérieuses de penser que la correspondance entre l'avocat et l'occupant n'a pas de rapport avec l'assistance juridique, il peut soumettre les lettres qui lui sont présentées ou adressées pour envoi au contrôle du Bâtonnier de l'ordre des avocats, de l'arrondissement judiciaire où le centre est situé.]1

  
Art. 21/2. [1 De brieven afkomstig van of gericht aan de volgende personen of overheden zijn niet onderworpen aan de in de artikelen 20 en 21 bepaalde controle :
   1° de Koning;
   2° de voorzitter van de Senaat, de Kamer van volksvertegenwoordigers, het Vlaams Parlement, het Parlement van de Franse Gemeenschap, het Parlement van het Waalse Gewest, het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap en het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
   3° de ministers en staatssecretarissen van de federale regering; de ministers en staatssecretarissen van de gemeenschaps- en gewestregeringen;
   4° de voorzitter van het directiecomité van de FOD Binnenlandse zaken, de directeur-generaal, de adviseurs-generaal;
   5° de centrumdirecteur;
   6° [2 de voorzitters van het Grondwettelijk Hof;]2
   7° de rechterlijke overheden;
   8° de eerste voorzitter van de Raad van State, de auditeur-generaal bij de Raad van State, de hoofdgriffier van de Raad van State;
   9° de syndicus van de gerechtsdeurwaarders en de voorzitters van de Kamer van notarissen van het arrondissement waar het centrum gelegen is;
   10° de voorzitter van het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing;
   11° de federale, gemeenschaps en gewestelijke ombudsmannen;
   12° de stafhouder van de Orde van advocaten van het arrondissement waar het centrum gelegen is;
   13° [2 de directeur en de adjunct-directeur van het federaal Centrum voor de analyse van de migratiestromen, de bescherming van de grondrechten van de vreemdelingen en de strijd tegen de mensenhandel (Myria);]2
   14° de voorzitter van het Vast Comité van toezicht op de politiediensten;
   15° de Commissie en het Permanent Secretariaat van de klachtencommissie bedoeld in artikel 130;
  [2 16° [3 ...]3]2
   Om van deze mogelijkheid gebruik te maken, moeten de bewoners hun brieven richten aan het adres waar deze personen of overheden hun ambt uitoefenen.]1

  
Art. 21/2. [1 Les lettres provenant ou à destination des personnes ou autorités suivantes ne sont pas soumises au contrôle visé aux articles 20 et 21 :
   1° le Roi;
   2° le président du Sénat, de la Chambre des représentants, du Parlement flamand, du Parlement de la Communauté française, du Parlement de la Région wallonne, du Parlement de la Communauté germanophone et du Parlement de la Région de Bruxelles-Capitale;
   3° les ministres et secrétaires d'Etat du gouvernement fédéral; les ministres et secrétaires d'Etat des gouvernements des communautés et des régions;
   4° le président du comité de direction du SPF Intérieur, le directeur général, les conseillers généraux;
   5° le directeur du centre;
   6° [2 les présidents de la Cour constitutionnelle ;]2
   7° les autorités judiciaires;
   8° le premier président du Conseil d'Etat, l'auditeur général près le Conseil d'Etat, le greffier en chef du Conseil d'Etat;
   9° le syndic des huissiers de justice et les présidents de la Chambre des notaires de l'arrondissement où le centre est situé;
   10° le président du Comité européen pour la prévention de la torture et des peines ou traitements inhumains ou dégradants;
   11° les médiateurs fédéraux, communautaires et régionaux;
   12° le bâtonnier de l'Ordre des avocats de l'arrondissement dans lequel le centre est situé;
   13° [2 le directeur et le directeur adjoint du Centre fédéral pour l'analyse des flux migratoires, la protection des droits fondamentaux des étrangers et la lutte contre la traite des êtres humains (Myria) ;]2
   14° le président du Comité permanent de contrôle des services de police;
   15° la Commission et le secrétariat permanent visés à l'article 130;
  [2 16° [3 ...]3]2
   Pour faire usage de cette possibilité, les occupants doivent adresser leurs lettres à l'adresse où ces personnes ou autorités exercent leur fonction.]1

  
Art. 22. Een door de centrumdirecteur of diens plaatsvervanger aangewezen personeelslid staat de bewoners, die de nodige kennis daartoe niet bezitten, bij met het opstellen of lezen van hun brieven, indien zij dat vragen.
Art. 22. Un membre du personnel désigne par le directeur du centre ou son remplaçant assiste les occupants qui ne disposent pas des connaissances suffisantes dans la rédaction ou la lecture de leur courrier, s'ils le demandent.
Art. 23. Het centrum stelt kosteloos briefpapier ter beschikking van de bewoners. Indien de bewoners in de onmogelijkheid verkeren zelf de verzendingskosten te dragen, hebben zij het recht de brieven te laten frankeren op kosten van het centrum tot een redelijk bedrag.
Art. 23. Le centre met gratuitement du papier à lettre à la disposition des occupants. Si les occupants sont dans l'incapacité de s'acquitter des frais d'envoi, ils ont le droit de faire affranchir les lettres aux frais du centre dans les limites d'un montant raisonnable.
1.2- Telefoongebruik.
1.2- Usage du téléphone
Art. 24. De bewoners hebben het recht dagelijks tussen acht uur 's morgens en tien uur 's avonds op eigen kosten te telefoneren [1 behalve tijdens de maaltijden]1. De centrumdirecteur ziet erop toe dat iedere bewoner dit recht in de praktijk op gelijke wijze kan genieten. Tijdens de telefoongesprekken respecteren de toezichthoudende personeelsleden het privé-karakter van deze gesprekken.
  
Art. 24. Les occupants ont le droit de téléphoner à leur frais tous les jours entre huit et vingt-deux heures [1 sauf durant les repas]1. Le directeur du centre s'assure que tous les occupants peuvent réellement jouir de ce droit de la même manière. Pendant les conversations téléphoniques, les membres du personnel de surveillance respectent le caractère privé de celles-ci.
  
Art. 25. In het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, de bescherming van de openbare orde of ter voorkoming van strafbare feiten, ter bescherming van de gezondheid of de goede zeden, ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen of ter bescherming van de veiligheid van het centrum, kan de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger het telefonisch contact verbieden. Hij dient de Minister hiervan onmiddellijk, via hiërarchische weg, op de hoogte te brengen.
Art. 25. Dans l'intérêt de la sécurité nationale, de la sécurité publique, de la protection de l'ordre public ou si la prise de mesures de prévention contre des faits punissables, la protection de la santé ou des bonnes moeurs, la protection des droits et libertés d'autrui ou la protection de la sécurité du centre le requièrent, le directeur du centre ou son remplaçant peut interdire le contact téléphonique. Il doit en aviser immédiatement le Ministre par la voie hiérarchique.
Afdeling 2. - Bezoek.
Section 2. - Visites.
2.1- Algemene bepalingen.
2.1- Dispositions générales.
Art. 26. De bezoekers moeten in het bezit zijn van een geldig identiteitsbewijs of -document dat bij het begin van een bezoek dient voorgelegd te worden.
  De centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger kan hierop een uitzondering toestaan.
Art. 26. Les visiteurs doivent être porteurs d'un document ou d'une preuve d'identité valable, à présenter au début de la visite.
  Le directeur du centre ou son remplaçant peut accorder une exception à cette exigence.
Art. 27. [1 De bezoeker kan onderworpen worden aan een fouilllering als bepaald in artikel 111/4.]1
  
Art. 27. [1 Le visiteur peut être soumis à une fouille tel que déterminée à l'article 111/4.]1
  
Art. 28. Bezoekers worden in het bezoekersregister ingeschreven.
Art. 28. Les visiteurs sont inscrits dans le registre des visiteurs.
2.2- Bezoek aan de bewoners.
2.2- Visite aux occupants.
2.2.1- Algemene modaliteiten.
2.2.1- Modalités générales.
Art. 28/1. [1 De centrumdirecteur kan beslissen dat de bezoeken aan een bewoner plaatsvinden in een lokaal voorzien van een transparante wand die de bezoekers van de bewoner scheidt, in de volgende gevallen :
   1° wanneer er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat er zich tijdens het bezoek incidenten kunnen voordoen die de orde of de veiligheid in het gedrang kunnen brengen;
   2° op verzoek van de bezoeker;
   3° op verzoek van de bewoner;
   4° als de bezoeker of de bewoner eerder de bezoekregeling als bepaald in het huishoudelijk reglement van het centrum niet heeft nageleefd en er redenen bestaan om aan te nemen dat deze inbreuk zich kan herhalen.]1

  
Art. 28/1. [1 Le directeur du centre peut décider que les visites d'un occupant auront lieu dans un local pourvu d'une paroi de séparation transparente entre les visiteurs et l'occupant, dans les cas suivants :
   1° lorsqu'il existe des raisons sérieuses de craindre que des incidents de nature à mettre en danger l'ordre ou la sécurité surviennent pendant la visite;
   2° à la demande du visiteur;
   3° à la demande de l'occupant;
   4° si le visiteur ou l'occupant a enfreint antérieurement le règlement des visites et qu'il y a des raisons de présumer que cette infraction au règlement d'ordre intérieur du centre est susceptible de se reproduire.]1

  
Art. 29. [1 Met uitzondering van het ongestoord bezoek als bepaald in artikel 36/1, zijn de toezichthoudende personeelsleden aanwezig in de bezoekersruimte en leggen zij tijdens het bezoek de grootst mogelijke discretie aan de dag.
   De bezoeken van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers, van de leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat en van de leden van de uitvoerende en rechterlijke macht, evenals de individuele bezoeken van een advocaat, vinden steeds in een afzonderlijk lokaal plaats, zonder dat het personeel van het centrum daarbij aanwezig is.]1

  
Art. 29. [1 A l'exception de la visite intime déterminée à l'article 36/1, les membres du personnel de surveillance sont présents dans le local de visite et font preuve de la plus grande discrétion durant la visite.
   Les visites des représentants diplomatiques ou consulaires, des membres de la Chambre des Représentants et du Sénat et des membres des Pouvoirs exécutif et judiciaire ainsi que les visites individuelles d'un avocat, ont toujours lieu dans un local séparé en l'absence du personnel du centre.]1

  
Art. 30. Wanneer een bewoner zodanig ziek is dat hij zich niet naar de bezoekruimte kan begeven, kan de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger hem toestaan om, onder de voorwaarden bepaald in artikel 29, zijn bezoekers in zijn kamer [2 ...]2 of de ziekenzaal te ontvangen.
  
Art. 30. Lorsqu'un occupant est malade au point de ne pas pouvoir se rendre dans le local des visites, le directeur du centre ou son remplaçant peut l'autoriser, aux conditions prévues à l'article 29, à recevoir ses visiteurs dans sa chambre [2 ...]2 ou dans la salle de l'infirmerie.
  
Art. 31. Wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat het contact tussen een bewoner en een bezoeker een gevaar vormt voor 's lands veiligheid, de openbare veiligheid of de openbare orde of indien dit noodzakelijk is ter voorkoming van strafbare feiten, ter bescherming van de gezondheid of de goede zeden, ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen of ter bescherming van de veiligheid van het centrum, kan de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger ten aanzien van de bezoeker één van de volgende maatregelen nemen :
  1° een mondelinge waarschuwing;
  [1 1°/1 een bezoek achter glas opleggen;]1
  2° het bezoek doen afbreken;
  3° de toegang tot het centrum weigeren.
  Indien de sancties bedoeld in 2° en 3° genomen worden ten aanzien van de personen bedoeld in de artikelen 32 en 33, dient de centrumdirecteur de Minister hiervan onmiddellijk, via hiërarchische weg, op de hoogte te brengen.
  Indien een bezoeker een ontvluchting tracht voor te bereiden of te vergemakkelijken, stelt de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger hem ter beschikking van de politiediensten.
Art. 31. Lorsqu'il existe des indices sérieux que le contact entre un occupant et un visiteur constitue un danger pour la sécurité nationale, la sécurité publique ou l'ordre public ou si la prise de mesures de prévention contre des faits punissables, la protection sanitaire ou des bonnes moeurs, la protection des droits et libertés d'autrui ou la protection de la sécurité du centre le commandent, le directeur du centre ou son remplaçant peut prendre une des mesures suivantes à l'égard du visiteur :
  1° adresser un avertissement verbal;
  [1 1°/1 imposer une visite derrière une vitre]1
  2° mettre fin à la visite;
  3° refuser l'accès au centre.
  Lorsque les sanctions visées aux points 2° et 3° sont prises à l'égard de personnes visées a l'article 32 et 33, le directeur du centre doit en aviser immédiatement le Ministre par la voie hiérarchique.
  Si un visiteur tente de préparer ou de faciliter une évasion, le directeur du centre ou son remplaçant le met à la disposition des services de police.
2.2.2- Bezoek van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers, van de leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat en van de leden van de uitvoerende en rechterlijke macht.
2.2.2- Visite des représentants diplomatiques ou consulaires, des membres de la Chambre des Représentants et du Sénat et des membres du pouvoir exécutif et judiciaire.
Art. 32. De bewoners hebben het recht dagelijks, minstens tussen acht uur 's morgens en tien uur 's avonds, bezoek te ontvangen van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers van de staat waarvan zij onderdaan zijn.
Art. 32. Les occupants ont le droit de recevoir, quotidiennement et au moins entre huit et vingt-deux heures, la visite des représentants diplomatiques ou consulaires de l'Etat dont ils sont ressortissants.
Art. 33. De leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat en de leden van de uitvoerende en rechterlijke macht die zich in het centrum aanmelden, mogen in contact komen met één of meerdere op voorhand te identificeren bewoners, nadat zij zich als zodanig kenbaar hebben gemaakt bij de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger en indien zij aantonen dat het een handeling van hun ambt of hun functie betreft, waarvoor een bezoek aan die bewoner of die bewoners nodig is.
Art. 33. Les membres de la Chambre des Représentants et du Sénat et les membres des pouvoirs exécutif et judiciaire qui se présentent au centre peuvent entrer en contact avec un ou plusieurs occupants identifiés préalablement, après qu'ils se soient clairement fait connaître en tant que tel auprès du directeur du centre ou de son remplaçant et s'ils démontrent que leur visite à ce ou ces occupants est nécessaire dans le cadre de leur ministère ou de leur fonction.
2.2.3- Bezoek van de familieleden.
2.2.3- Visite de membres de la famille.
Art. 34. De bewoner mag, volgens de regels bepaald in artikel 35, elke dag en op de uren bepaald in het huishoudelijk reglement, gedurende minimaal een uur het bezoek ontvangen van zijn bloed- en aanverwanten in de rechte lijn, zijn voogd, zijn echtgenoot of levenspartner, zijn broers en zussen en zijn ooms en tantes.
  [1 Het bezoek kan enkel plaatsvinden indien hetzij het bewijs van de familieband of van de uitoefening van de ouderlijke macht, hetzij het bewijs van het geregistreerd partnerschap met de bewoner wordt geleverd. Dit bewijs kan met alle rechtsmiddelen worden geleverd. De centrumdirecteur, zijn plaatsvervanger of het personeelslid dat hij daartoe aanwijst kan een uitzondering op die voorwaarde toestaan.]1
  
Art. 34. L'occupant peut recevoir chaque jour, suivant les règles fixées à l'article 35, aux heures définies dans le règlement d'ordre intérieur et durant au moins une heure, la visite de ses parents et alliés en ligne directe, de son tuteur, de son époux ou partenaire, de ses frères et soeurs et de ses oncles et tantes.
  [1 La visite peut seulement avoir lieu soit lorsque la preuve du lien familial ou de l'exercice de l'autorité parenté est apportée, soit la preuve du partenariat enregistré avec l'occupant. Cette preuve peut être apportée par toute voie de droit. Le directeur du centre, son remplaçant ou le membre du personnel qu'il désigne à cette fin peut accorder une exception à cette exigence.]1
  
Art. 35. [1 De centrumdirecteur ziet erop toe dat iedere bewoner het recht op bezoek kan genieten.
   Het aantal bezoekers is beperkt tot 2 personen per bewoner en per bezoek. De centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger kan hierop een uitzondering toestaan. De kinderen die jonger zijn dan 12 jaar zijn niet in dit aantal begrepen.]1

  
Art. 35. [1 Le directeur du centre veille à ce que chaque occupant puisse bénéficier de son droit de visite.
   Le nombre de visiteurs est limité à 2 personnes par occupant et par visite. Le directeur du centre ou son remplaçant peut consentir une exception à ce sujet. Les enfants de moins de 12 ans ne sont pas compris dans ce nombre]1

  
2.2.3./1. [1 - De intieme bezoeken.]1
2.2.3./1. [1 Les visites intimes]1
Art. 36. [1 Iedere bewoner die minstens een maand in een gesloten centrum verblijft, heeft minstens eenmaal per maand recht op intiem bezoek gedurende minimum twee uur.
   Het bezoekrecht als bepaald in het eerste lid, is van toepassing indien de bezoeker het bewijs levert van zijn meerderjarigheid en zijn huwelijksband, zijn wettige samenwoonst of zijn duurzame relatie van minimum 6 maanden met de bewoner. Dit bewijs kan geleverd worden met alle rechtsmiddelen.
   Het intiem bezoek moet aangevraagd worden volgens de regels bepaald in het huishoudelijk reglement.]1

  
Art. 36. [1 Chaque occupant qui séjourne dans un centre fermé depuis au moins un mois a le droit de recevoir une visite dans l'intimité durant une durée minimale de 2 heures, au moins une fois par mois.
   Le droit de visite déterminé à l'alinéa 1er, est applicable lorsque le visiteur apporte la preuve de sa majorité et de son lien d'alliance ou de sa cohabitation légale ou de sa relation durable de minimum 6 mois avec l'occupant. Cette preuve peut être apportée par toute voie de droit.
   Cette visite intime doit être demandée conformément aux règles déterminées au sein du règlement d'ordre intérieur.]1

  
2.2.4- Bezoek van andere personen.
2.2.4- Visite d'autres personnes.
Art. 37. Andere bezoekers worden toegelaten tot het bezoek na een voorafgaande machtiging van de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger.
  Deze machtiging kan enkel worden geweigerd :
  1° wanneer de betrokken persoon manifest van geen rechtmatig belang kan doen blijken;
  2° wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat het bezoek de handhaving van de orde, de veiligheid en de goede werking van het centrum in gevaar kan brengen;
  3° wanneer er aanwijzingen zijn dat de fysieke of morele integriteit van de bewoner gevaar loopt.
  Tenzij de noodwendigheid van de dienst dit verhindert, zal de machtiging gelden voor minimaal een uur.
Art. 37. D'autres visiteurs sont admis à la visite après avoir reçu une autorisation préalable du directeur du centre ou de son remplaçant.
  Cette autorisation peut seulement être refusée :
  1° quand la personne concernée ne présente manifestement aucun intérêt légitime;
  2° quand il y a de sérieuses indications que la visite peut mettre en danger le maintien de l'ordre, de la sécurité et du bon fonctionnement du centre;
  3° quand il y a des indications qu'il puisse y avoir un danger pour l'intégrité physique ou morale de l'occupant.
  Sauf si les besoins du service l'empêchent, l'autorisation sera valable pour au moins une heure.
2.3- Bezoek aan het centrum.
2.3- Visite du centre.
2.3.1- Algemene modaliteiten.
2.3.1- Modalités générales.
Art. 38. Een bezoek aan het centrum is, behoudens de bepalingen in de artikelen 42 tot en met 45, onderworpen aan de machtiging van de Directeur-generaal.
Art. 38. Une visite du centre est, sous réserve des dispositions des articles 42 à 45, soumise à l'autorisation du Directeur général.
Art. 39. De bezoekers aan het centrum worden steeds vergezeld door de centrumdirecteur, zijn plaatsvervanger of het personeelslid dat hij hiertoe aanwijst.
Art. 39. Les visiteurs du centre sont toujours accompagnés par le directeur du centre, son remplaçant ou le membre du personnel qu'il désigne à cette fin.
Art. 40. De bewoners mogen niet aan publieke belangstelling onderworpen worden.
  Zij mogen zonder hun instemming noch onderworpen worden aan vragen van journalisten, derden of personen bedoeld in de artikelen 42 tot en met 45, noch mogen er van hen beeldopnamen gemaakt worden.
Art. 40. Les occupants ne peuvent pas être exposés à la curiosité publique.
  Ils ne peuvent être ni soumis sans leur consentement aux questions de journalistes, de tiers ou de personnes visées aux articles 42 à 45 inclus, ni filmés.
Art. 41. Indien er ernstige aanwijzingen zijn dat het bezoek aan het centrum door een bezoeker een gevaar vormt voor 's lands veiligheid, de openbare veiligheid of de openbare orde of indien dit noodzakelijk is ter voorkoming van strafbare feiten, ter bescherming van de gezondheid of de goede zeden, ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen of ter bescherming van de veiligheid van het centrum, kan de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger ten aanzien van de bezoeker één van de volgende maatregelen nemen :
  1° een mondelinge waarschuwing;
  2° het bezoek doen afbreken;
  3° de toegang tot het centrum weigeren.
  Indien de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger de sancties bedoeld in 2° en 3° oplegt, dient hij de Minister hiervan onmiddellijk, via hiërarchische weg, op de hoogte te brengen.
  Indien een bezoeker een ontvluchting tracht voor te bereiden of te vergemakkelijken, stelt de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger hem ter beschikking van de politiediensten.
Art. 41. Lorsqu'il existe des indices sérieux que la visite au centre d'un visiteur constitue un danger pour la sécurité nationale, la sécurité publique ou l'ordre public ou si la prise de mesures de prévention contre des faits punissables, la protection de la santé ou des bonnes moeurs, la protection des droits et libertés d'autrui ou la protection de la sécurité du centre le commandent, le directeur du centre ou son remplaçant peut prendre une des mesures suivantes à l'égard du visiteur :
  1° adresser un avertissement verbal;
  2° mettre fin à la visite;
  3° refuser l'accès au centre.
  Lorsque le directeur du centre ou son remplaçant prend les sanctions visées aux points 2° et 3°, il doit en aviser immédiatement le Ministre par la voie hiérarchique.
  Si un visiteur tente de préparer ou de faciliter une évasion, le directeur du centre ou son remplaçant le met à la disposition des services de police.
2.3.2- Door de leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat.
2.3.2- Par les membres de la Chambre des Représentants et du Sénat.
Art. 42. De leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en van de Senaat hebben tussen acht uur 's morgens en zeven uur 's avonds steeds toegang tot het centrum, als zij zich als zodanig kenbaar hebben gemaakt.
Art. 42. Les membres de la Chambre des Representants et du Sénat ont toujours accès au centre de huit à dix-neuf heures, après qu'ils se soient clairement fait connaître en tant que tel.
2.3.3- Door bepaalde overheden en instellingen.
2.3.3- Par des autorités et institutions particulières.
Art. 43. De volgende overheden hebben in het kader van de uitoefening van hun ambt tussen acht uur 's morgens en zeven uur 's avonds steeds toegang tot het centrum :
  1° de provinciegouverneur bevoegd voor het grondgebied waar het centrum gelegen is;
  2° de burgemeester bevoegd voor het grondgebied waar het centrum gelegen is.
Art. 43. Les autorités suivantes ont toujours accès au centre entre huit et dix-neuf heures dans le cadre de l'exercice de leurs fonctions :
  1° le gouverneur de province compétent pour le territoire sur lequel est situé le centre;
  2° le bourgmestre compétent pour le territoire sur lequel est situé le centre.
Art. 44. De volgende personen of instellingen en hun leden hebben in het kader van het volbrengen van hun opdracht toegang tot het centrum :
  1° het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties;
  2° de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens;
  3° het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing;
  4° [1 het federaal Centrum voor de analyse van de migratiestromen, de bescherming van de grondrechten van de vreemdelingen en de strijd tegen de mensenhandel (Myria);]1
  5° (de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen); <KB 2007-04-27/57, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  6° het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen;
  7° de Kinderrechtencommissaris en de Délégué général aux droits de l'enfant;
  8° het Comité tegen Foltering van de Verenigde Naties;
  [1 [2 ...]2]1
  
Art. 44. Les personnes ou institutions suivantes et leur membres ont accès au centre dans le cadre de l'exercice de leur mission :
  1° le Haut Commissariat des Nations Unies pour les Réfugiés;
  2° la Commission européenne pour les Droits de l'Homme;
  3° le Comité européen pour la prévention de la torture et des peines ou traitements inhumains ou dégradants;
  4° [1 le Centre fédéral pour l'analyse des flux migratoires, la protection des droits fondamentaux des étrangers et la lutte contre la traite des êtres humains (Myria);]1
  5° (le Conseil du Contentieux des Etrangers); <AR 2007-04-27/57, art. 1, 002; En vigueur : 01-06-2007>
  6° le Commissariat Général aux Réfugiés et aux Apatrides;
  7° le Kinderrechtencommissaris et le Délégué général aux droits de l'enfant;
  8° le Comité des Nations Unies contre la Torture;
  [1 [2 ...]2]1
  
2.3.4- Door andere personen en organisaties.
2.3.4- Par d'autres personnes et organisations.
Art. 45. De Minister of de Directeur-generaal kan aan andere instellingen, organisaties of personen dan die bedoeld in de artikelen 43 en 44, het recht geven één of meerdere centra te bezoeken voor de duur en onder de voorwaarden die hij bepaalt.
Art. 45. Le Ministre ou le Directeur général peut donner le droit de visiter un ou plusieurs centres à d'autres institutions, organisations ou personnes que celles visées aux articles 43 et 44, pour la durée et aux conditions qu'il détermine.
Afdeling 3. - De morele en religieuze beleving in het centrum.
Section 3. - Le régime moral et religieux dans le centre.
Art. 46. De bewoners die verklaard hebben te willen deelnemen aan een erkende eredienst ontvangen op hun verzoek morele en religieuze bijstand van de bedienaars van deze eredienst.
  De bewoners die morele bijstand wensen, kunnen een beroep doen op een moreel consulent, die een niet-confessionele overtuiging vertegenwoordigt.
  Deze bedienaars en consulenten worden door hun meerderen voorgedragen aan de Minister of zijn gemachtigde.
  Zij worden in het bezit gesteld van een identificatiekaart die door de Minister of zijn gemachtigde wordt afgeleverd.
Art. 46. Les occupants ayant fait état de leur volonte de participer à un culte reconnu bénéficient à leur demande d'une assistance morale et religieuse des ministres de ce culte.
  Les occupants qui désirent bénéficier d'un soutien moral peuvent faire appel à un conseiller représentant une pensée non confessionnelle.
  Ces ministres du culte ou conseillers sont proposés par leurs supérieurs au Ministre ou à son délégué.
  Ils sont mis en possession d'une carte d'identification délivrée par le Ministre ou son délégué.
Art. 47. Op vraag van een bewoner kan de Minister of zijn gemachtigde toegang tot het centrum verlenen aan de bijstandsverleners van een niet door de Staat erkende eredienst.
Art. 47. A la demande d'un occupant, le Ministre ou son délégué peut autoriser l'accès au centre des auxiliaires d'un culte non reconnu par l'Etat.
Art. 48. De bewoner dient de centrumdirecteur in kennis te stellen indien hij een andere eredienst beoefent dan initieel aangegeven.
Art. 48. L'occupant doit informer le directeur du centre s'il pratique un autre culte que celui mentionné initialement.
Art. 49. De bedienaars van de erkende erediensten en de morele consulenten bezoeken enkel die bewoners die het wensen.
Art. 49. Les ministres des cultes reconnus et les conseillers moraux ne rendent visite qu'aux occupants qui le souhaitent.
Art. 50. Voor de morele en religieuze beleving wordt een aangepast lokaal ter beschikking gesteld.
  [1 lid 2 opgeheven]1
  
Art. 50. Un local adapté à la pratique morale et religieuse est mis à la disposition dans le centre.
  [1 alinéa 2 abrogé]1
  
Art. 51. De personen belast met de morele en religieuze bijstand dienen het personeel van het centrum en hun opdracht te respecteren. Bij de bijstand die ze geven in het centrum dienen ze een neutrale houding aan te nemen ten aanzien van de wetgeving omtrent de gesloten centra en de vreemdelingenwetgeving.
  Indien er ernstige aanwijzingen zijn dat oneigenlijk gebruik of misbruik wordt gemaakt van de toegang tot het centrum, wordt de Minister of zijn gemachtigde hiervan onmiddellijk, langs hiërarchische weg, op de hoogte gebracht. De Minister of zijn gemachtigde neemt vervolgens de gepaste maatregelen en kan onder meer de persoon belast met de morele en religieuze bijstand een waarschuwing geven of hem de toegang tot het centrum weigeren.
Art. 51. Les personnes chargées de l'assistance morale et religieuse doivent respecter le personnel du centre et leur mission. Elles se doivent d'adopter une attitude neutre dans le cadre de leur assistance dans le centre, à l'égard de la législation concernant les centres fermés et de la législation sur les étrangers.
  S'il y a de sérieuses indications qu'il est fait un usage inapproprié ou abusif de l'accès au centre, le Ministre ou son délégué en est immédiatement informé, par la voie hiérarchique. Le Ministre ou son délégué prend ensuite les mesures adéquates et peut, entre autres, donner à la personne chargée de l'assistance morale et religieuse un avertissement ou lui refuser l'accès au centre.
Afdeling 4. - De medische en sociale verzorging in het centrum, het materieel welzijn en de hygiëne.
Section 4. - L'assistance médicale et sociale dans le centre, le bien-être matériel et l'hygiène.
4.1- De medische verzorging
4.1- L'assistance médicale.
Art. 52.1. Elk centrum beschikt over een medische dienst, die alle werkdagen toegankelijk is tijdens de uren bepaald in het huishoudelijk reglement en permanent beschikbaar is voor dringende gevallen.
  § 2. De centrumdirecteur waakt er over dat :
  1° de aan het centrum verbonden [1 arts]1 regelmatig beschikbaar is voor raadplegingen;
  2° de aan het centrum verbonden [1 arts]1 op andere tijden beschikbaar is, telkens wanneer dit in het belang van de gezondheid van de bewoners noodzakelijk is;
  3° de door de aan het centrum verbonden geneesheer voorgeschreven geneesmiddelen en diëten aan de bewoner worden verstrekt;
  4° de medische dienst verwittigd wordt indien een bewoner de voorgeschreven geneesmiddelen weigert. Deze weigering wordt vermeld in het medisch dossier van de bewoner.
  
Art. 52. § 1er. Chaque centre dispose d'un service médical accessible tous les jours [1 ouvrables]1 aux heures mentionnées dans le règlement d'ordre intérieur et disponible en permanence en cas d'urgence.
  § 2. Le directeur du centre veille à ce que :
  1° le médecin attaché au centre soit régulièrement disponible pour des consultations;
  2° le médecin attaché au centre soit disponible à d'autres moments chaque fois que cela est necessaire dans l'intérêt de la santé des occupants;
  3° les médicaments prescrits à l'occupant par le médecin attaché au centre soient administrés et les régimes soient suivis;
  4° le service médical soit averti lorsqu'un occupant refuse de prendre les médicaments qui lui sont prescrits. Ce refus sera mentionné dans le dossier médical de l'occupant.
  
Art. 53. De zieke bewoner ontvangt van de medische dienst en onder de bevoegdheid van de [1 arts]1 verbonden aan het centrum, de verzorging die zijn toestand vereist.
  De aan het centrum verbonden [1 arts]1 behoudt zijn beroepsautonomie ten opzichte van de centrumdirecteur. Zijn evaluaties en beslissingen met betrekking tot de gezondheid van de bewoners worden enkel gefundeerd op medische criteria.
  De bewoner mag, op eigen kosten een beroep doen op een door hem gekozen [1 arts]1. Hij dient de [1 arts]1 verbonden aan het centrum daarvan op de hoogte te stellen.
  De medicatie en de behandeling zijn in dat geval te zijnen laste.
  De aard van de medicatie en behandeling die voorgeschreven worden door de niet tot het centrum behorende geneesheer, worden meegedeeld aan de [1 arts]1 die aan het centrum verbonden is voor de opvolging van de behandeling.
  Indien de niet tot het centrum behorende [1 arts]1 en de [1 arts]1 verbonden aan het centrum het niet eens zijn over de behandeling, wordt de betwisting voor beslissing voorgelegd aan een derde [1 arts]1, aangeduid door de Directeur-generaal.
  
Art. 53. L'occupant malade reçoit du service médical les soins que son état nécessite, sous la responsabilité du médecin attaché au centre.
  Le médecin attaché au centre garde son indépendance professionnelle vis-à-vis du directeur du centre. Ses évaluations et décisions qui ont trait a la santé des occupants sont uniquement basées sur des critères médicaux.
  L'occupant peut faire appel au médecin de son choix, à ses propres frais. Il doit en aviser le médecin du centre.
  Dans ce cas, les médicaments et le traitement sont à sa charge.
  La nature du médicament et le traitement prescrit par un médecin qui n'appartient pas au centre doivent être portes à la connaissance du médecin attaché au centre afin d'assurer le suivi du traitement.
  Si le médecin qui n'appartient pas au centre et le médecin attaché au centre ne sont pas d'accord quant au traitement, la contestation est soumise pour décision arbitrale à un troisième médecin, désigné par le Directeur général.
Art. 54. Enkel de [1 arts]1 verbonden aan het centrum beslist of de zieke bewoner in de leefgroep kan worden verzorgd of naar de ziekenzaal moet worden overgebracht.
  Deze [1 arts]1 en/of zijn medewerkers tekenen op de medische steekkaart van de bewoner de onderzoeken en de voorschriften aan, die op hem betrekking hebben.
  
Art. 54. Seul le médecin attaché au centre décide si l'occupant peut être soigné dans le groupe ou s'il doit être transféré dans la salle d'infirmerie.
  Ce médecin et/ou ses collaborateurs font figurer sur la fiche médicale de l'occupant les examens et les prescriptions qui le concernent.
Art. 55. Indien de [1 arts]1 verbonden aan het centrum vaststelt dat de bewoner aangetast is door een aandoening die niet behoorlijk in het centrum kan behandeld worden of ingeval van bevalling of stervensgevaar wordt de bewoner naar een gespecialiseerd medisch centrum overgebracht. De centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger dient de Directeur-generaal hiervan op de hoogte te brengen.
  
Art. 55. Si le médecin attaché au centre constate que l'occupant est atteint d'une affection qui ne peut être traitée convenablement dans le centre ou en cas d'accouchement ou de danger de mort, l'occupant est transféré vers un centre médical spécialisé. Le directeur du centre ou son remplaçant doit en aviser le Directeur général.
Art. 56. Indien een bewoner naar een gespecialiseerd medisch centrum wordt overgebracht, zorgt de centrumdirecteur, in samenspraak met de directie van het ziekenhuis, voor de eventuele bewaking van de overgebrachte bewoner.
Art. 56. Lorsqu'un occupant est transféré vers un centre médical spécialisé, le directeur du centre prend ses dispositions quant à la surveillance éventuelle de l'occupant transféré, en concertation avec la direction de l'hôpital.
Art. 57. De centrumdirecteur draagt er zorg voor dat de raadplegingen van [2 artsen-specialisten]2, die de aan het centrum verbonden [1 arts]1 noodzakelijk acht, plaatsvinden en dat de behandelingen, voorgeschreven door deze specialisten, worden gevolgd.
  
Art. 57. Le directeur du centre veille à ce que les consultations par des médecins spécialistes, jugées nécessaires par le médecin attache au centre, aient lieu et que les traitements prescrits par ces spécialistes soient suivis.
Art. 58. Bij vaststelling van ernstige aandoeningen, een besmettelijke ziekte of epidemie, dient de [1 arts]1 verbonden aan het centrum zo spoedig mogelijk de centrumdirecteur of diens plaatsvervanger te informeren over de te nemen maatregelen.
  In de gevallen bepaald door het departement van Volksgezondheid bepaald, brengt de [1 arts]1 verbonden aan het centrum onmiddellijk de gezondheidsinspecteur van de provincie op de hoogte.
  De centrumdirecteur dient hiervan verslag uit te brengen aan de Directeur-generaal.
  
Art. 58. En cas d'affection grave, de maladie contagieuse ou d'épidémie, le médecin attaché au centre doit informer au plus vite le directeur du centre ou son remplaçant des mesures qui doivent être prises.
  Dans les cas déterminés par le département de la Santé publique, le médecin attaché au centre informe immédiatement l'inspecteur de la santé de la province.
  Le directeur du centre doit transmettre un rapport à ce sujet au Directeur général.
Art. 59. Indien een bewoner in een afzonderingsruimte wordt geplaatst met toepassing van artikel 98, 4°, dient onmiddellijk een lid van de medische dienst hiervan op de hoogte te worden gebracht. Hij bezoekt de betrokkene zo snel mogelijk en brengt de aan het centrum verbonden [1 arts]1 onverwijld op de hoogte van de genomen tuchtmaatregel en de gezondheidstoestand van de betrokkene. De bewoner wordt daarna dagelijks gevolgd.
  
Art. 59. Si un occupant est placé dans un local d'isolement en application de l'article 98, 4°, un membre du service médical doit immédiatement en être informé. Il rend visite à l'intéressé dans les plus brefs délais et met immédiatement le médecin attaché au centre au courant de la mesure disciplinaire prise et de l'état de santé de l'intéressé. L'occupant est ensuite suivi quotidiennement.
Art. 60. De medische dienst houdt de verschillende registers, staten en documenten bij, die betrekking hebben op de geneeskundige dienst, de toegediende medicatie en de voorgeschreven behandeling. De [1 arts]1 verbonden aan het centrum beslist over de inzage van deze documenten.
  Het medisch dossier kan in elk geval worden ingezien door de [1 arts]1 op wie de bewoner, met toepassing van artikel 53, lid 3, op eigen kosten een beroep heeft gedaan.
  
Art. 60. Le service médical tient a jour les différents registres, états et documents en rapport avec le service médical, les médicaments administrés et le traitement prescrit. Le médecin attaché au centre décide de la consultation de ces documents.
  Le dossier médical peut être consulté dans tous les cas par le médecin auquel l'occupant a fait appel à ses propres frais, conformément à l'article 53, alinéa 3.
Art. 61. Indien de [1 arts]1 verbonden aan het centrum medische bezwaren formuleert met betrekking tot de verwijdering van een bewoner of van oordeel is dat de geestelijke of lichamelijke gezondheid van de bewoner ernstig geschaad wordt door het voortzetten van de opsluiting, de terbeschikkingstelling van de regering of de vasthouding of door enige daarmee verband houdende omstandigheid, legt de centrumdirecteur deze bezwaren of dit advies, via hiërarchische weg, voor aan de Directeur-generaal, die de uitvoering van de verwijderingsmaatregel of de maatregel van vrijheidsberoving kan schorsen.
  Indien de Directeur-generaal de uitvoering van de verwijderingsmaatregel of de maatregel van vrijheidsberoving niet wenst te schorsen, dient hij voorafgaandelijk het advies te vragen van een geneesheer verbonden aan een ander centrum. Indien deze [1 arts]1 de bezwaren of het advies van de eerste [1 arts]1 bevestigt, dient de Directeur-generaal hier gevolg aan te geven en de uitvoering van de verwijderingsmaatregel of de maatregel van vrijheidsberoving te schorsen.
  Indien de tweede [1 arts]1 de bezwaren of het advies niet bevestigt, is het oordeel van een derde [1 arts]1 doorslaggevend. Indien deze derde [1 arts]1 het advies van de eerste [1 arts]1 bevestigt, dient de Directeur-generaal de uitvoering van de verwijderingsmaatregel of de maatregel van vrijheidsberoving te schorsen.
  
Art. 61. Lorsque le médecin attaché au centre formule des objections médicales quant à l'éloignement d'un occupant ou est d'avis que la santé mentale ou physique de l'occupant est sérieusement compromise par le maintien de la détention, de la mise à la disposition du Gouvernement ou du maintien, ou par quelque circonstance qui y soit liée, ces objections ou cet avis sont soumis par la voie hiérarchique par le directeur du centre au Directeur général qui peut suspendre l'exécution de la mesure d'éloignement ou de la mesure privative de liberté.
  Lorsque le Directeur général ne souhaite pas suspendre l'exécution de la mesure d'éloignement ou de la mesure privative de liberté, il doit préalablement demander l'avis d'un médecin attaché à un autre centre. Si ce médecin confirme les objections ou l'avis du premier médecin, le Directeur général doit y donner suite et suspendre l'exécution de la mesure d'éloignement ou de la mesure privative de liberté.
  Lorsque que le deuxième médecin ne confirme pas les objections ou l'avis du premier médecin, l'avis d'un troisième médecin sera déterminant. Si ce troisième médecin confirme l'avis du premier médecin, le Directeur général doit suspendre l'exécution la mesure d'éloignement ou de la mesure privative de liberté.
4.2- Juridische bijstand
4.2- Assistance juridique
Art. 61/1. [1 Na een mislukte poging tot verwijdering onderzoekt de arts verbonden aan het centrum de bewoner:
   1° indien dwangmaatregelen werden gebruikt of de verwijderingspoging met escorte gebeurde;
   2° indien de bewoner zelf hierom vraagt;
   3° indien de overheden belast met de uitvoering van de verwijdering vermoeden dat de fysische of psychische integriteit van de bewoner in gevaar is of kan komen.
   Het medisch onderzoek door de arts vindt zo spoedig mogelijk plaats. Bij afwezigheid van de arts evalueert een verpleegkundige van de medische dienst de gezondheidstoestand van de bewoner. De verpleegkundige roept een arts op indien de bewoner dringende medische zorgen nodig heeft. In niet urgente gevallen vindt het medisch onderzoek door de arts ten laatste 48 uren na de poging tot verwijdering plaats. De bewoner dient zijn medewerking te verlenen aan het medisch onderzoek.]1

  
Art. 61/1. [1 Après une tentative infructueuse d'éloignement, le médecin attaché au centre examine l'occupant :
   1° lorsque des mesures coercitives ont été utilisées ou lorsque la tentative d'éloignement a été effectuée sous escorte ;
   2° lorsque l'occupant en fait lui-même la demande ;
   3° lorsque les autorités chargées de la mise en oeuvre de l'éloignement présument que l'intégrité physique ou psychique de l'occupant est compromise ou risque de l'être.
   L'examen médical réalisé par le médecin a lieu le plus rapidement possible. En l'absence du médecin, un infirmier ou une infirmière du service médical évalue l'état de santé de l'occupant. L'infirmier ou l'infirmière appelle un médecin si l'occupant a besoin de soins médicaux urgents. Dans les cas non urgents, l'examen médical sera effectué par le médecin au plus tard 48 heures après la tentative d'éloignement. L'occupant doit collaborer à l'examen médical.]1

  
Art. 62. De bewoner heeft recht op juridische bijstand.
  De centrumdirecteur ziet erop toe dat de bewoner in de gelegenheid wordt gesteld een beroep te doen op de rechtshulp waarin de wet voorziet.
  [2 De bewoner alsook zijn advocaat worden achtenveertig uur voor de eerste verwijderingspoging hiervan op de hoogte gebracht. In volgende gevallen kan uitzonderlijk hiervan worden afgeweken:
   1° indien de vreemdeling niet wil dat zijn advocaat op de hoogte wordt gebracht [3 ...]3. In dit geval wordt enkel de vreemdeling [3 ...]3 op de hoogte gebracht;
   2° wanneer de vreemdeling en zijn advocaat [3 ...]3 op de hoogte worden gebracht dat een verwijdering mogelijk is binnen een termijn van minder dan achtenveertig uur, indien de betrokken vreemdeling [3 zijn akkoord geeft]3 over deze verwijdering.]2

  [2 Indien de uitzonderingen vermeld in het derde lid toegepast worden, informeert de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger de Directeur-generaal hierover.]2
  
Art. 62. L'occupant a droit à une assistance juridique.
  Le directeur du centre veille à ce que l'occupant ait la possibilité de faire appel à l'aide juridique prévue par la loi.
  [2 L'occupant ainsi que son avocat en sont informés quarante-huit heures avant la première tentative d'éloignement. Dans les cas suivants, il peut y être dérogé exceptionnellement :
   1° lorsque l'étranger ne veut pas que son avocat en soit informé [3 ...]3. Dans ce cas, seul l'étranger [3 ...]3 en sera informé ;
   2° lorsque l'étranger et son avocat [3 ...]3 sont informés qu' un éloignement est possible dans un délai qui est inférieur à 48 heures, si l'étranger concerné [3 a donné son accord]3 sur cet éloignement.]2

  [2 Lorsqu'il est fait application des exceptions prévues à l'alinéa 3, le directeur du centre ou son remplaçant en informe le Directeur général.]2
  
Art. 63. De bewoners hebben het recht dagelijks tussen acht uur 's morgens en tien uur 's avonds gratis met hun advocaat te telefoneren [1 behalve tijdens de maaltijden]1.
  De advocaten hebben het recht op ieder ogenblik met hun cliënt telefonisch in contact te treden [1 behalve tijdens de maaltijden]1.
  Het telefonisch contact tussen een bewoner en zijn advocaat kan niet worden verboden.
  
Art. 63. Les occupants ont le droit de téléphoner quotidiennement et gratuitement à leur avocat entre huit heures du matin et dix heures du soir [1 sauf durant les repas]1.
  Les avocats ont le droit d'entrer en contact téléphonique avec leur client à chaque instant [1 sauf durant les repas]1.
  Le contact téléphonique entre un occupant et son avocat ne peut pas être interdit.
  
Art. 64. De advocaten en de tolken die de advocaat bijstaan hebben dagelijks, minstens van acht uur 's morgens tot tien uur 's avonds, toegang tot het centrum, indien zij er een cliënt hebben en voorzover zij hun hoedanigheid door middel van een geldige beroepskaart kunnen aantonen.
  Er wordt toegang tot het centrum verleend aan de advocaten die niet in één van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte gevestigd zijn, op voorwaarde dat de Minister, op advies van de Procureur des Konings en van de Stafhouder van de Orde van Advocaten van het gerechtelijk arrondissement waar het centrum gelegen is, een bijzondere machtiging heeft gegeven.
  Het bezoek door de advocaat kan niet worden verboden.
Art. 64. Les avocats et les interprètes qui assistent les avocats, ont accès au centre tous les jours et au moins de huit à vingt-deux heures, s'ils y ont un client et pour autant qu'ils puissent prouver leur qualité au moyen d'une carte professionnelle valable.
  Il est donné accès au centre aux avocats qui ne sont pas établis dans un des Etats membres de l'Espace Economique Européen, à condition que le Ministre, sur avis du Procureur du Roi et du Bâtonnier de l'Ordre des avocats de l'arrondissement judiciaire où se situe le centre, lui donne une autorisation spéciale.
  La visite de l'avocat ne peut pas être interdite.
Art. 65. Indien er ernstige aanwijzingen zijn dat het bezoek aan het centrum door een tolk een gevaar vormt voor 's lands veiligheid, de openbare veiligheid of de openbare orde of indien dit noodzakelijk is ter voorkoming van strafbare feiten, ter bescherming van de gezondheid of de goede zeden, ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen of ter bescherming van de veiligheid van het centrum, kan de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger ten aanzien van de tolk één van de volgende maatregelen nemen :
  1° een mondelinge waarschuwing;
  2° het bezoek doen afbreken;
  3° de toegang tot het centrum weigeren.
  Indien de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger de sancties bedoeld in 2° en 3° oplegt, dient hij de Minister hiervan onmiddellijk, via hiërarchische weg, op de hoogte te brengen.
  Indien een tolk een ontvluchting tracht voor te bereiden of te vergemakkelijken, stelt de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger hem ter beschikking van de politiediensten.
Art. 65. Lorsqu'il existe des indices sérieux que la visite au centre d'un interprète constitue un danger pour la sécurité nationale, la sécurité publique ou l'ordre public ou si la prise de mesures de prévention contre des faits punissables, la protection de la santé ou des bonnes moeurs, la protection des droits et libertés d'autrui ou la protection de la securité du centre le commandent, le directeur du centre ou son remplaçant peut prendre une des mesures suivantes a l'égard de l'interprète :
  1° adresser un avertissement verbal;
  2° mettre fin à la visite;
  3° refuser l'accès au centre.
  Lorsque le directeur du centre ou son remplaçant prend les sanctions visées aux points 2° et 3°, il doit en aviser immédiatement le Ministre par la voie hiérarchique.
  Si un interprète tente de préparer ou de faciliter une évasion, le directeur du centre ou son remplaçant le met à la disposition des services de police.
Art. 66. Indien er ernstige aanwijzingen zijn dat oneigenlijk gebruik of misbruik wordt gemaakt van de rechten bepaald in artikel 63, eerste en tweede lid en artikel 64, eerste lid, wordt de Stafhouder van de balie van het gerechtelijk arrondissement waar de advocaat is ingeschreven of, indien het een advocaat betreft bedoeld in artikel 64, tweede lid, de Stafhouder van de balie van het gerechtelijk arrondissement waar het centrum gelegen is, hiervan onmiddellijk op het hoogte gebracht.
Art. 66. S'il y a de sérieuses indications qu'il est fait un usage inapproprié ou abusif des droits définis dans l'article 63, alinéas 1 et 2, et l'article 64, alinéa 1er, le Bâtonnier du barreau de l'arrondissement judiciaire où l'avocat est inscrit, ou, si cela concerne un avocat visé à l'article 64, alinéa 2, le Bâtonnier de l'Ordre des avocats de l'arrondissement judiciaire où se situe le centre, en est immédiatement informé.
4. 3- De sociale verzorging, de ontspanning en de algemene ontwikkeling
4.3- L'assistance sociale, les loisirs et le développement général
Art. 67. Elk centrum beschikt over een sociale dienst, die toegankelijk is op de tijdstippen bepaald in het huishoudelijk reglement.
Art. 67. Chaque centre dispose d'un service social accessible aux heures fixées par le règlement d'ordre intérieur.
Art. 68. De sociale dienst neemt, in samenwerking met de medische dienst, de psychologische en sociale begeleiding van de bewoner gedurende het verblijf voor zijn rekening en bereidt hem voor op zijn eventuele verwijdering. De sociale dienst begeleidt de bewoner met het oog op de naleving van de beslissing die aangaande zijn verblijfssituatie is genomen.
Art. 68. Le service social assume en collaboration avec le service médical l'accompagnement psychologique et social de l'occupant durant son séjour au centre, et le prépare a son eloignement éventuel. Le service social accompagne l'occupant en vue de veiller au respect de la décision prise quant à sa situation de séjour.
Art. 69. De centrumdirecteur dient de algemene ontwikkeling van de bewoners te bevorderen. Hij mag leden van het personeel ermee belasten verschillende activiteiten te organiseren om dit doel te kunnen bereiken.
  [2 ...]2
  
Art. 69. Le directeur du centre doit favoriser le développement personnel des occupants. Il peut charger des membres du personnel d'organiser différentes activités permettant d'atteindre ce but.
  [2 ...]2
  
Art. 70. In functie van de infrastructuur en de mogelijkheden van elk centrum organiseert de sociale dienst of de leden van het personeel die de centrumdirecteur hiermee belast, recreatieve, culturele en sportieve activiteiten voor de bewoners.
  [2 ...]2
  
Art. 70. En fonction de l'infrastructure et des possibilités de chaque centre, le service social ou les membres du personnel que le directeur du centre charge de cette mission organisent des activités récréatives, culturelles et sportives pour les occupants.
  [2 ...]2
  
Art. 71. Er bestaat in elk centrum een bibliotheek, waarvan de werken ter beschikking gesteld worden van de bewoners.
Art. 71. Il existe dans chaque centre une bibliothèque dont les ouvrages sont mis à la disposition des occupants.
Art. 72. [1 § 1 De bewoner heeft het recht door bemiddeling van het centrum, voor eigen rekening, kranten, tijdschriften en andere publicaties te ontvangen waarvan de verspreiding niet wettelijk of bij rechterlijke beslissing is verboden, met uitzondering van erotisch en pornografisch materiaal.
   In het centrum wordt aan de bewoner de mogelijkheid gegeven een beroep te doen op bibliotheekvoorzieningen die de bewoner in de gelegenheid stellen, overeenkomstig de in het huishoudelijk reglement bepaalde regels, een keuze van lectuur te maken uit een voldoende groot aanbod.
   § 2. De centrumdirecteur kan een bewoner alleen de kennisneming van bepaalde publicaties of gedeelten van publicaties ontzeggen, wanneer dit voor de handhaving van de orde of de veiligheid volstrekt noodzakelijk is.
   In voorkomend geval wordt de beslissing tot ontzegging met redenen omkleed en schriftelijk ter kennis gebracht van de bewoner.
   § 3. De bewoner heeft het recht om radio- en televisieprogramma's te volgen, overeenkomstig de door het huishoudelijk reglement vastgestelde regels.
   Wanneer dit voor de handhaving van de orde of de veiligheid volstrekt noodzakelijk is, kan de centrumdirecteur de bewoners het volgen van bepaalde programma's ontzeggen. In voorkomend geval wordt de beslissing tot ontzegging met redenen omkleed en schriftelijk ter kennis gebracht van de bewoner.]1

  
Art. 72. [1 § 1er. A l'exception des publications à caractères pornographiques et érotiques,l'occupant a le droit de recevoir, par l'intermédiaire du centre et à son propre compte, des journaux, périodiques et autres publications dont la diffusion n'est pas interdite par la loi ou par décision judiciaire.
   Au sein du centre, l'occupant bénéficie de la possibilité de faire usage d'équipements de bibliothèque qui permettent aux occupants d'opérer un choix de lecture parmi une offre suffisante, conformément aux règles définies dans le règlement d'ordre intérieur.
   § 2. Le directeur du centre ne peut interdire à un occupant de prendre connaissance de certaines publications ou parties de publications que si cela est absolument nécessaire pour le maintien de l'ordre ou de la sécurité.
   Le cas échéant, la décision de l'interdiction est motivée et notifiée par écrit à l'occupant.
   § 3. L'occupant a le droit de suivre des programmes radiophoniques et télévisées conformément aux règles établies par le règlement d'ordre intérieur.
   Lorsque cela est absolument nécessaire pour le maintien de l'ordre ou de la sécurité, le directeur du centre peut interdire aux occupants de suivre certains programmes. Le cas échéant, la décision d'interdiction est motivée et portée à la connaissance de l'occupant par écrit.]1

  
4.4- De werking van niet gouvernementele- en andere organisaties binnen de centra
4.4- Activités des organisations non gouvernementales et autres dans les centres.
Art. 73. De Minister kan organisaties en individuen de toelating geven een werking op te starten binnen een centrum onder de volgende voorwaarden :
  1° onder werking wordt verstaan : de organisatie van activiteiten ten behoeve van bewoners, op een regelmatige basis en op professionele wijze;
  2° de activiteiten mogen niet ontwikkeld worden in strijd met de wetgeving met betrekking tot de gesloten centra en de vreemdelingenwetgeving;
  3° een jaarlijks werkingsplan dient aan de Minister te worden voorgelegd;
  4° de organisatie dient garanties te bieden inzake continuïteit van de werking;
  5° de activiteiten moeten plaatsvinden in samenspraak met de centrumdirecteur;
  6° de werking van de betrokken organisatie wordt jaarlijks geëvalueerd.
  Indien er ernstige aanwijzingen zijn dat oneigenlijk gebruik of misbruik wordt gemaakt van de toelating, bepaald in het eerste lid, wordt de Minister hiervan onmiddellijk, via hiërarchische weg, op de hoogte gebracht.
Art. 73. Le Ministre peut autoriser des organisations et personnes à lancer des activités dans un centre aux conditions suivantes :
  1° il faut entendre par activités : le développement d'activités au profit des occupants sur une base régulière et de manière professionnelle;
  2° les activités ne peuvent être développées en contradiction avec la législation concernant les centres fermés et la législation sur les étrangers;
  3° un plan d'activités annuel doit être soumis au Ministre;
  4° l'organisation doit offrir une garantie quant à la continuité des activités;
  5° les activités doivent s'effectuer en concertation avec le directeur du centre;
  6° les activités de l'organisation seront évaluées annuellement.
  S'il y a de sérieuses indications qu'il est fait un usage inapproprié ou abusif de l'autorisation prévue dans l'alinéa 1er, le Ministre en est immédiatement informé par la voie hiérarchique.
Art. 74. De centrumdirecteur kan beroep doen op gespecialiseerd personeel dat niet tot de Dienst Vreemdelingenzaken behoort voor het organiseren van activiteiten bedoeld in de artikelen 69 en 70.
Art. 74. Le directeur du centre peut faire appel à du personnel spécialisé n'appartenant pas à l'Office des étrangers pour l'organisation des activités visées aux articles 69 et 70.
4.5- Het materieel welzijn en hygiëne van de bewoners
4.5- Bien-être matériel et hygiène des occupants
4.5.1- Verlichting, verwarming en verluchting
4.5.1- Eclairage, chauffage et aération
Art. 75. De plaatsen waar de veiligheid en het comfort het vereisen, worden van valavond tot 's morgens verlicht.
  In alle lokalen dient er een gepaste temperatuur te zijn.
  Alle schikkingen dienen genomen te worden om een goede verluchting en hygiëne van het centrum te verzekeren.
Art. 75. Les endroits dans lesquels la sécurité et le confort l'exigent doivent être éclairés du soir au matin.
  Une température adaptée doit régner dans tous les locaux.
  Toutes les dispositions doivent être prises afin de garantir une bonne aération et une bonne hygiène du centre.
4.5.2- Kledij en persoonlijke hygiëne
4.5.2- Habillement et hygiène personnelle.
Art. 76. De bewoners behouden hun eigen kledij, tenzij de centrumdirecteur, in het belang van de veiligheid, de zedelijkheid of de hygiëne er anders over beslist.
  De bewoners mogen, op eigen kosten, de kledij laten brengen die zij nodig hebben.
  Indien de kledij niet aangepast is, stelt het centrum kosteloos kleding ter beschikking.
Art. 76. Les occupants conservent leurs propres vêtements, à moins que le directeur du centre n'en décide autrement pour des raisons de sécurité, de moralité ou d'hygiène.
  Les occupants peuvent aussi, à leurs frais, se faire livrer les vêtements dont ils ont besoin.
  Si les vêtements ne sont pas adaptés, le centre en met gratuitement à la disposition des occupants.
Art. 77. De kleding en het beddengoed van de bewoners moeten in overeenstemming zijn met de seizoentemperatuur. Deze worden net en in goede staat gehouden. Te dien einde worden deze regelmatig gewassen.
  Het linnengoed van de ziekenboeg wordt afzonderlijk gereinigd.
Art. 77. Les vêtements et la literie des occupants doivent correspondre aux températures saisonnières. Ils sont tenus propres et en bon état. A cette fin, ils sont lavés régulièrement.
  Le linge de l'infirmerie est nettoyé séparément.
Art. 78. De bewoners krijgen dagelijks de gelegenheid zich te wassen. De noodzakelijke toiletartikelen worden kosteloos ter beschikking gesteld.
Art. 78. Les occupants ont chaque jour l'occasion de se laver. Les articles de toilette nécessaires sont mis gratuitement à leur disposition.
4.5.3- Voeding
4.5.3- Alimentation.
Art. 79. [1 Elke bewoner krijgt driemaal per dag een maaltijd, waarbij verschillende alternatieven worden voorzien, teneinde redelijkerwijs de verschillende religieuze overtuigingen, hetzij de afwezigheid daarvan, te respecteren. Een voedselsupplement of een dieetmaaltijd kan op geneeskundig advies worden aangeboden.
  [2 ...]2]1

  
Art. 79. [1 Chaque occupant reçoit trois fois par jour un repas prévoyant plusieurs alternatives, afin de respecter raisonnablement les différentes convictions religieuses ou leur absence. Un supplément alimentaire ou un repas diététique peut être offert sur avis médical.
  [2 ...]2]1

  
Art. 80. Het gebruik en verbruik van alcoholische, verboden of gevaarlijke produkten is verboden.
Art. 80. La consommation et l'emploi de produits alcoolisés, interdits ou dangereux sont interdits aux occupants.
TITEL III. - Leefregels en tuchtregime in het centrum.
TITRE III. - Règles de vie et régime disciplinaire dans le centre.
HOOFDSTUK I. - De leefregels.
CHAPITRE I. - Les règles de vie.
Afdeling 1. [1 Groepsregime ]1
Section 1. [1 Régime de groupe]1
Art. 81. De dagindeling van de bewoners en de regeling en de opeenvolging van de activiteiten worden bepaald in het huishoudelijk reglement.
Art. 81. L'emploi du temps des occupants et la réglementation et le suivi des activités sont définis par le règlement d'ordre intérieur.
Art. 82. Elke bewoner heeft recht op ten minste twee uur wandeling per dag.
  Om medische redenen of in het belang van de bewoner kan de centrumdirecteur of diens plaatsvervanger beslissen dat hiervan wordt afgeweken.
  Omwille van ordemaatregelen kan de duur van de wandeling beperkt worden. In ieder geval moet de bewoner steeds de mogelijkheid hebben om één uur te wandelen.
  Wanneer een bewoner door zijn gedrag zijn veiligheid, de veiligheid van andere bewoners, van de personeelsleden of van het centrum in het gedrang brengt of wanneer hij de goede werking van het centrum in gevaar brengt, kan de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger uitzonderlijk beslissen hiervan af te wijken. Hij brengt de Minister hiervan onmiddellijk, via hiërarchische weg, op de hoogte.
Art. 82. Chaque occupant a droit à deux heures de promenade au minimum par jour.
  Pour raison médicale ou dans l'intérêt de l'occupant, le directeur du centre ou son remplaçant peut décider d'y déroger.
  Par mesure d'ordre, la durée de la promenade peut être limitée. En tout état de cause, l'occupant doit toujours avoir la possibilité de se promener une heure.
  Lorsqu'un occupant met en danger par son comportement sa sécurité, celle des autres occupants, des membres du personnel ou du centre, ou menace le bon fonctionnement de celui-ci, le directeur du centre ou son remplaçant peut exceptionnellement déroger à cette règle. Il en informe immédiatement le Ministre, par la voie hiérarchique.
Art. 83. Het verblijf in het centrum wordt tijdens de dag gekenmerkt door het leven in groepsverband.
  De centrumdirecteur neemt de nodige maatregelen om te waarborgen dat bij sanitaire aangelegenheden enkel personeelsleden van hetzelfde geslacht als de bewoners aanwezig zijn.
  Bij sanitaire- en slaapaangelegenheden worden alleenstaande mannen en vrouwen in elk geval gescheiden.
  De centrumdirecteur stelt de nodige infrastructuur ter beschikking om aan de privacy-noden van de bewoners tegemoet te komen.
  Indien minderjarigen in het centrum verblijven, dient de nodige aangepaste infrastructuur ter beschikking gesteld te worden, opdat deze zich kunnen ontspannen.
Art. 83. Le séjour dans le centre se caractérise, durant la journée, par la vie en groupe.
  Le directeur du centre prend les dispositions nécessaires afin de garantir que seuls des membres du personnel du même sexe que les occupants soient présents durant les périodes de toilette.
  Durant les périodes de toilette et de sommeil, les hommes et femmes célibataires sont dans tous les cas séparés.
  Le directeur du centre met à la disposition des occupants l'infrastructure nécessaire afin de respecter leurs besoins de vie privée.
  Si des mineurs séjournent dans le centre, l'infrastructure adaptée doit être mise à leur disposition de manière à ce qu'ils puissent se délasser.
Afdeling 2. [1 Kamerregime.]1
Section 2. [1 Régime de chambre. ]1
Art. 83/1. [1 De bewoner die, als gevolg van zijn gedrag voorafgaand aan de opsluiting of tijdens zijn verblijf in het centrum, niet kan verblijven in een centrum of een afdeling van een centrum met een groepsregime verblijft in een kamerregime op basis van een beslissing genomen door de directie van het centrum.
   De beslissing om de bewoner aan het groepsregime te onttrekken wordt meegedeeld aan de bewoner.]1

  
Art. 83/1. [1 L'occupant qui, suite à son comportement avant la détention ou pendant le séjour dans un centre, ne peut séjourner dans un centre ou une section du centre réservé à un régime de groupe séjourne dans un régime de chambre sur base d'une décision prise par la direction du centre.
   La décision de soustraire l'occupant au régime de groupe est portée à la connaissance de l'occupant.]1

  
Art. 83/2. [1 De bewoner die in een kamerregime verblijft, heeft recht op activiteiten, met inbegrip van de wandeling, die minimum drie uur per dag in beslag nemen.
   Wanneer de bewoner door zijn gedrag zijn veiligheid, de veiligheid van de andere bewoners, van de personeelsleden of van het centrum in het gedrang brengt of wanneer hij de goede werking van het centrum in gevaar brengt, kan de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger uitzonderlijk beslissen hiervan af te wijken. Hij brengt de Directeur-generaal hiervan onmiddellijk op de hoogte.]1

  
Art. 83/2. [1 L'occupant qui séjourne dans un régime de chambre a droit à un minimum de trois heures par jour d'activités, dont y compris la promenade.
   Lorsque l'occupant met en danger par son comportement, sa sécurité, celle des autres occupants, des membres du personnel ou celle du centre ou le bon fonctionnement du centre, le directeur du centre ou son remplaçant peut exceptionnellement décider d'y déroger. Il en informe immédiatement le Directeur général.]1

  
Art. 83/3. [1 De kamers gebruikt voor het kamerregime bevatten per bewoner ten minste :
   - een bed en aangepast beddengoed, bestaande uit een matras, een kussen, een onderlaken en voldoende lakens en dekens, in functie van het seizoen ;
   - een wasgelegenheid en een toilet;
   - een kast of rek;
   - een oproepsysteem;
   - ontspanningsmateriaal, op voorwaarde dat de bewoner hiermee op zorgvuldige wijze omgaat.]1

  
Art. 83/3. [1 Les chambres utilisées pour le régime de chambre comprennent au minimum, par occupant :
   - un lit et la literie adaptée comprenant un matelas, un oreiller, un drap-housse et des draps et couvertures en suffisance, adaptées à la saison;
   - un lavabo et une toilette;
   - une armoire ou étagère;
   - un système d'appel;
   - de l'équipement de loisir à condition que l'occupant l'utilise avec soin.]1

  
Afdeling 3.
Section 3.
Afdeling 4. [1 Regime dat afwijkt van de regimes van de afdelingen 1 en 2.]1
Section 4. [1 Régime dérogeant aux régimes des sections 1 et 2.]1
Art. 84. In de volgende gevallen kan [1 op de regimes voorzien door de [3 afdelingen 1 en 2]3]1 een uitzondering gemaakt worden :
  1° Omwille van de speciale categorieën van bewoners :
  a) de afzondering om medische redenen, overeenkomstig artikel 54 van dit besluit;
  [3 ...]3
  2° Omwille van orde- of veiligheidsmaatregelen :
  a) de afzondering van de bewoner, die door zijn gedrag de veiligheid of de rust van de groep in gevaar brengt;
  b) de afzondering als ordemaatregel, overeenkomstig artikel 98, § 1, 4° van dit besluit;
  3° [2 In het kader van de verwijdering of overbrenging van een bewoner:
   a) de afzondering voorafgaand aan de effectieve verwijdering van de bewoner;
   b) de afzondering wanneer de bewoner het centrum verlaat of voor een korte duur overgebracht wordt.]2

  [3 ...]3
  
Art. 84. Dans les cas suivants, une exception peut être faite [1 aux régimes prévus par les [3 sections 1 et 2]3]1 :
  1° pour des catégories spéciales d'occupants :
  a) l'isolement pour des raisons médicales, conformément à l'article 54 du présent arrêté;
  [3 ...]3
  2° Pour des mesures d'ordre ou de sécurité :
  a) l'isolement de l'occupant qui met en danger la sécurité et la tranquillité du groupe par son comportement;
  b) l'isolement comme mesure d'ordre, conformément à l'article 98, § 1, 4° du présent arrêté;
  3° [2 Dans le cadre de l'éloignement ou du transfert de l'occupant :
   a) l'isolement préalable à l'éloignement effectif de l'occupant ;
   b) lorsque l'occupant quitte le centre ou qu'il est transféré pour une courte durée.]2

  [3 ...]3
  
HOOFDSTUK II. - Het tuchtregime.
CHAPITRE II. - Le régime disciplinaire.
Afdeling 1. - Plichten van de bewoners van het centrum.
Section 1. - Obligations des occupants du centre.
Art. 85. De bewoner moet zich houden aan de leefregels beschreven in dit besluit en het huishoudelijk reglement van het centrum waarin zij verblijven. Hij dient de richtlijnen van het personeel op te volgen, teneinde de goede orde binnen het centrum te bewaren en de reglementen uit te voeren.
Art. 85. L'occupant doit se conformer aux règles de vie décrites dans le présent arrêté et dans le règlement d'ordre intérieur du centre dans lequel il séjourne. Il est tenu de suivre les directives du personnel afin de préserver le bon ordre à l'intérieur du centre et de se conformer aux règlements.
Art. 86. De bewoner moet steeds in het bezit zijn van het identificatiebewijs, dat hij overeenkomstig het huishoudelijk reglement verkregen heeft.
Art. 86. L'occupant doit toujours être en possession de la carte d'identification qui lui a été délivrée conformément au règlement d'ordre intérieur.
Art. 87. De bewoner verzorgt zijn kleding en zijn persoonlijke hygiëne.
Art. 87. L'occupant prend soin de ses vêtements et de son hygiène personnelle.
Art. 88. Het is de bewoners verboden de goede staat en de netheid van de roerende en onroerende goederen van het centrum aan te tasten.
  De bewoners zorgen er voor dat de vertrekken waarin zij verblijven te allen tijde in orde zijn en voldoen aan de voorschriften bepaald in het huishoudelijk reglement.
  [1 De schade die bewoners opzettelijk aanrichten en de kosten veroorzaakt door hun gedrag niet conform de regels kunnen onmiddellijk op hen verhaald worden.]1
  
Art. 88. Il est interdit aux occupants d'altérer le bon état et la propreté des biens mobiliers et immobiliers du centre.
  Les occupants veillent à ce que les locaux dans lesquels ils séjournent soient en ordre et satisfassent aux conditions déterminées dans le règlement d'ordre intérieur.
  [1 Les dégâts occasionnés intentionnellement par les occupants ainsi que les coûts occasionnés par leur comportement non conforme aux règles peuvent être immédiatement réclamés.]1
  
Art. 89. Alle handelingen die de veiligheid, de orde en de goede werking van het centrum verstoren, zijn verboden.
Art. 89. Tous les actes qui compromettent la sécurité, l'ordre et le bon fonctionnement du centre sont interdits.
Art. 90. De bewoner volgt de voorgeschreven procedures met betrekking tot het gebruik van scheermateriaal en andere gevaarlijke voorwerpen, waarvan misbruik zou kunnen gemaakt worden. Deze procedures worden beschreven in het huishoudelijk reglement.
Art. 90. L'occupant suit les procédures prescrites quant à l'utilisation du matériel de rasage et des autres objets dangereux dont il pourrait être fait un usage abusif. Ces procédures sont décrites dans le règlement d'ordre intérieur.
Art. 91. De bewoners volgen de dagindeling en de groepsbewegingen zoals beschreven in het huishoudelijk reglement.
Art. 91. Les occupants suivent l'emploi du temps et les déplacements de groupe de la manière décrite dans le règlement d'ordre intérieur.
Afdeling 2. - Algemene bepalingen.
Section 2. - Dispositions générales.
Art. 92. De tuchtregeling kan er enkel toe strekken de orde te handhaven en de veiligheid en de goede werking van het centrum te vrijwaren.
  In de mate van het mogelijke worden ordemaatregelen vermeden.
Art. 92. Le régime disciplinaire ne peut que viser à maintenir l'ordre et à garantir la sécurité et le bon fonctionnement du centre.
  Dans la mesure du possible, les mesures d'ordre sont évitées.
Art. 93. § 1. Geen enkele bewoner mag in het centrum worden belast met de handhaving van de tucht.
  § 2. De bewoners kunnen belast worden met specifieke verantwoordelijkheden bij de uitvoering van activiteiten in gemeenschappelijk verband.
Art. 93. § 1er. Aucun occupant ne peut être chargé du maintien de la discipline dans le centre.
  § 2. Les occupants peuvent être chargés de responsabilités spécifiques lors de l'exécution d'activités dans le cadre communautaire.
Art. 94. Enkel de ordemaatregelen die door of krachtens dit besluit zijn omschreven, kunnen ten aanzien van een bewoner worden genomen. Enkel de inbreuken die door of krachtens dit besluit zijn omschreven, kunnen aanleiding geven tot het nemen van ordemaatregelen ten aanzien van een bewoner.
Art. 94. Seules les mesures d'ordre décrites par ou en vertu de cet arrêté peuvent être prises à l'égard d'un occupant. Seules les infractions décrites par ou en vertu de cet arrêté peuvent donner lieu à des mesures d'ordre à l'égard d'un occupant.
Art. 95. Een samenloop tussen een tuchtrechtelijke inbreuk en een strafbaar feit staat de tuchtprocedure en de mogelijkheid van het nemen van een ordemaatregel niet in de weg.
  Voor één en dezelfde inbreuk mag ten aanzien van een bewoner niet tweemaal een ordemaatregel worden genomen.
Art. 95. Un concours entre une infraction disciplinaire et une infraction pénale ne fait pas obstacle à la possibilité d'entamer une procédure disciplinaire ou de prendre une mesure d'ordre.
  Une mesure d'ordre ne peut être prise deux fois à l'égard d'un occupant pour une seule et même infraction.
Afdeling 3. - Inbreuken.
Section 3. - Infractions.
Art. 96. § 1. Enkel de volgende feiten worden beschouwd als inbreuken die aanleiding kunnen geven tot ordemaatregelen :
  1° ernstige en herhaalde beledigingen ten aanzien van het personeel van het centrum of daarmee gelijk te stellen personen, die van aard zijn hun gezag te ondermijnen;
  2° ernstige en herhaalde beledigingen ten aanzien van andere bewoners, die van aard kunnen zijn aanleiding te geven tot feitelijkheden;
  3° het zich zonder toelating opzettelijk bevinden in een ruimte of plaats die men niet gerechtigd is te betreden of buiten de toegestane tijdsperiode en door dit feit de orde, de veiligheid of de goede werking van het centrum te verstoren;
  4° daden van koop en verkoop of het aanbod daartoe tussen bewoners, behoudens toelating van de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger;
  5° het in het bezit hebben of het gebruik van verboden voorwerpen of substanties;
  6° het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het centrumpersoneel, tenzij deze manifest onrechtmatig zijn;
  7° het opzettelijk vernielen of beschadigen van andermans roerende of onroerende goederen en van de zaken die in het bezit werden gesteld of gelaten van de bewoners, onder beding om ze in goede staat te onderhouden;
  8° het verstoren van de veiligheid, de orde, de goede zeden en de goede werking van het centrum of het zich opzettelijk niet houden aan een afspraak, waardoor de goede gang van zaken van het centrum in het gedrang komt of aan een afspraak waarvoor de Dienst Vreemdelingenzaken maatregelen diende te nemen;
  9° diefstal, afpersing, heling, oplichting, actieve of passieve omkoping;
  10° bedreigingen met aantasting van de fysieke integriteit van personen of met vernieling of beschadiging van goederen;
  11° opzettelijke slagen en het opzettelijk toebrengen van verwondingen;
  12° het stellen van handelingen met het oog op ontvluchting of het vergemakkelijken van een ontvluchting;
  13° een opzettelijke veronachtzaming van een door of krachtens dit besluit of het huishoudelijk reglement schriftelijk vastgelegde verplichting.
  [1 14° seksuele handtastelijkheden die de eerbaarheid van het personeel van het centrum, daarmee gelijk te stellen personen of andere bewoners aantasten;
   15° het in het bezit hebben of het gebruik van toestellen, werktuigen, gereedschappen of andere snijdende, stekende of kneuzende voorwerpen die men heeft ter hand genomen heeft om te doden, te verwonden, te slaan of te dreigen.]1

  § 2. Worden eveneens beschouwd als inbreuken op de tuchtregeling, die aanleiding kunnen geven tot ordemaatregelen, de poging tot de onder § 1 opgesomde inbreuken en de deelneming eraan.
  
Art. 96. § 1er. Seuls les faits suivants sont considérés comme des infractions et peuvent donner lieu à des mesures d'ordre :
  1° des offenses sérieuses et répétées à l'égard des membres du personnel du centre ou des personnes assimilées, qui sont de nature à saper leur autorité;
  2° des offenses sérieuses et répétées à l'égard d'autres occupants, qui sont de nature à donner lieu à des voies de fait;
  3° se trouver délibérément sans accord dans un espace ou un endroit où ils ne sont pas autorisés à pénétrer ou y être en dehors de la période de temps autorisée et de perturber par ce fait l'ordre, la sécurité ou le bon fonctionnement du centre;
  4° des faits d'achat ou de vente ou l'offre à cet effet entre des occupants sauf s'il y a eu autorisation du directeur du centre ou de son remplaçant;
  5° la possession ou l'usage d'objets ou de substances interdits;
  6° ne pas donner suite aux avertissements et aux ordres du personnel du centre, sauf si ceux-ci sont manifestement illégitimes;
  7° la destruction ou la dégradation intentionnelle des biens meubles ou immeubles d'autrui et des biens mis ou laissés à la disposition des occupants à condition de les garder en bon état;
  8° la perturbation de la sécurité, de l'ordre, des bonnes moeurs et du bon fonctionnement du centre ou le fait de ne pas se tenir délibérément à un accord, ce qui compromet le bon fonctionnement du centre, ou un accord pour lequel l'Office des étrangers a dû prendre des mesures;
  9° le vol, l'extorsion, le recel, l'escroquerie, la corruption active ou passive;
  10° les menaces avec atteinte à l'intégrité physique des personnes ou avec destruction ou dégradation de biens;
  11° les coups intentionnels et la cause intentionnelle de blessures;
  12° poser des actes dans le but de s'évader ou de faciliter une évasion;
  13° l'inobservation intentionnelle d'une des obligations établies, par écrit, par ou en vertu du présent arrêté ou par le règlement d'ordre intérieur.
  [1 14° attouchements sexuels qui portent atteinte à la pudeur du personnel du centre, des personnes assimilées ou d'autres occupants;
   15° être en possession ou faire usage de machines, d'instruments, d'ustensiles ou d'autres objets tranchants, perçants ou contondants, dont on se sera saisi pour tuer, blesser, frapper ou menacer.]1

  § 2. Sont également considérés comme des infractions au règlement disciplinaire, qui peuvent donner lieu à des mesures d'ordre, la tentative des infractions énumérées au § 1er et la participation à ces infractions.
  
Afdeling 4. - Ordemaatregelen.
Section 4. - Mesures d'ordre.
Art. 97. Bij de keuze van de aard en de maat van de ordemaatregel wordt rekening gehouden met de aard en de ernst van de inbreuk, met de omstandigheden waarin zij plaatsvond en, zo daartoe gronden aanwezig zijn, met verzachtende omstandigheden.
  [2 ...]2
  
Art. 97. Lors du choix de la nature de la mesure d'ordre, il est tenu compte de la nature et du sérieux de l'infraction, des circonstances dans lesquelles elle a eu lieu et, s'il y a lieu, des circonstances atténuantes.
  [2 ...]2
  
Art. 98. § 1. De opgelegde ordemaatregelen zijn :
  1° een mondelinge waarschuwing;
  2° opgelegde taken in verband met orde en netheid van het centrum;
  3° [1 De intrekking van de volgende gunsten :
   - de toegang tot de bibliotheek, de recreatieve ruimte of de kantine;
   - de deelname aan culturele, sport- of ontspanningsactiviteiten;
   - de deelname aan fysieke activiteiten;
   - de deelname aan lessen;
   - het gebruik van persoonlijk ontspanningsmateriaal;
   - het uitvoeren van taken tegen vergoeding;
   - de mogelijkheid om te roken;
   - het tussendoortje;
   - het GSM-gebruik.]1

  4° plaatsing in een afzonderingsruimte.
  § 2. De ordemaatregel vermeld in § 1, 1° kan worden opgelegd door het centrumpersoneel.
  De ordemaatregel vermeld in § 1, 2° kan worden opgelegd door de centrumdirecteur, zijn plaatsvervanger of de personeelsleden van ten minste [1 niveau C]1 die daartoe in het huishoudelijk reglement zijn aangewezen.
  De ordemaatregelen vermeld in § 1, 3° en 4° kunnen enkel door de centrumdirecteur of door zijn plaatsvervanger worden opgelegd.
  [3 ...]3
  [1 De plaatsing in een afzonderingsruimte kan enkel worden opgelegd :
   1° in geval van een inbreuk bepaald in artikel 96, § 1, 7°, 9°, 10°, 11°, 12°, 14° en 15°;
   2° in geval van poging tot of een deelneming aan een inbreuk bepaald in 1°;
   3° wanneer een bewoner een derde maal een inbreuk begaat overeenkomstig artikel 96.]1

  Indien de inbreuk is gepleegd ten aanzien van de centrumdirecteur, is diens plaatsvervanger bevoegd om ordemaatregelen op te leggen.
  Alle opgelegde ordemaatregelen worden door de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger opgetekend in het individueel dossier van de bewoner, dat in het centrum wordt bewaard.
  § 3. De bevoegdheid om ordemaatregelen op te leggen behoort toe aan de in § 2 aangewezen personeelsleden van het centrum waar of van waaruit de inbreuk is gepleegd.
  Indien de inbreuk is gepleegd tijdens een verplaatsing buiten het centrum, zijn de in § 2 aangewezen personeelsleden van het centrum waar de bewoner verblijft of zal verblijven bevoegd.
  
Art. 98. § 1er. Les mesures d'ordre appliquées sont :
  1° un avertissement verbal;
  2° des tâches imposées relatives à l'ordre et à la propreté du centre;
  3° [1 Le retrait des avantages suivants :
   - l'accès à la bibliothèque, l'espace récréatif ou à la cantine;
   - la participation à des activités culturelles, sportives ou de détente;
   - la participation à des activités physiques;
   - la participation à des leçons;
   - l'usage de matériel de détente appartenant à l'occupant;
   - exécuter des tâches contre rémunération;
   - la possibilité de fumer;
   - la collation;
   - l'usage de téléphone mobile.]1

  4° le placement dans un local d'isolement.
  § 2. La mesure d'ordre prévue au § 1, 1° peut être infligée par les membres du personnel.
  La mesure d'ordre prévue au § 1, 2°, peut être infligée par le directeur du centre, son remplaçant ou les membres du personnel, au moins de [1 niveau C]1, qui ont été désignés dans le règlement d'ordre intérieur à cet effet.
  Les mesures d'ordre prévues aux § 1, 3° et 4° ne peuvent être infligées que par le directeur du centre ou par son remplaçant.
  [3 ...]3
  [1 Le placement dans un local d'isolement ne peut être imposé que :
   1° dans le cas d'une infraction définie à l'article 96, § 1er, 7°, 9°, 10°, 11°, 12°, 14° et 15°;
   2° en cas de tentative d'infraction ou de participation à une infraction visée au 1°;
   3° si un occupant commet une troisième fois une infraction conformément à l'article 96.]1

  Si l'infraction est commise à l'égard du directeur du centre, c'est son remplaçant qui est compétent d'imposer des mesures d'ordre.
  Toutes les mesures d'ordre infligées seront notées par le directeur du centre ou par son remplaçant dans le dossier individuel de l'occupant, qui est conservé dans le centre.
  § 3. La compétence d'imposer des mesures d'ordre appartient aux membres du personnel désignés au § 2, du centre où l'infraction est commise ou à partir duquel l'infraction est commise.
  Si l'infraction est commise lors d'un déplacement en dehors du centre, ce sont les membres du personnel, désignés au § 2, du centre où l'occupant réside ou va résider, qui sont compétents.
  
Art. 99. De in artikel 98, § 1, 3°, vermelde ordemaatregelen kunnen hetzij afzonderlijk, hetzij samen worden opgelegd. Zij kunnen tijdens de uitvoering worden verminderd of opgeheven door de centrumdirecteur of diens plaatsvervanger.
Art. 99. Les mesures d'ordre énumérées à l'article 98, § 1, 3°, peuvent être infligées soit séparément, soit ensemble. Elles peuvent être diminuées ou levées par le directeur du centre ou son remplaçant durant leur exécution.
Art. 100. De duur van de onder artikel 98, § 1, 2° en 3°, vermelde ordemaatregelen mag niet meer bedragen dan vijf dagen. In geval van herhaling is de maximumduur tien dagen.
Art. 100. La durée des mesures d'ordre énumérées à l'article 98, § 1, 2° et 3°, ne peut excéder cinq jours. En cas de récidive, la durée maximale est fixée à dix jours.
Art. 101. [1 § 1. De maximumduur van de plaatsing in een afzonderingsruimte is vierentwintig uur. Indien het gedrag van de bewoner de integratie in de leefgroep onmogelijk maakt, kan de directeur-generaal tweemaal beslissen deze termijn met vierentwintig uur te verlengen.
   In de volgende gevallen kan de centrumdirecteur onmiddellijk aan de directeur-generaal voorstellen om de bewoner in een afzonderingsruimte te plaatsen, voor een termijn van achtenveertig uur :
   1° bedreigingen met aantasting van de fysieke integriteit van personen of met vernieling of beschadiging van goederen;
   2° het opzettelijk toebrengen van slagen en het opzettelijk toebrengen van verwondingen;
   3° het stellen van handelingen met het oog op ontvluchting of het vergemakkelijken van een ontvluchting;
   4° het in het bezit hebben of het gebruik van toestellen, werktuigen, gereedschappen of andere snijdende, stekende of kneuzende voorwerpen die men heeft ter hand genomen om te doden, te verwonden, te slaan of te dreigen.
   Indien het gedrag van de bewoner de integratie in de leefgroep onmogelijk maakt, kan de directeur-generaal tweemaal beslissen deze termijn met vierentwintig uur te verlengen.
   § 2. In geval van opzettelijke slagen en het opzettelijk toebrengen van verwondingen aan personen, kan de centrumdirecteur onmiddellijk aan de directeur-generaal voorstellen de bewoner voor een termijn van tweeënzeventig uur in een afzonderingsruimte te plaatsen.
   Indien het gedrag van de bewoner de integratie in de leefgroep onmogelijk maakt, kan de directeur-generaal tweemaal beslissen deze termijn met vierentwintig uur te verlengen.
   Zodra de termijn als bepaald in het tweede lid, verstreken is, kan enkel de Minister beslissen de plaatsing in een afzonderingsruimte te verlengen en dit tot maximaal zeven dagen.]1

  
Art. 101. [1 La durée maximale de placement dans un local d'isolement est de vingt-quatre heures. Si le comportement de l'occupant rend impossible son intégration au sein du groupe, le directeur général peut décider à deux reprises de prolonger ce délai de vingt-quatre heures.
   Dans les cas suivants, le directeur du centre peut proposer au directeur général de placer l'occupant immédiatement en local d'isolement pendant une durée de quarante-huit heures :
   1° des menaces avec atteinte à l'intégrité physique de personnes ou destruction ou dégradation de biens;
   2° porter intentionnellement des coups et occasionner intentionnellement des blessures;
   3° poser des actes dans le but de s'évader ou de faciliter une évasion;
   4° être en possession ou faire usage d'appareils, d'instruments, d'ustensiles ou d'autres objets tranchants, perçants ou contondants, dont on se sera saisi pour tuer, blesser, frapper ou menacer.
   Si le comportement de l'occupant rend impossible son intégration au sein du groupe, le directeur général peut décider à deux reprises de prolonger ce délai de vingt-quatre heures.
   § 2. En cas de coups intentionnels et de cause intentionnelle de blessures aux personnes, le directeur de centre peut proposer au directeur général de placer l'occupant immédiatement en local d'isolement pendant une durée de septante-deux heures.
   Si le comportement de l'occupant rend impossible son intégration au sein du groupe, le directeur général peut décider à deux reprises de prolonger ce délai de vingt-quatre heures.
   Dès que le délai tel que défini à l'alinéa 2, a expiré, seul le Ministre peut décider de prolonger le placement en local d'isolement jusqu'à une durée maximum de sept jours.]1

  
Art. 102. De afzonderingsruimte moet minimaal een matras en w.c. bevatten, alsook een oproepsysteem waarmee de bewoner een personeelslid kan oproepen.
  Bij oneigenlijk gebruik kunnen de matras en het toiletpapier gedurende maximum [1 drie uur]1 worden weggenomen.
  
Art. 102. Le local d'isolement doit comprendre au minimum un matelas et des toilettes, ainsi qu'un système d'appel permettant à l'occupant d'appeler un membre du personnel.
  En cas d'utilisation inappropriée, le matelas et le papier de toilette peuvent être retirés pendant [1 trois heures]1 au maximum.
  
Art. 103. De bewoner moet vooraf in kennis gesteld worden van de feiten die hem ten laste worden gelegd en geen enkele sanctie kan getroffen worden alvorens hij gehoord is.
Art. 103. L'occupant doit au préalable être informé des faits qui lui sont reprochés et aucune sanction ne peut être infligée avant qu'il ait été entendu.
Afdeling 5. - Dwangmaatregelen.
Section 5. - Mesures coercitives.
Art. 104. Dwang kan enkel gebruikt worden indien het gedrag van de bewoner een risico vormt voor hemzelf, voor de andere bewoners, voor de personeelsleden of voor de veiligheid, de orde of de goederen van het centrum of van derden. Het gebruik van dwang moet redelijk zijn en in verhouding tot het nagestreefde doel.
  Dwangmiddelen zijn geen ordemaatregelen, maar middelen om de bewoner onder controle te krijgen.
  De toegelaten dwangmiddelen zijn :
  1° de fysieke aansporing;
  2° de houdgreep;
  3° de hand- en/of voetboeien.
  Elk dwangmiddel mag slechts worden gebruikt als het vorige dwangmiddel heeft gefaald.
  Het gebruik van hand- en/of voetboeien kan enkel in opdracht van de centrumdirecteur of diens plaatsvervanger.
  Elk geval waarin dwang wordt gebruikt, moet aan de centrumdirecteur worden gemeld.
Art. 104. La contrainte ne peut être utilisée que si le comportement de l'occupant constitue un danger pour lui-même, pour les autres occupants, pour les membres du personnel ou pour la sécurité, l'ordre ou les biens du centre ou les tiers. L'utilisation de la contrainte doit demeurer raisonnable et en rapport avec le but poursuivi.
  Les mesures coercitives ne sont pas des sanctions mais des moyens de garder le contrôle de l'occupant.
  Les moyens de coercition autorisés sont :
  1° une contrainte physique;
  2° une clef de bras;
  3° des menottes aux poignets et/ou aux pieds.
  Il ne peut être recouru à un moyen de coercition que si le précédent a échoué.
  Le passage de menottes aux poignets et/ou aux pieds ne peut s'effectuer que sur l'ordre du directeur du centre ou de son remplaçant.
  Tout cas où l'usage de la force a été employé, doit être signalé au directeur du centre.
Afdeling 6. - Overbrenging naar een andere instelling.
Section 6. - Transfert vers un autre établissement.
Art. 105. Indien een bewoner door zijn gedrag zijn veiligheid, de veiligheid van andere bewoners, van de personeelsleden of van het centrum in het gedrang brengt of wanneer hij de goede werking van het centrum in gevaar brengt of na een verwijderingspoging of om een evenwichtige verdeling van de bewoners over de verschillende centra te bekomen, kan de centrumdirecteur of diens plaatsvervanger beslissen dat de bewoner naar een ander centrum of een andere instelling moet worden overgebracht.
  De overbrenging van een bewoner naar een ander centrum of een andere instelling moet steeds in overleg met de directeur van dit centrum of die instelling of zijn plaatsvervanger gebeuren.
  [2 ...]2
  
Art. 105. Lorsqu'un occupant met en danger par son comportement sa sécurité, celle des autres occupants, des membres du personnel ou du centre ou le bon fonctionnement de celui-ci, ou après une tentative d'éloignement ou pour garder une répartition équilibrée des occupants dans les différents centres, le directeur du centre ou son remplaçant peut décider du transfert de l'occupant vers un autre centre ou établissement.
  Le transfert de l'occupant vers un autre centre ou établissement doit toujours s'opérer en concertation avec le directeur de celui-ci ou son remplaçant.
  [2 ...]2
  
TITEL IV. - Veiligheid en handhaving van de openbare orde.
TITRE IV. - Sécurité et maintien de l'ordre public.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
Art. 106. De centrumdirecteur zorgt ervoor dat het minimum aantal personeelsleden steeds aanwezig is, zodat de veiligheid van het centrum niet in het gedrang komt.
Art. 106. Le directeur du centre s'assure de la présence constante d'un nombre minimal de membres du personnel, afin de ne pas compromettre la sécurité du centre.
Art. 107. De centrumdirecteur inspecteert regelmatig het centrum om er op toe te zien dat de bewoners, de personeelsleden en derden stipt de reglementering naleven.
Art. 107. Le directeur du centre inspecte régulièrement le centre afin de s'assurer que les occupants, les membres du personnel et les tiers observent rigoureusement la réglementation.
Art. 108. [1 Het doorzoeken van de verblijfsruimtes gebeurt overeenkomstig artikel 111/2, § 3.]1
  
Art. 108. [1 L'espace de séjour est fouillé conformément à l'article 111/2, § 3.]1
  
Art. 109. Bij ernstige verstoring van de orde of wanneer de veiligheid van het centrum ernstig bedreigd wordt, neemt de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger de maatregelen die de omstandigheden en de voorzichtigheid vereisen en stelt hij de Directeur-generaal daarvan onmiddellijk in kennis.
  Het personeel volgt hierbij de specifieke bepalingen vastgesteld in het huishoudelijk reglement.
Art. 109. En cas de trouble ou de menace grave pour la sécurité du centre, le directeur du centre ou son remplaçant prend les mesures que les circonstances et la prudence imposent, et en informe immédiatement le Directeur général.
  Le personnel suit dans ce cas les dispositions spécifiques établies dans le règlement d'ordre intérieur.
Art. 110. De centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger vordert de bijstand van de politiediensten, wanneer hij dat voor de veiligheid van het centrum nodig acht.
Art. 110. Lorsqu'il l'estime nécessaire à la sécurité du centre, le directeur du centre ou son remplaçant requiert l'assistance des services de police.
Art. 111. De infrastructuur van het centrum wordt jaarlijks door een lid van de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk geïnspecteerd.
Art. 111. L'infrastructure du centre est inspectée annuellement par un membre du Comité pour la Prévention et la Protection au travail.
Hoofdstuk I/1. [1 - Fouillering en bewaargeving]1
Chapitre Ier/1 [1 Fouille et dépôt]1
Art. 111/1. (NOTA : De woorden " en op andere ogenblikken tijdens zijn verblijf " in het eerste lid van artikel 111/1 zijn vernietigd bij het arrest nr 208.281 van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, van 20-10-2010, zie B.St. van 02-12-2010, p. 73739)
Art. 111/1. (NOTE : Les mots " et à autres moments au cours de son séjour " sont annulés par l'arrêt n° 208.281 du Conseil d'Etat, la section du contentieux administratif, du 20-10-2010, voir M.B. du 02-12-2010, p. 73739)
   [1 De bewoner evenals zijn kledij, bagage en persoonlijke bezittingen kunnen onderworpen worden aan een fouillering bij de aankomst in het centrum, na het ontvangen van bezoek en op andere ogenblikken tijdens zijn verblijf.
   Deze fouillering heeft tot doel na te gaan of de bewoner in het bezit is van voorwerpen of stoffen die verboden zijn of die gevaarlijk zijn voor hemzelf, de andere bewoners, voor het personeel of voor de veiligheid van het centrum. De fouillering mag niet langer duren dan de daartoe noodzakelijke tijd en wordt uitgevoerd in opdracht van de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger.
   De fouillering mag geen tergend karakter hebben en dient te geschieden met eerbiediging van de waardigheid van de bewoner.
   De bewoner is verplicht hieraan zijn volledige medewerking te verlenen.]1

  
   [1 L'occupant ainsi que ses vêtements, ses bagages et ses effets personnels peuvent être soumis à une fouille lors de l'arrivée dans le centre, après une visite et à d'autres moments au cours de son séjour.
   Cette fouille a pour but de vérifier si l'occupant est en possession d'objets ou de substances interdits ou dangereux pour lui-même, les autres occupants, le personnel ou la sécurité du centre. La fouille ne peut excéder le temps nécessaire à sa réalisation et est effectuée à la demande du directeur du centre ou de son remplaçant.
   La fouille ne peut avoir un caractère vexatoire et doit se dérouler dans le respect de la dignité de l'occupant.
   L'occupant a l'obligation d'y coopérer entièrement.]1

  
Art. 111/2. [1 § 1. De fouille van een bewoner kan uitgevoerd worden als volgt :
   1° door het gebruik van een systeem voor metaaldetectie of andere screeningsapparatuur;
   2° door het grondig betasten van het boven- en onderlichaam over de kledij;
   3° door het volledig laten uitkleden van een bewoner om het grondig doorzoeken van de kledij mogelijk te maken.
   § 2. De kledij, bagage en bezittingen kunnen op volgende wijzen onderzocht worden :
   1°door het gebruik van een systeem voor metaaldetectie of andere screeningsapparatuur;
   2° door het grondig met de hand doorzoeken.
   Met het oog op de handhaving van de orde en de veiligheid worden de verblijfsruimtes van de bewoner overeenkomstig de richtlijnen van de centrumdirecteur door daartoe door de centrumdirecteur aangeduide personeelsleden geregeld doorzocht op de conformiteit met de in het gesloten centrum geldende regels. Deze controlemaatregel mag niet verder gaan dan nodig is voor het bereiken van het beoogde doel.
   § 3. [2 De fouillering als bepaald in § 1, 2° wordt uitgevoerd door twee leden van het personeel. Het personeelslid dat de fouillering fysiek uitvoert moet steeds van hetzelfde geslacht zijn als de bewoner. Het ander personeelslid dient enkel in te staan voor de veiligheid tijdens de uitvoering van de fouillering. [3 ...]3
   De fouillering als bepaald in § 1, 3° wordt uitgevoerd door twee leden van het personeel van hetzelfde geslacht als de bewoner. Deze fouillering moet plaatsvinden in een ruimte waar geen andere bewoners of derden aanwezig zijn of kunnen binnenkijken. [3 ...]3]2
]1

  
Art. 111/2. [1 § 1er. La fouille d'un occupant peut être réalisée comme suit :
   1° en utilisant un détecteur de métaux ou un autre appareil de détection;
   2° en effectuant une palpation minutieuse de la partie supérieure et inférieure du corps par-dessus les vêtements;
   3° en demandant à l'occupant de se déshabiller pour permettre la fouille minutieuse de ses vêtements.
   § 2. Les vêtements, bagages et effets personnels peuvent être fouillés comme suit :
   1° en utilisant un détecteur de métaux ou un autre appareil de détection;
   2° en effectuant une palpation manuelle minutieuse.
   Pour le maintien de l'ordre ou de la sécurité, selon les directives données par le directeur de centre aux personnes qu'il aura désignées à cet effet, les espaces de séjour de l'occupant sont régulièrement contrôlés pour vérifier s'ils sont conformes aux règles en vigueur dans le centre fermé. Cette mesure de contrôle ne peut pas aller plus loin que nécessaire pour atteindre le but recherché.
   § 3. [2 La fouille telle que définie au § 1er, 2° est assurée par deux membres du personnel. Le membre du personnel qui effectue la fouille corporelle doit être du même sexe que l'occupant. L'autre membre du personnel a pour seule fonction d'assurer la sécurité lors de la fouille. [3 ...]3
   La fouille telle que définie au § 1er, 3° est effectuée par deux agents du personnel du même sexe que l'occupant. Cette fouille doit avoir lieu dans un espace où aucun autre occupant ou tiers ne sont présents ou ne peuvent jeter un regard à travers. [3 ...]3]2
]1

  
Art. 111/3. [1 Indien ingevolge de fouillering als bepaald in het artikel 111/2, §§ 1 en 2 gevaarlijke of verboden voorwerpen of substanties worden aangetroffen, worden deze in bewaring genomen, ter beschikking gesteld van de bevoegde overheden of met goedkeuring van de bewoner vernietigd.
   De bewoner heeft het recht de hem toebehorende voorwerpen waarvan het bezit niet onverenigbaar is met de orde en de veiligheid in zijn verblijfsruimte onder te brengen dan wel bij zich te hebben of in bewaring te geven overeenkomstig de door het huishoudelijk reglement te bepalen regels.
   De bewaargeving valt onder toezicht en verantwoordelijkheid van de centrumdirecteur. Er wordt een inventaris opgemaakt van de in bewaring gegeven goederen. De betrokken bewoner ontvangt een afschrift van de inventaris die hijzelf en twee daartoe bevoegde personeelsleden ondertekenen.]1

  
Art. 111/3. [1 Si des objets ou substances interdits ou dangereux sont découverts lors de la fouille telle que définie à l'article 111/2, §§ 1 et 2, ceux-ci sont mis en dépôt, tenus à la disposition des autorités compétentes ou détruits avec l'accord de l'occupant.
   Conformément aux règles à définir dans le règlement d'ordre intérieur, l'occupant a le droit d'entreposer dans son espace de séjour, de garder sur lui ou de mettre en dépôt les objets qui lui appartiennent et dont la détention n'est pas incompatible avec l'ordre et la sécurité.
   Le dépôt est placé sous la surveillance et la responsabilité du directeur de centre. Un inventaire des biens mis en dépôt est dressé. L'occupant concerné reçoit une copie de l'inventaire signé par lui-même et par deux agents du personnel compétents.]1

  
Art. 111/4. [1 § 1. De bezoekers en hun bagage kunnen in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid, gefouilleerd worden door daartoe door de centrumdirecteur aangeduide leden van het personeel. Dit onderzoek heeft tot doel na te gaan of de bezoeker in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn.
   De fouillering mag geen tergend karakter hebben en dient te geschieden met eerbiediging van de waardigheid van de bezoeker. De bezoeker is verplicht hieraan zijn volledige medewerking te verlenen.
   § 2. De fouille van de bezoeker en zijn bagage kan uitgevoerd worden op een van de volgende wijzen :
   1° het gebruik van een systeem voor metaaldetectie of andere screeningsapparatuur;
   2° het oppervlakkig betasten van het boven- en onderlichaam over de kledij;
   3° het doorzoeken van de persoonlijke bagage.
   § 3. Indien bij de fouillering voorwerpen of substanties worden aangetroffen die niet in het bezit van de bezoeker mogen zijn, moeten deze in de daarvoor voorziene ruimtes worden opgeborgen voor de duur van het bezoek.
   Indien de bezoeker hieraan zijn medewerking niet verleent, wordt hem de toegang tot het centrum geweigerd.]1

  
Art. 111/4. [1 § 1er. Pour le maintien de l'ordre ou de la sécurité, les visiteurs et leurs bagages peuvent être fouillés par les agents du personnel que le directeur du centre aura désignés à cet effet. Cette fouille vise à vérifier si le visiteur est en possession d'objets ou de substances interdits ou qui pourraient s'avérer dangereux.
   La fouille ne peut avoir un caractère vexatoire et doit se dérouler dans le respect de la dignité du visiteur. Le visiteur a l'obligation d'y coopérer entièrement.
   § 2. La fouille du visiteur et de ses bagages peut être réalisée comme suit :
   1° en utilisant un détecteur de métaux ou un autre appareil de détection;
   2° en effectuant une palpation superficielle de la partie supérieure et inférieure du corps par-dessus les vêtements;
   3° en contrôlant les bagages personnels.
   § 3. Si la fouille permet de découvrir des objets ou substances que le visiteur n'a pas le droit d'avoir en sa possession, ceux-ci doivent être entreposés dans les espaces prévus à cet effet pendant la durée de la visite.
   Si le visiteur ne coopère pas pour cette procédure, l'accès au centre lui est refusé.]1

  
HOOFDSTUK II. - Ontsnapping.
CHAPITRE II. - Evasion.
Art. 112. Bij vaststelling van een ontsnapping of een ontsnappingspoging dient de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger hiervan onmiddellijk op de hoogte gebracht te worden. Hij dient de Directeur-generaal daarvan onmiddellijk in kennis te stellen.
Art. 112. Dès la constatation d'une évasion ou d'une tentative d'évasion, le directeur du centre ou son remplaçant doit être immédiatement prévenu. Il doit en informer immédiatement le Directeur général.
Art. 113. De politiediensten worden onmiddellijk ingelicht bij een ontsnapping en de volgende gegevens worden doorgegeven : het aantal ontsnapten, de naam, voornaam, geboortedatum, dossiernummer, nationaliteit en foto.
Art. 113. Les services de police sont immédiatement informés d'une évasion et se voient transmettre les données suivantes : le nombre d'évadés, le nom, prénom, date de naissance, numéro de dossier, nationalité et photographie.
Art. 114. Er dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de eventuele medische gevolgen van een ontsnappingspoging.
Art. 114. Une attention particulière est accordée aux suites médicales éventuelles dues à une tentative d'évasion.
HOOFDSTUK III. - Risico op zelfmoord.
CHAPITRE III. - Risque de suicide.
Art. 115. [1 Een medisch of psychologisch advies moet de beslissing om een bewoner met een ernstig risico op zelfmoord af te zonderen, steeds voorafgaan. Deze bewoners worden regelmatig gecontroleerd door de personeelsleden van het centrum en met meer aandacht gevolgd door de medische en de sociale dienst.]1
  
Art. 115. [1 Un avis médical ou psychologique doit précéder la décision relative à l'isolement de l''occupant présentant un risque sérieux de suicide. Ces occupants sont régulièrement contrôlés par les membres du personnel du centre et suivis plus attentivement par le service médical et le service social.]1
  
Art. 116. De centrumdirecteur mag betrouwbare medebewoners plaatsen bij de bewoner die een bijzondere neiging tot zelfmoord vertoont.
Art. 116. Le directeur du centre peut placer des occupants dignes de confiance aux côtés de l'occupant qui présente une propension particulière au suicide.
Art. 117. In geval van een zelfmoordpoging wordt onmiddellijk de medische dienst en, indien nodig, de hulpdiensten opgeroepen. De centrumdirecteur dient hiervan onmiddellijk op de hoogte gebracht te worden. Hij stelt een verslag op en brengt de Directeur-generaal zo snel mogelijk op de hoogte.
Art. 117. En cas de tentative de suicide, le service médical et, au besoin, les services de secours sont immédiatement appelés. Le directeur du centre doit en être immédiatement informé. Il dresse un rapport et en informe le Directeur général aussi rapidement que possible.
HOOFDSTUK IV. - Brand- en bomalarm.
CHAPITRE IV. - Incendie et alerte à la bombe.
Art. 118. Het personeelslid dat een brand opmerkt, een bommelding ontvangt of een verdacht pakket opmerkt, dient zo snel mogelijk de brandweer te verwittigen. Vervolgens moet de brandbestrijdings- en evacuatieprocedure gestart worden.
  De centrumdirecteur dient onmiddellijk op de hoogte gebracht te worden. Hij begeeft zich ter plaatse, stelt verslag op en brengt de Directeur-generaal zo snel mogelijk op de hoogte.
  Minstens één maal per jaar worden waarschuwings-, alarm- en evacuatie-oefeningen georganiseerd.
Art. 118. Le membre du personnel qui remarque un incendie, reçoit un message signalant une bombe ou détecte un colis suspect, doit prévenir les pompiers le plus rapidement possible. Ensuite, la procédure de lutte contre l'incendie et d'évacuation doit être mise en oeuvre.
  Le directeur du centre doit être immédiatement informé. Il se rend sur place, dresse un rapport et en informe le Directeur général aussi rapidement que possible.
  Des exercices d'alerte, d'alarme et d'évacuation sont organises au moins une fois par an.
Art. 119. Indien de brand het centrum onbruikbaar heeft gemaakt, worden de bewoners overgebracht naar een andere plaats.
Art. 119. Si l'incendie a rendu le centre inutilisable, les occupants seront transférés vers un autre lieu.
TITEL V. - Administratieve voorschriften.
TITRE V. - Prescriptions administratives.
HOOFDSTUK I. - Invrijheidstelling en verwijdering.
CHAPITRE I. - Mise en liberté et éloignement.
Art. 120. Bij de invrijheidstelling of verwijdering van de bewoner worden de goederen die hij overeenkomstig artikel 11 van dit besluit in bewaring heeft gegeven, teruggegeven, met uitzondering van de gevaarlijke en verboden voorwerpen.
  De documenten die overeenkomstig artikel 14 in bewaring werden genomen, worden teruggegeven, tenzij er is vastgesteld dat deze documenten vals of vervalst zijn.
Art. 120. Lors de la mise en liberté ou de l'éloignement, l'occupant se voit restituer les biens mis en dépôt conformément à l'article 11 du présent arrêté, à l'exception des objets dangereux et interdits.
  Les documents mis en dépôt conformément à l'article 14 sont restitués, sauf s'il est constaté que ces documents sont faux ou falsifiés.
Art. 121. Bij zijn invrijheidstelling of verwijdering worden aan de onvermogende bewoner de nodige middelen verstrekt om te voorzien in zijn basisbehoeften gedurende de eerstvolgende dagen.
Art. 121. Lors de sa mise en liberté ou de son éloignement, l'occupant démuni se verra remettre les moyens nécessaires afin de pourvoir à ses besoins élémentaires durant les jours suivants.
HOOFDSTUK II. - Geboorte.
CHAPITRE II. - Naissance.
Art. 122. De centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger bezorgt de Directeur-generaal een verslag vergezeld van een getuigschrift van de [1 arts]1 verbonden met het centrum met betrekking tot elke vrouw van wie de bevalling voorzien is tijdens haar vasthoudingsperiode.
  
Art. 122. Le directeur du centre ou son remplaçant transmet au Directeur général un rapport muni d'un certificat du médecin du centre au sujet de toute femme susceptible d'accoucher durant la période de maintien.
Art. 123. De centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger doet binnen de drie dagen aangifte van de geboorte van het kind bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het kind is geboren, overeenkomstig artikel 55 van het Burgerlijk Wetboek.
Art. 123. Le directeur du centre ou son remplaçant annonce la naissance d'un enfant à l'officier de l'état civil du lieu de la naissance dans les trois jours, conformément à l'article 55 du Code civil.
HOOFDSTUK III. - Overlijden.
CHAPITRE III. - Décès.
Art. 124. Indien een bewoner in het centrum overlijdt, meldt de centrumdirecteur dit nadat een [1 arts]1 het overlijden heeft vastgesteld en er de oorzaak van heeft opgegeven onmiddellijk aan de Directeur-generaal, aan de politiediensten en aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats van overlijden, overeenkomstig de artikelen 80 en 84 van het Burgerlijk Wetboek.
  
Art. 124. Lorsqu'un occupant décède dans un centre, après qu'un médecin ait constaté le décès d'un occupant et en ait déterminé la cause, le directeur du centre le signale immédiatement au Directeur général, aux services de police et, conformément aux articles 80 et 84 du Code civil, à l'officier de l'état civil du lieu du décès.
Art. 125. Het stoffelijk overschot van de bewoner wordt in een mortuarium geplaatst.
Art. 125. La dépouille de l'occupant est placée dans une morgue.
Art. 126. De centrumdirecteur maakt een inventaris op van de bezittingen en documenten van de overleden bewoner.
Art. 126. Le directeur du centre procède à un inventaire des biens et documents de l'occupant décédé.
Art. 127. Indien de verwanten van de overledene het lijk wensen mee te nemen, dragen zij de begrafeniskosten. Als de verwanten het lijk niet wensen in ontvangst te nemen, vallen de begrafeniskosten ten laste van de Dienst Vreemdelingenzaken. De teraardebestelling heeft plaats op de begraafplaats van de gemeente van de plaats waar het centrum zich bevindt, overeenkomstig artikel 77 van het Burgerlijk Wetboek. De Dienst Vreemdelingenzaken kan de begrafeniskosten verhalen op het vermogen van de overledene.
Art. 127. Lorsque les parents du défunt souhaitent emporter le corps, ils endossent les frais d'enterrement. Si ils ne souhaitent pas recevoir le corps, les frais d'enterrement incombent a l'Office des Etrangers. L'inhumation a lieu dans le cimetière de la commune sur le territoire de laquelle est situé le centre, conformément aux dispositions de l'article 77 du Code civil. L'Office des Etrangers peut dans ce cas user de la faculté de se dédommager sur le patrimoine que le défunt aurait laissé.
Art. 128. Het eventueel saldo van het vermogen en de voorwerpen die aan de overledene toebehoren, worden ter beschikking gesteld van zijn erfgenamen. Als de erfgenamen zich na zes maanden niet hebben aangeboden, wordt dat saldo overgemaakt aan de rekenplichtige van de Dienst Vreemdelingenzaken en worden de goederen overhandigd aan de Administratie der Domeinen.
Art. 128. Le solde éventuel du patrimoine et les objets ayant appartenu au défunt sont mis à la disposition de ses héritiers. Si les héritiers ne se sont pas présentés dans les six mois, le solde est versé au comptable de l'Office des Etrangers et les objets sont transmis à l'Administration des Domaines.
TITEL VI. - Individuele klachten van bewoners en het jaarverslag.
TITRE VI. - Plaintes individuelles d'occupants et rapport annuel.
Art. 129. Elke bewoner heeft het recht de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger te spreken. Hij dient hiervoor een afspraak te maken via de sociale dienst.
  [1 De bewoner kan een klacht indienen bij de centrumdirecteur of zijn plaatsvervanger via een brief en dit binnen de 24 uur. De klacht kan ingediend worden in één van de landstalen, in het Engels of in de taal van het land van oorsprong van de bewoner. De centrumdirecteur of zijn vervanger geeft binnen de 10 werkdagen een antwoord. Een kopie van de klacht en het antwoord worden bezorgd aan de Directeur-generaal van de Dienst Vreemdelingenzaken of zijn plaatsvervanger en aan het permanent secretariaat.]1
  
Art. 129. Chaque occupant a le droit de parler au directeur du centre ou à son remplaçant. Il doit en faire la demande auprès du service social.
  [1 L'occupant peut introduire une plainte auprès du directeur du centre ou son remplaçant par courrier et ce dans les 24 heures. La plainte peut être déposée dans l'une des langues nationales, en anglais ou dans la langue du pays d'origine de l'occupant. Le directeur du centre ou son remplaçant donne une réponse dans les 10 jours ouvrables. Une copie de la plainte et la réponse seront communiquées au Directeur général de l'Office des étrangers ou son remplaçant et au secrétariat permanent. ]1
  
Art. 130. De Minister richt een Commissie met een permanent secretariaat op die uitsluitend belast worden met de behandeling van de individuele klachten van de bewoners betreffende de toepassing van dit besluit.
  [1 De Commissie en het permanent secretariaat worden eveneens belast met de individuele behandeling van de klachten van de bewoners van de woonunits.]1
  [2 De Commissie en het permanent secretariaat worden eveneens belast met de individuele behandeling van de klachten van de bewoners van de INAD-centra.
   De bewoner van een INAD-centrum heeft het recht een klacht in te dienen bij de centrumdirecteur of zijn vervanger van het INAD-centrum van de luchthaven van Brussel-Nationaal of de politie in de INAD-centra van de regionale luchthavens.]2

  Deze Commissie is samengesteld uit drie leden, met name :
  1° een magistraat, een gewezen magistraat of een lid of een gewezen lid van een administratief rechtsorgaan, die het voorzitterschap waarneemt;
  2° een advocaat of een houder van een leeropdracht rechtswetenschappen aan een Belgische universiteit;
  3° de voorzit(s)ter van het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken of diens gemachtigde, met uitsluiting van een personeelslid van de Dienst Vreemdelingenzaken.
  
Art. 130. Le Ministre instaure une Commission avec un secrétariat permanent qui sont exclusivement chargés du traitement des plaintes individuelles des occupants concernant l'application du présent arrêté.
  [1 La Commission et le secrétariat permanent sont également chargés du traitement individuel des plaintes des occupants des lieux d'hébergement.]1
  [2 La Commission et le secrétariat permanent sont également chargés du traitement individuel des plaintes des occupants des centres INAD.
   L'occupant d'un centre INAD a le droit d'introduire une plainte auprès du directeur du centre ou son remplaçant pour le centre INAD de l'aéroport de Bruxelles-National ou son remplaçant ou par la police pour les centres INAD des aéroports régionaux]2

  Cette Commission est composée de trois membres, à savoir :
  1° un magistrat, un ancien magistrat ou un membre ou un ancien membre d'une juridiction administrative, qui exerce la présidence;
  2°. un avocat ou un chargé de cours en droit dans une université belge;
  3° le/la président(e) du Comité de Direction du Service public fédéral de l'Intérieur ou son délégué, à l'exclusion d'un membre du personnel de l'Office des étrangers.
  
Art. 131. Het permanent secretariaat van de Commissie wordt belast met :
  1° het in ontvangst nemen en de behandeling van de klachten;
  2° het onderzoek van de ontvankelijkheid van de klachten;
  3° de bemiddeling tussen de betrokken partijen, teneinde een minnelijke schikking te vinden voor de ontvankelijke klachten;
  4° het doorsturen van de ontvankelijke klachten naar de Commissie.
  Het kan hiervoor permanenties in de centra organiseren.
  Het permanent secretariaat stelt de bewoner die de klacht heeft ingediend, de centrumdirecteur, de Directeur-generaal en het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding in kennis van de klacht en het gevolg dat het aan de klacht heeft gegeven.
Art. 131. Le secrétariat permanent de la Commission est chargé de :
  1° la réception et le traitement des plaintes;
  2° l'examen de la recevabilité des plaintes;
  3° la tentative de conciliation entre les parties concernées afin d'obtenir une conciliation pour les plaintes recevables;
  4° la transmission des plaintes recevables à la Commission
  Il peut organiser des permanences dans les centres à cet effet.
  Le secrétariat permanent informe l'occupant qui a introduit la plainte, le directeur du centre, le Directeur général et le Centre pour l'Egalité des Chances et la Lutte contre le Racisme de la plainte et la suite qu'il a donnée à la plainte.
Art. 132.   § 1. De Commissie beslist over alle klachten die ontvankelijk zijn verklaard en waarvoor een poging tot bemiddeling is mislukt.
  De Commissie kan de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond of ongegrond verklaren.
  § 2. De klacht wordt gegrond verklaard in de mate dat de Commissie van oordeel is dat de beslissing of het feit, waarop de klacht betrekking heeft, in strijd is met een bepaling van dit besluit.
  § 3. Voor zover de klacht gegrond wordt verklaard, kan de Commissie enkel de volgende beslissingen nemen :
  1° zij kan elke aanbeveling, die zij nuttig acht met betrekking tot de toepassing van dit besluit, richten tot de centrumdirecteur en de Directeur-generaal;
  [1 1°/1 zij kan elke aanbeveling die zij nuttig acht met betrekking tot de INAD-centra als bedoeld in het koninklijk besluit houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, gesitueerd in het grensgebied, bedoeld in artikel 74/5, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en met betrekking tot de woonunits bedoeld in het koninklijk besluit van 14 mei 2009, richten tot de directeur-generaal;]1
  2° zij kan de beslissing waarop de klacht betrekking heeft, geheel of gedeeltelijk vernietigen;
  3° zij kan elke aanbeveling, die zij aangewezen acht met betrekking tot een sanctie voor het betrokken personeelslid, richten tot de Directeur-generaal.
  § 4. Bij de vernietiging van de beslissing, verzekert de centrumdirecteur [1 de ondersteunende ambtenaar bedoeld in artikel 1,4°, van het koninklijk besluit van 14 mei 2009 of de politie in de INAD-centra van de regionale luchthavens]1 dat de toestand van de bewoner in overeenstemming wordt gebracht met de beslissing van de Commissie.
  § 5. Het permanent secretariaat stelt de bewoner, de centrumdirecteur, [1 de ondersteunende ambtenaar of de directeur-generaal]1 de Minister en het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding in kennis van het gevolg dat de Commissie aan de klacht heeft gegeven.
  
Art. 132.   § 1er. La Commission se prononce sur toutes les plaintes déclarées recevables et pour lesquels une tentative de conciliation a échoué.
  La Commission peut déclarer la plainte totalement ou partiellement fondée ou non fondée.
  § 2. La plainte est déclarée fondée dans la mesure où la Commission est d'avis que la décision attaquée ou le fait sur lequel porte la plainte est en contradiction avec une des dispositions du présent arrêté.
  § 3. Pour autant que la plainte soit déclarée fondée, la Commission ne peut que prendre les décisions suivantes :
  1° elle peut adresser toute recommandation, qu'elle juge utile en rapport avec l'application de cet arrêté, au directeur du centre et au Directeur général;
  [1 1°/1 elle peut adresser toute recommandation qu'elle juge utile en rapport avec les centres INAD visés par l'arrêté royal fixant le régime et les règles de fonctionnement applicables aux lieux déterminés, situés aux frontières, prévus à l'article 74/5, § 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ainsi qu'en rapport avec les lieux d'hébergement visés par l'arrêté royal du 14 mai 2009, au directeur général;]1
  2° elle peut annuler totalement ou partiellement la décision sur laquelle la plainte porte;
  3° elle peut adresser au Directeur général toute recommandation qu'elle juge indiquée en rapport avec la sanction à l'encontre des membres du personnel concernés.
  § 4. Lors de l'annulation de la décision, le directeur du centre [1 l'agent de soutien visé à l'article 1er, 4°de l'arrêté royal du 14 mai 2009 ou la police pour les centres INAD des aéroports régionaux]1 assure la mise en conformité de la situation de l'occupant avec la décision de la Commission.
  § 5. Le secrétariat permanent informe l'occupant, le directeur du centre, [1 l'agent de soutien ou le directeur général]1 le Ministre et le Centre pour l'Egalité des Chances et la Lutte contre le Racisme de la suite que la Commission a donnée à la plainte.
  
Art. 133. De Minister bepaalt de procedure- en werkingsregels van het permanent secretariaat en de Commissie.
Art. 133. Le Ministre détermine les règles de procédure et de fonctionnement du secrétariat permanent et de la Commission.
Art. 134. Het indienen van een klacht schorst de maatregelen van verwijdering van het grondgebied die ten aanzien van de bewoner die de klacht heeft ingediend zijn genomen, alsook de uitvoering ervan niet.
Art. 134. L'introduction d'une plainte ne suspend pas les mesures d'éloignement du territoire qui ont été prises à l'encontre de l'occupant, ni leur exécution.
Art. 135. Elk centrum maakt een jaarverslag op.
  Hierin zijn minstens opgenomen :
  1° het totaal aantal ingeschreven bewoners, opgesplitst naar nationaliteit;
  2° de gemiddelde verblijfsduur per bewoner, opgesplitst naar nationaliteit;
  3° het totaal aantal ontsnappingen;
  4° het totaal aantal overbrengingen naar strafinstellingen, andere centra of andere instellingen;
  5° het totaal aantal terugdrijvingen en repatriëringen, opgesplitst naar nationaliteit;
  6° het totaal aantal vrijstellingen, opgesplitst naar nationaliteit;
  7° het aantal plaatsingen in afzondering, de gemiddelde duur en de redenen daartoe, opgesplitst naar nationaliteit;
  8° de gemiddelde kostprijs per bewoner;
  9° het totaal aantal zelfmoordpogingen;
  10° het totaal aantal hongerstakingen.
  [1 11° het totaal aantal ontvangen klachten als bedoeld :
   - in artikel 129, tweede lid;
   - in artikel 132, § 5.]1

  Dit verslag wordt overgemaakt aan de Minister.
  
Art. 135. Chaque centre établit un rapport annuel.
  Y figurent au moins :
  1° le nombre total d'occupants répartis par nationalité;
  2° la durée moyenne du séjour par occupant, répartie par nationalité;
  3° le nombre total d'évasions;
  4° le nombre total de transferts vers les prisons, d'autres centres ou d'autres établissements;
  5° le nombre total de refoulements et de rapatriements répartis par nationalité;
  6° le nombre total de mises en liberté, par nationalité;
  7° le nombre d'isolations, la durée moyenne et les motifs de celles-ci, répartis par nationalité;
  8° le coût moyen par occupant;
  9° le nombre total de tentatives de suicide;
  10° le nombre total de grèves de la faim.
  [1 11° le nombre total des plaintes reçues telles que visées :
   - à l'article 129, alinéa 2;
   - à l'article 132, paragraphe 5.]1

  Ce rapport est transmis au Ministre.
  
TITEL VII. - Slotbepalingen.
TITRE VII. - Dispositions finales.
Art. 136. Onze Minister bevoegd voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 136. Notre Ministre qui a l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers dans ses compétences est chargé de l'exécution du présent arrêté.