Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
8 SEPTEMBER 2000. - Besluit van de Vlaamse regering houdende een impuls- en ondersteuningsprogramma van de meerwaardeneconomie. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-11-2000 en tekstbijwerking tot 09-01-2026)
Titre
8 SEPTEMBRE 2000. - ArrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand portant un programme d'impulsion et de soutien de l'Ă©conomie plurielle. (TRADUCTION) (NOTE : Consultation des versions antĂ©rieures Ă  partir du 28-11-2000 et mise Ă  jour au 09-01-2026)
Documentinformatie
Numac: 2000036130
Datum: 2000-09-08
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2000036130
Date: 2000-09-08
Moniteur: Voir
Tekst (172)
Texte (172)
TITEL I. - Algemene bepalingen.
TITRE I. - Dispositions générales.
Artikel 1. Dit besluit regelt de uitbouw van een meerwaardeneconomie in Vlaanderen.
Article 1. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© rĂšgle le dĂ©veloppement d'une Ă©conomie plurielle en Flandre.
Art. 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° [de minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de sociale economie;]
  2° [1 [3 Departement WSE: het Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie;]3 ]1
  3° [kansengroepen : bevolkingsgroepen die op een niet evenredige wijze vertegenwoordigd zijn op de arbeidsmarkt.]
  4° charter van de meerwaardeneconomie : een verklaring op eer waarin de aanvrager of onderneming de volgende beginselen onderschrijft :
  a) maximaal inspanningen leveren om kansengroepen aan te werven en gelijkwaardige kansen te bieden in de onderneming;
  b) duurzame werkgelegenheid creëren waarbij aandacht gaat naar billijke arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden, arbeidsinhoud en arbeidsverhoudingen. Via maximale participatie van de werknemers streven naar een optimale individuele en collectieve ontwikkeling;
  c) op een evenwichtige manier voldoen aan de respectieve belangen van de stakeholders, dit is al wie betrokken is bij de activiteiten van de onderneming;
  d) voorrang geven aan activiteiten, producten en productiemethoden die op korte en op lange termijn het leefmilieu respecteren;
  e) gelijktijdig streven naar meerwaarden op economisch en sociaal vlak;
  5° [2 ...]2
  6° adviescommissie : adviescommissie sociale economie zoals bedoeld in Titel VII van dit besluit;
  7° VOMEC : het Vlaams overlegplatform meerwaardeneconomie, zoals bedoeld in Titel IX van dit besluit;
  8° VIZO : het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen zoals opgericht bij decreet van 23 januari 1991;
  9° Waarborgfonds : Waarborgfonds voor de Sociale Economie van de Vlaamse overheid, geregeld bij Besluit van de Vlaamse Regering van 23 november 1994 tot regeling van een toekenning van een waarborg aan financiers die actief zijn in de sector van de sociale economie;
  10° trajectmatig begeleidingsacties : geheel van acties georganiseerd door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding of de door deze dienst erkende derden waarbij de werkzoekende volgens een stappenplan door een trajectbegeleider naar een duurzame tewerkstelling wordt begeleid;
  [11° dienstenchequeonderneming : onderneming die erkend is in het kader van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen;]
  [12° maatschappelijk verantwoord ondernemen, hierna MVO te noemen : ondernemen waarbij men in een permanente dialoog met iedereen die invloed uitoefent of ondervindt van de onderneming (stakeholders) gaat streven naar een maximale toegevoegde waarde én voor de onderneming én voor haar werknemers én voor de maatschappij én voor het milieu;
  13° monitoringsysteem : het systematisch volgen via indicatoren van de economische leefbaarheid, de invulling van het concept MVO en de begeleiding en ondersteuning van de invoegwerknemers met als doel de werking van concrete initiatieven en de efficiëntie van de maatregel in zijn geheel zowel op korte als op lange termijn te volgen, te evalueren en bij te sturen;
  14° RESOC : het Regionaal Sociaal-economische Overlegcomité, vermeld in artikel 18 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende het statuut, de werking, de taken en de bevoegdheden van de erkende regionale samenwerkingsverbanden, de sociaal-economische raden van de regio en de regionale sociaal-economische overlegcomités.]
  
Art. 2. Au sens du prĂ©sent arrĂȘtĂ© on entend par :
  1° [le Ministre : le Ministre flamand ayant l'économie sociale dans ses attributions;]
  2° [1 [3 Département WSE : le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale du MinistÚre flamand de l'Emploi et de l'Economie sociale ;]3 ]1
  3° [groupes cibles : des groupes de la population représentés de maniÚre non proportionnelle dans le marché de l'emploi.]
  4° charte de l'économie plurielle : une déclaration sur l'honneur dans laquelle le demandeur ou l'entreprise souscrit aux principes suivants :
  a) s'efforcer au maximum de recruter des groupes cibles et de leur donner des chances équivalentes au sein de l'entreprise;
  b) créer un emploi durable, en assurant des conditions d'emploi et de travail, un contenu du travail et des relations de travail équitables. Rechercher, par le biais d'une participation maximale des travailleurs, un développement individuel et collectif optimal;
  c) veiller de maniĂšre Ă©quilibrĂ©e aux intĂ©rĂȘts de tous les acteurs concernĂ©s par les activitĂ©s de l'entreprise;
  d) donner la priorité aux activités, produits et méthodes de production respectueux de l'environnement à court et à long terme;
  e) rechercher des plus-values à la fois au niveau économique et sur le plan social;
  5° [2 ...]2
  6° commission consultative : la commission consultative pour l'Ă©conomie sociale telle que visĂ©e au Titre VII du prĂ©sent arrĂȘtĂ©;
  7° VOMEC : la plate-forme flamande de concertation en matiĂšre d'Ă©conomie plurielle, telle que visĂ©e au Titre IX du prĂ©sent arrĂȘtĂ©;
  8° VIZO : l'Institut flamand de l'entreprise indépendante créée par le décret du 23 janvier 1991;
  9° Fonds de garantie : le Fonds de garantie pour l'Ă©conomie sociale rĂ©glĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 23 novembre 1994 rĂ©glant l'octroi d'une garantie aux financiers actifs dans le secteur de l'Ă©conomie sociale;
  10° actions de parcours d'insertion : ensemble d'actions organisées par le Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle) ou par les tiers agréés par cet Office, assurant l'accompagnement du demandeur d'emploi, par un plan par étapes, dans sa recherche d'un emploi durable;
  [11° entreprise de titres-service : entreprise agréée dans le cadre de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité;]
  [12° entrepreneuriat socialement responsable, ci-aprĂšs dĂ©nommĂ© ESR : l'entrepreneuriat oĂč dans un esprit de dialogue permanent avec tous ceux qui exercent ou subissent une influence (stakeholders) l'on poursuit une valeur ajoutĂ©e maximale pour l'entreprise et pour ses travailleurs ainsi que pour la sociĂ©tĂ© et l'environnement;
  13° systÚme de monitorage : le follow-up systématique des indicateurs de viabilité économique, la réalisation du concept ESR et l'accompagnement et le soutien des travailleurs d'insertion en vue de suivre, évaluer et corriger la réalisation des initiatives concrÚtes et l'efficacité de la mesure dans son ensemble, tant à court qu'à long terme;
  14° RESOC : le Comité de Concertation socio-économique régional, cité à l'article 18 du décret du 7 mai 2004 relatif au statut, au fonctionnement, aux tùches et aux compétences des partenariats régionaux agréés, des conseils socio-économiques de la région et des comités de concertation socio-économiques régionaux.]
  
TITEL II. - Invoegbedrijven en Invoegafdelingen.
TITRE II. - Entreprises d'insertion et divisions d'insertion.
HOOFDSTUK I. - Definities.
CHAPITRE I. - Définitions.
Art. 3. Voor de toepassing van Titel II van dit besluit dient te worden verstaan onder :
  1° invoegwerknemer : persoon uit de kansengroepen die in een trajectmatige begeleidingsactie is opgenomen en wordt toegeleid naar een invoegbedrijf of een invoegafdeling; (Aan artikel 3, 1° wordt de volgende zin toegevoegd :
  ) (De minister kan jaarlijks op advies van de adviescommissie bepalen welke personen als invoegwerknemer kunnen worden toegeleid.)
  2° (herinschakelingsuitkering : uitkering waarop de werknemer gedurende de periode dat hij verbonden is door een arbeidsovereenkomst in het kader van dit besluit gerechtigd is krachtens artikel 4 van het koninklijk besluit van 3 mei 1999 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, m, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders betreffende de herinschakeling van zeer moeilijk te plaatsen werklozen, krachtens artikel 15quater van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 2, § 5, eerste lid van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum of krachtens artikel 15quater van het koninklijk besluit van 9 februari 1999 genomen tot uitvoering van artikel 57quater van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.)
  3° totale loonkost : het loon plus de sociale bijdragen verminderd met de vrijstelling van de RSZ-bijdragen.
  Onder loon wordt begrepen : het loon in geld waarop de invoegwerknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft, met uitzondering van de vergoedingen wegens beëindiging van de overeenkomst; het vakantiegeld dat toegekend wordt door of in uitvoering van de op 28 juni 1971 gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers of door de collectieve arbeidsovereenkomsten, die gesloten worden in de Nationale Arbeidsraad en algemeen verbindend verklaard zijn bij koninklijk besluit; de financiële bijdrage van de werkgever in de vervoerskosten van de werknemers in uitvoering van de van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomsten bij de werkgever.
  Onder sociale bijdragen wordt begrepen : de bijdragen van de werkgevers in zoverre die verschuldigd zijn, voor het geheel van de stelsels van de sociale zekerheid zoals bedoeld in artikel 5 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; de premies en de bijdrage voor de verzekering tegen arbeidsongevallen bedoeld in de wet van 10 april 1971 inzake de arbeidsongevallen; de solidariteitsbijdrage voor het Fonds voor de beroepsziekten zoals bedoeld in de wetten betreffende schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970; de loonmatigingsbijdrage in toepassing van het koninklijk besluit nr. 40 van 18 april 1986, gewijzigd door de programmawet van 30 december 1988; de kosten gemaakt door de werkgever voor de aansluiting bij een interbedrijfsgeneeskundige dienst.
Art. 3. Pour l'application du Titre II du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, on entend par :
  1° travailleur d'insertion : personne des groupes cibles qui participe à une action de parcours d'insertion en vue d'un emploi dans une entreprise d'insertion ou une division d'insertion; ((NOTE : il est ajouté à l'article 3, 1° la phrase suivante :
  ) Le Ministre peut dĂ©cider annuellement, sur avis de la commission consultative, quelles personnes peuvent ĂȘtre orientĂ©es comme travailleurs d'insertion.
  2° (allocation de rĂ©insertion : allocation Ă  laquelle peut prĂ©tendre le travailleur pendant la pĂ©riode d'occupation dans les liens d'un contrat de travail dans le cadre du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, en vertu de l'article 4 de l'arrĂȘtĂ© royal du 3 mai 1999 portant exĂ©cution de l'article 7, § 1er, alinĂ©a 3, m, de l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs relatif Ă  la rĂ©insertion de chĂŽmeurs trĂšs difficiles Ă  placer, en vertu de l'article 15quater de l'arrĂȘtĂ© royal du 9 fĂ©vrier 1999 pris en exĂ©cution de l'article 2, § 5, alinĂ©a 1er, de la loi du 7 aoĂ»t 1974 instituant le droit Ă  un minimum de moyens d'existence, ou en vertu de l'article 15quater de l'arrĂȘtĂ© royal pris en exĂ©cution de l'article 57quater de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale.)
  3° coût salarial global : le salaire plus les cotisations sociales moins les cotisations de sécurité sociale.
  On entend par salaire : le salaire en argent auquel le travailleur d'insertion a droit du chef de son emploi, Ă  l'exception des indemnitĂ©s allouĂ©es en cas de cessation du contrat; le pĂ©cule de vacances allouĂ© par ou en vertu des lois coordonnĂ©es du 28 juin 1971 relatives au vacances annuelles des travailleurs salariĂ©s ou par des conventions collectives conclues au sein du Conseil national du Travail et qui sont rendues obligatoires par arrĂȘtĂ© royal; la participation financiĂšre de l'employeur dans les frais de transport des travailleurs, en exĂ©cution des conventions collectives applicables auprĂšs de l'employeur.
  On entend par cotisations sociales : les cotisations patronales dans la mesure oĂč elles sont dues, pour l'ensemble des rĂ©gimes de sĂ©curitĂ© sociale tels que visĂ©s Ă  l'article 5 de la loi du 27 juin 1969 rĂ©visant l'arrĂȘtĂ©-loi du 28 dĂ©cembre 1944 concernant la sĂ©curitĂ© sociale des travailleurs; les primes et la cotisation pour l'assurance contre les accidents de travail, visĂ©es par la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail; la cotisation de solidaritĂ© Ă  verser au Fonds des maladies professionnelles, telle que visĂ©e dans les lois relatives Ă  la rĂ©paration des dommages rĂ©sultant des maladies professionnelles, coordonnĂ©es le 3 juin 1970; la cotisation de modĂ©ration sociale, en exĂ©cution de l'arrĂȘtĂ© royal n° 40 du 18 avril 1986, modifiĂ© par la loi-programme du 30 dĂ©cembre 1988; les frais exposĂ©s par l'employeur pour s'affilier Ă  un service mĂ©dical interentreprises.
HOOFDSTUK II. - INVOEGBEDRIJVEN.
CHAPITRE II. - Entreprises d'insertion.
Afdeling I.
Section I.
Afdeling II. - Erkenning.
Section II. - Agrément.
Art. 6. Om erkend te worden als invoegbedrijf moet tegelijkertijd aan volgende voorwaarden voldaan worden :
  1° het charter van de meerwaardeneconomie, zoals bepaald in artikel 2, 4° van dit besluit onderschrijven;
  2° activiteiten ontplooien die een maatschappelijke meerwaarde ressorteren : de producten of productiewijzen vervuilen het milieu niet, dragen bij tot een duurzame ontwikkeling en het product of de dienst heeft een maatschappelijk nut;
  3° een realistische personeelsplanning voorzien van vier jaar, waarbij het voorziene aantal tewerkgestelde invoegwerknemers in het vierde jaar wordt beschouwd als streefdoel.
  In reeds bestaande bedrijven moet de tewerkstelling van invoegwerknemers bijkomend zijn in verhouding tot het aantal eigen personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, tewerkgesteld in het betrokken bedrijf in de vier kwartalen voorafgaand aan de aanvraag; het aantal eigen personeelsleden wordt vastgesteld door het gemiddelde te nemen over deze vier kwartalen; eigen personeelsleden zijn deze personeelsleden waarmee een arbeidsovereenkomst werd afgesloten;
  4° (behalve voor activiteiten zoals bedoeld in artikel 14, 2°, c) en d) , een potentiële rendabiliteit vertonen; de appreciatie van de autonome loonvorming gebeurt aan de hand van een financieel plan.
  Ook ingeval het gaat om activiteiten zoals bedoeld in artikel 14, 2°, c) en d) moeten deze op een bedrijfseconomische wijze worden onderbouwd; dit gebeurt aan de hand van een financieel plan.)
  (5° de nodige tijd en middelen besteden aan de begeleiding en opleiding van de invoegwerknemers;
  6° de principes inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen op basis van een door de onderneming uitgetekend en bij de erkenning gevaloriseerd groeipad incorporeren in de bedrijfsstrategie;
  7° bereid zijn het medezeggenschap van de werknemers te bevorderen in de onderneming door de overlegorganen van de bestaande arbeidsreglementering te respecteren en - bij ontstentenis - de nodige initiatieven te nemen om het medezeggenschap van werknemers te bevorderen.)
Art. 6. Pour pouvoir ĂȘtre agréée comme entreprise d'insertion, celle-ci doit rĂ©pondre simultanĂ©ment aux conditions suivantes :
  1° souscrire Ă  la charte de l'Ă©conomie plurielle telle que dĂ©finie Ă  l'article 2, 4° du prĂ©sent arrĂȘtĂ©;
  2° développer des activités qui engendrent une plus-value sociale : les produits ou les processus de production ne portent pas atteinte à l'environnement, contribuent à un développement durable et le produit ou le service a une utilité sociale;
  3° prévoir un planning du personnel réaliste étalé sur quatre années, le nombre prévu de travailleurs d'insertion au cours de la quatriÚme année étant considéré comme objectif.
  Dans les entreprises existantes, l'occupation de travailleurs d'insertion est accessoire par rapport au nombre du propre effectif exprimé en équivalents à temps plein, qui est en service dans l'entreprise concernée dans les quatre trimestres précédant la demande; le nombre du propre effectif consiste en la moyenne des quatre trimestres; le propre effectif est le personnel lié par un contrat de travail;
  4° (avoir une rentabilité potentielle, sauf pour des activités telles que visées à l'article 14, 2°, c) et d) ; l'appréciation de la formation salariale autonome se fait à l'aide d'un plan financier.
  MĂȘme des activitĂ©s telles que visĂ©es Ă  l'article 14, 2°, c) et d) doivent ĂȘtre Ă©tayĂ©es en matiĂšre de gestion financiĂšre, et ce Ă  l'aide d'un plan financier.)
  (5° affecter le temps et les fonds nécessaires à l'accompagnement et la formation des travailleurs d'insertion;
  6° incorporer dans sa stratégie d'exploitation, les principes d'entrepreneuriat socialement responsable, sur la base d'une feuille de route élaborée par elle et valorisée lors de l'agrément;
  7° ĂȘtre disposĂ©e Ă  promouvoir la cogestion des travailleurs dans l'entreprise par le respect des organes de concertation de la rĂ©glementation du travail existante et, Ă  dĂ©faut, par la prise de mesures pour promouvoir la cogestion des travailleurs.)
Art. 7. <2003-05-23/48, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2003> De erkenning van het invoegbedrijf erkend voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 14, 2°, a) en b) eindigt na een periode van 10 jaar vanaf de indiensttreding van de eerste invoegwerknemer.
  De erkenning van het invoegbedrijf erkend voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 14, 2°, c) en d) wordt verleend voor een periode van 10 jaar vanaf de indiensttreding van de eerste invoegwerknemer en is hernieuwbaar na evaluatie. De aanvraag tot hernieuwing van de erkenning moet tenminste 3 maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de erkenning ingediend worden bij [1 het [2 Departement WSE]2 ]1.
  
Art. 7. L'agrément de l'entreprise d'insertion agréée pour les activités visées à l'article 14, 2°, a) et b), prend fin à l'issue d'une période de 10 ans prenant cours à l'entrée en service du premier travailleur d'insertion.
  L'agrĂ©ment de l'entreprise d'insertion agréée pour les activitĂ©s visĂ©es Ă  l'article 14, 2°, c) et d), est accordĂ© pour une pĂ©riode de 10 ans prenant cours Ă  l'entrĂ©e en service du premier travailleur d'insertion et est renouvelable aprĂšs Ă©valuation. La demande de renouvellement de l'agrĂ©ment doit ĂȘtre prĂ©sentĂ©e [2 au]2 [1 [2 DĂ©partement WSE]2]1 au moins 3 mois avant l'expiration de la durĂ©e de validitĂ© de l'agrĂ©ment.
  
Afdeling III. - Subsidiëring.
Section III. - Subventions.
Art. 8. § 1. [Binnen de perken van het begrotingskrediet kunnen de erkende invoegbedrijven aanspraak maken op een degressieve en in de tijd beperkte loonpremie op basis van het aantal door de minister toegekende voltijds equivalente invoegwerknemers.
  Binnen de perken van het begrotingskrediet kunnen de erkende invoegbedrijven voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 14, 2°, c) aanspraak maken op een degressieve loonpremie op basis van het aantal door de minister toegekende voltijds equivalente invoegwerknemers.
  Binnen de perken van het begrotingskrediet kunnen de erkende invoegbedrijven voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 14, 2°, d) aanspraak maken op een loonpremie op basis van het aantal door de minister toegekende voltijds equivalente invoegwerknemers.]
  [1 lid 4 opgeheven]1
  [§ 2. De minister kent het aantal invoegwerknemers toe op basis van het aantal door de onderneming in de personeelsplanning voorziene werknemers.
  [Voor invoegbedrijven die erkend zijn voor de activiteiten, vermeld in artikel 14, 2°, a) en b), wordt dat aantal vermeerderd met 50 % [1 ...]1.]] <2003-05-23/48, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  
Art. 8. § 1er. [Dans les limites des crédits budgétaires, les entreprises d'insertion agréées peuvent prétendre à une prime salariale dégressive et limitée dans le temps, sur la base du nombre de travailleurs d'insertion équivalent temps plein alloué par le Ministre.
  Dans les limites des crédits budgétaires, les entreprises d'insertion agréées peuvent prétendre, pour les activités telles que visées à l'article 14, 2°, c) , à une prime salariale dégressive et limitée dans le temps, sur la base du nombre de travailleurs d'insertion équivalent temps plein alloué par le Ministre.
  Dans les limites des crédits budgétaires, les entreprises d'insertion agréées peuvent prétendre, pour les activités telles que visées à l'article 14, 2°, d) , à une prime salariale dégressive et limitée dans le temps, sur la base du nombre de travailleurs d'insertion équivalent temps plein alloué par le Ministre.]
  [1 alinéa 4 abrogé]1
  [§ 2. Le Ministre alloue le nombre de travailleurs d'insertion sur la base du nombre de travailleurs prévu par l'entreprise dans son planning du personnel.]
  [[Pour les entreprises d'insertion agréées pour les activités visées à l'article 14, 2°, a) et b), ce nombre est majoré de 50 % [1 ...]1.]]
  
Art. 9. § 1. [Voor invoegbedrijven die recht hebben op de loonpremie, vermeld in artikel 8, § 1, eerste [1 ...]1 lid, wordt de premie per voltijds equivalente invoegwerknemer toegekend voor vier jaar.]
  Voor invoegbedrijven die recht hebben op de loonpremie zoals bedoeld in artikel 8, § 1, tweede en derde lid, gebeurt de toekenning van de premie per voltijds equivalente invoegwerknemer voor de duur van de erkenning als invoegbedrijf.
  § 2. Voor invoegbedrijven die recht hebben op de loonpremie zoals bedoeld in artikel 8, § 1, eerste lid, worden de premies voor het eerste, tweede, derde en vierde jaar bepaald op respectievelijk 80 %, 60 %, 40 % en 20 % van de refertebedragen zoals bepaald in artikel 20 van dit besluit.
  Voor invoegbedrijven die recht hebben op de loonpremie zoals bedoeld in artikel 8, § 1, tweede lid, worden de premies voor het eerste, tweede en derde jaar bepaald op respectievelijk 80 %, 60 %, en 40 % en vanaf het vierde jaar op 35 % van de refertebedragen zoals bepaald in artikel 20 van dit besluit.
  Voor invoegbedrijven die recht hebben op de loonpremie zoals bedoeld in artikel 8, § 1, derde lid, wordt de premie vanaf het eerste jaar bepaald op 35 % van de refertebedragen zoals bepaald in artikel 20 van dit besluit.
  [1 lid 4 opgeheven]1
  § 3. Per voltijds equivalente invoegwerknemer neemt de subsidieperiode een aanvang op het ogenblik van de indiensttreding van de eerste invoegwerknemer-titularis. Deze periode wordt wel verlengd met de termijn verlopen tussen de uitdiensttreding van de titularis en de indiensttreding van de definitieve vervanger.
  
Art. 9. § 1er. [En ce qui concerne les entreprises d'insertion pouvant prétendre à une prime salariale telle que visée à l'article 8, § 1er, [1 alinéa 1er]1, la prime est allouée par travailleur d'insertion équivalent temps plein pour quatre ans.]
  Pour les entreprises d'insertion qui peuvent prétendre à une prime salariale telle que visée à l'article 8, § 1er, alinéas 2 et 3, l'octroi de la prime par travailleur d'insertion équivalent à temps plein se fait pour la durée de l'agrément en tant qu'entreprise d'insertion.
  § 2. Pour les entreprises d'insertion qui peuvent prĂ©tendre Ă  une prime salariale telle que visĂ©e Ă  l'article 8, § 1er, alinĂ©a premier, les primes sont fixĂ©es respectivement pour la premiĂšre, deuxiĂšme, troisiĂšme et quatriĂšme annĂ©e Ă  80 %, 60 %, 40 % et 20 % des montants de rĂ©fĂ©rence fixĂ©s Ă  l'article 20 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Pour les entreprises d'insertion qui peuvent prĂ©tendre Ă  une prime salariale telle que visĂ©e Ă  l'article 8, § 1er, alinĂ©a 2, les primes sont fixĂ©es respectivement pour la premiĂšre, deuxiĂšme et troisiĂšme annĂ©e Ă  80 %, 60 % et 40 %, et Ă  partir de la quatriĂšme annĂ©e Ă  35 % des montants de rĂ©fĂ©rence fixĂ©s Ă  l'article 20 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Pour les entreprises d'insertion qui peuvent prĂ©tendre Ă  une prime salariale telle que visĂ©e Ă  l'article 8, § 1er, alinĂ©a 3, les primes sont fixĂ©es dĂšs la premiĂšre annĂ©e Ă  35 % des montants de rĂ©fĂ©rence fixĂ©s Ă  l'article 20 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  [1 alinéa 4 abrogé]1
  § 3. Par travailleur d'insertion à temps plein, la période de subvention prend cours le jour de l'entrée en service du premier travailleur d'insertion titulaire. Cette période est toutefois prolongée par le délai écoulé entre la cessation des fonctions du titulaire et l'entrée en service du remplaçant définitif.
  
Art. 10. [1 § 1. ...]1
  [Invoegbedrijven die recht hebben op een loonpremie zoals bedoeld in artikel 8, § 1, tweede en derde lid, kunnen te allen tijde een uitbreiding van het aantal invoegwerknemers vragen.] <2003-05-23/48, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  § 2. [1 lid 1 opgeheven]1
  Voor invoegbedrijven die recht hebben op de loonpremie zoals bedoeld in artikel 8, § 1, tweede en derde lid, gebeurt de toekenning van een premie voor een bijkomende invoegwerknemer voor de duur van de erkenning als invoegafdeling.
  § 3. Voor invoegbedrijven die recht hebben op de loonpremie zoals bedoeld in artikel 8, § 1, eerste lid, worden de premies voor het eerste, tweede en derde jaar bepaald op respectievelijk 60 %, 40 % en 20 % van de refertebedragen zoals bepaald in artikel 20 van dit besluit.
  [Voor invoegbedrijven die recht hebben op een loonpremie zoals bedoeld in artikel 8, § 1, tweede lid, worden de premies voor het eerste, tweede en derde jaar bepaald op respectievelijk 80 %, 60 %, 40 % en vanaf het vierde jaar op 35 % van de refertebedragen zoals bepaald in artikel 20 van dit besluit.] <2003-05-23/48, art. 4, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  Voor invoegbedrijven die recht hebben op de loonpremie zoals bedoeld in artikel 8, § 1, derde lid, wordt de premie vanaf het eerste jaar bepaald op 35 % van de refertebedragen zoals bepaald in artikel 20 van dit besluit.
  [1 lid 4 opgeheven]1
  
Art. 10. § 1er. [1 alinéa 1er abrogé]1
  [Les entreprises d'insertion ayant droit à une prime salariale, telle que visée à l'article 8, § 1er, alinéas deux et trois, peuvent demander à tout moment une extension du nombre de travailleurs d'insertion.]
  § 2. [1 alinéa 1er abrogé]1
  Pour les entreprises d'insertion qui peuvent prétendre à une prime salariale telle que visée à l'article 8, § 1er, alinéas 2 et 3, l'octroi d'une prime pour un travailleur d'insertion additionnel se fait pour la durée de l'agrément en tant que division d'insertion.
  § 3. Pour les entreprises d'insertion qui peuvent prĂ©tendre Ă  une prime salariale telle que visĂ©e Ă  l'article 8, § 1er, alinĂ©a premier, les primes sont fixĂ©es respectivement pour la premiĂšre, deuxiĂšme, troisiĂšme et quatriĂšme annĂ©e Ă  60 %, 40 % et 20 % des montants de rĂ©fĂ©rence fixĂ©s Ă  l'article 20 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  (Pour les entreprises d'insertion ayant droit Ă  une prime salariale, telle que visĂ©e Ă  l'article 8, § 1er, alinĂ©a deux, les primes pour les premiĂšre, deuxiĂšme et troisiĂšme annĂ©es sont fixĂ©es respectivement Ă  80 %, 60 % et 40 % et Ă  partir de la quatriĂšme annĂ©e, Ă  35 % des montants de rĂ©fĂ©rence fixĂ©s Ă  l'article 20 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.)
  Pour les entreprises d'insertion qui peuvent prĂ©tendre Ă  une prime salariale telle que visĂ©e Ă  l'article 8, § 1er, alinĂ©a 3, les primes sont fixĂ©es dĂšs la premiĂšre annĂ©e Ă  35 % des montants de rĂ©fĂ©rence fixĂ©s Ă  l'article 20 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  [1 alinéa 4 abrogé]1
  
Afdeling IV. - Verbintenissen.
Section IV. - Engagements.
Art. 11. Onverminderd de bepalingen van artikel 6 van dit besluit moeten, om erkend te worden als invoegbedrijf, volgende verbintenissen door de aanvrager onderschreven worden :
  1° binnen de drie jaar volgend op de datum van betekening van de erkenningsbeslissing het minimum aantal van 3 voltijdse equivalenten invoegwerknemers tewerkstellen;
  2° binnen de drie jaar volgend op de datum van betekening van de erkenningsbeslissing minstens 30 % invoegwerknemers tewerkstellen op het totale personeelsbestand;
  3° de invoegwerknemers met arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur in dienst nemen;
  4° de invoegwerknemers de in de sector vigerende lonen uitbetalen;
  5° gedurende minstens vier jaar na de laatste uitbetaling van een premie voor een invoegwerknemer het aantal voltijdse equivalenten invoegwerknemers handhaven met uitzondering van de gevallen zoals bepaald in artikel 35 van dit besluit;
  6° [de gesubsidieerde activiteiten, namelijk de productie van goederen of het verlenen van diensten, enkel uitvoeren op het grondgebied van het Vlaamse Gewest;]
  7° indien onderaanneming in het vooruitzicht wordt gesteld, de activiteiten voor minstens drie verschillende bedrijven uitvoeren;
  8° in geen geval middelen hanteren die marktverstorend zijn naar prijszetting toe;
  9° [indien het aantal tewerkgestelde invoegwerknemers verminderd wordt, [1 het [2 Departement WSE]2 ]1 en de trajectbegeleider van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding hiervan op de hoogte brengen en het recht bieden aan de ontslagen invoegwerknemers om beroep te kunnen doen op een erkend outplacementbureau;]
  10° [jaarlijks de jaarrekening en de werkgelegenheidscijfers bezorgen aan [1 het [2 Departement WSE]2 ]1 evenals een inhoudelijke rapportering waaruit blijkt dat de onderneming :
  a) de beginselen van de meerwaardeneconomie en de beginselen van het MVO, zoals geconcretiseerd in het actieplan MVO, incorporeert in de bedrijfsvoering en het betreffende actieplan naleeft;
  b) voldoende inspanningen levert om de invoegwerknemers te begeleiden en op te leiden.]
  11° op vraag van [1 het [2 Departement WSE]2 ]1 de nodige gegevens bezorgen voor de uitbouw van een monitoringsysteem;
  12° elke wijziging aan de erkenningsvoorwaarden aan de voorafgaandelijke goedkeuring van de minister onderwerpen.
  
Art. 11. Sans prĂ©judice des dispositions de l'article 6 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, l'agrĂ©ment comme entreprise d'insertion est tributaire du respect des engagements suivants :
  1° la mise au travail de 3 travailleurs d'insertion à temps plein au moins doit avoir lieu dans les 3 ans suivant la date de notification de la décision d'agrément;
  2° la mise au travail d'au moins 30 % de travailleurs d'insertion par rapport à l'effectif global, doit avoir lieu dans les trois ans suivant la date de notification de la décision d'agrément;
  3° engager les travailleurs d'insertion sous le régime d'un contrat de durée indéterminée;
  4° rémunérer les travailleurs d'insertion conformément aux salaires en vigueur dans le secteur;
  5° maintenir le nombre d'Ă©quivalents Ă  temps plein de travailleurs d'insertion pendant au moins quatre ans suivant le dernier paiement d'une prime pour un travailleur d'insertion, Ă  l'exception des cas tels que dĂ©finis Ă  l'article 35 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©;
  6° [effectuer les activités subventionnées, à savoir la production de biens ou la prestation de services, uniquement sur le territoire de la Région flamande;]
  7° si la sous-traitance est envisagée, adresser ses activités à au moins trois entreprises différentes;
  8° en aucun cas utiliser des moyens perturbant le marché quant à la fixation des prix;
  9° [en cas de réduction du nombre de travailleurs d'insertion mis au travail, en informer [1 [2 le Département WSE]2]1 et l'accompagnateur du parcours d'insertion du " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " et permettre aux travailleurs d'insertion congédiés de faire appel à un bureau d'outplacement agréé.]
  10° (transmettre chaque année [2 au]2 [1 [2 Département WSE]2]1, les comptes annuels et les chiffres d'emploi ainsi qu'un rapport faisant apparaßtre que l'entreprise :
  a) incorpore les principes de l'économie plurielle et les principes de l'ESR, tels que concrétisés dans le plan d'action ESR, dans la stratégie d'exploitation et respecte le plan d'action concerné;
  b) entreprend des efforts suffisants dans le domaine de l'accompagnement et de la formation des travailleurs d'insertion;)
  11° sur demande, transmettre [2 au]2 [1 [2 Département WSE]2]1 les informations nécessaires à la mise en place d'un systÚme de monitoring;
  12° soumettre toute modification des conditions d'agrément à l'approbation préalable du Ministre.
  
HOOFDSTUK III. - Invoegafdelingen.
CHAPITRE III. - Divisions d'insertion.
Afdeling I.
Section I.
Afdeling II. - Erkenning.
Section II. - Agrément.
Art. 14. Om erkend te worden dienen de ondernemingen die een invoegafdeling wensen op te starten een entiteit uit te bouwen die voldoet aan de volgende omschrijvingen :
  1° het charter van de meerwaardeneconomie, zoals bepaald in artikel 2, 4° van dit besluit onderschrijven voor wat betreft de activiteiten binnen de invoegafdeling;
  2° (de activiteit die in de invoegafdeling zal worden uitgebouwd moet één van de volgende activiteiten betreffen :
  a) een activiteit die voordien noch door de onderneming noch door de verschillende leden van het economische samenwerkingsverband werd uitgevoerd;
  b) een activiteit die gecreëerd wordt door taaksplitsing, waarbij een aantal deeltaken worden gehergroepeerd en ondergebracht in de nieuwe afdeling;
  c) een activiteit die beantwoordt aan een collectieve behoefte; dit betreft meer specifiek :
  - kringloopactiviteiten;
  - activiteiten op het vlak van natuurbehoud en onderhoud van openbare domeinen;
  (- activiteiten op het vlak van landschapszorg;
  - activiteiten in het kader van het bevorderen van de evenredige arbeidsdeelname en diversiteit in de jeugdsector en de culturele sector, zoals omschreven in de gemeenschappelijk platformtekst afgesloten tussen de Vlaamse Gemeenschap, de Vlaamse sociale partners en de allochtone gemeenschappen op 3 december 2002.) <2003-05-23/48, art. 5, 005; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
  De minister kan deze lijst activiteiten uitbreiden of beperken;
  d) een activiteit die kadert in hoofdstuk V, afdeling 5.1, (artikel 5.1.2.3.7) van de samenwerkingsovereenkomst tussen het Vlaamse Gewest en de gemeenten inzake het milieu als opstap naar duurzame ontwikkeling;)
  3° activiteiten ontplooien die een maatschappelijke meerwaarde ressorteren : de producten of productiewijzen vervuilen het milieu niet, dragen bij tot een duurzame ontwikkeling, hebben een maatschappelijk nut of verhogen de kwaliteit van het werk;
  4° minstens drie voltijds equivalente invoegwerknemers tewerkstellen;
  5° een realistische personeelsplanning voorzien van vier jaar, waarbij de voorziene tewerkstelling van invoegwerknemers in het vierde jaar wordt beschouwd als streefdoel.
  De tewerkstelling van invoegwerknemers moet bijkomend zijn in verhouding tot het aantal eigen personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, tewerkgesteld in het betrokken bedrijf in de vier kwartalen voorafgaand aan de aanvraag; het aantal eigen personeelsleden wordt vastgesteld door het gemiddelde te nemen over deze vier kwartalen; eigen personeelsleden zijn deze personeelsleden waarmee een arbeidsovereenkomst werd afgesloten;
  Bij de economische samenwerkingsverbanden wordt het eigen aantal personeelsleden begrepen als alle bij de verschillende leden van het economisch samenwerkingsverband tewerkgestelde personeelsleden waarmee door het respectievelijk lid een arbeidsovereenkomst is afgesloten;
  6° (de activiteiten die in de invoegafdeling worden uitgebouwd, moeten op een bedrijfseconomische wijze worden onderbouwd. Dit gebeurt aan de hand van een financieel plan.)
  (7° de nodige tijd en middelen besteden aan de begeleiding en opleiding van de invoegwerknemers;
  8° de principes inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen op basis van een door de onderneming uitgetekend en bij de erkenning gevaloriseerd groeipad incorporeren in de bedrijfsstrategie;
  9° bereid zijn het medezeggenschap van de werknemers te bevorderen in de onderneming door de overlegorganen van de bestaande arbeidsreglementering te respecteren en - bij ontstentenis - de nodige initiatieven te nemen om het medezeggenschap van werknemers te bevorderen.)
Art. 14. Pour ĂȘtre agréées, les entreprises qui souhaitent dĂ©marrer une division d'insertion doivent mettre sur pied une entitĂ© qui rĂ©pond aux dĂ©finitions suivantes :
  1° souscrire Ă  la charte de l'Ă©conomie plurielle telle que dĂ©finie Ă  l'article 2, 4° du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, en ce qui concerne les activitĂ©s de la division d'insertion;
  2° (l'activité développée dans la division d'insertion doit concerner l'une des activités suivantes :
  a) une activitĂ© qui n'avait pas Ă©tĂ© rĂ©alisĂ©e antĂ©rieurement, ni par l'entreprise, ni par les diffĂ©rents membres du groupement d'intĂ©rĂȘt Ă©conomique;
  b) une activité créée à la suite d'un fractionnement des tùches, un certain nombre de tùches partielles étant regroupées dans la nouvelle division;
  c) une activité qui répond à un besoin collectif; il s'agit plus spécifiquement :
  - d'activités de recyclage et de réutilisation;
  - d'activités au niveau de la conservation de la nature et de l'entretien de domaines publics;
  (- d'activités sur le plan de la protection des sites;
  - d'activités dans le cadre de la promotion d'une participation proportionnelle au marché de l'emploi et diversité dans les secteurs de la jeunesse et de la culture, conformément au texte plate-forme commun conclu le 3 décembre 2002 entre la Communauté flamande, les partenaires sociaux flamands et les communautés allochtones.)
  Le Ministre peut élargir ou réduire cette liste d'activités.
  d) une activité qui s'inscrit dans le cadre du chapitre V, section 5.1., (article 5.1.2.3.7) de la convention de coopération entre la Région flamande et les communes sur l'environnement en tant que tremplin vers le développement durable.)
  3° développer des activités qui engendrent une plus-value sociale : les produits ou les processus de production ne portent pas atteinte à l'environnement, contribuent à un développement durable, ont une utilité sociale ou améliorent la qualité du travail;
  4° occuper au moins trois travailleurs d'insertion équivalents à temps plein;
  5° prévoir un planning du personnel réaliste étalé sur quatre années, le nombre prévu de travailleurs d'insertion au cours de la quatriÚme année étant considéré comme objectif.
  L'occupation de travailleurs d'insertion est accessoire par rapport au nombre du propre effectif exprimé en équivalents à temps plein, qui est en service dans l'entreprise concernée dans les quatre trimestres précédant la demande; le nombre du propre effectif consiste en la moyenne des quatre trimestres; le propre effectif est le personnel lié par un contrat de travail.
  En ce qui concerne les groupements d'intĂ©rĂȘt Ă©conomique, on entend par le propre effectif tous les membres du personnel occupĂ©s auprĂšs des diffĂ©rents membres du groupement d'intĂ©rĂȘt Ă©conomique, liĂ©s par un contrat de travail signĂ© avec le membre respectif.
  (6° les activitĂ©s dĂ©veloppĂ©es dans la division d'insertion doivent ĂȘtre Ă©tayĂ©es en matiĂšre de gestion financiĂšre, et ce Ă  l'aide d'un plan financier.)
  (7° affecter le temps et les fonds nécessaires à l'accompagnement et la formation des travailleurs d'insertion;
  8° incorporer dans sa stratégie d'exploitation, les principes d'entrepreneuriat socialement responsable, sur la base d'une feuille de route élaborée par elle et valorisée lors de l'agrément;
  9° ĂȘtre disposĂ©e Ă  promouvoir la cogestion des travailleurs dans l'entreprise par le respect des organes de concertation de la rĂ©glementation du travail existante et, Ă  dĂ©faut, par la prise de mesures pour promouvoir la cogestion des travailleurs.)
Art. 15. De erkenning van de invoegafdeling erkend voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 14, 2°, a) en b), eindigt na een periode van 10 jaar vanaf de indiensttreding van de eerste invoegwerknemer.
  De erkenning van de invoegafdeling erkend voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 14, 2°, c) en d), wordt verleend voor een periode van 10 jaar vanaf de indiensttreding van de eerste invoegwerknemer en is hernieuwbaar na evaluatie. De aanvraag tot hernieuwing van de erkenning moet ten minste 3 maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de erkenning ingediend worden bij [1 het [2 Departement WSE]2 ]1.
  
Art. 15. L'agrément de la division d'insertion agréée pour les activités visées à l'article 14, 2°, a) et b), prend fin à l'issue d'une période de 10 ans prenant cours à l'entrée en service du premier travailleur d'insertion.
  L'agrĂ©ment de la division d'insertion agréée pour les activitĂ©s visĂ©es Ă  l'article 14, 2°, c) et d), est accordĂ© pour une pĂ©riode de 10 ans prenant cours Ă  l'entrĂ©e en service du premier travailleur d'insertion et est renouvelable aprĂšs Ă©valuation. La demande de renouvellement de l'agrĂ©ment doit ĂȘtre prĂ©sentĂ©e [2 au]2 [1 [2 DĂ©partement WSE]2]1 au moins 3 mois avant l'expiration de la durĂ©e de validitĂ© de l'agrĂ©ment.
  
Afdeling III. - Subsidiëring.
Section III. - Subventions.
Art. 16. § 1. [Binnen de perken van het begrotingskrediet kunnen de erkende invoegafdelingen voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 14, 2°, a) en b) aanspraak maken op een degressieve en in de tijd beperkte loonpremie op basis van het aantal door de minister toegekende voltijds equivalente invoegwerknemers.
  Binnen de perken van het begrotingskrediet kunnen de erkende invoegafdelingen voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 14, 2°, c) aanspraak maken op een degressieve loonpremie op basis van het aantal door de minister toegekende voltijds equivalente invoegwerknemers.
  Binnen de perken van het begrotingskrediet kunnen de erkende invoegafdelingen voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 14, 2°, d) aanspraak maken op een loonpremie op basis van het aantal door de minister toegekende voltijds equivalente invoegwerknemers.]
  [1 lid 4 opgeheven]1
  [§ 2. De minister kent het aantal invoegwerknemers toe op basis van het aantal door de onderneming in de personeelsplanning voorziene werknemers.
  [Voor invoegafdelingen die erkend zijn voor de activiteiten, vermeld in artikel 14, 2°, a) en b), wordt dat aantal vermeerderd met 50 % [1 ...]1.]]
  
Art. 16. § 1er. [Dans les limites des crédits budgétaires, les divisions d'insertion agréées telles que visées à l'article 14, 2°, a) et b) peuvent prétendre à une prime salariale dégressive et limitée dans le temps, sur la base du nombre de travailleurs d'insertion à temps plein alloué par le Ministre.
  Dans les limites des crédits budgétaires, les divisions d'insertion agréées telles que visées à l'article 14, 2°, c) peuvent prétendre à une prime salariale dégressive et limitée dans le temps, sur la base du nombre de travailleurs d'insertion à temps plein alloué par le Ministre.
  Dans les limites des crédits budgétaires, les divisions d'insertion agréées telles que visées à l'article 14, 2°, d) peuvent prétendre à une prime salariale dégressive et limitée dans le temps, sur la base du nombre de travailleurs d'insertion à temps plein alloué par le Ministre.]
  [1 alinéa 4 abrogé]1
  (§ 2. Le Ministre alloue le nombre de travailleurs d'insertion sur la base du nombre de travailleurs prévu par l'entreprise dans son planning du personnel.
  (Pour les divisions d'insertion agréées pour les activités visées à l'article 14, 2°, a) et b), ce nombre est majoré de 50 %, [1 ...]1.))
  
Art. 17. § 1. Voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 14, 2°, a) en b) gebeurt de toekenning van de premie per voltijds equivalente invoegwerknemer voor drie jaar.
  Voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 14, 2°, c) en d) gebeurt de toekenning van de premie per voltijds equivalente invoegwerknemer voor de duur van de erkenning als invoegafdeling.
  § 2. Voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 14, 2°, a) en b) worden de premies voor het eerste, tweede en derde jaar bepaald op respectievelijk 60 %, 40 % en 20 % van de refertebedragen zoals bepaald in artikel 20 van dit besluit.
  [Voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 14, 2°, c), worden de premies voor het eerste, tweede en derde jaar bepaald op respectievelijk 80 %, 60 %, 40 % en vanaf het vierde jaar op 35 % van de refertebedragen zoals bepaald in artikel 20 van dit besluit.]
  Voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 14, 2°, d) wordt de premie vanaf het eerste jaar bepaald op 35 % van de refertebedragen zoals bepaald in artikel 20 van dit besluit.
  [1 lid 4 opgeheven]1
  § 3. Per voltijds equivalente invoegwerknemer neemt de subsidieperiode een aanvang op het ogenblik van de indiensttreding van de eerste invoegwerknemer-titularis. Deze periode wordt wel verlengd met de termijn verlopen tussen de uitdiensttreding van de titularis en de indiensttreding van de definitieve vervanger.
  
Art. 17. § 1er. Pour les activités telles que visées à l'article 14, 2°, a) et b) , une prime est allouée par travailleur d'insertion à temps plein pour trois ans.
  Pour les activités telles que visées à l'article 14, 2°, c) et d) , une prime est allouée par travailleur d'insertion à temps plein pour la durée de l'agrément en tant que division d'insertion.
  § 2. Pour les activitĂ©s telles que visĂ©es Ă  l'article 14, 2°, a) et b) , les primes sont fixĂ©es respectivement, pour la premiĂšre, deuxiĂšme et troisiĂšme annĂ©e, Ă  60 %, 40 % et 20 % des montants de rĂ©fĂ©rence fixĂ©s Ă  l'article 20 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  [Pour les activitĂ©s, telles que visĂ©es Ă  l'article 14, 2°, c), les primes pour les premiĂšre, deuxiĂšme et troisiĂšme annĂ©es sont fixĂ©es respectivement Ă  80 %, 60 % et 40 % et Ă  partir de la quatriĂšme annĂ©e, Ă  35 % des montants de rĂ©fĂ©rence fixĂ©s Ă  l'article 20 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.]
  Pour les activitĂ©s telles que visĂ©es Ă  l'article 14, 2°, d) , la prime est fixĂ©e dĂšs la premiĂšre annĂ©e Ă  35 % des montants de rĂ©fĂ©rence fixĂ©s Ă  l'article 20 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  [1 alinéa 4 abrogé]1
  § 3. Par travailleur d'insertion à temps plein, la période de subvention prend cours le jour de l'entrée en service du premier travailleur d'insertion titulaire. Cette période est toutefois prolongée par le délai écoulé entre la cessation des fonctions du titulaire et l'entrée en service du remplaçant définitif.
  
Art. 18. [1 § 1. ...]1
  [Invoegafdelingen erkend voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 14, 2°, c) en d), kunnen te allen tijde een uitbreiding van het aantal invoegwerknemers vragen.]
  § 2. Voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 14, 2°, a) en b) gebeurt de toekenning van een premie voor een bijkomende invoegwerknemer voor een periode van maximaal twee jaar.
  Voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 14, 2°, c) en d) gebeurt de toekenning van een premie voor een bijkomende invoegwerknemer voor de duur van de erkenning als invoegafdeling.
  § 3. [Eerste lid opgeheven]
  [Voor de activiteiten zoals bedoeld in artikel 14, 2°, c), worden de premies voor het eerste, tweede en derde jaar bepaald op respectievelijk 80 %, 60 %, 40 % en vanaf het vierde jaar op 35 % van de refertebedragen zoals bepaald in artikel 20 van dit besluit.]
  [1 lid 3 opgeheven]1
  [Voor de activiteiten, vermeld in artikel 14, 2°, a) en b), die worden verricht door invoegafdelingen-dienstenchequeondernemingen, wordt de premie vanaf het eerste jaar bepaald op een bedrag van 1.650 euro op jaarbasis.]
  
Art. 18. § 1er. [1 alinéa 1er abrogé]1
  [Les divisions d'insertion, agréées pour les activités visées à l'article 14, 2°, c) et d), peuvent demander à tout moment une extension du nombre de travailleurs d'insertion.]
  § 2. Pour les activités telles que visées à l'article 14, 2°, a) et b) , l'octroi d'une prime pour un travailleur d'insertion additionnel se fait pour deux ans au maximum.
  Pour les activités telles que visées à l'article 14, 2°, c) et d) , l'octroi d'une prime pour un travailleur d'insertion à temps plein se fait pour la durée de l'agrément en tant que division d'insertion.
  § 3. [Alinéa 1er abrogé]
  [Pour les activitĂ©s, telles que visĂ©es Ă  l'article 14, 2°, c), les primes pour les premiĂšre, deuxiĂšme et troisiĂšme annĂ©es sont fixĂ©es respectivement Ă  80 %, 60 % et 40 % et Ă  partir de la quatriĂšme annĂ©e, Ă  35 % des montants de rĂ©fĂ©rence fixĂ©s Ă  l'article 20 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.]
  [1 alinéa 3 abrogé]1
  [En ce qui concerne les activités visées à l'article 14, 2°, a) et b), qui sont exercées par des divisions d'insertion - entreprises de titres-service, la prime est fixée dÚs la premiÚre année à un montant de 1.650 euros sur une base annuelle.]
  
Afdeling IV. - Verbintenissen.
Section IV. - Engagements.
Art. 19. Onverminderd de bepalingen van artikel 14 van dit besluit moeten, om erkend te worden als invoegafdeling, door de onderneming volgende verbintenissen onderschreven worden.
  1° [binnen de drie jaar volgend op de datum van betekening van de erkenningsbeslissing het minimum aantal van 3 voltijds equivalente invoegwerknemers tewerkstellen;]
  2° de invoegafdelingwerknemers met arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur in dienst nemen;
  3° de invoegwerknemers de in de sector vigerende lonen uitbetalen;
  4° gedurende minstens drie jaar na de laatste uitbetaling van een premie voor een invoegwerknemer het aantal voltijdse equivalenten invoegwerknemers handhaven met uitzondering van de gevallen zoals bepaald in artikel 35 van dit besluit;
  5° de bevordering binnen de onderneming in zijn geheel van de werkgelegenheid van de kansengroepen en/of het nastreven van duurzame ontwikkeling;
  6° in geen geval middelen hanteren die marktverstorend zijn naar prijszetting toe;
  7° [indien het aantal tewerkgestelde invoegwerknemers verminderd wordt, [1 het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie]1 en de trajectbegeleider van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding hiervan op de hoogte brengen en het recht bieden aan de ontslagen invoegwerknemers om beroep te kunnen doen op een erkend outplacementbureau.]
  8° [jaarlijks een inhoudelijke rapportering bezorgen aan [1 het [2 Departement WSE]2 ]1 waaruit blijkt dat de onderneming :
  a) de beginselen van de meerwaardeneconomie en de beginselen van het MVO, zoals geconcretiseerd in het actieplan MVO, incorporeert in de bedrijfsvoering en het betreffende actieplan naleeft;
  b) voldoende inspanningen levert voor de begeleiding en de opleiding van de invoegwerknemers.]
  9° op vraag van [1 het [2 Departement WSE]2 ]1 de nodige gegevens bezorgen voor de uitbouw van een monitoringsysteem;
  10° elke wijziging aan de erkenningsvoorwaarden aan de voorafgaandelijke goedkeuring van de minister onderwerpen.
  
Art. 19. Sans prĂ©judice des dispositions de l'article 14 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, l'agrĂ©ment comme entreprise d'insertion est tributaire du respect des engagements suivants :
  1° [la mise au travail de 3 travailleurs d'insertion à temps plein au moins doit avoir lieu dans les trois années suivant la date de notification de la décision d'agrément;]
  2° engager les travailleurs d'insertion sous le régime d'un contrat de durée indéterminée;
  3° rémunérer les travailleurs d'insertion conformément aux salaires en vigueur dans le secteur;
  4° maintenir le nombre d'Ă©quivalents Ă  temps plein de travailleurs d'insertion pendant au moins trois ans suivant le dernier paiement d'une prime pour un travailleur d'insertion, Ă  l'exception des cas tels que dĂ©finis Ă  l'article 35 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©;
  5° promouvoir, au sein de l'entreprise dans son ensemble, l'emploi des groupes cibles et/ou le développement durable;
  6° en aucun cas utiliser des moyens perturbant le marché quant à la fixation des prix;
  7° [en cas de réduction du nombre de travailleurs d'insertion mis au travail, en informer [1 la "Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie"]1 et l'accompagnateur du parcours d'insertion du " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding " et permettre aux travailleurs d'insertion congédiés de faire appel à un bureau d'outplacement agréé.]
  8° [transmettre chaque année [2 au]2 [1 [2 Département WS]2]1 un rapport faisant apparaßtre que l'entreprise :
  a) incorpore les principes de l'économie plurielle et les principes de l'ESR, tels que concrétisés dans le plan d'action ESR, dans la stratégie d'exploitation et respecte le plan d'action concerné;
  b) entreprend des efforts suffisants dans le domaine de l'accompagnement et de la formation des travailleurs d'insertion.]
  9° sur demande, transmettre [2 au]2 [1 [2 Département WS]2]1 les informations nécessaires à la mise en place d'un systÚme de monitoring;
  10° soumettre toute modification des conditions d'agrément à l'approbation préalable du Ministre.
  
HOOFDSTUK IV. - Gemeenschappelijke bepalingen.
CHAPITRE IV. - Dispositions communes.
Afdeling I. - Uitbetaling van de premie.
Section I. - Paiement de la prime.
Art. 20. § 1. De vaststelling van de refertebedragen per voltijdse equivalent invoegwerknemer varieert naargelang de hoogte van de totale loonkost.
  Een overzicht van de overeenstemmende refertebedragen per loonkost wordt als bijlage bij dit besluit gevoegd.
  § 2. Als referentiebasis voor de totale loonkost wordt de laagste loonschaal per categorie genomen, vastgesteld bij algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in het bevoegde paritair comité.
  Deze referentiebasis en de corresponderende premie worden gehandhaafd gedurende de volledige periode van de uitbetaling van de premie.
  Bij ontstentenis van een collectieve arbeidsovereenkomst wordt de laagste loonschaal per categorie genomen, vastgesteld bij algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, gesloten in het nationaal aanvullend paritair comité nr. 218 voor bedienden (of het aanvullend paritair comité voor de arbeiders).
  § 3. Voor de vaststelling van het refertebedrag wordt uitgegaan van de geïndexeerde lonen op datum van de indienstneming van de eerste invoegwerknemer.
  Bij bijkomende aanwerving, zoals bepaald in artikel 32 van dit besluit, wordt uitgegaan van de geïndexeerde lonen op datum van de beslissing van de minister die betrekking heeft op deze bijkomende aanwerving.
  § 4. Bij deeltijdse tewerkstelling wordt de toegekende premie pro rata verrekend.
  § 5. De premie mag in geen geval de totale loonkost overschrijden.
  § 6. (In voorkomend geval wordt de totale loonkost verminderd met de herinschakelingsuitkering, behalve wanneer de premie op 35 % van de refertebedragen is bepaald.)
Art. 20. § 1er. La fixation des montants de référence par travailleur d'insertion équivalent à temps plein varie selon le coût salarial global.
  Un aperçu des montants de rĂ©fĂ©rence correspondant aux coĂ»ts salariaux est joint en annexe au prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  § 2. La base de référence pour le coût salarial est constitué par l'échelle des salaires la plus basse par catégorie, prévue par la convention collective rendue obligatoire et conclue au sein du comité paritaire compétent.
  Cette base de référence et la prime correspondante sont maintenues durant la période entiÚre de paiement de la prime.
  En l'absence d'une convention collective de travail, est prise en compte l'échelle des salaires la plus basse par catégorie, fixée par convention collective de travail rendue obligatoire et conclue au sein du comité paritaire national complémentaire n° 218 pour employés (ou du comité paritaire national complémentaire n° 100 pour ouvriers).
  § 3. La prime est fixée sur la base des salaires indexés à la date d'engagement du premier travailleur d'insertion.
  Tout recrutement supplĂ©mentaire tel que visĂ© Ă  l'article 32 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, se fait sur base des salaires indexĂ©s Ă  la date que le Ministre prend une dĂ©cision sur ce recrutement supplĂ©mentaire.
  § 4. En cas de prestations à temps partiel, la prime attribuée est calculée proportionnellement.
  § 5. La prime ne peut en tout cas ĂȘtre supĂ©rieure au coĂ»t salarial global.
  § 6. (Le cas échéant, le coût salarial global est minoré de l'allocation d'insertion, à moins que la prime n'ait été fixée à 35 % des montants de référence.)
Art. 21. Het totaal van alle tussenkomsten in de loonkosten, van om het even welke oorsprong, die aan eenzelfde tewerkstelling worden toegekend, mag nooit de totale loonkost van die tewerkstelling overschrijden.
  Wanneer de werkgever een andere tegemoetkoming in de loonkost van een invoegwerknemer dan de hier vermelde ontvangt, moet hij de minister hiervan onmiddellijk op de hoogte brengen.
Art. 21. Le montant total de toutes les interventions, quelle qu'en soit l'origine, allouĂ©es au mĂȘme emploi ne peut jamais dĂ©passer le coĂ»t salarial de cet emploi.
  Lorsque l'employeur bénéficie d'une intervention dans le coût salarial du travailleur d'insertion autre que celle mentionnée au présent article, il doit en informer le Ministre sans délai.
Art. 22. [1 Het [2 Departement WSE]2 ]1 staat in voor de betaling van de premies.
  
Art. 22. Le [1 [2 Département WSE]2]1 assure le paiement des primes.
  
Afdeling II. - Procedure.
Section II. - Procédure.
Art. 33. De minister stelt het bedrag vast dat [1 het [2 Departement WSE]2 ]1 stort voor de tiende van de lopende kalendermaand. Dit bedrag wordt berekend op basis van de effectieve tewerkstelling binnen het kader van de toegekende premies voor de betrokken maand. Er is slechts recht op een premie voor de werkelijk verrichte en daarmee gelijkgestelde arbeidsprestaties.
  
Art. 33. Le Ministre fixe le montant à verser par le [1 [2 Département WSE]2]1 avant le dixiÚme du mois calendaire en cours. Ce montant est calculé sur la base de l'emploi effectif dans le cadre des primes allouées pour le mois en question. Seules les prestations effectivement effectuées donnent droit à une prime.
  
Art. 34. § 1. [De indienstneming van de eerste invoegwerknemer dient te geschieden binnen een periode van zes maanden vanaf de betekening van de erkenningsbeslissing [1 met uitzondering van die gevallen waar voorafgaand aan de tewerkstelling een IBO wordt gevolgd. Onder IBO wordt begrepen de individuele beroepsleiding in een onderneming krachtens artikel 120 tot en met 129 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 1988]1.]
  [De indienstneming van het totale aantal toegekende voltijds equivalente invoegwerknemers, zoals bedoeld in artikel 29, dient te geschieden binnen een periode van vier jaar vanaf de indiensttreding van de eerste invoegwerknemer.]
  [Voor de invoegwerknemers die niet binnen de voorziene aanwervingstermijn in dienst werden genomen, vervalt het recht op de toegekende premie.]
  § 2. (Een uit dienst getreden invoegwerknemer kan, met behoud van de toegekende premie, worden vervangen als deze vervanging plaatsvindt binnen zes maanden, te rekenen vanaf de dag van de uitdiensttreding van de te vervangen invoegwerknemer.
  Als de invoegwerknemer niet binnen de vervangingstermijn in dienst werd genomen, vervalt het recht op de toegekende premie.)
  
Art. 34. § 1er. [L'engagement du premier travailleur d'insertion doit avoir lieu dans les six mois suivant la notification de la dĂ©cision [1 Ă  l'exception de ces cas dans lesquelles un IBO est suivi prĂ©alable Ă  l'emploi. Par IBO, il faut entendre une formation professionnelle dans une entreprise en vertu des articles 120 Ă  129 compris de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 21 dĂ©cembre 1988]1.]
  [L'engagement du nombre total des travailleurs d'insertion à temps plein alloués tel que visé à l'article 29 doit se faire dans une période de quatre ans prenant cours le jour de l'entrée en service du premier travailleur d'insertion.]
  [Pour les travailleurs d'insertion qui ne sont pas engagés dans le délai prévu, le droit à la prime accordée devient nul.]
  § 2. (Un travailleur d'insertion qui a cessĂ© ses fonctions peut ĂȘtre remplacĂ©, avec maintien de la prime allouĂ©e, si ce remplacement intervient dans les six mois Ă  compter du jour de l'entrĂ©e en service du travailleur d'insertion Ă  remplacer.
  Si le travailleur d'insertion n'a pas été engagé pendant le délai de remplacement, le droit à la prime allouée devient nul.)
  
Art. 35. [1 De werkgever kan het aantal tewerkgestelde invoegnemers verminderen als dat noodzakelijk is voor de economische leefbaarheid van de onderneming. De werkgever motiveert zijn voornemen tot vermindering en deelt het met een aangetekende brief aan het [2 Departement WSE]2 mee.
   Het [2 Departement WSE]2 onderzoekt de motieven tot vermindering van de werkgever en bezorgt daarover een advies aan de minister binnen een termijn van veertien dagen.
   De minister deelt zijn toestemming of weigering met betrekking tot de vermindering mee aan de werkgever en aan de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding binnen een termijn van dertig dagen.]1

  
Art. 35. [1 L'employeur peut réduire le nombre de travailleurs d'insertion mis au travail lorsque la viabilité économique de l'entreprise l'exige. L'employeur motive son intention de réduction et la communique par lettre recommandée au [2 Département WSE]2.
   [2 Le Département WSE]2 examine les motifs de réduction de l'employeur et transmet un avis à ce sujet au Ministre dans un délai de quatorze jours.
   Le Ministre communique dans les trente jours l'autorisation ou le refus de la réduction à l'employeur et au Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding.]1

  
Art. 36. De werkgever vult bij de aanwerving van iedere invoegwerknemer een door [1 het [2 Departement WSE]2]1 ter beschikking gesteld inlichtingenblad in en maakt dit over aan [1 het [2 Departement WSE]2]1. Telkens zich een wijziging in de verstrekte gegevens voordoet, dient de werkgever onverwijld een vervangend inlichtingenblad over te maken.
  
Art. 36. A chaque engagement de travailleurs d'insertion, l'employeur remplit un bulletin d'information qui peut ĂȘtre obtenu auprĂšs du [1 [2 DĂ©partement WSE]2]1 et le transmet Ă  ce dernier. A chaque modification des renseignements fournis, l'employeur est tenu de transmettre sans tarder un bulletin de substitution.
  
Art. 36bis. <INGEVOEGD bij BVR 2003-05-23/48, art. 11; Inwerkingtreding : 01-04-2003> § 1. Onverminderd de toepassing van de artikels 23, 29, 30, 33, 34, 35 en 36 van dit besluit zijn de artikelen 24 tot en met 28 en de artikelen 31 tot en met 32 niet van toepassing voor de aanvragen tot erkenning of uitbreiding van invoegbedrijven en invoegafdelingen voor activiteiten zoals bedoeld in artikels 14, 2°, c) en d).
  § 2. De aanvraag tot erkenning of uitbreiding van een invoegbedrijf of invoegafdeling invoegafdelingen voor activiteiten zoals bedoeld in artikels 14, 2°, c) en d), worden door [1 het [2 Departement WSE]2]1 onderzocht die ten aanzien van de minister een advies formuleert.
  De minister beslist op basis van het advies van [1 het [2 Departement WSE]2]1.
  
Art. 36bis. § 1er. Sans prĂ©judice de l'application des articles 23, 29, 30, 33, 34, 35 et 36 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, les articles 24 Ă  28 inclus et les articles 31 Ă  32 inclus, ne s'appliquent pas aux demandes d'agrĂ©ment ou d'extension d'entreprises d'insertion et de divisions d'insertion pour les activitĂ©s visĂ©es Ă  l'article 14, 2°, c) et d).
  § 2. Les demandes d'agrément ou d'extension d'une entreprise d'insertion ou d'une division d'insertion pour les activités visées à l'article 14, 2°, c) en d), sont examinées par [1 [2 le Département WSE]2]1 qui rend avis au Ministre.
  Le Ministre statue sur la base de l'avis de [1 [2 le Département WSE]2]1.
  
Afdeling III.
Section III.
Afdeling IV. - Toezicht en naleving.
Section IV. - ContrĂŽle et respect.
Art. 38. De [3 sociaalrechtelijke inspecteurs van de afdeling Inspectie van het Departement Werk en Sociale Economie]3 zijn belast met het toezicht in de bij dit besluit erkende invoegbedrijven en invoegafdelingen in het algemeen en op de naleving van [1 de erkenningscriteria, vermeld in artikel 6 en 14 en]1 de verbintenissen zoals bepaald in artikel 11 en 19 van dit besluit.
  Bij dringende en dwingende omstandigheden kunnen de [3 sociaalrechtelijke inspecteurs van de afdeling Inspectie van het Departement Werk en Sociale Economie]3 als voorlopig bewarende maatregel beslissen niet-ingenomen arbeidsplaatsen binnen een invoegbedrijf of invoegafdeling niet meer te laten opvullen. Deze maatregel wordt onmiddellijk ter kennis gebracht van de minister, van het [Regionaal Sociaal-economisch Overlegcomité] en van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding en blijft gelden tot op de datum waarop de minister over de grond van de bewarende maatregel een beslissing neemt en beslist de erkenning al dan niet in te trekken of te schorsen.
  Het [Regionaal Sociaal-economisch Overlegcomité] onder wiens bevoegdheid de goedgekeurde erkenningsbeslissing valt, kan steeds een verzoek tot controle richten tot [2 het [4 Departement WSE]4]2. [2 Het [4 Departement WSE]4]2 informeert het [Regionaal Sociaal-economisch Overlegcomité] over de bevindingen van het onderzoek.
  
Art. 38. Les [3 inspecteurs des lois sociales de la Division de l'Inspection du DĂ©partement de l'Emploi et de l'Economie sociale]3 sont chargĂ©s du contrĂŽle des entreprises d'insertion et divisions d'insertion en gĂ©nĂ©ral et du respect [1 des critĂšres d'agrĂ©ment, mentionnĂ©s aux articles 6 et 14 et]1 des engagements en particulier, tels que prĂ©vus aux articles 11 et 19 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  Dans des circonstances urgentes et impératives, les [3 inspecteurs des lois sociales de la Division de l'Inspection du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale]3 peuvent décider à titre de mesure conservatoire, de laisser vacants les emplois non occupés au sein d'une entreprise d'insertion ou division d'insertion. Cette mesure est communiquée sans délai au Ministre, au [Comité de Concertation socio-économique régional] et au Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding; elle reste valable jusqu'à ce que le Ministre statue sur le fond de la mesure conservatoire et décide du retrait ou de la suspension de l'agrément.
  Le [ComitĂ© de Concertation socio-Ă©conomique rĂ©gional] duquel relĂšve la dĂ©cision concernant l'agrĂ©ment peut toujours adresser une demande de contrĂŽle [4 au]4 [2 [4 DĂ©partement WSE]4]2. Cette derniĂšre informe le [ComitĂ© de Concertation socio-Ă©conomique rĂ©gional] sur les constatations de l'enquĂȘte.
  
Art. 39. De minister kan, in geval de verbintenis zoals bepaald in artikel 11, 5° en artikel 19, 4° van dit besluit niet wordt nageleefd, de betaling van een geldsom, die gelijk is aan (6 200 EUR) per verminderde tewerkgestelde invoegwerknemer vorderen, met uitzondering van de gevallen zoals bepaald in artikel 35 van dit besluit.
Art. 39. En cas de non-respect de l'engagement tel que dĂ©fini aux articles 11, 5° et 19, 4° du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, le Ministre peut rĂ©clamer le paiement d'une somme de (6200 EUR) par travailleur mis au travail en moins, Ă  l'exception des cas prĂ©vus Ă  l'article 35 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 40. [1 De minister kan op basis van een verslag van de sociaalrechtelijke inspecteurs of op basis van het advies van de adviescommissie de premietoekenning stopzetten als :
   1° de onderneming de erkenningscriteria, vermeld in artikel 6 en 14, niet naleeft;
   2° de onderneming de verbintenissen, vermeld in artikel 11 en 19, niet naleeft;
   3° vastgesteld werd dat de onderneming zware of herhaalde overtredingen heeft gepleegd tegen de regelen van de arbeids- en sociale wetgeving;
   4° de onderneming nalaat aan [2 het [3 Departement WSE]3]2 tijdig de nodige gegevens mee te delen, vermeld in artikel 36.
   De minister kan in de gevallen, vermeld in het eerste lid, tot terugvordering overgaan vanaf de dag waarop de arbeidsplaats werd gesubsidieerd of de overtreding is vastgesteld.]1

  
Art. 40. [1 Le Ministre peut mettre fin Ă  l'octroi de la prime, sur la base d'un rapport des inspecteurs des lois sociales ou de l'avis de la commission consultative, si :
   1° l'entreprise ne respecte pas les critÚres d'agrément visés aux articles 6 et 14;
   2° l'entreprise ne respecte pas les engagements visés aux articles 11 et 19;
   3° s'il est constaté que l'entreprise a commis des infractions graves ou répétées aux rÚgles de la législation sur le travail et social;
   4° l'entreprise omet de communiquer dans les délais prévus au [2 [3 Département WSE]3]2 [3 ...]3 les renseignements requis cités à l'article 36.
   Dans les cas visĂ©s au premier alinĂ©a, le Ministre peut procĂ©der au recouvrement Ă  partir de la date de subventionnement de l'emploi ou de la date oĂč l'infraction a Ă©tĂ© constatĂ©e.]1

  
Art. 41. De minister betekent de beslissing tot stopzetting van premietoekenning aan de werkgever. Hij deelt deze beslissing mee aan de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding en het (Regionaal Sociaal-economisch Overlegcomité).
Art. 41. Le Ministre notifie la décision de cessation de l'octroi de la prime à l'employeur. Il informe le Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding et le (Comité de Concertation socio-économique régional) de sa décision.
Art. 42. Onrechtmatig verkregen premies worden ingevorderd of ingehouden op de later aan de werkgever verschuldigde bedragen. Zo nodig laat [1 de [2 secretaris-generaal van het Departement WSE]2]1 de dossiers van de weerspannige debiteurs overzenden aan het Bestuur van de BTW en van de Registratie en Domeinen.
  De door hoger genoemd Bestuur in te stellen vervolgingen geschieden overeenkomstig artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949, zoals bij decreet van 23 toepasbaar gesteld voor het Vlaamse Gewest. De aldus ingevorderde bedragen worden na aftrek van de eventuele kosten aan de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding terugbetaald.
  
Art. 42. Les primes indûment perçues sont recouvrées ou déduites des montants dus ultérieurement à l'employeur. Au besoin, [1 [2 le secrétaire général du Département WSE]2]1 transmet les dossiers des débiteurs réfractaires à l'Administration de la TVA et de l'Enregistrement et des Domaines.
  Les poursuites engagées par l'Administration précitée se font conformément à l'article 3 de la loi domaniale du 22 décembre 1949, rendue applicable pour la Région flamande par le décret du 23. Les sommes ainsi recouvrées sont remboursées au Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, aprÚs déduction des frais éventuels.
  
HOOFDSTUK V. - Overgangsbepalingen.
CHAPITRE V. - Dispositions transitoires.
Art. 42bis. <INGEVOEGD bij BVR 2005-07-01/34, art. 17; Inwerkingtreding : 01-07-2005> Vanaf 1 juli 2005 wordt titel II opgeheven voor de erkenningen als invoegbedrijf en als invoegafdeling voor andere activiteiten dan die welke vermeld worden in artikel 14, punt c) en punt d).
  Die opheffing is niet van toepassing voor :
  a) de invoegbedrijven en invoegafdelingen die erkend zijn voor 1 april 2005;
  b) de invoegbedrijven- en invoegafdelingen-dienstenchequeondernemingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 25 maart 2005 tot wijziging van voormeld besluit.
Art. 42bis. A partir du 1er juillet 2005, le titre II est abrogé pour les agréments comme entreprise d'insertion et comme division d'insertion pour les activités autres que celles mentionnées à l'article 14, point c) et point d).
  Cette abrogation ne s'applique pas aux :
  a) entreprises d'insertion et divisions d'insertion agréées avant le 1er avril 2005;
  b) entreprises d'insertion et divisions d'insertion-entreprises de titres-service, mentionnĂ©es Ă  l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 25 mars 2005 modifiant l'arrĂȘtĂ© prĂ©citĂ©.
TITEL III.
TITRE III.
HOOFDSTUK I.
CHAPITRE I.
HOOFDSTUK II.
CHAPITRE II.
HOOFDSTUK III.
CHAPITRE III.
HOOFDSTUK IV.
CHAPITRE IV.
TITEL IV.
TITRE IV.
HOOFDSTUK I.
CHAPITRE I.
HOOFDSTUK II.
CHAPITRE II.
HOOFDSTUK III.
CHAPITRE III.
HOOFDSTUK IV.
CHAPITRE IV.
Afdeling I.
Section 1.
Afdeling II.
Section II.
Afdeling 3.
Section 3.
TITEL V.
TITRE V.
HOOFDSTUK I.
CHAPITRE I.
HOOFDSTUK II.
CHAPITRE II.
HOOFDSTUK III.
CHAPITRE III.
HOOFDSTUK IV.
CHAPITRE IV.
TITEL VI. - Maatschappelijk verantwoord ondernemerschap.
TITRE VI. - Entrepreneuriat socialement responsable.
Art. 77. De minister verleent binnen de perken van het begrotingskrediet subsidies voor de ondersteuning van projecten die de uitbouw van het maatschappelijk verantwoord ondernemerschap in Vlaanderen bevorderen.
Art. 77. Dans les limites des crédits budgétaires, le Ministre octroie des subventions à titre d'aide aux projets qui favorisent le développement de l'entrepreneuriat socialement responsable en Flandre.
Art. 78. De projecten dienen een belangrijk multiplicatoreffect te hebben, de economie te versterken en te voldoen aan minstens één van de volgende criteria :
  1° verzamelen, ontwikkelen en verspreiden van know-how en ervaring op het vlak van sociale en ethische accounting, auditing en rapportering vanuit de stakeholders benadering via het uitwerken en verankeren van een opleiding in Vlaanderen, het binnenhalen van internationale expertise en benchmarking;
  2° ontwikkelen van instrumenten en dienstverlening op het vlak van sociale en ethische accounting, auditing en rapportering vanuit de stakeholders benadering;
  3° het verspreiden van " best practices " op ruime schaal en het uitwerken van sensibiliserende acties betreffende de toepassing van sociale en ethische accounting, auditing en rapportering vanuit de stakeholders benadering.
Art. 78. Il faut que les projets aient un effet multiplicateur important, renforcent l'économie et remplissent au moins un des critÚres suivants :
  1° la collecte, le développement et la diffusion de savoir-faire et d'expérience sur le plan de l'audit éthique et social, partant de l'approche des " stakeholders ", par l'élaboration et l'ancrage d'une formation en Flandre, l'acquisition d'expertise internationale et l'étalonnage des performances;
  2° la mise au point d'outils et de services sur le plan de l'audit éthique et social à l'aide de l'approche des " stakeholders ";
  3° la diffusion à grande échelle de meilleures pratiques et la mise sur pied d'actions sensibilisantes en matiÚre d'audit éthique et social à l'aide de l'approche des " stakeholders ".
Art. 79. § 1. Er wordt een stuurgroep opgericht waarvan de samenstelling bepaald wordt door de minister.
  § 2. De stuurgroep beoordeelt de voorgestelde projecten op basis van de criteria zoals bepaald in artikel 78 en volgt de projecten zoals bepaald in artikel 77 van dit besluit op.
Art. 79. § 1er. Il est créé un comité d'accompagnement dont la composition est déterminée par le Ministre.
  § 2. Le comitĂ© d'accompagnement apprĂ©cie les projets proposĂ©s sur la base des critĂšres prĂ©vus Ă  l'article 78 et assure le suivi des projets visĂ©s Ă  l'article 77 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
TITEL VIbis.
TITRE VIbis.
HOOFDSTUK I.
CHAPITRE I.
HOOFDSTUK II.
CHAPITRE II.
HOOFDSTUK III.
CHAPITRE III.
TITEL VII.
TITRE VII.
HOOFDSTUK I.
CHAPITRE I.
HOOFDSTUK II.
CHAPITRE II.
HOOFDSTUK III.
CHAPITRE III.
TITEL VIII. - Vlaams participatiefonds voor de sociale economie.
TITRE VIII. - Fonds flamand de participation pour l'économie sociale.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions générales.
Art. 83. De minister erkent een Vlaams participatiefonds voor de sociale economie.
Art. 83. Le Ministre agrée un Fonds flamand de participation pour l'économie sociale.
HOOFDSTUK II. - Erkenning.
CHAPITRE II. - Agrément.
Art. 84. Om als Vlaams participatiefonds voor de sociale economie te worden erkend, dient aan volgende voorwaarden te worden voldaan :
  1° het fonds neemt een vennootschapsvorm aan;
  2° het doel van het fonds is kleine en middelgrote ondernemingen binnen de meerwaardeneconomie een optimale kans te geven om een onderneming op te starten of verder uit te bouwen door hen tijdelijk een eigen vermogen ter beschikking te stellen gekoppeld aan een actieve bestuurdersrol;
  3° het fonds stelt risicokapitaal ter beschikking in de vorm van tijdelijke minderheidsparticipaties en achtergestelde financieringen;
  4° [1 In het fonds participeren zowel actoren van de sociale economie, de privésector als de Vlaamse overheid. De overheid participeert voor maximaal één derde van het kapitaal ten belope van maximaal [2 [3 4.000.000]3]2]1;
  5° het fonds heeft een regionale inbedding via regionale ankerpunten. Dit kan zich vertalen in een gestructureerde samenwerking met regionale incubatiecentra en andere regionale actoren of overheden;
  6° de nodige deskundigheid is aanwezig voor het management en financieel beheer van het fonds;
  
Art. 84. Pour pouvoir ĂȘtre agréé comme Fonds flamand de participation pour l'Ă©conomie sociale, les conditions suivantes doivent ĂȘtre remplies :
  1° le fonds prend la forme d'une société;
  2° le fonds a pour objet de donner aux petites et moyennes entreprises, dans le secteur de l'économie sociale, une chance optimale de démarrer ou d'étendre une entreprise, en mettant à leur disposition à titre temporaire des moyens propres et un rÎle actif d'administrateur;
  3° le fonds procure du capital Ă  risque sous forme de participations minoritaires temporaires et des prĂȘts subordonnĂ©s;
  4° [1 Des acteurs de l'économie sociale, du secteur privé et de l'Autorité flamande participent dans le fonds. L'autorité participe pour au maximum un tiers du capital à concurrence d'au maximum [2 [3 4 000 000]3]2 d'euros]1;
  5° le fonds a des points d'ancrage régionaux, ce qui peut se traduire par une coopération structurée avec des centres régionaux d'incubation et d'autres acteurs ou pouvoirs régionaux;
  6° l'expertise requise en matiÚre de management et de gestion financiÚre du fonds est présente.
  
Art. 85. § 1. Het Vlaams participatiefonds voor de sociale economie bezorgt elk jaar (...) een jaarverslag en jaarplanning aan de minister, die hierover rapporteert aan de Vlaamse regering.
  § 2. In de jaarplanning wordt omschreven op welke wijze het in het lopende jaar de opdrachten en werkzaamheden zal realiseren evenals een financiële prognose.
Art. 85. § 1er. Le fonds flamand de participation pour l'économie sociale transmet chaque année (...) un rapport annuel et un planning annuel au Ministre, qui en fait rapport au Gouvernement flamand.
  § 2. Le planning annuel décrit de quelle maniÚre le fonds entend réaliser ses missions et activités et donne une prévision financiÚre.
HOOFDSTUK III. - Subsidiëring.
CHAPITRE III. - Subventions.
Art. 86. [1 Een jaarlijkse subsidie van maximaal 259.000 euro wordt toegekend voor de delging van de loon- en werkingskosten van het fonds.
   Het subsidiebedrag, vermeld in het eerste lid, evolueert op dezelfde wijze en in dezelfde mate als de gezondheidsindex, met als basismaand december 2022.
   Op basis van de gezondheidsindex van de maand december van het voorgaande jaar wordt jaarlijks voor het huidige werkingsjaar het subsidiebedrag dat conform het tweede lid wordt geïndexeerd bepaald.
   De minister legt jaarlijks voor 30 april dat geïndexeerde subsidiebedrag vast voor het komende werkingsjaar.]1

  
Art. 86. [1 Une subvention annuelle d'un montant maximal de 259 000 euros sera octroyée pour compenser les coûts salariaux et les frais de fonctionnement du fonds.
   Le montant de la subvention visĂ© Ă  l'alinĂ©a 1er Ă©volue de la mĂȘme maniĂšre et dans la mĂȘme mesure que l'indice santĂ©, le mois de rĂ©fĂ©rence Ă©tant dĂ©cembre 2022.
   Sur la base de l'indice de santé du mois de décembre de l'année précédente, le montant de la subvention indexé conformément à l'alinéa 2 est déterminé annuellement pour l'année d'activité en cours.
   Le ministre fixe annuellement au plus tard le 30 avril, le montant de la subvention indexé pour l'année d'activité à venir.]1

  
Art. 87. Als wordt vastgesteld dat het Vlaams participatiefonds voor de sociale economie niet meer aan de vereiste voorwaarden voldoet, als misbruiken worden vastgesteld of als blijk wordt gegeven van kennelijke onbekwaamheid, kan de minister de erkenning intrekken.
Art. 87. Lorsqu'il est constaté que le fonds flamand de participation pour l'économie sociale ne remplit plus les conditions fixées, si des abus sont constatés ou s'il est question d'incompétence manifeste, le Ministre peut retirer l'agrément.
TITEL IX.
TITRE IX.
HOOFDSTUK I.
CHAPITRE I.
HOOFDSTUK II.
CHAPITRE II.
HOOFDSTUK III.
CHAPITRE III.
TITEL X. - Slot- en overgangsbepalingen.
TITRE X. - Dispositions finales et transitoires.
Art. 94. § 1. Dit besluit vervangt het besluit van de Vlaamse regering van 10 november 1998 zoals gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 6 juli 1999 houdende doorvoering van experimenten in verband met invoegbedrijven.
  Onverminderd bovenvermelde bepaling blijft de toekenning van de premie voor een definitieve vervanger in dienst vóór de inwerkingtreding van dit besluit op grond van artikel 4, vierde lid van het het besluit van de Vlaamse regering van 10 november 1998 zoals gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 6 juli 1999 houdende doorvoering van experimenten in verband met invoegbedrijven gelden.
  § 2. Invoegbedrijven erkend vóór 1 januari 1999 worden geacht erkend te zijn volgens de voorwaarden van dit besluit met uitzondering van de vaststelling en uitbetaling van de premie voor de invoegwerknemers toegekend vóór 1 januari 1999. Voor de vaststelling en uitbetaling van de premie blijft artikel 3, §§ 1 en 2 van het ministerieel besluit van 22 december 1994 onverkort gelden.
  Onverminderd bovenvermelde bepaling blijft de toekenning van de premie voor een definitieve vervanger in dienst vóór de inwerkingtreding van dit besluit op grond van artikel 4, vierde lid van het ministerieel besluit van 22 december 1994, gewijzigd bij ministerieel besluit van 15 december 1999, gelden.
Art. 94. § 1er. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© remplace l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 novembre 1998 portant organisation d'expĂ©riences dans le domaine des entreprises d'insertion, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juillet 1999.
  Sans prĂ©judice de la disposition susmentionnĂ©e, l'octroi de la prime pour un remplaçant dĂ©finitif entrĂ© en service avant l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, en vertu de l'article 4, alinĂ©a 4 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 10 novembre 1998 portant organisation d'expĂ©riences dans le domaine des entreprises d'insertion, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 6 juillet 1999 est maintenu.
  § 2. Les entreprises d'insertion agréées avant le 1er janvier 1999 sont censĂ©es ĂȘtre agréées conformĂ©ment aux conditions Ă©noncĂ©es dans le prĂ©sent arrĂȘtĂ©, Ă  l'exception de la fixation et du paiement de la prime pour travailleurs d'insertion octroyĂ©e avant le 1er janvier 1999. En ce qui concerne la fixation et le paiement de la prime, l'article 3, §§ 1er et 2 de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 22 dĂ©cembre 1994 reste intĂ©gralement applicable.
  Sans prĂ©judice de la disposition susmentionnĂ©e, l'octroi de la prime pour un remplaçant dĂ©finitif entrĂ© en service avant l'entrĂ©e en vigueur du prĂ©sent arrĂȘtĂ©, en vertu de l'article 4, alinĂ©a 4 de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 22 dĂ©cembre 1994, modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 15 dĂ©cembre 1999 est maintenu.
Art. 95. De artikelen 1 en 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 november 1994 houdende doorvoering van experimenten in verband met de invoegbedrijven worden opgeheven uitgezonderd wat betreft de geldigheid van artikel 3, § § 1 en 2 van het ministerieel besluit van 22 december 1994 en wat betreft de geldigheid van artikel 4, vierde lid van het ministerieel besluit van 22 december 1994 zoals bepaald in artikel 93, § 2, 2de lid van dit besluit.
  Het ministerieel besluit van 22 december 1994 in uitvoering van artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 november 1994 zoals gewijzigd bij ministerieel besluit van 15 december 1999 wordt opgeheven met uitzondering van artikel 3, §§ 1 en 2 en artikel 4, vierde lid van het ministerieel besluit van 22 december 1994 zoals bepaald in artikel 93, § 2, 2de lid van dit besluit.
Art. 95. Les articles 1er et 3 de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 novembre 1994 portant organisation d'expĂ©riences dans le domaine des entreprises d'insertion sont abrogĂ©s, sauf en ce qui concerne la validitĂ© de l'article 3, §§ 1er et 2 de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 22 dĂ©cembre 1994, et en ce qui concerne la validitĂ© de l'article 4, alinĂ©a 4 de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 22 dĂ©cembre 1994, comme prĂ©vu Ă  l'article 93, § 2, alinĂ©a 2 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
  L'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 22 dĂ©cembre 1994 pris en exĂ©cution de l'article 1er de l'arrĂȘtĂ© du Gouvernement flamand du 16 novembre 1994 tel que modifiĂ© par l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 15 dĂ©cembre 1999 est abrogĂ©, Ă  l'exception de l'article 3, §§ 1er et 2 et de l'article 4, alinĂ©a 4 de l'arrĂȘtĂ© ministĂ©riel du 22 dĂ©cembre 1994, comme prĂ©vu Ă  l'article 93, § 2, alinĂ©a 2 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 96bis. <INGEVOEGD bij BVR 2001-12-07/62, art. 23; Inwerkingtreding : 01-11-2001> § 1. Werknemers die als gemeentelijk mina-werker in het kader van optie 8 van de gemeentelijke milieuconvenants tewerkgesteld zijn op het moment van de goedkeuring van de aanvraag tot erkenning als invoegbedrijf of als invoegafdeling voor activiteiten zoals bedoeld in artikel 14, 2°, d) , worden gelijkgesteld met invoegwerknemers zoals bedoeld in artikel 3, 1°.
  § 2. Invoegbedrijven die als kringloopcentrum erkend zijn door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij of die activiteiten op het vlak van natuurbehoud of onderhoud van openbare domeinen verrichten, hebben vanaf 1 november 2001 automatisch recht op de loonpremie zoals bedoeld in artikel 8, § 1, tweede lid van dit besluit waarbij voor de invoegwerknemers die minstens drie volle jaren tewerkgesteld zijn de loonpremie bepaald wordt op 35 % van de refertebedragen zoals bepaald in artikel 20 van dit besluit.
Art. 96bis. § 1er. Les travailleurs occupés comme travailleurs " mina " communaux dans le cadre de l'option 8 des accords environnementaux communaux au moment de l'approbation de la demande d'agrément en tant qu'entreprise d'insertion ou de division d'insertion pour des activités telles que visées à l'article 14, 2°, d) sont assimilés aux travailleurs d'insertion visés à l'article 3, 1°.
  § 2. A partir du 1er novembre 2001, les entreprises d'insertion agréées comme centres de recyclage et de rĂ©utilisation par la " Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij " ou qui exercent des activitĂ©s sur le plan de la conservation de la nature ou de l'entretien de domaines publics ont droit Ă  la prime salariale telle que visĂ©e Ă  l'article 8, § 1er, alinĂ©a 2 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©. Pour les travailleurs d'insertion occupĂ©s pendant au moins trois annĂ©es entiĂšres, la prime salariale est fixĂ©e Ă  35 % des montants de rĂ©fĂ©rence tels que visĂ©s Ă  l'article 20 du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 96ter. <INGEVOEGD bij BVR 2001-12-07/62, art. 23; Inwerkingtreding : 01-11-2001> Bij wijze van overgangsmaatregel voor het begrotingsjaar 2001 wordt de controleur der vastleggingen gemachtigd om ten laste van programma 52.40, b.a. 41.07 begrotingsjaar 2001 2.478.935,25 euro vast te leggen voor de financiering van voorbeeldprojecten die door de minister worden erkend krachtens artikel 79quater en voor de subsidiëring van een organisatie krachtens artikel 79septies.
Art. 96ter. A titre de mesure transitoire pour l'année budgétaire 2001, le contrÎleur des engagements est autorisé à engager, à charge du programme 52.40, a.b. 41.07, année budgétaire 2001, 2.478.935,25 d'euros pour le financement de projets pilotes agréés par le Ministre en vertu de l'article 79quater et pour le subventionnement d'une organisation en vertu de l'article 79septies.
Art. 96quater. <INGEVOEGD bij BVR 2001-12-07/62, art. 23; Inwerkingtreding : 01-11-2001> § 1. Het in de eerste kolom van onderstaande tabel vermeld artikel heeft betrekking op dit besluit. Met betrekking tot de bedragen die in euro worden vermeld in de tweede kolom van deze tabel, gelden tot en met 31 december 2001 de bedragen die in Belgische frank worden vermeld in de derde kolom.
Art. 96quater. § 1er. L'article mentionnĂ© dans la premiĂšre colonne du tableau ci-dessous se rapporte au prĂ©sent arrĂȘtĂ©. En ce qui concerne les montants exprimĂ©s en euros dans la deuxiĂšme colonne de ce tableau, les montants exprimĂ©s en francs belges dans la troisiĂšme colonne sont valables jusqu'au 31 dĂ©cembre 2001 inclus.
ArtikelEURBEF
artikel 79quinquies25.0001 008 498
artikel 79quinquies50.0002 016 995
artikel 79quinquies100.0004 033 990
artikel 79quinquies150.0006 050 985
artikel 96ter2.478.935,25100 000 000
ArtikelEURBEFartikel 79quinquies25.0001 008 498artikel 79quinquies50.0002 016 995artikel 79quinquies100.0004 033 990artikel 79quinquies150.0006 050 985artikel 96ter2.478.935,25100 000 000
ArticleEURBEF
article 79quinquies25.0001 008 498
article 79quinquies50.0002 016 995
article 79quinquies100.0004 033 990
article 79quinquies150.0006 050 985
article 96ter2.478.935,25100 000 000
ArticleEURBEFarticle 79quinquies25.0001 008 498article 79quinquies50.0002 016 995article 79quinquies100.0004 033 990article 79quinquies150.0006 050 985article 96ter2.478.935,25100 000 000
  § 2. De bedragen die in euro worden vermeld in artikel 79quinquies van dit besluit, treden in werking op 1 januari 2002.
  § 2. Les montants exprimĂ©s en euro Ă  l'article 79quinquies du prĂ©sent arrĂȘtĂ© entrent en vigueur le 1er janvier 2002.
Art. 97. De Vlaamse minister, bevoegd voor het Tewerkstellingsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 97. Le Ministre flamand ayant la Politique de l'Emploi dans ses attributions est charge de l'exĂ©cution du prĂ©sent arrĂȘtĂ©.
Art. 98. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2000.
Art. 98. Le prĂ©sent arrĂȘtĂ© produit ses effets le 1er juillet 2000.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Bijlage 1. Het refertebedrag wordt als volgt vastgesteld :
Art. N. Annexe 1. Le montant de référence est déterminé comme suit :
[8500-9499 eurorefertebedrag 8500 euro
9500-10499 eurorefertebedrag 9500 euro
10500-11499 eurorefertebedrag 10500 euro
11500-12499 eurorefertebedrag 11500 euro
12500-13499 eurorefertebedrag 12500 euro
13500-14499 eurorefertebedrag 13500 euro
14500-15499 eurorefertebedrag 14500 euro
15500-16499 eurorefertebedrag 15500 euro
16500-16499 eurorefertebedrag 16500 euro
17500-18499 eurorefertebedrag 17500 euro
18500-19499 eurorefertebedrag 18500 euro
19500-20499 eurorefertebedrag 19500 euro
20500-21499 eurorefertebedrag 20500 euro
21500-22499 eurorefertebedrag 21500 euro
22500-23499 eurorefertebedrag 22500 euro
23500-24499 eurorefertebedrag 23500 euro
24500-25499 eurorefertebedrag 24500 euro
25500-26499 eurorefertebedrag 25500 euro
26500-27499 eurorefertebedrag 26500 euro
27500-28499 eurorefertebedrag 27500 euro
28500-29499 eurorefertebedrag 28500 euro
29500-30499 eurorefertebedrag 29500 euro
30500-31499 eurorefertebedrag 30500 euro
vanaf 31500 eurorefertebedrag 31500 euro]
<BVR 2001-07-06/40,art. 2, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
[8500-9499 eurorefertebedrag 8500 euro9500-10499 eurorefertebedrag 9500 euro10500-11499 eurorefertebedrag 10500 euro11500-12499 eurorefertebedrag 11500 euro12500-13499 eurorefertebedrag 12500 euro13500-14499 eurorefertebedrag 13500 euro14500-15499 eurorefertebedrag 14500 euro15500-16499 eurorefertebedrag 15500 euro16500-16499 eurorefertebedrag 16500 euro17500-18499 eurorefertebedrag 17500 euro18500-19499 eurorefertebedrag 18500 euro19500-20499 eurorefertebedrag 19500 euro20500-21499 eurorefertebedrag 20500 euro21500-22499 eurorefertebedrag 21500 euro22500-23499 eurorefertebedrag 22500 euro23500-24499 eurorefertebedrag 23500 euro24500-25499 eurorefertebedrag 24500 euro25500-26499 eurorefertebedrag 25500 euro26500-27499 eurorefertebedrag 26500 euro27500-28499 eurorefertebedrag 27500 euro28500-29499 eurorefertebedrag 28500 euro29500-30499 eurorefertebedrag 29500 euro30500-31499 eurorefertebedrag 30500 eurovanaf 31500 eurorefertebedrag 31500 euro]
[8500-9499 euromontant de référence 8500 euro
9500-10499 euromontant de référence 9500 euro
10500-11499 euromontant de référence 10500 euro
11500-12499 euromontant de référence 11500 euro
12500-13499 euromontant de référence 12500 euro
13500-14499 euromontant de référence 13500 euro
14500-15499 euromontant de référence 14500 euro
15500-16499 euromontant de référence 15500 euro
16500-16499 euromontant de référence 16500 euro
17500-18499 euromontant de référence 17500 euro
18500-19499 euromontant de référence 18500 euro
19500-20499 euromontant de référence 19500 euro
20500-21499 euromontant de référence 20500 euro
21500-22499 euromontant de référence 21500 euro
22500-23499 euromontant de référence 22500 euro
23500-24499 euromontant de référence 23500 euro
24500-25499 euromontant de référence 24500 euro
25500-26499 euromontant de référence 25500 euro
26500-27499 euromontant de référence 26500 euro
27500-28499 euromontant de référence 27500 euro
28500-29499 euromontant de référence 28500 euro
29500-30499 euromontant de référence 29500 euro
30500-31499 euromontant de référence 30500 euro
a partir de 31500 euromontant de référence 31500 euro]
<AGF 2001-07-06/40, art. 2, 002; En vigueur : 01-01-2002>
[8500-9499 euromontant de référence 8500 euro9500-10499 euromontant de référence 9500 euro10500-11499 euromontant de référence 10500 euro11500-12499 euromontant de référence 11500 euro12500-13499 euromontant de référence 12500 euro13500-14499 euromontant de référence 13500 euro14500-15499 euromontant de référence 14500 euro15500-16499 euromontant de référence 15500 euro16500-16499 euromontant de référence 16500 euro17500-18499 euromontant de référence 17500 euro18500-19499 euromontant de référence 18500 euro19500-20499 euromontant de référence 19500 euro20500-21499 euromontant de référence 20500 euro21500-22499 euromontant de référence 21500 euro22500-23499 euromontant de référence 22500 euro23500-24499 euromontant de référence 23500 euro24500-25499 euromontant de référence 24500 euro25500-26499 euromontant de référence 25500 euro26500-27499 euromontant de référence 26500 euro27500-28499 euromontant de référence 27500 euro28500-29499 euromontant de référence 28500 euro29500-30499 euromontant de référence 29500 euro30500-31499 euromontant de référence 30500 euroa partir de 31500 euromontant de référence 31500 euro]