Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
20 DECEMBER 2001. - Wet betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945. (NOTA : raadpleging van vroegere versies vanaf 24-01-2002 en tekstbijwerking tot 28-07-2006)
Titre
20 DECEMBRE 2001. - Loi relative au dédommagement des membres de la Communauté juive de Belgique pour les biens dont ils ont été spoliés ou qu'ils ont délaissés pendant la guerre 1940-1945. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 24-01-2002 et mise à jour au 28-07-2006)
Documentinformatie
Numac: 2001021664
Datum: 2001-12-20
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2001021664
Date: 2001-12-20
Moniteur: Voir
Tekst (21)
Texte (21)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
CHAPITRE I. - Disposition générale.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK II. - De Commissie voor de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945.
CHAPITRE II. - La Commission pour le dédommagement des membres de la Communauté juive de Belgique pour les biens dont ils ont été spoliés ou qu'ils ont délaissés pendant la guerre 1940-1945.
Art. 2. § 1. Er wordt bij de Diensten van de Eerste minister een Commissie opgericht voor de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, hierna te noemen " de Commissie ".
  De Commissie onderzoekt en beslist (vóór 31 december 2007) over de aanvragen tot schadeloosstelling onder de voorwaarden en volgens de regels bepaald in hoofdstuk III. <W 2006-07-20/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 07-08-2006>
  § 2. (Het mandaat van de Commissie gaat in op 9 september 2002 en eindigt ten laatste na afloop van de behandeling van de aanvragen waarvan de beslissing aanleiding geeft tot een beroepsprocedure bij de Raad van State.) <W 2006-07-20/40, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 07-08-2006>
  § 3. De Koning regelt de werking van de Commissie.
Art. 2. § 1er. Il est institué auprès des Services du Premier ministre une Commission pour le dédommagement des membres de la Communauté juive de Belgique pour les biens dont ils ont été spoliés ou qu'ils ont délaissés pendant la guerre 1940-1945, dénommée ci-après " la Commission ".
  La Commission examine et décide (avant le 31 décembre 2007) sur les demandes de dédommagement selon les conditions et les règles fixées au chapitre III. <L 2006-07-20/40, art. 2, 004; En vigueur : 07-08-2006>
  § 2. (Le mandat de la Commission prend effet le 9 septembre 2002 et s'achève au plus tard à l'issue du traitement des demandes dont la décision fait l'objet d'un recours au Conseil d'Etat.) <L 2006-07-20/40, art. 2, 004; En vigueur : 07-08-2006>
  § 3. Le Roi règle le fonctionnement de la Commission.
Art. 3. § 1. De Commissie is samengesteld uit vijf ambtenaren of op rust gestelde ambtenaren en omvat :
  - twee Nederlandstalige leden;
  - twee Franstalige leden;
  - een voorzitter, die het bewijs moet hebben geleverd van de kennis van het Nederlands en het Frans overeenkomstig de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
  De voorzitter wordt aangewezen door de Koning op voorstel van de Eerste minister. De overige leden worden door Hem aangewezen op voorstel van de Minister van Buitenlandse Zaken, de Minister van Financiën, de Minister van Justitie en de Minister bevoegd voor de oorlogsslachtoffers.
  § 2. Twee vertegenwoordigers van de Joodse Gemeenschap van België nemen deel aan de vergaderingen van de Commissie, met raadgevende stem.
  § 3. Voor de voorzitter en voor ieder lid wordt, overeenkomstig de voorwaarden, bepaald in § 1, een plaatsvervanger benoemd.
  § 4. De Commissie kan in het kader van haar opdracht een beroep doen op deskundigen om de adviezen in te winnen die zij nuttig acht.
Art. 3. § 1er. La Commission est composée de cinq fonctionnaires ou fonctionnaires retraités dont :
  - deux membres francophones;
  - deux membres néerlandophones;
  - un président, qui doit avoir justifié de la connaissance de la langue française et de la langue néerlandaise, conformément aux lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
  Le président est désigné par le Roi, sur proposition du Premier Ministre. Les autres membres sont désignés par Lui sur proposition du Ministre des Affaires étrangères, du Ministre des Finances, du ministre de la Justice et du Ministre qui a les victimes de guerre dans ses attributions.
  § 2. Deux représentants de la Communauté juive de Belgique participent aux réunions de la Commission avec voix consultative.
  § 3. Un suppléant est nommé pour le président et pour chaque membre, selon les conditions fixées au § 1er.
  § 4. Dans le cadre de sa mission, la Commission peut faire appel, à titre consultatif, à des experts.
Art. 4. Een secretariaat wordt ter beschikking gesteld van de Commissie. De Koning bepaalt de samenstelling, het statuut en de werkingsregels van het secretariaat.
Art. 4. Un secrétariat est mis à la disposition de la Commission. Le Roi fixe la composition, le statut et les règles de fonctionnement du secrétariat.
Art. 5. De kosten verbonden aan de werkzaamheden van de Commissie en van het secretariaat zijn ten laste van de begroting van de Eerste minister.
  De Koning bepaalt het bedrag van de presentiegelden en reiskosten, toegekend aan de voorzitter, de leden en de deskundigen van de Commissie.
Art. 5. Les frais de fonctionnement de la Commission et de son secrétariat sont à charge du budget du Premier ministre.
  Le Roi fixe le montant des jetons de présence et frais de parcours attribués au président, aux membres et aux experts de la Commission.
HOOFDSTUK III. - Aanvragen tot schadeloosstelling en verwerking van die aanvragen.
CHAPITRE III. - Des demandes de dédommagement et de leur traitement.
Art. 6. § 1. Kan een aanvraag tot schadeloosstelling indienen, elke persoon die aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° zijn verblijfplaats gehad hebben in België op om het even welk ogenblik tijdens de periode van 10 mei 1940 tot 8 mei 1945;
  2° in België beroofd zijn van goederen waarvan hij eigenaar was of ze hebben moeten achterlaten ten gevolge van een anti-Joodse maatregel van de Duitse bezettende overheid of ten gevolge van daden van antisemitische aard begaan door dezelfde overheid tijdens dezelfde periode.
  § 2. Voor de toepassing van § 1 wordt verstaan onder goederen die werden geplunderd of die de personen bedoeld in § 1 hebben moeten achterlaten, financiële tegoeden en goederen waarvan die personen eigenaar waren en :
  1° die niet werden teruggegeven door de Staat, de financiële instellingen of de verzekeringsmaatschappijen en evenmin aanleiding hebben gegeven tot enige schadeloosstelling, vergoeding of herstelling;
  2° en die geïdentificeerd geweest zijn in het verslag van de Studiecommissie, opgericht bij de wet van 15 januari 1999 betreffende de Studiecommissie betreffende het lot van de bezittingen van de leden van de Joodse gemeenschap van België, geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, of die geïdentificeerd worden in het kader van het onderzoek van de aanvraag door de Commissie.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het toepassingsgebied van het vorige lid uitbreiden tot andere sectoren, op basis van het verslag van de Commissie opgericht bij de voornoemde wet van 15 januari 1999.
  § 3. Indien de in § 1 bedoelde persoon overleden is, kunnen de rechthebbenden tot de eerste, tweede en derde graad in de zin van de artikelen 737 tot 744 van het Burgerlijk Wetboek, een schadeloosstelling aanvragen mits de in de §§ 1 en 2 bepaalde voorwaarden vervuld zijn en zij van hun hoedanigheid doen blijken overeenkomstig de regels van het gemene recht.
Art. 6. § 1er. Peut introduire une demande de dédommagement, toute personne qui satisfait aux conditions suivantes :
  1° avoir eu sa résidence en Belgique à quelque moment que ce soit pendant la période du 10 mai 1940 jusqu'au 8 mai 1945;
  2° en Belgique avoir été spoliée de biens dont elle était propriétaire ou avoir dû les délaisser suite a une mesure anti-juive des autorités d'occupation allemandes ou suite à des actes de nature antisémite commis par ces mêmes autorités pendant la même période.
  § 2. Pour l'application du § 1er, on entend par biens dont les personnes visées au § 1er ont été spoliées ou qu'elles ont dû délaisser, des avoirs financiers et des biens dont elles étaient propriétaires et :
  1° qui n'ont ni été restitués par l'Etat, les institutions financières ou les entreprises d'assurances, ni fait l'objet d'un quelconque dédommagement, indemnisation ou réparation;
  2° et qui ont été identifiés dans le rapport de la Commission d'étude, créée par la loi du 15 janvier 1999 relative à la Commission d'étude sur le sort des biens des membres de la Communauté juive de Belgique spoliés ou délaissés pendant la guerre 1940-1945, ou qui sont identifiés dans le cadre de l'examen de la demande par la Commission.
  Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, étendre le champ d'application de l'alinéa précédent, à d'autres secteurs, sur la base du rapport de la Commission, créée par la loi du 15 janvier 1999 précitée.
  § 3. Si la personne visée au § 1er est décédée, les ayants droit au premier, deuxième et troisième degré au sens des articles 737 à 744 du Code civil, peuvent demander un dédommagement pour autant que les conditions visées aux §§ 1er et 2 soient remplies et qu'ils justifient de leur qualité d'agir conformément aux règles du droit commun.
Art. 7. § 1. De aanvraag tot schadeloosstelling wordt (uiterlijk op 9 september 2003), bij ter post aangetekende brief toegestuurd aan de voorzitter van de Commissie en is vergezeld van alle nuttige stukken. Ze bevat de volgende elementen : <W 2003-04-08/33, art. 132, 022; Inwerkingtreding : 27-04-2003>
  1° naam, voornamen, woonplaats en nationaliteit van de verzoeker en, eventueel, naam, voornamen, woonplaats en hoedanigheid van zijn wettelijke vertegenwoordiger;
  2° een korte beschrijving van de omstandigheden waarin de goederen werden geplunderd of waarin de eigenaars die hebben moeten achterlaten;
  3° de zo volledig mogelijke beschrijving van de goederen en van de plaats waar ze zich toen bevonden en waar ze zich thans bevinden;
  4° de verklaring dat voor de goederen geen teruggave, vergoeding, schadeloosstelling of herstel heeft plaatsgevonden.
  De aanvraag moet worden gedagtekend en ondertekend en eindigen met de woorden : " Ik bevestig op mijn eer dat deze verklaring oprecht en volledig is. ".
  § 2. De Koning kan de nadere regels verduidelijken voor de indiening van de in § 1 bedoelde aanvraag, alsook de andere procedureregels bij de Commissie.
Art. 7. § 1er. La demande de dédommagement est formée, (au plus tard le 9 septembre 2003,) par lettre recommandée au président de la Commission et est accompagnée de tous les documents utiles. Elle contient les éléments suivants : <L 2003-04-08/33, art. 132, 002; En vigueur : 27-04-2003>
  1° les nom, prénoms, domicile et nationalité du requérant, ainsi que, s'il échet, les nom, prénoms, domicile et qualité de son représentant légal;
  2° une description sommaire des circonstances dans lesquelles les propriétaires des biens ont été spoliés ou ont dû les délaisser;
  3° la description la plus complète possible des biens et du lieu où ils se trouvaient à l'époque et où ils se trouvent actuellement;
  4° la déclaration qu'il n'y a pas eu de restitution, d'indemnisation, de dédommagement ou de réparation pour les biens.
  La demande doit être datée et signée et terminée par les mots : " J'affirme sur l'honneur que la présente déclaration est sincère et complète. ".
  § 2. Le Roi peut préciser les modalités d'introduction de la demande, visée au § 1er, ainsi que les autres règles de procédure devant la Commission.
Art. 8. § 1. De Commissie kan alle nuttige onderzoeken uitvoeren of gelasten teneinde de oprechtheid van de aanvraag tot schadeloosstelling na te gaan. Het resultaat is uitsluitend bestemd voor de procedure van onderzoek van de aanvraag en blijft gedekt door het beroepsgeheim. De Commissie kan onder meer iedere overheidsdienst, bank of verzekeringsmaatschappij verzoeken om mededeling van inlichtingen betreffende het bestaan van een tegoed, zonder dat haar het beroepsgeheim kan worden tegengeworpen.
  § 2. De Commissie kan in bijzondere gevallen tegemoetkomen aan onbillijkheden van overwegende aard, die zich naar het oordeel van de Commissie bij de toepassing van deze wet mochten voordoen.
Art. 8. § 1er. La Commission peut procéder ou faire procéder à toutes investigations utiles afin de vérifier la sincérité de la demande de dédommagement. Le résultat est exclusivement destiné à la procédure d'examen de la demande et reste couvert par le secret professionnel. La Commission peut notamment requérir de tout service public, banque ou entreprise d'assurances la communication de renseignements sur l'existence d'un bien sans que le secret professionnel puisse lui être opposé.
  § 2. Dans des cas particuliers, la Commission peut tenir compte d'iniquités d'ordre prépondérant qui, à son avis, peuvent survenir lors de l'application de la présente loi.
Art. 9. § 1. De Commissie kan de verwerking van persoonsgegevens verrichten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van haar opdracht.
  De gegevensbank betreffende de personen die het slachtoffer zijn geweest van de door de Duitse overheid genomen anti-Joodse maatregelen, die werd aangelegd door de Studiecommissie met toepassing van artikel 4 van genoemde wet van 15 januari 1999, wordt overgedragen aan de Commissie.
  In afwijking van de procedure waarvan sprake in artikel 5, tweede lid, a), van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, gewijzigd bij de wet van 19 juli 1991, heeft zij eveneens toegang tot de informatie bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 6° en 8° en tweede lid, van dezelfde wet, en kan zij het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen gebruiken binnen de grenzen, onder de voorwaarden en voor de doelstellingen bepaald in de volgende leden.
  De toegang en het gebruik bedoeld in het voorgaande lid, zijn toegestaan :
  1° aan de voorzitter en de leden van de Commissie die door hem worden aangewezen;
  2° aan de leden van niveau 1 van het secretariaat.
  De gegevens verkregen van het Rijksregister van de natuurlijke personen mogen uitsluitend worden aangewend voor de uitvoering van de onderzoeksopdracht van de Commissie.
  Zij mogen niet aan derden worden medegedeeld.
  Als derden worden niet beschouwd :
  1° de natuurlijke personen op wie de gegevens betrekking hebben, alsook hun wettelijke vertegenwoordigers en hun rechthebbenden;
  2° de openbare overheden en de instellingen aangewezen op grond van artikel 5 van voornoemde wet van 8 augustus 1983.
  De personen, bedoeld in het vierde lid, kunnen het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen in hun bestanden en repertoria alleen als identificatiemiddel gebruiken :
  1° voor interne beheersdoeleinden;
  2° in hun relaties met de openbare overheden en instellingen aan wie de machtiging bedoeld in artikel 8 van voornoemde wet van 8 augustus 1983 ook is verleend.
  De lijst van de personen die toegang tot het Rijksregister van de natuurlijke personen hebben, met vermelding van hun functie en eventueel hun graad, wordt aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bezorgd.
  Het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen mag niet worden overgenomen op stukken die ter kennis zouden kunnen gebracht worden van andere derden dan de overheden en instellingen die eveneens gemachtigd zijn het te gebruiken.
  § 2. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de bestemming van de gegevensbank op het einde van het mandaat van de Commissie.
Art. 9. § 1er. La Commission peut effectuer les traitements de données à caractère personnel qui sont nécessaires à l'accomplissement de sa mission.
  La banque de données relative aux personnes victimes des mesures anti-juives prises par les autorités allemandes, qui a été constituée par la Commission d'étude en application de l'article 4 de la loi du 15 janvier 1999 précitée, est transférée à la Commission.
  En dérogation à la procédure prévue à l'article 5, alinéa 2, a), de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, modifié par la loi du 19 juillet 1991, elle peut également accéder aux informations visées à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 6° et 8° et alinéa 2, de la même loi et faire usage du numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, dans les limites, conditions et fins prévues aux alinéas suivants.
  L'accès et l'usage visés à l'alinéa précédent sont autorisés :
  1° au président et aux membres de la Commission délégués par lui;
  2° aux membres du niveau 1 du secrétariat.
  Les informations du Registre national des personnes physiques obtenues ne peuvent être utilisées que pour l'accomplissement de la mission de recherche de la Commission.
  Elles ne peuvent être communiquées à des tiers.
  Ne sont pas considérés comme tiers :
  1° les personnes physiques auxquelles se rapportent ces informations, de même que leurs représentants légaux ou leurs ayants-droit;
  2° les autorités publiques ou les organismes désignés en vertu de l'article 5 de la loi du 8 août 1983 précitée.
  Les personnes visées à l'alinéa 4 peuvent utiliser le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques au seul titre de moyen d'identification dans leurs fichiers ou répertoires :
  1° à des fins de gestion interne;
  2° dans les relations qu'elles ont avec les autorités publiques et organismes qui ont eux-mêmes reçu l'autorisation prévue à l'article 8 de la loi du 8 août 1983 précitée.
  La liste des personnes ayant accès aux informations du Registre national des personnes physiques, avec identification de leur fonction et, éventuellement, de leur grade, est transmise à la Commission de la protection de la vie privée.
  Le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques ne peut être reproduit sur des documents susceptibles d'être portés à la connaissance de tiers autres que les autorités ou organismes également autorisés à l'utiliser.
  § 2. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après avis de la Commission de la protection de la vie privée, la destination de la banque de données au terme du mandat de la Commission.
HOOFDSTUK IV. - Procedure voor de betaling van de schadeloosstellingen, schuldbevrijdend karakter en storting van het saldo.
CHAPITRE IV. - De la procédure de paiement des dédommagements, du caractère libératoire et du versement du solde.
Art. 10. Binnen een termijn van drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet, wordt een protocol gesloten tussen de Nationale Commissie van de Joodse Gemeenschap van België voor de Restitutie v.z.w., de Staat, de financiële instellingen en de verzekeringsmaatschappijen, bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 1°, teneinde de bedragen en de coëfficiënt of de coëfficiënten, waarmee de geactualiseerde waarde ervan kan worden berekend, te bepalen.
  Dit protocol wordt goedgekeurd door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  Deze bedragen worden gestort door de Staat, de financiële instellingen en de verzekeringsmaatschappijen, bedoeld in het eerste lid, op een bijzondere rekening die in de boeken van de Nationale Bank van België wordt geopend op naam van de Belgische Schatkist.
Art. 10. Dans un délai de trois mois après l'entrée en vigueur de la présente loi, un protocole est conclu entre la Commission nationale de la Communauté juive de Belgique pour la Restitution a.s.b.l., l'Etat, les institutions financières et les entreprises d'assurances, visées à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 1°, afin de fixer les montants et le coefficient ou les coefficients permettant le calcul de la valeur actualisée de ceux-ci.
  Ce protocole est approuvé par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
  Ces montants sont versés par l'Etat, les institutions financières et les entreprises d'assurances, visées à l'alinéa 1er, au crédit d'un compte spécial qui est ouvert au nom du Trésor belge dans les livres de la Banque Nationale de Belgique.
Art. 11. De beslissingen van de Commissie worden medegedeeld aan het Bestuur van de Thesaurie dat belast wordt met de vereffening van de overeenkomstige bedragen ten laste van de rekening bedoeld in artikel 10, derde lid.
Art. 11. Les décisions de la Commission sont communiquées à l'Administration de la Trésorerie qui est chargée de liquider les montants correspondants à charge du compte visé à l'article 10, alinéa 3.
Art. 12. Bij ontstentenis van een protocol gesloten binnen de in artikel 10 vastgelegde termijn, bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na advies van de Nationale Commissie van de Joodse Gemeenschap van België voor de Restitutie v.z.w., de bedragen die worden gestort door de Staat, de financiële instellingen en de verzekeringsmaatschappijen bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 1°, alsook de coëfficiënt of de coëfficiënten waarmee de geactualiseerde waarde van deze bedragen kan worden berekend.
Art. 12. A défaut de protocole conclu dans le délai fixé à l'article 10, le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, et après avis de la Commission nationale de la Communauté juive de Belgique pour la Restitution a.s.b.l., les montants qui sont versés par l'Etat, les institutions financières et les entreprises d'assurances visées à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 1°, ainsi que le coefficient ou les coefficients permettant le calcul de la valeur actualisée de ces montants.
Art. 13. De stortingen bedoeld in artikel 10, derde lid, hebben een schuldbevrijdende werking voor de Staat, alsook voor de betrokken financiële instellingen en verzekeringsmaatschappijen tegenover de in artikel 6 bedoelde personen en brengen voor deze personen van rechtswege het verval mee van het recht op iedere andere aanspraak dan die bedoeld in hetzelfde artikel, in feite of in rechte, op de teruggave, de vergoeding of de schadeloosstelling voor de betrokken goederen.
Art. 13. Les versements visés à l'article 10, alinéa 3, ont effet libératoire, pour l'Etat, les institutions financières et les entreprises d'assurances concernées à l'égard des personnes visées à l'article 6 et impliquent d'office l'extinction du droit pour ces personnes d'introduire toute autre demande que celle visée au même article, en fait ou en droit, pour la restitution, l'indemnisation ou le dédommagement des biens concernés.
Art. 14. (In de loop van het eerste trimester 2008), wordt het saldo van de bijzondere rekening bedoeld in artikel 10, derde lid, overgemaakt aan een (Stichting) van openbaar nut waarvan de opdrachten van sociale, culturele of religieuze aard tegemoetkomen aan de behoeften van de Joodse Gemeenschap van België. Deze opdrachten kunnen eveneens betrekking hebben op de strijd tegen het racisme, de intolerantie en de schending van de mensenrechten. <W 2006-07-20/40, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 07-08-2006>
  (Binnen de twee jaar volgend op het jaar van) de inwerkingtreding van deze wet kan een voorschot van dit saldo gestort worden ten gunste van de (Stichting) van openbaar nut. <W 2004-07-09/30, art. 318, 003; Inwerkingtreding : 25-07-2004> <W 2006-07-20/40, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 07-08-2006>
  (De bedragen betreffende de aanvragen bedoeld in artikel 2, § 2, worden afgehouden van het saldo bedoeld in de vorige leden en, in voorkomend geval, overgemaakt op het einde van de behandeling van deze aanvragen.
  In afwijking van artikel 27 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de vereniging zonder winstoogmerk, de internationale vereniging zonder winstoogmerk en de stichtingen en na verslag van de bedrijfsrevisoren aangesteld door de stichting van openbaar nut bedoeld in het eerste lid bepaalt de Koning binnen het saldo van de bijzondere rekening bedoeld in artikel 10, derde lid, een bedrag dat onmiddellijk kan worden aangewend voor het door de stichting opgezette project " solidariteit 3000. ".) <W 2006-07-20/40, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 07-08-2006>
Art. 14. (Dans le courant du 1er trimestre 2008), le solde du compte spécial visé à l'article 10, alinéa 3, est versé à (une Fondationn) d'utilité publique dont les missions de nature sociale, culturelle et religieuse rencontrent les besoins de la Communauté juive de Belgique. Ces missions peuvent également s'étendre à la lutte contre le racisme, l'intolérance et la violation des droits de l'homme. <L 2006-07-20/40, art. 3, 004; En vigueur : 07-08-2006>
  Dans (les deux années qui suivent l'année de) l'entrée en vigueur de la présente loi, un acompte sur ce solde peut être versé à (la Fondation) d'utilité publique. <L 2004-07-09/30, art. 318, 003; En vigueur : 25-07-2004> <L 2006-07-20/40, art. 3, 004; En vigueur : 07-08-2006>
  (Les sommes relatives aux demandes visées à l'article 2, § 2, sont déduites du solde visé aux alinéas précédents et sont versées, le cas échéant, au terme du traitement de ces demandes.
  Par dérogation à l'article 27 de la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations et après rapport des réviseurs d'entreprises désignés par la fondation d'utilité publique visée à l'alinéa 1er, le Roi fixe, dans les limites du solde du compte spécial visé à l'article 10, alinéa 3, un montant pouvant être immédiatement affecté au projet " solidarité 3000 " développé par la fondation.) <L 2006-07-20/40, art. 3, 004; En vigueur : 07-08-2006>
HOOFDSTUK V. - Slotbepaling en inwerkingtreding.
CHAPITRE V. - Disposition finale et entrée en vigueur.
Art. 15. Het besluit genomen krachtens artikel 6, § 2, tweede lid, wordt opgeheven wanneer het niet binnen het jaar na zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad bij wet is bekrachtigd.
Art. 15. L'arrêté pris en vertu de l'article 6, § 2, alinéa 2, est abrogé lorsqu'il n'est pas confirmé par la loi dans l'année qui suit sa publication au Moniteur belge.
Art. 16. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de datum van inwerkingtreding van deze wet. (Inwerkingtreding op 19-03-2002; zie KB 2002-03-13/34, art. 1.)
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands Zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Gegeven te Brussel, 20 december 2001.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Eerste Minister,
  G. VERHOFSTADT
  De Minister van Justitie,
  M. VERWILGHEN
  De Minister van Financiën,
  D. REYNDERS
  Gezien en met 's Lands Zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  M. VERWILGHEN.
Art. 16. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, la date d'entrée en vigueur de la présente loi. (Entrée en vigueur le 19-03-2002; voir AR 2002-03-13/34, art. 1.)
  Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du Sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
  Donné à Bruxelles, le 20 décembre 2001.
  ALBERT
  Par le Roi :
  Le Premier Ministre,
  G. VERHOFSTADT
  Le Ministre de la Justice,
  M. VERWILGHEN
  Le Ministre des Finances,
  D. REYNDERS
  Vu et scellé du Sceau de l'Etat :
  Le Ministre de la Justice,
  M. VERWILGHEN.