Artikel 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de personeelsleden van de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel die, geheel of gedeeltelijk, een wervingsambt als hoofdambt uitoefenen [1 in het onderwijs]1.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
25 JUNI 2001. - Decreet over bijzondere maatregelen in verband met de lerarenambten en houdende aanpassing van de bezoldigingsregeling (VERTALING). - (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 02-10-2001 en tekstbijwerking tot 14-10-2024)
Titre
25 JUIN 2001. - Décret [1contenant]1des mesures spéciales quant aux fonctions d'enseignant et portant adaptation du statut pécuniaire (TRADUCTION). - (1)<DCG2024-05-08/14, art. 84, 006; En vigueur : 01-09-2024>(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 02-10-2001 et mise à jour au 14-10-2024)
Documentinformatie
Numac: 2001033069
Datum: 2001-06-25
Info du document
Numac: 2001033069
Date: 2001-06-25
Inhoud
Tekst (22)
Texte (22)
HOOFDSTUK I. - Overuren en bijbetrekking.
CHAPITRE I. - Heures supplémentaires et fonction accessoire.
Article 1. Le présent chapitre s'applique aux membres du personnel de la catégorie du personnel directeur et enseignant qui exercent tout ou partie d'une fonction de recrutement à titre principal [1 dans l'enseignement]1.
Wijzigingen
Art.2. § 1. Is er een gebrek aan gekwalificeerd personeel, dan kan een inrichtende macht of het schoolhoofd resp. de directeur :
1° aan een personeelslid overuren geven in de zin van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende toekenning van een toelage voor overwerk aan sommige leden van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs;
2° een personeelslid tewerkstellen in een bijbetrekking in de zin van artikel 5, lid 1, a), van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van openbaar Onderwijs en in de zin van artikel 2, § 2, lid 1, a), van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan.
De instemming van het personeelslid is vereist.
§ 2. Het bewijs van het gebrek aan gekwalificeerd personeel wordt geleverd met toepassing van artikel 10, § 6, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan.
1° aan een personeelslid overuren geven in de zin van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende toekenning van een toelage voor overwerk aan sommige leden van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs;
2° een personeelslid tewerkstellen in een bijbetrekking in de zin van artikel 5, lid 1, a), van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van openbaar Onderwijs en in de zin van artikel 2, § 2, lid 1, a), van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan.
De instemming van het personeelslid is vereist.
§ 2. Het bewijs van het gebrek aan gekwalificeerd personeel wordt geleverd met toepassing van artikel 10, § 6, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan.
Art.2. § 1er. S'il existe un manque en personnel qualifié, un pouvoir organisateur ou le chef d'établissement voire le directeur peut :
1° donner à un membre du personnel des heures supplémentaires au sens de l'arrêté royal du 15 avril 1958 accordant une allocation pour surcroît de travail à certains membres du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique;
2° occuper un membre du personnel dans une fonction accessoire au sens de l'article 5, alinéa 1er, a) de l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique, ainsi qu'au sens de l'article 2, § 2, alinéa 1er, a), de l'arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 modifiant les dispositions des statuts pécuniaires applicables au personnel enseignant et assimilé de l'enseignement de plein exercice et de l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit.
L'accord du membre du personnel est une condition sine qua non.
§ 2. Le manque de personnel qualifié est prouvé en application de l'article 10, § 6, de l'arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 modifiant les dispositions des statuts pécuniaires applicables au personnel enseignant et assimilé de l'enseignement de plein exercice et de l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit.
1° donner à un membre du personnel des heures supplémentaires au sens de l'arrêté royal du 15 avril 1958 accordant une allocation pour surcroît de travail à certains membres du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique;
2° occuper un membre du personnel dans une fonction accessoire au sens de l'article 5, alinéa 1er, a) de l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique, ainsi qu'au sens de l'article 2, § 2, alinéa 1er, a), de l'arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 modifiant les dispositions des statuts pécuniaires applicables au personnel enseignant et assimilé de l'enseignement de plein exercice et de l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit.
L'accord du membre du personnel est une condition sine qua non.
§ 2. Le manque de personnel qualifié est prouvé en application de l'article 10, § 6, de l'arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 modifiant les dispositions des statuts pécuniaires applicables au personnel enseignant et assimilé de l'enseignement de plein exercice et de l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit.
Art.3. § 1. In afwijking van de bestaande bepalingen van de bezoldigingsregeling wordt een toelage toegekend aan een personeelslid dat met toepassing van artikel 2 overuren verricht. Om de toelage te berekenen gaat men ervan uit dat deze overuren in een hoofdambt gepresteerd zijn zoals bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van openbaar Onderwijs.
§ 2. Het personeelslid krijgt een toelage vanaf de dag waarop het de in § 1, lid 1, bedoelde overuren effectief presteert.
Tijdens het ontspanningsverlof en de kerst- en paasvakantie blijft het personeelslid de toelage genieten, indien het verlof of de vakanties in de periodes vallen waar de overuren gepresteerd worden.
In geval van onderbreking van de opdracht wordt de toelage voor overuren verder toegekend, indien de onderbreking niet meer dan 14 dagen duurt. Het verlof en de vakanties vermeld in het tweede lid gelden niet als onderbrekingsperiodes.
§ 3. De toelage wordt op het einde van elke maand, samen met de wedde en de weddetoelage, uitbetaald.
§ 2. Het personeelslid krijgt een toelage vanaf de dag waarop het de in § 1, lid 1, bedoelde overuren effectief presteert.
Tijdens het ontspanningsverlof en de kerst- en paasvakantie blijft het personeelslid de toelage genieten, indien het verlof of de vakanties in de periodes vallen waar de overuren gepresteerd worden.
In geval van onderbreking van de opdracht wordt de toelage voor overuren verder toegekend, indien de onderbreking niet meer dan 14 dagen duurt. Het verlof en de vakanties vermeld in het tweede lid gelden niet als onderbrekingsperiodes.
§ 3. De toelage wordt op het einde van elke maand, samen met de wedde en de weddetoelage, uitbetaald.
Art.3. § 1er Par dérogation aux dispositions existantes du statut pécuniaire, un membre du personnel qui preste des heures supplémentaires en application de l'article 2 perçoit une allocation pour ces heures supplémentaires. Pour calculer l'allocation, l'on part du principe que ces heures supplémentaires ont été prestées à titre principal au sens de l'article 5 de l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique.
§ 2. Le membre du personnel perçoit une allocation à partir du jour où il preste effectivement les heures supplémentaires visées au § 1er, alinéa 1.
Il conserve l'allocation pendant les congés de détente ainsi que pendant les vacances de Noël et de Pâques si ce congé ou ces vacances se situent dans la période où il preste les heures supplémentaires.
L'allocation pour heures supplémentaires reste octroyée en cas d'interruption de la mission si la durée de l'interruption de dépasse pas 14 jours. Les congés et vacances dont question au deuxième alinéa ne sont pas considérés comme interruptions.
§ 3. L'allocation est liquidée mensuellement, en fin de mois, avec le traitement ou la subvention-traitement.
§ 2. Le membre du personnel perçoit une allocation à partir du jour où il preste effectivement les heures supplémentaires visées au § 1er, alinéa 1.
Il conserve l'allocation pendant les congés de détente ainsi que pendant les vacances de Noël et de Pâques si ce congé ou ces vacances se situent dans la période où il preste les heures supplémentaires.
L'allocation pour heures supplémentaires reste octroyée en cas d'interruption de la mission si la durée de l'interruption de dépasse pas 14 jours. Les congés et vacances dont question au deuxième alinéa ne sont pas considérés comme interruptions.
§ 3. L'allocation est liquidée mensuellement, en fin de mois, avec le traitement ou la subvention-traitement.
Art.4. In afwijking van de bestaande bepalingen van de bezoldigingsregeling krijgt een personeelslid dat met toepassing van artikel 2 in een bijbetrekking tewerkgesteld is, voor de uren gepresteerd in deze bijbetrekking, een wedde of weddetoelage overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.
Art.4. Par dérogation aux dispositions existantes du statut pécuniaire, un membre du personnel qui est occupé dans une fonction accessoire en application de l'article 2 perçoit, pour les heures prestées à titre accessoire, un traitement ou une subvention-traitement conformément aux dispositions de l'article 3.
HOOFDSTUK II. - Tijdelijke terugroeping van bepaalde personeelsleden.
CHAPITRE II. - Rappel temporaire de certains membres du personnel.
Art.5. [1 Dit hoofdstuk is van toepassing op de wervingsambten van de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het basisonderwijs, [2 in het onderwijs]2 en op de wervingsambten in het centrum voor de gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren.]1
Art.5. Le présent chapitre s'applique aux fonctions de recrutement de la catégorie du personnel directeur et enseignant dans l'enseignement fondamental, [2 dans l'enseignement]2 [1 , ainsi qu'aux fonctions de recrutement auprès du centre pour le développement sain des enfants et des jeunes.]1
Art.6. § 1. Is er een gebrek aan gekwalificeerd personeel, dan kan een inrichtende macht of het schoolhoofd resp. de directeur een personeelslid tijdelijk terugroepen dat :
1° zich in verlof voor verminderde dienstprestaties gemotiveerd door sociale of gezinsredenen, in verlof voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden of in verlof met verminderde prestaties toegekend aan personeelsleden die de leeftijd van 50 jaar hebben bereikt of aan personeelsleden die twee kinderen hebben die de leeftijd van 14 jaar niet hebben overschreden, bevindt;
2° ter beschikking is gesteld wegens persoonlijke aangelegenheden;
3° wegens persoonlijke aangelegenheden vóór de oppensioenstelling geheel of gedeeltelijk ter beschikking staat;
4° met pensioen is [1 ...]1.
In alle gevallen is de instemming van het personeelslid vereist. De instemming wordt ten vroegste op het ogenblik schriftelijk vastgelegd waar het in het eerste lid bedoeld gebrek wordt vastgesteld.
§ 2. Het bewijs van het gebrek aan gekwalificeerd personeel wordt geleverd met toepassing van artikel 10, § 6, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan.
[1 In het geval van § 1, eerste lid, 4°, wordt het bewijs van het gebrek aan gekwalificeerd personeel overeenkomstig het eerste lid alle drie maanden geleverd.]1
1° zich in verlof voor verminderde dienstprestaties gemotiveerd door sociale of gezinsredenen, in verlof voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden of in verlof met verminderde prestaties toegekend aan personeelsleden die de leeftijd van 50 jaar hebben bereikt of aan personeelsleden die twee kinderen hebben die de leeftijd van 14 jaar niet hebben overschreden, bevindt;
2° ter beschikking is gesteld wegens persoonlijke aangelegenheden;
3° wegens persoonlijke aangelegenheden vóór de oppensioenstelling geheel of gedeeltelijk ter beschikking staat;
4° met pensioen is [1 ...]1.
In alle gevallen is de instemming van het personeelslid vereist. De instemming wordt ten vroegste op het ogenblik schriftelijk vastgelegd waar het in het eerste lid bedoeld gebrek wordt vastgesteld.
§ 2. Het bewijs van het gebrek aan gekwalificeerd personeel wordt geleverd met toepassing van artikel 10, § 6, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan.
[1 In het geval van § 1, eerste lid, 4°, wordt het bewijs van het gebrek aan gekwalificeerd personeel overeenkomstig het eerste lid alle drie maanden geleverd.]1
Art.6. § 1er. S'il existe un manque en personnel qualifié, un pouvoir organisateur ou le chef d'établissement voire le directeur peut rappeler un membre du personnel qui :
1° se trouve en congé pour prestations réduites justifiées par des raisons sociales ou familiales, en congé pour prestations réduites pour convenance personnelle ou en congé pour prestations réduites accordé aux membres du personnel qui ont atteint l'âge de 50 ans ou aux membres du personnel qui ont deux enfants de moins de 14 ans;
2° se trouve en disponibilité pour convenance personnelle;
3° se trouve en tout ou partie en disponibilité pour convenance personnelle précédant la mise à la retraite;
4° est retraité mais [1 ...]1.
Dans tous les cas, l'accord du membre du personnel est une condition sine qua non. Cet accord est consigné par écrit au plus tôt au moment où le manque visé à l'alinéa 1 est constaté.
§ 2. Le manque de personnel qualifié est prouvé en application de l'article 10, § 6, de l'arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 modifiant les dispositions des statuts pécuniaires applicables au personnel enseignant et assimilé de l'enseignement de plein exercice et de l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit.
[1 Dans le cas visé au § 1er, alinéa 1er, 4°, la pénurie en personnel qualifié est prouvée tous les trois mois conformément à l'alinéa 1er.]1
1° se trouve en congé pour prestations réduites justifiées par des raisons sociales ou familiales, en congé pour prestations réduites pour convenance personnelle ou en congé pour prestations réduites accordé aux membres du personnel qui ont atteint l'âge de 50 ans ou aux membres du personnel qui ont deux enfants de moins de 14 ans;
2° se trouve en disponibilité pour convenance personnelle;
3° se trouve en tout ou partie en disponibilité pour convenance personnelle précédant la mise à la retraite;
4° est retraité mais [1 ...]1.
Dans tous les cas, l'accord du membre du personnel est une condition sine qua non. Cet accord est consigné par écrit au plus tôt au moment où le manque visé à l'alinéa 1 est constaté.
§ 2. Le manque de personnel qualifié est prouvé en application de l'article 10, § 6, de l'arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 modifiant les dispositions des statuts pécuniaires applicables au personnel enseignant et assimilé de l'enseignement de plein exercice et de l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit.
[1 Dans le cas visé au § 1er, alinéa 1er, 4°, la pénurie en personnel qualifié est prouvée tous les trois mois conformément à l'alinéa 1er.]1
Wijzigingen
Art.7. § 1. In geval van terugroeping worden de verloven en de terbeschikkingstelling vermeld in artikel 6, § 1, lid 1, 1° en 2°, geheel of gedeeltelijk geschorst.
Tijdens de schorsing bekleedt het personeelslid geheel of gedeeltelijk zijn betrekking of een andere betrekking. In afwijking van de bestaande bepalingen komt er geen einde aan de opdracht van het tijdelijk aangewezen of aangesteld personeelslid, wanneer het personeelslid zijn betrekking weder bekleedt.
§ 2. Tijdens de schorsing van het verlof gelden noch de maximumduur van de arbeidstijd noch het verbod om een winstgevende bedrijvigheid uit te oefenen die vastgelegd zijn :
- in artikel 2, 3° en 4° van het besluit van de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap van 23 augustus 1989 betreffende verloven voor verminderde prestaties toegestaan aan de leden van het personeel van het gesubsidieerde onderwijs en van de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra die de leeftijd van vijftig jaar hebben bereikt of die tenminste twee kinderen ten laste hebben die de leeftijd van veertien jaar niet hebben overschreden en betreffende de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die de oppensioenstelling voorafgaat,
- in het koninklijk besluit van 4 september 1989 betreffende verloven voor verminderde prestaties toegestaan aan personeelsleden van het Rijksonderwijs en van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat die de leeftijd van vijftig jaar hebben bereikt of die ten minste twee kinderen ten laste hebben die de leeftijd van veertien jaar niet hebben overschreden en betreffende de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaat,
- in artikel 23 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen, en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.
In geval van volledige schorsing van het verlof of van de terbeschikkingstelling wordt de duur van de schorsing niet in aanmerking genomen voor de berekening van de maximumduur van het verlof of van de terbeschikkingstelling.
§ 3. [1 ...]1
Tijdens de schorsing bekleedt het personeelslid geheel of gedeeltelijk zijn betrekking of een andere betrekking. In afwijking van de bestaande bepalingen komt er geen einde aan de opdracht van het tijdelijk aangewezen of aangesteld personeelslid, wanneer het personeelslid zijn betrekking weder bekleedt.
§ 2. Tijdens de schorsing van het verlof gelden noch de maximumduur van de arbeidstijd noch het verbod om een winstgevende bedrijvigheid uit te oefenen die vastgelegd zijn :
- in artikel 2, 3° en 4° van het besluit van de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap van 23 augustus 1989 betreffende verloven voor verminderde prestaties toegestaan aan de leden van het personeel van het gesubsidieerde onderwijs en van de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra die de leeftijd van vijftig jaar hebben bereikt of die tenminste twee kinderen ten laste hebben die de leeftijd van veertien jaar niet hebben overschreden en betreffende de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die de oppensioenstelling voorafgaat,
- in het koninklijk besluit van 4 september 1989 betreffende verloven voor verminderde prestaties toegestaan aan personeelsleden van het Rijksonderwijs en van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat die de leeftijd van vijftig jaar hebben bereikt of die ten minste twee kinderen ten laste hebben die de leeftijd van veertien jaar niet hebben overschreden en betreffende de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaat,
- in artikel 23 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen, en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.
In geval van volledige schorsing van het verlof of van de terbeschikkingstelling wordt de duur van de schorsing niet in aanmerking genomen voor de berekening van de maximumduur van het verlof of van de terbeschikkingstelling.
§ 3. [1 ...]1
Art.7. § 1er. En cas de rappel, les congés ou mises en disponibilité dont question à l'article 6, § 1er, alinéa 1er, 1° et 2°, sont en tout ou partie suspendus.
Pendant la suspension, le membre du personnel occupe, en tout ou partie, son emploi ou un autre. Par dérogation aux dispositions existantes, la mission du membre du personnel désigné ou engagé à titre temporaire ne prend pas fin lorsque le membre du personnel réintègre sa place.
Pendant la suspension du congé ne s'appliquent ni la limite du temps de travail ni l'interdiction d'exercer une activité lucrative fixées respectivement par :
- l'article 2, 3° et 4°, de l'arrêté de l'Exécutif de la Communauté germanophone du 23 août 1989 relatif aux congés pour prestations réduites accordés aux membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres psycho-médico-sociaux subventionnés qui ont atteint l'âge de cinquante ans ou qui ont au moins deux enfants à charge qui n'ont pas dépassé l'âge de quatorze ans et relatif à la mise en disponibilité pour convenances personnelles précédant la pension de retraite;
- l'arrêté royal du 4 septembre 1989 relatif aux congés pour prestations réduites accordés aux membres du personnel de l'enseignement de l'Etat et des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat qui ont atteint l'âge de cinquante ans ou qui ont au moins deux enfants qui n'ont pas dépassé l'âge de quatorze ans et relatif à la mise en disponibilité pour convenance personnelle précédant la mise à la retraite;
- l'article 23 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements.
S'il y a suspension totale du congé ou de la mise en disponibilité, la période de suspension n'est pas prise en compte pour calculer la durée maximale du congé ou de la mise en disponibilité.
§ 3. [1 ...]1
Pendant la suspension, le membre du personnel occupe, en tout ou partie, son emploi ou un autre. Par dérogation aux dispositions existantes, la mission du membre du personnel désigné ou engagé à titre temporaire ne prend pas fin lorsque le membre du personnel réintègre sa place.
Pendant la suspension du congé ne s'appliquent ni la limite du temps de travail ni l'interdiction d'exercer une activité lucrative fixées respectivement par :
- l'article 2, 3° et 4°, de l'arrêté de l'Exécutif de la Communauté germanophone du 23 août 1989 relatif aux congés pour prestations réduites accordés aux membres du personnel de l'enseignement subventionné et des centres psycho-médico-sociaux subventionnés qui ont atteint l'âge de cinquante ans ou qui ont au moins deux enfants à charge qui n'ont pas dépassé l'âge de quatorze ans et relatif à la mise en disponibilité pour convenances personnelles précédant la pension de retraite;
- l'arrêté royal du 4 septembre 1989 relatif aux congés pour prestations réduites accordés aux membres du personnel de l'enseignement de l'Etat et des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat qui ont atteint l'âge de cinquante ans ou qui ont au moins deux enfants qui n'ont pas dépassé l'âge de quatorze ans et relatif à la mise en disponibilité pour convenance personnelle précédant la mise à la retraite;
- l'article 23 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements.
S'il y a suspension totale du congé ou de la mise en disponibilité, la période de suspension n'est pas prise en compte pour calculer la durée maximale du congé ou de la mise en disponibilité.
§ 3. [1 ...]1
Wijzigingen
Art.8. In afwijking van de bestaande bepalingen van de bezoldigingsregeling wordt aan de personeelsleden bedoeld in artikel 6, § 1, [1 ...]1 een toelage overeenkomstig artikel 3 toegekend voor de uren waarvoor ze teruggeroepen worden.
Krachtens de wet van 5 april 1994 houdende regeling van de cumulatie van pensioenen van de openbare sector met inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen kan het bedrag van de toelage toegekend aan de in artikel 6, 3°, vermelde personeelsleden niet de grenzen overschrijden die vastgelegd zijn voor de gerechtigden op een rustpensioen van de openbare sector.
Krachtens de wet van 5 april 1994 houdende regeling van de cumulatie van pensioenen van de openbare sector met inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen kan het bedrag van de toelage toegekend aan de in artikel 6, 3°, vermelde personeelsleden niet de grenzen overschrijden die vastgelegd zijn voor de gerechtigden op een rustpensioen van de openbare sector.
Art.8. Par dérogation aux dispositions existantes du statut pécuniaire, les membres du personnel dont question à l'article 6, § 1er, alinéa 1er, [1 ...]1 perçoivent une allocation conformément à l'article 3 pour les heures pour lesquelles ils sont rappelés.
Conformément à la loi du 5 avril 1994 réglant le cumul des pensions du secteur public avec des revenus provenant d'une activité professionnelle ou avec un revenu de remplacement, le montant de l'allocation pour les membres du personnel dont question à l'article 6, 3°, ne peut dépasser les limites fixées pour les bénéficiaires d'une pension de retraite du secteur public.
Conformément à la loi du 5 avril 1994 réglant le cumul des pensions du secteur public avec des revenus provenant d'une activité professionnelle ou avec un revenu de remplacement, le montant de l'allocation pour les membres du personnel dont question à l'article 6, 3°, ne peut dépasser les limites fixées pour les bénéficiaires d'une pension de retraite du secteur public.
Wijzigingen
HOOFDSTUK III. - Aanpassing van de bezoldigingsregeling.
CHAPITRE III. - Adaptation du statut pécuniaire.
Art.9. In artikel 5 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van openbaar Onderwijs, gewijzigd bij de wet van 27 februari 1986 en bij het besluit van de Regering van 21 december 2000 betreffende het politiek verlof voor de personeelsleden in het onderwijs en houdende aanpassing van de bezoldigingsregeling, worden het lid 1, b), c) en e) alsmede het lid 3 opgeheven.
Art.9. A l'article 5 de l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique, modifiés respectivement par la loi du 27 février 1986 et par l'arrêté du Gouvernement du 21 décembre 2000 relatif au congé politique pour les membres du personnel dans l'enseignement et portant adaptation du statut pécuniaire, l'alinéa 1er, b), c), et e) ainsi que l'alinéa 3 sont abrogés.
Art.10. Artikel 5bis van hetzelfde koninklijk besluit van 15 april 1958, ingevoegd bij de wet van 8 februari 1974 en gewijzigd bij de wet van 27 februari 1986, wordt opgeheven.
Art.10. L'article 5,bis du même arrêté royal du 15 avril 1958, inséré par la loi du 8 février 1974 et modifié par la loi du 27 février 1986, est abrogé.
Art.11. Artikel 18, lid 1, b), van hetzelfde koninklijk besluit van 15 april 1958 wordt door de volgende bepaling vervangen :
" b) tot het schooljaar 2000-2001 inbegrepen als titularis van één of meerdere ambten, gelijktijdig met één of meerdere beroepsactiviteiten uitgeoefend, indien deze beroepsactiviteiten ten minste 60 % uitmaken van de wekelijkse prestaties van iemand die uitsluitend deze beroepsactiviteiten uitoefent; deze tot het schooljaar 2000-2001 gepresteerde diensten worden echter vanaf het schooljaar 2001-2002 in aanmerking genomen;".
Artikel 18, lid 1, c), tweede streep, van hetzelfde koninklijk besluit van 15 april 1958 wordt door de volgende bepaling vervangen :
" - tot het schooljaar 2000-2001 inbegrepen als titularis van een ambt waarvan de brutobezoldiging die het zou verkrijgen indien het zijn ambt voltijds uitoefende, echter berekend op het minimumloon van de weddeschaal, gelijk is aan of lager is dan het loon dat het genoot uit hoofde van elke andere bezigheid en/of wegens het genot van een pensioen ten laste van de Schatkist; deze tot het schooljaar 2000-2001 gepresteerde diensten worden echter vanaf het schooljaar 2001-2001 in aanmerking genomen".
" b) tot het schooljaar 2000-2001 inbegrepen als titularis van één of meerdere ambten, gelijktijdig met één of meerdere beroepsactiviteiten uitgeoefend, indien deze beroepsactiviteiten ten minste 60 % uitmaken van de wekelijkse prestaties van iemand die uitsluitend deze beroepsactiviteiten uitoefent; deze tot het schooljaar 2000-2001 gepresteerde diensten worden echter vanaf het schooljaar 2001-2002 in aanmerking genomen;".
Artikel 18, lid 1, c), tweede streep, van hetzelfde koninklijk besluit van 15 april 1958 wordt door de volgende bepaling vervangen :
" - tot het schooljaar 2000-2001 inbegrepen als titularis van een ambt waarvan de brutobezoldiging die het zou verkrijgen indien het zijn ambt voltijds uitoefende, echter berekend op het minimumloon van de weddeschaal, gelijk is aan of lager is dan het loon dat het genoot uit hoofde van elke andere bezigheid en/of wegens het genot van een pensioen ten laste van de Schatkist; deze tot het schooljaar 2000-2001 gepresteerde diensten worden echter vanaf het schooljaar 2001-2001 in aanmerking genomen".
Art.11. L'article 18, alinéa 1, b), du même arrêté royal du 15 avril 1958 est remplacé par la disposition suivante :
" b) jusqu'à l'année scolaire 2000-2001 incluse, comme titulaire d'une ou de plusieurs fonctions exercée(s) simultanément avec une ou plusieurs activités professionnelles, lorsque ces activités professionnelles représentent au moins 60 % des prestations hebdomadaires d'une personne qui exerce exclusivement ces activités professionnelles; ces services prestés jusqu'à l'année scolaire 2000-2001 sont toutefois pris en compte à partir de l'année scolaire 2001-2002; ".
L'article 18, alinéa 1, c), deuxième tiret, du même arrêté royal du 15 avril 1958 est remplacé par la disposition suivante :
" - jusqu'à l'année scolaire 2000-2001 incluse, comme titulaire d'une fonction dont la rémunération brute qu'il aurait obtenue en exerçant sa fonction à temps plein, calculée toutefois sur la base du traitement minimal prévu dans l'échelle de traitement, est égale ou inférieure au traitement dont il bénéficiait du chef de toute autre occupation et/ou du chef de la jouissance d'une pension à charge du Trésor public; ces services prestés jusqu'à l'année scolaire 2000-2001 sont toutefois pris en compte à partir de l'année scolaire 2001-2002; ".
" b) jusqu'à l'année scolaire 2000-2001 incluse, comme titulaire d'une ou de plusieurs fonctions exercée(s) simultanément avec une ou plusieurs activités professionnelles, lorsque ces activités professionnelles représentent au moins 60 % des prestations hebdomadaires d'une personne qui exerce exclusivement ces activités professionnelles; ces services prestés jusqu'à l'année scolaire 2000-2001 sont toutefois pris en compte à partir de l'année scolaire 2001-2002; ".
L'article 18, alinéa 1, c), deuxième tiret, du même arrêté royal du 15 avril 1958 est remplacé par la disposition suivante :
" - jusqu'à l'année scolaire 2000-2001 incluse, comme titulaire d'une fonction dont la rémunération brute qu'il aurait obtenue en exerçant sa fonction à temps plein, calculée toutefois sur la base du traitement minimal prévu dans l'échelle de traitement, est égale ou inférieure au traitement dont il bénéficiait du chef de toute autre occupation et/ou du chef de la jouissance d'une pension à charge du Trésor public; ces services prestés jusqu'à l'année scolaire 2000-2001 sont toutefois pris en compte à partir de l'année scolaire 2001-2002; ".
Art.12. In artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan worden het lid 1, b), c) en d) alsmede het lid 2 opgeheven.
Artikel 2, § 3, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 wordt opgeheven.
Artikel 2, § 3, van hetzelfde koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 wordt opgeheven.
Art.12. A l'article 2, § 2, de l'arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 modifiant les dispositions des statuts pécuniaires applicables au personnel enseignant et assimilé de l'enseignement de plein exercice et de l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit, l'alinéa 1, b), c) et d) ainsi que l'alinéa 2 sont abrogés.
L'article 2, § 3, du même arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 est abrogé.
L'article 2, § 3, du même arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 est abrogé.
Art.13. Het koninklijk besluit van 12 oktober 1976 houdende samenstelling en de werking van de commissie opgericht bij artikel 2 van de wet van 8 februari 1974 wordt opgeheven.
Art.13. L'arrêté royal du 12 octobre 1976 fixant la composition et le fonctionnement de la commission créée par l'article 2 de la loi du 8 février 1974 est abrogé.
HOOFDSTUK IV. - Overgangs-, wijzigings-, opheffings- en slotbepalingen.
CHAPITRE IV. - Dispositions transitoires, modificatives, abrogatoires et finales.
Art.14. De commissie opgericht met toepassing van artikel 5bis van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van openbaar Onderwijs behoudt haar adviesfunctie voor de periode vóór 1 september 2001.
Art.14. La commission créée en application de l'article 5bis de l'arrêté royal du 15 avril 1958 portant statut pécuniaire du personnel enseignant, scientifique et assimilé du Ministère de l'Instruction publique conserve sa fonction consultative pour la période précédant le 1er septembre 2001.
Art.15. In artikel 10, § 6, van het koninklijk besluit nr. 63 van 20 juli 1982 houdende wijziging van de bezoldigingsregels van toepassing op het onderwijzend en daarmee gelijkgesteld personeel van het onderwijs met volledig leerplan en van het onderwijs voor sociale promotie of met beperkt leerplan worden de leden 2, 3 en 4 vervangen door de volgende bepaling :
" Onder "gekwalificeerd personeelslid" wordt elk personeelslid verstaan dat aan alle voorwaarden voldoet om tijdelijk aangewezen of aangesteld te worden, met uitzondering van de voorwaarde zijn kandidatuur ingediend te hebben.
De wedde of weddetoelage bedoeld in het eerste lid worden pas toegekend als de inrichtende macht vooraf een werkaanbieding in de krant heeft laten publiceren, de Dienst voor arbeidsbemiddeling ervan heeft verwittigd dat een betrekking te bekleden is en het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap dan ervan informeert dat zij geen gekwalificeerd personeelslid heeft kunnen vinden dat deze betrekking als hoofdambt kan uitoefenen.
Wordt er een verandering aangebracht aan de opdracht van het personeelslid, dan zijn de voorwaarden en modaliteiten bepaald in voorafgaande leden weer van toepassing. ".
" Onder "gekwalificeerd personeelslid" wordt elk personeelslid verstaan dat aan alle voorwaarden voldoet om tijdelijk aangewezen of aangesteld te worden, met uitzondering van de voorwaarde zijn kandidatuur ingediend te hebben.
De wedde of weddetoelage bedoeld in het eerste lid worden pas toegekend als de inrichtende macht vooraf een werkaanbieding in de krant heeft laten publiceren, de Dienst voor arbeidsbemiddeling ervan heeft verwittigd dat een betrekking te bekleden is en het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap dan ervan informeert dat zij geen gekwalificeerd personeelslid heeft kunnen vinden dat deze betrekking als hoofdambt kan uitoefenen.
Wordt er een verandering aangebracht aan de opdracht van het personeelslid, dan zijn de voorwaarden en modaliteiten bepaald in voorafgaande leden weer van toepassing. ".
Art.15. A l'article 10, § 6, de l'arrêté royal n° 63 du 20 juillet 1982 modifiant les dispositions des statuts pécuniaires applicables au personnel enseignant et assimilé de l'enseignement de plein exercice et de l'enseignement de promotion sociale ou à horaire réduit, les alinéas 2, 3 et 4 sont remplacés par la disposition suivante :
" Par membre du personnel qualifié, l'on entend tout membre du personnel qui remplit toutes les conditions pour être désigné ou engagé à titre temporaire, à l'exception de la condition d'avoir introduit sa candidature.
Le traitement ou la subvention-traitement dont question au premier alinéa ne sont octroyés que lorsque le pouvoir organisateur a préalablement inséré une offre d'emploi dans un journal, a informé par écrit l'Office de l'Emploi de la Communauté germanophone qu'un emploi est à pourvoir et communique ensuite au Ministère de la Communauté germanophone qu'il n'a pu trouver aucun membre du personnel qualifié pouvant occuper l'emploi à titre principal.
Si une modification intervient dans la mission confiée au membre du personnel, les conditions et démarches prévues dans les alinéas précédents sont à nouveau valables. ".
" Par membre du personnel qualifié, l'on entend tout membre du personnel qui remplit toutes les conditions pour être désigné ou engagé à titre temporaire, à l'exception de la condition d'avoir introduit sa candidature.
Le traitement ou la subvention-traitement dont question au premier alinéa ne sont octroyés que lorsque le pouvoir organisateur a préalablement inséré une offre d'emploi dans un journal, a informé par écrit l'Office de l'Emploi de la Communauté germanophone qu'un emploi est à pourvoir et communique ensuite au Ministère de la Communauté germanophone qu'il n'a pu trouver aucun membre du personnel qualifié pouvant occuper l'emploi à titre principal.
Si une modification intervient dans la mission confiée au membre du personnel, les conditions et démarches prévues dans les alinéas précédents sont à nouveau valables. ".
Art.16. Artikel 77 van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977 wordt opgeheven.
Art.16. L'article 77 de la loi du 24 décembre 1976 relative aux propositions budgétaires 1976-1977 est abrogé.
Art.17. Het koninklijk besluit van 15 december 1978 tot uitvoering van artikel 77, § 5, 2e lid, van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977 wordt opgeheven.
Art.17. L'arrêté royal du 15 décembre 1978 portant exécution de l'article 77, § 5, alinéa 2, de la loi du 24 décembre 1976 relative aux propositions budgétaires 1976-1977 est abrogé.
Art. 18. Dit decreet treedt in werking op 1 september 2001, met uitzondering van artikel 15, dat op 1 juli 2001 in werking treedt.
Art. 18. Le présent décret entre en vigueur le 1er septembre 2001, sauf l'article 15, qui entre en vigueur le 1er juillet 2001.