Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
17 DECEMBER 1999. - Besluit van de Vlaamse regering betreffende het tijdelijke project onderwijsvoorrang in het secundair onderwijs. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-12-2000 en tekstbijwerking tot 31-10-2002).
Titre
17 DECEMBRE 1999. - Arrêté du Gouvernement flamand relatif au projet temporaire d'enseignement prioritaire dans l'enseignement secondaire (TRADUCTION). (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 28-12-2000 et mise à jour au 31-10-2002).
Documentinformatie
Numac: 2000036255
Datum: 1999-12-17
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2000036255
Date: 1999-12-17
Moniteur: Voir
Tekst (15)
Texte (15)
Artikel 1. Dit besluit is van toepassing op de door de Vlaamse Gemeenschap gefinancierde en gesubsidieerde scholen van het voltijds secundair onderwijs.
Het is niet van toepassing op de vierde graad van het secundair onderwijs en op het buitengewoon secundair onderwijs.
Article 1. Le présent arrêté est applicable aux établissements d'enseignement secondaire à temps plein financés et subventionnés par la Communauté flamande.
Il n'est pas d'application au quatrième degré de l'enseignement secondaire et à l'enseignement secondaire spécial.
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° leerling onderwijsvoorrang : de regelmatige leerling in het secundair onderwijs, van wie :
a) de grootmoeder langs moederszijde, niet in België is geboren en niet in het bezit is van de Belgische of Nederlandse nationaliteit door geboorte, en
b) de moeder hoogstens tot het einde van het schooljaar van het jaar waarin ze achttien werd, onderwijs heeft gevolgd;
2° aanwendingsplan : plan waarin beschreven wordt op welke wijze de wekelijkse extra uren-leraar onderwijsvoorrang worden aangewend;
3° wekelijkse extra uren-leraar onderwijsvoorrang : uren-leraar die gebruikt worden om :
a) de doorstroming van leerlingen onderwijsvoorrang in het secundair onderwijs te bevorderen en
b) de wijze van leren, het omgaan met leerlingen en de werking van de school af te stemmen op de culturele en sociale diversiteit van haar leerlingpopulatie;
4° doorstroming :
a) het bevorderen van een optimale instroom van het aantal leerlingen onderwijsvoorrang en in de A-stroom van de eerste graad en het verhogen van een gekwalificeerde uitstroom van het aantal leerlingen onderwijsvoorrang en in een van de onderwijsvormen Algemeen Secundair Onderwijs, Technisch Secundair Onderwijs of Kunstsecundair Onderwijs, en
b) het verhogen van het aantal studiebewijzen in het algemeen;
5° intercultureel onderwijs (ICO) : het geheel van globale maatregelen en specifieke acties die een school onderneemt om al haar leerlingen vaardigheden en kennisinhouden bij te brengen die nodig zijn om op een adequate en flexibele wijze om te gaan met culturele en sociale diversiteit;
6° Nederlands als Tweede Taal (NT2) : de specifieke aanpak binnen het vak Nederlands die erop gericht is de taalvaardigheid van het Nederlands te bevorderen bij leerlingen van wie het Nederlands niet de moedertaal is, maar die het Nederlands wel nodig hebben om succesvol te kunnen functioneren in school en maatschappij;
7° Nederlands als Instructietaal (NIT) : het specifiek gebruik van het Nederlands, voor eender welk vak in het Nederlandstalig onderwijs, om leerprocessen bij leerlingen op te zetten, waardoor deze in staat moeten zijn om formele boodschappen in het schoolse Nederlands te begrijpen en te produceren;
8° leerlingbetrokkenheid : initiatieven die de betrokkenheid tussen school, leerlingen en ouders verstrekken en onderbouwen;
9° leerlingbegeleiding : initiatieven inzake sociaal-emotionele begeleiding, studiekeuzebegeleiding en studiebegeleiding van de leerlingen, met het oog op het opvolgen van de schoolloopbaan van een leerling met behulp van een leerlingvolgsysteem;
10° leerlingvolgsysteem : het geheel van individuele leerlingdossiers waarin de schoolloopbaan van de leerlingen wordt beschreven met betrekking tot de vooropleiding, de in de school gevolgde studierichting(en), de leerresultaten en -evoluties, en eventueel de voortgezette opleiding of eerste beroepsenvaring(en);
11° Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur (OETC) : onderwijs in de moedertaal van de doelgroep;
12° non-discriminatiebeleid : het geheel van maatregelen in het gewoon onderwijs die tot doel hebben te komen tot een meer bewuste opstelling van de school betreffende het voorkomen en tegengaan van discriminatie, enerzijds, en tot het bevorderen van een meer evenredige aanwezigheid van de leerlingen onderwijsvoorrang over de scholen, anderzijds;
13° overeenkomst inzake toelatingsbeleid : een overeenkomst tussen alle inrichtende machten die secundair onderwijs inrichten in eenzelfde gemeente, eventueel regio, of in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, die tot doel heeft de toegang van de leerlingen onderwijsvoorrang te maximaliseren tot alle scholen in deze gemeente, eventueel regio, om een meer evenredige aanwezigheid van deze leerlingen onderwijsvoorrang te verkrijgen.
De overeenkomst gaat in op 1 september volgend op het afsluiten van de overeenkomst en geldt voor de duur van vijf opeenvolgende schooljaren (en kan telkens met één schooljaar verlengd worden).
Art. 2. Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
1° élève suivant un enseignement prioritaire : l'élève régulier de l'enseignement secondaire dont :
a) la grand-mère maternelle n'est pas née en Belgique et ne possède pas la nationalité belge ou néerlandaise par naissance, et
b) dont la mère a, tout au plus, bénéficié d'un enseignement jusqu'à la fin de l'année scolaire au cours de laquelle elle a atteint l'âge de dix-huit ans;
2° plan d'utilisation : le plan dans lequel est décrit comment sont utilisées les périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires destinées à l'enseignement prioritaire;
3° périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires destinées à l'enseignement prioritaire : les périodes-professeur qui sont utilisées dans l'intention :
a) de promouvoir la transition des élèves suivant un enseignement prioritaire dans l'enseignement secondaire et
b) d'aligner le mode d'apprentissage, le comportement vis-à-vis des élèves et le fonctionnement de l'école sur la diversité culturelle et sociale de sa population;
4° transition :
a) la promotion d'une entrée optimale des d'élèves suivant un enseignement prioritaire dans la filière A du premier degré et l'augmentation des sorties qualifiées des élèves suivant un enseignement prioritaire dans une des formes d'enseignement secondaire général, secondaire technique ou secondaire artistique et
b) l'augmentation du nombre de certificats en général;
5° enseignement interculturel (ICO) : l'ensemble des mesures globales et actions spécifiques qu'entreprend l'école dans l'intention d'apprendre à tous ses élèves des aptitudes et des contenus didactiques dont ils auront besoin pour faire face à la diversité culturelle et sociale d'une façon appropriée et flexible;
6° néerlandais comme deuxième langue (NT2) : l'approche spécifique pour la branche " néerlandais " axée sur la promotion de la maîtrise du néerlandais chez les élèves dont le néerlandais n'est pas la langue maternelle mais qui ont besoin du néerlandais pour leur réussite scolaire et sociale;
7° néerlandais comme langue d'instruction (NIT) : l'usage spécifique du néerlandais, pour toute branche dans l'enseignement néerlandophone, afin de faire naître des processus d'apprentissage chez les élèves qui leur permettront de comprendre et de produire des messages formels en néerlandais scolaire;
8° implication des élèves : des initiatives tendant à renforcer et resserrer les liens de l'école avec les élèves et les parents;
9° encadrement des élèves : des initiatives se centrant sur l'encadrement socio-émotionnel, l'orientation des études et l'étude personnelle guidée des élèves en vue d'assurer le suivi de la carrière scolaire de l'élève à l'aide d'un système de suivi des élèves;
10° système de suivi des élèves : l'ensemble des dossiers individuels des élèves dans lesquels est décrite la carrière scolaire des élèves en ce qui concerne la formation préalable, l'(les) orientation(s) d'études suivie(s) dans l'école, les résultats et évolutions en matière d'apprentissage et éventuellement la formation continuée ou la (les) première(s) expérience(s) professionnelle(s);
11° enseignement de la langue et de la culture d'origine (OETC) : enseignement de la langue maternelle du groupe-cible;
12° politique de non-discrimination : l'ensemble des mesures dans l'enseignement ordinaire ayant pour but une prise de position plus consciente de l'école à l'égard de la prévention et la lutte contre la discrimination d'une part et de la promotion d'une répartition plus proportionnelle des élèves suivant un enseignement prioritaire sur les écoles d'autre part;
13° convention relative à la politique d'admission : une convention entre tous les pouvoirs organisateurs organisant un enseignement secondaire dans une même commune, éventuellement la région, ou dans la Région de Bruxelles-Capitale, ayant pour but de maximiser l'accès des élèves suivant un enseignement prioritaire à toutes les écoles de cette commune ou éventuellement de cette région, afin d'obtenir une répartition plus proportionnelle de ces élèves suivant un enseignement prioritaire.
La convention prend cours le 1er septembre suivant sa conclusion et vaut pour une durée de cinq années scolaires successives (et peu être prolongée chaque fois d'une année scolaire).
Art. 3. § 1. Binnen de vastgestelde begrotingskredieten kunnen per school een aantal voorwaardelijke wekelijkse extra uren-leraar onderwijsvoorrang toegekend worden aan die scholen die gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° a) behoren tot een scholengemeenschap en op 1 februari van het voorafgaand schooljaar in de aanvragende school minstens tien procent of twintig leerlingen onderwijsvoorrang tellen op het totaal aantal leerlingen in de eerste graad;
of
b) niet behoren tot een scholengemeenschap en :
- minstens een eerste graad en een van de onderwijsvormen Algemeen Secundair Onderwijs, Technisch Secundair Onderwijs of Kunstsecundair Onderwijs met meer dan twee studierichtingen aanbieden en op 1 februari van het voorafgaand schooljaar in de aanvragende school minstens tien procent of twintig leerlingen onderwijsvoorrang tellen op het totaal aantal leerlingen in de eerste graad;
- of wanneer ze niet beantwoorden aan de voorwaarden zoals gesteld in de eerste gedachtenstreep van sub b), een samenwerkingsakkoord afsluiten met één of meer scholen die minstens één van de onderwijsvormen Algemeen Secundair Onderwijs, Technisch Secundair Onderwijs of Kunstsecundair Onderwijs met meer dan twee studierichtingen aanbieden en op 1 februari van het voorafgaand schooljaar in de aanvragende school minstens tien procent of twintig leerlingen onderwijsvoorrang tellen op het totaal aantal leerlingen in de eerste graad;
2° (driejaarlijks) een aanvraag en een aanwendingsplan indienen bij de bevoegde administratie van het departement Onderwijs, met opgave van het aantal leerlingen onderwijsvoorrang verdeeld over de verschillende graden en onderwijsvornen;
De aanvragende scholen zoals bedoeld in 1° sub a) moeten in de aanvraag aanduiden met welke school of scholen van de scholengemeenschap samengewerkt wordt.
De aanvragende scholen zoals bedoeld in 1° sub b), tweede gedachtenstreep, moeten het door alle betrokken partijen ondertekend samenwerkingsakkoord insluiten bij het aanwendingsplan.
De vaststelling omtrent het behoren tot de doelgroep gebeurt op grond van een schriftelijke verklaring op eer, gedateerd en ondertekend door de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent of die de minderjarige leerling in rechte of in feite onder zijn bewaring heeft;
3° over een door de beoordelingscommissie goedgekeurd aanwendingsplan beschikken;
4° geen negatief oordeel ontvangen hebben van de onderwijsinspectie over de aanwending van de wekelijkse extra uren-leraar;
5° verklaren met andere onderwijsinstellingen samen te werken aan een meer evenredige aanwezigheid en een optimale doorstroming van leerlingen onderwijsvoorrang.
Dit moet na hoogstens (drie) jaar tot uiting komen in een actieve en schriftelijk vastgelegde deelname aan het non-discriminatiebeleid dat minimaal het uitwerken van een toelatingsbeleid en een non-discriminatiecode inhoudt;
6° verklaren een samenwerkingsakkoord af te sluiten met een PMS-centrurn en vanaf het schooljaar 2000-2001 met een Centrum voor Leerlingenbegeleiding, dat door de Vlaamse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd wordt voor de ondersteuning van de school bij het opzetten van de leerlingbegeleiding;
7° verklaren zich te laten begeleiden door de pedagogische begeleiding van het net of de koepel waartoe de school behoort;
8° verklaren de leerkrachten nascholing te laten volgen inzake de actieterreinen zoals bedoeld in artikel 4, 1° en hen steunen bij deelname aan activiteiten in het kader van de netoverschrijdende coördinatie en ondersteuning;
9° verklaren samen te werken met een erkende welzijnsinstelling of socio-culturele instelling of met een integratiecentrum of integratiedienst voor migranten zoals bepaald in het decreet van 28 april 1998 inzake het Vlaams beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden;
§ 2. Het voordeel van de wekelijkse extra uren-leraar wordt toegekend voor (drie) schooljaren.
Art. 3. § 1er. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, il est possible d'octroyer par école un nombre de périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires destinées à l'enseignement prioritaire. Ces écoles doivent satisfaire simultanément aux conditions suivantes :
1° a) appartenir à un centre d'enseignement et compter le 1er février de l'année scolaire précédente dans l'école introduisant la demande au moins dix pour cent ou vingt élèves suivant un enseignement prioritaire sur le nombre total d'élèves du premier degré;
ou,
b) ne pas appartenir à un centre d'enseignement et :
- offrir au moins un premier degré et une des formes d'enseignement de l'enseignement secondaire général, secondaire technique ou secondaire artistique avec plus de deux orientations d'études et compter le 1er février de l'année scolaire précédente dans l'école introduisant la demande au moins dix pour cent ou vingt élèves suivant un enseignement prioritaire sur le nombre total d'élèves dans le premier degré;
- ou lorsqu'elles ne remplissent pas les conditions telles que fixées au premier tiret sous b), conclure une convention de coopération avec une ou plusieurs écoles qui offrent au moins une des formes d'enseignement de l'Enseignement secondaire général, secondaire technique ou secondaire artistique avec plus de deux orientations d'études et compter le 1er février de l'année scolaire précédente dans l'école introduisant la demande au moins dix pour cent ou vingt élèves suivant un enseignement prioritaire sur le nombre total d'élèves dans le premier degré;
2° introduire (tous les trois ans) une demande et un plan d'utilisation auprès de l'administration compétente du Département de l'Enseignement, avec mention du nombre d'élèves suivant un enseignement prioritaire répartis sur les différents degrés et formes d'enseignement;
Les écoles introduisant la demande telles que visées au 1° sous a) doivent indiquer dans la demande l'école ou les écoles du centre d'enseignement avec la (les)quelle(s) elles coopèrent.
Les écoles introduisant la demande telles que visées au 1° sous b), deuxième tiret doivent annexer au plan d'utilisation la convention de coopération signée par toutes les parties intéressées.
La constatation relative à l'appartenance au groupe-cible se fait sur la base d'une déclaration sur l'honneur par écrit, datée et signée par la personne exerçant l'autorité parentale ou ayant la garde de l'élève mineur en droit ou de fait;
3° disposer d'un plan d'utilisation approuvé par la commission d'évaluation;
4° ne pas avoir reçu une évaluation négative de la part de l'inspection de l'enseignement sur l'utilisation des périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires;
5° déclarer qu'elles coopèrent avec d'autres établissements d'enseignement afin de réaliser une présence plus proportionnelle et une transition optimale des élèves suivant un enseignement prioritaire.
Après (trois) ans au maximum, cette coopération doit aboutir à une participation active et fixée par écrit à la politique de non-discrimination, ce qui signifie que l'école doit élaborer au minimum une politique d'admission et un code de non-discrimination;
6° déclarer qu'elles passent une convention de coopération avec un centre PMS et à compter de l'année scolaire 2000-2001 avec un centre d'encadrement des élèves, qui est organisé ou subventionné par la Communauté flamande pour aider l'école à mettre en place l'encadrement des élèves;
7° déclarer qu'elles se font accompagner par l'encadrement pédagogique du réseau ou de l'organe coordinateur auquel appartient l'école;
8° déclarer être prête à charger les enseignants de suivre une formation continuée au niveau des domaines politiques tels que visés à l'article 4, 1° et à leur offrir un soutien lorsqu'ils participent à des activités dans le cadre de la coordination et de l'appui interréseaux;
9° déclarer qu'ils coopèrent avec une institution d'aide sociale ou un établissement socioculturel agréé ou avec un centre d'intégration ou service d'intégration pour migrants tel que fixé au décret du 28 avril 1998 relative à la politique flamande à l'encontre des minorités ethnoculturelles;
§ 2. L'avantage des périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires est attribué pour une période de (trois) années scolaires.
Art. 4. In het aanwendingsplan zoals bedoeld in artikel 3, § 1, 2°, moet de inrichtende macht van een school of de inrichtende machten van samenwerkende scholen binnen of buiten een scholengemeenschap, zoals bedoeld in artikel 3, § 1, 1° :
1° beschrijven op welke manier in elke vestigingsplaats van de school of van de samenwerkende scholen gewerkt wordt aan de volgende actieterreinen en hoe deze werking kadert binnen het schoolbeleid :
a) Nederlands als Tweede Taal en Nederlands als Instructietaal;
b) Intercultureel Onderwijs;
c) leerlingbegeleiding;
d) leerlingbetrokkenheid;
e) Onderwijs in Eigen Taal en Cultuur, als de school daarvoor opteert;
2° voor elk van de actieterreinen beschrijven :
a) hoe het geheel van het pakket uren-leraar wordt aangewend om resultaten te bereiken;
b) hoe de wekelijkse extra uren-leraar worden ingezet om resultaten te bereiken;
c) hoe de planmatige werking wordt opgezet;
d) hoe het overleg binnen het schoolteam en de nascholing van leerkrachten georganiseerd zijn en hoe samengewerkt wordt met externe instanties;
e) hoe de werking en de resultaten worden geëvalueerd;
3° beschrijven hoe de wekelijkse extra uren-leraar worden verdeeld over de verschillende graden, de verschillende onderwijsvormen en de verschillende vestigingsplaatsen van de school of van de samenwerkende scholen binnen of buiten een scholengemeenschap.
Art. 4. Dans le plan d'utilisation tel que visé à l'article 3, § 1er, 2°, le pouvoir organisateur d'une école ou les pouvoirs organisateurs des écoles coopérantes à l'intérieur ou à l'extérieur d'un centre d'enseignement tel que visé à l'article 3, § 1er, 1° doit/doivent :
1° décrire comment il est travaillé dans chaque implantation de l'école ou des écoles coopérantes au niveau des champs d'action suivants et comment ce fonctionnement s'inscrit dans la politique de l'école :
a) néerlandais comme deuxième langue et néerlandais comme langue d'instruction;
b) enseignement interculturel;
c) encadrement des élèves;
d) implication des élèves;
e) enseignement dans la propre langue et culture, si l'école opte pour ce champ d'action;
2° décrire pour chacun des champs d'action suivants :
a) comment l'ensemble du capital périodes/professeur est utilisé pour atteindre des résultats;
b) comment les périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires sont utilisées pour obtenir des résultats;
c) comment est mis en place le fonctionnement méthodique;
d) comment la concertation au sein de l'équipe scolaire et la formation continuée des enseignants sont organisées et comment on coopère avec des instances externes;
e) comment le fonctionnement et les résultats sont évalués;
3° décrire comment les périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires sont réparties sur les différents degrés, les différentes formes d'enseignement et les différentes implantations de l'école ou des écoles coopérantes au sein ou en dehors d'un centre d'enseignement.
Art. 5. § 1. De gegevens over de leerlingenaantallen en vormelijke vereisten voor de aanvraag en het aanwendingsplan worden door het departement Onderwijs gecontroleerd.
§ 2. De inhoud van het aanwendingsplan wordt beoordeeld door een beoordelingscommissie, samengesteld uit leden van de onderwijsinspectie, leden van het departement Onderwijs en externe deskundigen. Wil een school in aanmerking komen voor wekelijkse extra uren-leraar dan moet het aanwendingsplan op grond van het vervullen van de voorwaarden, bedoeld in artikel 4, gunstig beoordeeld worden. De negatieve beslissing van de beoordelingscommissie wordt omstandig gemotiveerd. Tegen deze beslissing kan een gemotiveerd beroep ingesteld worden bij de administratie secundair onderwijs - afdeling beleidsvoorbereiding binnen de vijf werkdagen na de dag van berekening van de negatieve beslissing.
Art. 5. § 1er. Les données sur les nombres d'élèves et les exigences formelles pour la demande et le plan d'utilisation sont contrôlées par le Département de l'Enseignement.
§ 2. Le contenu du plan d'utilisation est évalué par une commission d'évaluation, composée de membres de l'inspection de l'enseignement, de membres du Département de l'Enseignement et d'experts externes. Si une école désire être prise en considération pour des périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires, le plan d'utilisation doit être évalué favorablement sur la base des conditions visées à l'article 4. Une décision négative de la part de la commission d'évaluation doit être motivée de façon circonstanciée. Contre cette décision, un recours motivé peut être formé auprès de l'Administration de l'Enseignement secondaire Division Aide à la Politique générale dans les cinq jours ouvrables qui suivent la date de signification de la décision négative.
Art. 6. Als de op de begroting voorziene kredieten voor onderwijsvoorrang niet voldoende zijn om alle verantwoorde aanvragen te honoreren, worden de wekelijkse extra uren-leraar op basis van de beoordeling door de beoordelingscommissie, door de overheid toegekend aan de scholen waarvan het aanwendingsplan de beste beoordeling krijgt. Bij gelijke beoordeling wordt rekening gehouden met het percentage van het aantal leerlingen onderwijsvoorrang. De keuze wordt door de beoordelingscommissie verantwoord.
Art. 6. Si les crédits inscrits au budget pour l'enseignement prioritaire ne suffisent pas à honorer toutes les demandes justifiées, les périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires sont accordées par l'autorité aux écoles dont le plan d'utilisation obtient la meilleure évaluation de la part de la commission d'évaluation. Lors d'une évaluation identique il est tenu compte du pourcentage du nombre d'élèves suivant un enseignement prioritaire. Le choix est justifié par la commission d'évaluation.
Art. 7. § 1. De wekelijkse extra uren-leraar worden aan de school toegekend voor een periode van (drie) schooljaren.
Het aantal wekelijkse extra uren-leraar wordt per schooljaar en per school berekend door op het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen onderwijsvoorrang van de eerste graad en van de tweede graad Algemeen Secundair Onderwijs, Technisch Secundair Onderwijs of Kunstsecundair Onderwijs op 1 februari van het voorafgaand schooljaar een coëfficiënt toe te passen.
Voor de eerste graad betreft het een coëfficiënt van 0,47 per leerling onderwijsvoorrang, voor de tweede graad een coëfficiënt van 0,3 per leerling onderwijsvoorrang.
Nadat de aantallen leerlingen onderwijsvoorrang met hun respectievelijke coëfficiënten zijn vermenigvuldigd, worden de producten opgeteld. De som wordt afgerond naar de hogere eenheid zodra het eerste cijfer na de komma, groter is dan of gelijk is aan vijf. De som wordt afgerond naar de lagere eenheid zodra het eerste cijfer na de komma kleiner is dan vijf.
§ 2. Scholen die het (tweede of het derde) schooljaar de minimumdrempel, bedoeld in artikel 3, § 1, 1°, niet meer bereiken, behouden de mogelijkheid op wekelijkse extra uren-leraar.
Een school kan nooit voor het (tweede of het derde) schooljaar meer wekelijkse extra uren-leraar krijgen dan wat ze verkregen heeft voor het eerste schooljaar.
§ 3. De scholen die in het schooljaar 1998-1999 voor een eerste schooljaar een basispakket van 28 wekelijkse extra uren-leraar verkregen plus 0,25 wekelijkse extra uren-leraar per regelmatig ingeschreven leerling onderwijsvoorrang in de eerste graad op 1 februari van het voorafgaand schooljaar, blijven zich daarop beroepen voor de schooljaren (1999-2000,
2000-2001 en 2001-2002).
Het vaste basispakket van 28 wekelijkse extra uren-leraar moet als volgt aangewend worden :
a) 4 uren-leraar voor schoolinterne coördinatie;
b) 20 uren-leraar voor bijscholing en overleg tussen de betrokken leerkrachten;
c) 4 uren-leraar voor schooloverstijgende activiteiten.
§ 4. Wanneer er in het (tweede of het derde) jaar meer kredieten beschikbaar komen, kunnen aan de scholen die door de toepassing van artikel 6 geen wekelijkse extra uren-leraar hebben gekregen, toch voor een schooljaar wekelijkse extra uren-leraar toegekend worden. Deze toekenning gebeurt volgens de criteria van artikel 6.
Art. 7. § 1er. Les périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires sont octroyées à l'école pour une période de (trois) années scolaires.
Le nombre de périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires est calculé par année scolaire et par école en appliquant un coefficient au nombre d'élèves régulièrement inscrits suivant un enseignement prioritaire du premier degré et du deuxième degré de l'enseignement secondaire général, secondaire technique ou secondaire artistique le 1er février de l'année scolaire précédente.
Pour le premier degré, il s'agit d'un coefficient de 0,47 par élève suivant un enseignement prioritaire et pour le deuxième degré d'un coefficient de 0,3 par élève suivant un enseignement prioritaire.
Après que les nombres d'élèves suivant un enseignement prioritaire sont multipliés par leurs coefficients respectifs, les produits sont additionnés. La somme est arrondie à l'unité supérieure dès que le premier chiffre après la virgule est supérieur ou égal à cinq. La somme est arrondie à l'unité inférieure dès que le premier chiffre après la virgule est inférieur à cinq.
§ 2. Les écoles qui n'atteignent plus le seuil visé à l'article 3, § 1er, 1° pendant la (deuxième ou la troisième) année scolaire, continuent à pouvoir faire appel aux périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires.
Une école ne peut jamais obtenir pour la deuxième année scolaire un nombre de périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires supérieur au nombre qu'elle a reçu pour la première année scolaire.
§ 3. Les écoles ayant obtenu pendant l'année scolaire 1998-1999 pour une première année scolaire un capital de base de 28 périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires plus 0,25 périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires par élève régulièrement inscrit suivant un enseignement dans le premier degré au 1er février de l'année scolaire précédente, continuent à y faire appel pour les années scolaires (1999-2000, 2000-2001 et 2001-2002).
Le capital de base fixe de 28 périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires doit être utilisé comme suit :
a) 4 périodes-professeur pour la coordination scolaire interne;
b) 20 périodes-professeur pour la formation en cours de carrière et la concertation entre les enseignants concernés;
c) 4 périodes-professeur pour des activités extrascolaires.
§ 4. Lorsque plus de crédits deviennent disponibles pendant la (deuxième ou troisième) année, les écoles n'ayant pas obtenu de périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires par application de l'article 6 peuvent toutefois bénéficier de périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires pour la durée d'(une ou deux années scolaires). Cet octroi s'opère suivant les critères de l'article 6.
Art. 8. § 1. In afwijking van artikel 7 en bij daling van het aantal leerlingen onderwijsvoorrang wordt in een gemeente, eventueel regio, waarin een overeenkomst inzake toelatingsbeleid loopt, het totaal aantal wekelijkse extra uren-leraar onderwijsvoorrang behouden en op het aantal van het schooljaar voorafgaand aan het ingaan van de overeenkomst voor de duur van de overeenkomst.
§ 2. In een gemeente, eventueel regio, waarin een overeenkomst inzake toelatingsbeleid loopt, dragen de inrichtende machten, in gemeenschappelijk overleg, de scholen voor die in aanmerking komen voor het saldopakket wekelijkse extra uren-leraar onderwijsvoorrang.
Dit saldopakket wekelijkse extra uren-leraar ontstaat ten gevolge van een daling onder het niveau van het totaal aantal wekelijkse extra uren-leraar onderwijsvoorrang van het schooljaar voorafgaand aan het ingaan van de overeenkomst op voorwaarde dat deze daling het rechtstreeks gevolg is van een vermindering van het aantal leerlingen onderwijsvoorrang in de gemeente, eventueel regio, overeenkomstig het non-discriminatiebeleid.
§ 3. Elke school die op basis van de voordracht van het lokale overleg in aanmerking komt voor de in § 2 bedoelde wekelijkse extra uren-leraar, moet een aanwendingsplan indienen conform artikel 3 en 4.
Art. 8. § 1er. Par dérogation à l'article 7 et lors d'une diminution du nombre d'élèves suivant un enseignement prioritaire, on veille à ce que dans une commune, éventuellement dans une région où est exécutée une convention relative à la politique d'admission, le nombre total de périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires égale le nombre de l'année scolaire précédant l'exécution de la convention pour la durée de la convention.
§ 2. Dans une commune, éventuellement une région où est exécutée une convention relative à la politique d'admission, les pouvoirs organisateurs proposent de concert les écoles entrant en ligne de compte pour le solde du capital de périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires.
Ce solde de périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires résulte d'une diminution au-dessous du nombre total de périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires de l'année scolaire précédant l'exécution de la convention à condition que cette diminution soit la suite directe d'une diminution du nombre d'élèves suivant un enseignement prioritaire dans la commune, éventuellement la région, conformément à la politique de non-discrimination.
§ 3. Chaque école prise en considération pour les périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires visées au § 2, sur proposition de la concertation locale, doit déposer un plan d'utilisation suivant les articles 3 et 4.
Art. 9. Het gebruik van de wekelijkse extra uren-leraar wordt beoordeeld door de onderwijsinspectie. Die beoordeling kan aanleiding geven tot de maatregelen zoals bedoeld in artikel 10. Tegen de gestelde maatregelen kan een gemotiveerd beroep ingesteld worden bij de administratie secundair onderwijs - afdeling beleidsvoorbereiding binnen de vijf werkdagen na de dag van de berekening van de beslissing waaien de maatregel wordt vermeld.
Art. 9. L'utilisation des périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires est jugée par l'inspection de l'enseignement. Cette évaluation peut donner lieu à des mesures telles que visées à l'article 10. Contre les mesures imposées, un recours motivé peut être formé auprès de l'Administration de l'Enseignement secondaire Division Aide à la Politique générale dans les cinq jours ouvrables de la date de signification de la décision dans laquelle est prise la mesure.
Art. 10. § 1. De extra subsidiëring of financiering aan de scholen wordt stopgezet in de twee volgende gevallen :
1° als het aanwendingsplan onjuiste gegevens bevat, of
2° als het aanwendingsplan niet nageleefd wordt.
§ 2. De stopzetting gaat in principe het daaropvolgend schooljaar in. In afwijking hierop, gaat de stopzetting onmiddellijk in wanneer er frauduleuze handelingen werden vastgesteld, met terugvordering van de verkregen subsidiëring of financiering tot op het ogenblik dat de frauduleuze handeling werd gesteld.
Art. 10. § 1er. Le subventionnement ou financement supplémentaire des écoles est arrêté dans les deux cas suivants :
1° si le plan d'utilisation contient des données inexactes, ou
2° si le plan d'utilisation n'est pas respecté.
§ 2. En principe, la cessation s'opère l'année scolaire suivante. Par dérogation à cette disposition, la cessation prend immédiatement effet lorsque des actions frauduleuses sont constatées. La subvention ou le financement obtenu jusqu'au moment où l'action frauduleuse a été constatée, est répété.
Art. 11. § 1. De wekelijkse extra uren-leraar worden beschouwd als "uren die geen lesuren zijn" voor de reglementering inzake bekwaamheidsbewijzen, weddeschalen, prestatiestelsel en bezoldigingsregeling en inzake de ter beschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en reaffectatie.
§ 2. In de wekelijkse extra uren-leraar bedoeld in § 1 kunnen personeelsleden niet vast benoemd worden. Een vaste benoeming in deze uren-leraar heeft geen uitwerking ten aanzien van de overheid. De betrekkingen die ontstaan uit deze wekelijkse extra uren-leraar kunnen niet vacant verklaard worden.
Art. 11. § 1er. Les périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires sont censées être des "périodes qui ne sont pas des périodes de cours" pour la réglementation en matière de titres de capacité, échelles de traitement, régime de prestations et pécuniaire et en matière de la mise en disponibilité par défaut d'emploi et de la réaffectation.
§ 2. Les membres du personnel ne peuvent être nommés à titre définitif dans les périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires visées au § 1er. Une nomination définitive dans ces périodes-professeur ne sort pas des effets vis-à-vis de l'autorité. Les fonctions qui naissent de ces périodes-professeur supplémentaires hebdomadaires ne peuvent pas être déclarées vacantes.
Art. 12. De vaststelling van de criteria en de aanwending van het pakket extra uren-leraar, alsmede van het aanwendingsplan worden onderhandeld in het bevoegde lokale onderhandelingscomité en overlegd in het bevoegde lokale participatieorgaan.
Art. 12. La fixation des critères et l'utilisation du capital périodes-professeur supplémentaires ainsi que le plan d'utilisation sont négociés au sein du comité local de négociation compétent et concertés au sein de l'instance locale de participation compétente.
Art. 13. De volgende regelingen worden opgeheven :
1° het besluit van de Vlaamse regering van 22 juli 1993 houdende maatregelen tot uitvoering van het onderwijsbeleid voor migranten in het voltijds secundair onderwijs van de eerste graad, en
2° het besluit van de Vlaamse regering van 22 juli 1993 houdende maatregelen tot uitvoering van het onderwijsbeleid voor migranten in het voltijds secundair onderwijs van de tweede graad.
Art. 13. Les réglementations suivantes sont abrogées :
1° l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juillet 1993 portant les mesures d'exécution de la politique d'enseignement pour les migrants dans l'enseignement secondaire à temps plein du premier degré, et
2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 juillet 1993 portant les mesures d'exécution de la politique d'enseignement pour les migrants dans l'enseignement secondaire à temps plein du deuxième degré.
Art. 14. Dit besluit treedt in werking op 1 september 1999.
Art. 14. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er septembre 1999.
Art. 15. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 17 december 1999.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
Mevr. M. VANDERPOORTEN.
Art. 15. Le Ministre flamand ayant l'Enseignement dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Bruxelles, le 17 décembre 1999.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
P. DEWAEL
Le Ministre flamand de l'Enseignement et de la Formation,
Mme M. VANDERPOORTEN.