Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
29 OKTOBER 2001. - [Koninklijk besluit betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten.] <KB 2005-07-08/30, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 31-10-2001> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-10-2001 en tekstbijwerking tot 06-09-2024)
Titre
29 OCTOBRE 2001. - [Arrêté royal relatif à la désignation et à l'exercice des fonctions de management dans les services publics fédéraux et les services publics fédéraux de programmation.] <AR 2005-07-08/30, art. 1, 006; En vigueur : 31-10-2001> (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 31-10-2001 et mise à jour au 06-09-2024)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
HOOFDSTUK II. - De managementfuncties en hun ju...
HOOFDSTUK III. - De selectie, de werving en de ...
Afdeling I. - Algemene bepaling.
Afdeling II. - De selectie.
Afdeling III. - De werving.
Afdeling IV. - De aanstelling.
HOOFDSTUK IV. - Nadere regels betreffende de ui...
Afdeling I. [1 - De strategische plannen en de ...
Afdeling II. - Nadere regelen betreffende de ui...
HOOFDSTUK V. - De evaluatie van de houder van e...
Afdeling 1. - Duur van de evaluatiecyclus.
Afdeling 2. - Onderwerp van de evaluatie.
Afdeling 3. - Actoren van de evaluatie.
Afdeling 4. - Verloop van de evaluatiecyclus.
Onderafdeling 1. - De functioneringsgesprekken.
Onderafdeling 2. [1 - Het evaluatiecyclusgesprek]1
Afdeling 5. - Het evaluatieverslag en de toegek...
Afdeling 6. - Het evaluatiedossier.
Afdeling 7. - Beroepsmogelijkheden.
HOOFDSTUK VI. [1 - Einde van het mandaat, niet-...
Afdeling I. - Einde van het mandaat.
Onderafdeling I. - Einde van rechtswege [1 en t...
Onderafdeling II. - Vroegtijdige beëindiging.
Afdeling II. - Niet-hernieuwing.
HOOFDSTUK VII. - Hernieuwing van het mandaat.
HOOFDSTUK VIII. - Overgangsbepalingen.
HOOFDSTUK IX. - Opheffings- en slotbepalingen.
Inhoud
CHAPITRE I. - Du champ d'application.
CHAPITRE II. - Des fonctions de management et d...
CHAPITRE III. - De la sélection, du recrutement...
Section I. - Disposition générale.
Section II. - De la sélection.
Section III. - Du recrutement.
Section IV. - De la désignation.
CHAPITRE IV. - Modalités de l'exercice des fonc...
Section I. [1 - Des plans stratégiques et des p...
Section II. - Modalités relatives à l'exécution...
CHAPITRE V. - De l'évaluation du titulaire d'un...
Section 1re. - De la durée du cycle d'évaluation.
Section 2. - De l'objet de l'évaluation.
Section 3. - Des acteurs de l'évaluation.
Section 4. - Du déroulement du cycle d'évaluation.
Sous-section 1re. - Des entretiens de fonctionn...
Sous-section 2. [1 - De l'entretien de cycle d'...
Section 5. - Du rapport d'évaluation et de la m...
Section 6. - Du dossier d'évaluation.
Section 7. - Des voies de recours.
CHAPITRE VI. [1 - De la fin du mandat, de son n...
Section I. - De la fin du mandat.
Sous-section I. - De la fin de plein droit [1 e...
Sous-section II. - De la fin anticipée.
Section II. - Du non-renouvellement.
CHAPITRE VII. - Du renouvellement du mandat.
CHAPITRE VIII. - Dispositions transitoires.
CHAPITRE IX. - Dispositions abrogatoires et fin...
Tekst (74)
Texte (74)
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied.
CHAPITRE I. - Du champ d'application.
Artikel 1. <KB 2005-07-08/30, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 31-10-2001> Dit besluit is van toepassing op de federale overheidsdiensten en de programmatorische federale overheidsdiensten, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 7 november 2000 houdende oprichting en samenstelling van de organen die gemeenschappelijk zijn aan iedere federale overheidsdienst.
Article 1. <AR 2005-07-08/30, art. 2, 006; En vigueur : 31-10-2001> Le présent arrêté est applicable aux services publics fédéraux et aux services publics fédéraux de programmation visés par l'arrêté royal du 7 novembre 2000 portant création et composition des organes communs à chaque service public fédéral.
HOOFDSTUK II. - De managementfuncties en hun juridische aard.
CHAPITRE II. - Des fonctions de management et de leur nature juridique.
Art. 2. § 1. De managementfuncties in de federale overheidsdiensten (en de programmatorische federale overheidsdiensten) worden [1 in drie groepen]1 ingedeeld, in de volgende hiërarchische orde : <KB 2005-07-08/30, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 31-10-2001>
1° (de voorzitter van het directiecomité of de voorzitter); <KB 2005-07-08/30, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 31-10-2001>
2° de managementfunctie -1;
3° de managementfunctie -2;
4° [1 ...]1
§ 2. Het organogram van de managementfuncties wordt per federale overheidsdienst (en per programmatorische federale overheidsdienst) door Ons bepaald, op voorstel van de betrokken minister of Staatssecretaris. <KB 2005-07-08/30, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 31-10-2001>
[1 § 3. De managementfuncties in alle federale overheidsdiensten (en programmatorische overheidsdiensten) worden uitgeoefend in de beheerdiensten en in de functionele diensten.]1
[1 § 4. De managementfuncties in de functionele diensten zijn de volgende:
a. Personeel en Organisatie;
b. Begrotings- en Beheerscontrole;
c. Informatie- en Communicatietechnologie.
De managementfuncties -1 hebben met name betrekking op de in het eerste lid bedoelde functies.
Verschillende in het eerste lid bedoelde managementfuncties binnen dezelfde federale overheidsdienst (of programmatorische overheidsdienst) kunnen worden gecombineerd op voorstel van de betrokken minister.
Onverminderd het eerste lid kunnen Wij in aanvullende managementfuncties voorzien in het organigram, op voorstel van de betrokken minister.
De managementfuncties -1 bedoeld in deze paragraaf rapporteren rechtstreeks aan de voorzitter van het directiecomité of aan de voorzitter. De managementfuncties -2 bedoeld rapporteren aan de managementfuncties -1 waaronder ze vallen en in voorkomend geval aan de voorzitter van het directiecomité of aan de voorzitter.]1
1° (de voorzitter van het directiecomité of de voorzitter); <KB 2005-07-08/30, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 31-10-2001>
2° de managementfunctie -1;
3° de managementfunctie -2;
4° [1 ...]1
§ 2. Het organogram van de managementfuncties wordt per federale overheidsdienst (en per programmatorische federale overheidsdienst) door Ons bepaald, op voorstel van de betrokken minister of Staatssecretaris. <KB 2005-07-08/30, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 31-10-2001>
[1 § 3. De managementfuncties in alle federale overheidsdiensten (en programmatorische overheidsdiensten) worden uitgeoefend in de beheerdiensten en in de functionele diensten.]1
[1 § 4. De managementfuncties in de functionele diensten zijn de volgende:
a. Personeel en Organisatie;
b. Begrotings- en Beheerscontrole;
c. Informatie- en Communicatietechnologie.
De managementfuncties -1 hebben met name betrekking op de in het eerste lid bedoelde functies.
Verschillende in het eerste lid bedoelde managementfuncties binnen dezelfde federale overheidsdienst (of programmatorische overheidsdienst) kunnen worden gecombineerd op voorstel van de betrokken minister.
Onverminderd het eerste lid kunnen Wij in aanvullende managementfuncties voorzien in het organigram, op voorstel van de betrokken minister.
De managementfuncties -1 bedoeld in deze paragraaf rapporteren rechtstreeks aan de voorzitter van het directiecomité of aan de voorzitter. De managementfuncties -2 bedoeld rapporteren aan de managementfuncties -1 waaronder ze vallen en in voorkomend geval aan de voorzitter van het directiecomité of aan de voorzitter.]1
Art. 2. § 1er. Les fonctions de management dans les services publics fédéraux (et les services publics fédéraux de programmation) sont classées [1 en trois groupes]1, dans l'ordre hiérarchique suivant : <AR 2005-07-08/30, art. 3, 006; En vigueur : 31-10-2001>
1° (le président du comité de direction ou le président); <AR 2005-07-08/30, art. 3, 006; En vigueur : 31-10-2001>
2° la fonction de management -1;
3° la fonction de management -2;
4° [1 ...]1
§ 2. L'organigramme des fonctions de management est fixé par Nous, pour chaque service public fédéral (et pour chaque service public fédéral de programmation), sur la proposition du ministre ou du secrétaire d'Etat concerné. <AR 2005-07-08/30, art. 3, 006; En vigueur : 31-10-2001>
[1 § 3. Les fonctions de management au sein de tous les services publics fédéraux (et les services publics de programmation), s'exercent dans les services de gestion et dans les services fonctionnels.]1
[1 § 4. Les fonctions de management dans les services fonctionnels sont les suivantes :
a. Personnel et Organisation ;
b. Budget et Contrôle de la Gestion ;
c. Technologie de l'Information et de la Communication .
Les fonctions de management-1 concernent notamment les fonctions visées à l'alinéa 1er.
Plusieurs fonctions de management visées à l'alinéa 1er, au sein d'un même service public fédéral (ou service public de programmation) peuvent être combinées sur proposition du ministre concerné.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, des fonctions management supplémentaires peuvent être prévues par Nous dans l'organigramme, sur proposition du ministre concerné.
Les fonctions de management -1 visées au présent paragraphe rapportent directement au président du Comité de direction ou au président. Les fonctions de management -2 rapportent aux fonctions de management -1 dont ils dépendent et le cas échéant, au président du comité de direction ou au président.]1
1° (le président du comité de direction ou le président); <AR 2005-07-08/30, art. 3, 006; En vigueur : 31-10-2001>
2° la fonction de management -1;
3° la fonction de management -2;
4° [1 ...]1
§ 2. L'organigramme des fonctions de management est fixé par Nous, pour chaque service public fédéral (et pour chaque service public fédéral de programmation), sur la proposition du ministre ou du secrétaire d'Etat concerné. <AR 2005-07-08/30, art. 3, 006; En vigueur : 31-10-2001>
[1 § 3. Les fonctions de management au sein de tous les services publics fédéraux (et les services publics de programmation), s'exercent dans les services de gestion et dans les services fonctionnels.]1
[1 § 4. Les fonctions de management dans les services fonctionnels sont les suivantes :
a. Personnel et Organisation ;
b. Budget et Contrôle de la Gestion ;
c. Technologie de l'Information et de la Communication .
Les fonctions de management-1 concernent notamment les fonctions visées à l'alinéa 1er.
Plusieurs fonctions de management visées à l'alinéa 1er, au sein d'un même service public fédéral (ou service public de programmation) peuvent être combinées sur proposition du ministre concerné.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, des fonctions management supplémentaires peuvent être prévues par Nous dans l'organigramme, sur proposition du ministre concerné.
Les fonctions de management -1 visées au présent paragraphe rapportent directement au président du Comité de direction ou au président. Les fonctions de management -2 rapportent aux fonctions de management -1 dont ils dépendent et le cas échéant, au président du comité de direction ou au président.]1
Wijzigingen
Art. 3. De managementfuncties zijn beheersfuncties [1 en functies in functionele diensten]1 in een federale overheidsdienst (of een programmatorische federale overheidsdienst), zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 7 november 2000 houdende oprichting en samenstelling van de organen die gemeenschappelijk zijn aan iedere federale overheidsdienst. <KB 2005-07-08/30, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 31-10-2001>
Zij worden uitgeoefend in het kader van een mandaat, zijnde een hernieuwbare tijdelijke aanwijzing overeenkomstig artikel 10.
Zij worden uitgeoefend in het kader van een mandaat, zijnde een hernieuwbare tijdelijke aanwijzing overeenkomstig artikel 10.
Art. 3. Les fonctions de management sont des fonctions de gestion [1 et des fonctions dans les services fonctionnels]1 au sein d'un service public fédéral (ou d'un service public fédéral de programmation), tel que visé par l'arrêté royal du 7 novembre 2000 portant création et composition des organes communs à chaque service public fédéral. <AR 2005-07-08/30, art. 4, 006; En vigueur : 31-10-2001>
Elles sont exercées dans le cadre d'un mandat, c'est-à-dire une désignation temporaire renouvelable conformément à l'article 10.
Elles sont exercées dans le cadre d'un mandat, c'est-à-dire une désignation temporaire renouvelable conformément à l'article 10.
Wijzigingen
HOOFDSTUK III. - De selectie, de werving en de aanstelling van de houders van een managementfunctie.
CHAPITRE III. - De la sélection, du recrutement et de la désignation des titulaires des fonctions de management.
Afdeling I. - Algemene bepaling.
Section I. - Disposition générale.
Art. 4. Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk, zijn de regels die toepasselijk zijn op de selectie en de werving van het Rijkspersoneel van toepassing op de selectie en de werving van de houders van een managementfunctie.
Art. 4. Sans préjudice des dispositions du présent chapitre, les règles applicables à la sélection et au recrutement des agents de l'Etat sont applicables à la sélection et au recrutement des titulaires d'une fonction de management.
Afdeling II. - De selectie.
Section II. - De la sélection.
Art. 5. [1 § 1. Om deel te nemen aan de vergelijkende selecties voor de functie van voorzitter van het directiecomité, van voorzitter [2 ...]2, moeten de kandidaten houder zijn van een functie van niveau A of kunnen deelnemen aan een vergelijkende selectie voor een functie van niveau A. Zij dienen over een managementervaring [2 van minstens acht jaar]2 te beschikken [2 of minstens acht jaar beroepservaring te hebben, waarvan minstens drie jaar managementervaring en minstens drie jaar specifieke ervaring.]2 Onder managementervaring wordt verstaan ervaring inzake beheer in een overheidsdienst of in een organisatie uit de privé-sector.
[2 Een jaar dat al als managementervaring wordt aangerekend kan niet worden meegeteld als een jaar specifieke ervaring, als het de uitoefening van dezelfde functie in dezelfde periode betreft.
De jaren gepresteerd in de klassen A3, A4 en A5 worden gelijkgesteld met de jaren managementervaring.
De specifieke ervaring heeft betrekking op een ervaring in de technische activiteitsdomeinen die verband houden met de vacante managementfunctie.]2
§ 2. Om deel te nemen aan de vergelijkende selecties [2 voor een managementfunctie -1 en -2]2, moeten de kandidaten houder zijn van een functie van niveau A of kunnen deelnemen aan een vergelijkende selectie voor een functie van niveau A. Zij dienen [2 een managementervaring van minstens zes jaar of een beroepservaring van minstens zes jaar te hebben, waarvan ministens twee jaar managementervaring en minstens twee jaar specifieke ervaring. De in § 1 bepaalde begrippen 'managementervaring' en 'specifieke ervaring' zijn van toepassing.]2]1
[3 § 3. De deelname van de kandidaat aan een selectieprocedure voor een managementfunctie zoals bedoeld in §§ 1 en 2 is onverenigbaar met de aanstelling als lid van de selectiecommissie zoals bedoeld in artikel 8, § 1, 2° tot en met 5, indien de voormelde aanstelling plaatsvond binnen de twaalf voorafgaande maanden.]3
[2 Een jaar dat al als managementervaring wordt aangerekend kan niet worden meegeteld als een jaar specifieke ervaring, als het de uitoefening van dezelfde functie in dezelfde periode betreft.
De jaren gepresteerd in de klassen A3, A4 en A5 worden gelijkgesteld met de jaren managementervaring.
De specifieke ervaring heeft betrekking op een ervaring in de technische activiteitsdomeinen die verband houden met de vacante managementfunctie.]2
§ 2. Om deel te nemen aan de vergelijkende selecties [2 voor een managementfunctie -1 en -2]2, moeten de kandidaten houder zijn van een functie van niveau A of kunnen deelnemen aan een vergelijkende selectie voor een functie van niveau A. Zij dienen [2 een managementervaring van minstens zes jaar of een beroepservaring van minstens zes jaar te hebben, waarvan ministens twee jaar managementervaring en minstens twee jaar specifieke ervaring. De in § 1 bepaalde begrippen 'managementervaring' en 'specifieke ervaring' zijn van toepassing.]2]1
[3 § 3. De deelname van de kandidaat aan een selectieprocedure voor een managementfunctie zoals bedoeld in §§ 1 en 2 is onverenigbaar met de aanstelling als lid van de selectiecommissie zoals bedoeld in artikel 8, § 1, 2° tot en met 5, indien de voormelde aanstelling plaatsvond binnen de twaalf voorafgaande maanden.]3
Art. 5. [1 § 1er. Pour participer aux sélections comparatives pour la fonction de président du comité de direction, de président [2 ...]2, les candidats doivent être titulaires d'une fonction de niveau A ou pouvoir participer à une sélection comparative pour une fonction de niveau A. Ils doivent posséder une expérience de management [2 d'au moins huit ans]2 [2 ou avoir une expérience professionnelle d'au moins huit ans dont au moins trois ans d'expérience de management et au moins trois ans d'expérience spécifique]2. Par expérience de management, il y a lieu d'entendre une expérience en gestion au sein d'un service public ou d'une organisation du secteur privé.
[2 Une année prise en compte au titre d'expérience de management ne peut être comptabilisée au titre d'une année d'expérience spécifique dès lors qu'elle vise l'exercice de la même fonction sur la même période.
Les années prestées dans les classes A3, A4 et A5 sont assimilées aux années d'expérience en management.
L'expérience spécifique vise une expérience dans les domaines techniques d'activités qui sont en lien avec la fonction de management à pourvoir.]2
§ 2. Pour participer aux sélections comparatives [2 pour une fonction de management -1 et -2]2, les candidats doivent être titulaires d'une fonction de niveau A ou pouvoir participer à une sélection comparative pour une fonction de niveau A. Ils doivent [2 posséder une expérience en management d'au moins six ans ou avoir une expérience professionnelle d'au moins six ans dont au moins deux ans d'expérience de management et au moins deux ans d'expérience spécifique. Les notions d'expérience en management et d'expérience spécifique définies au § 1er sont d'application]2.]1
[3 § 3. La participation du candidat à une procédure de sélection à une fonction de management visé au § 1er et 2, est incompatible avec la désignation comme membre de la commission de sélection visé à l'article 8, § 1er, 2° à 5, dès lors que la désignation visée ci-dessus est intervenue dans les douze mois qui précédent.]3
[2 Une année prise en compte au titre d'expérience de management ne peut être comptabilisée au titre d'une année d'expérience spécifique dès lors qu'elle vise l'exercice de la même fonction sur la même période.
Les années prestées dans les classes A3, A4 et A5 sont assimilées aux années d'expérience en management.
L'expérience spécifique vise une expérience dans les domaines techniques d'activités qui sont en lien avec la fonction de management à pourvoir.]2
§ 2. Pour participer aux sélections comparatives [2 pour une fonction de management -1 et -2]2, les candidats doivent être titulaires d'une fonction de niveau A ou pouvoir participer à une sélection comparative pour une fonction de niveau A. Ils doivent [2 posséder une expérience en management d'au moins six ans ou avoir une expérience professionnelle d'au moins six ans dont au moins deux ans d'expérience de management et au moins deux ans d'expérience spécifique. Les notions d'expérience en management et d'expérience spécifique définies au § 1er sont d'application]2.]1
[3 § 3. La participation du candidat à une procédure de sélection à une fonction de management visé au § 1er et 2, est incompatible avec la désignation comme membre de la commission de sélection visé à l'article 8, § 1er, 2° à 5, dès lors que la désignation visée ci-dessus est intervenue dans les douze mois qui précédent.]3
Art.5bis. [1 § 1. Kandidaten voor een vergelijkende selectie bedoeld in artikel 5 die eerder de niet-eliminerende verplichte tests bedoeld in artikel 7, § 2, eerste lid hebben afgelegd, behouden de resultaten voor die tests gedurende zes maanden vanaf de datum waarop de betrokken tests werden afgelegd volgens de volgende modaliteiten:
- resultaten voor de persoonlijkheids- en integriteitstests voor alle managementfuncties;
- resultaten voor de generieke competentietests voor een managementfunctie die tot eenzelfde niveau behoort.
§ 2. Aan de houder van een managementfunctie die na afloop van zijn mandaat de effectieve eindevaluatievermelding "goed" heeft gekregen wordt door de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning een vrijstelling toegekend voor de in artikel 7, § 3, tweede lid bedoelde proef met de eliminerende tests voor een managementfunctie van een gelijkwaardig of een lager niveau.
De vrijstelling is geldig voor een duur van drie jaar en wordt van kracht op de dag na het einde van het mandaat van de in het eerste lid bedoelde houder van de managementfunctie.
De houder van een managementfunctie van wie het mandaat van rechtswege is beëindigd in toepassing van artikel 20, § 1, eerste lid, 6° geniet onder dezelfde modaliteiten de in het eerste en tweede lid bedoelde vrijstelling, mits hij bij de laatste evaluatie een effectieve evaluatievermelding "goed" heeft gekregen.
Aan de houders van een managementfunctie van een gelijkwaardig of hoger niveau wordt eveneens een vrijstelling toegekend voor de in artikel 7, § 3, tweede lid bedoelde proef met de eliminerende computergestuurde tests voor een managementfunctie van een gelijkwaardig of lager niveau.]1
- resultaten voor de persoonlijkheids- en integriteitstests voor alle managementfuncties;
- resultaten voor de generieke competentietests voor een managementfunctie die tot eenzelfde niveau behoort.
§ 2. Aan de houder van een managementfunctie die na afloop van zijn mandaat de effectieve eindevaluatievermelding "goed" heeft gekregen wordt door de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning een vrijstelling toegekend voor de in artikel 7, § 3, tweede lid bedoelde proef met de eliminerende tests voor een managementfunctie van een gelijkwaardig of een lager niveau.
De vrijstelling is geldig voor een duur van drie jaar en wordt van kracht op de dag na het einde van het mandaat van de in het eerste lid bedoelde houder van de managementfunctie.
De houder van een managementfunctie van wie het mandaat van rechtswege is beëindigd in toepassing van artikel 20, § 1, eerste lid, 6° geniet onder dezelfde modaliteiten de in het eerste en tweede lid bedoelde vrijstelling, mits hij bij de laatste evaluatie een effectieve evaluatievermelding "goed" heeft gekregen.
Aan de houders van een managementfunctie van een gelijkwaardig of hoger niveau wordt eveneens een vrijstelling toegekend voor de in artikel 7, § 3, tweede lid bedoelde proef met de eliminerende computergestuurde tests voor een managementfunctie van een gelijkwaardig of lager niveau.]1
Art.5bis. [1 § 1er. Les candidats à une sélection comparative visée à l'article 5 qui ont précédemment effectué les tests obligatoires non éliminatoires visés à l'article 7, § 2, alinéa 1er, en conservent les résultats, pendant six mois à partir de la date de passation des tests concernés, selon les modalités suivantes :
- résultats des tests de personnalité et d'intégrité pour toute fonction de management ;
- résultats des tests de compétences génériques pour une fonction de management relevant d'un même niveau.
§ 2. Une dispense de l'épreuve des tests éliminatoires visée à l'article 7, § 3, alinéa 2 pour une fonction de management de niveau équivalent ou inférieur est accordée, par le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du service public fédéral Stratégie et Appui, au titulaire d'une fonction de management qui a obtenu à l'issue du mandat la mention finale d'évaluation effective " bon ".
La dispense est valable pour une durée de trois ans et prend effet le jour qui suit la fin du mandat du titulaire de la fonction de management visé à l'alinéa 1er.
Le titulaire d'une fonction de management dont le mandat a pris fin de plein droit en application de l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 6°, bénéficie, sous les mêmes modalités, de la dispense visée aux alinéas 1er et 2 dès lors qu'il a obtenu une mention d'évaluation effective " bon " lors de la dernière évaluation.
Une dispense de l'épreuve des tests informatisés éliminatoires visée à l'article 7, § 3, alinéa 2, pour une fonction de management de niveau équivalent ou inférieur est également accordée aux titulaires d'une fonction de management de niveau équivalent ou supérieur.]1
- résultats des tests de personnalité et d'intégrité pour toute fonction de management ;
- résultats des tests de compétences génériques pour une fonction de management relevant d'un même niveau.
§ 2. Une dispense de l'épreuve des tests éliminatoires visée à l'article 7, § 3, alinéa 2 pour une fonction de management de niveau équivalent ou inférieur est accordée, par le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du service public fédéral Stratégie et Appui, au titulaire d'une fonction de management qui a obtenu à l'issue du mandat la mention finale d'évaluation effective " bon ".
La dispense est valable pour une durée de trois ans et prend effet le jour qui suit la fin du mandat du titulaire de la fonction de management visé à l'alinéa 1er.
Le titulaire d'une fonction de management dont le mandat a pris fin de plein droit en application de l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 6°, bénéficie, sous les mêmes modalités, de la dispense visée aux alinéas 1er et 2 dès lors qu'il a obtenu une mention d'évaluation effective " bon " lors de la dernière évaluation.
Une dispense de l'épreuve des tests informatisés éliminatoires visée à l'article 7, § 3, alinéa 2, pour une fonction de management de niveau équivalent ou inférieur est également accordée aux titulaires d'une fonction de management de niveau équivalent ou supérieur.]1
Art. 6. <KB 2004-06-15/34, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 23-07-2004> § 1. De kandidaten voor een managementfunctie moeten over de competenties en de relationele vaardigheden, alsook over de vaardigheden op het vlak van organisatie en beheer beschikken [1 en voldoen aan de voorwaarden inzake ervaring en specifieke kennis]1 die worden bepaald in de functiebeschrijving en het competentieprofiel van de te begeven managementfunctie.
§ 2. De functiebeschrijving en het competentieprofiel van een binnen een federale overheidsdienst te begeven managementfunctie worden bepaald :
1° voor de functie van voorzitter van het directiecomité, door de minister;
2° voor de managementfunctie -1, door de minister, op voorstel van de voorzitter van het directiecomité;
3° voor de managementfunctie -2, door de minister, op voorstel van de voorzitter van het directiecomité en de houder van de managementfunctie -1;
4° [1 ...]1
§ 3. De functiebeschrijving en het competentieprofiel van een binnen een federale programmatorische overheidsdienst te begeven managementfunctie worden bepaald :
1° voor de voorzitter, door de bevoegde minister of de bevoegde staatssecretaris;
2° voor de overige managementfuncties, door de bevoegde minister of de bevoegde staatssecretaris op voorstel van de voorzitter.
§ 2. De functiebeschrijving en het competentieprofiel van een binnen een federale overheidsdienst te begeven managementfunctie worden bepaald :
1° voor de functie van voorzitter van het directiecomité, door de minister;
2° voor de managementfunctie -1, door de minister, op voorstel van de voorzitter van het directiecomité;
3° voor de managementfunctie -2, door de minister, op voorstel van de voorzitter van het directiecomité en de houder van de managementfunctie -1;
4° [1 ...]1
§ 3. De functiebeschrijving en het competentieprofiel van een binnen een federale programmatorische overheidsdienst te begeven managementfunctie worden bepaald :
1° voor de voorzitter, door de bevoegde minister of de bevoegde staatssecretaris;
2° voor de overige managementfuncties, door de bevoegde minister of de bevoegde staatssecretaris op voorstel van de voorzitter.
Art. 6. <AR 2004-06-15/34, art. 2, 004; En vigueur : 23-07-2004> § 1er. Les candidats à une fonction de management doivent avoir les compétences et les aptitudes relationnelles, d'organisation et de gestion [1 et remplissent les conditions d'expérience et de connaissances spécifiques]1 fixées dans la description de fonction et dans le profil de compétence afférents à la fonction de management à conférer.
§ 2. La description de la fonction et le profil de compétence d'une fonction de management à conférer au sein d'un service public fédéral sont déterminés :
1° pour la fonction de président du comité de direction, par le ministre;
2° pour la fonction de management -1, par le ministre, sur proposition du président du comité de direction;
3° pour la fonction de management -2, par le ministre, sur proposition du président du comité de direction et du titulaire de la fonction de management -1;
4° [1 ...]1
§ 3. La description de la fonction et le profil de compétence d'une fonction de management à conférer au sein d'un service public fédéral de programmation sont déterminés :
1° pour le président, par le ministre compétent ou le secrétaire d'Etat compétent;
2° pour les autres fonctions de management, par le ministre compétent ou le secrétaire d'Etat compétent, sur proposition du président.
§ 2. La description de la fonction et le profil de compétence d'une fonction de management à conférer au sein d'un service public fédéral sont déterminés :
1° pour la fonction de président du comité de direction, par le ministre;
2° pour la fonction de management -1, par le ministre, sur proposition du président du comité de direction;
3° pour la fonction de management -2, par le ministre, sur proposition du président du comité de direction et du titulaire de la fonction de management -1;
4° [1 ...]1
§ 3. La description de la fonction et le profil de compétence d'une fonction de management à conférer au sein d'un service public fédéral de programmation sont déterminés :
1° pour le président, par le ministre compétent ou le secrétaire d'Etat compétent;
2° pour les autres fonctions de management, par le ministre compétent ou le secrétaire d'Etat compétent, sur proposition du président.
Wijzigingen
Art. 7. [1 § 1. De kandidaturen worden ingediend bij de directeur-generaal van het Directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning, die de toelaatbaarheid ervan onderzoekt.
§ 2. De kandidaten die toelaatbaar zijn verklaard, leggen computergestuurde tests af waarmee de generieke vaardigheden en competenties voor de betrokken managementfunctie worden gemeten. Die tests, die aan de in het derde lid bedoeld mondelinge proef voorafgaan, zijn aangepast aan de te begeven functie. Er worden drie niveaus gedefinieerd:
1. het niveau dat de wegingsklassen 7 en 6 bevat;
2. het niveau dat de wegingsklassen 5 en 4 bevat;
3. het niveau dat de andere wegingsklassen bevat.
De selectiecommissie hoort, voordat ze de toelaatbaar verklaarde kandidaten hoort, de door de rekruterende dienst aangestelde vertegenwoordiger over de specifieke kenmerken van de te begeven managementfunctie. Die laatste mag niet persoonlijk betrokken zijn bij de betreffende selectieprocedure.
De kandidaten die toelaatbaar zijn verklaard, leggen voor de selectiecommissie een mondelinge proef af op basis van een praktijkgeval dat verband houdt met de te begeven managementfunctie. De proef heeft als doel zowel de specifieke competenties als de managementvaardigheden die vereist zijn voor de uitoefening van deze functie te evalueren.
De selectiecommissie wordt op de hoogte gehouden van de in het eerste lid bedoelde resultaten en houdt rekening met deze resultaten bij de beoordeling van de competenties die zij na afloop van de mondelinge proef verricht voor elke kandidaat die toelaatbaar werd verklaard.
Na de mondelinge proef bedoeld in het derde lid en na vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten worden de kandidaten ingedeeld [2 hetzij in de groep "geschikt", hetzij in de groep "niet geschikt"]2.
[2 In de groep geschikt]2 worden de kandidaten gerangschikt.
§ 3. De directeur-generaal van het Directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning bepaalt de methodologie van de computergestuurde tests en van de mondelinge proef en controleert de toepassing ervan.
Indien het aantal kandidaten dat in toepassing van § 1, eerste lid toelaatbaar werd verklaard meer dan twintig bedraagt, kan de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning, na advies van de bevoegde minister voor de functie van voorzitter van het directiecomité of van voorzitter of na advies van de leidende ambtenaar voor de andere managementfuncties, besluiten een eliminerende test te organiseren. Die eliminerende test gaat vooraf aan de in § 2, eerste lid bedoelde computergestuurde tests.]1
§ 2. De kandidaten die toelaatbaar zijn verklaard, leggen computergestuurde tests af waarmee de generieke vaardigheden en competenties voor de betrokken managementfunctie worden gemeten. Die tests, die aan de in het derde lid bedoeld mondelinge proef voorafgaan, zijn aangepast aan de te begeven functie. Er worden drie niveaus gedefinieerd:
1. het niveau dat de wegingsklassen 7 en 6 bevat;
2. het niveau dat de wegingsklassen 5 en 4 bevat;
3. het niveau dat de andere wegingsklassen bevat.
De selectiecommissie hoort, voordat ze de toelaatbaar verklaarde kandidaten hoort, de door de rekruterende dienst aangestelde vertegenwoordiger over de specifieke kenmerken van de te begeven managementfunctie. Die laatste mag niet persoonlijk betrokken zijn bij de betreffende selectieprocedure.
De kandidaten die toelaatbaar zijn verklaard, leggen voor de selectiecommissie een mondelinge proef af op basis van een praktijkgeval dat verband houdt met de te begeven managementfunctie. De proef heeft als doel zowel de specifieke competenties als de managementvaardigheden die vereist zijn voor de uitoefening van deze functie te evalueren.
De selectiecommissie wordt op de hoogte gehouden van de in het eerste lid bedoelde resultaten en houdt rekening met deze resultaten bij de beoordeling van de competenties die zij na afloop van de mondelinge proef verricht voor elke kandidaat die toelaatbaar werd verklaard.
Na de mondelinge proef bedoeld in het derde lid en na vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten worden de kandidaten ingedeeld [2 hetzij in de groep "geschikt", hetzij in de groep "niet geschikt"]2.
[2 In de groep geschikt]2 worden de kandidaten gerangschikt.
§ 3. De directeur-generaal van het Directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning bepaalt de methodologie van de computergestuurde tests en van de mondelinge proef en controleert de toepassing ervan.
Indien het aantal kandidaten dat in toepassing van § 1, eerste lid toelaatbaar werd verklaard meer dan twintig bedraagt, kan de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning, na advies van de bevoegde minister voor de functie van voorzitter van het directiecomité of van voorzitter of na advies van de leidende ambtenaar voor de andere managementfuncties, besluiten een eliminerende test te organiseren. Die eliminerende test gaat vooraf aan de in § 2, eerste lid bedoelde computergestuurde tests.]1
Art. 7. [1 § 1er. Les candidatures sont introduites auprès du directeur général de la Direction générale Recrutement et Développement du service public fédéral Stratégie et Appui qui en examine l'admissibilité.
§ 2. Les candidats déclarés admissibles présentent des tests informatisés qui mesurent les aptitudes et les compétences génériques à la fonction de management concernée. Ces tests, préalables à l'épreuve orale visée à l'alinéa 3, sont adaptés au niveau de la fonction à pourvoir. Trois niveaux sont définis:
1. le niveau comprenant les classes 7 et 6 de pondération ;
2. le niveau comprenant les classes 5 et 4 de pondération ;
3. le niveau comprenant les autres classes de pondération.
La commission de sélection entend, préalablement à l'audition des candidats déclarés admissibles, le représentant désigné du service recruteur sur les spécificités de la fonction de management à pourvoir. Ce dernier ne peut être impliqué personnellement dans la procédure de sélection concernée.
Les candidats déclarés admissibles présentent, devant la commission de sélection, une épreuve orale au départ d'un cas pratique ayant trait à la fonction de management à pourvoir. Cette épreuve a pour but d'évaluer tant les compétences spécifiques que les aptitudes managériales requises pour l'exercice de cette fonction.
La commission de sélection est tenue informée des résultats des tests informatisés visés à l'alinéa 1er et prend en compte ces résultats dans l'appréciation des compétences qu'elle effectue au terme de l'épreuve orale pour chaque candidat déclaré admissible.
Au terme de l'épreuve orale visée à l'aliéna 3 et de la comparaison des titres et mérites des candidats, les candidats sont inscrits [2 soit dans le groupe " apte " soit dans le groupe " pas apte "]2.
Dans [2 le groupe " apte "]2, les candidats sont classés.
§ 3. Le directeur général de la Direction générale Recrutement et Développement du service public fédéral Stratégie et Appui définit la méthodologie des tests informatisés et de l'épreuve orale et en contrôle l'application.
S'il advient que le nombre de candidats déclarés admissibles en application du § 1er dépasse vingt candidats, le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du service public fédéral Stratégie et Appui peut décider d'organiser un test éliminatoire, après avis du ministre compétent pour la fonction de président du comité de direction ou de président ou après avis du fonctionnaire dirigeant pour les autres fonctions de management. Ce test éliminatoire est préalable aux tests informatisés visés au § 2, alinéa 1er.]1
§ 2. Les candidats déclarés admissibles présentent des tests informatisés qui mesurent les aptitudes et les compétences génériques à la fonction de management concernée. Ces tests, préalables à l'épreuve orale visée à l'alinéa 3, sont adaptés au niveau de la fonction à pourvoir. Trois niveaux sont définis:
1. le niveau comprenant les classes 7 et 6 de pondération ;
2. le niveau comprenant les classes 5 et 4 de pondération ;
3. le niveau comprenant les autres classes de pondération.
La commission de sélection entend, préalablement à l'audition des candidats déclarés admissibles, le représentant désigné du service recruteur sur les spécificités de la fonction de management à pourvoir. Ce dernier ne peut être impliqué personnellement dans la procédure de sélection concernée.
Les candidats déclarés admissibles présentent, devant la commission de sélection, une épreuve orale au départ d'un cas pratique ayant trait à la fonction de management à pourvoir. Cette épreuve a pour but d'évaluer tant les compétences spécifiques que les aptitudes managériales requises pour l'exercice de cette fonction.
La commission de sélection est tenue informée des résultats des tests informatisés visés à l'alinéa 1er et prend en compte ces résultats dans l'appréciation des compétences qu'elle effectue au terme de l'épreuve orale pour chaque candidat déclaré admissible.
Au terme de l'épreuve orale visée à l'aliéna 3 et de la comparaison des titres et mérites des candidats, les candidats sont inscrits [2 soit dans le groupe " apte " soit dans le groupe " pas apte "]2.
Dans [2 le groupe " apte "]2, les candidats sont classés.
§ 3. Le directeur général de la Direction générale Recrutement et Développement du service public fédéral Stratégie et Appui définit la méthodologie des tests informatisés et de l'épreuve orale et en contrôle l'application.
S'il advient que le nombre de candidats déclarés admissibles en application du § 1er dépasse vingt candidats, le directeur général de la direction générale Recrutement et Développement du service public fédéral Stratégie et Appui peut décider d'organiser un test éliminatoire, après avis du ministre compétent pour la fonction de président du comité de direction ou de président ou après avis du fonctionnaire dirigeant pour les autres fonctions de management. Ce test éliminatoire est préalable aux tests informatisés visés au § 2, alinéa 1er.]1
Art. 8. <KB 2004-06-15/34, art. 4, 004; Inwerkingtreding : 23-07-2004> § 1. De selectiecommissie wordt samengesteld uit :
1° [4 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning of zijn afgevaardigde, voorzitter;]4
2° (één externe expert) inzake management; <KB 2005-07-08/30, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 14-07-2005>
3° (één externe expert) inzake human ressources management; <KB 2005-07-08/30, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 14-07-2005>
4° twee externe experts met ervaring of een bijzondere kennis van de materie die eigen is aan de te begeven functie;
5° (twee ambtenaren) uit een andere federale overheidsdienst of federale programmatorische overheidsdienst dan degene waarvoor een selectieprocedure voor een managementfunctie wordt georganiseerd, uit een federaal ministerie, uit een openbare instelling van sociale zekerheid, uit een federale wetenschappelijke instelling, uit een federale instelling van openbaar nut of uit diensten van de Gewest- of Gemeenschapsregeringen of uit de Colleges van de Gemeenschapscommissies, die functies uitoefenen die minstens gelijkwaardig zijn aan de te begeven managementfunctie [4 of die sinds minder dan drie jaar managementfuncties hebben uitgeoefend die minstens gelijkwaardig zijn aan de te begeven managementfunctie en die bij de eindevaluatie de vermelding "goed" hebben kregen]4; <KB 2005-07-08/30, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 14-07-2005>
6° [4 van een plaatsvervanger voor elk van de leden bedoeld in 2° tot 5°. Deze plaatsvervangers worden tegelijk met de effectieve leden benoemd.]4
[3 Bij de samenstelling van de selectiecommissie wordt vanaf 1 januari 2023 de verhoudingsgewijs gelijke genderverdeling gerespecteerd, met uitzondering van de voorzitter.]3
[4 De taalpariteit wordt verzekerd binnen elk van de categorieën van effectieve en plaatsvervangende leden van de selectiecommissie bedoeld in het eerste lid, 4° en 5°. Het effectief lid bedoeld in het eerste lid, 2° en zijn plaatsvervanger behoren tot een andere taalaanhorigheid dan die van het effectief lid bedoeld in het eerste lid, 3°, en zijn plaatsvervanger. De taalaanhorigheid van de leden, bedoeld in het eerste lid, 2°, 3° en 4° en hun plaatsvervangers, wordt bepaald door de taal van het getuigschrift of het diploma dat bewijst dat men geslaagd is voor de studies die in aanmerking worden genomen voor de beoordeling van de competentie die nodig is voor de expertiseopdracht. De taalaanhorigheid van de leden, bedoeld in het eerste lid, 5°, en hun plaatsvervangers, wordt bepaald door de taalrol van de ambtenaar of door toepassing van de artikelen 35 tot 41 van de gewone wet van 9 augustus 1980 over de institutionele hervormingen.]4
De profielen van de [1 ...]1 leden van de selectiecommissie bedoeld in het eerste lid, 2°, 4° en 5°, [1 ...]1 [4 en die van hun plaatsvervangers]4 worden bepaald in samenspraak met :
1° de betrokken minister, voor de voorzitter van het directiecomité;
2° de betrokken minister of desgevallend, de betrokken staatssecretaris, voor de voorzitter;
3° de betrokken minister of desgevallend de betrokken staatssecretaris, op voorstel van de betrokken voorzitter van het directiecomité of desgevallend, de betrokken voorzitter, voor de overige managementfuncties.
Wanneer een managementfunctie wordt vacant verklaard voor kandidaten van twee taalrollen, dient de voorzitter van de selectiecommissie hetzij de kennis van de tweede taal bewezen te hebben conform artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, hetzij te worden bijgestaan door een ambtenaar die deze kennis heeft bewezen.
(Indien een managementfunctie uitsluitend vacant wordt verklaard voor kandidaten van één enkele taalrol, of indien er enkel kandidaten van één enkele taalrol overblijven na het onderzoek van de ontvankelijkheid van de kandidaturen door [4 het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]4, wordt de selectiecommissie samengesteld door één enkele vertegenwoordiger per categorie van leden bedoeld in het eerste lid, 2°, 3°, 4° en 5°. Ze behoren tot dezelfde taalrol of taalaanhorigheid als deze van de kandidaat. De voorzitter van de selectiecommissie, als hij tot die taalrol of tot deze taalaanhorigheid behoort, dient niet te worden bijgestaan door een ambtenaar bedoeld in het vierde lid.) <KB 2005-07-08/30, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 14-07-2005>
§ 2. [4 De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]4 deelt de samenstelling van de selectiecommissie [1 ...]1 [4 , met inbegrip van de plaatsvervangers,]4 aan de minister die bevoegd is voor ambtenarenzaken. Deze brengt dadelijk de regeringsleden op de hoogte, die over een termijn van zeven werkdagen beschikken om hem hun bezwaren kenbaar te maken. In dit geval legt de minister die bevoegd is voor ambtenarenzaken, een volledig dossier ter beslissing voor aan de Ministerraad, nadat hiervan een kopie werd overgemaakt aan het betrokken regeringslid.
Als de Ministerraad op basis van het dossier dat voorgelegd werd door de minister die bevoegd is voor ambtenarenzaken, een lid van de selectiecommissie wraakt, benoemt [4 het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]4 een ander lid; in dat geval is het eerste lid van toepassing.
§ 3. De selectiecommissie kan slechts op geldige wijze overgaan tot het horen van de kandidaten en tot de deliberatie voor zover de meerderheid van de leden aanwezig is, minstens twee van de leden tot de taalrol van de kandidaat behoren en elke categorie van leden bedoeld in § 1, eerste lid, 2° tot 5°, vertegenwoordigd is.
Alleen de commissieleden die hebben deelgenomen aan het horen van al de kandidaten, kunnen deelnemen aan de deliberatie met het oog op de indeling van de kandidaten in de groepen A, B, C of D en op hun rangschikking in de groepen A en B. Geen enkel lid kan zich onthouden.
Bij staking van stemmen beslist de voorzitter.
§ 4. [4 De kandidaten worden op de hoogte gebracht van hun inschrijving in de groep "geschikt" of de groep "niet geschikt" en van hun rangschikking in de groep "geschikt".]4
1° [4 de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning of zijn afgevaardigde, voorzitter;]4
2° (één externe expert) inzake management; <KB 2005-07-08/30, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 14-07-2005>
3° (één externe expert) inzake human ressources management; <KB 2005-07-08/30, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 14-07-2005>
4° twee externe experts met ervaring of een bijzondere kennis van de materie die eigen is aan de te begeven functie;
5° (twee ambtenaren) uit een andere federale overheidsdienst of federale programmatorische overheidsdienst dan degene waarvoor een selectieprocedure voor een managementfunctie wordt georganiseerd, uit een federaal ministerie, uit een openbare instelling van sociale zekerheid, uit een federale wetenschappelijke instelling, uit een federale instelling van openbaar nut of uit diensten van de Gewest- of Gemeenschapsregeringen of uit de Colleges van de Gemeenschapscommissies, die functies uitoefenen die minstens gelijkwaardig zijn aan de te begeven managementfunctie [4 of die sinds minder dan drie jaar managementfuncties hebben uitgeoefend die minstens gelijkwaardig zijn aan de te begeven managementfunctie en die bij de eindevaluatie de vermelding "goed" hebben kregen]4; <KB 2005-07-08/30, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 14-07-2005>
6° [4 van een plaatsvervanger voor elk van de leden bedoeld in 2° tot 5°. Deze plaatsvervangers worden tegelijk met de effectieve leden benoemd.]4
[3 Bij de samenstelling van de selectiecommissie wordt vanaf 1 januari 2023 de verhoudingsgewijs gelijke genderverdeling gerespecteerd, met uitzondering van de voorzitter.]3
[4 De taalpariteit wordt verzekerd binnen elk van de categorieën van effectieve en plaatsvervangende leden van de selectiecommissie bedoeld in het eerste lid, 4° en 5°. Het effectief lid bedoeld in het eerste lid, 2° en zijn plaatsvervanger behoren tot een andere taalaanhorigheid dan die van het effectief lid bedoeld in het eerste lid, 3°, en zijn plaatsvervanger. De taalaanhorigheid van de leden, bedoeld in het eerste lid, 2°, 3° en 4° en hun plaatsvervangers, wordt bepaald door de taal van het getuigschrift of het diploma dat bewijst dat men geslaagd is voor de studies die in aanmerking worden genomen voor de beoordeling van de competentie die nodig is voor de expertiseopdracht. De taalaanhorigheid van de leden, bedoeld in het eerste lid, 5°, en hun plaatsvervangers, wordt bepaald door de taalrol van de ambtenaar of door toepassing van de artikelen 35 tot 41 van de gewone wet van 9 augustus 1980 over de institutionele hervormingen.]4
De profielen van de [1 ...]1 leden van de selectiecommissie bedoeld in het eerste lid, 2°, 4° en 5°, [1 ...]1 [4 en die van hun plaatsvervangers]4 worden bepaald in samenspraak met :
1° de betrokken minister, voor de voorzitter van het directiecomité;
2° de betrokken minister of desgevallend, de betrokken staatssecretaris, voor de voorzitter;
3° de betrokken minister of desgevallend de betrokken staatssecretaris, op voorstel van de betrokken voorzitter van het directiecomité of desgevallend, de betrokken voorzitter, voor de overige managementfuncties.
Wanneer een managementfunctie wordt vacant verklaard voor kandidaten van twee taalrollen, dient de voorzitter van de selectiecommissie hetzij de kennis van de tweede taal bewezen te hebben conform artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, hetzij te worden bijgestaan door een ambtenaar die deze kennis heeft bewezen.
(Indien een managementfunctie uitsluitend vacant wordt verklaard voor kandidaten van één enkele taalrol, of indien er enkel kandidaten van één enkele taalrol overblijven na het onderzoek van de ontvankelijkheid van de kandidaturen door [4 het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]4, wordt de selectiecommissie samengesteld door één enkele vertegenwoordiger per categorie van leden bedoeld in het eerste lid, 2°, 3°, 4° en 5°. Ze behoren tot dezelfde taalrol of taalaanhorigheid als deze van de kandidaat. De voorzitter van de selectiecommissie, als hij tot die taalrol of tot deze taalaanhorigheid behoort, dient niet te worden bijgestaan door een ambtenaar bedoeld in het vierde lid.) <KB 2005-07-08/30, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 14-07-2005>
§ 2. [4 De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]4 deelt de samenstelling van de selectiecommissie [1 ...]1 [4 , met inbegrip van de plaatsvervangers,]4 aan de minister die bevoegd is voor ambtenarenzaken. Deze brengt dadelijk de regeringsleden op de hoogte, die over een termijn van zeven werkdagen beschikken om hem hun bezwaren kenbaar te maken. In dit geval legt de minister die bevoegd is voor ambtenarenzaken, een volledig dossier ter beslissing voor aan de Ministerraad, nadat hiervan een kopie werd overgemaakt aan het betrokken regeringslid.
Als de Ministerraad op basis van het dossier dat voorgelegd werd door de minister die bevoegd is voor ambtenarenzaken, een lid van de selectiecommissie wraakt, benoemt [4 het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]4 een ander lid; in dat geval is het eerste lid van toepassing.
§ 3. De selectiecommissie kan slechts op geldige wijze overgaan tot het horen van de kandidaten en tot de deliberatie voor zover de meerderheid van de leden aanwezig is, minstens twee van de leden tot de taalrol van de kandidaat behoren en elke categorie van leden bedoeld in § 1, eerste lid, 2° tot 5°, vertegenwoordigd is.
Alleen de commissieleden die hebben deelgenomen aan het horen van al de kandidaten, kunnen deelnemen aan de deliberatie met het oog op de indeling van de kandidaten in de groepen A, B, C of D en op hun rangschikking in de groepen A en B. Geen enkel lid kan zich onthouden.
Bij staking van stemmen beslist de voorzitter.
§ 4. [4 De kandidaten worden op de hoogte gebracht van hun inschrijving in de groep "geschikt" of de groep "niet geschikt" en van hun rangschikking in de groep "geschikt".]4
Art. 8. <AR 2004-06-15/34, art. 4, 004; En vigueur : 23-07-2004> § 1er. La commission de sélection se compose :
1° [4 du directeur général de la Direction générale Recrutement et développement du service public fédéral Stratégie et Appui ou son délégué, président ;]4
2° (d'un expert externe) en management; <AR 2005-07-08/30, art. 6, 006; En vigueur : 14-07-2005>
3° (d'un expert externe) en gestion des ressources humaines; <AR 2005-07-08/30, art. 6, 006; En vigueur : 14-07-2005>
4° de deux experts externes ayant une expérience ou une connaissance particulière des matières spécifiques à la fonction à pourvoir;
5° (de deux agents) issus d'un service public fédéral ou d'un service public fédéral de programmation autre que celui pour lequel est organisée une procédure de sélection pour une fonction de management, d'un ministère fédéral, d'une institution publique de sécurité sociale, d'un établissement scientifique fédéral, d'un organisme d'intérêt public fédéral ou des services des Gouvernements de Région ou de Communauté ou des Collèges des Commissions communautaires, exerçant des fonctions au moins équivalentes à la fonction de management à pourvoir [4 ou ayant exercés des fonctions de management au moins équivalentes à la fonction de management à pourvoir depuis moins de trois ans et dont l'évaluation finale est la mention " bon "]4. <AR 2005-07-08/30, art. 6, 006; En vigueur : 14-07-2005>
6° [4 d'un suppléant pour chacun des membres visés aux 2° à 5°. Ceux-ci sont désignés en même temps que les membres effectifs.]4
[3 La composition de la commission de sélection respecte, à l'exception du président, le ratio de répartition égale entre sexes à partir du 1er janvier 2023.]3
[4 La parité linguistique est assurée au sein de chacune des catégories de membres effectifs et suppléants de la commission de sélection visés à l'alinéa 1er, 4°, et 5°. Le membre effectif visé à l'alinéa 1er, 2° ainsi que son suppléant sont de l'autre appartenance linguistique que celle du membre effectif visé à l'alinéa 1er, 3° et de son suppléant. L'appartenance linguistique est déterminée, pour ce qui concerne les membres visés à l'alinéa 1er, 2°, 3° et 4° et leurs suppléants, par la langue du certificat ou du diplôme sanctionnant la réussite des études prises en compte pour l'appréciation de la compétence nécessaire à la mission d'expertise. Pour les membres visés à l'alinéa 1er, 5°, et leurs suppléants, l'appartenance linguistique est déterminée par le rôle linguistique de l'agent ou en application des articles 35 à 41 de la loi ordinaire du 9 août 1980 de réformes institutionnelles.]4
Les profils des membres [1 ...]1 de la commission de sélection visés à l'alinéa 1er, 2°, 4° et 5° [1 ...]1 [4 ainsi que ceux de leurs suppléants]4, sont déterminés en concertation avec :
1° le ministre concerné, pour le président du comité de direction;
2° le ministre concerné ou, le cas échéant, le secrétaire d'Etat concerné, pour le président;
3° le ministre concerné ou, le cas échéant, le secrétaire d'Etat concerné, sur proposition du président du comité de direction concerné ou le cas échéant, du président concerné, pour les autres fonctions de management.
Lorsqu'une fonction de management est ouverte à des candidats des deux rôles linguistiques, le président de la commission de sélection doit soit avoir prouvé la connaissance de la seconde langue conformément à l'article 43, § 3, alinéa 3, des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966 soit être assisté d'un agent qui a prouvé cette connaissance.
(Lorsqu'une fonction de management n'est ouverte qu'à des candidats d'un seul rôle linguistique, ou lorsqu'il ne reste que des candidats d'un rôle linguistique à l'issue de l'examen de recevabilité des candidatures par [4 la Direction générale Recrutement et développement du service public fédéral Stratégie et Appui]4, la commission de sélection est composée d'un seul représentant par catégorie de membres visés à l'alinéa 1er, 2°, 3°, 4° et 5°. Ils sont du même rôle ou de la même appartenance linguistique que celui du candidat. Le président de la commission de sélection ne doit pas, s'il est de ce rôle ou de cette appartenance linguistique, se faire assister par un agent visé à l'alinéa 4.) <AR 2005-07-08/30, art. 6, 006; En vigueur : 14-07-2005>
§ 2. [4 Le directeur général de la Direction générale Recrutement et développement du service public fédéral Stratégie et Appui]4 communique la composition de la commission de sélection [1 ...]1 [4 , en ce compris les suppléants,]4 au ministre qui a la fonction publique dans ses attributions. Celui-ci informe sans délai les membres du gouvernement, qui disposent d'un délai de sept jours ouvrables pour lui transmettre leurs objections. En ce cas, le ministre qui a la fonction publique dans ses attributions soumet un dossier complet, pour décision, au Conseil des Ministres, après en avoir transmis une copie au membre du gouvernement concerné.
Si le Conseil des Ministres, sur base du dossier soumis par le ministre qui a la fonction publique dans ses attributions, récuse un membre de la commission de sélection, [4 la Direction générale Recrutement et développement du service public fédéral Stratégie et Appui]4 désigne un autre membre; en ce cas, l'alinéa 1er est d'application.
§ 3. La commission de sélection ne peut valablement procéder à l'audition des candidats et à la délibération que pour autant que la majorité des membres soit présente, que deux d'entre eux au moins soient du rôle linguistique du candidat et que chaque catégorie de membres visée au § 1er, alinéa 1er, 2°, à 5°, soit représentée.
Seuls les membres de la commission qui ont procédé à l'audition de tous les candidats, peuvent prendre part à la délibération en vue de l'inscription desdits candidats dans les groupes A, B, C ou D et en vue de leur classement dans les groupes A et B. Aucun membre ne peut s'abstenir.
S'il y a partage des voix, le président décide.
§ 4. [4 Les candidats sont informés de leur inscription dans le groupe " apte " ou le groupe " pas apte " et de leur classement dans le groupe " apte ".]4
1° [4 du directeur général de la Direction générale Recrutement et développement du service public fédéral Stratégie et Appui ou son délégué, président ;]4
2° (d'un expert externe) en management; <AR 2005-07-08/30, art. 6, 006; En vigueur : 14-07-2005>
3° (d'un expert externe) en gestion des ressources humaines; <AR 2005-07-08/30, art. 6, 006; En vigueur : 14-07-2005>
4° de deux experts externes ayant une expérience ou une connaissance particulière des matières spécifiques à la fonction à pourvoir;
5° (de deux agents) issus d'un service public fédéral ou d'un service public fédéral de programmation autre que celui pour lequel est organisée une procédure de sélection pour une fonction de management, d'un ministère fédéral, d'une institution publique de sécurité sociale, d'un établissement scientifique fédéral, d'un organisme d'intérêt public fédéral ou des services des Gouvernements de Région ou de Communauté ou des Collèges des Commissions communautaires, exerçant des fonctions au moins équivalentes à la fonction de management à pourvoir [4 ou ayant exercés des fonctions de management au moins équivalentes à la fonction de management à pourvoir depuis moins de trois ans et dont l'évaluation finale est la mention " bon "]4. <AR 2005-07-08/30, art. 6, 006; En vigueur : 14-07-2005>
6° [4 d'un suppléant pour chacun des membres visés aux 2° à 5°. Ceux-ci sont désignés en même temps que les membres effectifs.]4
[3 La composition de la commission de sélection respecte, à l'exception du président, le ratio de répartition égale entre sexes à partir du 1er janvier 2023.]3
[4 La parité linguistique est assurée au sein de chacune des catégories de membres effectifs et suppléants de la commission de sélection visés à l'alinéa 1er, 4°, et 5°. Le membre effectif visé à l'alinéa 1er, 2° ainsi que son suppléant sont de l'autre appartenance linguistique que celle du membre effectif visé à l'alinéa 1er, 3° et de son suppléant. L'appartenance linguistique est déterminée, pour ce qui concerne les membres visés à l'alinéa 1er, 2°, 3° et 4° et leurs suppléants, par la langue du certificat ou du diplôme sanctionnant la réussite des études prises en compte pour l'appréciation de la compétence nécessaire à la mission d'expertise. Pour les membres visés à l'alinéa 1er, 5°, et leurs suppléants, l'appartenance linguistique est déterminée par le rôle linguistique de l'agent ou en application des articles 35 à 41 de la loi ordinaire du 9 août 1980 de réformes institutionnelles.]4
Les profils des membres [1 ...]1 de la commission de sélection visés à l'alinéa 1er, 2°, 4° et 5° [1 ...]1 [4 ainsi que ceux de leurs suppléants]4, sont déterminés en concertation avec :
1° le ministre concerné, pour le président du comité de direction;
2° le ministre concerné ou, le cas échéant, le secrétaire d'Etat concerné, pour le président;
3° le ministre concerné ou, le cas échéant, le secrétaire d'Etat concerné, sur proposition du président du comité de direction concerné ou le cas échéant, du président concerné, pour les autres fonctions de management.
Lorsqu'une fonction de management est ouverte à des candidats des deux rôles linguistiques, le président de la commission de sélection doit soit avoir prouvé la connaissance de la seconde langue conformément à l'article 43, § 3, alinéa 3, des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966 soit être assisté d'un agent qui a prouvé cette connaissance.
(Lorsqu'une fonction de management n'est ouverte qu'à des candidats d'un seul rôle linguistique, ou lorsqu'il ne reste que des candidats d'un rôle linguistique à l'issue de l'examen de recevabilité des candidatures par [4 la Direction générale Recrutement et développement du service public fédéral Stratégie et Appui]4, la commission de sélection est composée d'un seul représentant par catégorie de membres visés à l'alinéa 1er, 2°, 3°, 4° et 5°. Ils sont du même rôle ou de la même appartenance linguistique que celui du candidat. Le président de la commission de sélection ne doit pas, s'il est de ce rôle ou de cette appartenance linguistique, se faire assister par un agent visé à l'alinéa 4.) <AR 2005-07-08/30, art. 6, 006; En vigueur : 14-07-2005>
§ 2. [4 Le directeur général de la Direction générale Recrutement et développement du service public fédéral Stratégie et Appui]4 communique la composition de la commission de sélection [1 ...]1 [4 , en ce compris les suppléants,]4 au ministre qui a la fonction publique dans ses attributions. Celui-ci informe sans délai les membres du gouvernement, qui disposent d'un délai de sept jours ouvrables pour lui transmettre leurs objections. En ce cas, le ministre qui a la fonction publique dans ses attributions soumet un dossier complet, pour décision, au Conseil des Ministres, après en avoir transmis une copie au membre du gouvernement concerné.
Si le Conseil des Ministres, sur base du dossier soumis par le ministre qui a la fonction publique dans ses attributions, récuse un membre de la commission de sélection, [4 la Direction générale Recrutement et développement du service public fédéral Stratégie et Appui]4 désigne un autre membre; en ce cas, l'alinéa 1er est d'application.
§ 3. La commission de sélection ne peut valablement procéder à l'audition des candidats et à la délibération que pour autant que la majorité des membres soit présente, que deux d'entre eux au moins soient du rôle linguistique du candidat et que chaque catégorie de membres visée au § 1er, alinéa 1er, 2°, à 5°, soit représentée.
Seuls les membres de la commission qui ont procédé à l'audition de tous les candidats, peuvent prendre part à la délibération en vue de l'inscription desdits candidats dans les groupes A, B, C ou D et en vue de leur classement dans les groupes A et B. Aucun membre ne peut s'abstenir.
S'il y a partage des voix, le président décide.
§ 4. [4 Les candidats sont informés de leur inscription dans le groupe " apte " ou le groupe " pas apte " et de leur classement dans le groupe " apte ".]4
Art. 8bis. [1 Wanneer het aantal kandidaten dat is ingedeeld in [2 de groep "geschikt"]2 voor een managementfunctie bedoeld in artikel 7, § 2, eerste lid, 1° meer dan vijf bedraagt, wordt voor deze kandidaten een extern assessment center georganiseerd. De financiële kost van het assessment center is ten laste van de aanwervende federale overheidsdienst.
Het externe assessment center staat los van de rangschikking van de kandidaten in de voornoemde groepen. Het is niet eliminerend.
Het resultaat van het assessment center wordt meegedeeld aan de in artikel 9, eerste lid bedoelde bevoegde overheid.
Onder de voornoemde voorwaarden wordt een extern assessment center georganiseerd, op verzoek van de Minister of van de Staatssecretaris voor elke andere managementfunctie.]1
Het externe assessment center staat los van de rangschikking van de kandidaten in de voornoemde groepen. Het is niet eliminerend.
Het resultaat van het assessment center wordt meegedeeld aan de in artikel 9, eerste lid bedoelde bevoegde overheid.
Onder de voornoemde voorwaarden wordt een extern assessment center georganiseerd, op verzoek van de Minister of van de Staatssecretaris voor elke andere managementfunctie.]1
Art. 8bis. [1 Lorsque le nombre de candidats inscrits dans le groupe [2 " apte "]2 pour une fonction de management visée à l'article 7, § 2, alinéa 1er, 1° est supérieur à cinq, un assessment center externe est organisé pour ces candidats. Le coût financier de l'assessment center est à charge du service public fédéral recruteur .
L'assessment center externe est indépendant du classement des candidats dans les groupes susmentionnés . Il n'est pas éliminatoire.
Le résultat de l'assessment center est communiqué à l'autorité compétente visée à l'article 9, alinéa 1er .
Dans les conditions susmentionnées, un assessment center externe est organisé, à la demande du ministre ou du secrétaire d'Etat pour tout autre fonction de management.]1
L'assessment center externe est indépendant du classement des candidats dans les groupes susmentionnés . Il n'est pas éliminatoire.
Le résultat de l'assessment center est communiqué à l'autorité compétente visée à l'article 9, alinéa 1er .
Dans les conditions susmentionnées, un assessment center externe est organisé, à la demande du ministre ou du secrétaire d'Etat pour tout autre fonction de management.]1
Afdeling III. - De werving.
Section III. - Du recrutement.
Art. 9. <KB 2004-06-15/34, art. 5, 004; Inwerkingtreding : 23-07-2004> § 1. Voor wat betreft de binnen de federale overheidsdiensten te begeven managementfuncties, deelt [2 het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]2 het resultaat van de procedure bedoeld in artikel 7 mee:
1° aan de betrokken minister, voor de functie van voorzitter van het directiecomité;
2° aan de voorzitter van het directiecomité, voor de andere managementfuncties.
Met de kandidaten van [2 de groep "geschikt"]2 wordt een aanvullend onderhoud georganiseerd met de bedoeling hen te vergelijken wat betreft hun specifieke competenties, hun relationele en managementvaardigheden zoals bepaald in de functiebeschrijving en het competentieprofiel van de te begeven managementfunctie. Dit onderhoud wordt geleid :
1° voor de werving van de voorzitter van het directiecomité, door de minister;
2° voor de werving van de houder van de managementfunctie -1, door de voorzitter van het directiecomité;
3° voor de werving van de houder van de managementfunctie -2, door de houder van de managementfunctie -1 en de voorzitter van het directiecomité;
4° [1 ...]1
[1 Het aanvullende gesprek houdt in voorkomend geval rekening met het resultaat van het in artikel 8bis bedoelde assessment center.]1
Een verslag van elk onderhoud wordt opgemaakt en bij het aanstellingsdossier gevoegd.
Bij afwezigheid van de voorzitter van het directiecomité wordt deze vervangen, bij het aanvullend onderhoud voor de werving van de houder van een managementfunctie -2 [1 ...]1, door de functionele directeur van de stafdienst personeel en organisatie of door de houder van een managementfunctie -1 die daartoe door de minister of staatssecretaris werd aangewezen.
§ 2. Voor wat betreft de binnen de federale programmatorische overheidsdiensten te begeven managementfuncties, deelt [2 het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]2 het resultaat van de procedure, bedoeld in artikel 7, mee :
1° aan de bevoegde minister of staatssecretaris, voor de voorzitter;
2° aan de voorzitter, voor de overige managementfuncties.
Met de kandidaten van [2 de groep "geschikt"]2 wordt een aanvullend onderhoud georganiseerd, met de bedoeling de kandidaten te vergelijken wat betreft hun specifieke competenties, hun relationele en managementvaardigheden zoals bepaald in de functiebeschrijving en het competentieprofiel van de te begeven managementfunctie. Dit onderhoud wordt geleid :
1° voor de werving van de voorzitter, door de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris;
2° voor de werving van de houders van de overige managementfuncties, door de voorzitter.
[2 Het aanvullende gesprek houdt in voorkomend geval rekening met het resultaat van het in artikel 8bis bedoelde assessment center.]2
Een verslag van elk onderhoud wordt opgemaakt en bij het aanstellingsdossier gevoegd.
§ 3. [2 Artikel 10, eerste lid wordt toegepast op kandidaten van wie de specifieke competenties en de relationele en managementvaardigheden zoals bepaald in de functiebeschrijving en het competentieprofiel van de te begeven managementfunctie effectief gevalideerd worden tijdens het bijkomende gesprek.]2
1° aan de betrokken minister, voor de functie van voorzitter van het directiecomité;
2° aan de voorzitter van het directiecomité, voor de andere managementfuncties.
Met de kandidaten van [2 de groep "geschikt"]2 wordt een aanvullend onderhoud georganiseerd met de bedoeling hen te vergelijken wat betreft hun specifieke competenties, hun relationele en managementvaardigheden zoals bepaald in de functiebeschrijving en het competentieprofiel van de te begeven managementfunctie. Dit onderhoud wordt geleid :
1° voor de werving van de voorzitter van het directiecomité, door de minister;
2° voor de werving van de houder van de managementfunctie -1, door de voorzitter van het directiecomité;
3° voor de werving van de houder van de managementfunctie -2, door de houder van de managementfunctie -1 en de voorzitter van het directiecomité;
4° [1 ...]1
[1 Het aanvullende gesprek houdt in voorkomend geval rekening met het resultaat van het in artikel 8bis bedoelde assessment center.]1
Een verslag van elk onderhoud wordt opgemaakt en bij het aanstellingsdossier gevoegd.
Bij afwezigheid van de voorzitter van het directiecomité wordt deze vervangen, bij het aanvullend onderhoud voor de werving van de houder van een managementfunctie -2 [1 ...]1, door de functionele directeur van de stafdienst personeel en organisatie of door de houder van een managementfunctie -1 die daartoe door de minister of staatssecretaris werd aangewezen.
§ 2. Voor wat betreft de binnen de federale programmatorische overheidsdiensten te begeven managementfuncties, deelt [2 het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]2 het resultaat van de procedure, bedoeld in artikel 7, mee :
1° aan de bevoegde minister of staatssecretaris, voor de voorzitter;
2° aan de voorzitter, voor de overige managementfuncties.
Met de kandidaten van [2 de groep "geschikt"]2 wordt een aanvullend onderhoud georganiseerd, met de bedoeling de kandidaten te vergelijken wat betreft hun specifieke competenties, hun relationele en managementvaardigheden zoals bepaald in de functiebeschrijving en het competentieprofiel van de te begeven managementfunctie. Dit onderhoud wordt geleid :
1° voor de werving van de voorzitter, door de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris;
2° voor de werving van de houders van de overige managementfuncties, door de voorzitter.
[2 Het aanvullende gesprek houdt in voorkomend geval rekening met het resultaat van het in artikel 8bis bedoelde assessment center.]2
Een verslag van elk onderhoud wordt opgemaakt en bij het aanstellingsdossier gevoegd.
§ 3. [2 Artikel 10, eerste lid wordt toegepast op kandidaten van wie de specifieke competenties en de relationele en managementvaardigheden zoals bepaald in de functiebeschrijving en het competentieprofiel van de te begeven managementfunctie effectief gevalideerd worden tijdens het bijkomende gesprek.]2
Art. 9. <AR 2004-06-15/34, art. 5, 004; En vigueur : 23-07-2004> § 1er. En ce qui concerne les fonctions de management à conférer au sein des services publics fédéraux, [2 la Direction générale Recrutement et développement du service public fédéral Stratégie et Appui]2 communique le résultat de la procédure visée à l'article 7 :
1° au ministre concerné, pour la fonction de président du comité de direction;
2° au président du comité de direction, pour les autres fonctions de management.
Un entretien complémentaire est organisé avec les candidats du [2 groupe " apte "]2 afin de les comparer quant à leurs compétences spécifiques, leurs aptitudes relationnelles et leurs capacités à diriger par rapport à la description de fonction et au profil de compétence afférents à la fonction de management à pourvoir. Cet entretien est mené :
1° pour le recrutement du président du comité de direction, par le ministre;
2° pour le recrutement du titulaire de la fonction de management -1, par le président du comité de direction;
3° pour le recrutement du titulaire de la fonction de management -2, par le titulaire de la fonction de management -1 et le président du comité de direction;
4° [1 ...]1
[1 L'entretien complémentaire prend, le cas échéant, en compte le résultat de l'assessment center visé à l'article 8bis.]1
Un rapport de chaque entretien est rédigé et joint au dossier de désignation.
En cas d'absence du président du comité de direction, celui-ci est remplacé, lors de l'entretien complémentaire pour le recrutement du titulaire d'une fonction de management -2 [1 ...]1, par le directeur fonctionnel du service d'encadrement personnel et organisation ou par le titulaire d'une fonction de management -1 désigné à cet effet par le ministre ou par le secrétaire d'Etat.
§ 2. En ce qui concerne les fonctions de management à conférer au sein des services publics fédéraux de programmation, [2 la Direction générale Recrutement et développement du service public fédéral Stratégie et Appui]2 communique le résultat de la procédure visée à l'article 7 :
1° au ministre ou secrétaire d'Etat compétent, pour le président;
2° pour le recrutement des titulaires des autres fonctions de management, par le président.
Un entretien complémentaire a lieu avec les candidats du [2 groupe " apte "]2 afin de les comparer quant à leurs compétences spécifiques, leurs aptitudes relationnelles et leurs capacités à diriger par rapport à la description de fonction et le profil de compétence afférents à la fonction de management à pourvoir. Cet entretien est mené :
1° pour le recrutement du président, par le ministre compétent ou le secrétaire d'Etat compétent;
2° pour le recrutement à d'autres fonctions de management , par le président.
[2 L'entretien complémentaire prend, le cas échéant, en compte le résultat de l'assessment center visé à l'article 8bis.]2
Un rapport de chaque entretien relatif au résultat de cette comparaison est rédigé. Ce rapport est joint au dossier de désignation.
§ 3. [2 Il est fait application de l'article 10, alinéa 1er, pour les candidats dont les compétences spécifiques, les aptitudes relationnelles et les capacités à diriger par rapport à la description de fonction et au profil de compétence afférent à la fonction de management sont effectivement validées lors de l'entretien complémentaire.]2
1° au ministre concerné, pour la fonction de président du comité de direction;
2° au président du comité de direction, pour les autres fonctions de management.
Un entretien complémentaire est organisé avec les candidats du [2 groupe " apte "]2 afin de les comparer quant à leurs compétences spécifiques, leurs aptitudes relationnelles et leurs capacités à diriger par rapport à la description de fonction et au profil de compétence afférents à la fonction de management à pourvoir. Cet entretien est mené :
1° pour le recrutement du président du comité de direction, par le ministre;
2° pour le recrutement du titulaire de la fonction de management -1, par le président du comité de direction;
3° pour le recrutement du titulaire de la fonction de management -2, par le titulaire de la fonction de management -1 et le président du comité de direction;
4° [1 ...]1
[1 L'entretien complémentaire prend, le cas échéant, en compte le résultat de l'assessment center visé à l'article 8bis.]1
Un rapport de chaque entretien est rédigé et joint au dossier de désignation.
En cas d'absence du président du comité de direction, celui-ci est remplacé, lors de l'entretien complémentaire pour le recrutement du titulaire d'une fonction de management -2 [1 ...]1, par le directeur fonctionnel du service d'encadrement personnel et organisation ou par le titulaire d'une fonction de management -1 désigné à cet effet par le ministre ou par le secrétaire d'Etat.
§ 2. En ce qui concerne les fonctions de management à conférer au sein des services publics fédéraux de programmation, [2 la Direction générale Recrutement et développement du service public fédéral Stratégie et Appui]2 communique le résultat de la procédure visée à l'article 7 :
1° au ministre ou secrétaire d'Etat compétent, pour le président;
2° pour le recrutement des titulaires des autres fonctions de management, par le président.
Un entretien complémentaire a lieu avec les candidats du [2 groupe " apte "]2 afin de les comparer quant à leurs compétences spécifiques, leurs aptitudes relationnelles et leurs capacités à diriger par rapport à la description de fonction et le profil de compétence afférents à la fonction de management à pourvoir. Cet entretien est mené :
1° pour le recrutement du président, par le ministre compétent ou le secrétaire d'Etat compétent;
2° pour le recrutement à d'autres fonctions de management , par le président.
[2 L'entretien complémentaire prend, le cas échéant, en compte le résultat de l'assessment center visé à l'article 8bis.]2
Un rapport de chaque entretien relatif au résultat de cette comparaison est rédigé. Ce rapport est joint au dossier de désignation.
§ 3. [2 Il est fait application de l'article 10, alinéa 1er, pour les candidats dont les compétences spécifiques, les aptitudes relationnelles et les capacités à diriger par rapport à la description de fonction et au profil de compétence afférent à la fonction de management sont effectivement validées lors de l'entretien complémentaire.]2
Afdeling IV. - De aanstelling.
Section IV. - De la désignation.
Art. 10. § 1. De kandidaten, gekozen overeenkomstig artikel 9, worden [1 aangesteld voor een periode van zes jaar, die één keer kan worden vernieuwd]1 :
1° [4 voor de functie van voorzitter van het directiecomité en de functie van voorzitter, door de Koning bij besluit waarover in de Ministerraad werd beraadslaagd, op voorstel van de betrokken minister en, in voorkomend geval, de betrokken staatssecretaris;]4
2° voor de overige managementfuncties, door de Koning, op voorstel van de betrokken minister en in voorkomend geval de betrokken Staatssecretaris, na voordracht door de voorzitter van het Directiecomité [4 of, in voorkomend geval, de voorzitter]4.
[1 De kandidaten worden aangesteld binnen een termijn van ten hoogste drie jaar, te rekenen vanaf de datum van het resultaat van de procedure, bedoeld in artikel 7.]1
[2 ...]2
[3 In afwijking van het eerste lid hebben de ambtenaren van de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking die deel uitmaken van de buitenlandse carrière of de consulaire carrière en aangeduid worden in een managementfunctie, de keuze tussen een mandaat van vier jaar of zes jaar.]3
[4 In afwijking van het tweede lid, indien:
- het mandaat van de houder van de managementfunctie wordt beëindigd binnen de eerste drie jaar;
- en als voor de betrokken managementfunctie meerdere kandidaten uit de groep "geschikt" zijn geslaagd in het aanvullende gesprek bedoeld in artikel 9;
De bevoegde overheid beslist of ze een nieuw aanvullend gesprek organiseert voor de bovenvermelde kandidaten overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in artikel 9.]4
§ 2. [4 ...]4
§ 3. In afwijking van de artikelen 28 tot 33quinquies van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, moeten de houders van een managementfunctie geen stage doormaken.
1° [4 voor de functie van voorzitter van het directiecomité en de functie van voorzitter, door de Koning bij besluit waarover in de Ministerraad werd beraadslaagd, op voorstel van de betrokken minister en, in voorkomend geval, de betrokken staatssecretaris;]4
2° voor de overige managementfuncties, door de Koning, op voorstel van de betrokken minister en in voorkomend geval de betrokken Staatssecretaris, na voordracht door de voorzitter van het Directiecomité [4 of, in voorkomend geval, de voorzitter]4.
[1 De kandidaten worden aangesteld binnen een termijn van ten hoogste drie jaar, te rekenen vanaf de datum van het resultaat van de procedure, bedoeld in artikel 7.]1
[2 ...]2
[3 In afwijking van het eerste lid hebben de ambtenaren van de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking die deel uitmaken van de buitenlandse carrière of de consulaire carrière en aangeduid worden in een managementfunctie, de keuze tussen een mandaat van vier jaar of zes jaar.]3
[4 In afwijking van het tweede lid, indien:
- het mandaat van de houder van de managementfunctie wordt beëindigd binnen de eerste drie jaar;
- en als voor de betrokken managementfunctie meerdere kandidaten uit de groep "geschikt" zijn geslaagd in het aanvullende gesprek bedoeld in artikel 9;
De bevoegde overheid beslist of ze een nieuw aanvullend gesprek organiseert voor de bovenvermelde kandidaten overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in artikel 9.]4
§ 2. [4 ...]4
§ 3. In afwijking van de artikelen 28 tot 33quinquies van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, moeten de houders van een managementfunctie geen stage doormaken.
Art. 10. § 1er. Les candidats choisis conformément à l'article 9 sont désignés [1 pour une période de six ans qui est renouvelable une fois]1 :
1° [4 pour la fonction de président du Comité de direction et la fonction de président, par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres, sur proposition du ministre concerné et, le cas échéant, le secrétaire d'Etat concerné ;]4
2° pour les autres fonctions de management, par le Roi, sur proposition du ministre concerné et, le cas échéant, le secrétaire d'Etat concerné, après proposition du président du Comité de direction [4 ou, le cas échéant, du président]4.
[1 Les candidats sont désignés dans un délai maximum de trois ans à partir de la date du résultat de la procédure visée à l'article 7.]1
[2 ...]2
[3 Par dérogation à l'alinéa 1er, les agents du SPF Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement qui font partie de la carrière extérieure ou de la carrière consulaire et qui sont désignés à une fonction de management ont le choix entre un mandat de quatre ou de six ans.]3
[4 Par dérogation à l'alinéa 2, s'il advient :
- qu'il est mis fin dans les trois premières années au mandat du titulaire de la fonction de management ;
- et que pour ladite fonction de management, plusieurs candidats du groupe " apte " ont réussi l'entretien complémentaire visé à l'article 9 ;
L'autorité compétente décide si elle organise à nouveau un entretien complémentaire selon les modalités visées à l'article 9 avec les candidats susmentionnés.]4
§ 2. [4 ...]4
§ 3. Par dérogation aux articles 28 à 33quinquies de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat, les titulaires d'une fonction de management ne sont pas soumis à un stage.
1° [4 pour la fonction de président du Comité de direction et la fonction de président, par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres, sur proposition du ministre concerné et, le cas échéant, le secrétaire d'Etat concerné ;]4
2° pour les autres fonctions de management, par le Roi, sur proposition du ministre concerné et, le cas échéant, le secrétaire d'Etat concerné, après proposition du président du Comité de direction [4 ou, le cas échéant, du président]4.
[1 Les candidats sont désignés dans un délai maximum de trois ans à partir de la date du résultat de la procédure visée à l'article 7.]1
[2 ...]2
[3 Par dérogation à l'alinéa 1er, les agents du SPF Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement qui font partie de la carrière extérieure ou de la carrière consulaire et qui sont désignés à une fonction de management ont le choix entre un mandat de quatre ou de six ans.]3
[4 Par dérogation à l'alinéa 2, s'il advient :
- qu'il est mis fin dans les trois premières années au mandat du titulaire de la fonction de management ;
- et que pour ladite fonction de management, plusieurs candidats du groupe " apte " ont réussi l'entretien complémentaire visé à l'article 9 ;
L'autorité compétente décide si elle organise à nouveau un entretien complémentaire selon les modalités visées à l'article 9 avec les candidats susmentionnés.]4
§ 2. [4 ...]4
§ 3. Par dérogation aux articles 28 à 33quinquies de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat, les titulaires d'une fonction de management ne sont pas soumis à un stage.
HOOFDSTUK IV. - Nadere regels betreffende de uitoefening van de managementfuncties.
CHAPITRE IV. - Modalités de l'exercice des fonctions de management.
Afdeling I. [1 - De strategische plannen en de operationele plannen]1
Section I. [1 - Des plans stratégiques et des plans opérationnels]1
Art. 11bis. [1 § 1. In de zin van dit artikel wordt verstaan onder:
1. Openbare Dienst: federale overheidsdienst of programmatorische federale overheidsdienst;
2. Bevoegde ministers en/of bevoegde staatssecretarissen: alle ministers en staatssecretarissen die bevoegd zijn voor eenzelfde Openbare Dienst;
3. Beleidsverklaring: de beleidsverklaring van het lid van de regering zoals bedoeld in artikel 121bis van het Reglement van de Kamer van volksvertegenwoordigers;
4. Beleidsnota: de beleidsnota van de minister zoals bedoeld in artikel 111 van het Reglement van de Kamer van volksvertegenwoordigers of de beleidsnota van de staatssecretaris;
5. Kernopdracht: een opdracht die de Openbare Dienst door of krachtens de wet, door of krachtens het koninklijk besluit, door of krachtens het ministerieel besluit of bij regeringsbeslissing is toevertrouwd;
6. Transversale doelstelling : doelstellingen ter verwezenlijking van een transversaal Regeringsbeleid dat betrekking kan hebben ofwel op de kernopdrachten van de meeste Openbare Diensten ofwel op hun intern beheer;
7. Transversaal activiteitsgebied: een activiteitsgebied binnen een Openbare Dienst dat generiek van aard is en desgevallend in het strategisch plan van elke Openbare Dienst moet kunnen opgenomen worden. Een niet-exhaustieve opsomming van transversale activiteitsgebieden betreft: de efficiëntieverbetering en kostenreductie, de administratieve vereenvoudiging, de klantgerichtheid, de duurzame ontwikkeling, de bevordering van gelijke kansen, de bevordering van het integriteitsbeleid en integriteitsmanagement, de bevordering van welzijn en organisatiecultuur, de verbetering van de interne controle en interne audit en de dienstoverschrijdende samenwerking;
8. Voorzitter: voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst of van de programmatorische federale overheidsdienst, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 7 november 2000 houdende oprichting en samenstelling van de organen die gemeenschappelijk zijn aan iedere federale overheidsdienst.
§ 2. Tussen enerzijds de Federale Regering, vertegenwoordigd door de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst en anderzijds de Openbare Dienst, vertegenwoordigd door de voorzitter wordt één strategisch plan onderhandeld en afgesloten voor de duur van de legislatuur.
§ 3. Ongeacht het niveau van detail en de graad van operationalisering dat in overleg wordt overeengekomen tussen de partijen vermeld in § 2, bevat het strategisch plan minstens volgende elementen :
1° Een lange-termijn-strategie die de legislatuur overstijgt, bestaande uit:
a) Een beschrijving van de toegewezen missies en opdrachten;
b) De visie en de waarden;
c) De resultaten van een omgevingsanalyse en een belanghebbendenanalyse.
2° De te volgen strategie voor de legislatuur, met betrekking tot:
a) De uitvoering van de beleidsverklaringen van de bevoegde ministers en de bevoegde staatssecretarissen;
b) De uitvoering van de kernopdrachten van de Openbare Dienst;
c) Het interne beheer van de Openbare Dienst;
d) De deelname van de Openbare Dienst aan het beleid inzake een transversaal activiteitsgebied.
3° Een communicatieplan - en dat zowel voor interne als externe communicatie - inzake de inhoud van het strategisch plan. Voor wat betreft de transversale activiteitsgebieden wordt dit communicatieplan gecoördineerd door de FOD BOSA;
4° Het meerjarig middelenschema, waarbij er voorzien wordt in een verband tussen de kernopdrachten van de openbare dienst zoals bedoeld in § 1,5° en de middelen;
5° De wederzijdse verbintenissen om gunstige voorwaarden te scheppen met het oog op de correcte uitvoering van de strategieën en de bijhorende doelstellingen die beschreven staan in het strategisch plan en in de operationele plannen;
De Openbare Dienst verbindt zich ertoe om tijdens de uitwerking van deze vijf elementen rekening te houden met de standpunten van de relevante stakeholders alsook met het budgettair kader.
De transversale doelstellingen die uitvoering geven aan het transversaal beleid, zoals bedoeld onder punt 2°, d), worden voorgesteld door het College van Voorzitters van het directiecomité, volgens de modaliteiten bepaald in § 4,1°.
Het strategisch plan voorziet bovendien in de toewijzing van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van elke doelstelling die wordt geformuleerd in uitvoering van de strategieën bedoeld in punt 2° hierboven en die is opgenomen in het strategisch plan aan een houder van een managementfunctie [2 ...]2.
§ 4. De totstandkoming van het strategisch plan verloopt als volgt:
1° Ten laatste één maand na het einde van de bespreking in commissie van de beleidsverklaring maakt de bevoegde minister en/of bevoegde staatssecretaris, ieder wat hem betreft, zijn verwachtingen en prioriteiten over aan de Openbare Dienst waarvoor ze bevoegd zijn.
Ten laatste één maand na het einde van de bespreking in commissie van de beleidsverklaring maakt de minister en/of staatssecretaris bevoegd voor een transversaal activiteitsgebied, ieder wat hem betreft, zijn eventuele verwachtingen en prioriteiten inzake transversale doelstellingen voor de strategische plannen over aan de Minister van Ambtenarenzaken. De Minister van Ambtenarenzaken bewaakt in overleg met de ministers en/of staatssecretarissen bevoegd voor een transversaal activiteiteitsgebied de coherentie van deze prioriteiten en verwachtingen. De Minister van Ambtenarenzaken agendeert de op elkaar afgestemde prioriteiten en verwachtingen inzake transversale doelstellingen voor goedkeuring op de Ministerraad. De minister van Ambtenarenzaken informeert vervolgens - uiterlijk één maand na goedkeuring op de Ministerraad - de voorzitter van het College van Voorzitters van het directiecomité over de op elkaar afgestemde prioriteiten en verwachtingen inzake transversale doelstellingen, alsook van het niveau van detail en de graad van operationalisering van de transversale doelstellingen.
Ten laatste 2 maanden nadat de minister van Ambtenarenzaken het College van Voorzitters van het Directiecomité de op elkaar afgestemde prioriteiten en verwachtingen inzake transversale doelstellingen, alsook van het niveau van detail en de graad van operationalisering van de transversale doelstellingen heeft overgemaakt, informeert het College van Voorzitters van het directiecomité de Regering - via de Minister van Ambtenarenzaken - hoe ze deze verwachtingen inzake transversale doelstellingen zal integreren in de strategische plannen van de Openbare Diensten.
2° Ten laatste vier maanden nadat de bevoegde ministers of bevoegde staatssecretarissen hun verwachtingen en prioriteiten hebben kenbaar gemaakt, maakt de Openbare Dienst een ontwerp van strategisch plan over aan de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst, die het op zijn beurt onverwijld bezorgt aan de andere voor de Openbare Dienst bevoegde ministers en/of staatssecretarissen.
Indien er een directiecomité is in de Openbare Dienst is het ontwerp van strategisch plan besproken in dit directiecomité en zodanig opgemaakt dat alle houders van een managementfunctie [2 ...]2, althans gedeeltelijk en minstens voor wat betreft de elementen die betrekking hebben op hun functie en verantwoordelijkheidsdomein, actief betrokken zijn geweest bij de opmaak ervan.
Indien geen directiecomité is opgericht in de Openbare Dienst, is het ontwerp van strategisch plan zodanig opgemaakt dat alle eventuele houders van een managementfunctie of staffunctie, althans gedeeltelijk en minstens voor wat betreft de elementen die betrekking hebben op hun functie en verantwoordelijkheidsdomein, actief betrokken zijn geweest bij de opmaak ervan.
3° Ten laatste één maand nadat de Openbare Dienst zijn ontwerp van strategisch plan heeft overgemaakt aan zijn bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst, ontvangt de Openbare Dienst een gerichte en onderbouwde feedback op het ontwerp van strategisch plan vanwege de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst. De termijn voor feedback kan maximaal twee maanden in beslag nemen wanneer meerdere ministers en/of staatssecretarissen bevoegd zijn voor de Openbare Dienst. De bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst coördineert desgevallend de gerichte en onderbouwde feedback van de bevoegde ministers en/of bevoegde staatssecretarissen.
4° Indien na twaalf maanden, te rekenen vanaf het einde van de bespreking in commissie van de beleidsverklaring (zoals vermeld in art. 121bis van het Reglement van de Kamer van volksvertegenwoordigers), het strategisch plan nog niet is ondertekend, neemt de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst, de nodige initiatieven om onverwijld tot een ondertekend strategisch plan te komen. In afwachting daarvan, behoren de uitvoering van de te volgen strategie met betrekking tot de uitvoering van de kernopdrachten van de Openbare Dienst, het interne beheer van de Openbare Dienst en de deelname van de Openbare Dienst aan het transversaal beleid, zoals opgenomen in het ontwerp van strategisch plan, tot de verantwoordelijkheid van de voorzitter.
Dit totstandkomingsproces is niet van toepassing wanneer binnen dezelfde legislatuur een andere regering aantreedt. In dit geval gelden de wijzigingsmodaliteiten zoals bepaald in § 7.
§ 5. Het strategisch plan treedt in werking na ondertekening door de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst.
De bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst vraagt voorafgaand aan de ondertekening van het strategisch plan, het advies van de andere voor de Openbare Dienst bevoegde ministers en/of bevoegde staatssecretarissen. Deze beschikken over een termijn van maximum vijftien werkdagen om hun advies te formuleren. Wanneer deze termijn is verstreken, is hun advies niet meer vereist. De bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst houdt rekening met de eventuele opmerkingen in het advies van de andere voor de Openbare Dienst bevoegde ministers en/of Staatssecretarissen.
De bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst waakt erover dat het strategisch plan in overeenstemming is met het economisch, sociaal en financieel beleid van de Staat.
Na de ondertekening van het strategisch plan door de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst publiceert de Openbare Dienst de inhoud van het strategisch plan op zijn website en start met de uitvoering van de communicatieacties die zijn opgenomen in het communicatieplan van het strategisch plan, zoals vermeld in § 3, 3°.
Tevens bezorgt de Openbare Dienst onverwijld een digitaal exemplaar van het ondertekend strategisch plan aan de Voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning.
De ministers en/of staatssecretarissen bevoegd voor Ambtenarenzaken en Begroting informeren door middel van een gezamenlijke nota de Ministerraad over de stand van zaken van de ondertekende strategische plannen.
De voorzitter van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning informeert het College van Voorzitters over de stand van zaken van de ondertekende strategische plannen.
§ 6. Het strategisch plan wordt gesloten voor de duur van de legislatuur, te rekenen vanaf de datum van ondertekening door de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst tot de datum waarop het volgend strategisch plan in een nieuwe legislatuur wordt ondertekend.
Indien na twaalf maanden, te rekenen vanaf het einde van de bespreking in commissie van de beleidsverklaring (zoals vermeld in art 121bis van het Reglement van de Kamer van volksvertegenwoordigers), het volgend strategisch plan in de nieuwe legislatuur nog niet is ondertekend, treedt het ontwerp van strategisch plan in werking, volgens de modaliteiten bepaald in § 4, 4°, tot het moment dat het volgend strategisch plan wordt ondertekend.
Indien na twaalf maanden, te rekenen vanaf het einde van de bespreking in commissie van de beleidsverklaring (zoals vermeld in art 121bis van het Reglement van de Kamer van volksvertegenwoordigers), het volgend strategisch plan in de nieuwe legislatuur nog niet is ondertekend neemt de minister of staatssecretaris bevoegd voor het grootste activiteitsgebied, desgevallend in overleg met de andere bevoegde ministers en/of staatssecretarissen een beslissing inzake de inhoud van het strategisch plan. Deze beslissing geldt als een ondertekend strategisch plan met de datum van beslissing als datum van inwerkingtreding.
§ 7. Het strategisch plan kan tijdens zijn duurtijd worden aangepast. Elk van de partijen vermeld in § 2, alsook desgevallend alle andere voor de Openbare Dienst bevoegde ministers en/of staatssecretarissen, kunnen daartoe een wijziging van strategisch plan voorstellen, waarvan de impact wordt besproken door de partijen vermeld in § 2, alsook desgevallend door alle andere bij het voorstel tot wijziging betrokken bevoegde ministers en/of staatssecretarissen.
Op basis van het voorstel tot wijziging van het strategisch plan maakt de Openbare Dienst een ontwerp van wijziging van strategisch plan op.
Indien er een directiecomité is in de Openbare Dienst, is het ontwerp van wijziging van strategisch plan besproken in dit directiecomité en zodanig opgemaakt dat alle houders van een managementfunctie [2 ...]2, althans gedeeltelijk en minstens voor wat betreft de elementen die betrekking hebben op hun functie en verantwoordelijkheidsdomein, actief betrokken zijn geweest bij de opmaak ervan.
Indien geen directiecomité is opgericht in de Openbare Dienst, is het ontwerp van wijziging van strategisch plan zodanig opgemaakt dat alle eventuele houders van een managementfunctie [2 ...]2, althans gedeeltelijk en minstens voor wat betreft de elementen die betrekking hebben op hun functie en verantwoordelijkheidsdomein, actief betrokken zijn geweest bij de opmaak ervan.
Een wijziging van strategisch plan treedt in werking na ondertekening door de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst.
Indien het ontwerp van wijziging van strategisch plan betrekking of impact heeft op de bevoegdheid van andere voor de Openbare Dienst bevoegde ministers en/of staatssecretarissen, vraagt de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst, voorafgaand aan de ondertekening van de wijziging van strategisch plan, het advies van de betrokken bevoegde ministers en/of staatssecretarissen.
Deze beschikken over een termijn van maximum tien werkdagen om hun advies te formuleren. Wanneer deze termijn is verstreken, is hun advies niet meer vereist.
Bij de ondertekening van een wijziging van strategisch plan houdt de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst rekening met de eventuele opmerkingen in het advies van de andere betrokken bevoegde ministers of bevoegde staatssecretarissen.
Na de ondertekening van de wijziging van strategisch plan door de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst publiceert de Openbare Dienst de inhoud van de wijziging van strategisch plan op zijn website.
Tevens bezorgt de Openbare Dienst onverwijld een digitaal exemplaar van de ondertekende wijziging van het strategisch plan aan de Voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning.
§ 8. Elke Openbare Dienst concretiseert elk jaar de uitvoering van de strategieën en de bijhorende doelstellingen die zijn opgenomen in het strategisch plan, alsook in eventuele latere wijzigingen van het strategisch plan en de uitvoering van de prioriteiten in de jaarlijkse beleidsnota's van de bevoegde ministers en/of staatssecretarissen in een jaarlijks operationeel plan.
Het jaarlijks operationeel plan bevat daartoe minstens de volgende elementen:
1° De SMART-omschrijving (Specifiek, Meetbaar, Aanvaardbaar, Realistisch en Tijdsgebonden) van de operationele doelstellingen, alsook de middelen die hiervoor worden aangewend;
2° De beknopte omschrijving van de processen, projecten, en acties/initiatieven die uitvoering geven aan deze operationele doelstellingen met bijhorende indicatoren aan de hand waarvan de uitvoering zal worden opgevolgd en gemeten en de toewijzing van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering aan een bepaalde dienst, afdeling of andere subentiteit van de Openbare Dienst.
Ten laatste één maand na goedkeuring van de begroting voor het komende jaar in de Kamer van volksvertegenwoordigers bezorgt de Openbare Dienst het operationeel plan ter informatie aan de bevoegde ministers en/of bevoegde Staatssecretarissen.
Indien de begroting voor het komende kalenderjaar op 31 december van het lopende kalenderjaar niet is goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers, bezorgt de Openbare Dienst het operationeel plan ter informatie aan de bevoegde ministers en/of bevoegde Staatssecretarissen tegen ten laatste 31 januari van het kalenderjaar waarop het betrekking heeft.
Een operationeel plan treedt in werking op 1 januari van het kalenderjaar waarop het betrekking heeft en eindigt op 31 december van datzelfde kalenderjaar.
De operationele plannen vormen samen met het strategisch plan en de eventuele wijzigingen van het strategisch plan het uitgangspunt voor het bepalen van de doelstellingen voor de individuele medewerkers van de Openbare Dienst in het kader van hun evaluatie.
§ 9. Elke Openbare Dienst kan zijn operationeel plan herzien. Belangrijke wijzigingen aan het operationeel plan worden toegelicht in de jaarlijkse rapportering aan de bevoegde ministers en/of staatssecretarissen, zoals vermeld in § 10.
§ 10. Een rapportering toetst de vooruitgang van de uitvoering van de in het strategisch plan en in de eventuele wijzigingen van het strategisch plan opgenomen strategieën voor de legislatuur, alsook de realisatie van de operationele doelstellingen die zijn opgenomen in het operationeel plan van het betreffende jaar en de processen, de projecten, de acties en/of de initiatieven die er uitvoering aan geven. Deze rapportering gebeurt minstens één maal per jaar door de voorzitter.
Deze rapportering wordt ten laatste op 15 maart van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop de rapportering betrekking heeft, overgemaakt aan de bevoegde ministers en/of staatssecretarissen.
Een kopie van deze rapportering wordt overgemaakt aan de voorzitter van FOD BOSA. Op basis van deze rapportering informeert de voorzitter van FOD BOSA de minister van Ambtenarenzaken inzake de voortgang van de transversale doelstellingen.
§ 11. De Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning biedt de Openbare Diensten vrijblijvend ondersteuning bij het redactieproces van hun strategisch plan en operationele plannen, bij de organisatie van hun rapportering naar de bevoegde ministers en/of staatssecretarissen en bij het gebruik van relevante instrumenten, ontwikkeld in co-creatie met de klanten van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning.
§ 12. De Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning zal in samenwerking met het College van Voorzitters een globale evaluatie maken van de toepassing van de strategische plannen in de Openbare Diensten. Deze globale evaluatie gebeurt in het laatste kalenderjaar van de legislatuur waarop de strategische plannen betrekking hebben en betreft een methodologische evaluatie alsook het formuleren van methodologische verbetervoorstellen voor de toekomstige toepassing van de strategische plannen.
Het College van Voorzitters van het directiecomité bepaalt aan het begin van de legislatuur de criteria die zullen gehanteerd worden tijdens de globale evaluatie van de strategische plannen.
De modaliteiten om het strategisch plan aan de federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning te bezorgen, zijn bepaald in § 5.
Het College van de voorzitters van het directiecomité bezorgt het resultaat van de globale evaluatie gelijktijdig aan de minister of staatssecretaris bevoegd voor Ambtenarenzaken en aan de minister of staatssecretaris bevoegd voor Begroting.]1
1. Openbare Dienst: federale overheidsdienst of programmatorische federale overheidsdienst;
2. Bevoegde ministers en/of bevoegde staatssecretarissen: alle ministers en staatssecretarissen die bevoegd zijn voor eenzelfde Openbare Dienst;
3. Beleidsverklaring: de beleidsverklaring van het lid van de regering zoals bedoeld in artikel 121bis van het Reglement van de Kamer van volksvertegenwoordigers;
4. Beleidsnota: de beleidsnota van de minister zoals bedoeld in artikel 111 van het Reglement van de Kamer van volksvertegenwoordigers of de beleidsnota van de staatssecretaris;
5. Kernopdracht: een opdracht die de Openbare Dienst door of krachtens de wet, door of krachtens het koninklijk besluit, door of krachtens het ministerieel besluit of bij regeringsbeslissing is toevertrouwd;
6. Transversale doelstelling : doelstellingen ter verwezenlijking van een transversaal Regeringsbeleid dat betrekking kan hebben ofwel op de kernopdrachten van de meeste Openbare Diensten ofwel op hun intern beheer;
7. Transversaal activiteitsgebied: een activiteitsgebied binnen een Openbare Dienst dat generiek van aard is en desgevallend in het strategisch plan van elke Openbare Dienst moet kunnen opgenomen worden. Een niet-exhaustieve opsomming van transversale activiteitsgebieden betreft: de efficiëntieverbetering en kostenreductie, de administratieve vereenvoudiging, de klantgerichtheid, de duurzame ontwikkeling, de bevordering van gelijke kansen, de bevordering van het integriteitsbeleid en integriteitsmanagement, de bevordering van welzijn en organisatiecultuur, de verbetering van de interne controle en interne audit en de dienstoverschrijdende samenwerking;
8. Voorzitter: voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst of van de programmatorische federale overheidsdienst, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 7 november 2000 houdende oprichting en samenstelling van de organen die gemeenschappelijk zijn aan iedere federale overheidsdienst.
§ 2. Tussen enerzijds de Federale Regering, vertegenwoordigd door de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst en anderzijds de Openbare Dienst, vertegenwoordigd door de voorzitter wordt één strategisch plan onderhandeld en afgesloten voor de duur van de legislatuur.
§ 3. Ongeacht het niveau van detail en de graad van operationalisering dat in overleg wordt overeengekomen tussen de partijen vermeld in § 2, bevat het strategisch plan minstens volgende elementen :
1° Een lange-termijn-strategie die de legislatuur overstijgt, bestaande uit:
a) Een beschrijving van de toegewezen missies en opdrachten;
b) De visie en de waarden;
c) De resultaten van een omgevingsanalyse en een belanghebbendenanalyse.
2° De te volgen strategie voor de legislatuur, met betrekking tot:
a) De uitvoering van de beleidsverklaringen van de bevoegde ministers en de bevoegde staatssecretarissen;
b) De uitvoering van de kernopdrachten van de Openbare Dienst;
c) Het interne beheer van de Openbare Dienst;
d) De deelname van de Openbare Dienst aan het beleid inzake een transversaal activiteitsgebied.
3° Een communicatieplan - en dat zowel voor interne als externe communicatie - inzake de inhoud van het strategisch plan. Voor wat betreft de transversale activiteitsgebieden wordt dit communicatieplan gecoördineerd door de FOD BOSA;
4° Het meerjarig middelenschema, waarbij er voorzien wordt in een verband tussen de kernopdrachten van de openbare dienst zoals bedoeld in § 1,5° en de middelen;
5° De wederzijdse verbintenissen om gunstige voorwaarden te scheppen met het oog op de correcte uitvoering van de strategieën en de bijhorende doelstellingen die beschreven staan in het strategisch plan en in de operationele plannen;
De Openbare Dienst verbindt zich ertoe om tijdens de uitwerking van deze vijf elementen rekening te houden met de standpunten van de relevante stakeholders alsook met het budgettair kader.
De transversale doelstellingen die uitvoering geven aan het transversaal beleid, zoals bedoeld onder punt 2°, d), worden voorgesteld door het College van Voorzitters van het directiecomité, volgens de modaliteiten bepaald in § 4,1°.
Het strategisch plan voorziet bovendien in de toewijzing van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van elke doelstelling die wordt geformuleerd in uitvoering van de strategieën bedoeld in punt 2° hierboven en die is opgenomen in het strategisch plan aan een houder van een managementfunctie [2 ...]2.
§ 4. De totstandkoming van het strategisch plan verloopt als volgt:
1° Ten laatste één maand na het einde van de bespreking in commissie van de beleidsverklaring maakt de bevoegde minister en/of bevoegde staatssecretaris, ieder wat hem betreft, zijn verwachtingen en prioriteiten over aan de Openbare Dienst waarvoor ze bevoegd zijn.
Ten laatste één maand na het einde van de bespreking in commissie van de beleidsverklaring maakt de minister en/of staatssecretaris bevoegd voor een transversaal activiteitsgebied, ieder wat hem betreft, zijn eventuele verwachtingen en prioriteiten inzake transversale doelstellingen voor de strategische plannen over aan de Minister van Ambtenarenzaken. De Minister van Ambtenarenzaken bewaakt in overleg met de ministers en/of staatssecretarissen bevoegd voor een transversaal activiteiteitsgebied de coherentie van deze prioriteiten en verwachtingen. De Minister van Ambtenarenzaken agendeert de op elkaar afgestemde prioriteiten en verwachtingen inzake transversale doelstellingen voor goedkeuring op de Ministerraad. De minister van Ambtenarenzaken informeert vervolgens - uiterlijk één maand na goedkeuring op de Ministerraad - de voorzitter van het College van Voorzitters van het directiecomité over de op elkaar afgestemde prioriteiten en verwachtingen inzake transversale doelstellingen, alsook van het niveau van detail en de graad van operationalisering van de transversale doelstellingen.
Ten laatste 2 maanden nadat de minister van Ambtenarenzaken het College van Voorzitters van het Directiecomité de op elkaar afgestemde prioriteiten en verwachtingen inzake transversale doelstellingen, alsook van het niveau van detail en de graad van operationalisering van de transversale doelstellingen heeft overgemaakt, informeert het College van Voorzitters van het directiecomité de Regering - via de Minister van Ambtenarenzaken - hoe ze deze verwachtingen inzake transversale doelstellingen zal integreren in de strategische plannen van de Openbare Diensten.
2° Ten laatste vier maanden nadat de bevoegde ministers of bevoegde staatssecretarissen hun verwachtingen en prioriteiten hebben kenbaar gemaakt, maakt de Openbare Dienst een ontwerp van strategisch plan over aan de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst, die het op zijn beurt onverwijld bezorgt aan de andere voor de Openbare Dienst bevoegde ministers en/of staatssecretarissen.
Indien er een directiecomité is in de Openbare Dienst is het ontwerp van strategisch plan besproken in dit directiecomité en zodanig opgemaakt dat alle houders van een managementfunctie [2 ...]2, althans gedeeltelijk en minstens voor wat betreft de elementen die betrekking hebben op hun functie en verantwoordelijkheidsdomein, actief betrokken zijn geweest bij de opmaak ervan.
Indien geen directiecomité is opgericht in de Openbare Dienst, is het ontwerp van strategisch plan zodanig opgemaakt dat alle eventuele houders van een managementfunctie of staffunctie, althans gedeeltelijk en minstens voor wat betreft de elementen die betrekking hebben op hun functie en verantwoordelijkheidsdomein, actief betrokken zijn geweest bij de opmaak ervan.
3° Ten laatste één maand nadat de Openbare Dienst zijn ontwerp van strategisch plan heeft overgemaakt aan zijn bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst, ontvangt de Openbare Dienst een gerichte en onderbouwde feedback op het ontwerp van strategisch plan vanwege de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst. De termijn voor feedback kan maximaal twee maanden in beslag nemen wanneer meerdere ministers en/of staatssecretarissen bevoegd zijn voor de Openbare Dienst. De bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst coördineert desgevallend de gerichte en onderbouwde feedback van de bevoegde ministers en/of bevoegde staatssecretarissen.
4° Indien na twaalf maanden, te rekenen vanaf het einde van de bespreking in commissie van de beleidsverklaring (zoals vermeld in art. 121bis van het Reglement van de Kamer van volksvertegenwoordigers), het strategisch plan nog niet is ondertekend, neemt de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst, de nodige initiatieven om onverwijld tot een ondertekend strategisch plan te komen. In afwachting daarvan, behoren de uitvoering van de te volgen strategie met betrekking tot de uitvoering van de kernopdrachten van de Openbare Dienst, het interne beheer van de Openbare Dienst en de deelname van de Openbare Dienst aan het transversaal beleid, zoals opgenomen in het ontwerp van strategisch plan, tot de verantwoordelijkheid van de voorzitter.
Dit totstandkomingsproces is niet van toepassing wanneer binnen dezelfde legislatuur een andere regering aantreedt. In dit geval gelden de wijzigingsmodaliteiten zoals bepaald in § 7.
§ 5. Het strategisch plan treedt in werking na ondertekening door de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst.
De bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst vraagt voorafgaand aan de ondertekening van het strategisch plan, het advies van de andere voor de Openbare Dienst bevoegde ministers en/of bevoegde staatssecretarissen. Deze beschikken over een termijn van maximum vijftien werkdagen om hun advies te formuleren. Wanneer deze termijn is verstreken, is hun advies niet meer vereist. De bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst houdt rekening met de eventuele opmerkingen in het advies van de andere voor de Openbare Dienst bevoegde ministers en/of Staatssecretarissen.
De bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst waakt erover dat het strategisch plan in overeenstemming is met het economisch, sociaal en financieel beleid van de Staat.
Na de ondertekening van het strategisch plan door de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst publiceert de Openbare Dienst de inhoud van het strategisch plan op zijn website en start met de uitvoering van de communicatieacties die zijn opgenomen in het communicatieplan van het strategisch plan, zoals vermeld in § 3, 3°.
Tevens bezorgt de Openbare Dienst onverwijld een digitaal exemplaar van het ondertekend strategisch plan aan de Voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning.
De ministers en/of staatssecretarissen bevoegd voor Ambtenarenzaken en Begroting informeren door middel van een gezamenlijke nota de Ministerraad over de stand van zaken van de ondertekende strategische plannen.
De voorzitter van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning informeert het College van Voorzitters over de stand van zaken van de ondertekende strategische plannen.
§ 6. Het strategisch plan wordt gesloten voor de duur van de legislatuur, te rekenen vanaf de datum van ondertekening door de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst tot de datum waarop het volgend strategisch plan in een nieuwe legislatuur wordt ondertekend.
Indien na twaalf maanden, te rekenen vanaf het einde van de bespreking in commissie van de beleidsverklaring (zoals vermeld in art 121bis van het Reglement van de Kamer van volksvertegenwoordigers), het volgend strategisch plan in de nieuwe legislatuur nog niet is ondertekend, treedt het ontwerp van strategisch plan in werking, volgens de modaliteiten bepaald in § 4, 4°, tot het moment dat het volgend strategisch plan wordt ondertekend.
Indien na twaalf maanden, te rekenen vanaf het einde van de bespreking in commissie van de beleidsverklaring (zoals vermeld in art 121bis van het Reglement van de Kamer van volksvertegenwoordigers), het volgend strategisch plan in de nieuwe legislatuur nog niet is ondertekend neemt de minister of staatssecretaris bevoegd voor het grootste activiteitsgebied, desgevallend in overleg met de andere bevoegde ministers en/of staatssecretarissen een beslissing inzake de inhoud van het strategisch plan. Deze beslissing geldt als een ondertekend strategisch plan met de datum van beslissing als datum van inwerkingtreding.
§ 7. Het strategisch plan kan tijdens zijn duurtijd worden aangepast. Elk van de partijen vermeld in § 2, alsook desgevallend alle andere voor de Openbare Dienst bevoegde ministers en/of staatssecretarissen, kunnen daartoe een wijziging van strategisch plan voorstellen, waarvan de impact wordt besproken door de partijen vermeld in § 2, alsook desgevallend door alle andere bij het voorstel tot wijziging betrokken bevoegde ministers en/of staatssecretarissen.
Op basis van het voorstel tot wijziging van het strategisch plan maakt de Openbare Dienst een ontwerp van wijziging van strategisch plan op.
Indien er een directiecomité is in de Openbare Dienst, is het ontwerp van wijziging van strategisch plan besproken in dit directiecomité en zodanig opgemaakt dat alle houders van een managementfunctie [2 ...]2, althans gedeeltelijk en minstens voor wat betreft de elementen die betrekking hebben op hun functie en verantwoordelijkheidsdomein, actief betrokken zijn geweest bij de opmaak ervan.
Indien geen directiecomité is opgericht in de Openbare Dienst, is het ontwerp van wijziging van strategisch plan zodanig opgemaakt dat alle eventuele houders van een managementfunctie [2 ...]2, althans gedeeltelijk en minstens voor wat betreft de elementen die betrekking hebben op hun functie en verantwoordelijkheidsdomein, actief betrokken zijn geweest bij de opmaak ervan.
Een wijziging van strategisch plan treedt in werking na ondertekening door de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst.
Indien het ontwerp van wijziging van strategisch plan betrekking of impact heeft op de bevoegdheid van andere voor de Openbare Dienst bevoegde ministers en/of staatssecretarissen, vraagt de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst, voorafgaand aan de ondertekening van de wijziging van strategisch plan, het advies van de betrokken bevoegde ministers en/of staatssecretarissen.
Deze beschikken over een termijn van maximum tien werkdagen om hun advies te formuleren. Wanneer deze termijn is verstreken, is hun advies niet meer vereist.
Bij de ondertekening van een wijziging van strategisch plan houdt de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst rekening met de eventuele opmerkingen in het advies van de andere betrokken bevoegde ministers of bevoegde staatssecretarissen.
Na de ondertekening van de wijziging van strategisch plan door de bevoegde minister of bevoegde staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied van de Openbare Dienst publiceert de Openbare Dienst de inhoud van de wijziging van strategisch plan op zijn website.
Tevens bezorgt de Openbare Dienst onverwijld een digitaal exemplaar van de ondertekende wijziging van het strategisch plan aan de Voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning.
§ 8. Elke Openbare Dienst concretiseert elk jaar de uitvoering van de strategieën en de bijhorende doelstellingen die zijn opgenomen in het strategisch plan, alsook in eventuele latere wijzigingen van het strategisch plan en de uitvoering van de prioriteiten in de jaarlijkse beleidsnota's van de bevoegde ministers en/of staatssecretarissen in een jaarlijks operationeel plan.
Het jaarlijks operationeel plan bevat daartoe minstens de volgende elementen:
1° De SMART-omschrijving (Specifiek, Meetbaar, Aanvaardbaar, Realistisch en Tijdsgebonden) van de operationele doelstellingen, alsook de middelen die hiervoor worden aangewend;
2° De beknopte omschrijving van de processen, projecten, en acties/initiatieven die uitvoering geven aan deze operationele doelstellingen met bijhorende indicatoren aan de hand waarvan de uitvoering zal worden opgevolgd en gemeten en de toewijzing van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering aan een bepaalde dienst, afdeling of andere subentiteit van de Openbare Dienst.
Ten laatste één maand na goedkeuring van de begroting voor het komende jaar in de Kamer van volksvertegenwoordigers bezorgt de Openbare Dienst het operationeel plan ter informatie aan de bevoegde ministers en/of bevoegde Staatssecretarissen.
Indien de begroting voor het komende kalenderjaar op 31 december van het lopende kalenderjaar niet is goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers, bezorgt de Openbare Dienst het operationeel plan ter informatie aan de bevoegde ministers en/of bevoegde Staatssecretarissen tegen ten laatste 31 januari van het kalenderjaar waarop het betrekking heeft.
Een operationeel plan treedt in werking op 1 januari van het kalenderjaar waarop het betrekking heeft en eindigt op 31 december van datzelfde kalenderjaar.
De operationele plannen vormen samen met het strategisch plan en de eventuele wijzigingen van het strategisch plan het uitgangspunt voor het bepalen van de doelstellingen voor de individuele medewerkers van de Openbare Dienst in het kader van hun evaluatie.
§ 9. Elke Openbare Dienst kan zijn operationeel plan herzien. Belangrijke wijzigingen aan het operationeel plan worden toegelicht in de jaarlijkse rapportering aan de bevoegde ministers en/of staatssecretarissen, zoals vermeld in § 10.
§ 10. Een rapportering toetst de vooruitgang van de uitvoering van de in het strategisch plan en in de eventuele wijzigingen van het strategisch plan opgenomen strategieën voor de legislatuur, alsook de realisatie van de operationele doelstellingen die zijn opgenomen in het operationeel plan van het betreffende jaar en de processen, de projecten, de acties en/of de initiatieven die er uitvoering aan geven. Deze rapportering gebeurt minstens één maal per jaar door de voorzitter.
Deze rapportering wordt ten laatste op 15 maart van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop de rapportering betrekking heeft, overgemaakt aan de bevoegde ministers en/of staatssecretarissen.
Een kopie van deze rapportering wordt overgemaakt aan de voorzitter van FOD BOSA. Op basis van deze rapportering informeert de voorzitter van FOD BOSA de minister van Ambtenarenzaken inzake de voortgang van de transversale doelstellingen.
§ 11. De Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning biedt de Openbare Diensten vrijblijvend ondersteuning bij het redactieproces van hun strategisch plan en operationele plannen, bij de organisatie van hun rapportering naar de bevoegde ministers en/of staatssecretarissen en bij het gebruik van relevante instrumenten, ontwikkeld in co-creatie met de klanten van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning.
§ 12. De Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning zal in samenwerking met het College van Voorzitters een globale evaluatie maken van de toepassing van de strategische plannen in de Openbare Diensten. Deze globale evaluatie gebeurt in het laatste kalenderjaar van de legislatuur waarop de strategische plannen betrekking hebben en betreft een methodologische evaluatie alsook het formuleren van methodologische verbetervoorstellen voor de toekomstige toepassing van de strategische plannen.
Het College van Voorzitters van het directiecomité bepaalt aan het begin van de legislatuur de criteria die zullen gehanteerd worden tijdens de globale evaluatie van de strategische plannen.
De modaliteiten om het strategisch plan aan de federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning te bezorgen, zijn bepaald in § 5.
Het College van de voorzitters van het directiecomité bezorgt het resultaat van de globale evaluatie gelijktijdig aan de minister of staatssecretaris bevoegd voor Ambtenarenzaken en aan de minister of staatssecretaris bevoegd voor Begroting.]1
Art. 11bis. [1 § 1er. Au sens du présent article, on entend par :
1. Service public : un service public fédéral ou un service public fédéral de programmation ;
2. Ministres compétents et/ou secrétaires d'Etat compétents : tous les ministres et secrétaires d'Etat compétents pour un même service public ;
3. Exposé d'orientation politique : l'exposé d'orientation politique du membre du Gouvernement, tel que visé à l'article 121bis du Règlement de la Chambre des représentants ;
4. Note de politique générale : la note de politique générale du ministre, telle que visée à l'article 111 du Règlement de la Chambre des représentants ou la note de politique générale du secrétaire d'Etat ;
5. Mission principale : une mission qui a été confiée au service public par ou en vertu de la loi, par ou en vertu de l'arrêté royal, par ou en vertu de l'arrêté ministériel ou par décision du Gouvernement ;
6. Objectif transversal : objectif visant à réaliser une politique gouvernementale transversale qui a trait soit aux missions principales de la plupart des services publics, soit à leur gestion interne ;
7. Secteur d'activité transversal : un secteur d'activité dans un service public qui est de nature générique et qui, le cas échéant, doit pouvoir être repris dans le plan stratégique de chaque service public. Enumération non exhaustive d'exemples de secteurs d'activité transversaux : amélioration de l'efficience et réduction des coûts, simplification administrative, orientation client, développement durable, promotion de l'égalité des chances, promotion de la politique d'intégrité et de la gestion de l'intégrité, promotion du bien-être et de la culture organisationnelle, amélioration du contrôle interne et de l'audit interne et collaboration avec les autres services ;
8. Président : le président du comité de direction du service public fédéral ou du service public fédéral de programmation, tel que visé dans l'arrêté royal du 7 novembre 2000 portant création et composition des organes communs à chaque service public fédéral.
§ 2. Entre d'une part le Gouvernement fédéral, représenté par le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public, et d'autre part le service public, représenté par le président, est négocié et conclu un plan stratégique pour la durée de la législature.
§ 3. Quels que soient le niveau de détail et le niveau d'opérationnalisation convenus par concertation entre les parties mentionnées au § 2, le plan stratégique comprend au moins les éléments suivants :
1° Une stratégie à long terme qui dépasse la législature, composée de :
a) Une description des missions et tâches confiées ;
b) La vision et les valeurs ;
c) Les résultats d'une analyse de l'environnement et des intéressés.
2° La stratégie à suivre pour la législature, concernant :
a) La mise en oeuvre des exposés d'orientation politique des ministres compétents et des secrétaires d'Etat compétents ;
b) La mise en oeuvre des missions principales du service public ;
c) La gestion interne du service public ;
d) La participation du service public à la politique concernant un secteur d'activité transversal.
3° Un plan de communication - tant pour la communication interne que pour la communication externe - relatif au contenu du plan stratégique. Ce plan de communication est coordonné par le SPF BOSA pour les secteurs d'activités transversaux ;
4° Le cadre financier pluriannuel, prévoyant un lien entre les missions principales du service public visées au § 1.5° et les ressources;
5° Les engagements mutuels pour créer des conditions favorables à la bonne exécution des stratégies et des objectifs correspondants décrits dans le plan stratégique et dans les plans opérationnels ;
Le service public s'engage à prendre en compte les points de vue des parties prenantes concernées ainsi que le cadre budgétaire lors de l'élaboration de ces cinq éléments.
Les objectifs transversaux qui mettent en oeuvre la politique transversale, telle que mentionnée au point 2°, d), sont présentés par le Collège des présidents de comité de direction, selon les modalités définies au § 4,1°.
Le plan stratégique prévoit en outre l'attribution de la responsabilité de la réalisation de chaque objectif formulé en exécution des stratégies visées au point 2° ci-dessus et repris dans le plan stratégique à un titulaire d'une fonction de management [2 ...]2.
§ 4. L'élaboration du plan stratégique se déroule comme suit :
1° Au plus tard un mois après la fin de la discussion en commission de l'exposé d'orientation politique, le ministre compétent et/ou le secrétaire d'Etat compétent transmet, chacun en ce qui le concerne, ses attentes et ses priorités au service public dont il a la compétence.
Au plus tard un mois après la fin de la discussion en commission de l'exposé d'orientation politique, le ministre et/ou secrétaire d'Etat compétent pour un secteur d'activité transversal transmet, chacun en ce qui le concerne, ses éventuelles attentes et priorités concernant les objectifs transversaux pour les plans stratégiques au ministre compétent pour la Fonction publique. Le ministre compétent pour la Fonction publique regarde, en concertation avec les ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents pour un secteur d'activité transversal, la cohérence de ces priorités et attentes. Le ministre compétent pour la Fonction publique inscrit les priorités et les attentes alignées concernant les objectifs transversaux à l'ordre du jour du Conseil des ministres pour approbation. Le ministre compétent pour la Fonction publique informe par après - au plus tard un mois après l'approbation au Conseil des ministres - le président du Collège des Présidents de comité de direction sur les priorités et attentes alignées concernant les objectifs transversaux, ainsi que du niveau de détail et du degré d'opérationnalisation des objectifs transversaux.
Au plus tard 2 mois après que le ministre compétent pour la Fonction publique a transmis au Collège des Présidents de comité de direction les priorités et attentes alignées concernant les objectifs transversaux, ainsi que le niveau de détail et du degré d'opérationnalisation des objectifs transversaux, le Collège des Présidents de comité de direction informe le gouvernement - via le ministre compétent pour la Fonction publique - de la manière dont il intégrera ces attentes concernant les objectifs transversaux dans les plans stratégiques des services publics.
2° Au plus tard quatre mois après que les ministres ou secrétaires d'Etat compétents ont communiqué leurs attentes et priorités, le service public transmet un projet de plan stratégique au ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public, qui transmet à son tour, sans délai, le projet de plan stratégique aux autres ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents pour le service public.
Si un comité de direction est établi au sein du service public, le projet de plan stratégique est discuté au sein de ce comité de direction et préparé de manière à ce que tous les titulaires d'une fonction de management [2 ...]2 soient activement impliqués dans son élaboration, au moins partiellement et au moins pour les éléments qui sont liés à leur fonction et à leur domaine de responsabilité.
Si aucun comité de direction n'est établi au sein du service public, le projet de plan stratégique est préparé de manière à ce que tous les éventuels titulaires d'une fonction de management ou d'une fonction d'encadrement soient activement impliqués dans son élaboration, au moins partiellement et au moins pour les éléments qui sont liés à leur fonction et à leur domaine de responsabilité.
3° Au plus tard un mois après que le service public a transmis son projet de plan stratégique au ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public, le service public reçoit un feed-back ciblé et étayé sur le projet de plan stratégique de la part du ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public. Le délai pour donner un feed-back peut être porté à deux mois maximum lorsque plusieurs ministres et/ou secrétaires d'Etat sont compétents pour le service public. Le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public coordonne le cas échéant le feed-back ciblé et étayé des ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents.
4° Si après douze mois, à compter de la fin de la discussion en commission de l'exposé d'orientation politique (tel que mentionné à l'art. 121bis du Règlement de la Chambre des représentants), le plan stratégique n'est pas encore signé, le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public prend les initiatives nécessaires pour aboutir sans délai à un plan stratégique signé. En attendant, la mise en oeuvre de la stratégie à suivre pour l'exécution des missions principales du service public, la gestion interne du service public et la participation du service public à la politique transversale, telles que prévues dans le projet de plan stratégique, relèvent de la responsabilité du président.
Ce processus d'élaboration ne s'applique pas lorsqu'un nouveau gouvernement entre en fonction au cours de la même législature. Dans ce cas, les modalités de modification telles que stipulées au § 7 s'appliquent.
§ 5. Le plan stratégique n'entre en vigueur qu'après la signature par le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public.
Le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public demande, avant la signature du plan stratégique, l'avis des autres ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents pour le service public. Ceux-ci disposent d'un délai maximum de quinze jours ouvrables pour formuler leur avis. Passé ce délai, leur avis n'est plus requis. Le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public tient compte des éventuelles remarques formulées dans l'avis des autres ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents pour le service public.
Le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public veille à ce que le plan stratégique soit conforme à la politique économique, sociale et financière de l'Etat.
Après la signature du plan stratégique par le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public, le service public publie le contenu du plan stratégique sur son site web et lance l'exécution des actions de communication reprises dans le plan de communication du plan stratégique, comme précisé au § 3, 3°.
De plus, le service public fournit sans délai un exemplaire numérique du plan stratégique signé au président du comité de direction du service public fédéral Stratégie et Appui.
Les ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents pour la Fonction publique et le Budget informent le Conseil des ministres, au moyen d'une note commune, sur l'état d'avancement des plans stratégiques signés.
Le président du service public fédéral Stratégie et Appui informe le Collège des présidents sur l'état d'avancement des plans stratégiques signés.
§ 6. Le plan stratégique est conclu pour la durée de la législature, à compter de la date de la signature par le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public jusqu'à la date de la signature du plan stratégique suivant sous une nouvelle législature.
Si après douze mois, à compter de la fin de la discussion en commission de l'exposé d'orientation politique (tel que mentionné à l'art. 121bis du Règlement de la Chambre des représentants), le plan stratégique suivant n'est pas encore signé sous la nouvelle législature, le projet de plan stratégique entre en vigueur, conformément aux modalités définies au § 4, 4°, jusqu'au moment de la signature du plan stratégique suivant.
Si après douze mois, à compter de la fin de la discussion en commission de l'exposé d'orientation politique (tel que visé à l'article 121bis du Règlement de la Chambre des représentants), le prochain plan stratégique de la nouvelle législature n'est pas encore signé, le ministre ou le secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité décide, le cas échéant en consultation avec les autres ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents, du contenu du plan stratégique. La présente décision équivaut à un plan stratégique signé, la date de la décision constituant sa date d'entrée en vigueur.
§ 7. Le plan stratégique peut être modifié au cours de sa durée. Chacune des parties visées au § 2, ainsi que tous les autres ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents pour le service public, peuvent proposer une modification du plan stratégique à cet effet, dont l'impact est discuté par les parties visées au § 2, ainsi que, le cas échéant, par tous les autres ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents concernés par la proposition de modification.
Sur la base de la proposition de modification du plan stratégique, le service public rédige un projet de modification du plan stratégique.
Si un comité de direction est établi au sein du service public, le projet de modification du plan stratégique est discuté au sein de ce comité de direction et préparé de manière à ce que tous les titulaires d'une fonction de management [2 ...]2 soient activement impliqués dans son élaboration, au moins partiellement et au moins pour les éléments qui sont liés à leur fonction et à leur domaine de responsabilité.
Si aucun comité de direction n'est établi au sein du service public, le projet de modification du plan stratégique est préparé de manière à ce que tous les éventuels titulaires d'une fonction de management [2 ...]2 soient activement impliqués dans son élaboration, au moins partiellement et au moins pour les éléments qui sont liés à leur fonction et à leur domaine de responsabilité.
Une modification du plan stratégique entre en vigueur après la signature par le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public.
Lorsque le projet de modification du plan stratégique porte ou a un impact sur la compétence d'autres ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents pour le service public, le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public demande, avant la signature de la modification du plan stratégique, l'avis des ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents concernés.
Ceux-ci disposent d'un délai maximum de dix jours ouvrables pour formuler leur avis. Passé ce délai, leur avis n'est plus requis.
Lors de la signature d'une modification du plan stratégique, le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public tient compte des éventuelles remarques formulées dans l'avis des autres ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents concernés.
Après la signature de la modification du plan stratégique par le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public, le service public publie le contenu de la modification du plan stratégique sur son site web.
De plus, le service public fournit sans délai un exemplaire numérique de la modification signée du plan stratégique au président du comité de direction du service public fédéral Stratégie et Appui.
§ 8. Chaque service public concrétise chaque année la mise en oeuvre des stratégies et des objectifs correspondants repris dans le plan stratégique et dans les éventuelles modifications ultérieures du plan stratégique, ainsi que la réalisation des priorités figurant dans les notes de politique générale annuelles des ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents dans un plan opérationnel annuel.
Le plan opérationnel annuel comprend à cet effet au moins les éléments suivants :
1° La description SMART (spécifique, mesurable, acceptable, réaliste et temporellement défini) des objectifs opérationnels, ainsi que les ressources utilisées à cette fin ;
2° Une courte description des processus, projets et actions/initiatives qui mettent en oeuvre ces objectifs opérationnels, en précisant les indicateurs correspondants qui permettront de suivre et de mesurer la mise en oeuvre et l'attribution de la responsabilité de la mise en oeuvre à un service, un département ou une autre sous-entité du service public.
Au plus tard un mois après l'approbation du budget pour l'année à venir à la Chambre des représentants, le service public transmet le plan opérationnel pour information aux ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents.
Si le budget pour l'année civile à venir n'est pas approuvé par la Chambre des représentants au 31 décembre de l'année civile en cours, le service public transmet le plan opérationnel pour information aux ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents au plus tard pour le 31 janvier de l'année civile à laquelle il se rapporte.
Un plan opérationnel entre en vigueur le 1er janvier de l'année civile à laquelle il se rapporte et se termine le 31 décembre de cette même année civile.
Les plans opérationnels forment, avec le plan stratégique et les éventuelles modifications du plan stratégique, le point de départ pour la définition des objectifs des collaborateurs individuels du service public dans le cadre de leur évaluation.
§ 9. Chaque service public peut réviser son plan opérationnel. Les modifications importantes apportées au plan opérationnel doivent être expliquées dans le rapport annuel aux ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents, comme précisé au § 10.
§ 10. Un rapport évalue l'avancement de la mise en oeuvre des stratégies pour la législature, reprises dans le plan stratégique et dans les éventuelles modifications du plan stratégique, ainsi que la réalisation des objectifs opérationnels figurant dans le plan opérationnel de l'année concernée, et les processus, les projets et les actions et/ou initiatives qui permettent la réalisation de ces objectifs. Ce rapport est réalisé au moins une fois par an par le président.
Ce rapport est transmis aux ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents au plus tard le 15 mars de l'année civile suivant l'année civile concernée par le rapport.
Une copie de ce rapport est transmise au président du SPF BOSA. Sur base de ce rapport, ce dernier informe le ministre compétent pour la Fonction publique de l'évolution de la réalisation des objectifs transversaux.
§ 11. Le service public fédéral Stratégie et Appui offre aux services publics un support non obligatoire pour le processus de rédaction de leur plan stratégique et de leurs plans opérationnels, pour l'organisation de leur rapportage aux ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents et pour l'utilisation d'instruments pertinents, développés en création conjointe avec les clients du service public fédéral Stratégie et Appui.
§ 12. Le service public fédéral Stratégie et Appui réalisera, en collaboration avec le Collège des présidents, une évaluation globale de l'application des plans stratégiques dans les services publics. Cette évaluation globale a lieu au cours de la dernière année civile de la législature sur laquelle portent les plans stratégiques et consiste en une évaluation méthodologique et la formulation de propositions d'amélioration méthodologiques pour la future application des plans stratégiques.
Le Collège des présidents de comité de direction définit en début de législature les critères qui seront utilisés pendant l'évaluation globale des plan stratégiques.
Les modalités de transmission du plan stratégique au service public fédéral Stratégie et Appui sont définies au § 5.
Le Collège des présidents de comité de direction communique le résultat de l'évaluation globale simultanément au ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la Fonction publique et au ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour le Budget.]1
1. Service public : un service public fédéral ou un service public fédéral de programmation ;
2. Ministres compétents et/ou secrétaires d'Etat compétents : tous les ministres et secrétaires d'Etat compétents pour un même service public ;
3. Exposé d'orientation politique : l'exposé d'orientation politique du membre du Gouvernement, tel que visé à l'article 121bis du Règlement de la Chambre des représentants ;
4. Note de politique générale : la note de politique générale du ministre, telle que visée à l'article 111 du Règlement de la Chambre des représentants ou la note de politique générale du secrétaire d'Etat ;
5. Mission principale : une mission qui a été confiée au service public par ou en vertu de la loi, par ou en vertu de l'arrêté royal, par ou en vertu de l'arrêté ministériel ou par décision du Gouvernement ;
6. Objectif transversal : objectif visant à réaliser une politique gouvernementale transversale qui a trait soit aux missions principales de la plupart des services publics, soit à leur gestion interne ;
7. Secteur d'activité transversal : un secteur d'activité dans un service public qui est de nature générique et qui, le cas échéant, doit pouvoir être repris dans le plan stratégique de chaque service public. Enumération non exhaustive d'exemples de secteurs d'activité transversaux : amélioration de l'efficience et réduction des coûts, simplification administrative, orientation client, développement durable, promotion de l'égalité des chances, promotion de la politique d'intégrité et de la gestion de l'intégrité, promotion du bien-être et de la culture organisationnelle, amélioration du contrôle interne et de l'audit interne et collaboration avec les autres services ;
8. Président : le président du comité de direction du service public fédéral ou du service public fédéral de programmation, tel que visé dans l'arrêté royal du 7 novembre 2000 portant création et composition des organes communs à chaque service public fédéral.
§ 2. Entre d'une part le Gouvernement fédéral, représenté par le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public, et d'autre part le service public, représenté par le président, est négocié et conclu un plan stratégique pour la durée de la législature.
§ 3. Quels que soient le niveau de détail et le niveau d'opérationnalisation convenus par concertation entre les parties mentionnées au § 2, le plan stratégique comprend au moins les éléments suivants :
1° Une stratégie à long terme qui dépasse la législature, composée de :
a) Une description des missions et tâches confiées ;
b) La vision et les valeurs ;
c) Les résultats d'une analyse de l'environnement et des intéressés.
2° La stratégie à suivre pour la législature, concernant :
a) La mise en oeuvre des exposés d'orientation politique des ministres compétents et des secrétaires d'Etat compétents ;
b) La mise en oeuvre des missions principales du service public ;
c) La gestion interne du service public ;
d) La participation du service public à la politique concernant un secteur d'activité transversal.
3° Un plan de communication - tant pour la communication interne que pour la communication externe - relatif au contenu du plan stratégique. Ce plan de communication est coordonné par le SPF BOSA pour les secteurs d'activités transversaux ;
4° Le cadre financier pluriannuel, prévoyant un lien entre les missions principales du service public visées au § 1.5° et les ressources;
5° Les engagements mutuels pour créer des conditions favorables à la bonne exécution des stratégies et des objectifs correspondants décrits dans le plan stratégique et dans les plans opérationnels ;
Le service public s'engage à prendre en compte les points de vue des parties prenantes concernées ainsi que le cadre budgétaire lors de l'élaboration de ces cinq éléments.
Les objectifs transversaux qui mettent en oeuvre la politique transversale, telle que mentionnée au point 2°, d), sont présentés par le Collège des présidents de comité de direction, selon les modalités définies au § 4,1°.
Le plan stratégique prévoit en outre l'attribution de la responsabilité de la réalisation de chaque objectif formulé en exécution des stratégies visées au point 2° ci-dessus et repris dans le plan stratégique à un titulaire d'une fonction de management [2 ...]2.
§ 4. L'élaboration du plan stratégique se déroule comme suit :
1° Au plus tard un mois après la fin de la discussion en commission de l'exposé d'orientation politique, le ministre compétent et/ou le secrétaire d'Etat compétent transmet, chacun en ce qui le concerne, ses attentes et ses priorités au service public dont il a la compétence.
Au plus tard un mois après la fin de la discussion en commission de l'exposé d'orientation politique, le ministre et/ou secrétaire d'Etat compétent pour un secteur d'activité transversal transmet, chacun en ce qui le concerne, ses éventuelles attentes et priorités concernant les objectifs transversaux pour les plans stratégiques au ministre compétent pour la Fonction publique. Le ministre compétent pour la Fonction publique regarde, en concertation avec les ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents pour un secteur d'activité transversal, la cohérence de ces priorités et attentes. Le ministre compétent pour la Fonction publique inscrit les priorités et les attentes alignées concernant les objectifs transversaux à l'ordre du jour du Conseil des ministres pour approbation. Le ministre compétent pour la Fonction publique informe par après - au plus tard un mois après l'approbation au Conseil des ministres - le président du Collège des Présidents de comité de direction sur les priorités et attentes alignées concernant les objectifs transversaux, ainsi que du niveau de détail et du degré d'opérationnalisation des objectifs transversaux.
Au plus tard 2 mois après que le ministre compétent pour la Fonction publique a transmis au Collège des Présidents de comité de direction les priorités et attentes alignées concernant les objectifs transversaux, ainsi que le niveau de détail et du degré d'opérationnalisation des objectifs transversaux, le Collège des Présidents de comité de direction informe le gouvernement - via le ministre compétent pour la Fonction publique - de la manière dont il intégrera ces attentes concernant les objectifs transversaux dans les plans stratégiques des services publics.
2° Au plus tard quatre mois après que les ministres ou secrétaires d'Etat compétents ont communiqué leurs attentes et priorités, le service public transmet un projet de plan stratégique au ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public, qui transmet à son tour, sans délai, le projet de plan stratégique aux autres ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents pour le service public.
Si un comité de direction est établi au sein du service public, le projet de plan stratégique est discuté au sein de ce comité de direction et préparé de manière à ce que tous les titulaires d'une fonction de management [2 ...]2 soient activement impliqués dans son élaboration, au moins partiellement et au moins pour les éléments qui sont liés à leur fonction et à leur domaine de responsabilité.
Si aucun comité de direction n'est établi au sein du service public, le projet de plan stratégique est préparé de manière à ce que tous les éventuels titulaires d'une fonction de management ou d'une fonction d'encadrement soient activement impliqués dans son élaboration, au moins partiellement et au moins pour les éléments qui sont liés à leur fonction et à leur domaine de responsabilité.
3° Au plus tard un mois après que le service public a transmis son projet de plan stratégique au ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public, le service public reçoit un feed-back ciblé et étayé sur le projet de plan stratégique de la part du ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public. Le délai pour donner un feed-back peut être porté à deux mois maximum lorsque plusieurs ministres et/ou secrétaires d'Etat sont compétents pour le service public. Le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public coordonne le cas échéant le feed-back ciblé et étayé des ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents.
4° Si après douze mois, à compter de la fin de la discussion en commission de l'exposé d'orientation politique (tel que mentionné à l'art. 121bis du Règlement de la Chambre des représentants), le plan stratégique n'est pas encore signé, le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public prend les initiatives nécessaires pour aboutir sans délai à un plan stratégique signé. En attendant, la mise en oeuvre de la stratégie à suivre pour l'exécution des missions principales du service public, la gestion interne du service public et la participation du service public à la politique transversale, telles que prévues dans le projet de plan stratégique, relèvent de la responsabilité du président.
Ce processus d'élaboration ne s'applique pas lorsqu'un nouveau gouvernement entre en fonction au cours de la même législature. Dans ce cas, les modalités de modification telles que stipulées au § 7 s'appliquent.
§ 5. Le plan stratégique n'entre en vigueur qu'après la signature par le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public.
Le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public demande, avant la signature du plan stratégique, l'avis des autres ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents pour le service public. Ceux-ci disposent d'un délai maximum de quinze jours ouvrables pour formuler leur avis. Passé ce délai, leur avis n'est plus requis. Le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public tient compte des éventuelles remarques formulées dans l'avis des autres ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents pour le service public.
Le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public veille à ce que le plan stratégique soit conforme à la politique économique, sociale et financière de l'Etat.
Après la signature du plan stratégique par le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public, le service public publie le contenu du plan stratégique sur son site web et lance l'exécution des actions de communication reprises dans le plan de communication du plan stratégique, comme précisé au § 3, 3°.
De plus, le service public fournit sans délai un exemplaire numérique du plan stratégique signé au président du comité de direction du service public fédéral Stratégie et Appui.
Les ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents pour la Fonction publique et le Budget informent le Conseil des ministres, au moyen d'une note commune, sur l'état d'avancement des plans stratégiques signés.
Le président du service public fédéral Stratégie et Appui informe le Collège des présidents sur l'état d'avancement des plans stratégiques signés.
§ 6. Le plan stratégique est conclu pour la durée de la législature, à compter de la date de la signature par le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public jusqu'à la date de la signature du plan stratégique suivant sous une nouvelle législature.
Si après douze mois, à compter de la fin de la discussion en commission de l'exposé d'orientation politique (tel que mentionné à l'art. 121bis du Règlement de la Chambre des représentants), le plan stratégique suivant n'est pas encore signé sous la nouvelle législature, le projet de plan stratégique entre en vigueur, conformément aux modalités définies au § 4, 4°, jusqu'au moment de la signature du plan stratégique suivant.
Si après douze mois, à compter de la fin de la discussion en commission de l'exposé d'orientation politique (tel que visé à l'article 121bis du Règlement de la Chambre des représentants), le prochain plan stratégique de la nouvelle législature n'est pas encore signé, le ministre ou le secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité décide, le cas échéant en consultation avec les autres ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents, du contenu du plan stratégique. La présente décision équivaut à un plan stratégique signé, la date de la décision constituant sa date d'entrée en vigueur.
§ 7. Le plan stratégique peut être modifié au cours de sa durée. Chacune des parties visées au § 2, ainsi que tous les autres ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents pour le service public, peuvent proposer une modification du plan stratégique à cet effet, dont l'impact est discuté par les parties visées au § 2, ainsi que, le cas échéant, par tous les autres ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents concernés par la proposition de modification.
Sur la base de la proposition de modification du plan stratégique, le service public rédige un projet de modification du plan stratégique.
Si un comité de direction est établi au sein du service public, le projet de modification du plan stratégique est discuté au sein de ce comité de direction et préparé de manière à ce que tous les titulaires d'une fonction de management [2 ...]2 soient activement impliqués dans son élaboration, au moins partiellement et au moins pour les éléments qui sont liés à leur fonction et à leur domaine de responsabilité.
Si aucun comité de direction n'est établi au sein du service public, le projet de modification du plan stratégique est préparé de manière à ce que tous les éventuels titulaires d'une fonction de management [2 ...]2 soient activement impliqués dans son élaboration, au moins partiellement et au moins pour les éléments qui sont liés à leur fonction et à leur domaine de responsabilité.
Une modification du plan stratégique entre en vigueur après la signature par le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public.
Lorsque le projet de modification du plan stratégique porte ou a un impact sur la compétence d'autres ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents pour le service public, le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public demande, avant la signature de la modification du plan stratégique, l'avis des ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents concernés.
Ceux-ci disposent d'un délai maximum de dix jours ouvrables pour formuler leur avis. Passé ce délai, leur avis n'est plus requis.
Lors de la signature d'une modification du plan stratégique, le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public tient compte des éventuelles remarques formulées dans l'avis des autres ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents concernés.
Après la signature de la modification du plan stratégique par le ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la partie la plus importante du secteur d'activité du service public, le service public publie le contenu de la modification du plan stratégique sur son site web.
De plus, le service public fournit sans délai un exemplaire numérique de la modification signée du plan stratégique au président du comité de direction du service public fédéral Stratégie et Appui.
§ 8. Chaque service public concrétise chaque année la mise en oeuvre des stratégies et des objectifs correspondants repris dans le plan stratégique et dans les éventuelles modifications ultérieures du plan stratégique, ainsi que la réalisation des priorités figurant dans les notes de politique générale annuelles des ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents dans un plan opérationnel annuel.
Le plan opérationnel annuel comprend à cet effet au moins les éléments suivants :
1° La description SMART (spécifique, mesurable, acceptable, réaliste et temporellement défini) des objectifs opérationnels, ainsi que les ressources utilisées à cette fin ;
2° Une courte description des processus, projets et actions/initiatives qui mettent en oeuvre ces objectifs opérationnels, en précisant les indicateurs correspondants qui permettront de suivre et de mesurer la mise en oeuvre et l'attribution de la responsabilité de la mise en oeuvre à un service, un département ou une autre sous-entité du service public.
Au plus tard un mois après l'approbation du budget pour l'année à venir à la Chambre des représentants, le service public transmet le plan opérationnel pour information aux ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents.
Si le budget pour l'année civile à venir n'est pas approuvé par la Chambre des représentants au 31 décembre de l'année civile en cours, le service public transmet le plan opérationnel pour information aux ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents au plus tard pour le 31 janvier de l'année civile à laquelle il se rapporte.
Un plan opérationnel entre en vigueur le 1er janvier de l'année civile à laquelle il se rapporte et se termine le 31 décembre de cette même année civile.
Les plans opérationnels forment, avec le plan stratégique et les éventuelles modifications du plan stratégique, le point de départ pour la définition des objectifs des collaborateurs individuels du service public dans le cadre de leur évaluation.
§ 9. Chaque service public peut réviser son plan opérationnel. Les modifications importantes apportées au plan opérationnel doivent être expliquées dans le rapport annuel aux ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents, comme précisé au § 10.
§ 10. Un rapport évalue l'avancement de la mise en oeuvre des stratégies pour la législature, reprises dans le plan stratégique et dans les éventuelles modifications du plan stratégique, ainsi que la réalisation des objectifs opérationnels figurant dans le plan opérationnel de l'année concernée, et les processus, les projets et les actions et/ou initiatives qui permettent la réalisation de ces objectifs. Ce rapport est réalisé au moins une fois par an par le président.
Ce rapport est transmis aux ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents au plus tard le 15 mars de l'année civile suivant l'année civile concernée par le rapport.
Une copie de ce rapport est transmise au président du SPF BOSA. Sur base de ce rapport, ce dernier informe le ministre compétent pour la Fonction publique de l'évolution de la réalisation des objectifs transversaux.
§ 11. Le service public fédéral Stratégie et Appui offre aux services publics un support non obligatoire pour le processus de rédaction de leur plan stratégique et de leurs plans opérationnels, pour l'organisation de leur rapportage aux ministres et/ou secrétaires d'Etat compétents et pour l'utilisation d'instruments pertinents, développés en création conjointe avec les clients du service public fédéral Stratégie et Appui.
§ 12. Le service public fédéral Stratégie et Appui réalisera, en collaboration avec le Collège des présidents, une évaluation globale de l'application des plans stratégiques dans les services publics. Cette évaluation globale a lieu au cours de la dernière année civile de la législature sur laquelle portent les plans stratégiques et consiste en une évaluation méthodologique et la formulation de propositions d'amélioration méthodologiques pour la future application des plans stratégiques.
Le Collège des présidents de comité de direction définit en début de législature les critères qui seront utilisés pendant l'évaluation globale des plan stratégiques.
Les modalités de transmission du plan stratégique au service public fédéral Stratégie et Appui sont définies au § 5.
Le Collège des présidents de comité de direction communique le résultat de l'évaluation globale simultanément au ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour la Fonction publique et au ministre ou secrétaire d'Etat compétent pour le Budget.]1
Afdeling II. - Nadere regelen betreffende de uitvoering van de managementfuncties.
Section II. - Modalités relatives à l'exécution des fonctions de management.
Art. 12. Tijdens de duur van hun mandaat, is, behoudens de afwijkende bepalingen in onderhavig besluit, het statuut van het Rijkspersoneel van toepassing op de houders van een managementfunctie.
(Voor de toepassing van het statuut van het Rijkspersoneel maken de houders van een managementfunctie deel uit van niveau A. Ze staan hiërarchisch boven de klasse A5.) <KB 2004-08-04/30, art. 161, 005; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
(Voor de toepassing van het statuut van het Rijkspersoneel maken de houders van een managementfunctie deel uit van niveau A. Ze staan hiërarchisch boven de klasse A5.) <KB 2004-08-04/30, art. 161, 005; Inwerkingtreding : 01-12-2004>
Art. 12. Pendant la durée de leur mandat, le statut des agents de l'Etat est applicable aux titulaires d'une fonction de management, à l'exception des dispositions dérogatoires du présent arrêté.
(Pour l'application du statut des agents de l'Etat, les titulaires d'une fonction de management font partie du niveau A. Ils se trouvent hiérarchiquement au-dessus de la classe A5.) <AR 2004-08-04/30, art. 161, 005; En vigueur : 01-12-2004>
(Pour l'application du statut des agents de l'Etat, les titulaires d'une fonction de management font partie du niveau A. Ils se trouvent hiérarchiquement au-dessus de la classe A5.) <AR 2004-08-04/30, art. 161, 005; En vigueur : 01-12-2004>
Art.12bis. [1 De houder van een managementfunctie neemt minstens deel aan één selectieprocedure die georganiseerd wordt door het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning als jurylid van de in artikel 8 bedoelde selectiecommissie. Als de houder van een managementfunctie, met uitzondering van de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Strategie en Ondersteuning, aan meer dan één selectieprocedure deelneemt, wordt een termijn van minstens negen maanden nageleefd tussen twee deelnames.]1
Art.12bis. [1 Le titulaire d'une fonction de management participe au minimum à une procédure de sélection organisée par la Direction générale Recrutement et Développement du service public fédéral Stratégie et Appui comme membre du jury de la commission de sélection visée à l'article 8. S'il advient que le titulaire d'une fonction de management, à l'exception du directeur général de la Direction générale Recrutement et développement du service public fédéral Stratégie et Appui, participe à plus d'une procédure de sélection, un délai de neuf mois minimum est respecté entre deux participations.]1
Art. 13. De houder van een managementfunctie die op het ogenblik van zijn indienstneming vast benoemd is in de overheidsdiensten, bedoeld in artikel 1, § 1, van de wet van 22 juli 1993 houdende diverse maatregelen inzake ambtenarenzaken, wordt, in afwijking van de bepalingen van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de Rijksbesturen, in ambtshalve verlof voor opdracht van algemeen belang geplaatst voor de duur van het mandaat. Hun betrekking kan vacant verklaard worden na twee jaar en intussen kan er enkel in voorzien worden door middel van contractuele tewerkstelling of hogere functies.
Art. 13. Par dérogation aux dispositions de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, le titulaire d'une fonction de management qui, au moment de sa désignation, est nommé à titre définitif au sein des services publics visés à l'article 1er, § 1er, de la loi du 22 juillet 1993 portant certains mesures en matière de fonction publique est mis en congé d'office pour mission d'intérêt général pour la durée du mandat. Leur emploi peut être déclaré vacant après deux ans et il ne peut y être pourvu entre-temps que par un engagement contractuel ou au moyen de fonctions supérieures.
Art. 14. De houder van een managementfunctie oefent zijn taak voltijds uit.
Tijdens zijn mandaat kan hij :
1° geen verlof voor loopbaanonderbreking krijgen, uitgezonderd deze die het ouderschapsverlof, de palliatieve verzorging en de zorgen in geval van ernstige ziekte betreffen;
2° geen verlof krijgen om zich kandidaat te stellen voor verkiezingen van de federale wetgevende kamers, van de gewest- en gemeenschapsraden of van de provincieraden of om een ambt uit te oefenen in een cel beleidsvoorbereiding of het kabinet van een minister of een Staatssecretaris of in het kabinet van de voorzitter of van een lid van de Regering van een Gemeenschap, van een Gewest, van het verenigd College van de gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of van het College van de Franse Gemeenschapscommissie;
3° geen verlof krijgen voor een stage of een proefperiode in een andere betrekking van een overheidsdienst;
4° [2 ...]2;
5° geen verlof krijgen om in vredestijd prestaties te verrichten bij het Korps burgerlijke veiligheid als vrijwillige indienstnemer bij dit korps;
6° geen verlof krijgen om minder-validen en zieken te vergezellen en bij te staan;
7° geen verlof voor opdracht van algemeen belang krijgen;
8° [1 geen toelating verkrijgen om zijn functies uit te oefenen met verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid, met de vierdagenweek met en zonder premie en halftijds te werken vanaf 50 of 55 jaar;]1
9° geen afwezigheid van lange duur voor persoonlijke aangelegenheden verkrijgen;
10° geen verloven krijgen zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 12 augustus 1993 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning of de Prinsen en Prinsessen van België gestelde personeelsleden van de Rijksdiensten en in het koninklijk besluit van 2 april 1975 betreffende het verlof dat aan sommige personeelsleden in overheidsdienst wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten.
Tijdens zijn mandaat kan hij :
1° geen verlof voor loopbaanonderbreking krijgen, uitgezonderd deze die het ouderschapsverlof, de palliatieve verzorging en de zorgen in geval van ernstige ziekte betreffen;
2° geen verlof krijgen om zich kandidaat te stellen voor verkiezingen van de federale wetgevende kamers, van de gewest- en gemeenschapsraden of van de provincieraden of om een ambt uit te oefenen in een cel beleidsvoorbereiding of het kabinet van een minister of een Staatssecretaris of in het kabinet van de voorzitter of van een lid van de Regering van een Gemeenschap, van een Gewest, van het verenigd College van de gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie of van het College van de Franse Gemeenschapscommissie;
3° geen verlof krijgen voor een stage of een proefperiode in een andere betrekking van een overheidsdienst;
4° [2 ...]2;
5° geen verlof krijgen om in vredestijd prestaties te verrichten bij het Korps burgerlijke veiligheid als vrijwillige indienstnemer bij dit korps;
6° geen verlof krijgen om minder-validen en zieken te vergezellen en bij te staan;
7° geen verlof voor opdracht van algemeen belang krijgen;
8° [1 geen toelating verkrijgen om zijn functies uit te oefenen met verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheid, met de vierdagenweek met en zonder premie en halftijds te werken vanaf 50 of 55 jaar;]1
9° geen afwezigheid van lange duur voor persoonlijke aangelegenheden verkrijgen;
10° geen verloven krijgen zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 12 augustus 1993 betreffende het verlof toegekend aan bepaalde, ter beschikking van de Koning of de Prinsen en Prinsessen van België gestelde personeelsleden van de Rijksdiensten en in het koninklijk besluit van 2 april 1975 betreffende het verlof dat aan sommige personeelsleden in overheidsdienst wordt verleend voor het verrichten van bepaalde prestaties ten behoeve van erkende politieke groepen, respectievelijk ten behoeve van de voorzitters van die groepen in de wetgevende vergaderingen van de Staat en van de gemeenschappen of de gewesten.
Art. 14. Le titulaire d'une fonction de management exerce sa tâche à temps plein.
Pendant son mandat, il ne peut obtenir :
1° un congé pour interruption de la carrière professionnelle sauf si celle-ci vise le congé parental, les soins palliatifs et les soins en cas de maladie grave;
2° un congé pour poser sa candidature aux élections des chambres législatives fédérales, des conseils des régions et des communautés ou des conseils provinciaux ou pour exercer une fonction dans une cellule stratégique ou dans le cabinet d'un ministre ou d'un secrétaire d'Etat ou dans le cabinet du président ou d'un membre du Gouvernement d'une Communauté, d'une Région, du Collège réuni de la Commission communautaire commune ou du Collège de la Commission communautaire française;
3° un congé pour accomplir un stage ou une période d'essai dans un autre emploi d'un service public;
4° [2 ...]2;
5° un congé pour remplir en temps de paix des prestations au Corps de protection civile, en qualité d'engagé volontaire à ce corps;
6° un congé pour accompagner et assister des handicapés et des malades;
7° un congé pour mission d'intérêt général;
8° [1 l'autorisation d'exercer ses fonctions par prestations réduites pour convenance personnelle, dans le cadre de la semaine de quatre jours avec et sans prime et dans le cadre du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans;]1
9° une absence de longue durée pour raisons personnelles;
10° un congé tel que visé à l'arrêté royal du 12 août 1993 relatif au congé accordé à certains agents des services de l'Etat mis à la disposition du Roi ou des Princes et Princesses de Belgique et à l'arrêté royal du 2 avril 1975 relatif au congé accordé a certains membres du personnel des services publics pour accomplir certaines prestations au bénéfice des groupes politiques reconnus des assemblées législatives nationales, communautaires ou régionales ou au bénéfice des présidents de ces groupes.
Pendant son mandat, il ne peut obtenir :
1° un congé pour interruption de la carrière professionnelle sauf si celle-ci vise le congé parental, les soins palliatifs et les soins en cas de maladie grave;
2° un congé pour poser sa candidature aux élections des chambres législatives fédérales, des conseils des régions et des communautés ou des conseils provinciaux ou pour exercer une fonction dans une cellule stratégique ou dans le cabinet d'un ministre ou d'un secrétaire d'Etat ou dans le cabinet du président ou d'un membre du Gouvernement d'une Communauté, d'une Région, du Collège réuni de la Commission communautaire commune ou du Collège de la Commission communautaire française;
3° un congé pour accomplir un stage ou une période d'essai dans un autre emploi d'un service public;
4° [2 ...]2;
5° un congé pour remplir en temps de paix des prestations au Corps de protection civile, en qualité d'engagé volontaire à ce corps;
6° un congé pour accompagner et assister des handicapés et des malades;
7° un congé pour mission d'intérêt général;
8° [1 l'autorisation d'exercer ses fonctions par prestations réduites pour convenance personnelle, dans le cadre de la semaine de quatre jours avec et sans prime et dans le cadre du travail à mi-temps à partir de 50 ou 55 ans;]1
9° une absence de longue durée pour raisons personnelles;
10° un congé tel que visé à l'arrêté royal du 12 août 1993 relatif au congé accordé à certains agents des services de l'Etat mis à la disposition du Roi ou des Princes et Princesses de Belgique et à l'arrêté royal du 2 avril 1975 relatif au congé accordé a certains membres du personnel des services publics pour accomplir certaines prestations au bénéfice des groupes politiques reconnus des assemblées législatives nationales, communautaires ou régionales ou au bénéfice des présidents de ces groupes.
Art. 15. § 1. Op basis van het resultaat van de functieweging voor een in dezelfde groep geklasseerde functie genieten de houders van een managementfunctie een gelijk bruto jaarlijks beloningspakket.
Het functiewegingssysteem, de objectieve criteria die aan de basis liggen van dit systeem en de beloningsmethodiek worden bepaald bij koninklijk besluit waarover in de Ministerraad werd beraadslaagd.
§ 2. Het bruto jaarlijks beloningspakket van de houders van een managementfunctie bevat :
1° een maandelijkse brutowedde;
(2° deelname aan een aanvullende pensioenregeling, gefinancierd door persoonlijke en werkgeversbijdragen.)
§ 3. [1 Bovenop de in de paragrafen 1 en 2 vermelde bezoldigingen, kan het beloningspakket in een forfaitaire terugbetaling voorzien voor gemaakte onkosten in en omvat het beloningspakket naar keuze van de houder van een managementfunctie, een van de volgende opties
* het ter beschikking stellen van een dienstvoertuig dat voor privé-doeleinden mag gebruikt worden;
* een mobiliteitsbudget, overeenkomstig de artikelen 4 tot 7 van de wet van 17 maart 2019 tot invoering van een mobiliteitsbudget en het koninklijk besluit van 21 maart 2019 tot uitvoering van de wet van 17 maart 2019 tot invoering van een mobiliteitsbudget.
Het eerste lid bedoelde opties zijn niet cumuleerbaar.]1
Het functiewegingssysteem, de objectieve criteria die aan de basis liggen van dit systeem en de beloningsmethodiek worden bepaald bij koninklijk besluit waarover in de Ministerraad werd beraadslaagd.
§ 2. Het bruto jaarlijks beloningspakket van de houders van een managementfunctie bevat :
1° een maandelijkse brutowedde;
(2° deelname aan een aanvullende pensioenregeling, gefinancierd door persoonlijke en werkgeversbijdragen.)
§ 3. [1 Bovenop de in de paragrafen 1 en 2 vermelde bezoldigingen, kan het beloningspakket in een forfaitaire terugbetaling voorzien voor gemaakte onkosten in en omvat het beloningspakket naar keuze van de houder van een managementfunctie, een van de volgende opties
* het ter beschikking stellen van een dienstvoertuig dat voor privé-doeleinden mag gebruikt worden;
* een mobiliteitsbudget, overeenkomstig de artikelen 4 tot 7 van de wet van 17 maart 2019 tot invoering van een mobiliteitsbudget en het koninklijk besluit van 21 maart 2019 tot uitvoering van de wet van 17 maart 2019 tot invoering van een mobiliteitsbudget.
Het eerste lid bedoelde opties zijn niet cumuleerbaar.]1
Art. 15. § 1er. Sur base du résultat de la pondération de fonction pour une fonction classée dans le même groupe, les titulaires d'une fonction de management bénéficient d'une rémunération totale annuelle brute identique.
Le système de pondération des fonctions, les critères objectifs qui sont à la base de ce système et la méthodologie de la rémunération sont fixés par arrête délibéré en Conseil des ministres.
§ 2. La rémunération totale annuelle brute des titulaires d'une fonction de management comprend :
1° un traitement brut mensuel;
2° la participation a un régime de pension complémentaire, financé par des cotisations personnelles et patronales.
§ 3. [1 Outre les rémunérations prévues aux paragraphes 1er et 2, la rémunération totale peut inclure le remboursement forfaitaire des frais et inclut, au choix du titulaire d'une fonction de management, une des options suivantes :
* la mise à disposition d'un véhicule de fonction pouvant être utilisé à des fins privées ;
* un budget mobilité, dans le respect des articles 4 à 7 de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité et de l'arrêté royal du 21 mars 2019 pris en exécution de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité.
Les options visées à l'alinéa 1er ne sont pas cumulables.]1
Le système de pondération des fonctions, les critères objectifs qui sont à la base de ce système et la méthodologie de la rémunération sont fixés par arrête délibéré en Conseil des ministres.
§ 2. La rémunération totale annuelle brute des titulaires d'une fonction de management comprend :
1° un traitement brut mensuel;
2° la participation a un régime de pension complémentaire, financé par des cotisations personnelles et patronales.
§ 3. [1 Outre les rémunérations prévues aux paragraphes 1er et 2, la rémunération totale peut inclure le remboursement forfaitaire des frais et inclut, au choix du titulaire d'une fonction de management, une des options suivantes :
* la mise à disposition d'un véhicule de fonction pouvant être utilisé à des fins privées ;
* un budget mobilité, dans le respect des articles 4 à 7 de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité et de l'arrêté royal du 21 mars 2019 pris en exécution de la loi du 17 mars 2019 concernant l'instauration d'un budget mobilité.
Les options visées à l'alinéa 1er ne sont pas cumulables.]1
Wijzigingen
Art. 15bis. [1 Wanneer de continuïteit van de dienstverlening het vereist, ontvangt de ambtenaar aan wie de bevoegdheden van een wegens ziekte afwezige houder van een managementfunctie zijn gedelegeerd, voor de periode van delegatie, een bedrag dat overeenstemt met de directiepremie bedoeld in artikel 20, § 4, tweede lid. Dat bedrag wordt uitbetaald volgens de modaliteiten bedoeld in artikel 20, § 4, derde en vierde lid.]1
Art. 15bis. [1 Lorsque la continuité du service l'exige, l'agent auquel les compétences d'un titulaire d'une fonction de management absent pour maladie sont déléguées, bénéficie, pour la période de de délégation, d'un montant correspondant à la prime de direction visée à l'article 20, § 4, alinéa 2. Ce montant est liquidé, selon les modalités visées à l'article 20, § 4, alinéas 3 et 4.]1
Art. 15ter. [1 § 1. Wanneer de continuïteit van de openbare dienstverlening het vereist, kan de minister of de staatssecretaris voorzien in de tijdelijke vervanging van een houder van een managementfunctie die wegens ziekte afwezig is, door:
1° ofwel een andere houder van een management- of staffunctie;
2° ofwel een rijksambtenaar van de klasse A4 of A5 dat eerder is aangesteld ter tijdelijke vervanging van een management- of staffunctie;
met de uitoefening van het mandaat te belasten.
In het geval van een tijdelijke vervanging van een managementfunctie -1, -2 of -3 kan de minister of de staatssecretaris enkel op voordracht van de voorzitter van het directiecomité of van de voorzitter over de vervanging beslissen.
§ 2. De ambtenaar die in uitvoering van § 1 in een tijdelijke vervanging wordt aangesteld, ontvangt gedurende de vervangingsperiode een weddecomplement dat overeenstemt met het verschil, dat is vastgesteld op de dag van de aanstelling, tussen de weddeschaal van de klasse waarin hij is benoemd en de salarisband waaraan de managementfunctie waarin hij tijdelijk wordt aangesteld, is gekoppeld.
In voorkomend geval moet de eerste term van het in het eerste lid bedoelde verschil worden gelezen als de salarisschaal die gelinkt wordt met de door de mandaathouder uitgeoefende managementfunctie op het ogenblik waarop deze daarenboven voor de tijdelijk vervanging is aangesteld.
§ 3. Onverminderd § 1 en § 2 kan de minister, wanneer de afwezigheid wegens ziekte langer duurt dan zes maanden, in voorkomend geval, in afwijking van artikel 4, beslissen een vergelijkende selectie op te starten om een mandaathouder aan te stellen die daadwerkelijk de diensten presteert in de managementfunctie.
Voor een managementfunctie -1, -2 of -3 maakt de minister gebruik van het eerste lid op voordracht van de voorzitter van het directiecomité of van de voorzitter.
Onverminderd artikel 14, gebeurt de aanduiding in de managementfunctie in uitvoering van het eerste lid:
1° ofwel voor een beperkte duur die overeenkomt met de resterende duur van het lopende mandaat van de afwezige houder van de managementfunctie;
2° ofwel voor een normale duur van zes jaar.
De in het eerste lid bedoelde vergelijkende selectie is gebaseerd op de bestaande functiebeschrijving en het bestaande competentieprofiel van de managementfunctie.
De oproep tot kandidatuurstelling vermeldt uitdrukkelijk het type en de duur van het mandaat.
§ 4. Wanneer het gaat om een aanduiding in een managementfunctie voor een beperkte duur, in toepassing van § 3, derde lid, 1°, dan is de vergelijkende selectie, in afwijking van de artikelen 4 en 5, toegankelijk voor de kandidaat die ofwel:
- houder is van een management- of staffunctie (N, -1, -2, -3);
- van wie de laatste evaluatie in het kader van een federaal mandaat met een gunstige evaluatievermelding werd afgesloten;
- laureaat, gerangschikt in [2 de groep "geschikt"]2, is van een vergelijkende selectie voor een management- of staffunctie van een gelijkwaardig of hoger niveau in de twaalf voorgaande maanden zonder dat hij daarin werd aangeduid;
- laureaat, gerangschikt in [2 de groep "geschikt"]2, is van een vergelijkende selectieprocedure voor dezelfde managementfunctie in de twee voorgaande jaren zonder dat hij daarin werd aangeduid;
- een rijksambtenaar van de klassen A4 of A5 is die eerder is aangeduid in een tijdelijke vervanging voor een management- of staffunctie;
en die verklaart klaar te zijn om de managementfunctie onmiddellijk uit te oefenen. De kandidaat voegt bij de kandidatuur alle documenten ter staving van de bovenvermelde voorwaarden.
In afwijking van de artikelen 7 en 8 worden de kandidaturen bij het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling ingediend. De kandidaten worden toelaatbaar verklaard nadat is nagegaan of aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden is voldaan.
Er vindt een onderhoud plaats met de kandidaten die in overeenstemming met het tweede lid toelaatbaar zijn verklaard, om hen te vergelijken wat betreft hun specifieke competenties, en hun relationele en managementvaardigheden zoals bepaald in de functiebeschrijving en het competentieprofiel van de te begeven managementfunctie. Dit onderhoud wordt volgens de in artikel 9, § 1 en § 2 vermelde modaliteiten.
De kandidaat die is gekozen in toepassing van het eerste lid wordt aangeduid in een mandaat waarvan de resterende duur overeenkomt met de resterende duur van het mandaat van de afwezige houder van de managementfunctie.
§ . 5. De houder van de managementfunctie van voorzitter van het directiecomité of voorzitter die is aangeduid in toepassing van § 3, derde lid, wordt ter beschikking gesteld van de minister na de terugkeer uit afwezigheid wegens ziekte van de houder van de betreffende managementfunctie die de uitoefening van de mandaatfunctie hervat.
De houder van een managementfunctie -1, -2, -3 die is aangeduid in toepassing van § 3, derde lid, wordt ter beschikking gesteld van de voorzitter van het directiecomité of van de voorzitter na de terugkeer uit afwezigheid wegens ziekte van de houder van de betreffende managementfunctie die de uitoefening van de mandaatfunctie hervat.
Gedurende de in de eerste en tweede leden bedoelde terbeschikkingstelling, wordt de mandaathouder belast met opdrachten van algemeen belang.
In afwijking van het eerste en het tweede lid, al naargelang het gaat om de functie voorzitter van het directiecomité, voorzitter of een andere managementfunctie, wordt de houder van de managementfunctie die na een afwezigheid wegens ziekte van meer dan zes maanden de uitoefening van zijn functie hervat, op zijn verzoek, respectievelijk ter beschikking gesteld van de minister, de voorzitter van het directiecomité of van de voorzitter. Hij wordt tot aan het einde van zijn mandaat belast met opdrachten van algemeen belang.
De onder het vierde lid bedoelde terbeschikkingstelling heeft tot gevolg dat de houder van de managementfunctie die aangeduid is in uitvoering van § 3, derde lid, zijn mandaat volledig uitdoet totdat het afloopt.
§ .6 De houder van een managementfunctie, wordt, bij ministerieel besluit ambtshalve belast met een opdracht van algemeen belang in uitvoering van paragraaf 5. Deze opdracht vormt geen nieuwe aanstelling in een mandaat, bedoeld in artikel 10 noch verlof of afwezigheid bedoeld in artikel 14.
Tijdens de duur van de opdracht is de in dit bedoeld eerste lid opdrachthouder onderworpen aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt. Hij wordt voor de toepassing van dit paragaaf gelijkgesteld met een ambtenaar van de klasse A5.
Het hogervermeld artikel 14 is van toepassing op opdrachthouder, bedoeld in dit paragraaf.
De bepalingen betreffende de herintegratievergoedingen en beëindigingsvergoedingen, opgenomen in artikel 21 tot en met artikel 24 blijven volledig van toepassing op de opdrachthouder.
§ .7. Artikel 25 betreffende de hernieuwing van het mandaat is niet van toepassing op de in paragraaf 3 bedoelde aanstelling.]1
1° ofwel een andere houder van een management- of staffunctie;
2° ofwel een rijksambtenaar van de klasse A4 of A5 dat eerder is aangesteld ter tijdelijke vervanging van een management- of staffunctie;
met de uitoefening van het mandaat te belasten.
In het geval van een tijdelijke vervanging van een managementfunctie -1, -2 of -3 kan de minister of de staatssecretaris enkel op voordracht van de voorzitter van het directiecomité of van de voorzitter over de vervanging beslissen.
§ 2. De ambtenaar die in uitvoering van § 1 in een tijdelijke vervanging wordt aangesteld, ontvangt gedurende de vervangingsperiode een weddecomplement dat overeenstemt met het verschil, dat is vastgesteld op de dag van de aanstelling, tussen de weddeschaal van de klasse waarin hij is benoemd en de salarisband waaraan de managementfunctie waarin hij tijdelijk wordt aangesteld, is gekoppeld.
In voorkomend geval moet de eerste term van het in het eerste lid bedoelde verschil worden gelezen als de salarisschaal die gelinkt wordt met de door de mandaathouder uitgeoefende managementfunctie op het ogenblik waarop deze daarenboven voor de tijdelijk vervanging is aangesteld.
§ 3. Onverminderd § 1 en § 2 kan de minister, wanneer de afwezigheid wegens ziekte langer duurt dan zes maanden, in voorkomend geval, in afwijking van artikel 4, beslissen een vergelijkende selectie op te starten om een mandaathouder aan te stellen die daadwerkelijk de diensten presteert in de managementfunctie.
Voor een managementfunctie -1, -2 of -3 maakt de minister gebruik van het eerste lid op voordracht van de voorzitter van het directiecomité of van de voorzitter.
Onverminderd artikel 14, gebeurt de aanduiding in de managementfunctie in uitvoering van het eerste lid:
1° ofwel voor een beperkte duur die overeenkomt met de resterende duur van het lopende mandaat van de afwezige houder van de managementfunctie;
2° ofwel voor een normale duur van zes jaar.
De in het eerste lid bedoelde vergelijkende selectie is gebaseerd op de bestaande functiebeschrijving en het bestaande competentieprofiel van de managementfunctie.
De oproep tot kandidatuurstelling vermeldt uitdrukkelijk het type en de duur van het mandaat.
§ 4. Wanneer het gaat om een aanduiding in een managementfunctie voor een beperkte duur, in toepassing van § 3, derde lid, 1°, dan is de vergelijkende selectie, in afwijking van de artikelen 4 en 5, toegankelijk voor de kandidaat die ofwel:
- houder is van een management- of staffunctie (N, -1, -2, -3);
- van wie de laatste evaluatie in het kader van een federaal mandaat met een gunstige evaluatievermelding werd afgesloten;
- laureaat, gerangschikt in [2 de groep "geschikt"]2, is van een vergelijkende selectie voor een management- of staffunctie van een gelijkwaardig of hoger niveau in de twaalf voorgaande maanden zonder dat hij daarin werd aangeduid;
- laureaat, gerangschikt in [2 de groep "geschikt"]2, is van een vergelijkende selectieprocedure voor dezelfde managementfunctie in de twee voorgaande jaren zonder dat hij daarin werd aangeduid;
- een rijksambtenaar van de klassen A4 of A5 is die eerder is aangeduid in een tijdelijke vervanging voor een management- of staffunctie;
en die verklaart klaar te zijn om de managementfunctie onmiddellijk uit te oefenen. De kandidaat voegt bij de kandidatuur alle documenten ter staving van de bovenvermelde voorwaarden.
In afwijking van de artikelen 7 en 8 worden de kandidaturen bij het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling ingediend. De kandidaten worden toelaatbaar verklaard nadat is nagegaan of aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden is voldaan.
Er vindt een onderhoud plaats met de kandidaten die in overeenstemming met het tweede lid toelaatbaar zijn verklaard, om hen te vergelijken wat betreft hun specifieke competenties, en hun relationele en managementvaardigheden zoals bepaald in de functiebeschrijving en het competentieprofiel van de te begeven managementfunctie. Dit onderhoud wordt volgens de in artikel 9, § 1 en § 2 vermelde modaliteiten.
De kandidaat die is gekozen in toepassing van het eerste lid wordt aangeduid in een mandaat waarvan de resterende duur overeenkomt met de resterende duur van het mandaat van de afwezige houder van de managementfunctie.
§ . 5. De houder van de managementfunctie van voorzitter van het directiecomité of voorzitter die is aangeduid in toepassing van § 3, derde lid, wordt ter beschikking gesteld van de minister na de terugkeer uit afwezigheid wegens ziekte van de houder van de betreffende managementfunctie die de uitoefening van de mandaatfunctie hervat.
De houder van een managementfunctie -1, -2, -3 die is aangeduid in toepassing van § 3, derde lid, wordt ter beschikking gesteld van de voorzitter van het directiecomité of van de voorzitter na de terugkeer uit afwezigheid wegens ziekte van de houder van de betreffende managementfunctie die de uitoefening van de mandaatfunctie hervat.
Gedurende de in de eerste en tweede leden bedoelde terbeschikkingstelling, wordt de mandaathouder belast met opdrachten van algemeen belang.
In afwijking van het eerste en het tweede lid, al naargelang het gaat om de functie voorzitter van het directiecomité, voorzitter of een andere managementfunctie, wordt de houder van de managementfunctie die na een afwezigheid wegens ziekte van meer dan zes maanden de uitoefening van zijn functie hervat, op zijn verzoek, respectievelijk ter beschikking gesteld van de minister, de voorzitter van het directiecomité of van de voorzitter. Hij wordt tot aan het einde van zijn mandaat belast met opdrachten van algemeen belang.
De onder het vierde lid bedoelde terbeschikkingstelling heeft tot gevolg dat de houder van de managementfunctie die aangeduid is in uitvoering van § 3, derde lid, zijn mandaat volledig uitdoet totdat het afloopt.
§ .6 De houder van een managementfunctie, wordt, bij ministerieel besluit ambtshalve belast met een opdracht van algemeen belang in uitvoering van paragraaf 5. Deze opdracht vormt geen nieuwe aanstelling in een mandaat, bedoeld in artikel 10 noch verlof of afwezigheid bedoeld in artikel 14.
Tijdens de duur van de opdracht is de in dit bedoeld eerste lid opdrachthouder onderworpen aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt. Hij wordt voor de toepassing van dit paragaaf gelijkgesteld met een ambtenaar van de klasse A5.
Het hogervermeld artikel 14 is van toepassing op opdrachthouder, bedoeld in dit paragraaf.
De bepalingen betreffende de herintegratievergoedingen en beëindigingsvergoedingen, opgenomen in artikel 21 tot en met artikel 24 blijven volledig van toepassing op de opdrachthouder.
§ .7. Artikel 25 betreffende de hernieuwing van het mandaat is niet van toepassing op de in paragraaf 3 bedoelde aanstelling.]1
Art. 15ter. [1 § 1er. Lorsque la continuité du service public l'exige, le ministre ou le secrétaire d'Etat peut pourvoir au remplacement temporaire d'un titulaire d'une fonction de management qui est absent pour maladie, en chargeant soit :
1° un autre titulaire d'une fonction de management ou d'encadrement ;
2° un agent de l'Etat des classes A4 ou A5 désigné précédemment dans un remplacement temporaire pour une fonction de management ou d'encadrement ;
d'exercer le mandat.
Dans le cas d'un remplacement temporaire d'une fonction de management -1, -2 ou -3, le remplacement ne peut être décidé par le ministre ou le secrétaire d'Etat que sur proposition du président du comité de direction ou du président.
§ 2. L'agent qui est désigné dans un remplacement temporaire en exécution du § 1er, bénéficie pendant la période de remplacement d'un complément de traitement qui est égal à la différence, constatée à la date de la désignation, entre l'échelle de traitement affectée à la classe où il est nommé et la classe salariale à laquelle la fonction de management dans laquelle il est temporairement désigné est liée.
Le cas échéant, le premier terme de la différence visée à l'alinéa 1er doit être lu comme la classe salariale liée à la fonction de management exercée par le titulaire du mandat au moment où il est également désigné pour le remplacement temporaire.
§ 3. Sans préjudice du § 1er et du § 2, lorsque l'absence pour maladie se prolonge au-delà de six mois, le ministre, peut, le cas échéant, par dérogation à l'article 4, décider d'entamer une sélection comparative pour désigner un titulaire qui preste effectivement ses services dans la fonction de management.
Pour une fonction de de management -1, -2 ou -3, le ministre recourt à l'alinéa 1er sur proposition du président du comité de direction ou du président.
Sans préjudice de l'article 14, la désignation dans la fonction de management en exécution de l'alinéa 1er s'opère soit :
1° pour une durée limitée correspondante à la durée restante du mandat en cours du titulaire de la fonction de management absent ;
2° pour une durée normale de six ans.
La sélection comparative visée à l'alinéa 1er repose sur le description de fonction et le profil de compétences existants de la fonction de management.
L'appel à candidature mentionne explicitement le type et la durée du mandat.
§ 4. Lorsqu'il s'agit de désigner dans une fonction de management pour une durée limitée en application du § 3, alinéa 3, 1°, la sélection comparative est, par dérogation aux articles 4 et 5, accessible au candidat qui soit :
- est titulaire d'une fonction de management ou d'encadrement (N, -1,-2,-3) ;
- dont la dernière évaluation dans le cadre d'un mandat fédéral s'est clôturée avec une mention d'évaluation favorable ;
- est lauréat classé dans le [2 groupe " apte "]2, d'une sélection comparative pour une fonction de management ou d'encadrement d'un niveau équivalent ou supérieur dans les douze mois qui précèdent sans y être désignée ;
- est lauréat classé dans le [2 groupe " apte "]2, d'une procédure de sélection comparative pour la même fonction de management dans les deux ans qui précèdent sans y être désigné ;
- est un agent de l'Etat des classes A4 ou A5 désigné précédemment dans un remplacement temporaire pour une fonction de management ou d'encadrement ;
et qui se déclare prêt à exercer immédiatement la fonction de management. Le candidat joint à la candidature l'ensemble des documents attestant des conditions susmentionnées.
Par dérogation aux articles 7 et 8, les candidatures sont introduites auprès de la direction générale Recrutement et Développement. Les candidats sont déclarés admissibles après vérification des conditions visées à l'alinéa 1er .
Un entretien a lieu avec les candidats déclarés admissibles en application de l'alinéa 2 afin de les comparer quant à leurs compétences spécifiques, leurs aptitudes relationnelles et leurs capacités par rapport à la description de fonction et au profil de compétence afférents à la fonction de management à pourvoir. Cet entretien est organisé selon les modalités prévues à l'article 9, § 1 et § 2.
Le candidat choisi en application de l'alinéa 1er est désigné dans un mandat dont la durée correspond à la durée du mandat restant du titulaire de fonction de management absent.
§ 5. Le titulaire de la fonction de management de président de comité de direction ou de président désigné en application du § 3,alinéa 3, est mis à disposition du ministre au retour d'absence pour maladie du titulaire la fonction de management concernée qui reprend l'exercice de la fonction à mandat.
Le titulaire d'une fonction de management -1, -2, -3 désigné en application du § 3,alinéa 3, est mis à disposition du président du comité de direction ou du président au retour d'absence pour maladie du titulaire de la fonction de management concernée qui reprend l'exercice de la fonction à mandat.
Pendant la mise à disposition visée aux alinéas 1 et 2, le mandataire est chargé de missions d'intérêt général.
Par dérogation aux alinéas 1 et 2, selon qu'il s'agisse de la fonction de président du comité de direction ou de président ou d'une autre fonction de management, le titulaire de la fonction de management qui reprend l'exercice de sa fonction après une période d'absence pour maladie de plus de six mois, est, à sa demande, respectivement mis à disposition du ministre ou du président du comité de direction ou du président. Il est chargé de missions d'intérêt général jusqu'à la fin de son mandat.
La mise à disposition visée à l'alinéa 4 a pour corollaire que le titulaire de la fonction de management désigné en exécution du § 3, alinéa 3 exerce pleinement le mandat jusqu'à son terme.
§ 6. Le titulaire de la fonction de management est chargé d'office, par arrêté ministériel, de l'exercice de la mission d'intérêt général en application du § 5. Cette mission ne constitue pas une nouvelle désignation dans un mandat, comme visé par l'article 10 et ne constitue pas un congé ou une absence visés par l'article 14.
Pendant la durée de la mission, le chargé de mission visé à l'alinéa 1er est soumis aux dispositions de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation au sein de la fonction publique fédérale . Il est assimilé à un agent de classe A5 pour l'application de ce paragraphe.
L'article 14 précité est applicable au chargé de mission, tel que visé au présent paragraphe.
Les dispositions relatives aux indemnités de réintégration et aux indemnités de départ, définies aux articles 21 à 24 restent entièrement applicables au chargé de mission. "
§ .7. L'article 25 relatif au renouvellement de mandat n'est pas applicable à la désignation dans un mandat visée au paragraphe 3.]1
1° un autre titulaire d'une fonction de management ou d'encadrement ;
2° un agent de l'Etat des classes A4 ou A5 désigné précédemment dans un remplacement temporaire pour une fonction de management ou d'encadrement ;
d'exercer le mandat.
Dans le cas d'un remplacement temporaire d'une fonction de management -1, -2 ou -3, le remplacement ne peut être décidé par le ministre ou le secrétaire d'Etat que sur proposition du président du comité de direction ou du président.
§ 2. L'agent qui est désigné dans un remplacement temporaire en exécution du § 1er, bénéficie pendant la période de remplacement d'un complément de traitement qui est égal à la différence, constatée à la date de la désignation, entre l'échelle de traitement affectée à la classe où il est nommé et la classe salariale à laquelle la fonction de management dans laquelle il est temporairement désigné est liée.
Le cas échéant, le premier terme de la différence visée à l'alinéa 1er doit être lu comme la classe salariale liée à la fonction de management exercée par le titulaire du mandat au moment où il est également désigné pour le remplacement temporaire.
§ 3. Sans préjudice du § 1er et du § 2, lorsque l'absence pour maladie se prolonge au-delà de six mois, le ministre, peut, le cas échéant, par dérogation à l'article 4, décider d'entamer une sélection comparative pour désigner un titulaire qui preste effectivement ses services dans la fonction de management.
Pour une fonction de de management -1, -2 ou -3, le ministre recourt à l'alinéa 1er sur proposition du président du comité de direction ou du président.
Sans préjudice de l'article 14, la désignation dans la fonction de management en exécution de l'alinéa 1er s'opère soit :
1° pour une durée limitée correspondante à la durée restante du mandat en cours du titulaire de la fonction de management absent ;
2° pour une durée normale de six ans.
La sélection comparative visée à l'alinéa 1er repose sur le description de fonction et le profil de compétences existants de la fonction de management.
L'appel à candidature mentionne explicitement le type et la durée du mandat.
§ 4. Lorsqu'il s'agit de désigner dans une fonction de management pour une durée limitée en application du § 3, alinéa 3, 1°, la sélection comparative est, par dérogation aux articles 4 et 5, accessible au candidat qui soit :
- est titulaire d'une fonction de management ou d'encadrement (N, -1,-2,-3) ;
- dont la dernière évaluation dans le cadre d'un mandat fédéral s'est clôturée avec une mention d'évaluation favorable ;
- est lauréat classé dans le [2 groupe " apte "]2, d'une sélection comparative pour une fonction de management ou d'encadrement d'un niveau équivalent ou supérieur dans les douze mois qui précèdent sans y être désignée ;
- est lauréat classé dans le [2 groupe " apte "]2, d'une procédure de sélection comparative pour la même fonction de management dans les deux ans qui précèdent sans y être désigné ;
- est un agent de l'Etat des classes A4 ou A5 désigné précédemment dans un remplacement temporaire pour une fonction de management ou d'encadrement ;
et qui se déclare prêt à exercer immédiatement la fonction de management. Le candidat joint à la candidature l'ensemble des documents attestant des conditions susmentionnées.
Par dérogation aux articles 7 et 8, les candidatures sont introduites auprès de la direction générale Recrutement et Développement. Les candidats sont déclarés admissibles après vérification des conditions visées à l'alinéa 1er .
Un entretien a lieu avec les candidats déclarés admissibles en application de l'alinéa 2 afin de les comparer quant à leurs compétences spécifiques, leurs aptitudes relationnelles et leurs capacités par rapport à la description de fonction et au profil de compétence afférents à la fonction de management à pourvoir. Cet entretien est organisé selon les modalités prévues à l'article 9, § 1 et § 2.
Le candidat choisi en application de l'alinéa 1er est désigné dans un mandat dont la durée correspond à la durée du mandat restant du titulaire de fonction de management absent.
§ 5. Le titulaire de la fonction de management de président de comité de direction ou de président désigné en application du § 3,alinéa 3, est mis à disposition du ministre au retour d'absence pour maladie du titulaire la fonction de management concernée qui reprend l'exercice de la fonction à mandat.
Le titulaire d'une fonction de management -1, -2, -3 désigné en application du § 3,alinéa 3, est mis à disposition du président du comité de direction ou du président au retour d'absence pour maladie du titulaire de la fonction de management concernée qui reprend l'exercice de la fonction à mandat.
Pendant la mise à disposition visée aux alinéas 1 et 2, le mandataire est chargé de missions d'intérêt général.
Par dérogation aux alinéas 1 et 2, selon qu'il s'agisse de la fonction de président du comité de direction ou de président ou d'une autre fonction de management, le titulaire de la fonction de management qui reprend l'exercice de sa fonction après une période d'absence pour maladie de plus de six mois, est, à sa demande, respectivement mis à disposition du ministre ou du président du comité de direction ou du président. Il est chargé de missions d'intérêt général jusqu'à la fin de son mandat.
La mise à disposition visée à l'alinéa 4 a pour corollaire que le titulaire de la fonction de management désigné en exécution du § 3, alinéa 3 exerce pleinement le mandat jusqu'à son terme.
§ 6. Le titulaire de la fonction de management est chargé d'office, par arrêté ministériel, de l'exercice de la mission d'intérêt général en application du § 5. Cette mission ne constitue pas une nouvelle désignation dans un mandat, comme visé par l'article 10 et ne constitue pas un congé ou une absence visés par l'article 14.
Pendant la durée de la mission, le chargé de mission visé à l'alinéa 1er est soumis aux dispositions de l'arrêté royal du 14 janvier 2022 relatif à l'évaluation au sein de la fonction publique fédérale . Il est assimilé à un agent de classe A5 pour l'application de ce paragraphe.
L'article 14 précité est applicable au chargé de mission, tel que visé au présent paragraphe.
Les dispositions relatives aux indemnités de réintégration et aux indemnités de départ, définies aux articles 21 à 24 restent entièrement applicables au chargé de mission. "
§ .7. L'article 25 relatif au renouvellement de mandat n'est pas applicable à la désignation dans un mandat visée au paragraphe 3.]1
HOOFDSTUK V. - De evaluatie van de houder van een managementfunctie.
CHAPITRE V. - De l'évaluation du titulaire d'une fonction de management.
Afdeling 1. - Duur van de evaluatiecyclus.
Section 1re. - De la durée du cycle d'évaluation.
Art. 16. [1 Elke houder van een managementfunctie wordt tijdens zijn mandaat [2 tweejaarlijks]2 geëvalueerd. [2 ...]2
[2 De eerste twee evaluatiecycli worden met een tussentijdse evaluatie afgesloten
De laatste evaluatiecyclus wordt afgesloten zes maanden voor het einde van het mandaat en wordt met een eindevaluatie afgesloten.
In afwijking van het eerste lid en onverminderd het derde lid wordt de houder van een managementfunctie die aan het einde van de evaluatiecyclus de vermelding "te ontwikkelen" krijgt, jaarlijks geëvalueerd.]2
Indien de houder van een managementfunctie meer dan de helft van de [2 evaluatiecyclus]2 afwezig is, krijgt hij geen evaluatie en is artikel 18, § 9 van toepassing.]1
[2 De eerste twee evaluatiecycli worden met een tussentijdse evaluatie afgesloten
De laatste evaluatiecyclus wordt afgesloten zes maanden voor het einde van het mandaat en wordt met een eindevaluatie afgesloten.
In afwijking van het eerste lid en onverminderd het derde lid wordt de houder van een managementfunctie die aan het einde van de evaluatiecyclus de vermelding "te ontwikkelen" krijgt, jaarlijks geëvalueerd.]2
Indien de houder van een managementfunctie meer dan de helft van de [2 evaluatiecyclus]2 afwezig is, krijgt hij geen evaluatie en is artikel 18, § 9 van toepassing.]1
Art. 16. [1 Chaque titulaire d'une fonction de management est évalué [2 tous les deux ans]2 pendant la durée de son mandat. [2 ...]2
[2 Les deux premiers cycles d'évaluation sont sanctionnés par une évaluation intermédiaire.
Le dernier cycle d'évaluation se clôture six mois avant la fin du mandat et se conclut par une évaluation finale.
Par dérogation à l'alinéa 1er et sans préjudice de l'alinéa 3, le titulaire d'une fonction de management qui obtient la mention " à développer " en fin de cycle d'évaluation est évalué annuellement.]2
Si le titulaire d'une fonction de management est absent plus de la moitié [2 du cycle]2 d'évaluation, il n'obtient pas d'évaluation et l'article 18, § 9 s'applique.]1
[2 Les deux premiers cycles d'évaluation sont sanctionnés par une évaluation intermédiaire.
Le dernier cycle d'évaluation se clôture six mois avant la fin du mandat et se conclut par une évaluation finale.
Par dérogation à l'alinéa 1er et sans préjudice de l'alinéa 3, le titulaire d'une fonction de management qui obtient la mention " à développer " en fin de cycle d'évaluation est évalué annuellement.]2
Si le titulaire d'une fonction de management est absent plus de la moitié [2 du cycle]2 d'évaluation, il n'obtient pas d'évaluation et l'article 18, § 9 s'applique.]1
Afdeling 2. - Onderwerp van de evaluatie.
Section 2. - De l'objet de l'évaluation.
Art. 16bis. <INGEVOEGD bij KB 2005-02-01/35, art. 2; Inwerkingtreding : 26-05-2005> De tussentijdse evaluaties en de eindevaluatie van de houder van de managementfunctie hebben betrekking op :
1° [1 de verwezenlijking van de strategische of operationele doelstellingen die werden vastgelegd in de in artikel 11bis bedoelde [2 het strategisch plan en het operationeel plan]2, en waarvan de verantwoordelijkheid voor de realisatie ervan wordt toegewezen aan de houder van de managementfunctie;]1
2° de wijze waarop die doelstellingen al dan niet werden behaald;
3° de persoonlijke bijdrage van de houder van de managementfunctie aan de verwezenlijking van die doelstellingen;
4° de geleverde inspanningen om zijn competenties te ontwikkelen;
[1 5° de tijdige realisatie en de kwaliteit van alle evaluaties, doorgevoerd binnen de dienst waarover hij de verantwoordelijkheid heeft.]1 [3 In voorkomend geval wordt rekening gehouden met de opvolging van de aanbevelingen in auditrapporten van de bevoegde controleactoren die hebben geleid tot een wijziging van het bovenvermelde operationele plan.]3
[3 Tijdens de evaluatie wordt een enquête georganiseerd onder de verschillende stakeholders zoals de klanten, de medewerkers of de peers.]3
1° [1 de verwezenlijking van de strategische of operationele doelstellingen die werden vastgelegd in de in artikel 11bis bedoelde [2 het strategisch plan en het operationeel plan]2, en waarvan de verantwoordelijkheid voor de realisatie ervan wordt toegewezen aan de houder van de managementfunctie;]1
2° de wijze waarop die doelstellingen al dan niet werden behaald;
3° de persoonlijke bijdrage van de houder van de managementfunctie aan de verwezenlijking van die doelstellingen;
4° de geleverde inspanningen om zijn competenties te ontwikkelen;
[1 5° de tijdige realisatie en de kwaliteit van alle evaluaties, doorgevoerd binnen de dienst waarover hij de verantwoordelijkheid heeft.]1 [3 In voorkomend geval wordt rekening gehouden met de opvolging van de aanbevelingen in auditrapporten van de bevoegde controleactoren die hebben geleid tot een wijziging van het bovenvermelde operationele plan.]3
[3 Tijdens de evaluatie wordt een enquête georganiseerd onder de verschillende stakeholders zoals de klanten, de medewerkers of de peers.]3
Art. 16bis. Les évaluations intermédiaires et l'évaluation finale du titulaire de la fonction de management portent sur :
1° [1 la réalisation des objectifs stratégiques ou opérationnels définis dans [2 le plan stratégique et le plan opérationnel]2 visés à l'article 11bis, et dont la responsabilité de la réalisation est confiée au titulaire de la fonction de management;]1
2° la manière dont ces objectifs ont ou non été atteints;
3° la contribution personnelle du titulaire de la fonction de management à la réalisation de ces objectifs;
4° les efforts consentis en termes de développement de ses compétences;
[1 5° la réalisation en temps opportun et la qualité de l'ensemble des évaluations réalisées dans le service dont il a la responsabilité.]1 [3 Le cas échéant, est pris en considération le suivi des recommandations des rapports d'audits des services de contrôle compétents qui ont conduit à une modification du plan opérationnel susmentionné.]3
[3 Lors de l'évaluation, une enquête est organisée auprès des différentes parties prenantes telles que les clients, les collaborateurs ou les pairs.]3
1° [1 la réalisation des objectifs stratégiques ou opérationnels définis dans [2 le plan stratégique et le plan opérationnel]2 visés à l'article 11bis, et dont la responsabilité de la réalisation est confiée au titulaire de la fonction de management;]1
2° la manière dont ces objectifs ont ou non été atteints;
3° la contribution personnelle du titulaire de la fonction de management à la réalisation de ces objectifs;
4° les efforts consentis en termes de développement de ses compétences;
[1 5° la réalisation en temps opportun et la qualité de l'ensemble des évaluations réalisées dans le service dont il a la responsabilité.]1 [3 Le cas échéant, est pris en considération le suivi des recommandations des rapports d'audits des services de contrôle compétents qui ont conduit à une modification du plan opérationnel susmentionné.]3
[3 Lors de l'évaluation, une enquête est organisée auprès des différentes parties prenantes telles que les clients, les collaborateurs ou les pairs.]3
Afdeling 3. - Actoren van de evaluatie.
Section 3. - Des acteurs de l'évaluation.
Art. 16ter. <INGEVOEGD bij KB 2005-02-01/35, art. 2; Inwerkingtreding : 26-05-2005> § 1. De evaluatie van de houders van managementfuncties wordt uitgevoerd door :
1° de betrokken minister of staatssecretaris, eerste evaluator genoemd, wat de voorzitter van het directiecomité of de voorzitter betreft;
2° de voorzitter van het directiecomité of de voorzitter, eerste evaluator genoemd, en de betrokken minister of staatssecretaris, tweede evaluator genoemd, wat de houders van een managementfunctie -1 betreft;
3° de houder van een managementfunctie -1, eerste evaluator genoemd, en de voorzitter van het directiecomité of de voorzitter, tweede evaluator genoemd, wat de houders van een managementfunctie -2 betreft;
4° [2 ...]2
§ 2. Voor een externe ondersteuning inzake evaluatietechnieken kunnen de in § 1 bedoelde evaluatoren een beroep doen op de [1 Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]1.
§ 3. Wanneer meerdere ministers en/of staatssecretarissen bevoegd zijn voor het activiteitsgebied van een voorzitter van een directiecomité of van een voorzitter, treedt de minister of staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied, als eerste evaluator op.
§ 4. Wanneer meerdere ministers en/of staatssecretarissen bevoegd zijn voor het activiteitsgebied van een houder van een managementfunctie -1, treedt de minister of staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied, als tweede evaluator op.
1° de betrokken minister of staatssecretaris, eerste evaluator genoemd, wat de voorzitter van het directiecomité of de voorzitter betreft;
2° de voorzitter van het directiecomité of de voorzitter, eerste evaluator genoemd, en de betrokken minister of staatssecretaris, tweede evaluator genoemd, wat de houders van een managementfunctie -1 betreft;
3° de houder van een managementfunctie -1, eerste evaluator genoemd, en de voorzitter van het directiecomité of de voorzitter, tweede evaluator genoemd, wat de houders van een managementfunctie -2 betreft;
4° [2 ...]2
§ 2. Voor een externe ondersteuning inzake evaluatietechnieken kunnen de in § 1 bedoelde evaluatoren een beroep doen op de [1 Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]1.
§ 3. Wanneer meerdere ministers en/of staatssecretarissen bevoegd zijn voor het activiteitsgebied van een voorzitter van een directiecomité of van een voorzitter, treedt de minister of staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied, als eerste evaluator op.
§ 4. Wanneer meerdere ministers en/of staatssecretarissen bevoegd zijn voor het activiteitsgebied van een houder van een managementfunctie -1, treedt de minister of staatssecretaris die bevoegd is voor het grootste gedeelte van het activiteitsgebied, als tweede evaluator op.
Art. 16ter. § 1er. L'évaluation des titulaires des fonctions de management est réalisée :
1° par le ministre ou le secrétaire d'Etat concerné, dénommé premier évaluateur, pour ce qui concerne le président du comité de direction ou le président;
2° par le président du comité de direction ou le président, dénommé premier évaluateur, et par le ministre ou secrétaire d'Etat concerné, dénommé deuxième évaluateur, pour ce qui concerne les titulaires d'une fonction de management -1;
3° par le titulaire de la fonction de management -1, dénommé premier évaluateur, et par le président du comité de direction ou le président, dénommé deuxième évaluateur, pour ce qui concerne les titulaires d'une fonction de management -2;
4° [2 ...]2
§ 2. Les évaluateurs visés au § 1er peuvent solliciter le [1 Service public fédéral Stratégie et Appui]1 pour bénéficier d'un appui externe en matière de techniques d'évaluation.
§ 3. Lorsque plusieurs ministres et/ou secrétaires d'Etat sont compétents pour le secteur d'activité d'un président de comité de direction ou d'un président, le ministre ou le secrétaire d'Etat compétent pour la plus grande partie de ce secteur d'activité est le premier évaluateur.
§ 4. Lorsque plusieurs ministres et/ou secrétaires d'Etat sont compétents pour le secteur d'activité d'un titulaire d'une fonction de management -1, le ministre ou le secrétaire d'Etat compétent pour la plus grande partie de ce secteur d'activité, est le deuxième évaluateur.
1° par le ministre ou le secrétaire d'Etat concerné, dénommé premier évaluateur, pour ce qui concerne le président du comité de direction ou le président;
2° par le président du comité de direction ou le président, dénommé premier évaluateur, et par le ministre ou secrétaire d'Etat concerné, dénommé deuxième évaluateur, pour ce qui concerne les titulaires d'une fonction de management -1;
3° par le titulaire de la fonction de management -1, dénommé premier évaluateur, et par le président du comité de direction ou le président, dénommé deuxième évaluateur, pour ce qui concerne les titulaires d'une fonction de management -2;
4° [2 ...]2
§ 2. Les évaluateurs visés au § 1er peuvent solliciter le [1 Service public fédéral Stratégie et Appui]1 pour bénéficier d'un appui externe en matière de techniques d'évaluation.
§ 3. Lorsque plusieurs ministres et/ou secrétaires d'Etat sont compétents pour le secteur d'activité d'un président de comité de direction ou d'un président, le ministre ou le secrétaire d'Etat compétent pour la plus grande partie de ce secteur d'activité est le premier évaluateur.
§ 4. Lorsque plusieurs ministres et/ou secrétaires d'Etat sont compétents pour le secteur d'activité d'un titulaire d'une fonction de management -1, le ministre ou le secrétaire d'Etat compétent pour la plus grande partie de ce secteur d'activité, est le deuxième évaluateur.
Afdeling 4. - Verloop van de evaluatiecyclus.
Section 4. - Du déroulement du cycle d'évaluation.
Onderafdeling 1. - De functioneringsgesprekken.
Sous-section 1re. - Des entretiens de fonctionnement.
Art. 17. <KB 2005-02-01/35, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 26-05-2005> Tijdens elke evaluatiecyclus vinden er op initiatief van de houder van de managementfunctie of de eerste evaluator, telkens wanneer dat noodzakelijk blijkt, [3 en dit onverminderd elk informeel gesprek,]3 functioneringsgesprekken plaats.
De functioneringsgesprekken hebben betrekking op alles wat met het functioneren van de houder van de managementfunctie te maken heeft, alsook op de doelstellingen die [1 in [2 het strategisch plan en het operationeel plan]2 werden vastgelegd waarvan de verantwoordelijkheid voor de realisatie ervan wordt toegewezen aan de houder van de managementfunctie]1, de eventuele aanpassingen die daaraan moeten worden aangebracht en hun verwezenlijking. [3 Er wordt eventueel een ontwikkelingstraject voor de houder van de managementfunctie, zoals bepaald in artikel 17ter, ingevoerd.]3
Wanneer meerdere ministers en/of staatssecretarissen bevoegd zijn voor het activiteitsgebied van een voorzitter van een directiecomité of van een voorzitter, kunnen de ministers en/of staatssecretarissen de eerste evaluator vragen een functioneringsgesprek te organiseren over de materies die hen aanbelangen. Zij wonen dit gesprek van rechtswege bij.
De functioneringsgesprekken hebben betrekking op alles wat met het functioneren van de houder van de managementfunctie te maken heeft, alsook op de doelstellingen die [1 in [2 het strategisch plan en het operationeel plan]2 werden vastgelegd waarvan de verantwoordelijkheid voor de realisatie ervan wordt toegewezen aan de houder van de managementfunctie]1, de eventuele aanpassingen die daaraan moeten worden aangebracht en hun verwezenlijking. [3 Er wordt eventueel een ontwikkelingstraject voor de houder van de managementfunctie, zoals bepaald in artikel 17ter, ingevoerd.]3
Wanneer meerdere ministers en/of staatssecretarissen bevoegd zijn voor het activiteitsgebied van een voorzitter van een directiecomité of van een voorzitter, kunnen de ministers en/of staatssecretarissen de eerste evaluator vragen een functioneringsgesprek te organiseren over de materies die hen aanbelangen. Zij wonen dit gesprek van rechtswege bij.
Art. 17. <AR 2005-02-01/35, art. 2, 007; En vigueur : 26-05-2005> Au cours de chaque cycle d'évaluation, [3 et, ce, sans préjudice de tout entretien informel,]3 des entretiens de fonctionnement ont lieu, à l'initiative du titulaire de la fonction de management ou du premier évaluateur, chaque fois que la nécessité s'en fait sentir.
Les entretiens de fonctionnement portent sur toute question relative au fonctionnement du titulaire de la fonction de management ainsi que sur les objectifs [1 fixés dans [2 le plan stratégique et le plan opérationnel]2, dont la responsabilité de la réalisation est confiée au titulaire de la fonction de management]1, les éventuelles adaptations à y apporter et leur réalisation. [3 Un trajet de développement du titulaire de la fonction de management tel que défini dans l'article 17ter est, le cas échéant, mis en place.]3
Lorsque plusieurs ministres et/ou secrétaires d'Etat sont compétents pour le secteur d'activité d'un président de comité de direction ou d'un président, les ministres et/ou secrétaires d'Etat peuvent solliciter le premier évaluateur pour qu'il organise un entretien de fonctionnement sur les matières qui les concernent. Ils assistent de plein droit à cet entretien.
Les entretiens de fonctionnement portent sur toute question relative au fonctionnement du titulaire de la fonction de management ainsi que sur les objectifs [1 fixés dans [2 le plan stratégique et le plan opérationnel]2, dont la responsabilité de la réalisation est confiée au titulaire de la fonction de management]1, les éventuelles adaptations à y apporter et leur réalisation. [3 Un trajet de développement du titulaire de la fonction de management tel que défini dans l'article 17ter est, le cas échéant, mis en place.]3
Lorsque plusieurs ministres et/ou secrétaires d'Etat sont compétents pour le secteur d'activité d'un président de comité de direction ou d'un président, les ministres et/ou secrétaires d'Etat peuvent solliciter le premier évaluateur pour qu'il organise un entretien de fonctionnement sur les matières qui les concernent. Ils assistent de plein droit à cet entretien.
Onderafdeling 2. [1 - Het evaluatiecyclusgesprek]1
Sous-section 2. [1 - De l'entretien de cycle d'évaluation]1
Art. 17bis. [1 § 1. Tijdens de evaluatiecyclus vindt er een evaluatiecyclusgesprek plaats.
Het evaluatiecyclusgesprek omvat twee luiken:
1° de planning;
2° de balans.
§ 2. De planning tijdens het evaluatiecyclusgesprek beoogt de vertaling naar meetbare criteria van de aan de houder van de managementfunctie toevertrouwde strategische en operationele doelstellingen die in het strategisch plan en het operationeel plan, bedoeld in artikel 11bis, werden vastgelegd.
§ 3. De balans tijdens het evaluatiecyclusgesprek beoogt de evaluatie van de aan de houder van de managementfunctie toevertrouwde strategische en operationele doelstellingen die in het strategisch plan en het operationeel plan, bedoeld in artikel 11bis, werden vastgelegd en voor de betrokken evaluatiecyclus werden gepland.
§ 4. Onverminderd bovengenoemde § 2 en § 3 wordt er eventueel een ontwikkelingstraject, zoals bepaald in artikel 17ter, ingevoerd.
§ 5. Aan het einde van elke evaluatiecyclus nodigt de eerste evaluator de houder van de managementfunctie uit voor het evaluatiecyclusgesprek.
De tweede evaluator alsook een door de eerste evaluator aangewezen secretaris kunnen aan dat evaluatiecyclusgesprek deelnemen.
In elk geval vindt er vóór het evaluatiecyclusgesprek overleg plaats tussen de eerste en de tweede evaluator.
§ 6. Ter voorbereiding van de balans die tijdens het evaluatiecyclusgesprek wordt opgemaakt, maakt de houder van de managementfunctie een zelfevaluatie die rekening houdt met de gegevens uit de enquête onder de stakeholders. Deze wordt ten laatste twintig werkdagen vóór de vastgestelde datum van het evaluatiecyclusgesprek aan de eerste evaluator bezorgd.
§ 7. De eerste evaluator bereidt het evaluatiecyclusgesprek voor door de zelfevaluatie van de houder van de managementfunctie te toetsen op consistentie en onderbouwing. Hij vergelijkt ze met de elementen waarover hij beschikt, die resulteren uit feiten en geobserveerd gedrag tijdens de dagelijkse opvolging van het functioneren van de geëvalueerde. Bovendien verzamelt hij alle bijkomende informatie die kan bijdragen tot een billijke en objectieve evaluatie.
§ 8. Wanneer meerdere ministers en/of staatssecretarissen bevoegd zijn voor het activiteitsgebied van een voorzitter van een directiecomité of van een voorzitter maakt de eerste evaluator de zelfevaluatie over aan de betrokken ministers en/of staatssecretarissen en vraagt hij hun advies. Als dit advies niet binnen de tien werkdagen wordt bezorgd, is het niet meer vereist.
Als de betrokken ministers en/of staatssecretarissen dat wensen, wonen zij het evaluatiecyclusgesprek bij.
§ 9. Een extern bureau verleent bijstand aan de in artikel 16ter gedefinieerde evaluatieactoren. Het externe bureau verleent in dit verband rechtstreekse ondersteuning aan de eerste evaluator. Het ondersteunt hem bij de beoordeling van de zelfevaluatie van de houder van de managementfunctie. Daartoe verzamelt het bureau alle bijkomende of tegenstrijdige informatie inzake de evaluatie-elementen vermeld in artikel 16bis en houdt het rekening met de gegevens van de enquête onder de stakeholders die betrokken zijn bij de uitvoering van de mandaatfunctie bedoeld in artikel 16bis, tweede lid. Het bereidt het evaluatiecyclusgesprek voor en structureert het en het staat in voor de opvolging ervan.
Het externe bureau verleent bijstand voor elke evaluatiecyclus van de voorzitter van het directiecomité of van de voorzitter tijdens zijn mandaat. Voor de managementfuncties N-1 en N-2 is de bijstand van het externe bureau facultatief.]1
Het evaluatiecyclusgesprek omvat twee luiken:
1° de planning;
2° de balans.
§ 2. De planning tijdens het evaluatiecyclusgesprek beoogt de vertaling naar meetbare criteria van de aan de houder van de managementfunctie toevertrouwde strategische en operationele doelstellingen die in het strategisch plan en het operationeel plan, bedoeld in artikel 11bis, werden vastgelegd.
§ 3. De balans tijdens het evaluatiecyclusgesprek beoogt de evaluatie van de aan de houder van de managementfunctie toevertrouwde strategische en operationele doelstellingen die in het strategisch plan en het operationeel plan, bedoeld in artikel 11bis, werden vastgelegd en voor de betrokken evaluatiecyclus werden gepland.
§ 4. Onverminderd bovengenoemde § 2 en § 3 wordt er eventueel een ontwikkelingstraject, zoals bepaald in artikel 17ter, ingevoerd.
§ 5. Aan het einde van elke evaluatiecyclus nodigt de eerste evaluator de houder van de managementfunctie uit voor het evaluatiecyclusgesprek.
De tweede evaluator alsook een door de eerste evaluator aangewezen secretaris kunnen aan dat evaluatiecyclusgesprek deelnemen.
In elk geval vindt er vóór het evaluatiecyclusgesprek overleg plaats tussen de eerste en de tweede evaluator.
§ 6. Ter voorbereiding van de balans die tijdens het evaluatiecyclusgesprek wordt opgemaakt, maakt de houder van de managementfunctie een zelfevaluatie die rekening houdt met de gegevens uit de enquête onder de stakeholders. Deze wordt ten laatste twintig werkdagen vóór de vastgestelde datum van het evaluatiecyclusgesprek aan de eerste evaluator bezorgd.
§ 7. De eerste evaluator bereidt het evaluatiecyclusgesprek voor door de zelfevaluatie van de houder van de managementfunctie te toetsen op consistentie en onderbouwing. Hij vergelijkt ze met de elementen waarover hij beschikt, die resulteren uit feiten en geobserveerd gedrag tijdens de dagelijkse opvolging van het functioneren van de geëvalueerde. Bovendien verzamelt hij alle bijkomende informatie die kan bijdragen tot een billijke en objectieve evaluatie.
§ 8. Wanneer meerdere ministers en/of staatssecretarissen bevoegd zijn voor het activiteitsgebied van een voorzitter van een directiecomité of van een voorzitter maakt de eerste evaluator de zelfevaluatie over aan de betrokken ministers en/of staatssecretarissen en vraagt hij hun advies. Als dit advies niet binnen de tien werkdagen wordt bezorgd, is het niet meer vereist.
Als de betrokken ministers en/of staatssecretarissen dat wensen, wonen zij het evaluatiecyclusgesprek bij.
§ 9. Een extern bureau verleent bijstand aan de in artikel 16ter gedefinieerde evaluatieactoren. Het externe bureau verleent in dit verband rechtstreekse ondersteuning aan de eerste evaluator. Het ondersteunt hem bij de beoordeling van de zelfevaluatie van de houder van de managementfunctie. Daartoe verzamelt het bureau alle bijkomende of tegenstrijdige informatie inzake de evaluatie-elementen vermeld in artikel 16bis en houdt het rekening met de gegevens van de enquête onder de stakeholders die betrokken zijn bij de uitvoering van de mandaatfunctie bedoeld in artikel 16bis, tweede lid. Het bereidt het evaluatiecyclusgesprek voor en structureert het en het staat in voor de opvolging ervan.
Het externe bureau verleent bijstand voor elke evaluatiecyclus van de voorzitter van het directiecomité of van de voorzitter tijdens zijn mandaat. Voor de managementfuncties N-1 en N-2 is de bijstand van het externe bureau facultatief.]1
Art. 17bis. [1 § 1. Un entretien de cycle d'évaluation a lieu au cours d'un cycle d'évaluation.
L'entretien de cycle d'évaluation comprend deux volets :
1° la planification ;
1° le bilan.
§ 2. Lors de l'entretien de cycle d'évaluation, la planification vise à traduire en critères mesurables les objectifs stratégiques et opérationnels définis dans le plan stratégique et le plan opérationnel visés à l'article 11bis qui ont été confiés au titulaire de la fonction de management.
§ 3. Lors de l'entretien de cycle d'évaluation, le bilan vise à l'évaluation des objectifs stratégiques et opérationnels définis dans le plan stratégique et le plan opérationnel visés à l'article 11bis confiés au titulaire de la fonction de management et planifiés pour le cycle d'évaluation concerné.
§ 4. Sans préjudice des § 2 et § 3 susmentionnés, un trajet de développement tel que défini à l'article 17ter est, le cas échéant, mis en place.
§ 5. A la fin de chaque cycle d'évaluation, le premier évaluateur invite le titulaire de la fonction de management à l'entretien de cycle d'évaluation.
Le deuxième évaluateur ainsi qu'un secrétaire désigné par le premier évaluateur peuvent assister à cet entretien de cycle d'évaluation.
Dans tous les cas, le premier et le deuxième évaluateur se concertent préalablement à l'entretien de cycle d'évaluation.
§ 6. En préparation au bilan effectué lors de l'entretien de cycle d'évaluation, le titulaire de la fonction de management établit une auto-évaluation qui prend en compte des données issues de l'enquête auprès des parties prenantes. Celle-ci est transmise au premier évaluateur au plus tard vingt jours ouvrables avant la date programmée de l'entretien de cycle d'évaluation.
§ 7. Le premier évaluateur prépare l'entretien de cycle d'évaluation en analysant l'auto-évaluation du titulaire de la fonction de management en termes de consistance et de fondement. Il la confronte aux éléments en sa possession et découlant de faits et comportements observés dans le suivi quotidien du fonctionnement de l'évalué. Il collecte en outre toute information complémentaire pouvant contribuer à une évaluation équitable et objective.
§ 8. Lorsque plusieurs ministres et/ou secrétaires d'Etat sont compétents pour le secteur d'activité d'un président de comité de direction ou d'un président, le premier évaluateur transmet aux ministres et/ou secrétaires d'Etat concernés l'auto-évaluation et sollicite leur avis. Si cet avis n'est pas donné dans les dix jours ouvrables, il n'est plus requis.
Si les ministres et/ou secrétaires d'Etat concernés le souhaitent, ils assistent à l'entretien de cycle d'évaluation.
§ 9. Un bureau externe assiste les acteurs de l'évaluation définis à l'article 16ter. Dans ce cadre, le bureau externe apporte un soutien direct au premier évaluateur. Il l'appuie pour juger l'auto-évaluation du titulaire de la fonction de management. Il collecte, à cette fin, toute information complémentaire ou contradictoire concernant les éléments d'évaluation énoncés à l'article 16bis et prend en compte les données de l'enquête auprès des parties prenantes à l'exécution de la fonction à mandat visées à l'article 16bis, alinéa 2. Il prépare, structure l'entretien de cycle d'évaluation et en assure le suivi.
Le bureau externe assiste pour tout cycle d'évaluation du Président du comité de direction ou du président au cours de son mandat. Pour les fonctions de management N-1 et N-2, l'assistance du bureau externe est facultative.]1
L'entretien de cycle d'évaluation comprend deux volets :
1° la planification ;
1° le bilan.
§ 2. Lors de l'entretien de cycle d'évaluation, la planification vise à traduire en critères mesurables les objectifs stratégiques et opérationnels définis dans le plan stratégique et le plan opérationnel visés à l'article 11bis qui ont été confiés au titulaire de la fonction de management.
§ 3. Lors de l'entretien de cycle d'évaluation, le bilan vise à l'évaluation des objectifs stratégiques et opérationnels définis dans le plan stratégique et le plan opérationnel visés à l'article 11bis confiés au titulaire de la fonction de management et planifiés pour le cycle d'évaluation concerné.
§ 4. Sans préjudice des § 2 et § 3 susmentionnés, un trajet de développement tel que défini à l'article 17ter est, le cas échéant, mis en place.
§ 5. A la fin de chaque cycle d'évaluation, le premier évaluateur invite le titulaire de la fonction de management à l'entretien de cycle d'évaluation.
Le deuxième évaluateur ainsi qu'un secrétaire désigné par le premier évaluateur peuvent assister à cet entretien de cycle d'évaluation.
Dans tous les cas, le premier et le deuxième évaluateur se concertent préalablement à l'entretien de cycle d'évaluation.
§ 6. En préparation au bilan effectué lors de l'entretien de cycle d'évaluation, le titulaire de la fonction de management établit une auto-évaluation qui prend en compte des données issues de l'enquête auprès des parties prenantes. Celle-ci est transmise au premier évaluateur au plus tard vingt jours ouvrables avant la date programmée de l'entretien de cycle d'évaluation.
§ 7. Le premier évaluateur prépare l'entretien de cycle d'évaluation en analysant l'auto-évaluation du titulaire de la fonction de management en termes de consistance et de fondement. Il la confronte aux éléments en sa possession et découlant de faits et comportements observés dans le suivi quotidien du fonctionnement de l'évalué. Il collecte en outre toute information complémentaire pouvant contribuer à une évaluation équitable et objective.
§ 8. Lorsque plusieurs ministres et/ou secrétaires d'Etat sont compétents pour le secteur d'activité d'un président de comité de direction ou d'un président, le premier évaluateur transmet aux ministres et/ou secrétaires d'Etat concernés l'auto-évaluation et sollicite leur avis. Si cet avis n'est pas donné dans les dix jours ouvrables, il n'est plus requis.
Si les ministres et/ou secrétaires d'Etat concernés le souhaitent, ils assistent à l'entretien de cycle d'évaluation.
§ 9. Un bureau externe assiste les acteurs de l'évaluation définis à l'article 16ter. Dans ce cadre, le bureau externe apporte un soutien direct au premier évaluateur. Il l'appuie pour juger l'auto-évaluation du titulaire de la fonction de management. Il collecte, à cette fin, toute information complémentaire ou contradictoire concernant les éléments d'évaluation énoncés à l'article 16bis et prend en compte les données de l'enquête auprès des parties prenantes à l'exécution de la fonction à mandat visées à l'article 16bis, alinéa 2. Il prépare, structure l'entretien de cycle d'évaluation et en assure le suivi.
Le bureau externe assiste pour tout cycle d'évaluation du Président du comité de direction ou du président au cours de son mandat. Pour les fonctions de management N-1 et N-2, l'assistance du bureau externe est facultative.]1
Wijzigingen
Art.17ter. [1 § 1. Het ontwikkelingstraject is een begeleiding op maat van de houder van een managementfunctie die voldoet aan behoeften die door de eerste evaluator zijn vastgesteld bij het evaluatiecyclusgesprek en die voortvloeien uit:
- de balans van de realisaties bedoeld in artikel 17bis, § 3; bij de balans wordt rekening gehouden met de bijdrage van de houder van de managementfunctie aan de realisatie van de transversale doelstellingen die tijdens de planning zijn vastgesteld;
- de noodzaak om professionele competenties te ontwikkelen;
- de verwachtingen en bevindingen van de verschillende groepen stakeholders.
§ 2. Het ontwikkelingstraject stoelt op een schriftelijk akkoord tussen de eerste evaluator en de houder van de managementfunctie dat, op basis van de vastgestelde behoeften, op zijn minst het volgende vaststelt:
a. de te bereiken ontwikkelingsdoelstelling(en);
a. de te prefereren voorstellen voor leeroplossingen om bij te dragen tot de verwachte competentieontwikkeling en de bijbehorende planning.
Het ontwikkelingstraject houdt rekening met de evaluatiecyclus van de houder van de managementfunctie.
Het ontwikkelingstraject duurt minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden.
Onverminderd het derde lid kan de duur van het ontwikkelingstraject slechts een keer worden aangepast.
Het ontwikkelingstraject kan in onderling akkoord op elk moment worden stopgezet.]1
- de balans van de realisaties bedoeld in artikel 17bis, § 3; bij de balans wordt rekening gehouden met de bijdrage van de houder van de managementfunctie aan de realisatie van de transversale doelstellingen die tijdens de planning zijn vastgesteld;
- de noodzaak om professionele competenties te ontwikkelen;
- de verwachtingen en bevindingen van de verschillende groepen stakeholders.
§ 2. Het ontwikkelingstraject stoelt op een schriftelijk akkoord tussen de eerste evaluator en de houder van de managementfunctie dat, op basis van de vastgestelde behoeften, op zijn minst het volgende vaststelt:
a. de te bereiken ontwikkelingsdoelstelling(en);
a. de te prefereren voorstellen voor leeroplossingen om bij te dragen tot de verwachte competentieontwikkeling en de bijbehorende planning.
Het ontwikkelingstraject houdt rekening met de evaluatiecyclus van de houder van de managementfunctie.
Het ontwikkelingstraject duurt minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden.
Onverminderd het derde lid kan de duur van het ontwikkelingstraject slechts een keer worden aangepast.
Het ontwikkelingstraject kan in onderling akkoord op elk moment worden stopgezet.]1
Art.17ter. [1 § 1. Le trajet de développement est un accompagnement sur mesure du titulaire d'une fonction de management qui répond à des besoins constatés, par le premier évaluateur, lors de l'entretien de cycle d'évaluation, et qui font suite :
- au bilan des réalisations visé à l'article 17bis, § 3 ; ce bilan prend en compte la contribution du titulaire de la fonction de management à la réalisation des objectifs transversaux définis lors de la planification ;
- à la nécessité de développement de compétences professionnelles;
- aux attentes et aux résultats provenant des différents groupes de parties prenantes.
§ 2. Le trajet de développement repose sur un accord écrit entre le premier évaluateur et le titulaire de la fonction de management qui identifie, sur base des besoins constatés, au minimum :
a. le ou les objectifs de développement à atteindre ;
a. les propositions de solutions d'apprentissage à privilégier pour contribuer au développement attendu des compétences ainsi que la planification qui y est liée.
Le trajet de développement tient compte du cycle d'évaluation du titulaire de la fonction de management.
Le trajet de développement a une durée minimum de six mois et de maximum 12 mois.
Sans préjudice de l'alinéa 3, la durée du trajet de développement n'est adaptable qu'une fois.
Il peut être mis fin de commun accord à tout moment au trajet de développement.]1
- au bilan des réalisations visé à l'article 17bis, § 3 ; ce bilan prend en compte la contribution du titulaire de la fonction de management à la réalisation des objectifs transversaux définis lors de la planification ;
- à la nécessité de développement de compétences professionnelles;
- aux attentes et aux résultats provenant des différents groupes de parties prenantes.
§ 2. Le trajet de développement repose sur un accord écrit entre le premier évaluateur et le titulaire de la fonction de management qui identifie, sur base des besoins constatés, au minimum :
a. le ou les objectifs de développement à atteindre ;
a. les propositions de solutions d'apprentissage à privilégier pour contribuer au développement attendu des compétences ainsi que la planification qui y est liée.
Le trajet de développement tient compte du cycle d'évaluation du titulaire de la fonction de management.
Le trajet de développement a une durée minimum de six mois et de maximum 12 mois.
Sans préjudice de l'alinéa 3, la durée du trajet de développement n'est adaptable qu'une fois.
Il peut être mis fin de commun accord à tout moment au trajet de développement.]1
Afdeling 5. - Het evaluatieverslag en de toegekende vermelding.
Section 5. - Du rapport d'évaluation et de la mention attribuée.
Art. 18. <KB 2005-02-01/35, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 26-05-2005> § 1. Na afloop van het evaluatiegesprek stelt de eerste evaluator een ontwerp van beschrijvend evaluatieverslag op en doet [1 ...]1 een voorstel met betrekking tot de vermelding. Hij overlegt met de tweede evaluator die zijn opmerkingen kan formuleren. Vervolgens stelt hij het beschrijvend evaluatieverslag op en kent de [1 ...]1 vermelding toe.
§ 2. Wanneer meerdere ministers en/of staatssecretarissen bevoegd zijn voor het activiteitsgebied van een voorzitter van een directiecomité of van een voorzitter, wordt het ontwerp van evaluatieverslag en het voorstel van [1 vermelding]1 voor advies door de eerste evaluator binnen zeven werkdagen medegedeeld aan de betrokken ministers en/of staatssecretarissen. Dezen beschikken over een termijn van zeven werkdagen om er hun eventuele opmerkingen aan toe te voegen. Wanneer deze termijn verstreken is, wordt het advies niet meer vereist. Er wordt naar een consensus gezocht tussen de eerste evaluator en de andere betrokken ministers en/of staatssecretarissen met betrekking tot de [1 vermelding]1 die moet worden toegekend aan de geëvalueerde. Wanneer ze het niet eens worden, wordt de beslissing genomen door de eerste evaluator.
§ 3. Het evaluatieverslag wordt door de tweede evaluator medeondertekend en wordt, met bewijs van ontvangst, medegedeeld aan de geëvalueerde binnen twintig werkdagen die volgen op het evaluatiegesprek.
§ 4. [1 Elke evaluatie wordt afgesloten met één van de volgende vermeldingen : [4 ...]4 [4 "goed"]4, "te ontwikkelen", of "onvoldoende".]1
§ 5. [1 De evaluatie wordt besloten met de vermelding " onvoldoende " als eruit blijkt dat de doelstellingen [2 vastgelegd in de in artikel 11bis bedoelde [3 het strategisch plan en het operationeel plan]3, en waarvan de verantwoordelijkheid voor de realisatie ervan wordt toegewezen aan de houder van de managementfunctie]2, niet werden verwezenlijkt.]1
§ 6. [1 De evaluatie wordt besloten met de vermelding "te ontwikkelen" als eruit blijkt dat de doelstellingen [2 vastgelegd in de in artikel 11bis bedoelde [3 het strategisch plan en het operationeel plan]3, en waarvan de verantwoordelijkheid voor de realisatie ervan wordt toegewezen aan de houder van de managementfunctie]2 slechts gedeeltelijk zijn verwezenlijkt.]1
[4 Onverminderd artikel 16bis krijgt de houder van een managementfunctie een in artikel 17ter bedoeld ontwikkelingstraject als er tijdens het evaluatiecyclusgesprek ontwikkelingspunten worden vastgesteld.]4
§ 7. [1 De evaluatie wordt besloten met de vermelding [4 "goed"]4 als eruit blijkt dat de meeste doelstellingen [2 vastgelegd in de in artikel 11bis bedoelde [3 het strategisch plan en het operationeel plan]3, en waarvan de verantwoordelijkheid voor de realisatie ervan wordt toegewezen aan de houder van de managementfunctie]2 werden verwezenlijkt.]1
[1 § 7bis. [4 De evaluatie van de doelstellingen die zijn vastgelegd in het strategisch plan en het operationeel plan bedoeld in artikel 11bis en waarvan de verantwoordelijkheid voor de realisatie is toevertrouwd aan de houder van de managementfunctie, omvat de planning die overeenkomstig artikel 17bis, § 1 en § 2 wordt uitgevoerd.]4]1
[1 § 7ter. Er wordt geen rekening gehouden met de doelstellingen waarvan het niet bereiken geenszins afhing van de verantwoordelijkheid van de geëvalueerde.]1
[1 § 7quater. In voorkomend geval, kan aan een houder van een managementfunctie, mits een specifieke motivering, een voor hem minder gunstige vermelding worden toegekend dan deze die zou worden toegekend met toepassing van de §§ 5 tot en met 7bis indien uit de evaluatie blijkt dat de houder van de managementfunctie slechts een kleine persoonlijke bijdrage heeft geleverd aan het bereiken van de doelstellingen [2 vastgelegd in de in artikel 11bis bedoelde [3 het strategisch plan en het operationeel plan]3, en waarvoor de verantwoordelijkheid voor de uitvoering ervan aan hem wordt toevertrouwd]2 of dat de feitelijke elementen besproken tijdens het evaluatiegesprek een negatieve weerslag hebben op de uitoefening van de managementfunctie. Deze vaststellingen en elementen dienen aan bod gekomen te zijn op het evaluatiegesprek en de geëvalueerde dient de mogelijkheid te krijgen om hierop te reageren. Deze reactie dient opgenomen te worden in het evaluatieverslag.]1
§ 8. De eindevaluatie van de houder van de managementfunctie wordt gestaafd met de beschrijvende evaluatieverslagen betreffende de verstreken periodes voor de tussentijdse evaluaties en de totale periode van het mandaat voor de eindevaluatie.
(§ 9. Indien de houder van de managementfunctie geen [1 evaluatie]1 heeft gekregen, wordt hem van rechtswege de vermelding [4 "goed"]4 toegekend.) <KB 2006-05-24/58, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 10-07-2006>
[1 § 10. [2 ...]2 ]1
§ 2. Wanneer meerdere ministers en/of staatssecretarissen bevoegd zijn voor het activiteitsgebied van een voorzitter van een directiecomité of van een voorzitter, wordt het ontwerp van evaluatieverslag en het voorstel van [1 vermelding]1 voor advies door de eerste evaluator binnen zeven werkdagen medegedeeld aan de betrokken ministers en/of staatssecretarissen. Dezen beschikken over een termijn van zeven werkdagen om er hun eventuele opmerkingen aan toe te voegen. Wanneer deze termijn verstreken is, wordt het advies niet meer vereist. Er wordt naar een consensus gezocht tussen de eerste evaluator en de andere betrokken ministers en/of staatssecretarissen met betrekking tot de [1 vermelding]1 die moet worden toegekend aan de geëvalueerde. Wanneer ze het niet eens worden, wordt de beslissing genomen door de eerste evaluator.
§ 3. Het evaluatieverslag wordt door de tweede evaluator medeondertekend en wordt, met bewijs van ontvangst, medegedeeld aan de geëvalueerde binnen twintig werkdagen die volgen op het evaluatiegesprek.
§ 4. [1 Elke evaluatie wordt afgesloten met één van de volgende vermeldingen : [4 ...]4 [4 "goed"]4, "te ontwikkelen", of "onvoldoende".]1
§ 5. [1 De evaluatie wordt besloten met de vermelding " onvoldoende " als eruit blijkt dat de doelstellingen [2 vastgelegd in de in artikel 11bis bedoelde [3 het strategisch plan en het operationeel plan]3, en waarvan de verantwoordelijkheid voor de realisatie ervan wordt toegewezen aan de houder van de managementfunctie]2, niet werden verwezenlijkt.]1
§ 6. [1 De evaluatie wordt besloten met de vermelding "te ontwikkelen" als eruit blijkt dat de doelstellingen [2 vastgelegd in de in artikel 11bis bedoelde [3 het strategisch plan en het operationeel plan]3, en waarvan de verantwoordelijkheid voor de realisatie ervan wordt toegewezen aan de houder van de managementfunctie]2 slechts gedeeltelijk zijn verwezenlijkt.]1
[4 Onverminderd artikel 16bis krijgt de houder van een managementfunctie een in artikel 17ter bedoeld ontwikkelingstraject als er tijdens het evaluatiecyclusgesprek ontwikkelingspunten worden vastgesteld.]4
§ 7. [1 De evaluatie wordt besloten met de vermelding [4 "goed"]4 als eruit blijkt dat de meeste doelstellingen [2 vastgelegd in de in artikel 11bis bedoelde [3 het strategisch plan en het operationeel plan]3, en waarvan de verantwoordelijkheid voor de realisatie ervan wordt toegewezen aan de houder van de managementfunctie]2 werden verwezenlijkt.]1
[1 § 7bis. [4 De evaluatie van de doelstellingen die zijn vastgelegd in het strategisch plan en het operationeel plan bedoeld in artikel 11bis en waarvan de verantwoordelijkheid voor de realisatie is toevertrouwd aan de houder van de managementfunctie, omvat de planning die overeenkomstig artikel 17bis, § 1 en § 2 wordt uitgevoerd.]4]1
[1 § 7ter. Er wordt geen rekening gehouden met de doelstellingen waarvan het niet bereiken geenszins afhing van de verantwoordelijkheid van de geëvalueerde.]1
[1 § 7quater. In voorkomend geval, kan aan een houder van een managementfunctie, mits een specifieke motivering, een voor hem minder gunstige vermelding worden toegekend dan deze die zou worden toegekend met toepassing van de §§ 5 tot en met 7bis indien uit de evaluatie blijkt dat de houder van de managementfunctie slechts een kleine persoonlijke bijdrage heeft geleverd aan het bereiken van de doelstellingen [2 vastgelegd in de in artikel 11bis bedoelde [3 het strategisch plan en het operationeel plan]3, en waarvoor de verantwoordelijkheid voor de uitvoering ervan aan hem wordt toevertrouwd]2 of dat de feitelijke elementen besproken tijdens het evaluatiegesprek een negatieve weerslag hebben op de uitoefening van de managementfunctie. Deze vaststellingen en elementen dienen aan bod gekomen te zijn op het evaluatiegesprek en de geëvalueerde dient de mogelijkheid te krijgen om hierop te reageren. Deze reactie dient opgenomen te worden in het evaluatieverslag.]1
§ 8. De eindevaluatie van de houder van de managementfunctie wordt gestaafd met de beschrijvende evaluatieverslagen betreffende de verstreken periodes voor de tussentijdse evaluaties en de totale periode van het mandaat voor de eindevaluatie.
(§ 9. Indien de houder van de managementfunctie geen [1 evaluatie]1 heeft gekregen, wordt hem van rechtswege de vermelding [4 "goed"]4 toegekend.) <KB 2006-05-24/58, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 10-07-2006>
[1 § 10. [2 ...]2 ]1
Wijzigingen
Art. 18. <AR 2005-02-01/35, art. 2, 007; En vigueur : 26-05-2005> § 1er. A l'issue de l'entretien d'évaluation, le premier évaluateur rédige un projet de rapport d'évaluation descriptive et fait [1 ...]1 une proposition de mention. Il se concerte avec le deuxième évaluateur qui peut formuler ses remarques. Il établit ensuite le rapport d'évaluation descriptive et attribue la mention [1 ...]1.
§ 2. Lorsque plusieurs ministres et/ou secrétaires d'Etat sont compétents pour le secteur d'activité d'un président de comité de direction ou d'un président, le projet de rapport d'évaluation et la proposition de [1 mention]1 sont transmis pour avis par le premier évaluateur dans les sept jours ouvrables aux ministres et/ou secrétaires d'Etat concernés. Ceux-ci disposent de sept jours ouvrables pour y faire ajouter leurs éventuelles remarques. Passé ce délai, l'avis n'est plus requis. Un consensus est recherché entre le premier évaluateur et les autres ministres et/ou secrétaires d'Etat concernés sur la [1 mention]1 à attribuer à l'évalué. En cas de désaccord persistant, c'est le premier évaluateur qui tranche.
§ 3. Le rapport d'évaluation, contresigné par le deuxième évaluateur, est transmis, contre récépissé, à l'évalué dans les vingt jours ouvrables qui suivent l'entretien d'évaluation.
§ 4. [1 Chaque évaluation se clôture par une des mentions suivantes : [4 ...]4 [4 " bon "]4, " à développer " ou " insuffisant ".]1
§ 5. [1 L'évaluation donne lieu à la mention " insuffisant " lorsqu'il en ressort que les objectifs [2 fixés dans [3 le plan stratégique et le plan opérationnel]3 visés à l'article 11bis, et dont la responsabilité de la réalisation est confiée au titulaire de la fonction de management]2 n'ont pas été atteints.]1
§ 6. [1 L'évaluation donne lieu à la mention " à développer " lorsqu'il en ressort que les objectifs [2 fixés dans [3 le plan stratégique et le plan opérationnel]3 visés à l'article 11bis, et dont la responsabilité de la réalisation est confiée au titulaire de la fonction de management]2 ne sont que partiellement atteints.]1
[4 Sans préjudice de l'article 16bis, lorsque des points de développement sont identifiés lors de l'entretien de cycle d'évaluation, le titulaire d'une fonction de management bénéficie d'un trajet de développement visé à l'article 17ter.]4
§ 7. [1 L'évaluation donne lieu à la mention [4 " bon "]4 lorsqu'il en ressort que la plupart des objectifs [2 fixés dans [3 le plan stratégique et le plan opérationnel]3 visés à l'article 11bis, et dont la responsabilité de la réalisation est confiée au titulaire de la fonction de management]2 ont été atteints.]1
[1 § 7bis. [4 L'évaluation des objectifs fixés dans le plan stratégique et le plan opérationnel visés à l'article 11bis, et dont la responsabilité de réalisation est confiée au titulaire de la fonction de management intègre la planification réalisée conformément à l'article 17bis, § 1er et § 2.]4]1
[1 § 7ter. Il n'est pas tenu compte des objectifs dont la non atteinte n'a en rien dépendu de la responsabilité de l'évalué.]1
[1 § 7quater. Le cas échéant, il peut être attribué au titulaire d'une fonction de management, moyennant une motivation spécifique, une mention moins favorable que celle qui lui aurait été reconnue en application des §§ 5 à 7bis s'il ressort de l'évaluation, que le titulaire de la fonction de management a seulement fourni une faible contribution personnelle à l'atteinte des objectifs [2 fixés dans [3 le plan stratégique et le plan opérationnel]3 visés à l'article 11bis, et dont la responsabilité de la réalisation lui a été confiée]2 ou que les éléments de fait discutés durant l'entretien d'évaluation ont eu un impact négatif sur l'exercice de la fonction de management. Ces constatations et éléments doivent être abordés durant l'entretien d'évaluation et la possibilité doit être offerte à l'évalué d'y réagir. Cette réaction doit être reprise dans le rapport d'évaluation.]1
§ 8. L'évaluation finale du titulaire de la fonction de management est étayée par les rapports d'évaluation descriptive relatifs aux périodes écoulées pour les évaluations intermédiaires et à la période totale du mandat pour l'évaluation finale.
(§ 9. Si le titulaire d'une fonction de management n'a pas reçu d'[1 évaluation]1, la mention [4 " bon "]4 lui est attribuée de plein droit.) <AR 2006-05-24/58, art. 1, 009; En vigueur : 10-07-2006>
[1 § 10. [2 ...]2 ]1
§ 2. Lorsque plusieurs ministres et/ou secrétaires d'Etat sont compétents pour le secteur d'activité d'un président de comité de direction ou d'un président, le projet de rapport d'évaluation et la proposition de [1 mention]1 sont transmis pour avis par le premier évaluateur dans les sept jours ouvrables aux ministres et/ou secrétaires d'Etat concernés. Ceux-ci disposent de sept jours ouvrables pour y faire ajouter leurs éventuelles remarques. Passé ce délai, l'avis n'est plus requis. Un consensus est recherché entre le premier évaluateur et les autres ministres et/ou secrétaires d'Etat concernés sur la [1 mention]1 à attribuer à l'évalué. En cas de désaccord persistant, c'est le premier évaluateur qui tranche.
§ 3. Le rapport d'évaluation, contresigné par le deuxième évaluateur, est transmis, contre récépissé, à l'évalué dans les vingt jours ouvrables qui suivent l'entretien d'évaluation.
§ 4. [1 Chaque évaluation se clôture par une des mentions suivantes : [4 ...]4 [4 " bon "]4, " à développer " ou " insuffisant ".]1
§ 5. [1 L'évaluation donne lieu à la mention " insuffisant " lorsqu'il en ressort que les objectifs [2 fixés dans [3 le plan stratégique et le plan opérationnel]3 visés à l'article 11bis, et dont la responsabilité de la réalisation est confiée au titulaire de la fonction de management]2 n'ont pas été atteints.]1
§ 6. [1 L'évaluation donne lieu à la mention " à développer " lorsqu'il en ressort que les objectifs [2 fixés dans [3 le plan stratégique et le plan opérationnel]3 visés à l'article 11bis, et dont la responsabilité de la réalisation est confiée au titulaire de la fonction de management]2 ne sont que partiellement atteints.]1
[4 Sans préjudice de l'article 16bis, lorsque des points de développement sont identifiés lors de l'entretien de cycle d'évaluation, le titulaire d'une fonction de management bénéficie d'un trajet de développement visé à l'article 17ter.]4
§ 7. [1 L'évaluation donne lieu à la mention [4 " bon "]4 lorsqu'il en ressort que la plupart des objectifs [2 fixés dans [3 le plan stratégique et le plan opérationnel]3 visés à l'article 11bis, et dont la responsabilité de la réalisation est confiée au titulaire de la fonction de management]2 ont été atteints.]1
[1 § 7bis. [4 L'évaluation des objectifs fixés dans le plan stratégique et le plan opérationnel visés à l'article 11bis, et dont la responsabilité de réalisation est confiée au titulaire de la fonction de management intègre la planification réalisée conformément à l'article 17bis, § 1er et § 2.]4]1
[1 § 7ter. Il n'est pas tenu compte des objectifs dont la non atteinte n'a en rien dépendu de la responsabilité de l'évalué.]1
[1 § 7quater. Le cas échéant, il peut être attribué au titulaire d'une fonction de management, moyennant une motivation spécifique, une mention moins favorable que celle qui lui aurait été reconnue en application des §§ 5 à 7bis s'il ressort de l'évaluation, que le titulaire de la fonction de management a seulement fourni une faible contribution personnelle à l'atteinte des objectifs [2 fixés dans [3 le plan stratégique et le plan opérationnel]3 visés à l'article 11bis, et dont la responsabilité de la réalisation lui a été confiée]2 ou que les éléments de fait discutés durant l'entretien d'évaluation ont eu un impact négatif sur l'exercice de la fonction de management. Ces constatations et éléments doivent être abordés durant l'entretien d'évaluation et la possibilité doit être offerte à l'évalué d'y réagir. Cette réaction doit être reprise dans le rapport d'évaluation.]1
§ 8. L'évaluation finale du titulaire de la fonction de management est étayée par les rapports d'évaluation descriptive relatifs aux périodes écoulées pour les évaluations intermédiaires et à la période totale du mandat pour l'évaluation finale.
(§ 9. Si le titulaire d'une fonction de management n'a pas reçu d'[1 évaluation]1, la mention [4 " bon "]4 lui est attribuée de plein droit.) <AR 2006-05-24/58, art. 1, 009; En vigueur : 10-07-2006>
[1 § 10. [2 ...]2 ]1
Wijzigingen
Afdeling 6. - Het evaluatiedossier.
Section 6. - Du dossier d'évaluation.
Art. 18bis. <KB 2005-02-01/35, art. 2; Inwerkingtreding : 26-05-2005> § 1. Het evaluatiedossier van de houder van de managementfunctie bestaat uit:
1° een identificatiefiche met de persoonlijke gegevens en het aanstellingsbesluit;
2° een gevalideerde functiebeschrijving;
3° [1 de strategische of operationele doelstellingen die werden vastgelegd in de in artikel 11bis bedoelde [3 het strategisch plan en het operationeel plan]3, en waarvoor de verantwoordelijkheid voor de uitvoering ervan aan hem wordt toevertrouwd;]1
[4 3bis° de planning van de doelstellingen per evaluatiecyclus die in toepassing van punt 3° wordt uitgevoerd en, in voorkomend geval het in artikel 17ter bedoelde ontwikkelingstraject;]4
4° in voorkomend geval, de verslagen over de functioneringsgesprekken en/of ieder ander document dat inzicht verschaft in de aanpassingen, de afspraken en de schikkingen die tussen de geëvalueerde houder van de managementfunctie en zijn eerste evaluator werden getroffen;
5° de zelfevaluatie van de houder van de managementfunctie;
6° de beschrijvende evaluatieverslagen;
7° eventueel dossier van het ingestelde beroep.
De geëvalueerde kan documenten laten opnemen in zijn evaluatiedossier.
De evaluatiedossiers worden bewaard bij de directeur van de stafdienst personeel en organisatie van de betrokken overheidsdienst.
§ 2. Het evaluatiedossier is toegankelijk voor de geëvalueerde houder van de managementfunctie, de directeur van de stafdienst personeel en organisatie van de betrokken overheidsdienst alsook aan de eerste en tweede evaluator.
De minister(s) en/of staatssecretaris(sen), alsook de voorzitter van het directiecomité of de voorzitter hebben eveneens toegang tot de evaluatiedossiers van de houders van een managementfunctie die onder hun bevoegdheid, binnen hun activiteitsgebied of onder hun gezag vallen.
§ 3. Na afloop van elk evaluatiegesprek wordt een kopie van het aangepaste evaluatiedossier medegedeeld aan de voorzitter van het directiecomité van de [2 Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]2 die belast is met de kwaliteitscontrole van de evaluatieprocedure van de houders van een managementfunctie.
1° een identificatiefiche met de persoonlijke gegevens en het aanstellingsbesluit;
2° een gevalideerde functiebeschrijving;
3° [1 de strategische of operationele doelstellingen die werden vastgelegd in de in artikel 11bis bedoelde [3 het strategisch plan en het operationeel plan]3, en waarvoor de verantwoordelijkheid voor de uitvoering ervan aan hem wordt toevertrouwd;]1
[4 3bis° de planning van de doelstellingen per evaluatiecyclus die in toepassing van punt 3° wordt uitgevoerd en, in voorkomend geval het in artikel 17ter bedoelde ontwikkelingstraject;]4
4° in voorkomend geval, de verslagen over de functioneringsgesprekken en/of ieder ander document dat inzicht verschaft in de aanpassingen, de afspraken en de schikkingen die tussen de geëvalueerde houder van de managementfunctie en zijn eerste evaluator werden getroffen;
5° de zelfevaluatie van de houder van de managementfunctie;
6° de beschrijvende evaluatieverslagen;
7° eventueel dossier van het ingestelde beroep.
De geëvalueerde kan documenten laten opnemen in zijn evaluatiedossier.
De evaluatiedossiers worden bewaard bij de directeur van de stafdienst personeel en organisatie van de betrokken overheidsdienst.
§ 2. Het evaluatiedossier is toegankelijk voor de geëvalueerde houder van de managementfunctie, de directeur van de stafdienst personeel en organisatie van de betrokken overheidsdienst alsook aan de eerste en tweede evaluator.
De minister(s) en/of staatssecretaris(sen), alsook de voorzitter van het directiecomité of de voorzitter hebben eveneens toegang tot de evaluatiedossiers van de houders van een managementfunctie die onder hun bevoegdheid, binnen hun activiteitsgebied of onder hun gezag vallen.
§ 3. Na afloop van elk evaluatiegesprek wordt een kopie van het aangepaste evaluatiedossier medegedeeld aan de voorzitter van het directiecomité van de [2 Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]2 die belast is met de kwaliteitscontrole van de evaluatieprocedure van de houders van een managementfunctie.
Wijzigingen
Art. 18bis. § 1er. Le dossier d'évaluation du titulaire de la fonction de management se compose des éléments suivants :
1° une fiche d'identification, avec les données personnelles et l'arrêté de désignation;
2° une description de fonction validée;
3° [1 les objectifs stratégiques ou opérationnels qui ont été fixés dans [3 le plan stratégique et le plan opérationnel]3 visés à l'article 11bis et dont la responsabilité de la réalisation lui a été confiée;]1
[4 3bis° la planification des objectifs par cycle d'évaluation qui est effectuée en application du point 3° et, le cas échéant le trajet de développement visé à l'article 17ter ;]4
4° le cas échéant, les rapports des entretiens de fonctionnement et/ou tout autre document permettant d'appréhender les ajustements, les accords et les arrangements pris entre le titulaire de la fonction de management évalué et son premier évaluateur;
5° l'auto-évaluation du titulaire de la fonction de management;
6° les rapports d'évaluation descriptive;
7° l'éventuel dossier du recours introduit.
L'évalué peut faire ajouter des documents dans son dossier d'évaluation.
Les dossiers d'évaluation sont conservés auprès du directeur du service d'encadrement personnel et organisation du service public concerné.
§ 2. L'accès au dossier d'évaluation est autorisé au titulaire de la fonction de management évalué, au directeur du service d'encadrement personnel et organisation du service public concerné ainsi qu'au premier et au deuxième évaluateur.
Le(s) ministre(s) et/ou le(s) secrétaire(s) d'Etat ainsi que le président du comité de direction ou le président ont également accès aux dossiers d'évaluation des titulaires d'une fonction de management qui relèvent de leur compétence, de leur secteur d'activité ou de leur autorité.
§ 3. Apres chaque entretien d'évaluation, une copie du dossier d'évaluation adapté est transmise au président du comité de direction du [2 Service public fédéral Stratégie et Appui]2 qui est chargé du contrôle de la qualité du processus d'évaluation des titulaires de fonction de management.
1° une fiche d'identification, avec les données personnelles et l'arrêté de désignation;
2° une description de fonction validée;
3° [1 les objectifs stratégiques ou opérationnels qui ont été fixés dans [3 le plan stratégique et le plan opérationnel]3 visés à l'article 11bis et dont la responsabilité de la réalisation lui a été confiée;]1
[4 3bis° la planification des objectifs par cycle d'évaluation qui est effectuée en application du point 3° et, le cas échéant le trajet de développement visé à l'article 17ter ;]4
4° le cas échéant, les rapports des entretiens de fonctionnement et/ou tout autre document permettant d'appréhender les ajustements, les accords et les arrangements pris entre le titulaire de la fonction de management évalué et son premier évaluateur;
5° l'auto-évaluation du titulaire de la fonction de management;
6° les rapports d'évaluation descriptive;
7° l'éventuel dossier du recours introduit.
L'évalué peut faire ajouter des documents dans son dossier d'évaluation.
Les dossiers d'évaluation sont conservés auprès du directeur du service d'encadrement personnel et organisation du service public concerné.
§ 2. L'accès au dossier d'évaluation est autorisé au titulaire de la fonction de management évalué, au directeur du service d'encadrement personnel et organisation du service public concerné ainsi qu'au premier et au deuxième évaluateur.
Le(s) ministre(s) et/ou le(s) secrétaire(s) d'Etat ainsi que le président du comité de direction ou le président ont également accès aux dossiers d'évaluation des titulaires d'une fonction de management qui relèvent de leur compétence, de leur secteur d'activité ou de leur autorité.
§ 3. Apres chaque entretien d'évaluation, une copie du dossier d'évaluation adapté est transmise au président du comité de direction du [2 Service public fédéral Stratégie et Appui]2 qui est chargé du contrôle de la qualité du processus d'évaluation des titulaires de fonction de management.
Wijzigingen
Afdeling 7. - Beroepsmogelijkheden.
Section 7. - Des voies de recours.
Art. 19. § 1. De voorzitter van het directiecomité of de voorzitter wiens tussentijdse evaluatie resulteert in de vermelding " onvoldoende " of wiens eindevaluatie niet resulteert in de vermelding [3 "goed"]3 kan, per aangetekende brief, beroep aantekenen bij een beperkt ministerieel comité, dat is samengesteld uit drie leden van de regering, van wie twee van eenzelfde taalaanhorigheid als de geëvalueerde en die hiertoe werden aangewezen door de Ministerraad, binnen vijftien kalenderdagen na betekening van het evaluatieverslag.
De minister en/of staatssecretaris die de taak van eerste evaluator van de houder van de managementfunctie op zich heeft genomen, mag niet aanwezig zijn bij, noch deelnemen aan de beraadslaging van het beperkt ministerieel comité. Hij kan echter wel worden gehoord.
Het beroep wordt ingesteld bij het secretariaat van de Ministerraad en is opschortend. [1 In voorkomend geval wordt het mandaat verlengd tot het einde van de in dit artikel bedoelde beroepsprocedure. [2 ...]2]1
§ 2. De houders van een managementfunctie -1, -2 [3 ...]3 wiens tussentijdse evaluatie resulteert in de vermelding " onvoldoende " of wiens eindevaluatie niet resulteert in de vermelding [3 "goed"]3 kunnen, per aangetekende brief, beroep instellen bij een comité, opgericht bij de minister tot wiens bevoegdheid de ambtenarenzaken behoren en comité van beroep genoemd. Het beroep wordt ingesteld binnen vijftien kalenderdagen na betekening van het evaluatieverslag.
Het comité omvat een Nederlandse en een Franse afdeling. De taalrol van de houder van de managementfunctie bepaalt voor welke afdeling hij verschijnt.
Elke afdeling is samengesteld uit [3 vijf]3 voorzitters van directiecomités van de federale overheidsdiensten en/of voorzitters, door Ons aangewezen op voordracht van de minister tot wiens bevoegdheid de ambtenarenzaken behoren. Ze wordt voorgezeten door het oudste lid, dat een ondervoorzitter aanwijst die de voorzitter in geval van afwezigheid vervangt.
De voorzitter van het directiecomité (of de voorzitter) die heeft deelgenomen aan de evaluatieprocedure van de houder van een managementfunctie -1 of -2 mag niet aanwezig zijn bij, noch deelnemen aan de beraadslaging van de afdeling : hij kan evenwel worden gehoord. <NOTA : De woorden "of de voorzitter" worden ingevoegd bij KB 2005-07-08/30, art. 7, 1°, met ingang op 31-10-2001, maar de vorm van art. 19 waarin ze ingevoegd worden werd pas met inwerkingtreding op 26-05-2005 gecreërd.>
Een voorzitter mag niet aanwezig zijn bij, noch deelnemen aan de beraadslaging van de afdeling belast met het onderzoek van een beroep ingesteld door de houder van een managementfunctie -1, -2 [3 ...]3 van de federale overheidsdienst waarvan zijn Federale Programmatorische Overheidsdienst afhangt.
Het beroep wordt ingesteld bij de minister tot wiens bevoegdheid de ambtenarenzaken behoren die, in elke zaak, een griffier-rapporteur aanwijst; deze laatste is niet stemgerechtigd.
Het comité maakt een huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan de minister tot wiens bevoegdheid de ambtenarenzaken behoren.
Het beroep is opschortend.
§ 3. De houder van de managementfunctie wordt opgeroepen, uiterlijk acht werkdagen voor de zitting, ten einde zijn verweermiddelen uiteen te zetten. Hij dient persoonlijk te verschijnen. Hij mag zich laten bijstaan door een persoon naar keuze. De verdediger mag op geen enkel ogenblik en in welke hoedanigheid ook deelgenomen hebben aan de evaluatieprocedure van de houder van de managementfunctie.
Indien de houder van de managementfunctie of zijn verdediger, ofschoon behoorlijk opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, doet het beroepsorgaan uitspraak op grond van de stukken van het dossier. Hetzelfde geldt zodra de zaak voor de tweede maal ter zitting komt, zelfs indien de houder van de managementfunctie of zijn verdediger een geldige reden kan aanvoeren.
De afwezigheid van de verdediger is, behoudens overmacht, geen reden van uitstel.
Het beroepsorgaan hoort iedereen en verzamelt alle nodige gegevens opdat het met volle kennis van zaken zich kan uitspreken.
§ 4. Het beroepsorgaan kan slechts op een rechtsgeldige manier de houder van de managementfunctie horen en beraadslagen voor zover de meerderheid van de leden aanwezig is.
[1 De stemming is geheim. Bij staking van stemmen bestaat het advies in het voorstel om de vermelding toe te kennen die onmiddellijk hoger is dan deze die toegekend was.]1
§ 5. [1 Het beroepsorgaan brengt zijn advies uit binnen de maand die volgt op de indiening van het beroep en bezorgt het onmiddellijk aan de eerste evaluator en de verzoeker.
De eerste evaluator en de tweede evaluator, als er een tweede evaluator is, kennen de definitieve vermelding toe binnen een termijn van vijftien kalenderdagen en delen ze onmiddellijk mee aan de geëvalueerde.]1
§ 6. Het beroepsorgaan kan zich laten bijstaan door een specialist in de evaluatiemethoden van de federale overheid.
De minister en/of staatssecretaris die de taak van eerste evaluator van de houder van de managementfunctie op zich heeft genomen, mag niet aanwezig zijn bij, noch deelnemen aan de beraadslaging van het beperkt ministerieel comité. Hij kan echter wel worden gehoord.
Het beroep wordt ingesteld bij het secretariaat van de Ministerraad en is opschortend. [1 In voorkomend geval wordt het mandaat verlengd tot het einde van de in dit artikel bedoelde beroepsprocedure. [2 ...]2]1
§ 2. De houders van een managementfunctie -1, -2 [3 ...]3 wiens tussentijdse evaluatie resulteert in de vermelding " onvoldoende " of wiens eindevaluatie niet resulteert in de vermelding [3 "goed"]3 kunnen, per aangetekende brief, beroep instellen bij een comité, opgericht bij de minister tot wiens bevoegdheid de ambtenarenzaken behoren en comité van beroep genoemd. Het beroep wordt ingesteld binnen vijftien kalenderdagen na betekening van het evaluatieverslag.
Het comité omvat een Nederlandse en een Franse afdeling. De taalrol van de houder van de managementfunctie bepaalt voor welke afdeling hij verschijnt.
Elke afdeling is samengesteld uit [3 vijf]3 voorzitters van directiecomités van de federale overheidsdiensten en/of voorzitters, door Ons aangewezen op voordracht van de minister tot wiens bevoegdheid de ambtenarenzaken behoren. Ze wordt voorgezeten door het oudste lid, dat een ondervoorzitter aanwijst die de voorzitter in geval van afwezigheid vervangt.
De voorzitter van het directiecomité (of de voorzitter) die heeft deelgenomen aan de evaluatieprocedure van de houder van een managementfunctie -1 of -2 mag niet aanwezig zijn bij, noch deelnemen aan de beraadslaging van de afdeling : hij kan evenwel worden gehoord. <NOTA : De woorden "of de voorzitter" worden ingevoegd bij KB 2005-07-08/30, art. 7, 1°, met ingang op 31-10-2001, maar de vorm van art. 19 waarin ze ingevoegd worden werd pas met inwerkingtreding op 26-05-2005 gecreërd.>
Een voorzitter mag niet aanwezig zijn bij, noch deelnemen aan de beraadslaging van de afdeling belast met het onderzoek van een beroep ingesteld door de houder van een managementfunctie -1, -2 [3 ...]3 van de federale overheidsdienst waarvan zijn Federale Programmatorische Overheidsdienst afhangt.
Het beroep wordt ingesteld bij de minister tot wiens bevoegdheid de ambtenarenzaken behoren die, in elke zaak, een griffier-rapporteur aanwijst; deze laatste is niet stemgerechtigd.
Het comité maakt een huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan de minister tot wiens bevoegdheid de ambtenarenzaken behoren.
Het beroep is opschortend.
§ 3. De houder van de managementfunctie wordt opgeroepen, uiterlijk acht werkdagen voor de zitting, ten einde zijn verweermiddelen uiteen te zetten. Hij dient persoonlijk te verschijnen. Hij mag zich laten bijstaan door een persoon naar keuze. De verdediger mag op geen enkel ogenblik en in welke hoedanigheid ook deelgenomen hebben aan de evaluatieprocedure van de houder van de managementfunctie.
Indien de houder van de managementfunctie of zijn verdediger, ofschoon behoorlijk opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, doet het beroepsorgaan uitspraak op grond van de stukken van het dossier. Hetzelfde geldt zodra de zaak voor de tweede maal ter zitting komt, zelfs indien de houder van de managementfunctie of zijn verdediger een geldige reden kan aanvoeren.
De afwezigheid van de verdediger is, behoudens overmacht, geen reden van uitstel.
Het beroepsorgaan hoort iedereen en verzamelt alle nodige gegevens opdat het met volle kennis van zaken zich kan uitspreken.
§ 4. Het beroepsorgaan kan slechts op een rechtsgeldige manier de houder van de managementfunctie horen en beraadslagen voor zover de meerderheid van de leden aanwezig is.
[1 De stemming is geheim. Bij staking van stemmen bestaat het advies in het voorstel om de vermelding toe te kennen die onmiddellijk hoger is dan deze die toegekend was.]1
§ 5. [1 Het beroepsorgaan brengt zijn advies uit binnen de maand die volgt op de indiening van het beroep en bezorgt het onmiddellijk aan de eerste evaluator en de verzoeker.
De eerste evaluator en de tweede evaluator, als er een tweede evaluator is, kennen de definitieve vermelding toe binnen een termijn van vijftien kalenderdagen en delen ze onmiddellijk mee aan de geëvalueerde.]1
§ 6. Het beroepsorgaan kan zich laten bijstaan door een specialist in de evaluatiemethoden van de federale overheid.
Art. 19. <AR 2005-02-01/35, art. 2, 007; En vigueur : 26-05-2005> § 1er. Le président du comité de direction ou le président dont une évaluation intermédiaire donne lieu à la mention " insuffisant " ou dont l'évaluation finale ne donne pas lieu à la mention [3 " bon "]3 peut introduire, par un envoi recommandé, un recours auprès d'un comité ministériel restreint, composé de trois membres du gouvernement, dont deux de la même appartenance linguistique que l'évalué, et désignés à cette fin par le Conseil des Ministres, dans les quinze jours civils qui suivent la notification du rapport d'évaluation.
Le ministre et/ou le secrétaire d'Etat qui a assumé le rôle de premier évaluateur du titulaire de la fonction de management, ne peut ni assister ni participer à la délibération du comité ministériel restreint. Il peut toutefois être entendu.
Le recours est introduit auprès du secrétariat du Conseil des Ministres et est suspensif. [1 Le cas échéant, le mandat est prolongé jusqu'au terme de la procédure de recours visée au présent article. [2 ...]2]1
§ 2. Les titulaires d'une fonction de management -1, -2 [3 ...]3 dont une évaluation intermédiaire donne lieu à la mention " insuffisant " ou dont l'évaluation finale ne donne pas lieu à la mention [3 " bon "]3 peuvent introduire, par un envoi recommandé, un recours auprès d'un comité créé auprès du ministre qui a la fonction publique dans ses attributions et dénommé comité de recours. Le recours est introduit dans les quinze jours civils qui suivent la notification du rapport d'évaluation.
Le comité comprend une section d'expression française et une section d'expression néerlandaise. Le rôle linguistique du titulaire de la fonction de management détermine la section devant laquelle il comparaît.
Chaque section est composée de [3 cinq]3 présidents de comité de direction des services publics fédéraux et/ou présidents, désignés par Nous sur proposition du ministre qui a la fonction publique dans ses attributions. Elle est présidée par le membre le plus âgé qui désigne un vice-président qui remplace le président en cas d'absence.
Le président de comité de direction (ou le président) qui a pris part au processus d'évaluation du titulaire d'une fonction de management -1 ou -2 ne peut ni assister ni participer à la délibération de la section : il peut toutefois être entendu.
Un président ne peut ni assister ni participer à la délibération de la section chargée de l'examen d'un recours introduit par le titulaire d'une fonction de management -1, -2 [3 ...]3 du service public fédéral dont dépend son Service public fédéral de Programmation.
Le recours est introduit auprès du ministre qui a la fonction publique dans ses attributions qui désigne, dans chaque affaire, un greffier-rapporteur; celui-ci n'a pas voix délibérative.
Le comité établit un règlement d'ordre intérieur et le soumet à l'approbation du ministre qui a la fonction publique dans ses attributions.
Le recours est suspensif.
§ 3. Le titulaire de la fonction de management est convoqué, en vue d'être entendu en ses moyens de défense, au moins huit jours ouvrables avant la date de l'audience. Il doit comparaître en personne. Il peut se faire assister par une personne de son choix. Le défenseur ne peut avoir pris part, à aucun moment et à quelque titre que ce soit, au processus d'évaluation du titulaire de la fonction de management.
Si, bien que régulièrement convoqué, le titulaire de la fonction de management ou son défenseur s'abstient, sans excuse valable, de comparaître, l'organe de recours se prononce sur base des pièces du dossier. Il en va de même dès que le recours fait l'objet d'une deuxième audience, même si le titulaire de la fonction de management ou son défenseur peut se prévaloir d'une excuse valable.
L'absence du défenseur ne constitue pas une cause de remise sauf en cas de force majeure.
L'organe de recours entend toute personne et réunit tous les éléments utiles susceptibles de lui permettre de se prononcer en toute connaissance de cause.
§ 4. L'organe de recours ne peut valablement procéder à l'audition du titulaire de la fonction de management et a la délibération que pour autant que la majorité des membres soit présente.
[1 Le vote a lieu au scrutin secret. En cas de partage des voix, l'avis consiste en la proposition d'attribuer la mention immédiatement supérieure à celle qui avait été attribuée.]1
§ 5. [1 L'organe de recours rend son avis dans le mois qui suit l'introduction du recours et le communique sans délai au premier évaluateur et au requérant.
Le premier évaluateur et le deuxième évaluateur lorsqu'il y a un deuxième évaluateur attribuent la mention définitive dans un délai de quinze jours civils et la signifient immédiatement à l'évalué.]1
§ 6. L'organe de recours peut se faire assister par un spécialiste dans les méthodes d'évaluation de l'administration fédérale.
Le ministre et/ou le secrétaire d'Etat qui a assumé le rôle de premier évaluateur du titulaire de la fonction de management, ne peut ni assister ni participer à la délibération du comité ministériel restreint. Il peut toutefois être entendu.
Le recours est introduit auprès du secrétariat du Conseil des Ministres et est suspensif. [1 Le cas échéant, le mandat est prolongé jusqu'au terme de la procédure de recours visée au présent article. [2 ...]2]1
§ 2. Les titulaires d'une fonction de management -1, -2 [3 ...]3 dont une évaluation intermédiaire donne lieu à la mention " insuffisant " ou dont l'évaluation finale ne donne pas lieu à la mention [3 " bon "]3 peuvent introduire, par un envoi recommandé, un recours auprès d'un comité créé auprès du ministre qui a la fonction publique dans ses attributions et dénommé comité de recours. Le recours est introduit dans les quinze jours civils qui suivent la notification du rapport d'évaluation.
Le comité comprend une section d'expression française et une section d'expression néerlandaise. Le rôle linguistique du titulaire de la fonction de management détermine la section devant laquelle il comparaît.
Chaque section est composée de [3 cinq]3 présidents de comité de direction des services publics fédéraux et/ou présidents, désignés par Nous sur proposition du ministre qui a la fonction publique dans ses attributions. Elle est présidée par le membre le plus âgé qui désigne un vice-président qui remplace le président en cas d'absence.
Le président de comité de direction (ou le président) qui a pris part au processus d'évaluation du titulaire d'une fonction de management -1 ou -2 ne peut ni assister ni participer à la délibération de la section : il peut toutefois être entendu.
Un président ne peut ni assister ni participer à la délibération de la section chargée de l'examen d'un recours introduit par le titulaire d'une fonction de management -1, -2 [3 ...]3 du service public fédéral dont dépend son Service public fédéral de Programmation.
Le recours est introduit auprès du ministre qui a la fonction publique dans ses attributions qui désigne, dans chaque affaire, un greffier-rapporteur; celui-ci n'a pas voix délibérative.
Le comité établit un règlement d'ordre intérieur et le soumet à l'approbation du ministre qui a la fonction publique dans ses attributions.
Le recours est suspensif.
§ 3. Le titulaire de la fonction de management est convoqué, en vue d'être entendu en ses moyens de défense, au moins huit jours ouvrables avant la date de l'audience. Il doit comparaître en personne. Il peut se faire assister par une personne de son choix. Le défenseur ne peut avoir pris part, à aucun moment et à quelque titre que ce soit, au processus d'évaluation du titulaire de la fonction de management.
Si, bien que régulièrement convoqué, le titulaire de la fonction de management ou son défenseur s'abstient, sans excuse valable, de comparaître, l'organe de recours se prononce sur base des pièces du dossier. Il en va de même dès que le recours fait l'objet d'une deuxième audience, même si le titulaire de la fonction de management ou son défenseur peut se prévaloir d'une excuse valable.
L'absence du défenseur ne constitue pas une cause de remise sauf en cas de force majeure.
L'organe de recours entend toute personne et réunit tous les éléments utiles susceptibles de lui permettre de se prononcer en toute connaissance de cause.
§ 4. L'organe de recours ne peut valablement procéder à l'audition du titulaire de la fonction de management et a la délibération que pour autant que la majorité des membres soit présente.
[1 Le vote a lieu au scrutin secret. En cas de partage des voix, l'avis consiste en la proposition d'attribuer la mention immédiatement supérieure à celle qui avait été attribuée.]1
§ 5. [1 L'organe de recours rend son avis dans le mois qui suit l'introduction du recours et le communique sans délai au premier évaluateur et au requérant.
Le premier évaluateur et le deuxième évaluateur lorsqu'il y a un deuxième évaluateur attribuent la mention définitive dans un délai de quinze jours civils et la signifient immédiatement à l'évalué.]1
§ 6. L'organe de recours peut se faire assister par un spécialiste dans les méthodes d'évaluation de l'administration fédérale.
HOOFDSTUK VI. [1 - Einde van het mandaat, niet-hernieuwing ervan en tijdelijke vervanging.]1
CHAPITRE VI. [1 - De la fin du mandat, de son non renouvellement et du remplacement temporaire.]1
Afdeling I. - Einde van het mandaat.
Section I. - De la fin du mandat.
Onderafdeling I. - Einde van rechtswege [1 en tijdelijke vervanging]1.
Sous-section I. - De la fin de plein droit [1 et du remplacement temporaire]1.
Art. 20. [1 § 1. Het mandaat eindigt van rechtswege en zonder dat het aan de mandaathouder moet worden betekend :
1° op het einde van de periodes bedoeld in artikel 10;
2° wanneer de houder van de managementfunctie [4 de wettelijke pensioenleeftijd]4 bereikt;
3° als de houder van de managementfunctie in een andere managementfunctie of in een staffunctie wordt aangesteld, vanaf de eerste dag dat hij de nieuwe functie effectief uitoefent;
4° als de houder effectief één van de in artikel 14 bedoelde verloven geniet.
[2 5° wanneer de houder van de managementfunctie niet het bewijs heeft geleverd van de kennis van de tweede taal, bedoeld in artikel 43ter, § 7, eerste lid, en in voorkomend geval vijfde lid van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966;]2
[3 6° Wanneer de federale overheidsdienst of de programmatorische federale overheidsdienst of, in voorkomend geval, wanneer de dienst waarvoor de houder van een managementfunctie is aangesteld ophoudt te bestaan.]3
§ 2. Als de houder van de managementfunctie [4 de wettelijke pensioenleeftijd]4 bereikt tijdens het mandaat, kan hij vragen zijn mandaat te verlengen tot het einde ervan, per maximale periode van een jaar. De organen bedoeld in artikel 9, § 1, tweede lid, en § 2, tweede lid, nemen een met reden omklede beslissing. De verlengingsaanvraag wordt ingediend minstens 6 maanden voor de datum [4 van wettelijke pensionering]4 of van het einde van de verlenging.
§ 3. De minister of de staatssecretaris kan het mandaat van de houder van de managementfunctie verlengen als de procedure om hem te vervangen ingezet werd, op een regelmatige wijze vervolgd wordt maar nog niet heeft geleid tot een aanstelling. In het geval van een managementfunctie [3 -1 en -2]3 kan alleen over de verlenging worden beslist door de Minister of de Staatssecretaris op voordracht van de voorzitter van het directiecomité of van de voorzitter. De verlenging is beperkt tot zes maanden en is hernieuwbaar. De hernieuwing van de verlenging van een mandaat van voorzitter van het directiecomité of van een voorzitter wordt ondergeschikt aan het eensluidend advies van de in raad vergaderde ministers.
§ 4. De minister of de staatssecretaris kan voorzien in de tijdelijke vervanging van een houder van een managementfunctie, bij een definitief vacant verklaarde betrekking, door een andere houder van een management- of staffunctie of een rijksambtenaar van de klassen A4 of A5, ermee te belasten dat mandaat uit te oefenen, als de vervangingsprocedure ingezet werd, op een regelmatige wijze vervolgd wordt maar nog niet heeft geleid tot een aanstelling. Deze persoon maakt bij voorkeur deel uit van dezelfde federale overheidsdienst of dezelfde programmatorische federale overheidsdienst. In het geval van een managementfunctie [3 -1 en -2]3 kan alleen over de vervanging worden beslist door de Minister of de Staatssecretaris op voordracht van de voorzitter van het directiecomité of van de voorzitter.
De vervanger ontvangt gedurende deze vervanging een directiepremie van 735 euro voor de [5 ...]5 duur van één jaar.
[5 Onverminderd het tweede lid, blijft de premie behouden totdat er een nieuwe mandaathouder is aangesteld.]5
De directiepremie wordt maandelijks uitbetaald in dezelfde mate en tegen dezelfde voorwaarden als het loon.
Het bedrag van de premie wordt gekoppeld aan spilindex 138,01.
§ 5. Indien geen voordracht van verlenging of vervanging gedaan wordt door de voorzitter van het directiecomité of door de voorzitter, een maand voor het aflopen van het mandaat en de procedure nog niet heeft geleid tot een aanstelling, kan de minister of de staatssecretaris beslissen over de verlenging of de vervanging van de managementfunctie.]1
1° op het einde van de periodes bedoeld in artikel 10;
2° wanneer de houder van de managementfunctie [4 de wettelijke pensioenleeftijd]4 bereikt;
3° als de houder van de managementfunctie in een andere managementfunctie of in een staffunctie wordt aangesteld, vanaf de eerste dag dat hij de nieuwe functie effectief uitoefent;
4° als de houder effectief één van de in artikel 14 bedoelde verloven geniet.
[2 5° wanneer de houder van de managementfunctie niet het bewijs heeft geleverd van de kennis van de tweede taal, bedoeld in artikel 43ter, § 7, eerste lid, en in voorkomend geval vijfde lid van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966;]2
[3 6° Wanneer de federale overheidsdienst of de programmatorische federale overheidsdienst of, in voorkomend geval, wanneer de dienst waarvoor de houder van een managementfunctie is aangesteld ophoudt te bestaan.]3
§ 2. Als de houder van de managementfunctie [4 de wettelijke pensioenleeftijd]4 bereikt tijdens het mandaat, kan hij vragen zijn mandaat te verlengen tot het einde ervan, per maximale periode van een jaar. De organen bedoeld in artikel 9, § 1, tweede lid, en § 2, tweede lid, nemen een met reden omklede beslissing. De verlengingsaanvraag wordt ingediend minstens 6 maanden voor de datum [4 van wettelijke pensionering]4 of van het einde van de verlenging.
§ 3. De minister of de staatssecretaris kan het mandaat van de houder van de managementfunctie verlengen als de procedure om hem te vervangen ingezet werd, op een regelmatige wijze vervolgd wordt maar nog niet heeft geleid tot een aanstelling. In het geval van een managementfunctie [3 -1 en -2]3 kan alleen over de verlenging worden beslist door de Minister of de Staatssecretaris op voordracht van de voorzitter van het directiecomité of van de voorzitter. De verlenging is beperkt tot zes maanden en is hernieuwbaar. De hernieuwing van de verlenging van een mandaat van voorzitter van het directiecomité of van een voorzitter wordt ondergeschikt aan het eensluidend advies van de in raad vergaderde ministers.
§ 4. De minister of de staatssecretaris kan voorzien in de tijdelijke vervanging van een houder van een managementfunctie, bij een definitief vacant verklaarde betrekking, door een andere houder van een management- of staffunctie of een rijksambtenaar van de klassen A4 of A5, ermee te belasten dat mandaat uit te oefenen, als de vervangingsprocedure ingezet werd, op een regelmatige wijze vervolgd wordt maar nog niet heeft geleid tot een aanstelling. Deze persoon maakt bij voorkeur deel uit van dezelfde federale overheidsdienst of dezelfde programmatorische federale overheidsdienst. In het geval van een managementfunctie [3 -1 en -2]3 kan alleen over de vervanging worden beslist door de Minister of de Staatssecretaris op voordracht van de voorzitter van het directiecomité of van de voorzitter.
De vervanger ontvangt gedurende deze vervanging een directiepremie van 735 euro voor de [5 ...]5 duur van één jaar.
[5 Onverminderd het tweede lid, blijft de premie behouden totdat er een nieuwe mandaathouder is aangesteld.]5
De directiepremie wordt maandelijks uitbetaald in dezelfde mate en tegen dezelfde voorwaarden als het loon.
Het bedrag van de premie wordt gekoppeld aan spilindex 138,01.
§ 5. Indien geen voordracht van verlenging of vervanging gedaan wordt door de voorzitter van het directiecomité of door de voorzitter, een maand voor het aflopen van het mandaat en de procedure nog niet heeft geleid tot een aanstelling, kan de minister of de staatssecretaris beslissen over de verlenging of de vervanging van de managementfunctie.]1
Wijzigingen
Art. 20. [1 § 1er. Le mandat prend fin de plein droit et sans qu'il soit nécessaire de le notifier au mandataire :
1° au terme des périodes visées à l'article 10;
2° lorsque le titulaire de la fonction de management atteint l'âge [4 légal du départ à la retraite]4;
3° lorsque le titulaire de la fonction de management est désigné dans une autre fonction de management ou dans une fonction d'encadrement, dès le premier jour où il exerce effectivement cette nouvelle fonction;
4° lorsque le titulaire bénéficie de fait d'un des congés visés à l'article 14.
[2 5° lorsque le titulaire de la fonction de management n'a pas apporté la preuve de la connaissance de la deuxième langue visée à l'article 43ter, § 7, alinéa 1er, et le cas échéant à l'alinéa 5 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966;]2
[3 6° lorsque le service public fédéral ou le service public de programmation ou, le cas échéant, lorsque le service pour lequel le titulaire de la fonction de management est désigné cesse d'exister.]3
§ 2. Lorsque le titulaire de la fonction de management atteint l'âge [4 légal du départ à la retraite]4 en cours de mandat, il peut solliciter la prolongation de son mandat jusqu'au terme de celui-ci, par période maximale d'un an. Les organes visés à l'article 9, § 1er, alinéa 2 et § 2, alinéa 2, prennent une décision motivée. La demande de prolongation est introduite au moins 6 mois avant la date du [4 départ légal à la retraite]4 ou de la fin de la prolongation.
§ 3. Le ministre ou le secrétaire d'Etat peut prolonger le mandat du titulaire de la fonction de management si la procédure pour pourvoir à son remplacement a été engagée, est poursuivie de manière régulière mais n'a pas encore conduit à une désignation. Dans le cas d'une fonction de management [3 - 1 et - 2,]3 la prolongation ne peut être décidée par le ministre ou le secrétaire d'Etat que sur proposition du président du comité de direction ou du président. La prolongation est limitée à six mois et est renouvelable. Le renouvellement de la prolongation d'un mandat de président de comité de direction ou de président est subordonné à l'avis conforme des ministres réunis en conseil.
§ 4. Le ministre ou le secrétaire d'Etat peut pourvoir au remplacement temporaire d'un titulaire d'une fonction de management, quand le poste est déclaré définitivement vacant, en chargeant un autre titulaire d'une fonction de management ou d'encadrement ou un agent de l'Etat des classes A4 ou A5 d'exercer ce mandat, si la procédure pour pourvoir à ce remplacement a été engagée, est poursuivie de manière régulière mais n'a pas encore conduit à une désignation. Cette personne fait de préférence partie du même service public fédéral ou du même service public fédéral de programmation. Dans le cas d'une fonction de management [3 - 1 et - 2,]3, le remplacement ne peut être décidée par le ministre ou le secrétaire d'Etat que sur proposition du président du comité de direction ou du président.
Le remplaçant reçoit pendant ce remplacement une prime de direction de 735 euros pour une durée [5 ...]5 d'un an.
[5 Sans préjudice de l'alinéa 2, la prime est prolongée jusqu'à la désignation effective d'un titulaire dans la fonction de management.]5
La prime de direction est liquidée mensuellement dans la même mesure et aux mêmes conditions que le traitement.
Le montant de la prime est lié à l'indice-pivot 138,01.
§ 5. Si aucune proposition de prolongation ou de remplacement n'est faite par le président du comité de direction ou par le président un mois avant l'expiration du mandat et si la procédure n'a pas encore abouti à une désignation, le ministre ou le secrétaire d'Etat décident du prolongement ou du remplacement de la fonction de management.]1
1° au terme des périodes visées à l'article 10;
2° lorsque le titulaire de la fonction de management atteint l'âge [4 légal du départ à la retraite]4;
3° lorsque le titulaire de la fonction de management est désigné dans une autre fonction de management ou dans une fonction d'encadrement, dès le premier jour où il exerce effectivement cette nouvelle fonction;
4° lorsque le titulaire bénéficie de fait d'un des congés visés à l'article 14.
[2 5° lorsque le titulaire de la fonction de management n'a pas apporté la preuve de la connaissance de la deuxième langue visée à l'article 43ter, § 7, alinéa 1er, et le cas échéant à l'alinéa 5 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966;]2
[3 6° lorsque le service public fédéral ou le service public de programmation ou, le cas échéant, lorsque le service pour lequel le titulaire de la fonction de management est désigné cesse d'exister.]3
§ 2. Lorsque le titulaire de la fonction de management atteint l'âge [4 légal du départ à la retraite]4 en cours de mandat, il peut solliciter la prolongation de son mandat jusqu'au terme de celui-ci, par période maximale d'un an. Les organes visés à l'article 9, § 1er, alinéa 2 et § 2, alinéa 2, prennent une décision motivée. La demande de prolongation est introduite au moins 6 mois avant la date du [4 départ légal à la retraite]4 ou de la fin de la prolongation.
§ 3. Le ministre ou le secrétaire d'Etat peut prolonger le mandat du titulaire de la fonction de management si la procédure pour pourvoir à son remplacement a été engagée, est poursuivie de manière régulière mais n'a pas encore conduit à une désignation. Dans le cas d'une fonction de management [3 - 1 et - 2,]3 la prolongation ne peut être décidée par le ministre ou le secrétaire d'Etat que sur proposition du président du comité de direction ou du président. La prolongation est limitée à six mois et est renouvelable. Le renouvellement de la prolongation d'un mandat de président de comité de direction ou de président est subordonné à l'avis conforme des ministres réunis en conseil.
§ 4. Le ministre ou le secrétaire d'Etat peut pourvoir au remplacement temporaire d'un titulaire d'une fonction de management, quand le poste est déclaré définitivement vacant, en chargeant un autre titulaire d'une fonction de management ou d'encadrement ou un agent de l'Etat des classes A4 ou A5 d'exercer ce mandat, si la procédure pour pourvoir à ce remplacement a été engagée, est poursuivie de manière régulière mais n'a pas encore conduit à une désignation. Cette personne fait de préférence partie du même service public fédéral ou du même service public fédéral de programmation. Dans le cas d'une fonction de management [3 - 1 et - 2,]3, le remplacement ne peut être décidée par le ministre ou le secrétaire d'Etat que sur proposition du président du comité de direction ou du président.
Le remplaçant reçoit pendant ce remplacement une prime de direction de 735 euros pour une durée [5 ...]5 d'un an.
[5 Sans préjudice de l'alinéa 2, la prime est prolongée jusqu'à la désignation effective d'un titulaire dans la fonction de management.]5
La prime de direction est liquidée mensuellement dans la même mesure et aux mêmes conditions que le traitement.
Le montant de la prime est lié à l'indice-pivot 138,01.
§ 5. Si aucune proposition de prolongation ou de remplacement n'est faite par le président du comité de direction ou par le président un mois avant l'expiration du mandat et si la procédure n'a pas encore abouti à une désignation, le ministre ou le secrétaire d'Etat décident du prolongement ou du remplacement de la fonction de management.]1
Wijzigingen
Art.20bis. [1 § 1. Aan het einde van het mandaat wordt een outplacement georganiseerd op verzoek van:
1° ofwel de voormalige houder van de managementfunctie die de bestaande arbeidsrelatie of arbeidsovereenkomst in het federaal openbaar ambt beëindigt;
2° ofwel de voormalige houder van een managementfunctie die geen arbeidsrelatie of arbeidsovereenkomst heeft in het federaal openbaar ambt.
Om outplacement te genieten moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
1° geen arbeidsovereenkomst hebben afgesloten;
2° geen hoofdactiviteit als zelfstandige uitoefenen;
3° niet in dienst zijn als ambtenaar bij een overheidsdienst.
§ 2. De houder van de managementfunctie bedoeld in § 1, eerste lid dient uiterlijk binnen een maand na afloop van zijn mandaat zijn aanvraag voor outplacement in bij het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning.
Het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling begeleidt de federale diensten bij de invoering van het outplacement.
Het outplacement eindigt zodra niet wordt voldaan aan een van de in § 1, tweede lid bedoelde voorwaarden.
De in § 1 bedoelde houder van de managementfunctie brengt de bevoegde overheid en het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning op de hoogte van elke wijziging in zijn beroepssituatie.
§ 3. Onder outplacement wordt verstaan een reeks diensten en adviezen aan de in het eerste lid bedoelde houder van het mandaat om de kansen te verbeteren om sneller een betrekking of een beroepsactiviteit te vinden.
Het outplacement met een maximale duur van twaalf maanden maakt het voorwerp uit van een schriftelijk akkoord.
§ 4. De houder van een managementfunctie van wie het mandaat van rechtswege is beëindigd in toepassing van artikel 20, § 1, eerste lid, 6° geniet onder dezelfde modaliteiten het in deze paragraaf bedoelde outplacement.]1
1° ofwel de voormalige houder van de managementfunctie die de bestaande arbeidsrelatie of arbeidsovereenkomst in het federaal openbaar ambt beëindigt;
2° ofwel de voormalige houder van een managementfunctie die geen arbeidsrelatie of arbeidsovereenkomst heeft in het federaal openbaar ambt.
Om outplacement te genieten moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
1° geen arbeidsovereenkomst hebben afgesloten;
2° geen hoofdactiviteit als zelfstandige uitoefenen;
3° niet in dienst zijn als ambtenaar bij een overheidsdienst.
§ 2. De houder van de managementfunctie bedoeld in § 1, eerste lid dient uiterlijk binnen een maand na afloop van zijn mandaat zijn aanvraag voor outplacement in bij het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning.
Het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling begeleidt de federale diensten bij de invoering van het outplacement.
Het outplacement eindigt zodra niet wordt voldaan aan een van de in § 1, tweede lid bedoelde voorwaarden.
De in § 1 bedoelde houder van de managementfunctie brengt de bevoegde overheid en het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning op de hoogte van elke wijziging in zijn beroepssituatie.
§ 3. Onder outplacement wordt verstaan een reeks diensten en adviezen aan de in het eerste lid bedoelde houder van het mandaat om de kansen te verbeteren om sneller een betrekking of een beroepsactiviteit te vinden.
Het outplacement met een maximale duur van twaalf maanden maakt het voorwerp uit van een schriftelijk akkoord.
§ 4. De houder van een managementfunctie van wie het mandaat van rechtswege is beëindigd in toepassing van artikel 20, § 1, eerste lid, 6° geniet onder dezelfde modaliteiten het in deze paragraaf bedoelde outplacement.]1
Art.20bis. [1 § 1. Au terme du mandat, est organisé un outplacement, à la demande soit :
1° de l'ancien titulaire de la fonction de management qui, met un terme à la relation de travail ou au contrat de travail existant dans la fonction publique fédérale ;
1° de l'ancien titulaire d'une fonction de management qui n'a pas de relation de travail ni de contrat de travail dans la fonction publique fédérale.
Les conditions suivantes sont requises pour bénéficier de l'outplacement :
1° ne pas avoir conclu un contrat de travail ;
2° ne pas exercer une activité principale en tant qu'indépendant ;
3° ne pas être en service comme agent dans un service public.
§ 2. Le titulaire de la fonction de management visé au § 1er, alinéa 1er introduit sa demande d'outplacement au plus tard dans le mois qui suit la fin de son mandat auprès de la Direction générale Recrutement et Développement du service public fédéral Stratégie et Appui.
La Direction générale Recrutement et Développement accompagne les services fédéraux dans la mise en place de l'outplacement.
L'outplacement prend fin dès qu'une des conditions visées au § 1er, alinéa 2 n'est pas remplie.
Le titulaire de la fonction de management visé au § 1er informe l'autorité compétente et la Direction générale Recrutement et Développement du service public fédéral Stratégie et Appui de tout changement dans sa situation professionnelle.
§ 3. L'outplacement s'entend comme un ensemble de services et de conseils au titulaire du mandat visé à l'alinéa 1er afin de renforcer les opportunités de retrouver plus rapidement un emploi ou une activité professionnelle.
L'outplacement d'une durée maximum de douze mois fait l'objet d'un accord écrit.
§ 4. Le titulaire d'une fonction de management dont le mandat a pris fin de plein droit en application de l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 6°, bénéficie, selon les mêmes modalités, de l'outplacement visé au présent paragraphe.]1
1° de l'ancien titulaire de la fonction de management qui, met un terme à la relation de travail ou au contrat de travail existant dans la fonction publique fédérale ;
1° de l'ancien titulaire d'une fonction de management qui n'a pas de relation de travail ni de contrat de travail dans la fonction publique fédérale.
Les conditions suivantes sont requises pour bénéficier de l'outplacement :
1° ne pas avoir conclu un contrat de travail ;
2° ne pas exercer une activité principale en tant qu'indépendant ;
3° ne pas être en service comme agent dans un service public.
§ 2. Le titulaire de la fonction de management visé au § 1er, alinéa 1er introduit sa demande d'outplacement au plus tard dans le mois qui suit la fin de son mandat auprès de la Direction générale Recrutement et Développement du service public fédéral Stratégie et Appui.
La Direction générale Recrutement et Développement accompagne les services fédéraux dans la mise en place de l'outplacement.
L'outplacement prend fin dès qu'une des conditions visées au § 1er, alinéa 2 n'est pas remplie.
Le titulaire de la fonction de management visé au § 1er informe l'autorité compétente et la Direction générale Recrutement et Développement du service public fédéral Stratégie et Appui de tout changement dans sa situation professionnelle.
§ 3. L'outplacement s'entend comme un ensemble de services et de conseils au titulaire du mandat visé à l'alinéa 1er afin de renforcer les opportunités de retrouver plus rapidement un emploi ou une activité professionnelle.
L'outplacement d'une durée maximum de douze mois fait l'objet d'un accord écrit.
§ 4. Le titulaire d'une fonction de management dont le mandat a pris fin de plein droit en application de l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 6°, bénéficie, selon les mêmes modalités, de l'outplacement visé au présent paragraphe.]1
Onderafdeling II. - Vroegtijdige beëindiging.
Sous-section II. - De la fin anticipée.
Art. 21. <KB 2006-05-24/58, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 10-07-2006> § 1. Wanneer de evaluatie, bedoeld in artikel 16, eerste lid, leidt tot een vermelding " onvoldoende ", eindigt het mandaat op de eerste dag van de maand na die waarin de vermelding werd toegekend.
§ 2. De houder van een managementfunctie van wie het mandaat werd beëindigd omwille van een vermelding " onvoldoende " en die geen beroepsinkomen of rustpensioen geniet of zou kunnen genieten, ontvangt een beëindigingvergoeding.
§ 3. De beëindigingvergoeding is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse bezoldiging van de houder van de managementfunctie.
Onder jaarlijkse bezoldiging, moet worden verstaan : de wedde die verschuldigd had moeten zijn voor twaalf maanden, berekend overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde.
[1 Al naargelang de vermelding "onvoldoende" wordt toegekend [3 bij de eindevaluatie, bij de tweede tussentijdse evaluatie of bij de eerste tussentijdse evaluatie]3 verkrijgt de houder van de managementfunctie acht maal, zes maal of drie maal de beëindigingvergoeding, berekend overeenkomstig het eerste en het tweede lid.]1
[3 Indien artikel 16 lid 4 wordt toegepast en aan het einde van de jaarlijkse evaluatiecyclus volgend op de eerste evaluatiecyclus of, in voorkomend geval, aan het einde van de jaarlijkse evaluatiecyclus voorafgaand aan de laatste evaluatiecyclus een vermelding "onvoldoende" wordt toegekend, ontvangt de houder van een managementfunctie driemaal of zesmaal de beëindigingsvergoeding overeenkomstig het eerste en het tweede lid.]3
De beëindigingvergoeding wordt maandelijks uitbetaald, mits maandelijkse voorlegging door de belanghebbende van een verklaring op eer waaruit blijkt dat hij gedurende de betrokken periode geen beroepsinkomen, of rustpensioen heeft genoten zoals bepaald in § 2. Indien door de belanghebbende een valse verklaring op eer wordt afgelegd, is deze een bedrag verschuldigd dat overeenstemt met de onterecht uitgekeerde beëindigingvergoeding of beëindigingvergoedingen.
§ 4. [1 In afwijking van § 3, derde lid, verkrijgen de in artikel 10, § 1, tweede lid, vermelde houders van een managementfunctie die gekozen hebben voor een mandaat van vier jaar, al naargelang de vermelding "onvoldoende" wordt toegekend bij de eindevaluatie of bij een tussentijdse evaluatie, zes maal of drie maal de beëindigingvergoeding, berekend overeenkomstig § 3, eerste en tweede lid.]1
§ 5. [2 ...]2
§ 2. De houder van een managementfunctie van wie het mandaat werd beëindigd omwille van een vermelding " onvoldoende " en die geen beroepsinkomen of rustpensioen geniet of zou kunnen genieten, ontvangt een beëindigingvergoeding.
§ 3. De beëindigingvergoeding is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse bezoldiging van de houder van de managementfunctie.
Onder jaarlijkse bezoldiging, moet worden verstaan : de wedde die verschuldigd had moeten zijn voor twaalf maanden, berekend overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde.
[1 Al naargelang de vermelding "onvoldoende" wordt toegekend [3 bij de eindevaluatie, bij de tweede tussentijdse evaluatie of bij de eerste tussentijdse evaluatie]3 verkrijgt de houder van de managementfunctie acht maal, zes maal of drie maal de beëindigingvergoeding, berekend overeenkomstig het eerste en het tweede lid.]1
[3 Indien artikel 16 lid 4 wordt toegepast en aan het einde van de jaarlijkse evaluatiecyclus volgend op de eerste evaluatiecyclus of, in voorkomend geval, aan het einde van de jaarlijkse evaluatiecyclus voorafgaand aan de laatste evaluatiecyclus een vermelding "onvoldoende" wordt toegekend, ontvangt de houder van een managementfunctie driemaal of zesmaal de beëindigingsvergoeding overeenkomstig het eerste en het tweede lid.]3
De beëindigingvergoeding wordt maandelijks uitbetaald, mits maandelijkse voorlegging door de belanghebbende van een verklaring op eer waaruit blijkt dat hij gedurende de betrokken periode geen beroepsinkomen, of rustpensioen heeft genoten zoals bepaald in § 2. Indien door de belanghebbende een valse verklaring op eer wordt afgelegd, is deze een bedrag verschuldigd dat overeenstemt met de onterecht uitgekeerde beëindigingvergoeding of beëindigingvergoedingen.
§ 4. [1 In afwijking van § 3, derde lid, verkrijgen de in artikel 10, § 1, tweede lid, vermelde houders van een managementfunctie die gekozen hebben voor een mandaat van vier jaar, al naargelang de vermelding "onvoldoende" wordt toegekend bij de eindevaluatie of bij een tussentijdse evaluatie, zes maal of drie maal de beëindigingvergoeding, berekend overeenkomstig § 3, eerste en tweede lid.]1
§ 5. [2 ...]2
Art. 21. <AR 2006-05-24/58, art. 4, 009; En vigueur : 10-07-2006> § 1er. Si l'évaluation visée à l'article 16, alinéa 1er, conduit à une mention " insuffisant ", le mandat prend fin le premier jour du mois qui suit celui de l'attribution de la mention.
§ 2. Le titulaire d'une fonction de management dont le mandant a pris fin par suite d'une mention " insuffisant " et qui ne bénéfice et ne pourrait pas bénéficier d'aucun revenu professionnel ou d'aucune pension de retraite reçoit une indemnité de départ.
§ 3. L'indemnité de départ est égale à un douzième de la rémunération annuelle du titulaire de la fonction de management.
Par rémunération annuelle, il faut entendre : le traitement qui aurait été dû pour douze mois, calculé conformément à l'article 3 de l'arrêté royal du 11 juillet 2001 relatif à la pondération des fonctions de management et d'encadrement dans les services publics fédéraux et fixant leur traitement.
[1 Selon que la mention " insuffisant " est attribuée [3 lors de l'évaluation finale, lors de la deuxième évaluation intermédiaire ou lors de la première évaluation intermédiaire]3, le titulaire de la fonction de management obtient huit fois, six fois ou trois fois l'indemnité de départ calculée conformément aux alinéas 1er et 2.]1
[3 S'il est fait application de l'article 16, alinéa 4, et que la mention " insuffisant " est attribuée au terme du cycle d'évaluation annuel suivant le premier cycle d'évaluation ou, le cas échéant, lors de cycle d'évaluation annuel précédant le cycle d'évaluation finale, le titulaire de management obtient trois fois ou six fois l'indemnité de départ conformément aux alinéas 1er et 2.]3
L'indemnité de départ est liquidée mensuellement moyennant l'introduction chaque mois par l'intéressé d'une déclaration sur l'honneur dans laquelle il apparaît que pour la période concernée, il n'a bénéficié ni de revenus professionnels, ni d'une pension au sens du § 2. Si l'intéressé a introduit une fausse déclaration sur l'honneur, il est redevable d'un montant qui correspond a l'indemnité de départ ou aux indemnités de départ indûment liquidée(s).
§ 4. [1 Par dérogation au § 3, alinéa 3, les titulaires d'une fonction de management mentionnés à l'article 10, § 1er, alinéa 2, qui ont choisi un mandat de quatre ans obtiennent, selon que la mention " insuffisant " est attribuée lors de l'évaluation finale ou lors d'une évaluation intermédiaire, six fois ou trois fois l'indemnité de départ, calculée conformément au § 3, alinéas 1er et 2.]1
§ 5. [2 ...]2
§ 2. Le titulaire d'une fonction de management dont le mandant a pris fin par suite d'une mention " insuffisant " et qui ne bénéfice et ne pourrait pas bénéficier d'aucun revenu professionnel ou d'aucune pension de retraite reçoit une indemnité de départ.
§ 3. L'indemnité de départ est égale à un douzième de la rémunération annuelle du titulaire de la fonction de management.
Par rémunération annuelle, il faut entendre : le traitement qui aurait été dû pour douze mois, calculé conformément à l'article 3 de l'arrêté royal du 11 juillet 2001 relatif à la pondération des fonctions de management et d'encadrement dans les services publics fédéraux et fixant leur traitement.
[1 Selon que la mention " insuffisant " est attribuée [3 lors de l'évaluation finale, lors de la deuxième évaluation intermédiaire ou lors de la première évaluation intermédiaire]3, le titulaire de la fonction de management obtient huit fois, six fois ou trois fois l'indemnité de départ calculée conformément aux alinéas 1er et 2.]1
[3 S'il est fait application de l'article 16, alinéa 4, et que la mention " insuffisant " est attribuée au terme du cycle d'évaluation annuel suivant le premier cycle d'évaluation ou, le cas échéant, lors de cycle d'évaluation annuel précédant le cycle d'évaluation finale, le titulaire de management obtient trois fois ou six fois l'indemnité de départ conformément aux alinéas 1er et 2.]3
L'indemnité de départ est liquidée mensuellement moyennant l'introduction chaque mois par l'intéressé d'une déclaration sur l'honneur dans laquelle il apparaît que pour la période concernée, il n'a bénéficié ni de revenus professionnels, ni d'une pension au sens du § 2. Si l'intéressé a introduit une fausse déclaration sur l'honneur, il est redevable d'un montant qui correspond a l'indemnité de départ ou aux indemnités de départ indûment liquidée(s).
§ 4. [1 Par dérogation au § 3, alinéa 3, les titulaires d'une fonction de management mentionnés à l'article 10, § 1er, alinéa 2, qui ont choisi un mandat de quatre ans obtiennent, selon que la mention " insuffisant " est attribuée lors de l'évaluation finale ou lors d'une évaluation intermédiaire, six fois ou trois fois l'indemnité de départ, calculée conformément au § 3, alinéas 1er et 2.]1
§ 5. [2 ...]2
Art. 21bis. [1 De beëindigingvergoeding is ook verschuldigd aan de houder van een managementfunctie van wie het mandaat eindigt omdat hij geen bewijs heeft geleverd van de kennis van de tweede taal bedoeld in artikel 43ter, § 7, eerste lid, en in voorkomend geval het vijfde lid en die geen beroepsinkomen of rustpensioen geniet of zou kunnen genieten.
De houder van de managementfunctie krijgt tweemaal het bedrag van de beëindigingvergoeding, berekend overeenkomstig het eerste en het tweede lid van artikel 21, § 3. Ze wordt uitbetaald overeenkomstig het vierde lid van dezelfde paragraaf.]1
De houder van de managementfunctie krijgt tweemaal het bedrag van de beëindigingvergoeding, berekend overeenkomstig het eerste en het tweede lid van artikel 21, § 3. Ze wordt uitbetaald overeenkomstig het vierde lid van dezelfde paragraaf.]1
Art. 21bis. [1 L'indemnité de départ est également due au titulaire d'une fonction de management dont le mandat prend fin en raison du fait qu'il n'a pas apporté la preuve de la connaissance de la deuxième langue visée à l'article 43ter, § 7, alinéa 1er, et le cas échéant à l'alinéa 5 et qui ne bénéficie et ne pourrait bénéficier d'aucun revenu professionnel ou d'aucune pension de retraite.
Le titulaire de la fonction de management obtient 2 fois le montant de l'indemnité de départ calculé conformément aux alinéas 1er et 2 de l'article 21, § 3. Elle est liquidée conformément à l'alinéa 4 du même paragraphe.]1
Le titulaire de la fonction de management obtient 2 fois le montant de l'indemnité de départ calculé conformément aux alinéas 1er et 2 de l'article 21, § 3. Elle est liquidée conformément à l'alinéa 4 du même paragraphe.]1
Art. 23. Indien de houder van een managementfunctie vraagt om zijn mandaat te beëindigen, is, zo de organen, bedoeld in artikel 9, §§ 1 en 2, akkoord gaan, een opzegging van zes maand vereist. Deze termijn kan in onderling akkoord verkort worden. (...) <KB 2006-05-24/58, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 10-07-2006>
Art. 23. Si le titulaire d'une fonction de management demande qu'il soit mis fin à son mandat, un préavis de six mois est requis si les organes visés à l'article 9, §§ 1er et 2 sont d'accord. Ce délai peut être réduit de commun accord. (...) <AR 2006-05-24/58, art. 5, 009; En vigueur : 10-07-2006>
Afdeling II. - Niet-hernieuwing.
Section II. - Du non-renouvellement.
Art. 24. <KB 2006-05-24/58, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 10-07-2006> § 1. De houder van een managementfunctie van wie de eindevaluatie aanleiding heeft gegeven tot de vermelding [4 ...]4 [4 "goed"]4 en die, na deelname aan een nieuwe vergelijkende selectie geen nieuw mandaat krijgt of van wie de managementfunctie niet meer vacant wordt verklaard, ontvangt een herintegratievergoeding.
[2 Wanneer overeenkomstig artikel 18, § 9 aan de houder van de managementfunctie aan het einde van het mandaat de vermelding [4 "goed"]4 van rechtswege wordt toegekend, is het eerste lid alleen van toepassing voor zover de laatste effectieve tussentijdse evaluatie resulteerde in de vermelding "voldoet aan de verwachtingen".]2
§ 2. De herintegratievergoeding is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse bezoldiging van de houder van de managementfunctie.
Onder jaarlijkse bezoldiging, moet worden verstaan : de wedde die verschuldigd had moeten zijn voor twaalf maanden, berekend overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde.
§ 3. In afwijking van § 2 bestaat voor de in artikel 13 vermelde houder van een managementfunctie de herintegratievergoeding uit een forfaitaire som dewelke overeenstemt met één twaalfde van het verschil tussen enerzijds, de wedde zoals vastgesteld in kolom 3 van artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde en anderzijds, het beroepsinkomen dat de houder van de managementfunctie zal genieten in de maand volgend op het einde van zijn mandaat.
De herintegratievergoeding wordt toegekend mits het afleggen door de betrokkene van een verklaring op eer met de vermelding van de maandwedde waarop hij recht heeft of recht zou hebben bij voltijdse prestaties.
§ 4. [4 ...]4
Indien de eindevaluatie aanleiding gegeven heeft tot de vermelding [4 "goed"]4, verkrijgt de houder van de managementfunctie bedoeld in § 1 de herintegratievergoeding berekend conform § 2 of § 3 volgens de volgende modaliteiten :
1° indien hij één mandaat volbracht heeft, verkrijgt hij tien keer het bedrag van de herintegratievergoeding door een eenmalige betaling;
2° indien hij twee [3 ...]3 aansluitende mandaten voor dezelfde functie volbracht heeft, verkrijgt hij twaalf keer het bedrag van de herintegratievergoeding door een eenmalige betaling.
§ 5. Indien de rechthebbende op de herintegratievergoeding binnen de 12 maanden na het einde van zijn mandaat de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is § 4 van toepassing. Niettemin wordt in dit geval het bedrag van de herintegratievergoeding, berekend conform § 2 of § 3, vermenigvuldigd met het aantal maanden tussen het einde van het mandaat en de aanvang van het pensioen.
[3 § 6. De vroegere houder van een managementfunctie van wie het mandaat van rechtswege is geëindigd in toepassing van artikel 20, § 1, eerste lid, 6° krijgt eveneens de in dit artikel bedoelde herintegratievergoeding mits hij bij [4 zijn evaluatie]4 een evaluatievermelding [4 "goed"]4 heeft gekregen.]3
[4 § 7. "Het bedrag van de herintegratievergoeding wordt in mindering gebracht met een bedrag dat overeenstemt met de kosten van het outplacement bedoeld in artikel 20bis, § 1.
§ 8. De herintegratievergoeding die berekend wordt volgens de modaliteiten van bovenvermelde § 3 wordt in voorkomend geval toegekend aan het niet onder artikel 13 vallende personeelslid dat na uitoefening van een mandaat in een managementfunctie herintegreert naar een betrekking bij het federaal openbaar ambt.]4
[2 Wanneer overeenkomstig artikel 18, § 9 aan de houder van de managementfunctie aan het einde van het mandaat de vermelding [4 "goed"]4 van rechtswege wordt toegekend, is het eerste lid alleen van toepassing voor zover de laatste effectieve tussentijdse evaluatie resulteerde in de vermelding "voldoet aan de verwachtingen".]2
§ 2. De herintegratievergoeding is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse bezoldiging van de houder van de managementfunctie.
Onder jaarlijkse bezoldiging, moet worden verstaan : de wedde die verschuldigd had moeten zijn voor twaalf maanden, berekend overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde.
§ 3. In afwijking van § 2 bestaat voor de in artikel 13 vermelde houder van een managementfunctie de herintegratievergoeding uit een forfaitaire som dewelke overeenstemt met één twaalfde van het verschil tussen enerzijds, de wedde zoals vastgesteld in kolom 3 van artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde en anderzijds, het beroepsinkomen dat de houder van de managementfunctie zal genieten in de maand volgend op het einde van zijn mandaat.
De herintegratievergoeding wordt toegekend mits het afleggen door de betrokkene van een verklaring op eer met de vermelding van de maandwedde waarop hij recht heeft of recht zou hebben bij voltijdse prestaties.
§ 4. [4 ...]4
Indien de eindevaluatie aanleiding gegeven heeft tot de vermelding [4 "goed"]4, verkrijgt de houder van de managementfunctie bedoeld in § 1 de herintegratievergoeding berekend conform § 2 of § 3 volgens de volgende modaliteiten :
1° indien hij één mandaat volbracht heeft, verkrijgt hij tien keer het bedrag van de herintegratievergoeding door een eenmalige betaling;
2° indien hij twee [3 ...]3 aansluitende mandaten voor dezelfde functie volbracht heeft, verkrijgt hij twaalf keer het bedrag van de herintegratievergoeding door een eenmalige betaling.
§ 5. Indien de rechthebbende op de herintegratievergoeding binnen de 12 maanden na het einde van zijn mandaat de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, is § 4 van toepassing. Niettemin wordt in dit geval het bedrag van de herintegratievergoeding, berekend conform § 2 of § 3, vermenigvuldigd met het aantal maanden tussen het einde van het mandaat en de aanvang van het pensioen.
[3 § 6. De vroegere houder van een managementfunctie van wie het mandaat van rechtswege is geëindigd in toepassing van artikel 20, § 1, eerste lid, 6° krijgt eveneens de in dit artikel bedoelde herintegratievergoeding mits hij bij [4 zijn evaluatie]4 een evaluatievermelding [4 "goed"]4 heeft gekregen.]3
[4 § 7. "Het bedrag van de herintegratievergoeding wordt in mindering gebracht met een bedrag dat overeenstemt met de kosten van het outplacement bedoeld in artikel 20bis, § 1.
§ 8. De herintegratievergoeding die berekend wordt volgens de modaliteiten van bovenvermelde § 3 wordt in voorkomend geval toegekend aan het niet onder artikel 13 vallende personeelslid dat na uitoefening van een mandaat in een managementfunctie herintegreert naar een betrekking bij het federaal openbaar ambt.]4
Wijzigingen
Art. 24. <AR 2006-05-24/58, art. 6, 009; En vigueur : 10-07-2006> § 1er. Le titulaire d'une fonction de management dont l'évaluation finale a donné lieu [4 ...]4 à la mention [4 " bon "]4 et qui, après la participation à une nouvelle sélection comparative, ne reçoit pas un nouveau mandat ou dont la fonction de management n'est plus déclarée vacante, reçoit une indemnité de réintégration.
[2 Lorsque, conformément à l'article 18, § 9, la mention [4 " bon "]4 est attribuée de plein droit au titulaire de la fonction de management à la fin du mandat, l'alinéa premier ne s'applique que pour autant que la dernière évaluation intermédiaire effective ait au moins donné lieu à la mention [4 " bon "]4.]2
§ 2. L'indemnité de réintégration est égale à un douzième de la rémunération annuelle du titulaire de la fonction de management.
Par rémunération annuelle, il faut entendre : le traitement qui aurait été dû pour douze mois, calculé conformément à l'article 3 de l'arrêté royal du 11 juillet 2001 relatif à la pondération des fonctions de management et d'encadrement dans les services publics fédéraux et fixant leur traitement.
§ 3. Par dérogation au § 2, pour le titulaire d'une fonction de management visé à l'article 13, l'indemnité de réintégration est égale à une somme forfaitaire qui correspond à une douzième de la différence entre, d'une part, le traitement tel que fixé à la colonne 3 du tableau repris à l'article 3 de l'arrêté royal du 11 juillet 2001 relatif à la pondération des fonctions de management et d'encadrement dans les services publics fédéraux et fixant leur traitement, et, d'autre part, le revenu professionnel que le titulaire de la fonction de management percevra dans le mois qui suit la fin de son mandat.
L'indemnité de réintégration est liquidée moyennant l'introduction par l'intéressé d'une déclaration sur l'honneur mentionnant le montant mensuel du traitement auquel l'intéressé a droit ou aurait droit pour des prestations complètes.
§ 4. [4 ...]4
Lorsque l'évaluation finale a donné lieu à la mention [4 " bon "]4, le titulaire de la fonction de management visé au § 1er obtient l'indemnité de réintégration calculée conformément au § 2 ou au § 3 selon les modalités suivantes :
1° s'il a accompli un seul mandat, il obtient dix fois le montant de l'indemnité de réintégration en un seul paiement;
2° s'il a accompli deux [3 ...]3 mandats successifs dans la même fonction de management, il obtient douze fois le montant de l'indemnité de réintégration en un seul paiement.
§ 5. Si le bénéficiaire de l'indemnité de réintégration atteint l'âge de la retraite dans les douze mois qui suivent la fin de son mandat, le § 4 est d'application. Toutefois, en ce cas, le montant de l'indemnité de réintégration calculée conformément au § 2 ou au § 3 est multiplié par le nombre de mois entre le fin du mandat et la date de prise de cours de la pension de retraite.
[3 § 6. L'ancien titulaire d'une fonction de management dont le mandat a pris fin de plein droit en application de l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 6° bénéficie également de l'indemnité de réintégration visée au présent article dès lors qu'il a obtenu une mention d'évaluation [4 " bon "]4 lors [4 de son évaluation]4.]3
[4 § 7. Le montant de l'indemnité de réintégration est diminué d'un montant correspondant aux coûts de l'outplacement visé à l'article 20bis, § 1er.
§ 8. L'indemnité de réintégration calculée selon les modalités prévues au § 3 susmentionné est, le cas échéant, octroyée au membre du personnel non visé par l'article 13 qui réintègre, à la suite d'un mandat exercé dans une fonction de management, un emploi au sein de la fonction publique fédérale.]4
[2 Lorsque, conformément à l'article 18, § 9, la mention [4 " bon "]4 est attribuée de plein droit au titulaire de la fonction de management à la fin du mandat, l'alinéa premier ne s'applique que pour autant que la dernière évaluation intermédiaire effective ait au moins donné lieu à la mention [4 " bon "]4.]2
§ 2. L'indemnité de réintégration est égale à un douzième de la rémunération annuelle du titulaire de la fonction de management.
Par rémunération annuelle, il faut entendre : le traitement qui aurait été dû pour douze mois, calculé conformément à l'article 3 de l'arrêté royal du 11 juillet 2001 relatif à la pondération des fonctions de management et d'encadrement dans les services publics fédéraux et fixant leur traitement.
§ 3. Par dérogation au § 2, pour le titulaire d'une fonction de management visé à l'article 13, l'indemnité de réintégration est égale à une somme forfaitaire qui correspond à une douzième de la différence entre, d'une part, le traitement tel que fixé à la colonne 3 du tableau repris à l'article 3 de l'arrêté royal du 11 juillet 2001 relatif à la pondération des fonctions de management et d'encadrement dans les services publics fédéraux et fixant leur traitement, et, d'autre part, le revenu professionnel que le titulaire de la fonction de management percevra dans le mois qui suit la fin de son mandat.
L'indemnité de réintégration est liquidée moyennant l'introduction par l'intéressé d'une déclaration sur l'honneur mentionnant le montant mensuel du traitement auquel l'intéressé a droit ou aurait droit pour des prestations complètes.
§ 4. [4 ...]4
Lorsque l'évaluation finale a donné lieu à la mention [4 " bon "]4, le titulaire de la fonction de management visé au § 1er obtient l'indemnité de réintégration calculée conformément au § 2 ou au § 3 selon les modalités suivantes :
1° s'il a accompli un seul mandat, il obtient dix fois le montant de l'indemnité de réintégration en un seul paiement;
2° s'il a accompli deux [3 ...]3 mandats successifs dans la même fonction de management, il obtient douze fois le montant de l'indemnité de réintégration en un seul paiement.
§ 5. Si le bénéficiaire de l'indemnité de réintégration atteint l'âge de la retraite dans les douze mois qui suivent la fin de son mandat, le § 4 est d'application. Toutefois, en ce cas, le montant de l'indemnité de réintégration calculée conformément au § 2 ou au § 3 est multiplié par le nombre de mois entre le fin du mandat et la date de prise de cours de la pension de retraite.
[3 § 6. L'ancien titulaire d'une fonction de management dont le mandat a pris fin de plein droit en application de l'article 20, § 1er, alinéa 1er, 6° bénéficie également de l'indemnité de réintégration visée au présent article dès lors qu'il a obtenu une mention d'évaluation [4 " bon "]4 lors [4 de son évaluation]4.]3
[4 § 7. Le montant de l'indemnité de réintégration est diminué d'un montant correspondant aux coûts de l'outplacement visé à l'article 20bis, § 1er.
§ 8. L'indemnité de réintégration calculée selon les modalités prévues au § 3 susmentionné est, le cas échéant, octroyée au membre du personnel non visé par l'article 13 qui réintègre, à la suite d'un mandat exercé dans une fonction de management, un emploi au sein de la fonction publique fédérale.]4
Wijzigingen
Art. 24bis. [1 De houder van een managementfunctie van wie de eindevaluatie werd besloten met de vermelding "te ontwikkelen" en die geen beroepsinkomen of rustpensioen geniet of zou kunnen genieten, ontvangt een beëindigingvergoeding.
De beëindigingvergoeding is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse bezoldiging van de houder van de managementfunctie.
Onder jaarlijkse bezoldiging moet worden verstaan : de wedde die verschuldigd had moeten zijn voor twaalf maanden, berekend overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde.
De houder van de managementfunctie verkrijgt tien maal de beëindigingvergoeding, berekend overeenkomstig het tweede en derde lid. De vergoeding wordt echter verminderd tot zes maal indien het mandaat minder dan zes jaar heeft geduurd.
De beëindigingvergoeding wordt maandelijks uitbetaald, mits maandelijkse voorlegging door de belanghebbende van een verklaring op eer waaruit blijkt dat hij gedurende de betrokken periode geen beroepsinkomen of pensioen heeft genoten in de zin van het derde lid. [3 De betrokkene, die verklaart geen beroepsinkomen te hebben en arbeidsgeschikt is, heeft slechts recht op de beëindigingsvergoeding indien hij effectief de nodige inspanningen heeft geleverd om een nieuwe betrekking te vinden.]3 Indien door de belanghebbende een valse verklaring op eer wordt voorgelegd, is deze een bedrag verschuldigd dat overeenstemt met de onterecht uitgekeerde beëindigingvergoeding of beëindigingvergoedingen.]1
[2 Dit artikel is onder dezelfde voorwaarden ook van toepassing op de houder van een managementfunctie van wie de eindevaluatie wordt van rechtswege afgesloten met de vermelding [3 "goed"]3, in toepassing van artikel 18, § 9, maar die de herintegratievergoeding, bedoeld in artikel 24, niet kan krijgen.]2
De beëindigingvergoeding is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse bezoldiging van de houder van de managementfunctie.
Onder jaarlijkse bezoldiging moet worden verstaan : de wedde die verschuldigd had moeten zijn voor twaalf maanden, berekend overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juli 2001 betreffende de weging van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten en tot vaststelling van hun wedde.
De houder van de managementfunctie verkrijgt tien maal de beëindigingvergoeding, berekend overeenkomstig het tweede en derde lid. De vergoeding wordt echter verminderd tot zes maal indien het mandaat minder dan zes jaar heeft geduurd.
De beëindigingvergoeding wordt maandelijks uitbetaald, mits maandelijkse voorlegging door de belanghebbende van een verklaring op eer waaruit blijkt dat hij gedurende de betrokken periode geen beroepsinkomen of pensioen heeft genoten in de zin van het derde lid. [3 De betrokkene, die verklaart geen beroepsinkomen te hebben en arbeidsgeschikt is, heeft slechts recht op de beëindigingsvergoeding indien hij effectief de nodige inspanningen heeft geleverd om een nieuwe betrekking te vinden.]3 Indien door de belanghebbende een valse verklaring op eer wordt voorgelegd, is deze een bedrag verschuldigd dat overeenstemt met de onterecht uitgekeerde beëindigingvergoeding of beëindigingvergoedingen.]1
[2 Dit artikel is onder dezelfde voorwaarden ook van toepassing op de houder van een managementfunctie van wie de eindevaluatie wordt van rechtswege afgesloten met de vermelding [3 "goed"]3, in toepassing van artikel 18, § 9, maar die de herintegratievergoeding, bedoeld in artikel 24, niet kan krijgen.]2
Art. 24bis. [1 Le titulaire d'une fonction de management dont l'évaluation finale se conclut par la mention " à développer " et qui ne bénéficie ou ne pourrait bénéficier d'aucun revenu professionnel ou d'aucune pension de retraite reçoit une indemnité de départ.
L'indemnité de départ est égale à un douzième de la rémunération annuelle du titulaire de la fonction de management.
Par rémunération annuelle, il faut entendre : le traitement qui aurait été dû pour douze mois, calculé conformément à l'article 3 de l'arrêté royal du 11 juillet 2001 relatif à la pondération des fonctions de management et d'encadrement dans les services publics fédéraux et fixant leur traitement.
Le titulaire de la fonction de management obtient dix fois l'indemnité de départ calculée conformément aux alinéas 2 et 3. Toutefois, l'indemnité est réduite à six fois si le mandat n'a pas duré 6 ans.
L'indemnité de départ est liquidée mensuellement moyennant l'introduction chaque mois par l'intéressé d'une déclaration sur l'honneur dans laquelle il apparaît que pour la période concernée, il n'a bénéficié ni de revenus professionnels, ni d'une pension au sens de l'alinéa 3. [3 L'intéressé qui déclare n'avoir aucun revenu professionnel et qui est apte au travail, n'a droit à l'indemnité de départ que s'il a effectivement consenti les efforts nécessaires pour trouver un nouvel emploi.]3 Si l'intéressé a introduit une fausse déclaration sur l'honneur, il est redevable d'un montant qui correspond à l'indemnité de départ ou aux indemnités de départ indûment liquidée(s).]1
[2 Le présent article s'applique également dans les mêmes conditions au titulaire d'une fonction de management dont l'évaluation finale se conclut de plein droit par la mention [3 " bon "]3 en application de l'article 18, § 9, mais qui ne peut obtenir l'indemnité de réintégration visée dans l'article 24.]2
L'indemnité de départ est égale à un douzième de la rémunération annuelle du titulaire de la fonction de management.
Par rémunération annuelle, il faut entendre : le traitement qui aurait été dû pour douze mois, calculé conformément à l'article 3 de l'arrêté royal du 11 juillet 2001 relatif à la pondération des fonctions de management et d'encadrement dans les services publics fédéraux et fixant leur traitement.
Le titulaire de la fonction de management obtient dix fois l'indemnité de départ calculée conformément aux alinéas 2 et 3. Toutefois, l'indemnité est réduite à six fois si le mandat n'a pas duré 6 ans.
L'indemnité de départ est liquidée mensuellement moyennant l'introduction chaque mois par l'intéressé d'une déclaration sur l'honneur dans laquelle il apparaît que pour la période concernée, il n'a bénéficié ni de revenus professionnels, ni d'une pension au sens de l'alinéa 3. [3 L'intéressé qui déclare n'avoir aucun revenu professionnel et qui est apte au travail, n'a droit à l'indemnité de départ que s'il a effectivement consenti les efforts nécessaires pour trouver un nouvel emploi.]3 Si l'intéressé a introduit une fausse déclaration sur l'honneur, il est redevable d'un montant qui correspond à l'indemnité de départ ou aux indemnités de départ indûment liquidée(s).]1
[2 Le présent article s'applique également dans les mêmes conditions au titulaire d'une fonction de management dont l'évaluation finale se conclut de plein droit par la mention [3 " bon "]3 en application de l'article 18, § 9, mais qui ne peut obtenir l'indemnité de réintégration visée dans l'article 24.]2
HOOFDSTUK VII. - Hernieuwing van het mandaat.
CHAPITRE VII. - Du renouvellement du mandat.
Art. 25. (Wanneer een managementfunctie door de betrokken minister vacant wordt verklaard en de houder ervan, van wie het mandaat verstrijkt, zijn kandidatuur stelt, geven de in artikel 9, § 1, tweede lid en § 2, tweede lid, bedoelde organen hem een nieuw mandaat, voorzover hij de [1 [4 ...]4 de eindvermelding [4 "goed"]4 kreeg na het eerste mandaat [3 ...]3]1.) <KB 2005-02-01/35, art. 3, 007; Inwerkingtreding : 26-05-2005>
In afwijking van de bepalingen van Hoofdstuk III, afdelingen II en III, wordt hij in dit geval geacht (voldaan te hebben aan de vergelijkende selectie, bedoeld in artikel 7), zonder dat een nieuwe selectieprocedure moet worden georganiseerd. <KB 2004-06-15/34, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 23-07-2004>.
[1 Artikel 10 is van toepassing.
Het eerste lid is alleen van toepassing als de functiebeschrijving noch grondig werd gewijzigd, noch in een andere klasse werd gewogen.]1
[2 Wanneer overeenkomstig artikel 18, § 9 aan de houder van de managementfunctie aan het einde van het mandaat de vermelding [4 "goed"]4 van rechtswege wordt toegekend, is het eerste lid alleen van toepassing voor zover de laatste effectieve tussentijdse evaluatie minstens resulteerde in de vermelding [4 "goed"]4 tijdens het eerste mandaat [3 ...]3.]2
In afwijking van de bepalingen van Hoofdstuk III, afdelingen II en III, wordt hij in dit geval geacht (voldaan te hebben aan de vergelijkende selectie, bedoeld in artikel 7), zonder dat een nieuwe selectieprocedure moet worden georganiseerd. <KB 2004-06-15/34, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 23-07-2004>.
[1 Artikel 10 is van toepassing.
Het eerste lid is alleen van toepassing als de functiebeschrijving noch grondig werd gewijzigd, noch in een andere klasse werd gewogen.]1
[2 Wanneer overeenkomstig artikel 18, § 9 aan de houder van de managementfunctie aan het einde van het mandaat de vermelding [4 "goed"]4 van rechtswege wordt toegekend, is het eerste lid alleen van toepassing voor zover de laatste effectieve tussentijdse evaluatie minstens resulteerde in de vermelding [4 "goed"]4 tijdens het eerste mandaat [3 ...]3.]2
Wijzigingen
Art. 25. Si une fonction de management est déclarée vacante par le ministre concerné et si son titulaire dont le mandat a pris fin pose sa candidature, les organes visés à l'article 9, § 1er, alinéa 2 et § 2, alinéa 2, lui donnent un nouveau mandat pour autant qu'il ait reçu [1 [4 ...]4 la mention finale [4 " bon "]4 après le premier mandat [3 ...]3]1. <AR 2005-02-01/35, art. 3, 007; En vigueur : 26-05-2005>
Par dérogation aux dispositions des sections II et III du Chapitre III, il est répute, en ce cas, avoir satisfait (à la sélection comparative visée à l'article 7), sans qu'une nouvelle procédure de sélection ne doive être organisée. <AR 2004-06-15/34, art. 6, 004; En vigueur : 23-07-2004>
[1 L'article 10 est d'application.
L'alinéa 1er ne s'applique que si la description de fonction n'a pas été profondément modifiée ni repondérée dans une autre classe.]1
[2 Lorsque, conformément à l'article 18, § 9, la mention [4 " bon "]4 est attribuée de plein droit au titulaire de la fonction de management à la fin du mandat, l'alinéa premier ne s'applique que pour autant que la dernière évaluation intermédiaire effective ait au moins donné lieu à la mention " répond aux attentes " pendant le premier mandat [3 ...]3.]2
Par dérogation aux dispositions des sections II et III du Chapitre III, il est répute, en ce cas, avoir satisfait (à la sélection comparative visée à l'article 7), sans qu'une nouvelle procédure de sélection ne doive être organisée. <AR 2004-06-15/34, art. 6, 004; En vigueur : 23-07-2004>
[1 L'article 10 est d'application.
L'alinéa 1er ne s'applique que si la description de fonction n'a pas été profondément modifiée ni repondérée dans une autre classe.]1
[2 Lorsque, conformément à l'article 18, § 9, la mention [4 " bon "]4 est attribuée de plein droit au titulaire de la fonction de management à la fin du mandat, l'alinéa premier ne s'applique que pour autant que la dernière évaluation intermédiaire effective ait au moins donné lieu à la mention " répond aux attentes " pendant le premier mandat [3 ...]3.]2
Wijzigingen
HOOFDSTUK VIII. - Overgangsbepalingen.
CHAPITRE VIII. - Dispositions transitoires.
Art. 26. Bij de eerste aanstelling van de voorzitters van het Directiecomité (of de voorzitters) en de houders van een managementfunctie -1, worden de jaren gepresteerd als titularis van een graad van rang 13 (en de jaren gepresteerd minstens in (klasse) A3) in aanmerking genomen voor de berekening van de zes jaar managementervaring (bedoeld in artikel 5, § 1, tweede lid). <KB 2004-06-15/34, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 23-07-2004> <KB 2004-08-04/30, art. 162, 005; Inwerkingtreding : 01-12-2004> <KB 2005-07-08/30, art. 8, 006; Inwerkingtreding : 31-10-2001> <KB 2008-11-19/30, art. 104, 010; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
(Tweede lid opgeheven) <KB 2004-06-15/34, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 23-07-2004>
(Derde lid opgeheven) <KB 2004-06-15/34, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 23-07-2004>
(Tweede lid opgeheven) <KB 2004-06-15/34, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 23-07-2004>
(Derde lid opgeheven) <KB 2004-06-15/34, art. 7, 004; Inwerkingtreding : 23-07-2004>
Art. 26. Pour la première désignation des présidents du Comité de direction (ou des présidents) et des titulaires d'une fonction de management -1, les années prestées au moins en qualité de titulaire d'un grade de rang 13 (et les années prestées au moins dans la (classe) A3) sont prises en considération pour le calcul des six ans d'expérience de management (visés à l'article 5, § 1er, alinéa 2). <AR 2004-06-15/34, art. 7, 004; En vigueur : 23-07-2004> <AR 2004-08-04/30, art. 162, 005; En vigueur : 01-12-2004> <AR 2005-07-08/30, art. 8, 006; En vigueur : 31-10-2001> <AR 2008-11-19/30, art. 104, 010; En vigueur : 01-12-2008>
(Alinéa 2 abrogé) <AR 2004-06-15/34, art. 7, 004; En vigueur : 23-07-2004>
(Alinéa 3 abrogé) <AR 2004-06-15/34, art. 7, 004; En vigueur : 23-07-2004>
(Alinéa 2 abrogé) <AR 2004-06-15/34, art. 7, 004; En vigueur : 23-07-2004>
(Alinéa 3 abrogé) <AR 2004-06-15/34, art. 7, 004; En vigueur : 23-07-2004>
Art. 27. (Ingetrokken) <KB 2002-02-06/33, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 21-02-2002>
Art. 27. (Rapporté) <AR 2002-02-06/33, art. 1, 002; En vigueur : 21-02-2002>
HOOFDSTUK IX. - Opheffings- en slotbepalingen.
CHAPITRE IX. - Dispositions abrogatoires et finales.
Art. 28. Artikel 74bis van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, vervangen bij het koninklijk besluit van 31 maart 1995, wordt opgeheven.
Art. 28. L'article 74bis de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat, remplacé par l'arrêté royal du 31 mars 1995, est abrogé.
Art. 29. Volgende koninklijke besluiten worden opgeheven :
1° het koninklijk besluit van 20 april 1999 tot organisatie van de benoeming, de loopbaan en de evaluatie van de ambtenaren belast met het beheer van sommige overheidsdiensten;
2° het koninklijk besluit van 20 april 1999 tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten volgens dewelke het koninklijk besluit van 20 april 1999 tot organisatie van de benoeming, de loopbaan en de evaluatie van de ambtenaren belast met het beheer van sommige overheidsdiensten van toepassing is op bepaalde instellingen van openbaar nut en op de openbare instellingen van sociale zekerheid;
3° het koninklijk besluit van 20 april 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 november 1966 betreffende de aanwijzing van tweetalig adjuncten in de centrale diensten;
4° het koninklijk besluit van 20 april 1999 houdende oprichting van de hoge Raad van Ambtenarenzaken;
5° het koninklijk besluit van 30 april 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut en tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut;
6° het koninklijk besluit van 30 april 1999 betreffende de directiepremie die wordt toegekend aan de ambtenaren die belast zijn met het beheer van sommige overheidsdiensten;
7° koninklijk besluit van 25 mei 1999 tot vaststelling van het opleidingsprogramma voor het directiebrevet.
(Dit artikel is eveneens van toepassing op het Ministerie van Landsverdediging.) <KB 2005-07-08/30, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 31-10-2001>
1° het koninklijk besluit van 20 april 1999 tot organisatie van de benoeming, de loopbaan en de evaluatie van de ambtenaren belast met het beheer van sommige overheidsdiensten;
2° het koninklijk besluit van 20 april 1999 tot bepaling van de voorwaarden en de modaliteiten volgens dewelke het koninklijk besluit van 20 april 1999 tot organisatie van de benoeming, de loopbaan en de evaluatie van de ambtenaren belast met het beheer van sommige overheidsdiensten van toepassing is op bepaalde instellingen van openbaar nut en op de openbare instellingen van sociale zekerheid;
3° het koninklijk besluit van 20 april 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 november 1966 betreffende de aanwijzing van tweetalig adjuncten in de centrale diensten;
4° het koninklijk besluit van 20 april 1999 houdende oprichting van de hoge Raad van Ambtenarenzaken;
5° het koninklijk besluit van 30 april 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 tot vaststelling van het statuut van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut en tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 januari 1973 houdende bezoldigingsregeling van het personeel van sommige instellingen van openbaar nut;
6° het koninklijk besluit van 30 april 1999 betreffende de directiepremie die wordt toegekend aan de ambtenaren die belast zijn met het beheer van sommige overheidsdiensten;
7° koninklijk besluit van 25 mei 1999 tot vaststelling van het opleidingsprogramma voor het directiebrevet.
(Dit artikel is eveneens van toepassing op het Ministerie van Landsverdediging.) <KB 2005-07-08/30, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 31-10-2001>
Art. 29. Les arrêtés royaux suivants sont abrogés :
1° l'arrêté royal du 20 avril 1999 organisant la nomination, la carrière et l'évaluation des agents chargés de la gestion de certains services publics;
2° l'arrêté royal du 20 avril 1999 déterminant les conditions et les modalités selon lesquelles l'arrêté royal du 20 avril 1999 organisant la nomination, la carrière et l'évaluation des agents chargés de la gestion de certains services publics est applicable à certains organismes d'intérêt public et aux institutions publiques de sécurité sociale;
3° l'arrêté royal du 20 avril 1999 modifiant l'arrêté royal du 30 novembre 1966 relatif à la désignation d'adjoints bilingues dans les services centraux;
4° l'arrêté royal du 20 avril 1999 créant le Conseil supérieur de la Fonction publique;
5° l'arrêté royal du 30 avril 1999 modifiant l'arrêté royal du 8 janvier 1973 fixant le statut du personnel de certains organismes d'intérêt public et modifiant l'arrêté royal du 8 janvier 1973 portant statut pécuniaire du personnel de certains organismes d'intérêt public;
6° l'arrêté royal du 30 avril 1999 relatif à la prime de direction attribuée aux agents chargés de la gestion de certains services publics;
7° l'arrêté royal du 25 mai 1999 fixant le programme de la formation pour le brevet de direction.
(Le présent article est également applicable au Ministère de la Défense.) <AR 2005-07-08/30, art. 9, 006; En vigueur : 31-10-2001>
1° l'arrêté royal du 20 avril 1999 organisant la nomination, la carrière et l'évaluation des agents chargés de la gestion de certains services publics;
2° l'arrêté royal du 20 avril 1999 déterminant les conditions et les modalités selon lesquelles l'arrêté royal du 20 avril 1999 organisant la nomination, la carrière et l'évaluation des agents chargés de la gestion de certains services publics est applicable à certains organismes d'intérêt public et aux institutions publiques de sécurité sociale;
3° l'arrêté royal du 20 avril 1999 modifiant l'arrêté royal du 30 novembre 1966 relatif à la désignation d'adjoints bilingues dans les services centraux;
4° l'arrêté royal du 20 avril 1999 créant le Conseil supérieur de la Fonction publique;
5° l'arrêté royal du 30 avril 1999 modifiant l'arrêté royal du 8 janvier 1973 fixant le statut du personnel de certains organismes d'intérêt public et modifiant l'arrêté royal du 8 janvier 1973 portant statut pécuniaire du personnel de certains organismes d'intérêt public;
6° l'arrêté royal du 30 avril 1999 relatif à la prime de direction attribuée aux agents chargés de la gestion de certains services publics;
7° l'arrêté royal du 25 mai 1999 fixant le programme de la formation pour le brevet de direction.
(Le présent article est également applicable au Ministère de la Défense.) <AR 2005-07-08/30, art. 9, 006; En vigueur : 31-10-2001>
Art. 30. Het koninklijk besluit van 2 mei 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de management- en staffuncties in de federale overheidsdiensten wordt ingetrokken.
Art. 30. (L'arrêté royal du 2 mai 2001 relatif à la désignation et l'exercice des fonctions de management et d'encadrement dans les services publics fédéraux est retiré).
Art. 31. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 31. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 32. Onze ministers en Onze Staatssecretarissen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 32. Nos ministres et Nos secrétaires d'Etat sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrête.