Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit moet verstaan worden onder :
1° de wet : de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen;
2° (thuishulp van huishoudelijke aard : activiteiten ten gunste van particulieren die in België woonachtig zijn, die bestaan uit :
a) [1 activiteiten verricht in de woonplaats van de gebruiker : schoonmaken van de woning met inbegrip van de ramen, wassen en strijken, kleine occasionele naaiwerken, bereiden van maaltijden. Vormen geen activiteiten verricht in de woonplaats van de gebruiker, de prestaties die worden uitgevoerd voor een particulier die verblijft in een instelling voor collectief verblijf die hem huisvest en die bepaalde diensten voor hem uitvoert, inzonderheid verzorging of begeleiding en de voorziening van maaltijden.]1
b) (activiteiten verricht buiten [1 de woonplaats]1 van de gebruiker : boodschappen doen, begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit, strijken (met inbegrip van verstelwerk van het te strijken linnen);) <KB 2006-03-05/39, art. 1, 1°, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006> <KB 2007-07-13/36, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
3° de RVA : de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening bedoeld in artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
4° het uitgiftebedrijf : het na een offerteaanvraag door de RVA aangewezen bedrijf, belast met het uitgeven van de dienstencheques zoals bedoeld in (artikel 2, § 1, 2°), van de wet; <KB 2004-01-09/33, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
5° (de erkende onderneming : de onderneming die de in artikel 2, § 1, 3° van de wet bedoelde buurtwerken of -diensten levert, die hiertoe erkend is en die daarbij de gebruiker de kwaliteit en de veiligheid garandeert van deze diensten;) <KB 2004-01-09/33, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
6° (6° tegemoetkoming : de tegemoetkoming van de federale staat in de kostprijs van de dienstencheque;) <KB 2004-01-09/33, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
7° (mindervalide :
a) de persoon als dusdanig ingeschreven bij het " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", bij het " Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées ", bij de " Service bruxellois francophone des Personnes handicapées " of bij de " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
b) de persoon die een inkomensvervangende tegemoetkoming, een integratietegemoetkoming of een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden geniet, op basis van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
c) de persoon die minstens 7 punten werd toegekend op de zelfredzaamheidsschaal, opgenomen in bijlage bij het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming, en die hiervoor beschikt over een attest van de Algemene Directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid.) <KB 2008-09-28/30, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
(8° mindervalide kind :
a) het kind dat een verhoogde kinderbijslag geniet voor gehandicapte kinderen of het kind dat aan een zware ziekte lijdt;
b) het kind, jonger dan 21 jaar, dat als mindervalide erkend is door het " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", door het " Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées ", door de " Service bruxellois francophone des Personnes handicapées ", of door de " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
c) het kind, jonger dan 21 jaar, dat minstens 7 punten werd toegekend op de zelfredzaamheidsschaal, opgenomen in bijlage bij het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming, en die hiervoor beschikt over een attest van de Algemene Directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid.) <KB 2008-09-28/30, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[2 9° arbeidsovereenkomst dienstencheques : de arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7bis van de wet;
10° [3 ...]3.]2
((De boodschappen bedoeld in het eerste lid, 2°, b), zijn) boodschappen ten gunste van een particuliere gebruiker om in zijn dagdagelijkse behoeften te voorzien. Worden niet beschouwd als dagdagelijkse behoeften, inzonderheid de aankoop van meubelen, van huishoudtoestellen, van audio-visuele toestellen, van warme maaltijden en de periodieke bedeling van kranten en tijdschriften.) <KB 2004-03-31/33, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004> <KB 2006-03-05/39, art. 1, 2°, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
(Begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit bedoeld in het eerste lid, 2°, b), is een activiteit die mindervaliden onder begeleiding vervoert met daartoe speciaal uitgeruste voertuigen, waarvoor de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer een attest heeft afgeleverd. De personen van minstens 60 jaar die prestaties genieten verstrekt door een door de bevoegde overheid erkende dienst voor gezins- en bejaardenhulp worden met mindervaliden gelijkgesteld. Deze activiteit is eveneens mogelijk voor de mindervalide kinderen ten laste van een gebruiker. Enkel voor het vervoer van de mindervaliden, bedoeld in artikel 1, eerste lid, 7°, a), en van de mindervalide kinderen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, 8°, b), is een aangepast voertuig met attest vereist.) <KB 2008-09-28/30, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
(Worden beschouwd als strijken, bedoeld in het eerste lid, 2°, b) : het strijken zelf en de volgende aanverwante activiteiten :
- het registreren : de ontvangst van het door de klant gebrachte te strijken linnen, het registreren van de te strijken stukken en het opstellen van een ontvangstbewijs;
- het sorteren : het sorteren van het te strijken linnen volgens productieproces;
- het controleren : de kwaliteitscontrole en de eindcontrole na het strijken;
- het samenstellen : het gestreken linnen terug per klant samenbrengen;
- het verpakken: het gestreken linnen inpakken;
- het bestellen: het afhalen van het gestreken linnen in het strijkatelier door de klant en het afhandelen van de betaling.) <KB 2007-07-13/36, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
12 DECEMBER 2001. - Koninklijk besluit betreffende de dienstencheques. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 22-12-2001 en tekstbijwerking tot 31-12-2025)
Titre
12 DECEMBRE 2001. - Arrêté royal concernant les titres-services. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 22-12-2001 et mise à jour au 31-12-2025)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Definities.
HOOFDSTUK II. - Basisbeginselen.
HOOFDSTUK IIbis. - Erkenning.
HOOFDSTUK III. - Vorm, aanschaf en gebruik van ...
HOOFDSTUK IIIbis. - Loon- en arbeidsvoorwaarden.
HOOFDSTUK IIIter. - Modaliteiten betreffende de...
HOOFDSTUK IIIquater_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEW...
HOOFDSTUK IV. - Controle van het systeem en gev...
HOOFDSTUK V. - Overgangsbepalingen.
HOOFDSTUK VI. - Evaluatie.
HOOFDSTUK(VII.) - (Oud HOOFDSTUK VI) Inwerkingt...
BIJLAGE.
Inhoud
CHAPITRE I. - Définitions.
CHAPITRE II. - Principes de base.
CHAPITRE IIbis. - Agrément.
CHAPITRE III. - Forme, acquisition et utilisati...
CHAPITRE IIIbis. - Conditions de travail et de ...
CHAPITRE IIIter. - Modalités relatives à l'appl...
CHAPITRE III/quater. _REGION_DE_BRUXELLES-CAPIT...
CHAPITRE IV. - Contrôle du système et conséquen...
CHAPITRE V. - Dispositions transitoires.
CHAPITRE VI. - Evaluation.
CHAPITRE VII. - (ancien CHAPITRE VI) Entrée en ...
ANNEXE.
Tekst (145)
Texte (145)
HOOFDSTUK I. - Definities.
CHAPITRE I. - Définitions.
Article 1. Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
1° la loi : la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité;
2° (aide à domicile de nature ménagère : des activités en faveur des particuliers qui sont domiciliés en Belgique, qui comprennent :
a) [1 des activités réalisées au lieu de résidence de l'utilisateur : le nettoyage du domicile y compris les vitres, la lessive et le repassage, les petits travaux de couture occasionnels, la préparation des repas. Ne constituent pas des activités réalisées au lieu de résidence de l'utilisateur, les prestations qui sont effectuées pour un particulier résidant dans un établissement de résidence collective qui l'héberge et qui preste à son égard certains services, notamment les soins ou l'accompagnement et la restauration.]1
b) (des activités réalisées en dehors [1 du lieu de résidence]1 de l'utilisateur : faire des courses ménagères, du transport accompagné de personnes à mobilité réduite, du repassage (y compris le raccommodage du linge à repasser;) <AR 2006-03-05/39, art. 1, 1°, 010; En vigueur : 22-03-2006> <AR 2007-07-13/36, art. 1, 013; En vigueur : 01-08-2007>
3° l'ONEm : l'Office national de l'Emploi, visé à l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
4° la société émettrice : la société désignée par l'ONEm à la suite d'un appel d'offre, chargée d'émettre les titres-services visés à (l'article 2, § 1er, 2°) de la loi; <AR 2004-01-09/33, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-2004>
5° (l'entreprise agréée : l'entreprise qui fournit les travaux ou les services de proximité visés à l'article 2, § 1er, 3°, de la loi, qui est agréée à cette fin et qui garantit la qualité et la sécurité de ces services;) <AR 2004-01-09/33, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-2004>
6° (l'intervention : l'intervention de l'Etat fédéral dans le coût du titre-service;) <AR 2004-01-09/33, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-2004>
7° (personne handicapée :
a) la personne enregistrée comme telle à l'Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées, à la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", au Service bruxellois francophone des Personnes handicapées ou à la " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
b) la personne qui bénéficie d'une allocation de remplacement de revenus, d'une allocation d'intégration ou d'une allocation pour l'aide aux personnes âgées, sur base de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;
c) la personne qui s'est vue reconnaître au moins 7 points sur l'échelle d'autonomie reprise en annexe à l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration, et qui dispose, à cet égard, d'une attestation de la Direction générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale.) <AR 2008-09-28/30, art. 1, 015; En vigueur : 01-11-2008>
(8° enfant handicapé :
a) l'enfant bénéficiant d'une allocation familiale majorée pour enfants handicapés ou atteints d'une grave maladie;
b) l'enfant de moins de 21 ans reconnu comme handicapé par l'Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées, par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", par le Service bruxellois francophone des Personnes handicapées, ou par la " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
c) l'enfant de moins de 21 ans qui s'est vu reconnaître au moins 7 points sur l'échelle d'autonomie reprise en annexe à l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration, et qui dispose, à cet égard, d'une attestation de la Direction générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale.) <AR 2008-09-28/30, art. 1, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[2 9° contrat de travail titres-services : le contrat de travail visé à l'article 7bis de la loi;
10° [3 ...]3.]2
(Les courses ménagères, visées à l'alinéa 1er, 2°, b), sont des courses ménagères en faveur d'un utilisateur qui est un particulier, afin de répondre à ses besoins journaliers. Ne sont pas considérés comme des besoins journaliers, notamment l'achat de meubles, d'appareils ménagers, d'appareils audio-visuels, de repas chauds et la distribution périodique de journaux et d'hebdomadaires.) <AR 2004-03-31/33, art. 2, 004; En vigueur : 16-04-2004>
(Le transport accompagné de personnes à mobilité réduite visé à l'alinéa 1er, 2°, b), est une activité qui s'occupe du transport accompagné de personnes handicapées, en utilisant des véhicules spécialement adaptés pour lesquels [4 le Département de la Mobilité et des Travaux publics du Ministère flamand de la Mobilité et des Travaux Publics ]4 à délivré une attestation. Les personnes âgées de 60 ans au moins bénéficiant des prestations d'un service d'aide aux familles et aux personnes âgées agréé par l'autorité publique compétente, sont assimilées à des personnes handicapées. Cette activité est également possible pour les enfants handicapés à charge de l'utilisateur. Un véhicule adapté avec attestation est uniquement requis dans le cas de transport de personnes handicapées, prévues à l'article 1er, alinéa 1er, 7°, a) et des enfants handicapés, prévus à l'article 1er, alinéa 1er, 8°, b).) <AR 2008-09-28/30, art. 2, 015; En vigueur : 01-11-2008>
(Sont considérées comme du repassage, visé à l'alinéa 1er, 2°, b) : le repassage lui-même et les activités apparentées suivantes :
- l'enregistrement : la réception du linge à repasser apporté par le client, l'enregistrement des pièces à repasser et l'établissement d'un accusé de réception;
- le triage : le triage du linge à repasser selon le processus de production;
- le contrôle: le contrôle de la qualité et le contrôle final après repassage;
- l'assemblage : rassembler à nouveau le linge repassé par client;
- l'emballage : emballer le linge repassé;
- la livraison : la réception du linge repassé dans l'atelier de repassage par le client et le règlement du paiement.) <AR 2007-07-13/36, art. 1, 013; En vigueur : 01-08-2007>
1° la loi : la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité;
2° (aide à domicile de nature ménagère : des activités en faveur des particuliers qui sont domiciliés en Belgique, qui comprennent :
a) [1 des activités réalisées au lieu de résidence de l'utilisateur : le nettoyage du domicile y compris les vitres, la lessive et le repassage, les petits travaux de couture occasionnels, la préparation des repas. Ne constituent pas des activités réalisées au lieu de résidence de l'utilisateur, les prestations qui sont effectuées pour un particulier résidant dans un établissement de résidence collective qui l'héberge et qui preste à son égard certains services, notamment les soins ou l'accompagnement et la restauration.]1
b) (des activités réalisées en dehors [1 du lieu de résidence]1 de l'utilisateur : faire des courses ménagères, du transport accompagné de personnes à mobilité réduite, du repassage (y compris le raccommodage du linge à repasser;) <AR 2006-03-05/39, art. 1, 1°, 010; En vigueur : 22-03-2006> <AR 2007-07-13/36, art. 1, 013; En vigueur : 01-08-2007>
3° l'ONEm : l'Office national de l'Emploi, visé à l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
4° la société émettrice : la société désignée par l'ONEm à la suite d'un appel d'offre, chargée d'émettre les titres-services visés à (l'article 2, § 1er, 2°) de la loi; <AR 2004-01-09/33, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-2004>
5° (l'entreprise agréée : l'entreprise qui fournit les travaux ou les services de proximité visés à l'article 2, § 1er, 3°, de la loi, qui est agréée à cette fin et qui garantit la qualité et la sécurité de ces services;) <AR 2004-01-09/33, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-2004>
6° (l'intervention : l'intervention de l'Etat fédéral dans le coût du titre-service;) <AR 2004-01-09/33, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-2004>
7° (personne handicapée :
a) la personne enregistrée comme telle à l'Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées, à la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", au Service bruxellois francophone des Personnes handicapées ou à la " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
b) la personne qui bénéficie d'une allocation de remplacement de revenus, d'une allocation d'intégration ou d'une allocation pour l'aide aux personnes âgées, sur base de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;
c) la personne qui s'est vue reconnaître au moins 7 points sur l'échelle d'autonomie reprise en annexe à l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration, et qui dispose, à cet égard, d'une attestation de la Direction générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale.) <AR 2008-09-28/30, art. 1, 015; En vigueur : 01-11-2008>
(8° enfant handicapé :
a) l'enfant bénéficiant d'une allocation familiale majorée pour enfants handicapés ou atteints d'une grave maladie;
b) l'enfant de moins de 21 ans reconnu comme handicapé par l'Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées, par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", par le Service bruxellois francophone des Personnes handicapées, ou par la " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
c) l'enfant de moins de 21 ans qui s'est vu reconnaître au moins 7 points sur l'échelle d'autonomie reprise en annexe à l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration, et qui dispose, à cet égard, d'une attestation de la Direction générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale.) <AR 2008-09-28/30, art. 1, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[2 9° contrat de travail titres-services : le contrat de travail visé à l'article 7bis de la loi;
10° [3 ...]3.]2
(Les courses ménagères, visées à l'alinéa 1er, 2°, b), sont des courses ménagères en faveur d'un utilisateur qui est un particulier, afin de répondre à ses besoins journaliers. Ne sont pas considérés comme des besoins journaliers, notamment l'achat de meubles, d'appareils ménagers, d'appareils audio-visuels, de repas chauds et la distribution périodique de journaux et d'hebdomadaires.) <AR 2004-03-31/33, art. 2, 004; En vigueur : 16-04-2004>
(Le transport accompagné de personnes à mobilité réduite visé à l'alinéa 1er, 2°, b), est une activité qui s'occupe du transport accompagné de personnes handicapées, en utilisant des véhicules spécialement adaptés pour lesquels [4 le Département de la Mobilité et des Travaux publics du Ministère flamand de la Mobilité et des Travaux Publics ]4 à délivré une attestation. Les personnes âgées de 60 ans au moins bénéficiant des prestations d'un service d'aide aux familles et aux personnes âgées agréé par l'autorité publique compétente, sont assimilées à des personnes handicapées. Cette activité est également possible pour les enfants handicapés à charge de l'utilisateur. Un véhicule adapté avec attestation est uniquement requis dans le cas de transport de personnes handicapées, prévues à l'article 1er, alinéa 1er, 7°, a) et des enfants handicapés, prévus à l'article 1er, alinéa 1er, 8°, b).) <AR 2008-09-28/30, art. 2, 015; En vigueur : 01-11-2008>
(Sont considérées comme du repassage, visé à l'alinéa 1er, 2°, b) : le repassage lui-même et les activités apparentées suivantes :
- l'enregistrement : la réception du linge à repasser apporté par le client, l'enregistrement des pièces à repasser et l'établissement d'un accusé de réception;
- le triage : le triage du linge à repasser selon le processus de production;
- le contrôle: le contrôle de la qualité et le contrôle final après repassage;
- l'assemblage : rassembler à nouveau le linge repassé par client;
- l'emballage : emballer le linge repassé;
- la livraison : la réception du linge repassé dans l'atelier de repassage par le client et le règlement du paiement.) <AR 2007-07-13/36, art. 1, 013; En vigueur : 01-08-2007>
Art. 1_WAALS_GEWEST. Voor de toepassing van dit besluit moet verstaan worden onder :
1° de wet : de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen;
2° (thuishulp van huishoudelijke aard : activiteiten ten gunste van particulieren [4 die hun hoofdverblijfplaats in het Waalse Gewest hebben]4, die bestaan uit :
a) [1 activiteiten verricht in de woonplaats van de gebruiker : schoonmaken van de woning met inbegrip van de ramen, wassen en strijken, kleine occasionele naaiwerken, bereiden van maaltijden. Vormen geen activiteiten verricht in de woonplaats van de gebruiker, de prestaties die worden uitgevoerd voor een particulier die verblijft in een instelling voor collectief verblijf die hem huisvest en die bepaalde diensten voor hem uitvoert, inzonderheid verzorging of begeleiding en de voorziening van maaltijden.]1
b) (activiteiten verricht buiten [1 de woonplaats]1 van de gebruiker : boodschappen doen, begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit, strijken (met inbegrip van verstelwerk van het te strijken linnen);) <KB 2006-03-05/39, art. 1, 1°, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006> <KB 2007-07-13/36, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
3° [4 de "Forem ": de "Office wallon de la formation professionnelle et de l'emploi" (Waalse dienst voor beroepsopleiding en arbeidsbemiddeling);]4
4° [4 het uitgiftebedrijf : het door de bevoegde overheid aangewezen bedrijf dat belast is met het uitgeven van de dienstencheques bedoeld in artikel 2, § 1, 2°, van de wet;]4
5° [4 de erkende onderneming: de onderneming die de in artikel 2, § 1, 3° van de wet bedoelde buurtwerken of -diensten levert, die hiertoe door het Waalse Gewest erkend is en die daarbij de kwaliteit en de veiligheid van deze diensten garandeert;]4
6° (tegemoetkoming : de tegemoetkoming van [4 het Waalse Gewest]4 in de kostprijs van de dienstencheque;) <KB 2004-01-09/33, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
7° (mindervalide :
a) de persoon als dusdanig ingeschreven bij het " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", bij het " [6 Agence wallonne de la santé, de la protection sociale, du handicap et des familles]6 ", bij de " Service bruxellois francophone des Personnes handicapées " of bij de " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
b) de persoon die een inkomensvervangende tegemoetkoming, een integratietegemoetkoming of een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden geniet, op basis van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
c) de persoon die minstens 7 punten werd toegekend op de zelfredzaamheidsschaal, opgenomen in bijlage bij het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming, en die hiervoor beschikt over een attest van de Algemene Directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid.) <KB 2008-09-28/30, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
(8° mindervalide kind :
a) het kind dat een verhoogde kinderbijslag geniet voor gehandicapte kinderen of het kind dat aan een zware ziekte lijdt;
b) het kind, jonger dan 21 jaar, dat als mindervalide erkend is door het " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", door het " Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées ", door de " Service bruxellois francophone des Personnes handicapées ", of door de " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
c) het kind, jonger dan 21 jaar, dat minstens 7 punten werd toegekend op de zelfredzaamheidsschaal, opgenomen in bijlage bij het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming, en die hiervoor beschikt over een attest van de Algemene Directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid.) <KB 2008-09-28/30, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[2 9° arbeidsovereenkomst dienstencheques : de arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7bis van de wet;
10° [4 de "Administratie" : de Directie Werk in de Directe Omgeving [7 van de Waalse Overheidsdienst Economie, Tewerkstelling en Onderzoek]7;]4
[4 11° de Minister van Tewerkstelling: de Waalse Minister bevoegd voor Tewerkstelling;]4
[4 12° de gemachtigd ambtenaar: de ambtenaar die over een delegatie van bevoegdheden beschikt krachtens [7 Besluit van de Waalse Regering betreffende de overdrachten van bevoegdheden in de Waalse Overheidsdienst]7;]4
[5 13° initiële bevolking: de gezamenlijke gegevens waarop de controle betrekking heeft;
14° laag: deel van een initiële bevolking, bepaald in functie van één of meerdere criteria;
15° referentiebevolking: het deel van de initiële bevolking die, na verwijdering en rechtzetting van de redundante en onjuiste gegevens, de te onderzoeken gegevens vormt;
16° referentielaag: het deel van een laag, na verwijdering en rechtzetting van de redundante en onjuiste gegevens, de te onderzoeken gegevens vormt;
17° staal: de geselecteerde gegevens uit een bevolking of een laag;
18° referentiestaal: de geselecteerde gegevens uit een bevolking of een laag of uit een referentielaag;
19° extrapoleerbaar referentiestaal: referentiestaal gevormd op toevallige, eenvoudige wijze en zonder herinvoering;
20° extrapolatie: veralgemening van de resultaten waargenomen in een extrapoleerbaar referentiestaal naar de globaliteit van de referentiebevolking of de referentielaag waaruit het staal afgenomen is;
21° betrouwbaarheidsinterval: de gezamenlijke waarden vervat tussen een infimum en een supremum, verkregen na onderzoek van een staal. Deze gezamenlijke waarden bieden een waarschijnlijkheid van vijfennegentig percent of meer dat de exacte waarde van de parameter in de bevolking is vervat;
22° de omvang van het betrouwbaarheidsinterval: het verschil tussen de waarde van het supremum en die van het infimum in het betrouwbaarheidsinterval;
23° het Departement Inspectie: het Departement Inspectie [7 van de Waalse Overheidsdienst Economie, Tewerkstelling en Onderzoek]7;
24° de inspecteurs: de statutaire en contractuele personeelsleden van het Departement Inspectie die beëdigd zijn.]5
[4 Onder hoofdverblijfplaats, zoals bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt verstaan: de hoofdverblijfplaats bedoeld in artikel 3 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.]4
[4 Voor de toepassing van dit besluit worden de personen die in het Waalse Gewest verblijven en die wegens hun diplomatieke onschendbaarheid of hun bijzonder statuut vrijgesteld worden van de opneming in de bevolkingsregisters, gelijkgesteld met personen die een dergelijke hoofdverblijfplaats hebben.]4
((De boodschappen bedoeld in het eerste lid, 2°, b), zijn) boodschappen ten gunste van een particuliere gebruiker om in zijn dagdagelijkse behoeften te voorzien. Worden niet beschouwd als dagdagelijkse behoeften, inzonderheid de aankoop van meubelen, van huishoudtoestellen, van audio-visuele toestellen, van warme maaltijden en de periodieke bedeling van kranten en tijdschriften.) <KB 2004-03-31/33, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004> <KB 2006-03-05/39, art. 1, 2°, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
(Begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit bedoeld in het eerste lid, 2°, b), is een activiteit die mindervaliden onder begeleiding vervoert met daartoe speciaal uitgeruste voertuigen, waarvoor [4 de Waalse Overheidsdienst]4 een attest heeft afgeleverd. De personen van minstens 60 jaar die prestaties genieten verstrekt door een door de bevoegde overheid erkende dienst voor gezins- en bejaardenhulp worden met mindervaliden gelijkgesteld. Deze activiteit is eveneens mogelijk voor de mindervalide kinderen ten laste van een gebruiker. Enkel voor het vervoer van de mindervaliden, bedoeld in artikel 1, eerste lid, 7°, a), en van de mindervalide kinderen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, 8°, b), is een aangepast voertuig met attest vereist.) <KB 2008-09-28/30, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
(Worden beschouwd als strijken, bedoeld in het eerste lid, 2°, b) : het strijken zelf en de volgende aanverwante activiteiten :
- het registreren : de ontvangst van het door de klant gebrachte te strijken linnen, het registreren van de te strijken stukken en het opstellen van een ontvangstbewijs;
- het sorteren : het sorteren van het te strijken linnen volgens productieproces;
- het controleren : de kwaliteitscontrole en de eindcontrole na het strijken;
- het samenstellen : het gestreken linnen terug per klant samenbrengen;
- het verpakken: het gestreken linnen inpakken;
- het bestellen: het afhalen van het gestreken linnen in het strijkatelier door de klant en het afhandelen van de betaling.) <KB 2007-07-13/36, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
1° de wet : de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen;
2° (thuishulp van huishoudelijke aard : activiteiten ten gunste van particulieren [4 die hun hoofdverblijfplaats in het Waalse Gewest hebben]4, die bestaan uit :
a) [1 activiteiten verricht in de woonplaats van de gebruiker : schoonmaken van de woning met inbegrip van de ramen, wassen en strijken, kleine occasionele naaiwerken, bereiden van maaltijden. Vormen geen activiteiten verricht in de woonplaats van de gebruiker, de prestaties die worden uitgevoerd voor een particulier die verblijft in een instelling voor collectief verblijf die hem huisvest en die bepaalde diensten voor hem uitvoert, inzonderheid verzorging of begeleiding en de voorziening van maaltijden.]1
b) (activiteiten verricht buiten [1 de woonplaats]1 van de gebruiker : boodschappen doen, begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit, strijken (met inbegrip van verstelwerk van het te strijken linnen);) <KB 2006-03-05/39, art. 1, 1°, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006> <KB 2007-07-13/36, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
3° [4 de "Forem ": de "Office wallon de la formation professionnelle et de l'emploi" (Waalse dienst voor beroepsopleiding en arbeidsbemiddeling);]4
4° [4 het uitgiftebedrijf : het door de bevoegde overheid aangewezen bedrijf dat belast is met het uitgeven van de dienstencheques bedoeld in artikel 2, § 1, 2°, van de wet;]4
5° [4 de erkende onderneming: de onderneming die de in artikel 2, § 1, 3° van de wet bedoelde buurtwerken of -diensten levert, die hiertoe door het Waalse Gewest erkend is en die daarbij de kwaliteit en de veiligheid van deze diensten garandeert;]4
6° (tegemoetkoming : de tegemoetkoming van [4 het Waalse Gewest]4 in de kostprijs van de dienstencheque;) <KB 2004-01-09/33, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
7° (mindervalide :
a) de persoon als dusdanig ingeschreven bij het " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", bij het " [6 Agence wallonne de la santé, de la protection sociale, du handicap et des familles]6 ", bij de " Service bruxellois francophone des Personnes handicapées " of bij de " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
b) de persoon die een inkomensvervangende tegemoetkoming, een integratietegemoetkoming of een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden geniet, op basis van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
c) de persoon die minstens 7 punten werd toegekend op de zelfredzaamheidsschaal, opgenomen in bijlage bij het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming, en die hiervoor beschikt over een attest van de Algemene Directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid.) <KB 2008-09-28/30, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
(8° mindervalide kind :
a) het kind dat een verhoogde kinderbijslag geniet voor gehandicapte kinderen of het kind dat aan een zware ziekte lijdt;
b) het kind, jonger dan 21 jaar, dat als mindervalide erkend is door het " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", door het " Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées ", door de " Service bruxellois francophone des Personnes handicapées ", of door de " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
c) het kind, jonger dan 21 jaar, dat minstens 7 punten werd toegekend op de zelfredzaamheidsschaal, opgenomen in bijlage bij het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming, en die hiervoor beschikt over een attest van de Algemene Directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid.) <KB 2008-09-28/30, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[2 9° arbeidsovereenkomst dienstencheques : de arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7bis van de wet;
10° [4 de "Administratie" : de Directie Werk in de Directe Omgeving [7 van de Waalse Overheidsdienst Economie, Tewerkstelling en Onderzoek]7;]4
[4 11° de Minister van Tewerkstelling: de Waalse Minister bevoegd voor Tewerkstelling;]4
[4 12° de gemachtigd ambtenaar: de ambtenaar die over een delegatie van bevoegdheden beschikt krachtens [7 Besluit van de Waalse Regering betreffende de overdrachten van bevoegdheden in de Waalse Overheidsdienst]7;]4
[5 13° initiële bevolking: de gezamenlijke gegevens waarop de controle betrekking heeft;
14° laag: deel van een initiële bevolking, bepaald in functie van één of meerdere criteria;
15° referentiebevolking: het deel van de initiële bevolking die, na verwijdering en rechtzetting van de redundante en onjuiste gegevens, de te onderzoeken gegevens vormt;
16° referentielaag: het deel van een laag, na verwijdering en rechtzetting van de redundante en onjuiste gegevens, de te onderzoeken gegevens vormt;
17° staal: de geselecteerde gegevens uit een bevolking of een laag;
18° referentiestaal: de geselecteerde gegevens uit een bevolking of een laag of uit een referentielaag;
19° extrapoleerbaar referentiestaal: referentiestaal gevormd op toevallige, eenvoudige wijze en zonder herinvoering;
20° extrapolatie: veralgemening van de resultaten waargenomen in een extrapoleerbaar referentiestaal naar de globaliteit van de referentiebevolking of de referentielaag waaruit het staal afgenomen is;
21° betrouwbaarheidsinterval: de gezamenlijke waarden vervat tussen een infimum en een supremum, verkregen na onderzoek van een staal. Deze gezamenlijke waarden bieden een waarschijnlijkheid van vijfennegentig percent of meer dat de exacte waarde van de parameter in de bevolking is vervat;
22° de omvang van het betrouwbaarheidsinterval: het verschil tussen de waarde van het supremum en die van het infimum in het betrouwbaarheidsinterval;
23° het Departement Inspectie: het Departement Inspectie [7 van de Waalse Overheidsdienst Economie, Tewerkstelling en Onderzoek]7;
24° de inspecteurs: de statutaire en contractuele personeelsleden van het Departement Inspectie die beëdigd zijn.]5
[4 Onder hoofdverblijfplaats, zoals bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt verstaan: de hoofdverblijfplaats bedoeld in artikel 3 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.]4
[4 Voor de toepassing van dit besluit worden de personen die in het Waalse Gewest verblijven en die wegens hun diplomatieke onschendbaarheid of hun bijzonder statuut vrijgesteld worden van de opneming in de bevolkingsregisters, gelijkgesteld met personen die een dergelijke hoofdverblijfplaats hebben.]4
((De boodschappen bedoeld in het eerste lid, 2°, b), zijn) boodschappen ten gunste van een particuliere gebruiker om in zijn dagdagelijkse behoeften te voorzien. Worden niet beschouwd als dagdagelijkse behoeften, inzonderheid de aankoop van meubelen, van huishoudtoestellen, van audio-visuele toestellen, van warme maaltijden en de periodieke bedeling van kranten en tijdschriften.) <KB 2004-03-31/33, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004> <KB 2006-03-05/39, art. 1, 2°, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
(Begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit bedoeld in het eerste lid, 2°, b), is een activiteit die mindervaliden onder begeleiding vervoert met daartoe speciaal uitgeruste voertuigen, waarvoor [4 de Waalse Overheidsdienst]4 een attest heeft afgeleverd. De personen van minstens 60 jaar die prestaties genieten verstrekt door een door de bevoegde overheid erkende dienst voor gezins- en bejaardenhulp worden met mindervaliden gelijkgesteld. Deze activiteit is eveneens mogelijk voor de mindervalide kinderen ten laste van een gebruiker. Enkel voor het vervoer van de mindervaliden, bedoeld in artikel 1, eerste lid, 7°, a), en van de mindervalide kinderen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, 8°, b), is een aangepast voertuig met attest vereist.) <KB 2008-09-28/30, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
(Worden beschouwd als strijken, bedoeld in het eerste lid, 2°, b) : het strijken zelf en de volgende aanverwante activiteiten :
- het registreren : de ontvangst van het door de klant gebrachte te strijken linnen, het registreren van de te strijken stukken en het opstellen van een ontvangstbewijs;
- het sorteren : het sorteren van het te strijken linnen volgens productieproces;
- het controleren : de kwaliteitscontrole en de eindcontrole na het strijken;
- het samenstellen : het gestreken linnen terug per klant samenbrengen;
- het verpakken: het gestreken linnen inpakken;
- het bestellen: het afhalen van het gestreken linnen in het strijkatelier door de klant en het afhandelen van de betaling.) <KB 2007-07-13/36, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
Wijzigingen
Art. 1 _REGION_WALLONNE.
Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
1° la loi : la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité ;
2° (aide à domicile de nature ménagère : des activités en faveur des particuliers qui [4 ont leur résidence principale située en Région wallonne]4, qui comprennent :
a) [1 des activités réalisées au lieu de résidence de l'utilisateur : le nettoyage du domicile y compris les vitres, la lessive et le repassage, les petits travaux de couture occasionnels, la préparation des repas. Ne constituent pas des activités réalisées au lieu de résidence de l'utilisateur, les prestations qui sont effectuées pour un particulier résidant dans un établissement de résidence collective qui l'héberge et qui preste à son égard certains services, notamment les soins ou l'accompagnement et la restauration.]1
b) (des activités réalisées en dehors [1 du lieu de résidence]1 de l'utilisateur : faire des courses ménagères, du transport accompagné de personnes à mobilité réduite, du repassage (y compris le raccommodage du linge à repasser;) <AR 2006-03-05/39, art. 1, 1°, 010; En vigueur : 22-03-2006> <AR 2007-07-13/36, art. 1, 013; En vigueur : 01-08-2007>
3° [4 le Forem : l'Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi ; ]4
4° [4 la société émettrice : la société, désignée par l'autorité compétente, qui émet les titres-services visés à l'article 2, § 1er, 2°, de la loi ; ]4
5° [4 l'entreprise agréée : l'entreprise qui fournit les travaux ou les services de proximité visés à l'article 2, § 1er, 3°, de la loi, qui est agréée à cette fin par la Région wallonne et qui garantit la qualité et la sécurité de ces services ;]4
6° (l'intervention : l'intervention de [4 la Région wallonne ]4 dans le coût du titre-service ;)
7° (personne handicapée :
a) la personne enregistrée comme telle à [6 l'Agence wallonne de la santé, de la protection sociale, du handicap et des familles]6, à la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", au Service bruxellois francophone des Personnes handicapées ou à la " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
b) la personne qui bénéficie d'une allocation de remplacement de revenus, d'une allocation d'intégration ou d'une allocation pour l'aide aux personnes âgées, sur base de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées ;
c) la personne qui s'est vue reconnaître au moins 7 points sur l'échelle d'autonomie reprise en annexe à l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration, et qui dispose, à cet égard, d'une attestation de la Direction générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale.) <AR 2008-09-28/30, art. 1, 015; En vigueur : 01-11-2008>
(8° enfant handicapé :
a) l'enfant bénéficiant d'une allocation familiale majorée pour enfants handicapés ou atteints d'une grave maladie ;
b) l'enfant de moins de 21 ans reconnu comme handicapé par [6 l'Agence wallonne de la santé, de la protection sociale, du handicap et des familles]6, par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", par le Service bruxellois francophone des Personnes handicapées, ou par la " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
c) l'enfant de moins de 21 ans qui s'est vu reconnaître au moins 7 points sur l'échelle d'autonomie reprise en annexe à l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration, et qui dispose, à cet égard, d'une attestation de la Direction générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale.) <AR 2008-09-28/30, art. 1, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[2 9° contrat de travail titres-services : le contrat de travail visé à l'article 7bis de la loi ;
10° [4 l'Administration : la Direction des Emplois de Proximité du Département de l'Emploi et de la Formation professionnelle [7 du Service public de Wallonie Economie, Emploi et Recherche]7 ;]4
[4 11° le Ministre de l'Emploi : le Ministre wallon ayant l'emploi dans ses attributions ;]4
[4 12° le fonctionnaire délégué : le fonctionnaire disposant d'une délégation de pouvoirs conformément à [7 l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 mai 2019 relatif aux délégations de pouvoirs au Service public de Wallonie]7 ;]4
[5 13° la population initiale : l'ensemble des éléments sur lequel porte le contrôle ;
14° la strate : la partie d'une population initiale déterminée en fonction d'un ou de plusieurs critères ;
15° la population de référence : la partie de la population initiale qui, après élimination et rectification des données redondantes et erronées, constitue les éléments à analyser ;
16° la strate de référence : la partie d'une strate qui, après élimination et rectification des données redondantes et erronées, constitue les éléments à analyser ;
17° l'échantillon : les éléments sélectionnés au sein d'une population ou d'une strate ;
18° l'échantillon de référence : les éléments sélectionnés au sein d'une population de référence ou d'une strate de référence ;
19° l'échantillon de référence extrapolable : l'échantillon de référence constitué de manière aléatoire, simple et sans réintroduction ;
20° l'extrapolation : la généralisation des résultats observés au sein d'un échantillon de référence extrapolable à l'ensemble de la population de référence ou de la strate de référence dont a été extrait l'échantillon ;
21° l'intervalle de confiance : l'ensemble des valeurs comprises entre une borne inférieure et une borne supérieure qui ont été obtenues après examen d'un échantillon. Cet ensemble de valeurs offre nonante-cinq pourcents et plus de probabilité de contenir la valeur exacte du paramètre dans la population ;
22° la taille de l'intervalle de confiance : la différence entre la valeur de la borne supérieure et celle de la borne inférieure de l'intervalle de confiance ;
23° le Département de l'Inspection : le Département de l'Inspection [7 du Service public de Wallonie Economie, Emploi et Recherche]7 ;
24° les inspecteurs : les agents statutaires et les membres du personnel contractuel assermentés du Département de l'Inspection.]5
[4 Par résidence principale, visée à l'alinéa 1er, 2°, on entend : la résidence principale, visée à l'article 3 de la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population, aux cartes d'identité, aux cartes d'étranger et aux documents de séjour, modifiant la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques et ses modalités d'exécution.]4
[4 Pour l'application du présent arrêté, les personnes résidant en Région wallonne, dispensées de l'inscription dans les registres de la population pour cause de leur immunité diplomatique ou de leur statut particulier, sont assimilées à des personnes disposant d'une telle résidence principale. ]4
(Les courses ménagères, visées à l'alinéa 1er, 2°, b), sont des courses ménagères en faveur d'un utilisateur qui est un particulier, afin de répondre à ses besoins journaliers. Ne sont pas considérés comme des besoins journaliers, notamment l'achat de meubles, d'appareils ménagers, d'appareils audio-visuels, de repas chauds et la distribution périodique de journaux et d'hebdomadaires.) <AR 2004-03-31/33, art. 2, 004; En vigueur : 16-04-2004>
(Le transport accompagné de personnes à mobilité réduite visé à l'alinéa 1er, 2°, b), est une activité qui s'occupe du transport accompagné de personnes handicapées, en utilisant des véhicules spécialement adaptés pour lesquels [4 le Service public de Wallonie ]4 à délivré une attestation. Les personnes âgées de 60 ans au moins bénéficiant des prestations d'un service d'aide aux familles et aux personnes âgées agréé par l'autorité publique compétente, sont assimilées à des personnes handicapées. Cette activité est également possible pour les enfants handicapés à charge de l'utilisateur. Un véhicule adapté avec attestation est uniquement requis dans le cas de transport de personnes handicapées, prévues à l'article 1er, alinéa 1er, 7°, a) et des enfants handicapés, prévus à l'article 1er, alinéa 1er, 8°, b).) <AR 2008-09-28/30, art. 2, 015; En vigueur : 01-11-2008>
(Sont considérées comme du repassage, visé à l'alinéa 1er, 2°, b) : le repassage lui-même et les activités apparentées suivantes :
- l'enregistrement : la réception du linge à repasser apporté par le client, l'enregistrement des pièces à repasser et l'établissement d'un accusé de réception ;
- le triage : le triage du linge à repasser selon le processus de production ;
- le contrôle: le contrôle de la qualité et le contrôle final après repassage;
- l'assemblage : rassembler à nouveau le linge repassé par client ;
- l'emballage : emballer le linge repassé ;
- la livraison : la réception du linge repassé dans l'atelier de repassage par le client et le règlement du paiement.) <AR 2007-07-13/36, art. 1, 013; En vigueur : 01-08-2007>
Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
1° la loi : la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité ;
2° (aide à domicile de nature ménagère : des activités en faveur des particuliers qui [4 ont leur résidence principale située en Région wallonne]4, qui comprennent :
a) [1 des activités réalisées au lieu de résidence de l'utilisateur : le nettoyage du domicile y compris les vitres, la lessive et le repassage, les petits travaux de couture occasionnels, la préparation des repas. Ne constituent pas des activités réalisées au lieu de résidence de l'utilisateur, les prestations qui sont effectuées pour un particulier résidant dans un établissement de résidence collective qui l'héberge et qui preste à son égard certains services, notamment les soins ou l'accompagnement et la restauration.]1
b) (des activités réalisées en dehors [1 du lieu de résidence]1 de l'utilisateur : faire des courses ménagères, du transport accompagné de personnes à mobilité réduite, du repassage (y compris le raccommodage du linge à repasser;) <AR 2006-03-05/39, art. 1, 1°, 010; En vigueur : 22-03-2006> <AR 2007-07-13/36, art. 1, 013; En vigueur : 01-08-2007>
3° [4 le Forem : l'Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi ; ]4
4° [4 la société émettrice : la société, désignée par l'autorité compétente, qui émet les titres-services visés à l'article 2, § 1er, 2°, de la loi ; ]4
5° [4 l'entreprise agréée : l'entreprise qui fournit les travaux ou les services de proximité visés à l'article 2, § 1er, 3°, de la loi, qui est agréée à cette fin par la Région wallonne et qui garantit la qualité et la sécurité de ces services ;]4
6° (l'intervention : l'intervention de [4 la Région wallonne ]4 dans le coût du titre-service ;)
7° (personne handicapée :
a) la personne enregistrée comme telle à [6 l'Agence wallonne de la santé, de la protection sociale, du handicap et des familles]6, à la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", au Service bruxellois francophone des Personnes handicapées ou à la " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
b) la personne qui bénéficie d'une allocation de remplacement de revenus, d'une allocation d'intégration ou d'une allocation pour l'aide aux personnes âgées, sur base de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées ;
c) la personne qui s'est vue reconnaître au moins 7 points sur l'échelle d'autonomie reprise en annexe à l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration, et qui dispose, à cet égard, d'une attestation de la Direction générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale.) <AR 2008-09-28/30, art. 1, 015; En vigueur : 01-11-2008>
(8° enfant handicapé :
a) l'enfant bénéficiant d'une allocation familiale majorée pour enfants handicapés ou atteints d'une grave maladie ;
b) l'enfant de moins de 21 ans reconnu comme handicapé par [6 l'Agence wallonne de la santé, de la protection sociale, du handicap et des familles]6, par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", par le Service bruxellois francophone des Personnes handicapées, ou par la " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
c) l'enfant de moins de 21 ans qui s'est vu reconnaître au moins 7 points sur l'échelle d'autonomie reprise en annexe à l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration, et qui dispose, à cet égard, d'une attestation de la Direction générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale.) <AR 2008-09-28/30, art. 1, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[2 9° contrat de travail titres-services : le contrat de travail visé à l'article 7bis de la loi ;
10° [4 l'Administration : la Direction des Emplois de Proximité du Département de l'Emploi et de la Formation professionnelle [7 du Service public de Wallonie Economie, Emploi et Recherche]7 ;]4
[4 11° le Ministre de l'Emploi : le Ministre wallon ayant l'emploi dans ses attributions ;]4
[4 12° le fonctionnaire délégué : le fonctionnaire disposant d'une délégation de pouvoirs conformément à [7 l'arrêté du Gouvernement wallon du 23 mai 2019 relatif aux délégations de pouvoirs au Service public de Wallonie]7 ;]4
[5 13° la population initiale : l'ensemble des éléments sur lequel porte le contrôle ;
14° la strate : la partie d'une population initiale déterminée en fonction d'un ou de plusieurs critères ;
15° la population de référence : la partie de la population initiale qui, après élimination et rectification des données redondantes et erronées, constitue les éléments à analyser ;
16° la strate de référence : la partie d'une strate qui, après élimination et rectification des données redondantes et erronées, constitue les éléments à analyser ;
17° l'échantillon : les éléments sélectionnés au sein d'une population ou d'une strate ;
18° l'échantillon de référence : les éléments sélectionnés au sein d'une population de référence ou d'une strate de référence ;
19° l'échantillon de référence extrapolable : l'échantillon de référence constitué de manière aléatoire, simple et sans réintroduction ;
20° l'extrapolation : la généralisation des résultats observés au sein d'un échantillon de référence extrapolable à l'ensemble de la population de référence ou de la strate de référence dont a été extrait l'échantillon ;
21° l'intervalle de confiance : l'ensemble des valeurs comprises entre une borne inférieure et une borne supérieure qui ont été obtenues après examen d'un échantillon. Cet ensemble de valeurs offre nonante-cinq pourcents et plus de probabilité de contenir la valeur exacte du paramètre dans la population ;
22° la taille de l'intervalle de confiance : la différence entre la valeur de la borne supérieure et celle de la borne inférieure de l'intervalle de confiance ;
23° le Département de l'Inspection : le Département de l'Inspection [7 du Service public de Wallonie Economie, Emploi et Recherche]7 ;
24° les inspecteurs : les agents statutaires et les membres du personnel contractuel assermentés du Département de l'Inspection.]5
[4 Par résidence principale, visée à l'alinéa 1er, 2°, on entend : la résidence principale, visée à l'article 3 de la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population, aux cartes d'identité, aux cartes d'étranger et aux documents de séjour, modifiant la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques et ses modalités d'exécution.]4
[4 Pour l'application du présent arrêté, les personnes résidant en Région wallonne, dispensées de l'inscription dans les registres de la population pour cause de leur immunité diplomatique ou de leur statut particulier, sont assimilées à des personnes disposant d'une telle résidence principale. ]4
(Les courses ménagères, visées à l'alinéa 1er, 2°, b), sont des courses ménagères en faveur d'un utilisateur qui est un particulier, afin de répondre à ses besoins journaliers. Ne sont pas considérés comme des besoins journaliers, notamment l'achat de meubles, d'appareils ménagers, d'appareils audio-visuels, de repas chauds et la distribution périodique de journaux et d'hebdomadaires.) <AR 2004-03-31/33, art. 2, 004; En vigueur : 16-04-2004>
(Le transport accompagné de personnes à mobilité réduite visé à l'alinéa 1er, 2°, b), est une activité qui s'occupe du transport accompagné de personnes handicapées, en utilisant des véhicules spécialement adaptés pour lesquels [4 le Service public de Wallonie ]4 à délivré une attestation. Les personnes âgées de 60 ans au moins bénéficiant des prestations d'un service d'aide aux familles et aux personnes âgées agréé par l'autorité publique compétente, sont assimilées à des personnes handicapées. Cette activité est également possible pour les enfants handicapés à charge de l'utilisateur. Un véhicule adapté avec attestation est uniquement requis dans le cas de transport de personnes handicapées, prévues à l'article 1er, alinéa 1er, 7°, a) et des enfants handicapés, prévus à l'article 1er, alinéa 1er, 8°, b).) <AR 2008-09-28/30, art. 2, 015; En vigueur : 01-11-2008>
(Sont considérées comme du repassage, visé à l'alinéa 1er, 2°, b) : le repassage lui-même et les activités apparentées suivantes :
- l'enregistrement : la réception du linge à repasser apporté par le client, l'enregistrement des pièces à repasser et l'établissement d'un accusé de réception ;
- le triage : le triage du linge à repasser selon le processus de production ;
- le contrôle: le contrôle de la qualité et le contrôle final après repassage;
- l'assemblage : rassembler à nouveau le linge repassé par client ;
- l'emballage : emballer le linge repassé ;
- la livraison : la réception du linge repassé dans l'atelier de repassage par le client et le règlement du paiement.) <AR 2007-07-13/36, art. 1, 013; En vigueur : 01-08-2007>
Wijzigingen
Art. 1_VLAAMS_GEWEST. Voor de toepassing van dit besluit moet verstaan worden onder :
1° de wet : de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen;
2° (thuishulp van huishoudelijke aard : activiteiten ten gunste van particulieren [4 van wie de hoofdverblijfplaats in het Vlaamse Gewest gelegen is]4, die bestaan uit :
a) [1 activiteiten verricht in de woonplaats van de gebruiker : schoonmaken van de woning met inbegrip van de ramen, wassen en strijken, kleine occasionele naaiwerken, bereiden van maaltijden. Vormen geen activiteiten verricht in de woonplaats van de gebruiker, de prestaties die worden uitgevoerd voor een particulier die verblijft in een instelling voor collectief verblijf die hem huisvest en die bepaalde diensten voor hem uitvoert, inzonderheid verzorging of begeleiding en de voorziening van maaltijden.]1
b) (activiteiten verricht buiten [1 de woonplaats]1 van de gebruiker : boodschappen doen, begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit, strijken (met inbegrip van verstelwerk van het te strijken linnen);) <KB 2006-03-05/39, art. 1, 1°, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006> <KB 2007-07-13/36, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
3° [4 het departement : het Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie;]4
4° het uitgiftebedrijf : het na een offerteaanvraag door [4 het departement]4 aangewezen bedrijf, belast met het uitgeven van de dienstencheques zoals bedoeld in (artikel 2, § 1, 2°), van de wet; <KB 2004-01-09/33, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
5° (de erkende onderneming : de onderneming die de in artikel 2, § 1, 3° van de wet bedoelde buurtwerken of -diensten levert, die hiertoe erkend is [4 voor het Vlaamse Gewest]4 en die daarbij de gebruiker de kwaliteit en de veiligheid garandeert van deze diensten;) <KB 2004-01-09/33, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
6° (6° tegemoetkoming : de tegemoetkoming van [4 het Vlaamse gewest]4 in de kostprijs van de dienstencheque;) <KB 2004-01-09/33, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
7° (mindervalide :
a) de persoon als dusdanig ingeschreven bij het " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", bij het " Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées ", bij de " Service bruxellois francophone des Personnes handicapées " of bij de " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
b) [5 de persoon die een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming krijgt, op basis van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, [7 of die een zorgbudget voor ouderen met een zorgnood krijgt, op basis van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming]7;]5
c) de persoon die minstens 7 punten werd toegekend op de zelfredzaamheidsschaal, opgenomen in bijlage bij het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming, en die hiervoor beschikt over een attest van de Algemene Directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid.) <KB 2008-09-28/30, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
(8° mindervalide kind :
a) [8 ]a) een van de volgende kinderen:
1) een kind dat een verhoogde kinderbijslag geniet voor gehandicapte kinderen;
2) een kind dat aan een zware ziekte lijdt;
3) een kind dat een zorgtoeslag voor een specifieke ondersteuningsbehoefte geniet op basis van artikel 16 van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid;-8;
b) het kind, jonger dan 21 jaar, dat als mindervalide erkend is door het " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", door het " Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées ", door de " Service bruxellois francophone des Personnes handicapées ", of door de " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
c) het kind, jonger dan 21 jaar, dat minstens 7 punten werd toegekend op de zelfredzaamheidsschaal, opgenomen in bijlage bij het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming, en die hiervoor beschikt over een attest van de Algemene Directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid.) <KB 2008-09-28/30, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[2 9° arbeidsovereenkomst dienstencheques : de arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7bis van de wet;
10° [4 Minister van Werk : de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid]4.]2
[10 11° prestatiedatum: de prestatiedatum, vermeld in artikel 2, § 1, 9°, van de wet.]10
[4 Onder hoofdverblijfplaats, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt de hoofdverblijfplaats begrepen als vermeld in artikel 3 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
Voor de toepassing van dit besluit worden de personen die in het Vlaamse Gewest verblijven en vrijgesteld zijn van inschrijving in de bevolkingsregisters vanwege hun diplomatieke onschendbaarheid of hun bijzonder statuut, gelijkgesteld met personen die over een dergelijke hoofdverblijfplaats beschikken.]4
((De boodschappen bedoeld in het eerste lid, 2°, b), zijn) boodschappen ten gunste van een particuliere gebruiker om in zijn dagdagelijkse behoeften te voorzien. Worden niet beschouwd als dagdagelijkse behoeften, inzonderheid de aankoop van meubelen, van huishoudtoestellen, van audio-visuele toestellen, van warme maaltijden en de periodieke bedeling van kranten en tijdschriften.) <KB 2004-03-31/33, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004> <KB 2006-03-05/39, art. 1, 2°, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
(Begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit bedoeld in het eerste lid, 2°, b), is een activiteit die mindervaliden onder begeleiding vervoert met daartoe speciaal uitgeruste voertuigen, waarvoor de [6 het Departement Mobiliteit en Openbare Werken van het Vlaams Ministerie van Mobiliteit en Openbare Werken]6 een attest heeft afgeleverd. De personen van minstens 60 jaar die prestaties genieten verstrekt door een door de bevoegde overheid erkende dienst voor gezins- en bejaardenhulp worden met mindervaliden gelijkgesteld. Deze activiteit is eveneens mogelijk voor de mindervalide kinderen ten laste van een gebruiker. Enkel voor het vervoer van de mindervaliden, bedoeld in artikel 1, eerste lid, 7°, a), en van de mindervalide kinderen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, 8°, b), is een aangepast voertuig met attest vereist.) <KB 2008-09-28/30, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
(Worden beschouwd als strijken, bedoeld in het eerste lid, 2°, b) : het strijken zelf en de volgende aanverwante activiteiten :
- het registreren : de ontvangst van het door de klant gebrachte te strijken linnen, het registreren van de te strijken stukken en het opstellen van een ontvangstbewijs;
- het sorteren : het sorteren van het te strijken linnen volgens productieproces;
- het controleren : de kwaliteitscontrole en de eindcontrole na het strijken;
- het samenstellen : het gestreken linnen terug per klant samenbrengen;
- het verpakken: het gestreken linnen inpakken;
- het bestellen: het afhalen van het gestreken linnen in het strijkatelier door de klant en het afhandelen van de betaling.) <KB 2007-07-13/36, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
1° de wet : de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen;
2° (thuishulp van huishoudelijke aard : activiteiten ten gunste van particulieren [4 van wie de hoofdverblijfplaats in het Vlaamse Gewest gelegen is]4, die bestaan uit :
a) [1 activiteiten verricht in de woonplaats van de gebruiker : schoonmaken van de woning met inbegrip van de ramen, wassen en strijken, kleine occasionele naaiwerken, bereiden van maaltijden. Vormen geen activiteiten verricht in de woonplaats van de gebruiker, de prestaties die worden uitgevoerd voor een particulier die verblijft in een instelling voor collectief verblijf die hem huisvest en die bepaalde diensten voor hem uitvoert, inzonderheid verzorging of begeleiding en de voorziening van maaltijden.]1
b) (activiteiten verricht buiten [1 de woonplaats]1 van de gebruiker : boodschappen doen, begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit, strijken (met inbegrip van verstelwerk van het te strijken linnen);) <KB 2006-03-05/39, art. 1, 1°, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006> <KB 2007-07-13/36, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
3° [4 het departement : het Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie;]4
4° het uitgiftebedrijf : het na een offerteaanvraag door [4 het departement]4 aangewezen bedrijf, belast met het uitgeven van de dienstencheques zoals bedoeld in (artikel 2, § 1, 2°), van de wet; <KB 2004-01-09/33, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
5° (de erkende onderneming : de onderneming die de in artikel 2, § 1, 3° van de wet bedoelde buurtwerken of -diensten levert, die hiertoe erkend is [4 voor het Vlaamse Gewest]4 en die daarbij de gebruiker de kwaliteit en de veiligheid garandeert van deze diensten;) <KB 2004-01-09/33, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
6° (6° tegemoetkoming : de tegemoetkoming van [4 het Vlaamse gewest]4 in de kostprijs van de dienstencheque;) <KB 2004-01-09/33, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
7° (mindervalide :
a) de persoon als dusdanig ingeschreven bij het " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", bij het " Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées ", bij de " Service bruxellois francophone des Personnes handicapées " of bij de " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
b) [5 de persoon die een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming krijgt, op basis van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, [7 of die een zorgbudget voor ouderen met een zorgnood krijgt, op basis van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming]7;]5
c) de persoon die minstens 7 punten werd toegekend op de zelfredzaamheidsschaal, opgenomen in bijlage bij het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming, en die hiervoor beschikt over een attest van de Algemene Directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid.) <KB 2008-09-28/30, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
(8° mindervalide kind :
a) [8 ]a) een van de volgende kinderen:
1) een kind dat een verhoogde kinderbijslag geniet voor gehandicapte kinderen;
2) een kind dat aan een zware ziekte lijdt;
3) een kind dat een zorgtoeslag voor een specifieke ondersteuningsbehoefte geniet op basis van artikel 16 van het decreet van 27 april 2018 tot regeling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid;-8;
b) het kind, jonger dan 21 jaar, dat als mindervalide erkend is door het " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", door het " Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées ", door de " Service bruxellois francophone des Personnes handicapées ", of door de " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
c) het kind, jonger dan 21 jaar, dat minstens 7 punten werd toegekend op de zelfredzaamheidsschaal, opgenomen in bijlage bij het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming, en die hiervoor beschikt over een attest van de Algemene Directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid.) <KB 2008-09-28/30, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[2 9° arbeidsovereenkomst dienstencheques : de arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7bis van de wet;
10° [4 Minister van Werk : de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid]4.]2
[10 11° prestatiedatum: de prestatiedatum, vermeld in artikel 2, § 1, 9°, van de wet.]10
[4 Onder hoofdverblijfplaats, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt de hoofdverblijfplaats begrepen als vermeld in artikel 3 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
Voor de toepassing van dit besluit worden de personen die in het Vlaamse Gewest verblijven en vrijgesteld zijn van inschrijving in de bevolkingsregisters vanwege hun diplomatieke onschendbaarheid of hun bijzonder statuut, gelijkgesteld met personen die over een dergelijke hoofdverblijfplaats beschikken.]4
((De boodschappen bedoeld in het eerste lid, 2°, b), zijn) boodschappen ten gunste van een particuliere gebruiker om in zijn dagdagelijkse behoeften te voorzien. Worden niet beschouwd als dagdagelijkse behoeften, inzonderheid de aankoop van meubelen, van huishoudtoestellen, van audio-visuele toestellen, van warme maaltijden en de periodieke bedeling van kranten en tijdschriften.) <KB 2004-03-31/33, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004> <KB 2006-03-05/39, art. 1, 2°, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
(Begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit bedoeld in het eerste lid, 2°, b), is een activiteit die mindervaliden onder begeleiding vervoert met daartoe speciaal uitgeruste voertuigen, waarvoor de [6 het Departement Mobiliteit en Openbare Werken van het Vlaams Ministerie van Mobiliteit en Openbare Werken]6 een attest heeft afgeleverd. De personen van minstens 60 jaar die prestaties genieten verstrekt door een door de bevoegde overheid erkende dienst voor gezins- en bejaardenhulp worden met mindervaliden gelijkgesteld. Deze activiteit is eveneens mogelijk voor de mindervalide kinderen ten laste van een gebruiker. Enkel voor het vervoer van de mindervaliden, bedoeld in artikel 1, eerste lid, 7°, a), en van de mindervalide kinderen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, 8°, b), is een aangepast voertuig met attest vereist.) <KB 2008-09-28/30, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
(Worden beschouwd als strijken, bedoeld in het eerste lid, 2°, b) : het strijken zelf en de volgende aanverwante activiteiten :
- het registreren : de ontvangst van het door de klant gebrachte te strijken linnen, het registreren van de te strijken stukken en het opstellen van een ontvangstbewijs;
- het sorteren : het sorteren van het te strijken linnen volgens productieproces;
- het controleren : de kwaliteitscontrole en de eindcontrole na het strijken;
- het samenstellen : het gestreken linnen terug per klant samenbrengen;
- het verpakken: het gestreken linnen inpakken;
- het bestellen: het afhalen van het gestreken linnen in het strijkatelier door de klant en het afhandelen van de betaling.) <KB 2007-07-13/36, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
Wijzigingen
Art. 1 _REGION_FLAMANDE.
Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
1° la loi : la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité;
2° (aide à domicile de nature ménagère : des activités en faveur des particuliers [4 dont la résidence principale est située en Région flamande]4, qui comprennent :
a) [1 des activités réalisées au lieu de résidence de l'utilisateur : le nettoyage du domicile y compris les vitres, la lessive et le repassage, les petits travaux de couture occasionnels, la préparation des repas. Ne constituent pas des activités réalisées au lieu de résidence de l'utilisateur, les prestations qui sont effectuées pour un particulier résidant dans un établissement de résidence collective qui l'héberge et qui preste à son égard certains services, notamment les soins ou l'accompagnement et la restauration.]1
b) (des activités réalisées en dehors [1 du lieu de résidence]1 de l'utilisateur : faire des courses ménagères, du transport accompagné de personnes à mobilité réduite, du repassage (y compris le raccommodage du linge à repasser;) <AR 2006-03-05/39, art. 1, 1°, 010; En vigueur : 22-03-2006> <AR 2007-07-13/36, art. 1, 013; En vigueur : 01-08-2007>
3° [4 le département : le " Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie " (Département de l'Emploi et de l'Economie sociale du Ministère flamand de l'Emploi et de l'Economie sociale );]4
4° la société émettrice : la société désignée par [4 le département]4 à la suite d'un appel d'offre, chargée d'émettre les titres-services visés à (l'article 2, § 1er, 2°) de la loi; <AR 2004-01-09/33, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-2004>
5° (l'entreprise agréée : l'entreprise qui fournit les travaux ou les services de proximité visés à l'article 2, § 1er, 3°, de la loi, qui est agréée [4 pour la Région flamande]4 à cette fin et qui garantit la qualité et la sécurité de ces services;) <AR 2004-01-09/33, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-2004>
6° (l'intervention : l'intervention de [4 la Région flamande]4 dans le coût du titre-service;) <AR 2004-01-09/33, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-2004>
7° (personne handicapée :
a) la personne enregistrée comme telle à l'Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées, à la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", au Service bruxellois francophone des Personnes handicapées ou à la " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
b) [5 la personne qui reçoit une allocation de remplacement de revenus ou une allocation d'intégration, sur la base de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées, ou [6 qui reçoit un budget de soins pour les personnes âgées nécessitant des soins, sur la base du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande]6 ; ]5
c) la personne qui s'est vue reconnaître au moins 7 points sur l'échelle d'autonomie reprise en annexe à l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration, et qui dispose, à cet égard, d'une attestation de la Direction générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale.) <AR 2008-09-28/30, art. 1, 015; En vigueur : 01-11-2008>
(8° enfant handicapé :
a) [7 un des enfants suivants :
1) l'enfant bénéficiant des allocations familiales majorées pour enfants handicapés ;
2) l'enfant atteint d'une grave maladie ;
3) l'enfant bénéficiant d'une allocation de soins pour un besoin de soutien spécifique sur la base de l'article 16 du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale]7;
b) l'enfant de moins de 21 ans reconnu comme handicapé par l'Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées, par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", par le Service bruxellois francophone des Personnes handicapées, ou par la " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
c) l'enfant de moins de 21 ans qui s'est vu reconnaître au moins 7 points sur l'échelle d'autonomie reprise en annexe à l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration, et qui dispose, à cet égard, d'une attestation de la Direction générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale.) <AR 2008-09-28/30, art. 1, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[2 9° contrat de travail titres-services : le contrat de travail visé à l'article 7bis de la loi;
10° [4 Ministre de l'Emploi : le Ministre flamand chargé de la politique de l'emploi.]4 .]2
[9 11° date de prestation : la date de prestation, visée à l'article 2, § 1er, 9°, de la loi.]9
[4 Par résidence principale, visée à l'alinéa premier, 2°, on entend la résidence principale, telle que visée à l'article 3 de la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population, aux cartes d'identité, aux cartes d'étranger et aux documents de séjour et modifiant la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques.
Pour l'application du présent arrêté, les personnes résidant en Région flamande, dispensées de l'inscription dans les registres de la population pour cause de leur immunité diplomatique ou de leur statut particulier, sont assimilées à des personnes disposant d'une telle résidence principale.]4
(Les courses ménagères, visées à l'alinéa 1er, 2°, b), sont des courses ménagères en faveur d'un utilisateur qui est un particulier, afin de répondre à ses besoins journaliers. Ne sont pas considérés comme des besoins journaliers, notamment l'achat de meubles, d'appareils ménagers, d'appareils audio-visuels, de repas chauds et la distribution périodique de journaux et d'hebdomadaires.) <AR 2004-03-31/33, art. 2, 004; En vigueur : 16-04-2004>
(Le transport accompagné de personnes à mobilité réduite visé à l'alinéa 1er, 2°, b), est une activité qui s'occupe du transport accompagné de personnes handicapées, en utilisant des véhicules spécialement adaptés pour lesquels le service public fédéral Mobilité et Transports à délivré une attestation. Les personnes âgées de 60 ans au moins bénéficiant des prestations d'un service d'aide aux familles et aux personnes âgées agréé par l'autorité publique compétente, sont assimilées à des personnes handicapées. Cette activité est également possible pour les enfants handicapés à charge de l'utilisateur. Un véhicule adapté avec attestation est uniquement requis dans le cas de transport de personnes handicapées, prévues à l'article 1er, alinéa 1er, 7°, a) et des enfants handicapés, prévus à l'article 1er, alinéa 1er, 8°, b).) <AR 2008-09-28/30, art. 2, 015; En vigueur : 01-11-2008>
(Sont considérées comme du repassage, visé à l'alinéa 1er, 2°, b) : le repassage lui-même et les activités apparentées suivantes :
- l'enregistrement : la réception du linge à repasser apporté par le client, l'enregistrement des pièces à repasser et l'établissement d'un accusé de réception;
- le triage : le triage du linge à repasser selon le processus de production;
- le contrôle: le contrôle de la qualité et le contrôle final après repassage;
- l'assemblage : rassembler à nouveau le linge repassé par client;
- l'emballage : emballer le linge repassé;
- la livraison : la réception du linge repassé dans l'atelier de repassage par le client et le règlement du paiement.) <AR 2007-07-13/36, art. 1, 013; En vigueur : 01-08-2007>
Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
1° la loi : la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité;
2° (aide à domicile de nature ménagère : des activités en faveur des particuliers [4 dont la résidence principale est située en Région flamande]4, qui comprennent :
a) [1 des activités réalisées au lieu de résidence de l'utilisateur : le nettoyage du domicile y compris les vitres, la lessive et le repassage, les petits travaux de couture occasionnels, la préparation des repas. Ne constituent pas des activités réalisées au lieu de résidence de l'utilisateur, les prestations qui sont effectuées pour un particulier résidant dans un établissement de résidence collective qui l'héberge et qui preste à son égard certains services, notamment les soins ou l'accompagnement et la restauration.]1
b) (des activités réalisées en dehors [1 du lieu de résidence]1 de l'utilisateur : faire des courses ménagères, du transport accompagné de personnes à mobilité réduite, du repassage (y compris le raccommodage du linge à repasser;) <AR 2006-03-05/39, art. 1, 1°, 010; En vigueur : 22-03-2006> <AR 2007-07-13/36, art. 1, 013; En vigueur : 01-08-2007>
3° [4 le département : le " Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie " (Département de l'Emploi et de l'Economie sociale du Ministère flamand de l'Emploi et de l'Economie sociale );]4
4° la société émettrice : la société désignée par [4 le département]4 à la suite d'un appel d'offre, chargée d'émettre les titres-services visés à (l'article 2, § 1er, 2°) de la loi; <AR 2004-01-09/33, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-2004>
5° (l'entreprise agréée : l'entreprise qui fournit les travaux ou les services de proximité visés à l'article 2, § 1er, 3°, de la loi, qui est agréée [4 pour la Région flamande]4 à cette fin et qui garantit la qualité et la sécurité de ces services;) <AR 2004-01-09/33, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-2004>
6° (l'intervention : l'intervention de [4 la Région flamande]4 dans le coût du titre-service;) <AR 2004-01-09/33, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-2004>
7° (personne handicapée :
a) la personne enregistrée comme telle à l'Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées, à la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", au Service bruxellois francophone des Personnes handicapées ou à la " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
b) [5 la personne qui reçoit une allocation de remplacement de revenus ou une allocation d'intégration, sur la base de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées, ou [6 qui reçoit un budget de soins pour les personnes âgées nécessitant des soins, sur la base du décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande]6 ; ]5
c) la personne qui s'est vue reconnaître au moins 7 points sur l'échelle d'autonomie reprise en annexe à l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration, et qui dispose, à cet égard, d'une attestation de la Direction générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale.) <AR 2008-09-28/30, art. 1, 015; En vigueur : 01-11-2008>
(8° enfant handicapé :
a) [7 un des enfants suivants :
1) l'enfant bénéficiant des allocations familiales majorées pour enfants handicapés ;
2) l'enfant atteint d'une grave maladie ;
3) l'enfant bénéficiant d'une allocation de soins pour un besoin de soutien spécifique sur la base de l'article 16 du décret du 27 avril 2018 réglant les allocations dans le cadre de la politique familiale]7;
b) l'enfant de moins de 21 ans reconnu comme handicapé par l'Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées, par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", par le Service bruxellois francophone des Personnes handicapées, ou par la " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
c) l'enfant de moins de 21 ans qui s'est vu reconnaître au moins 7 points sur l'échelle d'autonomie reprise en annexe à l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration, et qui dispose, à cet égard, d'une attestation de la Direction générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale.) <AR 2008-09-28/30, art. 1, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[2 9° contrat de travail titres-services : le contrat de travail visé à l'article 7bis de la loi;
10° [4 Ministre de l'Emploi : le Ministre flamand chargé de la politique de l'emploi.]4 .]2
[9 11° date de prestation : la date de prestation, visée à l'article 2, § 1er, 9°, de la loi.]9
[4 Par résidence principale, visée à l'alinéa premier, 2°, on entend la résidence principale, telle que visée à l'article 3 de la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population, aux cartes d'identité, aux cartes d'étranger et aux documents de séjour et modifiant la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques.
Pour l'application du présent arrêté, les personnes résidant en Région flamande, dispensées de l'inscription dans les registres de la population pour cause de leur immunité diplomatique ou de leur statut particulier, sont assimilées à des personnes disposant d'une telle résidence principale.]4
(Les courses ménagères, visées à l'alinéa 1er, 2°, b), sont des courses ménagères en faveur d'un utilisateur qui est un particulier, afin de répondre à ses besoins journaliers. Ne sont pas considérés comme des besoins journaliers, notamment l'achat de meubles, d'appareils ménagers, d'appareils audio-visuels, de repas chauds et la distribution périodique de journaux et d'hebdomadaires.) <AR 2004-03-31/33, art. 2, 004; En vigueur : 16-04-2004>
(Le transport accompagné de personnes à mobilité réduite visé à l'alinéa 1er, 2°, b), est une activité qui s'occupe du transport accompagné de personnes handicapées, en utilisant des véhicules spécialement adaptés pour lesquels le service public fédéral Mobilité et Transports à délivré une attestation. Les personnes âgées de 60 ans au moins bénéficiant des prestations d'un service d'aide aux familles et aux personnes âgées agréé par l'autorité publique compétente, sont assimilées à des personnes handicapées. Cette activité est également possible pour les enfants handicapés à charge de l'utilisateur. Un véhicule adapté avec attestation est uniquement requis dans le cas de transport de personnes handicapées, prévues à l'article 1er, alinéa 1er, 7°, a) et des enfants handicapés, prévus à l'article 1er, alinéa 1er, 8°, b).) <AR 2008-09-28/30, art. 2, 015; En vigueur : 01-11-2008>
(Sont considérées comme du repassage, visé à l'alinéa 1er, 2°, b) : le repassage lui-même et les activités apparentées suivantes :
- l'enregistrement : la réception du linge à repasser apporté par le client, l'enregistrement des pièces à repasser et l'établissement d'un accusé de réception;
- le triage : le triage du linge à repasser selon le processus de production;
- le contrôle: le contrôle de la qualité et le contrôle final après repassage;
- l'assemblage : rassembler à nouveau le linge repassé par client;
- l'emballage : emballer le linge repassé;
- la livraison : la réception du linge repassé dans l'atelier de repassage par le client et le règlement du paiement.) <AR 2007-07-13/36, art. 1, 013; En vigueur : 01-08-2007>
Wijzigingen
Art. 1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. Voor de toepassing van dit besluit moet verstaan worden onder :
1° de wet : de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen;
[4 1° bis woonplaats van de gebruiker : de hoofdverblijfplaats gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met toepassing van artikel 3 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, en haar uitvoeringsmaatregelen. Voor de toepassing van dit besluit worden de personen die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verblijven en vrijgesteld zijn van inschrijving in de bevolkingsregisters omwille van hun diplomatieke onschendbaarheid of hun bijzonder statuut, gelijkgesteld met personen die over een dergelijke hoofdverblijfplaats beschikken;]4
2° (thuishulp van huishoudelijke aard : activiteiten ten gunste van particulieren [4 van wie de hoofdverblijfplaats in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen is]4, die bestaan uit :
a) [1 activiteiten verricht in de woonplaats van de gebruiker : schoonmaken van de woning met inbegrip van de ramen, wassen en strijken, kleine occasionele naaiwerken, bereiden van maaltijden. Vormen geen activiteiten verricht in de [6 hoofd- of secundaire]6 woonplaats van de gebruiker, de prestaties die worden uitgevoerd voor een particulier die verblijft in een instelling voor collectief verblijf die hem huisvest en die bepaalde diensten voor hem uitvoert, inzonderheid verzorging of begeleiding en de voorziening van maaltijden.]1
b) (activiteiten verricht buiten [1 de woonplaats]1 van de gebruiker : boodschappen doen, begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit, strijken (met inbegrip van verstelwerk van het te strijken linnen);) <KB 2006-03-05/39, art. 1, 1°, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006> <KB 2007-07-13/36, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
3° [6 Actiris : de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, geregeld bij de ordonnantie van 18 januari 2001 houdende organisatie en werking van Actiris]6;
[5 3° bis. het bestuur : behoudens uitdrukkelijk voorziene tegenstrijdige bepaling, Brussel Economie en Werkgelegenheid bij de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.]5
4° [6 het uitgiftebedrijf : het bedrijf aangewezen door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dat belast wordt met het beheer van het dienstenchequesysteem;]6
5° (de erkende onderneming : de onderneming die de in artikel 2, § 1, 3° van de wet bedoelde buurtwerken of -diensten levert, die hiertoe erkend is [4 door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest]4 en die daarbij de gebruiker de kwaliteit en de veiligheid garandeert van deze diensten;) <KB 2004-01-09/33, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
6° (6° tegemoetkoming : de tegemoetkoming van [6 het Brussels Hoofdstedelijk Gewest]6 in de kostprijs van de dienstencheque;) <KB 2004-01-09/33, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
7° (mindervalide :
a) de persoon als dusdanig ingeschreven bij het " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", bij het " Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées ", bij de " Service bruxellois francophone des Personnes handicapées " of bij de " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
b) de persoon die een inkomensvervangende tegemoetkoming, een integratietegemoetkoming of een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden geniet, op basis van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
c) de persoon die minstens 7 punten werd toegekend op de zelfredzaamheidsschaal, opgenomen in bijlage bij het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming, en die hiervoor beschikt over een attest van de Algemene Directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid.) <KB 2008-09-28/30, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
(8° mindervalide kind :
a) het kind dat een verhoogde kinderbijslag geniet voor gehandicapte kinderen of het kind dat aan een zware ziekte lijdt;
b) het kind, jonger dan 21 jaar, dat als mindervalide erkend is door het " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", door het " [7 l'Agence wallonne de la santé, de la protection sociale, du handicap et des familles (het Waals agentschap voor gezondheid, sociale bescherming, handicap en gezinnen) ]7", door de " Service bruxellois francophone des Personnes handicapées ", of door de " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
c) het kind, jonger dan 21 jaar, dat minstens 7 punten werd toegekend op de zelfredzaamheidsschaal, opgenomen in bijlage bij het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming, en die hiervoor beschikt over een attest van de Algemene Directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid.) <KB 2008-09-28/30, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[2 9° arbeidsovereenkomst dienstencheques : de arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7bis van de wet;
10° [3 ...]3.]2
((De boodschappen bedoeld in het eerste lid, 2°, b), zijn) boodschappen ten gunste van een particuliere gebruiker om in zijn dagdagelijkse behoeften te voorzien. Worden niet beschouwd als dagdagelijkse behoeften, inzonderheid de aankoop van meubelen, van huishoudtoestellen, van audio-visuele toestellen, van warme maaltijden en de periodieke bedeling van kranten en tijdschriften.) <KB 2004-03-31/33, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004> <KB 2006-03-05/39, art. 1, 2°, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
(Begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit bedoeld in het eerste lid, 2°, b), is een activiteit die mindervaliden onder begeleiding vervoert met daartoe speciaal uitgeruste voertuigen, waarvoor de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer een attest heeft afgeleverd. De personen van minstens 60 jaar die prestaties genieten verstrekt door een door de bevoegde overheid erkende dienst voor gezins- en bejaardenhulp worden met mindervaliden gelijkgesteld. Deze activiteit is eveneens mogelijk voor de mindervalide kinderen ten laste van een gebruiker. Enkel voor het vervoer van de mindervaliden, bedoeld in artikel 1, eerste lid, 7°, a), en van de mindervalide kinderen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, 8°, b), is een aangepast voertuig met attest vereist.) <KB 2008-09-28/30, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
(Worden beschouwd als strijken, bedoeld in het eerste lid, 2°, b) : het strijken zelf en de volgende aanverwante activiteiten :
- het registreren : de ontvangst van het door de klant gebrachte te strijken linnen, het registreren van de te strijken stukken en het opstellen van een ontvangstbewijs;
- het sorteren : het sorteren van het te strijken linnen volgens productieproces;
- het controleren : de kwaliteitscontrole en de eindcontrole na het strijken;
- het samenstellen : het gestreken linnen terug per klant samenbrengen;
- het verpakken: het gestreken linnen inpakken;
- het bestellen: het afhalen van het gestreken linnen in het strijkatelier door de klant en het afhandelen van de betaling.) <KB 2007-07-13/36, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
1° de wet : de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen;
[4 1° bis woonplaats van de gebruiker : de hoofdverblijfplaats gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met toepassing van artikel 3 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, en haar uitvoeringsmaatregelen. Voor de toepassing van dit besluit worden de personen die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verblijven en vrijgesteld zijn van inschrijving in de bevolkingsregisters omwille van hun diplomatieke onschendbaarheid of hun bijzonder statuut, gelijkgesteld met personen die over een dergelijke hoofdverblijfplaats beschikken;]4
2° (thuishulp van huishoudelijke aard : activiteiten ten gunste van particulieren [4 van wie de hoofdverblijfplaats in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gelegen is]4, die bestaan uit :
a) [1 activiteiten verricht in de woonplaats van de gebruiker : schoonmaken van de woning met inbegrip van de ramen, wassen en strijken, kleine occasionele naaiwerken, bereiden van maaltijden. Vormen geen activiteiten verricht in de [6 hoofd- of secundaire]6 woonplaats van de gebruiker, de prestaties die worden uitgevoerd voor een particulier die verblijft in een instelling voor collectief verblijf die hem huisvest en die bepaalde diensten voor hem uitvoert, inzonderheid verzorging of begeleiding en de voorziening van maaltijden.]1
b) (activiteiten verricht buiten [1 de woonplaats]1 van de gebruiker : boodschappen doen, begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit, strijken (met inbegrip van verstelwerk van het te strijken linnen);) <KB 2006-03-05/39, art. 1, 1°, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006> <KB 2007-07-13/36, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
3° [6 Actiris : de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, geregeld bij de ordonnantie van 18 januari 2001 houdende organisatie en werking van Actiris]6;
[5 3° bis. het bestuur : behoudens uitdrukkelijk voorziene tegenstrijdige bepaling, Brussel Economie en Werkgelegenheid bij de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel.]5
4° [6 het uitgiftebedrijf : het bedrijf aangewezen door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dat belast wordt met het beheer van het dienstenchequesysteem;]6
5° (de erkende onderneming : de onderneming die de in artikel 2, § 1, 3° van de wet bedoelde buurtwerken of -diensten levert, die hiertoe erkend is [4 door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest]4 en die daarbij de gebruiker de kwaliteit en de veiligheid garandeert van deze diensten;) <KB 2004-01-09/33, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
6° (6° tegemoetkoming : de tegemoetkoming van [6 het Brussels Hoofdstedelijk Gewest]6 in de kostprijs van de dienstencheque;) <KB 2004-01-09/33, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
7° (mindervalide :
a) de persoon als dusdanig ingeschreven bij het " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", bij het " Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées ", bij de " Service bruxellois francophone des Personnes handicapées " of bij de " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
b) de persoon die een inkomensvervangende tegemoetkoming, een integratietegemoetkoming of een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden geniet, op basis van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
c) de persoon die minstens 7 punten werd toegekend op de zelfredzaamheidsschaal, opgenomen in bijlage bij het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming, en die hiervoor beschikt over een attest van de Algemene Directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid.) <KB 2008-09-28/30, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
(8° mindervalide kind :
a) het kind dat een verhoogde kinderbijslag geniet voor gehandicapte kinderen of het kind dat aan een zware ziekte lijdt;
b) het kind, jonger dan 21 jaar, dat als mindervalide erkend is door het " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", door het " [7 l'Agence wallonne de la santé, de la protection sociale, du handicap et des familles (het Waals agentschap voor gezondheid, sociale bescherming, handicap en gezinnen) ]7", door de " Service bruxellois francophone des Personnes handicapées ", of door de " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
c) het kind, jonger dan 21 jaar, dat minstens 7 punten werd toegekend op de zelfredzaamheidsschaal, opgenomen in bijlage bij het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming, en die hiervoor beschikt over een attest van de Algemene Directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid.) <KB 2008-09-28/30, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[2 9° arbeidsovereenkomst dienstencheques : de arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7bis van de wet;
10° [3 ...]3.]2
((De boodschappen bedoeld in het eerste lid, 2°, b), zijn) boodschappen ten gunste van een particuliere gebruiker om in zijn dagdagelijkse behoeften te voorzien. Worden niet beschouwd als dagdagelijkse behoeften, inzonderheid de aankoop van meubelen, van huishoudtoestellen, van audio-visuele toestellen, van warme maaltijden en de periodieke bedeling van kranten en tijdschriften.) <KB 2004-03-31/33, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004> <KB 2006-03-05/39, art. 1, 2°, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
(Begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit bedoeld in het eerste lid, 2°, b), is een activiteit die mindervaliden onder begeleiding vervoert met daartoe speciaal uitgeruste voertuigen, waarvoor de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer een attest heeft afgeleverd. De personen van minstens 60 jaar die prestaties genieten verstrekt door een door de bevoegde overheid erkende dienst voor gezins- en bejaardenhulp worden met mindervaliden gelijkgesteld. Deze activiteit is eveneens mogelijk voor de mindervalide kinderen ten laste van een gebruiker. Enkel voor het vervoer van de mindervaliden, bedoeld in artikel 1, eerste lid, 7°, a), en van de mindervalide kinderen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, 8°, b), is een aangepast voertuig met attest vereist.) <KB 2008-09-28/30, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
(Worden beschouwd als strijken, bedoeld in het eerste lid, 2°, b) : het strijken zelf en de volgende aanverwante activiteiten :
- het registreren : de ontvangst van het door de klant gebrachte te strijken linnen, het registreren van de te strijken stukken en het opstellen van een ontvangstbewijs;
- het sorteren : het sorteren van het te strijken linnen volgens productieproces;
- het controleren : de kwaliteitscontrole en de eindcontrole na het strijken;
- het samenstellen : het gestreken linnen terug per klant samenbrengen;
- het verpakken: het gestreken linnen inpakken;
- het bestellen: het afhalen van het gestreken linnen in het strijkatelier door de klant en het afhandelen van de betaling.) <KB 2007-07-13/36, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
Wijzigingen
Art. 1 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
1° la loi : la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité;
[4 1° bis résidence de l'utilisateur : la résidence principale établie en Région de Bruxelles-Capitale en application de l'article 3 de la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population, aux cartes d'identité, aux cartes d'étranger et aux documents de séjour et modifiant la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, et ses mesures d'exécution. Pour l'application du présent arrêté, sont assimilées aux personnes disposant d'une telle résidence principale, les personnes qui résident en Région de Bruxelles-Capitale et qui sont dispensées d'inscription aux registres de la population en raison de leur immunité diplomatique ou de leur statut particulier;]4
2° (aide à domicile de nature ménagère : des activités en faveur des particuliers qui [4 ont leur résidence principale en Région de Bruxelles-Capitale]4, qui comprennent :
a) [1 des activités réalisées au lieu de résidence de l'utilisateur : le nettoyage du domicile y compris les vitres, la lessive et le repassage, les petits travaux de couture occasionnels, la préparation des repas. Ne constituent pas des activités réalisées au lieu de résidence [6 principale ou secondaire]6 de l'utilisateur, les prestations qui sont effectuées pour un particulier résidant dans un établissement de résidence collective qui l'héberge et qui preste à son égard certains services, notamment les soins ou l'accompagnement et la restauration.]1
b) (des activités réalisées en dehors [1 du lieu de résidence]1 de l'utilisateur : faire des courses ménagères, du transport accompagné de personnes à mobilité réduite, du repassage (y compris le raccommodage du linge à repasser;) <AR 2006-03-05/39, art. 1, 1°, 010; En vigueur : 22-03-2006> <AR 2007-07-13/36, art. 1, 013; En vigueur : 01-08-2007>
3° [6 Actiris : l'office régional de l'emploi, réglé par l'ordonnance du 18 janvier 2001 portant organisation et fonctionnement d'Actiris;]6
[5 3° bis. l'administration : sauf disposition contraire expressément prévue, Bruxelles Economie et Emploi auprès du Service public régional de Bruxelles;]5
4° [6 la société émettrice : la société désignée par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale qui est chargée de la gestion du système des titres-services;]6
5° (l'entreprise agréée : l'entreprise qui fournit les travaux ou les services de proximité visés à l'article 2, § 1er, 3°, de la loi, qui est agréée à cette fin [4 par la Région de Bruxelles-Capitale]4 et qui garantit la qualité et la sécurité de ces services;) <AR 2004-01-09/33, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-2004>
6° (l'intervention : l'intervention de [6 la Région de Bruxelles-Capitale]6 dans le coût du titre-service;) <AR 2004-01-09/33, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-2004>
7° (personne handicapée :
a) la personne enregistrée comme telle à l'Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées, à la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", au Service bruxellois francophone des Personnes handicapées ou à la " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
b) la personne qui bénéficie d'une allocation de remplacement de revenus, d'une allocation d'intégration ou d'une allocation pour l'aide aux personnes âgées, sur base de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;
c) la personne qui s'est vue reconnaître au moins 7 points sur l'échelle d'autonomie reprise en annexe à l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration, et qui dispose, à cet égard, d'une attestation de la Direction générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale.) <AR 2008-09-28/30, art. 1, 015; En vigueur : 01-11-2008>
(8° enfant handicapé :
a) l'enfant bénéficiant d'une allocation familiale majorée pour enfants handicapés ou atteints d'une grave maladie;
b) l'enfant de moins de 21 ans reconnu comme handicapé par [7 l'Agence wallonne de la santé, de la protection sociale, du handicap et des familles]7, par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", par le Service bruxellois francophone des Personnes handicapées, ou par la " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
c) l'enfant de moins de 21 ans qui s'est vu reconnaître au moins 7 points sur l'échelle d'autonomie reprise en annexe à l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration, et qui dispose, à cet égard, d'une attestation de la Direction générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale.) <AR 2008-09-28/30, art. 1, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[2 9° contrat de travail titres-services : le contrat de travail visé à l'article 7bis de la loi;
10° [3 ...]3.]2
(Les courses ménagères, visées à l'alinéa 1er, 2°, b), sont des courses ménagères en faveur d'un utilisateur qui est un particulier, afin de répondre à ses besoins journaliers. Ne sont pas considérés comme des besoins journaliers, notamment l'achat de meubles, d'appareils ménagers, d'appareils audio-visuels, de repas chauds et la distribution périodique de journaux et d'hebdomadaires.) <AR 2004-03-31/33, art. 2, 004; En vigueur : 16-04-2004>
(Le transport accompagné de personnes à mobilité réduite visé à l'alinéa 1er, 2°, b), est une activité qui s'occupe du transport accompagné de personnes handicapées, en utilisant des véhicules spécialement adaptés pour lesquels le service public fédéral Mobilité et Transports à délivré une attestation. Les personnes âgées de 60 ans au moins bénéficiant des prestations d'un service d'aide aux familles et aux personnes âgées agréé par l'autorité publique compétente, sont assimilées à des personnes handicapées. Cette activité est également possible pour les enfants handicapés à charge de l'utilisateur. Un véhicule adapté avec attestation est uniquement requis dans le cas de transport de personnes handicapées, prévues à l'article 1er, alinéa 1er, 7°, a) et des enfants handicapés, prévus à l'article 1er, alinéa 1er, 8°, b).) <AR 2008-09-28/30, art. 2, 015; En vigueur : 01-11-2008>
(Sont considérées comme du repassage, visé à l'alinéa 1er, 2°, b) : le repassage lui-même et les activités apparentées suivantes :
- l'enregistrement : la réception du linge à repasser apporté par le client, l'enregistrement des pièces à repasser et l'établissement d'un accusé de réception;
- le triage : le triage du linge à repasser selon le processus de production;
- le contrôle: le contrôle de la qualité et le contrôle final après repassage;
- l'assemblage : rassembler à nouveau le linge repassé par client;
- l'emballage : emballer le linge repassé;
- la livraison : la réception du linge repassé dans l'atelier de repassage par le client et le règlement du paiement.) <AR 2007-07-13/36, art. 1, 013; En vigueur : 01-08-2007>
Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
1° la loi : la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité;
[4 1° bis résidence de l'utilisateur : la résidence principale établie en Région de Bruxelles-Capitale en application de l'article 3 de la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population, aux cartes d'identité, aux cartes d'étranger et aux documents de séjour et modifiant la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, et ses mesures d'exécution. Pour l'application du présent arrêté, sont assimilées aux personnes disposant d'une telle résidence principale, les personnes qui résident en Région de Bruxelles-Capitale et qui sont dispensées d'inscription aux registres de la population en raison de leur immunité diplomatique ou de leur statut particulier;]4
2° (aide à domicile de nature ménagère : des activités en faveur des particuliers qui [4 ont leur résidence principale en Région de Bruxelles-Capitale]4, qui comprennent :
a) [1 des activités réalisées au lieu de résidence de l'utilisateur : le nettoyage du domicile y compris les vitres, la lessive et le repassage, les petits travaux de couture occasionnels, la préparation des repas. Ne constituent pas des activités réalisées au lieu de résidence [6 principale ou secondaire]6 de l'utilisateur, les prestations qui sont effectuées pour un particulier résidant dans un établissement de résidence collective qui l'héberge et qui preste à son égard certains services, notamment les soins ou l'accompagnement et la restauration.]1
b) (des activités réalisées en dehors [1 du lieu de résidence]1 de l'utilisateur : faire des courses ménagères, du transport accompagné de personnes à mobilité réduite, du repassage (y compris le raccommodage du linge à repasser;) <AR 2006-03-05/39, art. 1, 1°, 010; En vigueur : 22-03-2006> <AR 2007-07-13/36, art. 1, 013; En vigueur : 01-08-2007>
3° [6 Actiris : l'office régional de l'emploi, réglé par l'ordonnance du 18 janvier 2001 portant organisation et fonctionnement d'Actiris;]6
[5 3° bis. l'administration : sauf disposition contraire expressément prévue, Bruxelles Economie et Emploi auprès du Service public régional de Bruxelles;]5
4° [6 la société émettrice : la société désignée par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale qui est chargée de la gestion du système des titres-services;]6
5° (l'entreprise agréée : l'entreprise qui fournit les travaux ou les services de proximité visés à l'article 2, § 1er, 3°, de la loi, qui est agréée à cette fin [4 par la Région de Bruxelles-Capitale]4 et qui garantit la qualité et la sécurité de ces services;) <AR 2004-01-09/33, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-2004>
6° (l'intervention : l'intervention de [6 la Région de Bruxelles-Capitale]6 dans le coût du titre-service;) <AR 2004-01-09/33, art. 1, 002; En vigueur : 01-01-2004>
7° (personne handicapée :
a) la personne enregistrée comme telle à l'Agence wallonne pour l'Intégration des Personnes handicapées, à la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", au Service bruxellois francophone des Personnes handicapées ou à la " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
b) la personne qui bénéficie d'une allocation de remplacement de revenus, d'une allocation d'intégration ou d'une allocation pour l'aide aux personnes âgées, sur base de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;
c) la personne qui s'est vue reconnaître au moins 7 points sur l'échelle d'autonomie reprise en annexe à l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration, et qui dispose, à cet égard, d'une attestation de la Direction générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale.) <AR 2008-09-28/30, art. 1, 015; En vigueur : 01-11-2008>
(8° enfant handicapé :
a) l'enfant bénéficiant d'une allocation familiale majorée pour enfants handicapés ou atteints d'une grave maladie;
b) l'enfant de moins de 21 ans reconnu comme handicapé par [7 l'Agence wallonne de la santé, de la protection sociale, du handicap et des familles]7, par la " Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap ", par le Service bruxellois francophone des Personnes handicapées, ou par la " Dienststelle für Personen mit Behinderung ";
c) l'enfant de moins de 21 ans qui s'est vu reconnaître au moins 7 points sur l'échelle d'autonomie reprise en annexe à l'arrêté ministériel du 30 juillet 1987 fixant les catégories et le guide pour l'évaluation du degré d'autonomie en vue de l'examen du droit à l'allocation d'intégration, et qui dispose, à cet égard, d'une attestation de la Direction générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale.) <AR 2008-09-28/30, art. 1, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[2 9° contrat de travail titres-services : le contrat de travail visé à l'article 7bis de la loi;
10° [3 ...]3.]2
(Les courses ménagères, visées à l'alinéa 1er, 2°, b), sont des courses ménagères en faveur d'un utilisateur qui est un particulier, afin de répondre à ses besoins journaliers. Ne sont pas considérés comme des besoins journaliers, notamment l'achat de meubles, d'appareils ménagers, d'appareils audio-visuels, de repas chauds et la distribution périodique de journaux et d'hebdomadaires.) <AR 2004-03-31/33, art. 2, 004; En vigueur : 16-04-2004>
(Le transport accompagné de personnes à mobilité réduite visé à l'alinéa 1er, 2°, b), est une activité qui s'occupe du transport accompagné de personnes handicapées, en utilisant des véhicules spécialement adaptés pour lesquels le service public fédéral Mobilité et Transports à délivré une attestation. Les personnes âgées de 60 ans au moins bénéficiant des prestations d'un service d'aide aux familles et aux personnes âgées agréé par l'autorité publique compétente, sont assimilées à des personnes handicapées. Cette activité est également possible pour les enfants handicapés à charge de l'utilisateur. Un véhicule adapté avec attestation est uniquement requis dans le cas de transport de personnes handicapées, prévues à l'article 1er, alinéa 1er, 7°, a) et des enfants handicapés, prévus à l'article 1er, alinéa 1er, 8°, b).) <AR 2008-09-28/30, art. 2, 015; En vigueur : 01-11-2008>
(Sont considérées comme du repassage, visé à l'alinéa 1er, 2°, b) : le repassage lui-même et les activités apparentées suivantes :
- l'enregistrement : la réception du linge à repasser apporté par le client, l'enregistrement des pièces à repasser et l'établissement d'un accusé de réception;
- le triage : le triage du linge à repasser selon le processus de production;
- le contrôle: le contrôle de la qualité et le contrôle final après repassage;
- l'assemblage : rassembler à nouveau le linge repassé par client;
- l'emballage : emballer le linge repassé;
- la livraison : la réception du linge repassé dans l'atelier de repassage par le client et le règlement du paiement.) <AR 2007-07-13/36, art. 1, 013; En vigueur : 01-08-2007>
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. - Basisbeginselen.
CHAPITRE II. - Principes de base.
Art. 2. De gebruiker die het systeem van de dienstencheques wenst te genieten om buurtwerken of -diensten te laten uitvoeren, doet een beroep op een erkende onderneming zoals bedoeld in (artikel 2, § 1, 6°), van de wet. <KB 2004-01-09/33, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
De erkende onderneming laat de buurtwerken of -diensten uitvoeren bij de gebruiker door een werknemer bedoeld in artikel 3 van de wet.
De erkende onderneming laat de buurtwerken of -diensten uitvoeren bij de gebruiker door een werknemer bedoeld in artikel 3 van de wet.
Art. 2. L'utilisateur, qui souhaite bénéficier du système des titres-services pour faire effectuer des travaux ou services de proximité, fait appel à une entreprise agréée, visée à (l'article 2, § 1er, 6°), de la loi. <AR 2004-01-09/33, art. 2, 002; En vigueur : 01-01-2004>
L'entreprise agréée fait effectuer les travaux ou les services de proximité chez l'utilisateur par un travailleur visé à l'article 3 de la loi.
L'entreprise agréée fait effectuer les travaux ou les services de proximité chez l'utilisateur par un travailleur visé à l'article 3 de la loi.
Art. 2_WAALS_GEWEST. De gebruiker [1 die zijn hoofdverblijfplaats in het Waalse Gewest heeft en]1 die het systeem van de dienstencheques wenst te genieten om buurtwerken of -diensten te laten uitvoeren, doet een beroep op een erkende onderneming zoals bedoeld in (artikel 2, § 1, 6°), van de wet. <KB 2004-01-09/33, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
De erkende onderneming laat de buurtwerken of -diensten uitvoeren [2 ten voordele van de gebruiker]2 door een werknemer bedoeld in artikel 3 van de wet.
De erkende onderneming laat de buurtwerken of -diensten uitvoeren [2 ten voordele van de gebruiker]2 door een werknemer bedoeld in artikel 3 van de wet.
Art. 2 _REGION_WALLONNE.
L'utilisateur [1 ayant sa résidence principale en Région wallonne]1, qui souhaite bénéficier du système des titres-services pour faire effectuer des travaux ou services de proximité, fait appel à une entreprise agréée, visée à (l'article 2, § 1er, 6°), de la loi. <AR 2004-01-09/33, art. 2, 002; En vigueur : 01-01-2004>
L'entreprise agréée fait effectuer les travaux ou les services de proximité [2 en faveur de l'utilisateur]2 par un travailleur visé à l'article 3 de la loi.
L'utilisateur [1 ayant sa résidence principale en Région wallonne]1, qui souhaite bénéficier du système des titres-services pour faire effectuer des travaux ou services de proximité, fait appel à une entreprise agréée, visée à (l'article 2, § 1er, 6°), de la loi. <AR 2004-01-09/33, art. 2, 002; En vigueur : 01-01-2004>
L'entreprise agréée fait effectuer les travaux ou les services de proximité [2 en faveur de l'utilisateur]2 par un travailleur visé à l'article 3 de la loi.
Art. 2_VLAAMS_GEWEST. De gebruiker die het systeem van de dienstencheques wenst te genieten om buurtwerken of -diensten te laten uitvoeren, doet een beroep op een erkende onderneming [1 ...]1. <KB 2004-01-09/33, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
De erkende onderneming laat de buurtwerken of -diensten uitvoeren bij de gebruiker door een werknemer bedoeld in artikel 3 van de wet.
De erkende onderneming laat de buurtwerken of -diensten uitvoeren bij de gebruiker door een werknemer bedoeld in artikel 3 van de wet.
Art. 2 _REGION_FLAMANDE.
L'utilisateur, qui souhaite bénéficier du système des titres-services pour faire effectuer des travaux ou services de proximité, fait appel à une entreprise agréée [1 ...]1. <AR 2004-01-09/33, art. 2, 002; En vigueur : 01-01-2004>
L'entreprise agréée fait effectuer les travaux ou les services de proximité chez l'utilisateur par un travailleur visé à l'article 3 de la loi.
L'utilisateur, qui souhaite bénéficier du système des titres-services pour faire effectuer des travaux ou services de proximité, fait appel à une entreprise agréée [1 ...]1. <AR 2004-01-09/33, art. 2, 002; En vigueur : 01-01-2004>
L'entreprise agréée fait effectuer les travaux ou les services de proximité chez l'utilisateur par un travailleur visé à l'article 3 de la loi.
Wijzigingen
Art. 2_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. De gebruiker die het systeem van de dienstencheques wenst te genieten om buurtwerken of -diensten te laten uitvoeren, [1 heeft zijn hoofdverblijfplaats in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en]1 doet een beroep op een erkende onderneming zoals bedoeld in (artikel 2, § 1, 6°), van de wet. <KB 2004-01-09/33, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
De erkende onderneming laat de buurtwerken of -diensten uitvoeren [2 ten gunste van]2 de gebruiker door een werknemer bedoeld in artikel 3 van de wet.
[2 De originelen van de overeenkomsten bedoeld in artikel 6, § 3, derde lid van de wet kunnen door de werknemers worden geraadpleegd. ]2
De erkende onderneming laat de buurtwerken of -diensten uitvoeren [2 ten gunste van]2 de gebruiker door een werknemer bedoeld in artikel 3 van de wet.
[2 De originelen van de overeenkomsten bedoeld in artikel 6, § 3, derde lid van de wet kunnen door de werknemers worden geraadpleegd. ]2
Art. 2 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE. L'utilisateur, qui [1 ayant sa résidence principale en Région de Bruxelles-Capitale et qui]1 souhaite bénéficier du système des titres-services pour faire effectuer des travaux ou services de proximité, fait appel à une entreprise agréée, visée à (l'article 2, § 1er, 6°), de la loi. <AR 2004-01-09/33, art. 2, 002; En vigueur : 01-01-2004>
L'entreprise agréée fait effectuer les travaux ou les services de proximité [2 en faveur de]2 l'utilisateur par un travailleur visé à l'article 3 de la loi.
[2 Les originaux des conventions mentionnés à l'article 6, § 3, alinéa 3de la loi peuvent être consultés par les travailleurs.]2
L'entreprise agréée fait effectuer les travaux ou les services de proximité [2 en faveur de]2 l'utilisateur par un travailleur visé à l'article 3 de la loi.
[2 Les originaux des conventions mentionnés à l'article 6, § 3, alinéa 3de la loi peuvent être consultés par les travailleurs.]2
Art. 2bis. [1 Per kwartaal moet zestig procent van de door elke exploitatiezetel van de erkende onderneming nieuw aangeworven werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques uitkeringsgerechtigde volledig werkloze en/of gerechtigde op een leefloon zijn.
[2 Voor de toepassing van dit artikel moet worden verstaan onder :
1° uitkeringsgerechtigde volledig werkloze :
a) de volledig werkloze die, op het ogenblik van de indienstneming, op grond van artikel 100 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt als voltijdse werknemer;
b) de volledig werkloze die, op het ogenblik van de indienstneming, op grond van artikel 103 van het voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991 werkloosheidsuitkeringen ontvangt als vrijwillig deeltijdse werknemer;
c) hij die in de loop van de maand van indienstneming en de 6 kalendermaanden daaraan voorafgaand, gedurende minstens 78 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangen heeft als voltijdse werknemer op grond van artikel 100 van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991 of werkloosheidsuitkeringen ontvangen heeft als vrijwillig deeltijdse werknemer op grond van artikel 103 van hetzelfde koninklijk besluit.
2° gerechtigde op een leefloon :
a) hij die op het ogenblik van de indienstneming gerechtigd is op een leefloon zoals bedoeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
b) hij die op het ogenblik van de indienstneming gerechtigd is op het equivalent van leefloon toegekend in het kader van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun, verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
c) hij die in de zes maanden voorafgaand aan de maand van indienstneming gedurende minstens drie maanden gerechtigde was op een leefloon zoals bedoeld in de voornoemde wet van 26 mei 2002 of een equivalent leefloon zoals bedoeld in de voornoemde wet van 2 april 1965.]2
De werknemers die in de maand, gerekend van dag tot dag, voorafgaand aan de dag van hun indienstneming tewerkgesteld waren als werknemer met een arbeidsovereenkomst dienstencheques bij een andere erkende onderneming worden, binnen het kader van dit artikel, niet beschouwd als nieuw aangeworven werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques.
Als het aantal van de arbeidsovereenkomsten dienstencheques die de erkende onderneming overeenkomstig het eerste lid moet toekennen aan uitkeringsgerechtigde volledig werklozen en/of gerechtigden op een leefloon een cijfer na de komma bevat wordt dit aantal tot de dichtstbijzijnde eenheid afgerond, en 0,5 wordt naar boven afgerond.
De exploitatiezetel van de erkende onderneming dient in het bezit te zijn van een attest van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn waaruit blijkt dat de nieuw aangeworven werknemer voldoet aan de voorwaarde bedoeld in het tweede lid, 2°, of van een attest van de RVA waaruit blijkt dat de nieuw aangeworven werknemer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het tweede lid, 1° en het derde lid. De attesten worden bewaard op de exploitatiezetel.
De aanvraag van het attest bedoeld in het vorige lid moet door de werknemer ten laatste de dertigste dag volgend op de dag van de indienstneming ingediend worden bij het bevoegde werkloosheidsbureau of Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn. De werkgever kan eveneens binnen dezelfde termijn het attest aanvragen.
De directeur van het werkloosheidsbureau van de RVA kan de exploitatiezetel van de erkende onderneming gelegen in zijn ambtsgebied voor een kwartaal gedeeltelijk of geheel vrijstellen voor een contingent werknemers waarom hij op gemotiveerde wijze verzoekt, indien de directeur oordeelt na consultatie van de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling dat er zowel op kwalitatief als kwantitatief vlak onvoldoende uitkeringsgerechtigde volledig werklozen en/of gerechtigden op een leefloon bedoeld in het tweede lid zijn met het vereiste profiel om de tewerkstelling in de exploitatiezetel van de erkende onderneming in te vullen, daarbij rekening houdend met de toepassing van de regels van de passende dienstbetrekking.]1
[2 Voor de toepassing van dit artikel moet worden verstaan onder :
1° uitkeringsgerechtigde volledig werkloze :
a) de volledig werkloze die, op het ogenblik van de indienstneming, op grond van artikel 100 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt als voltijdse werknemer;
b) de volledig werkloze die, op het ogenblik van de indienstneming, op grond van artikel 103 van het voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991 werkloosheidsuitkeringen ontvangt als vrijwillig deeltijdse werknemer;
c) hij die in de loop van de maand van indienstneming en de 6 kalendermaanden daaraan voorafgaand, gedurende minstens 78 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangen heeft als voltijdse werknemer op grond van artikel 100 van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991 of werkloosheidsuitkeringen ontvangen heeft als vrijwillig deeltijdse werknemer op grond van artikel 103 van hetzelfde koninklijk besluit.
2° gerechtigde op een leefloon :
a) hij die op het ogenblik van de indienstneming gerechtigd is op een leefloon zoals bedoeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
b) hij die op het ogenblik van de indienstneming gerechtigd is op het equivalent van leefloon toegekend in het kader van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun, verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
c) hij die in de zes maanden voorafgaand aan de maand van indienstneming gedurende minstens drie maanden gerechtigde was op een leefloon zoals bedoeld in de voornoemde wet van 26 mei 2002 of een equivalent leefloon zoals bedoeld in de voornoemde wet van 2 april 1965.]2
De werknemers die in de maand, gerekend van dag tot dag, voorafgaand aan de dag van hun indienstneming tewerkgesteld waren als werknemer met een arbeidsovereenkomst dienstencheques bij een andere erkende onderneming worden, binnen het kader van dit artikel, niet beschouwd als nieuw aangeworven werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques.
Als het aantal van de arbeidsovereenkomsten dienstencheques die de erkende onderneming overeenkomstig het eerste lid moet toekennen aan uitkeringsgerechtigde volledig werklozen en/of gerechtigden op een leefloon een cijfer na de komma bevat wordt dit aantal tot de dichtstbijzijnde eenheid afgerond, en 0,5 wordt naar boven afgerond.
De exploitatiezetel van de erkende onderneming dient in het bezit te zijn van een attest van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn waaruit blijkt dat de nieuw aangeworven werknemer voldoet aan de voorwaarde bedoeld in het tweede lid, 2°, of van een attest van de RVA waaruit blijkt dat de nieuw aangeworven werknemer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het tweede lid, 1° en het derde lid. De attesten worden bewaard op de exploitatiezetel.
De aanvraag van het attest bedoeld in het vorige lid moet door de werknemer ten laatste de dertigste dag volgend op de dag van de indienstneming ingediend worden bij het bevoegde werkloosheidsbureau of Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn. De werkgever kan eveneens binnen dezelfde termijn het attest aanvragen.
De directeur van het werkloosheidsbureau van de RVA kan de exploitatiezetel van de erkende onderneming gelegen in zijn ambtsgebied voor een kwartaal gedeeltelijk of geheel vrijstellen voor een contingent werknemers waarom hij op gemotiveerde wijze verzoekt, indien de directeur oordeelt na consultatie van de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling dat er zowel op kwalitatief als kwantitatief vlak onvoldoende uitkeringsgerechtigde volledig werklozen en/of gerechtigden op een leefloon bedoeld in het tweede lid zijn met het vereiste profiel om de tewerkstelling in de exploitatiezetel van de erkende onderneming in te vullen, daarbij rekening houdend met de toepassing van de regels van de passende dienstbetrekking.]1
Art. 2bis. [1 Par trimestre, soixante pour cent des travailleurs nouvellement engagés avec un contrat de travail titres-services pour chaque siège d'exploitation de l'entreprise agréée doivent être chômeurs complets indemnisés et/ou bénéficiaires d'un revenu d'intégration.
[2 Pour l'application de cet article, on entend par :
1° chômeur complet indemnisé :
a) le chômeur complet qui, au moment de l'engagement, perçoit des allocations de chômage ou d'insertion en tant que travailleur à temps plein en vertu de l'article 100 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
b) le chômeur complet qui, au moment de l'engagement, perçoit des allocations de chômage en tant que travailleur à temps partiel volontaire en vertu de l'article 103 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 susmentionné;
c) celui qui a perçu des allocations de chômage ou d'insertion en tant que travailleur à temps plein en vertu de l'article 100 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 susmentionné ou des allocations de chômage en tant que travailleur à temps partiel volontaire en vertu de l'article 103 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 susmentionné pendant au moins 78 jours, calculés dans le régime de six jours, ou cours de la période du mois de l'engagement et des 6 mois civils qui précèdent.
2° bénéficiaire d'un revenu d'intégration :
a) celui qui, au moment de l'engagement, a droit au revenu d'intégration sociale visé dans la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
b) celui qui, au moment de l'engagement, a droit à l'équivalent du revenu d'intégration accordé dans le cadre de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale;
c) celui qui a eu droit au revenu d'intégration visé dans la loi du 26 mai 2002 susmentionnée ou à l'équivalent du revenu d'intégration accordé dans le cadre de la loi du 2 avril 1965 susmentionnée pendant au moins trois mois au cours de la période des six mois qui précèdent le mois de l'engagement.]2
Les travailleurs qui étaient employés comme travailleur avec un contrat de travail titres-services auprès d'une autre entreprise agréée dans le mois calculé de jour à jour qui précède le jour de leur engagement ne sont pas, dans le cadre de cet article, considérés comme travailleurs nouvellement engagés avec un contrat de travail titres-services.
Lorsque le nombre de contrats de travail titres-services que l'entreprise agréée doit accorder aux chômeurs complet indemnisé et/ou aux bénéficiaires d'un revenu d'intégration conformément l'alinéa 1er, a une décimale après la virgule, ce nombre est arrondi à l'unité la plus proche, 0,5 étant arrondi à l'unité supérieure.
Le siège d'exploitation de l'entreprise agréée doit être en possession d'une attestation du centre public d'action sociale prouvant que le travailleur nouvellement engagé satisfait aux conditions visées à l'alinéa 2, 2°, ou d'une attestation de l'ONEm prouvant que le travailleur nouvellement engagé satisfait aux conditions visées aux alinéas 2, 1° et 3. Les attestations sont conservées au siège d'exploitation.
La demande de l'attestation visée à l'alinéa précédent doit être introduite par le travailleur au plus tard le trentième jour suivant celui de l'engagement au bureau de chômage compétent ou au centre public d'action sociale. L'employeur peut également demander l'attestation dans le même délai.
Le directeur du bureau de chômage de l'ONEm peut dispenser le siège d'exploitation de l'entreprise agréée sise dans son ressort pour un trimestre, partiellement ou dans sa totalité, pour un contingent de travailleurs pour lequel il fait une demande motivée, si le directeur estime après consultation du service régional de l'emploi compétent que, tant sur le plan qualitatif que quantitatif, il y a insuffisamment de chômeurs complets indemnisés et/ou de bénéficiaires d'un revenu d'intégration sociale visés au alinéa 2 avec le profil exigé pour remplir l'emploi au siège de l'exploitation de l'entreprise agréée, en tenant compte de l'application des règles de l'emploi convenable.]1
[2 Pour l'application de cet article, on entend par :
1° chômeur complet indemnisé :
a) le chômeur complet qui, au moment de l'engagement, perçoit des allocations de chômage ou d'insertion en tant que travailleur à temps plein en vertu de l'article 100 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
b) le chômeur complet qui, au moment de l'engagement, perçoit des allocations de chômage en tant que travailleur à temps partiel volontaire en vertu de l'article 103 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 susmentionné;
c) celui qui a perçu des allocations de chômage ou d'insertion en tant que travailleur à temps plein en vertu de l'article 100 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 susmentionné ou des allocations de chômage en tant que travailleur à temps partiel volontaire en vertu de l'article 103 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 susmentionné pendant au moins 78 jours, calculés dans le régime de six jours, ou cours de la période du mois de l'engagement et des 6 mois civils qui précèdent.
2° bénéficiaire d'un revenu d'intégration :
a) celui qui, au moment de l'engagement, a droit au revenu d'intégration sociale visé dans la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
b) celui qui, au moment de l'engagement, a droit à l'équivalent du revenu d'intégration accordé dans le cadre de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale;
c) celui qui a eu droit au revenu d'intégration visé dans la loi du 26 mai 2002 susmentionnée ou à l'équivalent du revenu d'intégration accordé dans le cadre de la loi du 2 avril 1965 susmentionnée pendant au moins trois mois au cours de la période des six mois qui précèdent le mois de l'engagement.]2
Les travailleurs qui étaient employés comme travailleur avec un contrat de travail titres-services auprès d'une autre entreprise agréée dans le mois calculé de jour à jour qui précède le jour de leur engagement ne sont pas, dans le cadre de cet article, considérés comme travailleurs nouvellement engagés avec un contrat de travail titres-services.
Lorsque le nombre de contrats de travail titres-services que l'entreprise agréée doit accorder aux chômeurs complet indemnisé et/ou aux bénéficiaires d'un revenu d'intégration conformément l'alinéa 1er, a une décimale après la virgule, ce nombre est arrondi à l'unité la plus proche, 0,5 étant arrondi à l'unité supérieure.
Le siège d'exploitation de l'entreprise agréée doit être en possession d'une attestation du centre public d'action sociale prouvant que le travailleur nouvellement engagé satisfait aux conditions visées à l'alinéa 2, 2°, ou d'une attestation de l'ONEm prouvant que le travailleur nouvellement engagé satisfait aux conditions visées aux alinéas 2, 1° et 3. Les attestations sont conservées au siège d'exploitation.
La demande de l'attestation visée à l'alinéa précédent doit être introduite par le travailleur au plus tard le trentième jour suivant celui de l'engagement au bureau de chômage compétent ou au centre public d'action sociale. L'employeur peut également demander l'attestation dans le même délai.
Le directeur du bureau de chômage de l'ONEm peut dispenser le siège d'exploitation de l'entreprise agréée sise dans son ressort pour un trimestre, partiellement ou dans sa totalité, pour un contingent de travailleurs pour lequel il fait une demande motivée, si le directeur estime après consultation du service régional de l'emploi compétent que, tant sur le plan qualitatif que quantitatif, il y a insuffisamment de chômeurs complets indemnisés et/ou de bénéficiaires d'un revenu d'intégration sociale visés au alinéa 2 avec le profil exigé pour remplir l'emploi au siège de l'exploitation de l'entreprise agréée, en tenant compte de l'application des règles de l'emploi convenable.]1
Art. 2bis_WAALS_GEWEST. [1 § 1. Per jaar en voor elke inrichtingseenheid van de erkende onderneming zijn zestig procent van de nieuw aangeworven werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques op het moment van hun indienstneming niet-werkende werkzoekenden of deeltijds tewerkgestelde werkzoekenden of leefloners.
Onder inrichtingseenheid bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de inrichtingseenheid zoals bepaald in artikel I.2, 16°, van het Wetboek van economisch recht.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° niet-werkende werkzoekende of deeltijds tewerkgestelde werkzoekende: de persoon die als niet-werkende werkzoekende wordt ingeschreven bij een in België bevoegde openbare dienst voor tewerkstelling;
2° deeltijds tewerkgestelde werkzoekende: De persoon met een arbeidsovereenkomst met een deeltijdse arbeidsregeling die als werkzoekende ingeschreven is bij een in België bevoegde openbare dienst voor tewerkstelling voor dat deel van de tijd waarin hij werkloos is.
3° leefloner:
a) de persoon die op het moment van zijn indienstneming in de erkende dienstencheques-onderneming recht heeft op het leefloon zoals bedoeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
b) de persoon die op het moment van zijn indienstneming in de erkende dienstencheques-onderneming recht heeft op de gelijke waarde als het leefloon zoals bedoeld in de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
c) de persoon die in aanmerking is gekomen voor het leefloon zoals bedoeld in de bovenvermelde wet van 26 mei 2002 of voor de gelijke waarde als het leefloon toegekend in het kader van bovenvermelde wet van 2 april 1965 tijdens minstens drie maanden gedurende de periode van zes maanden voor de maand van indienstneming in de erkende dienstencheques-onderneming.
§ 3. De werknemers die in de maand, gerekend van dag tot dag, voorafgaand aan de dag van hun indienstneming tewerkgesteld waren als werknemer met een arbeidsovereenkomst dienstencheques bij een andere erkende dienstencheques-onderneming, worden in het kader van dit artikel niet beschouwd als nieuw aangeworven werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques.
§ 4. Als het aantal arbeidsovereenkomsten dienstencheques die de erkende onderneming overeenkomstig § 1 moet toekennen aan niet-werkende werkzoekenden of deeltijds tewerkgestelde werkzoekenden of leefloners, een cijfer na de komma bevat, wordt dit aantal tot de dichtstbijzijnde eenheid afgerond, en 0,5 wordt naar boven afgerond.
§ 5. De inrichtingseenheid van de erkende onderneming waarin de werknemer tewerkgesteld wordt, is in het bezit van een attest van de bevoegde openbare dienst voor tewerkstelling, waaruit blijkt dat de nieuw aangeworven werknemer voldoet aan de voorwaarde bedoeld in § 1. Elk attest wordt in de inrichtingseenheid van de erkende onderneming waarin de werknemer wordt tewerkgesteld, bewaard.
De in het eerste lid bedoelde aanvraag van het attest moet door de werknemer uiterlijk op de dertigste dag volgend op de dag van de indienstneming ingediend worden bij de bevoegde openbare dienst voor tewerkstelling of bij het bevoegde Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn. De werkgever kan het attest ook voor rekening van de werknemereven binnen dezelfde aanvragen.
§ 6. De Administratie kan de inrichtingseenheid van de erkende onderneming voor maximum een jaar van de in § 1 bedoelde verplichting vrijstellen voor een contingent werknemers waarvoor de onderneming een gemotiveerde aanvraag indient en voor zover de Forem oordeelt dat er zowel op kwalitatief als kwantitatief vlak onvoldoende niet-tewerkgestelde werkzoekenden of deeltijds tewerkgestelde werkzoekenden zijn met het vereiste profiel om de tewerkstelling in de inrichtingseenheid van de erkende onderneming in te vullen, daarbij rekening houdend met de toepassing van de regels van de passende dienstbetrekking, zoals bepaald in artikel 51, § 2, 1° van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering. ]1
Onder inrichtingseenheid bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de inrichtingseenheid zoals bepaald in artikel I.2, 16°, van het Wetboek van economisch recht.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° niet-werkende werkzoekende of deeltijds tewerkgestelde werkzoekende: de persoon die als niet-werkende werkzoekende wordt ingeschreven bij een in België bevoegde openbare dienst voor tewerkstelling;
2° deeltijds tewerkgestelde werkzoekende: De persoon met een arbeidsovereenkomst met een deeltijdse arbeidsregeling die als werkzoekende ingeschreven is bij een in België bevoegde openbare dienst voor tewerkstelling voor dat deel van de tijd waarin hij werkloos is.
3° leefloner:
a) de persoon die op het moment van zijn indienstneming in de erkende dienstencheques-onderneming recht heeft op het leefloon zoals bedoeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
b) de persoon die op het moment van zijn indienstneming in de erkende dienstencheques-onderneming recht heeft op de gelijke waarde als het leefloon zoals bedoeld in de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
c) de persoon die in aanmerking is gekomen voor het leefloon zoals bedoeld in de bovenvermelde wet van 26 mei 2002 of voor de gelijke waarde als het leefloon toegekend in het kader van bovenvermelde wet van 2 april 1965 tijdens minstens drie maanden gedurende de periode van zes maanden voor de maand van indienstneming in de erkende dienstencheques-onderneming.
§ 3. De werknemers die in de maand, gerekend van dag tot dag, voorafgaand aan de dag van hun indienstneming tewerkgesteld waren als werknemer met een arbeidsovereenkomst dienstencheques bij een andere erkende dienstencheques-onderneming, worden in het kader van dit artikel niet beschouwd als nieuw aangeworven werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques.
§ 4. Als het aantal arbeidsovereenkomsten dienstencheques die de erkende onderneming overeenkomstig § 1 moet toekennen aan niet-werkende werkzoekenden of deeltijds tewerkgestelde werkzoekenden of leefloners, een cijfer na de komma bevat, wordt dit aantal tot de dichtstbijzijnde eenheid afgerond, en 0,5 wordt naar boven afgerond.
§ 5. De inrichtingseenheid van de erkende onderneming waarin de werknemer tewerkgesteld wordt, is in het bezit van een attest van de bevoegde openbare dienst voor tewerkstelling, waaruit blijkt dat de nieuw aangeworven werknemer voldoet aan de voorwaarde bedoeld in § 1. Elk attest wordt in de inrichtingseenheid van de erkende onderneming waarin de werknemer wordt tewerkgesteld, bewaard.
De in het eerste lid bedoelde aanvraag van het attest moet door de werknemer uiterlijk op de dertigste dag volgend op de dag van de indienstneming ingediend worden bij de bevoegde openbare dienst voor tewerkstelling of bij het bevoegde Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn. De werkgever kan het attest ook voor rekening van de werknemereven binnen dezelfde aanvragen.
§ 6. De Administratie kan de inrichtingseenheid van de erkende onderneming voor maximum een jaar van de in § 1 bedoelde verplichting vrijstellen voor een contingent werknemers waarvoor de onderneming een gemotiveerde aanvraag indient en voor zover de Forem oordeelt dat er zowel op kwalitatief als kwantitatief vlak onvoldoende niet-tewerkgestelde werkzoekenden of deeltijds tewerkgestelde werkzoekenden zijn met het vereiste profiel om de tewerkstelling in de inrichtingseenheid van de erkende onderneming in te vullen, daarbij rekening houdend met de toepassing van de regels van de passende dienstbetrekking, zoals bepaald in artikel 51, § 2, 1° van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering. ]1
Art. 2bis _REGION_WALLONNE.
[1 § 1er. Par année, et pour chaque unité d'établissement de l'entreprise agréée, soixante pour cent des travailleurs nouvellement engagés avec un contrat de travail titres-services sont, au moment de leur engagement, des demandeurs d'emploi inoccupés ou occupés à temps partiel ou des bénéficiaires du revenu d'intégration.
Par unité d'établissement visée à l'alinéa 1er, on entend l'unité d'établissement telle que définie à l'article I.2, 16°, du Code de droit économique.
§ 2. Pour l'application de cet article, on entend par :
1° demandeur d'emploi inoccupé ou occupé à temps partiel : la personne inscrite en qualité de demandeur d'emploi inoccupé auprès d'un Service public de l'Emploi compétent en Belgique;
2° demandeur d'emploi occupé à temps partiel : la personne sous contrat de travail à temps partiel, inscrite comme demandeuse d'emploi auprès d'un Service public de l'Emploi compétent en Belgique pour le temps partiel où elle est inoccupée;
3° bénéficiaire d'un revenu d'intégration :
a) la personne qui, au moment de son engagement dans l'entreprise titres-services agréée, a droit au revenu d'intégration sociale tel que visé par la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
b) la personne qui, au moment de son engagement dans l'entreprise titres-services agréée, a droit à l'équivalent du revenu d'intégration accordé dans le cadre de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale;
c) la personne qui a eu droit au revenu d'intégration visé par la loi du 26 mai 2002 susmentionnée ou à l'équivalent du revenu d'intégration accordé dans le cadre de la loi du 2 avril 1965 susmentionnée pendant au moins trois mois au cours de la période des six mois qui précèdent le mois de l'engagement dans l'entreprise titres-services agréée.
§ 3. Les travailleurs qui étaient sous contrat de travail titres-services à temps plein, dans une autre entreprise titres-services agréée dans le mois, calculé de jour à jour, qui précède le jour de leur engagement dans l'entreprise titres-services agréée, ne sont pas, dans le cadre de cet article, considérés comme travailleurs nouvellement engagés avec un contrat de travail titres-services.
§ 4. Lorsque le nombre de contrats de travail titres-services que l'entreprise agréée doit accorder aux demandeurs d'emploi inoccupés, occupés à temps partiel ou bénéficiaires de revenu d'intégration, conformément au paragraphe 1er, a une décimale après la virgule, ce nombre est arrondi à l'unité la plus proche, 0,5 étant arrondi à l'unité supérieure.
§ 5. L'unité d'établissement de l'entreprise agréée au sein de laquelle le travailleur est occupé est en possession d'une attestation du service public régional de l'emploi compétent prouvant que le travailleur nouvellement engagé satisfait à la condition visée au paragraphe 1er. Chaque attestation est conservée à l'unité d'établissement de l'entreprise agréée au sein de laquelle le travailleur est occupé.
La demande de l'attestation visée à l'alinéa premier doit être introduite par le travailleur auprès du service public régional de l'emploi ou du centre public d'action sociale compétent, au plus tard le trentième jour suivant celui de l'engagement. L'employeur peut également demander l'attestation pour le compte du travailleur, dans le même délai.
§ 6. L'Administration peut dispenser, pour un an maximum, l'unité d'établissement de l'entreprise agréée de respecter l'obligation prévue au paragraphe 1er, pour un contingent de travailleurs pour lequel l'entreprise introduit une demande motivée et pour autant que le Forem estime que, tant sur le plan qualitatif que quantitatif, il y a insuffisamment de demandeurs d'emploi inoccupés ou occupés à temps partiel, avec le profil exigé pour remplir l'emploi dans l'unité d'établissement de l'entreprise agréée, en tenant compte de l'application des règles de l'emploi convenable, tel que défini en vertu de l'article 51, § 2, 1°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage. ]1
[1 § 1er. Par année, et pour chaque unité d'établissement de l'entreprise agréée, soixante pour cent des travailleurs nouvellement engagés avec un contrat de travail titres-services sont, au moment de leur engagement, des demandeurs d'emploi inoccupés ou occupés à temps partiel ou des bénéficiaires du revenu d'intégration.
Par unité d'établissement visée à l'alinéa 1er, on entend l'unité d'établissement telle que définie à l'article I.2, 16°, du Code de droit économique.
§ 2. Pour l'application de cet article, on entend par :
1° demandeur d'emploi inoccupé ou occupé à temps partiel : la personne inscrite en qualité de demandeur d'emploi inoccupé auprès d'un Service public de l'Emploi compétent en Belgique;
2° demandeur d'emploi occupé à temps partiel : la personne sous contrat de travail à temps partiel, inscrite comme demandeuse d'emploi auprès d'un Service public de l'Emploi compétent en Belgique pour le temps partiel où elle est inoccupée;
3° bénéficiaire d'un revenu d'intégration :
a) la personne qui, au moment de son engagement dans l'entreprise titres-services agréée, a droit au revenu d'intégration sociale tel que visé par la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
b) la personne qui, au moment de son engagement dans l'entreprise titres-services agréée, a droit à l'équivalent du revenu d'intégration accordé dans le cadre de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale;
c) la personne qui a eu droit au revenu d'intégration visé par la loi du 26 mai 2002 susmentionnée ou à l'équivalent du revenu d'intégration accordé dans le cadre de la loi du 2 avril 1965 susmentionnée pendant au moins trois mois au cours de la période des six mois qui précèdent le mois de l'engagement dans l'entreprise titres-services agréée.
§ 3. Les travailleurs qui étaient sous contrat de travail titres-services à temps plein, dans une autre entreprise titres-services agréée dans le mois, calculé de jour à jour, qui précède le jour de leur engagement dans l'entreprise titres-services agréée, ne sont pas, dans le cadre de cet article, considérés comme travailleurs nouvellement engagés avec un contrat de travail titres-services.
§ 4. Lorsque le nombre de contrats de travail titres-services que l'entreprise agréée doit accorder aux demandeurs d'emploi inoccupés, occupés à temps partiel ou bénéficiaires de revenu d'intégration, conformément au paragraphe 1er, a une décimale après la virgule, ce nombre est arrondi à l'unité la plus proche, 0,5 étant arrondi à l'unité supérieure.
§ 5. L'unité d'établissement de l'entreprise agréée au sein de laquelle le travailleur est occupé est en possession d'une attestation du service public régional de l'emploi compétent prouvant que le travailleur nouvellement engagé satisfait à la condition visée au paragraphe 1er. Chaque attestation est conservée à l'unité d'établissement de l'entreprise agréée au sein de laquelle le travailleur est occupé.
La demande de l'attestation visée à l'alinéa premier doit être introduite par le travailleur auprès du service public régional de l'emploi ou du centre public d'action sociale compétent, au plus tard le trentième jour suivant celui de l'engagement. L'employeur peut également demander l'attestation pour le compte du travailleur, dans le même délai.
§ 6. L'Administration peut dispenser, pour un an maximum, l'unité d'établissement de l'entreprise agréée de respecter l'obligation prévue au paragraphe 1er, pour un contingent de travailleurs pour lequel l'entreprise introduit une demande motivée et pour autant que le Forem estime que, tant sur le plan qualitatif que quantitatif, il y a insuffisamment de demandeurs d'emploi inoccupés ou occupés à temps partiel, avec le profil exigé pour remplir l'emploi dans l'unité d'établissement de l'entreprise agréée, en tenant compte de l'application des règles de l'emploi convenable, tel que défini en vertu de l'article 51, § 2, 1°, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage. ]1
Wijzigingen
Art. 2bis_VLAAMS_GEWEST. [1 Ter uitvoering van artikel 10, eerste lid, van de wet wordt het departement aangewezen als verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, voor de verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in artikel 10/1 van de wet.]1
Art. 2bis _REGION_FLAMANDE.[1 En exécution de l'article 10, § 1er de la loi, le département est désigné comme responsable du traitement, visé à l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données, pour le traitement des données à caractère personnel énumérées à l'article 10/1 de la loi. ]1
Wijzigingen
Art. 2bis_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 § 1. Per jaar moet zestig procent van de door elke vestigingseenheid van de erkende onderneming nieuw aangeworven werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques niet-werkende of deeltijds werkende werkzoekenden of begunstigden van het leefloon zijn.
[3 Deze arbeidsovereenkomst moet voor onbepaalde tijd worden gesloten.]3
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° niet-werkende werkzoekende : een persoon die bij een bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling in België is ingeschreven als niet-werkende werkzoekende;
2° deeltijds werkende werkzoekende : een persoon die bij een bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling in België is ingeschreven als niet-werkende of deeltijds werkende werkzoekende voor de deeltijd waarin hij of zij niet tewerkgesteld is;
3° begunstigde van een leefloon:
a) een persoon die op het ogenblik van de indienstneming gerechtigd is op een leefloon zoals bedoeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
b) een persoon die op het ogenblik van de indienstneming gerechtigd is op het equivalent van leefloon toegekend in het kader van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun, verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
c) een persoon die in de zes maanden voorafgaand aan de maand van indienstneming gedurende minstens drie maanden gerechtigd was op een leefloon als bedoeld in de voornoemde wet van 26 mei 2002 of een equivalent leefloon als bedoeld in de voornoemde wet van 2 april 1965.
§ 3. De werknemers die in de maand, gerekend van dag tot dag, voorafgaand aan de dag van hun indienstneming tewerkgesteld waren als werknemer met een arbeidsovereenkomst dienstencheques bij een andere erkende onderneming worden, binnen het kader van dit artikel, niet beschouwd als nieuw aangeworven werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques.
§ 4. Als het aantal arbeidsovereenkomsten dienstencheques die de erkende onderneming overeenkomstig de eerste paragraaf moet toekennen aan niet-werkende of deeltijds werkende werkzoekenden een cijfer na de komma bevat, wordt dit aantal tot de dichtstbijzijnde eenheid afgerond, waarbij 0,5 naar boven wordt afgerond.
§ 5. De vestigingseenheid van de erkende onderneming waar de werknemer werkt of waaraan hij/zij is verbonden, moet in het bezit zijn van een attest van de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling waaruit blijkt dat de nieuw aangeworven werknemer voldoet aan de voorwaarde bedoeld in paragraaf 1. De attesten [2 van het lopende jaar worden uiterlijk op 15 februari van het volgende jaar verkregen en]2 worden bewaard door de vestigingseenheid waar de werknemer werkt of waaraan hij/zij is verbonden.
[2 ...]2
§ 6. Het bestuur kan de vestigingseenheid van de erkende onderneming gelegen in zijn ambtsgebied voor een jaar, gedeeltelijk of geheel vrijstellen voor een contingent werknemers waarvoor ze hierom op gemotiveerde wijze verzoekt, als het bestuur na raadpleging van Actiris oordeelt dat er zowel op kwalitatief als op kwantitatief vlak onvoldoende niet-werkende of deeltijds werkende werkzoekenden als bedoeld in paragraaf 1 zijn met het vereiste profiel om de tewerkstelling bij de vestigingseenheid van de erkende onderneming in te vullen, daarbij rekening houdend met de toepassing van de regels van de passende dienstbetrekking als bepaald in artikel 51, paragraaf 2, 1° van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.]1
[3 Deze arbeidsovereenkomst moet voor onbepaalde tijd worden gesloten.]3
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° niet-werkende werkzoekende : een persoon die bij een bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling in België is ingeschreven als niet-werkende werkzoekende;
2° deeltijds werkende werkzoekende : een persoon die bij een bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling in België is ingeschreven als niet-werkende of deeltijds werkende werkzoekende voor de deeltijd waarin hij of zij niet tewerkgesteld is;
3° begunstigde van een leefloon:
a) een persoon die op het ogenblik van de indienstneming gerechtigd is op een leefloon zoals bedoeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
b) een persoon die op het ogenblik van de indienstneming gerechtigd is op het equivalent van leefloon toegekend in het kader van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun, verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
c) een persoon die in de zes maanden voorafgaand aan de maand van indienstneming gedurende minstens drie maanden gerechtigd was op een leefloon als bedoeld in de voornoemde wet van 26 mei 2002 of een equivalent leefloon als bedoeld in de voornoemde wet van 2 april 1965.
§ 3. De werknemers die in de maand, gerekend van dag tot dag, voorafgaand aan de dag van hun indienstneming tewerkgesteld waren als werknemer met een arbeidsovereenkomst dienstencheques bij een andere erkende onderneming worden, binnen het kader van dit artikel, niet beschouwd als nieuw aangeworven werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques.
§ 4. Als het aantal arbeidsovereenkomsten dienstencheques die de erkende onderneming overeenkomstig de eerste paragraaf moet toekennen aan niet-werkende of deeltijds werkende werkzoekenden een cijfer na de komma bevat, wordt dit aantal tot de dichtstbijzijnde eenheid afgerond, waarbij 0,5 naar boven wordt afgerond.
§ 5. De vestigingseenheid van de erkende onderneming waar de werknemer werkt of waaraan hij/zij is verbonden, moet in het bezit zijn van een attest van de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling waaruit blijkt dat de nieuw aangeworven werknemer voldoet aan de voorwaarde bedoeld in paragraaf 1. De attesten [2 van het lopende jaar worden uiterlijk op 15 februari van het volgende jaar verkregen en]2 worden bewaard door de vestigingseenheid waar de werknemer werkt of waaraan hij/zij is verbonden.
[2 ...]2
§ 6. Het bestuur kan de vestigingseenheid van de erkende onderneming gelegen in zijn ambtsgebied voor een jaar, gedeeltelijk of geheel vrijstellen voor een contingent werknemers waarvoor ze hierom op gemotiveerde wijze verzoekt, als het bestuur na raadpleging van Actiris oordeelt dat er zowel op kwalitatief als op kwantitatief vlak onvoldoende niet-werkende of deeltijds werkende werkzoekenden als bedoeld in paragraaf 1 zijn met het vereiste profiel om de tewerkstelling bij de vestigingseenheid van de erkende onderneming in te vullen, daarbij rekening houdend met de toepassing van de regels van de passende dienstbetrekking als bepaald in artikel 51, paragraaf 2, 1° van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.]1
Art. 2bis _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 § 1er. Par année, soixante pour cent des travailleurs nouvellement engagés avec un contrat de travail titres-services pour chaque unité d'établissement de l'entreprise agréée doivent être des demandeurs d'emploi inoccupés ou occupés à temps partiel ou des bénéficiaires du revenu d'intégration.
[3 Ce contrat de travail doit être conclu pour une durée indéterminée.]3
§ 2. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° demandeur d'emploi inoccupé : la personne inscrite en qualité de demandeur d'emploi inoccupé auprès d'un office public régional de l'emploi compétent en Belgique;
2° demandeur d'emploi occupé à temps partiel : la personne sous contrat de travail à temps partiel, inscrite en qualité de demandeur d'emploi inoccupé ou occupé à temps partiel auprès d'un office public régional de l'emploi compétent en Belgique pour le temps partiel où elle est inoccupée;
3° bénéficiaire d'un revenu d'intégration :
a) la personne qui, au moment de l'engagement, a droit au revenu d'intégration sociale visé dans la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
b) la personne qui, au moment de l'engagement, a droit à l'équivalent du revenu d'intégration accordé dans le cadre de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale;
c) la personne qui a eu droit au revenu d'intégration visé par la loi du 26 mai 2002 susmentionnée ou à l'équivalent du revenu d'intégration accordé dans le cadre de la loi du 2 avril 1965 susmentionnée pendant au moins trois mois au cours de la période des six mois qui précèdent le mois de l'engagement.
§ 3. Les travailleurs qui étaient employés comme travailleur avec un contrat de travail titres-services auprès d'une autre entreprise agréée dans le mois calculé de jour à jour qui précède le jour de leur engagement ne sont pas, dans le cadre de cet article, considérés comme travailleurs nouvellement engagés avec un contrat de travail titres-services.
§ 4. Lorsque le nombre de contrats de travail titres-services que l'entreprise agréée doit accorder aux demandeurs d'emploi inoccupés ou occupés à temps partiel conformément au paragraphe 1er, a une décimale après la virgule, ce nombre est arrondi à l'unité la plus proche, 0,5 étant arrondi à l'unité supérieure.
§ 5. L'unité d'établissement de l'entreprise agréée au sein de laquelle le travailleur est occupé ou à laquelle il est rattaché, est en possession d'une attestation de l'office régional de l'emploi compétent prouvant que le travailleur nouvellement engagé satisfait aux conditions visées au paragraphe 1er. Les attestations [2 de l'année en cours sont obtenues au plus tard pour le 15 février de l'année suivante et]2 sont conservées par l'unité d'établissement auprès de laquelle le travailleur est occupé ou à laquelle il est rattaché.
[2 ...]2
§ 6. L'administration peut dispenser l'unité d'établissement de l'entreprise agréée sise dans son ressort pour une année, partiellement ou dans sa totalité, pour un contingent de travailleurs pour lequel elle fait une demande motivée, si elle estime, après consultation d'Actiris que, tant sur le plan qualitatif que quantitatif, il y a insuffisamment de demandeurs d'emploi inoccupés ou occupés à temps partiel, tels que visés au paragraphe 1er, avec le profil exigé pour remplir l'emploi auprès de l'unité d'établissement de l'entreprise agréée, en tenant compte de l'application des règles de l'emploi convenable, tel que défini à l'article 51, paragraphe 2, 1° de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage.]1
[1 § 1er. Par année, soixante pour cent des travailleurs nouvellement engagés avec un contrat de travail titres-services pour chaque unité d'établissement de l'entreprise agréée doivent être des demandeurs d'emploi inoccupés ou occupés à temps partiel ou des bénéficiaires du revenu d'intégration.
[3 Ce contrat de travail doit être conclu pour une durée indéterminée.]3
§ 2. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° demandeur d'emploi inoccupé : la personne inscrite en qualité de demandeur d'emploi inoccupé auprès d'un office public régional de l'emploi compétent en Belgique;
2° demandeur d'emploi occupé à temps partiel : la personne sous contrat de travail à temps partiel, inscrite en qualité de demandeur d'emploi inoccupé ou occupé à temps partiel auprès d'un office public régional de l'emploi compétent en Belgique pour le temps partiel où elle est inoccupée;
3° bénéficiaire d'un revenu d'intégration :
a) la personne qui, au moment de l'engagement, a droit au revenu d'intégration sociale visé dans la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
b) la personne qui, au moment de l'engagement, a droit à l'équivalent du revenu d'intégration accordé dans le cadre de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale;
c) la personne qui a eu droit au revenu d'intégration visé par la loi du 26 mai 2002 susmentionnée ou à l'équivalent du revenu d'intégration accordé dans le cadre de la loi du 2 avril 1965 susmentionnée pendant au moins trois mois au cours de la période des six mois qui précèdent le mois de l'engagement.
§ 3. Les travailleurs qui étaient employés comme travailleur avec un contrat de travail titres-services auprès d'une autre entreprise agréée dans le mois calculé de jour à jour qui précède le jour de leur engagement ne sont pas, dans le cadre de cet article, considérés comme travailleurs nouvellement engagés avec un contrat de travail titres-services.
§ 4. Lorsque le nombre de contrats de travail titres-services que l'entreprise agréée doit accorder aux demandeurs d'emploi inoccupés ou occupés à temps partiel conformément au paragraphe 1er, a une décimale après la virgule, ce nombre est arrondi à l'unité la plus proche, 0,5 étant arrondi à l'unité supérieure.
§ 5. L'unité d'établissement de l'entreprise agréée au sein de laquelle le travailleur est occupé ou à laquelle il est rattaché, est en possession d'une attestation de l'office régional de l'emploi compétent prouvant que le travailleur nouvellement engagé satisfait aux conditions visées au paragraphe 1er. Les attestations [2 de l'année en cours sont obtenues au plus tard pour le 15 février de l'année suivante et]2 sont conservées par l'unité d'établissement auprès de laquelle le travailleur est occupé ou à laquelle il est rattaché.
[2 ...]2
§ 6. L'administration peut dispenser l'unité d'établissement de l'entreprise agréée sise dans son ressort pour une année, partiellement ou dans sa totalité, pour un contingent de travailleurs pour lequel elle fait une demande motivée, si elle estime, après consultation d'Actiris que, tant sur le plan qualitatif que quantitatif, il y a insuffisamment de demandeurs d'emploi inoccupés ou occupés à temps partiel, tels que visés au paragraphe 1er, avec le profil exigé pour remplir l'emploi auprès de l'unité d'établissement de l'entreprise agréée, en tenant compte de l'application des règles de l'emploi convenable, tel que défini à l'article 51, paragraphe 2, 1° de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage.]1
Art. 2bis/1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 § 1. Voor de toepassing van artikel 2, § 2, eerste lid, o., van de wet wordt de gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van de onderneming berekend op basis van het gemiddelde van elk kwartaal van het jaar waarin de werknemer is tewerkgesteld.
§ 2. De conventionele arbeidsduur omvat de perioden van opschorting van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst dienstencheques. Deze duur omvat noch de bijkomende uren, noch de uren die zijn gewerkt bij de uitvoering van een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur die is gesloten om het aantal te presteren uren in het kader van een deeltijdse arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur te wijzigen, noch de uren die zijn gewerkt bij de uitvoering van een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur.
Voor de toepassing van artikel 2, § 2, eerste lid, o., van de wet worden werknemers voor wie de uitvoering van de arbeidsovereenkomst gedurende ten minste honderd kalenderdagen is opgeschort wegens arbeidsongeschiktheid tijdens het jaar, niet in aanmerking genomen.
§ 3. Teneinde de toepassing van artikel 2, § 2, eerste lid, o. van de wet te kunnen controleren, stelt de erkende onderneming elk jaar in de maand februari een overzicht op van de gemiddelde arbeidsduur bedoeld in § 1 voor elk van de kwartalen van het voorgaande jaar. Dit overzicht bevat de lijst van de werknemers die met een arbeidsovereenkomst dienstencheques van onbepaalde duur zijn tewerkgesteld met vermelding van hun naam, voornaam en identificatienummer in het Rijksregister bedoeld in artikel 2, § 3, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen of, bij ontstentenis daarvan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, bedoeld in artikel 8, § 1, 2°, van de wet van 15 januari 1990 betreffende de oprichting en de organisatie van een Rijksregister van natuurlijke personen, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, bedoeld in artikel 8, § 1, 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, alsmede het aantal in aanmerking komende uren, in de zin van § 2, dat op basis van een arbeidsovereenkomst dienstencheques van onbepaalde duur per kwartaal is gepresteerd.
Dit overzicht wordt gedurende twee jaar vanaf de datum van opstelling bewaard op de maatschappelijke zetel van de erkende onderneming, zodat zij door de administratie kan worden gecontroleerd.]1
§ 2. De conventionele arbeidsduur omvat de perioden van opschorting van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst dienstencheques. Deze duur omvat noch de bijkomende uren, noch de uren die zijn gewerkt bij de uitvoering van een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur die is gesloten om het aantal te presteren uren in het kader van een deeltijdse arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur te wijzigen, noch de uren die zijn gewerkt bij de uitvoering van een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur.
Voor de toepassing van artikel 2, § 2, eerste lid, o., van de wet worden werknemers voor wie de uitvoering van de arbeidsovereenkomst gedurende ten minste honderd kalenderdagen is opgeschort wegens arbeidsongeschiktheid tijdens het jaar, niet in aanmerking genomen.
§ 3. Teneinde de toepassing van artikel 2, § 2, eerste lid, o. van de wet te kunnen controleren, stelt de erkende onderneming elk jaar in de maand februari een overzicht op van de gemiddelde arbeidsduur bedoeld in § 1 voor elk van de kwartalen van het voorgaande jaar. Dit overzicht bevat de lijst van de werknemers die met een arbeidsovereenkomst dienstencheques van onbepaalde duur zijn tewerkgesteld met vermelding van hun naam, voornaam en identificatienummer in het Rijksregister bedoeld in artikel 2, § 3, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen of, bij ontstentenis daarvan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, bedoeld in artikel 8, § 1, 2°, van de wet van 15 januari 1990 betreffende de oprichting en de organisatie van een Rijksregister van natuurlijke personen, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, bedoeld in artikel 8, § 1, 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, alsmede het aantal in aanmerking komende uren, in de zin van § 2, dat op basis van een arbeidsovereenkomst dienstencheques van onbepaalde duur per kwartaal is gepresteerd.
Dit overzicht wordt gedurende twee jaar vanaf de datum van opstelling bewaard op de maatschappelijke zetel van de erkende onderneming, zodat zij door de administratie kan worden gecontroleerd.]1
Art. 2bis/1 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE. [1 § 1er. Pour l'application de l'article 2, § 2, alinéa 1er, o., de la loi, le temps de travail hebdomadaire moyen de l'entreprise est calculé sur la base de la moyenne de chaque trimestre de l'année pendant lequel le travailleur est occupé.
§ 2. La durée de travail conventionnelle comprend les périodes de suspension de l'exécution du contrat de travail titres-services. Cette durée ne comprend ni les heures complémentaires, ni les heures effectuées en application d'un contrat à durée déterminée conclu aux fins de modifier le nombre d'heures à prester dans le cadre d'un contrat de travail à durée indéterminée et à temps partiel, ni les heures effectuées en application d'un contrat de travail à durée déterminée.
Pour l'application de l'article 2, § 2, alinéa 1er, o., de la loi, les travailleurs pour lesquels l'exécution du contrat de travail est suspendue pendant au moins cent jours calendriers en raison d'une incapacité de travail de l'année ne sont pas pris en compte.
§ 3. Afin de permettre le contrôle de l'application de l'article 2, § 2, alinéa 1er, o., de la loi, chaque année, au cours du mois de février, l'entreprise agréée réalise un relevé de la moyenne de la durée de travail visée au § 1er pour chacun des trimestres de l'année précédente. Ce relevé comprend la liste des travailleurs engagés sous contrat de travail titres-services à durée indéterminée reprenant leur nom, prénom et numéro d'identification du Registre nationale visé par l'article 2, § 3, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques ou, à défaut, au numéro d'identification de la Banque carrefour de la sécurité sociale, tel que visé à l'article 8, § 1er, 2°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ainsi que le nombre d'heures valorisables, au sens du § 2 prestées pour chaque trimestre sur la base d'un contrat de travail titres-services à durée indéterminée.
Ce relevé est conservé, pour une durée de deux ans à partir de sa réalisation, au siège d'exploitation de l'entreprise agréée afin d'en permettre le contrôle par l'administration.]1
§ 2. La durée de travail conventionnelle comprend les périodes de suspension de l'exécution du contrat de travail titres-services. Cette durée ne comprend ni les heures complémentaires, ni les heures effectuées en application d'un contrat à durée déterminée conclu aux fins de modifier le nombre d'heures à prester dans le cadre d'un contrat de travail à durée indéterminée et à temps partiel, ni les heures effectuées en application d'un contrat de travail à durée déterminée.
Pour l'application de l'article 2, § 2, alinéa 1er, o., de la loi, les travailleurs pour lesquels l'exécution du contrat de travail est suspendue pendant au moins cent jours calendriers en raison d'une incapacité de travail de l'année ne sont pas pris en compte.
§ 3. Afin de permettre le contrôle de l'application de l'article 2, § 2, alinéa 1er, o., de la loi, chaque année, au cours du mois de février, l'entreprise agréée réalise un relevé de la moyenne de la durée de travail visée au § 1er pour chacun des trimestres de l'année précédente. Ce relevé comprend la liste des travailleurs engagés sous contrat de travail titres-services à durée indéterminée reprenant leur nom, prénom et numéro d'identification du Registre nationale visé par l'article 2, § 3, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques ou, à défaut, au numéro d'identification de la Banque carrefour de la sécurité sociale, tel que visé à l'article 8, § 1er, 2°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ainsi que le nombre d'heures valorisables, au sens du § 2 prestées pour chaque trimestre sur la base d'un contrat de travail titres-services à durée indéterminée.
Ce relevé est conservé, pour une durée de deux ans à partir de sa réalisation, au siège d'exploitation de l'entreprise agréée afin d'en permettre le contrôle par l'administration.]1
Art. 2bis/1_WAALS_GEWEST. [1 § 1. Voor de toepassing van artikel 2, § 2, eerste lid, k., van de wet wordt de gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van de onderneming berekend op basis van het gemiddelde van elk kwartaal van het jaar waarin de werknemer is tewerkgesteld.
De hoogste wekelijkse arbeidstijd in elk betrokken kwartaal wordt in aanmerking genomen.
§ 1. De contractuele arbeidsduur omvat de perioden van opschorting van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst voor dienstencheques en niet de overuren of de uren die zijn gewerkt ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur die is gesloten om het aantal te werken uren uit hoofde van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur en deeltijds te wijzigen.
Voor de toepassing van artikel 2, § 2, eerste lid, k., van de wet worden werknemers van wie de arbeidsovereenkomst gedurende ten minste 100 kalenderdagen is geschorst wegens arbeidsongeschiktheid tijdens het jaar, niet in aanmerking genomen.
§ 3 Teneinde de toepassing van artikel 2, § 2, eerste lid, k. van de wet te kunnen controleren, zendt de betrokken erkende onderneming jaarlijks in de maand februari aan de Administratie een opgave van de gemiddelde arbeidsduur bedoeld in § 1 voor elk van de kwartalen van het voorgaande jaar. Deze opgave bevat de lijst van de werknemers die met een arbeidsovereenkomst voor dienstencheques zijn tewerkgesteld met hun naam, voornaam en identificatienummer in het Rijksregister bedoeld in artikel 2, § 3, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen of, bij ontstentenis daarvan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, zoals bedoeld in artikel 8, § 1, 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, alsmede het aantal in aanmerking komende uren, in de zin van § 2, dat elk kwartaal is gepresteerd.
Indien de erkende onderneming gebruik maakt van een erkend sociaal secretariaat, certificeert dit de in lid 1 bedoelde opgave.
De administratie bewaart de in lid 1 bedoelde gegevens niet langer dan nodig is voor controledoeleinden, met inbegrip van het beheer van eventuele daarmee verband houdende geschillen, met een maximale bewaringstermijn die niet langer mag zijn dan 31 december van het jaar waarin de verjaringstermijn van de acties en, in voorkomend geval, de volledige betaling van alle daarmee verband houdende bedragen, alsmede de definitieve beëindiging van de desbetreffende administratieve en gerechtelijke procedures en beroepen, hebben plaatsgevonden.]1
De hoogste wekelijkse arbeidstijd in elk betrokken kwartaal wordt in aanmerking genomen.
§ 1. De contractuele arbeidsduur omvat de perioden van opschorting van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst voor dienstencheques en niet de overuren of de uren die zijn gewerkt ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur die is gesloten om het aantal te werken uren uit hoofde van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur en deeltijds te wijzigen.
Voor de toepassing van artikel 2, § 2, eerste lid, k., van de wet worden werknemers van wie de arbeidsovereenkomst gedurende ten minste 100 kalenderdagen is geschorst wegens arbeidsongeschiktheid tijdens het jaar, niet in aanmerking genomen.
§ 3 Teneinde de toepassing van artikel 2, § 2, eerste lid, k. van de wet te kunnen controleren, zendt de betrokken erkende onderneming jaarlijks in de maand februari aan de Administratie een opgave van de gemiddelde arbeidsduur bedoeld in § 1 voor elk van de kwartalen van het voorgaande jaar. Deze opgave bevat de lijst van de werknemers die met een arbeidsovereenkomst voor dienstencheques zijn tewerkgesteld met hun naam, voornaam en identificatienummer in het Rijksregister bedoeld in artikel 2, § 3, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen of, bij ontstentenis daarvan, het identificatienummer van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, zoals bedoeld in artikel 8, § 1, 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, alsmede het aantal in aanmerking komende uren, in de zin van § 2, dat elk kwartaal is gepresteerd.
Indien de erkende onderneming gebruik maakt van een erkend sociaal secretariaat, certificeert dit de in lid 1 bedoelde opgave.
De administratie bewaart de in lid 1 bedoelde gegevens niet langer dan nodig is voor controledoeleinden, met inbegrip van het beheer van eventuele daarmee verband houdende geschillen, met een maximale bewaringstermijn die niet langer mag zijn dan 31 december van het jaar waarin de verjaringstermijn van de acties en, in voorkomend geval, de volledige betaling van alle daarmee verband houdende bedragen, alsmede de definitieve beëindiging van de desbetreffende administratieve en gerechtelijke procedures en beroepen, hebben plaatsgevonden.]1
Art. 2bis/1 _REGION_WALLONNE.[1 § 1er. Pour l'application de l'article 2, § 2, alinéa 1er, k., de la loi, le temps de travail hebdomadaire moyen de l'entreprise est calculé sur base de la moyenne de chaque trimestre de l'année pendant lequel le travailleur est occupé.
Il est tenu compte du temps de travail hebdomadaire le plus élevé au cours de chaque trimestre concerné.
§ 2. La durée de travail conventionnelle comprend les périodes de suspension de l'exécution du contrat de travail titres-services et ne comprend pas les heures complémentaires ni les heures effectuées en application d'un contrat de travail à durée déterminée conclu aux fins de modifier le nombre d'heures à prester dans le cadre d'un contrat de travail à durée indéterminée et à temps partiel.
Pour l'application de l'article 2, § 2, alinéa 1er, k., de la loi, les travailleurs pour lesquels l'exécution du contrat de travail est suspendue pendant au moins cent jours calendriers en raison d'une incapacité de travail de l'année ne sont pas pris en compte.
§ 3. Afin de permettre le contrôle de l'application de l'article 2, § 2, alinéa 1er, k., de la loi, chaque année, au cours du mois de février, l'entreprise agréée concernée envoie à l'Administration un relevé de la moyenne de la durée de travail visée au § 1er pour chacun des trimestres de l'année précédente. Ce relevé comprend la liste des travailleurs engagés sous contrat de travail titres-services reprenant leur nom, prénom et numéro d'identification du Registre nationale visé par l'article 2, § 3, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques ou, à défaut, au numéro d'identification de la Banque carrefour de la sécurité sociale, tel que visé à l'article 8, § 1er, 2°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ainsi que le nombre d'heures valorisables, au sens du § 2 prestées par chaque trimestre.
Si l'entreprise agréée a recours à un secrétariat social agréé, celui-ci certifie le relevé visé à l'alinéa 1er.
L'Administration ne conserve pas les données visées à l'alinéa 1er plus longtemps que nécessaire au regard de l'objectif de contrôle, en ce compris la gestion des éventuels contentieux y relatifs, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder le 31 décembre de l'année au cours de laquelle sont intervenus la prescription des actions et, le cas échéant, le paiement intégral de tous les montants y liés, ainsi que la cessation définitive des procédures et des recours administratifs et judiciaires y liés.]1
Il est tenu compte du temps de travail hebdomadaire le plus élevé au cours de chaque trimestre concerné.
§ 2. La durée de travail conventionnelle comprend les périodes de suspension de l'exécution du contrat de travail titres-services et ne comprend pas les heures complémentaires ni les heures effectuées en application d'un contrat de travail à durée déterminée conclu aux fins de modifier le nombre d'heures à prester dans le cadre d'un contrat de travail à durée indéterminée et à temps partiel.
Pour l'application de l'article 2, § 2, alinéa 1er, k., de la loi, les travailleurs pour lesquels l'exécution du contrat de travail est suspendue pendant au moins cent jours calendriers en raison d'une incapacité de travail de l'année ne sont pas pris en compte.
§ 3. Afin de permettre le contrôle de l'application de l'article 2, § 2, alinéa 1er, k., de la loi, chaque année, au cours du mois de février, l'entreprise agréée concernée envoie à l'Administration un relevé de la moyenne de la durée de travail visée au § 1er pour chacun des trimestres de l'année précédente. Ce relevé comprend la liste des travailleurs engagés sous contrat de travail titres-services reprenant leur nom, prénom et numéro d'identification du Registre nationale visé par l'article 2, § 3, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques ou, à défaut, au numéro d'identification de la Banque carrefour de la sécurité sociale, tel que visé à l'article 8, § 1er, 2°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale ainsi que le nombre d'heures valorisables, au sens du § 2 prestées par chaque trimestre.
Si l'entreprise agréée a recours à un secrétariat social agréé, celui-ci certifie le relevé visé à l'alinéa 1er.
L'Administration ne conserve pas les données visées à l'alinéa 1er plus longtemps que nécessaire au regard de l'objectif de contrôle, en ce compris la gestion des éventuels contentieux y relatifs, avec une durée maximale de conservation ne pouvant excéder le 31 décembre de l'année au cours de laquelle sont intervenus la prescription des actions et, le cas échéant, le paiement intégral de tous les montants y liés, ainsi que la cessation définitive des procédures et des recours administratifs et judiciaires y liés.]1
Wijzigingen
Art. 2bis/2_WAALS_GEWEST. [1 § 1. De erkende onderneming biedt negen uur opleiding per jaar aan elke voltijds equivalente werknemer in dienst met een arbeidsovereenkomst dienstencheques en die werkzaam is in een vestigingseenheid in het Waals Gewest.
In afwijking van lid 1 wordt, wanneer de werknemer geen 38-urige werkweek heeft, het minimumaantal uren opleiding voor een deeltijds werkende werknemer berekend naar evenredigheid van zijn deeltijdse arbeid. Wanneer het resultaat een decimaal heeft, wordt afgerond op het volgende hele uur. Het resultaat mag niet minder dan vier uur opleiding zijn.
Wanneer het werkregime in de loop van het jaar verandert, wordt het minimumaantal opleidingsuren berekend met inachtneming van het hoogste werkregime.
§ 2. Om in aanmerking te komen moet de opleiding aan ten minste één van de volgende voorwaarden voldoen:
1° worden goedgekeurd in het kader van het opleidingsfonds dienstencheques;
2° worden ondersteund door een sectoraal opleidingsfonds;
3° worden betaald door middel van opleidingscheques;
4° worden ondersteund in het kader van het aanpassingskrediet;
5° recht geven op betaald educatief verlof.
§ 3 Het opleidingsuur wordt geacht te zijn aangeboden wanneer een geval van overmacht, dat niet te wijten is aan de schuld van de erkende onderneming, de werknemer verhindert deel te nemen aan een opleiding die eerder door de onderneming voor hem werd georganiseerd.
De afwezigheid van de werknemer bij de opleiding wegens arbeidsongeschiktheid of verlof om dwingende redenen kan als overmacht worden beschouwd.
De negen opleidingsuren worden geacht te zijn aangeboden wanneer de uitvoering van de arbeidsovereenkomst van de werknemer gedurende meer dan 100 kalenderdagen in het jaar wordt opgeschort.
§ 4 In afwijking van § 1, eerste lid, wordt de werknemer niet in aanmerking genomen indien hij in het laatste kwartaal van het jaar op basis van een arbeidsovereenkomst voor dienstencheques wordt tewerkgesteld.
§ 5. De erkende onderneming organiseert de registratie van de aangeboden opleidingen voor elke werknemer die met een arbeidsovereenkomst voor dienstencheques in dienst is genomen, zodanig dat precies kan worden nagegaan hoeveel uren opleiding zijn gegeven en welk soort opleiding. De bewijsstukken zijn bij dit document gevoegd.
Deze gegevens worden bewaard in de eenheid van de vestiging waar de werknemer werkzaam is.
Het erkende bedrijf bewaart de opleidingsgegevens 10 jaar lang. Aan het einde van deze periode wordt de opname vernietigd.]1
In afwijking van lid 1 wordt, wanneer de werknemer geen 38-urige werkweek heeft, het minimumaantal uren opleiding voor een deeltijds werkende werknemer berekend naar evenredigheid van zijn deeltijdse arbeid. Wanneer het resultaat een decimaal heeft, wordt afgerond op het volgende hele uur. Het resultaat mag niet minder dan vier uur opleiding zijn.
Wanneer het werkregime in de loop van het jaar verandert, wordt het minimumaantal opleidingsuren berekend met inachtneming van het hoogste werkregime.
§ 2. Om in aanmerking te komen moet de opleiding aan ten minste één van de volgende voorwaarden voldoen:
1° worden goedgekeurd in het kader van het opleidingsfonds dienstencheques;
2° worden ondersteund door een sectoraal opleidingsfonds;
3° worden betaald door middel van opleidingscheques;
4° worden ondersteund in het kader van het aanpassingskrediet;
5° recht geven op betaald educatief verlof.
§ 3 Het opleidingsuur wordt geacht te zijn aangeboden wanneer een geval van overmacht, dat niet te wijten is aan de schuld van de erkende onderneming, de werknemer verhindert deel te nemen aan een opleiding die eerder door de onderneming voor hem werd georganiseerd.
De afwezigheid van de werknemer bij de opleiding wegens arbeidsongeschiktheid of verlof om dwingende redenen kan als overmacht worden beschouwd.
De negen opleidingsuren worden geacht te zijn aangeboden wanneer de uitvoering van de arbeidsovereenkomst van de werknemer gedurende meer dan 100 kalenderdagen in het jaar wordt opgeschort.
§ 4 In afwijking van § 1, eerste lid, wordt de werknemer niet in aanmerking genomen indien hij in het laatste kwartaal van het jaar op basis van een arbeidsovereenkomst voor dienstencheques wordt tewerkgesteld.
§ 5. De erkende onderneming organiseert de registratie van de aangeboden opleidingen voor elke werknemer die met een arbeidsovereenkomst voor dienstencheques in dienst is genomen, zodanig dat precies kan worden nagegaan hoeveel uren opleiding zijn gegeven en welk soort opleiding. De bewijsstukken zijn bij dit document gevoegd.
Deze gegevens worden bewaard in de eenheid van de vestiging waar de werknemer werkzaam is.
Het erkende bedrijf bewaart de opleidingsgegevens 10 jaar lang. Aan het einde van deze periode wordt de opname vernietigd.]1
Art. 2bis/2 _REGION_WALLONNE.[1 § 1er. Chaque année, l'entreprise agréée offre neuf heures de formation à chaque travailleur engagé dans le cadre d'un contrat de travail titres-services et occupé dans une unité d'établissement située en Région wallonne.
Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque le travailleur n'est pas engagé dans un régime de 38 heures de temps de travail hebdomadaire, le minimum d'heures de formation du travailleur engagé à temps partiel est calculé au prorata du régime à temps partiel de ce travailleur. Lorsque le résultat comporte une décimale, l'arrondi se fait à l'heure complète supérieure. Le résultat ne peut pas être inférieur à quatre heures de formation.
Lorsque le régime de travail évolue au cours de l'année, le nombre d'heures de formation minimum est calculé en tenant compte du régime de travail le plus haut.
§ 2. Pour être prise en compte, la formation remplit au moins une des conditions suivantes :
1° être approuvée dans le cadre du Fonds de formation des titres-services ;
2° être supportée par un fonds sectoriel de formation ;
3° être rétribuée par le biais de chèques-formation ;
4° être supportée dans le cadre du crédit-adaptation ;
5° donner droit au congé-éducation payé.
§ 3. L'heure de formation est réputée offerte lorsqu'un cas de force majeure, qui n'est pas dû à la faute de l'entreprise agréée, empêche le travailleur de participer à une formation préalablement organisée pour lui par l'entreprise.
Peut être considéré comme cas de force majeure l'absence du travailleur à la formation due à une incapacité de travail ou à un congé pour raisons impérieuses.
Les neuf heures de formation sont réputées offertes lorsque l'exécution du contrat de travail du travailleur est suspendue pour une durée supérieure à cent jours calendrier sur l'année.
§ 4. Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, lorsque le travailleur est engagé dans le cadre d'un contrat de travail titres-services au cours du dernier trimestre de l'année, le travailleur n'est pas pris en compte.
§ 5. L'entreprise agréée organise l'enregistrement des formations offertes pour chaque travailleur engagé dans le cadre d'un contrat de travail titres-services de manière telle que l'on puisse vérifier exactement, pour chaque travailleur, le nombre d'heures de formation dispensées et le type de formation. Les pièces justificatives sont annexées à ce document.
Ce relevé est conservé dans l'unité d'établissement dans laquelle le travailleur est occupé.
L'entreprise agréée conserve l'enregistrement des formations pendant 10 ans. A l'issue de ce délai, elle détruit l'enregistrement.]1
Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque le travailleur n'est pas engagé dans un régime de 38 heures de temps de travail hebdomadaire, le minimum d'heures de formation du travailleur engagé à temps partiel est calculé au prorata du régime à temps partiel de ce travailleur. Lorsque le résultat comporte une décimale, l'arrondi se fait à l'heure complète supérieure. Le résultat ne peut pas être inférieur à quatre heures de formation.
Lorsque le régime de travail évolue au cours de l'année, le nombre d'heures de formation minimum est calculé en tenant compte du régime de travail le plus haut.
§ 2. Pour être prise en compte, la formation remplit au moins une des conditions suivantes :
1° être approuvée dans le cadre du Fonds de formation des titres-services ;
2° être supportée par un fonds sectoriel de formation ;
3° être rétribuée par le biais de chèques-formation ;
4° être supportée dans le cadre du crédit-adaptation ;
5° donner droit au congé-éducation payé.
§ 3. L'heure de formation est réputée offerte lorsqu'un cas de force majeure, qui n'est pas dû à la faute de l'entreprise agréée, empêche le travailleur de participer à une formation préalablement organisée pour lui par l'entreprise.
Peut être considéré comme cas de force majeure l'absence du travailleur à la formation due à une incapacité de travail ou à un congé pour raisons impérieuses.
Les neuf heures de formation sont réputées offertes lorsque l'exécution du contrat de travail du travailleur est suspendue pour une durée supérieure à cent jours calendrier sur l'année.
§ 4. Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, lorsque le travailleur est engagé dans le cadre d'un contrat de travail titres-services au cours du dernier trimestre de l'année, le travailleur n'est pas pris en compte.
§ 5. L'entreprise agréée organise l'enregistrement des formations offertes pour chaque travailleur engagé dans le cadre d'un contrat de travail titres-services de manière telle que l'on puisse vérifier exactement, pour chaque travailleur, le nombre d'heures de formation dispensées et le type de formation. Les pièces justificatives sont annexées à ce document.
Ce relevé est conservé dans l'unité d'établissement dans laquelle le travailleur est occupé.
L'entreprise agréée conserve l'enregistrement des formations pendant 10 ans. A l'issue de ce délai, elle détruit l'enregistrement.]1
Wijzigingen
Art. 2bis/2_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 § 1. De erkende onderneming biedt haar werknemers jaarlijks opleidingen aan, tot een minimum van 16 uur opleiding per voltijds equivalent dienstenchequewerknemer.
Wanneer de werknemer niet voltijds in dienst is genomen bij een erkende onderneming, worden de minimumopleidingsuren voor de deeltijdwerker berekend in verhouding met het deeltijdstelsel van die werknemer. Wanneer het resultaat een decimaal heeft, wordt afgerond op het volgende hele uur. Het resultaat mag niet minder dan vier opleidingsuren zijn.
§ 2. Om in aanmerking te komen moet de opleiding aan ten minste één van de volgende voorwaarden voldoen:
1° worden goedgekeurd in het kader van het Opleidingsfonds dienstencheques;
2° worden ondersteund door een sectoraal opleidingsfonds;
3° worden vergoed door middel van opleidingscheques;
4° recht geven op betaald educatief verlof;
5° ondersteund worden door een sectoraal duurzaamheidsfonds;
6° verstrekt worden door de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, al dan niet uitgedrukt in preventie-eenheden;
7° toegekend worden via het fonds voor beroepservaring;
8° georganiseerd worden in het kader van het onderwijs voor sociale promotie;
9° erkend worden door de andere gewestelijke dienstenchequefondsen;
10° recht geven op een erkenning van de bekwaamheidsbewijzen door een centrum voor de validering van vaardigheden erkend voor het beroep van huishoudhulp.
De in lid 1 bedoelde verplichting treedt in werking op 1 januari 2024.
§ 3. Als de werknemer door overmacht niet in staat is een opleiding te volgen die het bedrijf voor hem/haar gepland had, stelt de erkende onderneming hem/haar binnen drie maanden een nieuwe opleidingsplanning voor op basis van het beschikbare aanbod op het moment dat dit voorstel geformuleerd wordt.
Het uur opleiding wordt geacht gevolgd te zijn als het geformuleerde nieuwe voorstel niet aanvaard werd door de werknemer.
Onder overmacht kan worden verstaan de afwezigheid van de werknemer bij de opleiding wegens arbeidsongeschiktheid of verlof om dwingende redenen.
De 16 opleidingsuren worden geacht te zijn aangeboden wanneer de uitvoering van de arbeidsovereenkomst van de werknemer gedurende meer dan 180 kalenderdagen in het jaar is opgeschort.
§ 4. In afwijking van § 1, eerste lid, wordt de werknemer niet in aanmerking genomen indien hij in het laatste kwartaal van het jaar op basis van een arbeidsovereenkomst dienstencheques wordt tewerkgesteld.".
§ 5. De minister kan voorzien in de invoering van specifieke controleregels voor de verplichting opgelegd door dit artikel.]1
Wanneer de werknemer niet voltijds in dienst is genomen bij een erkende onderneming, worden de minimumopleidingsuren voor de deeltijdwerker berekend in verhouding met het deeltijdstelsel van die werknemer. Wanneer het resultaat een decimaal heeft, wordt afgerond op het volgende hele uur. Het resultaat mag niet minder dan vier opleidingsuren zijn.
§ 2. Om in aanmerking te komen moet de opleiding aan ten minste één van de volgende voorwaarden voldoen:
1° worden goedgekeurd in het kader van het Opleidingsfonds dienstencheques;
2° worden ondersteund door een sectoraal opleidingsfonds;
3° worden vergoed door middel van opleidingscheques;
4° recht geven op betaald educatief verlof;
5° ondersteund worden door een sectoraal duurzaamheidsfonds;
6° verstrekt worden door de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, al dan niet uitgedrukt in preventie-eenheden;
7° toegekend worden via het fonds voor beroepservaring;
8° georganiseerd worden in het kader van het onderwijs voor sociale promotie;
9° erkend worden door de andere gewestelijke dienstenchequefondsen;
10° recht geven op een erkenning van de bekwaamheidsbewijzen door een centrum voor de validering van vaardigheden erkend voor het beroep van huishoudhulp.
De in lid 1 bedoelde verplichting treedt in werking op 1 januari 2024.
§ 3. Als de werknemer door overmacht niet in staat is een opleiding te volgen die het bedrijf voor hem/haar gepland had, stelt de erkende onderneming hem/haar binnen drie maanden een nieuwe opleidingsplanning voor op basis van het beschikbare aanbod op het moment dat dit voorstel geformuleerd wordt.
Het uur opleiding wordt geacht gevolgd te zijn als het geformuleerde nieuwe voorstel niet aanvaard werd door de werknemer.
Onder overmacht kan worden verstaan de afwezigheid van de werknemer bij de opleiding wegens arbeidsongeschiktheid of verlof om dwingende redenen.
De 16 opleidingsuren worden geacht te zijn aangeboden wanneer de uitvoering van de arbeidsovereenkomst van de werknemer gedurende meer dan 180 kalenderdagen in het jaar is opgeschort.
§ 4. In afwijking van § 1, eerste lid, wordt de werknemer niet in aanmerking genomen indien hij in het laatste kwartaal van het jaar op basis van een arbeidsovereenkomst dienstencheques wordt tewerkgesteld.".
§ 5. De minister kan voorzien in de invoering van specifieke controleregels voor de verplichting opgelegd door dit artikel.]1
Art. 2bis/2 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE. [1 § 1er. Chaque année, l'entreprise agréée offre à ses travailleurs des formations, à concurrence d'un minimum de 16 heures de formation par travailleur titres-services équivalent temps plein.
Lorsque le travailleur n'est pas engagé dans un régime à temps plein dans l'entreprise agréée, le minimum d'heures de formation du travailleur engagé à temps partiel est calculé au prorata du régime à temps partiel de ce travailleur. Lorsque le résultat comporte une décimale, l'arrondi se fait à l'heure complète supérieure. Le résultat ne peut pas être inférieur à quatre heures de formation.
§ 2. Pour être prise en compte, la formation remplit au moins l'une des conditions suivantes :
1° être approuvée dans le cadre du Fonds de formation des titres-services ;
2° être supportée par un fonds sectoriel de formation ;
3° être rétribuée par le biais de chèques-formation ;
4° donner droit au congé-éducation payé ;
5° être supportée par un fonds sectoriel de soutenabilité ;
6° être assurée par les services externes de prévention et de protection au travail, exprimés ou non en unité de prévention ;
7° être octroyée via le fonds de l'expérience professionnelle ;
8° être organisé dans le cadre de l'enseignement de promotion sociale ;
9° être agréée par les autres fonds régionaux de titres-services ;
10° donner droit à une reconnaissance des titres de compétences par un Centre de validation des compétences agréé pour le métier d'aide-ménagère.
L'obligation visée à l'alinéa 1er entre en vigueur le 1er janvier 2024.
§ 3. Dans le cas où le travailleur n'est pas en mesure d'assister pour cause de force majeure à une formation préalablement organisée pour lui par l'entreprise, l'entreprise agréée lui propose, au plus tard dans les trois mois, un nouvel horaire de formation au regard de l'offre disponible au moment de cette proposition.
L'heure de formation est réputée suivie dans le cas où la nouvelle proposition formulée n'a pas été accepté par le travailleur.
Peut être considéré comme cas de force majeure l'absence du travailleur à la formation due à une incapacité de travail ou à un congé pour raisons impérieuses.
Les 16 heures de formation sont réputées offertes lorsque l'exécution du contrat de travail du travailleur est suspendue pour une durée supérieure à 180 jours calendrier sur l'année.
§ 4. Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, lorsque le travailleur est engagé dans le cadre d'un contrat de travail titres-services au cours du dernier trimestre de l'année, le travailleur n'est pas pris en compte.
§ 5. Le Ministre peut prévoir l'instauration de modalités de contrôles particulières de l'obligation instaurée par le présent article.]1
Lorsque le travailleur n'est pas engagé dans un régime à temps plein dans l'entreprise agréée, le minimum d'heures de formation du travailleur engagé à temps partiel est calculé au prorata du régime à temps partiel de ce travailleur. Lorsque le résultat comporte une décimale, l'arrondi se fait à l'heure complète supérieure. Le résultat ne peut pas être inférieur à quatre heures de formation.
§ 2. Pour être prise en compte, la formation remplit au moins l'une des conditions suivantes :
1° être approuvée dans le cadre du Fonds de formation des titres-services ;
2° être supportée par un fonds sectoriel de formation ;
3° être rétribuée par le biais de chèques-formation ;
4° donner droit au congé-éducation payé ;
5° être supportée par un fonds sectoriel de soutenabilité ;
6° être assurée par les services externes de prévention et de protection au travail, exprimés ou non en unité de prévention ;
7° être octroyée via le fonds de l'expérience professionnelle ;
8° être organisé dans le cadre de l'enseignement de promotion sociale ;
9° être agréée par les autres fonds régionaux de titres-services ;
10° donner droit à une reconnaissance des titres de compétences par un Centre de validation des compétences agréé pour le métier d'aide-ménagère.
L'obligation visée à l'alinéa 1er entre en vigueur le 1er janvier 2024.
§ 3. Dans le cas où le travailleur n'est pas en mesure d'assister pour cause de force majeure à une formation préalablement organisée pour lui par l'entreprise, l'entreprise agréée lui propose, au plus tard dans les trois mois, un nouvel horaire de formation au regard de l'offre disponible au moment de cette proposition.
L'heure de formation est réputée suivie dans le cas où la nouvelle proposition formulée n'a pas été accepté par le travailleur.
Peut être considéré comme cas de force majeure l'absence du travailleur à la formation due à une incapacité de travail ou à un congé pour raisons impérieuses.
Les 16 heures de formation sont réputées offertes lorsque l'exécution du contrat de travail du travailleur est suspendue pour une durée supérieure à 180 jours calendrier sur l'année.
§ 4. Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, lorsque le travailleur est engagé dans le cadre d'un contrat de travail titres-services au cours du dernier trimestre de l'année, le travailleur n'est pas pris en compte.
§ 5. Le Ministre peut prévoir l'instauration de modalités de contrôles particulières de l'obligation instaurée par le présent article.]1
Art. 2bis/3_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De erkende onderneming biedt haar nieuwe werknemers die in de voorbije vier jaar niet als werknemer met een dienstenchequearbeidsovereenkomst zijn tewerkgesteld een verplicht opleidingstraject van minimaal negen uur aan.
Om de 9 uur opleiding te bereiken, komen de volgende opleidingen in aanmerking:
- die goedgekeurd werden in het kader van het Opleidingsfonds dienstencheques;
- die ondersteund worden door een sectoraal opleidingsfonds;
- die worden vergoed door middel van opleidingscheques.
De erkende onderneming schrijft de nieuwe werknemer uiterlijk zes maanden na de ondertekening van de dienstenchequearbeidsovereenkomst in voor het opleidingstraject.
De erkende onderneming bewaart gedurende vijf jaar het bewijs van de voltooiing van de opleiding door de nieuwe werknemer.]1
Om de 9 uur opleiding te bereiken, komen de volgende opleidingen in aanmerking:
- die goedgekeurd werden in het kader van het Opleidingsfonds dienstencheques;
- die ondersteund worden door een sectoraal opleidingsfonds;
- die worden vergoed door middel van opleidingscheques.
De erkende onderneming schrijft de nieuwe werknemer uiterlijk zes maanden na de ondertekening van de dienstenchequearbeidsovereenkomst in voor het opleidingstraject.
De erkende onderneming bewaart gedurende vijf jaar het bewijs van de voltooiing van de opleiding door de nieuwe werknemer.]1
Art. 2bis/3 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE. [1 L'entreprise agréée offre un parcours de formation obligatoire de minimum 9 heures à ses nouveaux travailleurs qui n'ont pas été employés comme travailleur avec un contrat de travail titres-services au cours des quatre années précédentes.
Pour atteindre les 9 heures de formations, entrent en ligne de compte les formations :
- qui ont été approuvées dans le cadre du Fonds de formation des titres-services ;
- qui sont supportées par un fonds sectoriel de formation ;
- qui sont rétribuées par le biais de chèques-formation.
L'entreprise agréée inscrit le nouveau travailleur au parcours de formation au plus tard six mois après la signature du contrat de travail titres-services.
L'entreprise agréée conserve la preuve de la réalisation du parcours de formation par le nouveau travailleur durant une période de cinq ans.]1
Pour atteindre les 9 heures de formations, entrent en ligne de compte les formations :
- qui ont été approuvées dans le cadre du Fonds de formation des titres-services ;
- qui sont supportées par un fonds sectoriel de formation ;
- qui sont rétribuées par le biais de chèques-formation.
L'entreprise agréée inscrit le nouveau travailleur au parcours de formation au plus tard six mois après la signature du contrat de travail titres-services.
L'entreprise agréée conserve la preuve de la réalisation du parcours de formation par le nouveau travailleur durant une période de cinq ans.]1
HOOFDSTUK IIbis. - Erkenning.
CHAPITRE IIbis. - Agrément.
Art. 2ter. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-09/33, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. Krachtens artikel 2, § 2, zesde lid van de wet, wordt bij het Hoofdbestuur van de RVA, Keizerslaan 7, 1000 Brussel, een adviescommissie erkenningen opgericht, hierna " de Commissie " genoemd, die advies moet verstrekken betreffende de toekenning [1 ...]1 of de intrekking van de erkenning van de ondernemingen bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 5°, van de wet.
§ 2. De Commissie is samengesteld als volgt :
1° een voorzitter als vertegenwoordiger van de Minister van Werk en een plaatsvervanger;
2° drie werkende leden en drie plaatsvervangende leden die zijn voorgedragen door de meest representatieve werknemersorganisaties;
3° drie werkende leden en drie plaatsvervangende leden die zijn voorgedragen door de meest representatieve werkgeversorganisaties;
4° een werkend lid en een plaatsvervangend lid als vertegenwoordiger van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
5° een werkend lid en een plaatsvervangend lid als vertegenwoordiger van de Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt - Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
[1 6° een deskundige van de Federale Overheidsdienst Financiën en een deskundige van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.]1
§ 3. De Minister van Werk, of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die hij aanduidt, benoemt de Commissieleden en waakt erover dat maximum twee derden van de leden van hetzelfde geslacht zijn.
Het mandaat van de leden geldt voor een hernieuwbare duur van vier jaar die een einde neemt :
1° in geval van ontslag;
2° wanneer de mandaterende instantie die een lid heeft voorgedragen om zijn vervanging verzoekt;
3° wanneer een lid niet langer de hoedanigheid heeft die zijn mandaat rechtvaardigde.
Het lid dat afstand doet van zijn mandaat vóór de geplande einddatum, wordt vervangen door zijn plaatsvervanger, die het mandaat voleindigt. In dat geval wordt een nieuw plaatsvervangend lid aangewezen.
§ 4. Om op geldige wijze een advies te kunnen uitbrengen moeten aanwezig zijn :
1° de voorzitter of zijn plaatsvervanger;
2° een lid dat de werknemers vertegenwoordigt of zijn plaatsvervanger;
3° een lid dat de werkgevers vertegenwoordigt of zijn plaatsvervanger;
4° een lid dat de RVA vertegenwoordigt of een lid dat de Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt vertegenwoordigt of hun plaatsvervanger.
§ 5. De RVA staat in voor het secretariaat van de Commissie.
§ 6. De Commissie bepaalt haar huishoudelijk reglement dat ter goedkeuring aan de Minister van Werk wordt voorgelegd.
§ 2. De Commissie is samengesteld als volgt :
1° een voorzitter als vertegenwoordiger van de Minister van Werk en een plaatsvervanger;
2° drie werkende leden en drie plaatsvervangende leden die zijn voorgedragen door de meest representatieve werknemersorganisaties;
3° drie werkende leden en drie plaatsvervangende leden die zijn voorgedragen door de meest representatieve werkgeversorganisaties;
4° een werkend lid en een plaatsvervangend lid als vertegenwoordiger van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
5° een werkend lid en een plaatsvervangend lid als vertegenwoordiger van de Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt - Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
[1 6° een deskundige van de Federale Overheidsdienst Financiën en een deskundige van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.]1
§ 3. De Minister van Werk, of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die hij aanduidt, benoemt de Commissieleden en waakt erover dat maximum twee derden van de leden van hetzelfde geslacht zijn.
Het mandaat van de leden geldt voor een hernieuwbare duur van vier jaar die een einde neemt :
1° in geval van ontslag;
2° wanneer de mandaterende instantie die een lid heeft voorgedragen om zijn vervanging verzoekt;
3° wanneer een lid niet langer de hoedanigheid heeft die zijn mandaat rechtvaardigde.
Het lid dat afstand doet van zijn mandaat vóór de geplande einddatum, wordt vervangen door zijn plaatsvervanger, die het mandaat voleindigt. In dat geval wordt een nieuw plaatsvervangend lid aangewezen.
§ 4. Om op geldige wijze een advies te kunnen uitbrengen moeten aanwezig zijn :
1° de voorzitter of zijn plaatsvervanger;
2° een lid dat de werknemers vertegenwoordigt of zijn plaatsvervanger;
3° een lid dat de werkgevers vertegenwoordigt of zijn plaatsvervanger;
4° een lid dat de RVA vertegenwoordigt of een lid dat de Algemene Directie Werkgelegenheid en Arbeidsmarkt vertegenwoordigt of hun plaatsvervanger.
§ 5. De RVA staat in voor het secretariaat van de Commissie.
§ 6. De Commissie bepaalt haar huishoudelijk reglement dat ter goedkeuring aan de Minister van Werk wordt voorgelegd.
Art. 2ter. § 1er. En vertu de l'article 2, § 2, alinéa 6, de la loi, il est institué auprès de l'Administration centrale de l'ONEm, Boulevard de l'Empereur 7, 1000 Bruxelles, une commission consultative d'agréments, ci-après dénommée " la Commission ", laquelle a pour mission de rendre des avis concernant l'octroi [1 ...]1 ou le retrait de l'agrément des entreprises visées à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, 5°, de la loi.
§ 2. La Commission est composée comme suit :
1° un président représentant le Ministre de l'Emploi et un suppléant;
2° trois membres effectifs et trois membres suppléants présentés par les organisations les plus représentatives des travailleurs;
3° trois membres effectifs et trois membres suppléants présentés par les organisations les plus représentatives des employeurs;
4° un membre effectif et un membre suppléant représentant l'Office National de l'Emploi;
5° un membre effectif et un membre suppléant représentant la Direction générale Emploi et marché du travail - Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
[1 6° un expert du Service public fédéral Finances et un expert de l'Office National de Sécurité sociale.]1
§ 3. Le Ministre de l'Emploi, ou le fonctionnaire du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale qu'il désigne, nomme les membres de la Commission, en veillant à ce que deux tiers au maximum de ses membres soient du même sexe.
Le mandat des membres couvre une durée renouvelable de quatre ans qui prend fin :
1° en cas de démission;
2° lorsque le mandant qui a proposé un membre demande son remplacement;
3° lorsqu'un membre perd la qualité qui justifiait son mandat.
Le membre qui cesse d'exercer son mandat avant la date normale d'expiration est remplacé par son suppléant qui achève le mandat. Dans ce cas, un nouveau suppléant est désigné.
§ 4. Doivent être présents pour pouvoir rendre un avis valablement :
1° le président ou son suppléant;
2° un membre représentant les travailleurs ou son suppléant;
3° un membre représentant les employeurs ou son suppléant;
4° un membre représentant l'ONEm ou un membre représentant la Direction générale Emploi et marché du travail ou leurs suppléants.
§ 5. Le secrétariat de la Commission est assuré par l'ONEm.
§ 6. La Commission arrête son règlement d'ordre intérieur qui est soumis à l'approbation du Ministre de l'Emploi.
§ 2. La Commission est composée comme suit :
1° un président représentant le Ministre de l'Emploi et un suppléant;
2° trois membres effectifs et trois membres suppléants présentés par les organisations les plus représentatives des travailleurs;
3° trois membres effectifs et trois membres suppléants présentés par les organisations les plus représentatives des employeurs;
4° un membre effectif et un membre suppléant représentant l'Office National de l'Emploi;
5° un membre effectif et un membre suppléant représentant la Direction générale Emploi et marché du travail - Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale.
[1 6° un expert du Service public fédéral Finances et un expert de l'Office National de Sécurité sociale.]1
§ 3. Le Ministre de l'Emploi, ou le fonctionnaire du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale qu'il désigne, nomme les membres de la Commission, en veillant à ce que deux tiers au maximum de ses membres soient du même sexe.
Le mandat des membres couvre une durée renouvelable de quatre ans qui prend fin :
1° en cas de démission;
2° lorsque le mandant qui a proposé un membre demande son remplacement;
3° lorsqu'un membre perd la qualité qui justifiait son mandat.
Le membre qui cesse d'exercer son mandat avant la date normale d'expiration est remplacé par son suppléant qui achève le mandat. Dans ce cas, un nouveau suppléant est désigné.
§ 4. Doivent être présents pour pouvoir rendre un avis valablement :
1° le président ou son suppléant;
2° un membre représentant les travailleurs ou son suppléant;
3° un membre représentant les employeurs ou son suppléant;
4° un membre représentant l'ONEm ou un membre représentant la Direction générale Emploi et marché du travail ou leurs suppléants.
§ 5. Le secrétariat de la Commission est assuré par l'ONEm.
§ 6. La Commission arrête son règlement d'ordre intérieur qui est soumis à l'approbation du Ministre de l'Emploi.
Wijzigingen
Art. 2ter_WAALS_GEWEST. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-09/33, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. Krachtens artikel 2, § 2, zesde lid van de wet, wordt [2 bij [3 de Conseil économique, social et environnemental de Wallonie" (Economische, sociaal en Milieuraad van Wallonië)]3]2, een adviescommissie erkenningen opgericht, hierna " de Commissie " genoemd, die advies moet verstrekken betreffende de toekenning [1 ...]1 of de intrekking van de erkenning van de ondernemingen bedoeld in artikel 2, § 1, eerste lid, 5°, van de wet.
§ 2. [2 De Commissie is samengesteld als volgt:
1° 4 gewone leden en 4 plaatsvervangende leden voorgedragen door de meest representatieve organisaties van de werknemers;
2° 4 gewone en 4 plaatsvervangende leden voorgedragen door de meest representatieve organisaties van de werkgevers, onder wie minstens een gewoon lid en een plaatsvervangend lid ter vertegenwoordiging van de sector van de sociale economie;
3° een gewoon lid en een plaatsvervangend lid die de "Forem" vertegenwoordigen;
4° een gewoon lid en een plaatsvervangend lid die de Administratie vertegenwoordigen.
Het voorzitterschap wordt door één van de leden bedoeld in 1° of 2° op de voordracht van [3 de Conseil économique, social et environnemental de Wallonie" (Economische, sociaal en Milieuraad van Wallonië)]3 waargenomen.
Alleen de leden bedoeld in de punten 1° tot 2° zijn stemgerechtigd.
De commissie kan een beroep doen op deskundigen en technici onder de voorwaarden bedoeld in het huishoudelijk reglement.]2
§ 3. De Minister van Werk, [2 ...]2 benoemt de Commissieleden en waakt erover dat maximum twee derden van de leden van hetzelfde geslacht zijn.
[2 De leden bedoeld in § 2, 1° en 2°, met uitzondering van het gewoon lid en van het plaatsvervangend lid die de sector van de sociale economie vertegenwoordigen, worden benoemd op de voordracht van [3 de Conseil économique, social et environnemental de Wallonie" (Economische, sociaal en Milieuraad van Wallonië)]3 op grond van een dubbele lijst van kandidaten en met inachtneming van de pariteitregels bedoeld in het decreet van 27 maart 2014 tot bevordering van een evenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen en mannen binnen de adviesorganen. Het gewoon lid en het plaatsvervangend lid die de sector van de sociale economie vertegenwoordigen, worden benoemd op de voordracht van de vereniging zonder winstoogmerk aangewezen door de Regering en belast met de vertegenwoordiging van de sociale economiebedrijven, zoals bepaald in artikel 3 van het decreet van 20 november 2008 betreffende de sociale economie.]2
Het mandaat van de leden geldt voor een hernieuwbare duur van vier jaar die een einde neemt :
1° in geval van ontslag;
2° wanneer de mandaterende instantie die een lid heeft voorgedragen om zijn vervanging verzoekt;
3° wanneer een lid niet langer de hoedanigheid heeft die zijn mandaat rechtvaardigde.
Het lid dat afstand doet van zijn mandaat vóór de geplande einddatum, wordt vervangen door zijn plaatsvervanger, die het mandaat voleindigt. In dat geval wordt een nieuw plaatsvervangend lid aangewezen.
§ 4. [2 De volgende personen moeten aanwezig zijn om een advies geldig uit te brengen:
1° de voorzitter of zijn plaatsvervanger;
2° twee leden ter vertegenwoordiging van de werknemers of hun plaatsvervangers;
3° twee leden ter vertegenwoordiging van de werkgevers of hun plaatsvervangers.";
6° in § 5 worden de woorden "De RVA" vervangen door de woorden [3 de Conseil économique, social et environnemental de Wallonie" (Economische, sociaal en Milieuraad van Wallonië)]3".]2
§ 5. [3 De Conseil économique, social et environnemental de Wallonie" (Economische, sociaal en Milieuraad van Wallonië)]3 staat in voor het secretariaat van de Commissie.
§ 6. De Commissie bepaalt haar huishoudelijk reglement dat ter goedkeuring aan de Minister van Werk wordt voorgelegd.
§ 2. [2 De Commissie is samengesteld als volgt:
1° 4 gewone leden en 4 plaatsvervangende leden voorgedragen door de meest representatieve organisaties van de werknemers;
2° 4 gewone en 4 plaatsvervangende leden voorgedragen door de meest representatieve organisaties van de werkgevers, onder wie minstens een gewoon lid en een plaatsvervangend lid ter vertegenwoordiging van de sector van de sociale economie;
3° een gewoon lid en een plaatsvervangend lid die de "Forem" vertegenwoordigen;
4° een gewoon lid en een plaatsvervangend lid die de Administratie vertegenwoordigen.
Het voorzitterschap wordt door één van de leden bedoeld in 1° of 2° op de voordracht van [3 de Conseil économique, social et environnemental de Wallonie" (Economische, sociaal en Milieuraad van Wallonië)]3 waargenomen.
Alleen de leden bedoeld in de punten 1° tot 2° zijn stemgerechtigd.
De commissie kan een beroep doen op deskundigen en technici onder de voorwaarden bedoeld in het huishoudelijk reglement.]2
§ 3. De Minister van Werk, [2 ...]2 benoemt de Commissieleden en waakt erover dat maximum twee derden van de leden van hetzelfde geslacht zijn.
[2 De leden bedoeld in § 2, 1° en 2°, met uitzondering van het gewoon lid en van het plaatsvervangend lid die de sector van de sociale economie vertegenwoordigen, worden benoemd op de voordracht van [3 de Conseil économique, social et environnemental de Wallonie" (Economische, sociaal en Milieuraad van Wallonië)]3 op grond van een dubbele lijst van kandidaten en met inachtneming van de pariteitregels bedoeld in het decreet van 27 maart 2014 tot bevordering van een evenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen en mannen binnen de adviesorganen. Het gewoon lid en het plaatsvervangend lid die de sector van de sociale economie vertegenwoordigen, worden benoemd op de voordracht van de vereniging zonder winstoogmerk aangewezen door de Regering en belast met de vertegenwoordiging van de sociale economiebedrijven, zoals bepaald in artikel 3 van het decreet van 20 november 2008 betreffende de sociale economie.]2
Het mandaat van de leden geldt voor een hernieuwbare duur van vier jaar die een einde neemt :
1° in geval van ontslag;
2° wanneer de mandaterende instantie die een lid heeft voorgedragen om zijn vervanging verzoekt;
3° wanneer een lid niet langer de hoedanigheid heeft die zijn mandaat rechtvaardigde.
Het lid dat afstand doet van zijn mandaat vóór de geplande einddatum, wordt vervangen door zijn plaatsvervanger, die het mandaat voleindigt. In dat geval wordt een nieuw plaatsvervangend lid aangewezen.
§ 4. [2 De volgende personen moeten aanwezig zijn om een advies geldig uit te brengen:
1° de voorzitter of zijn plaatsvervanger;
2° twee leden ter vertegenwoordiging van de werknemers of hun plaatsvervangers;
3° twee leden ter vertegenwoordiging van de werkgevers of hun plaatsvervangers.";
6° in § 5 worden de woorden "De RVA" vervangen door de woorden [3 de Conseil économique, social et environnemental de Wallonie" (Economische, sociaal en Milieuraad van Wallonië)]3".]2
§ 5. [3 De Conseil économique, social et environnemental de Wallonie" (Economische, sociaal en Milieuraad van Wallonië)]3 staat in voor het secretariaat van de Commissie.
§ 6. De Commissie bepaalt haar huishoudelijk reglement dat ter goedkeuring aan de Minister van Werk wordt voorgelegd.
Art. 2ter _REGION_WALLONNE.
§ 1er. En vertu de l'article 2, § 2, alinéa 6, de la loi, il est institué auprès [2 [3 du Conseil économique, social et environnemental de Wallonie]3]2, une commission consultative d'agréments, ci-après dénommée " la Commission ", laquelle a pour mission de rendre des avis concernant l'octroi [1 ...]1 ou le retrait de l'agrément des entreprises visées à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, 5°, de la loi.
§ 2.[2 La Commission est composée comme suit :
1° 4 membres effectifs et 4 membres suppléants présentés par les organisations les plus représentatives des travailleurs;
2° 4 membres effectifs et 4 membres suppléants présentés par les organisations les plus représentatives des employeurs, dont au moins un membre effectif et un membre suppléant représentant le secteur de l'économie sociale;
3° un membre effectif et un membre suppléant représentant le Forem;
4° un membre effectif et un membre suppléant représentant l'Administration.
La présidence est assurée par un des membres visés au 1° ou 2°, sur proposition [3 du Conseil économique, social et environnemental de Wallonie]3.
Seuls les membres visés aux 1° et 2° ont voix délibérative.
La commission peut faire appel à des experts et des techniciens aux conditions énoncées dans le règlement d'ordre intérieur.]2
§ 3. Le Ministre de l'Emploi, [2 ...]2, nomme les membres de la Commission, en veillant à ce que deux tiers au maximum de ses membres soient du même sexe.
[2 Les membres visés au paragraphe 2, 1° et 2°, à l'exception du membre effectif et du membre suppléant représentant le secteur de l'économie sociale, sont nommés sur proposition [3 du Conseil économique, social et environnemental de Wallonie]3 sur la base d'une liste double de candidats et ce, dans le respect des règles de parité reprises dans le décret du 27 mars 2014 visant à promouvoir une représentation équilibrée des hommes et des femmes dans les organes consultatifs. Le membre effectif et le membre suppléant représentant le secteur de l'économie sociale sont nommés sur proposition de l'association sans but lucratif, désignée par le Gouvernement avec la mission d'assurer la représentation des entreprises d'économie sociale, telle que définie à l'article 3 du décret du 20 novembre 2008 relatif à l'économie sociale.]2
Le mandat des membres couvre une durée renouvelable de quatre ans qui prend fin :
1° en cas de démission;
2° lorsque le mandant qui a proposé un membre demande son remplacement;
3° lorsqu'un membre perd la qualité qui justifiait son mandat.
Le membre qui cesse d'exercer son mandat avant la date normale d'expiration est remplacé par son suppléant qui achève le mandat. Dans ce cas, un nouveau suppléant est désigné.
§ 4. [2 Doivent être présents pour pouvoir rendre valablement un avis:
1° le président ou son suppléant;
2° deux membres représentant les travailleurs ou leurs suppléants;
3° deux membres représentant les employeurs ou leurs suppléants. ";
6° dans le paragraphe 5, les mots " l'ONEm " sont remplacés par les mots " le Conseil économique et social de Wallonie.]2
§ 5. Le secrétariat de la Commission est assuré par [2 le Conseil économique, social et environnemental de Wallonie]2.
§ 6. La Commission arrête son règlement d'ordre intérieur qui est soumis à l'approbation du Ministre de l'Emploi.
§ 1er. En vertu de l'article 2, § 2, alinéa 6, de la loi, il est institué auprès [2 [3 du Conseil économique, social et environnemental de Wallonie]3]2, une commission consultative d'agréments, ci-après dénommée " la Commission ", laquelle a pour mission de rendre des avis concernant l'octroi [1 ...]1 ou le retrait de l'agrément des entreprises visées à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, 5°, de la loi.
§ 2.[2 La Commission est composée comme suit :
1° 4 membres effectifs et 4 membres suppléants présentés par les organisations les plus représentatives des travailleurs;
2° 4 membres effectifs et 4 membres suppléants présentés par les organisations les plus représentatives des employeurs, dont au moins un membre effectif et un membre suppléant représentant le secteur de l'économie sociale;
3° un membre effectif et un membre suppléant représentant le Forem;
4° un membre effectif et un membre suppléant représentant l'Administration.
La présidence est assurée par un des membres visés au 1° ou 2°, sur proposition [3 du Conseil économique, social et environnemental de Wallonie]3.
Seuls les membres visés aux 1° et 2° ont voix délibérative.
La commission peut faire appel à des experts et des techniciens aux conditions énoncées dans le règlement d'ordre intérieur.]2
§ 3. Le Ministre de l'Emploi, [2 ...]2, nomme les membres de la Commission, en veillant à ce que deux tiers au maximum de ses membres soient du même sexe.
[2 Les membres visés au paragraphe 2, 1° et 2°, à l'exception du membre effectif et du membre suppléant représentant le secteur de l'économie sociale, sont nommés sur proposition [3 du Conseil économique, social et environnemental de Wallonie]3 sur la base d'une liste double de candidats et ce, dans le respect des règles de parité reprises dans le décret du 27 mars 2014 visant à promouvoir une représentation équilibrée des hommes et des femmes dans les organes consultatifs. Le membre effectif et le membre suppléant représentant le secteur de l'économie sociale sont nommés sur proposition de l'association sans but lucratif, désignée par le Gouvernement avec la mission d'assurer la représentation des entreprises d'économie sociale, telle que définie à l'article 3 du décret du 20 novembre 2008 relatif à l'économie sociale.]2
Le mandat des membres couvre une durée renouvelable de quatre ans qui prend fin :
1° en cas de démission;
2° lorsque le mandant qui a proposé un membre demande son remplacement;
3° lorsqu'un membre perd la qualité qui justifiait son mandat.
Le membre qui cesse d'exercer son mandat avant la date normale d'expiration est remplacé par son suppléant qui achève le mandat. Dans ce cas, un nouveau suppléant est désigné.
§ 4. [2 Doivent être présents pour pouvoir rendre valablement un avis:
1° le président ou son suppléant;
2° deux membres représentant les travailleurs ou leurs suppléants;
3° deux membres représentant les employeurs ou leurs suppléants. ";
6° dans le paragraphe 5, les mots " l'ONEm " sont remplacés par les mots " le Conseil économique et social de Wallonie.]2
§ 5. Le secrétariat de la Commission est assuré par [2 le Conseil économique, social et environnemental de Wallonie]2.
§ 6. La Commission arrête son règlement d'ordre intérieur qui est soumis à l'approbation du Ministre de l'Emploi.
Art. 2ter_VLAAMS_GEWEST. [1 § 1. Er wordt bij het departement een adviescommissie voor dienstencheque-activiteiten opgericht, hierna "de Commissie" genoemd, die advies moet verstrekken betreffende de toekenning of de intrekking van de erkenning van de ondernemingen, vermeld in artikel 2, § 1, 5°, van de wet.
§ 2. De Commissie is samengesteld als volgt :
1° een voorzitter als vertegenwoordiger van de Minister van Werk en een plaatsvervanger;
2° drie werkende leden en drie plaatsvervangende leden die zijn voorgedragen door de meest representatieve werknemersorganisaties, die vertegenwoordigd zijn in de SERV;
3° drie werkende leden en drie plaatsvervangende leden die zijn voorgedragen door de meest representatieve werkgeversorganisaties, die vertegenwoordigd zijn in de SERV;
4° twee werkende leden en twee plaatsvervangende leden als vertegenwoordigers van het departement.
§ 3. De Minister van Werk benoemt de Commissieleden en waakt erover dat maximaal twee derde van de leden van hetzelfde geslacht zijn.
Het mandaat van de leden geldt voor een hernieuwbare duur van vier jaar die een einde neemt :
1° in geval van ontslag;
2° als de mandaterende instantie die een lid heeft voorgedragen, om zijn vervanging verzoekt;
3° als een lid niet langer de hoedanigheid heeft die zijn mandaat rechtvaardigde.
Het lid dat afstand doet van zijn mandaat vóór de geplande einddatum, wordt vervangen door zijn plaatsvervanger, die het mandaat voleindigt. In dat geval wordt een nieuw plaatsvervangend lid aangewezen.
§ 4. Om op geldige wijze een advies te kunnen uitbrengen, moeten aanwezig zijn :
1° de voorzitter of zijn plaatsvervanger;
2° een lid dat de werknemers vertegenwoordigt, of zijn plaatsvervanger;
3° een lid dat de werkgevers vertegenwoordigt, of zijn plaatsvervanger;
4° een lid dat het departement vertegenwoordigt, of zijn plaatsvervanger.
§ 5. Het departement staat in voor het secretariaat van de Commissie.
§ 6. De Commissie bepaalt haar huishoudelijk reglement dat ter goedkeuring aan de Minister van Werk wordt voorgelegd.]1
§ 2. De Commissie is samengesteld als volgt :
1° een voorzitter als vertegenwoordiger van de Minister van Werk en een plaatsvervanger;
2° drie werkende leden en drie plaatsvervangende leden die zijn voorgedragen door de meest representatieve werknemersorganisaties, die vertegenwoordigd zijn in de SERV;
3° drie werkende leden en drie plaatsvervangende leden die zijn voorgedragen door de meest representatieve werkgeversorganisaties, die vertegenwoordigd zijn in de SERV;
4° twee werkende leden en twee plaatsvervangende leden als vertegenwoordigers van het departement.
§ 3. De Minister van Werk benoemt de Commissieleden en waakt erover dat maximaal twee derde van de leden van hetzelfde geslacht zijn.
Het mandaat van de leden geldt voor een hernieuwbare duur van vier jaar die een einde neemt :
1° in geval van ontslag;
2° als de mandaterende instantie die een lid heeft voorgedragen, om zijn vervanging verzoekt;
3° als een lid niet langer de hoedanigheid heeft die zijn mandaat rechtvaardigde.
Het lid dat afstand doet van zijn mandaat vóór de geplande einddatum, wordt vervangen door zijn plaatsvervanger, die het mandaat voleindigt. In dat geval wordt een nieuw plaatsvervangend lid aangewezen.
§ 4. Om op geldige wijze een advies te kunnen uitbrengen, moeten aanwezig zijn :
1° de voorzitter of zijn plaatsvervanger;
2° een lid dat de werknemers vertegenwoordigt, of zijn plaatsvervanger;
3° een lid dat de werkgevers vertegenwoordigt, of zijn plaatsvervanger;
4° een lid dat het departement vertegenwoordigt, of zijn plaatsvervanger.
§ 5. Het departement staat in voor het secretariaat van de Commissie.
§ 6. De Commissie bepaalt haar huishoudelijk reglement dat ter goedkeuring aan de Minister van Werk wordt voorgelegd.]1
Art. 2ter _REGION_FLAMANDE.
[1 § 1er. Une commission consultative, ci-après désignée par " la Commission " est établie au sein du département pour les activités de titres-services, chargée de rendre des avis sur l'octroi ou le retrait de l'agrément des entreprises, visées à l'article 2, § 1er, 5° de la loi.
§ 2. La Commission est composée comme suit :
1° un président agissant comme représentant du Ministre de l'Emploi et un suppléant ;
2° trois membres effectifs et trois membres suppléants proposés par les organisations les plus représentatives des travailleurs au sein du SERV (conseil socio-économique de la Flandre) :
3° trois membres effectifs et trois membres suppléants proposés par les organisations les plus représentatives des employeurs au sein du SERV (conseil socio-économique de la Flandre) :
4° deux membres effectifs et deux membres suppléants en tant que représentants du département.
§ 3. Le Ministre de l'Emploi nomme les membres de la Commission et veille à ce qu'au maximum deux tiers des membres sont du même sexe.
Le mandat des membres est valable pour une durée renouvelable de quatre ans, qui prend fin :
1° en cas de démission ;
2° lorsque l'organisation mandante qui a proposé un membre, demande son remplacement ;
3° lorsqu'un membre perd la qualité justifiant son mandat.
Le membre qui cesse d'exercer son mandat avant la date normale d'expiration est remplacé par son suppléant qui achève le mandat. Dans ce cas, un nouveau suppléant est désigné.
§ 4. Doivent être présents pour pouvoir rendre un avis valablement :
1° le président ou son suppléant ;
2° un membre représentant les travailleurs ou son suppléant ;
3° un membre représentant les employeurs ou son suppléant ;
4° un membre représentant le département ou son suppléant.
§ 5. Le secrétariat de la Commission est assuré par le département.
§ 6. La Commission arrête son règlement d'ordre intérieur qui est soumis à l'approbation du Ministre de l'Emploi.]1
[1 § 1er. Une commission consultative, ci-après désignée par " la Commission " est établie au sein du département pour les activités de titres-services, chargée de rendre des avis sur l'octroi ou le retrait de l'agrément des entreprises, visées à l'article 2, § 1er, 5° de la loi.
§ 2. La Commission est composée comme suit :
1° un président agissant comme représentant du Ministre de l'Emploi et un suppléant ;
2° trois membres effectifs et trois membres suppléants proposés par les organisations les plus représentatives des travailleurs au sein du SERV (conseil socio-économique de la Flandre) :
3° trois membres effectifs et trois membres suppléants proposés par les organisations les plus représentatives des employeurs au sein du SERV (conseil socio-économique de la Flandre) :
4° deux membres effectifs et deux membres suppléants en tant que représentants du département.
§ 3. Le Ministre de l'Emploi nomme les membres de la Commission et veille à ce qu'au maximum deux tiers des membres sont du même sexe.
Le mandat des membres est valable pour une durée renouvelable de quatre ans, qui prend fin :
1° en cas de démission ;
2° lorsque l'organisation mandante qui a proposé un membre, demande son remplacement ;
3° lorsqu'un membre perd la qualité justifiant son mandat.
Le membre qui cesse d'exercer son mandat avant la date normale d'expiration est remplacé par son suppléant qui achève le mandat. Dans ce cas, un nouveau suppléant est désigné.
§ 4. Doivent être présents pour pouvoir rendre un avis valablement :
1° le président ou son suppléant ;
2° un membre représentant les travailleurs ou son suppléant ;
3° un membre représentant les employeurs ou son suppléant ;
4° un membre représentant le département ou son suppléant.
§ 5. Le secrétariat de la Commission est assuré par le département.
§ 6. La Commission arrête son règlement d'ordre intérieur qui est soumis à l'approbation du Ministre de l'Emploi.]1
Wijzigingen
Art. 2ter_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 § 1. Er wordt bij de [3 Brupartners]3 een adviescommissie voor dienstencheque-activiteiten opgericht, hierna "de Commissie" genoemd, die advies moet verstrekken betreffende de toekenning of de intrekking van de erkenning van de ondernemingen, vermeld in artikel 2, § 1, 5°, van de wet.
§ 2. De Commissie is samengesteld als volgt :
1° een voorzitter als vertegenwoordiger van de Minister van Tewerkstelling en een plaatsvervanger;
2° drie werkende leden en drie plaatsvervangende leden die zijn voorgedragen door de meest representatieve werknemersorganisaties, die vertegenwoordigd zijn bij de [3 Brupartners]3;
3° drie werkende leden en drie plaatsvervangende leden die zijn voorgedragen door de meest representatieve werkgeversorganisaties, die vertegenwoordigd zijn bij de [3 Brupartners]3;
4° twee werkende leden en twee plaatsvervangende leden als vertegenwoordigers van het bestuur.
§ 3. De Minister van Tewerkstelling benoemt de Commissieleden en waakt erover dat maximaal twee derde van de leden van hetzelfde geslacht zijn.
Het mandaat van de leden geldt voor een hernieuwbare duur van vier jaar die een einde neemt :
1° in geval van ontslag;
2° als de mandaterende instantie die een lid heeft voorgedragen, om zijn vervanging verzoekt;
3° als een lid niet langer de hoedanigheid heeft die zijn mandaat rechtvaardigde.
Het lid dat afstand doet van zijn mandaat vóór de geplande einddatum, wordt vervangen door zijn plaatsvervanger, die het mandaat voleindigt. In dat geval wordt een nieuw plaatsvervangend lid aangewezen.
§ 4. [2 Om op geldige wijze een advies te kunnen uitbrengen, moeten aanwezig of vertegenwoordigd zijn :
1° de voorzitter of zijn plaatsvervanger;
2° twee leden die de werknemers vertegenwoordigen, of hun plaatsvervangers;
3° twee leden die de werkgevers vertegenwoordigen, of hun plaatsvervangers;
4° een lid dat het bestuur vertegenwoordigt, of zijn plaatsvervanger.]2
§ 5. Het secretariaat van het [3 Brupartners]3 staat in voor het secretariaat van de Commissie.
§ 6. De Commissie bepaalt haar huishoudelijk reglement dat ter goedkeuring aan de Minister van Tewerkstelling wordt voorgelegd.]1
§ 2. De Commissie is samengesteld als volgt :
1° een voorzitter als vertegenwoordiger van de Minister van Tewerkstelling en een plaatsvervanger;
2° drie werkende leden en drie plaatsvervangende leden die zijn voorgedragen door de meest representatieve werknemersorganisaties, die vertegenwoordigd zijn bij de [3 Brupartners]3;
3° drie werkende leden en drie plaatsvervangende leden die zijn voorgedragen door de meest representatieve werkgeversorganisaties, die vertegenwoordigd zijn bij de [3 Brupartners]3;
4° twee werkende leden en twee plaatsvervangende leden als vertegenwoordigers van het bestuur.
§ 3. De Minister van Tewerkstelling benoemt de Commissieleden en waakt erover dat maximaal twee derde van de leden van hetzelfde geslacht zijn.
Het mandaat van de leden geldt voor een hernieuwbare duur van vier jaar die een einde neemt :
1° in geval van ontslag;
2° als de mandaterende instantie die een lid heeft voorgedragen, om zijn vervanging verzoekt;
3° als een lid niet langer de hoedanigheid heeft die zijn mandaat rechtvaardigde.
Het lid dat afstand doet van zijn mandaat vóór de geplande einddatum, wordt vervangen door zijn plaatsvervanger, die het mandaat voleindigt. In dat geval wordt een nieuw plaatsvervangend lid aangewezen.
§ 4. [2 Om op geldige wijze een advies te kunnen uitbrengen, moeten aanwezig of vertegenwoordigd zijn :
1° de voorzitter of zijn plaatsvervanger;
2° twee leden die de werknemers vertegenwoordigen, of hun plaatsvervangers;
3° twee leden die de werkgevers vertegenwoordigen, of hun plaatsvervangers;
4° een lid dat het bestuur vertegenwoordigt, of zijn plaatsvervanger.]2
§ 5. Het secretariaat van het [3 Brupartners]3 staat in voor het secretariaat van de Commissie.
§ 6. De Commissie bepaalt haar huishoudelijk reglement dat ter goedkeuring aan de Minister van Tewerkstelling wordt voorgelegd.]1
Art. 2ter _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.[1 § 1. Il institué auprès du [3 Brupartners]3 une commission consultative d'agréments, ci-après dénommée " la Commission ", laquelle a pour mission de rendre des avis concernant l'octroi ou le retrait de l'agrément des entreprises visées à l'article 2, § 1er, alinéa 1er, 5° de la loi.
§ 2. La Commission est composée comme suit :
1° un président représentant le Ministre de l'Emploi et un suppléant;
2° trois membres effectifs et trois membres suppléants présentés par les organisations les plus représentatives des travailleurs, qui sont représentées au [3 Brupartners]3;
3° trois membres effectifs et trois membres suppléants présentés par les organisations les plus représentatives des employeurs, qui sont représentées au [3 Brupartners]3;
4° deux membres effectifs et deux membres suppléants représentant l'administration.
§ 3. Le Ministre de l'Emploi nomme les membres de la Commission, en veillant à ce que deux tiers au maximum de ses membres soient du même sexe.
Le mandat des membres couvre une durée renouvelable de quatre ans qui prend fin :
1° en cas de démission;
2° lorsque le mandant qui a proposé un membre demande son remplacement;
3° lorsqu'un membre perd la qualité qui justifiait son mandat.
Le membre qui cesse d'exercer son mandat avant la date normale d'expiration est remplacé par son suppléant qui achève le mandat. Dans ce cas, un nouveau suppléant est désigné.
§ 4. [2 Doivent être présents ou représentés pour pouvoir rendre un avis valablement :
1° le président ou son suppléant;
2° deux membres représentant les travailleurs, ou leurs suppléants;
3° deux membres représentant les employeurs, ou leurs suppléants;
4° un membre représentant l'administration, ou son suppléant.]2
§ 5. Le secrétariat de la Commission est assuré par le secrétariat du [3 Brupartners]3.
§ 6. La Commission arrête son règlement d'ordre intérieur qui est soumis à l'approbation du Ministre de l'Emploi.]1
§ 2. La Commission est composée comme suit :
1° un président représentant le Ministre de l'Emploi et un suppléant;
2° trois membres effectifs et trois membres suppléants présentés par les organisations les plus représentatives des travailleurs, qui sont représentées au [3 Brupartners]3;
3° trois membres effectifs et trois membres suppléants présentés par les organisations les plus représentatives des employeurs, qui sont représentées au [3 Brupartners]3;
4° deux membres effectifs et deux membres suppléants représentant l'administration.
§ 3. Le Ministre de l'Emploi nomme les membres de la Commission, en veillant à ce que deux tiers au maximum de ses membres soient du même sexe.
Le mandat des membres couvre une durée renouvelable de quatre ans qui prend fin :
1° en cas de démission;
2° lorsque le mandant qui a proposé un membre demande son remplacement;
3° lorsqu'un membre perd la qualité qui justifiait son mandat.
Le membre qui cesse d'exercer son mandat avant la date normale d'expiration est remplacé par son suppléant qui achève le mandat. Dans ce cas, un nouveau suppléant est désigné.
§ 4. [2 Doivent être présents ou représentés pour pouvoir rendre un avis valablement :
1° le président ou son suppléant;
2° deux membres représentant les travailleurs, ou leurs suppléants;
3° deux membres représentant les employeurs, ou leurs suppléants;
4° un membre représentant l'administration, ou son suppléant.]2
§ 5. Le secrétariat de la Commission est assuré par le secrétariat du [3 Brupartners]3.
§ 6. La Commission arrête son règlement d'ordre intérieur qui est soumis à l'approbation du Ministre de l'Emploi.]1
Art. 2quater. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-09/33, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. Na advies van de Commissie kan de Minister van Werk overgaan tot de erkenning van een onderneming die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.
§ 2. Voor de toepassing van artikel 2, § 2, eerste lid, a, van de wet moet worden verstaan onder sui generis afdeling, opgericht binnen een onderneming die reeds een andere activiteit heeft en die wil toetreden tot het stelsel van de dienstencheques, een afdeling met de volgende kenmerken :
1° er is een specifieke verantwoordelijke aangeduid voor de afdeling;
2° de afdeling engageert zich om herkenbaar te zijn door haar erkenning als erkende onderneming en de publiciteit daaromtrent;
3° de dienstencheque-activiteiten zullen apart geregistreerd worden, inzonderheid ten behoeve van de sociale overlegstructuren in de onderneming en de sociale inspectie.
[5 4° er wordt een aparte boekhouding gevoerd betreffende de dienstencheque-activiteiten.]5
§ 3. Het geven van voorrang door de onderneming [1 aan de werknemers die tijdens hun deeltijdse tewerkstelling een werkloosheidsuitkering, een leefloon of financiële sociale hulp genieten]1 voor het bekomen van een voltijdse betrekking of van een andere, al dan niet bijkomende, deeltijdse betrekking zoals bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, c, van de wet dient te gebeuren overeenkomstig de volgende modaliteiten :
1° [1 de werknemer die tijdens zijn deeltijdse tewerkstelling een werkloosheidsuitkering, een leefloon of financiële sociale hulp geniet]1 moet op het ogenblik dat hij zijn arbeidsovereenkomst dienstencheques ondertekent bij zijn werkgever schriftelijk een aanvraag indienen tot het bekomen van bijkomende arbeidsuren zodat hij zo vlug als mogelijk een voltijdse dienstbetrekking kan verkrijgen. Deze aanvraag wordt geacht deel uit te maken van de arbeidsovereenkomst.
2° de werkgever moet [1 de werknemer die tijdens zijn deeltijdse tewerkstelling een werkloosheidsuitkering, een leefloon of financiële sociale hulp geniet]1 schriftelijk elke vacante voltijdse of deeltijdse dienstbetrekking prioritair aanbieden die dezelfde of een gelijkaardige functie betreft als die welke de werknemer reeds uitoefent, waarvoor hij de vereiste kwalificaties bezit en waarvoor hij in het kader van de arbeidsorganisatie in de onderneming in aanmerking kan komen. Voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing wordt rekening gehouden met de inkomsten van alle lopende arbeidsovereenkomsten bij dezelfde werkgever.
[1 Voor de toepassing van dit artikel moet verstaan worden onder :
1° werkloosheidsuitkering : de werkloosheids- of wachtuitkering bedoeld in artikel 100, de uitkering voor uren van tijdelijke werkloosheid bedoeld in artikelen 106 en 107 en de inkomens-garantieuitkering bedoeld in artikel 131bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
2° leefloon : het leefloon zoals bedoeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
3° financiële sociale hulp : de financiële hulp bedoeld in artikel 60, § 3 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.]1
§ 4. De bijkomende voorwaarden zoals bedoeld in artikel 2, § 2, tweede lid van de wet zijn de volgende :
1° de onderneming verbindt zich ertoe geen werken of diensten die worden gefinancierd met dienstencheques in onderaanneming te laten uitvoeren door een andere onderneming of instelling;
2° (de onderneming verbindt zich ertoe geen werknemers en klanten direct of indirect te discrimineren zoals bedoeld in de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;) <KB 2008-04-28/30, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008>
3° de onderneming verbindt zich tot de organisatie van een werkomgeving met billijke arbeidsvoorwaarden, -situaties, -invulling en -verhoudingen overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomsten en de reglementeringen die van toepassing zijn;
4° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties te laten verrichten in een omgeving met onaanvaardbare risico's of gevaren voor de werknemers of in een omgeving waar de werknemers het slachtoffer zouden kunnen zijn van misbruiken of discriminatoire praktijken.
(5° de onderneming verbindt zich ertoe om alleen het vanaf haar erkenning bijkomend arbeidsvolume van activiteiten bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2°, te laten betalen met dienstencheques; van deze verbintenis kan worden afgeweken bij een convenant gesloten tussen de Minister van Werk en een bedrijfssector, een groepering van erkende ondernemingen of een erkende onderneming;
6° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers voor wie een vrijstelling van betaling van werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid wordt toegekend met toepassing van artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van de door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen of van artikel 99, eerste lid, van de programmawet van 30 december 1988;
7° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers waarvan de tewerkstelling gefinancierd wordt met toepassing van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector.) <KB 2004-03-31/33, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004>
[3 8° De onderneming verbindt zich ertoe om, zonder beperking, gebruik te maken van papieren dienstencheques en van dienstencheques in gedematerialiseerde vorm, bedoeld in artikel 3, § 1, tweede lid.]3
(9° de onderneming die activiteiten uitoefent in het kader van begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit verbindt zich ertoe te controleren dat voor die activiteiten enkel prestaties worden geleverd ten gunste van gebruikers bedoeld in artikel 1, derde lid;
10° de onderneming verbindt zich ertoe om in het kader van de buurtwerken of -diensten alleen activiteiten uit te voeren die toegelaten zijn in de beslissing tot erkenning;
11° de onderneming verbindt zich ertoe om reeds tijdens de periode van twaalf maanden die ingaat op de ingangsdatum van de erkenning, dienstencheques voor betaling over te maken aan het uitgiftebedrijf en om na afloop van deze periode tijdens elke nieuwe periode van twaalf maanden dienstencheques voor betaling over te maken aan het uitgiftebedrijf.) <KB 2006-03-05/39, art. 2, 1°, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006. De ingangsdatum van de erkenning wordt vastgesteld op 22-03-2006 voor de ondernemingen die vóór deze datum erkend zijn. >
(12° de onderneming verbindt zich ertoe om alle wettelijke en reglementaire bepalingen voorzien in de wet en in dit besluit na te leven;
13° indien een sui generis afdeling van een erkende onderneming bedoeld in artikel 670 van het Wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999 omgevormd wordt tot een zelfstandige onderneming, verbindt de onderneming zich ertoe deze splitsing te laten gebeuren in overeenstemming met de artikelen 671 tot 679 van dit wetboek.) <KB 2007-01-16/30, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 29-01-2007>
(14° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers tewerkgesteld in het kader van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.) <KB 2007-01-16/31, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
(15° De onderneming verbindt zich ertoe om de registratie van de dienstenchequeactiviteiten op dergelijke wijze te organiseren dat het mogelijk is exact na te gaan wat het verband is tussen de maandelijkse prestaties van elke individuele dienstenchequewerknemer, de gebruiker en de overeenkomstige dienstencheques.) <KB 2007-07-13/36, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-10-2007>
(16° De onderneming verbindt zich ertoe om zijn dienstenchequewerknemers als dusdanig aan te geven in de multifunctionele aangifte (DMFA).) <KB 2007-07-13/36, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
[17° [6 De onderneming verbindt zich ertoe om onder de bestuurders, zaakvoerders, lasthebbers of personen bevoegd om de onderneming te verbinden geen natuurlijke personen of rechtspersonen te hebben die de voorbije drie jaar bestuurder, zaakvoerder, lasthebber of persoon bevoegd om de onderneming te verbinden geweest zijn van een onderneming waarvan de erkenning werd ingetrokken met toepassing van de artikelen 2septies, 2octies en 2nonies, met uitzondering van 2nonies, § 1, c)]6;] <KB 2008-04-28/30, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008>
[18° De onderneming verbindt zich ertoe dat het aantal bij de RSZ aangegeven arbeidsuren gepresteerd door werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques per kwartaal minstens gelijk is aan het aantal aan het uitgiftebedrijf voor betaling overgemaakte dienstencheques voor verrichte prestaties in dezelfde periode.] <KB 2008-04-28/30, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008>
[2 19° de onderneming verbindt zich ertoe de door de RVA in uitvoering van artikel 12 gevraagde gegevens binnen de vereiste termijn aan de RVA te bezorgen.]2
[4 20° De onderneming verbindt zich ertoe alle bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, na te leven.]4
(Voor het sluiten van een convenant bedoeld in het eerste lid, 5°, dient inzonderheid rekening gehouden te worden met het soort van uitgeoefende activiteit en het feit of de betrokken bedrijfssector, groepering van erkende ondernemingen of erkende onderneming reeds bestond en deze activiteit reeds uitoefende voor de inwerkingtreding van de regeling dienstencheques bij hetzelfde type van gebruikers. In dit convenant dient een concreet objectief inzake bijkomende tewerkstelling geformuleerd te worden.) <KB 2004-03-31/33, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004>
(Indien een sui generis afdeling van een erkende onderneming omgevormd wordt tot een zelfstandige onderneming, zal, voor wat de voorwaarde betreft inzake bijkomend arbeidsvolume, bedoeld in het eerste lid, 5°, rekening gehouden worden met de evolutie van het arbeidsvolume van de werknemers zonder arbeidsovereenkomst dienstencheques van de oorspronkelijk erkende onderneming.) <KB 2007-01-16/30, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 29-01-2007>
§ 2. Voor de toepassing van artikel 2, § 2, eerste lid, a, van de wet moet worden verstaan onder sui generis afdeling, opgericht binnen een onderneming die reeds een andere activiteit heeft en die wil toetreden tot het stelsel van de dienstencheques, een afdeling met de volgende kenmerken :
1° er is een specifieke verantwoordelijke aangeduid voor de afdeling;
2° de afdeling engageert zich om herkenbaar te zijn door haar erkenning als erkende onderneming en de publiciteit daaromtrent;
3° de dienstencheque-activiteiten zullen apart geregistreerd worden, inzonderheid ten behoeve van de sociale overlegstructuren in de onderneming en de sociale inspectie.
[5 4° er wordt een aparte boekhouding gevoerd betreffende de dienstencheque-activiteiten.]5
§ 3. Het geven van voorrang door de onderneming [1 aan de werknemers die tijdens hun deeltijdse tewerkstelling een werkloosheidsuitkering, een leefloon of financiële sociale hulp genieten]1 voor het bekomen van een voltijdse betrekking of van een andere, al dan niet bijkomende, deeltijdse betrekking zoals bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, c, van de wet dient te gebeuren overeenkomstig de volgende modaliteiten :
1° [1 de werknemer die tijdens zijn deeltijdse tewerkstelling een werkloosheidsuitkering, een leefloon of financiële sociale hulp geniet]1 moet op het ogenblik dat hij zijn arbeidsovereenkomst dienstencheques ondertekent bij zijn werkgever schriftelijk een aanvraag indienen tot het bekomen van bijkomende arbeidsuren zodat hij zo vlug als mogelijk een voltijdse dienstbetrekking kan verkrijgen. Deze aanvraag wordt geacht deel uit te maken van de arbeidsovereenkomst.
2° de werkgever moet [1 de werknemer die tijdens zijn deeltijdse tewerkstelling een werkloosheidsuitkering, een leefloon of financiële sociale hulp geniet]1 schriftelijk elke vacante voltijdse of deeltijdse dienstbetrekking prioritair aanbieden die dezelfde of een gelijkaardige functie betreft als die welke de werknemer reeds uitoefent, waarvoor hij de vereiste kwalificaties bezit en waarvoor hij in het kader van de arbeidsorganisatie in de onderneming in aanmerking kan komen. Voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing wordt rekening gehouden met de inkomsten van alle lopende arbeidsovereenkomsten bij dezelfde werkgever.
[1 Voor de toepassing van dit artikel moet verstaan worden onder :
1° werkloosheidsuitkering : de werkloosheids- of wachtuitkering bedoeld in artikel 100, de uitkering voor uren van tijdelijke werkloosheid bedoeld in artikelen 106 en 107 en de inkomens-garantieuitkering bedoeld in artikel 131bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
2° leefloon : het leefloon zoals bedoeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
3° financiële sociale hulp : de financiële hulp bedoeld in artikel 60, § 3 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.]1
§ 4. De bijkomende voorwaarden zoals bedoeld in artikel 2, § 2, tweede lid van de wet zijn de volgende :
1° de onderneming verbindt zich ertoe geen werken of diensten die worden gefinancierd met dienstencheques in onderaanneming te laten uitvoeren door een andere onderneming of instelling;
2° (de onderneming verbindt zich ertoe geen werknemers en klanten direct of indirect te discrimineren zoals bedoeld in de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;) <KB 2008-04-28/30, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008>
3° de onderneming verbindt zich tot de organisatie van een werkomgeving met billijke arbeidsvoorwaarden, -situaties, -invulling en -verhoudingen overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomsten en de reglementeringen die van toepassing zijn;
4° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties te laten verrichten in een omgeving met onaanvaardbare risico's of gevaren voor de werknemers of in een omgeving waar de werknemers het slachtoffer zouden kunnen zijn van misbruiken of discriminatoire praktijken.
(5° de onderneming verbindt zich ertoe om alleen het vanaf haar erkenning bijkomend arbeidsvolume van activiteiten bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2°, te laten betalen met dienstencheques; van deze verbintenis kan worden afgeweken bij een convenant gesloten tussen de Minister van Werk en een bedrijfssector, een groepering van erkende ondernemingen of een erkende onderneming;
6° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers voor wie een vrijstelling van betaling van werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid wordt toegekend met toepassing van artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van de door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen of van artikel 99, eerste lid, van de programmawet van 30 december 1988;
7° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers waarvan de tewerkstelling gefinancierd wordt met toepassing van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector.) <KB 2004-03-31/33, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004>
[3 8° De onderneming verbindt zich ertoe om, zonder beperking, gebruik te maken van papieren dienstencheques en van dienstencheques in gedematerialiseerde vorm, bedoeld in artikel 3, § 1, tweede lid.]3
(9° de onderneming die activiteiten uitoefent in het kader van begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit verbindt zich ertoe te controleren dat voor die activiteiten enkel prestaties worden geleverd ten gunste van gebruikers bedoeld in artikel 1, derde lid;
10° de onderneming verbindt zich ertoe om in het kader van de buurtwerken of -diensten alleen activiteiten uit te voeren die toegelaten zijn in de beslissing tot erkenning;
11° de onderneming verbindt zich ertoe om reeds tijdens de periode van twaalf maanden die ingaat op de ingangsdatum van de erkenning, dienstencheques voor betaling over te maken aan het uitgiftebedrijf en om na afloop van deze periode tijdens elke nieuwe periode van twaalf maanden dienstencheques voor betaling over te maken aan het uitgiftebedrijf.) <KB 2006-03-05/39, art. 2, 1°, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006. De ingangsdatum van de erkenning wordt vastgesteld op 22-03-2006 voor de ondernemingen die vóór deze datum erkend zijn. >
(12° de onderneming verbindt zich ertoe om alle wettelijke en reglementaire bepalingen voorzien in de wet en in dit besluit na te leven;
13° indien een sui generis afdeling van een erkende onderneming bedoeld in artikel 670 van het Wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999 omgevormd wordt tot een zelfstandige onderneming, verbindt de onderneming zich ertoe deze splitsing te laten gebeuren in overeenstemming met de artikelen 671 tot 679 van dit wetboek.) <KB 2007-01-16/30, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 29-01-2007>
(14° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers tewerkgesteld in het kader van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.) <KB 2007-01-16/31, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
(15° De onderneming verbindt zich ertoe om de registratie van de dienstenchequeactiviteiten op dergelijke wijze te organiseren dat het mogelijk is exact na te gaan wat het verband is tussen de maandelijkse prestaties van elke individuele dienstenchequewerknemer, de gebruiker en de overeenkomstige dienstencheques.) <KB 2007-07-13/36, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-10-2007>
(16° De onderneming verbindt zich ertoe om zijn dienstenchequewerknemers als dusdanig aan te geven in de multifunctionele aangifte (DMFA).) <KB 2007-07-13/36, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
[17° [6 De onderneming verbindt zich ertoe om onder de bestuurders, zaakvoerders, lasthebbers of personen bevoegd om de onderneming te verbinden geen natuurlijke personen of rechtspersonen te hebben die de voorbije drie jaar bestuurder, zaakvoerder, lasthebber of persoon bevoegd om de onderneming te verbinden geweest zijn van een onderneming waarvan de erkenning werd ingetrokken met toepassing van de artikelen 2septies, 2octies en 2nonies, met uitzondering van 2nonies, § 1, c)]6;] <KB 2008-04-28/30, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008>
[18° De onderneming verbindt zich ertoe dat het aantal bij de RSZ aangegeven arbeidsuren gepresteerd door werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques per kwartaal minstens gelijk is aan het aantal aan het uitgiftebedrijf voor betaling overgemaakte dienstencheques voor verrichte prestaties in dezelfde periode.] <KB 2008-04-28/30, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008>
[2 19° de onderneming verbindt zich ertoe de door de RVA in uitvoering van artikel 12 gevraagde gegevens binnen de vereiste termijn aan de RVA te bezorgen.]2
[4 20° De onderneming verbindt zich ertoe alle bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, na te leven.]4
(Voor het sluiten van een convenant bedoeld in het eerste lid, 5°, dient inzonderheid rekening gehouden te worden met het soort van uitgeoefende activiteit en het feit of de betrokken bedrijfssector, groepering van erkende ondernemingen of erkende onderneming reeds bestond en deze activiteit reeds uitoefende voor de inwerkingtreding van de regeling dienstencheques bij hetzelfde type van gebruikers. In dit convenant dient een concreet objectief inzake bijkomende tewerkstelling geformuleerd te worden.) <KB 2004-03-31/33, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004>
(Indien een sui generis afdeling van een erkende onderneming omgevormd wordt tot een zelfstandige onderneming, zal, voor wat de voorwaarde betreft inzake bijkomend arbeidsvolume, bedoeld in het eerste lid, 5°, rekening gehouden worden met de evolutie van het arbeidsvolume van de werknemers zonder arbeidsovereenkomst dienstencheques van de oorspronkelijk erkende onderneming.) <KB 2007-01-16/30, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 29-01-2007>
Wijzigingen
Art. 2quater. § 1er. Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, peut agréer une entreprise qui satisfait aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2, et 3, de la loi.
§ 2. Pour l'application de l'article 2, § 2, alinéa 1er, a, de la loi il faut entendre par une section sui generis, créée dans une entreprise qui exerce déjà une autre activité et qui veut adhérer au système des titres-services, une section avec les caractéristiques suivantes :
1° un responsable spécifique est désigné pour la section;
2° la section s'engage à être identifiable par son agrément comme entreprise agréée et la publicité ad hoc;
3° les activités couvertes par les titres-services seront enregistrées séparément, notamment à l'intention des structures de concertation sociale dans l'entreprise et de l'inspection sociale.
[5 4° une comptabilité distincte concernant les activités titres-services est tenue.]5
§ 3. L'attribution par l'entreprise d'une priorité [1 aux travailleurs qui pendant leur occupation à temps partiel bénéficient d'une allocation de chômage, du revenu d'intégration ou de l'aide sociale financière]1 pour l'obtention d'un emploi à temps plein ou d'un autre emploi à temps partiel, supplémentaire ou non, visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, c, de la loi, doit se faire conformément aux modalités suivantes :
1° le [1 travailleur qui pendant son occupation à temps partiel bénéficie d'une allocation de chômage, du revenu d'intégration ou de l'aide sociale financière]1 doit, au moment où il signe son contrat de travail titres-services, introduire par écrit auprès de son employeur une demande d'obtention d'heures de travail complémentaires de sorte qu'il puisse obtenir aussi vite que possible un emploi à temps plein. Cette demande est censée faire partie du contrat de travail.
2° l'employeur doit offrir en priorité par écrit au [1 travailleur qui pendant son occupation à temps partiel bénéficie d'une allocation de chômage, du revenu d'intégration ou de l'aide sociale financière]1 chaque emploi vacant à temps plein ou à temps partiel, ayant trait à la même fonction ou à une fonction analogue à celle que le travailleur exerce déjà, pour laquelle il possède les qualifications requises et pour laquelle il entre en ligne de compte dans le cadre de l'organisation du travail dans l'entreprise. Pour le calcul du précompte professionnel il sera tenu compte des revenus de tous les contrats de travail en cours auprès du même employeur.
[1 Pour l'application de cet article, il faut entendre par :
1° allocation de chômage : l'allocation de chômage ou d'attente visée à l'article 100, l'allocation pour les heures de chômage temporaire visée aux articles 106 et 107 et l'allocation de garantie de revenus visée à l'article 131bis de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
2° revenu d'intégration : le revenu d'intégration visé dans la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
3° aide sociale financière : l'aide financière visée à l'article 60, § 3, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale.]1
§ 4. Les conditions supplémentaires visées à l'article 2, § 2, alinéa 2, de la loi sont les suivantes :
1° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer les travaux ou services financés par les titres-services en sous-traitance par une autre entreprise ou tout autre organisme;
2° (l'entreprise s'engage à ne pas pratiquer à l'encontre des travailleurs et des clients de discrimination directe ou indirecte visée à la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre certaines formes de discrimination;) <AR 2008-04-28/30, art. 2, 014; En vigueur : 01-05-2008>
3° l'entreprise s'engage à créer un environnement de travail offrant des conditions, des situations, des contenus et des relations de travail équitables, conformément aux conventions collectives de travail et aux réglementations applicables;
4° l'entreprise s'engage à ne pas faire prester des travaux dans un environnement présentant des dangers et des risques inacceptables pour les travailleurs ou dans un environnement où les travailleurs risqueraient d'êtres victimes d'abus ou de traitements discriminatoires.
(5° l'entreprise s'engage à ne faire payer par des titres-services que le volume de travail des activités visées à l'article 1er, alinéa 1er, 2°, qui, à partir de son agrément, vient en supplément; il peut être dérogé à cet engagement par une convention conclue entre le Ministre de l'Emploi et un secteur d'entreprises, un groupement d'entreprises agréées ou une entreprise agréée;
6° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs pour lesquels une exonération de paiement de cotisations patronales pour la sécurité sociale est accordée en application de l'article 7 de l'arrêté royal n° 474 du 28 octobre 1986 portant création d'un régime de contractuels subventionnés par l'Etat auprès de certains pouvoirs locaux ou de l'article 99, alinéa 1er, de la loi-programme du 30 décembre 1988;
7° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs dont l'occupation est financée en application de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand.) <AR 2004-03-31/33, art. 5, 004; En vigueur : 16-04-2004>
[3 8° L'entreprise s'engage à faire usage, sans restriction, de titres-services papiers et de titres-services sous la forme dématérialisée visée à l'article 3, § 1er, alinéa 2.]3
(9° l'entreprise qui exerce des activités dans le cadre du transport accompagné de personnes à mobilité réduite s'engage à contrôler que les prestations concernant ces activités sont uniquement fournies en faveur des utilisateurs visés à l'article 1er, alinéa 3;
10° l'entreprise s'engage à effectuer, dans le cadre des travaux ou services de proximité, uniquement les activités autorisées dans la décision d'agrément;
11° l'entreprise s'engage à transmettre déjà pendant la période de douze mois qui commence à courir à partir de la date d'entrée en vigueur de l'agrément, des titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement et à transmettre, après l'expiration de cette période, pendant chaque nouvelle période de douze mois des titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement.) <AR 2006-03-05/39, art. 2, 1°, 010; En vigueur : 22-03-2006. La date d'entrée en vigueur de l'agrément est fixée au 22-03-2006 pour les entreprises qui sont agréées avant cette date.>
(12° l'entreprise s'engage à respecter toutes les dispositions légales et réglementaires prévues dans la loi et dans le présent arrêté;
13° si la section sui generis d'une entreprise agréée visée à l'article 670 du Code des sociétés du 7 mai 1999 est transformée en une entreprise autonome, l'entreprise s'engage à effectuer cette scission conformément aux articles 671 à 679 de ce code.) <AR 2007-01-16/30, art. 1, 012; En vigueur : 29-01-2007>
(14° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs mis à l'emploi dans le cadre de l'article 60, § 7, de la loi organique des centres publics d'aide sociale du 8 juillet 1976.) <AR 2007-01-16/31, art. 1, 011; En vigueur : 01-01-2007>
(15° L'entreprise s'engage à organiser l'enregistrement des activités titres-services de manière telle qu'on puisse vérifier exactement la relation entre les prestations mensuelles de chaque travailleur titres-services individuel, l'utilisateur et les titres-services correspondants.) <AR 2007-07-13/36, art. 2, 013; En vigueur : 01-10-2007>
(16° L'entreprise s'engage à renseigner comme tels ses travailleurs titres-services dans la déclaration multifonctionnelle (DMFA).) <AR 2007-07-13/36, art. 2, 013; En vigueur : 01-08-2007>
[17° [6 L'entreprise s'engage à ne pas compter parmi les administrateurs, gérants, mandataires ou personnes ayant le pouvoir d'engager l'entreprise, des personnes physiques ou morales qui, dans les trois années écoulées, ont été administrateur, gérant, mandataire ou personne ayant le pouvoir d'engager l'entreprise, d'une entreprise dont l'agrément a été retiré en application des articles 2septies, 2octies et 2nonies, à l'exception de 2nonies, § 1er, c)]6;] <AR 2008-04-28/30, art. 2, 014; En vigueur : 01-05-2008>
(18° L'entreprise s'engage à ce que le nombre d'heures de travail prestées par des travailleurs avec un contrat de travail titres-services déclaré à l'ONSS par trimestre soit au moins égal au nombre des titres-services transmis à la société émettrice aux fins de remboursement pour des prestations effectuées dans la même période.) <AR 2008-04-28/30, art. 2, 014; En vigueur : 01-05-2008>
[2 19° l'entreprise s'engage à fournir à l'ONEm dans le délai requis les données demandées par l'ONEm en exécution de l'article 12.]2
[4 20° L'entreprise s'engage à respecter toutes les dispositions de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et de l'arrêté royal du 9 juin 1999 portant exécution de la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers.]4
(Pour la conclusion d'une convention visée à l'alinéa 1er, 5°, il faut notamment tenir compte du genre d'activité exercée et du fait (de savoir) si le secteur d'entreprises, le groupement d'entreprises agréées ou l'entreprise agréée existaient déjà et exerçaient déjà cette activité avant l'entrée en vigueur du dispositif des titres-services chez le même type d'utilisateurs. Un objectif concret en ce qui concerne des emplois supplémentaires doit être formulé dans cette convention.) <AR 2004-03-31/33, art. 6, 004; En vigueur : 16-04-2004> <AR 2006-03-05/39, art. 2, 2°, 010; En vigueur : 22-03-2006>
[Si la section sui generis d'une entreprise agréée est transformée en une entreprise autonome, il sera tenu compte, pour ce qui concerne la condition concernant le volume de travail supplémentaire, visée à l'alinéa 1er, 5°, de l'évolution du volume de travail des travailleurs n'ayant pas un contrat de travail titres-services de l'entreprise initialement agréée.] <AR 2007-01-16/30, art. 1, 012; En vigueur : 29-01-2007>
§ 2. Pour l'application de l'article 2, § 2, alinéa 1er, a, de la loi il faut entendre par une section sui generis, créée dans une entreprise qui exerce déjà une autre activité et qui veut adhérer au système des titres-services, une section avec les caractéristiques suivantes :
1° un responsable spécifique est désigné pour la section;
2° la section s'engage à être identifiable par son agrément comme entreprise agréée et la publicité ad hoc;
3° les activités couvertes par les titres-services seront enregistrées séparément, notamment à l'intention des structures de concertation sociale dans l'entreprise et de l'inspection sociale.
[5 4° une comptabilité distincte concernant les activités titres-services est tenue.]5
§ 3. L'attribution par l'entreprise d'une priorité [1 aux travailleurs qui pendant leur occupation à temps partiel bénéficient d'une allocation de chômage, du revenu d'intégration ou de l'aide sociale financière]1 pour l'obtention d'un emploi à temps plein ou d'un autre emploi à temps partiel, supplémentaire ou non, visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, c, de la loi, doit se faire conformément aux modalités suivantes :
1° le [1 travailleur qui pendant son occupation à temps partiel bénéficie d'une allocation de chômage, du revenu d'intégration ou de l'aide sociale financière]1 doit, au moment où il signe son contrat de travail titres-services, introduire par écrit auprès de son employeur une demande d'obtention d'heures de travail complémentaires de sorte qu'il puisse obtenir aussi vite que possible un emploi à temps plein. Cette demande est censée faire partie du contrat de travail.
2° l'employeur doit offrir en priorité par écrit au [1 travailleur qui pendant son occupation à temps partiel bénéficie d'une allocation de chômage, du revenu d'intégration ou de l'aide sociale financière]1 chaque emploi vacant à temps plein ou à temps partiel, ayant trait à la même fonction ou à une fonction analogue à celle que le travailleur exerce déjà, pour laquelle il possède les qualifications requises et pour laquelle il entre en ligne de compte dans le cadre de l'organisation du travail dans l'entreprise. Pour le calcul du précompte professionnel il sera tenu compte des revenus de tous les contrats de travail en cours auprès du même employeur.
[1 Pour l'application de cet article, il faut entendre par :
1° allocation de chômage : l'allocation de chômage ou d'attente visée à l'article 100, l'allocation pour les heures de chômage temporaire visée aux articles 106 et 107 et l'allocation de garantie de revenus visée à l'article 131bis de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
2° revenu d'intégration : le revenu d'intégration visé dans la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
3° aide sociale financière : l'aide financière visée à l'article 60, § 3, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale.]1
§ 4. Les conditions supplémentaires visées à l'article 2, § 2, alinéa 2, de la loi sont les suivantes :
1° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer les travaux ou services financés par les titres-services en sous-traitance par une autre entreprise ou tout autre organisme;
2° (l'entreprise s'engage à ne pas pratiquer à l'encontre des travailleurs et des clients de discrimination directe ou indirecte visée à la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre certaines formes de discrimination;) <AR 2008-04-28/30, art. 2, 014; En vigueur : 01-05-2008>
3° l'entreprise s'engage à créer un environnement de travail offrant des conditions, des situations, des contenus et des relations de travail équitables, conformément aux conventions collectives de travail et aux réglementations applicables;
4° l'entreprise s'engage à ne pas faire prester des travaux dans un environnement présentant des dangers et des risques inacceptables pour les travailleurs ou dans un environnement où les travailleurs risqueraient d'êtres victimes d'abus ou de traitements discriminatoires.
(5° l'entreprise s'engage à ne faire payer par des titres-services que le volume de travail des activités visées à l'article 1er, alinéa 1er, 2°, qui, à partir de son agrément, vient en supplément; il peut être dérogé à cet engagement par une convention conclue entre le Ministre de l'Emploi et un secteur d'entreprises, un groupement d'entreprises agréées ou une entreprise agréée;
6° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs pour lesquels une exonération de paiement de cotisations patronales pour la sécurité sociale est accordée en application de l'article 7 de l'arrêté royal n° 474 du 28 octobre 1986 portant création d'un régime de contractuels subventionnés par l'Etat auprès de certains pouvoirs locaux ou de l'article 99, alinéa 1er, de la loi-programme du 30 décembre 1988;
7° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs dont l'occupation est financée en application de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand.) <AR 2004-03-31/33, art. 5, 004; En vigueur : 16-04-2004>
[3 8° L'entreprise s'engage à faire usage, sans restriction, de titres-services papiers et de titres-services sous la forme dématérialisée visée à l'article 3, § 1er, alinéa 2.]3
(9° l'entreprise qui exerce des activités dans le cadre du transport accompagné de personnes à mobilité réduite s'engage à contrôler que les prestations concernant ces activités sont uniquement fournies en faveur des utilisateurs visés à l'article 1er, alinéa 3;
10° l'entreprise s'engage à effectuer, dans le cadre des travaux ou services de proximité, uniquement les activités autorisées dans la décision d'agrément;
11° l'entreprise s'engage à transmettre déjà pendant la période de douze mois qui commence à courir à partir de la date d'entrée en vigueur de l'agrément, des titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement et à transmettre, après l'expiration de cette période, pendant chaque nouvelle période de douze mois des titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement.) <AR 2006-03-05/39, art. 2, 1°, 010; En vigueur : 22-03-2006. La date d'entrée en vigueur de l'agrément est fixée au 22-03-2006 pour les entreprises qui sont agréées avant cette date.>
(12° l'entreprise s'engage à respecter toutes les dispositions légales et réglementaires prévues dans la loi et dans le présent arrêté;
13° si la section sui generis d'une entreprise agréée visée à l'article 670 du Code des sociétés du 7 mai 1999 est transformée en une entreprise autonome, l'entreprise s'engage à effectuer cette scission conformément aux articles 671 à 679 de ce code.) <AR 2007-01-16/30, art. 1, 012; En vigueur : 29-01-2007>
(14° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs mis à l'emploi dans le cadre de l'article 60, § 7, de la loi organique des centres publics d'aide sociale du 8 juillet 1976.) <AR 2007-01-16/31, art. 1, 011; En vigueur : 01-01-2007>
(15° L'entreprise s'engage à organiser l'enregistrement des activités titres-services de manière telle qu'on puisse vérifier exactement la relation entre les prestations mensuelles de chaque travailleur titres-services individuel, l'utilisateur et les titres-services correspondants.) <AR 2007-07-13/36, art. 2, 013; En vigueur : 01-10-2007>
(16° L'entreprise s'engage à renseigner comme tels ses travailleurs titres-services dans la déclaration multifonctionnelle (DMFA).) <AR 2007-07-13/36, art. 2, 013; En vigueur : 01-08-2007>
[17° [6 L'entreprise s'engage à ne pas compter parmi les administrateurs, gérants, mandataires ou personnes ayant le pouvoir d'engager l'entreprise, des personnes physiques ou morales qui, dans les trois années écoulées, ont été administrateur, gérant, mandataire ou personne ayant le pouvoir d'engager l'entreprise, d'une entreprise dont l'agrément a été retiré en application des articles 2septies, 2octies et 2nonies, à l'exception de 2nonies, § 1er, c)]6;] <AR 2008-04-28/30, art. 2, 014; En vigueur : 01-05-2008>
(18° L'entreprise s'engage à ce que le nombre d'heures de travail prestées par des travailleurs avec un contrat de travail titres-services déclaré à l'ONSS par trimestre soit au moins égal au nombre des titres-services transmis à la société émettrice aux fins de remboursement pour des prestations effectuées dans la même période.) <AR 2008-04-28/30, art. 2, 014; En vigueur : 01-05-2008>
[2 19° l'entreprise s'engage à fournir à l'ONEm dans le délai requis les données demandées par l'ONEm en exécution de l'article 12.]2
[4 20° L'entreprise s'engage à respecter toutes les dispositions de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers et de l'arrêté royal du 9 juin 1999 portant exécution de la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers.]4
(Pour la conclusion d'une convention visée à l'alinéa 1er, 5°, il faut notamment tenir compte du genre d'activité exercée et du fait (de savoir) si le secteur d'entreprises, le groupement d'entreprises agréées ou l'entreprise agréée existaient déjà et exerçaient déjà cette activité avant l'entrée en vigueur du dispositif des titres-services chez le même type d'utilisateurs. Un objectif concret en ce qui concerne des emplois supplémentaires doit être formulé dans cette convention.) <AR 2004-03-31/33, art. 6, 004; En vigueur : 16-04-2004> <AR 2006-03-05/39, art. 2, 2°, 010; En vigueur : 22-03-2006>
[Si la section sui generis d'une entreprise agréée est transformée en une entreprise autonome, il sera tenu compte, pour ce qui concerne la condition concernant le volume de travail supplémentaire, visée à l'alinéa 1er, 5°, de l'évolution du volume de travail des travailleurs n'ayant pas un contrat de travail titres-services de l'entreprise initialement agréée.] <AR 2007-01-16/30, art. 1, 012; En vigueur : 29-01-2007>
Wijzigingen
Art. 2quater_WAALS_GEWEST. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-09/33, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. Na advies van de Commissie kan de Minister van Werk overgaan tot de erkenning van een onderneming die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.
§ 2. Voor de toepassing van artikel 2, § 2, eerste lid, a, van de wet moet worden verstaan onder sui generis afdeling, opgericht binnen een onderneming die reeds een andere activiteit heeft en die wil toetreden tot het stelsel van de dienstencheques, een afdeling met de volgende kenmerken :
1° er is een specifieke verantwoordelijke aangeduid voor de afdeling;
2° de afdeling engageert zich om herkenbaar te zijn door haar erkenning als erkende onderneming en de publiciteit daaromtrent;
3° de dienstencheque-activiteiten zullen apart geregistreerd worden, inzonderheid ten behoeve van de sociale overlegstructuren in de onderneming en de sociale inspectie;
[5 4° er wordt een aparte boekhouding gevoerd betreffende de dienstencheque-activiteiten.]5
§ 3. Het geven van voorrang door de onderneming [1 aan de werknemers [12 die als werkzoekende zijn ingeschreven bij een bevoegde openbare dienst voor arbeidsbemiddeling in België]12]1 voor het bekomen van een voltijdse betrekking of van een andere, al dan niet bijkomende, deeltijdse betrekking zoals bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, c, van de wet dient te gebeuren overeenkomstig de volgende modaliteiten :
1° [1 de werknemer [12 die als werkzoekende is ingeschreven bij een bevoegde openbare dienst voor arbeidsbemiddeling in België]12]1 moet op het ogenblik dat hij zijn arbeidsovereenkomst dienstencheques ondertekent bij zijn werkgever schriftelijk een aanvraag indienen tot het bekomen van bijkomende arbeidsuren zodat hij zo vlug als mogelijk een voltijdse dienstbetrekking kan verkrijgen. Deze aanvraag wordt geacht deel uit te maken van de arbeidsovereenkomst;
2° de werkgever moet [1 de werknemer [12 die als werkzoekende is ingeschreven bij een bevoegde openbare dienst voor arbeidsbemiddeling in België]12]1 schriftelijk elke vacante voltijdse of deeltijdse dienstbetrekking prioritair aanbieden die dezelfde of een gelijkaardige functie betreft als die welke de werknemer reeds uitoefent, waarvoor hij de vereiste kwalificaties bezit en waarvoor hij in het kader van de arbeidsorganisatie in de onderneming in aanmerking kan komen. Voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing wordt rekening gehouden met de inkomsten van alle lopende arbeidsovereenkomsten bij dezelfde werkgever.
[12 ...]12
§ 4. De bijkomende voorwaarden zoals bedoeld in artikel 2, § 2, tweede lid van de wet zijn de volgende :
1° de onderneming verbindt zich ertoe geen werken of diensten die worden gefinancierd met dienstencheques in onderaanneming te laten uitvoeren door een andere onderneming of instelling;
2° (de onderneming verbindt zich ertoe geen werknemers en klanten direct of indirect te discrimineren zoals bedoeld in [11 de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen en"]11 de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;) <KB 2008-04-28/30, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008>
3° de onderneming verbindt zich tot de organisatie van een werkomgeving met billijke arbeidsvoorwaarden, -situaties, -invulling en -verhoudingen overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomsten en de reglementeringen die van toepassing zijn;
4° [13 de onderneming beperkt de risico's voor de werknemer door:
a) geen werk te laten uitvoeren in een omgeving met onaanvaardbare gevaren of risico's;
b) geen werk te laten uitvoeren in een omgeving waar de werknemer het risico loopt het slachtoffer te worden van misbruik of discriminerende behandeling;
c) de risicoanalyse uit te voeren bedoeld in artikel I.2-2 en volgende van de Codex over het welzijn op het werk;
d) de maatregelen (na te leven) in acht te nemen met betrekking tot de controle van de gezondheid van de werknemers bedoeld in de artikelen I.4-1 en volgende van de Codex over het welzijn op het werk]13;
(5° de onderneming verbindt zich ertoe om alleen het vanaf haar erkenning bijkomend arbeidsvolume van activiteiten bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2°, te laten betalen met dienstencheques; van deze verbintenis kan worden afgeweken bij een convenant gesloten tussen de Minister van Werk en een bedrijfssector, een groepering van erkende ondernemingen of een erkende onderneming;
6° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers voor wie [11 een tegemoetkoming wordt verleend krachtens [12 het decreet van 10 juni 2021 betreffende het standvastig maken van de in het kader van de regeling voor de steun ter bevordering van de tewerkstelling (Franse afkorting "APE") gecreëerde jobs en de creatie van jobs die beantwoorden aan prioritaire maatschappelijke behoeften]12, door bepaalde werkgevers in de niet-commerciële sector, het onderwijs, of krachtens het decreet van 2 mei 2013 betreffende de financiële incentives ter bevordering van de indienstneming van personeel bij sommige ondernemingen]11;
7° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers waarvan de tewerkstelling gefinancierd wordt met toepassing van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector;) <KB 2004-03-31/33, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004>
[3 8° De onderneming verbindt zich ertoe om, zonder beperking, gebruik te maken van papieren dienstencheques en van dienstencheques in gedematerialiseerde vorm [13 ...]13;]3
(9° de onderneming die activiteiten uitoefent in het kader van begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit verbindt zich ertoe te controleren dat voor die activiteiten enkel prestaties worden geleverd ten gunste van gebruikers bedoeld in [12 artikel 1, vijfde lid]12;
10° de onderneming verbindt zich ertoe om in het kader van de buurtwerken of -diensten alleen activiteiten uit te voeren die toegelaten zijn in de beslissing tot erkenning;
11° de onderneming verbindt zich ertoe om reeds tijdens de periode van twaalf maanden die ingaat op de ingangsdatum van de erkenning, dienstencheques voor betaling over te maken aan het uitgiftebedrijf en om na afloop van deze periode tijdens elke nieuwe periode van twaalf maanden dienstencheques voor betaling over te maken aan het uitgiftebedrijf;) <KB 2006-03-05/39, art. 2, 1°, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006. De ingangsdatum van de erkenning wordt vastgesteld op 22-03-2006 voor de ondernemingen die vóór deze datum erkend zijn; >
(12° de onderneming verbindt zich ertoe om alle wettelijke en reglementaire bepalingen voorzien in de wet en [11 de uitvoeringsbesluiten ervan na te leven]11;
13° [11 ...]11
(14° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers tewerkgesteld in het kader van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;) <KB 2007-01-16/31, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
(15° De onderneming verbindt zich ertoe om de registratie van de dienstenchequeactiviteiten op dergelijke wijze te organiseren dat het mogelijk is exact na te gaan wat het verband is tussen de maandelijkse prestaties van elke individuele dienstenchequewerknemer, de gebruiker en de overeenkomstige dienstencheques;) <KB 2007-07-13/36, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-10-2007>
(16° De onderneming verbindt zich ertoe om zijn dienstenchequewerknemers als dusdanig aan te geven in de multifunctionele aangifte (DMFA);) <KB 2007-07-13/36, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
[1 7° [8 De onderneming verbindt zich ertoe om onder de bestuurders, zaakvoerders, lasthebbers of personen bevoegd om de onderneming te verbinden, noch rechtstreeks, noch via een bouw opgericht om deze erkenningsvoorwaarde te ontwijken, geen persoon te tellen die :
a) tijdens de periode van drie jaar [11 die afgelopen is]11 bestuurder, zaakvoerder, lasthebber of persoon bevoegd om de onderneming te verbinden, geweest is van een onderneming waarvan de erkenning werd ingetrokken met toepassing van de artikelen 2septies, 2octies en 2nonies, met uitzondering van 2nonies, § 1, c);
b) aan wie verbod tot uitoefening van dergelijke functies is opgelegd krachtens de wetgeving op het gerechtelijk verbod tot uitoefening van bepaalde functies, beroepen of activiteiten opgelegd aan sommige veroordeelden en faillietverklaarden;
c) [11 die in de afgelopen vijf jaar verantwoordelijk is gehouden voor de verbintenissen of de schulden van een failliet verklaarde vennootschap of vereniging of waarvoor de rechtbank de kwijtschelding van de schulden niet uitgesproken heeft" vervangen;]11
d) die gedurende de periode van vijf jaar die voorafgaat [11 die afgelopen is]11 veroordeeld werd voor elke overtreding begaan op fiscaal of sociaal vlak of op het gebied van de wettelijke of reglementaire bepalingen betreffende de uitoefening van de activiteit van de erkende onderneming;
e) wier burgerlijke en politieke rechten zijn ontnomen;]8
[1 8° De onderneming verbindt zich ertoe dat het aantal bij de RSZ aangegeven arbeidsuren gepresteerd door werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques per kwartaal minstens gelijk is aan het aantal aan het uitgiftebedrijf voor betaling overgemaakte dienstencheques voor verrichte prestaties in dezelfde periode;] <KB 2008-04-28/30, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008>
19° [9 de onderneming verbindt zich ertoe de door de "Forem" in uitvoering van artikel 12 gevraagde gegevens binnen de vereiste termijn aan het uitgiftebedrijf te bezorgen;]9
[20° [10 de onderneming verbindt zich ertoe alle wetgevingen en reglementering toepasselijk op de tewerkstelling van de buitenlandse werknemers na te leven;]10
[12 21° de onderneming verbindt zich ertoe niet toe te staan dat diensten betaald door middel van dienstencheques worden verricht door werknemers van wie de tewerkstelling niet vooraf is aangegeven bij de RSZ, overeenkomstig het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.]12
[13 22А de erkende onderneming int de dienstencheque alleen als vergoeding van de gebruiker voor het verlenen van huishoudelijke hulp aan huis, onverminderd, in voorkomend geval, de kosten bedoeld in artikel XIX.4 van het Wetboek van economisch recht ten laste van de gebruiker;
23А de erkende onderneming koppelt (de terbeschikkingstelling) het aanbod inzake huishoudelijke hulp die wordt betaald door middel van dienstencheques niet aan de verwerving van andere goederen of diensten;
24А onverminderd bepalingen die gunstiger zijn voor de werknemer draagt de erkende onderneming voor de werknemers die in een vestigingseenheid in het Waals Gewest zijn tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst dienstencheques, bij in de kosten voor het woon-werkverkeer ten belope van, naargelang het geval:
a) de volledige verplaatsingskosten met het openbaar vervoer;
b) een kilometervergoeding die gelijk is aan de vergoeding die de federale overheid aan haar personeel toekent voor verplaatsingen per fiets;
c) voor verplaatsingen met eigen vervoer, een kilometervergoeding die gelijk is aan het tarief voor openbaar vervoer voor het aantal kilometers langs de kortste route tussen de woon- en de werkplaats.]13
(Voor het sluiten van een convenant bedoeld in het eerste lid, 5°, dient inzonderheid rekening gehouden te worden met het soort van uitgeoefende activiteit en het feit of de betrokken bedrijfssector, groepering van erkende ondernemingen of erkende onderneming reeds bestond en deze activiteit reeds uitoefende voor de inwerkingtreding van de regeling dienstencheques bij hetzelfde type van gebruikers. In dit convenant dient een concreet objectief inzake bijkomende tewerkstelling geformuleerd te worden.) <KB 2004-03-31/33, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004>
(Indien een sui generis afdeling van een erkende onderneming omgevormd wordt tot een zelfstandige onderneming, zal, voor wat de voorwaarde betreft inzake bijkomend arbeidsvolume, bedoeld in het eerste lid, 5°, rekening gehouden worden met de evolutie van het arbeidsvolume van de werknemers zonder arbeidsovereenkomst dienstencheques van de oorspronkelijk erkende onderneming.) <KB 2007-01-16/30, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 29-01-2007>
[12 Bij gebreke van een inschrijving als bedoeld in het eerste lid, 15°, is de dienstencheque die tijdens de inbreukperiode is afgegeven en waarvoor de inschrijving onvolledig, onjuist of niet-bestaand is, onverschuldigd.]12
[11 Wat betreft de voorwaarde bedoeld in lid 1, 17°, wordt de termijn vanaf de integratieperiode binnen de onderneming berekend. De integratieperiode binnen de onderneming begint de dag waarop de persoon bestuurder, zaakvoerder, lasthebber of persoon bevoegd om de onderneming te verbinden wordt en houdt op de dag waarop de persoon niet langer een van die functies uitoefent.]11
[13 In afwijking van paragraaf 1, 22А, kunnen de erkende onderneming en de gebruiker voor de activiteiten boodschappen doen en begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit overeenkomen dat de gebruiker bijdraagt in de vervoerskosten van de dienstenchequewerknemer. Deze tegemoetkoming ligt niet hoger dan de vergoeding bedoeld in het eerste lid, 24А, c).]13
§ 2. Voor de toepassing van artikel 2, § 2, eerste lid, a, van de wet moet worden verstaan onder sui generis afdeling, opgericht binnen een onderneming die reeds een andere activiteit heeft en die wil toetreden tot het stelsel van de dienstencheques, een afdeling met de volgende kenmerken :
1° er is een specifieke verantwoordelijke aangeduid voor de afdeling;
2° de afdeling engageert zich om herkenbaar te zijn door haar erkenning als erkende onderneming en de publiciteit daaromtrent;
3° de dienstencheque-activiteiten zullen apart geregistreerd worden, inzonderheid ten behoeve van de sociale overlegstructuren in de onderneming en de sociale inspectie;
[5 4° er wordt een aparte boekhouding gevoerd betreffende de dienstencheque-activiteiten.]5
§ 3. Het geven van voorrang door de onderneming [1 aan de werknemers [12 die als werkzoekende zijn ingeschreven bij een bevoegde openbare dienst voor arbeidsbemiddeling in België]12]1 voor het bekomen van een voltijdse betrekking of van een andere, al dan niet bijkomende, deeltijdse betrekking zoals bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, c, van de wet dient te gebeuren overeenkomstig de volgende modaliteiten :
1° [1 de werknemer [12 die als werkzoekende is ingeschreven bij een bevoegde openbare dienst voor arbeidsbemiddeling in België]12]1 moet op het ogenblik dat hij zijn arbeidsovereenkomst dienstencheques ondertekent bij zijn werkgever schriftelijk een aanvraag indienen tot het bekomen van bijkomende arbeidsuren zodat hij zo vlug als mogelijk een voltijdse dienstbetrekking kan verkrijgen. Deze aanvraag wordt geacht deel uit te maken van de arbeidsovereenkomst;
2° de werkgever moet [1 de werknemer [12 die als werkzoekende is ingeschreven bij een bevoegde openbare dienst voor arbeidsbemiddeling in België]12]1 schriftelijk elke vacante voltijdse of deeltijdse dienstbetrekking prioritair aanbieden die dezelfde of een gelijkaardige functie betreft als die welke de werknemer reeds uitoefent, waarvoor hij de vereiste kwalificaties bezit en waarvoor hij in het kader van de arbeidsorganisatie in de onderneming in aanmerking kan komen. Voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing wordt rekening gehouden met de inkomsten van alle lopende arbeidsovereenkomsten bij dezelfde werkgever.
[12 ...]12
§ 4. De bijkomende voorwaarden zoals bedoeld in artikel 2, § 2, tweede lid van de wet zijn de volgende :
1° de onderneming verbindt zich ertoe geen werken of diensten die worden gefinancierd met dienstencheques in onderaanneming te laten uitvoeren door een andere onderneming of instelling;
2° (de onderneming verbindt zich ertoe geen werknemers en klanten direct of indirect te discrimineren zoals bedoeld in [11 de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen en"]11 de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;) <KB 2008-04-28/30, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008>
3° de onderneming verbindt zich tot de organisatie van een werkomgeving met billijke arbeidsvoorwaarden, -situaties, -invulling en -verhoudingen overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomsten en de reglementeringen die van toepassing zijn;
4° [13 de onderneming beperkt de risico's voor de werknemer door:
a) geen werk te laten uitvoeren in een omgeving met onaanvaardbare gevaren of risico's;
b) geen werk te laten uitvoeren in een omgeving waar de werknemer het risico loopt het slachtoffer te worden van misbruik of discriminerende behandeling;
c) de risicoanalyse uit te voeren bedoeld in artikel I.2-2 en volgende van de Codex over het welzijn op het werk;
d) de maatregelen (na te leven) in acht te nemen met betrekking tot de controle van de gezondheid van de werknemers bedoeld in de artikelen I.4-1 en volgende van de Codex over het welzijn op het werk]13;
(5° de onderneming verbindt zich ertoe om alleen het vanaf haar erkenning bijkomend arbeidsvolume van activiteiten bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2°, te laten betalen met dienstencheques; van deze verbintenis kan worden afgeweken bij een convenant gesloten tussen de Minister van Werk en een bedrijfssector, een groepering van erkende ondernemingen of een erkende onderneming;
6° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers voor wie [11 een tegemoetkoming wordt verleend krachtens [12 het decreet van 10 juni 2021 betreffende het standvastig maken van de in het kader van de regeling voor de steun ter bevordering van de tewerkstelling (Franse afkorting "APE") gecreëerde jobs en de creatie van jobs die beantwoorden aan prioritaire maatschappelijke behoeften]12, door bepaalde werkgevers in de niet-commerciële sector, het onderwijs, of krachtens het decreet van 2 mei 2013 betreffende de financiële incentives ter bevordering van de indienstneming van personeel bij sommige ondernemingen]11;
7° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers waarvan de tewerkstelling gefinancierd wordt met toepassing van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector;) <KB 2004-03-31/33, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004>
[3 8° De onderneming verbindt zich ertoe om, zonder beperking, gebruik te maken van papieren dienstencheques en van dienstencheques in gedematerialiseerde vorm [13 ...]13;]3
(9° de onderneming die activiteiten uitoefent in het kader van begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit verbindt zich ertoe te controleren dat voor die activiteiten enkel prestaties worden geleverd ten gunste van gebruikers bedoeld in [12 artikel 1, vijfde lid]12;
10° de onderneming verbindt zich ertoe om in het kader van de buurtwerken of -diensten alleen activiteiten uit te voeren die toegelaten zijn in de beslissing tot erkenning;
11° de onderneming verbindt zich ertoe om reeds tijdens de periode van twaalf maanden die ingaat op de ingangsdatum van de erkenning, dienstencheques voor betaling over te maken aan het uitgiftebedrijf en om na afloop van deze periode tijdens elke nieuwe periode van twaalf maanden dienstencheques voor betaling over te maken aan het uitgiftebedrijf;) <KB 2006-03-05/39, art. 2, 1°, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006. De ingangsdatum van de erkenning wordt vastgesteld op 22-03-2006 voor de ondernemingen die vóór deze datum erkend zijn; >
(12° de onderneming verbindt zich ertoe om alle wettelijke en reglementaire bepalingen voorzien in de wet en [11 de uitvoeringsbesluiten ervan na te leven]11;
13° [11 ...]11
(14° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers tewerkgesteld in het kader van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;) <KB 2007-01-16/31, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
(15° De onderneming verbindt zich ertoe om de registratie van de dienstenchequeactiviteiten op dergelijke wijze te organiseren dat het mogelijk is exact na te gaan wat het verband is tussen de maandelijkse prestaties van elke individuele dienstenchequewerknemer, de gebruiker en de overeenkomstige dienstencheques;) <KB 2007-07-13/36, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-10-2007>
(16° De onderneming verbindt zich ertoe om zijn dienstenchequewerknemers als dusdanig aan te geven in de multifunctionele aangifte (DMFA);) <KB 2007-07-13/36, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
[1 7° [8 De onderneming verbindt zich ertoe om onder de bestuurders, zaakvoerders, lasthebbers of personen bevoegd om de onderneming te verbinden, noch rechtstreeks, noch via een bouw opgericht om deze erkenningsvoorwaarde te ontwijken, geen persoon te tellen die :
a) tijdens de periode van drie jaar [11 die afgelopen is]11 bestuurder, zaakvoerder, lasthebber of persoon bevoegd om de onderneming te verbinden, geweest is van een onderneming waarvan de erkenning werd ingetrokken met toepassing van de artikelen 2septies, 2octies en 2nonies, met uitzondering van 2nonies, § 1, c);
b) aan wie verbod tot uitoefening van dergelijke functies is opgelegd krachtens de wetgeving op het gerechtelijk verbod tot uitoefening van bepaalde functies, beroepen of activiteiten opgelegd aan sommige veroordeelden en faillietverklaarden;
c) [11 die in de afgelopen vijf jaar verantwoordelijk is gehouden voor de verbintenissen of de schulden van een failliet verklaarde vennootschap of vereniging of waarvoor de rechtbank de kwijtschelding van de schulden niet uitgesproken heeft" vervangen;]11
d) die gedurende de periode van vijf jaar die voorafgaat [11 die afgelopen is]11 veroordeeld werd voor elke overtreding begaan op fiscaal of sociaal vlak of op het gebied van de wettelijke of reglementaire bepalingen betreffende de uitoefening van de activiteit van de erkende onderneming;
e) wier burgerlijke en politieke rechten zijn ontnomen;]8
[1 8° De onderneming verbindt zich ertoe dat het aantal bij de RSZ aangegeven arbeidsuren gepresteerd door werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques per kwartaal minstens gelijk is aan het aantal aan het uitgiftebedrijf voor betaling overgemaakte dienstencheques voor verrichte prestaties in dezelfde periode;] <KB 2008-04-28/30, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008>
19° [9 de onderneming verbindt zich ertoe de door de "Forem" in uitvoering van artikel 12 gevraagde gegevens binnen de vereiste termijn aan het uitgiftebedrijf te bezorgen;]9
[20° [10 de onderneming verbindt zich ertoe alle wetgevingen en reglementering toepasselijk op de tewerkstelling van de buitenlandse werknemers na te leven;]10
[12 21° de onderneming verbindt zich ertoe niet toe te staan dat diensten betaald door middel van dienstencheques worden verricht door werknemers van wie de tewerkstelling niet vooraf is aangegeven bij de RSZ, overeenkomstig het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.]12
[13 22А de erkende onderneming int de dienstencheque alleen als vergoeding van de gebruiker voor het verlenen van huishoudelijke hulp aan huis, onverminderd, in voorkomend geval, de kosten bedoeld in artikel XIX.4 van het Wetboek van economisch recht ten laste van de gebruiker;
23А de erkende onderneming koppelt (de terbeschikkingstelling) het aanbod inzake huishoudelijke hulp die wordt betaald door middel van dienstencheques niet aan de verwerving van andere goederen of diensten;
24А onverminderd bepalingen die gunstiger zijn voor de werknemer draagt de erkende onderneming voor de werknemers die in een vestigingseenheid in het Waals Gewest zijn tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst dienstencheques, bij in de kosten voor het woon-werkverkeer ten belope van, naargelang het geval:
a) de volledige verplaatsingskosten met het openbaar vervoer;
b) een kilometervergoeding die gelijk is aan de vergoeding die de federale overheid aan haar personeel toekent voor verplaatsingen per fiets;
c) voor verplaatsingen met eigen vervoer, een kilometervergoeding die gelijk is aan het tarief voor openbaar vervoer voor het aantal kilometers langs de kortste route tussen de woon- en de werkplaats.]13
(Voor het sluiten van een convenant bedoeld in het eerste lid, 5°, dient inzonderheid rekening gehouden te worden met het soort van uitgeoefende activiteit en het feit of de betrokken bedrijfssector, groepering van erkende ondernemingen of erkende onderneming reeds bestond en deze activiteit reeds uitoefende voor de inwerkingtreding van de regeling dienstencheques bij hetzelfde type van gebruikers. In dit convenant dient een concreet objectief inzake bijkomende tewerkstelling geformuleerd te worden.) <KB 2004-03-31/33, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004>
(Indien een sui generis afdeling van een erkende onderneming omgevormd wordt tot een zelfstandige onderneming, zal, voor wat de voorwaarde betreft inzake bijkomend arbeidsvolume, bedoeld in het eerste lid, 5°, rekening gehouden worden met de evolutie van het arbeidsvolume van de werknemers zonder arbeidsovereenkomst dienstencheques van de oorspronkelijk erkende onderneming.) <KB 2007-01-16/30, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 29-01-2007>
[12 Bij gebreke van een inschrijving als bedoeld in het eerste lid, 15°, is de dienstencheque die tijdens de inbreukperiode is afgegeven en waarvoor de inschrijving onvolledig, onjuist of niet-bestaand is, onverschuldigd.]12
[11 Wat betreft de voorwaarde bedoeld in lid 1, 17°, wordt de termijn vanaf de integratieperiode binnen de onderneming berekend. De integratieperiode binnen de onderneming begint de dag waarop de persoon bestuurder, zaakvoerder, lasthebber of persoon bevoegd om de onderneming te verbinden wordt en houdt op de dag waarop de persoon niet langer een van die functies uitoefent.]11
[13 In afwijking van paragraaf 1, 22А, kunnen de erkende onderneming en de gebruiker voor de activiteiten boodschappen doen en begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit overeenkomen dat de gebruiker bijdraagt in de vervoerskosten van de dienstenchequewerknemer. Deze tegemoetkoming ligt niet hoger dan de vergoeding bedoeld in het eerste lid, 24А, c).]13
Wijzigingen
Art. 2quater _REGION_WALLONNE.
§ 1er. Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, peut agréer une entreprise qui satisfait aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2, et 3, de la loi.
§ 2. Pour l'application de l'article 2, § 2, alinéa 1er, a, de la loi il faut entendre par une section sui generis, créée dans une entreprise qui exerce déjà une autre activité et qui veut adhérer au système des titres-services, une section avec les caractéristiques suivantes :
1° un responsable spécifique est désigné pour la section;
2° la section s'engage à être identifiable par son agrément comme entreprise agréée et la publicité ad hoc;
3° les activités couvertes par les titres-services seront enregistrées séparément, notamment à l'intention des structures de concertation sociale dans l'entreprise et de l'inspection sociale.
[5 4° une comptabilité distincte concernant les activités titres-services est tenue.]5
§ 3. L'attribution par l'entreprise d'une priorité [1 aux travailleurs [12 inscrits comme chercheurs d'emploi auprès d'un service public de l'emploi compétent en Belgique]12]1 pour l'obtention d'un emploi à temps plein ou d'un autre emploi à temps partiel, supplémentaire ou non, visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, c, de la loi, doit se faire conformément aux modalités suivantes :
1° le [1 travailleur [12 inscrit comme chercheur d'emploi auprès d'un service public de l'emploi compétent en Belgique]12]1 doit, au moment où il signe son contrat de travail titres-services, introduire par écrit auprès de son employeur une demande d'obtention d'heures de travail complémentaires de sorte qu'il puisse obtenir aussi vite que possible un emploi à temps plein. Cette demande est censée faire partie du contrat de travail.
2° l'employeur doit offrir en priorité par écrit au [1 travailleur [12 inscrit comme chercheur d'emploi auprès d'un service public de l'emploi compétent en Belgique]12]1 chaque emploi vacant à temps plein ou à temps partiel, ayant trait à la même fonction ou à une fonction analogue à celle que le travailleur exerce déjà, pour laquelle il possède les qualifications requises et pour laquelle il entre en ligne de compte dans le cadre de l'organisation du travail dans l'entreprise. Pour le calcul du précompte professionnel il sera tenu compte des revenus de tous les contrats de travail en cours auprès du même employeur.
[12 ...]12
§ 4. Les conditions supplémentaires visées à l'article 2, § 2, alinéa 2, de la loi sont les suivantes :
1° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer les travaux ou services financés par les titres-services en sous-traitance par une autre entreprise ou tout autre organisme;
2° (l'entreprise s'engage à ne pas pratiquer à l'encontre des travailleurs et des clients de discrimination directe ou indirecte visée à [11 la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme ou la xénophobie, la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre la discrimination entre les femmes et les hommes et]11 la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre certaines formes de discrimination;) <AR 2008-04-28/30, art. 2, 014; En vigueur : 01-05-2008>
3° l'entreprise s'engage à créer un environnement de travail offrant des conditions, des situations, des contenus et des relations de travail équitables, conformément aux conventions collectives de travail et aux réglementations applicables;
4° [13 l'entreprise limite les risques pour le travailleur en :
a) ne faisant pas prester des travaux dans un environnement qui présente des dangers ou des risques inacceptables ;
b) ne faisant pas prester des travaux dans un environnement où le travailleur risquerait d'être victime d'abus ou de traitement discriminatoire ;
c) procédant à l'analyse des risques visée aux articles I.2-2 et suivants du Code du bien-être au travail ;
d) respectant les mesures relatives à la surveillance de la santé des travailleurs visées aux articles I.4-1 et suivants du Code du bien-être au travail ;]13
(5° l'entreprise s'engage à ne faire payer par des titres-services que le volume de travail des activités visées à l'article 1er, alinéa 1er, 2°, qui, à partir de son agrément, vient en supplément; il peut être dérogé à cet engagement par une convention conclue entre le Ministre de l'Emploi et un secteur d'entreprises, un groupement d'entreprises agréées ou une entreprise agréée;
6° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs pour lesquels [11 une aide est allouée en vertu [12 du décret du 10 juin 2021 relatif à la pérennisation des emplois créés dans le cadre du dispositif des aides à la promotion de l'emploi (APE) et à la création d'emplois répondant à des besoins sociétaux prioritaires]12 ou en vertu du décret du 2 mai 2013 relatif aux incitants financiers visant à favoriser l'engagement de personnel auprès de certaines entreprises]11;
7° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs dont l'occupation est financée en application de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand;) <AR 2004-03-31/33, art. 5, 004; En vigueur : 16-04-2004>
[3 8° L'entreprise s'engage à faire usage, sans restriction, de titres-services papiers et de titres-services sous la forme dématérialisée [13 ...]13;]3
(9° l'entreprise qui exerce des activités dans le cadre du transport accompagné de personnes à mobilité réduite s'engage à contrôler que les prestations concernant ces activités sont uniquement fournies en faveur des utilisateurs visés à [12 l'article 1er, alinéa 5]12;
10° l'entreprise s'engage à effectuer, dans le cadre des travaux ou services de proximité, uniquement les activités autorisées dans la décision d'agrément;
11° l'entreprise s'engage à transmettre déjà pendant la période de douze mois qui commence à courir à partir de la date d'entrée en vigueur de l'agrément, des titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement et à transmettre, après l'expiration de cette période, pendant chaque nouvelle période de douze mois des titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement;) <AR 2006-03-05/39, art. 2, 1°, 010; En vigueur : 22-03-2006. La date d'entrée en vigueur de l'agrément est fixée au 22-03-2006 pour les entreprises qui sont agréées avant cette date.>
(12° l'entreprise s'engage à respecter toutes les dispositions légales et réglementaires prévues dans la loi et [11 ses arrêtés d'exécution]11;
13° [11 ...]11
(14° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs mis à l'emploi dans le cadre de l'article 60, § 7, de la loi organique des [11 centres publics d'action sociale]11 du 8 juillet 1976;) <AR 2007-01-16/31, art. 1, 011; En vigueur : 01-01-2007>
(15° L'entreprise s'engage à organiser l'enregistrement des activités titres-services de manière telle qu'on puisse vérifier exactement la relation entre les prestations mensuelles de chaque travailleur titres-services individuel, l'utilisateur et les titres-services correspondants;) <AR 2007-07-13/36, art. 2, 013; En vigueur : 01-10-2007>
(16° L'entreprise s'engage à renseigner comme tels ses travailleurs titres-services dans la déclaration multifonctionnelle (DMFA).) <AR 2007-07-13/36, art. 2, 013; En vigueur : 01-08-2007>
[1 7° [8 L'entreprise s'engage à ne pas compter, ni directement ni par le biais d'une construction créée dans le but de contourner la présente condition d'agrément, parmi les administrateurs, gérants, mandataires ou personnes ayant le pouvoir d'engager l'entreprise, une personne qui :
a) pendant la période de trois ans [11 écoulées]11, a été administrateur, gérant, mandataire ou personne ayant le pouvoir d'engager l'entreprise, d'une entreprise dont l'agrément a été retiré en application des articles 2septies, 2octies et 2nonies, à l'exception de l'article 2nonies, § 1er, c);
b) s'est vu interdire l'exercice de telles fonctions en vertu de la législation relative à l'interdiction judiciaire faite à certains condamnés et faillis d'exercer certaines fonctions, professions ou activités;
c) [11 dans les cinq années écoulées, a été déclarée responsable des engagements ou dettes d'une société ou d'une association en faillite ou pour laquelle le tribunal n'a pas prononcé l'effacement des dettes;]11
d) pendant la période de cinq ans [11 écoulées]11, a été condamnée pour toute infraction commise en matière fiscale, sociale ou dans le domaine des dispositions légales ou réglementaires relatives à l'exercice de l'activité de l'entreprise agréée;
e) est privée de ses droits civils et politiques;]8
(18° L'entreprise s'engage à ce que le nombre d'heures de travail prestées par des travailleurs avec un contrat de travail titres-services déclaré à l'ONSS par trimestre soit au moins égal au nombre des titres-services transmis à la société émettrice aux fins de remboursement pour des prestations effectuées dans la même période;) <AR 2008-04-28/30, art. 2, 014; En vigueur : 01-05-2008>
19° [9 l'entreprise s'engage à fournir à la société émettrice dans le délai requis les données demandées par le Forem en exécution de l'article 12; ]9
20° [10 l'entreprise s'engage à respecter toutes les législations et réglementations applicables à l'occupation des travailleurs étrangers;]10
[12 21° l'entreprise s'engage à ne pas laisser s'effectuer des prestations payées au moyen de titres-services par des travailleurs pour lesquels l'emploi n'a pas été déclaré préalablement à l'ONSS, conformément à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions.]12
[13 22° l'entreprise agréée perçoit uniquement le titre-service comme rétribution de l'utilisateur pour l'accomplissement de l'aide à domicile de nature ménagère, sans préjudice, le cas échéant, des frais visés à l'article XIX.4 du Code de droit économique dus par l'utilisateur ;
23° l'entreprise agréée ne lie pas l'offre d'aide à domicile de nature ménagère rémunérée par le biais de titres-services à l'acquisition d'autres biens ou services ;
24° sans préjudice de dispositions plus favorables au travailleur, pour le travailleur occupé dans une unité d'établissement située en Région wallonne dans le cadre d'un contrat de travail titres-services, l'entreprise agréée intervient dans les frais de déplacement domicile-travail à hauteur, selon le cas, de :
a) l'intégralité des frais de déplacement en transport en commun public ;
b) l'indemnité kilométrique équivalente à celle que l'autorité fédérale accorde à son personnel pour les déplacements en vélo ;
c) pour les déplacements par moyens propres, une indemnité kilométrique équivalente au prix de transport en commun public pour le nombre de kilomètres le long du chemin le plus court entre le domicile et le lieu de travail. ]13
(Pour la conclusion d'une convention visée à l'alinéa 1er, 5°, il faut notamment tenir compte du genre d'activité exercée et du fait (de savoir) si le secteur d'entreprises, le groupement d'entreprises agréées ou l'entreprise agréée existaient déjà et exerçaient déjà cette activité avant l'entrée en vigueur du dispositif des titres-services chez le même type d'utilisateurs. Un objectif concret en ce qui concerne des emplois supplémentaires doit être formulé dans cette convention.) <AR 2004-03-31/33, art. 6, 004; En vigueur : 16-04-2004> <AR 2006-03-05/39, art. 2, 2°, 010; En vigueur : 22-03-2006>
[Si la section sui generis d'une entreprise agréée est transformée en une entreprise autonome, il sera tenu compte, pour ce qui concerne la condition concernant le volume de travail supplémentaire, visée à l'alinéa 1er, 5°, de l'évolution du volume de travail des travailleurs n'ayant pas un contrat de travail titres-services de l'entreprise initialement agréée.] <AR 2007-01-16/30, art. 1, 012; En vigueur : 29-01-2007>
[12 A défaut d'enregistrement tel que visé à l'aliéna 1er, 15°, le titre-service remis pendant la période infractionnelle pour laquelle l'enregistrement est incomplet, erroné ou inexistant est indu.]12
[11 Pour la condition visée à l'aliéna 1er, 17°, le délai est décompté depuis la période d'intégration dans l'entreprise. La période d'intégration dans l'entreprise commence le jour où la personne devient administratrice, gérante, mandataire ou personne ayant le pouvoir d'engager l'entreprise et cesse le jour où la personne n'exerce plus aucune de ces fonctions.]11
[13 Par dérogation à l'alinéa 1er, 22°, pour les activités de courses ménagères et de transport accompagné de personnes à mobilité réduite, l'entreprise agréée et l'utilisateur peuvent convenir que ce dernier intervient dans les frais de transport du travailleur titres-services. Cette intervention n'est pas supérieure au défraiement visé à l'aliéna 1er, 24°, c). ]13
§ 1er. Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, peut agréer une entreprise qui satisfait aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2, et 3, de la loi.
§ 2. Pour l'application de l'article 2, § 2, alinéa 1er, a, de la loi il faut entendre par une section sui generis, créée dans une entreprise qui exerce déjà une autre activité et qui veut adhérer au système des titres-services, une section avec les caractéristiques suivantes :
1° un responsable spécifique est désigné pour la section;
2° la section s'engage à être identifiable par son agrément comme entreprise agréée et la publicité ad hoc;
3° les activités couvertes par les titres-services seront enregistrées séparément, notamment à l'intention des structures de concertation sociale dans l'entreprise et de l'inspection sociale.
[5 4° une comptabilité distincte concernant les activités titres-services est tenue.]5
§ 3. L'attribution par l'entreprise d'une priorité [1 aux travailleurs [12 inscrits comme chercheurs d'emploi auprès d'un service public de l'emploi compétent en Belgique]12]1 pour l'obtention d'un emploi à temps plein ou d'un autre emploi à temps partiel, supplémentaire ou non, visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, c, de la loi, doit se faire conformément aux modalités suivantes :
1° le [1 travailleur [12 inscrit comme chercheur d'emploi auprès d'un service public de l'emploi compétent en Belgique]12]1 doit, au moment où il signe son contrat de travail titres-services, introduire par écrit auprès de son employeur une demande d'obtention d'heures de travail complémentaires de sorte qu'il puisse obtenir aussi vite que possible un emploi à temps plein. Cette demande est censée faire partie du contrat de travail.
2° l'employeur doit offrir en priorité par écrit au [1 travailleur [12 inscrit comme chercheur d'emploi auprès d'un service public de l'emploi compétent en Belgique]12]1 chaque emploi vacant à temps plein ou à temps partiel, ayant trait à la même fonction ou à une fonction analogue à celle que le travailleur exerce déjà, pour laquelle il possède les qualifications requises et pour laquelle il entre en ligne de compte dans le cadre de l'organisation du travail dans l'entreprise. Pour le calcul du précompte professionnel il sera tenu compte des revenus de tous les contrats de travail en cours auprès du même employeur.
[12 ...]12
§ 4. Les conditions supplémentaires visées à l'article 2, § 2, alinéa 2, de la loi sont les suivantes :
1° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer les travaux ou services financés par les titres-services en sous-traitance par une autre entreprise ou tout autre organisme;
2° (l'entreprise s'engage à ne pas pratiquer à l'encontre des travailleurs et des clients de discrimination directe ou indirecte visée à [11 la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme ou la xénophobie, la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre la discrimination entre les femmes et les hommes et]11 la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre certaines formes de discrimination;) <AR 2008-04-28/30, art. 2, 014; En vigueur : 01-05-2008>
3° l'entreprise s'engage à créer un environnement de travail offrant des conditions, des situations, des contenus et des relations de travail équitables, conformément aux conventions collectives de travail et aux réglementations applicables;
4° [13 l'entreprise limite les risques pour le travailleur en :
a) ne faisant pas prester des travaux dans un environnement qui présente des dangers ou des risques inacceptables ;
b) ne faisant pas prester des travaux dans un environnement où le travailleur risquerait d'être victime d'abus ou de traitement discriminatoire ;
c) procédant à l'analyse des risques visée aux articles I.2-2 et suivants du Code du bien-être au travail ;
d) respectant les mesures relatives à la surveillance de la santé des travailleurs visées aux articles I.4-1 et suivants du Code du bien-être au travail ;]13
(5° l'entreprise s'engage à ne faire payer par des titres-services que le volume de travail des activités visées à l'article 1er, alinéa 1er, 2°, qui, à partir de son agrément, vient en supplément; il peut être dérogé à cet engagement par une convention conclue entre le Ministre de l'Emploi et un secteur d'entreprises, un groupement d'entreprises agréées ou une entreprise agréée;
6° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs pour lesquels [11 une aide est allouée en vertu [12 du décret du 10 juin 2021 relatif à la pérennisation des emplois créés dans le cadre du dispositif des aides à la promotion de l'emploi (APE) et à la création d'emplois répondant à des besoins sociétaux prioritaires]12 ou en vertu du décret du 2 mai 2013 relatif aux incitants financiers visant à favoriser l'engagement de personnel auprès de certaines entreprises]11;
7° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs dont l'occupation est financée en application de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand;) <AR 2004-03-31/33, art. 5, 004; En vigueur : 16-04-2004>
[3 8° L'entreprise s'engage à faire usage, sans restriction, de titres-services papiers et de titres-services sous la forme dématérialisée [13 ...]13;]3
(9° l'entreprise qui exerce des activités dans le cadre du transport accompagné de personnes à mobilité réduite s'engage à contrôler que les prestations concernant ces activités sont uniquement fournies en faveur des utilisateurs visés à [12 l'article 1er, alinéa 5]12;
10° l'entreprise s'engage à effectuer, dans le cadre des travaux ou services de proximité, uniquement les activités autorisées dans la décision d'agrément;
11° l'entreprise s'engage à transmettre déjà pendant la période de douze mois qui commence à courir à partir de la date d'entrée en vigueur de l'agrément, des titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement et à transmettre, après l'expiration de cette période, pendant chaque nouvelle période de douze mois des titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement;) <AR 2006-03-05/39, art. 2, 1°, 010; En vigueur : 22-03-2006. La date d'entrée en vigueur de l'agrément est fixée au 22-03-2006 pour les entreprises qui sont agréées avant cette date.>
(12° l'entreprise s'engage à respecter toutes les dispositions légales et réglementaires prévues dans la loi et [11 ses arrêtés d'exécution]11;
13° [11 ...]11
(14° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs mis à l'emploi dans le cadre de l'article 60, § 7, de la loi organique des [11 centres publics d'action sociale]11 du 8 juillet 1976;) <AR 2007-01-16/31, art. 1, 011; En vigueur : 01-01-2007>
(15° L'entreprise s'engage à organiser l'enregistrement des activités titres-services de manière telle qu'on puisse vérifier exactement la relation entre les prestations mensuelles de chaque travailleur titres-services individuel, l'utilisateur et les titres-services correspondants;) <AR 2007-07-13/36, art. 2, 013; En vigueur : 01-10-2007>
(16° L'entreprise s'engage à renseigner comme tels ses travailleurs titres-services dans la déclaration multifonctionnelle (DMFA).) <AR 2007-07-13/36, art. 2, 013; En vigueur : 01-08-2007>
[1 7° [8 L'entreprise s'engage à ne pas compter, ni directement ni par le biais d'une construction créée dans le but de contourner la présente condition d'agrément, parmi les administrateurs, gérants, mandataires ou personnes ayant le pouvoir d'engager l'entreprise, une personne qui :
a) pendant la période de trois ans [11 écoulées]11, a été administrateur, gérant, mandataire ou personne ayant le pouvoir d'engager l'entreprise, d'une entreprise dont l'agrément a été retiré en application des articles 2septies, 2octies et 2nonies, à l'exception de l'article 2nonies, § 1er, c);
b) s'est vu interdire l'exercice de telles fonctions en vertu de la législation relative à l'interdiction judiciaire faite à certains condamnés et faillis d'exercer certaines fonctions, professions ou activités;
c) [11 dans les cinq années écoulées, a été déclarée responsable des engagements ou dettes d'une société ou d'une association en faillite ou pour laquelle le tribunal n'a pas prononcé l'effacement des dettes;]11
d) pendant la période de cinq ans [11 écoulées]11, a été condamnée pour toute infraction commise en matière fiscale, sociale ou dans le domaine des dispositions légales ou réglementaires relatives à l'exercice de l'activité de l'entreprise agréée;
e) est privée de ses droits civils et politiques;]8
(18° L'entreprise s'engage à ce que le nombre d'heures de travail prestées par des travailleurs avec un contrat de travail titres-services déclaré à l'ONSS par trimestre soit au moins égal au nombre des titres-services transmis à la société émettrice aux fins de remboursement pour des prestations effectuées dans la même période;) <AR 2008-04-28/30, art. 2, 014; En vigueur : 01-05-2008>
19° [9 l'entreprise s'engage à fournir à la société émettrice dans le délai requis les données demandées par le Forem en exécution de l'article 12; ]9
20° [10 l'entreprise s'engage à respecter toutes les législations et réglementations applicables à l'occupation des travailleurs étrangers;]10
[12 21° l'entreprise s'engage à ne pas laisser s'effectuer des prestations payées au moyen de titres-services par des travailleurs pour lesquels l'emploi n'a pas été déclaré préalablement à l'ONSS, conformément à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions.]12
[13 22° l'entreprise agréée perçoit uniquement le titre-service comme rétribution de l'utilisateur pour l'accomplissement de l'aide à domicile de nature ménagère, sans préjudice, le cas échéant, des frais visés à l'article XIX.4 du Code de droit économique dus par l'utilisateur ;
23° l'entreprise agréée ne lie pas l'offre d'aide à domicile de nature ménagère rémunérée par le biais de titres-services à l'acquisition d'autres biens ou services ;
24° sans préjudice de dispositions plus favorables au travailleur, pour le travailleur occupé dans une unité d'établissement située en Région wallonne dans le cadre d'un contrat de travail titres-services, l'entreprise agréée intervient dans les frais de déplacement domicile-travail à hauteur, selon le cas, de :
a) l'intégralité des frais de déplacement en transport en commun public ;
b) l'indemnité kilométrique équivalente à celle que l'autorité fédérale accorde à son personnel pour les déplacements en vélo ;
c) pour les déplacements par moyens propres, une indemnité kilométrique équivalente au prix de transport en commun public pour le nombre de kilomètres le long du chemin le plus court entre le domicile et le lieu de travail. ]13
(Pour la conclusion d'une convention visée à l'alinéa 1er, 5°, il faut notamment tenir compte du genre d'activité exercée et du fait (de savoir) si le secteur d'entreprises, le groupement d'entreprises agréées ou l'entreprise agréée existaient déjà et exerçaient déjà cette activité avant l'entrée en vigueur du dispositif des titres-services chez le même type d'utilisateurs. Un objectif concret en ce qui concerne des emplois supplémentaires doit être formulé dans cette convention.) <AR 2004-03-31/33, art. 6, 004; En vigueur : 16-04-2004> <AR 2006-03-05/39, art. 2, 2°, 010; En vigueur : 22-03-2006>
[Si la section sui generis d'une entreprise agréée est transformée en une entreprise autonome, il sera tenu compte, pour ce qui concerne la condition concernant le volume de travail supplémentaire, visée à l'alinéa 1er, 5°, de l'évolution du volume de travail des travailleurs n'ayant pas un contrat de travail titres-services de l'entreprise initialement agréée.] <AR 2007-01-16/30, art. 1, 012; En vigueur : 29-01-2007>
[12 A défaut d'enregistrement tel que visé à l'aliéna 1er, 15°, le titre-service remis pendant la période infractionnelle pour laquelle l'enregistrement est incomplet, erroné ou inexistant est indu.]12
[11 Pour la condition visée à l'aliéna 1er, 17°, le délai est décompté depuis la période d'intégration dans l'entreprise. La période d'intégration dans l'entreprise commence le jour où la personne devient administratrice, gérante, mandataire ou personne ayant le pouvoir d'engager l'entreprise et cesse le jour où la personne n'exerce plus aucune de ces fonctions.]11
[13 Par dérogation à l'alinéa 1er, 22°, pour les activités de courses ménagères et de transport accompagné de personnes à mobilité réduite, l'entreprise agréée et l'utilisateur peuvent convenir que ce dernier intervient dans les frais de transport du travailleur titres-services. Cette intervention n'est pas supérieure au défraiement visé à l'aliéna 1er, 24°, c). ]13
Wijzigingen
Art. 2quater_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-09/33, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. Na advies van de Commissie kan de Minister van Werk overgaan tot de erkenning van een onderneming die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.
§ 2. Voor de toepassing van artikel 2, § 2, eerste lid, a, van de wet moet worden verstaan onder sui generis afdeling, opgericht binnen een onderneming die reeds een andere activiteit heeft en die wil toetreden tot het stelsel van de dienstencheques, een afdeling met de volgende kenmerken :
1° er is een specifieke verantwoordelijke aangeduid voor de afdeling;
2° de afdeling engageert zich om herkenbaar te zijn door haar erkenning als erkende onderneming en de publiciteit daaromtrent;
3° de dienstencheque-activiteiten zullen apart geregistreerd worden, inzonderheid ten behoeve van de sociale overlegstructuren in de onderneming en de sociale inspectie.
[5 4° er wordt een aparte boekhouding gevoerd betreffende de dienstencheque-activiteiten.]5
§ 3. Het geven van voorrang door de onderneming [1 aan de werknemers die tijdens hun deeltijdse tewerkstelling een werkloosheidsuitkering, een leefloon of financiële sociale hulp genieten]1 voor het bekomen van een voltijdse betrekking of van een andere, al dan niet bijkomende, deeltijdse betrekking zoals bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, c, van de wet dient te gebeuren overeenkomstig de volgende modaliteiten :
1° [1 de werknemer die tijdens zijn deeltijdse tewerkstelling een werkloosheidsuitkering, een leefloon of financiële sociale hulp geniet]1 moet op het ogenblik dat hij zijn arbeidsovereenkomst dienstencheques ondertekent bij zijn werkgever schriftelijk een aanvraag indienen tot het bekomen van bijkomende arbeidsuren zodat hij zo vlug als mogelijk een voltijdse dienstbetrekking kan verkrijgen. Deze aanvraag wordt geacht deel uit te maken van de arbeidsovereenkomst.
2° de werkgever moet [1 de werknemer die tijdens zijn deeltijdse tewerkstelling een werkloosheidsuitkering, een leefloon of financiële sociale hulp geniet]1 schriftelijk elke vacante voltijdse of deeltijdse dienstbetrekking prioritair aanbieden die dezelfde of een gelijkaardige functie betreft als die welke de werknemer reeds uitoefent, waarvoor hij de vereiste kwalificaties bezit en waarvoor hij in het kader van de arbeidsorganisatie in de onderneming in aanmerking kan komen. Voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing wordt rekening gehouden met de inkomsten van alle lopende arbeidsovereenkomsten bij dezelfde werkgever.
[1 Voor de toepassing van dit artikel moet verstaan worden onder :
1° werkloosheidsuitkering : de werkloosheids- of [7 inschakelingsuitkering]7 bedoeld in artikel 100, de uitkering voor uren van tijdelijke werkloosheid bedoeld in artikelen 106 en 107 en de inkomens-garantieuitkering bedoeld in artikel 131bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
2° leefloon : het leefloon zoals bedoeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
3° financiële sociale hulp : de financiële hulp bedoeld in artikel 60, § 3 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.]1
§ 4. De bijkomende voorwaarden zoals bedoeld in artikel 2, § 2, tweede lid van de wet zijn de volgende :
1° de onderneming verbindt zich ertoe geen werken of diensten die worden gefinancierd met dienstencheques in onderaanneming te laten uitvoeren door een andere onderneming of instelling;
2° [7 de onderneming verbindt zich ertoe geen werknemers en klanten direct of indirect te discrimineren als bedoeld in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, de wetten van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie en ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen, in de algemeen bindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten van 10 oktober 2008 van de Nationale Arbeidsraad, zijnde nr. 38sexies tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 38 van 6 december 1983 betreffende de werving en selectie van werknemers en nr. 95 betreffende de gelijke behandeling gedurende alle fasen van de arbeidsrelatie, en in de ordonnantie van 4 september 2008 betreffende de strijd tegen discriminatie en de gelijke behandeling op het vlak van de tewerkstelling;]7
[7 2° bis de onderneming verbindt zich ertoe een exemplaar van het "Brussels diversiteitscharter in de dienstenchequesector", dat bij dit besluit is gevoegd en beschikbaar is op de website van het bestuur, aan het bestuur over te maken, gedateerd en ondertekend door een persoon die naar behoren gemachtigd is om de onderneming te binden. De geldigheidsduur van het charter bedraagt vijf jaar vanaf de dag van zijn ondertekening;]7
3° de onderneming verbindt zich tot de organisatie van een werkomgeving met billijke arbeidsvoorwaarden, -situaties, -invulling en -verhoudingen overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomsten en de reglementeringen die van toepassing zijn;
4° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties te laten verrichten in een omgeving met onaanvaardbare risico's of gevaren voor de werknemers of in een omgeving waar de werknemers het slachtoffer zouden kunnen zijn van misbruiken of discriminatoire praktijken.
(5° de onderneming verbindt zich ertoe om alleen het vanaf haar erkenning bijkomend arbeidsvolume van activiteiten bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2°, te laten betalen met dienstencheques; van deze verbintenis kan worden afgeweken bij een convenant gesloten tussen de Minister van Werk en een bedrijfssector, een groepering van erkende ondernemingen of een erkende onderneming;
6° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers voor wie een vrijstelling van betaling van werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid wordt toegekend met toepassing van artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van de door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen of van artikel 99, eerste lid, van de programmawet van 30 december 1988;
7° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers waarvan de tewerkstelling gefinancierd wordt met toepassing van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector [8 of van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 16 mei 2019 betreffende de maatregel voor inschakelingsbanen in de sociale economie]8; <KB 2004-03-31/33, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004>
[3 8° [7 De onderneming kan beslissen van haar gebruikers enkel dienstencheques in de gedematerialiseerde vorm bedoeld in artikel 3, § 1, tweede lid, te aanvaarden;]7]3
(9° de onderneming die activiteiten uitoefent in het kader van begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit verbindt zich ertoe te controleren dat voor die activiteiten enkel prestaties worden geleverd ten gunste van gebruikers bedoeld in artikel 1, derde lid;
10° de onderneming verbindt zich ertoe om in het kader van de buurtwerken of -diensten alleen activiteiten uit te voeren die toegelaten zijn in de beslissing tot erkenning;
11° de onderneming verbindt zich ertoe om reeds tijdens de periode van twaalf maanden die ingaat op de ingangsdatum van de erkenning, dienstencheques voor betaling over te maken aan het uitgiftebedrijf en om na afloop van deze periode tijdens elke nieuwe periode van twaalf maanden dienstencheques voor betaling over te maken aan het uitgiftebedrijf.) <KB 2006-03-05/39, art. 2, 1°, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006. De ingangsdatum van de erkenning wordt vastgesteld op 22-03-2006 voor de ondernemingen die vóór deze datum erkend zijn. >
(12° de onderneming verbindt zich ertoe om alle wettelijke en reglementaire bepalingen voorzien in de wet en in dit besluit na te leven;
13° [8 indien de afdeling sui generis van een erkende onderneming als bedoeld in artikel 12.1 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019 wordt omgevormd tot een autonome onderneming, verbindt de onderneming zich ertoe de splitsing uit te voeren overeenkomstig de artikelen 12.2 tot en met 12.10 van dat Wetboek;]8
(14° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers tewerkgesteld in het kader van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.) <KB 2007-01-16/31, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
(15° De onderneming verbindt zich ertoe om de registratie van de dienstenchequeactiviteiten op dergelijke wijze te organiseren dat het mogelijk is exact na te gaan wat het verband is tussen de maandelijkse prestaties van elke individuele dienstenchequewerknemer, de gebruiker en de overeenkomstige dienstencheques.) <KB 2007-07-13/36, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-10-2007>
(16° De onderneming verbindt zich ertoe om zijn dienstenchequewerknemers als dusdanig aan te geven in de multifunctionele aangifte (DMFA). [7 Ook verbindt de onderneming zich ertoe aan het uitgiftebedrijf al haar vestigingseenheden gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan te geven en zo nodig het uitgiftebedrijf de bijgewerkte lijst van al haar werknemers mee te delen, en daarbij uitdrukkelijk het soort overeenkomst (arbeidstijd, overeenkomst van bepaalde of onbepaalde tijd), hun identificatienummer van de Belgische sociale zekerheid (INSZ) en de vestigingseenheid te vermelden van de erkende onderneming waar de werknemers werken of waar ze aan zijn verbonden, alsook, voor de werknemers die meetellen voor het door artikel 2bis vastgelegde percentage, hun statuut op het ogenblik van de aanwerving. Het uitgiftebedrijf schort de terugbetaling van de dienstencheques aan de erkende onderneming op zolang laatstgenoemde deze verplichtingen nog niet is nagekomen;]7) <KB 2007-07-13/36, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
17° [7 De onderneming verbindt zich ertoe om onder haar bestuurders, zaakvoerders, lasthebbers of personen bevoegd om de onderneming te verbinden geen personen te hebben die :
a) de voorbije drie jaar bestuurder, zaakvoerder, lasthebber of persoon bevoegd om de onderneming te binden geweest zijn van een onderneming waarvan de erkenning werd ingetrokken met toepassing van de artikelen 2septies, 2octies en 2nonies, met uitzondering van artikel 2nonies, § 1, c);
b) de voorbije vijf jaar veroordeeld werden voor enig misdrijf begaan op fiscaal of sociaal vlak of krachtens hoofdstuk IV/1 van de wet;
c) ontzet werden uit hun burgerlijke en politieke rechten;]7
[18° De onderneming verbindt zich ertoe dat het aantal bij de RSZ aangegeven arbeidsuren gepresteerd door werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques per kwartaal minstens gelijk is aan het aantal aan het uitgiftebedrijf voor betaling overgemaakte dienstencheques voor verrichte prestaties in dezelfde periode.] <KB 2008-04-28/30, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008>
[2 19° de onderneming verbindt zich ertoe de door de [7 het bestuur]7 in uitvoering van artikel 12 gevraagde gegevens binnen de vereiste termijn aan de RVA te bezorgen.]2
[4 20° [8 a) de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
b) de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
c) de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden.
d) de ordonnantie van 26 januari 2024 betreffende economische migratie;]8]4
[8 21° de onderneming verbindt zich ertoe niet toe te staan dat diensten betaald door middel van dienstencheques worden verricht door werknemers van wie de tewerkstelling niet vooraf is aangegeven bij de RSZ, overeenkomstig het koninklijk besluit tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
22° de erkende onderneming verbindt zich ertoe de instructies van het bestuur zoals doorgegeven door het uitgiftebedrijf na te leven, die betrekking hebben op:
a) de invoering van gegevens over werknemers, gebruikers of de erkende onderneming zelf;
b) het invoeren en innen van dienstencheques;
c) het verzamelen van informatie voor statistische, evaluatie-, metings- of begrotingsdoeleinden ten behoeve van de administratie;
d) fraudebestrijding.
23° de onderneming deelt een e-mailadres mee aan het uitgiftebedrijf en aan de administratie die de verspreiding toelaat van alle officiële mededelingen betreffende het systeem van de dienstencheques, met inbegrip van het opleidingsfonds voor dienstencheques, en verbindt zich ertoe elke wijziging dienaangaande onverwijld mee te delen. De mededelingen via het e-mailadres hebben dezelfde waarde als mededelingen per aangetekende post.
24° de onderneming zorgt voor de permanente begeleiding van haar dienstenchequewerknemers door middel van een jaarlijks medisch onderzoek van elke werknemer, de overdracht binnen de onderneming van de risicoanalyse en de regelmatige bijwerking ervan, onverminderd de verplichtingen van de werkgever en de verantwoordelijkheden van de interne overlegorganen met betrekking tot het welzijn van de werknemers.]8
(Voor het sluiten van een convenant bedoeld in het eerste lid, 5°, dient inzonderheid rekening gehouden te worden met het soort van uitgeoefende activiteit en het feit of de betrokken bedrijfssector, groepering van erkende ondernemingen of erkende onderneming reeds bestond en deze activiteit reeds uitoefende voor de inwerkingtreding van de regeling dienstencheques bij hetzelfde type van gebruikers. In dit convenant dient een concreet objectief inzake bijkomende tewerkstelling geformuleerd te worden.) <KB 2004-03-31/33, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004>
(Indien een sui generis afdeling van een erkende onderneming omgevormd wordt tot een zelfstandige onderneming, zal, voor wat de voorwaarde betreft inzake bijkomend arbeidsvolume, bedoeld in het eerste lid, 5°, rekening gehouden worden met de evolutie van het arbeidsvolume van de werknemers zonder arbeidsovereenkomst dienstencheques van de oorspronkelijk erkende onderneming.) <KB 2007-01-16/30, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 29-01-2007>
§ 2. Voor de toepassing van artikel 2, § 2, eerste lid, a, van de wet moet worden verstaan onder sui generis afdeling, opgericht binnen een onderneming die reeds een andere activiteit heeft en die wil toetreden tot het stelsel van de dienstencheques, een afdeling met de volgende kenmerken :
1° er is een specifieke verantwoordelijke aangeduid voor de afdeling;
2° de afdeling engageert zich om herkenbaar te zijn door haar erkenning als erkende onderneming en de publiciteit daaromtrent;
3° de dienstencheque-activiteiten zullen apart geregistreerd worden, inzonderheid ten behoeve van de sociale overlegstructuren in de onderneming en de sociale inspectie.
[5 4° er wordt een aparte boekhouding gevoerd betreffende de dienstencheque-activiteiten.]5
§ 3. Het geven van voorrang door de onderneming [1 aan de werknemers die tijdens hun deeltijdse tewerkstelling een werkloosheidsuitkering, een leefloon of financiële sociale hulp genieten]1 voor het bekomen van een voltijdse betrekking of van een andere, al dan niet bijkomende, deeltijdse betrekking zoals bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, c, van de wet dient te gebeuren overeenkomstig de volgende modaliteiten :
1° [1 de werknemer die tijdens zijn deeltijdse tewerkstelling een werkloosheidsuitkering, een leefloon of financiële sociale hulp geniet]1 moet op het ogenblik dat hij zijn arbeidsovereenkomst dienstencheques ondertekent bij zijn werkgever schriftelijk een aanvraag indienen tot het bekomen van bijkomende arbeidsuren zodat hij zo vlug als mogelijk een voltijdse dienstbetrekking kan verkrijgen. Deze aanvraag wordt geacht deel uit te maken van de arbeidsovereenkomst.
2° de werkgever moet [1 de werknemer die tijdens zijn deeltijdse tewerkstelling een werkloosheidsuitkering, een leefloon of financiële sociale hulp geniet]1 schriftelijk elke vacante voltijdse of deeltijdse dienstbetrekking prioritair aanbieden die dezelfde of een gelijkaardige functie betreft als die welke de werknemer reeds uitoefent, waarvoor hij de vereiste kwalificaties bezit en waarvoor hij in het kader van de arbeidsorganisatie in de onderneming in aanmerking kan komen. Voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing wordt rekening gehouden met de inkomsten van alle lopende arbeidsovereenkomsten bij dezelfde werkgever.
[1 Voor de toepassing van dit artikel moet verstaan worden onder :
1° werkloosheidsuitkering : de werkloosheids- of [7 inschakelingsuitkering]7 bedoeld in artikel 100, de uitkering voor uren van tijdelijke werkloosheid bedoeld in artikelen 106 en 107 en de inkomens-garantieuitkering bedoeld in artikel 131bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
2° leefloon : het leefloon zoals bedoeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
3° financiële sociale hulp : de financiële hulp bedoeld in artikel 60, § 3 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.]1
§ 4. De bijkomende voorwaarden zoals bedoeld in artikel 2, § 2, tweede lid van de wet zijn de volgende :
1° de onderneming verbindt zich ertoe geen werken of diensten die worden gefinancierd met dienstencheques in onderaanneming te laten uitvoeren door een andere onderneming of instelling;
2° [7 de onderneming verbindt zich ertoe geen werknemers en klanten direct of indirect te discrimineren als bedoeld in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, de wetten van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie en ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen, in de algemeen bindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten van 10 oktober 2008 van de Nationale Arbeidsraad, zijnde nr. 38sexies tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 38 van 6 december 1983 betreffende de werving en selectie van werknemers en nr. 95 betreffende de gelijke behandeling gedurende alle fasen van de arbeidsrelatie, en in de ordonnantie van 4 september 2008 betreffende de strijd tegen discriminatie en de gelijke behandeling op het vlak van de tewerkstelling;]7
[7 2° bis de onderneming verbindt zich ertoe een exemplaar van het "Brussels diversiteitscharter in de dienstenchequesector", dat bij dit besluit is gevoegd en beschikbaar is op de website van het bestuur, aan het bestuur over te maken, gedateerd en ondertekend door een persoon die naar behoren gemachtigd is om de onderneming te binden. De geldigheidsduur van het charter bedraagt vijf jaar vanaf de dag van zijn ondertekening;]7
3° de onderneming verbindt zich tot de organisatie van een werkomgeving met billijke arbeidsvoorwaarden, -situaties, -invulling en -verhoudingen overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomsten en de reglementeringen die van toepassing zijn;
4° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties te laten verrichten in een omgeving met onaanvaardbare risico's of gevaren voor de werknemers of in een omgeving waar de werknemers het slachtoffer zouden kunnen zijn van misbruiken of discriminatoire praktijken.
(5° de onderneming verbindt zich ertoe om alleen het vanaf haar erkenning bijkomend arbeidsvolume van activiteiten bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2°, te laten betalen met dienstencheques; van deze verbintenis kan worden afgeweken bij een convenant gesloten tussen de Minister van Werk en een bedrijfssector, een groepering van erkende ondernemingen of een erkende onderneming;
6° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers voor wie een vrijstelling van betaling van werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid wordt toegekend met toepassing van artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van de door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen of van artikel 99, eerste lid, van de programmawet van 30 december 1988;
7° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers waarvan de tewerkstelling gefinancierd wordt met toepassing van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector [8 of van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 16 mei 2019 betreffende de maatregel voor inschakelingsbanen in de sociale economie]8; <KB 2004-03-31/33, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004>
[3 8° [7 De onderneming kan beslissen van haar gebruikers enkel dienstencheques in de gedematerialiseerde vorm bedoeld in artikel 3, § 1, tweede lid, te aanvaarden;]7]3
(9° de onderneming die activiteiten uitoefent in het kader van begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit verbindt zich ertoe te controleren dat voor die activiteiten enkel prestaties worden geleverd ten gunste van gebruikers bedoeld in artikel 1, derde lid;
10° de onderneming verbindt zich ertoe om in het kader van de buurtwerken of -diensten alleen activiteiten uit te voeren die toegelaten zijn in de beslissing tot erkenning;
11° de onderneming verbindt zich ertoe om reeds tijdens de periode van twaalf maanden die ingaat op de ingangsdatum van de erkenning, dienstencheques voor betaling over te maken aan het uitgiftebedrijf en om na afloop van deze periode tijdens elke nieuwe periode van twaalf maanden dienstencheques voor betaling over te maken aan het uitgiftebedrijf.) <KB 2006-03-05/39, art. 2, 1°, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006. De ingangsdatum van de erkenning wordt vastgesteld op 22-03-2006 voor de ondernemingen die vóór deze datum erkend zijn. >
(12° de onderneming verbindt zich ertoe om alle wettelijke en reglementaire bepalingen voorzien in de wet en in dit besluit na te leven;
13° [8 indien de afdeling sui generis van een erkende onderneming als bedoeld in artikel 12.1 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019 wordt omgevormd tot een autonome onderneming, verbindt de onderneming zich ertoe de splitsing uit te voeren overeenkomstig de artikelen 12.2 tot en met 12.10 van dat Wetboek;]8
(14° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers tewerkgesteld in het kader van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.) <KB 2007-01-16/31, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
(15° De onderneming verbindt zich ertoe om de registratie van de dienstenchequeactiviteiten op dergelijke wijze te organiseren dat het mogelijk is exact na te gaan wat het verband is tussen de maandelijkse prestaties van elke individuele dienstenchequewerknemer, de gebruiker en de overeenkomstige dienstencheques.) <KB 2007-07-13/36, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-10-2007>
(16° De onderneming verbindt zich ertoe om zijn dienstenchequewerknemers als dusdanig aan te geven in de multifunctionele aangifte (DMFA). [7 Ook verbindt de onderneming zich ertoe aan het uitgiftebedrijf al haar vestigingseenheden gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan te geven en zo nodig het uitgiftebedrijf de bijgewerkte lijst van al haar werknemers mee te delen, en daarbij uitdrukkelijk het soort overeenkomst (arbeidstijd, overeenkomst van bepaalde of onbepaalde tijd), hun identificatienummer van de Belgische sociale zekerheid (INSZ) en de vestigingseenheid te vermelden van de erkende onderneming waar de werknemers werken of waar ze aan zijn verbonden, alsook, voor de werknemers die meetellen voor het door artikel 2bis vastgelegde percentage, hun statuut op het ogenblik van de aanwerving. Het uitgiftebedrijf schort de terugbetaling van de dienstencheques aan de erkende onderneming op zolang laatstgenoemde deze verplichtingen nog niet is nagekomen;]7) <KB 2007-07-13/36, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
17° [7 De onderneming verbindt zich ertoe om onder haar bestuurders, zaakvoerders, lasthebbers of personen bevoegd om de onderneming te verbinden geen personen te hebben die :
a) de voorbije drie jaar bestuurder, zaakvoerder, lasthebber of persoon bevoegd om de onderneming te binden geweest zijn van een onderneming waarvan de erkenning werd ingetrokken met toepassing van de artikelen 2septies, 2octies en 2nonies, met uitzondering van artikel 2nonies, § 1, c);
b) de voorbije vijf jaar veroordeeld werden voor enig misdrijf begaan op fiscaal of sociaal vlak of krachtens hoofdstuk IV/1 van de wet;
c) ontzet werden uit hun burgerlijke en politieke rechten;]7
[18° De onderneming verbindt zich ertoe dat het aantal bij de RSZ aangegeven arbeidsuren gepresteerd door werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques per kwartaal minstens gelijk is aan het aantal aan het uitgiftebedrijf voor betaling overgemaakte dienstencheques voor verrichte prestaties in dezelfde periode.] <KB 2008-04-28/30, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008>
[2 19° de onderneming verbindt zich ertoe de door de [7 het bestuur]7 in uitvoering van artikel 12 gevraagde gegevens binnen de vereiste termijn aan de RVA te bezorgen.]2
[4 20° [8 a) de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
b) de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
c) de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden.
d) de ordonnantie van 26 januari 2024 betreffende economische migratie;]8]4
[8 21° de onderneming verbindt zich ertoe niet toe te staan dat diensten betaald door middel van dienstencheques worden verricht door werknemers van wie de tewerkstelling niet vooraf is aangegeven bij de RSZ, overeenkomstig het koninklijk besluit tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
22° de erkende onderneming verbindt zich ertoe de instructies van het bestuur zoals doorgegeven door het uitgiftebedrijf na te leven, die betrekking hebben op:
a) de invoering van gegevens over werknemers, gebruikers of de erkende onderneming zelf;
b) het invoeren en innen van dienstencheques;
c) het verzamelen van informatie voor statistische, evaluatie-, metings- of begrotingsdoeleinden ten behoeve van de administratie;
d) fraudebestrijding.
23° de onderneming deelt een e-mailadres mee aan het uitgiftebedrijf en aan de administratie die de verspreiding toelaat van alle officiële mededelingen betreffende het systeem van de dienstencheques, met inbegrip van het opleidingsfonds voor dienstencheques, en verbindt zich ertoe elke wijziging dienaangaande onverwijld mee te delen. De mededelingen via het e-mailadres hebben dezelfde waarde als mededelingen per aangetekende post.
24° de onderneming zorgt voor de permanente begeleiding van haar dienstenchequewerknemers door middel van een jaarlijks medisch onderzoek van elke werknemer, de overdracht binnen de onderneming van de risicoanalyse en de regelmatige bijwerking ervan, onverminderd de verplichtingen van de werkgever en de verantwoordelijkheden van de interne overlegorganen met betrekking tot het welzijn van de werknemers.]8
(Voor het sluiten van een convenant bedoeld in het eerste lid, 5°, dient inzonderheid rekening gehouden te worden met het soort van uitgeoefende activiteit en het feit of de betrokken bedrijfssector, groepering van erkende ondernemingen of erkende onderneming reeds bestond en deze activiteit reeds uitoefende voor de inwerkingtreding van de regeling dienstencheques bij hetzelfde type van gebruikers. In dit convenant dient een concreet objectief inzake bijkomende tewerkstelling geformuleerd te worden.) <KB 2004-03-31/33, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004>
(Indien een sui generis afdeling van een erkende onderneming omgevormd wordt tot een zelfstandige onderneming, zal, voor wat de voorwaarde betreft inzake bijkomend arbeidsvolume, bedoeld in het eerste lid, 5°, rekening gehouden worden met de evolutie van het arbeidsvolume van de werknemers zonder arbeidsovereenkomst dienstencheques van de oorspronkelijk erkende onderneming.) <KB 2007-01-16/30, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 29-01-2007>
Wijzigingen
Art. 2quater _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
§ 1er. Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, peut agréer une entreprise qui satisfait aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2, et 3, de la loi.
§ 2. Pour l'application de l'article 2, § 2, alinéa 1er, a, de la loi il faut entendre par une section sui generis, créée dans une entreprise qui exerce déjà une autre activité et qui veut adhérer au système des titres-services, une section avec les caractéristiques suivantes :
1° un responsable spécifique est désigné pour la section;
2° la section s'engage à être identifiable par son agrément comme entreprise agréée et la publicité ad hoc;
3° les activités couvertes par les titres-services seront enregistrées séparément, notamment à l'intention des structures de concertation sociale dans l'entreprise et de l'inspection sociale.
[5 4° une comptabilité distincte concernant les activités titres-services est tenue.]5
§ 3. L'attribution par l'entreprise d'une priorité [1 aux travailleurs qui pendant leur occupation à temps partiel bénéficient d'une allocation de chômage, du revenu d'intégration ou de l'aide sociale financière]1 pour l'obtention d'un emploi à temps plein ou d'un autre emploi à temps partiel, supplémentaire ou non, visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, c, de la loi, doit se faire conformément aux modalités suivantes :
1° le [1 travailleur qui pendant son occupation à temps partiel bénéficie d'une allocation de chômage, du revenu d'intégration ou de l'aide sociale financière]1 doit, au moment où il signe son contrat de travail titres-services, introduire par écrit auprès de son employeur une demande d'obtention d'heures de travail complémentaires de sorte qu'il puisse obtenir aussi vite que possible un emploi à temps plein. Cette demande est censée faire partie du contrat de travail.
2° l'employeur doit offrir en priorité par écrit au [1 travailleur qui pendant son occupation à temps partiel bénéficie d'une allocation de chômage, du revenu d'intégration ou de l'aide sociale financière]1 chaque emploi vacant à temps plein ou à temps partiel, ayant trait à la même fonction ou à une fonction analogue à celle que le travailleur exerce déjà, pour laquelle il possède les qualifications requises et pour laquelle il entre en ligne de compte dans le cadre de l'organisation du travail dans l'entreprise. Pour le calcul du précompte professionnel il sera tenu compte des revenus de tous les contrats de travail en cours auprès du même employeur.
[1 Pour l'application de cet article, il faut entendre par :
1° allocation de chômage : l'allocation de chômage ou [7 d'insertion]7 visée à l'article 100, l'allocation pour les heures de chômage temporaire visée aux articles 106 et 107 et l'allocation de garantie de revenus visée à l'article 131bis de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
2° revenu d'intégration : le revenu d'intégration visé dans la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
3° aide sociale financière : l'aide financière visée à l'article 60, § 3, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale.]1
§ 4. Les conditions supplémentaires visées à l'article 2, § 2, alinéa 2, de la loi sont les suivantes :
1° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer les travaux ou services financés par les titres-services en sous-traitance par une autre entreprise ou tout autre organisme;
2° [7 l'entreprise s'engage à ne pas pratiquer à l'encontre des travailleurs et des clients de discrimination directe ou indirecte visée à la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme ou la xénophobie, aux lois du 10 mai 2007 tendant à lutter contre certaines formes de discrimination et tendant à lutter contre la discrimination entre les femmes et les hommes, aux conventions collectives de travail rendues obligatoires du 10 octobre 2008 du Conseil national du Travail, à savoir n° 38sexies modifiant la convention collective de travail n° 38 du 6 décembre 1983 concernant le recrutement et la sélection de travailleurs et n° 95 concernant l'égalité de traitement durant toutes les phases de la relation de travail, et à l'ordonnance du 4 septembre 2008 relative à la lutte contre à la discrimination et à l'égalité de traitement en matière d'emploi;]7
[7 2° bis l'entreprise s'engage à transmettre à l'administration un exemplaire, daté et signé par la personne dûment habilitée pour engager l'entreprise, de la " Charte Bruxelloise de la Diversité dans le secteur des titres-services ", annexée au présent arrêté et disponible sur le site internet de l'administration. La durée de validité de la Charte est de cinq ans à dater de sa signature;]7
3° l'entreprise s'engage à créer un environnement de travail offrant des conditions, des situations, des contenus et des relations de travail équitables, conformément aux conventions collectives de travail et aux réglementations applicables;
4° l'entreprise s'engage à ne pas faire prester des travaux dans un environnement présentant des dangers et des risques inacceptables pour les travailleurs ou dans un environnement où les travailleurs risqueraient d'êtres victimes d'abus ou de traitements discriminatoires.
(5° l'entreprise s'engage à ne faire payer par des titres-services que le volume de travail des activités visées à l'article 1er, alinéa 1er, 2°, qui, à partir de son agrément, vient en supplément; il peut être dérogé à cet engagement par une convention conclue entre le Ministre de l'Emploi et un secteur d'entreprises, un groupement d'entreprises agréées ou une entreprise agréée;
6° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs pour lesquels une exonération de paiement de cotisations patronales pour la sécurité sociale est accordée en application de l'article 7 de l'arrêté royal n° 474 du 28 octobre 1986 portant création d'un régime de contractuels subventionnés par l'Etat auprès de certains pouvoirs locaux ou de l'article 99, alinéa 1er, de la loi-programme du 30 décembre 1988;
7° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs dont l'occupation est financée en application de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand [8 ou de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 16 mai 2019 relatif au dispositif d'emploi d'insertion en économie sociale]8;<AR 2004-03-31/33, art. 5, 004; En vigueur : 16-04-2004>
[7 8° L'entreprise peut décider de n'accepter de ses utilisateurs que des titres-services sous la forme dématérialisée visée à l'article 3, § 1er, alinéa 2;]7
(9° l'entreprise qui exerce des activités dans le cadre du transport accompagné de personnes à mobilité réduite s'engage à contrôler que les prestations concernant ces activités sont uniquement fournies en faveur des utilisateurs visés à l'article 1er, alinéa 3;
10° l'entreprise s'engage à effectuer, dans le cadre des travaux ou services de proximité, uniquement les activités autorisées dans la décision d'agrément;
11° l'entreprise s'engage à transmettre déjà pendant la période de douze mois qui commence à courir à partir de la date d'entrée en vigueur de l'agrément, des titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement et à transmettre, après l'expiration de cette période, pendant chaque nouvelle période de douze mois des titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement.) <AR 2006-03-05/39, art. 2, 1°, 010; En vigueur : 22-03-2006. La date d'entrée en vigueur de l'agrément est fixée au 22-03-2006 pour les entreprises qui sont agréées avant cette date.>
(12° l'entreprise s'engage à respecter toutes les dispositions légales et réglementaires prévues dans la loi et dans le présent arrêté;
13° [8 si la section sui generis d'une entreprise agréée telle que visée à l'article 12.1 du Code des sociétés et associations du 23 mars 2019 est transformée en une entreprise autonome, l'entreprise s'engage à effectuer la scission conformément aux articles 12.2 à 12.10 de ce Code ;]8
(14° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs mis à l'emploi dans le cadre de l'article 60, § 7, de la loi organique des centres publics d'aide sociale du 8 juillet 1976.) <AR 2007-01-16/31, art. 1, 011; En vigueur : 01-01-2007>
(15° L'entreprise s'engage à organiser l'enregistrement des activités titres-services de manière telle qu'on puisse vérifier exactement la relation entre les prestations mensuelles de chaque travailleur titres-services individuel, l'utilisateur et les titres-services correspondants.) <AR 2007-07-13/36, art. 2, 013; En vigueur : 01-10-2007>
(16° L'entreprise s'engage à renseigner comme tels ses travailleurs titres-services dans la déclaration multifonctionnelle (DMFA).)[7 L'entreprise s'engage également à déclarer à la société émettrice toutes ses unités d'établissement situées en Région de Bruxelles-Capitale ainsi qu'à lui notifier la liste, mise à jour lorsque nécessaire, de tous ses travailleurs en mentionnant expressément le type de contrat (temps de travail, contrat à durée déterminée ou indéterminée) des travailleurs, leurs numéros d'identification à la sécurité sociale belge (NISS), l'unité d'établissement de l'entreprise agréée dans laquelle les travailleurs sont occupés ou à laquelle ils sont rattachés, et, pour les travailleurs pouvant être comptabilisés dans le cadre du pourcentage fixé par l'article 2bis, leur statut lors de l'engagement. La société émettrice suspend le remboursement des titres-services à l'entreprise agréée aussi longtemps que celle-ci n'a pas rempli ces obligations;]7 <AR 2007-07-13/36, art. 2, 013; En vigueur : 01-08-2007>
[17° [7 L'entreprise s'engage à ne pas compter, ni directement ni par le biais d'une construction créée dans le but de contourner la présente condition d'agrément, parmi les administrateurs, gérants, mandataires ou personnes ayant le pouvoir d'engager l'entreprise, une personne qui :
a) dans les trois années écoulées, a été administrateur, gérant, mandataire ou personne ayant le pouvoir d'engager l'entreprise, d'une entreprise dont l'agrément a été retiré en application des articles 2septies, 2octies et 2nonies, à l'exception de l'article 2nonies, § 1er, c);
b) dans les cinq années écoulées, a été condamnée pour toute infraction commise en matière fiscale, sociale ou en vertu du chapitre IV/1 de la loi;
c) a été privée de ses droits civils et politiques;]7
(18° L'entreprise s'engage à ce que le nombre d'heures de travail prestées par des travailleurs avec un contrat de travail titres-services déclaré à l'ONSS par trimestre soit au moins égal au nombre des titres-services transmis à la société émettrice aux fins de remboursement pour des prestations effectuées dans la même période.) <AR 2008-04-28/30, art. 2, 014; En vigueur : 01-05-2008>
[2 19° l'entreprise s'engage à fournir à l' [7 administration]7 dans le délai requis les données demandées par l' [7 administration]7 en exécution de l'article 12.]2
[4 20° [8 a) la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ;
b) la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers ;
c) la loi du 9 mai 2018 relative à l'occupation de ressortissants étrangers se trouvant dans une situation particulière de séjour.
d) l'ordonnance du 26 janvier 2024 relative à la migration économique;]8]4
[8 21° l'entreprise s'engage à ne pas laisser s'effectuer des prestations payées au moyen de titres-services par des travailleurs pour lesquels l'emploi n'a pas été déclaré préalablement à l'ONSS, conformément à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions.
22° l'entreprise agréée s'engage à respecter les instructions de l'administration diffusées par la société émettrice qui concernent :
a) l'encodage des informations relatives aux travailleurs, aux utilisateurs, ou à l'entreprise agréée elle-même ;
b) l'encodage et la collecte des titres-services ;
c) la collecte d'informations à des fins statistiques, d'évaluation, de recensement ou de monitoring budgétaire au bénéfice de l'administration ;
d) La lutte contre la fraude.
23° l'entreprise communique une adresse de messagerie électronique à la société émettrice et à l'administration permettant la diffusion de toutes les communications officielles relatives au système des titres-services, en ce compris le fonds de formation des titres-services, et s'engage à communiquer sans délai toute modification concernant celle-ci. Les communications effectuées via l'adresse de messagerie électronique ont la même valeur que celles effectuées par pli recommandé à la poste.
24° l'entreprise assure un accompagnement continu de ses travailleurs en titres-services par une visite médicale annuelle par travailleur, la transmission au sein de l'entreprise de l'analyse de risque et son actualisation régulière, sans préjudice des obligations de l'employeur et des responsabilités des organes de concertation interne en matière de bien-être des travailleurs.]8
(Pour la conclusion d'une convention visée à l'alinéa 1er, 5°, il faut notamment tenir compte du genre d'activité exercée et du fait (de savoir) si le secteur d'entreprises, le groupement d'entreprises agréées ou l'entreprise agréée existaient déjà et exerçaient déjà cette activité avant l'entrée en vigueur du dispositif des titres-services chez le même type d'utilisateurs. Un objectif concret en ce qui concerne des emplois supplémentaires doit être formulé dans cette convention.) <AR 2004-03-31/33, art. 6, 004; En vigueur : 16-04-2004> <AR 2006-03-05/39, art. 2, 2°, 010; En vigueur : 22-03-2006>
[Si la section sui generis d'une entreprise agréée est transformée en une entreprise autonome, il sera tenu compte, pour ce qui concerne la condition concernant le volume de travail supplémentaire, visée à l'alinéa 1er, 5°, de l'évolution du volume de travail des travailleurs n'ayant pas un contrat de travail titres-services de l'entreprise initialement agréée.] <AR 2007-01-16/30, art. 1, 012; En vigueur : 29-01-2007>
§ 1er. Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, peut agréer une entreprise qui satisfait aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2, et 3, de la loi.
§ 2. Pour l'application de l'article 2, § 2, alinéa 1er, a, de la loi il faut entendre par une section sui generis, créée dans une entreprise qui exerce déjà une autre activité et qui veut adhérer au système des titres-services, une section avec les caractéristiques suivantes :
1° un responsable spécifique est désigné pour la section;
2° la section s'engage à être identifiable par son agrément comme entreprise agréée et la publicité ad hoc;
3° les activités couvertes par les titres-services seront enregistrées séparément, notamment à l'intention des structures de concertation sociale dans l'entreprise et de l'inspection sociale.
[5 4° une comptabilité distincte concernant les activités titres-services est tenue.]5
§ 3. L'attribution par l'entreprise d'une priorité [1 aux travailleurs qui pendant leur occupation à temps partiel bénéficient d'une allocation de chômage, du revenu d'intégration ou de l'aide sociale financière]1 pour l'obtention d'un emploi à temps plein ou d'un autre emploi à temps partiel, supplémentaire ou non, visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, c, de la loi, doit se faire conformément aux modalités suivantes :
1° le [1 travailleur qui pendant son occupation à temps partiel bénéficie d'une allocation de chômage, du revenu d'intégration ou de l'aide sociale financière]1 doit, au moment où il signe son contrat de travail titres-services, introduire par écrit auprès de son employeur une demande d'obtention d'heures de travail complémentaires de sorte qu'il puisse obtenir aussi vite que possible un emploi à temps plein. Cette demande est censée faire partie du contrat de travail.
2° l'employeur doit offrir en priorité par écrit au [1 travailleur qui pendant son occupation à temps partiel bénéficie d'une allocation de chômage, du revenu d'intégration ou de l'aide sociale financière]1 chaque emploi vacant à temps plein ou à temps partiel, ayant trait à la même fonction ou à une fonction analogue à celle que le travailleur exerce déjà, pour laquelle il possède les qualifications requises et pour laquelle il entre en ligne de compte dans le cadre de l'organisation du travail dans l'entreprise. Pour le calcul du précompte professionnel il sera tenu compte des revenus de tous les contrats de travail en cours auprès du même employeur.
[1 Pour l'application de cet article, il faut entendre par :
1° allocation de chômage : l'allocation de chômage ou [7 d'insertion]7 visée à l'article 100, l'allocation pour les heures de chômage temporaire visée aux articles 106 et 107 et l'allocation de garantie de revenus visée à l'article 131bis de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
2° revenu d'intégration : le revenu d'intégration visé dans la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
3° aide sociale financière : l'aide financière visée à l'article 60, § 3, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale.]1
§ 4. Les conditions supplémentaires visées à l'article 2, § 2, alinéa 2, de la loi sont les suivantes :
1° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer les travaux ou services financés par les titres-services en sous-traitance par une autre entreprise ou tout autre organisme;
2° [7 l'entreprise s'engage à ne pas pratiquer à l'encontre des travailleurs et des clients de discrimination directe ou indirecte visée à la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme ou la xénophobie, aux lois du 10 mai 2007 tendant à lutter contre certaines formes de discrimination et tendant à lutter contre la discrimination entre les femmes et les hommes, aux conventions collectives de travail rendues obligatoires du 10 octobre 2008 du Conseil national du Travail, à savoir n° 38sexies modifiant la convention collective de travail n° 38 du 6 décembre 1983 concernant le recrutement et la sélection de travailleurs et n° 95 concernant l'égalité de traitement durant toutes les phases de la relation de travail, et à l'ordonnance du 4 septembre 2008 relative à la lutte contre à la discrimination et à l'égalité de traitement en matière d'emploi;]7
[7 2° bis l'entreprise s'engage à transmettre à l'administration un exemplaire, daté et signé par la personne dûment habilitée pour engager l'entreprise, de la " Charte Bruxelloise de la Diversité dans le secteur des titres-services ", annexée au présent arrêté et disponible sur le site internet de l'administration. La durée de validité de la Charte est de cinq ans à dater de sa signature;]7
3° l'entreprise s'engage à créer un environnement de travail offrant des conditions, des situations, des contenus et des relations de travail équitables, conformément aux conventions collectives de travail et aux réglementations applicables;
4° l'entreprise s'engage à ne pas faire prester des travaux dans un environnement présentant des dangers et des risques inacceptables pour les travailleurs ou dans un environnement où les travailleurs risqueraient d'êtres victimes d'abus ou de traitements discriminatoires.
(5° l'entreprise s'engage à ne faire payer par des titres-services que le volume de travail des activités visées à l'article 1er, alinéa 1er, 2°, qui, à partir de son agrément, vient en supplément; il peut être dérogé à cet engagement par une convention conclue entre le Ministre de l'Emploi et un secteur d'entreprises, un groupement d'entreprises agréées ou une entreprise agréée;
6° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs pour lesquels une exonération de paiement de cotisations patronales pour la sécurité sociale est accordée en application de l'article 7 de l'arrêté royal n° 474 du 28 octobre 1986 portant création d'un régime de contractuels subventionnés par l'Etat auprès de certains pouvoirs locaux ou de l'article 99, alinéa 1er, de la loi-programme du 30 décembre 1988;
7° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs dont l'occupation est financée en application de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand [8 ou de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 16 mai 2019 relatif au dispositif d'emploi d'insertion en économie sociale]8;<AR 2004-03-31/33, art. 5, 004; En vigueur : 16-04-2004>
[7 8° L'entreprise peut décider de n'accepter de ses utilisateurs que des titres-services sous la forme dématérialisée visée à l'article 3, § 1er, alinéa 2;]7
(9° l'entreprise qui exerce des activités dans le cadre du transport accompagné de personnes à mobilité réduite s'engage à contrôler que les prestations concernant ces activités sont uniquement fournies en faveur des utilisateurs visés à l'article 1er, alinéa 3;
10° l'entreprise s'engage à effectuer, dans le cadre des travaux ou services de proximité, uniquement les activités autorisées dans la décision d'agrément;
11° l'entreprise s'engage à transmettre déjà pendant la période de douze mois qui commence à courir à partir de la date d'entrée en vigueur de l'agrément, des titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement et à transmettre, après l'expiration de cette période, pendant chaque nouvelle période de douze mois des titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement.) <AR 2006-03-05/39, art. 2, 1°, 010; En vigueur : 22-03-2006. La date d'entrée en vigueur de l'agrément est fixée au 22-03-2006 pour les entreprises qui sont agréées avant cette date.>
(12° l'entreprise s'engage à respecter toutes les dispositions légales et réglementaires prévues dans la loi et dans le présent arrêté;
13° [8 si la section sui generis d'une entreprise agréée telle que visée à l'article 12.1 du Code des sociétés et associations du 23 mars 2019 est transformée en une entreprise autonome, l'entreprise s'engage à effectuer la scission conformément aux articles 12.2 à 12.10 de ce Code ;]8
(14° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs mis à l'emploi dans le cadre de l'article 60, § 7, de la loi organique des centres publics d'aide sociale du 8 juillet 1976.) <AR 2007-01-16/31, art. 1, 011; En vigueur : 01-01-2007>
(15° L'entreprise s'engage à organiser l'enregistrement des activités titres-services de manière telle qu'on puisse vérifier exactement la relation entre les prestations mensuelles de chaque travailleur titres-services individuel, l'utilisateur et les titres-services correspondants.) <AR 2007-07-13/36, art. 2, 013; En vigueur : 01-10-2007>
(16° L'entreprise s'engage à renseigner comme tels ses travailleurs titres-services dans la déclaration multifonctionnelle (DMFA).)[7 L'entreprise s'engage également à déclarer à la société émettrice toutes ses unités d'établissement situées en Région de Bruxelles-Capitale ainsi qu'à lui notifier la liste, mise à jour lorsque nécessaire, de tous ses travailleurs en mentionnant expressément le type de contrat (temps de travail, contrat à durée déterminée ou indéterminée) des travailleurs, leurs numéros d'identification à la sécurité sociale belge (NISS), l'unité d'établissement de l'entreprise agréée dans laquelle les travailleurs sont occupés ou à laquelle ils sont rattachés, et, pour les travailleurs pouvant être comptabilisés dans le cadre du pourcentage fixé par l'article 2bis, leur statut lors de l'engagement. La société émettrice suspend le remboursement des titres-services à l'entreprise agréée aussi longtemps que celle-ci n'a pas rempli ces obligations;]7 <AR 2007-07-13/36, art. 2, 013; En vigueur : 01-08-2007>
[17° [7 L'entreprise s'engage à ne pas compter, ni directement ni par le biais d'une construction créée dans le but de contourner la présente condition d'agrément, parmi les administrateurs, gérants, mandataires ou personnes ayant le pouvoir d'engager l'entreprise, une personne qui :
a) dans les trois années écoulées, a été administrateur, gérant, mandataire ou personne ayant le pouvoir d'engager l'entreprise, d'une entreprise dont l'agrément a été retiré en application des articles 2septies, 2octies et 2nonies, à l'exception de l'article 2nonies, § 1er, c);
b) dans les cinq années écoulées, a été condamnée pour toute infraction commise en matière fiscale, sociale ou en vertu du chapitre IV/1 de la loi;
c) a été privée de ses droits civils et politiques;]7
(18° L'entreprise s'engage à ce que le nombre d'heures de travail prestées par des travailleurs avec un contrat de travail titres-services déclaré à l'ONSS par trimestre soit au moins égal au nombre des titres-services transmis à la société émettrice aux fins de remboursement pour des prestations effectuées dans la même période.) <AR 2008-04-28/30, art. 2, 014; En vigueur : 01-05-2008>
[2 19° l'entreprise s'engage à fournir à l' [7 administration]7 dans le délai requis les données demandées par l' [7 administration]7 en exécution de l'article 12.]2
[4 20° [8 a) la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ;
b) la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers ;
c) la loi du 9 mai 2018 relative à l'occupation de ressortissants étrangers se trouvant dans une situation particulière de séjour.
d) l'ordonnance du 26 janvier 2024 relative à la migration économique;]8]4
[8 21° l'entreprise s'engage à ne pas laisser s'effectuer des prestations payées au moyen de titres-services par des travailleurs pour lesquels l'emploi n'a pas été déclaré préalablement à l'ONSS, conformément à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions.
22° l'entreprise agréée s'engage à respecter les instructions de l'administration diffusées par la société émettrice qui concernent :
a) l'encodage des informations relatives aux travailleurs, aux utilisateurs, ou à l'entreprise agréée elle-même ;
b) l'encodage et la collecte des titres-services ;
c) la collecte d'informations à des fins statistiques, d'évaluation, de recensement ou de monitoring budgétaire au bénéfice de l'administration ;
d) La lutte contre la fraude.
23° l'entreprise communique une adresse de messagerie électronique à la société émettrice et à l'administration permettant la diffusion de toutes les communications officielles relatives au système des titres-services, en ce compris le fonds de formation des titres-services, et s'engage à communiquer sans délai toute modification concernant celle-ci. Les communications effectuées via l'adresse de messagerie électronique ont la même valeur que celles effectuées par pli recommandé à la poste.
24° l'entreprise assure un accompagnement continu de ses travailleurs en titres-services par une visite médicale annuelle par travailleur, la transmission au sein de l'entreprise de l'analyse de risque et son actualisation régulière, sans préjudice des obligations de l'employeur et des responsabilités des organes de concertation interne en matière de bien-être des travailleurs.]8
(Pour la conclusion d'une convention visée à l'alinéa 1er, 5°, il faut notamment tenir compte du genre d'activité exercée et du fait (de savoir) si le secteur d'entreprises, le groupement d'entreprises agréées ou l'entreprise agréée existaient déjà et exerçaient déjà cette activité avant l'entrée en vigueur du dispositif des titres-services chez le même type d'utilisateurs. Un objectif concret en ce qui concerne des emplois supplémentaires doit être formulé dans cette convention.) <AR 2004-03-31/33, art. 6, 004; En vigueur : 16-04-2004> <AR 2006-03-05/39, art. 2, 2°, 010; En vigueur : 22-03-2006>
[Si la section sui generis d'une entreprise agréée est transformée en une entreprise autonome, il sera tenu compte, pour ce qui concerne la condition concernant le volume de travail supplémentaire, visée à l'alinéa 1er, 5°, de l'évolution du volume de travail des travailleurs n'ayant pas un contrat de travail titres-services de l'entreprise initialement agréée.] <AR 2007-01-16/30, art. 1, 012; En vigueur : 29-01-2007>
Wijzigingen
Art. 2quater_VLAAMS_GEWEST. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-09/33, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. Na advies van de Commissie kan de Minister van Werk overgaan tot de erkenning van een onderneming die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.
§ 2. Voor de toepassing van artikel 2, § 2, eerste lid, a, van de wet moet worden verstaan onder sui generis afdeling, opgericht binnen een onderneming die reeds een andere activiteit heeft en die wil toetreden tot het stelsel van de dienstencheques, een afdeling met de volgende kenmerken :
1° er is een specifieke verantwoordelijke aangeduid voor de afdeling;
2° de afdeling engageert zich om herkenbaar te zijn door haar erkenning als erkende onderneming en de publiciteit daaromtrent;
3° de dienstencheque-activiteiten zullen apart geregistreerd worden, inzonderheid ten behoeve van de sociale overlegstructuren in de onderneming en de sociale inspectie.
[5 4° er wordt een aparte boekhouding gevoerd betreffende de dienstencheque-activiteiten.]5
§ 3. Het geven van voorrang door de onderneming [1 aan de werknemers die tijdens hun deeltijdse tewerkstelling een werkloosheidsuitkering, een leefloon of financiële sociale hulp genieten]1 voor het bekomen van een voltijdse betrekking of van een andere, al dan niet bijkomende, deeltijdse betrekking zoals bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, c, van de wet dient te gebeuren overeenkomstig de volgende modaliteiten :
1° [1 de werknemer die tijdens zijn deeltijdse tewerkstelling een werkloosheidsuitkering, een leefloon of financiële sociale hulp geniet]1 moet op het ogenblik dat hij zijn arbeidsovereenkomst dienstencheques ondertekent bij zijn werkgever schriftelijk een aanvraag indienen tot het bekomen van bijkomende arbeidsuren zodat hij zo vlug als mogelijk een voltijdse dienstbetrekking kan verkrijgen. Deze aanvraag wordt geacht deel uit te maken van de arbeidsovereenkomst.
2° de werkgever moet [1 de werknemer die tijdens zijn deeltijdse tewerkstelling een werkloosheidsuitkering, een leefloon of financiële sociale hulp geniet]1 schriftelijk elke vacante voltijdse of deeltijdse dienstbetrekking prioritair aanbieden die dezelfde of een gelijkaardige functie betreft als die welke de werknemer reeds uitoefent, waarvoor hij de vereiste kwalificaties bezit en waarvoor hij in het kader van de arbeidsorganisatie in de onderneming in aanmerking kan komen. Voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing wordt rekening gehouden met de inkomsten van alle lopende arbeidsovereenkomsten bij dezelfde werkgever.
[1 Voor de toepassing van dit artikel moet verstaan worden onder :
1° werkloosheidsuitkering : de werkloosheids- of wachtuitkering bedoeld in artikel 100, de uitkering voor uren van tijdelijke werkloosheid bedoeld in artikelen 106 en 107 en de inkomens-garantieuitkering bedoeld in artikel 131bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
2° leefloon : het leefloon zoals bedoeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
3° financiële sociale hulp : de financiële hulp bedoeld in artikel 60, § 3 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.]1
[11 § 3bis. Ter uitvoering van artikel 2, § 2, eerste lid, l), van de wet stelt de erkende onderneming een schriftelijk document op als de activiteiten uitgevoerd worden in de woonplaats van de gebruiker. Het voormelde document wordt opgesteld en ondertekend voorafgaand aan de eerste werkzaamheden bij de gebruiker in kwestie.
Het schriftelijke document, vermeld in het eerste lid, wordt opgemaakt in twee exemplaren en het wordt ondertekend door de erkende onderneming en de gebruiker. De erkende onderneming en de gebruiker ontvangen elk een ondertekend exemplaar.
Het schriftelijke document, vermeld in het eerste lid, bevat ten minste de volgende elementen:
1° de algemene wettelijke verplichtingen, vermeld in de wet en dit besluit, die van toepassing zijn op de gebruiker;
2° informatie over het veilige gebruik van producten en materialen;
3° een oplijsting van de omgevingsfactoren op basis waarvan de gebruiker en de erkende onderneming de gevaren en risico's eigen aan de werkplek kunnen identificeren.]11
§ 4. De bijkomende voorwaarden zoals bedoeld in artikel 2, § 2, tweede lid van de wet zijn de volgende :
1° de onderneming verbindt zich ertoe geen werken of diensten die worden gefinancierd met dienstencheques in onderaanneming te laten uitvoeren door een andere onderneming of instelling;
2° (de onderneming verbindt zich ertoe geen werknemers en klanten direct of indirect te discrimineren zoals bedoeld in de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;) <KB 2008-04-28/30, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008>
3° de onderneming verbindt zich tot de organisatie van een werkomgeving met billijke arbeidsvoorwaarden, -situaties, -invulling en -verhoudingen overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomsten en de reglementeringen die van toepassing zijn;
4° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties te laten verrichten in een omgeving met onaanvaardbare risico's of gevaren voor de werknemers of in een omgeving waar de werknemers het slachtoffer zouden kunnen zijn van misbruiken of discriminatoire praktijken.
(5° de onderneming verbindt zich ertoe om alleen het vanaf haar erkenning bijkomend arbeidsvolume van activiteiten bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2°, te laten betalen met dienstencheques; van deze verbintenis kan worden afgeweken bij een convenant gesloten tussen de Minister van Werk en een bedrijfssector, een groepering van erkende ondernemingen of een erkende onderneming;
6° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers voor wie een vrijstelling van betaling van werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid wordt toegekend met toepassing [9 ...]9 van artikel 99, eerste lid, van de programmawet van 30 december 1988;
7° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers waarvan de tewerkstelling gefinancierd wordt met toepassing van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector.) <KB 2004-03-31/33, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004>
[3 8° [10 ...]10
(9° de onderneming die activiteiten uitoefent in het kader van begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit verbindt zich ertoe te controleren dat voor die activiteiten enkel prestaties worden geleverd ten gunste van gebruikers bedoeld in artikel 1, derde lid;
10° de onderneming verbindt zich ertoe om in het kader van de buurtwerken of -diensten alleen activiteiten uit te voeren die toegelaten zijn in de beslissing tot erkenning;
11° de onderneming verbindt zich ertoe om reeds tijdens de periode van twaalf maanden die ingaat op de ingangsdatum van de erkenning, dienstencheques voor betaling over te maken aan het uitgiftebedrijf en om na afloop van deze periode tijdens elke nieuwe periode van twaalf maanden dienstencheques voor betaling over te maken aan het uitgiftebedrijf.) <KB 2006-03-05/39, art. 2, 1°, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006. De ingangsdatum van de erkenning wordt vastgesteld op 22-03-2006 voor de ondernemingen die vóór deze datum erkend zijn. >
(12° de onderneming verbindt zich ertoe om alle wettelijke en reglementaire bepalingen voorzien in de wet en in dit besluit na te leven;
13° [9 als een sui generis afdeling van een erkende onderneming als vermeld in artikel 12:1 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019 omgevormd wordt tot een zelfstandige onderneming, verbindt de onderneming zich ertoe de splitsing te laten gebeuren in overeenstemming met artikel 12:2 tot 12:10 van het voormelde wetboek]9;
(14° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers tewerkgesteld in het kader van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.) <KB 2007-01-16/31, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
(15° De onderneming verbindt zich ertoe om de registratie van de dienstenchequeactiviteiten op dergelijke wijze te organiseren dat het mogelijk is exact na te gaan wat het verband is tussen de maandelijkse prestaties van elke individuele dienstenchequewerknemer, de gebruiker en de overeenkomstige dienstencheques.) <KB 2007-07-13/36, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-10-2007>
(16° De onderneming verbindt zich ertoe om zijn dienstenchequewerknemers als dusdanig aan te geven in de multifunctionele aangifte (DMFA).) <KB 2007-07-13/36, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
[1 7° [6 De onderneming verbindt zich ertoe om onder de bestuurders, zaakvoerders, lasthebbers of personen bevoegd om de onderneming te verbinden geen natuurlijke personen of rechtspersonen te hebben die de voorbije drie jaar bestuurder, zaakvoerder, lasthebber of persoon bevoegd om de onderneming te verbinden geweest zijn van een onderneming waarvan de erkenning werd ingetrokken met toepassing van de artikelen 2septies, 2octies en 2nonies, met uitzondering van 2nonies, § 1, c)]6;] <KB 2008-04-28/30, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008>
[18° De onderneming verbindt zich ertoe dat het aantal bij de RSZ aangegeven arbeidsuren gepresteerd door werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques per kwartaal minstens gelijk is aan het aantal aan het uitgiftebedrijf voor betaling overgemaakte dienstencheques voor verrichte prestaties in dezelfde periode.] <KB 2008-04-28/30, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008>
[2 19° de onderneming verbindt zich ertoe de door [7 het departement"]7 in uitvoering van artikel 12 gevraagde gegevens binnen de vereiste termijn aan -7 het departement"]7 te bezorgen.]2
[4 20° [9 de onderneming verbindt zich ertoe alle bepalingen na te leven van volgende wetten en hun van toepassing zijnde uitvoeringsbesluiten:
a) de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
b) de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
c) de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden.]9.]4
[8 21° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers van wie de tewerkstelling niet voorafgaand aan de RSZ is gemeld conform het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.]8
[12 22° de onderneming verbindt zich ertoe, als ze bijkomende kosten als vermeld in artikel 6, § 2, van de wet aanrekent, de gegevens over die bijkomende kosten evenals hun besteding, te bezorgen aan het departement om ze te registeren en te publiceren. De kennisgeving gebeurt binnen dertig dagen nadat de bijkomende kosten aan de gebruikers worden aangerekend of binnen dertig dagen nadat de bijkomende kosten worden gewijzigd. De kennisgeving wordt conform de richtlijnen van het departement uitgevoerd.]12
(Voor het sluiten van een convenant bedoeld in het eerste lid, 5°, dient inzonderheid rekening gehouden te worden met het soort van uitgeoefende activiteit en het feit of de betrokken bedrijfssector, groepering van erkende ondernemingen of erkende onderneming reeds bestond en deze activiteit reeds uitoefende voor de inwerkingtreding van de regeling dienstencheques bij hetzelfde type van gebruikers. In dit convenant dient een concreet objectief inzake bijkomende tewerkstelling geformuleerd te worden.) <KB 2004-03-31/33, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004>
(Indien een sui generis afdeling van een erkende onderneming omgevormd wordt tot een zelfstandige onderneming, zal, voor wat de voorwaarde betreft inzake bijkomend arbeidsvolume, bedoeld in het eerste lid, 5°, rekening gehouden worden met de evolutie van het arbeidsvolume van de werknemers zonder arbeidsovereenkomst dienstencheques van de oorspronkelijk erkende onderneming.) <KB 2007-01-16/30, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 29-01-2007>
§ 2. Voor de toepassing van artikel 2, § 2, eerste lid, a, van de wet moet worden verstaan onder sui generis afdeling, opgericht binnen een onderneming die reeds een andere activiteit heeft en die wil toetreden tot het stelsel van de dienstencheques, een afdeling met de volgende kenmerken :
1° er is een specifieke verantwoordelijke aangeduid voor de afdeling;
2° de afdeling engageert zich om herkenbaar te zijn door haar erkenning als erkende onderneming en de publiciteit daaromtrent;
3° de dienstencheque-activiteiten zullen apart geregistreerd worden, inzonderheid ten behoeve van de sociale overlegstructuren in de onderneming en de sociale inspectie.
[5 4° er wordt een aparte boekhouding gevoerd betreffende de dienstencheque-activiteiten.]5
§ 3. Het geven van voorrang door de onderneming [1 aan de werknemers die tijdens hun deeltijdse tewerkstelling een werkloosheidsuitkering, een leefloon of financiële sociale hulp genieten]1 voor het bekomen van een voltijdse betrekking of van een andere, al dan niet bijkomende, deeltijdse betrekking zoals bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, c, van de wet dient te gebeuren overeenkomstig de volgende modaliteiten :
1° [1 de werknemer die tijdens zijn deeltijdse tewerkstelling een werkloosheidsuitkering, een leefloon of financiële sociale hulp geniet]1 moet op het ogenblik dat hij zijn arbeidsovereenkomst dienstencheques ondertekent bij zijn werkgever schriftelijk een aanvraag indienen tot het bekomen van bijkomende arbeidsuren zodat hij zo vlug als mogelijk een voltijdse dienstbetrekking kan verkrijgen. Deze aanvraag wordt geacht deel uit te maken van de arbeidsovereenkomst.
2° de werkgever moet [1 de werknemer die tijdens zijn deeltijdse tewerkstelling een werkloosheidsuitkering, een leefloon of financiële sociale hulp geniet]1 schriftelijk elke vacante voltijdse of deeltijdse dienstbetrekking prioritair aanbieden die dezelfde of een gelijkaardige functie betreft als die welke de werknemer reeds uitoefent, waarvoor hij de vereiste kwalificaties bezit en waarvoor hij in het kader van de arbeidsorganisatie in de onderneming in aanmerking kan komen. Voor de berekening van de bedrijfsvoorheffing wordt rekening gehouden met de inkomsten van alle lopende arbeidsovereenkomsten bij dezelfde werkgever.
[1 Voor de toepassing van dit artikel moet verstaan worden onder :
1° werkloosheidsuitkering : de werkloosheids- of wachtuitkering bedoeld in artikel 100, de uitkering voor uren van tijdelijke werkloosheid bedoeld in artikelen 106 en 107 en de inkomens-garantieuitkering bedoeld in artikel 131bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
2° leefloon : het leefloon zoals bedoeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
3° financiële sociale hulp : de financiële hulp bedoeld in artikel 60, § 3 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.]1
[11 § 3bis. Ter uitvoering van artikel 2, § 2, eerste lid, l), van de wet stelt de erkende onderneming een schriftelijk document op als de activiteiten uitgevoerd worden in de woonplaats van de gebruiker. Het voormelde document wordt opgesteld en ondertekend voorafgaand aan de eerste werkzaamheden bij de gebruiker in kwestie.
Het schriftelijke document, vermeld in het eerste lid, wordt opgemaakt in twee exemplaren en het wordt ondertekend door de erkende onderneming en de gebruiker. De erkende onderneming en de gebruiker ontvangen elk een ondertekend exemplaar.
Het schriftelijke document, vermeld in het eerste lid, bevat ten minste de volgende elementen:
1° de algemene wettelijke verplichtingen, vermeld in de wet en dit besluit, die van toepassing zijn op de gebruiker;
2° informatie over het veilige gebruik van producten en materialen;
3° een oplijsting van de omgevingsfactoren op basis waarvan de gebruiker en de erkende onderneming de gevaren en risico's eigen aan de werkplek kunnen identificeren.]11
§ 4. De bijkomende voorwaarden zoals bedoeld in artikel 2, § 2, tweede lid van de wet zijn de volgende :
1° de onderneming verbindt zich ertoe geen werken of diensten die worden gefinancierd met dienstencheques in onderaanneming te laten uitvoeren door een andere onderneming of instelling;
2° (de onderneming verbindt zich ertoe geen werknemers en klanten direct of indirect te discrimineren zoals bedoeld in de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;) <KB 2008-04-28/30, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008>
3° de onderneming verbindt zich tot de organisatie van een werkomgeving met billijke arbeidsvoorwaarden, -situaties, -invulling en -verhoudingen overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomsten en de reglementeringen die van toepassing zijn;
4° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties te laten verrichten in een omgeving met onaanvaardbare risico's of gevaren voor de werknemers of in een omgeving waar de werknemers het slachtoffer zouden kunnen zijn van misbruiken of discriminatoire praktijken.
(5° de onderneming verbindt zich ertoe om alleen het vanaf haar erkenning bijkomend arbeidsvolume van activiteiten bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2°, te laten betalen met dienstencheques; van deze verbintenis kan worden afgeweken bij een convenant gesloten tussen de Minister van Werk en een bedrijfssector, een groepering van erkende ondernemingen of een erkende onderneming;
6° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers voor wie een vrijstelling van betaling van werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid wordt toegekend met toepassing [9 ...]9 van artikel 99, eerste lid, van de programmawet van 30 december 1988;
7° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers waarvan de tewerkstelling gefinancierd wordt met toepassing van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector.) <KB 2004-03-31/33, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004>
[3 8° [10 ...]10
(9° de onderneming die activiteiten uitoefent in het kader van begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit verbindt zich ertoe te controleren dat voor die activiteiten enkel prestaties worden geleverd ten gunste van gebruikers bedoeld in artikel 1, derde lid;
10° de onderneming verbindt zich ertoe om in het kader van de buurtwerken of -diensten alleen activiteiten uit te voeren die toegelaten zijn in de beslissing tot erkenning;
11° de onderneming verbindt zich ertoe om reeds tijdens de periode van twaalf maanden die ingaat op de ingangsdatum van de erkenning, dienstencheques voor betaling over te maken aan het uitgiftebedrijf en om na afloop van deze periode tijdens elke nieuwe periode van twaalf maanden dienstencheques voor betaling over te maken aan het uitgiftebedrijf.) <KB 2006-03-05/39, art. 2, 1°, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006. De ingangsdatum van de erkenning wordt vastgesteld op 22-03-2006 voor de ondernemingen die vóór deze datum erkend zijn. >
(12° de onderneming verbindt zich ertoe om alle wettelijke en reglementaire bepalingen voorzien in de wet en in dit besluit na te leven;
13° [9 als een sui generis afdeling van een erkende onderneming als vermeld in artikel 12:1 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019 omgevormd wordt tot een zelfstandige onderneming, verbindt de onderneming zich ertoe de splitsing te laten gebeuren in overeenstemming met artikel 12:2 tot 12:10 van het voormelde wetboek]9;
(14° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers tewerkgesteld in het kader van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.) <KB 2007-01-16/31, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
(15° De onderneming verbindt zich ertoe om de registratie van de dienstenchequeactiviteiten op dergelijke wijze te organiseren dat het mogelijk is exact na te gaan wat het verband is tussen de maandelijkse prestaties van elke individuele dienstenchequewerknemer, de gebruiker en de overeenkomstige dienstencheques.) <KB 2007-07-13/36, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-10-2007>
(16° De onderneming verbindt zich ertoe om zijn dienstenchequewerknemers als dusdanig aan te geven in de multifunctionele aangifte (DMFA).) <KB 2007-07-13/36, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
[1 7° [6 De onderneming verbindt zich ertoe om onder de bestuurders, zaakvoerders, lasthebbers of personen bevoegd om de onderneming te verbinden geen natuurlijke personen of rechtspersonen te hebben die de voorbije drie jaar bestuurder, zaakvoerder, lasthebber of persoon bevoegd om de onderneming te verbinden geweest zijn van een onderneming waarvan de erkenning werd ingetrokken met toepassing van de artikelen 2septies, 2octies en 2nonies, met uitzondering van 2nonies, § 1, c)]6;] <KB 2008-04-28/30, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008>
[18° De onderneming verbindt zich ertoe dat het aantal bij de RSZ aangegeven arbeidsuren gepresteerd door werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques per kwartaal minstens gelijk is aan het aantal aan het uitgiftebedrijf voor betaling overgemaakte dienstencheques voor verrichte prestaties in dezelfde periode.] <KB 2008-04-28/30, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008>
[2 19° de onderneming verbindt zich ertoe de door [7 het departement"]7 in uitvoering van artikel 12 gevraagde gegevens binnen de vereiste termijn aan -7 het departement"]7 te bezorgen.]2
[4 20° [9 de onderneming verbindt zich ertoe alle bepalingen na te leven van volgende wetten en hun van toepassing zijnde uitvoeringsbesluiten:
a) de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
b) de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
c) de wet van 9 mei 2018 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen die zich in een specifieke verblijfssituatie bevinden.]9.]4
[8 21° de onderneming verbindt zich ertoe geen prestaties die betaald worden met dienstencheques te laten verrichten door werknemers van wie de tewerkstelling niet voorafgaand aan de RSZ is gemeld conform het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.]8
[12 22° de onderneming verbindt zich ertoe, als ze bijkomende kosten als vermeld in artikel 6, § 2, van de wet aanrekent, de gegevens over die bijkomende kosten evenals hun besteding, te bezorgen aan het departement om ze te registeren en te publiceren. De kennisgeving gebeurt binnen dertig dagen nadat de bijkomende kosten aan de gebruikers worden aangerekend of binnen dertig dagen nadat de bijkomende kosten worden gewijzigd. De kennisgeving wordt conform de richtlijnen van het departement uitgevoerd.]12
(Voor het sluiten van een convenant bedoeld in het eerste lid, 5°, dient inzonderheid rekening gehouden te worden met het soort van uitgeoefende activiteit en het feit of de betrokken bedrijfssector, groepering van erkende ondernemingen of erkende onderneming reeds bestond en deze activiteit reeds uitoefende voor de inwerkingtreding van de regeling dienstencheques bij hetzelfde type van gebruikers. In dit convenant dient een concreet objectief inzake bijkomende tewerkstelling geformuleerd te worden.) <KB 2004-03-31/33, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004>
(Indien een sui generis afdeling van een erkende onderneming omgevormd wordt tot een zelfstandige onderneming, zal, voor wat de voorwaarde betreft inzake bijkomend arbeidsvolume, bedoeld in het eerste lid, 5°, rekening gehouden worden met de evolutie van het arbeidsvolume van de werknemers zonder arbeidsovereenkomst dienstencheques van de oorspronkelijk erkende onderneming.) <KB 2007-01-16/30, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 29-01-2007>
Wijzigingen
Art. 2quater _REGION_FLAMANDE.
§ 1er. Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, peut agréer une entreprise qui satisfait aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2, et 3, de la loi.
§ 2. Pour l'application de l'article 2, § 2, alinéa 1er, a, de la loi il faut entendre par une section sui generis, créée dans une entreprise qui exerce déjà une autre activité et qui veut adhérer au système des titres-services, une section avec les caractéristiques suivantes :
1° un responsable spécifique est désigné pour la section;
2° la section s'engage à être identifiable par son agrément comme entreprise agréée et la publicité ad hoc;
3° les activités couvertes par les titres-services seront enregistrées séparément, notamment à l'intention des structures de concertation sociale dans l'entreprise et de l'inspection sociale.
[5 4° une comptabilité distincte concernant les activités titres-services est tenue.]5
§ 3. L'attribution par l'entreprise d'une priorité [1 aux travailleurs qui pendant leur occupation à temps partiel bénéficient d'une allocation de chômage, du revenu d'intégration ou de l'aide sociale financière]1 pour l'obtention d'un emploi à temps plein ou d'un autre emploi à temps partiel, supplémentaire ou non, visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, c, de la loi, doit se faire conformément aux modalités suivantes :
1° le [1 travailleur qui pendant son occupation à temps partiel bénéficie d'une allocation de chômage, du revenu d'intégration ou de l'aide sociale financière]1 doit, au moment où il signe son contrat de travail titres-services, introduire par écrit auprès de son employeur une demande d'obtention d'heures de travail complémentaires de sorte qu'il puisse obtenir aussi vite que possible un emploi à temps plein. Cette demande est censée faire partie du contrat de travail.
2° l'employeur doit offrir en priorité par écrit au [1 travailleur qui pendant son occupation à temps partiel bénéficie d'une allocation de chômage, du revenu d'intégration ou de l'aide sociale financière]1 chaque emploi vacant à temps plein ou à temps partiel, ayant trait à la même fonction ou à une fonction analogue à celle que le travailleur exerce déjà, pour laquelle il possède les qualifications requises et pour laquelle il entre en ligne de compte dans le cadre de l'organisation du travail dans l'entreprise. Pour le calcul du précompte professionnel il sera tenu compte des revenus de tous les contrats de travail en cours auprès du même employeur.
[1 Pour l'application de cet article, il faut entendre par :
1° allocation de chômage : l'allocation de chômage ou d'attente visée à l'article 100, l'allocation pour les heures de chômage temporaire visée aux articles 106 et 107 et l'allocation de garantie de revenus visée à l'article 131bis de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
2° revenu d'intégration : le revenu d'intégration visé dans la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
3° aide sociale financière : l'aide financière visée à l'article 60, § 3, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale.]1
[11 § 3bis. En exécution de l'article 2, § 2, alinéa 1er, l) de la loi, l'entreprise agréée établit un document écrit lorsque les activités sont exercées au domicile de l'utilisateur. Le document précité est établi et signé avant le début des premiers travaux chez l'utilisateur en question.
Le document écrit visé à l'alinéa 1er est établi en deux exemplaires et signé par l'entreprise agréée et l'utilisateur. L'entreprise agréée et l'utilisateur reçoivent chacun un exemplaire signé.
Le document écrit visé au 1er alinéa reprend au moins les éléments suivants :
1° les obligations légales générales, énoncées par la loi et le présent arrêté, applicables à l'utilisateur ;
2° les informations nécessaires sur l'utilisation sûre des produits et des matériaux ;
3° une liste des facteurs environnementaux sur la base desquels l'utilisateur et l'entreprise agréée peuvent identifier les dangers et les risques spécifiques au lieu de travail. ]11
§ 4. Les conditions supplémentaires visées à l'article 2, § 2, alinéa 2, de la loi sont les suivantes :
1° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer les travaux ou services financés par les titres-services en sous-traitance par une autre entreprise ou tout autre organisme;
2° (l'entreprise s'engage à ne pas pratiquer à l'encontre des travailleurs et des clients de discrimination directe ou indirecte visée à la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre certaines formes de discrimination;) <AR 2008-04-28/30, art. 2, 014; En vigueur : 01-05-2008>
3° l'entreprise s'engage à créer un environnement de travail offrant des conditions, des situations, des contenus et des relations de travail équitables, conformément aux conventions collectives de travail et aux réglementations applicables;
4° l'entreprise s'engage à ne pas faire prester des travaux dans un environnement présentant des dangers et des risques inacceptables pour les travailleurs ou dans un environnement où les travailleurs risqueraient d'êtres victimes d'abus ou de traitements discriminatoires.
(5° l'entreprise s'engage à ne faire payer par des titres-services que le volume de travail des activités visées à l'article 1er, alinéa 1er, 2°, qui, à partir de son agrément, vient en supplément; il peut être dérogé à cet engagement par une convention conclue entre le Ministre de l'Emploi et un secteur d'entreprises, un groupement d'entreprises agréées ou une entreprise agréée;
6° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs pour lesquels une exonération de paiement de cotisations patronales pour la sécurité sociale est accordée en application de [9 ...]9 de l'article 99, alinéa 1er, de la loi-programme du 30 décembre 1988;
7° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs dont l'occupation est financée en application de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand.) <AR 2004-03-31/33, art. 5, 004; En vigueur : 16-04-2004>
8°[10 ...]10
(9° l'entreprise qui exerce des activités dans le cadre du transport accompagné de personnes à mobilité réduite s'engage à contrôler que les prestations concernant ces activités sont uniquement fournies en faveur des utilisateurs visés à l'article 1er, alinéa 3;
10° l'entreprise s'engage à effectuer, dans le cadre des travaux ou services de proximité, uniquement les activités autorisées dans la décision d'agrément;
11° l'entreprise s'engage à transmettre déjà pendant la période de douze mois qui commence à courir à partir de la date d'entrée en vigueur de l'agrément, des titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement et à transmettre, après l'expiration de cette période, pendant chaque nouvelle période de douze mois des titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement.) <AR 2006-03-05/39, art. 2, 1°, 010; En vigueur : 22-03-2006. La date d'entrée en vigueur de l'agrément est fixée au 22-03-2006 pour les entreprises qui sont agréées avant cette date.>
(12° l'entreprise s'engage à respecter toutes les dispositions légales et réglementaires prévues dans la loi et dans le présent arrêté;
13° [9 si la section sui generis d'une entreprise agréée telle que visée à l'article 12.1 du Code des sociétés et associations du 23 mars 2019 est transformée en une entreprise autonome, l'entreprise s'engage à effectuer la scission conformément aux articles 12.2 à 12.10 de ce code ]9;
(14° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs mis à l'emploi dans le cadre de l'article 60, § 7, de la loi organique des centres publics d'aide sociale du 8 juillet 1976.) <AR 2007-01-16/31, art. 1, 011; En vigueur : 01-01-2007>
(15° L'entreprise s'engage à organiser l'enregistrement des activités titres-services de manière telle qu'on puisse vérifier exactement la relation entre les prestations mensuelles de chaque travailleur titres-services individuel, l'utilisateur et les titres-services correspondants.) <AR 2007-07-13/36, art. 2, 013; En vigueur : 01-10-2007>
(16° L'entreprise s'engage à renseigner comme tels ses travailleurs titres-services dans la déclaration multifonctionnelle (DMFA).) <AR 2007-07-13/36, art. 2, 013; En vigueur : 01-08-2007>
[1 7° [6 L'entreprise s'engage à ne pas compter parmi les administrateurs, gérants, mandataires ou personnes ayant le pouvoir d'engager l'entreprise, des personnes physiques ou morales qui, dans les trois années écoulées, ont été administrateur, gérant, mandataire ou personne ayant le pouvoir d'engager l'entreprise, d'une entreprise dont l'agrément a été retiré en application des articles 2septies, 2octies et 2nonies, à l'exception de 2nonies, § 1er, c)]6;] <AR 2008-04-28/30, art. 2, 014; En vigueur : 01-05-2008>
(18° L'entreprise s'engage à ce que le nombre d'heures de travail prestées par des travailleurs avec un contrat de travail titres-services déclaré à l'ONSS par trimestre soit au moins égal au nombre des titres-services transmis à la société émettrice aux fins de remboursement pour des prestations effectuées dans la même période.) <AR 2008-04-28/30, art. 2, 014; En vigueur : 01-05-2008>
[2 19° l'entreprise s'engage à fournir à [7 le département]7 dans le délai requis les données demandées par [7 le département]7 en exécution de l'article 12.]2
[4 20°[9 l'entreprise s'engage à respecter toutes les dispositions des lois suivantes et de ses arrêtés d'exécution applicables :
a) la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ;
b) la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers ;
c) la loi du 9 mai 2018 relative à l'occupation de ressortissants étrangers se trouvant dans une situation particulière de séjour.]9.]4
[8 21° l'entreprise s'engage à ne pas laisser s'effectuer des prestations payées au moyen de titres-services par des [travailleurs] pour lesquels l'emploi n'a pas été déclaré préalablement à l'ONSS, conformément à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions. ". (ERRATUM, voir M.B. du 23-04-2018, p. 35269)]8
[12 l'entreprise s'engage, lorsqu'elle facture des frais supplémentaires visés à l'article 6, § 2, de la loi, à communiquer les données relatives à ces frais supplémentaires ainsi qu'à leur utilisation au département afin qu'ils soient enregistrés et publiés. La notification est effectuée dans les trente jours suivant la facturation des frais supplémentaires aux utilisateurs ou dans les trente jours suivant la modification des frais supplémentaires. La notification est effectuée conformément aux directives du département. ]12
(Pour la conclusion d'une convention visée à l'alinéa 1er, 5°, il faut notamment tenir compte du genre d'activité exercée et du fait (de savoir) si le secteur d'entreprises, le groupement d'entreprises agréées ou l'entreprise agréée existaient déjà et exerçaient déjà cette activité avant l'entrée en vigueur du dispositif des titres-services chez le même type d'utilisateurs. Un objectif concret en ce qui concerne des emplois supplémentaires doit être formulé dans cette convention.) <AR 2004-03-31/33, art. 6, 004; En vigueur : 16-04-2004> <AR 2006-03-05/39, art. 2, 2°, 010; En vigueur : 22-03-2006>
[Si la section sui generis d'une entreprise agréée est transformée en une entreprise autonome, il sera tenu compte, pour ce qui concerne la condition concernant le volume de travail supplémentaire, visée à l'alinéa 1er, 5°, de l'évolution du volume de travail des travailleurs n'ayant pas un contrat de travail titres-services de l'entreprise initialement agréée.] <AR 2007-01-16/30, art. 1, 012; En vigueur : 29-01-2007>
§ 1er. Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, peut agréer une entreprise qui satisfait aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2, et 3, de la loi.
§ 2. Pour l'application de l'article 2, § 2, alinéa 1er, a, de la loi il faut entendre par une section sui generis, créée dans une entreprise qui exerce déjà une autre activité et qui veut adhérer au système des titres-services, une section avec les caractéristiques suivantes :
1° un responsable spécifique est désigné pour la section;
2° la section s'engage à être identifiable par son agrément comme entreprise agréée et la publicité ad hoc;
3° les activités couvertes par les titres-services seront enregistrées séparément, notamment à l'intention des structures de concertation sociale dans l'entreprise et de l'inspection sociale.
[5 4° une comptabilité distincte concernant les activités titres-services est tenue.]5
§ 3. L'attribution par l'entreprise d'une priorité [1 aux travailleurs qui pendant leur occupation à temps partiel bénéficient d'une allocation de chômage, du revenu d'intégration ou de l'aide sociale financière]1 pour l'obtention d'un emploi à temps plein ou d'un autre emploi à temps partiel, supplémentaire ou non, visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, c, de la loi, doit se faire conformément aux modalités suivantes :
1° le [1 travailleur qui pendant son occupation à temps partiel bénéficie d'une allocation de chômage, du revenu d'intégration ou de l'aide sociale financière]1 doit, au moment où il signe son contrat de travail titres-services, introduire par écrit auprès de son employeur une demande d'obtention d'heures de travail complémentaires de sorte qu'il puisse obtenir aussi vite que possible un emploi à temps plein. Cette demande est censée faire partie du contrat de travail.
2° l'employeur doit offrir en priorité par écrit au [1 travailleur qui pendant son occupation à temps partiel bénéficie d'une allocation de chômage, du revenu d'intégration ou de l'aide sociale financière]1 chaque emploi vacant à temps plein ou à temps partiel, ayant trait à la même fonction ou à une fonction analogue à celle que le travailleur exerce déjà, pour laquelle il possède les qualifications requises et pour laquelle il entre en ligne de compte dans le cadre de l'organisation du travail dans l'entreprise. Pour le calcul du précompte professionnel il sera tenu compte des revenus de tous les contrats de travail en cours auprès du même employeur.
[1 Pour l'application de cet article, il faut entendre par :
1° allocation de chômage : l'allocation de chômage ou d'attente visée à l'article 100, l'allocation pour les heures de chômage temporaire visée aux articles 106 et 107 et l'allocation de garantie de revenus visée à l'article 131bis de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
2° revenu d'intégration : le revenu d'intégration visé dans la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
3° aide sociale financière : l'aide financière visée à l'article 60, § 3, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale.]1
[11 § 3bis. En exécution de l'article 2, § 2, alinéa 1er, l) de la loi, l'entreprise agréée établit un document écrit lorsque les activités sont exercées au domicile de l'utilisateur. Le document précité est établi et signé avant le début des premiers travaux chez l'utilisateur en question.
Le document écrit visé à l'alinéa 1er est établi en deux exemplaires et signé par l'entreprise agréée et l'utilisateur. L'entreprise agréée et l'utilisateur reçoivent chacun un exemplaire signé.
Le document écrit visé au 1er alinéa reprend au moins les éléments suivants :
1° les obligations légales générales, énoncées par la loi et le présent arrêté, applicables à l'utilisateur ;
2° les informations nécessaires sur l'utilisation sûre des produits et des matériaux ;
3° une liste des facteurs environnementaux sur la base desquels l'utilisateur et l'entreprise agréée peuvent identifier les dangers et les risques spécifiques au lieu de travail. ]11
§ 4. Les conditions supplémentaires visées à l'article 2, § 2, alinéa 2, de la loi sont les suivantes :
1° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer les travaux ou services financés par les titres-services en sous-traitance par une autre entreprise ou tout autre organisme;
2° (l'entreprise s'engage à ne pas pratiquer à l'encontre des travailleurs et des clients de discrimination directe ou indirecte visée à la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre certaines formes de discrimination;) <AR 2008-04-28/30, art. 2, 014; En vigueur : 01-05-2008>
3° l'entreprise s'engage à créer un environnement de travail offrant des conditions, des situations, des contenus et des relations de travail équitables, conformément aux conventions collectives de travail et aux réglementations applicables;
4° l'entreprise s'engage à ne pas faire prester des travaux dans un environnement présentant des dangers et des risques inacceptables pour les travailleurs ou dans un environnement où les travailleurs risqueraient d'êtres victimes d'abus ou de traitements discriminatoires.
(5° l'entreprise s'engage à ne faire payer par des titres-services que le volume de travail des activités visées à l'article 1er, alinéa 1er, 2°, qui, à partir de son agrément, vient en supplément; il peut être dérogé à cet engagement par une convention conclue entre le Ministre de l'Emploi et un secteur d'entreprises, un groupement d'entreprises agréées ou une entreprise agréée;
6° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs pour lesquels une exonération de paiement de cotisations patronales pour la sécurité sociale est accordée en application de [9 ...]9 de l'article 99, alinéa 1er, de la loi-programme du 30 décembre 1988;
7° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs dont l'occupation est financée en application de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand.) <AR 2004-03-31/33, art. 5, 004; En vigueur : 16-04-2004>
8°[10 ...]10
(9° l'entreprise qui exerce des activités dans le cadre du transport accompagné de personnes à mobilité réduite s'engage à contrôler que les prestations concernant ces activités sont uniquement fournies en faveur des utilisateurs visés à l'article 1er, alinéa 3;
10° l'entreprise s'engage à effectuer, dans le cadre des travaux ou services de proximité, uniquement les activités autorisées dans la décision d'agrément;
11° l'entreprise s'engage à transmettre déjà pendant la période de douze mois qui commence à courir à partir de la date d'entrée en vigueur de l'agrément, des titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement et à transmettre, après l'expiration de cette période, pendant chaque nouvelle période de douze mois des titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement.) <AR 2006-03-05/39, art. 2, 1°, 010; En vigueur : 22-03-2006. La date d'entrée en vigueur de l'agrément est fixée au 22-03-2006 pour les entreprises qui sont agréées avant cette date.>
(12° l'entreprise s'engage à respecter toutes les dispositions légales et réglementaires prévues dans la loi et dans le présent arrêté;
13° [9 si la section sui generis d'une entreprise agréée telle que visée à l'article 12.1 du Code des sociétés et associations du 23 mars 2019 est transformée en une entreprise autonome, l'entreprise s'engage à effectuer la scission conformément aux articles 12.2 à 12.10 de ce code ]9;
(14° l'entreprise s'engage à ne pas faire effectuer des prestations payées avec des titres-services par des travailleurs mis à l'emploi dans le cadre de l'article 60, § 7, de la loi organique des centres publics d'aide sociale du 8 juillet 1976.) <AR 2007-01-16/31, art. 1, 011; En vigueur : 01-01-2007>
(15° L'entreprise s'engage à organiser l'enregistrement des activités titres-services de manière telle qu'on puisse vérifier exactement la relation entre les prestations mensuelles de chaque travailleur titres-services individuel, l'utilisateur et les titres-services correspondants.) <AR 2007-07-13/36, art. 2, 013; En vigueur : 01-10-2007>
(16° L'entreprise s'engage à renseigner comme tels ses travailleurs titres-services dans la déclaration multifonctionnelle (DMFA).) <AR 2007-07-13/36, art. 2, 013; En vigueur : 01-08-2007>
[1 7° [6 L'entreprise s'engage à ne pas compter parmi les administrateurs, gérants, mandataires ou personnes ayant le pouvoir d'engager l'entreprise, des personnes physiques ou morales qui, dans les trois années écoulées, ont été administrateur, gérant, mandataire ou personne ayant le pouvoir d'engager l'entreprise, d'une entreprise dont l'agrément a été retiré en application des articles 2septies, 2octies et 2nonies, à l'exception de 2nonies, § 1er, c)]6;] <AR 2008-04-28/30, art. 2, 014; En vigueur : 01-05-2008>
(18° L'entreprise s'engage à ce que le nombre d'heures de travail prestées par des travailleurs avec un contrat de travail titres-services déclaré à l'ONSS par trimestre soit au moins égal au nombre des titres-services transmis à la société émettrice aux fins de remboursement pour des prestations effectuées dans la même période.) <AR 2008-04-28/30, art. 2, 014; En vigueur : 01-05-2008>
[2 19° l'entreprise s'engage à fournir à [7 le département]7 dans le délai requis les données demandées par [7 le département]7 en exécution de l'article 12.]2
[4 20°[9 l'entreprise s'engage à respecter toutes les dispositions des lois suivantes et de ses arrêtés d'exécution applicables :
a) la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ;
b) la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers ;
c) la loi du 9 mai 2018 relative à l'occupation de ressortissants étrangers se trouvant dans une situation particulière de séjour.]9.]4
[8 21° l'entreprise s'engage à ne pas laisser s'effectuer des prestations payées au moyen de titres-services par des [travailleurs] pour lesquels l'emploi n'a pas été déclaré préalablement à l'ONSS, conformément à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions. ". (ERRATUM, voir M.B. du 23-04-2018, p. 35269)]8
[12 l'entreprise s'engage, lorsqu'elle facture des frais supplémentaires visés à l'article 6, § 2, de la loi, à communiquer les données relatives à ces frais supplémentaires ainsi qu'à leur utilisation au département afin qu'ils soient enregistrés et publiés. La notification est effectuée dans les trente jours suivant la facturation des frais supplémentaires aux utilisateurs ou dans les trente jours suivant la modification des frais supplémentaires. La notification est effectuée conformément aux directives du département. ]12
(Pour la conclusion d'une convention visée à l'alinéa 1er, 5°, il faut notamment tenir compte du genre d'activité exercée et du fait (de savoir) si le secteur d'entreprises, le groupement d'entreprises agréées ou l'entreprise agréée existaient déjà et exerçaient déjà cette activité avant l'entrée en vigueur du dispositif des titres-services chez le même type d'utilisateurs. Un objectif concret en ce qui concerne des emplois supplémentaires doit être formulé dans cette convention.) <AR 2004-03-31/33, art. 6, 004; En vigueur : 16-04-2004> <AR 2006-03-05/39, art. 2, 2°, 010; En vigueur : 22-03-2006>
[Si la section sui generis d'une entreprise agréée est transformée en une entreprise autonome, il sera tenu compte, pour ce qui concerne la condition concernant le volume de travail supplémentaire, visée à l'alinéa 1er, 5°, de l'évolution du volume de travail des travailleurs n'ayant pas un contrat de travail titres-services de l'entreprise initialement agréée.] <AR 2007-01-16/30, art. 1, 012; En vigueur : 29-01-2007>
Wijzigingen
Art. 2quinquies. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-09/33, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2004> De erkenning wordt toegekend voor onbepaalde duur.
Art. 2quinquies. L'agrément est octroyé pour une durée indéterminée.
Art. 2sexies. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-09/33, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. De onderneming richt haar aanvraag tot erkenning tot het Secretariaat van de Commissie, hierna " het Secretariaat " genoemd.
De aanvraag waarvan het model bij het Secretariaat beschikbaar is, bevat een dossier dat bestaat uit :
1° het uniek ondernemingsnummer, de identiteit/sociale benaming en de verblijfplaats/maatschappelijke zetel;
2° desgevallend de meest recente versie van haar statuten;
3° een verklaring op erewoord die aangeeft dat de onderneming zich verbindt de erkenningsvoorwaarden die vermeld zijn in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet na te leven;
4° [3 een ondernemingsplan dat wordt goedgekeurd door een van de onderstaande personen :
a) een erkend boekhouder of een erkend boekhouder-fiscalist die is ingeschreven op het tableau van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten zoals bedoeld in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;
b) een accountant die is ingeschreven op het tableau van externe accountants van het instituut van de accountants en de belastingconsulenten zoals bedoeld in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen.
Dit plan bevat inzonderheid de volgende elementen :
a) algemene informatie over het bedrijf;
b) de uit te voeren investeringen;
c) de personeelsbehoefte;
d) de verwachte inkomsten;
e) de vaste en variabele kosten;
f) de raming van de balans voor de eerste drie werkjaren;
g) een financiële planning voor de eerste drie werkjaren.]3
5° wanneer de aanvraag betrekking heeft op een afdeling sui generis bedoeld in artikel 2quater, § 2, bovendien de identiteit en de volledige persoonlijke gegevens van de specifieke verantwoordelijke van de afdeling.
(6° een verklaring op erewoord die aangeeft of de onderneming al of niet een omvorming is van een sui generis afdeling van een erkende onderneming tot een zelfstandige onderneming.) <KB 2007-01-16/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 29-01-2007>
[2 7° het aanwezigheidsattest van de informatiesessie bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, g. van de wet, uitgereikt door de RVA.]2
Het Secretariaat bevestigt onverwijld de ontvangst van de aanvraag. Indien de aanvraag of het dossier onvolledig is, deelt het Secretariaat dit in dezelfde brief aan de onderneming mee.
Indien de onderneming haar aanvraag of dossier niet vervolledigt binnen de maand die volgt op de verzending van voornoemde brief, stuurt het Secretariaat de onderneming bij aangetekend schrijven een herinnering met een overzicht van de ontbrekende stukken. Indien het de ontbrekende stukken niet ontvangen heeft binnen de maand die volgt op de verzending van deze herinnering, wordt de aanvraag als onbestaande beschouwd.
§ 2. Zodra het Secretariaat over een volledig dossier beschikt, verzendt het dit ter advies aan de Commissie.
§ 3. Binnen een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst van het dossier, verstrekt de Commissie een advies. Vervolgens bezorgt het Secretariaat dit advies aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
De Minister van Werk neemt een beslissing uiterlijk binnen een termijn van twee maanden die volgt op de ontvangst van het dossier.
Bij ontstentenis van een beslissing vanwege de Minister van Werk binnen de voornoemde termijn, wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing tot toekenning of weigering van de erkenning aan de vragende onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van de beslissing.
Voor toepassing van deze paragraaf wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die hij aanduidt.
§ 4. [1 ...]1
§ 5. [1 ...]1
De aanvraag waarvan het model bij het Secretariaat beschikbaar is, bevat een dossier dat bestaat uit :
1° het uniek ondernemingsnummer, de identiteit/sociale benaming en de verblijfplaats/maatschappelijke zetel;
2° desgevallend de meest recente versie van haar statuten;
3° een verklaring op erewoord die aangeeft dat de onderneming zich verbindt de erkenningsvoorwaarden die vermeld zijn in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet na te leven;
4° [3 een ondernemingsplan dat wordt goedgekeurd door een van de onderstaande personen :
a) een erkend boekhouder of een erkend boekhouder-fiscalist die is ingeschreven op het tableau van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten zoals bedoeld in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;
b) een accountant die is ingeschreven op het tableau van externe accountants van het instituut van de accountants en de belastingconsulenten zoals bedoeld in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen.
Dit plan bevat inzonderheid de volgende elementen :
a) algemene informatie over het bedrijf;
b) de uit te voeren investeringen;
c) de personeelsbehoefte;
d) de verwachte inkomsten;
e) de vaste en variabele kosten;
f) de raming van de balans voor de eerste drie werkjaren;
g) een financiële planning voor de eerste drie werkjaren.]3
5° wanneer de aanvraag betrekking heeft op een afdeling sui generis bedoeld in artikel 2quater, § 2, bovendien de identiteit en de volledige persoonlijke gegevens van de specifieke verantwoordelijke van de afdeling.
(6° een verklaring op erewoord die aangeeft of de onderneming al of niet een omvorming is van een sui generis afdeling van een erkende onderneming tot een zelfstandige onderneming.) <KB 2007-01-16/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 29-01-2007>
[2 7° het aanwezigheidsattest van de informatiesessie bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, g. van de wet, uitgereikt door de RVA.]2
Het Secretariaat bevestigt onverwijld de ontvangst van de aanvraag. Indien de aanvraag of het dossier onvolledig is, deelt het Secretariaat dit in dezelfde brief aan de onderneming mee.
Indien de onderneming haar aanvraag of dossier niet vervolledigt binnen de maand die volgt op de verzending van voornoemde brief, stuurt het Secretariaat de onderneming bij aangetekend schrijven een herinnering met een overzicht van de ontbrekende stukken. Indien het de ontbrekende stukken niet ontvangen heeft binnen de maand die volgt op de verzending van deze herinnering, wordt de aanvraag als onbestaande beschouwd.
§ 2. Zodra het Secretariaat over een volledig dossier beschikt, verzendt het dit ter advies aan de Commissie.
§ 3. Binnen een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst van het dossier, verstrekt de Commissie een advies. Vervolgens bezorgt het Secretariaat dit advies aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
De Minister van Werk neemt een beslissing uiterlijk binnen een termijn van twee maanden die volgt op de ontvangst van het dossier.
Bij ontstentenis van een beslissing vanwege de Minister van Werk binnen de voornoemde termijn, wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing tot toekenning of weigering van de erkenning aan de vragende onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van de beslissing.
Voor toepassing van deze paragraaf wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die hij aanduidt.
§ 4. [1 ...]1
§ 5. [1 ...]1
Art. 2sexies. § 1er. La demande d'agrément est adressée par l'entreprise au Secrétariat de la Commission, ci-après dénommé " le Secrétariat ".
La demande, dont le modèle est disponible auprès du Secrétariat, est accompagnée d'un dossier comportant :
1° le numéro unique d'entreprise, l'identité/la dénomination sociale et le domicile/siège social;
2° le cas échéant, la dernière version en date des statuts;
3° une déclaration sur l'honneur indiquant que l'entreprise s'engage à respecter les conditions d'agrément prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi;
4° [3 un plan d'entreprise, approuvé par une des personnes suivantes :
a) un comptable agréé ou un comptable-fiscaliste agréé inscrit au tableau de l'Institut professionnel des comptables et fiscalistes agréés prévu dans la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales;
b) un expert-comptable inscrit au tableau des experts-comptables externes de l'institut des experts-comptables et des conseils fiscaux prévu dans la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales.
Ce plan contient notamment les éléments suivants :
a) les renseignements généraux sur l'entreprise;
b) les investissements à réaliser;
c) le personnel à engager;
d) les recettes attendues;
e) les coûts fixes et variables;
f) les prévisions pour le bilan pour les trois premières années d'activités;
g) le plan de trésorerie pour les trois premières années d'activités.]3;
5° lorsque la demande concerne une section sui generis visée à l'article 2quater, § 2, en outre, l'identité et les coordonnées complètes du responsable spécifique de la section.
(6° une déclaration sur l'honneur indiquant si l'entreprise est oui ou non une transformation d'une section sui generis d'une entreprise agréée en une entreprise autonome.) <AR 2007-01-16/30, art. 2, 012; En vigueur : 29-01-2007>
[2 7° l'attestation de présence à la session d'information visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, g. de la loi, délivrée par l'ONEm.]2
Le Secrétariat accuse sans délai réception de la demande. Si la demande ou le dossier est incomplet, le Secrétariat en avise l'entreprise dans le même courrier.
Si l'entreprise ne complète pas sa demande ou son dossier dans le mois qui suit l'envoi du courrier précité, le Secrétariat adresse à l'entreprise, par lettre recommandée, un rappel du relevé des pièces manquantes. A défaut d'avoir reçu celles-ci dans le mois qui suit l'envoi de ce rappel, la demande est considérée comme nulle et non avenue.
§ 2. Dès qu'il dispose d'un dossier complet, le Secrétariat le transmet pour avis à la Commission.
§ 3. Dans un délai de deux mois à dater de la réception du dossier, la Commission rend un avis. Le Secrétariat communique ensuite cet avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Ministre de l'Emploi se prononce au plus tard dans un délai de deux mois à dater de la réception du dossier.
En cas d'absence de décision du Ministre de l'Emploi endéans le délai précité, la décision est réputée favorable.
Le Secrétariat notifie la décision d'octroi ou de refus de l'agrément à l'entreprise demanderesse. Le Secrétariat communique également une copie de la décision à la Commission.
Pour l'application de [cet article] on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale qu'il désigne. <AR 2004-03-31/33, art. 7, 004; En vigueur : 16-04-2004>
§ 4. [1 ...]1
§ 5. [1 ...]1
La demande, dont le modèle est disponible auprès du Secrétariat, est accompagnée d'un dossier comportant :
1° le numéro unique d'entreprise, l'identité/la dénomination sociale et le domicile/siège social;
2° le cas échéant, la dernière version en date des statuts;
3° une déclaration sur l'honneur indiquant que l'entreprise s'engage à respecter les conditions d'agrément prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi;
4° [3 un plan d'entreprise, approuvé par une des personnes suivantes :
a) un comptable agréé ou un comptable-fiscaliste agréé inscrit au tableau de l'Institut professionnel des comptables et fiscalistes agréés prévu dans la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales;
b) un expert-comptable inscrit au tableau des experts-comptables externes de l'institut des experts-comptables et des conseils fiscaux prévu dans la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales.
Ce plan contient notamment les éléments suivants :
a) les renseignements généraux sur l'entreprise;
b) les investissements à réaliser;
c) le personnel à engager;
d) les recettes attendues;
e) les coûts fixes et variables;
f) les prévisions pour le bilan pour les trois premières années d'activités;
g) le plan de trésorerie pour les trois premières années d'activités.]3;
5° lorsque la demande concerne une section sui generis visée à l'article 2quater, § 2, en outre, l'identité et les coordonnées complètes du responsable spécifique de la section.
(6° une déclaration sur l'honneur indiquant si l'entreprise est oui ou non une transformation d'une section sui generis d'une entreprise agréée en une entreprise autonome.) <AR 2007-01-16/30, art. 2, 012; En vigueur : 29-01-2007>
[2 7° l'attestation de présence à la session d'information visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, g. de la loi, délivrée par l'ONEm.]2
Le Secrétariat accuse sans délai réception de la demande. Si la demande ou le dossier est incomplet, le Secrétariat en avise l'entreprise dans le même courrier.
Si l'entreprise ne complète pas sa demande ou son dossier dans le mois qui suit l'envoi du courrier précité, le Secrétariat adresse à l'entreprise, par lettre recommandée, un rappel du relevé des pièces manquantes. A défaut d'avoir reçu celles-ci dans le mois qui suit l'envoi de ce rappel, la demande est considérée comme nulle et non avenue.
§ 2. Dès qu'il dispose d'un dossier complet, le Secrétariat le transmet pour avis à la Commission.
§ 3. Dans un délai de deux mois à dater de la réception du dossier, la Commission rend un avis. Le Secrétariat communique ensuite cet avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Ministre de l'Emploi se prononce au plus tard dans un délai de deux mois à dater de la réception du dossier.
En cas d'absence de décision du Ministre de l'Emploi endéans le délai précité, la décision est réputée favorable.
Le Secrétariat notifie la décision d'octroi ou de refus de l'agrément à l'entreprise demanderesse. Le Secrétariat communique également une copie de la décision à la Commission.
Pour l'application de [cet article] on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale qu'il désigne. <AR 2004-03-31/33, art. 7, 004; En vigueur : 16-04-2004>
§ 4. [1 ...]1
§ 5. [1 ...]1
Art. 2sexies_WAALS_GEWEST. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-09/33, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. [4 De aanvraag wordt door de onderneming aan de Administratie gericht.]4
De aanvraag waarvan het model bij [4 de Administratie]4 beschikbaar is, bevat een dossier dat bestaat uit :
1° het uniek ondernemingsnummer, de identiteit/sociale benaming en de verblijfplaats/maatschappelijke zetel;
2° desgevallend de meest recente versie van haar statuten;
3° een verklaring op erewoord die aangeeft dat de onderneming zich verbindt de erkenningsvoorwaarden die vermeld zijn in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet na te leven;
4° [3 een ondernemingsplan dat wordt goedgekeurd door een van de onderstaande personen :
a) een erkend boekhouder of een erkend boekhouder-fiscalist die is ingeschreven op het tableau van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten zoals bedoeld in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;
b) een accountant die is ingeschreven op het tableau van externe accountants van het instituut van de accountants en de belastingconsulenten zoals bedoeld in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen.
Dit plan bevat inzonderheid de volgende elementen :
a) algemene informatie over het bedrijf;
b) de uit te voeren investeringen;
c) de personeelsbehoefte;
d) de verwachte inkomsten;
e) de vaste en variabele kosten;
f) de raming van de balans voor de eerste drie werkjaren;
g) een financiële planning voor de eerste drie werkjaren.]3
5° wanneer de aanvraag betrekking heeft op een afdeling sui generis bedoeld in artikel 2quater, § 2, bovendien de identiteit en de volledige persoonlijke gegevens van de specifieke verantwoordelijke van de afdeling.
(6° een verklaring op erewoord die aangeeft of de onderneming al of niet een omvorming is van een sui generis afdeling van een erkende onderneming tot een zelfstandige onderneming.) <KB 2007-01-16/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 29-01-2007>
[2 7° het aanwezigheidsattest van de informatiesessie bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, g. van de wet, uitgereikt door [4 de Forem]4;]2
[5 8° een model van het contract met de gebruiker]5
[4 De Administratie]4 bevestigt onverwijld de ontvangst van de aanvraag. Indien de aanvraag of het dossier onvolledig is, deelt [4 de Administratie]4 dit in dezelfde brief aan de onderneming mee.
Indien de onderneming haar aanvraag of dossier niet vervolledigt binnen de maand die volgt op de verzending van voornoemde brief, stuurt [4 de Administratie]4 de onderneming bij aangetekend schrijven een herinnering met een overzicht van de ontbrekende stukken. Indien het de ontbrekende stukken niet ontvangen heeft binnen de maand die volgt op de verzending van deze herinnering, wordt de aanvraag als onbestaande beschouwd.
§ 2. [4 Zodra de Administratie over een volledig dossier beschikt, verzendt ze dit ter advies aan de Commissie.]4
§ 3. [4 Binnen een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst van het dossier brengt de Commissie een advies uit en maakt ze het aan de Administratie over. Vervolgens bezorgt de Administratie dit advies aan de Minister van Tewerkstelling, die een beslissing neemt.]4
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt [4 de Administratie]4 het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
De Minister van Werk neemt een beslissing uiterlijk binnen een termijn van twee maanden die volgt op de ontvangst van het dossier.
Bij ontstentenis van een beslissing vanwege de Minister van Werk binnen de voornoemde termijn, wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.
[4 De Administratie]4 geeft kennis van de beslissing tot toekenning of weigering van de erkenning aan de vragende onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van de beslissing.
Voor toepassing van deze paragraaf wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar [4 van de Administratie]4 die hij aanduidt.
§ 4. [4 . Onder voorbehoud van de bepalingen voorzien bij of krachtens een samenwerkingsakkoord gesloten terzake tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijke Gewest, dient de in artikel 2, § § 3 en 4 van de wet, bedoelde onderneming die erkend is door het Brussels Hoofdstedelijke Gewest of door het Vlaamse Gewest of door beide Gewesten, een erkenningsaanvraag in overeenkomstig de modaliteiten bedoeld in artikel 2, sexies, § § 1 tot 3.
De erkende onderneming hoeft niet de in artikel 2sexies, § 1, tweede lid, bedoelde gegevens te verstrekken indien deze gegevens volgens modaliteiten bepaald door de Minister van Tewerkstelling geacht worden reeds overgemaakt te zijn aan de Administratie of indien ze via authentieke bronnen beschikbaar zijn.
Alle in artikel 2, § 1, 6°, van de wet bedoelde erkende ondernemingen kunnen door de Minister van Tewerkstelling volgens de door hem bepaalde modaliteiten en onder dezelfde voorwaarden geheel of gedeeltelijk vrijgesteld worden van de verplichting om de in artikel 2bis, § 1, van de wet bedoelde borgtocht.
De Minister van Tewerkstelling kan de modaliteiten voor de uitvoering van de in het eerste en het tweede lid bedoelde maatregelen bepalen.]4
§ 5. [4 Wanneer de erkenningsaanvraag ingediend wordt door een in artikel 2, § 5, van de wet bedoelde onderneming, wordt de aanvraag, naast de in artikel 2sexies, § 1, tweede lid, bedoelde documenten vergezeld van de documenten waarmee de onderneming bewijst dat ze in de Staat waarin haar maatschappelijke zetel is gevestigd, gelijkwaardige voorwaarde als die bepaald bij of krachtens artikel 2, § 2, van de wet naleeft.
Wanneer de aanvraag voor een erkenning als erkende onderneming ingediend wordt door een onderneming waarvan de maatschappelijke zetel in het buitenland gelegen is en buiten de Europese Economische Ruimte, wordt de aanvraag, naast de in artikel 2sexies, § 1, tweede lid, bedoelde documenten vergezeld van de documenten waarmee de onderneming bewijst dat ze in de Staat waarin haar maatschappelijke zetel is gevestigd, gelijkwaardige voorwaarde als die bepaald bij of krachtens artikel 2, § 2, van de wet naleeft en dat ze in haar land van herkomst gelijkwaardige diensten als de buurtwerken en -diensten uitoefent.
De erkende onderneming hoeft niet de in artikel 2sexies, § 1, tweede lid, bedoelde gegevens te verstrekken indien deze gegevens reeds overgemaakt zijn aan de Administratie of indien ze via authentieke bronnen beschikbaar zijn.
De Minister van Tewerkstelling kan de modaliteiten voor de uitvoering van de in het eerste en het tweede lid bedoelde maatregelen bepalen.]4
[4 § 6. Overeenkomstig artikel 2ter van de wet deelt de onderneming die afstand doet van de overdracht van de erkenning, de informatie betreffende de veranderingshandelingen en de datum/data van de inwerkingtreding ervan aan de Administratie mee.
Binnen twee maanden na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen en na verificatie door de Administratie van de toelaatbaarheidvoorwaarden voor de overdracht van erkenning ten opzichte van de bij artikel 2 ter van de wet voorgeschreven voorwaarden spreekt de Minister van Tewerkstelling zich over de toelaatbaarheid van de overdracht van erkenning.
Bij gebrek aan beslissing binnen de termijn bedoeld in het tweede lid wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.
De Administratie betekent de ministeriële beslissing betreffende de toelaatbaarheid van de overdracht van erkenning aan de onderneming waarvoor de overdracht bestemd is en deelt een afschrift van de beslissing aan de Commissie en aan de "Forem" mee, die ze aan het uitgiftebedrijf overmaakt.]4
De aanvraag waarvan het model bij [4 de Administratie]4 beschikbaar is, bevat een dossier dat bestaat uit :
1° het uniek ondernemingsnummer, de identiteit/sociale benaming en de verblijfplaats/maatschappelijke zetel;
2° desgevallend de meest recente versie van haar statuten;
3° een verklaring op erewoord die aangeeft dat de onderneming zich verbindt de erkenningsvoorwaarden die vermeld zijn in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet na te leven;
4° [3 een ondernemingsplan dat wordt goedgekeurd door een van de onderstaande personen :
a) een erkend boekhouder of een erkend boekhouder-fiscalist die is ingeschreven op het tableau van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten zoals bedoeld in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;
b) een accountant die is ingeschreven op het tableau van externe accountants van het instituut van de accountants en de belastingconsulenten zoals bedoeld in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen.
Dit plan bevat inzonderheid de volgende elementen :
a) algemene informatie over het bedrijf;
b) de uit te voeren investeringen;
c) de personeelsbehoefte;
d) de verwachte inkomsten;
e) de vaste en variabele kosten;
f) de raming van de balans voor de eerste drie werkjaren;
g) een financiële planning voor de eerste drie werkjaren.]3
5° wanneer de aanvraag betrekking heeft op een afdeling sui generis bedoeld in artikel 2quater, § 2, bovendien de identiteit en de volledige persoonlijke gegevens van de specifieke verantwoordelijke van de afdeling.
(6° een verklaring op erewoord die aangeeft of de onderneming al of niet een omvorming is van een sui generis afdeling van een erkende onderneming tot een zelfstandige onderneming.) <KB 2007-01-16/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 29-01-2007>
[2 7° het aanwezigheidsattest van de informatiesessie bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, g. van de wet, uitgereikt door [4 de Forem]4;]2
[5 8° een model van het contract met de gebruiker]5
[4 De Administratie]4 bevestigt onverwijld de ontvangst van de aanvraag. Indien de aanvraag of het dossier onvolledig is, deelt [4 de Administratie]4 dit in dezelfde brief aan de onderneming mee.
Indien de onderneming haar aanvraag of dossier niet vervolledigt binnen de maand die volgt op de verzending van voornoemde brief, stuurt [4 de Administratie]4 de onderneming bij aangetekend schrijven een herinnering met een overzicht van de ontbrekende stukken. Indien het de ontbrekende stukken niet ontvangen heeft binnen de maand die volgt op de verzending van deze herinnering, wordt de aanvraag als onbestaande beschouwd.
§ 2. [4 Zodra de Administratie over een volledig dossier beschikt, verzendt ze dit ter advies aan de Commissie.]4
§ 3. [4 Binnen een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst van het dossier brengt de Commissie een advies uit en maakt ze het aan de Administratie over. Vervolgens bezorgt de Administratie dit advies aan de Minister van Tewerkstelling, die een beslissing neemt.]4
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt [4 de Administratie]4 het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
De Minister van Werk neemt een beslissing uiterlijk binnen een termijn van twee maanden die volgt op de ontvangst van het dossier.
Bij ontstentenis van een beslissing vanwege de Minister van Werk binnen de voornoemde termijn, wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.
[4 De Administratie]4 geeft kennis van de beslissing tot toekenning of weigering van de erkenning aan de vragende onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van de beslissing.
Voor toepassing van deze paragraaf wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar [4 van de Administratie]4 die hij aanduidt.
§ 4. [4 . Onder voorbehoud van de bepalingen voorzien bij of krachtens een samenwerkingsakkoord gesloten terzake tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijke Gewest, dient de in artikel 2, § § 3 en 4 van de wet, bedoelde onderneming die erkend is door het Brussels Hoofdstedelijke Gewest of door het Vlaamse Gewest of door beide Gewesten, een erkenningsaanvraag in overeenkomstig de modaliteiten bedoeld in artikel 2, sexies, § § 1 tot 3.
De erkende onderneming hoeft niet de in artikel 2sexies, § 1, tweede lid, bedoelde gegevens te verstrekken indien deze gegevens volgens modaliteiten bepaald door de Minister van Tewerkstelling geacht worden reeds overgemaakt te zijn aan de Administratie of indien ze via authentieke bronnen beschikbaar zijn.
Alle in artikel 2, § 1, 6°, van de wet bedoelde erkende ondernemingen kunnen door de Minister van Tewerkstelling volgens de door hem bepaalde modaliteiten en onder dezelfde voorwaarden geheel of gedeeltelijk vrijgesteld worden van de verplichting om de in artikel 2bis, § 1, van de wet bedoelde borgtocht.
De Minister van Tewerkstelling kan de modaliteiten voor de uitvoering van de in het eerste en het tweede lid bedoelde maatregelen bepalen.]4
§ 5. [4 Wanneer de erkenningsaanvraag ingediend wordt door een in artikel 2, § 5, van de wet bedoelde onderneming, wordt de aanvraag, naast de in artikel 2sexies, § 1, tweede lid, bedoelde documenten vergezeld van de documenten waarmee de onderneming bewijst dat ze in de Staat waarin haar maatschappelijke zetel is gevestigd, gelijkwaardige voorwaarde als die bepaald bij of krachtens artikel 2, § 2, van de wet naleeft.
Wanneer de aanvraag voor een erkenning als erkende onderneming ingediend wordt door een onderneming waarvan de maatschappelijke zetel in het buitenland gelegen is en buiten de Europese Economische Ruimte, wordt de aanvraag, naast de in artikel 2sexies, § 1, tweede lid, bedoelde documenten vergezeld van de documenten waarmee de onderneming bewijst dat ze in de Staat waarin haar maatschappelijke zetel is gevestigd, gelijkwaardige voorwaarde als die bepaald bij of krachtens artikel 2, § 2, van de wet naleeft en dat ze in haar land van herkomst gelijkwaardige diensten als de buurtwerken en -diensten uitoefent.
De erkende onderneming hoeft niet de in artikel 2sexies, § 1, tweede lid, bedoelde gegevens te verstrekken indien deze gegevens reeds overgemaakt zijn aan de Administratie of indien ze via authentieke bronnen beschikbaar zijn.
De Minister van Tewerkstelling kan de modaliteiten voor de uitvoering van de in het eerste en het tweede lid bedoelde maatregelen bepalen.]4
[4 § 6. Overeenkomstig artikel 2ter van de wet deelt de onderneming die afstand doet van de overdracht van de erkenning, de informatie betreffende de veranderingshandelingen en de datum/data van de inwerkingtreding ervan aan de Administratie mee.
Binnen twee maanden na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen en na verificatie door de Administratie van de toelaatbaarheidvoorwaarden voor de overdracht van erkenning ten opzichte van de bij artikel 2 ter van de wet voorgeschreven voorwaarden spreekt de Minister van Tewerkstelling zich over de toelaatbaarheid van de overdracht van erkenning.
Bij gebrek aan beslissing binnen de termijn bedoeld in het tweede lid wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.
De Administratie betekent de ministeriële beslissing betreffende de toelaatbaarheid van de overdracht van erkenning aan de onderneming waarvoor de overdracht bestemd is en deelt een afschrift van de beslissing aan de Commissie en aan de "Forem" mee, die ze aan het uitgiftebedrijf overmaakt.]4
Art. 2sexies _REGION_WALLONNE.
§ 1er.[4 La demande est adressée par l'entreprise à l'Administration.]4
La demande, dont le modèle est disponible auprès [4 de l'Administration]4, est accompagnée d'un dossier comportant :
1° le numéro unique d'entreprise, l'identité/la dénomination sociale et le domicile/siège social;
2° le cas échéant, la dernière version en date des statuts;
3° une déclaration sur l'honneur indiquant que l'entreprise s'engage à respecter les conditions d'agrément prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi;
4° [3 un plan d'entreprise, approuvé par une des personnes suivantes :
a) un comptable agréé ou un comptable-fiscaliste agréé inscrit au tableau de l'Institut professionnel des comptables et fiscalistes agréés prévu dans la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales;
b) un expert-comptable inscrit au tableau des experts-comptables externes de l'institut des experts-comptables et des conseils fiscaux prévu dans la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales.
Ce plan contient notamment les éléments suivants :
a) les renseignements généraux sur l'entreprise;
b) les investissements à réaliser;
c) le personnel à engager;
d) les recettes attendues;
e) les coûts fixes et variables;
f) les prévisions pour le bilan pour les trois premières années d'activités;
g) le plan de trésorerie pour les trois premières années d'activités.]3
5° lorsque la demande concerne une section sui generis visée à l'article 2quater, § 2, en outre, l'identité et les coordonnées complètes du responsable spécifique de la section;
(6° une déclaration sur l'honneur indiquant si l'entreprise est oui ou non une transformation d'une section sui generis d'une entreprise agréée en une entreprise autonome;) <AR 2007-01-16/30, art. 2, 012; En vigueur : 29-01-2007>
[2 7° l'attestation de présence à la session d'information visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, g. de la loi, délivrée par [4 le Forem]4;]2
[5 8° un modèle du contrat avec l'utilisateur.]5
[4 L'Administration]4 accuse sans délai réception de la demande. Si la demande ou le dossier est incomplet, [4 l'Administration]4 en avise l'entreprise dans le même courrier.
Si l'entreprise ne complète pas sa demande ou son dossier dans le mois qui suit l'envoi du courrier précité, [4 l'Administration]4 adresse à l'entreprise, par lettre recommandée, un rappel du relevé des pièces manquantes. A défaut d'avoir reçu celles-ci dans le mois qui suit l'envoi de ce rappel, la demande est considérée comme nulle et non avenue.
§ 2. [4 Dès qu'elle dispose d'un dossier complet, l'Administration le soumet, pour avis, à la Commission.]4
§ 3. [4 Dans un délai de deux mois à dater de la réception du dossier, la Commission rend un avis et le transmet à l'Administration. L'Administration communique ensuite cet avis au Ministre de l'Emploi qui décide.]4
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et [4 l'Administration ]4 transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Ministre de l'Emploi se prononce au plus tard dans un délai de deux mois à dater de la réception du dossier.
En cas d'absence de décision du Ministre de l'Emploi endéans le délai précité, la décision est réputée favorable.
[4 l'Administration ]4 notifie la décision d'octroi ou de refus de l'agrément à l'entreprise demanderesse. Le Secrétariat communique également une copie de la décision à la Commission.
Pour l'application de [cet article] on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire [4 de l'Administration ]4 qu'il désigne. <AR 2004-03-31/33, art. 7, 004; En vigueur : 16-04-2004>
§ 4. [4 Sous réserve des dispositions prévues par ou en vertu d'un accord de coopération conclu en la matière entre la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale, l'entreprise, visée à l'article 2, §§ 3 et 4 de la loi, agréée par la Région de Bruxelles-Capitale ou par la Région flamande ou par les deux Régions, qui souhaite prester des travaux ou services de proximité sur le territoire de la Région wallonne, introduit une demande d'agrément conformément aux modalités prévues à l'article 2sexies, §§ 1 à 3.
L'entreprise agréée est dispensée de fournir les données visées à l'article 2sexies, § 1er, alinéa 2, si celles-ci sont réputées, selon les modalités définies par le Ministre de l'Emploi, déjà en possession de l'Administration ou si elles sont disponibles par le biais de sources authentiques.
Pour toutes les entreprises agréées visées à l'article 2, § 1er, 6°, de la loi, le Ministre de l'Emploi peut, selon les modalités qu'il détermine, dispenser aux mêmes conditions, totalement ou partiellement, de l'obligation de verser le cautionnement visé à l'article 2bis, § 1er, de la loi.
Le Ministre de l'Emploi peut préciser les modalités d'exécution des mesures visées aux alinéas 1 et 2. ]4
§ 5. [4 Lorsque la demande d'agrément émane d'une entreprise agréée visée à l'article 2, § 5, de la loi, outre les documents visés à l'article 2sexies, § 1er, alinéa 2, la demande est accompagnée des documents par lesquels l'entreprise démontre qu'elle respecte, dans l'Etat où est situé son siège social, des conditions équivalentes à celles fixées par ou en vertu de l'article 2, § 2, de la loi.
Lorsque la demande d'agrément en tant qu'entreprise agréée émane d'une entreprise qui a son siège social à l'étranger et en dehors de l'Espace économique européen, la demande est accompagnée, outre les documents visés à l'article 2sexies, § 1er, alinéa 2, des documents par lesquels l'entreprise démontre qu'elle respecte, dans l'Etat où est situé son siège social, des conditions équivalentes à celles fixées par ou en vertu de la loi et de la preuve qu'elle exerce effectivement dans son pays d'origine des services similaires aux travaux et services de proximité dans son pays d'origine.
L'entreprise agréée est dispensée de fournir les données visées à l'article 2sexies, § 1er, alinéa 2, si celles-ci sont déjà en possession de l'Administration ou si elles sont disponibles par le biais de sources authentiques.
Le Ministre de l'Emploi peut préciser les modalités d'exécution des mesures visées aux alinéas 1 et 2. ]4
[4 § 6. Conformément à l'article 2ter de la loi, l'entreprise cessionnaire du transfert d'agrément fait connaître à l'Administration les informations relatives aux opérations de transformation intervenues et la ou les dates de l'entrée en vigueur de celles-ci.
Dans les deux mois à dater de la réception des informations visées à l'alinéa 1er, après vérification, par l'Administration, des conditions d'admissibilité du transfert d'agrément au regard des conditions prescrites par l'article 2ter de la loi, le Ministre de l'Emploi se prononce sur l'admissibilité du transfert d'agrément.
A défaut de décision rendue dans le délai visé à l'alinéa 2, la décision est réputée favorable.
L'Administration notifie la décision ministérielle relative à l'admissibilité du transfert d'agrément à l'entreprise cessionnaire et communique une copie de la décision à la Commission et au Forem qui la communique à la société émettrice.]4
§ 1er.[4 La demande est adressée par l'entreprise à l'Administration.]4
La demande, dont le modèle est disponible auprès [4 de l'Administration]4, est accompagnée d'un dossier comportant :
1° le numéro unique d'entreprise, l'identité/la dénomination sociale et le domicile/siège social;
2° le cas échéant, la dernière version en date des statuts;
3° une déclaration sur l'honneur indiquant que l'entreprise s'engage à respecter les conditions d'agrément prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi;
4° [3 un plan d'entreprise, approuvé par une des personnes suivantes :
a) un comptable agréé ou un comptable-fiscaliste agréé inscrit au tableau de l'Institut professionnel des comptables et fiscalistes agréés prévu dans la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales;
b) un expert-comptable inscrit au tableau des experts-comptables externes de l'institut des experts-comptables et des conseils fiscaux prévu dans la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales.
Ce plan contient notamment les éléments suivants :
a) les renseignements généraux sur l'entreprise;
b) les investissements à réaliser;
c) le personnel à engager;
d) les recettes attendues;
e) les coûts fixes et variables;
f) les prévisions pour le bilan pour les trois premières années d'activités;
g) le plan de trésorerie pour les trois premières années d'activités.]3
5° lorsque la demande concerne une section sui generis visée à l'article 2quater, § 2, en outre, l'identité et les coordonnées complètes du responsable spécifique de la section;
(6° une déclaration sur l'honneur indiquant si l'entreprise est oui ou non une transformation d'une section sui generis d'une entreprise agréée en une entreprise autonome;) <AR 2007-01-16/30, art. 2, 012; En vigueur : 29-01-2007>
[2 7° l'attestation de présence à la session d'information visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, g. de la loi, délivrée par [4 le Forem]4;]2
[5 8° un modèle du contrat avec l'utilisateur.]5
[4 L'Administration]4 accuse sans délai réception de la demande. Si la demande ou le dossier est incomplet, [4 l'Administration]4 en avise l'entreprise dans le même courrier.
Si l'entreprise ne complète pas sa demande ou son dossier dans le mois qui suit l'envoi du courrier précité, [4 l'Administration]4 adresse à l'entreprise, par lettre recommandée, un rappel du relevé des pièces manquantes. A défaut d'avoir reçu celles-ci dans le mois qui suit l'envoi de ce rappel, la demande est considérée comme nulle et non avenue.
§ 2. [4 Dès qu'elle dispose d'un dossier complet, l'Administration le soumet, pour avis, à la Commission.]4
§ 3. [4 Dans un délai de deux mois à dater de la réception du dossier, la Commission rend un avis et le transmet à l'Administration. L'Administration communique ensuite cet avis au Ministre de l'Emploi qui décide.]4
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et [4 l'Administration ]4 transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Ministre de l'Emploi se prononce au plus tard dans un délai de deux mois à dater de la réception du dossier.
En cas d'absence de décision du Ministre de l'Emploi endéans le délai précité, la décision est réputée favorable.
[4 l'Administration ]4 notifie la décision d'octroi ou de refus de l'agrément à l'entreprise demanderesse. Le Secrétariat communique également une copie de la décision à la Commission.
Pour l'application de [cet article] on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire [4 de l'Administration ]4 qu'il désigne. <AR 2004-03-31/33, art. 7, 004; En vigueur : 16-04-2004>
§ 4. [4 Sous réserve des dispositions prévues par ou en vertu d'un accord de coopération conclu en la matière entre la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles-Capitale, l'entreprise, visée à l'article 2, §§ 3 et 4 de la loi, agréée par la Région de Bruxelles-Capitale ou par la Région flamande ou par les deux Régions, qui souhaite prester des travaux ou services de proximité sur le territoire de la Région wallonne, introduit une demande d'agrément conformément aux modalités prévues à l'article 2sexies, §§ 1 à 3.
L'entreprise agréée est dispensée de fournir les données visées à l'article 2sexies, § 1er, alinéa 2, si celles-ci sont réputées, selon les modalités définies par le Ministre de l'Emploi, déjà en possession de l'Administration ou si elles sont disponibles par le biais de sources authentiques.
Pour toutes les entreprises agréées visées à l'article 2, § 1er, 6°, de la loi, le Ministre de l'Emploi peut, selon les modalités qu'il détermine, dispenser aux mêmes conditions, totalement ou partiellement, de l'obligation de verser le cautionnement visé à l'article 2bis, § 1er, de la loi.
Le Ministre de l'Emploi peut préciser les modalités d'exécution des mesures visées aux alinéas 1 et 2. ]4
§ 5. [4 Lorsque la demande d'agrément émane d'une entreprise agréée visée à l'article 2, § 5, de la loi, outre les documents visés à l'article 2sexies, § 1er, alinéa 2, la demande est accompagnée des documents par lesquels l'entreprise démontre qu'elle respecte, dans l'Etat où est situé son siège social, des conditions équivalentes à celles fixées par ou en vertu de l'article 2, § 2, de la loi.
Lorsque la demande d'agrément en tant qu'entreprise agréée émane d'une entreprise qui a son siège social à l'étranger et en dehors de l'Espace économique européen, la demande est accompagnée, outre les documents visés à l'article 2sexies, § 1er, alinéa 2, des documents par lesquels l'entreprise démontre qu'elle respecte, dans l'Etat où est situé son siège social, des conditions équivalentes à celles fixées par ou en vertu de la loi et de la preuve qu'elle exerce effectivement dans son pays d'origine des services similaires aux travaux et services de proximité dans son pays d'origine.
L'entreprise agréée est dispensée de fournir les données visées à l'article 2sexies, § 1er, alinéa 2, si celles-ci sont déjà en possession de l'Administration ou si elles sont disponibles par le biais de sources authentiques.
Le Ministre de l'Emploi peut préciser les modalités d'exécution des mesures visées aux alinéas 1 et 2. ]4
[4 § 6. Conformément à l'article 2ter de la loi, l'entreprise cessionnaire du transfert d'agrément fait connaître à l'Administration les informations relatives aux opérations de transformation intervenues et la ou les dates de l'entrée en vigueur de celles-ci.
Dans les deux mois à dater de la réception des informations visées à l'alinéa 1er, après vérification, par l'Administration, des conditions d'admissibilité du transfert d'agrément au regard des conditions prescrites par l'article 2ter de la loi, le Ministre de l'Emploi se prononce sur l'admissibilité du transfert d'agrément.
A défaut de décision rendue dans le délai visé à l'alinéa 2, la décision est réputée favorable.
L'Administration notifie la décision ministérielle relative à l'admissibilité du transfert d'agrément à l'entreprise cessionnaire et communique une copie de la décision à la Commission et au Forem qui la communique à la société émettrice.]4
Art. 2sexies_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-09/33, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. De onderneming richt haar aanvraag tot erkenning tot het Secretariaat van de Commissie, hierna " het Secretariaat " genoemd.
De aanvraag waarvan het model bij het Secretariaat beschikbaar is, bevat een dossier dat bestaat uit :
1° het uniek ondernemingsnummer, de identiteit/sociale benaming en de verblijfplaats/maatschappelijke zetel [4 , het bankrekeningnummer dat gebruikt zal worden in het kader van de dienstenchequeactiviteit, het adres van de elektronische brievenbus voor de officiële communicatie met het bestuur en het uitgiftebedrijf, alsook alle vestigingseenheden gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en, in voorkomend geval, de vermelding van het erkenningsnummer van de onderneming, verstrekt door een of meerdere andere gewesten]4;
2° desgevallend de meest recente versie van haar statuten;
3° een verklaring op erewoord die aangeeft dat de onderneming zich verbindt de erkenningsvoorwaarden die vermeld zijn in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet na te leven;
4° [3 een ondernemingsplan dat wordt goedgekeurd door een van de onderstaande personen :
a) een erkend boekhouder of een erkend boekhouder-fiscalist die is ingeschreven op het tableau van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten zoals bedoeld in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;
b) een accountant die is ingeschreven op het tableau van externe accountants van het instituut van de accountants en de belastingconsulenten zoals bedoeld in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen.
Dit plan bevat inzonderheid de volgende elementen :
a) algemene informatie over het bedrijf;
b) de uit te voeren investeringen;
c) de personeelsbehoefte;
d) de verwachte inkomsten;
e) de vaste en variabele kosten;
f) de raming van de balans voor de eerste drie werkjaren;
g) een financiële planning voor de eerste drie werkjaren.]3
5° wanneer de aanvraag betrekking heeft op een afdeling sui generis bedoeld in artikel 2quater, § 2, bovendien de identiteit en de volledige persoonlijke gegevens van de specifieke verantwoordelijke van de afdeling.
(6° een verklaring op erewoord die aangeeft of de onderneming al of niet een omvorming is van een sui generis afdeling van een erkende onderneming tot een zelfstandige onderneming.) <KB 2007-01-16/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 29-01-2007>
[2 7° het aanwezigheidsattest van de informatiesessie bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, g. van de wet, uitgereikt door [5 het bestuur]5.]2
Het Secretariaat bevestigt onverwijld de ontvangst van de aanvraag. Indien de aanvraag of het dossier onvolledig is, deelt het Secretariaat dit in dezelfde brief aan de onderneming mee.
Indien de onderneming haar aanvraag of dossier niet vervolledigt binnen de maand die volgt op de verzending van voornoemde brief, stuurt het Secretariaat de onderneming bij aangetekend schrijven een herinnering met een overzicht van de ontbrekende stukken. Indien het de ontbrekende stukken niet ontvangen heeft binnen de maand die volgt op de verzending van deze herinnering, wordt de aanvraag als onbestaande beschouwd.
§ 2. Zodra het Secretariaat over een volledig dossier beschikt, verzendt het dit ter advies aan de Commissie.
§ 3. Binnen een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst van het dossier, verstrekt de Commissie een advies. Vervolgens bezorgt het Secretariaat dit advies aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
De Minister van Werk neemt een beslissing uiterlijk binnen een termijn van twee maanden die volgt op de ontvangst van het dossier.
Bij ontstentenis van een beslissing vanwege de Minister van Werk binnen de voornoemde termijn, wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing tot toekenning of weigering van de erkenning aan de vragende onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van de beslissing.
Voor toepassing van deze paragraaf wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar [5 van het bestuur]5 die hij aanduidt.
§ 4. [1 ...]1
[6 § 5. Overeenkomstig artikel 2ter van de wet informeert de onderneming waarnaar de erkenning overgaat het bestuur over de doorgevoerde veranderingen en de datum(s) waarop die in werking treden.
Binnen twee maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de in het eerste lid bedoelde informatie, controleert het bestuur of het overdragen van de erkenning toelaatbaar is op basis van de voorwaarden bepaald in artikel 2ter van de wet en maakt het zijn advies over aan de minister van Tewerkstelling.
Als het advies niet wordt uitgebracht binnen de in het tweede lid bedoelde termijn, wordt eraan voorbijgegaan en maakt het bestuur het dossier ter beslissing over aan de minister van Tewerkstelling.
De minister van Tewerkstelling spreekt zich uit binnen de twee maanden na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde informatie.
Bij ontstentenis van een beslissing van de minister van Tewerkstelling binnen voornoemde termijn, wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.
Het bestuur brengt de beslissing over de toelaatbaarheid van de erkenningsoverdracht ter kennis van de overnemende onderneming. Het bestuur bezorgt eveneens een kopie van de beslissing aan het secretariaat van de Commissie.]6
De aanvraag waarvan het model bij het Secretariaat beschikbaar is, bevat een dossier dat bestaat uit :
1° het uniek ondernemingsnummer, de identiteit/sociale benaming en de verblijfplaats/maatschappelijke zetel [4 , het bankrekeningnummer dat gebruikt zal worden in het kader van de dienstenchequeactiviteit, het adres van de elektronische brievenbus voor de officiële communicatie met het bestuur en het uitgiftebedrijf, alsook alle vestigingseenheden gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en, in voorkomend geval, de vermelding van het erkenningsnummer van de onderneming, verstrekt door een of meerdere andere gewesten]4;
2° desgevallend de meest recente versie van haar statuten;
3° een verklaring op erewoord die aangeeft dat de onderneming zich verbindt de erkenningsvoorwaarden die vermeld zijn in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet na te leven;
4° [3 een ondernemingsplan dat wordt goedgekeurd door een van de onderstaande personen :
a) een erkend boekhouder of een erkend boekhouder-fiscalist die is ingeschreven op het tableau van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten zoals bedoeld in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;
b) een accountant die is ingeschreven op het tableau van externe accountants van het instituut van de accountants en de belastingconsulenten zoals bedoeld in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen.
Dit plan bevat inzonderheid de volgende elementen :
a) algemene informatie over het bedrijf;
b) de uit te voeren investeringen;
c) de personeelsbehoefte;
d) de verwachte inkomsten;
e) de vaste en variabele kosten;
f) de raming van de balans voor de eerste drie werkjaren;
g) een financiële planning voor de eerste drie werkjaren.]3
5° wanneer de aanvraag betrekking heeft op een afdeling sui generis bedoeld in artikel 2quater, § 2, bovendien de identiteit en de volledige persoonlijke gegevens van de specifieke verantwoordelijke van de afdeling.
(6° een verklaring op erewoord die aangeeft of de onderneming al of niet een omvorming is van een sui generis afdeling van een erkende onderneming tot een zelfstandige onderneming.) <KB 2007-01-16/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 29-01-2007>
[2 7° het aanwezigheidsattest van de informatiesessie bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, g. van de wet, uitgereikt door [5 het bestuur]5.]2
Het Secretariaat bevestigt onverwijld de ontvangst van de aanvraag. Indien de aanvraag of het dossier onvolledig is, deelt het Secretariaat dit in dezelfde brief aan de onderneming mee.
Indien de onderneming haar aanvraag of dossier niet vervolledigt binnen de maand die volgt op de verzending van voornoemde brief, stuurt het Secretariaat de onderneming bij aangetekend schrijven een herinnering met een overzicht van de ontbrekende stukken. Indien het de ontbrekende stukken niet ontvangen heeft binnen de maand die volgt op de verzending van deze herinnering, wordt de aanvraag als onbestaande beschouwd.
§ 2. Zodra het Secretariaat over een volledig dossier beschikt, verzendt het dit ter advies aan de Commissie.
§ 3. Binnen een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst van het dossier, verstrekt de Commissie een advies. Vervolgens bezorgt het Secretariaat dit advies aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
De Minister van Werk neemt een beslissing uiterlijk binnen een termijn van twee maanden die volgt op de ontvangst van het dossier.
Bij ontstentenis van een beslissing vanwege de Minister van Werk binnen de voornoemde termijn, wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing tot toekenning of weigering van de erkenning aan de vragende onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van de beslissing.
Voor toepassing van deze paragraaf wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar [5 van het bestuur]5 die hij aanduidt.
§ 4. [1 ...]1
[6 § 5. Overeenkomstig artikel 2ter van de wet informeert de onderneming waarnaar de erkenning overgaat het bestuur over de doorgevoerde veranderingen en de datum(s) waarop die in werking treden.
Binnen twee maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de in het eerste lid bedoelde informatie, controleert het bestuur of het overdragen van de erkenning toelaatbaar is op basis van de voorwaarden bepaald in artikel 2ter van de wet en maakt het zijn advies over aan de minister van Tewerkstelling.
Als het advies niet wordt uitgebracht binnen de in het tweede lid bedoelde termijn, wordt eraan voorbijgegaan en maakt het bestuur het dossier ter beslissing over aan de minister van Tewerkstelling.
De minister van Tewerkstelling spreekt zich uit binnen de twee maanden na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde informatie.
Bij ontstentenis van een beslissing van de minister van Tewerkstelling binnen voornoemde termijn, wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.
Het bestuur brengt de beslissing over de toelaatbaarheid van de erkenningsoverdracht ter kennis van de overnemende onderneming. Het bestuur bezorgt eveneens een kopie van de beslissing aan het secretariaat van de Commissie.]6
Wijzigingen
Art. 2sexies _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
§ 1er. La demande d'agrément est adressée par l'entreprise au Secrétariat de la Commission, ci-après dénommé " le Secrétariat ".
La demande, dont le modèle est disponible auprès du Secrétariat, est accompagnée d'un dossier comportant :
1° le numéro unique d'entreprise, l'identité/la dénomination sociale et le domicile/siège social [4 , le numéro de compte bancaire qui sera utilisé dans le cadre de l'activité titres-services, une adresse de messagerie électronique destinée à recevoir les communications officielles émanant de l'administration et de la société émettrice, ainsi que toutes les unités d'établissement situées en Région de Bruxelles-Capitale et, le cas échéant, la mention du numéro d'agrément de l'entreprise délivré par une ou plusieurs autres régions]4;
2° le cas échéant, la dernière version en date des statuts;
3° une déclaration sur l'honneur indiquant que l'entreprise s'engage à respecter les conditions d'agrément prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi;
4° [3 un plan d'entreprise, approuvé par une des personnes suivantes :
a) un comptable agréé ou un comptable-fiscaliste agréé inscrit au tableau de l'Institut professionnel des comptables et fiscalistes agréés prévu dans la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales;
b) un expert-comptable inscrit au tableau des experts-comptables externes de l'institut des experts-comptables et des conseils fiscaux prévu dans la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales.
Ce plan contient notamment les éléments suivants :
a) les renseignements généraux sur l'entreprise;
b) les investissements à réaliser;
c) le personnel à engager;
d) les recettes attendues;
e) les coûts fixes et variables;
f) les prévisions pour le bilan pour les trois premières années d'activités;
g) le plan de trésorerie pour les trois premières années d'activités.]3;
5° lorsque la demande concerne une section sui generis visée à l'article 2quater, § 2, en outre, l'identité et les coordonnées complètes du responsable spécifique de la section.
(6° une déclaration sur l'honneur indiquant si l'entreprise est oui ou non une transformation d'une section sui generis d'une entreprise agréée en une entreprise autonome.) <AR 2007-01-16/30, art. 2, 012; En vigueur : 29-01-2007>
[2 7° l'attestation de présence à la session d'information visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, g. de la loi, délivrée par l' [5 administration]5.]2
Le Secrétariat accuse sans délai réception de la demande. Si la demande ou le dossier est incomplet, le Secrétariat en avise l'entreprise dans le même courrier.
Si l'entreprise ne complète pas sa demande ou son dossier dans le mois qui suit l'envoi du courrier précité, le Secrétariat adresse à l'entreprise, par lettre recommandée, un rappel du relevé des pièces manquantes. A défaut d'avoir reçu celles-ci dans le mois qui suit l'envoi de ce rappel, la demande est considérée comme nulle et non avenue.
§ 2. Dès qu'il dispose d'un dossier complet, le Secrétariat le transmet pour avis à la Commission.
§ 3. Dans un délai de deux mois à dater de la réception du dossier, la Commission rend un avis. Le Secrétariat communique ensuite cet avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Ministre de l'Emploi se prononce au plus tard dans un délai de deux mois à dater de la réception du dossier.
En cas d'absence de décision du Ministre de l'Emploi endéans le délai précité, la décision est réputée favorable.
Le Secrétariat notifie la décision d'octroi ou de refus de l'agrément à l'entreprise demanderesse. Le Secrétariat communique également une copie de la décision à la Commission.
Pour l'application de [cet article] on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire [5 de l'administration]5 qu'il désigne. <AR 2004-03-31/33, art. 7, 004; En vigueur : 16-04-2004>
§ 4. [1 ...]1
[6 § 5. Conformément à l'article 2ter de la loi, l'entreprise cessionnaire du transfert d'agrément fait connaître à l'administration les informations relatives aux opérations de transformation intervenues et la ou les dates de l'entrée en vigueur de celles-ci.
Dans les deux mois à dater de la réception des informations visées à l'alinéa 1er, l'administration vérifie les conditions d'admissibilité du transfert d'agrément au regard des conditions prescrites par l'article 2ter de la loi et communique son avis au Ministre de l'Emploi.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa 2, il est passé outre et l'administration transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Dans un délai de deux mois à dater de la réception des informations visées à l'alinéa 1er, le Ministre de l'Emploi se prononce.
En cas d'absence de décision du Ministre de l'Emploi endéans le délai précité, la décision est réputée favorable.
L'administration notifie la décision relative à l'admissibilité du transfert d'agrément à l'entreprise cessionnaire. L'administration communique également une copie de la décision au secrétariat de la Commission.]6
§ 1er. La demande d'agrément est adressée par l'entreprise au Secrétariat de la Commission, ci-après dénommé " le Secrétariat ".
La demande, dont le modèle est disponible auprès du Secrétariat, est accompagnée d'un dossier comportant :
1° le numéro unique d'entreprise, l'identité/la dénomination sociale et le domicile/siège social [4 , le numéro de compte bancaire qui sera utilisé dans le cadre de l'activité titres-services, une adresse de messagerie électronique destinée à recevoir les communications officielles émanant de l'administration et de la société émettrice, ainsi que toutes les unités d'établissement situées en Région de Bruxelles-Capitale et, le cas échéant, la mention du numéro d'agrément de l'entreprise délivré par une ou plusieurs autres régions]4;
2° le cas échéant, la dernière version en date des statuts;
3° une déclaration sur l'honneur indiquant que l'entreprise s'engage à respecter les conditions d'agrément prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi;
4° [3 un plan d'entreprise, approuvé par une des personnes suivantes :
a) un comptable agréé ou un comptable-fiscaliste agréé inscrit au tableau de l'Institut professionnel des comptables et fiscalistes agréés prévu dans la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales;
b) un expert-comptable inscrit au tableau des experts-comptables externes de l'institut des experts-comptables et des conseils fiscaux prévu dans la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales.
Ce plan contient notamment les éléments suivants :
a) les renseignements généraux sur l'entreprise;
b) les investissements à réaliser;
c) le personnel à engager;
d) les recettes attendues;
e) les coûts fixes et variables;
f) les prévisions pour le bilan pour les trois premières années d'activités;
g) le plan de trésorerie pour les trois premières années d'activités.]3;
5° lorsque la demande concerne une section sui generis visée à l'article 2quater, § 2, en outre, l'identité et les coordonnées complètes du responsable spécifique de la section.
(6° une déclaration sur l'honneur indiquant si l'entreprise est oui ou non une transformation d'une section sui generis d'une entreprise agréée en une entreprise autonome.) <AR 2007-01-16/30, art. 2, 012; En vigueur : 29-01-2007>
[2 7° l'attestation de présence à la session d'information visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, g. de la loi, délivrée par l' [5 administration]5.]2
Le Secrétariat accuse sans délai réception de la demande. Si la demande ou le dossier est incomplet, le Secrétariat en avise l'entreprise dans le même courrier.
Si l'entreprise ne complète pas sa demande ou son dossier dans le mois qui suit l'envoi du courrier précité, le Secrétariat adresse à l'entreprise, par lettre recommandée, un rappel du relevé des pièces manquantes. A défaut d'avoir reçu celles-ci dans le mois qui suit l'envoi de ce rappel, la demande est considérée comme nulle et non avenue.
§ 2. Dès qu'il dispose d'un dossier complet, le Secrétariat le transmet pour avis à la Commission.
§ 3. Dans un délai de deux mois à dater de la réception du dossier, la Commission rend un avis. Le Secrétariat communique ensuite cet avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Ministre de l'Emploi se prononce au plus tard dans un délai de deux mois à dater de la réception du dossier.
En cas d'absence de décision du Ministre de l'Emploi endéans le délai précité, la décision est réputée favorable.
Le Secrétariat notifie la décision d'octroi ou de refus de l'agrément à l'entreprise demanderesse. Le Secrétariat communique également une copie de la décision à la Commission.
Pour l'application de [cet article] on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire [5 de l'administration]5 qu'il désigne. <AR 2004-03-31/33, art. 7, 004; En vigueur : 16-04-2004>
§ 4. [1 ...]1
[6 § 5. Conformément à l'article 2ter de la loi, l'entreprise cessionnaire du transfert d'agrément fait connaître à l'administration les informations relatives aux opérations de transformation intervenues et la ou les dates de l'entrée en vigueur de celles-ci.
Dans les deux mois à dater de la réception des informations visées à l'alinéa 1er, l'administration vérifie les conditions d'admissibilité du transfert d'agrément au regard des conditions prescrites par l'article 2ter de la loi et communique son avis au Ministre de l'Emploi.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa 2, il est passé outre et l'administration transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Dans un délai de deux mois à dater de la réception des informations visées à l'alinéa 1er, le Ministre de l'Emploi se prononce.
En cas d'absence de décision du Ministre de l'Emploi endéans le délai précité, la décision est réputée favorable.
L'administration notifie la décision relative à l'admissibilité du transfert d'agrément à l'entreprise cessionnaire. L'administration communique également une copie de la décision au secrétariat de la Commission.]6
Wijzigingen
Art. 2sexies_VLAAMS_GEWEST. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-09/33, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. De onderneming richt haar aanvraag tot erkenning tot het Secretariaat van de Commissie, hierna " het Secretariaat " genoemd.
De aanvraag waarvan het model bij het Secretariaat beschikbaar is, bevat een dossier dat bestaat uit :
1° het uniek ondernemingsnummer, de identiteit/sociale benaming en de verblijfplaats/maatschappelijke zetel;
2° desgevallend de meest recente versie van haar statuten;
3° een verklaring op erewoord die aangeeft dat de onderneming zich verbindt de erkenningsvoorwaarden die vermeld zijn in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet na te leven;
4° [3 een ondernemingsplan dat wordt goedgekeurd door een van de onderstaande personen :
a) een erkend boekhouder of een erkend boekhouder-fiscalist die is ingeschreven op het tableau van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten zoals bedoeld in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;
b) een accountant die is ingeschreven op het tableau van externe accountants van het instituut van de accountants en de belastingconsulenten zoals bedoeld in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen.
Dit plan bevat inzonderheid de volgende elementen :
a) algemene informatie over het bedrijf;
b) de uit te voeren investeringen;
c) de personeelsbehoefte;
d) de verwachte inkomsten;
e) de vaste en variabele kosten;
f) de raming van de balans voor de eerste drie werkjaren;
g) een financiële planning voor de eerste drie werkjaren.]3
5° wanneer de aanvraag betrekking heeft op een afdeling sui generis bedoeld in artikel 2quater, § 2, bovendien de identiteit en de volledige persoonlijke gegevens van de specifieke verantwoordelijke van de afdeling.
(6° een verklaring op erewoord die aangeeft of de onderneming al of niet een omvorming is van een sui generis afdeling van een erkende onderneming tot een zelfstandige onderneming.) <KB 2007-01-16/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 29-01-2007>
[2 7° het aanwezigheidsattest van de informatiesessie bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, g. van de wet, uitgereikt door [4 het departement]4.]2
Het Secretariaat bevestigt onverwijld de ontvangst van de aanvraag. Indien de aanvraag of het dossier onvolledig is, deelt het Secretariaat dit in dezelfde brief aan de onderneming mee.
Indien de onderneming haar aanvraag of dossier niet vervolledigt binnen de maand die volgt op de verzending van voornoemde brief, stuurt het Secretariaat de onderneming bij aangetekend schrijven een herinnering met een overzicht van de ontbrekende stukken. Indien het de ontbrekende stukken niet ontvangen heeft binnen de maand die volgt op de verzending van deze herinnering, wordt de aanvraag als onbestaande beschouwd.
§ 2. Zodra het Secretariaat over een volledig dossier beschikt, verzendt het dit ter advies aan de Commissie.
§ 3. Binnen een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst van het dossier, verstrekt de Commissie een advies. Vervolgens bezorgt het Secretariaat dit advies aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
De Minister van Werk neemt een beslissing uiterlijk binnen een termijn van twee maanden die volgt op de ontvangst van het dossier.
Bij ontstentenis van een beslissing vanwege de Minister van Werk binnen de voornoemde termijn, wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing tot toekenning of weigering van de erkenning aan de vragende onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van de beslissing.
[4 ...]4
§ 4. [1 ...]1
§ 5. [1 ...]1
De aanvraag waarvan het model bij het Secretariaat beschikbaar is, bevat een dossier dat bestaat uit :
1° het uniek ondernemingsnummer, de identiteit/sociale benaming en de verblijfplaats/maatschappelijke zetel;
2° desgevallend de meest recente versie van haar statuten;
3° een verklaring op erewoord die aangeeft dat de onderneming zich verbindt de erkenningsvoorwaarden die vermeld zijn in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet na te leven;
4° [3 een ondernemingsplan dat wordt goedgekeurd door een van de onderstaande personen :
a) een erkend boekhouder of een erkend boekhouder-fiscalist die is ingeschreven op het tableau van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten zoals bedoeld in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;
b) een accountant die is ingeschreven op het tableau van externe accountants van het instituut van de accountants en de belastingconsulenten zoals bedoeld in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen.
Dit plan bevat inzonderheid de volgende elementen :
a) algemene informatie over het bedrijf;
b) de uit te voeren investeringen;
c) de personeelsbehoefte;
d) de verwachte inkomsten;
e) de vaste en variabele kosten;
f) de raming van de balans voor de eerste drie werkjaren;
g) een financiële planning voor de eerste drie werkjaren.]3
5° wanneer de aanvraag betrekking heeft op een afdeling sui generis bedoeld in artikel 2quater, § 2, bovendien de identiteit en de volledige persoonlijke gegevens van de specifieke verantwoordelijke van de afdeling.
(6° een verklaring op erewoord die aangeeft of de onderneming al of niet een omvorming is van een sui generis afdeling van een erkende onderneming tot een zelfstandige onderneming.) <KB 2007-01-16/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 29-01-2007>
[2 7° het aanwezigheidsattest van de informatiesessie bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, g. van de wet, uitgereikt door [4 het departement]4.]2
Het Secretariaat bevestigt onverwijld de ontvangst van de aanvraag. Indien de aanvraag of het dossier onvolledig is, deelt het Secretariaat dit in dezelfde brief aan de onderneming mee.
Indien de onderneming haar aanvraag of dossier niet vervolledigt binnen de maand die volgt op de verzending van voornoemde brief, stuurt het Secretariaat de onderneming bij aangetekend schrijven een herinnering met een overzicht van de ontbrekende stukken. Indien het de ontbrekende stukken niet ontvangen heeft binnen de maand die volgt op de verzending van deze herinnering, wordt de aanvraag als onbestaande beschouwd.
§ 2. Zodra het Secretariaat over een volledig dossier beschikt, verzendt het dit ter advies aan de Commissie.
§ 3. Binnen een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst van het dossier, verstrekt de Commissie een advies. Vervolgens bezorgt het Secretariaat dit advies aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
De Minister van Werk neemt een beslissing uiterlijk binnen een termijn van twee maanden die volgt op de ontvangst van het dossier.
Bij ontstentenis van een beslissing vanwege de Minister van Werk binnen de voornoemde termijn, wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing tot toekenning of weigering van de erkenning aan de vragende onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van de beslissing.
[4 ...]4
§ 4. [1 ...]1
§ 5. [1 ...]1
Art. 2sexies _REGION_FLAMANDE.
§ 1er. La demande d'agrément est adressée par l'entreprise au Secrétariat de la Commission, ci-après dénommé " le Secrétariat ".
La demande, dont le modèle est disponible auprès du Secrétariat, est accompagnée d'un dossier comportant :
1° le numéro unique d'entreprise, l'identité/la dénomination sociale et le domicile/siège social;
2° le cas échéant, la dernière version en date des statuts;
3° une déclaration sur l'honneur indiquant que l'entreprise s'engage à respecter les conditions d'agrément prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi;
4° [3 un plan d'entreprise, approuvé par une des personnes suivantes :
a) un comptable agréé ou un comptable-fiscaliste agréé inscrit au tableau de l'Institut professionnel des comptables et fiscalistes agréés prévu dans la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales;
b) un expert-comptable inscrit au tableau des experts-comptables externes de l'institut des experts-comptables et des conseils fiscaux prévu dans la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales.
Ce plan contient notamment les éléments suivants :
a) les renseignements généraux sur l'entreprise;
b) les investissements à réaliser;
c) le personnel à engager;
d) les recettes attendues;
e) les coûts fixes et variables;
f) les prévisions pour le bilan pour les trois premières années d'activités;
g) le plan de trésorerie pour les trois premières années d'activités.]3;
5° lorsque la demande concerne une section sui generis visée à l'article 2quater, § 2, en outre, l'identité et les coordonnées complètes du responsable spécifique de la section.
(6° une déclaration sur l'honneur indiquant si l'entreprise est oui ou non une transformation d'une section sui generis d'une entreprise agréée en une entreprise autonome.) <AR 2007-01-16/30, art. 2, 012; En vigueur : 29-01-2007>
[2 7° l'attestation de présence à la session d'information visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, g. de la loi, délivrée par [4 le département]4.]2
Le Secrétariat accuse sans délai réception de la demande. Si la demande ou le dossier est incomplet, le Secrétariat en avise l'entreprise dans le même courrier.
Si l'entreprise ne complète pas sa demande ou son dossier dans le mois qui suit l'envoi du courrier précité, le Secrétariat adresse à l'entreprise, par lettre recommandée, un rappel du relevé des pièces manquantes. A défaut d'avoir reçu celles-ci dans le mois qui suit l'envoi de ce rappel, la demande est considérée comme nulle et non avenue.
§ 2. Dès qu'il dispose d'un dossier complet, le Secrétariat le transmet pour avis à la Commission.
§ 3. Dans un délai de deux mois à dater de la réception du dossier, la Commission rend un avis. Le Secrétariat communique ensuite cet avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Ministre de l'Emploi se prononce au plus tard dans un délai de deux mois à dater de la réception du dossier.
En cas d'absence de décision du Ministre de l'Emploi endéans le délai précité, la décision est réputée favorable.
Le Secrétariat notifie la décision d'octroi ou de refus de l'agrément à l'entreprise demanderesse. Le Secrétariat communique également une copie de la décision à la Commission.
[4 ...]4
§ 4. [1 ...]1
§ 5. [1 ...]1
§ 1er. La demande d'agrément est adressée par l'entreprise au Secrétariat de la Commission, ci-après dénommé " le Secrétariat ".
La demande, dont le modèle est disponible auprès du Secrétariat, est accompagnée d'un dossier comportant :
1° le numéro unique d'entreprise, l'identité/la dénomination sociale et le domicile/siège social;
2° le cas échéant, la dernière version en date des statuts;
3° une déclaration sur l'honneur indiquant que l'entreprise s'engage à respecter les conditions d'agrément prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi;
4° [3 un plan d'entreprise, approuvé par une des personnes suivantes :
a) un comptable agréé ou un comptable-fiscaliste agréé inscrit au tableau de l'Institut professionnel des comptables et fiscalistes agréés prévu dans la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales;
b) un expert-comptable inscrit au tableau des experts-comptables externes de l'institut des experts-comptables et des conseils fiscaux prévu dans la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales.
Ce plan contient notamment les éléments suivants :
a) les renseignements généraux sur l'entreprise;
b) les investissements à réaliser;
c) le personnel à engager;
d) les recettes attendues;
e) les coûts fixes et variables;
f) les prévisions pour le bilan pour les trois premières années d'activités;
g) le plan de trésorerie pour les trois premières années d'activités.]3;
5° lorsque la demande concerne une section sui generis visée à l'article 2quater, § 2, en outre, l'identité et les coordonnées complètes du responsable spécifique de la section.
(6° une déclaration sur l'honneur indiquant si l'entreprise est oui ou non une transformation d'une section sui generis d'une entreprise agréée en une entreprise autonome.) <AR 2007-01-16/30, art. 2, 012; En vigueur : 29-01-2007>
[2 7° l'attestation de présence à la session d'information visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, g. de la loi, délivrée par [4 le département]4.]2
Le Secrétariat accuse sans délai réception de la demande. Si la demande ou le dossier est incomplet, le Secrétariat en avise l'entreprise dans le même courrier.
Si l'entreprise ne complète pas sa demande ou son dossier dans le mois qui suit l'envoi du courrier précité, le Secrétariat adresse à l'entreprise, par lettre recommandée, un rappel du relevé des pièces manquantes. A défaut d'avoir reçu celles-ci dans le mois qui suit l'envoi de ce rappel, la demande est considérée comme nulle et non avenue.
§ 2. Dès qu'il dispose d'un dossier complet, le Secrétariat le transmet pour avis à la Commission.
§ 3. Dans un délai de deux mois à dater de la réception du dossier, la Commission rend un avis. Le Secrétariat communique ensuite cet avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Ministre de l'Emploi se prononce au plus tard dans un délai de deux mois à dater de la réception du dossier.
En cas d'absence de décision du Ministre de l'Emploi endéans le délai précité, la décision est réputée favorable.
Le Secrétariat notifie la décision d'octroi ou de refus de l'agrément à l'entreprise demanderesse. Le Secrétariat communique également une copie de la décision à la Commission.
[4 ...]4
§ 4. [1 ...]1
§ 5. [1 ...]1
Art. 2septies. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-09/33, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. Na advies van de Commissie kan de Minister van Werk overgaan tot (de intrekking met uitstel) van de erkenning van een onderneming die niet langer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet. <KB 2008-09-28/30, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
§ 2. Het Secretariaat brengt (...) de Minister van Werk en de Commissie op de hoogte van het feit dat een erkende onderneming niet langer voldoet aan één of meerdere voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet. <KB 2006-03-05/39, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling, verstrekt de Commissie een advies aan de Minister van Werk die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing van de Minister van Werk aan de betrokken onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van die beslissing.
§ 3. [De Minister van Werk kan de inwerkingtreding van de intrekking van de erkenning uitstellen met een periode van maximum zes maanden.
De Minister van Werk kan de intrekking met uitstel opheffen na dringend advies van de Commissie, wanneer de onderneming het bewijs levert van de naleving van alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.] <KB 2008-09-28/30, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[1 De onderneming bezorgt het bewijs bedoeld in het vorige lid aan het Secretariaat ten laatste twee maanden voor het verstrijken van de periode van uitstel.]1
§ 4. Voor toepassing van dit artikel wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die hij aanduidt.
§ 2. Het Secretariaat brengt (...) de Minister van Werk en de Commissie op de hoogte van het feit dat een erkende onderneming niet langer voldoet aan één of meerdere voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet. <KB 2006-03-05/39, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling, verstrekt de Commissie een advies aan de Minister van Werk die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing van de Minister van Werk aan de betrokken onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van die beslissing.
§ 3. [De Minister van Werk kan de inwerkingtreding van de intrekking van de erkenning uitstellen met een periode van maximum zes maanden.
De Minister van Werk kan de intrekking met uitstel opheffen na dringend advies van de Commissie, wanneer de onderneming het bewijs levert van de naleving van alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.] <KB 2008-09-28/30, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[1 De onderneming bezorgt het bewijs bedoeld in het vorige lid aan het Secretariaat ten laatste twee maanden voor het verstrijken van de periode van uitstel.]1
§ 4. Voor toepassing van dit artikel wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die hij aanduidt.
Art. 2septies. § 1er. Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, (peut procéder au retrait avec sursis de) l'agrément d'une entreprise qui ne satisfait plus aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi. <AR 2008-09-28/30, art. 3, 015; En vigueur : 01-11-2008>
§ 2. (...) Le Secrétariat informe le Ministre de l'Emploi et la Commission du fait qu'une entreprise agréée ne remplit plus une ou plusieurs des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi. <AR 2006-03-05/39, art. 4, 010; En vigueur : 22-03-2006>
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, la Commission rend un avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Secrétariat notifie la décision du Ministre de l'Emploi à l'entreprise concernée. Le Secrétariat communique également une copie de cette décision à la Commission.
§ 3. [Le Ministre de l'Emploi peut surseoir à l'entrée en vigueur du retrait de l'agrément pour une période de maximum six mois.
Le Ministre de l'Emploi peut lever le retrait avec sursis, après avis d'urgence de la Commission, lorsque l'entreprise apporte la preuve du respect de l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.] <AR 2008-09-28/30, art. 3, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[1 L'entreprise adresse la preuve prévue à l'alinéa précédent au Secrétariat au plus tard deux mois avant l'expiration de la période de sursis.]1
§ 4. Pour l'application de cet article on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale qu'il désigne.
§ 2. (...) Le Secrétariat informe le Ministre de l'Emploi et la Commission du fait qu'une entreprise agréée ne remplit plus une ou plusieurs des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi. <AR 2006-03-05/39, art. 4, 010; En vigueur : 22-03-2006>
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, la Commission rend un avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Secrétariat notifie la décision du Ministre de l'Emploi à l'entreprise concernée. Le Secrétariat communique également une copie de cette décision à la Commission.
§ 3. [Le Ministre de l'Emploi peut surseoir à l'entrée en vigueur du retrait de l'agrément pour une période de maximum six mois.
Le Ministre de l'Emploi peut lever le retrait avec sursis, après avis d'urgence de la Commission, lorsque l'entreprise apporte la preuve du respect de l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.] <AR 2008-09-28/30, art. 3, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[1 L'entreprise adresse la preuve prévue à l'alinéa précédent au Secrétariat au plus tard deux mois avant l'expiration de la période de sursis.]1
§ 4. Pour l'application de cet article on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale qu'il désigne.
Wijzigingen
Art. 2septies_WAALS_GEWEST. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-09/33, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. Na advies van de Commissie kan de Minister van Werk overgaan tot (de intrekking met uitstel) van de erkenning van een onderneming die niet langer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet. <KB 2008-09-28/30, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
§ 2. [2 De Administratie]2 brengt (...) de Minister van Werk en de Commissie op de hoogte van het feit dat een erkende onderneming niet langer voldoet aan één of meerdere voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet. <KB 2006-03-05/39, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling, verstrekt de Commissie een advies aan de Minister van Werk die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt [2 de Administratie]2 het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
[2 De Administratie]2 geeft kennis van de beslissing van de Minister van Werk aan de betrokken onderneming. [2 De Administratie]2t bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van die beslissing.
§ 3. [De Minister van Werk kan de inwerkingtreding van de intrekking van de erkenning uitstellen met een periode van maximum zes maanden.
De Minister van Werk kan de intrekking met uitstel opheffen na dringend advies van de Commissie, wanneer de onderneming het bewijs levert van de naleving van alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.] <KB 2008-09-28/30, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[1 De onderneming bezorgt het bewijs bedoeld in het vorige lid aan [2 de Administratie]2 ten laatste twee maanden voor het verstrijken van de periode van uitstel.]1
§ 4. Voor toepassing van dit artikel wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of [2 de gemachtigd ambtenaar van de Administratie]2 die hij aanduidt.
§ 2. [2 De Administratie]2 brengt (...) de Minister van Werk en de Commissie op de hoogte van het feit dat een erkende onderneming niet langer voldoet aan één of meerdere voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet. <KB 2006-03-05/39, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling, verstrekt de Commissie een advies aan de Minister van Werk die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt [2 de Administratie]2 het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
[2 De Administratie]2 geeft kennis van de beslissing van de Minister van Werk aan de betrokken onderneming. [2 De Administratie]2t bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van die beslissing.
§ 3. [De Minister van Werk kan de inwerkingtreding van de intrekking van de erkenning uitstellen met een periode van maximum zes maanden.
De Minister van Werk kan de intrekking met uitstel opheffen na dringend advies van de Commissie, wanneer de onderneming het bewijs levert van de naleving van alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.] <KB 2008-09-28/30, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[1 De onderneming bezorgt het bewijs bedoeld in het vorige lid aan [2 de Administratie]2 ten laatste twee maanden voor het verstrijken van de periode van uitstel.]1
§ 4. Voor toepassing van dit artikel wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of [2 de gemachtigd ambtenaar van de Administratie]2 die hij aanduidt.
Art. 2septies _REGION_WALLONNE.
§ 1er. Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, (peut procéder au retrait avec sursis de) l'agrément d'une entreprise qui ne satisfait plus aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi. <AR 2008-09-28/30, art. 3, 015; En vigueur : 01-11-2008>
§ 2. (...) [2 L'Administration ]2 informe le Ministre de l'Emploi et la Commission du fait qu'une entreprise agréée ne remplit plus une ou plusieurs des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi. <AR 2006-03-05/39, art. 4, 010; En vigueur : 22-03-2006>
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, la Commission rend un avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et [2 l'Administration ]2 transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
[2 L'Administration ]2 notifie la décision du Ministre de l'Emploi à l'entreprise concernée. [2 l'Administration ]2 communique également une copie de cette décision à la Commission.
§ 3. [Le Ministre de l'Emploi peut surseoir à l'entrée en vigueur du retrait de l'agrément pour une période de maximum six mois.
Le Ministre de l'Emploi peut lever le retrait avec sursis, après avis d'urgence de la Commission, lorsque l'entreprise apporte la preuve du respect de l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.] <AR 2008-09-28/30, art. 3, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[1 L'entreprise adresse la preuve prévue à l'alinéa précédent [2 à l'Administration]2 au plus tard deux mois avant l'expiration de la période de sursis.]1
§ 4. Pour l'application de cet article on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou [2 le fonctionnaire délégué de l'Administration ]2 qu'il désigne.
§ 1er. Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, (peut procéder au retrait avec sursis de) l'agrément d'une entreprise qui ne satisfait plus aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi. <AR 2008-09-28/30, art. 3, 015; En vigueur : 01-11-2008>
§ 2. (...) [2 L'Administration ]2 informe le Ministre de l'Emploi et la Commission du fait qu'une entreprise agréée ne remplit plus une ou plusieurs des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi. <AR 2006-03-05/39, art. 4, 010; En vigueur : 22-03-2006>
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, la Commission rend un avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et [2 l'Administration ]2 transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
[2 L'Administration ]2 notifie la décision du Ministre de l'Emploi à l'entreprise concernée. [2 l'Administration ]2 communique également une copie de cette décision à la Commission.
§ 3. [Le Ministre de l'Emploi peut surseoir à l'entrée en vigueur du retrait de l'agrément pour une période de maximum six mois.
Le Ministre de l'Emploi peut lever le retrait avec sursis, après avis d'urgence de la Commission, lorsque l'entreprise apporte la preuve du respect de l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.] <AR 2008-09-28/30, art. 3, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[1 L'entreprise adresse la preuve prévue à l'alinéa précédent [2 à l'Administration]2 au plus tard deux mois avant l'expiration de la période de sursis.]1
§ 4. Pour l'application de cet article on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou [2 le fonctionnaire délégué de l'Administration ]2 qu'il désigne.
Art. 2septies_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-09/33, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. Na advies van de Commissie kan de Minister van Werk overgaan tot (de intrekking met uitstel) van de erkenning van een onderneming die niet langer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet. <KB 2008-09-28/30, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
§ 2. Het Secretariaat brengt (...) de Minister van Werk en de Commissie op de hoogte van het feit dat een erkende onderneming niet langer voldoet aan één of meerdere voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet. <KB 2006-03-05/39, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling, verstrekt de Commissie een advies aan de Minister van Werk die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing van de Minister van Werk aan de betrokken onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van die beslissing.
§ 3. [De Minister van Werk kan de inwerkingtreding van de intrekking van de erkenning uitstellen met een periode van maximum zes maanden.
De Minister van Werk kan de intrekking met uitstel opheffen na dringend advies van de Commissie, wanneer de onderneming het bewijs levert van de naleving van alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.] <KB 2008-09-28/30, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[1 De onderneming bezorgt het bewijs bedoeld in het vorige lid aan het Secretariaat ten laatste twee maanden voor het verstrijken van de periode van uitstel.]1
§ 4. Voor toepassing van dit artikel wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar [2 van het bestuur]2 die hij aanduidt.
§ 2. Het Secretariaat brengt (...) de Minister van Werk en de Commissie op de hoogte van het feit dat een erkende onderneming niet langer voldoet aan één of meerdere voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet. <KB 2006-03-05/39, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling, verstrekt de Commissie een advies aan de Minister van Werk die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing van de Minister van Werk aan de betrokken onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van die beslissing.
§ 3. [De Minister van Werk kan de inwerkingtreding van de intrekking van de erkenning uitstellen met een periode van maximum zes maanden.
De Minister van Werk kan de intrekking met uitstel opheffen na dringend advies van de Commissie, wanneer de onderneming het bewijs levert van de naleving van alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.] <KB 2008-09-28/30, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[1 De onderneming bezorgt het bewijs bedoeld in het vorige lid aan het Secretariaat ten laatste twee maanden voor het verstrijken van de periode van uitstel.]1
§ 4. Voor toepassing van dit artikel wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar [2 van het bestuur]2 die hij aanduidt.
Art. 2septies _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
§ 1er. Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, (peut procéder au retrait avec sursis de) l'agrément d'une entreprise qui ne satisfait plus aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi. <AR 2008-09-28/30, art. 3, 015; En vigueur : 01-11-2008>
§ 2. (...) Le Secrétariat informe le Ministre de l'Emploi et la Commission du fait qu'une entreprise agréée ne remplit plus une ou plusieurs des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi. <AR 2006-03-05/39, art. 4, 010; En vigueur : 22-03-2006>
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, la Commission rend un avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Secrétariat notifie la décision du Ministre de l'Emploi à l'entreprise concernée. Le Secrétariat communique également une copie de cette décision à la Commission.
§ 3. [Le Ministre de l'Emploi peut surseoir à l'entrée en vigueur du retrait de l'agrément pour une période de maximum six mois.
Le Ministre de l'Emploi peut lever le retrait avec sursis, après avis d'urgence de la Commission, lorsque l'entreprise apporte la preuve du respect de l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.] <AR 2008-09-28/30, art. 3, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[1 L'entreprise adresse la preuve prévue à l'alinéa précédent au Secrétariat au plus tard deux mois avant l'expiration de la période de sursis.]1
§ 4. Pour l'application de cet article on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire [2 de l'administration]2 qu'il désigne.
§ 1er. Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, (peut procéder au retrait avec sursis de) l'agrément d'une entreprise qui ne satisfait plus aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi. <AR 2008-09-28/30, art. 3, 015; En vigueur : 01-11-2008>
§ 2. (...) Le Secrétariat informe le Ministre de l'Emploi et la Commission du fait qu'une entreprise agréée ne remplit plus une ou plusieurs des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi. <AR 2006-03-05/39, art. 4, 010; En vigueur : 22-03-2006>
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, la Commission rend un avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Secrétariat notifie la décision du Ministre de l'Emploi à l'entreprise concernée. Le Secrétariat communique également une copie de cette décision à la Commission.
§ 3. [Le Ministre de l'Emploi peut surseoir à l'entrée en vigueur du retrait de l'agrément pour une période de maximum six mois.
Le Ministre de l'Emploi peut lever le retrait avec sursis, après avis d'urgence de la Commission, lorsque l'entreprise apporte la preuve du respect de l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.] <AR 2008-09-28/30, art. 3, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[1 L'entreprise adresse la preuve prévue à l'alinéa précédent au Secrétariat au plus tard deux mois avant l'expiration de la période de sursis.]1
§ 4. Pour l'application de cet article on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire [2 de l'administration]2 qu'il désigne.
Art. 2septies_VLAAMS_GEWEST. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-09/33, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. Na advies van de Commissie kan de Minister van Werk overgaan tot (de intrekking met uitstel) van de erkenning van een onderneming die niet langer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet. <KB 2008-09-28/30, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
§ 2. Het Secretariaat brengt (...) de Minister van Werk en de Commissie op de hoogte van het feit dat een erkende onderneming niet langer voldoet aan één of meerdere voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet. <KB 2006-03-05/39, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling, verstrekt de Commissie een advies aan de Minister van Werk die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing van de Minister van Werk aan de betrokken onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van die beslissing.
§ 3. [De Minister van Werk kan de inwerkingtreding van de intrekking van de erkenning uitstellen met een periode van maximum zes maanden.
De Minister van Werk kan de intrekking met uitstel opheffen na dringend advies van de Commissie, wanneer de onderneming het bewijs levert van de naleving van alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.] <KB 2008-09-28/30, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[1 De onderneming bezorgt het bewijs bedoeld in het vorige lid aan het Secretariaat ten laatste twee maanden voor het verstrijken van de periode van uitstel.]1
§ 4.[2 ...]2
§ 2. Het Secretariaat brengt (...) de Minister van Werk en de Commissie op de hoogte van het feit dat een erkende onderneming niet langer voldoet aan één of meerdere voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet. <KB 2006-03-05/39, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling, verstrekt de Commissie een advies aan de Minister van Werk die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing van de Minister van Werk aan de betrokken onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van die beslissing.
§ 3. [De Minister van Werk kan de inwerkingtreding van de intrekking van de erkenning uitstellen met een periode van maximum zes maanden.
De Minister van Werk kan de intrekking met uitstel opheffen na dringend advies van de Commissie, wanneer de onderneming het bewijs levert van de naleving van alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.] <KB 2008-09-28/30, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[1 De onderneming bezorgt het bewijs bedoeld in het vorige lid aan het Secretariaat ten laatste twee maanden voor het verstrijken van de periode van uitstel.]1
§ 4.[2 ...]2
Art. 2septies _REGION_FLAMANDE.
§ 1er. Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, (peut procéder au retrait avec sursis de) l'agrément d'une entreprise qui ne satisfait plus aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi. <AR 2008-09-28/30, art. 3, 015; En vigueur : 01-11-2008>
§ 2. (...) Le Secrétariat informe le Ministre de l'Emploi et la Commission du fait qu'une entreprise agréée ne remplit plus une ou plusieurs des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi. <AR 2006-03-05/39, art. 4, 010; En vigueur : 22-03-2006>
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, la Commission rend un avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Secrétariat notifie la décision du Ministre de l'Emploi à l'entreprise concernée. Le Secrétariat communique également une copie de cette décision à la Commission.
§ 3. [Le Ministre de l'Emploi peut surseoir à l'entrée en vigueur du retrait de l'agrément pour une période de maximum six mois.
Le Ministre de l'Emploi peut lever le retrait avec sursis, après avis d'urgence de la Commission, lorsque l'entreprise apporte la preuve du respect de l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.] <AR 2008-09-28/30, art. 3, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[1 L'entreprise adresse la preuve prévue à l'alinéa précédent au Secrétariat au plus tard deux mois avant l'expiration de la période de sursis.]1
§ 4. [2 ...]2
§ 1er. Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, (peut procéder au retrait avec sursis de) l'agrément d'une entreprise qui ne satisfait plus aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi. <AR 2008-09-28/30, art. 3, 015; En vigueur : 01-11-2008>
§ 2. (...) Le Secrétariat informe le Ministre de l'Emploi et la Commission du fait qu'une entreprise agréée ne remplit plus une ou plusieurs des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi. <AR 2006-03-05/39, art. 4, 010; En vigueur : 22-03-2006>
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, la Commission rend un avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Secrétariat notifie la décision du Ministre de l'Emploi à l'entreprise concernée. Le Secrétariat communique également une copie de cette décision à la Commission.
§ 3. [Le Ministre de l'Emploi peut surseoir à l'entrée en vigueur du retrait de l'agrément pour une période de maximum six mois.
Le Ministre de l'Emploi peut lever le retrait avec sursis, après avis d'urgence de la Commission, lorsque l'entreprise apporte la preuve du respect de l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.] <AR 2008-09-28/30, art. 3, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[1 L'entreprise adresse la preuve prévue à l'alinéa précédent au Secrétariat au plus tard deux mois avant l'expiration de la période de sursis.]1
§ 4. [2 ...]2
Art. 2octies. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-09/33, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. (Na advies van de Commissie kan de Minister van Werk overgaan tot de onmiddellijke intrekking van de erkenning van een onderneming die niet langer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.
De Minister zal inzonderheid overgaan tot de onmiddellijke intrekking :
- in geval van herhaling;
- wanneer de tekortkoming van de onderneming een zodanige vorm heeft aangenomen dat ernstig mag worden getwijfeld aan de goede trouw van de onderneming.) <KB 2008-09-28/30, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
§ 2. (Het Secretariaat brengt de Minister van Werk en de Commissie op de hoogte van het feit dat een erkende onderneming niet langer voldoet aan één of meerdere voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet en specificeert of één van de gevallen voorzien in § 1, tweede lid, zich voordoet.) <KB 2008-09-28/30, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling, verstrekt de Commissie een advies aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing van de Minister van Werk aan de betrokken onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van die beslissing.
§ 3. Voor toepassing van dit artikel wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die hij aanduidt.
De Minister zal inzonderheid overgaan tot de onmiddellijke intrekking :
- in geval van herhaling;
- wanneer de tekortkoming van de onderneming een zodanige vorm heeft aangenomen dat ernstig mag worden getwijfeld aan de goede trouw van de onderneming.) <KB 2008-09-28/30, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
§ 2. (Het Secretariaat brengt de Minister van Werk en de Commissie op de hoogte van het feit dat een erkende onderneming niet langer voldoet aan één of meerdere voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet en specificeert of één van de gevallen voorzien in § 1, tweede lid, zich voordoet.) <KB 2008-09-28/30, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling, verstrekt de Commissie een advies aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing van de Minister van Werk aan de betrokken onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van die beslissing.
§ 3. Voor toepassing van dit artikel wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die hij aanduidt.
Art. 2octies. § 1er. (Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, peut procéder au retrait immédiat de l'agrément d'une entreprise qui ne satisfait plus aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.
Le Ministre procèdera notamment au retrait immédiat :
- en cas de récidive;
- lorsque le manquement de l'entreprise est à ce point caractérisé que la bonne foi de l'entreprise peut être sérieusement mise en doute.) <AR 2008-09-28/30, art. 4, 015; En vigueur : 01-11-2008>
§ 2. (Le Secrétariat informe le Ministre de l'Emploi et la Commission du fait qu'une entreprise agréée ne remplit plus une ou plusieurs des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi et spécifie si un des cas prévus au § 1, alinéa 2, survient.) <AR 2008-09-28/30, art. 4, 015; En vigueur : 01-11-2008>
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, la Commission rend un avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Secrétariat notifie la décision du Ministre de l'Emploi à l'entreprise concernée. Le Secrétariat communique également une copie de cette décision à la Commission.
§ 3. Pour l'application de cet article on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale qu'il désigne.
Le Ministre procèdera notamment au retrait immédiat :
- en cas de récidive;
- lorsque le manquement de l'entreprise est à ce point caractérisé que la bonne foi de l'entreprise peut être sérieusement mise en doute.) <AR 2008-09-28/30, art. 4, 015; En vigueur : 01-11-2008>
§ 2. (Le Secrétariat informe le Ministre de l'Emploi et la Commission du fait qu'une entreprise agréée ne remplit plus une ou plusieurs des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi et spécifie si un des cas prévus au § 1, alinéa 2, survient.) <AR 2008-09-28/30, art. 4, 015; En vigueur : 01-11-2008>
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, la Commission rend un avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Secrétariat notifie la décision du Ministre de l'Emploi à l'entreprise concernée. Le Secrétariat communique également une copie de cette décision à la Commission.
§ 3. Pour l'application de cet article on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale qu'il désigne.
Art. 2octies_WAALS_GEWEST. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-09/33, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. (Na advies van de Commissie kan de Minister van Werk overgaan tot de onmiddellijke intrekking van de erkenning van een onderneming die niet langer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.
De Minister zal inzonderheid overgaan tot de onmiddellijke intrekking :
- in geval van herhaling;
- wanneer de tekortkoming van de onderneming een zodanige vorm heeft aangenomen dat ernstig mag worden getwijfeld aan de goede trouw van de onderneming.) <KB 2008-09-28/30, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[1 [4 ...]4]1
§ 2. [2 De Administratie]2 brengt de Minister van Werk en de Commissie op de hoogte van het feit dat een erkende onderneming niet langer voldoet aan één of meerdere voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet en specificeert of één van de gevallen voorzien in § 1, tweede lid, zich voordoet.) <KB 2008-09-28/30, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling, verstrekt de Commissie een advies aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt [2 de Administratie]2 het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
[2 De Administratie]2 geeft kennis van de beslissing van de Minister van Werk aan de betrokken onderneming. [2 De Administratie]2 bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van die beslissing.
§ 3. Voor toepassing van dit artikel wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of [3 de gemachtigd ambtenaar van de Administratie]3 die hij aanduidt.
De Minister zal inzonderheid overgaan tot de onmiddellijke intrekking :
- in geval van herhaling;
- wanneer de tekortkoming van de onderneming een zodanige vorm heeft aangenomen dat ernstig mag worden getwijfeld aan de goede trouw van de onderneming.) <KB 2008-09-28/30, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[1 [4 ...]4]1
§ 2. [2 De Administratie]2 brengt de Minister van Werk en de Commissie op de hoogte van het feit dat een erkende onderneming niet langer voldoet aan één of meerdere voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet en specificeert of één van de gevallen voorzien in § 1, tweede lid, zich voordoet.) <KB 2008-09-28/30, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling, verstrekt de Commissie een advies aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt [2 de Administratie]2 het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
[2 De Administratie]2 geeft kennis van de beslissing van de Minister van Werk aan de betrokken onderneming. [2 De Administratie]2 bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van die beslissing.
§ 3. Voor toepassing van dit artikel wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of [3 de gemachtigd ambtenaar van de Administratie]3 die hij aanduidt.
Art. 2octies _REGION_WALLONNE.
§ 1er. (Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, peut procéder au retrait immédiat de l'agrément d'une entreprise qui ne satisfait plus aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.
Le Ministre procèdera notamment au retrait immédiat :
- en cas de récidive;
- lorsque le manquement de l'entreprise est à ce point caractérisé que la bonne foi de l'entreprise peut être sérieusement mise en doute;) <AR 2008-09-28/30, art. 4, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[1 - [4 ...]4]1
§ 2. [2 L'Administration]2 informe le Ministre de l'Emploi et la Commission du fait qu'une entreprise agréée ne remplit plus une ou plusieurs des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi et spécifie si un des cas prévus au § 1, alinéa 2, survient.) <AR 2008-09-28/30, art. 4, 015; En vigueur : 01-11-2008>
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, la Commission rend un avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et [2 l'Administration]2 transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
[2 L'Administration]2 notifie la décision du Ministre de l'Emploi à l'entreprise concernée. [2 L'Administration]2 communique également une copie de cette décision à la Commission.
§ 3. Pour l'application de cet article on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou [3 le fonctionnaire délégué de l'Administration ]3 qu'il désigne.
§ 1er. (Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, peut procéder au retrait immédiat de l'agrément d'une entreprise qui ne satisfait plus aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.
Le Ministre procèdera notamment au retrait immédiat :
- en cas de récidive;
- lorsque le manquement de l'entreprise est à ce point caractérisé que la bonne foi de l'entreprise peut être sérieusement mise en doute;) <AR 2008-09-28/30, art. 4, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[1 - [4 ...]4]1
§ 2. [2 L'Administration]2 informe le Ministre de l'Emploi et la Commission du fait qu'une entreprise agréée ne remplit plus une ou plusieurs des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi et spécifie si un des cas prévus au § 1, alinéa 2, survient.) <AR 2008-09-28/30, art. 4, 015; En vigueur : 01-11-2008>
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, la Commission rend un avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et [2 l'Administration]2 transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
[2 L'Administration]2 notifie la décision du Ministre de l'Emploi à l'entreprise concernée. [2 L'Administration]2 communique également une copie de cette décision à la Commission.
§ 3. Pour l'application de cet article on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou [3 le fonctionnaire délégué de l'Administration ]3 qu'il désigne.
Art. 2octies_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-09/33, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. (Na advies van de Commissie kan de Minister van Werk overgaan tot de onmiddellijke intrekking van de erkenning van een onderneming die niet langer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.
De Minister zal inzonderheid overgaan tot de onmiddellijke intrekking :
- in geval van herhaling;
- wanneer de tekortkoming van de onderneming een zodanige vorm heeft aangenomen dat ernstig mag worden getwijfeld aan de goede trouw van de onderneming.) <KB 2008-09-28/30, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
§ 2. (Het Secretariaat brengt de Minister van Werk en de Commissie op de hoogte van het feit dat een erkende onderneming niet langer voldoet aan één of meerdere voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet en specificeert of één van de gevallen voorzien in § 1, tweede lid, zich voordoet.) <KB 2008-09-28/30, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling, verstrekt de Commissie een advies aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing van de Minister van Werk aan de betrokken onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van die beslissing.
§ 3. Voor toepassing van dit artikel wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar [1 van het bestuur]1 die hij aanduidt.
De Minister zal inzonderheid overgaan tot de onmiddellijke intrekking :
- in geval van herhaling;
- wanneer de tekortkoming van de onderneming een zodanige vorm heeft aangenomen dat ernstig mag worden getwijfeld aan de goede trouw van de onderneming.) <KB 2008-09-28/30, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
§ 2. (Het Secretariaat brengt de Minister van Werk en de Commissie op de hoogte van het feit dat een erkende onderneming niet langer voldoet aan één of meerdere voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet en specificeert of één van de gevallen voorzien in § 1, tweede lid, zich voordoet.) <KB 2008-09-28/30, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling, verstrekt de Commissie een advies aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing van de Minister van Werk aan de betrokken onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van die beslissing.
§ 3. Voor toepassing van dit artikel wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar [1 van het bestuur]1 die hij aanduidt.
Art. 2octies _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
§ 1er. (Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, peut procéder au retrait immédiat de l'agrément d'une entreprise qui ne satisfait plus aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.
Le Ministre procèdera notamment au retrait immédiat :
- en cas de récidive;
- lorsque le manquement de l'entreprise est à ce point caractérisé que la bonne foi de l'entreprise peut être sérieusement mise en doute.) <AR 2008-09-28/30, art. 4, 015; En vigueur : 01-11-2008>
§ 2. (Le Secrétariat informe le Ministre de l'Emploi et la Commission du fait qu'une entreprise agréée ne remplit plus une ou plusieurs des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi et spécifie si un des cas prévus au § 1, alinéa 2, survient.) <AR 2008-09-28/30, art. 4, 015; En vigueur : 01-11-2008>
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, la Commission rend un avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Secrétariat notifie la décision du Ministre de l'Emploi à l'entreprise concernée. Le Secrétariat communique également une copie de cette décision à la Commission.
§ 3. Pour l'application de cet article on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire [1 de l'administration]1 qu'il désigne.
§ 1er. (Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, peut procéder au retrait immédiat de l'agrément d'une entreprise qui ne satisfait plus aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.
Le Ministre procèdera notamment au retrait immédiat :
- en cas de récidive;
- lorsque le manquement de l'entreprise est à ce point caractérisé que la bonne foi de l'entreprise peut être sérieusement mise en doute.) <AR 2008-09-28/30, art. 4, 015; En vigueur : 01-11-2008>
§ 2. (Le Secrétariat informe le Ministre de l'Emploi et la Commission du fait qu'une entreprise agréée ne remplit plus une ou plusieurs des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi et spécifie si un des cas prévus au § 1, alinéa 2, survient.) <AR 2008-09-28/30, art. 4, 015; En vigueur : 01-11-2008>
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, la Commission rend un avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Secrétariat notifie la décision du Ministre de l'Emploi à l'entreprise concernée. Le Secrétariat communique également une copie de cette décision à la Commission.
§ 3. Pour l'application de cet article on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire [1 de l'administration]1 qu'il désigne.
Wijzigingen
Art. 2octies_VLAAMS_GEWEST. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-09/33, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2004> § 1. (Na advies van de Commissie kan de Minister van Werk overgaan tot de onmiddellijke intrekking van de erkenning van een onderneming die niet langer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet.
De Minister [1 van Werk]1 zal inzonderheid overgaan tot de onmiddellijke intrekking :
- in geval van herhaling;
- wanneer de tekortkoming van de onderneming een zodanige vorm heeft aangenomen dat ernstig mag worden getwijfeld aan de goede trouw van de onderneming.) <KB 2008-09-28/30, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
§ 2. (Het Secretariaat brengt de Minister van Werk en de Commissie op de hoogte van het feit dat een erkende onderneming niet langer voldoet aan één of meerdere voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet en specificeert of één van de gevallen voorzien in § 1, tweede lid, zich voordoet.) <KB 2008-09-28/30, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling, verstrekt de Commissie een advies aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing van de Minister van Werk aan de betrokken onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van die beslissing.
§ 3. [1 ...]1
De Minister [1 van Werk]1 zal inzonderheid overgaan tot de onmiddellijke intrekking :
- in geval van herhaling;
- wanneer de tekortkoming van de onderneming een zodanige vorm heeft aangenomen dat ernstig mag worden getwijfeld aan de goede trouw van de onderneming.) <KB 2008-09-28/30, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
§ 2. (Het Secretariaat brengt de Minister van Werk en de Commissie op de hoogte van het feit dat een erkende onderneming niet langer voldoet aan één of meerdere voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste, tweede en derde lid, van de wet en specificeert of één van de gevallen voorzien in § 1, tweede lid, zich voordoet.) <KB 2008-09-28/30, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling, verstrekt de Commissie een advies aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Bij ontstentenis van een advies binnen de termijn vermeld in het vorig lid, is dit advies niet langer vereist en bezorgt het Secretariaat het dossier aan de Minister van Werk, die een beslissing neemt.
Het Secretariaat geeft kennis van de beslissing van de Minister van Werk aan de betrokken onderneming. Het Secretariaat bezorgt de Commissie eveneens een afschrift van die beslissing.
§ 3. [1 ...]1
Art. 2octies _REGION_FLAMANDE.
§ 1er. (Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, peut procéder au retrait immédiat de l'agrément d'une entreprise qui ne satisfait plus aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.
Le Ministre [1 de l'Emploi]1 procèdera notamment au retrait immédiat :
- en cas de récidive;
- lorsque le manquement de l'entreprise est à ce point caractérisé que la bonne foi de l'entreprise peut être sérieusement mise en doute.) <AR 2008-09-28/30, art. 4, 015; En vigueur : 01-11-2008>
§ 2. (Le Secrétariat informe le Ministre de l'Emploi et la Commission du fait qu'une entreprise agréée ne remplit plus une ou plusieurs des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi et spécifie si un des cas prévus au § 1, alinéa 2, survient.) <AR 2008-09-28/30, art. 4, 015; En vigueur : 01-11-2008>
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, la Commission rend un avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Secrétariat notifie la décision du Ministre de l'Emploi à l'entreprise concernée. Le Secrétariat communique également une copie de cette décision à la Commission.
§ 3. [1 ...]1
§ 1er. (Le Ministre de l'Emploi, après avis de la Commission, peut procéder au retrait immédiat de l'agrément d'une entreprise qui ne satisfait plus aux conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi.
Le Ministre [1 de l'Emploi]1 procèdera notamment au retrait immédiat :
- en cas de récidive;
- lorsque le manquement de l'entreprise est à ce point caractérisé que la bonne foi de l'entreprise peut être sérieusement mise en doute.) <AR 2008-09-28/30, art. 4, 015; En vigueur : 01-11-2008>
§ 2. (Le Secrétariat informe le Ministre de l'Emploi et la Commission du fait qu'une entreprise agréée ne remplit plus une ou plusieurs des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er, 2 et 3, de la loi et spécifie si un des cas prévus au § 1, alinéa 2, survient.) <AR 2008-09-28/30, art. 4, 015; En vigueur : 01-11-2008>
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, la Commission rend un avis au Ministre de l'Emploi qui décide.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa précédent, il n'est plus requis et le Secrétariat transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Le Secrétariat notifie la décision du Ministre de l'Emploi à l'entreprise concernée. Le Secrétariat communique également une copie de cette décision à la Commission.
§ 3. [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 2nonies. (NOTA van Juste : in plaats van "nonies" zou het "novies" moeten zijn.) <KB 2008-09-28/30, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008> § 1. [1 Een onderneming verliest ambtshalve haar erkenning wanneer ze :
a) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, e, van de wet, behalve voor de bedragen waarvoor een aflossingsplan werd opgesteld dat wordt geëerbiedigd en voor de verschuldigde sommen beneden de 2.500 EUR, die voor de toepassing van de ambtshalve intrekking niet als achterstallen worden beschouwd;
b) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, f, van de wet;
c) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2quater, § 4, eerste lid, 11° ;
d) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2quater, § 4, eerste lid, 17° ;
e) aan het eind van de periode van uitstel bedoeld in artikel 2septies, § 3, niet het bewijs levert dat ze voldoet aan alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet.]1
§ 2. Het Secretariaat deelt de voorzitter van de Commissie mee wanneer één van de gevallen waarin is voorzien in § 1 zich voordoet.
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling geeft de voorzitter van de Commissie kennis van de ambtshalve intrekking van de erkenning aan de betrokken onderneming.
Het Secretariaat bezorgt de Minister van Werk, de Commissie en het uitgiftebedrijf eveneens een afschrift van die kennisgeving.
§ 3. Voor toepassing van dit artikel wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die hij aanduidt.
a) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, e, van de wet, behalve voor de bedragen waarvoor een aflossingsplan werd opgesteld dat wordt geëerbiedigd en voor de verschuldigde sommen beneden de 2.500 EUR, die voor de toepassing van de ambtshalve intrekking niet als achterstallen worden beschouwd;
b) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, f, van de wet;
c) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2quater, § 4, eerste lid, 11° ;
d) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2quater, § 4, eerste lid, 17° ;
e) aan het eind van de periode van uitstel bedoeld in artikel 2septies, § 3, niet het bewijs levert dat ze voldoet aan alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet.]1
§ 2. Het Secretariaat deelt de voorzitter van de Commissie mee wanneer één van de gevallen waarin is voorzien in § 1 zich voordoet.
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling geeft de voorzitter van de Commissie kennis van de ambtshalve intrekking van de erkenning aan de betrokken onderneming.
Het Secretariaat bezorgt de Minister van Werk, de Commissie en het uitgiftebedrijf eveneens een afschrift van die kennisgeving.
§ 3. Voor toepassing van dit artikel wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die hij aanduidt.
Art. 2nonies. (NOTE de Justel : au lieu de "nonies", il faudrait "novies") <AR 2008-09-28/30, art. 5, 015; En vigueur : 01-11-2008> § 1er. [1 Une entreprise perd d'office son agrément quand elle :
a) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2, § 2, alinéa 1er, e, de la loi, sauf pour les sommes pour lesquelles il existe un plan d'apurement dûment respecté et pour les sommes dues inférieures à 2.500 EUR, qui ne sont pas considérées comme arriérés pour l'application du retrait d'office;
b) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2, § 2, alinéa 1er, f, de la loi;
c) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2quater, § 4, alinéa 1er, 11° ;
d) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2quater, § 4, alinéa 1er, 17° ;
e) au terme de la période de sursis, prévue à l'article 2septies, § 3, n'apporte pas la preuve qu'elle satisfait à l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi.]1
§ 2. Le Secrétariat informe le président de la Commission de la survenance de l'un des événements prévus au § 1er.
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, le président de la Commission notifie le retrait d'office de l'agrément à l'entreprise concernée.
Le Secrétariat communique également une copie de cette notification au Ministre de l'Emploi, à la Commission et à la société émettrice.
§ 3. Pour l'application de cet article on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale qu'il désigne.
a) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2, § 2, alinéa 1er, e, de la loi, sauf pour les sommes pour lesquelles il existe un plan d'apurement dûment respecté et pour les sommes dues inférieures à 2.500 EUR, qui ne sont pas considérées comme arriérés pour l'application du retrait d'office;
b) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2, § 2, alinéa 1er, f, de la loi;
c) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2quater, § 4, alinéa 1er, 11° ;
d) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2quater, § 4, alinéa 1er, 17° ;
e) au terme de la période de sursis, prévue à l'article 2septies, § 3, n'apporte pas la preuve qu'elle satisfait à l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi.]1
§ 2. Le Secrétariat informe le président de la Commission de la survenance de l'un des événements prévus au § 1er.
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, le président de la Commission notifie le retrait d'office de l'agrément à l'entreprise concernée.
Le Secrétariat communique également une copie de cette notification au Ministre de l'Emploi, à la Commission et à la société émettrice.
§ 3. Pour l'application de cet article on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale qu'il désigne.
Wijzigingen
Art. 2nonies_WAALS_GEWEST. (NOTA van Juste : in plaats van "nonies" zou het "novies" moeten zijn.) <KB 2008-09-28/30, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008> § 1. [1 Een onderneming verliest ambtshalve haar erkenning wanneer ze :
a) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, e, van de wet, behalve voor de bedragen waarvoor een aflossingsplan werd opgesteld dat wordt geëerbiedigd en voor de verschuldigde sommen beneden de 2.500 EUR, die voor de toepassing van de ambtshalve intrekking niet als achterstallen worden beschouwd;
b) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, f, van de wet;
c) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2quater, § 4, eerste lid, 11° ;
d) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2quater, § 4, eerste lid, 17° ;
e) aan het eind van de periode van uitstel bedoeld in artikel 2septies, § 3, niet het bewijs levert dat ze voldoet aan alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet.]1
§ 2. [2 De Administratie informeert tegelijkertijd de Minister van Tewerkstelling en de Commissie over het zich voordoen van één van de gevallen waarin is voorzien in § 1 en stelt, in voorkomend geval, een intrekking van ambtshalve van de erkenning van de betrokken onderneming voor. Binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van het voorstel van de Administratie beslist de Minister van Tewerkstelling over de intrekking van erkenning en maakt hij zijn beslissing aan de Administratie over voor onmiddellijke kennisgeving aan de betrokken onderneming met een afschrift aan de Commissie en aan de "Forem" die deze beslissing aan het uitgiftebedrijf overmaakt.]2
§ 3. Voor toepassing van dit artikel wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of [2 de gemachtigd ambtenaar van de Administratie]2 die hij aanduidt.
a) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, e, van de wet, behalve voor de bedragen waarvoor een aflossingsplan werd opgesteld dat wordt geëerbiedigd en voor de verschuldigde sommen beneden de 2.500 EUR, die voor de toepassing van de ambtshalve intrekking niet als achterstallen worden beschouwd;
b) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, f, van de wet;
c) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2quater, § 4, eerste lid, 11° ;
d) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2quater, § 4, eerste lid, 17° ;
e) aan het eind van de periode van uitstel bedoeld in artikel 2septies, § 3, niet het bewijs levert dat ze voldoet aan alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet.]1
§ 2. [2 De Administratie informeert tegelijkertijd de Minister van Tewerkstelling en de Commissie over het zich voordoen van één van de gevallen waarin is voorzien in § 1 en stelt, in voorkomend geval, een intrekking van ambtshalve van de erkenning van de betrokken onderneming voor. Binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van het voorstel van de Administratie beslist de Minister van Tewerkstelling over de intrekking van erkenning en maakt hij zijn beslissing aan de Administratie over voor onmiddellijke kennisgeving aan de betrokken onderneming met een afschrift aan de Commissie en aan de "Forem" die deze beslissing aan het uitgiftebedrijf overmaakt.]2
§ 3. Voor toepassing van dit artikel wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of [2 de gemachtigd ambtenaar van de Administratie]2 die hij aanduidt.
Art. 2nonies _REGION_WALLONNE.
(NOTE de Justel : au lieu de "nonies", il faudrait "novies") <AR 2008-09-28/30, art. 5, 015; En vigueur : 01-11-2008> § 1er. [1 Une entreprise perd d'office son agrément quand elle :
a) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2, § 2, alinéa 1er, e, de la loi, sauf pour les sommes pour lesquelles il existe un plan d'apurement dûment respecté et pour les sommes dues inférieures à 2.500 EUR, qui ne sont pas considérées comme arriérés pour l'application du retrait d'office;
b) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2, § 2, alinéa 1er, f, de la loi;
c) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2quater, § 4, alinéa 1er, 11° ;
d) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2quater, § 4, alinéa 1er, 17° ;
e) au terme de la période de sursis, prévue à l'article 2septies, § 3, n'apporte pas la preuve qu'elle satisfait à l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi.]1
§ 2. [2 L'Administration informe simultanément le Ministre de l'Emploi et la Commission de la survenance de l'un des événements prévus au paragraphe 1er et propose, le cas échéant, un retrait d'office de l'agrément de l'entreprise concernée. Dans un délai de deux mois à dater de la réception de la proposition de l'Administration, le Ministre de l'Emploi statue sur le retrait d'agrément et transmet sa décision à l'Administration pour notification immédiate à l'entreprise concernée, avec copie à la Commission et au Forem qui communique cette décision à la société émettrice.]2
§ 3. Pour l'application de cet article on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou [2 le fonctionnaire délégué de l'Administration]2 qu'il désigne.
(NOTE de Justel : au lieu de "nonies", il faudrait "novies") <AR 2008-09-28/30, art. 5, 015; En vigueur : 01-11-2008> § 1er. [1 Une entreprise perd d'office son agrément quand elle :
a) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2, § 2, alinéa 1er, e, de la loi, sauf pour les sommes pour lesquelles il existe un plan d'apurement dûment respecté et pour les sommes dues inférieures à 2.500 EUR, qui ne sont pas considérées comme arriérés pour l'application du retrait d'office;
b) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2, § 2, alinéa 1er, f, de la loi;
c) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2quater, § 4, alinéa 1er, 11° ;
d) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2quater, § 4, alinéa 1er, 17° ;
e) au terme de la période de sursis, prévue à l'article 2septies, § 3, n'apporte pas la preuve qu'elle satisfait à l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi.]1
§ 2. [2 L'Administration informe simultanément le Ministre de l'Emploi et la Commission de la survenance de l'un des événements prévus au paragraphe 1er et propose, le cas échéant, un retrait d'office de l'agrément de l'entreprise concernée. Dans un délai de deux mois à dater de la réception de la proposition de l'Administration, le Ministre de l'Emploi statue sur le retrait d'agrément et transmet sa décision à l'Administration pour notification immédiate à l'entreprise concernée, avec copie à la Commission et au Forem qui communique cette décision à la société émettrice.]2
§ 3. Pour l'application de cet article on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou [2 le fonctionnaire délégué de l'Administration]2 qu'il désigne.
Art. 2nonies_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. (NOTA van Juste : in plaats van "nonies" zou het "novies" moeten zijn.) <KB 2008-09-28/30, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008> § 1. [1 Een onderneming verliest ambtshalve haar erkenning wanneer ze :
a) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, e, van de wet, behalve voor de bedragen waarvoor een aflossingsplan werd opgesteld dat wordt geëerbiedigd en voor de verschuldigde sommen beneden de 2.500 EUR, die voor de toepassing van de ambtshalve intrekking niet als achterstallen worden beschouwd;
b) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, f, van de wet;
c) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2quater, § 4, eerste lid, 11° ;
d) [3 niet voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 2quater, paragraaf 4, eerste lid, 15° tot 17° ;]3
e) aan het eind van de periode van uitstel bedoeld in artikel 2septies, § 3, niet het bewijs levert dat ze voldoet aan alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet.]1
§ 2. Het Secretariaat deelt de voorzitter van de Commissie mee wanneer één van de gevallen waarin is voorzien in § 1 zich voordoet.
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling geeft de voorzitter van de Commissie kennis van de ambtshalve intrekking van de erkenning aan de betrokken onderneming.
Het Secretariaat bezorgt de Minister van Werk, de Commissie en het uitgiftebedrijf eveneens een afschrift van die kennisgeving.
§ 3. Voor toepassing van dit artikel wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar [2 van het bestuur]2 die hij aanduidt.
a) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, e, van de wet, behalve voor de bedragen waarvoor een aflossingsplan werd opgesteld dat wordt geëerbiedigd en voor de verschuldigde sommen beneden de 2.500 EUR, die voor de toepassing van de ambtshalve intrekking niet als achterstallen worden beschouwd;
b) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, f, van de wet;
c) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2quater, § 4, eerste lid, 11° ;
d) [3 niet voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 2quater, paragraaf 4, eerste lid, 15° tot 17° ;]3
e) aan het eind van de periode van uitstel bedoeld in artikel 2septies, § 3, niet het bewijs levert dat ze voldoet aan alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet.]1
§ 2. Het Secretariaat deelt de voorzitter van de Commissie mee wanneer één van de gevallen waarin is voorzien in § 1 zich voordoet.
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling geeft de voorzitter van de Commissie kennis van de ambtshalve intrekking van de erkenning aan de betrokken onderneming.
Het Secretariaat bezorgt de Minister van Werk, de Commissie en het uitgiftebedrijf eveneens een afschrift van die kennisgeving.
§ 3. Voor toepassing van dit artikel wordt onder de Minister van Werk verstaan de Minister van Werk of de ambtenaar [2 van het bestuur]2 die hij aanduidt.
Art. 2nonies _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
(NOTE de Justel : au lieu de "nonies", il faudrait "novies") <AR 2008-09-28/30, art. 5, 015; En vigueur : 01-11-2008> § 1er. [1 Une entreprise perd d'office son agrément quand elle :
a) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2, § 2, alinéa 1er, e, de la loi, sauf pour les sommes pour lesquelles il existe un plan d'apurement dûment respecté et pour les sommes dues inférieures à 2.500 EUR, qui ne sont pas considérées comme arriérés pour l'application du retrait d'office;
b) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2, § 2, alinéa 1er, f, de la loi;
c) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2quater, § 4, alinéa 1er, 11° ;
d) [3 ne satisfait pas aux conditions prévues à l'article 2quater, paragraphe 4, alinéa 1er, 15° à 17° ;]3
e) au terme de la période de sursis, prévue à l'article 2septies, § 3, n'apporte pas la preuve qu'elle satisfait à l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi.]1
§ 2. Le Secrétariat informe le président de la Commission de la survenance de l'un des événements prévus au § 1er.
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, le président de la Commission notifie le retrait d'office de l'agrément à l'entreprise concernée.
Le Secrétariat communique également une copie de cette notification au Ministre de l'Emploi, à la Commission et à la société émettrice.
§ 3. Pour l'application de cet article on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire [2 de l'administration]2 qu'il désigne.
(NOTE de Justel : au lieu de "nonies", il faudrait "novies") <AR 2008-09-28/30, art. 5, 015; En vigueur : 01-11-2008> § 1er. [1 Une entreprise perd d'office son agrément quand elle :
a) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2, § 2, alinéa 1er, e, de la loi, sauf pour les sommes pour lesquelles il existe un plan d'apurement dûment respecté et pour les sommes dues inférieures à 2.500 EUR, qui ne sont pas considérées comme arriérés pour l'application du retrait d'office;
b) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2, § 2, alinéa 1er, f, de la loi;
c) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2quater, § 4, alinéa 1er, 11° ;
d) [3 ne satisfait pas aux conditions prévues à l'article 2quater, paragraphe 4, alinéa 1er, 15° à 17° ;]3
e) au terme de la période de sursis, prévue à l'article 2septies, § 3, n'apporte pas la preuve qu'elle satisfait à l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi.]1
§ 2. Le Secrétariat informe le président de la Commission de la survenance de l'un des événements prévus au § 1er.
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, le président de la Commission notifie le retrait d'office de l'agrément à l'entreprise concernée.
Le Secrétariat communique également une copie de cette notification au Ministre de l'Emploi, à la Commission et à la société émettrice.
§ 3. Pour l'application de cet article on entend par le Ministre de l'Emploi, le Ministre de l'Emploi ou le fonctionnaire [2 de l'administration]2 qu'il désigne.
Art. 2nonies_VLAAMS_GEWEST. (NOTA van Juste : in plaats van "nonies" zou het "novies" moeten zijn.) <KB 2008-09-28/30, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008> § 1. [1 Een onderneming verliest ambtshalve haar erkenning wanneer ze :
a) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, e, van de wet, behalve voor de bedragen waarvoor een aflossingsplan werd opgesteld dat wordt geëerbiedigd en voor de verschuldigde sommen beneden de 2.500 EUR, die voor de toepassing van de ambtshalve intrekking niet als achterstallen worden beschouwd;
b) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, f, van de wet;
c) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2quater, § 4, eerste lid, 11° ;
d) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2quater, § 4, eerste lid, 17° ;
e) aan het eind van de periode van uitstel bedoeld in artikel 2septies, § 3, niet het bewijs levert dat ze voldoet aan alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet.]1
§ 2. Het Secretariaat deelt de voorzitter van de Commissie mee wanneer één van de gevallen waarin is voorzien in § 1 zich voordoet.
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling geeft de voorzitter van de Commissie kennis van de ambtshalve intrekking van de erkenning aan de betrokken onderneming.
Het Secretariaat bezorgt de Minister van Werk, de Commissie en het uitgiftebedrijf eveneens een afschrift van die kennisgeving.
§ 3. [2 ...]2
a) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, e, van de wet, behalve voor de bedragen waarvoor een aflossingsplan werd opgesteld dat wordt geëerbiedigd en voor de verschuldigde sommen beneden de 2.500 EUR, die voor de toepassing van de ambtshalve intrekking niet als achterstallen worden beschouwd;
b) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, f, van de wet;
c) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2quater, § 4, eerste lid, 11° ;
d) niet voldoet aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2quater, § 4, eerste lid, 17° ;
e) aan het eind van de periode van uitstel bedoeld in artikel 2septies, § 3, niet het bewijs levert dat ze voldoet aan alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet.]1
§ 2. Het Secretariaat deelt de voorzitter van de Commissie mee wanneer één van de gevallen waarin is voorzien in § 1 zich voordoet.
Binnen een termijn van twee maanden vanaf deze mededeling geeft de voorzitter van de Commissie kennis van de ambtshalve intrekking van de erkenning aan de betrokken onderneming.
Het Secretariaat bezorgt de Minister van Werk, de Commissie en het uitgiftebedrijf eveneens een afschrift van die kennisgeving.
§ 3. [2 ...]2
Art. 2nonies _REGION_FLAMANDE.
(NOTE de Justel : au lieu de "nonies", il faudrait "novies") <AR 2008-09-28/30, art. 5, 015; En vigueur : 01-11-2008> § 1er. [1 Une entreprise perd d'office son agrément quand elle :
a) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2, § 2, alinéa 1er, e, de la loi, sauf pour les sommes pour lesquelles il existe un plan d'apurement dûment respecté et pour les sommes dues inférieures à 2.500 EUR, qui ne sont pas considérées comme arriérés pour l'application du retrait d'office;
b) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2, § 2, alinéa 1er, f, de la loi;
c) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2quater, § 4, alinéa 1er, 11° ;
d) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2quater, § 4, alinéa 1er, 17° ;
e) au terme de la période de sursis, prévue à l'article 2septies, § 3, n'apporte pas la preuve qu'elle satisfait à l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi.]1
§ 2. Le Secrétariat informe le président de la Commission de la survenance de l'un des événements prévus au § 1er.
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, le président de la Commission notifie le retrait d'office de l'agrément à l'entreprise concernée.
Le Secrétariat communique également une copie de cette notification au Ministre de l'Emploi, à la Commission et à la société émettrice.
§ 3. [2 ...]2
(NOTE de Justel : au lieu de "nonies", il faudrait "novies") <AR 2008-09-28/30, art. 5, 015; En vigueur : 01-11-2008> § 1er. [1 Une entreprise perd d'office son agrément quand elle :
a) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2, § 2, alinéa 1er, e, de la loi, sauf pour les sommes pour lesquelles il existe un plan d'apurement dûment respecté et pour les sommes dues inférieures à 2.500 EUR, qui ne sont pas considérées comme arriérés pour l'application du retrait d'office;
b) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2, § 2, alinéa 1er, f, de la loi;
c) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2quater, § 4, alinéa 1er, 11° ;
d) ne satisfait pas à la condition prévue à l'article 2quater, § 4, alinéa 1er, 17° ;
e) au terme de la période de sursis, prévue à l'article 2septies, § 3, n'apporte pas la preuve qu'elle satisfait à l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi.]1
§ 2. Le Secrétariat informe le président de la Commission de la survenance de l'un des événements prévus au § 1er.
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, le président de la Commission notifie le retrait d'office de l'agrément à l'entreprise concernée.
Le Secrétariat communique également une copie de cette notification au Ministre de l'Emploi, à la Commission et à la société émettrice.
§ 3. [2 ...]2
HOOFDSTUK III. - Vorm, aanschaf en gebruik van de dienstencheque.
CHAPITRE III. - Forme, acquisition et utilisation du titre-service.
Art. 3. § 1. De dienstencheque dient tenminste de gegevens te bevatten zoals bedoeld in het model gevoegd bij dit besluit.
(Hij kan een gedematerialiseerde vorm aannemen, goedgekeurd door het Beheerscomité van de R.V.A., en aangekocht en gebruikt worden door middel van een elektronische procedure waarvan het principe en de modaliteiten goedgekeurd worden door dit Beheerscomité.) <KB 2005-11-10/36, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 03-12-2005>
§ 2. [[6 De gebruiker die dienstencheques wenst aan te schaffen maakt door overschrijving of storting het bedrag van de aanschafprijs per dienstencheque over aan het uitgiftebedrijf van de dienstencheques. De aanschafprijs bedraagt [7 9 EUR]7 voor de eerste 400 aangeschafte dienstencheques per kalenderjaar en bedraagt [7 10 EUR]7 voor elke dienstencheque die de aanschaf van 400 dienstencheques per kalenderjaar overschrijdt.]6. Deze cheque kan enkel gebruikt worden voor het vergoeden van gepresteerde arbeidstijd. De bestelling moet gaan over een minimum van 10 dienstencheques. De dienstencheque heeft voor de gebruiker een geldigheidsduur [1 tot het einde van de achtste maand die volgt op de maand van zijn uitgifte]1.] <KB 2004-03-31/33, art. 9, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004> <KB 2008-04-28/30, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008> <KB 2008-12-11/30, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2009 ; zie ook art. 4>
(In het raam van de moederschapshulp bedoeld in het koninklijk besluit van 17 januari 2006 tot invoering van een stelsel van uitkeringen voor moederschapshulp ten gunste van vrouwelijke zelfstandigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, gebeurt de overschrijving of storting bedoeld in het eerste lid door het sociaal verzekeringsfonds bedoeld in artikel 1, § 2, d), van het voornoemde besluit van 17 januari 2006.) <KB 2006-01-17/30, art. 6, 1°, 009 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
[De gebruiker kan per kalenderjaar maximum [2 500 dienstencheques]2 aanschaffen.] <KB 2008-04-28/30, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
[De mindervalide gebruiker en de gebruiker met [1 een mindervalide kind]1 ten laste, kan per kalenderjaar maximum 2000 dienstencheques aanschaffen [6 aan de aanschafprijs van [7 9 EUR]7 per dienstencheque]6. Bij het overschrijden van de aanschaf van [2 500 dienstencheques]2 per kalenderjaar moet de gebruiker, bij gebrek aan een elektronische communicatie van de nodige gegevens zonder de tussenkomst van de gebruiker, aan het uitgiftebedrijf een attest bezorgen van één van de instanties bedoeld in artikel 1, eerste lid, 7° en 8°, dat bewijst dat hij tot één van deze categorieën behoort.] <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
(De gebruiker die een eenoudergezin vormt met één of meerdere kinderen ten laste en die zich in één van de volgende situaties bevindt, [6 kan eveneens maximum 2 000 dienstencheques per kalenderjaar aanschaffen aan de aanschafprijs van [7 9 EUR]7 per dienstencheque]6 :
1° Hij voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 133, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zoals blijkt uit (een attest uitgegeven door zijn controleorganisme van de directe belastingen waaraan hij onderworpen is); <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
2° (Hij is in het bezit van een attest van gezinssamenstelling (, afgeleverd door zijn gemeentelijke overheid,) waaruit blijkt dat hij alleen woont met zijn kind of kinderen waarvan er minstens één minder dan 18 jaar is;) <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
3° Hij is in het bezit van een getuigschrift van zijn kinderbijslagkas waaruit blijkt dat hij (kinderbijslagtrekkende is) en van een attest van gezinssamenstelling, (afgeleverd door zijn gemeentelijke overheid,) waaruit blijkt dat hij alleen woont. <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
Om te bewijzen dat hij tot één van deze categorieën behoort, overhandigt hij ter ondersteuning van zijn aanvraag, bij het overschrijden van de aanschaf van [2 500 dienstencheques]2 per kalenderjaar, aan het uitgiftebedrijf van de dienstencheques, een verklaring op erewoord, opgesteld volgens het door de RVA vastgesteld model (, dat hij zich op de dag van betrokken verklaring in een van de bovengenoemde situaties bevindt). Tegelijkertijd stuurt hij aan de RVA een kopie van zijn verklaring op erewoord samen met het (of de) attest(en) als bewijs dat hij zich in één van bovengenoemde situaties bevindt. Het bezorgen van deze attesten dient slechts te gebeuren bij gebrek aan een elektronische communicatie van de nodige gegevens zonder de tussenkomst van de gebruiker.) <KB 2008-04-28/30, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-06-2008> <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[4 Een gezin kan per kalenderjaar maximum 1 000 dienstencheques aanschaffen. [6 De aanschafprijs bedraagt [7 9 EUR]7 voor de eerste 800 aangeschafte dienstencheques per kalenderjaar en bedraagt [7 10 EUR]7 voor elke dienstencheque die de aanschaf van 800 dienstencheques per kalenderjaar overschrijdt.]6 Onder gezin wordt verstaan alle personen die volgens het attest van gezinssamenstelling uit het bevolkingsregister ingeschreven zijn op hetzelfde adres.
Het vorige lid is niet van toepassing op de gebruiker bedoeld in het vierde of vijfde lid.]4
§ 3. De gebruikers kunnen bij het uitgiftebedrijf de terugbetaling aanvragen van de dienstencheques die nog niet werden gebruikt en die nog geldig zijn. (Dienstencheques betaald aan het uitgiftebedrijf vóór 1 januari van het lopende jaar); in dat geval wordt 30 % van de aanschafprijs door het uitgiftebedrijf betaald aan de R.V.A.). Het uitgiftebedrijf kan een vergoeding voor administratiekosten vragen aan de gebruiker die een terugbetaling vraagt. De terugbetaling gebeurt in overeenstemming met de fiscale bepalingen opgenomen in artikel 9. (In het raam van de moederschapshulp bedoeld in het voornoemde koninklijk besluit van 17 januari 2006 kunnen de gebruikers evenwel bij het uitgiftebedrijf geen terugbetaling aanvragen van de dienstencheques die nog niet werden gebruikt.) <KB 2004-11-10/31, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 20-11-2004> <KB 2006-01-17/30, art. 6, 2°, 009 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
De dienstencheques kunnen omgeruild worden tegen nieuwe cheques met een nieuwe geldigheidsduur [1 tot het einde van de achtste maand die volgt op de maand van uitgifte voor de gebruiker en tot het einde van de negende maand die volgt op de maand van uitgifte voor de erkende onderneming]1. De gebruiker kan de omruiling vragen van niet-gebruikte nog geldige dienstencheques (...). Ook voor de omruiling van dienstencheques kan het uitgiftebedrijf administratiekosten aanrekenen. <KB 2008-04-28/30, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008>
De gebruiker die zijn dienstencheques heeft verloren (verlies of diefstal) kan de terugbetaling of vervanging ervan vragen. (In het raam van de moederschapshulp bedoeld in het voornoemde koninklijk besluit van 17 januari 2006 kan de gebruiker geen terugbetaling vragen van verloren dienstencheques (verlies of diefstal).) <AR 2006-01-17/30, art. 7, 2°, 009 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
[3 § 4. De gebruiker die opzettelijk heeft deelgenomen aan een inbreuk gepleegd door de onderneming en vastgesteld door de inspectiediensten bedoeld in artikel 10, § 1, is gehouden om de in artikel 1, 6°, bedoelde tegemoetkoming van de dienstencheques die hij heeft gebruikt en voor dewelke een inbreuk werd vastgesteld, terug te betalen aan de RVA.
De gebruiker betaalt de tegemoetkoming van de dienstencheques, zoals bedoeld in het eerste lid, terug binnen de 30 dagen die volgen op de datum vermeld op de aangetekende brief.]3
(Hij kan een gedematerialiseerde vorm aannemen, goedgekeurd door het Beheerscomité van de R.V.A., en aangekocht en gebruikt worden door middel van een elektronische procedure waarvan het principe en de modaliteiten goedgekeurd worden door dit Beheerscomité.) <KB 2005-11-10/36, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 03-12-2005>
§ 2. [[6 De gebruiker die dienstencheques wenst aan te schaffen maakt door overschrijving of storting het bedrag van de aanschafprijs per dienstencheque over aan het uitgiftebedrijf van de dienstencheques. De aanschafprijs bedraagt [7 9 EUR]7 voor de eerste 400 aangeschafte dienstencheques per kalenderjaar en bedraagt [7 10 EUR]7 voor elke dienstencheque die de aanschaf van 400 dienstencheques per kalenderjaar overschrijdt.]6. Deze cheque kan enkel gebruikt worden voor het vergoeden van gepresteerde arbeidstijd. De bestelling moet gaan over een minimum van 10 dienstencheques. De dienstencheque heeft voor de gebruiker een geldigheidsduur [1 tot het einde van de achtste maand die volgt op de maand van zijn uitgifte]1.] <KB 2004-03-31/33, art. 9, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004> <KB 2008-04-28/30, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008> <KB 2008-12-11/30, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2009 ; zie ook art. 4>
(In het raam van de moederschapshulp bedoeld in het koninklijk besluit van 17 januari 2006 tot invoering van een stelsel van uitkeringen voor moederschapshulp ten gunste van vrouwelijke zelfstandigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, gebeurt de overschrijving of storting bedoeld in het eerste lid door het sociaal verzekeringsfonds bedoeld in artikel 1, § 2, d), van het voornoemde besluit van 17 januari 2006.) <KB 2006-01-17/30, art. 6, 1°, 009 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
[De gebruiker kan per kalenderjaar maximum [2 500 dienstencheques]2 aanschaffen.] <KB 2008-04-28/30, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
[De mindervalide gebruiker en de gebruiker met [1 een mindervalide kind]1 ten laste, kan per kalenderjaar maximum 2000 dienstencheques aanschaffen [6 aan de aanschafprijs van [7 9 EUR]7 per dienstencheque]6. Bij het overschrijden van de aanschaf van [2 500 dienstencheques]2 per kalenderjaar moet de gebruiker, bij gebrek aan een elektronische communicatie van de nodige gegevens zonder de tussenkomst van de gebruiker, aan het uitgiftebedrijf een attest bezorgen van één van de instanties bedoeld in artikel 1, eerste lid, 7° en 8°, dat bewijst dat hij tot één van deze categorieën behoort.] <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
(De gebruiker die een eenoudergezin vormt met één of meerdere kinderen ten laste en die zich in één van de volgende situaties bevindt, [6 kan eveneens maximum 2 000 dienstencheques per kalenderjaar aanschaffen aan de aanschafprijs van [7 9 EUR]7 per dienstencheque]6 :
1° Hij voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 133, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zoals blijkt uit (een attest uitgegeven door zijn controleorganisme van de directe belastingen waaraan hij onderworpen is); <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
2° (Hij is in het bezit van een attest van gezinssamenstelling (, afgeleverd door zijn gemeentelijke overheid,) waaruit blijkt dat hij alleen woont met zijn kind of kinderen waarvan er minstens één minder dan 18 jaar is;) <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
3° Hij is in het bezit van een getuigschrift van zijn kinderbijslagkas waaruit blijkt dat hij (kinderbijslagtrekkende is) en van een attest van gezinssamenstelling, (afgeleverd door zijn gemeentelijke overheid,) waaruit blijkt dat hij alleen woont. <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
Om te bewijzen dat hij tot één van deze categorieën behoort, overhandigt hij ter ondersteuning van zijn aanvraag, bij het overschrijden van de aanschaf van [2 500 dienstencheques]2 per kalenderjaar, aan het uitgiftebedrijf van de dienstencheques, een verklaring op erewoord, opgesteld volgens het door de RVA vastgesteld model (, dat hij zich op de dag van betrokken verklaring in een van de bovengenoemde situaties bevindt). Tegelijkertijd stuurt hij aan de RVA een kopie van zijn verklaring op erewoord samen met het (of de) attest(en) als bewijs dat hij zich in één van bovengenoemde situaties bevindt. Het bezorgen van deze attesten dient slechts te gebeuren bij gebrek aan een elektronische communicatie van de nodige gegevens zonder de tussenkomst van de gebruiker.) <KB 2008-04-28/30, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-06-2008> <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[4 Een gezin kan per kalenderjaar maximum 1 000 dienstencheques aanschaffen. [6 De aanschafprijs bedraagt [7 9 EUR]7 voor de eerste 800 aangeschafte dienstencheques per kalenderjaar en bedraagt [7 10 EUR]7 voor elke dienstencheque die de aanschaf van 800 dienstencheques per kalenderjaar overschrijdt.]6 Onder gezin wordt verstaan alle personen die volgens het attest van gezinssamenstelling uit het bevolkingsregister ingeschreven zijn op hetzelfde adres.
Het vorige lid is niet van toepassing op de gebruiker bedoeld in het vierde of vijfde lid.]4
§ 3. De gebruikers kunnen bij het uitgiftebedrijf de terugbetaling aanvragen van de dienstencheques die nog niet werden gebruikt en die nog geldig zijn. (Dienstencheques betaald aan het uitgiftebedrijf vóór 1 januari van het lopende jaar); in dat geval wordt 30 % van de aanschafprijs door het uitgiftebedrijf betaald aan de R.V.A.). Het uitgiftebedrijf kan een vergoeding voor administratiekosten vragen aan de gebruiker die een terugbetaling vraagt. De terugbetaling gebeurt in overeenstemming met de fiscale bepalingen opgenomen in artikel 9. (In het raam van de moederschapshulp bedoeld in het voornoemde koninklijk besluit van 17 januari 2006 kunnen de gebruikers evenwel bij het uitgiftebedrijf geen terugbetaling aanvragen van de dienstencheques die nog niet werden gebruikt.) <KB 2004-11-10/31, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 20-11-2004> <KB 2006-01-17/30, art. 6, 2°, 009 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
De dienstencheques kunnen omgeruild worden tegen nieuwe cheques met een nieuwe geldigheidsduur [1 tot het einde van de achtste maand die volgt op de maand van uitgifte voor de gebruiker en tot het einde van de negende maand die volgt op de maand van uitgifte voor de erkende onderneming]1. De gebruiker kan de omruiling vragen van niet-gebruikte nog geldige dienstencheques (...). Ook voor de omruiling van dienstencheques kan het uitgiftebedrijf administratiekosten aanrekenen. <KB 2008-04-28/30, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008>
De gebruiker die zijn dienstencheques heeft verloren (verlies of diefstal) kan de terugbetaling of vervanging ervan vragen. (In het raam van de moederschapshulp bedoeld in het voornoemde koninklijk besluit van 17 januari 2006 kan de gebruiker geen terugbetaling vragen van verloren dienstencheques (verlies of diefstal).) <AR 2006-01-17/30, art. 7, 2°, 009 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
[3 § 4. De gebruiker die opzettelijk heeft deelgenomen aan een inbreuk gepleegd door de onderneming en vastgesteld door de inspectiediensten bedoeld in artikel 10, § 1, is gehouden om de in artikel 1, 6°, bedoelde tegemoetkoming van de dienstencheques die hij heeft gebruikt en voor dewelke een inbreuk werd vastgesteld, terug te betalen aan de RVA.
De gebruiker betaalt de tegemoetkoming van de dienstencheques, zoals bedoeld in het eerste lid, terug binnen de 30 dagen die volgen op de datum vermeld op de aangetekende brief.]3
Wijzigingen
Art. 3. § 1er. Le titre-service doit contenir au minimum les mentions visées au modèle annexé au présent arrêté.
[Il peut revêtir une forme dématérialisée, acceptée par le Comité de gestion de l'ONEm, et être acquis et utilisé au moyen d'un procédé électronique dont le principe et les modalités sont approuvés par ce Comité de gestion.] <AR 2005-11-10/36, art. 2, 008; En vigueur : 03-12-2005>
§ 2. [[6 L'utilisateur qui souhaite acquérir des titres-services, transmet, par virement ou par versement, le prix d'acquisition par titre-service à la société émettrice des titres-services. Le prix d'acquisition s'élève à [7 9 EUR]7 pour les premiers 400 titres-services acquis par année civile et s'élève à [7 10 EUR]7 pour chaque titre-service dépassant l'acquisition de 400 titres-services par année civile.]6 Ce titre-service peut seulement être utilisé pour rémunérer le temps de travail presté. La commande doit concerner un minimum de 10 titres-services. Le titre-service a, pour l'utilisateur, une durée de validité [1 jusqu'à la fin du huitième mois qui suit le mois de son émission]1.] <AR 2004-03-31/33, art. 9, 004; En vigueur : 16-04-2004> <AR 2008-04-28/30, art. 3, 014; En vigueur : 01-05-2008> <AR 2008-12-11/30, art. 1, 017; En vigueur : 01-01-2009 voir également l'art. 4>
(Dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 instaurant un régime de prestations d'aide à la maternité en faveur des travailleuses indépendantes et modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, le virement ou le versement visés à l'alinéa 1er se fait par la caisse d'assurances sociales visée à l'article 1er, § 2, d), de l'arrêté royal du 17 janvier 2006 susvisé.) <AR 2006-01-17/30, art. 6, 1°, 009 ; En vigueur : 01-01-2006>
(L'utilisateur peut acquérir au maximum [2 500 titres-services]2 par année civile.) <AR 2008-04-28/30, art. 3, 014; En vigueur : 01-06-2008>
(L'utilisateur handicapé et l'utilisateur avec un enfant handicapé à charge peut acquérir au maximum 2 000 titres-services par année civile. Lors du dépassement de l'acquisition de [2 500 titres-services]2 par année civile, l'utilisateur doit fournir, à défaut d'une communication électronique des données nécessaires sans l'intervention de l'utilisateur, à la société émettrice une attestation d'un des organismes prévus à l'article 1er, alinéa 1er, 7° et 8°, attestant qu'il appartient à une de ces catégories [6 au prix d'acquisition de [7 9 EUR]7 par titre-service]6.) <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
(L'utilisateur qui forme une famille monoparentale avec un ou plusieurs enfants à charge, qui se trouve dans une des situations suivantes, [6 peut également acquérir au maximum 2 000 titres-services par année civile au prix d'acquisition de [7 9 EUR]7 par titre-service]6 :
1° Il répond aux conditions visées à l'article 133, 1°, du Code des Impôts sur les Revenus 1992, comme (il ressort d'une attestation émise par le contrôle des contributions directes dont il relève); <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
2° II est en possession d'une attestation de composition de ménage (, délivrée par son administration communale,) de laquelle il ressort qu'il habite seul avec son ou ses enfants dont au moins un est âgé de moins de 18 ans; <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
3° II est en possession d'une attestation de sa caisse d'allocations familiales établissant qu'il est allocataire d'allocations familiales et d'une attestation de composition de ménage (, délivrée par son administration communale,) établissant qu'il habite seul. <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
Pour attester d'une de ces situations, il remet, lors du dépassement de l'acquisition de [2 500 titres-services]2 par année civile, à l'appui de sa demande à la société émettrice de titres-services, une déclaration sur l'honneur établie suivant le modèle déterminé par l'ONEm (, attestant qu'il se trouve au jour de sa déclaration dans l'une des situations susvisées). Simultanément il transmet à l'ONEm une copie de cette déclaration sur l'honneur accompagnée de la (ou des) attestation(s) attestant qu'il se trouve dans l'une des situations susvisées. La transmission de ces attestations ne doit se faire qu'à défaut d'une communication électronique des données nécessaires sans l'intervention de l'utilisateur.) <AR 2008-04-28/30, art. 3, 014; En vigueur : 01-06-2008> <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[4 Un ménage peut acquérir au maximum 1 000 titres-services par année civile. [6 Le prix d'acquisition s'élève à [7 9 EUR]7 pour les 800 premiers titres-services acquis par année civile et s'élève à [7 10 EUR]7 pour chaque titre-service dépassant l'acquisition de 800 titres-services par année civile.]6 Est considéré comme ménage l'ensemble des personnes qui sont inscrites à la même adresse suivant le certificat de composition de ménage du registre de la population.
L'alinéa précédent n'est pas d'application à l'utilisateur visé à l'alinéa 4 ou 5.]4
§ 3. Les utilisateurs peuvent demander, auprès de la société émettrice, le remboursement des titres-services qui n'ont pas été utilisés et qui sont encore valables. (Les titres-services payés à la société émettrice avant le 1er janvier de l'année en cours) (ne peuvent être remboursés à l'utilisateur qu'à concurrence de 70 % du prix d'achat; dans ce cas 30 % du prix d'achat est payé par la société émettrice à l'ONEm). La société émettrice peut demander à l'utilisateur, qui demande un remboursement, une participation aux frais d'administration. Le remboursement s'effectue conformément aux dispositions fiscales mentionnées à l'article 9. (Dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 susvisé, les utilisateurs ne peuvent toutefois pas demander, auprès de la société émettrice, le remboursement des titres-services qui n'ont pas été utilisés.) <AR 2004-11-10/31, art. 2, 006; En vigueur : 20-11-2004> <AR 2006-01-17/30, art. 6, 2°, 009 ; En vigueur : 01-01-2006> <AR 2006-03-05/39, art. 6, 010; En vigueur : 22-03-2006>
Les titres-services peuvent être échangés contre de nouveaux titres avec une nouvelle durée de validité [1 jusqu'à la fin du huitième mois qui suit le mois d'émission pour l'utilisateur et jusqu'à la fin du neuvième mois qui suit le mois d'émission pour l'entreprise agréée]1. L'utilisateur peut demander l'échange des titres-services non-utilisés qui sont encore valables (...). La société émettrice peut également comptabiliser des frais d'administration pour l'échange de titres-services. <AR 2008-04-28/30, art. 4, 014; En vigueur : 01-05-2008>
L'utilisateur qui a perdu ses titres-services (perte ou vol) peut demander leur remboursement ou leur remplacement. (Dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 susvisé, l'utilisateur ne peut pas demander le remboursement des titres-services perdus (perte ou vol).) <AR 2006-01-17/30, art. 6, 3°, 009 ; En vigueur : 01-01-2006>
[3 § 4. L'utilisateur qui a participé délibérément à une infraction commise par l'entreprise et constatée par les services d'inspection prévus à l'article 10, § 1er, est tenu de payer à l'ONEm l'intervention, prévue à l'article 1er, 6°, des titres-services qu'il a utilisé et pour lesquels une infraction a été constatée.
L'utilisateur rembourse l'intervention des titres-services, mentionnés dans l'alinéa 1er, dans les 30 jours à compter de la date mentionnée dans la lettre recommandée.]3
[Il peut revêtir une forme dématérialisée, acceptée par le Comité de gestion de l'ONEm, et être acquis et utilisé au moyen d'un procédé électronique dont le principe et les modalités sont approuvés par ce Comité de gestion.] <AR 2005-11-10/36, art. 2, 008; En vigueur : 03-12-2005>
§ 2. [[6 L'utilisateur qui souhaite acquérir des titres-services, transmet, par virement ou par versement, le prix d'acquisition par titre-service à la société émettrice des titres-services. Le prix d'acquisition s'élève à [7 9 EUR]7 pour les premiers 400 titres-services acquis par année civile et s'élève à [7 10 EUR]7 pour chaque titre-service dépassant l'acquisition de 400 titres-services par année civile.]6 Ce titre-service peut seulement être utilisé pour rémunérer le temps de travail presté. La commande doit concerner un minimum de 10 titres-services. Le titre-service a, pour l'utilisateur, une durée de validité [1 jusqu'à la fin du huitième mois qui suit le mois de son émission]1.] <AR 2004-03-31/33, art. 9, 004; En vigueur : 16-04-2004> <AR 2008-04-28/30, art. 3, 014; En vigueur : 01-05-2008> <AR 2008-12-11/30, art. 1, 017; En vigueur : 01-01-2009 voir également l'art. 4>
(Dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 instaurant un régime de prestations d'aide à la maternité en faveur des travailleuses indépendantes et modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, le virement ou le versement visés à l'alinéa 1er se fait par la caisse d'assurances sociales visée à l'article 1er, § 2, d), de l'arrêté royal du 17 janvier 2006 susvisé.) <AR 2006-01-17/30, art. 6, 1°, 009 ; En vigueur : 01-01-2006>
(L'utilisateur peut acquérir au maximum [2 500 titres-services]2 par année civile.) <AR 2008-04-28/30, art. 3, 014; En vigueur : 01-06-2008>
(L'utilisateur handicapé et l'utilisateur avec un enfant handicapé à charge peut acquérir au maximum 2 000 titres-services par année civile. Lors du dépassement de l'acquisition de [2 500 titres-services]2 par année civile, l'utilisateur doit fournir, à défaut d'une communication électronique des données nécessaires sans l'intervention de l'utilisateur, à la société émettrice une attestation d'un des organismes prévus à l'article 1er, alinéa 1er, 7° et 8°, attestant qu'il appartient à une de ces catégories [6 au prix d'acquisition de [7 9 EUR]7 par titre-service]6.) <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
(L'utilisateur qui forme une famille monoparentale avec un ou plusieurs enfants à charge, qui se trouve dans une des situations suivantes, [6 peut également acquérir au maximum 2 000 titres-services par année civile au prix d'acquisition de [7 9 EUR]7 par titre-service]6 :
1° Il répond aux conditions visées à l'article 133, 1°, du Code des Impôts sur les Revenus 1992, comme (il ressort d'une attestation émise par le contrôle des contributions directes dont il relève); <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
2° II est en possession d'une attestation de composition de ménage (, délivrée par son administration communale,) de laquelle il ressort qu'il habite seul avec son ou ses enfants dont au moins un est âgé de moins de 18 ans; <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
3° II est en possession d'une attestation de sa caisse d'allocations familiales établissant qu'il est allocataire d'allocations familiales et d'une attestation de composition de ménage (, délivrée par son administration communale,) établissant qu'il habite seul. <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
Pour attester d'une de ces situations, il remet, lors du dépassement de l'acquisition de [2 500 titres-services]2 par année civile, à l'appui de sa demande à la société émettrice de titres-services, une déclaration sur l'honneur établie suivant le modèle déterminé par l'ONEm (, attestant qu'il se trouve au jour de sa déclaration dans l'une des situations susvisées). Simultanément il transmet à l'ONEm une copie de cette déclaration sur l'honneur accompagnée de la (ou des) attestation(s) attestant qu'il se trouve dans l'une des situations susvisées. La transmission de ces attestations ne doit se faire qu'à défaut d'une communication électronique des données nécessaires sans l'intervention de l'utilisateur.) <AR 2008-04-28/30, art. 3, 014; En vigueur : 01-06-2008> <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[4 Un ménage peut acquérir au maximum 1 000 titres-services par année civile. [6 Le prix d'acquisition s'élève à [7 9 EUR]7 pour les 800 premiers titres-services acquis par année civile et s'élève à [7 10 EUR]7 pour chaque titre-service dépassant l'acquisition de 800 titres-services par année civile.]6 Est considéré comme ménage l'ensemble des personnes qui sont inscrites à la même adresse suivant le certificat de composition de ménage du registre de la population.
L'alinéa précédent n'est pas d'application à l'utilisateur visé à l'alinéa 4 ou 5.]4
§ 3. Les utilisateurs peuvent demander, auprès de la société émettrice, le remboursement des titres-services qui n'ont pas été utilisés et qui sont encore valables. (Les titres-services payés à la société émettrice avant le 1er janvier de l'année en cours) (ne peuvent être remboursés à l'utilisateur qu'à concurrence de 70 % du prix d'achat; dans ce cas 30 % du prix d'achat est payé par la société émettrice à l'ONEm). La société émettrice peut demander à l'utilisateur, qui demande un remboursement, une participation aux frais d'administration. Le remboursement s'effectue conformément aux dispositions fiscales mentionnées à l'article 9. (Dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 susvisé, les utilisateurs ne peuvent toutefois pas demander, auprès de la société émettrice, le remboursement des titres-services qui n'ont pas été utilisés.) <AR 2004-11-10/31, art. 2, 006; En vigueur : 20-11-2004> <AR 2006-01-17/30, art. 6, 2°, 009 ; En vigueur : 01-01-2006> <AR 2006-03-05/39, art. 6, 010; En vigueur : 22-03-2006>
Les titres-services peuvent être échangés contre de nouveaux titres avec une nouvelle durée de validité [1 jusqu'à la fin du huitième mois qui suit le mois d'émission pour l'utilisateur et jusqu'à la fin du neuvième mois qui suit le mois d'émission pour l'entreprise agréée]1. L'utilisateur peut demander l'échange des titres-services non-utilisés qui sont encore valables (...). La société émettrice peut également comptabiliser des frais d'administration pour l'échange de titres-services. <AR 2008-04-28/30, art. 4, 014; En vigueur : 01-05-2008>
L'utilisateur qui a perdu ses titres-services (perte ou vol) peut demander leur remboursement ou leur remplacement. (Dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 susvisé, l'utilisateur ne peut pas demander le remboursement des titres-services perdus (perte ou vol).) <AR 2006-01-17/30, art. 6, 3°, 009 ; En vigueur : 01-01-2006>
[3 § 4. L'utilisateur qui a participé délibérément à une infraction commise par l'entreprise et constatée par les services d'inspection prévus à l'article 10, § 1er, est tenu de payer à l'ONEm l'intervention, prévue à l'article 1er, 6°, des titres-services qu'il a utilisé et pour lesquels une infraction a été constatée.
L'utilisateur rembourse l'intervention des titres-services, mentionnés dans l'alinéa 1er, dans les 30 jours à compter de la date mentionnée dans la lettre recommandée.]3
Wijzigingen
Art. 3_WAALS_GEWEST. [1 Het uitgiftebedrijf drukt die af of maakt deze beschikbaar in digitale vorm.
Voor de gebruiker is de geldig tot het einde van de achtste maand die volgt op de maand van de uitgifte.
De Minister bevoegd voor Werkgelegenheid bepaalt welke informatie er minimaal op de dienstencheque moet staan.]1
Voor de gebruiker is de geldig tot het einde van de achtste maand die volgt op de maand van de uitgifte.
De Minister bevoegd voor Werkgelegenheid bepaalt welke informatie er minimaal op de dienstencheque moet staan.]1
Art. 3 _REGION_WALLONNE.
[1 La société émettrice imprime le titre-service ou le met à disposition sous une forme numérique.
Pour l'utilisateur, le titre-service est valide jusqu'à la fin du huitième mois qui suit le mois de son émission.
Le Ministre qui a l'Emploi dans ses attributions détermine les mentions minimales qui figurent sur le titre-service. ]1
[1 La société émettrice imprime le titre-service ou le met à disposition sous une forme numérique.
Pour l'utilisateur, le titre-service est valide jusqu'à la fin du huitième mois qui suit le mois de son émission.
Le Ministre qui a l'Emploi dans ses attributions détermine les mentions minimales qui figurent sur le titre-service. ]1
Wijzigingen
Art. 3/1_WAALS_GEWEST. [1 De gebruiker die dienstencheques wil kopen, betaalt de aankoopprijs per dienstencheque aan het uitgiftebedrijf. Als het gaat om papieren dienstencheques, moet de bestelling voor ten minste tien dienstencheques zijn.
In afwijking van het eerste lid,, betaalt het sociaal verzekeringsfonds bedoeld in artikel 1, Ї 2, d), van het koninklijk besluit van 17 januari 2006, in het kader van de moederschapshulp bedoeld in het koninklijk besluit van 17 januari 2006 tot invoering van een stelsel van uitkeringen voor moederschapshulp ten gunste van vrouwelijke zelfstandigen en ter wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques het aankoopbedrag aan het uitgiftebedrijf.]1
In afwijking van het eerste lid,, betaalt het sociaal verzekeringsfonds bedoeld in artikel 1, Ї 2, d), van het koninklijk besluit van 17 januari 2006, in het kader van de moederschapshulp bedoeld in het koninklijk besluit van 17 januari 2006 tot invoering van een stelsel van uitkeringen voor moederschapshulp ten gunste van vrouwelijke zelfstandigen en ter wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques het aankoopbedrag aan het uitgiftebedrijf.]1
Art. 3/1 _REGION_WALLONNE. [1 L'utilisateur qui souhaite acquérir des titres-services paie le prix d'acquisition par titre-service à la société émettrice. Lorsqu'il s'agit de titres-services papiers, la commande concerne au moins dix titres-services.
Par dérogation à l'alinéa 1er, dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 instaurant un régime de prestations d'aide à la maternité en faveur des travailleuses indépendantes et modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, la caisse d'assurances sociales visée à l'article 1er, § 2, d), de l'arrêté royal du 17 janvier 2006 paie le prix d'acquisition à la société émettrice.]1
Par dérogation à l'alinéa 1er, dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 instaurant un régime de prestations d'aide à la maternité en faveur des travailleuses indépendantes et modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, la caisse d'assurances sociales visée à l'article 1er, § 2, d), de l'arrêté royal du 17 janvier 2006 paie le prix d'acquisition à la société émettrice.]1
Art. 3/2_WAALS_GEWEST. [1 Ї 1. De aankoopprijs voor de dienstencheque bedraagt:
1А 10 euro voor de eerste honderdvijfenzeventig aangekochte dienstencheques per kalenderjaar;
2А 11 euro voor de honderdzesenzeventigste tot vierhonderdste aangekochte dienstencheques per kalenderjaar;
3А 12 euro voor elke dienstencheque boven de vierhonderd aangekochte dienstencheques per kalenderjaar.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de aankoopprijs van een dienstencheque voor een huishouden:
1А 10 euro voor de eerste driehonderdvijftig aangekochte dienstencheques per kalenderjaar;
2А 11 euro voor de driehonderdeenenvijftigste tot achthonderdste aangekochte dienstencheques per kalenderjaar;
3А 12 euro voor elke dienstencheque boven de achthonderd aangekochte dienstencheques per kalenderjaar.
In afwijking van de leden 1 en 2 bedraagt de aankoopprijs 10 euro voor de gebruikers bedoeld in artikel 3/3, ЇЇ 2 en 3.
Ї 2. Vanaf 1 januari 2025 worden de in Ї 1 bedoelde aankoopprijzen van dienstencheques halfjaarlijks geяndexeerd op 1 januari en 1 juli.
De indexering op 1 januari geschiedt door aan elk in Ї 1 bedoeld bedrag, zoals geяndexeerd in voorgaande jaren, een bedrag van twintig cent toe te voegen:
1А per aantal keren dat de spilindex bedoeld in artikel 8, Ї 1, derde lid, is overschreden tussen 1 mei en 31 oktober van het voorgaande jaar;
2А en per aantal keren dat deze spilindex moet worden bereikt tussen 1 november en 31 december van het voorgaande jaar, volgens de vooruitzichten van 31 oktober van het voorgaande jaar van het Federaal Planbureau bedoeld in artikel 124 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.
De indexering op 1 juli geschiedt door aan elk in Ї 1 bedoeld bedrag, zoals geяndexeerd in voorgaande semesters, een bedrag van twintig cent toe te voegen:
1А per aantal keren dat de spilindex bedoeld in artikel 8, Ї 1, derde lid, is overschreden tussen 1 november van het voorgaande jaar en 30 april van het lopende jaar;
2А en per aantal keren dat deze spilindex moet worden bereikt tussen 1 mei en 30 juni van het lopende jaar, volgens de vooruitzichten van 30 april van het lopende jaar van het Federaal Planbureau bedoeld in artikel 124 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.
Wanneer de aankoopprijs van de dienstencheque wordt geяndexeerd krachtens het tweede lid, 2А, of het derde lid, 2А, wordt deze indexering afgetrokken van latere indexeringen.]1
1А 10 euro voor de eerste honderdvijfenzeventig aangekochte dienstencheques per kalenderjaar;
2А 11 euro voor de honderdzesenzeventigste tot vierhonderdste aangekochte dienstencheques per kalenderjaar;
3А 12 euro voor elke dienstencheque boven de vierhonderd aangekochte dienstencheques per kalenderjaar.
In afwijking van het eerste lid bedraagt de aankoopprijs van een dienstencheque voor een huishouden:
1А 10 euro voor de eerste driehonderdvijftig aangekochte dienstencheques per kalenderjaar;
2А 11 euro voor de driehonderdeenenvijftigste tot achthonderdste aangekochte dienstencheques per kalenderjaar;
3А 12 euro voor elke dienstencheque boven de achthonderd aangekochte dienstencheques per kalenderjaar.
In afwijking van de leden 1 en 2 bedraagt de aankoopprijs 10 euro voor de gebruikers bedoeld in artikel 3/3, ЇЇ 2 en 3.
Ї 2. Vanaf 1 januari 2025 worden de in Ї 1 bedoelde aankoopprijzen van dienstencheques halfjaarlijks geяndexeerd op 1 januari en 1 juli.
De indexering op 1 januari geschiedt door aan elk in Ї 1 bedoeld bedrag, zoals geяndexeerd in voorgaande jaren, een bedrag van twintig cent toe te voegen:
1А per aantal keren dat de spilindex bedoeld in artikel 8, Ї 1, derde lid, is overschreden tussen 1 mei en 31 oktober van het voorgaande jaar;
2А en per aantal keren dat deze spilindex moet worden bereikt tussen 1 november en 31 december van het voorgaande jaar, volgens de vooruitzichten van 31 oktober van het voorgaande jaar van het Federaal Planbureau bedoeld in artikel 124 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.
De indexering op 1 juli geschiedt door aan elk in Ї 1 bedoeld bedrag, zoals geяndexeerd in voorgaande semesters, een bedrag van twintig cent toe te voegen:
1А per aantal keren dat de spilindex bedoeld in artikel 8, Ї 1, derde lid, is overschreden tussen 1 november van het voorgaande jaar en 30 april van het lopende jaar;
2А en per aantal keren dat deze spilindex moet worden bereikt tussen 1 mei en 30 juni van het lopende jaar, volgens de vooruitzichten van 30 april van het lopende jaar van het Federaal Planbureau bedoeld in artikel 124 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.
Wanneer de aankoopprijs van de dienstencheque wordt geяndexeerd krachtens het tweede lid, 2А, of het derde lid, 2А, wordt deze indexering afgetrokken van latere indexeringen.]1
Art. 3/2 _REGION_WALLONNE. [1 § 1er. Le prix d'acquisition du titre-service s'élève à :
1° 10 euros pour les premiers cent-septante-cinq titres-services acquis par année civile ;
2° 11 euros pour les cent-septante-sixième- à quatre-centième premiers titres-services acquis par année civile ;
3° 12 euros pour chaque titre-service dépassant l'acquisition de quatre-cents titres-services par année civile.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le prix d'acquisition du titre-service s'élève, pour un ménage, à :
1° 10 euros pour les premiers trois-cent-cinquante titres-services acquis par année civile ;
2° 11 euros pour les trois-cent-cinquante-et-unième à huit-centième premiers titres-services acquis par année civile ;
3° 12 euros pour chaque titre-service dépassant l'acquisition de huit-cents titres-services par année civile.
Par dérogation aux alinéas 1er et 2, le prix d'acquisition s'élève à 10 euros pour les utilisateurs visés à l'article 3/3, §§ 2 et 3.
§ 2. A partir du 1er janvier 2025, les prix d'acquisition du titre-service visés au paragraphe 1er sont indexés semestriellement au 1er janvier et au 1er juillet.
L'indexation intervenant au 1er janvier se fait en additionnant à chaque montant visé au paragraphe 1er, tel qu'indexé au cours des années précédentes, un montant de vingt centimes :
1° par nombre de fois où l'indice-pivot visé à l'article 8, § 1er, alinéa 3, a été dépassé entre le 1er mai et le 31 octobre de l'année précédente ;
2° et par nombre de fois où cet indice-pivot devrait être atteint entre le 1er novembre et le 31 décembre de l'année précédente, selon les prévisions en date du 31 octobre de l'année précédente du Bureau fédéral du Plan visé à l'article 124 de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses.
L'indexation intervenant au 1er juillet se fait en additionnant, à chaque montant visé au paragraphe 1er, tel qu'indexé au cours des semestres précédents, un montant de vingt centimes :
1° par nombre de fois où l'indice-pivot visé à l'article 8, § 1er, alinéa 3, a été dépassé entre le 1er novembre de l'année précédente et le 30 avril de l'année en cours ;
2° et par nombre de fois où cet indice-pivot devrait être atteint entre le 1er mai et le 30 juin de l'année en cours, selon les prévisions en date du 30 avril de l'année en cours du Bureau fédéral du Plan visé à l'article 124 de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses.
Lorsque le prix d'acquisition du titre-service est indexé en vertu de l'alinéa 2, 2°, ou de l'alinéa 3, 2°, cette indexation est déduite des indexations intervenant ultérieurement.]1
1° 10 euros pour les premiers cent-septante-cinq titres-services acquis par année civile ;
2° 11 euros pour les cent-septante-sixième- à quatre-centième premiers titres-services acquis par année civile ;
3° 12 euros pour chaque titre-service dépassant l'acquisition de quatre-cents titres-services par année civile.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le prix d'acquisition du titre-service s'élève, pour un ménage, à :
1° 10 euros pour les premiers trois-cent-cinquante titres-services acquis par année civile ;
2° 11 euros pour les trois-cent-cinquante-et-unième à huit-centième premiers titres-services acquis par année civile ;
3° 12 euros pour chaque titre-service dépassant l'acquisition de huit-cents titres-services par année civile.
Par dérogation aux alinéas 1er et 2, le prix d'acquisition s'élève à 10 euros pour les utilisateurs visés à l'article 3/3, §§ 2 et 3.
§ 2. A partir du 1er janvier 2025, les prix d'acquisition du titre-service visés au paragraphe 1er sont indexés semestriellement au 1er janvier et au 1er juillet.
L'indexation intervenant au 1er janvier se fait en additionnant à chaque montant visé au paragraphe 1er, tel qu'indexé au cours des années précédentes, un montant de vingt centimes :
1° par nombre de fois où l'indice-pivot visé à l'article 8, § 1er, alinéa 3, a été dépassé entre le 1er mai et le 31 octobre de l'année précédente ;
2° et par nombre de fois où cet indice-pivot devrait être atteint entre le 1er novembre et le 31 décembre de l'année précédente, selon les prévisions en date du 31 octobre de l'année précédente du Bureau fédéral du Plan visé à l'article 124 de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses.
L'indexation intervenant au 1er juillet se fait en additionnant, à chaque montant visé au paragraphe 1er, tel qu'indexé au cours des semestres précédents, un montant de vingt centimes :
1° par nombre de fois où l'indice-pivot visé à l'article 8, § 1er, alinéa 3, a été dépassé entre le 1er novembre de l'année précédente et le 30 avril de l'année en cours ;
2° et par nombre de fois où cet indice-pivot devrait être atteint entre le 1er mai et le 30 juin de l'année en cours, selon les prévisions en date du 30 avril de l'année en cours du Bureau fédéral du Plan visé à l'article 124 de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses.
Lorsque le prix d'acquisition du titre-service est indexé en vertu de l'alinéa 2, 2°, ou de l'alinéa 3, 2°, cette indexation est déduite des indexations intervenant ultérieurement.]1
Art. 3/3_WAALS_GEWEST. [1 Ї 1. Gebruikers kunnen maximaal vijfhonderd dienstencheques per kalenderjaar aankopen.
Een huishouden kan maximaal duizend dienstencheques per kalenderjaar aankopen. Een huishouden wordt beschouwd als alle personen die op hetzelfde adres staan ingeschreven volgens het attest van gezinssamenstelling in het bevolkingsregister.
Ї 2 De gehandicapte gebruiker en de gebruiker met een gehandicapt kind ten laste met hoofdverblijfplaats in het Waalse Gewest in de zin van artikel 1, tweede en derde lid, kunnen maximaal tweeduizend dienstencheques per kalenderjaar aankopen.
Wanneer meer dan vijfhonderd dienstencheques per kalenderjaar worden aangekocht, bezorgt de gebruiker aan het uitgiftebedrijf, een attest van щщn van de in artikel 1, eerste lid, 7А en 8А, bedoelde instellingen, waaruit blijkt dat hij tot щщn van deze categorieыn behoort, indien de nodige gegevens niet elektronisch kunnen worden meegedeeld zonder tussenkomst van de gebruiker.
De gebruiker bewijst dat het gehandicapte kind door het volgende voor te leggen:
a) een fiscaal attest; of,
b) een attest van gezinssamenstelling, afgeleverd door zijn gemeentebestuur; of,
c) een attest van zijn kinderbijslagfonds waarin vastgesteld wordt dat hij recht heeft op kinderbijslag.
Ї 3. Een gebruiker die een alleenstaande ouder is met щщn of meer kinderen ten laste kan maximaal tweeduizend dienstencheques per kalenderjaar aankopen als hij zich in een van de volgende situaties bevinden:
1А hij is in het bezit van een attest van de waaruit blijkt dat hij voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 133, 1А, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
2А hij is in het bezit van een door zijn gemeente afgeleverd attest van gezinssamenstelling waaruit blijkt dat hij alleen woont met zijn kind of kinderen, van wie er ten minste щщn jonger is dan achttien jaar;
3А hij is in het bezit van:
a) een attest van zijn kinderbijslagfonds waarin staat dat hij recht heeft op kinderbijslag; en,
b) een attest van gezinssamenstelling, afgeleverd door zijn gemeente, waaruit blijkt dat hij alleen woont;
4А hij is in het bezit van:
a) een vonnis of geregistreerde akte waaruit blijkt dat hij zijn kinderen opneemt met een gelijkmatig verdeelde huisvesting; en,
b) een attest van gezinssamenstelling, afgeleverd door zijn gemeente, waaruit blijkt dat hij alleen woont.
Om een van deze situaties te bewijzen, voegt hij, wanneer hij meer dan vijfhonderd dienstencheques per kalenderjaar aankoopt, bij zijn aanvraag bij het uitgiftebedrijf een verklaring op erewoord, opgesteld overeenkomstig het door FOREm vastgestelde model, waarin hij verklaart dat hij zich op de datum van zijn verklaring in een van de in lid 1 bedoelde situaties bevindt. Tegelijk moet hij FOREm een afschrift van deze verklaring op erewoord sturen, samen met de verklaring(en) waaruit blijkt dat hij zich in een van deze situaties bevindt. Deze verklaringen worden alleen verzonden als deze gegevens niet elektronisch worden verstuurd zonder dat de gebruiker een handeling moet uitvoeren.]1
Een huishouden kan maximaal duizend dienstencheques per kalenderjaar aankopen. Een huishouden wordt beschouwd als alle personen die op hetzelfde adres staan ingeschreven volgens het attest van gezinssamenstelling in het bevolkingsregister.
Ї 2 De gehandicapte gebruiker en de gebruiker met een gehandicapt kind ten laste met hoofdverblijfplaats in het Waalse Gewest in de zin van artikel 1, tweede en derde lid, kunnen maximaal tweeduizend dienstencheques per kalenderjaar aankopen.
Wanneer meer dan vijfhonderd dienstencheques per kalenderjaar worden aangekocht, bezorgt de gebruiker aan het uitgiftebedrijf, een attest van щщn van de in artikel 1, eerste lid, 7А en 8А, bedoelde instellingen, waaruit blijkt dat hij tot щщn van deze categorieыn behoort, indien de nodige gegevens niet elektronisch kunnen worden meegedeeld zonder tussenkomst van de gebruiker.
De gebruiker bewijst dat het gehandicapte kind door het volgende voor te leggen:
a) een fiscaal attest; of,
b) een attest van gezinssamenstelling, afgeleverd door zijn gemeentebestuur; of,
c) een attest van zijn kinderbijslagfonds waarin vastgesteld wordt dat hij recht heeft op kinderbijslag.
Ї 3. Een gebruiker die een alleenstaande ouder is met щщn of meer kinderen ten laste kan maximaal tweeduizend dienstencheques per kalenderjaar aankopen als hij zich in een van de volgende situaties bevinden:
1А hij is in het bezit van een attest van de waaruit blijkt dat hij voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 133, 1А, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
2А hij is in het bezit van een door zijn gemeente afgeleverd attest van gezinssamenstelling waaruit blijkt dat hij alleen woont met zijn kind of kinderen, van wie er ten minste щщn jonger is dan achttien jaar;
3А hij is in het bezit van:
a) een attest van zijn kinderbijslagfonds waarin staat dat hij recht heeft op kinderbijslag; en,
b) een attest van gezinssamenstelling, afgeleverd door zijn gemeente, waaruit blijkt dat hij alleen woont;
4А hij is in het bezit van:
a) een vonnis of geregistreerde akte waaruit blijkt dat hij zijn kinderen opneemt met een gelijkmatig verdeelde huisvesting; en,
b) een attest van gezinssamenstelling, afgeleverd door zijn gemeente, waaruit blijkt dat hij alleen woont.
Om een van deze situaties te bewijzen, voegt hij, wanneer hij meer dan vijfhonderd dienstencheques per kalenderjaar aankoopt, bij zijn aanvraag bij het uitgiftebedrijf een verklaring op erewoord, opgesteld overeenkomstig het door FOREm vastgestelde model, waarin hij verklaart dat hij zich op de datum van zijn verklaring in een van de in lid 1 bedoelde situaties bevindt. Tegelijk moet hij FOREm een afschrift van deze verklaring op erewoord sturen, samen met de verklaring(en) waaruit blijkt dat hij zich in een van deze situaties bevindt. Deze verklaringen worden alleen verzonden als deze gegevens niet elektronisch worden verstuurd zonder dat de gebruiker een handeling moet uitvoeren.]1
Art. 3/3 _REGION_WALLONNE. [1 § 1er. L'utilisateur acquiert au maximum cinq-cents titres-services par année civile.
Un ménage acquiert au maximum mille titres-services par année civile. Est considéré comme ménage l'ensemble des personnes qui sont inscrites à la même adresse suivant le certificat de composition de ménage du registre de la population.
§ 2. L'utilisateur handicapé et l'utilisateur avec un enfant handicapé à charge ayant sa résidence principale en Région wallonne au sens de l'article 1er, alinéas 2 et 3, acquiert au maximum deux-mille titres-services par année civile.
Lors du dépassement de l'acquisition de cinq-cents titres-services par année civile, l'utilisateur fournit, à défaut d'une communication électronique des données nécessaires sans l'intervention de l'utilisateur, à la société émettrice une attestation d'un des organismes prévus à l'article 1er, alinéa 1er, 7° et 8° attestant qu'il appartient à une de ces catégories.
L'utilisateur établit que l'enfant handicapé est à sa charge par la production :
a) d'une attestation fiscale ; ou,
b) d'une attestation de composition de ménage délivrée par l'administration de sa commune ; ou,
c) d'une attestation de sa caisse d'allocations familiales établissant qu'il est attributaire d'allocations familiales.
§ 3. L'utilisateur qui forme une famille monoparentale avec un ou plusieurs enfants à charge acquiert au maximum deux-mille titres-services par année civile, s'il se trouve dans une des conditions suivantes :
1° il est en possession d'une attestation délivrée par le contrôle des contributions directes, établissant qu'il répond aux conditions visées à l'article 133, 1°, du Code des impôts sur les revenus 1992 ;
2° il est en possession d'une attestation de composition de ménage, délivrée par sa commune, établissant qu'il habite seul avec son ou ses enfants dont au moins un est âgé de moins de dix-huit ans ;
3° il est en possession :
a) d'une attestation, délivrée par sa caisse d'allocations familiales, établissant qu'il est allocataire d'allocations familiales ; et,
b) d'une attestation de composition de ménage, délivrée par sa commune, établissant qu'il habite seul ;
4° il est en possession :
a) d'un jugement ou d'un acte enregistré, établissant qu'il accueille ses enfants dans le cadre d'un hébergement égalitaire ; et,
b) d'une attestation de composition de ménage, délivrée par sa commune, établissant qu'il habite seul.
Pour attester d'une de ces situations, il joint, lors du dépassement de l'acquisition de cinq-cents titres-services par année civile, à sa demande à la société émettrice, une déclaration sur l'honneur établie suivant le modèle déterminé par le FOREm, attestant qu'il se trouve au jour de sa déclaration dans l'une des situations visées à l'alinéa 1er. Simultanément, il transmet au FOREm une copie de cette déclaration sur l'honneur accompagnée de la ou des déclarations attestant qu'il se trouve dans d'une de ces situations. La transmission de ces déclarations ne se fait qu'à défaut d'une communication électronique des données nécessaires sans l'intervention de l'utilisateur.]1
Un ménage acquiert au maximum mille titres-services par année civile. Est considéré comme ménage l'ensemble des personnes qui sont inscrites à la même adresse suivant le certificat de composition de ménage du registre de la population.
§ 2. L'utilisateur handicapé et l'utilisateur avec un enfant handicapé à charge ayant sa résidence principale en Région wallonne au sens de l'article 1er, alinéas 2 et 3, acquiert au maximum deux-mille titres-services par année civile.
Lors du dépassement de l'acquisition de cinq-cents titres-services par année civile, l'utilisateur fournit, à défaut d'une communication électronique des données nécessaires sans l'intervention de l'utilisateur, à la société émettrice une attestation d'un des organismes prévus à l'article 1er, alinéa 1er, 7° et 8° attestant qu'il appartient à une de ces catégories.
L'utilisateur établit que l'enfant handicapé est à sa charge par la production :
a) d'une attestation fiscale ; ou,
b) d'une attestation de composition de ménage délivrée par l'administration de sa commune ; ou,
c) d'une attestation de sa caisse d'allocations familiales établissant qu'il est attributaire d'allocations familiales.
§ 3. L'utilisateur qui forme une famille monoparentale avec un ou plusieurs enfants à charge acquiert au maximum deux-mille titres-services par année civile, s'il se trouve dans une des conditions suivantes :
1° il est en possession d'une attestation délivrée par le contrôle des contributions directes, établissant qu'il répond aux conditions visées à l'article 133, 1°, du Code des impôts sur les revenus 1992 ;
2° il est en possession d'une attestation de composition de ménage, délivrée par sa commune, établissant qu'il habite seul avec son ou ses enfants dont au moins un est âgé de moins de dix-huit ans ;
3° il est en possession :
a) d'une attestation, délivrée par sa caisse d'allocations familiales, établissant qu'il est allocataire d'allocations familiales ; et,
b) d'une attestation de composition de ménage, délivrée par sa commune, établissant qu'il habite seul ;
4° il est en possession :
a) d'un jugement ou d'un acte enregistré, établissant qu'il accueille ses enfants dans le cadre d'un hébergement égalitaire ; et,
b) d'une attestation de composition de ménage, délivrée par sa commune, établissant qu'il habite seul.
Pour attester d'une de ces situations, il joint, lors du dépassement de l'acquisition de cinq-cents titres-services par année civile, à sa demande à la société émettrice, une déclaration sur l'honneur établie suivant le modèle déterminé par le FOREm, attestant qu'il se trouve au jour de sa déclaration dans l'une des situations visées à l'alinéa 1er. Simultanément, il transmet au FOREm une copie de cette déclaration sur l'honneur accompagnée de la ou des déclarations attestant qu'il se trouve dans d'une de ces situations. La transmission de ces déclarations ne se fait qu'à défaut d'une communication électronique des données nécessaires sans l'intervention de l'utilisateur.]1
Art. 3/4_WAALS_GEWEST. [1 Ї 1. . Het uitgiftebedrijf kan de gebruiker vragen bij te dragen in de administratiekosten.
Als de dienstencheque is uitgegeven voor 1 januari van het lopende jaar, wordt de terugbetaling beperkt tot 90 procent van de aankoopprijs en stort het uitgiftebedrijf het saldo aan het FOREm.
De terugbetaling gebeurt overeenkomstig de in artikel 9 bedoelde fiscale bepalingen.
Ї 2. In afwijking van paragraaf 1 betaalt het uitgiftebedrijf, wanneer de gebruiker dit aanvraagt, aan het sociaal verzekeringsfonds de nog geldige, verloren of gestolen dienstencheque terug die niet werd gebruikt en die werd toegekend in het kader van de moederschapshulp bedoeld in het voormelde koninklijk besluit van 17 januari 2006.]1
Als de dienstencheque is uitgegeven voor 1 januari van het lopende jaar, wordt de terugbetaling beperkt tot 90 procent van de aankoopprijs en stort het uitgiftebedrijf het saldo aan het FOREm.
De terugbetaling gebeurt overeenkomstig de in artikel 9 bedoelde fiscale bepalingen.
Ї 2. In afwijking van paragraaf 1 betaalt het uitgiftebedrijf, wanneer de gebruiker dit aanvraagt, aan het sociaal verzekeringsfonds de nog geldige, verloren of gestolen dienstencheque terug die niet werd gebruikt en die werd toegekend in het kader van de moederschapshulp bedoeld in het voormelde koninklijk besluit van 17 januari 2006.]1
Art. 3/4 _REGION_WALLONNE. [1 § 1er. La société émettrice rembourse à l'utilisateur qui en fait la demande le titre-service non-utilisé encore valable, perdu ou volé. La société émettrice peut demander à l'utilisateur une participation aux frais d'administration.
Lorsque le titre-service a été émis avant le 1er janvier de l'année en cours, le remboursement est limité à nonante pour cent du prix d'acquisition et la société émettrice verse le solde au FOREm.
Le remboursement s'effectue conformément aux dispositions fiscales mentionnées à l'article 9.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, la société émettrice rembourse à la caisse d'assurances sociales, lorsque l'utilisateur en fait la demande, le titre-service non-utilisé encore valable, perdu ou volé qui a été octroyé dans le cadre de l'aide à la maternité visée par l'arrêté royal du 17 janvier 2006 précité.]1
Lorsque le titre-service a été émis avant le 1er janvier de l'année en cours, le remboursement est limité à nonante pour cent du prix d'acquisition et la société émettrice verse le solde au FOREm.
Le remboursement s'effectue conformément aux dispositions fiscales mentionnées à l'article 9.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, la société émettrice rembourse à la caisse d'assurances sociales, lorsque l'utilisateur en fait la demande, le titre-service non-utilisé encore valable, perdu ou volé qui a été octroyé dans le cadre de l'aide à la maternité visée par l'arrêté royal du 17 janvier 2006 précité.]1
Art. 3/5_WAALS_GEWEST. [1 Een gebruiker die opzettelijk heeft deelgenomen aan een overtreding van een erkend bedrijf, moet het FOREm betalen voor de tegemoetkoming van de dienstencheques die hij in verband met de overtreding heeft gebruikt.
De gebruiker betaalt de tussenkomst terug binnen dertig dagen na de in de aangetekende brief vermelde datum.]1
De gebruiker betaalt de tussenkomst terug binnen dertig dagen na de in de aangetekende brief vermelde datum.]1
Art. 3/5 _REGION_WALLONNE. [1 L'utilisateur qui a participé délibérément à une infraction commise par l'entreprise agréée paye au FOREm l'intervention des titres-services qu'il a utilisés et qui sont liés à l'infraction.
L'utilisateur rembourse l'intervention dans les trente jours à compter de la date mentionnée dans la lettre recommandée.]1
L'utilisateur rembourse l'intervention dans les trente jours à compter de la date mentionnée dans la lettre recommandée.]1
Art. 3_VLAAMS_GEWEST. § 1. [14 De dienstencheque neemt een gedematerialiseerde vorm aan en wordt aangekocht en gebruikt via een elektronische procedure waarvan het principe en de modaliteiten bepaald worden door het departement.
De dienstencheque bevat al de volgende gegevens :
1° het Insz-nummer van de werknemer vermeld in artikel 3 van de wet;
2° de voor- en achternaam van de werknemer vermeld in artikel 3 van de wet;
2° het uniek dienstenchequenummer;
3° het erkenningsnummer van de erkende onderneming;
4° de naam van de erkende onderneming;
5° het Insz-nummer van de gebruiker;
6° de naam en voornaam van de gebruiker;
7° de prestatiedatum]14.
§ 2. [[6 De gebruiker die dienstencheques wenst aan te schaffen maakt door overschrijving of storting het bedrag van de aanschafprijs per dienstencheque over aan het uitgiftebedrijf van de dienstencheques. De aanschafprijs bedraagt [7 [15 10 EUR]15]7 voor de eerste 400 aangeschafte dienstencheques per kalenderjaar en bedraagt [7 [15 11 EUR]15]7 voor elke dienstencheque die de aanschaf van 400 dienstencheques per kalenderjaar overschrijdt.]6. Deze cheque kan enkel gebruikt worden voor het vergoeden van gepresteerde arbeidstijd. [14 ]14 De dienstencheque heeft voor de gebruiker een geldigheidsduur [1 [9 tot het einde van de twaalfde maand na de uitgifte]9]1.] <KB 2004-03-31/33, art. 9, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004> <KB 2008-04-28/30, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008> <KB 2008-12-11/30, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2009 ; zie ook art. 4>
(In het raam van de moederschapshulp bedoeld in het koninklijk besluit van 17 januari 2006 tot invoering van een stelsel van uitkeringen voor moederschapshulp ten gunste van vrouwelijke zelfstandigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, gebeurt de overschrijving of storting bedoeld in het eerste lid door het sociaal verzekeringsfonds bedoeld in artikel 1, § 2, d), van het voornoemde besluit van 17 januari 2006.) <KB 2006-01-17/30, art. 6, 1°, 009 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
[De gebruiker kan per kalenderjaar maximum [2 500 dienstencheques]2 aanschaffen.] <KB 2008-04-28/30, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
[De mindervalide gebruiker en de gebruiker met [1 een mindervalide kind]1 ten laste, kan per kalenderjaar maximum 2000 dienstencheques aanschaffen [6 aan de aanschafprijs van [7 [15 10 EUR]15]7 per dienstencheque]6. Bij het overschrijden van de aanschaf van [2 500 dienstencheques]2 per kalenderjaar moet de gebruiker, bij gebrek aan een elektronische communicatie van de nodige gegevens zonder de tussenkomst van de gebruiker, aan het uitgiftebedrijf een attest bezorgen van één van de instanties bedoeld in artikel 1, eerste lid, 7° en 8°, dat bewijst dat hij tot één van deze categorieën behoort.] <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
(De gebruiker die een eenoudergezin vormt met één of meerdere kinderen ten laste en die zich in één van de volgende situaties bevindt, [6 kan eveneens maximum 2 000 dienstencheques per kalenderjaar aanschaffen aan de aanschafprijs van [7 [15 10 EUR]15]7 per dienstencheque]6 :
1° Hij voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 133, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zoals blijkt uit (een attest uitgegeven door zijn controleorganisme van de directe belastingen waaraan hij onderworpen is); <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
2° (Hij is in het bezit van een attest van gezinssamenstelling (, afgeleverd door zijn gemeentelijke overheid,) waaruit blijkt dat hij alleen woont met zijn kind of kinderen waarvan er minstens één minder dan 18 jaar is;) <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
3° Hij is in het bezit van een getuigschrift van zijn kinderbijslagkas waaruit blijkt dat hij (kinderbijslagtrekkende is) en van een attest van gezinssamenstelling, (afgeleverd door zijn gemeentelijke overheid,) waaruit blijkt dat hij alleen woont. <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
Om te bewijzen dat hij tot één van deze categorieën behoort, overhandigt hij ter ondersteuning van zijn aanvraag, bij het overschrijden van de aanschaf van [2 500 dienstencheques]2 per kalenderjaar, aan het uitgiftebedrijf van de dienstencheques, een verklaring op erewoord, opgesteld volgens het door [8 het departement]8 vastgesteld model (, dat hij zich op de dag van betrokken verklaring in een van de bovengenoemde situaties bevindt). Tegelijkertijd stuurt hij aan [8 het departement]8 een kopie van zijn verklaring op erewoord samen met het (of de) attest(en) als bewijs dat hij zich in één van bovengenoemde situaties bevindt. Het bezorgen van deze attesten dient slechts te gebeuren bij gebrek aan een elektronische communicatie van de nodige gegevens zonder de tussenkomst van de gebruiker.) <KB 2008-04-28/30, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-06-2008> <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[4 Een gezin kan per kalenderjaar maximum 1 000 dienstencheques aanschaffen. [6 De aanschafprijs bedraagt [7 [15 10 EUR]15]7 voor de eerste 800 aangeschafte dienstencheques per kalenderjaar en bedraagt [7 [15 11 EUR]15]7 voor elke dienstencheque die de aanschaf van 800 dienstencheques per kalenderjaar overschrijdt.]6 Onder gezin wordt verstaan alle personen die volgens het attest van gezinssamenstelling uit het bevolkingsregister ingeschreven zijn op hetzelfde adres.
Het vorige lid is niet van toepassing op de gebruiker bedoeld in het vierde of vijfde lid.]4
[8 De aangeschafte dienstencheques kunnen niet aangewend worden voor de betaling van de thuishulp van huishoudelijke aard, vermeld in artikel 1, eerste lid, 2°, die meer dan één jaar voor de datum van de uitgifte van de cheque werden gepresteerd. Indien de dienst niet binnen deze termijn werd vergoed door middel van een dienstencheque zal de gebruiker de volledige waarde van de dienstencheque, inclusief de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 8, dienen te betalen aan de erkende onderneming.]8
[15 Het bedrag van de aanschafprijs wordt telkens verhoogd met 1 euro per keer dat de spilindex, vermeld in artikel 8, § 1, derde lid, in totaal vijf keer overschreden is.
Het bedrag van de tegemoetkoming, vermeld in artikel 8, § 1, tweede lid, wordt telkens verminderd met 1 euro per keer dat de spilindex, vermeld in artikel 8, § 1, derde lid, in totaal vijf keer overschreden is.
De verhoging van het bedrag van de aanschafprijs, vermeld in het tiende lid, geldt voor elke dienstencheque die wordt aangekocht vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de spilindex overschreden wordt.
De vermindering van het bedrag van de tegemoetkoming, vermeld in het elfde lid, geldt voor elke dienstencheque waarvoor de prestatie wordt geleverd vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de spilindex overschreden wordt.]15
§ 3.[14 § 3. De gebruikers kunnen bij het uitgiftebedrijf op elk moment de terugbetaling aanvragen van de dienstencheques die nog niet zijn gebruikt en die nog geldig zijn. Nadat de geldigheidsduur van de dienstencheque, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, is verstreken, wordt de aanschafprijs van de nog niet gebruikte cheques terugbetaald aan de gebruiker, met uitzondering van de niet gebruikte cheques in het raam van de moederschapshulp, vermeld in het koninklijk besluit van 17 januari 2006 tot invoering van een stelsel van uitkeringen voor moederschapshulp ten gunste van vrouwelijke zelfstandigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques.
Dienstencheques die zijn betaald aan het uitgiftebedrijf vóór 1 januari van het lopende jaar, kunnen maar voor 80% van de aanschafprijs worden terugbetaald aan de gebruiker. In het voormelde geval wordt 20% van de aanschafprijs door het uitgiftebedrijf betaald aan het departement. De voormelde terugbetaling gebeurt in overeenstemming met de fiscale bepalingen, vermeld in artikel 9. In het raam van de moederschapshulp, vermeld in het voormelde koninklijk besluit van 17 januari 2006, kunnen de gebruikers bij het uitgiftebedrijf geen terugbetaling aanvragen van de dienstencheques die nog niet zijn gebruikt.
De erfgenamen van een overleden gebruiker kunnen de terugbetaling aanvragen van de dienstencheques van de overleden gebruiker die geldig waren op het moment van het overlijden, ook als de geldigheidsduur van de dienstencheques verstreken is op het moment van de aanvraag]14.
[3 § 4. De gebruiker die opzettelijk heeft deelgenomen aan een inbreuk gepleegd door de onderneming en vastgesteld door de inspectiediensten bedoeld in artikel 10, § 1, is gehouden om de in artikel 1, 6°, bedoelde tegemoetkoming van de dienstencheques die hij heeft gebruikt en voor dewelke een inbreuk werd vastgesteld, terug te betalen aan [8 het departement]8.
De gebruiker betaalt de tegemoetkoming van de dienstencheques, zoals bedoeld in het eerste lid, terug binnen de 30 dagen die volgen op de datum vermeld op de aangetekende brief.]3
[1 0 § 5. [14 ...]1410
[13 § 6. Het departement kan overeenkomstig artikel 3ter van de wet een persoon uitsluiten van het recht om dienstencheques te bestellen en te gebruiken of kan bij die persoon de tegemoetkoming terugvorderen als die persoon de veiligheidsmaatregelen, vermeld in artikel 3bis, heeft geschonden.]13
De dienstencheque bevat al de volgende gegevens :
1° het Insz-nummer van de werknemer vermeld in artikel 3 van de wet;
2° de voor- en achternaam van de werknemer vermeld in artikel 3 van de wet;
2° het uniek dienstenchequenummer;
3° het erkenningsnummer van de erkende onderneming;
4° de naam van de erkende onderneming;
5° het Insz-nummer van de gebruiker;
6° de naam en voornaam van de gebruiker;
7° de prestatiedatum]14.
§ 2. [[6 De gebruiker die dienstencheques wenst aan te schaffen maakt door overschrijving of storting het bedrag van de aanschafprijs per dienstencheque over aan het uitgiftebedrijf van de dienstencheques. De aanschafprijs bedraagt [7 [15 10 EUR]15]7 voor de eerste 400 aangeschafte dienstencheques per kalenderjaar en bedraagt [7 [15 11 EUR]15]7 voor elke dienstencheque die de aanschaf van 400 dienstencheques per kalenderjaar overschrijdt.]6. Deze cheque kan enkel gebruikt worden voor het vergoeden van gepresteerde arbeidstijd. [14 ]14 De dienstencheque heeft voor de gebruiker een geldigheidsduur [1 [9 tot het einde van de twaalfde maand na de uitgifte]9]1.] <KB 2004-03-31/33, art. 9, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004> <KB 2008-04-28/30, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008> <KB 2008-12-11/30, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2009 ; zie ook art. 4>
(In het raam van de moederschapshulp bedoeld in het koninklijk besluit van 17 januari 2006 tot invoering van een stelsel van uitkeringen voor moederschapshulp ten gunste van vrouwelijke zelfstandigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, gebeurt de overschrijving of storting bedoeld in het eerste lid door het sociaal verzekeringsfonds bedoeld in artikel 1, § 2, d), van het voornoemde besluit van 17 januari 2006.) <KB 2006-01-17/30, art. 6, 1°, 009 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
[De gebruiker kan per kalenderjaar maximum [2 500 dienstencheques]2 aanschaffen.] <KB 2008-04-28/30, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
[De mindervalide gebruiker en de gebruiker met [1 een mindervalide kind]1 ten laste, kan per kalenderjaar maximum 2000 dienstencheques aanschaffen [6 aan de aanschafprijs van [7 [15 10 EUR]15]7 per dienstencheque]6. Bij het overschrijden van de aanschaf van [2 500 dienstencheques]2 per kalenderjaar moet de gebruiker, bij gebrek aan een elektronische communicatie van de nodige gegevens zonder de tussenkomst van de gebruiker, aan het uitgiftebedrijf een attest bezorgen van één van de instanties bedoeld in artikel 1, eerste lid, 7° en 8°, dat bewijst dat hij tot één van deze categorieën behoort.] <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
(De gebruiker die een eenoudergezin vormt met één of meerdere kinderen ten laste en die zich in één van de volgende situaties bevindt, [6 kan eveneens maximum 2 000 dienstencheques per kalenderjaar aanschaffen aan de aanschafprijs van [7 [15 10 EUR]15]7 per dienstencheque]6 :
1° Hij voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 133, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zoals blijkt uit (een attest uitgegeven door zijn controleorganisme van de directe belastingen waaraan hij onderworpen is); <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
2° (Hij is in het bezit van een attest van gezinssamenstelling (, afgeleverd door zijn gemeentelijke overheid,) waaruit blijkt dat hij alleen woont met zijn kind of kinderen waarvan er minstens één minder dan 18 jaar is;) <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
3° Hij is in het bezit van een getuigschrift van zijn kinderbijslagkas waaruit blijkt dat hij (kinderbijslagtrekkende is) en van een attest van gezinssamenstelling, (afgeleverd door zijn gemeentelijke overheid,) waaruit blijkt dat hij alleen woont. <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
Om te bewijzen dat hij tot één van deze categorieën behoort, overhandigt hij ter ondersteuning van zijn aanvraag, bij het overschrijden van de aanschaf van [2 500 dienstencheques]2 per kalenderjaar, aan het uitgiftebedrijf van de dienstencheques, een verklaring op erewoord, opgesteld volgens het door [8 het departement]8 vastgesteld model (, dat hij zich op de dag van betrokken verklaring in een van de bovengenoemde situaties bevindt). Tegelijkertijd stuurt hij aan [8 het departement]8 een kopie van zijn verklaring op erewoord samen met het (of de) attest(en) als bewijs dat hij zich in één van bovengenoemde situaties bevindt. Het bezorgen van deze attesten dient slechts te gebeuren bij gebrek aan een elektronische communicatie van de nodige gegevens zonder de tussenkomst van de gebruiker.) <KB 2008-04-28/30, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-06-2008> <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[4 Een gezin kan per kalenderjaar maximum 1 000 dienstencheques aanschaffen. [6 De aanschafprijs bedraagt [7 [15 10 EUR]15]7 voor de eerste 800 aangeschafte dienstencheques per kalenderjaar en bedraagt [7 [15 11 EUR]15]7 voor elke dienstencheque die de aanschaf van 800 dienstencheques per kalenderjaar overschrijdt.]6 Onder gezin wordt verstaan alle personen die volgens het attest van gezinssamenstelling uit het bevolkingsregister ingeschreven zijn op hetzelfde adres.
Het vorige lid is niet van toepassing op de gebruiker bedoeld in het vierde of vijfde lid.]4
[8 De aangeschafte dienstencheques kunnen niet aangewend worden voor de betaling van de thuishulp van huishoudelijke aard, vermeld in artikel 1, eerste lid, 2°, die meer dan één jaar voor de datum van de uitgifte van de cheque werden gepresteerd. Indien de dienst niet binnen deze termijn werd vergoed door middel van een dienstencheque zal de gebruiker de volledige waarde van de dienstencheque, inclusief de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 8, dienen te betalen aan de erkende onderneming.]8
[15 Het bedrag van de aanschafprijs wordt telkens verhoogd met 1 euro per keer dat de spilindex, vermeld in artikel 8, § 1, derde lid, in totaal vijf keer overschreden is.
Het bedrag van de tegemoetkoming, vermeld in artikel 8, § 1, tweede lid, wordt telkens verminderd met 1 euro per keer dat de spilindex, vermeld in artikel 8, § 1, derde lid, in totaal vijf keer overschreden is.
De verhoging van het bedrag van de aanschafprijs, vermeld in het tiende lid, geldt voor elke dienstencheque die wordt aangekocht vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de spilindex overschreden wordt.
De vermindering van het bedrag van de tegemoetkoming, vermeld in het elfde lid, geldt voor elke dienstencheque waarvoor de prestatie wordt geleverd vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de spilindex overschreden wordt.]15
§ 3.[14 § 3. De gebruikers kunnen bij het uitgiftebedrijf op elk moment de terugbetaling aanvragen van de dienstencheques die nog niet zijn gebruikt en die nog geldig zijn. Nadat de geldigheidsduur van de dienstencheque, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, is verstreken, wordt de aanschafprijs van de nog niet gebruikte cheques terugbetaald aan de gebruiker, met uitzondering van de niet gebruikte cheques in het raam van de moederschapshulp, vermeld in het koninklijk besluit van 17 januari 2006 tot invoering van een stelsel van uitkeringen voor moederschapshulp ten gunste van vrouwelijke zelfstandigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques.
Dienstencheques die zijn betaald aan het uitgiftebedrijf vóór 1 januari van het lopende jaar, kunnen maar voor 80% van de aanschafprijs worden terugbetaald aan de gebruiker. In het voormelde geval wordt 20% van de aanschafprijs door het uitgiftebedrijf betaald aan het departement. De voormelde terugbetaling gebeurt in overeenstemming met de fiscale bepalingen, vermeld in artikel 9. In het raam van de moederschapshulp, vermeld in het voormelde koninklijk besluit van 17 januari 2006, kunnen de gebruikers bij het uitgiftebedrijf geen terugbetaling aanvragen van de dienstencheques die nog niet zijn gebruikt.
De erfgenamen van een overleden gebruiker kunnen de terugbetaling aanvragen van de dienstencheques van de overleden gebruiker die geldig waren op het moment van het overlijden, ook als de geldigheidsduur van de dienstencheques verstreken is op het moment van de aanvraag]14.
[3 § 4. De gebruiker die opzettelijk heeft deelgenomen aan een inbreuk gepleegd door de onderneming en vastgesteld door de inspectiediensten bedoeld in artikel 10, § 1, is gehouden om de in artikel 1, 6°, bedoelde tegemoetkoming van de dienstencheques die hij heeft gebruikt en voor dewelke een inbreuk werd vastgesteld, terug te betalen aan [8 het departement]8.
De gebruiker betaalt de tegemoetkoming van de dienstencheques, zoals bedoeld in het eerste lid, terug binnen de 30 dagen die volgen op de datum vermeld op de aangetekende brief.]3
[1 0 § 5. [14 ...]1410
[13 § 6. Het departement kan overeenkomstig artikel 3ter van de wet een persoon uitsluiten van het recht om dienstencheques te bestellen en te gebruiken of kan bij die persoon de tegemoetkoming terugvorderen als die persoon de veiligheidsmaatregelen, vermeld in artikel 3bis, heeft geschonden.]13
Wijzigingen
Art. 3 _REGION_FLAMANDE.
§ 1er. [14
Le titre-service contient toutes les données suivantes :
1° le numéro NISS du travailleur mentionné à l'article 3 de la loi ;
2° les nom et prénom du travailleur mentionnés à l'article 3 de la loi ;
2° le numéro unique du titre-service ;
3° le numéro d'agrément de l'entreprise agréée ;
4° le nom de l'entreprise agréée ;
5° le numéro NISS de l'utilisateur ;
6° les nom et prénom de l'utilisateur ;
7° la date de prestation]14.
§ 2. [[6 L'utilisateur qui souhaite acquérir des titres-services, transmet, par virement ou par versement, le prix d'acquisition par titre-service à la société émettrice des titres-services. Le prix d'acquisition s'élève à [7 [15 10 EUR]15]7 pour les premiers 400 titres-services acquis par année civile et s'élève à [7 [15 11 EUR]15]7 pour chaque titre-service dépassant l'acquisition de 400 titres-services par année civile.]6 Ce titre-service peut seulement être utilisé pour rémunérer le temps de travail presté. [14 ...]14. Le titre-service a, pour l'utilisateur, une durée de validité [1 [9 jusqu'à la fin du douzième mois qui suit son émission]9]1.] <AR 2004-03-31/33, art. 9, 004; En vigueur : 16-04-2004> <AR 2008-04-28/30, art. 3, 014; En vigueur : 01-05-2008> <AR 2008-12-11/30, art. 1, 017; En vigueur : 01-01-2009 voir également l'art. 4>
(Dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 instaurant un régime de prestations d'aide à la maternité en faveur des travailleuses indépendantes et modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, le virement ou le versement visés à l'alinéa 1er se fait par la caisse d'assurances sociales visée à l'article 1er, § 2, d), de l'arrêté royal du 17 janvier 2006 susvisé.) <AR 2006-01-17/30, art. 6, 1°, 009 ; En vigueur : 01-01-2006>
(L'utilisateur peut acquérir au maximum [2 500 titres-services]2 par année civile.) <AR 2008-04-28/30, art. 3, 014; En vigueur : 01-06-2008>
(L'utilisateur handicapé et l'utilisateur avec un enfant handicapé à charge peut acquérir au maximum 2 000 titres-services par année civile. Lors du dépassement de l'acquisition de [2 500 titres-services]2 par année civile, l'utilisateur doit fournir, à défaut d'une communication électronique des données nécessaires sans l'intervention de l'utilisateur, à la société émettrice une attestation d'un des organismes prévus à l'article 1er, alinéa 1er, 7° et 8°, attestant qu'il appartient à une de ces catégories [6 au prix d'acquisition de [7 [15 10 EUR]15]7 par titre-service]6.) <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
(L'utilisateur qui forme une famille monoparentale avec un ou plusieurs enfants à charge, qui se trouve dans une des situations suivantes, [6 peut également acquérir au maximum 2 000 titres-services par année civile au prix d'acquisition de [7 [15 10 EUR]15]7 par titre-service]6 :
1° Il répond aux conditions visées à l'article 133, 1°, du Code des Impôts sur les Revenus 1992, comme (il ressort d'une attestation émise par le contrôle des contributions directes dont il relève); <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
2° II est en possession d'une attestation de composition de ménage (, délivrée par son administration communale,) de laquelle il ressort qu'il habite seul avec son ou ses enfants dont au moins un est âgé de moins de 18 ans; <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
3° II est en possession d'une attestation de sa caisse d'allocations familiales établissant qu'il est allocataire d'allocations familiales et d'une attestation de composition de ménage (, délivrée par son administration communale,) établissant qu'il habite seul. <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
Pour attester d'une de ces situations, il remet, lors du dépassement de l'acquisition de [2 500 titres-services]2 par année civile, à l'appui de sa demande à la société émettrice de titres-services, une déclaration sur l'honneur établie suivant le modèle déterminé par [8 le département ]8 (, attestant qu'il se trouve au jour de sa déclaration dans l'une des situations susvisées). Simultanément il transmet à l'ONEm une copie de cette déclaration sur l'honneur accompagnée de la (ou des) attestation(s) attestant qu'il se trouve dans l'une des situations susvisées. La transmission de ces attestations ne doit se faire qu'à défaut d'une communication électronique des données nécessaires sans l'intervention de l'utilisateur.) <AR 2008-04-28/30, art. 3, 014; En vigueur : 01-06-2008> <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[4 Un ménage peut acquérir au maximum 1 000 titres-services par année civile. [6 Le prix d'acquisition s'élève à [7 [15 10 EUR]15]7 pour les 800 premiers titres-services acquis par année civile et s'élève à [7 [15 11 EUR]15]7 pour chaque titre-service dépassant l'acquisition de 800 titres-services par année civile.]6 Est considéré comme ménage l'ensemble des personnes qui sont inscrites à la même adresse suivant le certificat de composition de ménage du registre de la population.
L'alinéa précédent n'est pas d'application à l'utilisateur visé à l'alinéa 4 ou 5.]4
[8 Les titres-services achetés ne peuvent pas être utilisés pour le paiement d'aide à domicile de nature ménagère, visée à l'article 1er, alinéa premier, 2°, qui a été prestée plus d'un an avant la date de l'émission du titre. Lorsque le service n'a pas été rémunéré endéans ce délai au moyen d'un titre-services, l'utilisateur sera tenu de payer la valeur totale du titre-services, y compris l'intervention visée à l'article 8, à l'entreprise agréée.]8
[15 Le montant du prix d'achat est augmenté d'un euro chaque fois que l'indice-pivot, visé à l'article 8, § 1er, alinéa 3, est dépassé cinq fois au total.
Le montant de l'intervention, visé à l'article 8, § 1er, alinéa 2, est réduit d'un euro chaque fois que l'indice-pivot, visé à l'article 8, § 1er, alinéa 3, est dépassé cinq fois au total.
L'augmentation du montant du prix d'achat, visée à l'alinéa 10, s'applique à chaque titre-service acheté à partir du premier jour du mois suivant le mois de dépassement de l'indice-pivot.
La réduction du montant de l'intervention, visée à l'alinéa 11, s'applique à chaque titre-service pour lequel la prestation est fournie à partir du premier jour du mois suivant le mois de dépassement de l'indice-pivot. ]15
§ 3. [14 § 3. Les utilisateurs peuvent demander à tout moment, auprès de la société émettrice, le remboursement des titres-services qui n'ont pas été utilisés et qui sont encore valables Après l'expiration de la durée de validité du titre-service visée au paragraphe 2, alinéa 1er, le prix d'achat des titres non encore utilisés sera remboursé à l'utilisateur, à l'exception des titres non utilisés dans le cadre de l'aide à la maternité, mentionnée à l'arrêté royal du 17 janvier 2006 instaurant un régime de prestations d'aide à la maternité en faveur des travailleuses indépendantes et modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services.
Les titres-services payés à la société émettrice avant le 1er janvier de l'année en cours ne peuvent être remboursés à l'utilisateur qu'à hauteur de 80 % du prix d'achat. Dans ce cas, 20 % du prix d'achat sera payé par la société émettrice au département. Le remboursement précité est effectué conformément aux dispositions fiscales mentionnées à l'article 9. Dans le cadre de l'aide à la maternité, mentionnée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 précité, les utilisateurs ne peuvent pas demander à la société émettrice le remboursement des titres-services qui n'ont pas encore été utilisés.
Les héritiers d'un utilisateur décédé peuvent demander le remboursement des titres-services de l'utilisateur décédé qui étaient valables au moment du décès, même si la durée de validité des titres-services a expiré au moment de la demande]14.
[3 § 4. L'utilisateur qui a participé délibérément à une infraction commise par l'entreprise et constatée par les services d'inspection prévus à l'article 10, § 1er, est tenu de payer à [8 le département ]8 l'intervention, prévue à l'article 1er, 6°, des titres-services qu'il a utilisé et pour lesquels une infraction a été constatée.
L'utilisateur rembourse l'intervention des titres-services, mentionnés dans l'alinéa 1er, dans les 30 jours à compter de la date mentionnée dans la lettre recommandée.]3
[1 0 § 5. [14 ...]14
[13 § 6. Le département peut, conformément à l'article 3ter de la loi, exclure une personne du droit de commander et d'utiliser des titres-services ou peut récupérer l'allocation auprès de cette personne si celle-ci a enfreint les mesures de sécurité mentionnées à l'article 3bis.]13
§ 1er. [14
Le titre-service contient toutes les données suivantes :
1° le numéro NISS du travailleur mentionné à l'article 3 de la loi ;
2° les nom et prénom du travailleur mentionnés à l'article 3 de la loi ;
2° le numéro unique du titre-service ;
3° le numéro d'agrément de l'entreprise agréée ;
4° le nom de l'entreprise agréée ;
5° le numéro NISS de l'utilisateur ;
6° les nom et prénom de l'utilisateur ;
7° la date de prestation]14.
§ 2. [[6 L'utilisateur qui souhaite acquérir des titres-services, transmet, par virement ou par versement, le prix d'acquisition par titre-service à la société émettrice des titres-services. Le prix d'acquisition s'élève à [7 [15 10 EUR]15]7 pour les premiers 400 titres-services acquis par année civile et s'élève à [7 [15 11 EUR]15]7 pour chaque titre-service dépassant l'acquisition de 400 titres-services par année civile.]6 Ce titre-service peut seulement être utilisé pour rémunérer le temps de travail presté. [14 ...]14. Le titre-service a, pour l'utilisateur, une durée de validité [1 [9 jusqu'à la fin du douzième mois qui suit son émission]9]1.] <AR 2004-03-31/33, art. 9, 004; En vigueur : 16-04-2004> <AR 2008-04-28/30, art. 3, 014; En vigueur : 01-05-2008> <AR 2008-12-11/30, art. 1, 017; En vigueur : 01-01-2009 voir également l'art. 4>
(Dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 instaurant un régime de prestations d'aide à la maternité en faveur des travailleuses indépendantes et modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, le virement ou le versement visés à l'alinéa 1er se fait par la caisse d'assurances sociales visée à l'article 1er, § 2, d), de l'arrêté royal du 17 janvier 2006 susvisé.) <AR 2006-01-17/30, art. 6, 1°, 009 ; En vigueur : 01-01-2006>
(L'utilisateur peut acquérir au maximum [2 500 titres-services]2 par année civile.) <AR 2008-04-28/30, art. 3, 014; En vigueur : 01-06-2008>
(L'utilisateur handicapé et l'utilisateur avec un enfant handicapé à charge peut acquérir au maximum 2 000 titres-services par année civile. Lors du dépassement de l'acquisition de [2 500 titres-services]2 par année civile, l'utilisateur doit fournir, à défaut d'une communication électronique des données nécessaires sans l'intervention de l'utilisateur, à la société émettrice une attestation d'un des organismes prévus à l'article 1er, alinéa 1er, 7° et 8°, attestant qu'il appartient à une de ces catégories [6 au prix d'acquisition de [7 [15 10 EUR]15]7 par titre-service]6.) <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
(L'utilisateur qui forme une famille monoparentale avec un ou plusieurs enfants à charge, qui se trouve dans une des situations suivantes, [6 peut également acquérir au maximum 2 000 titres-services par année civile au prix d'acquisition de [7 [15 10 EUR]15]7 par titre-service]6 :
1° Il répond aux conditions visées à l'article 133, 1°, du Code des Impôts sur les Revenus 1992, comme (il ressort d'une attestation émise par le contrôle des contributions directes dont il relève); <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
2° II est en possession d'une attestation de composition de ménage (, délivrée par son administration communale,) de laquelle il ressort qu'il habite seul avec son ou ses enfants dont au moins un est âgé de moins de 18 ans; <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
3° II est en possession d'une attestation de sa caisse d'allocations familiales établissant qu'il est allocataire d'allocations familiales et d'une attestation de composition de ménage (, délivrée par son administration communale,) établissant qu'il habite seul. <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
Pour attester d'une de ces situations, il remet, lors du dépassement de l'acquisition de [2 500 titres-services]2 par année civile, à l'appui de sa demande à la société émettrice de titres-services, une déclaration sur l'honneur établie suivant le modèle déterminé par [8 le département ]8 (, attestant qu'il se trouve au jour de sa déclaration dans l'une des situations susvisées). Simultanément il transmet à l'ONEm une copie de cette déclaration sur l'honneur accompagnée de la (ou des) attestation(s) attestant qu'il se trouve dans l'une des situations susvisées. La transmission de ces attestations ne doit se faire qu'à défaut d'une communication électronique des données nécessaires sans l'intervention de l'utilisateur.) <AR 2008-04-28/30, art. 3, 014; En vigueur : 01-06-2008> <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[4 Un ménage peut acquérir au maximum 1 000 titres-services par année civile. [6 Le prix d'acquisition s'élève à [7 [15 10 EUR]15]7 pour les 800 premiers titres-services acquis par année civile et s'élève à [7 [15 11 EUR]15]7 pour chaque titre-service dépassant l'acquisition de 800 titres-services par année civile.]6 Est considéré comme ménage l'ensemble des personnes qui sont inscrites à la même adresse suivant le certificat de composition de ménage du registre de la population.
L'alinéa précédent n'est pas d'application à l'utilisateur visé à l'alinéa 4 ou 5.]4
[8 Les titres-services achetés ne peuvent pas être utilisés pour le paiement d'aide à domicile de nature ménagère, visée à l'article 1er, alinéa premier, 2°, qui a été prestée plus d'un an avant la date de l'émission du titre. Lorsque le service n'a pas été rémunéré endéans ce délai au moyen d'un titre-services, l'utilisateur sera tenu de payer la valeur totale du titre-services, y compris l'intervention visée à l'article 8, à l'entreprise agréée.]8
[15 Le montant du prix d'achat est augmenté d'un euro chaque fois que l'indice-pivot, visé à l'article 8, § 1er, alinéa 3, est dépassé cinq fois au total.
Le montant de l'intervention, visé à l'article 8, § 1er, alinéa 2, est réduit d'un euro chaque fois que l'indice-pivot, visé à l'article 8, § 1er, alinéa 3, est dépassé cinq fois au total.
L'augmentation du montant du prix d'achat, visée à l'alinéa 10, s'applique à chaque titre-service acheté à partir du premier jour du mois suivant le mois de dépassement de l'indice-pivot.
La réduction du montant de l'intervention, visée à l'alinéa 11, s'applique à chaque titre-service pour lequel la prestation est fournie à partir du premier jour du mois suivant le mois de dépassement de l'indice-pivot. ]15
§ 3. [14 § 3. Les utilisateurs peuvent demander à tout moment, auprès de la société émettrice, le remboursement des titres-services qui n'ont pas été utilisés et qui sont encore valables Après l'expiration de la durée de validité du titre-service visée au paragraphe 2, alinéa 1er, le prix d'achat des titres non encore utilisés sera remboursé à l'utilisateur, à l'exception des titres non utilisés dans le cadre de l'aide à la maternité, mentionnée à l'arrêté royal du 17 janvier 2006 instaurant un régime de prestations d'aide à la maternité en faveur des travailleuses indépendantes et modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services.
Les titres-services payés à la société émettrice avant le 1er janvier de l'année en cours ne peuvent être remboursés à l'utilisateur qu'à hauteur de 80 % du prix d'achat. Dans ce cas, 20 % du prix d'achat sera payé par la société émettrice au département. Le remboursement précité est effectué conformément aux dispositions fiscales mentionnées à l'article 9. Dans le cadre de l'aide à la maternité, mentionnée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 précité, les utilisateurs ne peuvent pas demander à la société émettrice le remboursement des titres-services qui n'ont pas encore été utilisés.
Les héritiers d'un utilisateur décédé peuvent demander le remboursement des titres-services de l'utilisateur décédé qui étaient valables au moment du décès, même si la durée de validité des titres-services a expiré au moment de la demande]14.
[3 § 4. L'utilisateur qui a participé délibérément à une infraction commise par l'entreprise et constatée par les services d'inspection prévus à l'article 10, § 1er, est tenu de payer à [8 le département ]8 l'intervention, prévue à l'article 1er, 6°, des titres-services qu'il a utilisé et pour lesquels une infraction a été constatée.
L'utilisateur rembourse l'intervention des titres-services, mentionnés dans l'alinéa 1er, dans les 30 jours à compter de la date mentionnée dans la lettre recommandée.]3
[1 0 § 5. [14 ...]14
[13 § 6. Le département peut, conformément à l'article 3ter de la loi, exclure une personne du droit de commander et d'utiliser des titres-services ou peut récupérer l'allocation auprès de cette personne si celle-ci a enfreint les mesures de sécurité mentionnées à l'article 3bis.]13
Wijzigingen
Art. 3_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. § 1. De dienstencheque dient tenminste de gegevens te bevatten zoals bedoeld in het model gevoegd bij dit besluit.
(Hij kan een gedematerialiseerde vorm aannemen, goedgekeurd door [9 het bestuur]9, en aangekocht en gebruikt worden door middel van een elektronische procedure waarvan het principe en de modaliteiten goedgekeurd worden door [9 het bestuur]9.) <KB 2005-11-10/36, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 03-12-2005>
[9 De minister van Tewerkstelling kan de minimale vermeldingen aanpassen die op de dienstencheques moeten voorkomen en er bijkomende vermeldingen aan toevoegen.]9
§ 2. [6 De gebruiker die dienstencheques wenst aan te schaffen maakt door overschrijving of storting het bedrag van de aanschafprijs per dienstencheque over aan het uitgiftebedrijf van de dienstencheques. [15 De aankoopprijs per kalenderjaar bedraagt 10 EUR bij de aanschaf van 1 tot 300 dienstencheques, en 12 EUR bij de aanschaf van 301 tot 500 dienstencheques.]15 Deze cheque kan enkel gebruikt worden voor het vergoeden van gepresteerde arbeidstijd. De bestelling moet gaan over een minimum van 10 dienstencheques. De dienstencheque heeft voor de gebruiker een geldigheidsduur [1 tot het einde van de [10 zesde]10 maand die volgt op de maand van zijn uitgifte]1.] <KB 2004-03-31/33, art. 9, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004> <KB 2008-04-28/30, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008> <KB 2008-12-11/30, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2009 ; zie ook art. 4>
(In het raam van de moederschapshulp bedoeld in het koninklijk besluit van 17 januari 2006 tot invoering van een stelsel van uitkeringen voor moederschapshulp ten gunste van vrouwelijke zelfstandigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, gebeurt de overschrijving of storting bedoeld in het eerste lid door het sociaal verzekeringsfonds bedoeld in artikel 1, § 2, d), van het voornoemde besluit van 17 januari 2006.) <KB 2006-01-17/30, art. 6, 1°, 009 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
[De gebruiker kan per kalenderjaar maximum [2 500 dienstencheques]2 aanschaffen.] <KB 2008-04-28/30, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
[De mindervalide gebruiker en de gebruiker met [1 een mindervalide kind]1 ten laste, [8 met hoofdverblijfplaats in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest,]8 kan per kalenderjaar maximum [15 1000]15 dienstencheques aanschaffen [6 aan de aanschafprijs [15 van 10 EUR per dienstencheque]15]6. Bij het overschrijden van de aanschaf van [2 500 dienstencheques]2 per kalenderjaar moet de gebruiker, bij gebrek aan een elektronische communicatie van de nodige gegevens zonder de tussenkomst van de gebruiker, aan het uitgiftebedrijf een attest bezorgen van één van de instanties bedoeld in artikel 1, eerste lid, 7° en 8°, dat bewijst dat hij tot één van deze categorieën behoort.] <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
(De gebruiker die een eenoudergezin vormt met één of meerdere kinderen ten laste en die zich in één van de volgende situaties bevindt, [6 kan eveneens maximum [15 1000]15 dienstencheques per kalenderjaar aanschaffen aan de aanschafprijs [15 van 10 EUR per dienstencheque]15]6 :
1° Hij voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 133, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zoals blijkt uit (een attest uitgegeven door zijn controleorganisme van de directe belastingen waaraan hij onderworpen is); <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
2° (Hij is in het bezit van een attest van gezinssamenstelling (, afgeleverd door zijn gemeentelijke overheid,) waaruit blijkt dat hij alleen woont met zijn kind of kinderen waarvan er minstens één minder dan 18 jaar is;) <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
3° Hij is in het bezit van een getuigschrift van zijn kinderbijslagkas waaruit blijkt dat hij (kinderbijslagtrekkende is) en van een attest van gezinssamenstelling, (afgeleverd door zijn gemeentelijke overheid,) waaruit blijkt dat hij alleen woont. <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
Om te bewijzen dat hij tot één van deze categorieën behoort, overhandigt hij ter ondersteuning van zijn aanvraag, bij het overschrijden van de aanschaf van [2 500 dienstencheques]2 per kalenderjaar, aan het uitgiftebedrijf van de dienstencheques, een verklaring op erewoord, opgesteld volgens het door [11 het bestuur]11 vastgesteld model (, dat hij zich op de dag van betrokken verklaring in een van de bovengenoemde situaties bevindt). Tegelijkertijd stuurt hij aan [11 het bestuur]11 een kopie van zijn verklaring op erewoord samen met het (of de) attest(en) als bewijs dat hij zich in één van bovengenoemde situaties bevindt. Het bezorgen van deze attesten dient slechts te gebeuren bij gebrek aan een elektronische communicatie van de nodige gegevens zonder de tussenkomst van de gebruiker.) <KB 2008-04-28/30, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-06-2008> <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[18 ...]18
§ 3. De gebruikers kunnen bij het uitgiftebedrijf de terugbetaling aanvragen van de dienstencheques die nog niet werden gebruikt en die nog geldig zijn. [18 ...]18 (In het raam van de moederschapshulp bedoeld in het voornoemde koninklijk besluit van 17 januari 2006 kunnen de gebruikers evenwel bij het uitgiftebedrijf geen terugbetaling aanvragen van de dienstencheques die nog niet werden gebruikt.) <KB 2004-11-10/31, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 20-11-2004> <KB 2006-01-17/30, art. 6, 2°, 009 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
[18 ...]18
[14 Geen enkele gebruiker kan om de terugbetaling of vervanging vragen van dienstencheques die verloren of gestolen zijn. Als een zending evenwel verloren gaat in de post en de gebruiker dit aangeeft bij het uitgiftebedrijf, kan de gebruiker de vervanging verkrijgen van de dienstencheques die in de post verloren zijn gegaan.]14
[3 § 4. De gebruiker die opzettelijk heeft deelgenomen aan een inbreuk gepleegd door de onderneming en vastgesteld door de inspectiediensten bedoeld in artikel 10, § 1, is gehouden om de in artikel 1, 6°, bedoelde tegemoetkoming van de dienstencheques die hij heeft gebruikt en voor dewelke een inbreuk werd vastgesteld, terug te betalen aan de [18 het bestuur]18.
De gebruiker betaalt de tegemoetkoming van de dienstencheques, zoals bedoeld in het eerste lid, terug binnen de 30 dagen die volgen op de datum vermeld op de aangetekende brief.]3
[1 6 § 5. [17 De aankoopprijzen van de in dit artikel bedoelde dienstencheques worden jaarlijks op 1 januari geïndexeerd op basis van de schommelingen van het in artikel 8 genoemde indexcijfer van de consumptieprijzen.
Deze aankoopprijzen worden als volgt berekend:
Referteaankoopprijs (d.w.z. 10 EUR of 12 EUR) X nieuwe indexcijfer/oorspronkelijke indexcijfer.
Waarbij:
Het nieuwe indexcijfer = het indexcijfer van de consumptieprijzen dat geldt op 1 september van het voorbije jaar;
Het oorspronkelijke indexcijfer = het indexcijfer van de consumptieprijzen dat geldt op 1 januari 2023.
Wanneer de berekende bedragen een fractie van een cent bevatten, wordt naar beneden afgerond op twee tienden.
Het bijkomende bedrag ten opzichte van de referteaankoopprijs wordt verminderd met het bedrag van de gewestelijke tussenkomst als bedoeld in artikel 8, § 1, tweede lid.]17
(Hij kan een gedematerialiseerde vorm aannemen, goedgekeurd door [9 het bestuur]9, en aangekocht en gebruikt worden door middel van een elektronische procedure waarvan het principe en de modaliteiten goedgekeurd worden door [9 het bestuur]9.) <KB 2005-11-10/36, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 03-12-2005>
[9 De minister van Tewerkstelling kan de minimale vermeldingen aanpassen die op de dienstencheques moeten voorkomen en er bijkomende vermeldingen aan toevoegen.]9
§ 2. [6 De gebruiker die dienstencheques wenst aan te schaffen maakt door overschrijving of storting het bedrag van de aanschafprijs per dienstencheque over aan het uitgiftebedrijf van de dienstencheques. [15 De aankoopprijs per kalenderjaar bedraagt 10 EUR bij de aanschaf van 1 tot 300 dienstencheques, en 12 EUR bij de aanschaf van 301 tot 500 dienstencheques.]15 Deze cheque kan enkel gebruikt worden voor het vergoeden van gepresteerde arbeidstijd. De bestelling moet gaan over een minimum van 10 dienstencheques. De dienstencheque heeft voor de gebruiker een geldigheidsduur [1 tot het einde van de [10 zesde]10 maand die volgt op de maand van zijn uitgifte]1.] <KB 2004-03-31/33, art. 9, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004> <KB 2008-04-28/30, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-05-2008> <KB 2008-12-11/30, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2009 ; zie ook art. 4>
(In het raam van de moederschapshulp bedoeld in het koninklijk besluit van 17 januari 2006 tot invoering van een stelsel van uitkeringen voor moederschapshulp ten gunste van vrouwelijke zelfstandigen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, gebeurt de overschrijving of storting bedoeld in het eerste lid door het sociaal verzekeringsfonds bedoeld in artikel 1, § 2, d), van het voornoemde besluit van 17 januari 2006.) <KB 2006-01-17/30, art. 6, 1°, 009 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
[De gebruiker kan per kalenderjaar maximum [2 500 dienstencheques]2 aanschaffen.] <KB 2008-04-28/30, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
[De mindervalide gebruiker en de gebruiker met [1 een mindervalide kind]1 ten laste, [8 met hoofdverblijfplaats in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest,]8 kan per kalenderjaar maximum [15 1000]15 dienstencheques aanschaffen [6 aan de aanschafprijs [15 van 10 EUR per dienstencheque]15]6. Bij het overschrijden van de aanschaf van [2 500 dienstencheques]2 per kalenderjaar moet de gebruiker, bij gebrek aan een elektronische communicatie van de nodige gegevens zonder de tussenkomst van de gebruiker, aan het uitgiftebedrijf een attest bezorgen van één van de instanties bedoeld in artikel 1, eerste lid, 7° en 8°, dat bewijst dat hij tot één van deze categorieën behoort.] <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
(De gebruiker die een eenoudergezin vormt met één of meerdere kinderen ten laste en die zich in één van de volgende situaties bevindt, [6 kan eveneens maximum [15 1000]15 dienstencheques per kalenderjaar aanschaffen aan de aanschafprijs [15 van 10 EUR per dienstencheque]15]6 :
1° Hij voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 133, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, zoals blijkt uit (een attest uitgegeven door zijn controleorganisme van de directe belastingen waaraan hij onderworpen is); <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
2° (Hij is in het bezit van een attest van gezinssamenstelling (, afgeleverd door zijn gemeentelijke overheid,) waaruit blijkt dat hij alleen woont met zijn kind of kinderen waarvan er minstens één minder dan 18 jaar is;) <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
3° Hij is in het bezit van een getuigschrift van zijn kinderbijslagkas waaruit blijkt dat hij (kinderbijslagtrekkende is) en van een attest van gezinssamenstelling, (afgeleverd door zijn gemeentelijke overheid,) waaruit blijkt dat hij alleen woont. <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
Om te bewijzen dat hij tot één van deze categorieën behoort, overhandigt hij ter ondersteuning van zijn aanvraag, bij het overschrijden van de aanschaf van [2 500 dienstencheques]2 per kalenderjaar, aan het uitgiftebedrijf van de dienstencheques, een verklaring op erewoord, opgesteld volgens het door [11 het bestuur]11 vastgesteld model (, dat hij zich op de dag van betrokken verklaring in een van de bovengenoemde situaties bevindt). Tegelijkertijd stuurt hij aan [11 het bestuur]11 een kopie van zijn verklaring op erewoord samen met het (of de) attest(en) als bewijs dat hij zich in één van bovengenoemde situaties bevindt. Het bezorgen van deze attesten dient slechts te gebeuren bij gebrek aan een elektronische communicatie van de nodige gegevens zonder de tussenkomst van de gebruiker.) <KB 2008-04-28/30, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-06-2008> <KB 2008-09-28/30, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-11-2008>
[18 ...]18
§ 3. De gebruikers kunnen bij het uitgiftebedrijf de terugbetaling aanvragen van de dienstencheques die nog niet werden gebruikt en die nog geldig zijn. [18 ...]18 (In het raam van de moederschapshulp bedoeld in het voornoemde koninklijk besluit van 17 januari 2006 kunnen de gebruikers evenwel bij het uitgiftebedrijf geen terugbetaling aanvragen van de dienstencheques die nog niet werden gebruikt.) <KB 2004-11-10/31, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 20-11-2004> <KB 2006-01-17/30, art. 6, 2°, 009 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
[18 ...]18
[14 Geen enkele gebruiker kan om de terugbetaling of vervanging vragen van dienstencheques die verloren of gestolen zijn. Als een zending evenwel verloren gaat in de post en de gebruiker dit aangeeft bij het uitgiftebedrijf, kan de gebruiker de vervanging verkrijgen van de dienstencheques die in de post verloren zijn gegaan.]14
[3 § 4. De gebruiker die opzettelijk heeft deelgenomen aan een inbreuk gepleegd door de onderneming en vastgesteld door de inspectiediensten bedoeld in artikel 10, § 1, is gehouden om de in artikel 1, 6°, bedoelde tegemoetkoming van de dienstencheques die hij heeft gebruikt en voor dewelke een inbreuk werd vastgesteld, terug te betalen aan de [18 het bestuur]18.
De gebruiker betaalt de tegemoetkoming van de dienstencheques, zoals bedoeld in het eerste lid, terug binnen de 30 dagen die volgen op de datum vermeld op de aangetekende brief.]3
[1 6 § 5. [17 De aankoopprijzen van de in dit artikel bedoelde dienstencheques worden jaarlijks op 1 januari geïndexeerd op basis van de schommelingen van het in artikel 8 genoemde indexcijfer van de consumptieprijzen.
Deze aankoopprijzen worden als volgt berekend:
Referteaankoopprijs (d.w.z. 10 EUR of 12 EUR) X nieuwe indexcijfer/oorspronkelijke indexcijfer.
Waarbij:
Het nieuwe indexcijfer = het indexcijfer van de consumptieprijzen dat geldt op 1 september van het voorbije jaar;
Het oorspronkelijke indexcijfer = het indexcijfer van de consumptieprijzen dat geldt op 1 januari 2023.
Wanneer de berekende bedragen een fractie van een cent bevatten, wordt naar beneden afgerond op twee tienden.
Het bijkomende bedrag ten opzichte van de referteaankoopprijs wordt verminderd met het bedrag van de gewestelijke tussenkomst als bedoeld in artikel 8, § 1, tweede lid.]17
Wijzigingen
Art. 3 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE. § 1er. Le titre-service doit contenir au minimum les mentions visées au modèle annexé au présent arrêté.
[Il peut revêtir une forme dématérialisée, acceptée par [9 l'administration]9, et être acquis et utilisé au moyen d'un procédé électronique dont le principe et les modalités sont approuvés par [9 l'administration]9.] <AR 2005-11-10/36, art. 2, 008; En vigueur : 03-12-2005>
[9 Le Ministre de l'Emploi peut adapter les mentions minimales du modèle de titre-service et y ajouter des mentions supplémentaires.]9
§ 2. [6 L'utilisateur qui souhaite acquérir des titres-services, transmet, par virement ou par versement, le prix d'acquisition par titre-service à la société émettrice des titres-services. [15 Le prix d'acquisition par année civile est de 10 EUR en cas d'acquisition de 1 à 300 titres-services, et de 12 EUR en cas d'acquisition de 301 à 500 titres-services.]15]6 Ce titre-service peut seulement être utilisé pour rémunérer le temps de travail presté. La commande doit concerner un minimum de 10 titres-services. Le titre-service a, pour l'utilisateur, une durée de validité [1 jusqu'à la fin du [10 sixième]10 mois qui suit le mois de son émission]1.] <AR 2004-03-31/33, art. 9, 004; En vigueur : 16-04-2004> <AR 2008-04-28/30, art. 3, 014; En vigueur : 01-05-2008> <AR 2008-12-11/30, art. 1, 017; En vigueur : 01-01-2009 voir également l'art. 4>
(Dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 instaurant un régime de prestations d'aide à la maternité en faveur des travailleuses indépendantes et modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, le virement ou le versement visés à l'alinéa 1er se fait par la caisse d'assurances sociales visée à l'article 1er, § 2, d), de l'arrêté royal du 17 janvier 2006 susvisé.) <AR 2006-01-17/30, art. 6, 1°, 009 ; En vigueur : 01-01-2006>
(L'utilisateur peut acquérir au maximum [2 500 titres-services]2 par année civile.) <AR 2008-04-28/30, art. 3, 014; En vigueur : 01-06-2008>
(L'utilisateur handicapé et l'utilisateur avec un enfant handicapé [11 à charge]11 [8 ayant leur résidence principale en Région de Bruxelles-Capitale]8 peut acquérir au maximum [15 1000]15 titres-services par année civile. Lors du dépassement de l'acquisition de [2 500 titres-services]2 par année civile, l'utilisateur doit fournir, à défaut d'une communication électronique des données nécessaires sans l'intervention de l'utilisateur, à la société émettrice une attestation d'un des organismes prévus à l'article 1er, alinéa 1er, 7° et 8°, attestant qu'il appartient à une de ces catégories [6 au prix d'acquisition [15 de 10 EUR par titre-service]15]6.) <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
(L'utilisateur qui forme une famille monoparentale avec un ou plusieurs enfants à charge, qui se trouve dans une des situations suivantes, [6 peut également acquérir au maximum [15 1000]15 titres-services par année civile au prix d'acquisition [15 de 10 EUR par titre-service]15]6 :
1° Il répond aux conditions visées à l'article 133, 1°, du Code des Impôts sur les Revenus 1992, comme (il ressort d'une attestation émise par le contrôle des contributions directes dont il relève); <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
2° II est en possession d'une attestation de composition de ménage (, délivrée par son administration communale,) de laquelle il ressort qu'il habite seul avec son ou ses enfants dont au moins un est âgé de moins de 18 ans; <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
3° II est en possession d'une attestation de sa caisse d'allocations familiales établissant qu'il est allocataire d'allocations familiales et d'une attestation de composition de ménage (, délivrée par son administration communale,) établissant qu'il habite seul. <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
Pour attester d'une de ces situations, il remet, lors du dépassement de l'acquisition de [2 500 titres-services]2 par année civile, à l'appui de sa demande à la société émettrice de titres-services, une déclaration sur l'honneur établie suivant le modèle déterminé par l' [11 administration]11 (, attestant qu'il se trouve au jour de sa déclaration dans l'une des situations susvisées). Simultanément il transmet à l'[11 administration]11 une copie de cette déclaration sur l'honneur accompagnée de la (ou des) attestation(s) attestant qu'il se trouve dans l'une des situations susvisées. La transmission de ces attestations ne doit se faire qu'à défaut d'une communication électronique des données nécessaires sans l'intervention de l'utilisateur.) <AR 2008-04-28/30, art. 3, 014; En vigueur : 01-06-2008> <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[18 ...]18
§ 3. Les utilisateurs peuvent demander, auprès de la société émettrice, le remboursement des titres-services qui n'ont pas été utilisés et qui sont encore valables. [18 ...]18 (Dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 susvisé, les utilisateurs ne peuvent toutefois pas demander, auprès de la société émettrice, le remboursement des titres-services qui n'ont pas été utilisés.) <AR 2004-11-10/31, art. 2, 006; En vigueur : 20-11-2004> <AR 2006-01-17/30, art. 6, 2°, 009 ; En vigueur : 01-01-2006> <AR 2006-03-05/39, art. 6, 010; En vigueur : 22-03-2006>
[18 ...]18
[14 Aucun utilisateur ne peut demander le remboursement ou le remplacement de ses titres-services en cas de perte ou de vol. Toutefois, en cas de perte postale déclarée par l'utilisateur à la société émettrice, l'utilisateur peut obtenir le remplacement des titres-services concernés par cette perte postale.]14
[3 § 4. L'utilisateur qui a participé délibérément à une infraction commise par l'entreprise et constatée par les services d'inspection prévus à l'article 10, § 1er, est tenu de payer à [18 l'administration]18 l'intervention, prévue à l'article 1er, 6°, des titres-services qu'il a utilisé et pour lesquels une infraction a été constatée.
L'utilisateur rembourse l'intervention des titres-services, mentionnés dans l'alinéa 1er, dans les 30 jours à compter de la date mentionnée dans la lettre recommandée.]3
[16 § 5. [17 Les prix d'acquisition des titres-services mentionnés au présent article sont indexés annuellement au 1er janvier sur la base des fluctuations de l'indice des prix à la consommation pris en compte à l'article 8.
Ces prix d'acquisition sont calculés comme suit :
Prix d'acquisition de référence (soit de 10 EUR ou 12 EUR) X nouvel indice/ indice initial.
Où :
Le nouvel indice = l'indice des prix à la consommation applicable au 1er septembre de l'année écoulée ;
L'indice initial = l'indice des prix à la consommation applicable le 1er janvier 2023.
Lorsque les montants calculés comportent une fraction de cent, elle est arrondie au deux dixième inférieur.
Le montant supplémentaire vis-à-vis du prix d'acquisition de référence est déduit du montant de l'intervention régionale visé à l'article 8, § 1, alinéa 2.]17]16
[Il peut revêtir une forme dématérialisée, acceptée par [9 l'administration]9, et être acquis et utilisé au moyen d'un procédé électronique dont le principe et les modalités sont approuvés par [9 l'administration]9.] <AR 2005-11-10/36, art. 2, 008; En vigueur : 03-12-2005>
[9 Le Ministre de l'Emploi peut adapter les mentions minimales du modèle de titre-service et y ajouter des mentions supplémentaires.]9
§ 2. [6 L'utilisateur qui souhaite acquérir des titres-services, transmet, par virement ou par versement, le prix d'acquisition par titre-service à la société émettrice des titres-services. [15 Le prix d'acquisition par année civile est de 10 EUR en cas d'acquisition de 1 à 300 titres-services, et de 12 EUR en cas d'acquisition de 301 à 500 titres-services.]15]6 Ce titre-service peut seulement être utilisé pour rémunérer le temps de travail presté. La commande doit concerner un minimum de 10 titres-services. Le titre-service a, pour l'utilisateur, une durée de validité [1 jusqu'à la fin du [10 sixième]10 mois qui suit le mois de son émission]1.] <AR 2004-03-31/33, art. 9, 004; En vigueur : 16-04-2004> <AR 2008-04-28/30, art. 3, 014; En vigueur : 01-05-2008> <AR 2008-12-11/30, art. 1, 017; En vigueur : 01-01-2009 voir également l'art. 4>
(Dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 instaurant un régime de prestations d'aide à la maternité en faveur des travailleuses indépendantes et modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, le virement ou le versement visés à l'alinéa 1er se fait par la caisse d'assurances sociales visée à l'article 1er, § 2, d), de l'arrêté royal du 17 janvier 2006 susvisé.) <AR 2006-01-17/30, art. 6, 1°, 009 ; En vigueur : 01-01-2006>
(L'utilisateur peut acquérir au maximum [2 500 titres-services]2 par année civile.) <AR 2008-04-28/30, art. 3, 014; En vigueur : 01-06-2008>
(L'utilisateur handicapé et l'utilisateur avec un enfant handicapé [11 à charge]11 [8 ayant leur résidence principale en Région de Bruxelles-Capitale]8 peut acquérir au maximum [15 1000]15 titres-services par année civile. Lors du dépassement de l'acquisition de [2 500 titres-services]2 par année civile, l'utilisateur doit fournir, à défaut d'une communication électronique des données nécessaires sans l'intervention de l'utilisateur, à la société émettrice une attestation d'un des organismes prévus à l'article 1er, alinéa 1er, 7° et 8°, attestant qu'il appartient à une de ces catégories [6 au prix d'acquisition [15 de 10 EUR par titre-service]15]6.) <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
(L'utilisateur qui forme une famille monoparentale avec un ou plusieurs enfants à charge, qui se trouve dans une des situations suivantes, [6 peut également acquérir au maximum [15 1000]15 titres-services par année civile au prix d'acquisition [15 de 10 EUR par titre-service]15]6 :
1° Il répond aux conditions visées à l'article 133, 1°, du Code des Impôts sur les Revenus 1992, comme (il ressort d'une attestation émise par le contrôle des contributions directes dont il relève); <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
2° II est en possession d'une attestation de composition de ménage (, délivrée par son administration communale,) de laquelle il ressort qu'il habite seul avec son ou ses enfants dont au moins un est âgé de moins de 18 ans; <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
3° II est en possession d'une attestation de sa caisse d'allocations familiales établissant qu'il est allocataire d'allocations familiales et d'une attestation de composition de ménage (, délivrée par son administration communale,) établissant qu'il habite seul. <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
Pour attester d'une de ces situations, il remet, lors du dépassement de l'acquisition de [2 500 titres-services]2 par année civile, à l'appui de sa demande à la société émettrice de titres-services, une déclaration sur l'honneur établie suivant le modèle déterminé par l' [11 administration]11 (, attestant qu'il se trouve au jour de sa déclaration dans l'une des situations susvisées). Simultanément il transmet à l'[11 administration]11 une copie de cette déclaration sur l'honneur accompagnée de la (ou des) attestation(s) attestant qu'il se trouve dans l'une des situations susvisées. La transmission de ces attestations ne doit se faire qu'à défaut d'une communication électronique des données nécessaires sans l'intervention de l'utilisateur.) <AR 2008-04-28/30, art. 3, 014; En vigueur : 01-06-2008> <AR 2008-09-28/30, art. 6, 015; En vigueur : 01-11-2008>
[18 ...]18
§ 3. Les utilisateurs peuvent demander, auprès de la société émettrice, le remboursement des titres-services qui n'ont pas été utilisés et qui sont encore valables. [18 ...]18 (Dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 susvisé, les utilisateurs ne peuvent toutefois pas demander, auprès de la société émettrice, le remboursement des titres-services qui n'ont pas été utilisés.) <AR 2004-11-10/31, art. 2, 006; En vigueur : 20-11-2004> <AR 2006-01-17/30, art. 6, 2°, 009 ; En vigueur : 01-01-2006> <AR 2006-03-05/39, art. 6, 010; En vigueur : 22-03-2006>
[18 ...]18
[14 Aucun utilisateur ne peut demander le remboursement ou le remplacement de ses titres-services en cas de perte ou de vol. Toutefois, en cas de perte postale déclarée par l'utilisateur à la société émettrice, l'utilisateur peut obtenir le remplacement des titres-services concernés par cette perte postale.]14
[3 § 4. L'utilisateur qui a participé délibérément à une infraction commise par l'entreprise et constatée par les services d'inspection prévus à l'article 10, § 1er, est tenu de payer à [18 l'administration]18 l'intervention, prévue à l'article 1er, 6°, des titres-services qu'il a utilisé et pour lesquels une infraction a été constatée.
L'utilisateur rembourse l'intervention des titres-services, mentionnés dans l'alinéa 1er, dans les 30 jours à compter de la date mentionnée dans la lettre recommandée.]3
[16 § 5. [17 Les prix d'acquisition des titres-services mentionnés au présent article sont indexés annuellement au 1er janvier sur la base des fluctuations de l'indice des prix à la consommation pris en compte à l'article 8.
Ces prix d'acquisition sont calculés comme suit :
Prix d'acquisition de référence (soit de 10 EUR ou 12 EUR) X nouvel indice/ indice initial.
Où :
Le nouvel indice = l'indice des prix à la consommation applicable au 1er septembre de l'année écoulée ;
L'indice initial = l'indice des prix à la consommation applicable le 1er janvier 2023.
Lorsque les montants calculés comportent une fraction de cent, elle est arrondie au deux dixième inférieur.
Le montant supplémentaire vis-à-vis du prix d'acquisition de référence est déduit du montant de l'intervention régionale visé à l'article 8, § 1, alinéa 2.]17]16
Wijzigingen
Art. 3bis_VLAAMS_GEWEST. [1 Ter uitvoering van artikel 3ter, eerste lid, van de wet houden de gebruiker en de leden van zijn gezin zich aan de volgende veiligheidsmaatregelen:
1° ze dragen altijd een mondmasker op de correcte wijze als ze zich in dezelfde ruimte bevinden als de werknemer;
2° ze ontvangen geen bezoek in de woning als de werknemer aan het werk is, tenzij het gaat om bezoek dat dringend en noodzakelijk is voor de gezondheid van een lid van het gezin of voor de materiële leefomstandigheden in de woning;
3° ze annuleren de prestatie onmiddellijk als ze zich in een quarantainesituatie bevinden of ziektesymptomen vertonen die kenmerkend zijn voor COVID-19.
De veiligheidsmaatregelen, vermeld in het eerste lid, zijn van kracht zolang de civiele noodsituatie met betrekking tot de volksgezondheid, vermeld in artikel 4, § 1, eerste lid, 1°, van het decreet van 20 maart 2020 over maatregelen in geval van een civiele noodsituatie met betrekking tot de volksgezondheid en laatst vastgesteld bij besluit van de Vlaamse regering van 18 juni 2021, geldt.
De Vlaamse minister, bevoegd voor werk, kan elke afzonderlijke veiligheidsmaatregel, vermeld in het eerste lid, opheffen voordat de civiele noodsituatie, vermeld in het tweede lid, een einde neemt, als dat mogelijk is gelet op de evolutie van de gezondheidssituatie en de veiligheid van de werknemers.]1
1° ze dragen altijd een mondmasker op de correcte wijze als ze zich in dezelfde ruimte bevinden als de werknemer;
2° ze ontvangen geen bezoek in de woning als de werknemer aan het werk is, tenzij het gaat om bezoek dat dringend en noodzakelijk is voor de gezondheid van een lid van het gezin of voor de materiële leefomstandigheden in de woning;
3° ze annuleren de prestatie onmiddellijk als ze zich in een quarantainesituatie bevinden of ziektesymptomen vertonen die kenmerkend zijn voor COVID-19.
De veiligheidsmaatregelen, vermeld in het eerste lid, zijn van kracht zolang de civiele noodsituatie met betrekking tot de volksgezondheid, vermeld in artikel 4, § 1, eerste lid, 1°, van het decreet van 20 maart 2020 over maatregelen in geval van een civiele noodsituatie met betrekking tot de volksgezondheid en laatst vastgesteld bij besluit van de Vlaamse regering van 18 juni 2021, geldt.
De Vlaamse minister, bevoegd voor werk, kan elke afzonderlijke veiligheidsmaatregel, vermeld in het eerste lid, opheffen voordat de civiele noodsituatie, vermeld in het tweede lid, een einde neemt, als dat mogelijk is gelet op de evolutie van de gezondheidssituatie en de veiligheid van de werknemers.]1
Art. 3bis _REGION_FLAMANDE. [1 En application de l'article 3ter, premier alinéa, de la loi, l'utilisateur et les membres de sa famille doivent respecter les mesures de sécurité suivantes :
1° ils portent toujours correctement un masque buccal lorsqu'ils se trouvent dans la même pièce que le travailleur ;
2° ils ne reçoivent pas de visiteurs au domicile lorsque le travailleur est au travail, sauf si la visite est urgente et nécessaire pour la santé d'un membre de la famille ou pour les conditions matérielles de vie au domicile ;
3° ils annulent immédiatement la prestation s'ils se trouvent dans une situation de quarantaine ou présentent des symptômes de maladie typiques du COVID-19.
Les mesures de sécurité visées à l'alinéa premier, s'appliquent aussi longtemps que l'urgence civile en matière de santé publique visée à l'article 4, § 1, alinéa 1, 1°, du décret du 20 mars 2020 contenant des mesures en cas d'urgence civile en matière de santé publique et fixé en dernier lieu par arrêté du Gouvernement flamand du 18 juin 2021, s'applique.
Le ministre flamand compétent pour l'emploi peut lever toute mesure de sécurité individuelle visée au premier alinéa avant la fin de l'urgence civile visée au deuxième alinéa, si cela est possible compte tenu de l'évolution de la situation sanitaire et de la sécurité des travailleurs.]1
1° ils portent toujours correctement un masque buccal lorsqu'ils se trouvent dans la même pièce que le travailleur ;
2° ils ne reçoivent pas de visiteurs au domicile lorsque le travailleur est au travail, sauf si la visite est urgente et nécessaire pour la santé d'un membre de la famille ou pour les conditions matérielles de vie au domicile ;
3° ils annulent immédiatement la prestation s'ils se trouvent dans une situation de quarantaine ou présentent des symptômes de maladie typiques du COVID-19.
Les mesures de sécurité visées à l'alinéa premier, s'appliquent aussi longtemps que l'urgence civile en matière de santé publique visée à l'article 4, § 1, alinéa 1, 1°, du décret du 20 mars 2020 contenant des mesures en cas d'urgence civile en matière de santé publique et fixé en dernier lieu par arrêté du Gouvernement flamand du 18 juin 2021, s'applique.
Le ministre flamand compétent pour l'emploi peut lever toute mesure de sécurité individuelle visée au premier alinéa avant la fin de l'urgence civile visée au deuxième alinéa, si cela est possible compte tenu de l'évolution de la situation sanitaire et de la sécurité des travailleurs.]1
Art. 4. <KB 2004-01-09/33, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Het uitgiftebedrijf stuurt de dienstencheque naar de gebruiker binnen de 5 werkdagen die op de ontvangst van het bedrag bedoeld in artikel 3 volgen.
(Maandelijks) en door middel van een geïnformatiseerde overzichtslijst, licht het uitgiftebedrijf de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening in over het aantal aan de gebruikers toegestuurde dienstencheques, opgesplitst volgens het Gewest waar de gebruiker gedomicilieerd is. <KB 2006-03-05/39, art. 7, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
De Minister van Werk kan, op basis van de evolutie van het aantal bestelde dienstencheques en van het aantal aan de erkende ondernemingen terugbetaalde dienstencheques, beperkingen opleggen aan het uitgiftebedrijf inzake de uitgifte van dienstencheques.
(Maandelijks) en door middel van een geïnformatiseerde overzichtslijst, licht het uitgiftebedrijf de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening in over het aantal aan de gebruikers toegestuurde dienstencheques, opgesplitst volgens het Gewest waar de gebruiker gedomicilieerd is. <KB 2006-03-05/39, art. 7, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
De Minister van Werk kan, op basis van de evolutie van het aantal bestelde dienstencheques en van het aantal aan de erkende ondernemingen terugbetaalde dienstencheques, beperkingen opleggen aan het uitgiftebedrijf inzake de uitgifte van dienstencheques.
Art. 4. <AR 2004-01-09/33, art. 5, 002; En vigueur : 01-01-2004> La société émettrice envoie le titre-service à l'utilisateur dans les 5 jours ouvrables après réception du montant visé à l'article 3.
La société émettrice informe (mensuellement) l'Office National de l'Emploi du nombre de titres-services envoyés aux utilisateurs, au moyen d'une liste récapitulative informatisée et répartie par Région sur base du domicile de l'utilisateur. <AR 2006-03-05/39, art. 7, 010; En vigueur : 22-03-2006>
Le Ministre de l'Emploi peut, sur base de l'évolution du nombre des titres-services commandés et du nombre des titres-services remboursés aux entreprises agréées, imposer des limites à la société émettrice en ce qui concerne l'émission des titres-services.
La société émettrice informe (mensuellement) l'Office National de l'Emploi du nombre de titres-services envoyés aux utilisateurs, au moyen d'une liste récapitulative informatisée et répartie par Région sur base du domicile de l'utilisateur. <AR 2006-03-05/39, art. 7, 010; En vigueur : 22-03-2006>
Le Ministre de l'Emploi peut, sur base de l'évolution du nombre des titres-services commandés et du nombre des titres-services remboursés aux entreprises agréées, imposer des limites à la société émettrice en ce qui concerne l'émission des titres-services.
Art. 4_WAALS_GEWEST. <KB 2004-01-09/33, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Het uitgiftebedrijf stuurt de dienstencheque naar de gebruiker binnen de 5 werkdagen die op de ontvangst van het bedrag bedoeld in artikel 3 volgen.
[1 In afwijking van het eerste lid stelt het uitgiftebedrijf voor de elektronische dienstencheques de dienstencheque elektronisch ter beschikking van de gebruiker binnen 2 werkdagen na ontvangst van het in artikel 3 bedoelde bedrag.]1
(Maandelijks) en door middel van een geïnformatiseerde overzichtslijst, licht het uitgiftebedrijf [1 de Forem]1 in over het aantal aan de gebruikers toegestuurde dienstencheques, opgesplitst volgens het Gewest waar de gebruiker [1 zijn hoofdverblijfplaats in de zin van artikel 1, tweede en derde lid, heeft.]1 <KB 2006-03-05/39, art. 7, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
De Minister van Werk kan, op basis van de evolutie van het aantal bestelde dienstencheques en van het aantal aan de erkende ondernemingen terugbetaalde dienstencheques, beperkingen opleggen aan het uitgiftebedrijf inzake de uitgifte van dienstencheques.
[1 In afwijking van het eerste lid stelt het uitgiftebedrijf voor de elektronische dienstencheques de dienstencheque elektronisch ter beschikking van de gebruiker binnen 2 werkdagen na ontvangst van het in artikel 3 bedoelde bedrag.]1
(Maandelijks) en door middel van een geïnformatiseerde overzichtslijst, licht het uitgiftebedrijf [1 de Forem]1 in over het aantal aan de gebruikers toegestuurde dienstencheques, opgesplitst volgens het Gewest waar de gebruiker [1 zijn hoofdverblijfplaats in de zin van artikel 1, tweede en derde lid, heeft.]1 <KB 2006-03-05/39, art. 7, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
De Minister van Werk kan, op basis van de evolutie van het aantal bestelde dienstencheques en van het aantal aan de erkende ondernemingen terugbetaalde dienstencheques, beperkingen opleggen aan het uitgiftebedrijf inzake de uitgifte van dienstencheques.
Art. 4 _REGION_WALLONNE.
<AR 2004-01-09/33, art. 5, 002; En vigueur : 01-01-2004> La société émettrice envoie le titre-service à l'utilisateur dans les 5 jours ouvrables après réception du montant visé à l'article 3.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour les titres-services électroniques, la société émettrice met électroniquement le titre-service à la disposition de l'utilisateur dans les 2 jours ouvrables après réception du montant visé à l'article 3. ]1
La société émettrice informe (mensuellement) [1 le Forem ]1 du nombre de titres-services envoyés aux utilisateurs, au moyen d'une liste récapitulative informatisée et répartie par Région sur base [1 de la résidence principale au sens de l'article 1er, alinéas 2 et 3, ]1 de l'utilisateur. <AR 2006-03-05/39, art. 7, 010; En vigueur : 22-03-2006>
Le Ministre de l'Emploi peut, sur base de l'évolution du nombre des titres-services commandés et du nombre des titres-services remboursés aux entreprises agréées, imposer des limites à la société émettrice en ce qui concerne l'émission des titres-services.
<AR 2004-01-09/33, art. 5, 002; En vigueur : 01-01-2004> La société émettrice envoie le titre-service à l'utilisateur dans les 5 jours ouvrables après réception du montant visé à l'article 3.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour les titres-services électroniques, la société émettrice met électroniquement le titre-service à la disposition de l'utilisateur dans les 2 jours ouvrables après réception du montant visé à l'article 3. ]1
La société émettrice informe (mensuellement) [1 le Forem ]1 du nombre de titres-services envoyés aux utilisateurs, au moyen d'une liste récapitulative informatisée et répartie par Région sur base [1 de la résidence principale au sens de l'article 1er, alinéas 2 et 3, ]1 de l'utilisateur. <AR 2006-03-05/39, art. 7, 010; En vigueur : 22-03-2006>
Le Ministre de l'Emploi peut, sur base de l'évolution du nombre des titres-services commandés et du nombre des titres-services remboursés aux entreprises agréées, imposer des limites à la société émettrice en ce qui concerne l'émission des titres-services.
Wijzigingen
Art. 4_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. <KB 2004-01-09/33, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004> Het uitgiftebedrijf stuurt de dienstencheque naar de gebruiker binnen de 5 werkdagen die op de ontvangst van het bedrag bedoeld in artikel 3 volgen.
[1 In geval van elektronische dienstencheques verzendt het uitgiftebedrijf, in afwijking van het eerste lid, de cheques naar de gebruiker binnen de 2 werkdagen na ontvangst van het in artikel 3 bedoelde bedrag.]1
(Maandelijks) en door middel van een geïnformatiseerde overzichtslijst, licht het uitgiftebedrijf de [1 het bestuur]1 in over het aantal aan de gebruikers toegestuurde dienstencheques [1 ...]1. <KB 2006-03-05/39, art. 7, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
De Minister van Werk kan, op basis van de evolutie van het aantal bestelde dienstencheques en van het aantal aan de erkende ondernemingen terugbetaalde dienstencheques, beperkingen opleggen aan het uitgiftebedrijf inzake de uitgifte van dienstencheques.
[1 In geval van elektronische dienstencheques verzendt het uitgiftebedrijf, in afwijking van het eerste lid, de cheques naar de gebruiker binnen de 2 werkdagen na ontvangst van het in artikel 3 bedoelde bedrag.]1
(Maandelijks) en door middel van een geïnformatiseerde overzichtslijst, licht het uitgiftebedrijf de [1 het bestuur]1 in over het aantal aan de gebruikers toegestuurde dienstencheques [1 ...]1. <KB 2006-03-05/39, art. 7, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
De Minister van Werk kan, op basis van de evolutie van het aantal bestelde dienstencheques en van het aantal aan de erkende ondernemingen terugbetaalde dienstencheques, beperkingen opleggen aan het uitgiftebedrijf inzake de uitgifte van dienstencheques.
Art. 4 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
<AR 2004-01-09/33, art. 5, 002; En vigueur : 01-01-2004> La société émettrice envoie le titre-service à l'utilisateur dans les 5 jours ouvrables après réception du montant visé à l'article 3.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour les titres-services électroniques, la société émettrice envoie le titre-service à l'utilisateur dans les 2 jours ouvrables après réception du montant visé à l'article 3.]1
La société émettrice informe (mensuellement) l'[1 administration]1 du nombre de titres-services envoyés aux utilisateurs, au moyen d'une liste récapitulative informatisée [1 ...]1. <AR 2006-03-05/39, art. 7, 010; En vigueur : 22-03-2006>
Le Ministre de l'Emploi peut, sur base de l'évolution du nombre des titres-services commandés et du nombre des titres-services remboursés aux entreprises agréées, imposer des limites à la société émettrice en ce qui concerne l'émission des titres-services.
<AR 2004-01-09/33, art. 5, 002; En vigueur : 01-01-2004> La société émettrice envoie le titre-service à l'utilisateur dans les 5 jours ouvrables après réception du montant visé à l'article 3.
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour les titres-services électroniques, la société émettrice envoie le titre-service à l'utilisateur dans les 2 jours ouvrables après réception du montant visé à l'article 3.]1
La société émettrice informe (mensuellement) l'[1 administration]1 du nombre de titres-services envoyés aux utilisateurs, au moyen d'une liste récapitulative informatisée [1 ...]1. <AR 2006-03-05/39, art. 7, 010; En vigueur : 22-03-2006>
Le Ministre de l'Emploi peut, sur base de l'évolution du nombre des titres-services commandés et du nombre des titres-services remboursés aux entreprises agréées, imposer des limites à la société émettrice en ce qui concerne l'émission des titres-services.
Wijzigingen
Art. 4_VLAAMS_GEWEST. [3 Het uitgiftebedrijf maakt de dienstencheques aan en stelt de dienstencheques ter beschikking van de gebruiker binnen drie werkdagen nadat het uitgiftebedrijf het bedrag, vermeld in artikel 3, § 2 heeft ontvangen. Het departement bepaalt het principe en de modaliteiten van de elektronische procedure om de dienstencheques ter beschikking te stellen aan de gebruiker]3.
(Maandelijks) en door middel van een geïnformatiseerde overzichtslijst, licht het uitgiftebedrijf [1 het departement]1 in over het aantal aan de gebruikers toegestuurde dienstencheques. [2 ...]2 <KB 2006-03-05/39, art. 7, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
De Minister van Werk kan, op basis van de evolutie van het aantal bestelde dienstencheques en van het aantal aan de erkende ondernemingen terugbetaalde dienstencheques, beperkingen opleggen aan het uitgiftebedrijf inzake de uitgifte van dienstencheques.
(Maandelijks) en door middel van een geïnformatiseerde overzichtslijst, licht het uitgiftebedrijf [1 het departement]1 in over het aantal aan de gebruikers toegestuurde dienstencheques. [2 ...]2 <KB 2006-03-05/39, art. 7, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
De Minister van Werk kan, op basis van de evolutie van het aantal bestelde dienstencheques en van het aantal aan de erkende ondernemingen terugbetaalde dienstencheques, beperkingen opleggen aan het uitgiftebedrijf inzake de uitgifte van dienstencheques.
Art. 4 _REGION_FLAMANDE.
<AR 2004-01-09/33, art. 5, 002; En vigueur : 01-01-2004> La société émettrice envoie le titre-service à l'utilisateur dans les 5 jours ouvrables après réception du montant visé à l'article 3.
[3 La société émettrice crée les titres-services et les met à la disposition de l'utilisateur dans les trois jours ouvrables suivant la réception par la société émettrice du montant mentionné à l'article 3, § 2. Le département détermine le principe et les modalités de la procédure électronique de mise à disposition des titres-services à l'utilisateur.]3
Le Ministre de l'Emploi peut, sur base de l'évolution du nombre des titres-services commandés et du nombre des titres-services remboursés aux entreprises agréées, imposer des limites à la société émettrice en ce qui concerne l'émission des titres-services.
<AR 2004-01-09/33, art. 5, 002; En vigueur : 01-01-2004> La société émettrice envoie le titre-service à l'utilisateur dans les 5 jours ouvrables après réception du montant visé à l'article 3.
[3 La société émettrice crée les titres-services et les met à la disposition de l'utilisateur dans les trois jours ouvrables suivant la réception par la société émettrice du montant mentionné à l'article 3, § 2. Le département détermine le principe et les modalités de la procédure électronique de mise à disposition des titres-services à l'utilisateur.]3
Le Ministre de l'Emploi peut, sur base de l'évolution du nombre des titres-services commandés et du nombre des titres-services remboursés aux entreprises agréées, imposer des limites à la société émettrice en ce qui concerne l'émission des titres-services.
Art. 5. (Op het ogenblik dat het financieel beschikbaar van de uitgiftemaatschappij lager is dan of gelijk is aan 10 miljoen euro, betaalt de RVA zijn voorschot aan de uitgiftemaatschappij op basis van de oudste factuur.) <KB 2005-09-17/35, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 26-09-2005>
Het voorschot is gelijk aan het aantal aan de gebruikers toegestuurde dienstencheques vermenigvuldigd met de per dienstencheque overeengekomen tegemoetkoming.
Het voorschot is gelijk aan het aantal aan de gebruikers toegestuurde dienstencheques vermenigvuldigd met de per dienstencheque overeengekomen tegemoetkoming.
Art. 5. (L'ONEm paie son avance à la société émettrice au moment où le disponible financier de la société émettrice est inférieur ou égal à 10 millions d'euros, sur base de la facture la plus ancienne.) <AR 2005-09-17/35, art. 1, 007; En vigueur : 26-09-2005>
L'avance est égale au nombre de titres-services envoyés aux utilisateurs, multiplié par l'intervention qui a été convenue par titre-service.
L'avance est égale au nombre de titres-services envoyés aux utilisateurs, multiplié par l'intervention qui a été convenue par titre-service.
Art. 5_WAALS_GEWEST. [2 Forem betaalt het bedrag van de tegemoetkoming vermeld in artikel 8, Ї 1, tweede lid, aan het uitgiftebedrijf zodanig dat zijn liquiditeitspositie niet minder bedraagt dan vijftien miljoen euro.]2
Het voorschot is gelijk aan het aantal aan de gebruikers toegestuurde dienstencheques vermenigvuldigd met de per dienstencheque overeengekomen tegemoetkoming.
Het voorschot is gelijk aan het aantal aan de gebruikers toegestuurde dienstencheques vermenigvuldigd met de per dienstencheque overeengekomen tegemoetkoming.
Art. 5 _REGION_WALLONNE.
[2 Le Forem verse le montant de l'intervention mentionnée à l'article 8, § 1er, alinéa 2, à la société émettrice de telle sorte que sa position de liquidité ne soit pas inférieure à quinze millions d'euros.]2
L'avance est égale au nombre de titres-services envoyés aux utilisateurs, multiplié par l'intervention qui a été convenue par titre-service.
[2 Le Forem verse le montant de l'intervention mentionnée à l'article 8, § 1er, alinéa 2, à la société émettrice de telle sorte que sa position de liquidité ne soit pas inférieure à quinze millions d'euros.]2
L'avance est égale au nombre de titres-services envoyés aux utilisateurs, multiplié par l'intervention qui a été convenue par titre-service.
Art. 5_VLAAMS_GEWEST. [1 Het departement stort het bedrag van de tegemoetkoming, vermeld in artikel 8, § 1, tweede lid, aan het uitgiftebedrijf, zodat de liquiditeitspositie van het uitgiftebedrijf niet minder dan 10 miljoen euro bedraagt.
Het departement bepaalt het principe en de modaliteiten van de procedure om de liquiditeitspositie van het uitgiftebedrijf te monitoren en aan te vullen als de voormelde liquiditeitspositie minder bedraagt dan de grens, vermeld in het eerste lid]1.
Het departement bepaalt het principe en de modaliteiten van de procedure om de liquiditeitspositie van het uitgiftebedrijf te monitoren en aan te vullen als de voormelde liquiditeitspositie minder bedraagt dan de grens, vermeld in het eerste lid]1.
Art. 5 _REGION_FLAMANDE.
[1 Le département verse le montant de l'intervention mentionnée à l'article 8, § 1er, alinéa 2, à la société émettrice de telle sorte que la position de liquidité de la société émettrice ne soit pas inférieure à 10 millions d'euros.
Le département détermine le principe et les modalités de la procédure d'évaluation de la position de liquidité de la société émettrice à suivre et à compléter si la position de liquidité précitée est inférieure à la limite mentionnée à l'alinéa 1er]1.
[1 Le département verse le montant de l'intervention mentionnée à l'article 8, § 1er, alinéa 2, à la société émettrice de telle sorte que la position de liquidité de la société émettrice ne soit pas inférieure à 10 millions d'euros.
Le département détermine le principe et les modalités de la procédure d'évaluation de la position de liquidité de la société émettrice à suivre et à compléter si la position de liquidité précitée est inférieure à la limite mentionnée à l'alinéa 1er]1.
Wijzigingen
Art. 5_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De Brusselse Hoofdstedelijke Regering bepaalt het bedrag van de tussenkomst die wordt toegekend aan het aangewezen uitgiftebedrijf.
Teneinde de overheidsopdracht met voldoende middelen aan te vangen, stort [2 het bestuur]2 bij de start ervan eenmalig een vast forfaitair bedrag van 10.000.000 euro als voorschot aan het uitgiftebedrijf, op voorlegging van een specifieke factuur opgemaakt door dit bedrijf.
In het kader van de uitvoering van de overheidsopdracht betaalt [2 het bestuur]2 aan het uitgiftebedrijf de facturen met betrekking tot de dienstencheques uit, op grond van het aantal dienstencheques dat door de erkende ondernemingen met het oog op terugbetaling werd ingediend.]1
Teneinde de overheidsopdracht met voldoende middelen aan te vangen, stort [2 het bestuur]2 bij de start ervan eenmalig een vast forfaitair bedrag van 10.000.000 euro als voorschot aan het uitgiftebedrijf, op voorlegging van een specifieke factuur opgemaakt door dit bedrijf.
In het kader van de uitvoering van de overheidsopdracht betaalt [2 het bestuur]2 aan het uitgiftebedrijf de facturen met betrekking tot de dienstencheques uit, op grond van het aantal dienstencheques dat door de erkende ondernemingen met het oog op terugbetaling werd ingediend.]1
Art. 5 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale arrête le montant de l'intervention allouée à la société émettrice qui a été désignée.
A l'entame du marché public, et pour assurer à la société émettrice un disponible financier suffisant pour démarrer le marché, un montant fixe forfaitaire unique de 10.000.000 d'euros est versé par le Service public régional de Bruxelles à titre de provision, sur présentation d'une facture spécifique émise par la société émettrice.
Dans le cadre de l'exécution du marché, [2 l'administration]2 paye à la société émettrice les factures relatives aux titres-services sur la base du nombre de titres-services qui ont été rentrés par les entreprises agréées en vue d'obtenir leur remboursement.]1
[1 Le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale arrête le montant de l'intervention allouée à la société émettrice qui a été désignée.
A l'entame du marché public, et pour assurer à la société émettrice un disponible financier suffisant pour démarrer le marché, un montant fixe forfaitaire unique de 10.000.000 d'euros est versé par le Service public régional de Bruxelles à titre de provision, sur présentation d'une facture spécifique émise par la société émettrice.
Dans le cadre de l'exécution du marché, [2 l'administration]2 paye à la société émettrice les factures relatives aux titres-services sur la base du nombre de titres-services qui ont été rentrés par les entreprises agréées en vue d'obtenir leur remboursement.]1
Art. 6. <KB 2004-03-31/33, art. 10, 004; Inwerkingtreding : 16-04-2004> De gebruiker overhandigt per gepresteerd arbeidsuur een door hem ondertekende en gedateerde dienstencheque aan de werknemer op het moment dat de buurtwerken of -diensten zijn uitgevoerd. [1 De werknemer vult zijn naam in en brengt zijn handtekening op de dienstencheque aan.]1
[De ondernemingen groeperen prestaties van minder dan één uur voor rekening van één gebruiker tot een volledig arbeidsuur.] <KB 2006-03-05/39, art. 8, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
[1 De onderneming mag geen dienstencheques van de gebruiker aanvaarden als de buurtwerken of -diensten nog niet zijn uitgevoerd.]1
[De ondernemingen groeperen prestaties van minder dan één uur voor rekening van één gebruiker tot een volledig arbeidsuur.] <KB 2006-03-05/39, art. 8, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
[1 De onderneming mag geen dienstencheques van de gebruiker aanvaarden als de buurtwerken of -diensten nog niet zijn uitgevoerd.]1
Art. 6. <AR 2004-03-31/33, art. 10, 004; En vigueur : 16-04-2004> L'utilisateur remet par heure de travail accomplie un titre-service, qu'il a signé et daté, au travailleur au moment où les travaux et services de proximité sont effectués. [1 Le travailleur complète son nom et appose sa signature sur le titre-service.]1
[Les entreprises groupent des prestations de moins d'une heure pour le compte d'un seul utilisateur pour arriver à une heure de travail complète.] <AR 2006-03-05/39, art. 8, 010; En vigueur : 22-03-2006>
[1 L'entreprise ne peut pas accepter des titres-services de l'utilisateur si les travaux et services de proximité ne sont pas encore effectués.]1
[Les entreprises groupent des prestations de moins d'une heure pour le compte d'un seul utilisateur pour arriver à une heure de travail complète.] <AR 2006-03-05/39, art. 8, 010; En vigueur : 22-03-2006>
[1 L'entreprise ne peut pas accepter des titres-services de l'utilisateur si les travaux et services de proximité ne sont pas encore effectués.]1
Wijzigingen
Art. 6_VLAAMS_GEWEST. [1 Per gepresteerd arbeidsuur wordt een dienstencheque ingediend. De onderneming mag geen dienstencheques van de gebruiker aanvaarden als de buurtwerken of -diensten nog niet zijn uitgevoerd. Nadat de prestatie heeft plaatsgevonden, wordt die prestatie geregistreerd in het beheersysteem van het uitgiftebedrijf en op elektronische wijze gevalideerd door de werknemer.
Het departement bepaalt het principe en de modaliteiten van de elektronische procedure om prestaties te registreren.
De ondernemingen groeperen prestaties van minder dan één uur voor rekening van één gebruiker tot een volledig arbeidsuur]1.
Het departement bepaalt het principe en de modaliteiten van de elektronische procedure om prestaties te registreren.
De ondernemingen groeperen prestaties van minder dan één uur voor rekening van één gebruiker tot een volledig arbeidsuur]1.
Art. 6 _REGION_FLAMANDE.
[1 .Un titre-service est introduit pour chaque heure de travail effectuée. L'entreprise ne peut accepter aucun titre-service de l'utilisateur si les travaux ou services de proximité n'ont pas encore été réalisés. Une fois la prestation effectuée, celle-ci est enregistrée dans le système de gestion de la société émettrice et validée électroniquement par le travailleur.
Le département détermine le principe et les modalités de la procédure électronique d'enregistrement des prestations.
Les entreprises regroupent les prestations de moins d'une heure pour le compte d'un utilisateur en une heure de travail complète ]1.
[1 .Un titre-service est introduit pour chaque heure de travail effectuée. L'entreprise ne peut accepter aucun titre-service de l'utilisateur si les travaux ou services de proximité n'ont pas encore été réalisés. Une fois la prestation effectuée, celle-ci est enregistrée dans le système de gestion de la société émettrice et validée électroniquement par le travailleur.
Le département détermine le principe et les modalités de la procédure électronique d'enregistrement des prestations.
Les entreprises regroupent les prestations de moins d'une heure pour le compte d'un utilisateur en une heure de travail complète ]1.
Wijzigingen
Art. 6_WAALS_GEWEST. [1 § 1. De gebruiker overhandigt per gepresteerd arbeidsuur een door hem ondertekende en gedateerde dienstencheque aan de werknemer of valideert hij elektronisch een elektronische dienstencheque.
Die dienstencheque wordt overgemaakt of elektronisch gevalideerd op het moment dat de buurtwerken of -diensten zijn uitgevoerd en in ieder geval binnen twaalf maanden na de datum van de prestatie.
§ 2. De werknemer vult, in voorkomend geval elektronisch, de dienstencheque met zijn naam in en brengt zijn handtekening erop aan.
In afwijking van het eerste lid valideert de gebruiker, indien hij elektronische dienstencheque aanwendt, de dienstencheque elektronisch op datum waarop de buurtwerken of -diensten worden uitgevoerd en in ieder geval binnen twaalf maanden na de datum van de prestatie.
In afwijking van het eerste lid kan de Forem binnen tien dagen na ontvangst van de aanvraag van de erkende onderneming het uitgiftebedrijf toelaten om de tegemoetkoming te betalen voor een dienstencheque waarop de naam of de handtekening van de werknemer ontbrekend zouden zijn of wanneer de gebruiker geen dienstencheque overgemaakt op het moment waarop de buurtdiensten en -werken worden uitgevoerd.
Om in aanmerking te komen voor de in het derde lid bedoelde afwijking toont de erkende onderneming aan de "Forem" aan dat ze alle nodige middelen vereist voor de naleving van de in het eerste lid bedoelde regel tevergeefs heeft ingezet.
§ 3. De gebruiker moet een vergoeding gelijkwaardig aan de tegemoetkoming van het Waalse Gewest en tegen de aankoopprijs van de dienstencheque aan de erkende onderneming betalen wanneer hij, ondanks een voorafgaande ingebrekestelling, de dienstencheque(s), die na afloop van de in § 1 bedoelde termijn, verschuldigd was(waren), niet overgemaakt of niet elektronisch gevalideerd heeft.
De bewijslast van de werkelijkheid van de prestatie rust op de onderneming.
In geval van betwisting richt de gebruiker bedoelde bewijslast aan de erkende onderneming over.
§ 4. De erkende onderneming weigert de dienstencheque(s) van de gebruiker indien de buurtwerken en -diensten nog niet worden uitgevoerd.
§ 5. De erkende onderneming groepeert prestaties van minder dan één uur voor rekening van één gebruiker tot een volledig arbeidsuur.]1
Die dienstencheque wordt overgemaakt of elektronisch gevalideerd op het moment dat de buurtwerken of -diensten zijn uitgevoerd en in ieder geval binnen twaalf maanden na de datum van de prestatie.
§ 2. De werknemer vult, in voorkomend geval elektronisch, de dienstencheque met zijn naam in en brengt zijn handtekening erop aan.
In afwijking van het eerste lid valideert de gebruiker, indien hij elektronische dienstencheque aanwendt, de dienstencheque elektronisch op datum waarop de buurtwerken of -diensten worden uitgevoerd en in ieder geval binnen twaalf maanden na de datum van de prestatie.
In afwijking van het eerste lid kan de Forem binnen tien dagen na ontvangst van de aanvraag van de erkende onderneming het uitgiftebedrijf toelaten om de tegemoetkoming te betalen voor een dienstencheque waarop de naam of de handtekening van de werknemer ontbrekend zouden zijn of wanneer de gebruiker geen dienstencheque overgemaakt op het moment waarop de buurtdiensten en -werken worden uitgevoerd.
Om in aanmerking te komen voor de in het derde lid bedoelde afwijking toont de erkende onderneming aan de "Forem" aan dat ze alle nodige middelen vereist voor de naleving van de in het eerste lid bedoelde regel tevergeefs heeft ingezet.
§ 3. De gebruiker moet een vergoeding gelijkwaardig aan de tegemoetkoming van het Waalse Gewest en tegen de aankoopprijs van de dienstencheque aan de erkende onderneming betalen wanneer hij, ondanks een voorafgaande ingebrekestelling, de dienstencheque(s), die na afloop van de in § 1 bedoelde termijn, verschuldigd was(waren), niet overgemaakt of niet elektronisch gevalideerd heeft.
De bewijslast van de werkelijkheid van de prestatie rust op de onderneming.
In geval van betwisting richt de gebruiker bedoelde bewijslast aan de erkende onderneming over.
§ 4. De erkende onderneming weigert de dienstencheque(s) van de gebruiker indien de buurtwerken en -diensten nog niet worden uitgevoerd.
§ 5. De erkende onderneming groepeert prestaties van minder dan één uur voor rekening van één gebruiker tot een volledig arbeidsuur.]1
Art. 6 _REGION_WALLONNE.
[1 § 1er. Par heure de travail accomplie, l'utilisateur remet au travailleur un titre-service papier, qu'il a daté et signé, ou il valide électroniquement un titre-service électronique.
Ce titre-service est remis ou validé électroniquement au moment où les travaux et services de proximité sont effectués et en tout cas dans les douze mois suivant la date de la prestation.
§ 2. Le travailleur complète le titre-service par son nom et y appose sa signature, électronique le cas échéant.
Par dérogation à l'alinéa 1er, si l'utilisateur a recours à des titres-services électroniques, il valide électroniquement ceux-ci à la date où les travaux et services de proximité sont effectués, et au plus tard dans les douze mois suivant la date de la prestation.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le Forem peut dans un délai de dix jours à compter de la demande de l'entreprise agréée, autoriser la société émettrice à payer l'intervention pour un titre-service sur lequel le nom ou la signature du travailleur seraient manquants ou lorsque l'utilisateur ne remet pas de titre-service au moment où les services et travaux de proximité ont été effectués.
Pour bénéficier de la dérogation visée à l'alinéa 3, l'entreprise agréée démontre au Forem avoir déployé en vain toute la diligence requise au respect de la règle visée à l'alinéa 1er.
§ 3. L'utilisateur est redevable à l'entreprise agréée d'un dédommagement équivalent à l'intervention de la Région wallonne et au prix d'acquisition du titre-service lorsque, malgré une mise en demeure préalable, il n'a pas remis ou validé électroniquement le ou les titres-services dus à l'expiration du délai visé au paragraphe 1er.
La charge de la preuve de la réalité de la prestation incombe à l'entreprise.
En cas de contestation, l'utilisateur adresse celle-ci à l'entreprise agréée.
§ 4. L'entreprise agréée refuse le ou les titres-services de l'utilisateur si les travaux et services de proximité ne sont pas encore effectués.
§ 5. L'entreprise agréée groupe des prestations de moins d'une heure pour le compte d'un seul utilisateur pour arriver à une heure de travail complèt]1
[1 § 1er. Par heure de travail accomplie, l'utilisateur remet au travailleur un titre-service papier, qu'il a daté et signé, ou il valide électroniquement un titre-service électronique.
Ce titre-service est remis ou validé électroniquement au moment où les travaux et services de proximité sont effectués et en tout cas dans les douze mois suivant la date de la prestation.
§ 2. Le travailleur complète le titre-service par son nom et y appose sa signature, électronique le cas échéant.
Par dérogation à l'alinéa 1er, si l'utilisateur a recours à des titres-services électroniques, il valide électroniquement ceux-ci à la date où les travaux et services de proximité sont effectués, et au plus tard dans les douze mois suivant la date de la prestation.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le Forem peut dans un délai de dix jours à compter de la demande de l'entreprise agréée, autoriser la société émettrice à payer l'intervention pour un titre-service sur lequel le nom ou la signature du travailleur seraient manquants ou lorsque l'utilisateur ne remet pas de titre-service au moment où les services et travaux de proximité ont été effectués.
Pour bénéficier de la dérogation visée à l'alinéa 3, l'entreprise agréée démontre au Forem avoir déployé en vain toute la diligence requise au respect de la règle visée à l'alinéa 1er.
§ 3. L'utilisateur est redevable à l'entreprise agréée d'un dédommagement équivalent à l'intervention de la Région wallonne et au prix d'acquisition du titre-service lorsque, malgré une mise en demeure préalable, il n'a pas remis ou validé électroniquement le ou les titres-services dus à l'expiration du délai visé au paragraphe 1er.
La charge de la preuve de la réalité de la prestation incombe à l'entreprise.
En cas de contestation, l'utilisateur adresse celle-ci à l'entreprise agréée.
§ 4. L'entreprise agréée refuse le ou les titres-services de l'utilisateur si les travaux et services de proximité ne sont pas encore effectués.
§ 5. L'entreprise agréée groupe des prestations de moins d'une heure pour le compte d'un seul utilisateur pour arriver à une heure de travail complèt]1
Wijzigingen
Art. 6bis. [1 Voor de toepassing van artikel 3, § 2, eerste lid en van artikel 6, mag de onderneming de gebruiker niet vertegenwoordigen. De onderneming mag evenmin de werknemer vertegenwoordigen om de dienstencheques te ondertekenen.]1
Art. 6bis. [1 Pour l'application de l'article 3, § 2, alinéa 1er et de l'article 6, l'entreprise ne peut représenter l'utilisateur. L'entreprise ne peut pas non plus représenter le travailleur pour signer le titre-service.]1
Wijzigingen
Art. 6bis_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Voor de toepassing van artikel 3, § 2, eerste lid, en artikel 6 mag de onderneming de gebruiker niet vertegenwoordigen. Het bezit van identificatiecodes van de gebruiker door de erkende onderneming wordt beschouwd als vertegenwoordiging. De onderneming kan de werknemer ook niet vertegenwoordigen om de dienstencheque te ondertekenen.
In afwijking van lid 1 kan een gebruiker aan een bloed- of aanverwant tot in de tweede graad volmacht geven om namens hem de verrichtingen voor het bestellen en ondertekenen van dienstencheques of de elektronische validering van arbeidsprestaties uit te voeren.
In afwijking van lid 1 kan een gebruiker aan het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of de sociale dienst van de gemeente waarvan hij afhangt, volmacht geven om namens hem de verrichtingen voor het bestellen en ondertekenen van dienstencheques of de elektronische validering van arbeidsprestaties uit te voeren.
In de in de leden 2 en 3 bedoelde gevallen wordt de volmacht opgesteld, gedateerd en ondertekend door de gebruiker. De volmacht vermeldt de contactgegevens van de erkende onderneming die de gebruiker gebruikt en de contactgegevens van de gemachtigde die de gebruiker heeft aangewezen. De gebruiker stuurt de volmacht naar het bestuur.]1
In afwijking van lid 1 kan een gebruiker aan een bloed- of aanverwant tot in de tweede graad volmacht geven om namens hem de verrichtingen voor het bestellen en ondertekenen van dienstencheques of de elektronische validering van arbeidsprestaties uit te voeren.
In afwijking van lid 1 kan een gebruiker aan het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of de sociale dienst van de gemeente waarvan hij afhangt, volmacht geven om namens hem de verrichtingen voor het bestellen en ondertekenen van dienstencheques of de elektronische validering van arbeidsprestaties uit te voeren.
In de in de leden 2 en 3 bedoelde gevallen wordt de volmacht opgesteld, gedateerd en ondertekend door de gebruiker. De volmacht vermeldt de contactgegevens van de erkende onderneming die de gebruiker gebruikt en de contactgegevens van de gemachtigde die de gebruiker heeft aangewezen. De gebruiker stuurt de volmacht naar het bestuur.]1
Art. 6bis _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE. [1 Pour l'application de l'article 3, § 2, alinéa 1er et de l'article 6, l'entreprise ne peut représenter l'utilisateur. La détention par l'entreprise agréée des codes d'identification de l'utilisateur est assimilée à de la représentation. L'entreprise ne peut pas non plus représenter le travailleur pour signer le titre-service.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un utilisateur peut donner une procuration à un parent ou à un allié jusqu'au deuxième degré pour réaliser en son nom les opérations de commande, de signature de titres-services ou pour effectuer la validation électronique de prestations de travail.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un utilisateur peut donner une procuration au Centre public d'action sociale ou au service social de la Commune dont il dépend pour réaliser en son nom les opérations de commande, de signature de titres-services ou pour effectuer la validation électronique de prestations de travail.
Dans les cas visés aux alinéas 2 et 3, la procuration est écrite, datée et signée par l'utilisateur. Elle mentionne les coordonnées de l'entreprise agréée à laquelle l'utilisateur fait appel et les coordonnées du mandataire que l'utilisateur a désigné. L'utilisateur envoie la procuration à l'Administration.]1
Par dérogation à l'alinéa 1er, un utilisateur peut donner une procuration à un parent ou à un allié jusqu'au deuxième degré pour réaliser en son nom les opérations de commande, de signature de titres-services ou pour effectuer la validation électronique de prestations de travail.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un utilisateur peut donner une procuration au Centre public d'action sociale ou au service social de la Commune dont il dépend pour réaliser en son nom les opérations de commande, de signature de titres-services ou pour effectuer la validation électronique de prestations de travail.
Dans les cas visés aux alinéas 2 et 3, la procuration est écrite, datée et signée par l'utilisateur. Elle mentionne les coordonnées de l'entreprise agréée à laquelle l'utilisateur fait appel et les coordonnées du mandataire que l'utilisateur a désigné. L'utilisateur envoie la procuration à l'Administration.]1
Wijzigingen
Art. 6bis_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor de toepassing van artikel 3, § 2, eerste lid en van artikel 6, mag de onderneming de gebruiker niet vertegenwoordigen. [2 ...]2]1
Art. 6bis _REGION_FLAMANDE.
[1 Pour l'application de l'article 3, § 2, alinéa 1er et de l'article 6, l'entreprise ne peut représenter l'utilisateur. [2 ...]2.]1
[1 Pour l'application de l'article 3, § 2, alinéa 1er et de l'article 6, l'entreprise ne peut représenter l'utilisateur. [2 ...]2.]1
Art. 6bis_WAALS_GEWEST. [1 Voor de toepassing van artikel 3, § 2, eerste lid en van artikel 6, mag de onderneming de gebruiker niet vertegenwoordigen. [2 Het bezit van gebruikersidentificatiecodes door het erkende bedrijf wordt beschouwd als vertegenwoordiging]2 De onderneming mag evenmin de werknemer vertegenwoordigen om de dienstencheques te ondertekenen.]1
Art. 6bis _REGION_WALLONNE.
[1 Pour l'application de l'article 3, § 2, alinéa 1er et de l'article 6, l'entreprise ne peut représenter l'utilisateur. [2 La détention par l'entreprise agréée des codes d'identification de l'utilisateur est assimilée à de la représentation.]2 L'entreprise ne peut pas non plus représenter le travailleur pour signer le titre-service.]1
[1 Pour l'application de l'article 3, § 2, alinéa 1er et de l'article 6, l'entreprise ne peut représenter l'utilisateur. [2 La détention par l'entreprise agréée des codes d'identification de l'utilisateur est assimilée à de la représentation.]2 L'entreprise ne peut pas non plus représenter le travailleur pour signer le titre-service.]1
Art. 7. De erkende onderneming moet [1 haar erkenningsnummer en haar identiteit]1, op de dienstencheque vermelden. De erkende onderneming maakt de dienstencheques voor betaling over aan het uitgiftebedrijf [1 voor het einde van de negende maand die volgt op de maand van uitgifte van de dienstencheques]1. De erkende onderneming verklaart dat de gepresteerde werkuren waarvoor zij dienstencheques indient gepresteerd werden door personen, (die overeenkomstig de bepalingen van de wet en zijn uitvoeringsbesluiten tewerkgesteld zijn). [Om te voldoen aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2quater, § 4, eerste lid, 15°, moet de erkende onderneming de dienstencheques voor betaling aan het uitgiftebedrijf overmaken, gegroepeerd per maand waarin de prestaties effectief verricht zijn.] <KB 2004-01-09/33, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <KB 2006-03-05/39, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006> <KB 2007-07-13/36, art. 4, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
Art. 7. L'entreprise agréée doit indiquer sur le titre-service [1 son numéro d'agrément et son identité]1. L'entreprise agréée transmet les titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement [1 avant la fin du neuvième mois qui suit le mois d'émission des titres-services]1. L'entreprise agréée certifie que les heures de travail pour lesquelles elle introduit des titres-services ont été prestées par des personnes, (occupées conformément aux dispositions de la loi et ses arrêtés d'exécution). (Pour remplir la condition prévue à l'article 2quater, § 4, alinéa 1er, 15°, l'entreprise agréée doit transmettre les titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement, groupés par mois dans lequel les prestations sont effectivement effectuées.) <AR 2004-01-09/33, art. 7, 002; En vigueur : 01-01-2004> <AR 2006-03-05/39, art. 9, 010; En vigueur : 22-03-2006> <AR 2007-07-13/36, art. 4, 013; En vigueur : 01-08-2007>
Wijzigingen
Art. 7_WAALS_GEWEST. De erkende onderneming moet [1 haar erkenningsnummer en haar identiteit]1, op de dienstencheque vermelden. De erkende onderneming maakt de dienstencheques voor betaling over aan het uitgiftebedrijf [1 voor het einde van de [2 tiende]2 maand die volgt op de maand van uitgifte van de dienstencheques]1. De erkende onderneming verklaart dat de gepresteerde werkuren waarvoor zij dienstencheques indient gepresteerd werden door personen, (die overeenkomstig de bepalingen van de wet en zijn uitvoeringsbesluiten tewerkgesteld zijn). [Om te voldoen aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2quater, § 4, eerste lid, 15°, moet de erkende onderneming de dienstencheques voor betaling aan het uitgiftebedrijf overmaken, gegroepeerd per maand waarin de prestaties effectief verricht zijn.] <KB 2004-01-09/33, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <KB 2006-03-05/39, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006> <KB 2007-07-13/36, art. 4, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
Art. 7 _REGION_WALLONNE.
L'entreprise agréée doit indiquer sur le titre-service [1 son numéro d'agrément et son identité]1. L'entreprise agréée transmet les titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement [1 avant la fin du [2 dixième]2 mois qui suit le mois d'émission des titres-services]1. L'entreprise agréée certifie que les heures de travail pour lesquelles elle introduit des titres-services ont été prestées par des personnes, (occupées conformément aux dispositions de la loi et ses arrêtés d'exécution). (Pour remplir la condition prévue à l'article 2quater, § 4, alinéa 1er, 15°, l'entreprise agréée doit transmettre les titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement, groupés par mois dans lequel les prestations sont effectivement effectuées.) <AR 2004-01-09/33, art. 7, 002; En vigueur : 01-01-2004> <AR 2006-03-05/39, art. 9, 010; En vigueur : 22-03-2006> <AR 2007-07-13/36, art. 4, 013; En vigueur : 01-08-2007>
L'entreprise agréée doit indiquer sur le titre-service [1 son numéro d'agrément et son identité]1. L'entreprise agréée transmet les titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement [1 avant la fin du [2 dixième]2 mois qui suit le mois d'émission des titres-services]1. L'entreprise agréée certifie que les heures de travail pour lesquelles elle introduit des titres-services ont été prestées par des personnes, (occupées conformément aux dispositions de la loi et ses arrêtés d'exécution). (Pour remplir la condition prévue à l'article 2quater, § 4, alinéa 1er, 15°, l'entreprise agréée doit transmettre les titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement, groupés par mois dans lequel les prestations sont effectivement effectuées.) <AR 2004-01-09/33, art. 7, 002; En vigueur : 01-01-2004> <AR 2006-03-05/39, art. 9, 010; En vigueur : 22-03-2006> <AR 2007-07-13/36, art. 4, 013; En vigueur : 01-08-2007>
Art. 7_VLAAMS_GEWEST. [4 ...]4 De erkende onderneming maakt de dienstencheques voor betaling over aan het uitgiftebedrijf [1 [2 voor het einde van de dertiende maand na de uitgifte van de dienstencheques]2]1. De erkende onderneming verklaart dat de gepresteerde werkuren waarvoor zij dienstencheques indient gepresteerd werden door personen, (die overeenkomstig de bepalingen van de wet en zijn uitvoeringsbesluiten tewerkgesteld zijn). [Om te voldoen aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2quater, § 4, eerste lid, 15°, moet de erkende onderneming de dienstencheques voor betaling aan het uitgiftebedrijf overmaken, gegroepeerd per maand waarin de prestaties effectief verricht zijn.] <KB 2004-01-09/33, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <KB 2006-03-05/39, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006> <KB 2007-07-13/36, art. 4, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
[4 ...]4
[4 ...]4
Art. 7 _REGION_FLAMANDE.[4 ...]4 L'entreprise agréée transmet les titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement [1 avant la fin du [2 dixième]2 mois qui suit le mois d'émission des titres-services]1. L'entreprise agréée certifie que les heures de travail pour lesquelles elle introduit des titres-services ont été prestées par des personnes, (occupées conformément aux dispositions de la loi et ses arrêtés d'exécution). (Pour remplir la condition prévue à l'article 2quater, § 4, alinéa 1er, 15°, l'entreprise agréée doit transmettre les titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement, groupés par mois dans lequel les prestations sont effectivement effectuées.) <AR 2004-01-09/33, art. 7, 002; En vigueur : 01-01-2004> <AR 2006-03-05/39, art. 9, 010; En vigueur : 22-03-2006> <AR 2007-07-13/36, art. 4, 013; En vigueur : 01-08-2007>
[4 ...]4
[4 ...]4
Art. 7_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. De erkende onderneming moet [1 haar erkenningsnummer en haar identiteit]1, op de dienstencheque vermelden. De erkende onderneming maakt de dienstencheques voor betaling over aan het uitgiftebedrijf [1 voor het einde van de [2 zevende]2 maand die volgt op de maand van uitgifte van de dienstencheques]1. De erkende onderneming verklaart dat de gepresteerde werkuren waarvoor zij dienstencheques indient gepresteerd werden door personen, (die overeenkomstig de bepalingen van de wet en zijn uitvoeringsbesluiten tewerkgesteld zijn). [Om te voldoen aan de voorwaarde bedoeld in artikel 2quater, § 4, eerste lid, 15°, moet de erkende onderneming de dienstencheques voor betaling aan het uitgiftebedrijf overmaken, gegroepeerd per maand waarin de prestaties effectief verricht zijn.] <KB 2004-01-09/33, art. 7, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <KB 2006-03-05/39, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006> <KB 2007-07-13/36, art. 4, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
Art. 7 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
L'entreprise agréée doit indiquer sur le titre-service [1 son numéro d'agrément et son identité]1. L'entreprise agréée transmet les titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement [1 avant la fin du [2 septième]2 mois qui suit le mois d'émission des titres-services]1. L'entreprise agréée certifie que les heures de travail pour lesquelles elle introduit des titres-services ont été prestées par des personnes, (occupées conformément aux dispositions de la loi et ses arrêtés d'exécution). (Pour remplir la condition prévue à l'article 2quater, § 4, alinéa 1er, 15°, l'entreprise agréée doit transmettre les titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement, groupés par mois dans lequel les prestations sont effectivement effectuées.) <AR 2004-01-09/33, art. 7, 002; En vigueur : 01-01-2004> <AR 2006-03-05/39, art. 9, 010; En vigueur : 22-03-2006> <AR 2007-07-13/36, art. 4, 013; En vigueur : 01-08-2007>
L'entreprise agréée doit indiquer sur le titre-service [1 son numéro d'agrément et son identité]1. L'entreprise agréée transmet les titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement [1 avant la fin du [2 septième]2 mois qui suit le mois d'émission des titres-services]1. L'entreprise agréée certifie que les heures de travail pour lesquelles elle introduit des titres-services ont été prestées par des personnes, (occupées conformément aux dispositions de la loi et ses arrêtés d'exécution). (Pour remplir la condition prévue à l'article 2quater, § 4, alinéa 1er, 15°, l'entreprise agréée doit transmettre les titres-services à la société émettrice aux fins de remboursement, groupés par mois dans lequel les prestations sont effectivement effectuées.) <AR 2004-01-09/33, art. 7, 002; En vigueur : 01-01-2004> <AR 2006-03-05/39, art. 9, 010; En vigueur : 22-03-2006> <AR 2007-07-13/36, art. 4, 013; En vigueur : 01-08-2007>
Art. 7bis. <INGEVOEGD bij KB 2005-11-10/36, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 03-12-2005> De verrichtingen en gegevens betreffende de aankoop en het gebruik door middel van de elektronische procedure, worden gelijkgesteld met de verrichtingen en gegevens betreffende de aankoop en het gebruik van de dienstencheque bedoeld in de artikelen 3 tot 7.
Art. 7bis. Les opérations et données relatives à l'acquisition et à l'utilisation effectuées au moyen du procédé électronique sont assimilées aux opérations et données relatives à l'acquisition et à l'utilisation du titre-service visées aux articles 3 à 7.
Art. 7bis_VLAAMS_GEWEST.
Art. 7bis _REGION_FLAMANDE.
Art. 8. [1 § 1. Na validatie van de dienstencheques door het uitgiftebedrijf, stort dit binnen de tien werkdagen te rekenen vanaf de ontvangst van de dienstencheque opgestuurd door de erkende onderneming, een bedrag gelijk aan de aanschafprijs van de dienstencheque bedoeld in artikel 3, § 2, eerste lid, vermeerderd met de tegemoetkoming die voorgeschoten werd aan het uitgiftebedrijf, op de bankrekening van de erkende onderneming.
[3 Het bedrag van deze tegemoetkoming is gelijk aan [4 13,04 EUR]4 per dienstencheque voor de dienstencheques waarvan de aanschafprijs [4 9 EUR]4 bedraagt en [4 12,04 EUR]4 per dienstencheque voor de dienstencheques waarvan de aanschafprijs [4 10 EUR]4 bedraagt. Het bedrag van de tegemoetkoming is verhoogd zoals voorzien in het volgende lid.]3
Telkens de spilindex, zoals bedoeld in de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, overschreden wordt, wordt het bedrag bedoeld in het vorige lid verhoogd met 2 % van 73 % [3 van de som van de aanschafprijs van de dienstencheque en de daaraan gekoppelde tegemoetkoming]3.
Wanneer het overeenkomstig het vorig lid berekende bedrag een gedeelte van een cent bevat wordt het afgerond naar de hogere cent wanneer de derde decimaal gelijk is aan of hoger is dan vijf en naar de lagere cent wanneer de derde decimaal lager is dan vijf.
De verhoging bedoeld in het derde lid wordt toegepast op elke dienstencheque die wordt aangekocht door de gebruiker vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de index het cijfer bereikt dat de wijziging rechtvaardigt en waarvoor de erkende onderneming een dienstencheque indient bij het uitgiftebedrijf. De datum van betaling door de gebruiker is de datum waarop de rekening van het uitgiftebedrijf gecrediteerd werd.
§ 2. Teneinde de afrekening van de voorschotten bedoeld in artikel 5 mogelijk te maken, licht het uitgiftebedrijf maandelijks de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening in over het aantal gevalideerde en aan de erkende onderneming terugbetaalde dienstencheques en dat door middel van een geïnformatiseerde overzichtslijst opgesplitst volgens het Gewest waar de gebruiker gedomicilieerd is.]1
[3 Het bedrag van deze tegemoetkoming is gelijk aan [4 13,04 EUR]4 per dienstencheque voor de dienstencheques waarvan de aanschafprijs [4 9 EUR]4 bedraagt en [4 12,04 EUR]4 per dienstencheque voor de dienstencheques waarvan de aanschafprijs [4 10 EUR]4 bedraagt. Het bedrag van de tegemoetkoming is verhoogd zoals voorzien in het volgende lid.]3
Telkens de spilindex, zoals bedoeld in de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, overschreden wordt, wordt het bedrag bedoeld in het vorige lid verhoogd met 2 % van 73 % [3 van de som van de aanschafprijs van de dienstencheque en de daaraan gekoppelde tegemoetkoming]3.
Wanneer het overeenkomstig het vorig lid berekende bedrag een gedeelte van een cent bevat wordt het afgerond naar de hogere cent wanneer de derde decimaal gelijk is aan of hoger is dan vijf en naar de lagere cent wanneer de derde decimaal lager is dan vijf.
De verhoging bedoeld in het derde lid wordt toegepast op elke dienstencheque die wordt aangekocht door de gebruiker vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de index het cijfer bereikt dat de wijziging rechtvaardigt en waarvoor de erkende onderneming een dienstencheque indient bij het uitgiftebedrijf. De datum van betaling door de gebruiker is de datum waarop de rekening van het uitgiftebedrijf gecrediteerd werd.
§ 2. Teneinde de afrekening van de voorschotten bedoeld in artikel 5 mogelijk te maken, licht het uitgiftebedrijf maandelijks de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening in over het aantal gevalideerde en aan de erkende onderneming terugbetaalde dienstencheques en dat door middel van een geïnformatiseerde overzichtslijst opgesplitst volgens het Gewest waar de gebruiker gedomicilieerd is.]1
Art. 8. [1 § 1er. Après validation des titres-services par la société émettrice, celle-ci verse au compte bancaire de l'entreprise agréée, dans les dix jours ouvrables à compter de la réception du titre-service envoyé par celle-ci, un montant égal au prix d'acquisition du titre-service visé à l'article 3, § 2, alinéa 1er, majoré de l'intervention qui a été avancée à la société émettrice.
[3 le montant de cette intervention est égal à [4 13,04 EUR]4 par titre-service pour les titres-services dont le prix d'acquisition et de [4 9 EUR]4 et [4 12,04 EUR]4 par titre-service pour les titres-services dont le prix d'acquisition est de [4 10 EUR]4. Le montant de l'intervention est augmenté comme prévu à l'alinéa suivant.]3
Chaque fois que l'indice-pivot, visé dans la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants, est dépassé, le montant visé à l'alinéa précédent est augmenté de 2 % de 73 % [3 de la somme du prix de l'acquisition du titre-service et l'intervention qui y est liée.]3.
Lorsque le montant, calculé conformément à l'alinéa précédent, comporte une fraction de cent, elle est arrondie au cent supérieur lorsque la troisième décimale est égale ou supérieure à cinq et au cent inférieur lorsque la troisième décimale est inférieure à cinq.
L'augmentation visée à l'alinéa 3 est appliquée à chaque titre-service qui est acheté par l'utilisateur à partir du premier jour du mois qui suit celui dont l'indice atteint le chiffre qui justifie la modification et pour laquelle l'entreprise agréée introduit un titre-service à la société émettrice. La date de paiement par l'utilisateur est la date à laquelle le compte de la société émettrice a été crédité.
§ 2. Afin de pouvoir établir le décompte des avances visées à l'article 5, la société émettrice informe mensuellement l'Office national de l'Emploi du nombre de titres-services validés et remboursés à l'entreprise agréée et ce, au moyen d'une liste récapitulative informatisée et divisée par Région sur base du domicile de l'utilisateur.]1
[3 le montant de cette intervention est égal à [4 13,04 EUR]4 par titre-service pour les titres-services dont le prix d'acquisition et de [4 9 EUR]4 et [4 12,04 EUR]4 par titre-service pour les titres-services dont le prix d'acquisition est de [4 10 EUR]4. Le montant de l'intervention est augmenté comme prévu à l'alinéa suivant.]3
Chaque fois que l'indice-pivot, visé dans la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants, est dépassé, le montant visé à l'alinéa précédent est augmenté de 2 % de 73 % [3 de la somme du prix de l'acquisition du titre-service et l'intervention qui y est liée.]3.
Lorsque le montant, calculé conformément à l'alinéa précédent, comporte une fraction de cent, elle est arrondie au cent supérieur lorsque la troisième décimale est égale ou supérieure à cinq et au cent inférieur lorsque la troisième décimale est inférieure à cinq.
L'augmentation visée à l'alinéa 3 est appliquée à chaque titre-service qui est acheté par l'utilisateur à partir du premier jour du mois qui suit celui dont l'indice atteint le chiffre qui justifie la modification et pour laquelle l'entreprise agréée introduit un titre-service à la société émettrice. La date de paiement par l'utilisateur est la date à laquelle le compte de la société émettrice a été crédité.
§ 2. Afin de pouvoir établir le décompte des avances visées à l'article 5, la société émettrice informe mensuellement l'Office national de l'Emploi du nombre de titres-services validés et remboursés à l'entreprise agréée et ce, au moyen d'une liste récapitulative informatisée et divisée par Région sur base du domicile de l'utilisateur.]1
Art. 8_WAALS_GEWEST. [1 § 1. [5 Na validatie van de dienstencheques door het uitgiftebedrijf, stort dit, voor de papieren dienstencheques, binnen vijf werkdagen na ontvangst van de dienstencheque opgestuurd door de erkende onderneming, en voor de elektronische dienstencheques, binnen twee werkdagen na ontvangst van de dienstencheque opgestuurd door de erkende onderneming, een bedrag gelijk aan de aanschafprijs van de dienstencheque bedoeld in artikel 3, § 2, eerste lid, vermeerderd met de tegemoetkoming [8 bedoeld in het tweede lid]8, op de bankrekening van de erkende onderneming.]5
[3 [8 Vanaf 1 januari 2024, rekening houdend met de regel bedoeld in artikel 3/2, Ї 2, bedraagt het bedrag van de tegemoetkoming per dienstencheque:
1А 18,98 euro als de cheque werd aangekocht tegen de prijs bedoeld in artikel 3/2, Ї 1, eerste lid;
2А 17,98 euro als de cheque werd aangekocht tegen de prijs bedoeld in artikel 3/2, Ї 1, tweede lid;
3А 16,98 euro als de cheque werd aangekocht tegen de prijs bedoeld in artikel 3/2, Ї 1, derde lid.]8]3
Telkens de spilindex, zoals bedoeld in de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, overschreden wordt, wordt [8 het bedrag van de tegemoetkoming verhoogd met twee procent]8]3.
Wanneer het overeenkomstig het vorig lid berekende bedrag een gedeelte van een cent bevat wordt het afgerond naar de hogere cent wanneer de derde decimaal gelijk is aan of hoger is dan vijf en naar de lagere cent wanneer de derde decimaal lager is dan vijf.
[8 De in het derde lid bedoelde verhoging wordt toegepast op elke dienstencheque die voor een verleende dienst wordt afgegeven vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het indexcijfer het cijfer bereikt dat de wijziging rechtvaardigt.]8
[9 In afwijking van lid 3 wordt, indien de spilindex in de loop van 2026 wordt overschreden, het bedrag van de gewestelijke tussenkomst geïndexeerd met één procent in plaats van twee procent. ]9
§ 2. [8 ...]8 licht het uitgiftebedrijf [8 dagelijks]8 [7 de Forem]7 in over het aantal gevalideerde en aan de erkende onderneming terugbetaalde dienstencheques en dat door middel van een geïnformatiseerde overzichtslijst opgesplitst volgens het Gewest waar de gebruiker [7 zijn hoofdverblijfplaats in de zin van artikel 1, tweede en derde lid, heeft]7.]1
[3 [8 Vanaf 1 januari 2024, rekening houdend met de regel bedoeld in artikel 3/2, Ї 2, bedraagt het bedrag van de tegemoetkoming per dienstencheque:
1А 18,98 euro als de cheque werd aangekocht tegen de prijs bedoeld in artikel 3/2, Ї 1, eerste lid;
2А 17,98 euro als de cheque werd aangekocht tegen de prijs bedoeld in artikel 3/2, Ї 1, tweede lid;
3А 16,98 euro als de cheque werd aangekocht tegen de prijs bedoeld in artikel 3/2, Ї 1, derde lid.]8]3
Telkens de spilindex, zoals bedoeld in de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, overschreden wordt, wordt [8 het bedrag van de tegemoetkoming verhoogd met twee procent]8]3.
Wanneer het overeenkomstig het vorig lid berekende bedrag een gedeelte van een cent bevat wordt het afgerond naar de hogere cent wanneer de derde decimaal gelijk is aan of hoger is dan vijf en naar de lagere cent wanneer de derde decimaal lager is dan vijf.
[8 De in het derde lid bedoelde verhoging wordt toegepast op elke dienstencheque die voor een verleende dienst wordt afgegeven vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin het indexcijfer het cijfer bereikt dat de wijziging rechtvaardigt.]8
[9 In afwijking van lid 3 wordt, indien de spilindex in de loop van 2026 wordt overschreden, het bedrag van de gewestelijke tussenkomst geïndexeerd met één procent in plaats van twee procent. ]9
§ 2. [8 ...]8 licht het uitgiftebedrijf [8 dagelijks]8 [7 de Forem]7 in over het aantal gevalideerde en aan de erkende onderneming terugbetaalde dienstencheques en dat door middel van een geïnformatiseerde overzichtslijst opgesplitst volgens het Gewest waar de gebruiker [7 zijn hoofdverblijfplaats in de zin van artikel 1, tweede en derde lid, heeft]7.]1
Wijzigingen
Art. 8 _REGION_WALLONNE.
[1 § 1er. [5 Après validation des titres-services par la société émettrice, celle-ci verse au compte bancaire de l'entreprise agréée, pour les titres-services papiers, dans les cinq jours ouvrables à compter de la réception du titre-service envoyé par celle-ci et, pour les titres-services électroniques, dans les deux jours ouvrables à compter de la réception du titre-service envoyé par celle-ci, un montant égal au prix d'acquisition du titre-service visé à l'article 3, § 2, alinéa 1er, majoré de l'intervention [8 visée à l'alinéa 2]8. ]5
[3 [8 A partir du 1er janvier 2024, compte tenu de la règle visée à l'article 3/2, § 2, le montant de l'intervention par titre-service est égal à :
1° 18,98 euros s'il a été acquis au prix visé à l'article 3/2, § 1er, 1° ;
2° 17,98 euros s'il a été acquis au prix visé à l'article 3/2, § 1er, 2° ;
3° 16,98 euros s'il a été acquis au prix visé à l'article 3/2, § 1er, 3°. ]8]3
Chaque fois que l'indice-pivot, visé dans la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants, est dépassé, [8 le montant de l'intervention est augmenté de deux pour cent]8]3.
Lorsque le montant, calculé conformément à l'alinéa précédent, comporte une fraction de cent, elle est arrondie au cent supérieur lorsque la troisième décimale est égale ou supérieure à cinq et au cent inférieur lorsque la troisième décimale est inférieure à cinq.
[8 L'augmentation visée à l'alinéa 3 est appliquée à chaque titre-service remis pour une prestation effectuée à partir du premier jour du mois qui suit celui dont l'indice atteint le chiffre qui justifie la modification]8.
[9 Par dérogation à l'alinéa 3, le dépassement de l'indice-pivot intervenu au cours de l'année 2026 entraîne une indexation du montant de l'intervention régionale d'un pourcent au lieu de deux pourcents.]9
§ 2. [8 ...]8 la société émettrice informe [8 quotidiennement]8 [7 le Forem ]7 du nombre de titres-services validés et remboursés à l'entreprise agréée et ce, au moyen d'une liste récapitulative informatisée et divisée par Région sur base [7 de la résidence principale au sens de l'article 1er, alinéas 2 et 3, ]7 de l'utilisateur.]1
[1 § 1er. [5 Après validation des titres-services par la société émettrice, celle-ci verse au compte bancaire de l'entreprise agréée, pour les titres-services papiers, dans les cinq jours ouvrables à compter de la réception du titre-service envoyé par celle-ci et, pour les titres-services électroniques, dans les deux jours ouvrables à compter de la réception du titre-service envoyé par celle-ci, un montant égal au prix d'acquisition du titre-service visé à l'article 3, § 2, alinéa 1er, majoré de l'intervention [8 visée à l'alinéa 2]8. ]5
[3 [8 A partir du 1er janvier 2024, compte tenu de la règle visée à l'article 3/2, § 2, le montant de l'intervention par titre-service est égal à :
1° 18,98 euros s'il a été acquis au prix visé à l'article 3/2, § 1er, 1° ;
2° 17,98 euros s'il a été acquis au prix visé à l'article 3/2, § 1er, 2° ;
3° 16,98 euros s'il a été acquis au prix visé à l'article 3/2, § 1er, 3°. ]8]3
Chaque fois que l'indice-pivot, visé dans la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants, est dépassé, [8 le montant de l'intervention est augmenté de deux pour cent]8]3.
Lorsque le montant, calculé conformément à l'alinéa précédent, comporte une fraction de cent, elle est arrondie au cent supérieur lorsque la troisième décimale est égale ou supérieure à cinq et au cent inférieur lorsque la troisième décimale est inférieure à cinq.
[8 L'augmentation visée à l'alinéa 3 est appliquée à chaque titre-service remis pour une prestation effectuée à partir du premier jour du mois qui suit celui dont l'indice atteint le chiffre qui justifie la modification]8.
[9 Par dérogation à l'alinéa 3, le dépassement de l'indice-pivot intervenu au cours de l'année 2026 entraîne une indexation du montant de l'intervention régionale d'un pourcent au lieu de deux pourcents.]9
§ 2. [8 ...]8 la société émettrice informe [8 quotidiennement]8 [7 le Forem ]7 du nombre de titres-services validés et remboursés à l'entreprise agréée et ce, au moyen d'une liste récapitulative informatisée et divisée par Région sur base [7 de la résidence principale au sens de l'article 1er, alinéas 2 et 3, ]7 de l'utilisateur.]1
Wijzigingen
Art. 8_VLAAMS_GEWEST. [1 § 1. [12 Nadat het uitgiftebedrijf de dienstencheques heeft gevalideerd, stort het uitgiftebedrijf binnen tien werkdagen vanaf de dag waarop het de dienstencheque heeft ontvangen, een bedrag dat gelijk is aan de aanschafprijs van de dienstencheque, vermeld in artikel 3, § 2, eerste lid, vermeerderd met de tegemoetkoming, vermeld in het tweede lid, op de bankrekening van de erkende onderneming]12g.
[3 [14 Het bedrag van de tegemoetkoming is gelijk aan 19,63 euro per dienstencheque voor de dienstencheques waarvan de aanschafprijs 10 euro bedraagt, en 18,63 euro per dienstencheque voor de dienstencheques waarvan de aanschafprijs 11 euro bedraagt. Het bedrag van de tegemoetkoming is gelijk aan 19,63 euro per dienstencheque voor de dienstencheques waarvan de aanschafprijs tot en met 31 december 2024 9 euro bedroeg, en 18,63 euro per dienstencheque voor de dienstencheques waarvan de aanschafprijs tot en met 31 december 2024 10 euro bedroeg, en waarvan de prestaties geleverd worden vanaf 1 oktober 2025. Het bedrag van de tegemoetkoming wordt verhoogd conform het derde lid. Voor de dienstencheques waarvan de prestatie is geleverd in de periode van 1 maart 2025 tot en met 30 september 2025, wordt het bedrag van de tegemoetkoming, zoals van toepassing in de periode van 1 maart 2025 tot en met 30 september 2025, op 1 oktober 2025 verhoogd met 1 euro per dienstencheque. Om recht te hebben op die verhoogde tegemoetkoming van 1 euro, worden die dienstencheques uiterlijk op 31 december 2025 aan het uitgiftebedrijf aangeboden voor terugbetaling]14.]11
Telkens de spilindex, zoals bedoeld in de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, overschreden wordt, wordt het bedrag bedoeld in het vorige lid verhoogd met 2 % [11 ...]11 [3 van de som van de aanschafprijs van de dienstencheque en de daaraan gekoppelde tegemoetkoming]3.
Wanneer het overeenkomstig het vorig lid berekende bedrag een gedeelte van een cent bevat wordt het afgerond naar de hogere cent wanneer de derde decimaal gelijk is aan of hoger is dan vijf en naar de lagere cent wanneer de derde decimaal lager is dan vijf.
[12 De verhoging, vermeld in het derde lid, wordt toegepast op elke dienstencheque waarvoor de prestatie wordt geleverd vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de spilindex, vermeld in het derde lid, wordt overschreden]12.
[12 De tegemoetkoming, vermeld in het eerste lid, en de verhoging, vermeld in het derde lid, van een dienstencheque die uitgegeven is tot en met 31 december 2024, wordt bepaald door de datum waarop de dienstencheque wordt uitgegeven. De tegemoetkoming en de verhoging van een dienstencheque die uitgegeven is vanaf 1 januari 2025, wordt bepaald door de datum waarop de prestatie is geleverd.]12 [14 Vanaf 1 oktober 2025 worden de tegemoetkoming en de verhoging van elke dienstencheque, ongeacht de datum van uitgifte, bepaald door de datum waarop de prestatie is geleverd.]14
§ 2. [12 Om de afrekening, vermeld in artikel 5, mogelijk te maken, licht het uitgiftebedrijf periodiek het departement in over het aantal gevalideerde dienstencheques die aan de erkende onderneming zijn terugbetaald. De voormelde melding gebeurt met een geïnformatiseerde overzichtslijst waarvan de modaliteiten worden bepaald door het departement]12
[3 [14 Het bedrag van de tegemoetkoming is gelijk aan 19,63 euro per dienstencheque voor de dienstencheques waarvan de aanschafprijs 10 euro bedraagt, en 18,63 euro per dienstencheque voor de dienstencheques waarvan de aanschafprijs 11 euro bedraagt. Het bedrag van de tegemoetkoming is gelijk aan 19,63 euro per dienstencheque voor de dienstencheques waarvan de aanschafprijs tot en met 31 december 2024 9 euro bedroeg, en 18,63 euro per dienstencheque voor de dienstencheques waarvan de aanschafprijs tot en met 31 december 2024 10 euro bedroeg, en waarvan de prestaties geleverd worden vanaf 1 oktober 2025. Het bedrag van de tegemoetkoming wordt verhoogd conform het derde lid. Voor de dienstencheques waarvan de prestatie is geleverd in de periode van 1 maart 2025 tot en met 30 september 2025, wordt het bedrag van de tegemoetkoming, zoals van toepassing in de periode van 1 maart 2025 tot en met 30 september 2025, op 1 oktober 2025 verhoogd met 1 euro per dienstencheque. Om recht te hebben op die verhoogde tegemoetkoming van 1 euro, worden die dienstencheques uiterlijk op 31 december 2025 aan het uitgiftebedrijf aangeboden voor terugbetaling]14.]11
Telkens de spilindex, zoals bedoeld in de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, overschreden wordt, wordt het bedrag bedoeld in het vorige lid verhoogd met 2 % [11 ...]11 [3 van de som van de aanschafprijs van de dienstencheque en de daaraan gekoppelde tegemoetkoming]3.
Wanneer het overeenkomstig het vorig lid berekende bedrag een gedeelte van een cent bevat wordt het afgerond naar de hogere cent wanneer de derde decimaal gelijk is aan of hoger is dan vijf en naar de lagere cent wanneer de derde decimaal lager is dan vijf.
[12 De verhoging, vermeld in het derde lid, wordt toegepast op elke dienstencheque waarvoor de prestatie wordt geleverd vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de spilindex, vermeld in het derde lid, wordt overschreden]12.
[12 De tegemoetkoming, vermeld in het eerste lid, en de verhoging, vermeld in het derde lid, van een dienstencheque die uitgegeven is tot en met 31 december 2024, wordt bepaald door de datum waarop de dienstencheque wordt uitgegeven. De tegemoetkoming en de verhoging van een dienstencheque die uitgegeven is vanaf 1 januari 2025, wordt bepaald door de datum waarop de prestatie is geleverd.]12 [14 Vanaf 1 oktober 2025 worden de tegemoetkoming en de verhoging van elke dienstencheque, ongeacht de datum van uitgifte, bepaald door de datum waarop de prestatie is geleverd.]14
§ 2. [12 Om de afrekening, vermeld in artikel 5, mogelijk te maken, licht het uitgiftebedrijf periodiek het departement in over het aantal gevalideerde dienstencheques die aan de erkende onderneming zijn terugbetaald. De voormelde melding gebeurt met een geïnformatiseerde overzichtslijst waarvan de modaliteiten worden bepaald door het departement]12
Wijzigingen
Art. 8 _REGION_FLAMANDE.
[1 § 1er. [12 Après validation des titres-services par la société émettrice, celle-ci verse au compte bancaire de l'entreprise agréée, dans les dix jours ouvrables à compter de la réception du titre-service, un montant égal au prix d'achat du titre-service visé à l'article 3, § 2, alinéa 1er, majoré de l'intervention visée à l'alinéa 2]12.
[3 [14 Le montant de l'intervention est égal à 19,63 euros par titre-service pour les titres-services dont le prix d'acquisition est de 10 euros et 18,63 euros par titre-service pour les titres-services dont le prix d'acquisition est de 11 euros. Le montant de l'intervention est égal à 19,63 euros par titre-service pour les titres-services dont le prix d'acquisition était, jusqu'au 31 décembre 2024, de 9 euros, et 18,63 euros par titre-service pour les titres-services dont le prix d'acquisition était, jusqu'au 31 décembre 2024, de 10 euros, en dont les prestations sont fournies à partir du 1er octobre 2025. Le montant de l'intervention est augmenté conformément à l'alinéa 3. Pour les titres-services dont la prestation a été fournie dans la période du 1er mars 2025 au 30 septembre 2025, le montant de l'intervention, tel qu'applicable dans la période du 1er mars 2025 au 30 septembre 2025, est augmenté le 1er octobre 2025 de 1 euro par titre-service. Pour bénéficier de cette intervention augmentée de 1 euro, ces titres-services sont présentés pour remboursement à la société émettrice au plus tard le 31 décembre 2025]14.]11
Chaque fois que l'indice-pivot, visé dans la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants, est dépassé, le montant visé à l'alinéa précédent est augmenté de 2 % [11 ...]11 [3 de la somme du prix de l'acquisition du titre-service et l'intervention qui y est liée.]3.
Lorsque le montant, calculé conformément à l'alinéa précédent, comporte une fraction de cent, elle est arrondie au cent supérieur lorsque la troisième décimale est égale ou supérieure à cinq et au cent inférieur lorsque la troisième décimale est inférieure à cinq.
[12 L'augmentation mentionnée à l'alinéa 3 est appliquée à chaque titre-service pour lequel la prestation est fournie à partir du premier jour du mois suivant le mois au cours duquel l'indice pivot mentionné à l'alinéa 3, est dépassé]12.
[12 L'intervention visée à l'alinéa 1er et la majoration visée à l'alinéa 3 d'un titre-service émis jusqu'au 31 décembre 2024 est déterminée par la date d'émission du titre-service. L'intervention et la majoration d'un titre-service émis à partir du 1er janvier 2025 seront déterminées par la date à laquelle la prestation a été fournie.]12 [14 A partir du 1er octobre 2025, l'intervention et l'augmentation de chaque titre-service, quelle que soit sa date d'émission, sont déterminées en fonction de la date à laquelle la prestation est fournie. ]14
§ 2. [12 Afin de permettre le décompte mentionné à l'article 5, la société émettrice informe périodiquement le département du nombre de titres-services validés remboursés à la société agréée. La notification susmentionnée se fait au moyen d'une liste récapitulative informatisée, dont les modalités sont déterminées par le département]12.
[1 § 1er. [12 Après validation des titres-services par la société émettrice, celle-ci verse au compte bancaire de l'entreprise agréée, dans les dix jours ouvrables à compter de la réception du titre-service, un montant égal au prix d'achat du titre-service visé à l'article 3, § 2, alinéa 1er, majoré de l'intervention visée à l'alinéa 2]12.
[3 [14 Le montant de l'intervention est égal à 19,63 euros par titre-service pour les titres-services dont le prix d'acquisition est de 10 euros et 18,63 euros par titre-service pour les titres-services dont le prix d'acquisition est de 11 euros. Le montant de l'intervention est égal à 19,63 euros par titre-service pour les titres-services dont le prix d'acquisition était, jusqu'au 31 décembre 2024, de 9 euros, et 18,63 euros par titre-service pour les titres-services dont le prix d'acquisition était, jusqu'au 31 décembre 2024, de 10 euros, en dont les prestations sont fournies à partir du 1er octobre 2025. Le montant de l'intervention est augmenté conformément à l'alinéa 3. Pour les titres-services dont la prestation a été fournie dans la période du 1er mars 2025 au 30 septembre 2025, le montant de l'intervention, tel qu'applicable dans la période du 1er mars 2025 au 30 septembre 2025, est augmenté le 1er octobre 2025 de 1 euro par titre-service. Pour bénéficier de cette intervention augmentée de 1 euro, ces titres-services sont présentés pour remboursement à la société émettrice au plus tard le 31 décembre 2025]14.]11
Chaque fois que l'indice-pivot, visé dans la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants, est dépassé, le montant visé à l'alinéa précédent est augmenté de 2 % [11 ...]11 [3 de la somme du prix de l'acquisition du titre-service et l'intervention qui y est liée.]3.
Lorsque le montant, calculé conformément à l'alinéa précédent, comporte une fraction de cent, elle est arrondie au cent supérieur lorsque la troisième décimale est égale ou supérieure à cinq et au cent inférieur lorsque la troisième décimale est inférieure à cinq.
[12 L'augmentation mentionnée à l'alinéa 3 est appliquée à chaque titre-service pour lequel la prestation est fournie à partir du premier jour du mois suivant le mois au cours duquel l'indice pivot mentionné à l'alinéa 3, est dépassé]12.
[12 L'intervention visée à l'alinéa 1er et la majoration visée à l'alinéa 3 d'un titre-service émis jusqu'au 31 décembre 2024 est déterminée par la date d'émission du titre-service. L'intervention et la majoration d'un titre-service émis à partir du 1er janvier 2025 seront déterminées par la date à laquelle la prestation a été fournie.]12 [14 A partir du 1er octobre 2025, l'intervention et l'augmentation de chaque titre-service, quelle que soit sa date d'émission, sont déterminées en fonction de la date à laquelle la prestation est fournie. ]14
§ 2. [12 Afin de permettre le décompte mentionné à l'article 5, la société émettrice informe périodiquement le département du nombre de titres-services validés remboursés à la société agréée. La notification susmentionnée se fait au moyen d'une liste récapitulative informatisée, dont les modalités sont déterminées par le département]12.
Wijzigingen
Art. 8_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 § 1. Na validatie van de dienstencheques door het uitgiftebedrijf, stort dit binnen de [8 vijf]8 werkdagen te rekenen vanaf de ontvangst van de dienstencheque opgestuurd door de erkende onderneming, een bedrag gelijk aan de aanschafprijs van de dienstencheque bedoeld in artikel 3, § 2, eerste lid, vermeerderd met de tegemoetkoming die voorgeschoten werd aan het uitgiftebedrijf, op de bankrekening van de erkende onderneming. [8 Wat de dienstencheques in gedematerialiseerde vorm betreft, bedraagt deze termijn evenwel twee werkdagen.]8
[11 Het bedrag van deze tegemoetkoming is per dienstencheque, rekening houdend met regionale interventie van kracht op 1 (december) 2022, als volgt bepaald: (ERR van 22-12-2022, p. 98958)
a) 17,26 EUR voor de dienstencheques aangeschaft tegen de prijs van 10 EUR;
b) 15,26 EUR voor de dienstencheques aangeschaft tegen de prijs van 12 EUR.
Bij elke overschrijding van de spilindex, zoals bedoeld in de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, wordt het bedrag bedoeld in het vorige lid verhoogd met 2% van 100% van de som van de aanschafprijs van de dienstencheque en de daaraan gekoppelde tegemoetkoming.
Telkens wanneer deze overschrijding zich voordoet, berekent het bestuur de nieuwe bedragen van de tegemoetkoming en deelt deze mee aan het uitgiftebedrijf, dat de bedragen van de aan de erkende ondernemingen verschuldigde terugbetalingen aanpast.
Wanneer het berekende bedrag een deel van een cent bevat, wordt het afgerond naar de hogere cent wanneer de derde decimaal gelijk is aan of hoger is dan vijf en naar de lagere cent wanneer de derde decimaal lager is dan vijf.
De verhoging wordt toegepast op elke dienstencheque die wordt aangekocht door de gebruiker vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de index het cijfer bereikt dat de wijziging rechtvaardigt en waarvoor de erkende onderneming een dienstencheque indient bij het uitgiftebedrijf. De datum van betaling door de gebruiker is de datum waarop de rekening van het uitgiftebedrijf gecrediteerd werd.]11
[11 ...]11
[9 In afwijking van het vorige lid berekent het bestuur het aan de erkende onderneming verschuldigde bedrag met toepassing van volgende berekeningsformule als dit bestuur bij de controle van de in artikel 8, § 1, zesde lid, 1° vermelde voorwaarde vaststelt dat bepaalde vestigingseenheden van deze erkende onderneming de in artikel 2bis vermelde voorwaarde niet naleven:
Het normaliter verschuldigd bedrag in het kader van de bijkomende indexering bij naleving van de in artikel 2bis vermelde voorwaarde voor alle vestigingseenheden van de erkende onderneming x het aantal nieuw aangeworven werknemers in de loop van het betrokken referentiejaar in de vestigingseenheden van de erkende onderneming die de voorwaarde voorzien in artikel 2bis heeft nageleefd/het totale aantal nieuw aangeworven werknemers binnen het geheel van de vestigingseenheden van deerkende onderneming in de loop van hetzelfde referentiejaar.
Enkel de nieuw aangeworven werknemers die in de loop van het referentiejaar minstens één uur werk hebben gepresteerd dat via een door het in artikel 1, eerste lid, 4° bedoelde uitgiftebedrijf uitgegeven dienstencheque is bezoldigd, worden in aanmerking genomen.
[10 ...]10]9
§ 2. [5 Maandelijks licht het uitgiftebedrijf het Bestuur in over het aantal gevalideerde en aan de erkende onderneming terugbetaalde dienstencheques, aan de hand van een geïnformatiseerde overzichtslijst opgesplitst volgens de hoofdverblijfplaats van de gebruiker.]5]1
[11 Het bedrag van deze tegemoetkoming is per dienstencheque, rekening houdend met regionale interventie van kracht op 1 (december) 2022, als volgt bepaald: (ERR van 22-12-2022, p. 98958)
a) 17,26 EUR voor de dienstencheques aangeschaft tegen de prijs van 10 EUR;
b) 15,26 EUR voor de dienstencheques aangeschaft tegen de prijs van 12 EUR.
Bij elke overschrijding van de spilindex, zoals bedoeld in de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld, wordt het bedrag bedoeld in het vorige lid verhoogd met 2% van 100% van de som van de aanschafprijs van de dienstencheque en de daaraan gekoppelde tegemoetkoming.
Telkens wanneer deze overschrijding zich voordoet, berekent het bestuur de nieuwe bedragen van de tegemoetkoming en deelt deze mee aan het uitgiftebedrijf, dat de bedragen van de aan de erkende ondernemingen verschuldigde terugbetalingen aanpast.
Wanneer het berekende bedrag een deel van een cent bevat, wordt het afgerond naar de hogere cent wanneer de derde decimaal gelijk is aan of hoger is dan vijf en naar de lagere cent wanneer de derde decimaal lager is dan vijf.
De verhoging wordt toegepast op elke dienstencheque die wordt aangekocht door de gebruiker vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de index het cijfer bereikt dat de wijziging rechtvaardigt en waarvoor de erkende onderneming een dienstencheque indient bij het uitgiftebedrijf. De datum van betaling door de gebruiker is de datum waarop de rekening van het uitgiftebedrijf gecrediteerd werd.]11
[11 ...]11
[9 In afwijking van het vorige lid berekent het bestuur het aan de erkende onderneming verschuldigde bedrag met toepassing van volgende berekeningsformule als dit bestuur bij de controle van de in artikel 8, § 1, zesde lid, 1° vermelde voorwaarde vaststelt dat bepaalde vestigingseenheden van deze erkende onderneming de in artikel 2bis vermelde voorwaarde niet naleven:
Het normaliter verschuldigd bedrag in het kader van de bijkomende indexering bij naleving van de in artikel 2bis vermelde voorwaarde voor alle vestigingseenheden van de erkende onderneming x het aantal nieuw aangeworven werknemers in de loop van het betrokken referentiejaar in de vestigingseenheden van de erkende onderneming die de voorwaarde voorzien in artikel 2bis heeft nageleefd/het totale aantal nieuw aangeworven werknemers binnen het geheel van de vestigingseenheden van deerkende onderneming in de loop van hetzelfde referentiejaar.
Enkel de nieuw aangeworven werknemers die in de loop van het referentiejaar minstens één uur werk hebben gepresteerd dat via een door het in artikel 1, eerste lid, 4° bedoelde uitgiftebedrijf uitgegeven dienstencheque is bezoldigd, worden in aanmerking genomen.
[10 ...]10]9
§ 2. [5 Maandelijks licht het uitgiftebedrijf het Bestuur in over het aantal gevalideerde en aan de erkende onderneming terugbetaalde dienstencheques, aan de hand van een geïnformatiseerde overzichtslijst opgesplitst volgens de hoofdverblijfplaats van de gebruiker.]5]1
Wijzigingen
Art. 8 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.[1 § 1er. Après validation des titres-services par la société émettrice, celle-ci verse au compte bancaire de l'entreprise agréée, dans les [8 cinq]8 jours ouvrables à compter de la réception du titre-service envoyé par celle-ci, un montant égal au prix d'acquisition du titre-service visé à l'article 3, § 2, alinéa 1er, majoré de l'intervention qui a été avancée à la société émettrice. [8 Toutefois, en ce qui concerne les titres-services sous forme dématérialisée, ce délai est de deux jours ouvrables.]8
[11 Le montant de cette intervention, par titre-service, est fixé, tenant compte du montant de l'intervention régionale en vigueur au 1er (décembre) 2022, comme suit : (ERR du 22-12-2022, p. 98958)
a) 17,26 EUR pour les titres-services acquis au prix de 10 EUR ;
b) 15,26 EUR pour les titres-services acquis au prix de 12 EUR.
Chaque fois que l'indice-pivot, visé dans la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants, est dépassé, le montant visé à l'alinéa précédent est augmenté de 2 % de 100 % de la somme du prix de l'acquisition du titre-service et l'intervention qui y est liée.
Chaque fois que ce dépassement a lieu, l'administration calcule les nouveaux montants d'intervention et les notifie à la société émettrice qui adapte les montants des remboursements dus aux entreprises agréées.
Lorsque le montant calculé comporte une fraction de cent, elle est arrondie au cent supérieur lorsque la troisième décimale est égale ou supérieure à cinq et au cent inférieur lorsque la troisième décimale est inférieure à cinq.
L'augmentation est appliquée à chaque titre-service qui est acheté par l'utilisateur à partir du premier jour du mois qui suit celui dont l'indice atteint le chiffre qui justifie la modification et pour laquelle l'entreprise agréée introduit un titre-service à la société émettrice. La date de paiement par l'utilisateur est la date à laquelle le compte de la société émettrice a été crédité.]11
[11 ...]11
[9 Par dérogation à ce qui est prévu à l'alinéa précédent, si, au cours de la vérification de la condition mentionnée à l'article 8, § 1er, alinéa 6, 1°, l'administration constate que certaines unités d'établissement de l'entreprise agréée concernée ne respectent pas la condition prévue à l'article 2bis, l'administration calcule le montant dû à cette entreprise agréée en appliquant la formule de calcul suivante :
Montant normalement dû dans le cadre de l'indexation complémentaire si la condition prévue à l'article 2bis avait été respectée pour toutes les unités d'établissement de l'entreprise agréée x le nombre de travailleurs nouvellement engagés au cours de l'année de référence concernée dans les unités d'établissement de l'entreprise agréée ayant respecté la condition prévue à l'article 2bis/le nombre total de travailleurs nouvellement engagés au sein de l'ensemble des unités d'établissement de l'entreprise agréée au cours de la même année de référence.
Seuls seront pris en compte les travailleurs nouvellement engagés qui ont presté, au cours de l'année de référence, au moins une heure de travail rémunérée par un titre-service émis par la société émettrice visée à l'article 1er, alinéa 1er, 4°.
[10 ...]10]9
§ 2. [5 La société émettrice informe mensuellement l'Administration du nombre de titres-services validés et remboursés à l'entreprise agréée et ce, au moyen d'une liste récapitulative informatisée et divisée sur base du lieu de résidence principale de l'utilisateur.]5]1
[11 Le montant de cette intervention, par titre-service, est fixé, tenant compte du montant de l'intervention régionale en vigueur au 1er (décembre) 2022, comme suit : (ERR du 22-12-2022, p. 98958)
a) 17,26 EUR pour les titres-services acquis au prix de 10 EUR ;
b) 15,26 EUR pour les titres-services acquis au prix de 12 EUR.
Chaque fois que l'indice-pivot, visé dans la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants, est dépassé, le montant visé à l'alinéa précédent est augmenté de 2 % de 100 % de la somme du prix de l'acquisition du titre-service et l'intervention qui y est liée.
Chaque fois que ce dépassement a lieu, l'administration calcule les nouveaux montants d'intervention et les notifie à la société émettrice qui adapte les montants des remboursements dus aux entreprises agréées.
Lorsque le montant calculé comporte une fraction de cent, elle est arrondie au cent supérieur lorsque la troisième décimale est égale ou supérieure à cinq et au cent inférieur lorsque la troisième décimale est inférieure à cinq.
L'augmentation est appliquée à chaque titre-service qui est acheté par l'utilisateur à partir du premier jour du mois qui suit celui dont l'indice atteint le chiffre qui justifie la modification et pour laquelle l'entreprise agréée introduit un titre-service à la société émettrice. La date de paiement par l'utilisateur est la date à laquelle le compte de la société émettrice a été crédité.]11
[11 ...]11
[9 Par dérogation à ce qui est prévu à l'alinéa précédent, si, au cours de la vérification de la condition mentionnée à l'article 8, § 1er, alinéa 6, 1°, l'administration constate que certaines unités d'établissement de l'entreprise agréée concernée ne respectent pas la condition prévue à l'article 2bis, l'administration calcule le montant dû à cette entreprise agréée en appliquant la formule de calcul suivante :
Montant normalement dû dans le cadre de l'indexation complémentaire si la condition prévue à l'article 2bis avait été respectée pour toutes les unités d'établissement de l'entreprise agréée x le nombre de travailleurs nouvellement engagés au cours de l'année de référence concernée dans les unités d'établissement de l'entreprise agréée ayant respecté la condition prévue à l'article 2bis/le nombre total de travailleurs nouvellement engagés au sein de l'ensemble des unités d'établissement de l'entreprise agréée au cours de la même année de référence.
Seuls seront pris en compte les travailleurs nouvellement engagés qui ont presté, au cours de l'année de référence, au moins une heure de travail rémunérée par un titre-service émis par la société émettrice visée à l'article 1er, alinéa 1er, 4°.
[10 ...]10]9
§ 2. [5 La société émettrice informe mensuellement l'Administration du nombre de titres-services validés et remboursés à l'entreprise agréée et ce, au moyen d'une liste récapitulative informatisée et divisée sur base du lieu de résidence principale de l'utilisateur.]5]1
Wijzigingen
Art. 8bis _VLAAMSE_GEWEST.
Art. 8bis _REGION_FLAMANDE.
Art. 9. Het uitgiftebedrijf van de dienstencheques maakt jaarlijks vóór 1 maart, aan de gebruiker een fiscaal attest over, met de vermelding van de aanschafprijs van de dienstencheques die op zijn naam werden opgesteld en die betaald werden tijdens het voorgaande kalenderjaar. (De datum van betaling is de datum waarop de rekening van het uitgiftebedrijf gecrediteerd werd.) Van dit bedrag wordt in mindering gebracht de aanschafprijs van de hiervoor bedoelde dienstencheques die niet werden gebruikt en die tijdens hetzelfde kalenderjaar door het uitgiftebedrijf aan de gebruiker terugbetaald werden. De gegevens vermeld in de fiscale attesten worden door het uitgiftebedrijf eveneens vóór 1 maart overgemaakt aan de Administratie tot wiens bevoegdheid de inkomstenbelastingen behoren. <KB 2006-03-05/39, art. 11, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006>
(In het raam van de moederschapshulp bedoeld in het voornoemde koninklijk besluit van 17 januari 2006 maakt het uitgiftebedrijf geen fiscaal attest over aan de gebruiker) <KB 2006-01-17/30, art. 7, 009 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
(In het raam van de moederschapshulp bedoeld in het voornoemde koninklijk besluit van 17 januari 2006 maakt het uitgiftebedrijf geen fiscaal attest over aan de gebruiker) <KB 2006-01-17/30, art. 7, 009 ; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
Art. 9. Tous les ans, avant le 1er mars, la société émettrice des titres-services envoie à l'utilisateur une attestation fiscale, reprenant le prix d'acquisition des titres-services qui ont été établis à son nom et payés au cours de l'année civile précédente. (La date de paiement est la date à laquelle le compte de la société émettrice a été crédité.) Est à déduire de ce montant, le prix d'acquisition des titres-services précités qui n'ont pas été utilisés et qui, au cours de cette même année civile, ont été remboursés par la société émettrice à l'utilisateur. Les données reprises dans les attestations fiscales sont, également avant le 1e mars, envoyées par la société émettrice à l'Administration qui a les impôts sur les revenus dans ses attributions.
(Dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 susvisé, la société émettrice n'envoie pas une attestation fiscale à l'utilisateur.) <AR 2006-01-17/30, art. 7, 009 ; En vigueur : 01-01-2006>
(Dans le cadre de l'aide à la maternité visée dans l'arrêté royal du 17 janvier 2006 susvisé, la société émettrice n'envoie pas une attestation fiscale à l'utilisateur.) <AR 2006-01-17/30, art. 7, 009 ; En vigueur : 01-01-2006>
HOOFDSTUK IIIbis. - Loon- en arbeidsvoorwaarden.
CHAPITRE IIIbis. - Conditions de travail et de rémunération.
Art. 9bis. [1 De minimale wekelijkse arbeidsduur voorzien in artikel 7octies, tweede lid, van de wet bedraagt 10 uren.
De minimale wekelijkse arbeidsduur voorzien in artikel 7octies, derde lid, van de wet bedraagt 13 uren.]1
De minimale wekelijkse arbeidsduur voorzien in artikel 7octies, derde lid, van de wet bedraagt 13 uren.]1
Art. 9bis. [1 La durée minimale hebdomadaire de travail prévue à l'article 7octies, alinéa 2, de la loi est de 10 heures.
La durée minimale hebdomadaire de travail prévue à l'article 7octies, alinéa 3, de la loi est de 13 heures.]1
La durée minimale hebdomadaire de travail prévue à l'article 7octies, alinéa 3, de la loi est de 13 heures.]1
Wijzigingen
Art. 9ter.
Art. 9ter.
Art. 9quater.
Art. 9quater.
HOOFDSTUK IIIter. - Modaliteiten betreffende de toepassing van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.
CHAPITRE IIIter. - Modalités relatives à l'application de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail.
Art. 9quinquies. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-09/33, art. 10; Inwerkingtreding : 01-01-2004> De erkende ondernemingen die een arbeidsovereenkomst dienstencheques hebben gesloten met een werknemer staan in voor de naleving van de bepalingen van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en de uitvoeringsbesluiten ervan.
De kosten die voortvloeien uit de naleving van de in het eerste lid bedoelde wetgeving zijn ten laste van de erkende ondernemingen.
Zij kunnen ten laste komen van de fondsen voor bestaanszekerheid die opgericht zijn in de sector waartoe de werkgever behoort, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in een collectieve arbeidsovereenkomst die in een paritair orgaan is gesloten en die door de Koning algemeen verbindend is verklaard.
De kosten die voortvloeien uit de naleving van de in het eerste lid bedoelde wetgeving zijn ten laste van de erkende ondernemingen.
Zij kunnen ten laste komen van de fondsen voor bestaanszekerheid die opgericht zijn in de sector waartoe de werkgever behoort, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald in een collectieve arbeidsovereenkomst die in een paritair orgaan is gesloten en die door de Koning algemeen verbindend is verklaard.
Art. 9quinquies. Les entreprises agréées qui ont conclu un contrat de travail titres-services sont responsables du respect des dispositions de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et de ses arrêtés d'exécution.
Les frais découlant du respect de la législation visée à l'alinéa 1er sont à charge des entreprises agréées.
Ils peuvent être mis à charge des fonds de securité d'existence établis dans le secteur dont l'employeur fait partie, sous les conditions et selon les modalités déterminées dans une convention collective de travail conclue au sein d'un organe paritaire et rendue obligatoire par le Roi.
Les frais découlant du respect de la législation visée à l'alinéa 1er sont à charge des entreprises agréées.
Ils peuvent être mis à charge des fonds de securité d'existence établis dans le secteur dont l'employeur fait partie, sous les conditions et selon les modalités déterminées dans une convention collective de travail conclue au sein d'un organe paritaire et rendue obligatoire par le Roi.
HOOFDSTUK IIIquater_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.[1 Begeleiding voor dienstenchequeprestaties]1
CHAPITRE III/quater. _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.[1 Encadrement des prestations titres-services]1
Art. 9/1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 § 1. Een erkende onderneming kan een subsidie voor begeleidingskosten krijgen als ze in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidie wordt berekend ten minste 2.000 dienstencheques heeft ingevoerd.
§ 2. Die subsidie wordt als volgt berekend:
a x b/c
a = het voor dat kalenderjaar beschikbare budget voor die subsidie voor begeleidingskosten. De bedragen die niet zijn toegewezen aan erkende ondernemingen die niet het vereiste minimumaantal dienstencheques hebben ingevoerd, worden opgenomen in het beschikbare budget;
b = het aantal dienstencheques dat in het vorige kalenderjaar door het uitgiftebedrijf aan de erkende onderneming is betaald;
c = het totale aantal dienstencheques dat in het voorgaande kalenderjaar door het uitgiftebedrijf is betaald, waarop het totale aantal dienstencheques in mindering wordt gebracht dat is ingevoerd door de erkende ondernemingen die het vereiste minimumaantal dienstencheques niet hebben bereikt.
Er is geen bedrag verschuldigd aan de ondernemingen die minder dan 2.000 dienstencheques hebben ingevoerd in het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de steun wordt berekend.
De kennisgeving, door de administratie, van de aan de erkende ondernemingen toegekende subsidies vindt uitsluitend via elektronische weg plaats.
Elke onderneming die in dit kalenderjaar een dienstenchequevergunning heeft verkregen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en elke erkende onderneming die minstens 2000 dienstencheques heeft ingevoerd, ontvangt een minimumbedrag van 1000/500 euro.
§ 3. De verrekening van die subsidie vindt plaats in het tweede kwartaal van het lopende kalenderjaar via het uitgiftebedrijf.
§ 4. Een activiteitenverslag met het aantal individuele en groepsgesprekken, de overdracht van documenten met betrekking tot welzijn, inclusief het percentage huishoudhulpen dat een jaarlijks medisch onderzoek heeft ondergaan, de risicoanalyse, het aantal plaatsbezoeken waar de prestaties worden uitgevoerd alsook het aantal aangeboden en gevolgde uren opleiding inclusief in het kader van het opleidingstraject, wordt voor 31 maart van het volgende jaar aan de administratie toegezonden, na goedkeuring door de interne overlegorganen van de onderneming of, bij gebrek daaraan, door de vakbondsafvaardiging.
§ 5. Als de onderneming het activiteitenverslag niet indient overeenkomstig de bepalingen van § 4, wordt het bedrag van de subsidie bedoeld in artikel 9/1 verminderd met 20%.
§ 6. Het model van het activiteitenverslag wordt voorgelegd aan en goedgekeurd door de Commissie.
§ 7. De onderneming wijst uit zijn midden het personeelslid of de personeelsleden aan die verantwoordelijk zijn voor de begeleiding en informeert zijn werknemers hierover.
§ 8. Onverminderd de verplichting tot begeleiding, het opleggen van een eventuele administratieve boete, wordt de erkende onderneming die zich niet houdt aan de verplichtingen voorzien in artikel 2, § 2, eerste lid, h. van de wet, de subsidie ontnomen die door dit artikel wordt ingesteld, tijdens het jaar volgend op het jaar van de gemotiveerde beslissing tot ontneming genomen door de administratie en dit na advies van de Commissie.]1
§ 2. Die subsidie wordt als volgt berekend:
a x b/c
a = het voor dat kalenderjaar beschikbare budget voor die subsidie voor begeleidingskosten. De bedragen die niet zijn toegewezen aan erkende ondernemingen die niet het vereiste minimumaantal dienstencheques hebben ingevoerd, worden opgenomen in het beschikbare budget;
b = het aantal dienstencheques dat in het vorige kalenderjaar door het uitgiftebedrijf aan de erkende onderneming is betaald;
c = het totale aantal dienstencheques dat in het voorgaande kalenderjaar door het uitgiftebedrijf is betaald, waarop het totale aantal dienstencheques in mindering wordt gebracht dat is ingevoerd door de erkende ondernemingen die het vereiste minimumaantal dienstencheques niet hebben bereikt.
Er is geen bedrag verschuldigd aan de ondernemingen die minder dan 2.000 dienstencheques hebben ingevoerd in het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de steun wordt berekend.
De kennisgeving, door de administratie, van de aan de erkende ondernemingen toegekende subsidies vindt uitsluitend via elektronische weg plaats.
Elke onderneming die in dit kalenderjaar een dienstenchequevergunning heeft verkregen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en elke erkende onderneming die minstens 2000 dienstencheques heeft ingevoerd, ontvangt een minimumbedrag van 1000/500 euro.
§ 3. De verrekening van die subsidie vindt plaats in het tweede kwartaal van het lopende kalenderjaar via het uitgiftebedrijf.
§ 4. Een activiteitenverslag met het aantal individuele en groepsgesprekken, de overdracht van documenten met betrekking tot welzijn, inclusief het percentage huishoudhulpen dat een jaarlijks medisch onderzoek heeft ondergaan, de risicoanalyse, het aantal plaatsbezoeken waar de prestaties worden uitgevoerd alsook het aantal aangeboden en gevolgde uren opleiding inclusief in het kader van het opleidingstraject, wordt voor 31 maart van het volgende jaar aan de administratie toegezonden, na goedkeuring door de interne overlegorganen van de onderneming of, bij gebrek daaraan, door de vakbondsafvaardiging.
§ 5. Als de onderneming het activiteitenverslag niet indient overeenkomstig de bepalingen van § 4, wordt het bedrag van de subsidie bedoeld in artikel 9/1 verminderd met 20%.
§ 6. Het model van het activiteitenverslag wordt voorgelegd aan en goedgekeurd door de Commissie.
§ 7. De onderneming wijst uit zijn midden het personeelslid of de personeelsleden aan die verantwoordelijk zijn voor de begeleiding en informeert zijn werknemers hierover.
§ 8. Onverminderd de verplichting tot begeleiding, het opleggen van een eventuele administratieve boete, wordt de erkende onderneming die zich niet houdt aan de verplichtingen voorzien in artikel 2, § 2, eerste lid, h. van de wet, de subsidie ontnomen die door dit artikel wordt ingesteld, tijdens het jaar volgend op het jaar van de gemotiveerde beslissing tot ontneming genomen door de administratie en dit na advies van de Commissie.]1
Art. 9/1. [1 § 1er. Une entreprise agréée peut obtenir une subvention relative aux frais d'encadrement pour autant qu'elle ait rentré au moins 2.000 titres-services au cours de l'année calendrier qui précède celle du calcul de cette subvention.
§ 2. Cette subvention est calculée comme suit :
a x b/c
a = le budget disponible pour cette année calendrier pour cette subvention relative aux frais d'encadrement. Les montants non attribués aux entreprises agréées qui n'ont pas rentré le nombre minimal de titres-services requis sont comptabilisés dans le budget disponible ;
b = le nombre des titres-services payés par la société émettrice à l'entreprise agréée dans l'année calendrier précédente ;
c = le nombre total des titres-services payés par la société émettrice dans l'année calendrier précédente, duquel est retiré le nombre total des titres-services rentrés par les entreprises agréées qui n'ont pas atteint le nombre minimal de titres-services requis.
Aucun montant n'est dû aux entreprises qui ont rentré moins de 2.000 titres-services au cours de l'année calendrier qui précède celle du calcul de ce soutien.
La notification, par l'administration, des subventions attribuées aux entreprises agréées a lieu exclusivement par voie électronique.
Chaque entreprise qui a obtenu un agrément en Région de Bruxelles-Capitale dans le cadre des titres-services au cours de cette année calendrier et chaque entreprise agréée qui a rentré au moins 2.000 titres-services reçoivent un montant de minimum 1.000 euros.
§ 3. La liquidation de cette subvention se fait au cours du second trimestre de l'année calendrier en cours via la société émettrice.
§ 4. Un rapport d'activités reprenant le nombre d'entretiens individuels et collectifs, la transmission des documents relatifs au bien-être, en ce compris le pourcentage des aide-ménagères ayant passé une visite médicale annuelle, l'analyse de risques, le nombre de visites de lieux de prestations ainsi que les heures de formations offertes et suivies, en ce compris dans le cadre du parcours de formation est transmis à l'administration pour le 31 mars de l'année suivante après avoir obtenu l'approbation des organes de concertation interne de l'entreprise et à défaut, par la délégation syndicale.
§ 5. Lorsque l'entreprise n'introduit pas le rapport d'activités conformément aux dispositions prévues au § 4, le montant de la subvention prévue à l'article 9/1 est diminuée à concurrence de 20%.
§ 6. Le modèle de rapport d'activités doit être présenté et approuvé par la Commission.
§ 7. L'entreprise désigne en son sein le ou les membres du personnel en charge de l'encadrement et le signifie à ses travailleurs.
§ 8. Sans préjudice de l'obligation d'encadrement, de l'imposition d'une éventuelle amende administrative, l'entreprise agréée qui ne respecte pas les obligations prévues à l'article 2, § 2, alinéa 1er, h. de la loi est privée de la subvention instaurée au présent article, pendant l'année qui suit l'année de la décision motivée de privation adoptée par l'administration et ce après avis de la Commission.]1
§ 2. Cette subvention est calculée comme suit :
a x b/c
a = le budget disponible pour cette année calendrier pour cette subvention relative aux frais d'encadrement. Les montants non attribués aux entreprises agréées qui n'ont pas rentré le nombre minimal de titres-services requis sont comptabilisés dans le budget disponible ;
b = le nombre des titres-services payés par la société émettrice à l'entreprise agréée dans l'année calendrier précédente ;
c = le nombre total des titres-services payés par la société émettrice dans l'année calendrier précédente, duquel est retiré le nombre total des titres-services rentrés par les entreprises agréées qui n'ont pas atteint le nombre minimal de titres-services requis.
Aucun montant n'est dû aux entreprises qui ont rentré moins de 2.000 titres-services au cours de l'année calendrier qui précède celle du calcul de ce soutien.
La notification, par l'administration, des subventions attribuées aux entreprises agréées a lieu exclusivement par voie électronique.
Chaque entreprise qui a obtenu un agrément en Région de Bruxelles-Capitale dans le cadre des titres-services au cours de cette année calendrier et chaque entreprise agréée qui a rentré au moins 2.000 titres-services reçoivent un montant de minimum 1.000 euros.
§ 3. La liquidation de cette subvention se fait au cours du second trimestre de l'année calendrier en cours via la société émettrice.
§ 4. Un rapport d'activités reprenant le nombre d'entretiens individuels et collectifs, la transmission des documents relatifs au bien-être, en ce compris le pourcentage des aide-ménagères ayant passé une visite médicale annuelle, l'analyse de risques, le nombre de visites de lieux de prestations ainsi que les heures de formations offertes et suivies, en ce compris dans le cadre du parcours de formation est transmis à l'administration pour le 31 mars de l'année suivante après avoir obtenu l'approbation des organes de concertation interne de l'entreprise et à défaut, par la délégation syndicale.
§ 5. Lorsque l'entreprise n'introduit pas le rapport d'activités conformément aux dispositions prévues au § 4, le montant de la subvention prévue à l'article 9/1 est diminuée à concurrence de 20%.
§ 6. Le modèle de rapport d'activités doit être présenté et approuvé par la Commission.
§ 7. L'entreprise désigne en son sein le ou les membres du personnel en charge de l'encadrement et le signifie à ses travailleurs.
§ 8. Sans préjudice de l'obligation d'encadrement, de l'imposition d'une éventuelle amende administrative, l'entreprise agréée qui ne respecte pas les obligations prévues à l'article 2, § 2, alinéa 1er, h. de la loi est privée de la subvention instaurée au présent article, pendant l'année qui suit l'année de la décision motivée de privation adoptée par l'administration et ce après avis de la Commission.]1
Art. 9/2_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Tijdens de gesprekken bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, h. van de wet worden de volgende onderwerpen besproken:
- De opleidingsmogelijkheden, via het opleidingsfonds voor dienstencheques, het sectoraal fonds of betaald educatief verlof, met het oog op de zelfredzaamheid van de werknemer en bevordering van inter- of intrasectorale mobiliteit;
- De belasting van het beroep en het welzijn op het werk;
- De klantenrelatie;
- Het aanspreekpunt in geval van problemen;
- De invoering en de opvolging van de prestaties.]1
- De opleidingsmogelijkheden, via het opleidingsfonds voor dienstencheques, het sectoraal fonds of betaald educatief verlof, met het oog op de zelfredzaamheid van de werknemer en bevordering van inter- of intrasectorale mobiliteit;
- De belasting van het beroep en het welzijn op het werk;
- De klantenrelatie;
- Het aanspreekpunt in geval van problemen;
- De invoering en de opvolging van de prestaties.]1
Art. 9/2. [1 Lors des entretiens prévus à l'article 2, § 2, alinéa 1er, h. de la loi, les sujets suivants sont abordés :
- Les possibilités de formation, via le fonds de formation titres-services, le fonds sectoriel ou le congé-éducation payé en vue de l'autonomisation du travailleur et de favoriser sa mobilité inter- ou intra-sectorielle ;
- La pénibilité du métier et le bien-être au travail ;
- La relation client ;
- Le point de contact à joindre en cas de problème ;
- L'encodage et le suivi des prestations.]1
- Les possibilités de formation, via le fonds de formation titres-services, le fonds sectoriel ou le congé-éducation payé en vue de l'autonomisation du travailleur et de favoriser sa mobilité inter- ou intra-sectorielle ;
- La pénibilité du métier et le bien-être au travail ;
- La relation client ;
- Le point de contact à joindre en cas de problème ;
- L'encodage et le suivi des prestations.]1
Art. 9/3_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De mededelingen aan de administratie bedoeld in de artikelen 2, § 2, eerste lid, f., 3), h. en 2ter van de wet gebeuren uitsluitend via elektronische weg.]1
Art. 9/3. [1 Les communications vers l'administration prévues aux articles 2, § 2, alinéa 1er, f., 3), h. et 2ter de la loi se font uniquement de manière électronique.]1
Art. 9/4_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De administratie publiceert op haar website:
- de begeleidingsfiches bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, h., van de wet;
- de documenten en het formulier bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, l. van de wet;
- het bewijsstuk bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, n. van de wet;
- het tabelmodel bedoeld in artikel 9/6, tweede lid, van dit besluit.]1
- de begeleidingsfiches bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, h., van de wet;
- de documenten en het formulier bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, l. van de wet;
- het bewijsstuk bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, n. van de wet;
- het tabelmodel bedoeld in artikel 9/6, tweede lid, van dit besluit.]1
Art. 9/4. [1 L'administration publie sur son site internet :
- les fiches d'encadrement prévues à l'article 2, § 2, alinéa 1er, h. de la loi ;
- les documents et le formulaire prévus à l'article 2, § 2, alinéa 1er, l. de la loi ;
- le justificatif prévu à l'article 2, § 2, alinéa 1er, n. de la loi ;
- le modèle de tableau visé à l'article 9/6, alinéa 2 du présent arrêté.]1
- les fiches d'encadrement prévues à l'article 2, § 2, alinéa 1er, h. de la loi ;
- les documents et le formulaire prévus à l'article 2, § 2, alinéa 1er, l. de la loi ;
- le justificatif prévu à l'article 2, § 2, alinéa 1er, n. de la loi ;
- le modèle de tableau visé à l'article 9/6, alinéa 2 du présent arrêté.]1
Art. 9/5_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De tussen de erkende onderneming en de gebruiker gesloten prestatieovereenkomst bevat minimaal de volgende elementen:
- de identificatiegegevens van de erkende onderneming (naam, erkenningsnummer, KBO-nummer);
- de identificatiegegevens van de gebruiker (naam, rijksregisternummer);
- voorwerp van de overeenkomst;
- het aantal geplande prestatie-uren en de voorwaarden voor het wijzigen van het overeengekomen uurrooster;
- de plaats waar de prestaties worden verricht;
- de toestemming van de gebruiker voor een verplicht voorafgaand bezoek aan de woonplaats voor de organisatie van het werk voordat de dienst wordt verleend;
- de voorwaarden voor de uitvoering en annulering van de geplande prestatie en de daaruit voortvloeiende facturering;
- de omkadering van eventuele extra kosten;
- een herinnering aan toegestane en verboden activiteiten;
- de door de erkende onderneming geplande voorwaarden in geval van schade aan goederen of personen tijdens de uitvoering van de overeenkomst;
- de vermelding van het verbod op intimiderend en/of discriminerend gedrag;
- de vermelding van het verbod van prestaties bij verwanten tot en met de tweede graad;
- de vermelding van het verbod op vertegenwoordiging door de werknemer of de erkende onderneming;
- volgens de gevraagde taken, de verplichte kenmerken van het door de gebruiker ter beschikking gestelde materiaal of producten;
- het gevraagde werkvolume;
- de bepalingen met betrekking tot afwezigheden en verlofperiodes van de klant en de huishoudhulp;
- de bepalingen met betrekking tot afwezigheden en verlofperiodes van de klant en de huishoudhulp;
- informatie over de persoonlijke beschermingsmiddelen die de werkgever ter beschikking stelt van de huishoudhulp.
De minister is bevoegd om verdere elementen aan de in lid 1 vastgestelde lijst toe te voegen zonder evenwel de oorspronkelijk in de bovengenoemde lijst opgenomen elementen te schrappen.]1
- de identificatiegegevens van de erkende onderneming (naam, erkenningsnummer, KBO-nummer);
- de identificatiegegevens van de gebruiker (naam, rijksregisternummer);
- voorwerp van de overeenkomst;
- het aantal geplande prestatie-uren en de voorwaarden voor het wijzigen van het overeengekomen uurrooster;
- de plaats waar de prestaties worden verricht;
- de toestemming van de gebruiker voor een verplicht voorafgaand bezoek aan de woonplaats voor de organisatie van het werk voordat de dienst wordt verleend;
- de voorwaarden voor de uitvoering en annulering van de geplande prestatie en de daaruit voortvloeiende facturering;
- de omkadering van eventuele extra kosten;
- een herinnering aan toegestane en verboden activiteiten;
- de door de erkende onderneming geplande voorwaarden in geval van schade aan goederen of personen tijdens de uitvoering van de overeenkomst;
- de vermelding van het verbod op intimiderend en/of discriminerend gedrag;
- de vermelding van het verbod van prestaties bij verwanten tot en met de tweede graad;
- de vermelding van het verbod op vertegenwoordiging door de werknemer of de erkende onderneming;
- volgens de gevraagde taken, de verplichte kenmerken van het door de gebruiker ter beschikking gestelde materiaal of producten;
- het gevraagde werkvolume;
- de bepalingen met betrekking tot afwezigheden en verlofperiodes van de klant en de huishoudhulp;
- de bepalingen met betrekking tot afwezigheden en verlofperiodes van de klant en de huishoudhulp;
- informatie over de persoonlijke beschermingsmiddelen die de werkgever ter beschikking stelt van de huishoudhulp.
De minister is bevoegd om verdere elementen aan de in lid 1 vastgestelde lijst toe te voegen zonder evenwel de oorspronkelijk in de bovengenoemde lijst opgenomen elementen te schrappen.]1
Art. 9/5. [1 La convention de prestations de travail conclue entre l'entreprise agréée et l'utilisateur contient, au minimum, les éléments suivants :
- les données d'identification de l'entreprise agréée (nom, numéro d'agrément, numéro BCE) ;
- les données d'identification de l'utilisateur (nom, numéro de registre national) ;
- l'objet de la convention ;
- le nombre d'heures de prestations envisagés et les modalités de changement du régime horaire convenu ;
- la mention du lieu d'exécution des prestations ;
- le consentement de l'utilisateur à une visite préalable obligatoire du domicile pour l'organisation du travail avant toute prestation ;
- les modalités d'exécution et d'annulation de la prestation prévue et la facturation qui en découle ;
- l'encadrement des frais supplémentaires éventuels ;
- le rappel des activités autorisées et interdites ;
- les modalités prévues par l'entreprise agréée en cas de dommages causés aux biens ou aux personnes dans le cadre de l'exécution de la convention ;
- la mention de l'interdiction de comportement de harcèlement et/ou discriminatoire ;
- la mention de l'interdiction de prestations auprès de parents jusqu'au deuxième degré inclus ;
- la mention de l'interdiction de représentation par le travailleur ou l'entreprise agréée ;
- selon les tâches demandées, les caractéristiques obligatoires du matériel ou des produits mis à disposition par l'utilisateur ;
- le volume de travail demandé ;
- les dispositions concernant les absences et les périodes de congé du client et de l'aide-ménagère ;
- les dispositions concernant les absences et les périodes de congé du client et de l'aide-ménagère ;
- une information concernant les équipements de protection individuelle mis à disposition de l'aide-ménagère par l'employeur.
Le Ministre est habilité à ajouter des éléments supplémentaires à la liste instaurée à l'alinéa 1er sans pour autant supprimer des éléments figurant à l'origine dans la listé précitée.]1
- les données d'identification de l'entreprise agréée (nom, numéro d'agrément, numéro BCE) ;
- les données d'identification de l'utilisateur (nom, numéro de registre national) ;
- l'objet de la convention ;
- le nombre d'heures de prestations envisagés et les modalités de changement du régime horaire convenu ;
- la mention du lieu d'exécution des prestations ;
- le consentement de l'utilisateur à une visite préalable obligatoire du domicile pour l'organisation du travail avant toute prestation ;
- les modalités d'exécution et d'annulation de la prestation prévue et la facturation qui en découle ;
- l'encadrement des frais supplémentaires éventuels ;
- le rappel des activités autorisées et interdites ;
- les modalités prévues par l'entreprise agréée en cas de dommages causés aux biens ou aux personnes dans le cadre de l'exécution de la convention ;
- la mention de l'interdiction de comportement de harcèlement et/ou discriminatoire ;
- la mention de l'interdiction de prestations auprès de parents jusqu'au deuxième degré inclus ;
- la mention de l'interdiction de représentation par le travailleur ou l'entreprise agréée ;
- selon les tâches demandées, les caractéristiques obligatoires du matériel ou des produits mis à disposition par l'utilisateur ;
- le volume de travail demandé ;
- les dispositions concernant les absences et les périodes de congé du client et de l'aide-ménagère ;
- les dispositions concernant les absences et les périodes de congé du client et de l'aide-ménagère ;
- une information concernant les équipements de protection individuelle mis à disposition de l'aide-ménagère par l'employeur.
Le Ministre est habilité à ajouter des éléments supplémentaires à la liste instaurée à l'alinéa 1er sans pour autant supprimer des éléments figurant à l'origine dans la listé précitée.]1
Art. 9/6_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 § 1. De erkende onderneming kan haar gebruikers enkel extra kosten aanrekenen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- zij kunnen niet met dienstencheques worden betaald;
- zij zijn slechts vereist van de gebruiker met zijn instemming, via de tussen hem en de erkende onderneming gesloten overeenkomst of via een aanhangsel bij deze overeenkomst;
- het mogen alleen terugbetalingen zijn van reële en redelijke kosten die duidelijk door de onderneming worden toegelicht;
- zij mogen niet meer dan 30 cent per uitgegeven dienstencheque bedragen ;
- zij moeten het voorwerp uitmaken van een akkoord over het bedrag en het gebruik ervan binnen de interne overlegorganen van de onderneming of, bij gebrek daaraan, door de vakbondsafvaardiging;
- zij moeten vooral ten goede komen aan de huishoudhulpen om de gemaakte kosten te ondersteunen, met name voor mobiliteit, opleiding en welzijn op het werk;
- zij worden opgenomen in een tabel, waarin de gevraagde bedragen en het gebruik ervan worden verantwoord, en ten minste om de zes maanden aan de gebruiker worden toegezonden.
§ 2. De tabel met de aard, het gebruik en het bedrag van alle in rekening gebrachte vergoedingen wordt uiterlijk op 31 maart van het jaar volgend op hun betalingsverzoek aan de administratie toegezonden..
§ 3 Het akkoord over het bedrag en het gebruik van de kosten wordt ter kennis gebracht van de Commissie.
§ 4 Begunstigden van bijzondere quota zijn vrijgesteld van deze extra kosten op voorwaarde dat zij daartoe een aanvraag indienen bij de erkende onderneming en het bewijs van dit voordeel leveren.]1
- zij kunnen niet met dienstencheques worden betaald;
- zij zijn slechts vereist van de gebruiker met zijn instemming, via de tussen hem en de erkende onderneming gesloten overeenkomst of via een aanhangsel bij deze overeenkomst;
- het mogen alleen terugbetalingen zijn van reële en redelijke kosten die duidelijk door de onderneming worden toegelicht;
- zij mogen niet meer dan 30 cent per uitgegeven dienstencheque bedragen ;
- zij moeten het voorwerp uitmaken van een akkoord over het bedrag en het gebruik ervan binnen de interne overlegorganen van de onderneming of, bij gebrek daaraan, door de vakbondsafvaardiging;
- zij moeten vooral ten goede komen aan de huishoudhulpen om de gemaakte kosten te ondersteunen, met name voor mobiliteit, opleiding en welzijn op het werk;
- zij worden opgenomen in een tabel, waarin de gevraagde bedragen en het gebruik ervan worden verantwoord, en ten minste om de zes maanden aan de gebruiker worden toegezonden.
§ 2. De tabel met de aard, het gebruik en het bedrag van alle in rekening gebrachte vergoedingen wordt uiterlijk op 31 maart van het jaar volgend op hun betalingsverzoek aan de administratie toegezonden..
§ 3 Het akkoord over het bedrag en het gebruik van de kosten wordt ter kennis gebracht van de Commissie.
§ 4 Begunstigden van bijzondere quota zijn vrijgesteld van deze extra kosten op voorwaarde dat zij daartoe een aanvraag indienen bij de erkende onderneming en het bewijs van dit voordeel leveren.]1
Art. 9/6. [1 § 1er. L'entreprise agréée ne peut facturer des frais supplémentaires à ses utilisateurs que pour autant que les conditions suivantes soient respectées :
- ils ne peuvent être payés au moyen de titres-services ;
- ils ne sont exigés à l'utilisateur que moyennant son accord, via la convention conclue entre celui-ci et l'entreprise agréée ou via un avenant à cette convention ;
- ils ne peuvent être que des remboursements de frais réels et raisonnables explicités de manière claire par l'entreprise ;
- Ils ne peuvent pas dépasser le montant de 30 cents par titre-service remis ;
- ils doivent faire l'objet d'un accord sur leur montant et leur utilisation au sein des organes de concertation interne de l'entreprise et à défaut, par la délégation syndicale ;
- ils doivent bénéficier majoritairement aux aide-ménagères en soutien aux frais encourus notamment pour la mobilité, la formation et le bien-être au travail.
- ils sont répertoriés dans un tableau, justifiant les montants demandés et leur utilisation et transmis à l'utilisateur au minimum tous les six mois.
§ 2. Le tableau reprenant la nature, l'utilisation et le montant de l'ensemble des frais exigés est transmis à l'administration au plus tard le 31 mars de l'année qui suit leur demande de paiement.
§ 3. L'accord sur le montant et l'utilisation des frais est notifié à la Commission.
§ 4. Les bénéficiaires de quotas spéciaux sont exemptés de ces frais supplémentaires à condition d'en faire la demande et de fournir la preuve de ce bénéfice à l'entreprise agréée.]1
- ils ne peuvent être payés au moyen de titres-services ;
- ils ne sont exigés à l'utilisateur que moyennant son accord, via la convention conclue entre celui-ci et l'entreprise agréée ou via un avenant à cette convention ;
- ils ne peuvent être que des remboursements de frais réels et raisonnables explicités de manière claire par l'entreprise ;
- Ils ne peuvent pas dépasser le montant de 30 cents par titre-service remis ;
- ils doivent faire l'objet d'un accord sur leur montant et leur utilisation au sein des organes de concertation interne de l'entreprise et à défaut, par la délégation syndicale ;
- ils doivent bénéficier majoritairement aux aide-ménagères en soutien aux frais encourus notamment pour la mobilité, la formation et le bien-être au travail.
- ils sont répertoriés dans un tableau, justifiant les montants demandés et leur utilisation et transmis à l'utilisateur au minimum tous les six mois.
§ 2. Le tableau reprenant la nature, l'utilisation et le montant de l'ensemble des frais exigés est transmis à l'administration au plus tard le 31 mars de l'année qui suit leur demande de paiement.
§ 3. L'accord sur le montant et l'utilisation des frais est notifié à la Commission.
§ 4. Les bénéficiaires de quotas spéciaux sont exemptés de ces frais supplémentaires à condition d'en faire la demande et de fournir la preuve de ce bénéfice à l'entreprise agréée.]1
HOOFDSTUK IV. - Controle van het systeem en gevolgen in geval van niet-naleving van de reglementering.
CHAPITRE IV. - Contrôle du système et conséquences en cas de non-respect de la réglementation.
Art. 10. [1 § 1. De erkende onderneming stort het bedrag van de borgsom bedoeld in artikel 2bis, § 1, van de wet, op een rekening van de RVA. Dit bedrag wordt door de RVA geplaatst bij de Schatkist.
§ 2. De borgsteller ontvangt jaarlijks, in de loop van de maand januari, een rentevergoeding op basis van de marktrente opgegeven door de Schatkist. De RVA kan, op basis van de financiële noodwendigheden binnen het stelsel van de borgstelling, beslissen om een proportioneel gedeelte van de borgsom aan te wenden ter bevoorrading van een liquiditeitsbuffer. In het kader van de beleggingsperspectieven en met het oog op de kapitaalbescherming van de gestorte borgsom kan de RVA, in afwijking van paragraaf 1, beslissen een gedeelte of het geheel van de borgsom in liquiditeiten aan te houden. De intrest wordt berekend vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand van storting. De intrest houdt op te lopen vanaf de laatste dag van de maand voorafgaand aan de beslissing tot weigering of intrekking van de erkenning. Bedragen die minder dan drie maanden gedeponeerd blijven brengen geen intrest op. De rentevergoeding is onderworpen aan roerende voorheffing.
Het terug te storten bedrag van de borgsom of een gedeelte ervan, evenals de niet geïncasseerde renteopbrengsten, waarvan de bestemmeling niet bereikbaar is, zijn 24 maanden na de beslissing tot weigering of intrekking van de erkenning bestemd voor het globaal beheer van de sociale zekerheid.
Eventuele verschillen tussen de door de RVA aan de borgsteller uitbetaalde intresten en de van de Schatkist ontvangen intresten zijn bestemd voor het globaal beheer van de sociale zekerheid.
§ 3. In geval van weigering van de erkenning of bij de vrijwillige stopzetting van de activiteiten bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2°, wordt de borgsom integraal teruggestort. Indien bij de vrijwillige stopzetting zou blijken dat er achterstallige bijdragen te innen zijn door een instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en/of achterstallen zijn in de betaling van de door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening teruggevorderde bedragen en/of achterstallige belastingen zijn, zal het bedrag van de borgsom bij voorrang gebruikt worden voor de aanzuivering van deze schuldvorderingen in respectievelijke volgorde.
In het geval de erkenning wordt ingetrokken overeenkomstig artikel 2, § 2, vierde, vijfde en zesde lid, van de wet, en zou blijken dat er achterstallige bijdragen te innen zijn door een instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en/of achterstallen zijn in de betaling van de door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening teruggevorderde bedragen en/of achterstallige belastingen zijn, zal het bedrag van de borgsom bij voorrang gebruikt worden voor de aanzuivering van deze schuldvorderingen in respectievelijke volgorde. Het resterende bedrag wordt teruggestort.]1
§ 2. De borgsteller ontvangt jaarlijks, in de loop van de maand januari, een rentevergoeding op basis van de marktrente opgegeven door de Schatkist. De RVA kan, op basis van de financiële noodwendigheden binnen het stelsel van de borgstelling, beslissen om een proportioneel gedeelte van de borgsom aan te wenden ter bevoorrading van een liquiditeitsbuffer. In het kader van de beleggingsperspectieven en met het oog op de kapitaalbescherming van de gestorte borgsom kan de RVA, in afwijking van paragraaf 1, beslissen een gedeelte of het geheel van de borgsom in liquiditeiten aan te houden. De intrest wordt berekend vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand van storting. De intrest houdt op te lopen vanaf de laatste dag van de maand voorafgaand aan de beslissing tot weigering of intrekking van de erkenning. Bedragen die minder dan drie maanden gedeponeerd blijven brengen geen intrest op. De rentevergoeding is onderworpen aan roerende voorheffing.
Het terug te storten bedrag van de borgsom of een gedeelte ervan, evenals de niet geïncasseerde renteopbrengsten, waarvan de bestemmeling niet bereikbaar is, zijn 24 maanden na de beslissing tot weigering of intrekking van de erkenning bestemd voor het globaal beheer van de sociale zekerheid.
Eventuele verschillen tussen de door de RVA aan de borgsteller uitbetaalde intresten en de van de Schatkist ontvangen intresten zijn bestemd voor het globaal beheer van de sociale zekerheid.
§ 3. In geval van weigering van de erkenning of bij de vrijwillige stopzetting van de activiteiten bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2°, wordt de borgsom integraal teruggestort. Indien bij de vrijwillige stopzetting zou blijken dat er achterstallige bijdragen te innen zijn door een instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en/of achterstallen zijn in de betaling van de door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening teruggevorderde bedragen en/of achterstallige belastingen zijn, zal het bedrag van de borgsom bij voorrang gebruikt worden voor de aanzuivering van deze schuldvorderingen in respectievelijke volgorde.
In het geval de erkenning wordt ingetrokken overeenkomstig artikel 2, § 2, vierde, vijfde en zesde lid, van de wet, en zou blijken dat er achterstallige bijdragen te innen zijn door een instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en/of achterstallen zijn in de betaling van de door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening teruggevorderde bedragen en/of achterstallige belastingen zijn, zal het bedrag van de borgsom bij voorrang gebruikt worden voor de aanzuivering van deze schuldvorderingen in respectievelijke volgorde. Het resterende bedrag wordt teruggestort.]1
Art. 10. [1 § 1er. L'entreprise agréée verse le montant du cautionnement visé à l'article 2bis, § 1er de la loi, sur un compte de l'ONEm. Ce montant est placé par l'ONEm auprès du Trésor public.
§ 2. Au cours du mois de janvier, le garant perçoit annuellement une bonification d'intérêt sur la base du taux d'intérêt du marché indiqué par le Trésor public. L'ONEm peut, sur base des nécessités financières dans le système du cautionnement, décider d'utiliser une partie proportionnelle du cautionnement pour alimenter une réserve de liquidités. Dans le cadre des perspectives d'investissement et en vue de la protection du capital du cautionnement versé, l'ONEm peut, par dérogation au paragraphe 1er, décider de garder une partie ou la totalité du cautionnement en liquidités. L'intérêt est calculé à partir du premier jour du mois qui suit celui du versement. L'intérêt cesse d'augmenter à partir du dernier jour du mois précédant la décision de refus ou de retrait d'agrément. Les montants qui restent moins de trois mois sur le compte, ne rapportent pas d'intérêt. La bonification d'intérêt est soumise au précompte mobilier.
Le montant du cautionnement ou d'une partie de celui-ci à reverser, ainsi que les revenus d'intérêt non encaissés, dont le destinataire n'est pas joignable, sont destinés à la gestion globale de la sécurité sociale et ce, 24 mois après la décision de refus ou de retrait de l'agrément.
Des différences éventuelles entre les intérêts payés par l'ONEm au garant et les intérêts reçus du Trésor public sont destinés à la gestion globale de la sécurité sociale..
§ 3. En cas de refus de l'agrément ou au moment de la cessation volontaire des activités visées à l'article 1er, alinéa 1er, 2°, le cautionnement est intégralement remboursé. Si lors de la cessation volontaire, il s'avérait qu'il y a des arriérés de cotisations à percevoir par un organisme de recouvrement des cotisations de sécurité sociale et/ou des arriérés de paiement de montants réclamés par l'Office national de l'Emploi et/ou des arriérés d'impôts, le montant du cautionnement sera utilisé prioritairement pour l'apurement de ces créances dans l'ordre respectif.
Dans le cas où l'agrément est retiré conformément l'article 2, § 2, alinéas 4, 5 et 6, de la loi, et il s'avérait qu'il y a des arriérés de cotisations à percevoir par un organisme de recouvrement des cotisations de sécurité sociale et/ou des arriérés de paiement de montants réclamés par l'Office national de l'Emploi et/ou des arriérés d'impôts, le montant du cautionnement sera utilisé prioritairement pour l'apurement de ces créances dans l'ordre respectif. Le montant restant est remboursé.]1
§ 2. Au cours du mois de janvier, le garant perçoit annuellement une bonification d'intérêt sur la base du taux d'intérêt du marché indiqué par le Trésor public. L'ONEm peut, sur base des nécessités financières dans le système du cautionnement, décider d'utiliser une partie proportionnelle du cautionnement pour alimenter une réserve de liquidités. Dans le cadre des perspectives d'investissement et en vue de la protection du capital du cautionnement versé, l'ONEm peut, par dérogation au paragraphe 1er, décider de garder une partie ou la totalité du cautionnement en liquidités. L'intérêt est calculé à partir du premier jour du mois qui suit celui du versement. L'intérêt cesse d'augmenter à partir du dernier jour du mois précédant la décision de refus ou de retrait d'agrément. Les montants qui restent moins de trois mois sur le compte, ne rapportent pas d'intérêt. La bonification d'intérêt est soumise au précompte mobilier.
Le montant du cautionnement ou d'une partie de celui-ci à reverser, ainsi que les revenus d'intérêt non encaissés, dont le destinataire n'est pas joignable, sont destinés à la gestion globale de la sécurité sociale et ce, 24 mois après la décision de refus ou de retrait de l'agrément.
Des différences éventuelles entre les intérêts payés par l'ONEm au garant et les intérêts reçus du Trésor public sont destinés à la gestion globale de la sécurité sociale..
§ 3. En cas de refus de l'agrément ou au moment de la cessation volontaire des activités visées à l'article 1er, alinéa 1er, 2°, le cautionnement est intégralement remboursé. Si lors de la cessation volontaire, il s'avérait qu'il y a des arriérés de cotisations à percevoir par un organisme de recouvrement des cotisations de sécurité sociale et/ou des arriérés de paiement de montants réclamés par l'Office national de l'Emploi et/ou des arriérés d'impôts, le montant du cautionnement sera utilisé prioritairement pour l'apurement de ces créances dans l'ordre respectif.
Dans le cas où l'agrément est retiré conformément l'article 2, § 2, alinéas 4, 5 et 6, de la loi, et il s'avérait qu'il y a des arriérés de cotisations à percevoir par un organisme de recouvrement des cotisations de sécurité sociale et/ou des arriérés de paiement de montants réclamés par l'Office national de l'Emploi et/ou des arriérés d'impôts, le montant du cautionnement sera utilisé prioritairement pour l'apurement de ces créances dans l'ordre respectif. Le montant restant est remboursé.]1
Wijzigingen
Art. 10_WAALS_GEWEST. [1 § 1. De erkende onderneming stort het bedrag van de borgsom bedoeld in artikel 2bis, § 1, van de wet, op een rekening van [2 de Waalse Overheidsdienst]2. Dit bedrag wordt door [2 de Waalse Overheidsdienst]2 geplaatst bij de Schatkist.
§ 2. De borgsteller ontvangt jaarlijks, in de loop van de maand januari, een rentevergoeding op basis van de marktrente opgegeven door de Schatkist. [2 de Waalse Overheidsdienst]2 kan, op basis van de financiële noodwendigheden binnen het stelsel van de borgstelling, beslissen om een proportioneel gedeelte van de borgsom aan te wenden ter bevoorrading van een liquiditeitsbuffer. In het kader van de beleggingsperspectieven en met het oog op de kapitaalbescherming van de gestorte borgsom kan de [2 de Waalse Overheidsdienst]2, in afwijking van paragraaf 1, beslissen een gedeelte of het geheel van de borgsom in liquiditeiten aan te houden. De intrest wordt berekend vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand van storting. De intrest houdt op te lopen vanaf de laatste dag van de maand voorafgaand aan de beslissing tot weigering of intrekking van de erkenning. Bedragen die minder dan drie maanden gedeponeerd blijven brengen geen intrest op. De rentevergoeding is onderworpen aan roerende voorheffing.
Het terug te storten bedrag van de borgsom of een gedeelte ervan, evenals de niet geïncasseerde renteopbrengsten, waarvan de bestemmeling niet bereikbaar is, zijn 24 maanden na de beslissing tot weigering of intrekking van de erkenning bestemd voor [3 de generale Thesaurie van het Waalse Gewest of een bij decreet opgericht begrotingsfonds zoals bedoeld in artikel 4 van het decreet van 15 december 2011 houdende organisatie van de begroting, de boekhouding en de rapportage van de Waalse overheidsbestuurseenheden.]3
Eventuele verschillen tussen de door [2 de Waalse Overheidsdienst]2 aan de borgsteller uitbetaalde intresten en de van de Schatkist ontvangen intresten zijn bestemd voor [3 de generale Thesaurie van het Waalse Gewest of een bij decreet opgericht begrotingsfonds zoals bedoeld in artikel 4 van het decreet van 15 december 2011 houdende organisatie van de begroting, de boekhouding en de rapportage van de Waalse overheidsbestuurseenheden.]3
§ 3. [4 De Administratie betaalt de borgsom terug in geval van weigering [6 of van intrekking]6 van de erkenning of bij de vrijwillige stopzetting van de activiteiten bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2°, of bij het verstrijken van een termijn van vijf jaar te rekenen van de datum van toekenning van de erkenning.
Elke beslissing tot inhouding of terugvordering of nog [6 tot intrekking met uitstel van de erkenning]6 onderbreekt die termijn. In dit geval begint de nieuwe termijn vanaf de dag waarop de onderneming geen voorwerp meer uitmaakt van een beslissing tot inhouding, noch instaat voor de betaling van bedragen verschuldigd krachtens een terugvorderingsbeslissing, noch het voorwerp uitmaakt van een beslissing [6 tot intrekking met uitstel van de erkenning]6.]4]1
[5 § 4. Wanneer de Administratie de borgsom terugbetaalt, gebruikt ze, in voorkomend geval, het geheel of een gedeelte van dat bedrag voor de betaling van de schuldvordering van de "Forem" en dan van de Waalse Overheidsdienst en daarna voor de betaling van de achterstallen in de bijdragen die geïnd moeten worden door een instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en/of achterstallige belastingen. Het saldo wordt aan de betrokken onderneming terugbetaald.]5
§ 2. De borgsteller ontvangt jaarlijks, in de loop van de maand januari, een rentevergoeding op basis van de marktrente opgegeven door de Schatkist. [2 de Waalse Overheidsdienst]2 kan, op basis van de financiële noodwendigheden binnen het stelsel van de borgstelling, beslissen om een proportioneel gedeelte van de borgsom aan te wenden ter bevoorrading van een liquiditeitsbuffer. In het kader van de beleggingsperspectieven en met het oog op de kapitaalbescherming van de gestorte borgsom kan de [2 de Waalse Overheidsdienst]2, in afwijking van paragraaf 1, beslissen een gedeelte of het geheel van de borgsom in liquiditeiten aan te houden. De intrest wordt berekend vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand van storting. De intrest houdt op te lopen vanaf de laatste dag van de maand voorafgaand aan de beslissing tot weigering of intrekking van de erkenning. Bedragen die minder dan drie maanden gedeponeerd blijven brengen geen intrest op. De rentevergoeding is onderworpen aan roerende voorheffing.
Het terug te storten bedrag van de borgsom of een gedeelte ervan, evenals de niet geïncasseerde renteopbrengsten, waarvan de bestemmeling niet bereikbaar is, zijn 24 maanden na de beslissing tot weigering of intrekking van de erkenning bestemd voor [3 de generale Thesaurie van het Waalse Gewest of een bij decreet opgericht begrotingsfonds zoals bedoeld in artikel 4 van het decreet van 15 december 2011 houdende organisatie van de begroting, de boekhouding en de rapportage van de Waalse overheidsbestuurseenheden.]3
Eventuele verschillen tussen de door [2 de Waalse Overheidsdienst]2 aan de borgsteller uitbetaalde intresten en de van de Schatkist ontvangen intresten zijn bestemd voor [3 de generale Thesaurie van het Waalse Gewest of een bij decreet opgericht begrotingsfonds zoals bedoeld in artikel 4 van het decreet van 15 december 2011 houdende organisatie van de begroting, de boekhouding en de rapportage van de Waalse overheidsbestuurseenheden.]3
§ 3. [4 De Administratie betaalt de borgsom terug in geval van weigering [6 of van intrekking]6 van de erkenning of bij de vrijwillige stopzetting van de activiteiten bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2°, of bij het verstrijken van een termijn van vijf jaar te rekenen van de datum van toekenning van de erkenning.
Elke beslissing tot inhouding of terugvordering of nog [6 tot intrekking met uitstel van de erkenning]6 onderbreekt die termijn. In dit geval begint de nieuwe termijn vanaf de dag waarop de onderneming geen voorwerp meer uitmaakt van een beslissing tot inhouding, noch instaat voor de betaling van bedragen verschuldigd krachtens een terugvorderingsbeslissing, noch het voorwerp uitmaakt van een beslissing [6 tot intrekking met uitstel van de erkenning]6.]4]1
[5 § 4. Wanneer de Administratie de borgsom terugbetaalt, gebruikt ze, in voorkomend geval, het geheel of een gedeelte van dat bedrag voor de betaling van de schuldvordering van de "Forem" en dan van de Waalse Overheidsdienst en daarna voor de betaling van de achterstallen in de bijdragen die geïnd moeten worden door een instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en/of achterstallige belastingen. Het saldo wordt aan de betrokken onderneming terugbetaald.]5
Wijzigingen
Art. 10 _REGION_WALLONNE.
[1 § 1er. L'entreprise agréée verse le montant du cautionnement visé à l'article 2bis, § 1er de la loi, sur un compte de [2 le Service public de Wallonie]2. Ce montant est placé par [2 le Service public de Wallonie ]2 auprès du Trésor public.
§ 2. Au cours du mois de janvier, le garant perçoit annuellement une bonification d'intérêt sur la base du taux d'intérêt du marché indiqué par le Trésor public. [2 le Service public de Wallonie ]2 peut, sur base des nécessités financières dans le système du cautionnement, décider d'utiliser une partie proportionnelle du cautionnement pour alimenter une réserve de liquidités. Dans le cadre des perspectives d'investissement et en vue de la protection du capital du cautionnement versé, [2 le Service public de Wallonie ]2 peut, par dérogation au paragraphe 1er, décider de garder une partie ou la totalité du cautionnement en liquidités. L'intérêt est calculé à partir du premier jour du mois qui suit celui du versement. L'intérêt cesse d'augmenter à partir du dernier jour du mois précédant la décision de refus ou de retrait d'agrément. Les montants qui restent moins de trois mois sur le compte, ne rapportent pas d'intérêt. La bonification d'intérêt est soumise au précompte mobilier.
Le montant du cautionnement ou d'une partie de celui-ci à reverser, ainsi que les revenus d'intérêt non encaissés, dont le destinataire n'est pas joignable, sont destinés [3 à la Trésorerie générale de la Région wallonne ou à un fonds budgétaire tel que visé à l'article 4 du décret du 15 décembre 2011 portant organisation du budget, de la comptabilité et du rapportage des unités d'administration publique wallonnes, créé par décret]3 et ce, 24 mois après la décision de refus ou de retrait de l'agrément.
Des différences éventuelles entre les intérêts payés par [2 le Service public de Wallonie]2 au garant et les intérêts reçus du Trésor public sont destinés [3 à la Trésorerie générale de la Région wallonne ou à un fonds budgétaire tel que visé à l'article 4 du décret du 15 décembre 2011 portant organisation du budget, de la comptabilité et du rapportage des unités d'administration publique wallonnes, créé par décret.]3
§ 3. [4 L'Administration rembourse le cautionnement en cas de refus [6 ou de retrait]6 d'agrément ou au moment de la cessation volontaire des activités visées à l'article 1er, alinéa 1er, 2°, ou à l'expiration d'un délai de cinq ans à compter de la date d'octroi de l'agrément.
Toute décision de retenue ou de récupération ou encore [6 de retrait avec sursis de l'agrément]6 interrompt ce délai. Dans ce cas, le nouveau délai court à partir du jour où l'entreprise n'est plus ni sujette à une décision de retenue, ni débitrice de montants dus en vertu d'une décision de récupération ni sujette à une décision [6 de retrait avec sursis de l'agrément]6.]4]1
[5 § 4. Lorsque l'Administration rembourse le cautionnement, elle utilise, le cas échéant, tout ou partie de ce montant pour le paiement des créances du Forem puis du Service public de Wallonie puis pour le paiement des arriérés de cotisations à percevoir par un organisme de recouvrement des cotisations de sécurité sociale ou des arriérés d'impôt. Le solde est remboursé à l'entreprise concernée.]5
[1 § 1er. L'entreprise agréée verse le montant du cautionnement visé à l'article 2bis, § 1er de la loi, sur un compte de [2 le Service public de Wallonie]2. Ce montant est placé par [2 le Service public de Wallonie ]2 auprès du Trésor public.
§ 2. Au cours du mois de janvier, le garant perçoit annuellement une bonification d'intérêt sur la base du taux d'intérêt du marché indiqué par le Trésor public. [2 le Service public de Wallonie ]2 peut, sur base des nécessités financières dans le système du cautionnement, décider d'utiliser une partie proportionnelle du cautionnement pour alimenter une réserve de liquidités. Dans le cadre des perspectives d'investissement et en vue de la protection du capital du cautionnement versé, [2 le Service public de Wallonie ]2 peut, par dérogation au paragraphe 1er, décider de garder une partie ou la totalité du cautionnement en liquidités. L'intérêt est calculé à partir du premier jour du mois qui suit celui du versement. L'intérêt cesse d'augmenter à partir du dernier jour du mois précédant la décision de refus ou de retrait d'agrément. Les montants qui restent moins de trois mois sur le compte, ne rapportent pas d'intérêt. La bonification d'intérêt est soumise au précompte mobilier.
Le montant du cautionnement ou d'une partie de celui-ci à reverser, ainsi que les revenus d'intérêt non encaissés, dont le destinataire n'est pas joignable, sont destinés [3 à la Trésorerie générale de la Région wallonne ou à un fonds budgétaire tel que visé à l'article 4 du décret du 15 décembre 2011 portant organisation du budget, de la comptabilité et du rapportage des unités d'administration publique wallonnes, créé par décret]3 et ce, 24 mois après la décision de refus ou de retrait de l'agrément.
Des différences éventuelles entre les intérêts payés par [2 le Service public de Wallonie]2 au garant et les intérêts reçus du Trésor public sont destinés [3 à la Trésorerie générale de la Région wallonne ou à un fonds budgétaire tel que visé à l'article 4 du décret du 15 décembre 2011 portant organisation du budget, de la comptabilité et du rapportage des unités d'administration publique wallonnes, créé par décret.]3
§ 3. [4 L'Administration rembourse le cautionnement en cas de refus [6 ou de retrait]6 d'agrément ou au moment de la cessation volontaire des activités visées à l'article 1er, alinéa 1er, 2°, ou à l'expiration d'un délai de cinq ans à compter de la date d'octroi de l'agrément.
Toute décision de retenue ou de récupération ou encore [6 de retrait avec sursis de l'agrément]6 interrompt ce délai. Dans ce cas, le nouveau délai court à partir du jour où l'entreprise n'est plus ni sujette à une décision de retenue, ni débitrice de montants dus en vertu d'une décision de récupération ni sujette à une décision [6 de retrait avec sursis de l'agrément]6.]4]1
[5 § 4. Lorsque l'Administration rembourse le cautionnement, elle utilise, le cas échéant, tout ou partie de ce montant pour le paiement des créances du Forem puis du Service public de Wallonie puis pour le paiement des arriérés de cotisations à percevoir par un organisme de recouvrement des cotisations de sécurité sociale ou des arriérés d'impôt. Le solde est remboursé à l'entreprise concernée.]5
Wijzigingen
Art. 10_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 § 1. De erkende onderneming stort 25.000 euro als borgsom bedoeld in artikel 2bis, § 1 van de wet, op een rekening van het bestuur. De eventuele rentevergoeding die deze rekening genereert, blijft verworven door het bestuur voor alle borgsommen, ongeacht of ze vóór of na 1 januari 2016 door de bedrijven gesteld werden.
§ 2. Bij weigering van de erkenning wordt de borgsom volledig terugbetaald.
In het geval de erkenning wordt ingetrokken overeenkomstig artikel 2, § 2, vierde, vijfde en zesde lid van de wet, of bij vrijwillige stopzetting van de activiteiten bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2° van dit koninklijk besluit, of bij het verstrijken van een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de toekenningsdatum van de erkenning, gaat het bestuur na of de onderneming nog bedragen verschuldigd is aan het Brussels Hoofdstedelijke Gewest, om welke reden ook. Als dit het geval is, wordt het bedrag van de borgsom aangewend voor het aanzuiveren van die schulden. Het resterende bedrag wordt terugbetaald.
Elke beslissing tot inhouding, terugvordering of schorsing van erkenning onderbreekt de in het vorige lid bedoelde termijn van vijf jaar. In dat geval gaat het niet-verlopen gedeelte van de termijn pas in vanaf de dag waarop de onderneming niet langer het voorwerp uitmaakt van een beslissing tot inhouding, of in geval van terugvordering, vanaf de dag waarop de onderneming de teruggevorderde bedragen heeft terugbetaald, of in geval van schorsing, vanaf de dag waarop die schorsing wordt opgeheven.
§ 3. Het bedrag of deel van de borgsom dat teruggestort moet worden maar waarvan de bestemmeling niet bereikbaar is, blijft verworven door het bestuur vanaf 24 maanden na het tijdstip waarop de betaling had moeten plaatsvinden.
§ 4. In opdracht van het bestuur, als er aanwijzingen zijn van fraude, blokkeert het uitgiftebedrijf onmiddellijk de terugbetaling van de dienstencheques aan de erkende onderneming. In dat geval zijn de in artikel 8 vermelde terugbetalingstermijnen niet van toepassing. Deze blokkering duurt maximaal 30 kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag waarop ze door het uitgiftebedrijf wordt ingesteld.]1
§ 2. Bij weigering van de erkenning wordt de borgsom volledig terugbetaald.
In het geval de erkenning wordt ingetrokken overeenkomstig artikel 2, § 2, vierde, vijfde en zesde lid van de wet, of bij vrijwillige stopzetting van de activiteiten bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2° van dit koninklijk besluit, of bij het verstrijken van een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de toekenningsdatum van de erkenning, gaat het bestuur na of de onderneming nog bedragen verschuldigd is aan het Brussels Hoofdstedelijke Gewest, om welke reden ook. Als dit het geval is, wordt het bedrag van de borgsom aangewend voor het aanzuiveren van die schulden. Het resterende bedrag wordt terugbetaald.
Elke beslissing tot inhouding, terugvordering of schorsing van erkenning onderbreekt de in het vorige lid bedoelde termijn van vijf jaar. In dat geval gaat het niet-verlopen gedeelte van de termijn pas in vanaf de dag waarop de onderneming niet langer het voorwerp uitmaakt van een beslissing tot inhouding, of in geval van terugvordering, vanaf de dag waarop de onderneming de teruggevorderde bedragen heeft terugbetaald, of in geval van schorsing, vanaf de dag waarop die schorsing wordt opgeheven.
§ 3. Het bedrag of deel van de borgsom dat teruggestort moet worden maar waarvan de bestemmeling niet bereikbaar is, blijft verworven door het bestuur vanaf 24 maanden na het tijdstip waarop de betaling had moeten plaatsvinden.
§ 4. In opdracht van het bestuur, als er aanwijzingen zijn van fraude, blokkeert het uitgiftebedrijf onmiddellijk de terugbetaling van de dienstencheques aan de erkende onderneming. In dat geval zijn de in artikel 8 vermelde terugbetalingstermijnen niet van toepassing. Deze blokkering duurt maximaal 30 kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag waarop ze door het uitgiftebedrijf wordt ingesteld.]1
Art. 10 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 § 1er. L'entreprise agréée verse 25.000 euros au titre du cautionnement visé à l'article 2bis, § 1er de la loi, sur un compte de l'administration. L'éventuelle bonification d'intérêts générée par ce compte reste acquise à l'administration pour tous les cautionnements qu'ils aient été constitués par les entreprises avant ou après le 1er janvier 2016.
§ 2. En cas de refus de l'agrément, le cautionnement est intégralement remboursé.
En cas de retrait de l'agrément, conformément à l'article 2, § 2, alinéas quatre, cinq et six de la loi ou lors de la cessation volontaire des activités visées à l'article 1er, alinéa premier, 2° du présent arrêté royal, ou à l'expiration d'un délai de cinq ans à compter de la date d'octroi de l'agrément, l'administration vérifie si l'entreprise reste débitrice de sommes dues à la Région de Bruxelles-Capitale, à quelque titre que ce soit. Si tel est le cas, le montant du cautionnement sera utilisé pour l'apurement de ces créances. Le montant restant sera remboursé.
Toute décision de retenue, de récupération ou de suspension d'agrément interrompt le délai de cinq ans prévu à l'alinéa précédent. Dans ce cas, la partie restante du délai ne court qu'à partir du jour où l'entreprise n'est plus sujette à une décision de retenue, ou en cas de récupération, à partir du jour où l'entreprise a remboursé les montants à récupérer, ou encore en cas de suspension, à partir du jour où la suspension est levée.
§ 3. Le montant du cautionnement, ou d'une partie de celui-ci à reverser, dont le destinataire n'est pas joignable, sont acquis à l'administration et ce, 24 mois après le moment où le paiement aurait dû être effectué.
§ 4. Sur instruction de l'administration, en cas d'indices de fraude, la société émettrice bloque immédiatement le remboursement des titres-services à l'entreprise agréée. Dans ce cas, les délais de remboursement mentionnés à l'article 8 ne sont pas applicables. Ce blocage est de maximum 30 jours de calendrier à compter du jour où le blocage est mis en oeuvre par la société émettrice.]1
[1 § 1er. L'entreprise agréée verse 25.000 euros au titre du cautionnement visé à l'article 2bis, § 1er de la loi, sur un compte de l'administration. L'éventuelle bonification d'intérêts générée par ce compte reste acquise à l'administration pour tous les cautionnements qu'ils aient été constitués par les entreprises avant ou après le 1er janvier 2016.
§ 2. En cas de refus de l'agrément, le cautionnement est intégralement remboursé.
En cas de retrait de l'agrément, conformément à l'article 2, § 2, alinéas quatre, cinq et six de la loi ou lors de la cessation volontaire des activités visées à l'article 1er, alinéa premier, 2° du présent arrêté royal, ou à l'expiration d'un délai de cinq ans à compter de la date d'octroi de l'agrément, l'administration vérifie si l'entreprise reste débitrice de sommes dues à la Région de Bruxelles-Capitale, à quelque titre que ce soit. Si tel est le cas, le montant du cautionnement sera utilisé pour l'apurement de ces créances. Le montant restant sera remboursé.
Toute décision de retenue, de récupération ou de suspension d'agrément interrompt le délai de cinq ans prévu à l'alinéa précédent. Dans ce cas, la partie restante du délai ne court qu'à partir du jour où l'entreprise n'est plus sujette à une décision de retenue, ou en cas de récupération, à partir du jour où l'entreprise a remboursé les montants à récupérer, ou encore en cas de suspension, à partir du jour où la suspension est levée.
§ 3. Le montant du cautionnement, ou d'une partie de celui-ci à reverser, dont le destinataire n'est pas joignable, sont acquis à l'administration et ce, 24 mois après le moment où le paiement aurait dû être effectué.
§ 4. Sur instruction de l'administration, en cas d'indices de fraude, la société émettrice bloque immédiatement le remboursement des titres-services à l'entreprise agréée. Dans ce cas, les délais de remboursement mentionnés à l'article 8 ne sont pas applicables. Ce blocage est de maximum 30 jours de calendrier à compter du jour où le blocage est mis en oeuvre par la société émettrice.]1
Wijzigingen
Art. 10_VLAAMS_GEWEST. [1 § 1. De erkende onderneming stort het bedrag van de borgsom, vermeld in artikel 2bis, § 1, van de wet, bij de Deposito- en Consignatiekas.
§ 2. De rentevergoeding wordt jaarlijks uitgekeerd aan de erkende onderneming die de borgsom heeft gestort.
§ 3. In geval van weigering van de erkenning wordt de borgsom integraal teruggestort.
In het geval de erkenning wordt ingetrokken overeenkomstig artikel 2, § 2, vierde, vijfde en zesde lid, van de wet, of bij de vrijwillige stopzetting van de activiteiten, vermeld in artikel 1, eerste lid, 2°, van dit koninklijk besluit, gaat het departement na of er nog bedragen verschuldigd zijn aan het departement. Als dat het geval is, wordt het bedrag van de borgsom gebruikt voor de aanzuivering van deze schuldvorderingen. Het resterende bedrag wordt teruggestort.
[2 § 3bis. Bij het verstrijken van een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de toekenningsdatum van de erkenning, geeft het departement de borgsom vrij. Vooraleer de borgsom vrij te geven gaat het departement na of er nog bedragen verschuldigd zijn aan het departement. Als dat het geval is, wordt het bedrag van de borgsom gebruikt voor de aanzuivering van die schuldvorderingen. Het resterende bedrag wordt vrijgegeven.
Het departement kan de vrijgave van de borgsom opschorten als de erkende onderneming tijdens de afgelopen twee jaar inbreuken heeft begaan vastgesteld door de bevoegde inspectiediensten op de erkenningsvoorwaarden opgenomen in de wet of in dit besluit.
Het departement deelt de beslissing om de vrijgave van de borgsom op te schorten mee aan de erkende onderneming binnen zestig dagen na het verstrijken van vijf jaar te rekenen vanaf de toekenningsdatum van de erkenning.
Als het departement de vrijgave van de borgsom opschort, kan het departement ten vroegste één jaar na die beslissing de borgsom vrijgeven.]2
§ 4. Het terug te storten bedrag van de borgsom of een gedeelte ervan, evenals de jaarlijkse rentevergoedingen, waarvan de bestemmeling niet bereikbaar is, zijn 24 maanden na het moment dat de betaling had moeten plaatsvinden, bestemd voor het departement.]1
§ 2. De rentevergoeding wordt jaarlijks uitgekeerd aan de erkende onderneming die de borgsom heeft gestort.
§ 3. In geval van weigering van de erkenning wordt de borgsom integraal teruggestort.
In het geval de erkenning wordt ingetrokken overeenkomstig artikel 2, § 2, vierde, vijfde en zesde lid, van de wet, of bij de vrijwillige stopzetting van de activiteiten, vermeld in artikel 1, eerste lid, 2°, van dit koninklijk besluit, gaat het departement na of er nog bedragen verschuldigd zijn aan het departement. Als dat het geval is, wordt het bedrag van de borgsom gebruikt voor de aanzuivering van deze schuldvorderingen. Het resterende bedrag wordt teruggestort.
[2 § 3bis. Bij het verstrijken van een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de toekenningsdatum van de erkenning, geeft het departement de borgsom vrij. Vooraleer de borgsom vrij te geven gaat het departement na of er nog bedragen verschuldigd zijn aan het departement. Als dat het geval is, wordt het bedrag van de borgsom gebruikt voor de aanzuivering van die schuldvorderingen. Het resterende bedrag wordt vrijgegeven.
Het departement kan de vrijgave van de borgsom opschorten als de erkende onderneming tijdens de afgelopen twee jaar inbreuken heeft begaan vastgesteld door de bevoegde inspectiediensten op de erkenningsvoorwaarden opgenomen in de wet of in dit besluit.
Het departement deelt de beslissing om de vrijgave van de borgsom op te schorten mee aan de erkende onderneming binnen zestig dagen na het verstrijken van vijf jaar te rekenen vanaf de toekenningsdatum van de erkenning.
Als het departement de vrijgave van de borgsom opschort, kan het departement ten vroegste één jaar na die beslissing de borgsom vrijgeven.]2
§ 4. Het terug te storten bedrag van de borgsom of een gedeelte ervan, evenals de jaarlijkse rentevergoedingen, waarvan de bestemmeling niet bereikbaar is, zijn 24 maanden na het moment dat de betaling had moeten plaatsvinden, bestemd voor het departement.]1
Art. 10 _REGION_FLAMANDE.
[1 § 1er. L'entreprise agréée verse le montant du cautionnement visé à l'article 2bis, § 1er de la loi, auprès de la Caisse des Dépôts et Consignations.
§ 2. L'entreprise agréée qui a versé le cautionnement perçoit une bonification d'intérêt annuelle.
§ 3. En cas de refus de l'agrément, le cautionnement est intégralement remboursé.
En cas de refus de l'agrément, conformément à l'article 2, § 2, alinéas quatre, cinq et six de la loi ou lors de la cessation volontaire des activités, visées à l'article 1er, alinéa premier, 2° du présent arrêté royal, le département examinera s'il y a des arriérés à percevoir par le département. Si tel est le cas, le montant du cautionnement sera utilisé pour l'apurement de ces créances. Le montant restant sera remboursé.
[2 § 3bis. A l'expiration d'un délai de cinq ans à compter de la date d'octroi de l'agrément, le département lève le cautionnement. Avant de lever le cautionnement, le département vérifie s'il ne reste pas des sommes dues au département. Si tel est le cas, le montant du cautionnement sera utilisé pour l'apurement de ces créances. Le montant restant sera levé.
Le département peut suspendre la levée du cautionnement si, au cours des deux années précédentes, l'entreprise agréée a commis des infractions aux conditions d'agrément reprises dans la loi ou dans ce présent arrêté, qui ont été constatées par les services d'inspection compétents.
Le département informe l'entreprise agréée de la décision de suspendre la levée du cautionnement dans les soixante jours après l'expiration du délai de cinq ans à compter de la date d'octroi de l'agrément.
Si le département suspend la levée du cautionnement, il peut lever le cautionnement au plus tôt un an après cette décision.]2
§ 4. Le montant du cautionnement ou d'une partie de celui-ci à reverser, ainsi que les revenus d'intérêt annuels, dont le destinataire n'est pas joignable, sont destinés au département et ce, 24 mois après le moment où le paiement aurait dû être effectué.]1
[1 § 1er. L'entreprise agréée verse le montant du cautionnement visé à l'article 2bis, § 1er de la loi, auprès de la Caisse des Dépôts et Consignations.
§ 2. L'entreprise agréée qui a versé le cautionnement perçoit une bonification d'intérêt annuelle.
§ 3. En cas de refus de l'agrément, le cautionnement est intégralement remboursé.
En cas de refus de l'agrément, conformément à l'article 2, § 2, alinéas quatre, cinq et six de la loi ou lors de la cessation volontaire des activités, visées à l'article 1er, alinéa premier, 2° du présent arrêté royal, le département examinera s'il y a des arriérés à percevoir par le département. Si tel est le cas, le montant du cautionnement sera utilisé pour l'apurement de ces créances. Le montant restant sera remboursé.
[2 § 3bis. A l'expiration d'un délai de cinq ans à compter de la date d'octroi de l'agrément, le département lève le cautionnement. Avant de lever le cautionnement, le département vérifie s'il ne reste pas des sommes dues au département. Si tel est le cas, le montant du cautionnement sera utilisé pour l'apurement de ces créances. Le montant restant sera levé.
Le département peut suspendre la levée du cautionnement si, au cours des deux années précédentes, l'entreprise agréée a commis des infractions aux conditions d'agrément reprises dans la loi ou dans ce présent arrêté, qui ont été constatées par les services d'inspection compétents.
Le département informe l'entreprise agréée de la décision de suspendre la levée du cautionnement dans les soixante jours après l'expiration du délai de cinq ans à compter de la date d'octroi de l'agrément.
Si le département suspend la levée du cautionnement, il peut lever le cautionnement au plus tôt un an après cette décision.]2
§ 4. Le montant du cautionnement ou d'une partie de celui-ci à reverser, ainsi que les revenus d'intérêt annuels, dont le destinataire n'est pas joignable, sont destinés au département et ce, 24 mois après le moment où le paiement aurait dû être effectué.]1
Art. 10bis. [1 § 1. Worden belast met het toezicht op het naleven van de wet en zijn uitvoeringsbesluiten :
1° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
2° [2 ...]2
3° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Algemene Directie Inspectiediensten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
4° de sociale inspecteurs van de RVA;
5° [2 ...]2Overheidsdiensten.
Deze ambtenaren oefenen hun toezicht uit overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
Zij lichten het Secretariaat in van de vastgestelde anomalieën die een invloed kunnen hebben op de erkenning van de onderneming.
§ 2. Indien de werken uitgevoerd werden zonder dat de wettelijke of reglementaire voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet, werden gerespecteerd, zal de RVA, in toepassing van artikel 2bis, § 2, eerste lid, van de wet, het uitgiftebedrijf de opdracht geven vijf euro minder te betalen van de in artikel 1, 6°, van dit besluit bedoelde tegemoetkoming aan de onderneming voor de dienstencheques die bij de uitgiftemaatschappij voor terugbetaling worden ingediend.
In afwijking van artikel 8, § 1, eerste lid, stort het uitgiftebedrijf, na validatie van de dienstencheques, binnen de 10 werkdagen te rekenen vanaf de ontvangst van de dienstencheque opgestuurd door de erkende onderneming, een bedrag gelijk aan de aanschafprijs van de dienstencheque bedoeld in artikel 3, § 2, eerste lid, vermeerderd met de tegemoetkoming die voorgeschoten werd aan het uitgiftebedrijf en verminderd met het bedrag bedoeld in het eerste lid, op de bankrekening van de onderneming bedoeld in het vorige lid. Het uitgiftebedrijf stort het bedrag bedoeld in het eerste lid binnen dezelfde termijn op een rekening van de RVA. Dit bedrag brengt voor de ondernemingen geen intresten op.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 zal de RVA, in toepassing van artikel 2bis, § 2, tweede lid, van de wet, het uitgiftebedrijf verbieden de in artikel 1, 6°, van dit besluit bedoelde tegemoetkoming en het in artikel 3, § 2, eerste lid, van dit besluit bedoelde bedrag van de aanschafprijs van de dienstencheque te betalen aan de onderneming voor de dienstencheques die bij de uitgiftemaatschappij voor terugbetaling worden ingediend, indien zij oordeelt dat het niet respecteren van de wettelijke of reglementaire voorwaarden een zware inbreuk betreft.
Worden in dit verband inzonderheid als zware inbreuken beschouwd :
- een proces-verbaal dat opgesteld is ten laste van de onderneming wegens het plegen van een inbreuk strafbaar met een sanctie van niveau 4 zoals voorzien in artikel 177/1, § 1, van het Sociaal Strafwetboek of wegens het nalaten of weigeren inlichtingen te verstrekken, zoals voorzien in artikel 233, § 1, 2°, van het Sociaal strafwetboek of wegens oplichting, zoals voorzien in artikel 235 van het Sociaal Strafwetboek;
- het indienen van onrechtmatig verkregen dienstencheques;
- het tewerkstellen van werknemers van vreemde nationaliteit zonder een arbeidsvergunning;
- manifeste vormen van fraude.
Het uitgiftebedrijf stort het bedrag bedoeld in het eerste lid binnen de termijn bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, op een rekening van de RVA. Dit bedrag brengt voor de ondernemingen geen intresten op.
§ 4. Wanneer de onderneming het bewijs levert van de naleving van alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid, van de wet, en er geen achterstallige bijdragen te innen zijn door een instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en/of achterstallen zijn in de betaling van de door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening teruggevorderde bedragen en/of achterstallige belastingen zijn, worden de ingehouden bedragen bedoeld in de paragrafen 2 en 3 alsnog overgemaakt aan de onderneming.
Wanneer er wordt vastgesteld dat er achterstallige bijdragen te innen zijn door een instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en/of achterstallen zijn in de betaling van de door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening teruggevorderde bedragen en/of achterstallige belastingen zijn worden de ingehouden bedragen bedoeld in de paragrafen 2 en 3 gebruikt voor de aanzuivering van deze schuldvorderingen in respectievelijke volgorde. Het resterende bedrag wordt teruggestort.
§ 5. Indien de werken uitgevoerd werden zonder dat de wettelijke of reglementaire voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet, werden gerespecteerd, kan de RVA de tegemoetkoming en het bedrag van de aanschafprijs van de dienstencheque geheel terugvorderen indien deze ten onrechte werd toegekend.
De onderneming betaalt de ten onrechte ontvangen tegemoetkomingen en de ten onrechte ontvangen bedragen van de aanschafprijs van de dienstencheque terug binnen de 30 dagen die volgen op de datum vermeld op de aangetekende brief.
§ 6. In uitvoering van dit artikel verbindt het uitgiftebedrijf zich ertoe de door de RVA gevraagde gegevens te bezorgen.
§ 7. De RVA stuurt aan de onderneming een aangetekende brief die de beslissing genomen in het kader van dit artikel motiveert, en brengt de gebruikers op de hoogte indien de vastgestelde inbreuk ook nadelen voor de gebruikers met zich meebrengt.]1
1° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
2° [2 ...]2
3° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Algemene Directie Inspectiediensten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
4° de sociale inspecteurs van de RVA;
5° [2 ...]2Overheidsdiensten.
Deze ambtenaren oefenen hun toezicht uit overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
Zij lichten het Secretariaat in van de vastgestelde anomalieën die een invloed kunnen hebben op de erkenning van de onderneming.
§ 2. Indien de werken uitgevoerd werden zonder dat de wettelijke of reglementaire voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet, werden gerespecteerd, zal de RVA, in toepassing van artikel 2bis, § 2, eerste lid, van de wet, het uitgiftebedrijf de opdracht geven vijf euro minder te betalen van de in artikel 1, 6°, van dit besluit bedoelde tegemoetkoming aan de onderneming voor de dienstencheques die bij de uitgiftemaatschappij voor terugbetaling worden ingediend.
In afwijking van artikel 8, § 1, eerste lid, stort het uitgiftebedrijf, na validatie van de dienstencheques, binnen de 10 werkdagen te rekenen vanaf de ontvangst van de dienstencheque opgestuurd door de erkende onderneming, een bedrag gelijk aan de aanschafprijs van de dienstencheque bedoeld in artikel 3, § 2, eerste lid, vermeerderd met de tegemoetkoming die voorgeschoten werd aan het uitgiftebedrijf en verminderd met het bedrag bedoeld in het eerste lid, op de bankrekening van de onderneming bedoeld in het vorige lid. Het uitgiftebedrijf stort het bedrag bedoeld in het eerste lid binnen dezelfde termijn op een rekening van de RVA. Dit bedrag brengt voor de ondernemingen geen intresten op.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 zal de RVA, in toepassing van artikel 2bis, § 2, tweede lid, van de wet, het uitgiftebedrijf verbieden de in artikel 1, 6°, van dit besluit bedoelde tegemoetkoming en het in artikel 3, § 2, eerste lid, van dit besluit bedoelde bedrag van de aanschafprijs van de dienstencheque te betalen aan de onderneming voor de dienstencheques die bij de uitgiftemaatschappij voor terugbetaling worden ingediend, indien zij oordeelt dat het niet respecteren van de wettelijke of reglementaire voorwaarden een zware inbreuk betreft.
Worden in dit verband inzonderheid als zware inbreuken beschouwd :
- een proces-verbaal dat opgesteld is ten laste van de onderneming wegens het plegen van een inbreuk strafbaar met een sanctie van niveau 4 zoals voorzien in artikel 177/1, § 1, van het Sociaal Strafwetboek of wegens het nalaten of weigeren inlichtingen te verstrekken, zoals voorzien in artikel 233, § 1, 2°, van het Sociaal strafwetboek of wegens oplichting, zoals voorzien in artikel 235 van het Sociaal Strafwetboek;
- het indienen van onrechtmatig verkregen dienstencheques;
- het tewerkstellen van werknemers van vreemde nationaliteit zonder een arbeidsvergunning;
- manifeste vormen van fraude.
Het uitgiftebedrijf stort het bedrag bedoeld in het eerste lid binnen de termijn bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, op een rekening van de RVA. Dit bedrag brengt voor de ondernemingen geen intresten op.
§ 4. Wanneer de onderneming het bewijs levert van de naleving van alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid, van de wet, en er geen achterstallige bijdragen te innen zijn door een instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en/of achterstallen zijn in de betaling van de door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening teruggevorderde bedragen en/of achterstallige belastingen zijn, worden de ingehouden bedragen bedoeld in de paragrafen 2 en 3 alsnog overgemaakt aan de onderneming.
Wanneer er wordt vastgesteld dat er achterstallige bijdragen te innen zijn door een instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en/of achterstallen zijn in de betaling van de door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening teruggevorderde bedragen en/of achterstallige belastingen zijn worden de ingehouden bedragen bedoeld in de paragrafen 2 en 3 gebruikt voor de aanzuivering van deze schuldvorderingen in respectievelijke volgorde. Het resterende bedrag wordt teruggestort.
§ 5. Indien de werken uitgevoerd werden zonder dat de wettelijke of reglementaire voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet, werden gerespecteerd, kan de RVA de tegemoetkoming en het bedrag van de aanschafprijs van de dienstencheque geheel terugvorderen indien deze ten onrechte werd toegekend.
De onderneming betaalt de ten onrechte ontvangen tegemoetkomingen en de ten onrechte ontvangen bedragen van de aanschafprijs van de dienstencheque terug binnen de 30 dagen die volgen op de datum vermeld op de aangetekende brief.
§ 6. In uitvoering van dit artikel verbindt het uitgiftebedrijf zich ertoe de door de RVA gevraagde gegevens te bezorgen.
§ 7. De RVA stuurt aan de onderneming een aangetekende brief die de beslissing genomen in het kader van dit artikel motiveert, en brengt de gebruikers op de hoogte indien de vastgestelde inbreuk ook nadelen voor de gebruikers met zich meebrengt.]1
Art. 10bis. [1 § 1er. Sont chargés de la surveillance du respect de la loi et de ses arrêtés d'exécution :
1° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de la Direction générale Contrôle des Lois sociales du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale;
2° [2 ...]2
3° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de la Direction générale des Services d'Inspection de l'Office National de Sécurité sociale;
4° les inspecteurs sociaux de l'ONEm;
5° [2 ...]2
Ces fonctionnaires exercent leur surveillance conformément au Code pénal social.
Ils informent le Secrétariat des anomalies constatées qui peuvent influencer l'agrément de l'entreprise.
§ 2. Si les travaux ont été effectués sans que les conditions légales ou réglementaires visées à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2 de la loi, aient été respectées, l'ONEm chargera la société émettrice, en application de l'article 2bis, § 2, alinéa 1er, de la loi, de payer cinq euros de moins de l'intervention visée à l'article 1er, 6°, de cet arrêté, à l'entreprise pour les titres-services qui sont transmis à la société émettrice aux fins de remboursement.
Par dérogation à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, la société émettrice verse, après validation des titres-services, au compte bancaire de l'entreprise agréée visée à l'alinéa précédent, dans les 10 jours ouvrables à compter de la réception du titre-service envoyé par celle-ci, un montant égal au prix d'acquisition du titre-service visé à l'article 3, § 2, alinéa 1er, majoré de l'intervention qui a été avancée à la société émettrice et diminué du montant visé à l'alinéa 1er. La société émettrice verse le montant visé à l'article 1er, dans le même délai, à un compte de l'ONEm. Ce montant ne rapporte pas d'intérêt pour les entreprises.
§ 3. Par dérogation du paragraphe 2, l'ONEm interdira à la société émettrice, en application de l'article 2bis, § 2, alinéa 2, de la loi, de payer à l'entreprise l'intervention, visée à l'article 1er, 6°, du présent arrêté et le montant du prix d'acquisition du titres-service, visée à l'article 3, § 2, alinéa 1er, du présent arrêté, pour les titres-services qui sont transmis à la société émettrice aux fins de remboursement si elle estime que le non-respect des conditions légales ou réglementaires est une infraction grave.
A cet égard, sont notamment considérées comme des infractions graves :
- un procès-verbal établi à charge d'une entreprise en raison de la commission d'une infraction punissable d'une sanction de niveau 4 telle que prévue par l'article 177/1, § 1er, du Code pénal social ou en raison de l'abstention ou du refus de fournir des renseignements, tels que prévus par l'article 233, § 1, 2°, du Code pénal social ou en raison de l'escroquerie, telle que prévue à l'article 235 du Code pénal social;
- l'introduction de titres-services indûment reçus;
- l'occupation des travailleurs étrangers sans permis de travail;
- des formes manifeste de fraude.
La société émettrice verse le montant visé à l'alinéa 1er sur un compte de l'ONEm dans le délai visé au paragraphe 2, alinéa 2. Ce montant ne rapporte pas d'intérêt pour les entreprises.
§ 4. Si l'entreprise apporte la preuve du respect de l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi, et s'il n'y a pas d'arriérés de cotisations à percevoir par un organisme de recouvrement des cotisations de sécurité sociale et/ou des arriérés de paiement de montants réclamés par l'Office national de l'Emploi et/ou des arriérés d'impôts, les montants retenus visés aux paragraphes 2 et 3 sont encore transmis à l'entreprise.
S'il est constaté qu'il y a des arriérés de cotisations à percevoir par un organisme de recouvrement des cotisations de sécurité sociale et/ou des arriérés de paiement de montants réclamés par l'Office national de l'Emploi et/ou des arriérés d'impôts, les montants retenus visés aux paragraphes 2 et 3 sont utilisés pour l'apurement de ces créances dans l'ordre respectif. Le montant restant est remboursé.
§ 5. Si les travaux ont été effectués sans que les conditions légales ou réglementaires visées à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2 de la loi, aient été respectées, l'ONEm peut récupérer entièrement l'intervention et le montant du prix d'acquisition du titres-service, si ceux-ci ont été indûment accordés.
L'entreprise rembourse les interventions indûment reçues et les montants indûment reçus du prix d'acquisition du titres-service dans les 30 jours à compter de la date mentionnée dans la lettre recommandée.
§ 6. En application de cet article, la société émettrice s'engage à fournir les données demandées par l'ONEm.
§ 7. L'ONEm envoie à l'entreprise une lettre recommandée motivant la décision prise dans le cadre de cet article, et met les utilisateurs au courant si l'infraction constatée entraîne aussi des désavantages pour les utilisateurs.]1
1° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de la Direction générale Contrôle des Lois sociales du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale;
2° [2 ...]2
3° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de la Direction générale des Services d'Inspection de l'Office National de Sécurité sociale;
4° les inspecteurs sociaux de l'ONEm;
5° [2 ...]2
Ces fonctionnaires exercent leur surveillance conformément au Code pénal social.
Ils informent le Secrétariat des anomalies constatées qui peuvent influencer l'agrément de l'entreprise.
§ 2. Si les travaux ont été effectués sans que les conditions légales ou réglementaires visées à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2 de la loi, aient été respectées, l'ONEm chargera la société émettrice, en application de l'article 2bis, § 2, alinéa 1er, de la loi, de payer cinq euros de moins de l'intervention visée à l'article 1er, 6°, de cet arrêté, à l'entreprise pour les titres-services qui sont transmis à la société émettrice aux fins de remboursement.
Par dérogation à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, la société émettrice verse, après validation des titres-services, au compte bancaire de l'entreprise agréée visée à l'alinéa précédent, dans les 10 jours ouvrables à compter de la réception du titre-service envoyé par celle-ci, un montant égal au prix d'acquisition du titre-service visé à l'article 3, § 2, alinéa 1er, majoré de l'intervention qui a été avancée à la société émettrice et diminué du montant visé à l'alinéa 1er. La société émettrice verse le montant visé à l'article 1er, dans le même délai, à un compte de l'ONEm. Ce montant ne rapporte pas d'intérêt pour les entreprises.
§ 3. Par dérogation du paragraphe 2, l'ONEm interdira à la société émettrice, en application de l'article 2bis, § 2, alinéa 2, de la loi, de payer à l'entreprise l'intervention, visée à l'article 1er, 6°, du présent arrêté et le montant du prix d'acquisition du titres-service, visée à l'article 3, § 2, alinéa 1er, du présent arrêté, pour les titres-services qui sont transmis à la société émettrice aux fins de remboursement si elle estime que le non-respect des conditions légales ou réglementaires est une infraction grave.
A cet égard, sont notamment considérées comme des infractions graves :
- un procès-verbal établi à charge d'une entreprise en raison de la commission d'une infraction punissable d'une sanction de niveau 4 telle que prévue par l'article 177/1, § 1er, du Code pénal social ou en raison de l'abstention ou du refus de fournir des renseignements, tels que prévus par l'article 233, § 1, 2°, du Code pénal social ou en raison de l'escroquerie, telle que prévue à l'article 235 du Code pénal social;
- l'introduction de titres-services indûment reçus;
- l'occupation des travailleurs étrangers sans permis de travail;
- des formes manifeste de fraude.
La société émettrice verse le montant visé à l'alinéa 1er sur un compte de l'ONEm dans le délai visé au paragraphe 2, alinéa 2. Ce montant ne rapporte pas d'intérêt pour les entreprises.
§ 4. Si l'entreprise apporte la preuve du respect de l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi, et s'il n'y a pas d'arriérés de cotisations à percevoir par un organisme de recouvrement des cotisations de sécurité sociale et/ou des arriérés de paiement de montants réclamés par l'Office national de l'Emploi et/ou des arriérés d'impôts, les montants retenus visés aux paragraphes 2 et 3 sont encore transmis à l'entreprise.
S'il est constaté qu'il y a des arriérés de cotisations à percevoir par un organisme de recouvrement des cotisations de sécurité sociale et/ou des arriérés de paiement de montants réclamés par l'Office national de l'Emploi et/ou des arriérés d'impôts, les montants retenus visés aux paragraphes 2 et 3 sont utilisés pour l'apurement de ces créances dans l'ordre respectif. Le montant restant est remboursé.
§ 5. Si les travaux ont été effectués sans que les conditions légales ou réglementaires visées à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2 de la loi, aient été respectées, l'ONEm peut récupérer entièrement l'intervention et le montant du prix d'acquisition du titres-service, si ceux-ci ont été indûment accordés.
L'entreprise rembourse les interventions indûment reçues et les montants indûment reçus du prix d'acquisition du titres-service dans les 30 jours à compter de la date mentionnée dans la lettre recommandée.
§ 6. En application de cet article, la société émettrice s'engage à fournir les données demandées par l'ONEm.
§ 7. L'ONEm envoie à l'entreprise une lettre recommandée motivant la décision prise dans le cadre de cet article, et met les utilisateurs au courant si l'infraction constatée entraîne aussi des désavantages pour les utilisateurs.]1
Art. 10bis_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 § 1. Worden belast met het toezicht op het naleven van de wet en zijn uitvoeringsbesluiten :
1° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
2° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Sociale Inspectie van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid;
3° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Algemene Directie Inspectiediensten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
4° de sociale inspecteurs van de RVA;
5° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten.
Deze ambtenaren oefenen hun toezicht uit overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
Zij lichten het Secretariaat in van de vastgestelde anomalieën die een invloed kunnen hebben op de erkenning van de onderneming.
§ 2. Indien de werken uitgevoerd werden zonder dat de wettelijke of reglementaire voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet, werden gerespecteerd, zal [2 het bestuur]2, in toepassing van artikel 2bis, § 2, eerste lid, van de wet, het uitgiftebedrijf de opdracht geven vijf euro minder te betalen van de in artikel 1, 6°, van dit besluit bedoelde tegemoetkoming aan de onderneming voor de dienstencheques die bij de uitgiftemaatschappij voor terugbetaling worden ingediend.
In afwijking van artikel 8, § 1, eerste lid, stort het uitgiftebedrijf, na validatie van de dienstencheques, binnen de [3 5]3 werkdagen te rekenen vanaf de ontvangst van de dienstencheque opgestuurd door de erkende onderneming [3 of binnen de twee werkdagen als het gaat om dienstencheques in gedematerialiseerde vorm]3, een bedrag gelijk aan de aanschafprijs van de dienstencheque bedoeld in artikel 3, § 2, eerste lid, vermeerderd met de tegemoetkoming die voorgeschoten werd aan het uitgiftebedrijf en verminderd met het bedrag bedoeld in het eerste lid, op de bankrekening van de onderneming bedoeld in het vorige lid. Het uitgiftebedrijf stort het bedrag bedoeld in het eerste lid binnen dezelfde termijn op een rekening van [2 het bestuur]2. Dit bedrag brengt voor de ondernemingen geen intresten op.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 zal [2 het bestuur]2, in toepassing van artikel 2bis, § 2, tweede lid, van de wet, het uitgiftebedrijf verbieden de in artikel 1, 6°, van dit besluit bedoelde tegemoetkoming en het in artikel 3, § 2, eerste lid, van dit besluit bedoelde bedrag van de aanschafprijs van de dienstencheque te betalen aan de onderneming voor de dienstencheques die bij de uitgiftemaatschappij voor terugbetaling worden ingediend, indien zij oordeelt dat het niet respecteren van de wettelijke of reglementaire voorwaarden een zware inbreuk betreft.
Worden in dit verband inzonderheid als zware inbreuken beschouwd :
- een proces-verbaal dat opgesteld is ten laste van de onderneming wegens het plegen van een inbreuk strafbaar met een sanctie van niveau 4 zoals voorzien in artikel 177/1, § 1, van het Sociaal Strafwetboek of wegens het nalaten of weigeren inlichtingen te verstrekken, zoals voorzien in artikel 233, § 1, 2°, van het Sociaal strafwetboek of wegens oplichting, zoals voorzien in artikel 235 van het Sociaal Strafwetboek;
- het indienen van onrechtmatig verkregen dienstencheques;
- het tewerkstellen van werknemers van vreemde nationaliteit zonder een arbeidsvergunning;
- manifeste vormen van fraude.
Het uitgiftebedrijf stort het bedrag bedoeld in het eerste lid binnen de termijn bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, op een rekening van [2 het bestuur]2. Dit bedrag brengt voor de ondernemingen geen intresten op.
§ 4. [2 Als de onderneming het bewijs levert van de naleving van alle voorwaarden bepaald in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet, en als de onderneming het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geen enkel bedrag verschuldigd is, om welke reden dan ook, worden de ingehouden bedragen bedoeld in paragrafen 2 en 3 alsnog overgemaakt aan de onderneming.
Als er vastgesteld wordt dat de onderneming het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bedragen verschuldigd blijft, om welke reden dan ook, worden de ingehouden bedragen bedoeld in paragrafen 2 en 3 gebruikt voor de aanzuivering van deze schulden. Het resterende bedrag wordt terugbetaald.]2
§ 5. Indien de werken uitgevoerd werden zonder dat de wettelijke of reglementaire voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet, werden gerespecteerd, kan [2 het bestuur]2 de tegemoetkoming en het bedrag van de aanschafprijs van de dienstencheque geheel terugvorderen indien deze ten onrechte werd toegekend.
De onderneming betaalt de ten onrechte ontvangen tegemoetkomingen en de ten onrechte ontvangen bedragen van de aanschafprijs van de dienstencheque terug binnen de 30 dagen die volgen op de datum vermeld op de aangetekende brief.
§ 6. In uitvoering van dit artikel verbindt het uitgiftebedrijf zich ertoe de door [2 het bestuur]2 gevraagde gegevens te bezorgen.
§ 7. [2 Het bestuur]2 stuurt aan de onderneming een aangetekende brief die de beslissing genomen in het kader van dit artikel motiveert, en brengt de gebruikers op de hoogte indien de vastgestelde inbreuk ook nadelen voor de gebruikers met zich meebrengt.]1
1° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
2° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Sociale Inspectie van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid;
3° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Algemene Directie Inspectiediensten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
4° de sociale inspecteurs van de RVA;
5° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten.
Deze ambtenaren oefenen hun toezicht uit overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
Zij lichten het Secretariaat in van de vastgestelde anomalieën die een invloed kunnen hebben op de erkenning van de onderneming.
§ 2. Indien de werken uitgevoerd werden zonder dat de wettelijke of reglementaire voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet, werden gerespecteerd, zal [2 het bestuur]2, in toepassing van artikel 2bis, § 2, eerste lid, van de wet, het uitgiftebedrijf de opdracht geven vijf euro minder te betalen van de in artikel 1, 6°, van dit besluit bedoelde tegemoetkoming aan de onderneming voor de dienstencheques die bij de uitgiftemaatschappij voor terugbetaling worden ingediend.
In afwijking van artikel 8, § 1, eerste lid, stort het uitgiftebedrijf, na validatie van de dienstencheques, binnen de [3 5]3 werkdagen te rekenen vanaf de ontvangst van de dienstencheque opgestuurd door de erkende onderneming [3 of binnen de twee werkdagen als het gaat om dienstencheques in gedematerialiseerde vorm]3, een bedrag gelijk aan de aanschafprijs van de dienstencheque bedoeld in artikel 3, § 2, eerste lid, vermeerderd met de tegemoetkoming die voorgeschoten werd aan het uitgiftebedrijf en verminderd met het bedrag bedoeld in het eerste lid, op de bankrekening van de onderneming bedoeld in het vorige lid. Het uitgiftebedrijf stort het bedrag bedoeld in het eerste lid binnen dezelfde termijn op een rekening van [2 het bestuur]2. Dit bedrag brengt voor de ondernemingen geen intresten op.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 zal [2 het bestuur]2, in toepassing van artikel 2bis, § 2, tweede lid, van de wet, het uitgiftebedrijf verbieden de in artikel 1, 6°, van dit besluit bedoelde tegemoetkoming en het in artikel 3, § 2, eerste lid, van dit besluit bedoelde bedrag van de aanschafprijs van de dienstencheque te betalen aan de onderneming voor de dienstencheques die bij de uitgiftemaatschappij voor terugbetaling worden ingediend, indien zij oordeelt dat het niet respecteren van de wettelijke of reglementaire voorwaarden een zware inbreuk betreft.
Worden in dit verband inzonderheid als zware inbreuken beschouwd :
- een proces-verbaal dat opgesteld is ten laste van de onderneming wegens het plegen van een inbreuk strafbaar met een sanctie van niveau 4 zoals voorzien in artikel 177/1, § 1, van het Sociaal Strafwetboek of wegens het nalaten of weigeren inlichtingen te verstrekken, zoals voorzien in artikel 233, § 1, 2°, van het Sociaal strafwetboek of wegens oplichting, zoals voorzien in artikel 235 van het Sociaal Strafwetboek;
- het indienen van onrechtmatig verkregen dienstencheques;
- het tewerkstellen van werknemers van vreemde nationaliteit zonder een arbeidsvergunning;
- manifeste vormen van fraude.
Het uitgiftebedrijf stort het bedrag bedoeld in het eerste lid binnen de termijn bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, op een rekening van [2 het bestuur]2. Dit bedrag brengt voor de ondernemingen geen intresten op.
§ 4. [2 Als de onderneming het bewijs levert van de naleving van alle voorwaarden bepaald in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet, en als de onderneming het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geen enkel bedrag verschuldigd is, om welke reden dan ook, worden de ingehouden bedragen bedoeld in paragrafen 2 en 3 alsnog overgemaakt aan de onderneming.
Als er vastgesteld wordt dat de onderneming het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bedragen verschuldigd blijft, om welke reden dan ook, worden de ingehouden bedragen bedoeld in paragrafen 2 en 3 gebruikt voor de aanzuivering van deze schulden. Het resterende bedrag wordt terugbetaald.]2
§ 5. Indien de werken uitgevoerd werden zonder dat de wettelijke of reglementaire voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet, werden gerespecteerd, kan [2 het bestuur]2 de tegemoetkoming en het bedrag van de aanschafprijs van de dienstencheque geheel terugvorderen indien deze ten onrechte werd toegekend.
De onderneming betaalt de ten onrechte ontvangen tegemoetkomingen en de ten onrechte ontvangen bedragen van de aanschafprijs van de dienstencheque terug binnen de 30 dagen die volgen op de datum vermeld op de aangetekende brief.
§ 6. In uitvoering van dit artikel verbindt het uitgiftebedrijf zich ertoe de door [2 het bestuur]2 gevraagde gegevens te bezorgen.
§ 7. [2 Het bestuur]2 stuurt aan de onderneming een aangetekende brief die de beslissing genomen in het kader van dit artikel motiveert, en brengt de gebruikers op de hoogte indien de vastgestelde inbreuk ook nadelen voor de gebruikers met zich meebrengt.]1
Art. 10bis _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 § 1er. Sont chargés de la surveillance du respect de la loi et de ses arrêtés d'exécution :
1° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de la Direction générale Contrôle des Lois sociales du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale;
2° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de l'Inspection sociale du Service public fédéral Sécurité sociale;
3° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de la Direction générale des Services d'Inspection de l'Office National de Sécurité sociale;
4° les inspecteurs sociaux de l'[2 administration]2;
5° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de l'Office national de Sécurité sociale des administrations provinciales et locales.
Ces fonctionnaires exercent leur surveillance conformément au Code pénal social.
Ils informent le Secrétariat des anomalies constatées qui peuvent influencer l'agrément de l'entreprise.
§ 2. Si les travaux ont été effectués sans que les conditions légales ou réglementaires visées à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2 de la loi, aient été respectées, l'[2 administration]2chargera la société émettrice, en application de l'article 2bis, § 2, alinéa 1er, de la loi, de payer cinq euros de moins de l'intervention visée à l'article 1er, 6°, de cet arrêté, à l'entreprise pour les titres-services qui sont transmis à la société émettrice aux fins de remboursement.
Par dérogation à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, la société émettrice verse, après validation des titres-services, au compte bancaire de l'entreprise agréée visée à l'alinéa précédent, dans les [3 5]3 jours ouvrables à compter de la réception du titre-service envoyé par celle-ci, [3 ou dans les 2 jours ouvrables en cas de titres-services sous forme dématérialisée,]3 un montant égal au prix d'acquisition du titre-service visé à l'article 3, § 2, alinéa 1er, majoré de l'intervention qui a été avancée à la société émettrice et diminué du montant visé à l'alinéa 1er. La société émettrice verse le montant visé à l'article 1er, dans le même délai, à un compte de l'[2 administration]2. Ce montant ne rapporte pas d'intérêt pour les entreprises.
§ 3. Par dérogation du paragraphe 2, l'[2 administration]2 interdira à la société émettrice, en application de l'article 2bis, § 2, alinéa 2, de la loi, de payer à l'entreprise l'intervention, visée à l'article 1er, 6°, du présent arrêté et le montant du prix d'acquisition du titres-service, visée à l'article 3, § 2, alinéa 1er, du présent arrêté, pour les titres-services qui sont transmis à la société émettrice aux fins de remboursement si elle estime que le non-respect des conditions légales ou réglementaires est une infraction grave.
A cet égard, sont notamment considérées comme des infractions graves :
- un procès-verbal établi à charge d'une entreprise en raison de la commission d'une infraction punissable d'une sanction de niveau 4 telle que prévue par l'article 177/1, § 1er, du Code pénal social ou en raison de l'abstention ou du refus de fournir des renseignements, tels que prévus par l'article 233, § 1, 2°, du Code pénal social ou en raison de l'escroquerie, telle que prévue à l'article 235 du Code pénal social;
- l'introduction de titres-services indûment reçus;
- l'occupation des travailleurs étrangers sans permis de travail;
- des formes manifeste de fraude.
La société émettrice verse le montant visé à l'alinéa 1er sur un compte de l'[2 administration]2 dans le délai visé au paragraphe 2, alinéa 2. Ce montant ne rapporte pas d'intérêt pour les entreprises.
§ 4. [2 Si l'entreprise apporte la preuve du respect de l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi, et si l'entreprise n'est débitrice d'aucune somme due à la Région de Bruxelles-Capitale, à quelque titre que ce soit, les montants retenus visés aux paragraphes 2 et 3 sont encore transmis à l'entreprise.
S'il est constaté que l'entreprise reste débitrice de sommes dues à la Région de Bruxelles-Capitale, à quelque titre que ce soit, les montants retenus visés aux paragraphes 2 et 3 sont utilisés pour l'apurement de ces dettes. Le montant restant est remboursé.]2
§ 5. Si les travaux ont été effectués sans que les conditions légales ou réglementaires visées à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2 de la loi, aient été respectées, l'[2 administration]2 peut récupérer entièrement l'intervention et le montant du prix d'acquisition du titres-service, si ceux-ci ont été indûment accordés.
L'entreprise rembourse les interventions indûment reçues et les montants indûment reçus du prix d'acquisition du titres-service dans les 30 jours à compter de la date mentionnée dans la lettre recommandée.
§ 6. En application de cet article, la société émettrice s'engage à fournir les données demandées par l'[2 administration]2.
§ 7. L'[2 administration]2envoie à l'entreprise une lettre recommandée motivant la décision prise dans le cadre de cet article, et met les utilisateurs au courant si l'infraction constatée entraîne aussi des désavantages pour les utilisateurs.]1
[1 § 1er. Sont chargés de la surveillance du respect de la loi et de ses arrêtés d'exécution :
1° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de la Direction générale Contrôle des Lois sociales du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale;
2° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de l'Inspection sociale du Service public fédéral Sécurité sociale;
3° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de la Direction générale des Services d'Inspection de l'Office National de Sécurité sociale;
4° les inspecteurs sociaux de l'[2 administration]2;
5° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de l'Office national de Sécurité sociale des administrations provinciales et locales.
Ces fonctionnaires exercent leur surveillance conformément au Code pénal social.
Ils informent le Secrétariat des anomalies constatées qui peuvent influencer l'agrément de l'entreprise.
§ 2. Si les travaux ont été effectués sans que les conditions légales ou réglementaires visées à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2 de la loi, aient été respectées, l'[2 administration]2chargera la société émettrice, en application de l'article 2bis, § 2, alinéa 1er, de la loi, de payer cinq euros de moins de l'intervention visée à l'article 1er, 6°, de cet arrêté, à l'entreprise pour les titres-services qui sont transmis à la société émettrice aux fins de remboursement.
Par dérogation à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, la société émettrice verse, après validation des titres-services, au compte bancaire de l'entreprise agréée visée à l'alinéa précédent, dans les [3 5]3 jours ouvrables à compter de la réception du titre-service envoyé par celle-ci, [3 ou dans les 2 jours ouvrables en cas de titres-services sous forme dématérialisée,]3 un montant égal au prix d'acquisition du titre-service visé à l'article 3, § 2, alinéa 1er, majoré de l'intervention qui a été avancée à la société émettrice et diminué du montant visé à l'alinéa 1er. La société émettrice verse le montant visé à l'article 1er, dans le même délai, à un compte de l'[2 administration]2. Ce montant ne rapporte pas d'intérêt pour les entreprises.
§ 3. Par dérogation du paragraphe 2, l'[2 administration]2 interdira à la société émettrice, en application de l'article 2bis, § 2, alinéa 2, de la loi, de payer à l'entreprise l'intervention, visée à l'article 1er, 6°, du présent arrêté et le montant du prix d'acquisition du titres-service, visée à l'article 3, § 2, alinéa 1er, du présent arrêté, pour les titres-services qui sont transmis à la société émettrice aux fins de remboursement si elle estime que le non-respect des conditions légales ou réglementaires est une infraction grave.
A cet égard, sont notamment considérées comme des infractions graves :
- un procès-verbal établi à charge d'une entreprise en raison de la commission d'une infraction punissable d'une sanction de niveau 4 telle que prévue par l'article 177/1, § 1er, du Code pénal social ou en raison de l'abstention ou du refus de fournir des renseignements, tels que prévus par l'article 233, § 1, 2°, du Code pénal social ou en raison de l'escroquerie, telle que prévue à l'article 235 du Code pénal social;
- l'introduction de titres-services indûment reçus;
- l'occupation des travailleurs étrangers sans permis de travail;
- des formes manifeste de fraude.
La société émettrice verse le montant visé à l'alinéa 1er sur un compte de l'[2 administration]2 dans le délai visé au paragraphe 2, alinéa 2. Ce montant ne rapporte pas d'intérêt pour les entreprises.
§ 4. [2 Si l'entreprise apporte la preuve du respect de l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi, et si l'entreprise n'est débitrice d'aucune somme due à la Région de Bruxelles-Capitale, à quelque titre que ce soit, les montants retenus visés aux paragraphes 2 et 3 sont encore transmis à l'entreprise.
S'il est constaté que l'entreprise reste débitrice de sommes dues à la Région de Bruxelles-Capitale, à quelque titre que ce soit, les montants retenus visés aux paragraphes 2 et 3 sont utilisés pour l'apurement de ces dettes. Le montant restant est remboursé.]2
§ 5. Si les travaux ont été effectués sans que les conditions légales ou réglementaires visées à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2 de la loi, aient été respectées, l'[2 administration]2 peut récupérer entièrement l'intervention et le montant du prix d'acquisition du titres-service, si ceux-ci ont été indûment accordés.
L'entreprise rembourse les interventions indûment reçues et les montants indûment reçus du prix d'acquisition du titres-service dans les 30 jours à compter de la date mentionnée dans la lettre recommandée.
§ 6. En application de cet article, la société émettrice s'engage à fournir les données demandées par l'[2 administration]2.
§ 7. L'[2 administration]2envoie à l'entreprise une lettre recommandée motivant la décision prise dans le cadre de cet article, et met les utilisateurs au courant si l'infraction constatée entraîne aussi des désavantages pour les utilisateurs.]1
Art. 10bis_WAALS_GEWEST. [1 § 1. Worden belast met het toezicht op het naleven van de wet en zijn uitvoeringsbesluiten :
1° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
2° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Sociale Inspectie van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid;
3° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Algemene Directie Inspectiediensten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
4° de sociale inspecteurs van de RVA;
5° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten.
Deze ambtenaren oefenen hun toezicht uit overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
[10 De inspecteurs aangewezen door de Regering controleren de toepassing van de wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan en oefenen het toezicht uit op de inachtneming ervan, uitgezonderd de bepalingen bedoeld in afdeling 2 van Hoofdstuk II van de wet.
De inspecteurs oefenen die controle uit overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 28 februari 2019 betreffende de controle van de wetgevingen en reglementeringen inzake het economisch beleid, het tewerkstellingsbeleid en het wetenschappelijk onderzoek alsook de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze wetgevingen en reglementeringen.]10
Zij lichten [11 de Administratie]11 in van de vastgestelde anomalieën die een invloed kunnen hebben op de erkenning van de onderneming.
§ 2. Indien de werken uitgevoerd werden zonder dat de wettelijke of reglementaire voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet, werden gerespecteerd, zal [3 de Forem]3, in toepassing van artikel 2bis, § 2, eerste lid, van de wet, het uitgiftebedrijf de opdracht geven vijf euro minder te betalen van de in artikel 1, 6°, van dit besluit bedoelde tegemoetkoming aan de onderneming voor de dienstencheques die bij de uitgiftemaatschappij voor terugbetaling worden ingediend.
In afwijking van artikel 8, § 1, eerste lid, stort het uitgiftebedrijf, na validatie van de dienstencheques,[4 binnen de termijn bedoeld in artikel 8, § 1, eerste lid]4, een bedrag gelijk aan de aanschafprijs van de dienstencheque bedoeld in artikel 3, § 2, eerste lid, vermeerderd met de tegemoetkoming die voorgeschoten werd aan het uitgiftebedrijf en verminderd met het bedrag bedoeld in het eerste lid, op de bankrekening van de onderneming bedoeld in het vorige lid. Het uitgiftebedrijf stort het bedrag bedoeld in het eerste lid binnen dezelfde termijn op een rekening van de [3 de Forem]3. Dit bedrag brengt voor de ondernemingen geen intresten op.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 zal [5 de Forem]5, in toepassing van artikel 2bis, § 2, tweede lid, van de wet, het uitgiftebedrijf verbieden de in artikel 1, 6°, van dit besluit bedoelde tegemoetkoming en het in artikel 3, § 2, eerste lid, van dit besluit bedoelde bedrag van de aanschafprijs van de dienstencheque te betalen aan de onderneming voor de dienstencheques die bij de uitgiftemaatschappij voor terugbetaling worden ingediend, indien zij oordeelt dat het niet respecteren van de wettelijke of reglementaire voorwaarden een zware inbreuk betreft.
Worden in dit verband inzonderheid als zware inbreuken beschouwd :
- een proces-verbaal dat opgesteld is ten laste van de onderneming wegens het plegen van een inbreuk strafbaar met een sanctie [6 bedoeld in artikel 10ter, § 1, van de wet]6 of wegens het nalaten of weigeren inlichtingen te verstrekken, zoals voorzien in artikel 233, § 1, 2°, van het Sociaal strafwetboek of wegens oplichting, zoals voorzien in artikel 235 van het Sociaal Strafwetboek;
- het indienen van onrechtmatig verkregen dienstencheques;
- het tewerkstellen van werknemers van vreemde nationaliteit zonder een arbeidsvergunning;
- manifeste vormen van fraude.
Het uitgiftebedrijf stort het bedrag bedoeld in het eerste lid binnen de termijn bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, op een rekening van [5 de Forem]5. Dit bedrag brengt voor de ondernemingen geen intresten op.
[11 § 3/1. Indien het erkende bedrijf achterstallige betalingen heeft van door de administratie gevorderde bedragen, achterstallige bijdragen die door een bureau voor de inning van socialezekerheidsbijdragen moeten worden geïnd of achterstallige belastingen, geeft de Administratie het bedrijf dat de dienstencheques afgeeft opdracht vijf euro minder te betalen dan de interventie die aan het bedrijf wordt doorgegeven voor terugbetaling.
Indien de erkende onderneming één maand na de kennisgeving van de in lid 1 bedoelde beslissing nog steeds achterstallige bedragen verschuldigd is, verbiedt de administratie de onderneming de interventie en de aankoopprijs van de dienstencheque te betalen voor de dienstencheques die ter terugbetaling aan de onderneming van afgifte zijn toegezonden.
De uitgevende vennootschap betaalt het in lid 1 of 2 bedoelde bedrag binnen de in § 2, tweede lid, bedoelde termijn. Dit bedrag levert het erkende bedrijf geen rente op.]11
§ 4. [7 Wanneer de onderneming het bewijs levert van de naleving van alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid, van de wet, en er geen achterstallen zijn in de betaling van de door de "Forem" of de Administratie teruggevorderde bedragen, worden de ingehouden bedragen bedoeld [11 in de paragrafen 2 tot 3/1]11 overgemaakt aan de onderneming.
Wanneer er wordt vastgesteld dat er achterstallen zijn in de betaling van de door de "Forem" of de Administratie teruggevorderde bedragen, of achterstallen in de bijdragen die geïnd moeten worden door een instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en/of achterstallige belastingen, worden de ingehouden bedragen bedoeld [11 in de paragrafen 2 tot 3/1]11 gebruikt voor de aanzuivering van deze schuldvorderingen in respectievelijke volgorde of krachtens de wet. Het resterende bedrag wordt teruggestort.]7
§ 5. Indien de werken uitgevoerd werden zonder dat de wettelijke of reglementaire voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet, werden gerespecteerd, kan [8 de Waalse Overheidsdienst]8 de tegemoetkoming en het bedrag van de aanschafprijs van de dienstencheque geheel terugvorderen indien deze ten onrechte werd toegekend.
[11 Het in lid 1 bedoelde bedrag wordt berekend op basis van de door de uitgevende onderneming verstrekte beveiligde gegevens.]11
De onderneming betaalt de ten onrechte ontvangen tegemoetkomingen en de ten onrechte ontvangen bedragen van de aanschafprijs van de dienstencheque terug binnen de 30 dagen die volgen op de datum vermeld op de aangetekende brief.
[11 ...]11
§ 6. In uitvoering van dit artikel verbindt het uitgiftebedrijf zich ertoe de door [8 de Waalse Overheidsdienst]8 gevraagde gegevens te bezorgen.
§ 7. [8 De Waalse Overheidsdienst]8 [11 of, in voorkomend geval, de Administratie]11 stuurt aan de onderneming een aangetekende brief die de beslissing genomen in het kader van dit artikel motiveert, en brengt de gebruikers op de hoogte indien de vastgestelde inbreuk ook nadelen voor de gebruikers met zich meebrengt.]1
1° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
2° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Sociale Inspectie van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid;
3° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Algemene Directie Inspectiediensten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
4° de sociale inspecteurs van de RVA;
5° de sociale inspecteurs en de technische experten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten.
Deze ambtenaren oefenen hun toezicht uit overeenkomstig het Sociaal Strafwetboek.
[10 De inspecteurs aangewezen door de Regering controleren de toepassing van de wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan en oefenen het toezicht uit op de inachtneming ervan, uitgezonderd de bepalingen bedoeld in afdeling 2 van Hoofdstuk II van de wet.
De inspecteurs oefenen die controle uit overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 28 februari 2019 betreffende de controle van de wetgevingen en reglementeringen inzake het economisch beleid, het tewerkstellingsbeleid en het wetenschappelijk onderzoek alsook de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze wetgevingen en reglementeringen.]10
Zij lichten [11 de Administratie]11 in van de vastgestelde anomalieën die een invloed kunnen hebben op de erkenning van de onderneming.
§ 2. Indien de werken uitgevoerd werden zonder dat de wettelijke of reglementaire voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet, werden gerespecteerd, zal [3 de Forem]3, in toepassing van artikel 2bis, § 2, eerste lid, van de wet, het uitgiftebedrijf de opdracht geven vijf euro minder te betalen van de in artikel 1, 6°, van dit besluit bedoelde tegemoetkoming aan de onderneming voor de dienstencheques die bij de uitgiftemaatschappij voor terugbetaling worden ingediend.
In afwijking van artikel 8, § 1, eerste lid, stort het uitgiftebedrijf, na validatie van de dienstencheques,[4 binnen de termijn bedoeld in artikel 8, § 1, eerste lid]4, een bedrag gelijk aan de aanschafprijs van de dienstencheque bedoeld in artikel 3, § 2, eerste lid, vermeerderd met de tegemoetkoming die voorgeschoten werd aan het uitgiftebedrijf en verminderd met het bedrag bedoeld in het eerste lid, op de bankrekening van de onderneming bedoeld in het vorige lid. Het uitgiftebedrijf stort het bedrag bedoeld in het eerste lid binnen dezelfde termijn op een rekening van de [3 de Forem]3. Dit bedrag brengt voor de ondernemingen geen intresten op.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 zal [5 de Forem]5, in toepassing van artikel 2bis, § 2, tweede lid, van de wet, het uitgiftebedrijf verbieden de in artikel 1, 6°, van dit besluit bedoelde tegemoetkoming en het in artikel 3, § 2, eerste lid, van dit besluit bedoelde bedrag van de aanschafprijs van de dienstencheque te betalen aan de onderneming voor de dienstencheques die bij de uitgiftemaatschappij voor terugbetaling worden ingediend, indien zij oordeelt dat het niet respecteren van de wettelijke of reglementaire voorwaarden een zware inbreuk betreft.
Worden in dit verband inzonderheid als zware inbreuken beschouwd :
- een proces-verbaal dat opgesteld is ten laste van de onderneming wegens het plegen van een inbreuk strafbaar met een sanctie [6 bedoeld in artikel 10ter, § 1, van de wet]6 of wegens het nalaten of weigeren inlichtingen te verstrekken, zoals voorzien in artikel 233, § 1, 2°, van het Sociaal strafwetboek of wegens oplichting, zoals voorzien in artikel 235 van het Sociaal Strafwetboek;
- het indienen van onrechtmatig verkregen dienstencheques;
- het tewerkstellen van werknemers van vreemde nationaliteit zonder een arbeidsvergunning;
- manifeste vormen van fraude.
Het uitgiftebedrijf stort het bedrag bedoeld in het eerste lid binnen de termijn bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, op een rekening van [5 de Forem]5. Dit bedrag brengt voor de ondernemingen geen intresten op.
[11 § 3/1. Indien het erkende bedrijf achterstallige betalingen heeft van door de administratie gevorderde bedragen, achterstallige bijdragen die door een bureau voor de inning van socialezekerheidsbijdragen moeten worden geïnd of achterstallige belastingen, geeft de Administratie het bedrijf dat de dienstencheques afgeeft opdracht vijf euro minder te betalen dan de interventie die aan het bedrijf wordt doorgegeven voor terugbetaling.
Indien de erkende onderneming één maand na de kennisgeving van de in lid 1 bedoelde beslissing nog steeds achterstallige bedragen verschuldigd is, verbiedt de administratie de onderneming de interventie en de aankoopprijs van de dienstencheque te betalen voor de dienstencheques die ter terugbetaling aan de onderneming van afgifte zijn toegezonden.
De uitgevende vennootschap betaalt het in lid 1 of 2 bedoelde bedrag binnen de in § 2, tweede lid, bedoelde termijn. Dit bedrag levert het erkende bedrijf geen rente op.]11
§ 4. [7 Wanneer de onderneming het bewijs levert van de naleving van alle voorwaarden waarin is voorzien in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid, van de wet, en er geen achterstallen zijn in de betaling van de door de "Forem" of de Administratie teruggevorderde bedragen, worden de ingehouden bedragen bedoeld [11 in de paragrafen 2 tot 3/1]11 overgemaakt aan de onderneming.
Wanneer er wordt vastgesteld dat er achterstallen zijn in de betaling van de door de "Forem" of de Administratie teruggevorderde bedragen, of achterstallen in de bijdragen die geïnd moeten worden door een instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en/of achterstallige belastingen, worden de ingehouden bedragen bedoeld [11 in de paragrafen 2 tot 3/1]11 gebruikt voor de aanzuivering van deze schuldvorderingen in respectievelijke volgorde of krachtens de wet. Het resterende bedrag wordt teruggestort.]7
§ 5. Indien de werken uitgevoerd werden zonder dat de wettelijke of reglementaire voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet, werden gerespecteerd, kan [8 de Waalse Overheidsdienst]8 de tegemoetkoming en het bedrag van de aanschafprijs van de dienstencheque geheel terugvorderen indien deze ten onrechte werd toegekend.
[11 Het in lid 1 bedoelde bedrag wordt berekend op basis van de door de uitgevende onderneming verstrekte beveiligde gegevens.]11
De onderneming betaalt de ten onrechte ontvangen tegemoetkomingen en de ten onrechte ontvangen bedragen van de aanschafprijs van de dienstencheque terug binnen de 30 dagen die volgen op de datum vermeld op de aangetekende brief.
[11 ...]11
§ 6. In uitvoering van dit artikel verbindt het uitgiftebedrijf zich ertoe de door [8 de Waalse Overheidsdienst]8 gevraagde gegevens te bezorgen.
§ 7. [8 De Waalse Overheidsdienst]8 [11 of, in voorkomend geval, de Administratie]11 stuurt aan de onderneming een aangetekende brief die de beslissing genomen in het kader van dit artikel motiveert, en brengt de gebruikers op de hoogte indien de vastgestelde inbreuk ook nadelen voor de gebruikers met zich meebrengt.]1
Wijzigingen
Art. 10bis _REGION_WALLONNE.
[1 § 1er. Sont chargés de la surveillance du respect de la loi et de ses arrêtés d'exécution :
1° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de la Direction générale Contrôle des Lois sociales du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale;
2° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de l'Inspection sociale du Service public fédéral Sécurité sociale;
3° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de la Direction générale des Services d'Inspection de l'Office National de Sécurité sociale;
4° les inspecteurs sociaux de l'ONEm;
5° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de l'Office national de Sécurité sociale des administrations provinciales et locales.
Ces fonctionnaires exercent leur surveillance conformément au Code pénal social.
[10 Les inspecteurs désignés par le Gouvernement contrôlent l'application de la loi, et de ses arrêtés d'exécution et surveillent le respect de ceux-ci, à l'exception des dispositions visées à la section 2 du Chapitre II de la loi.
Les inspecteurs exercent ce contrôle conformément aux dispositions du décret du 28 février 2019 relatif au contrôle des législations et réglementations relatives à la politique économique, à la politique de l'emploi et à la recherche scientifique ainsi qu'à l'instauration d'amendes administratives applicables en cas d'infraction à ces législations et réglementations.]10
Ils informent [11 l'Administration]11 des anomalies constatées qui peuvent influencer l'agrément de l'entreprise.
§ 2. Si les travaux ont été effectués sans que les conditions légales ou réglementaires visées à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2 de la loi, aient été respectées, [3 le Forem]3 chargera la société émettrice, en application de l'article 2bis, § 2, alinéa 1er, de la loi, de payer cinq euros de moins de l'intervention visée à l'article 1er, 6°, de cet arrêté, à l'entreprise pour les titres-services qui sont transmis à la société émettrice aux fins de remboursement.
Par dérogation à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, la société émettrice verse, après validation des titres-services, au compte bancaire de l'entreprise agréée visée à l'alinéa précédent, [4 dans le délai visé à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, ]4, un montant égal au prix d'acquisition du titre-service visé à l'article 3, § 2, alinéa 1er, majoré de l'intervention qui a été avancée à la société émettrice et diminué du montant visé à l'alinéa 1er. La société émettrice verse le montant visé à l'article 1er, dans le même délai, à un compte [3 du Forem]3. Ce montant ne rapporte pas d'intérêt pour les entreprises.
§ 3. Par dérogation du paragraphe 2,[5 le Forem ]5 interdira à la société émettrice, en application de l'article 2bis, § 2, alinéa 2, de la loi, de payer à l'entreprise l'intervention, visée à l'article 1er, 6°, du présent arrêté et le montant du prix d'acquisition du titres-service, visée à l'article 3, § 2, alinéa 1er, du présent arrêté, pour les titres-services qui sont transmis à la société émettrice aux fins de remboursement si elle estime que le non-respect des conditions légales ou réglementaires est une infraction grave.
A cet égard, sont notamment considérées comme des infractions graves :
- un procès-verbal établi à charge d'une entreprise en raison de la commission d'une infraction punissable d'une sanction [6 prévue par l'article 10ter, § 1er, de la loi]6 ou en raison de l'escroquerie, telle que prévue à l'article 235 du Code pénal social;
- l'introduction de titres-services indûment reçus;
- l'occupation des travailleurs étrangers sans permis de travail;
- des formes manifeste de fraude.
La société émettrice verse le montant visé à l'alinéa 1er sur un compte [5 du Forem ]5 dans le délai visé au paragraphe 2, alinéa 2. Ce montant ne rapporte pas d'intérêt pour les entreprises.
[11 § 3/1. Si l'entreprise agréée est redevable d'arriérés de paiement de montants réclamés par l'Administration, d'arriérés de cotisations à percevoir par un organisme de recouvrement des cotisations de sécurité sociale ou d'arriérés d'impôts, l'Administration charge la société émettrice de payer cinq euros de moins de l'intervention à l'entreprise pour les titres-services qui sont transmis à la société émettrice aux fins de remboursement.
Si, un mois après la notification de la décision visée à l'aliéna 1er, l'entreprise agréée reste redevable d'arriérés, l'Administration interdit à la société émettrice de payer à l'entreprise l'intervention et le prix d'acquisition du titre-service pour les titres-services transmis à la société émettrice aux fins de remboursement.
La société émettrice verse le montant visé à l'alinéa 1er ou 2 dans le délai visé au § 2, alinéa 2. Ce montant ne rapporte pas d'intérêt pour l'entreprise agréée.]11
§ 4. [7 Si l'entreprise apporte la preuve du respect de l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi, et s'il n'existe pas d'arriérés de paiement de montants réclamés par le Forem ou l'Administration, par ou en vertu de la loi, les montants retenus visés [11 aux paragraphes 2 à 3/1]11 sont transmis à l'entreprise.
S'il est constaté des arriérés de paiement de montants réclamés par le Forem ou l'Administration ou des arriérés de cotisations à percevoir par un organisme de recouvrement des cotisations de sécurité sociale ou des arriérés d'impôt, les montants retenus visés [11 aux paragraphes 2 à 3/1]11 sont prioritairement utilisés pour apurer ces créances dans leur ordre respectif par ou en vertu de la loi. Le montant restant est remboursé.]7
§ 5. Si les travaux ont été effectués sans que les conditions légales ou réglementaires visées à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2 de la loi, aient été respectées, [8 le Forem]8 [11 récupère]11 entièrement l'intervention et le montant du prix d'acquisition du titres-service[11 ...]11.
[11 Le montant visé à l'alinéa 1er est calculé sur base des données sécurisées remises par la société émettrice.]11
L'entreprise rembourse les interventions indûment reçues et les montants indûment reçus du prix d'acquisition du titres-service dans les 30 jours à compter de la date mentionnée dans la lettre recommandée.
[11 ...]11
§ 6. En application de cet article, la société émettrice s'engage à fournir les données demandées par [8 le Forem]8.
§ 7. [8 le Forem]8 [11 ou, le cas échéant, l'Administration]11 envoie à l'entreprise une lettre recommandée motivant la décision prise dans le cadre de cet article, et met les utilisateurs au courant si l'infraction constatée entraîne aussi des désavantages pour les utilisateurs.]1
[1 § 1er. Sont chargés de la surveillance du respect de la loi et de ses arrêtés d'exécution :
1° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de la Direction générale Contrôle des Lois sociales du Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale;
2° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de l'Inspection sociale du Service public fédéral Sécurité sociale;
3° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de la Direction générale des Services d'Inspection de l'Office National de Sécurité sociale;
4° les inspecteurs sociaux de l'ONEm;
5° les inspecteurs sociaux et les experts techniques de l'Office national de Sécurité sociale des administrations provinciales et locales.
Ces fonctionnaires exercent leur surveillance conformément au Code pénal social.
[10 Les inspecteurs désignés par le Gouvernement contrôlent l'application de la loi, et de ses arrêtés d'exécution et surveillent le respect de ceux-ci, à l'exception des dispositions visées à la section 2 du Chapitre II de la loi.
Les inspecteurs exercent ce contrôle conformément aux dispositions du décret du 28 février 2019 relatif au contrôle des législations et réglementations relatives à la politique économique, à la politique de l'emploi et à la recherche scientifique ainsi qu'à l'instauration d'amendes administratives applicables en cas d'infraction à ces législations et réglementations.]10
Ils informent [11 l'Administration]11 des anomalies constatées qui peuvent influencer l'agrément de l'entreprise.
§ 2. Si les travaux ont été effectués sans que les conditions légales ou réglementaires visées à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2 de la loi, aient été respectées, [3 le Forem]3 chargera la société émettrice, en application de l'article 2bis, § 2, alinéa 1er, de la loi, de payer cinq euros de moins de l'intervention visée à l'article 1er, 6°, de cet arrêté, à l'entreprise pour les titres-services qui sont transmis à la société émettrice aux fins de remboursement.
Par dérogation à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, la société émettrice verse, après validation des titres-services, au compte bancaire de l'entreprise agréée visée à l'alinéa précédent, [4 dans le délai visé à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, ]4, un montant égal au prix d'acquisition du titre-service visé à l'article 3, § 2, alinéa 1er, majoré de l'intervention qui a été avancée à la société émettrice et diminué du montant visé à l'alinéa 1er. La société émettrice verse le montant visé à l'article 1er, dans le même délai, à un compte [3 du Forem]3. Ce montant ne rapporte pas d'intérêt pour les entreprises.
§ 3. Par dérogation du paragraphe 2,[5 le Forem ]5 interdira à la société émettrice, en application de l'article 2bis, § 2, alinéa 2, de la loi, de payer à l'entreprise l'intervention, visée à l'article 1er, 6°, du présent arrêté et le montant du prix d'acquisition du titres-service, visée à l'article 3, § 2, alinéa 1er, du présent arrêté, pour les titres-services qui sont transmis à la société émettrice aux fins de remboursement si elle estime que le non-respect des conditions légales ou réglementaires est une infraction grave.
A cet égard, sont notamment considérées comme des infractions graves :
- un procès-verbal établi à charge d'une entreprise en raison de la commission d'une infraction punissable d'une sanction [6 prévue par l'article 10ter, § 1er, de la loi]6 ou en raison de l'escroquerie, telle que prévue à l'article 235 du Code pénal social;
- l'introduction de titres-services indûment reçus;
- l'occupation des travailleurs étrangers sans permis de travail;
- des formes manifeste de fraude.
La société émettrice verse le montant visé à l'alinéa 1er sur un compte [5 du Forem ]5 dans le délai visé au paragraphe 2, alinéa 2. Ce montant ne rapporte pas d'intérêt pour les entreprises.
[11 § 3/1. Si l'entreprise agréée est redevable d'arriérés de paiement de montants réclamés par l'Administration, d'arriérés de cotisations à percevoir par un organisme de recouvrement des cotisations de sécurité sociale ou d'arriérés d'impôts, l'Administration charge la société émettrice de payer cinq euros de moins de l'intervention à l'entreprise pour les titres-services qui sont transmis à la société émettrice aux fins de remboursement.
Si, un mois après la notification de la décision visée à l'aliéna 1er, l'entreprise agréée reste redevable d'arriérés, l'Administration interdit à la société émettrice de payer à l'entreprise l'intervention et le prix d'acquisition du titre-service pour les titres-services transmis à la société émettrice aux fins de remboursement.
La société émettrice verse le montant visé à l'alinéa 1er ou 2 dans le délai visé au § 2, alinéa 2. Ce montant ne rapporte pas d'intérêt pour l'entreprise agréée.]11
§ 4. [7 Si l'entreprise apporte la preuve du respect de l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi, et s'il n'existe pas d'arriérés de paiement de montants réclamés par le Forem ou l'Administration, par ou en vertu de la loi, les montants retenus visés [11 aux paragraphes 2 à 3/1]11 sont transmis à l'entreprise.
S'il est constaté des arriérés de paiement de montants réclamés par le Forem ou l'Administration ou des arriérés de cotisations à percevoir par un organisme de recouvrement des cotisations de sécurité sociale ou des arriérés d'impôt, les montants retenus visés [11 aux paragraphes 2 à 3/1]11 sont prioritairement utilisés pour apurer ces créances dans leur ordre respectif par ou en vertu de la loi. Le montant restant est remboursé.]7
§ 5. Si les travaux ont été effectués sans que les conditions légales ou réglementaires visées à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2 de la loi, aient été respectées, [8 le Forem]8 [11 récupère]11 entièrement l'intervention et le montant du prix d'acquisition du titres-service[11 ...]11.
[11 Le montant visé à l'alinéa 1er est calculé sur base des données sécurisées remises par la société émettrice.]11
L'entreprise rembourse les interventions indûment reçues et les montants indûment reçus du prix d'acquisition du titres-service dans les 30 jours à compter de la date mentionnée dans la lettre recommandée.
[11 ...]11
§ 6. En application de cet article, la société émettrice s'engage à fournir les données demandées par [8 le Forem]8.
§ 7. [8 le Forem]8 [11 ou, le cas échéant, l'Administration]11 envoie à l'entreprise une lettre recommandée motivant la décision prise dans le cadre de cet article, et met les utilisateurs au courant si l'infraction constatée entraîne aussi des désavantages pour les utilisateurs.]1
Wijzigingen
Art. 10bis/1_WAALS_GEWEST. [1 Ter uitvoering van artikel 7/1 van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen kunnen de erkende dienstenchequeondernemingen die het voorwerp van de controle uitmaken geselecteerd worden volgens een methodologie aangepast aan de controlestrategie bepaald bij het Departement Inspectie, meer bepaald op basis van een risico-analyse.
De controle strekt er meer bepaald toe, het volume aan terugbetalingen verricht aan de erkende ondernemingen, de realiteit van het aantal uren prestaties en terugbetaalde dienstencheques na te gaan, en meer in het algemeen de naleving van de voorwaarden vastgesteld bij de wetgeving en de erkenningsbesluiten.]1
De controle strekt er meer bepaald toe, het volume aan terugbetalingen verricht aan de erkende ondernemingen, de realiteit van het aantal uren prestaties en terugbetaalde dienstencheques na te gaan, en meer in het algemeen de naleving van de voorwaarden vastgesteld bij de wetgeving en de erkenningsbesluiten.]1
Art. 10bis/1 _REGION_WALLONNE. [1 En exécution de l'article 7/1 de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité, les entreprises agréées en titres-services qui font l'objet du contrôle peuvent être sélectionnées selon une méthodologie adaptée à la stratégie de contrôle déterminée par le Département de l'Inspection, notamment sur base d'une analyse de risques.
Le contrôle a notamment pour objet de vérifier le volume de remboursements effectués aux entreprises agréées, la réalité du nombre d'heures de prestations et de titres-services remboursés, et plus généralement le respect des conditions fixées par la législation ainsi que les arrêtés d'agrément.]1
Le contrôle a notamment pour objet de vérifier le volume de remboursements effectués aux entreprises agréées, la réalité du nombre d'heures de prestations et de titres-services remboursés, et plus généralement le respect des conditions fixées par la législation ainsi que les arrêtés d'agrément.]1
Art. 10bis/2_WAALS_GEWEST. [1 De inspecteur kan een controle in meerdere fases uitvoeren door bij elke stap de onderzoekstechniek(en) toe te passen die het best aan het behandelde dossier is (zijn) aangepast. De inspecteur onderzoekt één of meerdere aspecten van de regeling door verscheidene informaties te kruisen zoals: de gegevens betreffende de gebruikers van de regeling, betreffende de werknemers, de geregistreerde dienstencheques, de activiteiten van de erkende onderneming, de documenten en iedere andere desbetreffende informatie.
De inspecteur onderzoek de authentieke gegevensbronnen of andere, evenals de erkenningsdossiers. Hij gaat na, of de bestaande databases volledig zijn en bepaalt de referentiebevolking.
Voor de controle kan de inspecteur nagaan, of de terugbetalingsaanvragen bij het uitgiftebedrijf ingediend door de erkende onderneming en de informatie die zij aan "Forem" en aan het uitgiftebedrijf, evenals aan [2 de Administratie]2 heeft overgemaakt, met elkaar overeenstemmen.
De inspecteur consolideert deze gegevens en kan eveneens verscheidene informatie gebruiken uit directe en indirecte bronnen, zoals gegevensvergelijking, gegevensuitdieping, antecedenten van de werkgever, interne en externe databases, meldingen van andere administraties, klachten of aangiftes.]1
De inspecteur onderzoek de authentieke gegevensbronnen of andere, evenals de erkenningsdossiers. Hij gaat na, of de bestaande databases volledig zijn en bepaalt de referentiebevolking.
Voor de controle kan de inspecteur nagaan, of de terugbetalingsaanvragen bij het uitgiftebedrijf ingediend door de erkende onderneming en de informatie die zij aan "Forem" en aan het uitgiftebedrijf, evenals aan [2 de Administratie]2 heeft overgemaakt, met elkaar overeenstemmen.
De inspecteur consolideert deze gegevens en kan eveneens verscheidene informatie gebruiken uit directe en indirecte bronnen, zoals gegevensvergelijking, gegevensuitdieping, antecedenten van de werkgever, interne en externe databases, meldingen van andere administraties, klachten of aangiftes.]1
Art. 10bis/2 _REGION_WALLONNE.[1 L'inspecteur peut procéder à un contrôle en plusieurs phases en mettant en oeuvre lors de chaque étape, la ou les techniques d'analyse les plus adaptées au dossier traité. L'inspecteur analyse un ou plusieurs aspects du dispositif, en croisant diverses informations, telles que : les données relatives aux utilisateurs du dispositif, aux travailleurs, aux titres-services enregistrés, aux activités de l'entreprise agréée, les documents et toutes autres informations s'y rapportant.
L'inspecteur analyse les bases de données authentiques ou autres ainsi que les dossiers d'agrément. Il procède à l'examen de la complétude des bases de données existantes et détermine la population de référence.
Avant le contrôle, l'inspecteur peut procéder à l'examen de concordance entre les demandes de remboursement introduites par l'entreprise agréée à la société émettrice et les informations qu'elle a transmises au Forem et à la société émettrice ainsi qu'à [2 l'Administration]2.
L'inspecteur consolide ces éléments et peut également utiliser diverses informations provenant de sources directes et indirectes, telles que: comparaison des données, exploration des données, antécédents de l'employeur, banques de données internes et externes, signalement d'autres administrations, plaintes ou dénonciations.]1
L'inspecteur analyse les bases de données authentiques ou autres ainsi que les dossiers d'agrément. Il procède à l'examen de la complétude des bases de données existantes et détermine la population de référence.
Avant le contrôle, l'inspecteur peut procéder à l'examen de concordance entre les demandes de remboursement introduites par l'entreprise agréée à la société émettrice et les informations qu'elle a transmises au Forem et à la société émettrice ainsi qu'à [2 l'Administration]2.
L'inspecteur consolide ces éléments et peut également utiliser diverses informations provenant de sources directes et indirectes, telles que: comparaison des données, exploration des données, antécédents de l'employeur, banques de données internes et externes, signalement d'autres administrations, plaintes ou dénonciations.]1
Art. 10bis/3_WAALS_GEWEST. [1 Overeenkomstig artikel 35 van het decreet van 28 februari 2019 betreffende de controle van de wetgevingen en reglementeringen inzake het economisch beleid, het tewerkstellingsbeleid en het wetenschappelijk onderzoek alsook de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze wetgevingen en reglementeringen kan de inspecteur overgaan tot het onderzoek van een staal voor alle of een deel van de te controleren aspecten.
Daarvoor kan de inspecteur:
1° alle onderzoekstechnieken en -methodes door elkaar gebruiken om een te onderzoeken referentiebevolking of referentielaag te vormen en er de onregelmatigheden op te sporen ten opzichte van de regeling waarvan de inachtneming ter controle voorligt;
2° en, in voorkomend geval een trekking van het toevallige, eenvoudige type zonder herinvoering in een referentiebevolking of een referentielaag verrichten om aldus een extrapoleerbaar referentiestaal te vormen. In dat geval kan de inspecteur het percentage vastgestelde onregelmatigheden in het staal extrapoleren naar de referentiebevolking of de referentielaag.]1
Daarvoor kan de inspecteur:
1° alle onderzoekstechnieken en -methodes door elkaar gebruiken om een te onderzoeken referentiebevolking of referentielaag te vormen en er de onregelmatigheden op te sporen ten opzichte van de regeling waarvan de inachtneming ter controle voorligt;
2° en, in voorkomend geval een trekking van het toevallige, eenvoudige type zonder herinvoering in een referentiebevolking of een referentielaag verrichten om aldus een extrapoleerbaar referentiestaal te vormen. In dat geval kan de inspecteur het percentage vastgestelde onregelmatigheden in het staal extrapoleren naar de referentiebevolking of de referentielaag.]1
Art. 10bis/3 _REGION_WALLONNE. [1 Conformément à l'article 35 du décret du 28 février 2019 relatif au contrôle des législations et réglementations relatives à la politique économique, à la politique de l'emploi et à la recherche scientifique ainsi qu'à l'instauration d'amendes administratives applicables en cas d'infraction à ces législations et réglementations, l'inspecteur peut procéder à l'examen d'un échantillon de tout ou partie des aspects à contrôler.
Pour ce faire, l'inspecteur peut :
1° utiliser toutes techniques et méthodes d'analyse confondues, afin de constituer une population de référence ou strate de référence à analyser et y détecter les irrégularités au regard du dispositif contrôlé ;
2° et, le cas échéant, effectuer un tirage de type aléatoire, simple et sans réintroduction au sein d'une population de référence ou d'une strate de référence, de manière à constituer un échantillon de référence extrapolable. Dans ce cas, l'inspecteur peut extrapoler le pourcentage d'irrégularités constatées dans l'échantillon à la population de référence ou strate de référence.]1
Pour ce faire, l'inspecteur peut :
1° utiliser toutes techniques et méthodes d'analyse confondues, afin de constituer une population de référence ou strate de référence à analyser et y détecter les irrégularités au regard du dispositif contrôlé ;
2° et, le cas échéant, effectuer un tirage de type aléatoire, simple et sans réintroduction au sein d'une population de référence ou d'une strate de référence, de manière à constituer un échantillon de référence extrapolable. Dans ce cas, l'inspecteur peut extrapoler le pourcentage d'irrégularités constatées dans l'échantillon à la population de référence ou strate de référence.]1
Art. 10bis/4_WAALS_GEWEST. [1 § 1. Bij vaststelling van een percentage onregelmatigheden in het referentiestaal dat lager is dan twintig percent van het aantal gecontroleerde gegevens kan de inspecteur ofwel:
1° de terugvordering voorstellen in verband met, enkel, de vastgestelde onregelmatigheden en de controle beëindigen;
2° de controle verderzetten waarbij hij in zijn verslag de redenen motiveert die deze beslissing motiveren.
§ 2. Bij vaststelling van een percentage onregelmatigheden in het referentiestaal dat hoger is dan twintig percent van het aantal gecontroleerde gegevens kan de inspecteur ofwel:
1° een tweede, al dan niet gelaagd, referentiestaal onderzoeken. In dat geval stelt de inspecteur de terugvordering voor in verband met, enkel, de vastgestelde onregelmatigheden in beide referentiestalen;
2° desnoods zijn onderzoekingen heroriënteren en nieuwe aspecten of criteria selecteren die onderzocht dienen te worden in functie van de in aanmerking genomen criteria;
3° een extrapoleerbaar staal samenstellen, al dan niet gelaagd in de onderzochte referentiebevolking of -laag, waardoor een betrouwbaarheidsinterval bekomen kan worden van vijfennegentig percent of meer rondom de waarde van de staalafname, met een maximale omvang van tien percentpunt.
§ 3. Als het onderzoek van het eerste referentiestaal op meer dan tachtig percent onregelmatigheden wijst, bepaalt de inspecteur een extrapoleerbaar staal en het percentage vastgestelde onregelmatigheden wordt geëxtrapoleerd naar de gezamenlijke referentiebevolking of -laag.
§ 4. Onverminderd de terugvorderingen voorgesteld op grond van niet-extrapoleerbare vaststellingen, stelt de inspecteur, onder gebruikmaking van een extrapoleerbaar staal, de terugvordering van een bedrag van de subsidie voor berekend op basis van het percentage van het infimum van het betrouwbaarheidsinterval, geëxtrapoleerd naar de subsidie betreffende de onderzochte referentiebevolking of -laag.
§ 5. Bij het gebruikmaken van de extrapolatiemethode omschrijft de inspecteur de gebruikte methodologie in zijn verslag en geeft het betrouwbaarheidsinterval en de omvang van het betrouwbaarheidsinterval aan.]1
1° de terugvordering voorstellen in verband met, enkel, de vastgestelde onregelmatigheden en de controle beëindigen;
2° de controle verderzetten waarbij hij in zijn verslag de redenen motiveert die deze beslissing motiveren.
§ 2. Bij vaststelling van een percentage onregelmatigheden in het referentiestaal dat hoger is dan twintig percent van het aantal gecontroleerde gegevens kan de inspecteur ofwel:
1° een tweede, al dan niet gelaagd, referentiestaal onderzoeken. In dat geval stelt de inspecteur de terugvordering voor in verband met, enkel, de vastgestelde onregelmatigheden in beide referentiestalen;
2° desnoods zijn onderzoekingen heroriënteren en nieuwe aspecten of criteria selecteren die onderzocht dienen te worden in functie van de in aanmerking genomen criteria;
3° een extrapoleerbaar staal samenstellen, al dan niet gelaagd in de onderzochte referentiebevolking of -laag, waardoor een betrouwbaarheidsinterval bekomen kan worden van vijfennegentig percent of meer rondom de waarde van de staalafname, met een maximale omvang van tien percentpunt.
§ 3. Als het onderzoek van het eerste referentiestaal op meer dan tachtig percent onregelmatigheden wijst, bepaalt de inspecteur een extrapoleerbaar staal en het percentage vastgestelde onregelmatigheden wordt geëxtrapoleerd naar de gezamenlijke referentiebevolking of -laag.
§ 4. Onverminderd de terugvorderingen voorgesteld op grond van niet-extrapoleerbare vaststellingen, stelt de inspecteur, onder gebruikmaking van een extrapoleerbaar staal, de terugvordering van een bedrag van de subsidie voor berekend op basis van het percentage van het infimum van het betrouwbaarheidsinterval, geëxtrapoleerd naar de subsidie betreffende de onderzochte referentiebevolking of -laag.
§ 5. Bij het gebruikmaken van de extrapolatiemethode omschrijft de inspecteur de gebruikte methodologie in zijn verslag en geeft het betrouwbaarheidsinterval en de omvang van het betrouwbaarheidsinterval aan.]1
Art. 10bis/4 _REGION_WALLONNE. [1 § 1er. En cas de constat d'un pourcentage d'irrégularités dans l'échantillon de référence inférieur à vingt pourcents du nombre d'éléments contrôlés, l'inspecteur peut, soit :
1° proposer la récupération liée aux seules irrégularités constatées et mettre fin au contrôle ;
2° continuer le contrôle en motivant dans son rapport les raisons justifiant cette décision.
§ 2. En cas de constat d'un pourcentage d'irrégularités dans l'échantillon de référence supérieur à vingt pourcents du nombre d'éléments contrôlés, l'inspecteur peut :
1° examiner un second échantillon de référence, stratifié ou non. Dans ce cas, l'inspecteur propose la récupération liée aux seules irrégularités constatées dans les deux échantillons de référence ;
2° au besoin, réorienter ses recherches et sélectionner de nouveaux aspects ou critères à analyser en fonction des critères retenus ;
3° constituer un échantillon de référence extrapolable, stratifié ou non au sein de la population de référence ou de la strate de référence examinée, qui permet d'obtenir un intervalle de confiance à nonante-cinq pourcents ou plus autour de la valeur d'échantillonnage, d'une taille maximale de dix points de pourcentage.
§ 3. Si l'examen du premier échantillon de référence laisse apparaître plus de quatre-vingt pourcents d'irrégularités, l'inspecteur détermine un échantillon extrapolable, et le pourcentage d'irrégularités constatées est extrapolé à l'ensemble de la population de référence ou strate de référence.
§ 4. Sans préjudice des récupérations proposées sur base des constats non extrapolables, en cas de recours à un échantillon extrapolable, l'inspecteur propose la récupération d'un montant de la subvention calculé sur base du pourcentage de la borne inférieure de l'intervalle de confiance, extrapolé à la subvention relative à la population de référence ou la strate de référence examinée.
§ 5. Lorsqu'il recourt à la méthode d'extrapolation, l'inspecteur décrit la méthodologie utilisée dans son rapport et y précise l'intervalle de confiance et la taille de l'intervalle de confiance.]1
1° proposer la récupération liée aux seules irrégularités constatées et mettre fin au contrôle ;
2° continuer le contrôle en motivant dans son rapport les raisons justifiant cette décision.
§ 2. En cas de constat d'un pourcentage d'irrégularités dans l'échantillon de référence supérieur à vingt pourcents du nombre d'éléments contrôlés, l'inspecteur peut :
1° examiner un second échantillon de référence, stratifié ou non. Dans ce cas, l'inspecteur propose la récupération liée aux seules irrégularités constatées dans les deux échantillons de référence ;
2° au besoin, réorienter ses recherches et sélectionner de nouveaux aspects ou critères à analyser en fonction des critères retenus ;
3° constituer un échantillon de référence extrapolable, stratifié ou non au sein de la population de référence ou de la strate de référence examinée, qui permet d'obtenir un intervalle de confiance à nonante-cinq pourcents ou plus autour de la valeur d'échantillonnage, d'une taille maximale de dix points de pourcentage.
§ 3. Si l'examen du premier échantillon de référence laisse apparaître plus de quatre-vingt pourcents d'irrégularités, l'inspecteur détermine un échantillon extrapolable, et le pourcentage d'irrégularités constatées est extrapolé à l'ensemble de la population de référence ou strate de référence.
§ 4. Sans préjudice des récupérations proposées sur base des constats non extrapolables, en cas de recours à un échantillon extrapolable, l'inspecteur propose la récupération d'un montant de la subvention calculé sur base du pourcentage de la borne inférieure de l'intervalle de confiance, extrapolé à la subvention relative à la population de référence ou la strate de référence examinée.
§ 5. Lorsqu'il recourt à la méthode d'extrapolation, l'inspecteur décrit la méthodologie utilisée dans son rapport et y précise l'intervalle de confiance et la taille de l'intervalle de confiance.]1
Art. 10bis/5_WAALS_GEWEST. [1 Overeenkomstig artikel 37 van het decreet van 28 februari 2019 betreffende de controle van de wetgevingen en reglementeringen inzake het economisch beleid, het tewerkstellingsbeleid en het wetenschappelijk onderzoek alsook de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze wetgevingen en reglementeringen, kan de erkende onderneming het vermoeden voortvloeiend uit de extrapolatie bedoeld in de artikelen 10bis/3 en 10bis/4 omdraaien door de geldigheid van het geheel of van een deel van het percentage van de betwiste subsidie aan te tonen.]1
Art. 10bis/5 _REGION_WALLONNE. [1 Conformément à l'article 37 du décret du 28 février 2019 relatif au contrôle des législations et réglementations relatives à la politique économique, à la politique de l'emploi et à la recherche scientifique ainsi qu'à l'instauration d'amendes administratives applicables en cas d'infraction à ces législations et réglementations, l'entreprise agréée peut renverser la présomption découlant de l'extrapolation visée aux articles 10bis/3 et 10bis/4 en établissant la validité de tout ou partie du pourcentage de la subvention incriminée.]1
Art. 10bis_VLAAMS_GEWEST. [1 § 1. [2 Het toezicht op de wet en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt uitgeoefend overeenkomstig het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht van 30 april 2004.
Bij het vaststellen van anomalieën die een invloed kunnen hebben op de erkenning van de onderneming wordt het Secretariaat ingelicht.]2
§ 2. Indien de werken uitgevoerd werden zonder dat de wettelijke of reglementaire voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet, werden gerespecteerd, zal [2 het departement]2, in toepassing van artikel 2bis, § 2, eerste lid, van de wet, het uitgiftebedrijf de opdracht geven vijf euro minder te betalen van de in artikel 1, 6°, van dit besluit bedoelde tegemoetkoming aan de onderneming voor de dienstencheques die bij de uitgiftemaatschappij voor terugbetaling worden ingediend.
In afwijking van artikel 8, § 1, eerste lid, stort het uitgiftebedrijf, na validatie van de dienstencheques, binnen de 10 werkdagen te rekenen vanaf de ontvangst van de dienstencheque opgestuurd door de erkende onderneming, een bedrag gelijk aan de aanschafprijs van de dienstencheque bedoeld in artikel 3, § 2, eerste lid, vermeerderd met de tegemoetkoming die voorgeschoten werd aan het uitgiftebedrijf en verminderd met het bedrag bedoeld in het eerste lid, op de bankrekening van de onderneming bedoeld in het vorige lid. Het uitgiftebedrijf stort het bedrag bedoeld in het eerste lid binnen dezelfde termijn op een rekening van [2 het departement]2. Dit bedrag brengt voor de ondernemingen geen intresten op.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 zal [2 het departement]2, in toepassing van artikel 2bis, § 2, tweede lid, van de wet, het uitgiftebedrijf verbieden de in artikel 1, 6°, van dit besluit bedoelde tegemoetkoming en het in artikel 3, § 2, eerste lid, van dit besluit bedoelde bedrag van de aanschafprijs van de dienstencheque te betalen aan de onderneming voor de dienstencheques die bij de uitgiftemaatschappij voor terugbetaling worden ingediend, indien zij oordeelt dat het niet respecteren van de wettelijke of reglementaire voorwaarden een zware inbreuk betreft.
Worden in dit verband inzonderheid als zware inbreuken beschouwd :
- een proces-verbaal dat opgesteld is ten laste van de onderneming wegens het plegen van een inbreuk strafbaar met een sanctie van niveau 4 zoals voorzien in artikel 177/1, § 1, van het Sociaal Strafwetboek of wegens het nalaten of weigeren inlichtingen te verstrekken, zoals voorzien in artikel 233, § 1, 2°, van het Sociaal strafwetboek of wegens oplichting, zoals voorzien in artikel 235 van het Sociaal Strafwetboek;
- het indienen van onrechtmatig verkregen dienstencheques;
- het tewerkstellen van werknemers van vreemde nationaliteit zonder een arbeidsvergunning;
- manifeste vormen van fraude.
Het uitgiftebedrijf stort het bedrag bedoeld in het eerste lid binnen de termijn bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, op een rekening van de RVA. Dit bedrag brengt voor de ondernemingen geen intresten op.
§ 4. [2 Als de onderneming het bewijs levert van de naleving van alle voorwaarden, vermeld in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid, van de wet, en er geen bedragen verschuldigd zijn aan het departement, worden de ingehouden bedragen, vermeld in paragraaf 2 en 3, alsnog overgemaakt aan de onderneming.
Als er wordt vastgesteld dat er nog bedragen verschuldigd zijn aan het departement, worden de ingehouden bedragen, vermeld in paragraaf 2 en 3, gebruikt voor de aanzuivering van deze schuldvorderingen. Het resterende bedrag wordt teruggestort.]2
§ 5. Indien de werken uitgevoerd werden zonder dat de wettelijke of reglementaire voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet, werden gerespecteerd, kan [2 het departement]2 de tegemoetkoming en het bedrag van de aanschafprijs van de dienstencheque geheel terugvorderen indien deze ten onrechte werd toegekend.
De onderneming betaalt de ten onrechte ontvangen tegemoetkomingen en de ten onrechte ontvangen bedragen van de aanschafprijs van de dienstencheque terug binnen de 30 dagen die volgen op de datum vermeld op de aangetekende brief.
§ 6. In uitvoering van dit artikel verbindt het uitgiftebedrijf zich ertoe de door [2 het departement]2 gevraagde gegevens te bezorgen.
§ 7. [2 Het departement]2 stuurt aan de onderneming een aangetekende brief die de beslissing genomen in het kader van dit artikel motiveert, en brengt de gebruikers op de hoogte indien de vastgestelde inbreuk ook nadelen voor de gebruikers met zich meebrengt.]1
Bij het vaststellen van anomalieën die een invloed kunnen hebben op de erkenning van de onderneming wordt het Secretariaat ingelicht.]2
§ 2. Indien de werken uitgevoerd werden zonder dat de wettelijke of reglementaire voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet, werden gerespecteerd, zal [2 het departement]2, in toepassing van artikel 2bis, § 2, eerste lid, van de wet, het uitgiftebedrijf de opdracht geven vijf euro minder te betalen van de in artikel 1, 6°, van dit besluit bedoelde tegemoetkoming aan de onderneming voor de dienstencheques die bij de uitgiftemaatschappij voor terugbetaling worden ingediend.
In afwijking van artikel 8, § 1, eerste lid, stort het uitgiftebedrijf, na validatie van de dienstencheques, binnen de 10 werkdagen te rekenen vanaf de ontvangst van de dienstencheque opgestuurd door de erkende onderneming, een bedrag gelijk aan de aanschafprijs van de dienstencheque bedoeld in artikel 3, § 2, eerste lid, vermeerderd met de tegemoetkoming die voorgeschoten werd aan het uitgiftebedrijf en verminderd met het bedrag bedoeld in het eerste lid, op de bankrekening van de onderneming bedoeld in het vorige lid. Het uitgiftebedrijf stort het bedrag bedoeld in het eerste lid binnen dezelfde termijn op een rekening van [2 het departement]2. Dit bedrag brengt voor de ondernemingen geen intresten op.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 zal [2 het departement]2, in toepassing van artikel 2bis, § 2, tweede lid, van de wet, het uitgiftebedrijf verbieden de in artikel 1, 6°, van dit besluit bedoelde tegemoetkoming en het in artikel 3, § 2, eerste lid, van dit besluit bedoelde bedrag van de aanschafprijs van de dienstencheque te betalen aan de onderneming voor de dienstencheques die bij de uitgiftemaatschappij voor terugbetaling worden ingediend, indien zij oordeelt dat het niet respecteren van de wettelijke of reglementaire voorwaarden een zware inbreuk betreft.
Worden in dit verband inzonderheid als zware inbreuken beschouwd :
- een proces-verbaal dat opgesteld is ten laste van de onderneming wegens het plegen van een inbreuk strafbaar met een sanctie van niveau 4 zoals voorzien in artikel 177/1, § 1, van het Sociaal Strafwetboek of wegens het nalaten of weigeren inlichtingen te verstrekken, zoals voorzien in artikel 233, § 1, 2°, van het Sociaal strafwetboek of wegens oplichting, zoals voorzien in artikel 235 van het Sociaal Strafwetboek;
- het indienen van onrechtmatig verkregen dienstencheques;
- het tewerkstellen van werknemers van vreemde nationaliteit zonder een arbeidsvergunning;
- manifeste vormen van fraude.
Het uitgiftebedrijf stort het bedrag bedoeld in het eerste lid binnen de termijn bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, op een rekening van de RVA. Dit bedrag brengt voor de ondernemingen geen intresten op.
§ 4. [2 Als de onderneming het bewijs levert van de naleving van alle voorwaarden, vermeld in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid, van de wet, en er geen bedragen verschuldigd zijn aan het departement, worden de ingehouden bedragen, vermeld in paragraaf 2 en 3, alsnog overgemaakt aan de onderneming.
Als er wordt vastgesteld dat er nog bedragen verschuldigd zijn aan het departement, worden de ingehouden bedragen, vermeld in paragraaf 2 en 3, gebruikt voor de aanzuivering van deze schuldvorderingen. Het resterende bedrag wordt teruggestort.]2
§ 5. Indien de werken uitgevoerd werden zonder dat de wettelijke of reglementaire voorwaarden bedoeld in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet, werden gerespecteerd, kan [2 het departement]2 de tegemoetkoming en het bedrag van de aanschafprijs van de dienstencheque geheel terugvorderen indien deze ten onrechte werd toegekend.
De onderneming betaalt de ten onrechte ontvangen tegemoetkomingen en de ten onrechte ontvangen bedragen van de aanschafprijs van de dienstencheque terug binnen de 30 dagen die volgen op de datum vermeld op de aangetekende brief.
§ 6. In uitvoering van dit artikel verbindt het uitgiftebedrijf zich ertoe de door [2 het departement]2 gevraagde gegevens te bezorgen.
§ 7. [2 Het departement]2 stuurt aan de onderneming een aangetekende brief die de beslissing genomen in het kader van dit artikel motiveert, en brengt de gebruikers op de hoogte indien de vastgestelde inbreuk ook nadelen voor de gebruikers met zich meebrengt.]1
Art. 10bis _REGION_FLAMANDE.
[1 § 1er. [2 La surveillance du respect de la loi et de ses arrêtés d'exécution s'exerce conformément au décret du 30 avril 2004 relatif au contrôle des lois sociales.
Lorsque des anomalies sont constatées qui peuvent influencer l'agrément de l'entreprise, le Secrétariat est informé.]2
§ 2. Si les travaux ont été effectués sans que les conditions légales ou réglementaires visées à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2 de la loi, aient été respectées, [2 le département]2 chargera la société émettrice, en application de l'article 2bis, § 2, alinéa 1er, de la loi, de payer cinq euros de moins de l'intervention visée à l'article 1er, 6°, de cet arrêté, à l'entreprise pour les titres-services qui sont transmis à la société émettrice aux fins de remboursement.
Par dérogation à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, la société émettrice verse, après validation des titres-services, au compte bancaire de l'entreprise agréée visée à l'alinéa précédent, dans les 10 jours ouvrables à compter de la réception du titre-service envoyé par celle-ci, un montant égal au prix d'acquisition du titre-service visé à l'article 3, § 2, alinéa 1er, majoré de l'intervention qui a été avancée à la société émettrice et diminué du montant visé à l'alinéa 1er. La société émettrice verse le montant visé à l'article 1er, dans le même délai, à un compte de [2 le département]2. Ce montant ne rapporte pas d'intérêt pour les entreprises.
§ 3. Par dérogation du paragraphe 2, [2 le département]2 interdira à la société émettrice, en application de l'article 2bis, § 2, alinéa 2, de la loi, de payer à l'entreprise l'intervention, visée à l'article 1er, 6°, du présent arrêté et le montant du prix d'acquisition du titres-service, visée à l'article 3, § 2, alinéa 1er, du présent arrêté, pour les titres-services qui sont transmis à la société émettrice aux fins de remboursement si elle estime que le non-respect des conditions légales ou réglementaires est une infraction grave.
A cet égard, sont notamment considérées comme des infractions graves :
- un procès-verbal établi à charge d'une entreprise en raison de la commission d'une infraction punissable d'une sanction [2 telle que prévue à l'article 13/3, § 3 du décret du 30 avril 2004 relatif au contrôle des lois sociales, en raison de l'escroquerie, telle que prévue à l'article 13/3, § 4 du même décret ou en raison de l'empêchement du contrôle, visé à l'article 24, alinéa premier, 3° du décret précité]2;
- l'introduction de titres-services indûment reçus;
- l'occupation des travailleurs étrangers sans permis de travail;
- des formes manifeste de fraude.
La société émettrice verse le montant visé à l'alinéa 1er sur un compte de l'ONEm dans le délai visé au paragraphe 2, alinéa 2. Ce montant ne rapporte pas d'intérêt pour les entreprises.
§ 4. [2 Si l'entreprise apporte la preuve du respect de l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi, et s'il n'y a pas d'arriérés à percevoir par le département, les montants retenus visés aux paragraphes 2 et 3 sont encore transmis à l'entreprise.
S'il est constaté qu'il y a des arriérés à percevoir par le département, les montants retenus visés aux paragraphes 2 et 3 sont utilisés pour l'apurement de ces créances. Le montant restant sera remboursé.]2
§ 5. Si les travaux ont été effectués sans que les conditions légales ou réglementaires visées à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2 de la loi, aient été respectées, [2 le département]2 peut récupérer entièrement l'intervention et le montant du prix d'acquisition du titres-service, si ceux-ci ont été indûment accordés.
L'entreprise rembourse les interventions indûment reçues et les montants indûment reçus du prix d'acquisition du titres-service dans les 30 jours à compter de la date mentionnée dans la lettre recommandée.
§ 6. En application de cet article, la société émettrice s'engage à fournir les données demandées par [2 le département]2.
§ 7. L'ONEm envoie à l'entreprise une lettre recommandée motivant la décision prise dans le cadre de cet article, et met les utilisateurs au courant si l'infraction constatée entraîne aussi des désavantages pour les utilisateurs.]1
[1 § 1er. [2 La surveillance du respect de la loi et de ses arrêtés d'exécution s'exerce conformément au décret du 30 avril 2004 relatif au contrôle des lois sociales.
Lorsque des anomalies sont constatées qui peuvent influencer l'agrément de l'entreprise, le Secrétariat est informé.]2
§ 2. Si les travaux ont été effectués sans que les conditions légales ou réglementaires visées à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2 de la loi, aient été respectées, [2 le département]2 chargera la société émettrice, en application de l'article 2bis, § 2, alinéa 1er, de la loi, de payer cinq euros de moins de l'intervention visée à l'article 1er, 6°, de cet arrêté, à l'entreprise pour les titres-services qui sont transmis à la société émettrice aux fins de remboursement.
Par dérogation à l'article 8, § 1er, alinéa 1er, la société émettrice verse, après validation des titres-services, au compte bancaire de l'entreprise agréée visée à l'alinéa précédent, dans les 10 jours ouvrables à compter de la réception du titre-service envoyé par celle-ci, un montant égal au prix d'acquisition du titre-service visé à l'article 3, § 2, alinéa 1er, majoré de l'intervention qui a été avancée à la société émettrice et diminué du montant visé à l'alinéa 1er. La société émettrice verse le montant visé à l'article 1er, dans le même délai, à un compte de [2 le département]2. Ce montant ne rapporte pas d'intérêt pour les entreprises.
§ 3. Par dérogation du paragraphe 2, [2 le département]2 interdira à la société émettrice, en application de l'article 2bis, § 2, alinéa 2, de la loi, de payer à l'entreprise l'intervention, visée à l'article 1er, 6°, du présent arrêté et le montant du prix d'acquisition du titres-service, visée à l'article 3, § 2, alinéa 1er, du présent arrêté, pour les titres-services qui sont transmis à la société émettrice aux fins de remboursement si elle estime que le non-respect des conditions légales ou réglementaires est une infraction grave.
A cet égard, sont notamment considérées comme des infractions graves :
- un procès-verbal établi à charge d'une entreprise en raison de la commission d'une infraction punissable d'une sanction [2 telle que prévue à l'article 13/3, § 3 du décret du 30 avril 2004 relatif au contrôle des lois sociales, en raison de l'escroquerie, telle que prévue à l'article 13/3, § 4 du même décret ou en raison de l'empêchement du contrôle, visé à l'article 24, alinéa premier, 3° du décret précité]2;
- l'introduction de titres-services indûment reçus;
- l'occupation des travailleurs étrangers sans permis de travail;
- des formes manifeste de fraude.
La société émettrice verse le montant visé à l'alinéa 1er sur un compte de l'ONEm dans le délai visé au paragraphe 2, alinéa 2. Ce montant ne rapporte pas d'intérêt pour les entreprises.
§ 4. [2 Si l'entreprise apporte la preuve du respect de l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi, et s'il n'y a pas d'arriérés à percevoir par le département, les montants retenus visés aux paragraphes 2 et 3 sont encore transmis à l'entreprise.
S'il est constaté qu'il y a des arriérés à percevoir par le département, les montants retenus visés aux paragraphes 2 et 3 sont utilisés pour l'apurement de ces créances. Le montant restant sera remboursé.]2
§ 5. Si les travaux ont été effectués sans que les conditions légales ou réglementaires visées à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2 de la loi, aient été respectées, [2 le département]2 peut récupérer entièrement l'intervention et le montant du prix d'acquisition du titres-service, si ceux-ci ont été indûment accordés.
L'entreprise rembourse les interventions indûment reçues et les montants indûment reçus du prix d'acquisition du titres-service dans les 30 jours à compter de la date mentionnée dans la lettre recommandée.
§ 6. En application de cet article, la société émettrice s'engage à fournir les données demandées par [2 le département]2.
§ 7. L'ONEm envoie à l'entreprise une lettre recommandée motivant la décision prise dans le cadre de cet article, et met les utilisateurs au courant si l'infraction constatée entraîne aussi des désavantages pour les utilisateurs.]1
Art. 10ter. [1 Ingeval er achterstallige bijdragen te innen zijn door een instelling belast met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en/of achterstallen zijn in de betaling van de door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening teruggevorderde bedragen en/of achterstallige belastingen zijn als de erkenning wordt ingetrokken of bij de vrijwillige stopzetting van de activiteiten zullen bij voorrang de ingehouden bedragen bedoeld in de paragrafen 2 en 3 van artikel 10bis gebruikt worden voor de aanzuivering van deze schuldvorderingen.]1
Art. 10ter. [1 S'il y a des arriérés de cotisations à percevoir par un organisme de recouvrement des cotisations de sécurité sociale et/ou des arriérés de paiement de montants réclamés par l'Office national de l'Emploi et/ou des arriérés d'impôts, lorsque l'agrément est retiré ou au moment de la cessation volontaire des activités, les montants retenus visés aux paragraphes 2 et 3 de l'article 10bis seront prioritairement utilisés pour l'apurement de ces créances.]1
Art. 10ter_WAALS_GEWEST. [1 Wanneer de erkenning ingetrokken wordt of wanneer er bij de vrijwillige stopzetting van de activiteiten achterstallen zijn in de betaling van de door de "Forem" of de Administratie bij of krachtens de wet teruggevorderde bedragen, worden de ingehouden bedragen bedoeld in de artikel 10bis, § § 2 en 3 bij voorkeur gebruikt voor de aanzuivering van deze schuldvorderingen in respectievelijke volgorde.]1
Art. 10ter _REGION_WALLONNE.
[1 Lorsque l'agrément est retiré ou au moment de la cessation volontaire des activités et qu'il existe des arriérés de paiement de montants réclamés par le Forem ou l'Administration par ou en vertu de la loi, les montants retenus visés à l'article 10bis, §§ 2 et 3, sont prioritairement utilisés pour apurer ces créances dans leur ordre respectif. ]1
[1 Lorsque l'agrément est retiré ou au moment de la cessation volontaire des activités et qu'il existe des arriérés de paiement de montants réclamés par le Forem ou l'Administration par ou en vertu de la loi, les montants retenus visés à l'article 10bis, §§ 2 et 3, sont prioritairement utilisés pour apurer ces créances dans leur ordre respectif. ]1
Wijzigingen
Art. 10ter_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Als de onderneming het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bedragen verschuldigd is, om welke reden dan ook, wanneer de erkenning wordt ingetrokken of op het moment dat de activiteiten vrijwillig worden stopgezet, worden de ingehouden bedragen bedoeld in paragrafen 2 en 3 van artikel 10bis bij voorrang gebruikt voor de aanzuivering van deze schulden.]1
Art. 10ter _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Si l'entreprise est débitrice de sommes dues à la Région de Bruxelles-Capitale, à quelque titre que ce soit, lorsque l'agrément est retiré ou au moment de la cessation volontaire des activités, les montants retenus visés aux paragraphes 2 et 3 de l'article 10bis seront prioritairement utilisés pour l'apurement de ces dettes.]1
[1 Si l'entreprise est débitrice de sommes dues à la Région de Bruxelles-Capitale, à quelque titre que ce soit, lorsque l'agrément est retiré ou au moment de la cessation volontaire des activités, les montants retenus visés aux paragraphes 2 et 3 de l'article 10bis seront prioritairement utilisés pour l'apurement de ces dettes.]1
Wijzigingen
Art. 10ter_VLAAMS_GEWEST. [1 Ingeval er bedragen verschuldigd zijn aan het departement als de erkenning wordt ingetrokken of bij de vrijwillige stopzetting van de activiteiten, zullen de ingehouden bedragen, vermeld in artikel 10bis, § 2 en § 3, bij voorrang gebruikt worden voor de aanzuivering van deze schuldvorderingen]1
Art. 10ter _REGION_FLAMANDE.
[1 S'il y a des arriérés à percevoir par le département, lorsque l'agrément est retiré ou au moment de la cessation volontaire des activités, les montants retenus visés à l'article 10bis, § 2 et § 3, seront prioritairement utilisés pour l'apurement de ces créances.]1
[1 S'il y a des arriérés à percevoir par le département, lorsque l'agrément est retiré ou au moment de la cessation volontaire des activités, les montants retenus visés à l'article 10bis, § 2 et § 3, seront prioritairement utilisés pour l'apurement de ces créances.]1
Wijzigingen
Art. 11. De RVA zendt de dossiers van de weerspannige schuldenaars met het oog op de terugvordering naar de Administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen. De door de Administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen ingestelde vervolgingen verlopen op dezelfde wijze als voor het invorderen van de registratierechten.
Onder inhouding van de eventuele kosten worden de door het voornoemde bestuur ingevorderde bedragen overgemaakt aan het Hoofdbestuur van de RVA.
(lid 3 opgeheven) <KB 2007-07-13/36, art. 6, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
Onder inhouding van de eventuele kosten worden de door het voornoemde bestuur ingevorderde bedragen overgemaakt aan het Hoofdbestuur van de RVA.
(lid 3 opgeheven) <KB 2007-07-13/36, art. 6, 013; Inwerkingtreding : 01-08-2007>
Art. 11. L'ONEm transmet les dossiers des débiteurs récalcitrants à l'Administration du Cadastre, de l'Enregistrement et des Domaines aux fins de récupération. Les poursuites à exercer par l'Administration du Cadastre, de l'Enregistrement et des Domaines s'effectuent comme en matière de recouvrement des droits d'enregistrement.
Sous déduction des frais éventuels, les sommes récupérées par ladite administration sont transmises à l'administration centrale de l'ONEm.
(alinéa 3 abrogé) <AR 2007-07-13/36, art. 6, 013; En vigueur : 01-08-2007>
Sous déduction des frais éventuels, les sommes récupérées par ladite administration sont transmises à l'administration centrale de l'ONEm.
(alinéa 3 abrogé) <AR 2007-07-13/36, art. 6, 013; En vigueur : 01-08-2007>
Art. 11_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Het bestuur vervolgt de onwillige schuldenaars met het oog op terugvordering van de bedragen bedoeld in artikel 10octies van de wet.
De rekenplichtige van ontvangsten belast met fiscale zaken is belast met de invordering bedoeld in artikel 10octies van de wet.
De directeurs-generaal van Brussel Economie en Werkgelegenheid en Brussel Fiscaliteit bij de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel sluiten een protocol dat de wijze regelt waarop Brussel Fiscaliteit de in artikel 10octies bedoelde bedragen invordert in naam en voor rekening van Brussel Economie en Werkgelegenheid. De toezichthoudende ministers van de overeenkomstsluitende partijen ontvangen een afschrift van het oorspronkelijke protocol en van elke latere wijziging, toevoeging en vervanging.
Dit protocol regelt ten minste volgende zaken :
1° de rolverdeling tussen beide algemene directies op het vlak van de invorderingsprocedure;
2° de financiering van de kosten van de gedwongen invordering van de terug te betalen bedragen;
3° de opleidingsmogelijkheden voor de ambtenaren van beide algemene directies in het kader van de invordering van de terug te betalen bedragen;
4° de inhoud en de regelmaat van de terugkerende en de gerichte rapportering over de werkzaamheden in verband met de gedwongen invordering van de terug te betalen bedragen;
5° de te gebruiken onderlinge communicatiekanalen;
6° de nadere regelen tot heronderhandeling van het protocol.]1
De rekenplichtige van ontvangsten belast met fiscale zaken is belast met de invordering bedoeld in artikel 10octies van de wet.
De directeurs-generaal van Brussel Economie en Werkgelegenheid en Brussel Fiscaliteit bij de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel sluiten een protocol dat de wijze regelt waarop Brussel Fiscaliteit de in artikel 10octies bedoelde bedragen invordert in naam en voor rekening van Brussel Economie en Werkgelegenheid. De toezichthoudende ministers van de overeenkomstsluitende partijen ontvangen een afschrift van het oorspronkelijke protocol en van elke latere wijziging, toevoeging en vervanging.
Dit protocol regelt ten minste volgende zaken :
1° de rolverdeling tussen beide algemene directies op het vlak van de invorderingsprocedure;
2° de financiering van de kosten van de gedwongen invordering van de terug te betalen bedragen;
3° de opleidingsmogelijkheden voor de ambtenaren van beide algemene directies in het kader van de invordering van de terug te betalen bedragen;
4° de inhoud en de regelmaat van de terugkerende en de gerichte rapportering over de werkzaamheden in verband met de gedwongen invordering van de terug te betalen bedragen;
5° de te gebruiken onderlinge communicatiekanalen;
6° de nadere regelen tot heronderhandeling van het protocol.]1
Art. 11 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 L'administration poursuit les débiteurs récalcitrants aux fins de récupération des montants visés à l'article 10octies de la loi.
Le comptable des recettes chargé de matières fiscales est chargé du recouvrement visé à l'article 10octies de la loi.
Les Directeurs généraux de Bruxelles Economie et Emploi et de Bruxelles Fiscalité auprès du Service public régional de Bruxelles concluent un protocole organisant la manière dont Bruxelles Fiscalité procède au recouvrement des montants visés à l'article 10octies au nom et pour le compte de Bruxelles Economie et Emploi. Les Ministres de tutelle des parties contractantes reçoivent copie de la version originale du protocole ainsi que de toute modification, annexe ou substitution ultérieure.
Ce protocole règle à tout le moins les points suivants :
1° la répartition des tâches entre les deux directions générales au niveau de la procédure relative au recouvrement;
2° le financement des frais du recouvrement forcé des montants à rembourser;
3° les possibilités de formation des agents des deux directions générales dans le cadre du recouvrement des montants à rembourser;
4° la teneur et la fréquence des rapports périodiques ou ponctuels qui seront établis sur les activités liées au recouvrement forcé des montants à rembourser;
5° la détermination des canaux de communication à utiliser;
6° les modalités de renégociation du protocole.]1
[1 L'administration poursuit les débiteurs récalcitrants aux fins de récupération des montants visés à l'article 10octies de la loi.
Le comptable des recettes chargé de matières fiscales est chargé du recouvrement visé à l'article 10octies de la loi.
Les Directeurs généraux de Bruxelles Economie et Emploi et de Bruxelles Fiscalité auprès du Service public régional de Bruxelles concluent un protocole organisant la manière dont Bruxelles Fiscalité procède au recouvrement des montants visés à l'article 10octies au nom et pour le compte de Bruxelles Economie et Emploi. Les Ministres de tutelle des parties contractantes reçoivent copie de la version originale du protocole ainsi que de toute modification, annexe ou substitution ultérieure.
Ce protocole règle à tout le moins les points suivants :
1° la répartition des tâches entre les deux directions générales au niveau de la procédure relative au recouvrement;
2° le financement des frais du recouvrement forcé des montants à rembourser;
3° les possibilités de formation des agents des deux directions générales dans le cadre du recouvrement des montants à rembourser;
4° la teneur et la fréquence des rapports périodiques ou ponctuels qui seront établis sur les activités liées au recouvrement forcé des montants à rembourser;
5° la détermination des canaux de communication à utiliser;
6° les modalités de renégociation du protocole.]1
Wijzigingen
Art. 11_WAALS_GEWEST. [1 De "Forem" vordert met alle rechtsmiddelen de onrechtmatig ontvangen gewestelijke tegemoetkomingen en de onrechtmatig ontvangen bedragen van de aankoopprijs van de dienstencheque terug.]1
Art. 11 _REGION_WALLONNE.
[1 Le Forem récupère par toutes voies de droit les interventions régionales indûment reçues et les montants indûment reçus du prix d'acquisition du titre-service.]1
[1 Le Forem récupère par toutes voies de droit les interventions régionales indûment reçues et les montants indûment reçus du prix d'acquisition du titre-service.]1
Wijzigingen
Art. 11/1_WAALS_GEWEST. [1 § 1. De Minister bevoegd voor Werk kan besluiten een gebruiker die een van de in artikel 3bis, eerste lid, van de wet bedoelde handelingen heeft verricht, te verbieden.
§ 2. De administratie brengt de gebruiker die ervan verdacht wordt een van de in artikel 3bis, eerste lid, van de wet bedoelde feiten te hebben gepleegd, op de hoogte van de feiten waarvan hij wordt beschuldigd en van de risico's waaraan hij is blootgesteld. Zij verleent hem een termijn van ten minste een maand vanaf de datum van kennisgeving om kennis te nemen van het dossier en zijn opmerkingen schriftelijk kenbaar te maken.
§ 3. De Administratie brengt de Minister bevoegd voor tewerkstelling op de hoogte dat een gebruiker een van de feiten bedoeld in artikel 3bis, eerste lid, van de wet heeft gepleegd en deelt hem een kennisgeving mee.
Binnen twee maanden na deze informatie beslist de Minister bevoegd voor Werk.
§ 4. De Administratie stelt de gebruiker in kennis van de beslissing van de Minister bevoegd voor Werk.
Wanneer de beslissing betrekking heeft op een van de feiten bedoeld in artikel 3bis, eerste lid, 2° tot 4° van de wet, zal de Administratie een afschrift van de beslissing aan de betrokken werknemer meedelen indien deze daarom heeft verzocht.
Wanneer de Minister bevoegd voor Werk een besluit neemt over een verbod, stuurt de Administratie een kopie van het besluit naar de, dat de uitgevende onderneming in kennis stelt van het verbod.
§ 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de Minister bevoegd voor Werk verstaan de Minister bevoegd voor Werk of de door hem aangewezen gedelegeerde ambtenaar van de Administratie.]1
§ 2. De administratie brengt de gebruiker die ervan verdacht wordt een van de in artikel 3bis, eerste lid, van de wet bedoelde feiten te hebben gepleegd, op de hoogte van de feiten waarvan hij wordt beschuldigd en van de risico's waaraan hij is blootgesteld. Zij verleent hem een termijn van ten minste een maand vanaf de datum van kennisgeving om kennis te nemen van het dossier en zijn opmerkingen schriftelijk kenbaar te maken.
§ 3. De Administratie brengt de Minister bevoegd voor tewerkstelling op de hoogte dat een gebruiker een van de feiten bedoeld in artikel 3bis, eerste lid, van de wet heeft gepleegd en deelt hem een kennisgeving mee.
Binnen twee maanden na deze informatie beslist de Minister bevoegd voor Werk.
§ 4. De Administratie stelt de gebruiker in kennis van de beslissing van de Minister bevoegd voor Werk.
Wanneer de beslissing betrekking heeft op een van de feiten bedoeld in artikel 3bis, eerste lid, 2° tot 4° van de wet, zal de Administratie een afschrift van de beslissing aan de betrokken werknemer meedelen indien deze daarom heeft verzocht.
Wanneer de Minister bevoegd voor Werk een besluit neemt over een verbod, stuurt de Administratie een kopie van het besluit naar de, dat de uitgevende onderneming in kennis stelt van het verbod.
§ 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder de Minister bevoegd voor Werk verstaan de Minister bevoegd voor Werk of de door hem aangewezen gedelegeerde ambtenaar van de Administratie.]1
Art. 11/1 _REGION_WALLONNE.
[1 § 1er. Le Ministre qui a l'emploi dans ses attributions peut décider de l'interdiction d'un utilisateur qui a commis un des faits visés à l'article 3bis, aliéna 1er, de la loi.
§ 2. L'Administration notifie à l'utilisateur soupçonné d'avoir commis un des faits visés à l'article 3bis, alinéa 1er, de la loi les faits qui lui sont reprochés et les risques qu'il encourt. Elle lui accorde un délai d'au moins un mois à dater de la notification pour prendre connaissance du dossier et faire valoir ses observations par écrit.
§ 3. L'Administration informe le Ministre qui a l'emploi dans ses attributions du fait qu'un utilisateur a commis un des faits visés à l'article 3bis, aliéna 1er, de la loi et lui remet un avis.
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, le Ministre qui a l'emploi dans ses attributions décide.
§ 4. L'Administration notifie à l'utilisateur la décision du Ministre qui a l'emploi dans ses attributions.
Lorsque la décision concerne un des faits visés à l'article 3bis, alinéa 1er, 2° à 4°, de la loi, l'Administration notifie une copie de la décision au travailleur concerné si celui-ci en a fait la demande.
Lorsque le Ministre qui a l'emploi dans ses attributions décide d'une interdiction, l'Administration communique une copie de la décision au Forem qui informe la société émettrice de l'interdiction.
§ 5. Pour l'application de cet article, on entend par le ministre qui a l'Emploi dans ses attributions le Ministre qui a l'emploi dans ses attributions ou le fonctionnaire délégué de l'Administration qu'il désigne.]1
[1 § 1er. Le Ministre qui a l'emploi dans ses attributions peut décider de l'interdiction d'un utilisateur qui a commis un des faits visés à l'article 3bis, aliéna 1er, de la loi.
§ 2. L'Administration notifie à l'utilisateur soupçonné d'avoir commis un des faits visés à l'article 3bis, alinéa 1er, de la loi les faits qui lui sont reprochés et les risques qu'il encourt. Elle lui accorde un délai d'au moins un mois à dater de la notification pour prendre connaissance du dossier et faire valoir ses observations par écrit.
§ 3. L'Administration informe le Ministre qui a l'emploi dans ses attributions du fait qu'un utilisateur a commis un des faits visés à l'article 3bis, aliéna 1er, de la loi et lui remet un avis.
Dans un délai de deux mois à dater de cette information, le Ministre qui a l'emploi dans ses attributions décide.
§ 4. L'Administration notifie à l'utilisateur la décision du Ministre qui a l'emploi dans ses attributions.
Lorsque la décision concerne un des faits visés à l'article 3bis, alinéa 1er, 2° à 4°, de la loi, l'Administration notifie une copie de la décision au travailleur concerné si celui-ci en a fait la demande.
Lorsque le Ministre qui a l'emploi dans ses attributions décide d'une interdiction, l'Administration communique une copie de la décision au Forem qui informe la société émettrice de l'interdiction.
§ 5. Pour l'application de cet article, on entend par le ministre qui a l'Emploi dans ses attributions le Ministre qui a l'emploi dans ses attributions ou le fonctionnaire délégué de l'Administration qu'il désigne.]1
Art. 11_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
Art. 11 _REGION_FLAMANDE.
[1 ...]1
[1 ...]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK V. - Overgangsbepalingen.
CHAPITRE V. - Dispositions transitoires.
Art. 11bis. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-09/33, art. 12; Inwerkingtreding : 01-01-2004> In afwijking van artikel 3, § 2 heeft de dienstencheque die aangekocht is vóór 1 november 2003 voor de gebruiker een geldigheidsduur tot en met 30 juni 2004.
Art. 11bis. Par dérogation à l'article 3, § 2, le titre-service acheté avant le 1er novembre 2003 a pour l'utilisateur une durée de validite jusqu'au 30 juin 2004 inclus.
Art. 11bis_WAALS_GEWEST.
Art. 11bis _REGION_WALLONNE.
Art. 11bis_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Art. 11bis _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Art. 11bis_VLAAMS_GEWEST. [1 Ingeval de spilindex, vermeld in artikel 8, § 1, derde lid, in december 2024 wordt overschreden, zal het bedrag van de tegemoetkoming, vermeld in artikel 8, § 1, tweede lid, op 1 januari 2025 gelijk zijn aan 18,63 euro in plaats van 18,07 euro als de aanschafwaarde 10 euro bedraagt en gelijk zijn aan 17,63 euro in plaats van 17,07 euro als de aanschafwaarde 11 euro bedraagt.]1
Art. 11bis _REGION_FLAMANDE.[1 En cas de dépassement de l'indice-pivot, visé à l'article 8, § 1er, alinéa 3, en décembre 2024, le montant de l'intervention, visé à l'article 8, § 1er, alinéa 2, sera égal à 18,63 euros au lieu de 18,07 euros au 1er janvier 2025 si la valeur d'achat est de 10 euros et à 17,63 euros au lieu de 17,07 euros si la valeur d'achat est de 11 euros.]1
Wijzigingen
Art. 11ter. [1 In afwijking van artikel 8 is het bedrag van de tegemoetkoming gelijk aan 13,54 EUR voor elke geldige bestelling van een dienstencheque die vóór 1 januari 2014 is betaald door de gebruiker en waarvan de aanschafprijs 8,50 EUR bedraagt. De datum van betaling is de datum waarop de rekening van het uitgiftebedrijf gecrediteerd werd.
In afwijking van artikel 8 is het bedrag van de tegemoetkoming gelijk aan 12,54 EUR voor elke geldige bestelling van een dienstencheque die vóór 1 januari 2014 is betaald door de gebruiker en waarvan de aanschafprijs 9,50 EUR bedraagt. De datum van betaling is de datum waarop de rekening van het uitgiftebedrijf gecrediteerd werd.
In afwijking van artikel 3, § 2, eerste lid, heeft de dienstencheque die aangekocht wordt vanaf 1 september 2013 tot en met 31 december 2013 een geldigheidsduur tot en met 30 april 2014.
In afwijking van artikel 7, eerste lid, maakt de erkende onderneming de dienstencheques bedoeld in het vorige lid over aan het uitgiftebedrijf vóór 1 juni 2014.
In afwijking van artikel 3, § 3, tweede lid, eerste zin, kunnen de dienstencheques die omgeruild worden vóór 1 januari 2014, omgeruild worden tegen nieuwe cheques met een nieuwe geldigheidsduur tot en met 30 april 2014 voor de gebruiker en met een nieuwe geldigheidsduur tot en met 31 mei 2014 voor de erkende onderneming.
Voor dienstencheques aangekocht vóór 1 januari 2014, die in toepassing van artikel 3, § 3, tweede lid, omgeruild worden na 31 december 2013, zal het uitgiftebedrijf van de gebruiker een bijkomende tussenkomst van 0,50 EUR per dienstencheque eisen.
Voor dienstencheques aangekocht vóór 1 januari 2014, die in toepassing van artikel 3, § 3, derde lid, vervangen worden na 31 december 2013, zal het uitgiftebedrijf van de gebruiker een bijkomende tussenkomst van 0,50 EUR per dienstencheque eisen.]1
In afwijking van artikel 8 is het bedrag van de tegemoetkoming gelijk aan 12,54 EUR voor elke geldige bestelling van een dienstencheque die vóór 1 januari 2014 is betaald door de gebruiker en waarvan de aanschafprijs 9,50 EUR bedraagt. De datum van betaling is de datum waarop de rekening van het uitgiftebedrijf gecrediteerd werd.
In afwijking van artikel 3, § 2, eerste lid, heeft de dienstencheque die aangekocht wordt vanaf 1 september 2013 tot en met 31 december 2013 een geldigheidsduur tot en met 30 april 2014.
In afwijking van artikel 7, eerste lid, maakt de erkende onderneming de dienstencheques bedoeld in het vorige lid over aan het uitgiftebedrijf vóór 1 juni 2014.
In afwijking van artikel 3, § 3, tweede lid, eerste zin, kunnen de dienstencheques die omgeruild worden vóór 1 januari 2014, omgeruild worden tegen nieuwe cheques met een nieuwe geldigheidsduur tot en met 30 april 2014 voor de gebruiker en met een nieuwe geldigheidsduur tot en met 31 mei 2014 voor de erkende onderneming.
Voor dienstencheques aangekocht vóór 1 januari 2014, die in toepassing van artikel 3, § 3, tweede lid, omgeruild worden na 31 december 2013, zal het uitgiftebedrijf van de gebruiker een bijkomende tussenkomst van 0,50 EUR per dienstencheque eisen.
Voor dienstencheques aangekocht vóór 1 januari 2014, die in toepassing van artikel 3, § 3, derde lid, vervangen worden na 31 december 2013, zal het uitgiftebedrijf van de gebruiker een bijkomende tussenkomst van 0,50 EUR per dienstencheque eisen.]1
Art. 11ter. [1 Par dérogation à l'article 8, le montant de l'intervention est égal à 13,54 EUR pour chaque commande valable d'un titre-service qui a été payé par l'utilisateur avant le 1er janvier 2014 et dont le prix d'acquisition est de 8,50 EUR. La date de paiement est la date à laquelle le compte de la société émettrice a été crédité.
Par dérogation à l'article 8, le montant de l'intervention est égal à 12,54 EUR pour chaque commande valable d'un titre-service qui a été payé par l'utilisateur avant le 1er janvier 2014 et dont le prix d'acquisition est de 9,50 EUR. La date de paiement est la date à laquelle le compte de la société émettrice a été crédité.
Par dérogation à l'article 3, § 2, alinéa 1er, le titre-service acheté à partir du 1er septembre 2013 jusqu'au 31 décembre 2013 a une durée de validité jusqu'au 30 avril 2014.
Par dérogation à l'article 7, alinéa 1er, l'entreprise agréée transmet les titres-services visés à l'alinéa précédent à la société émettrice avant le 1er juin 2014.
Par dérogation à l'article 3, § 3, alinéa 2, première phrase, les titres-services qui sont échangés avant le 1er janvier 2014, peuvent être échangés contre de nouveaux titres avec une nouvelle durée de validité jusqu'au 30 avril 2014 pour l'utilisateur et avec une nouvelle durée de validité jusqu'au 31 mai 2014 pour l'entreprise agréée.
Pour des titres-services acquis avant le 1er janvier 2014, qui sont échangés après le 31 décembre 2013 en application de l'article 3, § 3, alinéa 2, la société émettrice exigera de l'utilisateur une intervention supplémentaire de 0,50 EUR par titre-service.
Pour des titres-services acquis avant le 1er janvier 2014, qui sont remplacés après le 31 décembre 2013 en application de l'article 3, § 3, alinéa 3, la société émettrice exigera de l'utilisateur une intervention supplémentaire de 0,50 EUR par titre-service.]1
Par dérogation à l'article 8, le montant de l'intervention est égal à 12,54 EUR pour chaque commande valable d'un titre-service qui a été payé par l'utilisateur avant le 1er janvier 2014 et dont le prix d'acquisition est de 9,50 EUR. La date de paiement est la date à laquelle le compte de la société émettrice a été crédité.
Par dérogation à l'article 3, § 2, alinéa 1er, le titre-service acheté à partir du 1er septembre 2013 jusqu'au 31 décembre 2013 a une durée de validité jusqu'au 30 avril 2014.
Par dérogation à l'article 7, alinéa 1er, l'entreprise agréée transmet les titres-services visés à l'alinéa précédent à la société émettrice avant le 1er juin 2014.
Par dérogation à l'article 3, § 3, alinéa 2, première phrase, les titres-services qui sont échangés avant le 1er janvier 2014, peuvent être échangés contre de nouveaux titres avec une nouvelle durée de validité jusqu'au 30 avril 2014 pour l'utilisateur et avec une nouvelle durée de validité jusqu'au 31 mai 2014 pour l'entreprise agréée.
Pour des titres-services acquis avant le 1er janvier 2014, qui sont échangés après le 31 décembre 2013 en application de l'article 3, § 3, alinéa 2, la société émettrice exigera de l'utilisateur une intervention supplémentaire de 0,50 EUR par titre-service.
Pour des titres-services acquis avant le 1er janvier 2014, qui sont remplacés après le 31 décembre 2013 en application de l'article 3, § 3, alinéa 3, la société émettrice exigera de l'utilisateur une intervention supplémentaire de 0,50 EUR par titre-service.]1
Art. 11ter_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 ...]1
Art. 11ter _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 ...]1
[1 ...]1
Wijzigingen
Art. 11ter_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
Art. 11ter _REGION_FLAMANDE.
[1 ...]1
[1 ...]1
Wijzigingen
Art. 11quater. <INGEVOEGD bij KB 2004-01-09/33, art. 12; Inwerkingtreding : 01-01-2004 ; zie ook art. 4> De ondernemingen die door de gefedereerde entiteiten erkend zijn in 2003 voor activiteiten van thuishulp van huishoudelijke aard, blijven hun erkenning als erkende onderneming behouden na 31 december 2003.
Deze ondernemingen moeten vóór 31 maart 2004 een sui generis afdeling oprichten bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, a), van de wet, indien zij een andere activiteit uitvoeren dan de activiteiten in het kader van de regeling dienstencheques.
Deze ondernemingen moeten vóór 31 maart 2004 een sui generis afdeling oprichten bedoeld in artikel 2, § 2, eerste lid, a), van de wet, indien zij een andere activiteit uitvoeren dan de activiteiten in het kader van de regeling dienstencheques.
Art. 11quater. Les entreprises agréées par les entités fédérées en 2003 pour des activités d'aide à domicile de nature ménagère, conservent leur agrément en tant qu'entreprise agréée après le 31 décembre 2003.
Ces entreprises doivent créér avant le 31 mars 2004 une section sui generis visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, a), de la loi, s'ils exercent une autre activité que les activités dans le cadre du dispositif des titres-services
Ces entreprises doivent créér avant le 31 mars 2004 une section sui generis visée à l'article 2, § 2, alinéa 1er, a), de la loi, s'ils exercent une autre activité que les activités dans le cadre du dispositif des titres-services
Art. 11quater_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 ...]1
Art. 11quater _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 ...]1
[1 ...]1
Wijzigingen
HOOFDSTUK VI. - Evaluatie.
CHAPITRE VI. - Evaluation.
Art. 12. <KB 2006-03-05/39, art. 13, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006> De RVA vraagt jaarlijks aan de erkende ondernemingen gegevens op die noodzakelijk zijn voor de evaluatie zoals voorzien in hoofdstuk III van de wet van 20 juli 2001.
De RVA moet zich bij de opvraging van deze gegevens beperken tot deze gegevens die niet kunnen bekomen worden op basis van de kwartaalaangifte bij de voor de inning van de sociale zekerheidsbijdragen bevoegde instelling.
Deze gegevens betreffen inzonderheid :
1° het aantal in de loop van het vorige jaar gesloten arbeidsovereenkomsten dienstencheques, opgesplitst :
- naargelang het arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur dan wel andere types arbeidsovereenkomsten betreft;
- [1 ...]1;
2° het op de laatste dag van het vorige jaar lopende aantal arbeidsovereenkomsten dienstencheques, opgesplitst :
- naargelang het arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur dan wel andere types arbeidsovereenkomsten betreft;
- [1 ...]1;
3° [1 ...]1
De RVA moet zich bij de opvraging van deze gegevens beperken tot deze gegevens die niet kunnen bekomen worden op basis van de kwartaalaangifte bij de voor de inning van de sociale zekerheidsbijdragen bevoegde instelling.
Deze gegevens betreffen inzonderheid :
1° het aantal in de loop van het vorige jaar gesloten arbeidsovereenkomsten dienstencheques, opgesplitst :
- naargelang het arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur dan wel andere types arbeidsovereenkomsten betreft;
- [1 ...]1;
2° het op de laatste dag van het vorige jaar lopende aantal arbeidsovereenkomsten dienstencheques, opgesplitst :
- naargelang het arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur dan wel andere types arbeidsovereenkomsten betreft;
- [1 ...]1;
3° [1 ...]1
Art. 12. <AR 2006-03-05/39, art. 13, 010; En vigueur : 22-03-2006> L'ONEm demande annuellement aux entreprises agréées des données qui sont nécessaires à l'évaluation comme prévue dans le chapitre III de la loi du 20 juillet 2001.
L'ONEm doit, lors de la demande de ces données, se limiter à ces données qui ne peuvent pas être obtenues sur base de la déclaration trimestrielle auprès de l'institution compétente pour la perception des cotisations de sécurité sociale.
Ces données concernent notamment :
1° le nombre de contrats de travail titres-services conclus au cours de l'année précédente, répartis :
- selon qu'il s'agit de contrats de travail a durée indéterminée ou d'autres types de contrats de travail;
- [1 ...]1;
2° le nombre de contrats de travail titres-services en cours le dernier jour de l'année précédente, répartis :
- selon qu'il s'agit de contrats de travail à durée indéterminée ou d'autres types de contrats de travail;
- [1 ...]1
3° [1 ...]1
L'ONEm doit, lors de la demande de ces données, se limiter à ces données qui ne peuvent pas être obtenues sur base de la déclaration trimestrielle auprès de l'institution compétente pour la perception des cotisations de sécurité sociale.
Ces données concernent notamment :
1° le nombre de contrats de travail titres-services conclus au cours de l'année précédente, répartis :
- selon qu'il s'agit de contrats de travail a durée indéterminée ou d'autres types de contrats de travail;
- [1 ...]1;
2° le nombre de contrats de travail titres-services en cours le dernier jour de l'année précédente, répartis :
- selon qu'il s'agit de contrats de travail à durée indéterminée ou d'autres types de contrats de travail;
- [1 ...]1
3° [1 ...]1
Wijzigingen
Art. 12_WAALS_GEWEST. <KB 2006-03-05/39, art. 13, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006> [2 In naam en voor rekening van de "Forem" vraagt het uitgiftebedrijf jaarlijks]2 aan de erkende ondernemingen gegevens op die noodzakelijk zijn voor de evaluatie zoals voorzien in hoofdstuk III van de wet van 20 juli 2001.
[2 De Forem]2 moet zich bij de opvraging van deze gegevens beperken tot deze gegevens die niet kunnen bekomen worden [2 op basis van de raadpleging van de authentieke gegevens zoals bepaald door de Minister van Tewerkstelling.]2
Deze gegevens betreffen inzonderheid :
1° het aantal in de loop van het vorige jaar gesloten arbeidsovereenkomsten dienstencheques, opgesplitst :
- naargelang het arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur dan wel andere types arbeidsovereenkomsten betreft;
- [1 ...]1;
2° het op de laatste dag van het vorige jaar lopende aantal arbeidsovereenkomsten dienstencheques, opgesplitst :
- naargelang het arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur dan wel andere types arbeidsovereenkomsten betreft;
- [1 ...]1;
3° [1 ...]1
[2 De Forem]2 moet zich bij de opvraging van deze gegevens beperken tot deze gegevens die niet kunnen bekomen worden [2 op basis van de raadpleging van de authentieke gegevens zoals bepaald door de Minister van Tewerkstelling.]2
Deze gegevens betreffen inzonderheid :
1° het aantal in de loop van het vorige jaar gesloten arbeidsovereenkomsten dienstencheques, opgesplitst :
- naargelang het arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur dan wel andere types arbeidsovereenkomsten betreft;
- [1 ...]1;
2° het op de laatste dag van het vorige jaar lopende aantal arbeidsovereenkomsten dienstencheques, opgesplitst :
- naargelang het arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur dan wel andere types arbeidsovereenkomsten betreft;
- [1 ...]1;
3° [1 ...]1
Art. 12 _REGION_WALLONNE.
<AR 2006-03-05/39, art. 13, 010; En vigueur : 22-03-2006> [2 Au nom et pour le compte du Forem, la société émettrice ]2 demande annuellement aux entreprises agréées des données qui sont nécessaires à l'évaluation comme prévue dans le chapitre III de la loi du 20 juillet 2001.
[2 Le Forem]2 doit, lors de la demande de ces données, se limiter à ces données qui ne peuvent pas être obtenues sur base de [2 la consultation de sources de données authentiques, telles que déterminées par le Ministre de l'Emploi.]2
Ces données concernent notamment :
1° le nombre de contrats de travail titres-services conclus au cours de l'année précédente, répartis :
- selon qu'il s'agit de contrats de travail a durée indéterminée ou d'autres types de contrats de travail;
- [1 ...]1;
2° le nombre de contrats de travail titres-services en cours le dernier jour de l'année précédente, répartis :
- selon qu'il s'agit de contrats de travail à durée indéterminée ou d'autres types de contrats de travail;
- [1 ...]1
3° [1 ...]1
<AR 2006-03-05/39, art. 13, 010; En vigueur : 22-03-2006> [2 Au nom et pour le compte du Forem, la société émettrice ]2 demande annuellement aux entreprises agréées des données qui sont nécessaires à l'évaluation comme prévue dans le chapitre III de la loi du 20 juillet 2001.
[2 Le Forem]2 doit, lors de la demande de ces données, se limiter à ces données qui ne peuvent pas être obtenues sur base de [2 la consultation de sources de données authentiques, telles que déterminées par le Ministre de l'Emploi.]2
Ces données concernent notamment :
1° le nombre de contrats de travail titres-services conclus au cours de l'année précédente, répartis :
- selon qu'il s'agit de contrats de travail a durée indéterminée ou d'autres types de contrats de travail;
- [1 ...]1;
2° le nombre de contrats de travail titres-services en cours le dernier jour de l'année précédente, répartis :
- selon qu'il s'agit de contrats de travail à durée indéterminée ou d'autres types de contrats de travail;
- [1 ...]1
3° [1 ...]1
Art. 12_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. <KB 2006-03-05/39, art. 13, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006> [2 Het bestuur]2 vraagt jaarlijks aan de erkende ondernemingen [3 hetzij rechtstreeks, hetzij via het kanaal van het uitgiftebedrijf]3 gegevens op die noodzakelijk zijn voor de evaluatie zoals voorzien in hoofdstuk III van de wet van 20 juli 2001.
[2 Het bestuur]2 moet zich bij de opvraging van deze gegevens beperken tot deze gegevens die niet kunnen bekomen worden op basis van de kwartaalaangifte bij de voor de inning van de sociale zekerheidsbijdragen bevoegde instelling.
Deze gegevens betreffen inzonderheid :
1° het aantal in de loop van het vorige jaar gesloten arbeidsovereenkomsten dienstencheques, opgesplitst :
- naargelang het arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur dan wel andere types arbeidsovereenkomsten betreft;
- [1 ...]1;
2° het op de laatste dag van het vorige jaar lopende aantal arbeidsovereenkomsten dienstencheques, opgesplitst :
- naargelang het arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur dan wel andere types arbeidsovereenkomsten betreft;
- [1 ...]1;
3° [1 ...]1
[2 Het bestuur]2 moet zich bij de opvraging van deze gegevens beperken tot deze gegevens die niet kunnen bekomen worden op basis van de kwartaalaangifte bij de voor de inning van de sociale zekerheidsbijdragen bevoegde instelling.
Deze gegevens betreffen inzonderheid :
1° het aantal in de loop van het vorige jaar gesloten arbeidsovereenkomsten dienstencheques, opgesplitst :
- naargelang het arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur dan wel andere types arbeidsovereenkomsten betreft;
- [1 ...]1;
2° het op de laatste dag van het vorige jaar lopende aantal arbeidsovereenkomsten dienstencheques, opgesplitst :
- naargelang het arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur dan wel andere types arbeidsovereenkomsten betreft;
- [1 ...]1;
3° [1 ...]1
Art. 12 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
<AR 2006-03-05/39, art. 13, 010; En vigueur : 22-03-2006> L'[2 administration]2 demande annuellement aux entreprises agréées [3 , soit directement, soit via le canal de la société émettrice,]3 des données qui sont nécessaires à l'évaluation comme prévue dans le chapitre III de la loi du 20 juillet 2001.
L'[2 administration]2 doit, lors de la demande de ces données, se limiter à ces données qui ne peuvent pas être obtenues sur base de la déclaration trimestrielle auprès de l'institution compétente pour la perception des cotisations de sécurité sociale.
Ces données concernent notamment :
1° le nombre de contrats de travail titres-services conclus au cours de l'année précédente, répartis :
- selon qu'il s'agit de contrats de travail a durée indéterminée ou d'autres types de contrats de travail;
- [1 ...]1;
2° le nombre de contrats de travail titres-services en cours le dernier jour de l'année précédente, répartis :
- selon qu'il s'agit de contrats de travail à durée indéterminée ou d'autres types de contrats de travail;
- [1 ...]1
3° [1 ...]1
<AR 2006-03-05/39, art. 13, 010; En vigueur : 22-03-2006> L'[2 administration]2 demande annuellement aux entreprises agréées [3 , soit directement, soit via le canal de la société émettrice,]3 des données qui sont nécessaires à l'évaluation comme prévue dans le chapitre III de la loi du 20 juillet 2001.
L'[2 administration]2 doit, lors de la demande de ces données, se limiter à ces données qui ne peuvent pas être obtenues sur base de la déclaration trimestrielle auprès de l'institution compétente pour la perception des cotisations de sécurité sociale.
Ces données concernent notamment :
1° le nombre de contrats de travail titres-services conclus au cours de l'année précédente, répartis :
- selon qu'il s'agit de contrats de travail a durée indéterminée ou d'autres types de contrats de travail;
- [1 ...]1;
2° le nombre de contrats de travail titres-services en cours le dernier jour de l'année précédente, répartis :
- selon qu'il s'agit de contrats de travail à durée indéterminée ou d'autres types de contrats de travail;
- [1 ...]1
3° [1 ...]1
Art. 12_VLAAMS_GEWEST. <KB 2006-03-05/39, art. 13, 010; Inwerkingtreding : 22-03-2006> De RVA vraagt jaarlijks aan de erkende ondernemingen gegevens op die noodzakelijk zijn voor de evaluatie zoals voorzien in hoofdstuk III van de wet van 20 juli 2001.
[2 Het departement]2 moet zich bij de opvraging van deze gegevens beperken tot deze gegevens die niet kunnen bekomen worden op basis van [2 de raadpleging van administratieve databanken]2.
[2 ...]2
[2 Het departement]2 moet zich bij de opvraging van deze gegevens beperken tot deze gegevens die niet kunnen bekomen worden op basis van [2 de raadpleging van administratieve databanken]2.
[2 ...]2
Art. 12 _REGION_FLAMANDE.
<AR 2006-03-05/39, art. 13, 010; En vigueur : 22-03-2006> [2 Le département]2 demande annuellement aux entreprises agréées des données qui sont nécessaires à l'évaluation comme prévue dans le chapitre III de la loi du 20 juillet 2001.
[2 Le département]2 doit, lors de la demande de ces données, se limiter à ces données qui ne peuvent pas être obtenues sur base de [2 la consultation de bases de données administratives]2.
[2 ...]2
<AR 2006-03-05/39, art. 13, 010; En vigueur : 22-03-2006> [2 Le département]2 demande annuellement aux entreprises agréées des données qui sont nécessaires à l'évaluation comme prévue dans le chapitre III de la loi du 20 juillet 2001.
[2 Le département]2 doit, lors de la demande de ces données, se limiter à ces données qui ne peuvent pas être obtenues sur base de [2 la consultation de bases de données administratives]2.
[2 ...]2
Art. 12bis_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.
Art. 12bis _REGION_DE_BRUXELLES_CAPITALE.
HOOFDSTUK(VII.) - (Oud HOOFDSTUK VI) Inwerkingtreding.
CHAPITRE VII. - (ancien CHAPITRE VI) Entrée en vigueur.
Art. 13. (Oud artikel 12) Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. <KB 2004-07-14/30, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 22-07-2004>
Voor de periode gesitueerd tussen de datum van inwerkingtreding van dit besluit en 31 december 2001, is het bedrag van 250 BEF van toepassing telkens waar het bedrag van 6,20 EUR wordt vermeld en is het bedrag van 700 BEF van toepassing wanneer het bedrag 17,36 EUR wordt vermeld.
Voor de periode gesitueerd tussen de datum van inwerkingtreding van dit besluit en 31 december 2001, is het bedrag van 250 BEF van toepassing telkens waar het bedrag van 6,20 EUR wordt vermeld en is het bedrag van 700 BEF van toepassing wanneer het bedrag 17,36 EUR wordt vermeld.
Art. 13. (ancien art. 12) Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge. <AR 2004-07-14/30, art. 3, 005; ED ; 22-07-2004>
Pour la période située entre la date d'entrée en vigueur du présent arrêté et le 31 décembre 2001, le montant de 250 BEF est d'application chaque fois qu'un montant de 6,20 EUR est mentionné et le montant de 700 BEF est d'application quand le montant de 17,36 EUR est mentionné.
Pour la période située entre la date d'entrée en vigueur du présent arrêté et le 31 décembre 2001, le montant de 250 BEF est d'application chaque fois qu'un montant de 6,20 EUR est mentionné et le montant de 700 BEF est d'application quand le montant de 17,36 EUR est mentionné.
Art. 13_WAALS_GEWEST. (Oud artikel 12) Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. <KB 2004-07-14/30, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 22-07-2004>
[1 ...]1
[1 ...]1
Art. 13 _REGION_WALLONNE.
(ancien art. 12) Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge. <AR 2004-07-14/30, art. 3, 005; ED ; 22-07-2004>
[1 ...]1
(ancien art. 12) Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge. <AR 2004-07-14/30, art. 3, 005; ED ; 22-07-2004>
[1 ...]1
Wijzigingen
Art. 13_VLAAMS_GEWEST. (Oud artikel 12) Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. <KB 2004-07-14/30, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 22-07-2004>
[1 ...]1
[1 ...]1
Art. 13 _REGION_FLAMANDE.
(ancien art. 12) Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge. <AR 2004-07-14/30, art. 3, 005; ED ; 22-07-2004>
[1 ...]1
(ancien art. 12) Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge. <AR 2004-07-14/30, art. 3, 005; ED ; 22-07-2004>
[1 ...]1
Wijzigingen
Art. 14. (Oud artikel 13) Onze Minister van Werkgelegenheid en Onze Minister van Financiën zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 14. (ancien art. 13) Notre Ministre de l'Emploi et Notre Ministre des Finances sont charges, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté. <AR 2004-07-14/30, art. 3, 005; ED ; 22-07-2004>
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Model van dienstencheque.
(Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 22-12-2001, p. 44682.)
Gewijzigd door :
<KB 2004-01-09/33, art. 13, Inwerkingtreding : 01-01-2004; B.St. 15-01-2004, p. 2192>
<KB 2006-03-05/39, art. 14; Inwerkingtreding : 22-03-2006 ; B.St. 22.03.2006, p. 16.493-494>
<KB 2010-01-26/01, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 01-02-2010; zie B.St. 29-01-2010, p. 4180>
(Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 22-12-2001, p. 44682.)
Gewijzigd door :
<KB 2004-01-09/33, art. 13, Inwerkingtreding : 01-01-2004; B.St. 15-01-2004, p. 2192>
<KB 2006-03-05/39, art. 14; Inwerkingtreding : 22-03-2006 ; B.St. 22.03.2006, p. 16.493-494>
<KB 2010-01-26/01, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 01-02-2010; zie B.St. 29-01-2010, p. 4180>
Art. N. Modèle du titre-service.
(Modèle non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 22-12-2001, p. 44681).
Modifié par :
<AR 2004-01-09/33, art. 13, En vigueur : 01-01-2004; M.B. 15-01-2004, p. 2193>
<AR 2006-03-05/39, art. 14; En vigueur : 22-03-2006 ; M.B. 22.03.2006, p. 16.493-494>
<AR 2010-01-26/01, art. 2, 020; En vigueur : 01-02-2010; voir M.B. 29-01-2010, p. 4181>
(Modèle non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 22-12-2001, p. 44681).
Modifié par :
<AR 2004-01-09/33, art. 13, En vigueur : 01-01-2004; M.B. 15-01-2004, p. 2193>
<AR 2006-03-05/39, art. 14; En vigueur : 22-03-2006 ; M.B. 22.03.2006, p. 16.493-494>
<AR 2010-01-26/01, art. 2, 020; En vigueur : 01-02-2010; voir M.B. 29-01-2010, p. 4181>
Art. N_VLAAMS_GEWEST.
Art. N _REGION_FLAMANDE.
Art. N_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Bijlage 1. Model van dienstencheque]1
(Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 22-12-2001, p. 44682.)
Gewijzigd door :
<KB 2004-01-09/33, art. 13, Inwerkingtreding : 01-01-2004; B.St. 15-01-2004, p. 2192>
<KB 2006-03-05/39, art. 14; Inwerkingtreding : 22-03-2006 ; B.St. 22.03.2006, p. 16.493-494>
<KB 2010-01-26/01, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 01-02-2010; zie B.St. 29-01-2010, p. 4180>
(Model niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 22-12-2001, p. 44682.)
Gewijzigd door :
<KB 2004-01-09/33, art. 13, Inwerkingtreding : 01-01-2004; B.St. 15-01-2004, p. 2192>
<KB 2006-03-05/39, art. 14; Inwerkingtreding : 22-03-2006 ; B.St. 22.03.2006, p. 16.493-494>
<KB 2010-01-26/01, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 01-02-2010; zie B.St. 29-01-2010, p. 4180>
Art. N _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Annexe 1 - Modèle du titre-service]1
(Modèle non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 22-12-2001, p. 44681).
Modifié par :
<AR 2004-01-09/33, art. 13, En vigueur : 01-01-2004; M.B. 15-01-2004, p. 2193>
<AR 2006-03-05/39, art. 14; En vigueur : 22-03-2006 ; M.B. 22.03.2006, p. 16.493-494>
<AR 2010-01-26/01, art. 2, 020; En vigueur : 01-02-2010; voir M.B. 29-01-2010, p. 4181>
[1 Annexe 1 - Modèle du titre-service]1
(Modèle non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 22-12-2001, p. 44681).
Modifié par :
<AR 2004-01-09/33, art. 13, En vigueur : 01-01-2004; M.B. 15-01-2004, p. 2193>
<AR 2006-03-05/39, art. 14; En vigueur : 22-03-2006 ; M.B. 22.03.2006, p. 16.493-494>
<AR 2010-01-26/01, art. 2, 020; En vigueur : 01-02-2010; voir M.B. 29-01-2010, p. 4181>
Wijzigingen
Art. N2_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Bijlage 2. Brussel diversiteitscharter in de dienstenchequesector]1
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 14-02-2017, p. 23908)
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 14-02-2017, p. 23908)
Art. N2 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Annexe 2 - Charte Bruxelloise de la Diversité dans le secteur des titres-services]1
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 14-02-2017, p. 23907)
[1 Annexe 2 - Charte Bruxelloise de la Diversité dans le secteur des titres-services]1
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 14-02-2017, p. 23907)