Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
3 JULI 2000. - Wet tot wijziging van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving en de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.
Titre
3 JUILLET 2000. - Loi modifiant la loi du 30 juillet 1979 relative aux radiocommunications et la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques.
Documentinformatie
Numac: 2000014174
Datum: 2000-07-03
Info du document
Numac: 2000014174
Date: 2000-07-03
Inhoud
Tekst (32)
Texte (32)
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepaling.
CHAPITRE I. - Disposition préliminaire.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving.
CHAPITRE II. - Modifications apportées à la loi du 30 juillet 1979 relative aux radiocommunications.
Art.2. Artikel 7 van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 1994 en bij de wet van 6 mei 1998, wordt opgeheven.
Art.2. L'article 7 de la loi du 30 juillet 1979 relative aux radiocommunications, modifié par l'arrêté royal du 15 mars 1994 et par la loi du 6 mai 1998, est abrogé.
Art.3. De artikelen 9 en 9bis van dezelfde wet worden opgeheven.
Art.3. Les articles 9 et 9bis de la même loi sont abrogés.
Art.4. Artikel 10, eerste lid, van dezelfde wet, gedeeltelijk vernietigd bij het arrest nr. 1/91 van het Arbitragehof van 7 februari 1991, wordt vervangen als volgt :
" De Koning stelt de verordeningen van algemeen bestuur en de politieverordeningen betreffende de radioverbindingen alsook de verordeningen betreffende de bescherming ervan vast, inzonderheid de maatregelen die getroffen kunnen worden om radio-elektrische storingen te doen ophouden. ".
" De Koning stelt de verordeningen van algemeen bestuur en de politieverordeningen betreffende de radioverbindingen alsook de verordeningen betreffende de bescherming ervan vast, inzonderheid de maatregelen die getroffen kunnen worden om radio-elektrische storingen te doen ophouden. ".
Art.4. L'article 10, alinéa 1er, de la même loi, partiellement annulé par l'arrêté de la Cour d'Arbitrage n° 1/91 du 7 février 1991, est remplacé par l'alinéa suivant :
" Le Roi arrête les règlements d'administration générale et de police relatifs aux radiocommunications et les règlements relatifs à la protection de celles-ci, notamment les dispositions qui peuvent être prises pour mettre fin à des (perturbations radioélectriques.)".
" Le Roi arrête les règlements d'administration générale et de police relatifs aux radiocommunications et les règlements relatifs à la protection de celles-ci, notamment les dispositions qui peuvent être prises pour mettre fin à des (perturbations radioélectriques.)".
Art.5. In dezelfde wet wordt een artikel 20 ingevoegd, luidende :
" Art. 20. § 1. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor 31 december 2001 de bepalingen van deze wet opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen om alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de van kracht zijnde richtlijnen van de Europese Unie.
§ 2. Het in § 1 bedoeld ontwerp van besluit wordt aan het advies van de Afdeling Wetgeving van de Raad van State onderworpen. Dit advies wordt, samen met het verslag aan de Koning en het koninklijk besluit waarop het betrekking heeft, bekendgemaakt.
§ 3. Het koninklijk besluit genomen krachtens § 1 van dit artikel wordt opgeheven wanneer het niet binnen vijftien maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad bij wet werd bekrachtigd. ".
" Art. 20. § 1. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor 31 december 2001 de bepalingen van deze wet opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen om alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de van kracht zijnde richtlijnen van de Europese Unie.
§ 2. Het in § 1 bedoeld ontwerp van besluit wordt aan het advies van de Afdeling Wetgeving van de Raad van State onderworpen. Dit advies wordt, samen met het verslag aan de Koning en het koninklijk besluit waarop het betrekking heeft, bekendgemaakt.
§ 3. Het koninklijk besluit genomen krachtens § 1 van dit artikel wordt opgeheven wanneer het niet binnen vijftien maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad bij wet werd bekrachtigd. ".
Art.5. Un article 20, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 20. § 1er. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, abroger, compléter, modifier ou remplacer avant le 31 décembre 2001 les dispositions de cette loi, afin de prendre toutes les mesures nécessaires pour exécuter les obligations découlant des directives en vigueur de l'Union européenne.
§ 2. Le projet d'arrêté dont question au § 1er est soumis à l'avis de la Section de Législation du Conseil d'Etat. Cet avis est publié en même temps que le rapport au Roi et l'arrêté royal y relatif.
§ 3. L'arrêté royal pris en exécution du § 1er est abrogé lorsqu'il n'a pas été confirmé par la loi dans les quinze mois qui suivent sa publication au Moniteur belge. ".
" Art. 20. § 1er. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, abroger, compléter, modifier ou remplacer avant le 31 décembre 2001 les dispositions de cette loi, afin de prendre toutes les mesures nécessaires pour exécuter les obligations découlant des directives en vigueur de l'Union européenne.
§ 2. Le projet d'arrêté dont question au § 1er est soumis à l'avis de la Section de Législation du Conseil d'Etat. Cet avis est publié en même temps que le rapport au Roi et l'arrêté royal y relatif.
§ 3. L'arrêté royal pris en exécution du § 1er est abrogé lorsqu'il n'a pas été confirmé par la loi dans les quinze mois qui suivent sa publication au Moniteur belge. ".
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.
CHAPITRE III. - Modifications apportées à la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques.
Afdeling 1. - De telecommunicatie.
Section 1. - Les télécommunications.
Art.6. In artikel 68 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A) in de bepaling onder 6°, vervangen bij de wet van 19 december 1997, wordt het woord " eindgebruiker " vervangen door het woord " gebruiker ";
B) de bepaling onder 7°, vervangen bij de wet van 19 december 1997, wordt vervangen als volgt :
" 7° Eindapparatuur : een product of een relevant onderdeel ervan dat communicatie mogelijk maakt en dat bedoeld is voor directe of indirecte aansluiting op interfaces van een openbaar telecommunicatienetwerk; ";
C) de bepaling onder 14°, vervangen bij de wet van 19 december 1997, wordt vervangen als volgt :
" 14° Interface : een netwerkaansluitpunt dat een fysiek verbindingspunt is waar een gebruiker toegang heeft tot een telecommunicatienetwerk en/of een etherinterface waarin het radiopad tussen de radioapparatuur is vastgelegd, en hun technische specificaties; ";
D) er wordt een 30° toegevoegd, luidende :
" 30° Radioapparatuur : een product of een relevant onderdeel ervan dat geschikt is voor telecommunicatie door uitzending en/of ontvangst van radiogolven waarbij gebruik wordt gemaakt van het aan aarde/ruimtecommunicatie toegewezen spectrum, met uitzondering van toestellen die uitsluitend voor de ontvangst van klank- en televisie-omroepuitzendingen bestemd zijn; ";
E) er wordt een 31° toegevoegd, luidende :
" 31° Apparatuur : alle producten die als radioapparatuur of als eindapparatuur, of als beide, fungeren. ".
A) in de bepaling onder 6°, vervangen bij de wet van 19 december 1997, wordt het woord " eindgebruiker " vervangen door het woord " gebruiker ";
B) de bepaling onder 7°, vervangen bij de wet van 19 december 1997, wordt vervangen als volgt :
" 7° Eindapparatuur : een product of een relevant onderdeel ervan dat communicatie mogelijk maakt en dat bedoeld is voor directe of indirecte aansluiting op interfaces van een openbaar telecommunicatienetwerk; ";
C) de bepaling onder 14°, vervangen bij de wet van 19 december 1997, wordt vervangen als volgt :
" 14° Interface : een netwerkaansluitpunt dat een fysiek verbindingspunt is waar een gebruiker toegang heeft tot een telecommunicatienetwerk en/of een etherinterface waarin het radiopad tussen de radioapparatuur is vastgelegd, en hun technische specificaties; ";
D) er wordt een 30° toegevoegd, luidende :
" 30° Radioapparatuur : een product of een relevant onderdeel ervan dat geschikt is voor telecommunicatie door uitzending en/of ontvangst van radiogolven waarbij gebruik wordt gemaakt van het aan aarde/ruimtecommunicatie toegewezen spectrum, met uitzondering van toestellen die uitsluitend voor de ontvangst van klank- en televisie-omroepuitzendingen bestemd zijn; ";
E) er wordt een 31° toegevoegd, luidende :
" 31° Apparatuur : alle producten die als radioapparatuur of als eindapparatuur, of als beide, fungeren. ".
Art.6. A l'article 68 de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, sont apportées les modifications suivantes :
A) dans la disposition au point 6°, remplacée par la loi du 19 décembre 1997, le mot " utilisateur final " est remplacé par le mot " utilisateur ";
B) la disposition au point 7°, remplacée par la loi du 19 décembre 1997, est remplacée par le texte suivant :
" 7° Equipement terminal : un produit ou un composant pertinent d'un produit, permettant la communication et destiné à être connecté directement ou indirectement à des interfaces d'un réseau public de télécommunications; ";
C) la disposition au point 14°, remplacée par la loi du 19 décembre 1997, est remplacée par le texte suivant :
" (14° Interface : un point de terminaison) d'un réseau, c'est-à-dire un point de raccordement physique par lequel les usagers obtiennent l'accès à un réseaux public de télécommunications et/ou une interface radio, précisant le trajet radioélectrique entre les équipements hertziens, et leurs spécifications techniques; ";
D) un 30° est ajouté, libellé comme suit :
" 30° Equipement hertzien : un produit, ou un composant pertinent d'un produit qui permet de communiquer par l'émission et/ou la réception d'ondes hertziennes en utilisant le spectre attribué aux communications terre/espace, à l'exception des appareils destinés exclusivement à la réception des émissions de radiodiffusion sonore et télévisuelle; ";
E) un 31° est ajoute, libellé comme suit :
" 31° Equipement : tout produit qui est soit un équipement hertzien, soit un équipement terminal, soit les deux. ".
A) dans la disposition au point 6°, remplacée par la loi du 19 décembre 1997, le mot " utilisateur final " est remplacé par le mot " utilisateur ";
B) la disposition au point 7°, remplacée par la loi du 19 décembre 1997, est remplacée par le texte suivant :
" 7° Equipement terminal : un produit ou un composant pertinent d'un produit, permettant la communication et destiné à être connecté directement ou indirectement à des interfaces d'un réseau public de télécommunications; ";
C) la disposition au point 14°, remplacée par la loi du 19 décembre 1997, est remplacée par le texte suivant :
" (14° Interface : un point de terminaison) d'un réseau, c'est-à-dire un point de raccordement physique par lequel les usagers obtiennent l'accès à un réseaux public de télécommunications et/ou une interface radio, précisant le trajet radioélectrique entre les équipements hertziens, et leurs spécifications techniques; ";
D) un 30° est ajouté, libellé comme suit :
" 30° Equipement hertzien : un produit, ou un composant pertinent d'un produit qui permet de communiquer par l'émission et/ou la réception d'ondes hertziennes en utilisant le spectre attribué aux communications terre/espace, à l'exception des appareils destinés exclusivement à la réception des émissions de radiodiffusion sonore et télévisuelle; ";
E) un 31° est ajoute, libellé comme suit :
" 31° Equipement : tout produit qui est soit un équipement hertzien, soit un équipement terminal, soit les deux. ".
Art.7. Artikel 75, § 6, van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art.7. L'article 75, § 6, de la même loi est abrogé.
Art.8. In artikel 92bis van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 19 december 1997, wordt een § 1bis ingevoegd, luidende :
" § 1bis. Een rechtspersoon die een openbaar telecommunicatienetwerk exploiteert, mag geen kabeltelevisienet exploiteren wanneer hij :
1° onder zeggenschap staat van de overheid of bijzondere rechten geniet;
2° bij het aanbieden van openbare telecommunicatienetwerken of van spraaktelefonie in de zin van artikel 87 op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt een machtspositie inneemt, en;
3° in hetzelfde geografische gebied bijzondere of uitsluitende rechten geniet bij de exploitatie van een netwerk bestemd voor de distributie van televisie-omroepuitzendingen.
De minister kan, na inkennisstelling van de Europese Commissie, de verplichting tot juridische scheiding bepaald in het voorgaande lid, opheffen indien hij meent dat de voorwaarden van een voldoende mededinging bestaan op de infrastructuur van de lokale lus. ".
" § 1bis. Een rechtspersoon die een openbaar telecommunicatienetwerk exploiteert, mag geen kabeltelevisienet exploiteren wanneer hij :
1° onder zeggenschap staat van de overheid of bijzondere rechten geniet;
2° bij het aanbieden van openbare telecommunicatienetwerken of van spraaktelefonie in de zin van artikel 87 op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt een machtspositie inneemt, en;
3° in hetzelfde geografische gebied bijzondere of uitsluitende rechten geniet bij de exploitatie van een netwerk bestemd voor de distributie van televisie-omroepuitzendingen.
De minister kan, na inkennisstelling van de Europese Commissie, de verplichting tot juridische scheiding bepaald in het voorgaande lid, opheffen indien hij meent dat de voorwaarden van een voldoende mededinging bestaan op de infrastructuur van de lokale lus. ".
Art.8. A l'article 92bis de la même loi, remplacé par la loi du 19 décembre 1997, un § 1erbis est inséré, libellé comme suit :
" § 1erbis. Une personne morale qui exploite un réseau public de télécommunications ne peut exploiter un réseau câblé de télévision si elle :
1° est placée sous l'autorité des pouvoirs publics ou jouit de droits spéciaux;
2° détient une position dominante dans une partie substantielle du marché commun pour la fourniture de réseaux publics de télécommunications ou de téléphonie vocale au sens de l'article 87, et;
3° exploite un réseau câblé de télévision établi en vertu de droits spéciaux dans la même zone géographique.
Le ministre peut, après information de la Commission européenne, supprimer l'obligation de séparation juridique telle que prévue à l'alinéa précédent s'il estime que les conditions d'une concurrence suffisante existent sur les infrastructures de boucle locale. ".
" § 1erbis. Une personne morale qui exploite un réseau public de télécommunications ne peut exploiter un réseau câblé de télévision si elle :
1° est placée sous l'autorité des pouvoirs publics ou jouit de droits spéciaux;
2° détient une position dominante dans une partie substantielle du marché commun pour la fourniture de réseaux publics de télécommunications ou de téléphonie vocale au sens de l'article 87, et;
3° exploite un réseau câblé de télévision établi en vertu de droits spéciaux dans la même zone géographique.
Le ministre peut, après information de la Commission européenne, supprimer l'obligation de séparation juridique telle que prévue à l'alinéa précédent s'il estime que les conditions d'une concurrence suffisante existent sur les infrastructures de boucle locale. ".
Art.9. Artikel 92quater van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 19 december 1997, wordt vervangen als volgt :
" Art. 92quater. De operatoren en aanbieders van openbare telecommunicatiediensten publiceren de exacte en passende technische specificaties van hun interfaces en dit vooraleer de via deze interfaces verstrekte diensten voor het publiek beschikbaar zijn. De specificaties worden op eenvoudig verzoek aan iedere belangstellende bezorgd en zijn voldoende nauwkeurig om eindapparatuur te kunnen ontwerpen die voldoet aan de relevante voorwaarden van artikel 93, §§ 1 en 2, en waarmee alle diensten die via de betreffende interface worden verstrekt, kunnen worden gebruikt.
De operatoren en aanbieders van openbare telecommunicatiediensten werken deze specificaties regelmatig bij zodat ze steeds actueel blijven. Voorafgaand aan de publicatie bezorgen zij een kopie ervan aan het Instituut. ".
" Art. 92quater. De operatoren en aanbieders van openbare telecommunicatiediensten publiceren de exacte en passende technische specificaties van hun interfaces en dit vooraleer de via deze interfaces verstrekte diensten voor het publiek beschikbaar zijn. De specificaties worden op eenvoudig verzoek aan iedere belangstellende bezorgd en zijn voldoende nauwkeurig om eindapparatuur te kunnen ontwerpen die voldoet aan de relevante voorwaarden van artikel 93, §§ 1 en 2, en waarmee alle diensten die via de betreffende interface worden verstrekt, kunnen worden gebruikt.
De operatoren en aanbieders van openbare telecommunicatiediensten werken deze specificaties regelmatig bij zodat ze steeds actueel blijven. Voorafgaand aan de publicatie bezorgen zij een kopie ervan aan het Instituut. ".
Art.9. L'article 92quater de la même loi, inséré par la loi du 19 décembre 1997, est remplacé par le texte suivant :
" Art. 92quater. Les opérateurs et exploitants de services offerts sur les réseaux publics de télécommunications publient les spécifications techniques exactes et appropriées de leurs interfaces et ce avant que les services fournis via ces interfaces ne soient disponibles pour le public. Les spécifications sont communiquées sur simple demande à toute personne intéressée et sont suffisamment détaillées pour pouvoir concevoir des équipements terminaux qui satisfont aux conditions pertinentes de l'article 93, §§ 1er et 2, et qui permettent d'utiliser tous les services pouvant être fournis via les interfaces en question.
Les opérateurs et exploitants de services publics de télécommunications mettent régulièrement ces spécifications à jour de sorte qu'elles restent toujours d'actualité. Avant la publication, ils en remettent une copie à l'Institut. ".
" Art. 92quater. Les opérateurs et exploitants de services offerts sur les réseaux publics de télécommunications publient les spécifications techniques exactes et appropriées de leurs interfaces et ce avant que les services fournis via ces interfaces ne soient disponibles pour le public. Les spécifications sont communiquées sur simple demande à toute personne intéressée et sont suffisamment détaillées pour pouvoir concevoir des équipements terminaux qui satisfont aux conditions pertinentes de l'article 93, §§ 1er et 2, et qui permettent d'utiliser tous les services pouvant être fournis via les interfaces en question.
Les opérateurs et exploitants de services publics de télécommunications mettent régulièrement ces spécifications à jour de sorte qu'elles restent toujours d'actualité. Avant la publication, ils en remettent une copie à l'Institut. ".
Art.10. Het opschrift van Hoofdstuk VIII van Titel III van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : " Apparatuur. ".
Art.10. L'intitulé du Chapitre VIII du Titre III de la même loi est remplacé par l'intitulé suivant : " Equipements. ".
Art.11. Artikel 93 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 19 december 1997, wordt vervangen als volgt :
" Art. 93. § 1. Apparatuur mag slechts gehouden of gecommercialiseerd worden indien zij voldoet aan de basisvereisten.
De basisvereisten zijn de volgende :
1° de apparatuur levert geen enkel risico op voor de gezondheid en de veiligheid van gebruikers en anderen en komt tegemoet aan de doelstelling van de reglementering inzake de veiligheidsgaranties met betrekking tot elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen, echter zonder toepassing van de spanningsgrens;
2° de apparatuur voldoet aan de doelstelling van de regelgeving met betrekking tot elektromagnetische compatibiliteit;
3° de apparatuur is zo geconstrueerd dat zij het voor aarde/ruimtecommunicatie toegewezen spectrum en de satellietcapaciteit efficiënt gebruikt zonder schadelijke interferentie te veroorzaken.
§ 2. De Koning kan, op voorstel van het Instituut, voor bepaalde apparatuur bijkomende basisvereisten opleggen die kunnen betrekking hebben op :
1° het via netwerken onderling functioneren met andere apparatuur en de mogelijkheid om aan te sluiten op interfaces van hetzelfde type;
2° het voorkomen van mogelijke beschadiging van het netwerk, misbruik van de netwerkmiddelen en het veroorzaken van een onaanvaardbare achteruitgang van de dienst;
3° de bescherming van de persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker en de abonnee;
4° de fraudebestrijding;
5° de toegang tot de nooddiensten;
6° het vergemakkelijken van het gebruik door gebruikers met een handicap.
§ 3. Onverminderd de bepalingen van §§ 1 en 2, mag apparatuur slechts gehouden en gecommercialiseerd worden indien zij voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° de apparatuur wordt onderworpen aan een gepaste procedure waarbij de conformiteit van de apparatuur met de onder §§ 1 en 2 toepasselijke basisvereisten wordt vastgesteld. De Koning bepaalt, op voorstel van het Instituut, deze procedures;
2° de apparatuur is voorzien van een CE-merkteken van overeenstemming en van de andere van toepassing zijnde opschriften. De Koning legt, op voorstel van het Instituut, hieromtrent de nadere regels vast;
3° bij de apparatuur wordt de nodige informatie gevoegd over de voorwaarden inzake de ingebruikname en de werking van de apparatuur. De Koning legt, op voorstel van het Instituut, hieromtrent de nadere regels vast.
§ 4. Radioapparatuur die gebruik maakt van frequentiebanden waarvan het gebruik in de Europese Unie niet is geharmoniseerd, wordt voor het op de markt brengen aan het Instituut genotificeerd. ".
" Art. 93. § 1. Apparatuur mag slechts gehouden of gecommercialiseerd worden indien zij voldoet aan de basisvereisten.
De basisvereisten zijn de volgende :
1° de apparatuur levert geen enkel risico op voor de gezondheid en de veiligheid van gebruikers en anderen en komt tegemoet aan de doelstelling van de reglementering inzake de veiligheidsgaranties met betrekking tot elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen, echter zonder toepassing van de spanningsgrens;
2° de apparatuur voldoet aan de doelstelling van de regelgeving met betrekking tot elektromagnetische compatibiliteit;
3° de apparatuur is zo geconstrueerd dat zij het voor aarde/ruimtecommunicatie toegewezen spectrum en de satellietcapaciteit efficiënt gebruikt zonder schadelijke interferentie te veroorzaken.
§ 2. De Koning kan, op voorstel van het Instituut, voor bepaalde apparatuur bijkomende basisvereisten opleggen die kunnen betrekking hebben op :
1° het via netwerken onderling functioneren met andere apparatuur en de mogelijkheid om aan te sluiten op interfaces van hetzelfde type;
2° het voorkomen van mogelijke beschadiging van het netwerk, misbruik van de netwerkmiddelen en het veroorzaken van een onaanvaardbare achteruitgang van de dienst;
3° de bescherming van de persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker en de abonnee;
4° de fraudebestrijding;
5° de toegang tot de nooddiensten;
6° het vergemakkelijken van het gebruik door gebruikers met een handicap.
§ 3. Onverminderd de bepalingen van §§ 1 en 2, mag apparatuur slechts gehouden en gecommercialiseerd worden indien zij voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° de apparatuur wordt onderworpen aan een gepaste procedure waarbij de conformiteit van de apparatuur met de onder §§ 1 en 2 toepasselijke basisvereisten wordt vastgesteld. De Koning bepaalt, op voorstel van het Instituut, deze procedures;
2° de apparatuur is voorzien van een CE-merkteken van overeenstemming en van de andere van toepassing zijnde opschriften. De Koning legt, op voorstel van het Instituut, hieromtrent de nadere regels vast;
3° bij de apparatuur wordt de nodige informatie gevoegd over de voorwaarden inzake de ingebruikname en de werking van de apparatuur. De Koning legt, op voorstel van het Instituut, hieromtrent de nadere regels vast.
§ 4. Radioapparatuur die gebruik maakt van frequentiebanden waarvan het gebruik in de Europese Unie niet is geharmoniseerd, wordt voor het op de markt brengen aan het Instituut genotificeerd. ".
Art.11. L'article 93 de la même loi, remplacé par la loi du 19 décembre 1997, est remplacé comme suit :
" Art. 93. § 1er. Des équipements ne peuvent être détenus ou commercialisés que s'ils satisfont aux conditions de base.
Les conditions de base sont les suivantes :
1° les équipements ne constituent aucun risque pour la santé et la sécurité de l'utilisateur et de toute autre personne et satisfont au but de la réglementation relative aux garanties de sécurité que doit présenter le matériel électrique destiné à être employé dans certaines limites de tension, mais sans la limite de tension;
2° les équipements satisfont au but de la réglementation de protection en ce qui concerne (la compatibilité électromagnétique);
3° les équipements sont construits de telle sorte qu'ils utilisent efficacement le spectre attribué aux communications terre/espace ainsi que les ressources orbitales pour éviter les interférences dommageables.
§ 2. Le Roi peut, sur proposition de l'Institut, imposer des exigences de base supplémentaires pour certains équipements qui peuvent concerner :
1° l'interaction au travers des réseaux avec les autres équipements et la possibilité de raccordement à des interfaces du même type;
2° la prévention des dommages possibles au réseau, de l'abus des moyens du réseau et d'actions entraînant une détérioration inacceptable du service;
3° la protection des données à caractère personnel et de la vie privée des utilisateurs (et des abonnés);
4° la lutte contre la fraude;
5° l'accès aux services d'urgence;
6° faciliter l'utilisation pour les utilisateurs handicapés.
§ 3. Sous réserve des dispositions des §§ 1er et 2, les équipements ne peuvent être détenus et commercialisés que s'ils satisfont aux conditions suivantes :
1° les équipements sont soumis à une procédure adéquate destinée à évaluer la conformité des équipements aux exigences de base applicables visées aux §§ 1er et 2. Le Roi détermine ces procédures sur proposition de l'Institut;
2° les équipements sont munis d'un marquage CE de conformité et des autres marques applicables. Le Roi en détermine les modalités sur proposition de l'Institut;
3° les informations nécessaires concernant les conditions de mise en service et de fonctionnement des équipements sont jointes aux équipements. Le Roi en détermine les modalités sur proposition de l'Institut.
§ 4. Les équipements hertziens utilisant des bandes de fréquences dont l'utilisation n'est pas harmonisée dans l'Union européenne sont notifiés à l'Institut avant leur mise sur le marché. ".
" Art. 93. § 1er. Des équipements ne peuvent être détenus ou commercialisés que s'ils satisfont aux conditions de base.
Les conditions de base sont les suivantes :
1° les équipements ne constituent aucun risque pour la santé et la sécurité de l'utilisateur et de toute autre personne et satisfont au but de la réglementation relative aux garanties de sécurité que doit présenter le matériel électrique destiné à être employé dans certaines limites de tension, mais sans la limite de tension;
2° les équipements satisfont au but de la réglementation de protection en ce qui concerne (la compatibilité électromagnétique);
3° les équipements sont construits de telle sorte qu'ils utilisent efficacement le spectre attribué aux communications terre/espace ainsi que les ressources orbitales pour éviter les interférences dommageables.
§ 2. Le Roi peut, sur proposition de l'Institut, imposer des exigences de base supplémentaires pour certains équipements qui peuvent concerner :
1° l'interaction au travers des réseaux avec les autres équipements et la possibilité de raccordement à des interfaces du même type;
2° la prévention des dommages possibles au réseau, de l'abus des moyens du réseau et d'actions entraînant une détérioration inacceptable du service;
3° la protection des données à caractère personnel et de la vie privée des utilisateurs (et des abonnés);
4° la lutte contre la fraude;
5° l'accès aux services d'urgence;
6° faciliter l'utilisation pour les utilisateurs handicapés.
§ 3. Sous réserve des dispositions des §§ 1er et 2, les équipements ne peuvent être détenus et commercialisés que s'ils satisfont aux conditions suivantes :
1° les équipements sont soumis à une procédure adéquate destinée à évaluer la conformité des équipements aux exigences de base applicables visées aux §§ 1er et 2. Le Roi détermine ces procédures sur proposition de l'Institut;
2° les équipements sont munis d'un marquage CE de conformité et des autres marques applicables. Le Roi en détermine les modalités sur proposition de l'Institut;
3° les informations nécessaires concernant les conditions de mise en service et de fonctionnement des équipements sont jointes aux équipements. Le Roi en détermine les modalités sur proposition de l'Institut.
§ 4. Les équipements hertziens utilisant des bandes de fréquences dont l'utilisation n'est pas harmonisée dans l'Union européenne sont notifiés à l'Institut avant leur mise sur le marché. ".
Art.12. Artikel 94 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 12 december 1994, 20 december 1995 en 19 december 1997, en bij het koninklijk besluit van 22 december 1994, wordt vervangen als volgt :
" Art. 94. Het is verboden de volgende apparatuur te houden, te commercialiseren of te gebruiken :
1° apparatuur die de eerbied voor de wetten, de veiligheid van de Staat, de openbare orde of de goede zeden aantast of tracht aan te tasten;
2° radioapparatuur, met inbegrip van soorten radioapparatuur die schadelijke interferentie veroorzaken.
Indien het Instituut redelijkerwijze kan aannemen dat bepaalde radioapparatuur schadelijke interferentie kan veroorzaken met bestaande of geplande diensten, neemt het alle nodige maatregelen teneinde deze schadelijke interferentie te vermijden, dit met inbegrip van een verbod op of een verwijdering van de markt van de betreffende radioapparatuur. ".
" Art. 94. Het is verboden de volgende apparatuur te houden, te commercialiseren of te gebruiken :
1° apparatuur die de eerbied voor de wetten, de veiligheid van de Staat, de openbare orde of de goede zeden aantast of tracht aan te tasten;
2° radioapparatuur, met inbegrip van soorten radioapparatuur die schadelijke interferentie veroorzaken.
Indien het Instituut redelijkerwijze kan aannemen dat bepaalde radioapparatuur schadelijke interferentie kan veroorzaken met bestaande of geplande diensten, neemt het alle nodige maatregelen teneinde deze schadelijke interferentie te vermijden, dit met inbegrip van een verbod op of een verwijdering van de markt van de betreffende radioapparatuur. ".
Art.12. L'article 94 de la même loi, modifié par les lois du 12 décembre 1994, 20 décembre 1995 et 19 décembre 1997, et par l'arrêté royal du 22 décembre 1994, est remplacé par le texte suivant :
" Art. 94. Il est interdit de détenir, de commercialiser ou d'utiliser les équipements suivants :
1° les équipements qui portent atteinte ou tentent de porter atteinte au respect des lois, à la sécurité de l'Etat, à l'ordre public ou aux bonnes moeurs;
2° les équipements hertziens, y compris les types d'équipements hertziens, qui provoquent des interférences dommageables.
Si l'Institut peut raisonnablement considérer que certains équipements hertziens peuvent provoquer des interférences dommageables sur des services existants ou prévus, il prend toutes les mesures nécessaires pour éviter ces interférences dommageables, y compris une interdiction ou un retrait des équipements hertziens concernés du marché. ".
" Art. 94. Il est interdit de détenir, de commercialiser ou d'utiliser les équipements suivants :
1° les équipements qui portent atteinte ou tentent de porter atteinte au respect des lois, à la sécurité de l'Etat, à l'ordre public ou aux bonnes moeurs;
2° les équipements hertziens, y compris les types d'équipements hertziens, qui provoquent des interférences dommageables.
Si l'Institut peut raisonnablement considérer que certains équipements hertziens peuvent provoquer des interférences dommageables sur des services existants ou prévus, il prend toutes les mesures nécessaires pour éviter ces interférences dommageables, y compris une interdiction ou un retrait des équipements hertziens concernés du marché. ".
Art.13. Artikel 95 van dezelfde wet, aangevuld door de wet van 12 december 1994 en gewijzigd door de wet van 19 december 1997, wordt vervangen als volgt :
" Art. 95. Artikel 93 is niet van toepassing op :
1° apparatuur die uitsluitend wordt gebruikt door de overheid bij activiteiten die betrekking hebben op de openbare veiligheid, de defensie, de staatsveiligheid en de bestrijding van de criminaliteit;
2° de door radioamateurs gebruikte radioapparatuur indien deze :
a) overeenstemt met de apparatuur bedoeld in artikel S1, definitie S1.56 van het radioreglement van de Internationale Unie voor Telecommunicatie;
b) niet in de handel verkrijgbaar is, in die zin dat zij door radioamateurs kan zijn geassembleerd uit bouwpakketten van losse onderdelen of kan bestaan uit apparatuur die in de handel verkrijgbaar is en die door radioamateurs voor eigen gebruik wordt omgebouwd;
3° de door de Koning aangewezen apparatuur die uitsluitend wordt gebruikt voor de uitrusting van zeeschepen;
4° de producten, uitrusting en elementen in de zin van artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad van 16 december 1991 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart;
5° de door de Koning aangewezen apparatuur en systemen voor luchtverkeersafhandeling;
6° apparatuur die op beurzen of soortgelijke exposities wordt vertoond op voorwaarde dat duidelijk zichtbaar wordt aangegeven dat deze apparatuur noch op de markt mag worden gebracht noch mag worden gebruikt. ".
" Art. 95. Artikel 93 is niet van toepassing op :
1° apparatuur die uitsluitend wordt gebruikt door de overheid bij activiteiten die betrekking hebben op de openbare veiligheid, de defensie, de staatsveiligheid en de bestrijding van de criminaliteit;
2° de door radioamateurs gebruikte radioapparatuur indien deze :
a) overeenstemt met de apparatuur bedoeld in artikel S1, definitie S1.56 van het radioreglement van de Internationale Unie voor Telecommunicatie;
b) niet in de handel verkrijgbaar is, in die zin dat zij door radioamateurs kan zijn geassembleerd uit bouwpakketten van losse onderdelen of kan bestaan uit apparatuur die in de handel verkrijgbaar is en die door radioamateurs voor eigen gebruik wordt omgebouwd;
3° de door de Koning aangewezen apparatuur die uitsluitend wordt gebruikt voor de uitrusting van zeeschepen;
4° de producten, uitrusting en elementen in de zin van artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad van 16 december 1991 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart;
5° de door de Koning aangewezen apparatuur en systemen voor luchtverkeersafhandeling;
6° apparatuur die op beurzen of soortgelijke exposities wordt vertoond op voorwaarde dat duidelijk zichtbaar wordt aangegeven dat deze apparatuur noch op de markt mag worden gebracht noch mag worden gebruikt. ".
Art.13. L'article 95 de la même loi, complété par la loi du 12 décembre 1994 et modifié par la loi du 19 décembre 1997, est remplace par le texte suivant :
" Art. 95. L'article 93 n'est pas applicable aux :
1° équipements utilisés exclusivement par les pouvoirs publics pour des activités relevant de la sécurité publique, la défense, la sécurité de l'Etat et la lutte contre la criminalité;
2° équipements hertziens utilisés par des radioamateurs si ceux-ci sont :
a) conformes aux équipements visés à l'article S1, définition S1.56 du règlement des radiocommunications de (l'Union Internationale des Télécommunications);
b) ne sont pas disponibles dans le commerce, en ce sens qu'ils peuvent être assemblés par des radioamateurs à partir de kits de pièces détachées ou d'équipements disponibles dans le commerce et transformés par des radioamateurs pour un usage propre;
3° équipements désignés par le Roi qui sont utilisés exclusivement pour l'armement des navires;
4° produits, matériels et éléments au sens de l'article 2 du Règlement (CEE) n° 3922/91 du Conseil du 16 décembre 1991 relatif à l'harmonisation de règles techniques et de procédures administratives dans le domaine de l'aviation civile;
5° équipements et systèmes pour la gestion du trafic aérien désignés par le Roi;
6° équipements exposés à des bourses et expositions similaires à condition qu'il soit clairement indiqué que ces équipements ne peuvent pas être mis sur le marché ni être utilisés. ".
" Art. 95. L'article 93 n'est pas applicable aux :
1° équipements utilisés exclusivement par les pouvoirs publics pour des activités relevant de la sécurité publique, la défense, la sécurité de l'Etat et la lutte contre la criminalité;
2° équipements hertziens utilisés par des radioamateurs si ceux-ci sont :
a) conformes aux équipements visés à l'article S1, définition S1.56 du règlement des radiocommunications de (l'Union Internationale des Télécommunications);
b) ne sont pas disponibles dans le commerce, en ce sens qu'ils peuvent être assemblés par des radioamateurs à partir de kits de pièces détachées ou d'équipements disponibles dans le commerce et transformés par des radioamateurs pour un usage propre;
3° équipements désignés par le Roi qui sont utilisés exclusivement pour l'armement des navires;
4° produits, matériels et éléments au sens de l'article 2 du Règlement (CEE) n° 3922/91 du Conseil du 16 décembre 1991 relatif à l'harmonisation de règles techniques et de procédures administratives dans le domaine de l'aviation civile;
5° équipements et systèmes pour la gestion du trafic aérien désignés par le Roi;
6° équipements exposés à des bourses et expositions similaires à condition qu'il soit clairement indiqué que ces équipements ne peuvent pas être mis sur le marché ni être utilisés. ".
Art.14. Artikel 96 van dezelfde wet, aangevuld bij de wet van 19 december 1997 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 december 1994, wordt vervangen als volgt :
" Art. 96. De gebruiker van apparatuur gebruikt deze overeenkomstig de informatie vermeld in artikel 93, § 3, 3°. ".
" Art. 96. De gebruiker van apparatuur gebruikt deze overeenkomstig de informatie vermeld in artikel 93, § 3, 3°. ".
Art.14. L'article 96 de la même loi, complété par la loi du 19 décembre 1997 et modifié par l'arrêté royal du 22 décembre 1994, est remplacé comme suit :
" Art. 96. L'utilisateur des équipements les utilise conformément aux informations contenues dans l'article 93, § 3, 3°. ".
" Art. 96. L'utilisateur des équipements les utilise conformément aux informations contenues dans l'article 93, § 3, 3°. ".
Art.15. In dezelfde wet worden een artikel 96bis ingevoegd, luidende :
" Art. 96bis. § 1. Apparatuur die voldoet aan de wettelijke voorwaarden, mag worden aangesloten op de daartoe geschikte interfaces.
Een operator van een openbaar telecommunicatienetwerk mag een dergelijke aansluiting niet om technische redenen weigeren.
§ 2. Het gebruik alsook de commercialisering van apparatuur die voldoet aan de wettelijke voorwaarden en toch schade toebrengt aan het netwerk, de werking ervan schaadt, of schadelijke interferentie veroorzaakt, kan overeenkomstig de nadere regels vastgesteld door de Koning op voorstel van het Instituut, worden beperkt of verboden. ".
" Art. 96bis. § 1. Apparatuur die voldoet aan de wettelijke voorwaarden, mag worden aangesloten op de daartoe geschikte interfaces.
Een operator van een openbaar telecommunicatienetwerk mag een dergelijke aansluiting niet om technische redenen weigeren.
§ 2. Het gebruik alsook de commercialisering van apparatuur die voldoet aan de wettelijke voorwaarden en toch schade toebrengt aan het netwerk, de werking ervan schaadt, of schadelijke interferentie veroorzaakt, kan overeenkomstig de nadere regels vastgesteld door de Koning op voorstel van het Instituut, worden beperkt of verboden. ".
Art.15. Un article 96bis, libellé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 96bis. § 1er. Les équipements qui satisfont aux conditions légales peuvent être raccordés aux interfaces appropriées.
Un opérateur de réseau public de télécommunications ne peut pas refuser un tel raccordement pour des raisons techniques.
§ 2. L'utilisation ainsi que la commercialisation d'un équipement satisfaisant aux conditions légales mais qui occasionne malgré tout un dommage au réseau ou porte atteinte à son fonctionnement ou encore provoque des interférences dommageables, peuvent être limitées ou interdites conformément aux modalités fixées par le Roi sur proposition de l'Institut. ".
" Art. 96bis. § 1er. Les équipements qui satisfont aux conditions légales peuvent être raccordés aux interfaces appropriées.
Un opérateur de réseau public de télécommunications ne peut pas refuser un tel raccordement pour des raisons techniques.
§ 2. L'utilisation ainsi que la commercialisation d'un équipement satisfaisant aux conditions légales mais qui occasionne malgré tout un dommage au réseau ou porte atteinte à son fonctionnement ou encore provoque des interférences dommageables, peuvent être limitées ou interdites conformément aux modalités fixées par le Roi sur proposition de l'Institut. ".
Art.16. Artikel 105bis, zevende lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 6 november 1999 houdende wijziging van artikel 105bis van de wet van 21 maart 1991 houdende hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, wordt vervangen als volgt :
" De operatoren van vaste openbare telefoonnetwerken, die door het Instituut overeenkomstig artikel 105undecies, als organisaties met een sterke positie op de betrokken markt zijn aangemerkt, evenals de operatoren van vaste openbare telefoonnetwerken die drie jaar na de toekenning van hun individuele vergunning de toegang tot de eindgebruiker controleren, bieden de functies voor selectie van de transporteur per oproep en voor preselectie van de operator met de mogelijkheid tot afwijking van oproep tot oproep. ".
" De operatoren van vaste openbare telefoonnetwerken, die door het Instituut overeenkomstig artikel 105undecies, als organisaties met een sterke positie op de betrokken markt zijn aangemerkt, evenals de operatoren van vaste openbare telefoonnetwerken die drie jaar na de toekenning van hun individuele vergunning de toegang tot de eindgebruiker controleren, bieden de functies voor selectie van de transporteur per oproep en voor preselectie van de operator met de mogelijkheid tot afwijking van oproep tot oproep. ".
Art.16. L'article 105bis, alinéa 7, de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 6 novembre 1999 portant modification de l'article 105bis de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques est remplacé comme suit :
" Les opérateurs des réseaux de téléphonie désignés puissants sur le marché par l'Institut conformément à l'article 105undecies ainsi que les opérateurs publics fixes qui contrôlent l'accès à l'utilisateur final trois ans après l'octroi de leur autorisation individuelle offrent les fonctions de sélection de transporteur appel par appel et de présélection de l'opérateur, avec une possibilité de dérogation appel par appel. ".
" Les opérateurs des réseaux de téléphonie désignés puissants sur le marché par l'Institut conformément à l'article 105undecies ainsi que les opérateurs publics fixes qui contrôlent l'accès à l'utilisateur final trois ans après l'octroi de leur autorisation individuelle offrent les fonctions de sélection de transporteur appel par appel et de présélection de l'opérateur, avec une possibilité de dérogation appel par appel. ".
Art.17. In artikel 114 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995 en 19 december 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2 vervallen de woorden " 86quater " en " 94, § 1, ";
2° in § 2 worden de woorden " 92quater, 93, 94, " ingevoegd tussen de woorden " 92ter " en " 95 " en wordt het woord " 96bis " ingevoegd tussen de woorden " 96 " en " 97 ";
3° er wordt een § 10 toegevoegd, luidende :
" § 10. De verbeurdverklaring van apparaten die niet voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 93, 94, 96 en 121, wordt altijd uitgesproken. ".
1° in § 2 vervallen de woorden " 86quater " en " 94, § 1, ";
2° in § 2 worden de woorden " 92quater, 93, 94, " ingevoegd tussen de woorden " 92ter " en " 95 " en wordt het woord " 96bis " ingevoegd tussen de woorden " 96 " en " 97 ";
3° er wordt een § 10 toegevoegd, luidende :
" § 10. De verbeurdverklaring van apparaten die niet voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 93, 94, 96 en 121, wordt altijd uitgesproken. ".
Art.17. A l'article 114 de la même loi, modifié par les lois du 20 décembre 1995 et du 19 décembre 1997, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 2, les mots " 86quater " et " 94, § 1er ", sont supprimés;
2° au § 2, les mots (" 92quater, 93, 94, ") sont insérés entre les mots " 92ter " et " 95 " et le mot " 96bis " est inséré entre les mots " 96 " et " 97 ";
3° un § 10 est ajouté, libellé comme suit :
" § 10. La confiscation d'appareils ne satisfaisant pas (aux conditions prévues) aux articles 93, 94, 96 et 121 est toujours prononcée. ".
1° au § 2, les mots " 86quater " et " 94, § 1er ", sont supprimés;
2° au § 2, les mots (" 92quater, 93, 94, ") sont insérés entre les mots " 92ter " et " 95 " et le mot " 96bis " est inséré entre les mots " 96 " et " 97 ";
3° un § 10 est ajouté, libellé comme suit :
" § 10. La confiscation d'appareils ne satisfaisant pas (aux conditions prévues) aux articles 93, 94, 96 et 121 est toujours prononcée. ".
Art.18. Artikel 121 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
" Art. 121. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 93 zijn het commercialiseren en het gebruik van apparatuur toegestaan indien deze apparatuur :
1° voldoet aan de bepalingen vermeld in het koninklijk besluit van 10 november 1996 betreffende de goedkeuringen van eindapparaten voor telecommunicatie, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 september 1998, of aan de bepalingen vermeld in het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 november 1996 en bij de ministeriële besluiten van 24 december 1982, 19 december 1986, 7 juli 1989, 22 juni 1992, 27 november 1992 en 19 oktober 1999, en;
2° op de markt gebracht wordt voor 8 april 2001, en;
3° in overeenstemming is met het oorspronkelijk goedgekeurde type.
De bepalingen van het voorgaande lid gelden niet voor de eindapparatuur vermeld in artikel 3, § 4, 2°, van het koninklijk besluit van 10 november 1996 betreffende de goedkeuringen van eindapparaten voor telecommunicatie. ".
" Art. 121. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 93 zijn het commercialiseren en het gebruik van apparatuur toegestaan indien deze apparatuur :
1° voldoet aan de bepalingen vermeld in het koninklijk besluit van 10 november 1996 betreffende de goedkeuringen van eindapparaten voor telecommunicatie, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 september 1998, of aan de bepalingen vermeld in het ministerieel besluit van 19 oktober 1979 betreffende de private radioverbindingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 10 november 1996 en bij de ministeriële besluiten van 24 december 1982, 19 december 1986, 7 juli 1989, 22 juni 1992, 27 november 1992 en 19 oktober 1999, en;
2° op de markt gebracht wordt voor 8 april 2001, en;
3° in overeenstemming is met het oorspronkelijk goedgekeurde type.
De bepalingen van het voorgaande lid gelden niet voor de eindapparatuur vermeld in artikel 3, § 4, 2°, van het koninklijk besluit van 10 november 1996 betreffende de goedkeuringen van eindapparaten voor telecommunicatie. ".
Art.18. L'article 121 de la même loi est remplacé par le texte suivant :
" Art. 121. Nonobstant les dispositions de l'article 93 la commercialisation et l'utilisation des équipements sont autorisées si les équipements :
1° satisfont aux dispositions de l'arrêté royal du 10 novembre 1996 relatif à l'agrément des équipement terminaux de télécommunications, modifié par l'arrêté royal du 20 septembre 1998, ou aux dispositions de l'arrêté ministériel du 19 octobre 1979 relatif aux radiocommunications privées, modifié par l'arrêté royal du 10 novembre 1996 et par les arrêtés ministériels des 24 décembre 1982, 19 décembre 1986, 7 juillet 1989, (22 juin 1992), 27 novembre 1992 et 19 octobre 1999, et;
2° sont mis sur le marché avant le 8 avril 2001, et;
3° sont conformes au type original agréé.
Les dispositions de l'alinéa précédant ne s'appliquent pas aux équipements terminaux mentionnés à l'article 3, § 4, 2°, de l'arrêté royal du 10 novembre 1996 relatif à l'agrément des équipements terminaux de télécommunications. ".
" Art. 121. Nonobstant les dispositions de l'article 93 la commercialisation et l'utilisation des équipements sont autorisées si les équipements :
1° satisfont aux dispositions de l'arrêté royal du 10 novembre 1996 relatif à l'agrément des équipement terminaux de télécommunications, modifié par l'arrêté royal du 20 septembre 1998, ou aux dispositions de l'arrêté ministériel du 19 octobre 1979 relatif aux radiocommunications privées, modifié par l'arrêté royal du 10 novembre 1996 et par les arrêtés ministériels des 24 décembre 1982, 19 décembre 1986, 7 juillet 1989, (22 juin 1992), 27 novembre 1992 et 19 octobre 1999, et;
2° sont mis sur le marché avant le 8 avril 2001, et;
3° sont conformes au type original agréé.
Les dispositions de l'alinéa précédant ne s'appliquent pas aux équipements terminaux mentionnés à l'article 3, § 4, 2°, de l'arrêté royal du 10 novembre 1996 relatif à l'agrément des équipements terminaux de télécommunications. ".
Art.19. Artikel 122, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 20 december 1995 en bij de wet van 19 december 1997, wordt vervangen als volgt :
" § 1. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor 31 december 2001 de bepalingen van deze wet opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen om alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de van kracht (zijnde richtlijnen) van de Europese Unie. ".
" § 1. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voor 31 december 2001 de bepalingen van deze wet opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen om alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de van kracht (zijnde richtlijnen) van de Europese Unie. ".
Art.19. L'article 122, § 1er, de la même loi, modifié par la loi du 20 décembre 1995 et par la loi du 19 décembre 1997, est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, avant le 31 décembre 2001, abroger, compléter, modifier ou remplacer les dispositions de cette loi, afin de prendre toutes les mesures nécessaires pour exécuter les obligations découlant des directives en vigueur de l'Union européenne. ".
" § 1er. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, avant le 31 décembre 2001, abroger, compléter, modifier ou remplacer les dispositions de cette loi, afin de prendre toutes les mesures nécessaires pour exécuter les obligations découlant des directives en vigueur de l'Union européenne. ".
Afdeling 2. - De postdiensten.
Section 2. - Les services postaux.
Art.20. Hoofdstuk Vquater van Titel IV van dezelfde wet bestaande uit de artikelen 144novies tot 144undecies, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999, wordt vervangen als volgt :
" HOOFDSTUK Vquater. - Compensatiefonds voor de universele postdienst. ".
" Art. 144novies. § 1. Voor de financiering van de universele postdienst bedoeld in artikel 142 wordt een Compensatiefonds opgericht.
De Koning stelt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op advies van het Instituut, de organisatie van het Compensatiefonds, de datum alsook de nadere regels voor de uitvoering ervan vast.
§ 2. Beroep op het Fonds is slechts toegestaan vanaf de datum bedoeld in § 1 van dit artikel en op voorwaarde dat de leverancier van de universele dienst, meer bepaald op grond van boekhoudkundige gegevens bedoeld in de artikelen 144quinquies en 144sexies, aantoont dat de verplichtingen van universele dienst een onevenredige last voor hem uitmaken, rekening houdend met de diensten die aan hem voorbehouden zijn.
§ 3. Aan het Compensatiefonds wordt rechtspersoonlijkheid toegekend. Het Fonds wordt beheerd en vertegenwoordigd door de leidinggevende ambtenaar van het Instituut, bijgestaan door de door hem aangewezen ambtenaren van het Instituut.
De jaarrekening en het jaarverslag van het Compensatiefonds en het verslag over het beheer van dit Fonds worden samen met die van het Instituut gepubliceerd. ".
" Art. 144decies. § 1. Ten vroegste op de datum die wordt vastgesteld bij het besluit, bedoeld in artikel 144novies, § 1, zijn alle ondernemingen die een vergunning gekregen hebben krachtens artikel 148sexies voor het verstrekken van niet voorbehouden postdiensten die deel uitmaken van de universele dienst, waarmee deze ondernemingen een omzet halen van meer dan 50 miljoen Belgische frank, verplicht bij te dragen in het Compensatiefonds.
Die bijdrage staat in verhouding tot de omzet die zij behaald hebben met diensten gedefinieerd in het vorige lid verstrekt aan gebruikers die hun zetel, vaste inrichting, woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats in België hebben. De eerste 50 miljoen Belgische frank worden voor de berekening van de behaalde omzet niet in aanmerking genomen.
§ 2. De bijdrage wordt als volgt berekend : de kosten van de resterende universele postdienst, rekening houdende met de voorbehouden diensten, vermeerderd met de kosten voor het beheer van het Compensatiefonds, (worden vermenigvuldigd) met de breuk die wordt verkregen door de omzet van de bijdrager, bedoeld in § 1, te delen door de som van de omzetcijfers van de bijdragers, bedoeld in § 1.
De kosten voor het beheer van het Compensatiefonds bestaan uit alle kosten die verband houden met de werking van het Fonds en die gedragen worden door het Instituut. Dat bedrag wordt vastgesteld door het Instituut en vormt een bijzonder artikel op de begroting van het Instituut. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het maximumbedrag vast van de kosten voor het beheer van het Fonds.
De omzetcijfers worden berekend op grond van de jaarrekening die betrekking heeft op het jaar waarvoor de kostprijs van de universele postdienst wordt berekend.
Om de omzetcijfers bedoeld in § 1 vast te stellen, doen de bijdragers in het Compensatiefonds aan het Instituut op zijn verzoek en binnen de door hem voorgeschreven termijn alle documenten toekomen die het Instituut nodig acht. Indien deze gegevens niet worden meegedeeld zal het Instituut de omzet van de betreffende onderneming vaststellen enkel op grond van de elementen waarover het beschikt.
§ 3. Het Instituut publiceert jaarlijks voor 30 juni de lijst van de ondernemingen die moeten bijdragen.
§ 4. De betrokken ondernemingen storten gedurende het lopende jaar voorschotten in het Compensatiefonds, volgens het onderstaande tijdschema : eerste voorschot voor 31 maart, (tweede voorschot voor 30 juni), derde voorschot voor 30 september, vierde voorschot voor 31 december.
§ 5. Om het bedrag van de in § 4 van dit artikel bedoelde voorschotten te bepalen, maken de betrokken ondernemingen een raming van hun omzet voor het lopende kwartaal. Het bedrag van de voorschotten stemt overeen met hetgeen had moeten worden betaald, rekening houdend met de geschatte omzet, op grond van het niveau van deelname van het laatste jaar waarover de kosten van de universele dienst zijn gepubliceerd.
§ 6. De ontvangen voorschotten, waarvan het bedrag is afgetrokken dat overeenstemt met de kosten voor het beheer van het Compensatiefonds, worden in de maand die volgt op de in § 4 bedoelde data, door het Fonds overgemaakt aan de leverancier van de universele dienst.
Het deel van de voorschotten dat overeenstemt met de kosten voor het beheer van het Compensatiefonds wordt door dat Fonds aan het Instituut betaald in de maand die volgt op de in § 4 bedoelde data.
§ 7. Voor 30 juni van het jaar dat volgt op het jaar dat het voorwerp heeft uitgemaakt van voorschotten, publiceert het Instituut het definitieve bedrag van de participatie van elk van de bijdragers in het Compensatiefonds, alsmede de eventuele procedure voor aanzuivering van de rekeningen.
§ 8. In de maand van de in § 7 van dit artikel bedoelde publicatie worden de rekeningen betreffende de universele dienst aangezuiverd. Daartoe ontvangt en verdeelt het Compensatiefonds de eventuele bedragen ter vereffening.
§ 9. Indien blijkt dat de voorschotten die een bijdrager heeft gestort, 10 pct. lager liggen dan het definitieve bedrag van de bijdrage zoals het berekend is door het Instituut en dat dit verschil toe te schrijven is aan een onderschatting van de omzet, is op het verschil een intrest verschuldigd die op jaarbasis wordt berekend tegen een tarief dat gelijk is aan het percentage van de verhoging in geval van uitblijvende of onvolledige voorafbetalingen op de belasting voor natuurlijke personen.
De bedragen die deze intresten vertegenwoordigen, alsook de eventuele intresten op de aan het Compensatiefonds betaalde sommen, worden het volgende jaar in mindering gebracht van de kosten van de universele dienst. ".
" Art. 144undecies. § 1. Het Instituut berekent jaarlijks de kosten van de universele dienst. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op advies van het Instituut, de methode vast voor de berekening van die kosten, alsook de nadere regels voor de publicatie ervan.
Het Instituut mag zich voor die berekening laten bijstaan door onafhankelijke deskundigen. Het Instituut wordt voor de berekening terugbetaald door de leverancier van de universele dienst op grond van de kostprijs der prestaties bedoeld in het voorgaande lid. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op advies van het Instituut, de regels vast voor die terugbetaling. De leverancier voert dat bedrag in bij zijn kosten.
De leverancier van de universele dienst verstrekt aan het Instituut of aan de onafhankelijke deskundige alle gevraagde inlichtingen om de berekening mogelijk te maken van de kosten van de resterende universele postdienst.
Indien de leverancier van de universele dienst de gevraagde inlichtingen niet verstrekt binnen de door het Instituut gestelde termijn of ze onvolledig verstrekt, kan hij geen aanspraak maken op een tegemoetkoming vanwege het Compensatiefonds.
§ 2. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op advies van het Instituut, de voorwaarden vast voor de tegemoetkoming van het Compensatiefonds. ".
" HOOFDSTUK Vquater. - Compensatiefonds voor de universele postdienst. ".
" Art. 144novies. § 1. Voor de financiering van de universele postdienst bedoeld in artikel 142 wordt een Compensatiefonds opgericht.
De Koning stelt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op advies van het Instituut, de organisatie van het Compensatiefonds, de datum alsook de nadere regels voor de uitvoering ervan vast.
§ 2. Beroep op het Fonds is slechts toegestaan vanaf de datum bedoeld in § 1 van dit artikel en op voorwaarde dat de leverancier van de universele dienst, meer bepaald op grond van boekhoudkundige gegevens bedoeld in de artikelen 144quinquies en 144sexies, aantoont dat de verplichtingen van universele dienst een onevenredige last voor hem uitmaken, rekening houdend met de diensten die aan hem voorbehouden zijn.
§ 3. Aan het Compensatiefonds wordt rechtspersoonlijkheid toegekend. Het Fonds wordt beheerd en vertegenwoordigd door de leidinggevende ambtenaar van het Instituut, bijgestaan door de door hem aangewezen ambtenaren van het Instituut.
De jaarrekening en het jaarverslag van het Compensatiefonds en het verslag over het beheer van dit Fonds worden samen met die van het Instituut gepubliceerd. ".
" Art. 144decies. § 1. Ten vroegste op de datum die wordt vastgesteld bij het besluit, bedoeld in artikel 144novies, § 1, zijn alle ondernemingen die een vergunning gekregen hebben krachtens artikel 148sexies voor het verstrekken van niet voorbehouden postdiensten die deel uitmaken van de universele dienst, waarmee deze ondernemingen een omzet halen van meer dan 50 miljoen Belgische frank, verplicht bij te dragen in het Compensatiefonds.
Die bijdrage staat in verhouding tot de omzet die zij behaald hebben met diensten gedefinieerd in het vorige lid verstrekt aan gebruikers die hun zetel, vaste inrichting, woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats in België hebben. De eerste 50 miljoen Belgische frank worden voor de berekening van de behaalde omzet niet in aanmerking genomen.
§ 2. De bijdrage wordt als volgt berekend : de kosten van de resterende universele postdienst, rekening houdende met de voorbehouden diensten, vermeerderd met de kosten voor het beheer van het Compensatiefonds, (worden vermenigvuldigd) met de breuk die wordt verkregen door de omzet van de bijdrager, bedoeld in § 1, te delen door de som van de omzetcijfers van de bijdragers, bedoeld in § 1.
De kosten voor het beheer van het Compensatiefonds bestaan uit alle kosten die verband houden met de werking van het Fonds en die gedragen worden door het Instituut. Dat bedrag wordt vastgesteld door het Instituut en vormt een bijzonder artikel op de begroting van het Instituut. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het maximumbedrag vast van de kosten voor het beheer van het Fonds.
De omzetcijfers worden berekend op grond van de jaarrekening die betrekking heeft op het jaar waarvoor de kostprijs van de universele postdienst wordt berekend.
Om de omzetcijfers bedoeld in § 1 vast te stellen, doen de bijdragers in het Compensatiefonds aan het Instituut op zijn verzoek en binnen de door hem voorgeschreven termijn alle documenten toekomen die het Instituut nodig acht. Indien deze gegevens niet worden meegedeeld zal het Instituut de omzet van de betreffende onderneming vaststellen enkel op grond van de elementen waarover het beschikt.
§ 3. Het Instituut publiceert jaarlijks voor 30 juni de lijst van de ondernemingen die moeten bijdragen.
§ 4. De betrokken ondernemingen storten gedurende het lopende jaar voorschotten in het Compensatiefonds, volgens het onderstaande tijdschema : eerste voorschot voor 31 maart, (tweede voorschot voor 30 juni), derde voorschot voor 30 september, vierde voorschot voor 31 december.
§ 5. Om het bedrag van de in § 4 van dit artikel bedoelde voorschotten te bepalen, maken de betrokken ondernemingen een raming van hun omzet voor het lopende kwartaal. Het bedrag van de voorschotten stemt overeen met hetgeen had moeten worden betaald, rekening houdend met de geschatte omzet, op grond van het niveau van deelname van het laatste jaar waarover de kosten van de universele dienst zijn gepubliceerd.
§ 6. De ontvangen voorschotten, waarvan het bedrag is afgetrokken dat overeenstemt met de kosten voor het beheer van het Compensatiefonds, worden in de maand die volgt op de in § 4 bedoelde data, door het Fonds overgemaakt aan de leverancier van de universele dienst.
Het deel van de voorschotten dat overeenstemt met de kosten voor het beheer van het Compensatiefonds wordt door dat Fonds aan het Instituut betaald in de maand die volgt op de in § 4 bedoelde data.
§ 7. Voor 30 juni van het jaar dat volgt op het jaar dat het voorwerp heeft uitgemaakt van voorschotten, publiceert het Instituut het definitieve bedrag van de participatie van elk van de bijdragers in het Compensatiefonds, alsmede de eventuele procedure voor aanzuivering van de rekeningen.
§ 8. In de maand van de in § 7 van dit artikel bedoelde publicatie worden de rekeningen betreffende de universele dienst aangezuiverd. Daartoe ontvangt en verdeelt het Compensatiefonds de eventuele bedragen ter vereffening.
§ 9. Indien blijkt dat de voorschotten die een bijdrager heeft gestort, 10 pct. lager liggen dan het definitieve bedrag van de bijdrage zoals het berekend is door het Instituut en dat dit verschil toe te schrijven is aan een onderschatting van de omzet, is op het verschil een intrest verschuldigd die op jaarbasis wordt berekend tegen een tarief dat gelijk is aan het percentage van de verhoging in geval van uitblijvende of onvolledige voorafbetalingen op de belasting voor natuurlijke personen.
De bedragen die deze intresten vertegenwoordigen, alsook de eventuele intresten op de aan het Compensatiefonds betaalde sommen, worden het volgende jaar in mindering gebracht van de kosten van de universele dienst. ".
" Art. 144undecies. § 1. Het Instituut berekent jaarlijks de kosten van de universele dienst. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op advies van het Instituut, de methode vast voor de berekening van die kosten, alsook de nadere regels voor de publicatie ervan.
Het Instituut mag zich voor die berekening laten bijstaan door onafhankelijke deskundigen. Het Instituut wordt voor de berekening terugbetaald door de leverancier van de universele dienst op grond van de kostprijs der prestaties bedoeld in het voorgaande lid. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op advies van het Instituut, de regels vast voor die terugbetaling. De leverancier voert dat bedrag in bij zijn kosten.
De leverancier van de universele dienst verstrekt aan het Instituut of aan de onafhankelijke deskundige alle gevraagde inlichtingen om de berekening mogelijk te maken van de kosten van de resterende universele postdienst.
Indien de leverancier van de universele dienst de gevraagde inlichtingen niet verstrekt binnen de door het Instituut gestelde termijn of ze onvolledig verstrekt, kan hij geen aanspraak maken op een tegemoetkoming vanwege het Compensatiefonds.
§ 2. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op advies van het Instituut, de voorwaarden vast voor de tegemoetkoming van het Compensatiefonds. ".
Art.20. Le Chapitre Vquater du Titre IV de la même loi, comprenant les articles 144novies à 144undecies, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1999, est remplacé par les dispositions suivantes :
" CHAPITRE Vquater. - Fonds de compensation pour le service postal universel. ".
" Art. 144novies. § 1er. Un Fonds de compensation est créé afin d'assurer le financement du service postal universel, visé à l'article 142.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur avis de l'Institut, l'organisation du Fonds de compensation, la date et les modalités de sa mise en oeuvre.
§ 2. Le recours au Fonds n'est autorisé qu'à partir de la date visée au § 1er du présent article et à condition que le prestataire du service universel établisse, notamment sur la base de données comptables visées aux articles 144quinquies et 144sexies, que les obligations de service universel constituent une charge inéquitable pour lui compte tenu des services qui lui sont réservés.
§ 3. Le Fonds de compensation (est doté de la personnalité) juridique. Il est géré et représenté par le fonctionnaire (dirigeant de l'Institut), assisté par les fonctionnaires de l'Institut qu'il désigne.
Les comptes annuels et le rapport annuel du Fonds de compensation et le rapport de gestion dudit Fonds sont publiés en même temps que ceux de l'Institut. ".
" Art. 144decies. § 1er. Au plus tôt à la date fixée par l'arrêté visé à (l'article 144novies), § 1er, toutes les entreprises ayant obtenu une licence en application de l'article 148sexies pour la prestation de services non réservés compris dans le service universel, pour lesquels ces entreprises atteignent un chiffre d'affaires de plus de 50 millions de francs belges, sont obligées de contribuer au Fonds de compensation.
Cette contribution se fait en fonction du chiffre d'affaires atteint par les services définis à l'alinéa précédent fournis aux utilisateurs qui ont leur siège, établissement fixe, domicile ou lieu de résidence habituel en Belgique. Pour la détermination du chiffre d'affaires atteint, les 50 premiers millions de francs belges ne sont pas pris en considération.
§ 2. La contribution est calculée comme suit : le coût du service postal universel restant à couvrir, compte tenu des services réservés, ajouté aux frais de gestion du Fonds de compensation, est multiplié par la fraction qui est obtenue en divisant le chiffre d'affaires du contributeur, visé au § 1er, par la somme des chiffres d'affaires des contributeurs, visés au § 1er.
Les frais de gestion du Fonds de compensation sont composés de l'ensemble des frais liés au fonctionnement du Fonds et supportés par l'Institut. Ce montant est fixé par l'Institut et fait l'objet d'un article particulier du budget de l'Institut. Le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, fixe le montant maximum des frais de gestion dudit Fonds.
Les chiffres d'affaires sont calculés sur la base des comptes annuels afférents à l'année pour laquelle le coût du service postal universel est calculé.
Afin de déterminer les chiffres d'affaires visés au § 1er, les contributeurs au Fonds de compensation font parvenir à l'Institut, à sa demande et dans le délai prescrit par lui, tous les documents jugés nécessaires par l'Institut. (A défaut de communication) de ces données, l'Institut établira le chiffre d'affaires de l'entreprise concernée sur la seule base des éléments en sa possession. § 3. (L'Institut publie chaque année) avant le 30 juin la liste des entreprises qui doivent contribuer.
§ 4. Les entreprises concernées versent des acomptes au Fonds de compensation pendant l'année en cours, selon les modalités suivantes : premier acompte avant le 31 mars, deuxième acompte avant le 30 juin, troisième acompte avant le 30 septembre, quatrième acompte avant le 31 décembre.
§ 5. Afin de déterminer le montant des acomptes visés au § 4, les entreprises concernées procèdent à une estimation de leur chiffre d'affaires pour le trimestre en cours. Le montant des acomptes correspond à ce qui aurait dû être payé, compte tenu du chiffre d'affaires estimé, sur la base du taux de participation de la dernière année pour laquelle le coût du service universel a été publié.
§ 6. Les acomptes reçus diminués du montant correspondant aux frais de gestion du Fonds de compensation sont versés par le Fonds au prestataire du service universel dans le mois qui suit les dates visées au § 4.
La portion des acomptes correspondant aux frais de gestion du Fonds de compensation est versée par ce Fonds à l'Institut dans le mois qui suit les dates visées au § 4.
§ 7. Avant le 30 juin de l'année qui suit l'année qui a fait l'objet d'acomptes, l'Institut publie le montant définitif des participations de chacun des contributeurs au Fonds de compensation, ainsi que les éventuelles procédures d'apurement des comptes.
§ 8. Dans le mois de la publication visée au § 7, les comptes concernant le service universel sont apurés. A cet effet, le Fonds de compensation reçoit et distribue les éventuelles soultes.
§ 9. S'il s'avère que les acomptes versés par un contributeur sont de 10 p.c. inférieurs au montant définitif de la contribution telle que calculée par l'Institut et que cette différence est le résultat d'une sous-estimation du chiffre d'affaires, un intérêt calculé sur une base annuelle d'un taux équivalent au taux de la majoration en cas d'absence ou d'insuffisance de versements anticipés à l'impôt des personnes physiques sur la différence est dû.
Les sommes représentant ces intérêts, ainsi que les éventuels intérêts sur les sommes payées au Fonds de compensation, (viennent l'année suivante) en déduction du coût du service universel. ".
" (Art. 144undecies). § 1er. L'Institut calcule chaque année les coûts du service universel. Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur avis de l'Institut, la méthode pour calculer ces coûts, ainsi que les modalités de sa publication.
L'Institut peut se faire assister par des experts indépendants pour effectuer ce calcul. L'Institut est remboursé par le prestataire du service universel pour le calcul sur la base du coût des prestations visées à l'alinéa précédent. Le Roi fixe, par arrêté (délibéré en Conseil des Ministres), sur avis de l'Institut, les règles de ce remboursement. Le prestataire (impute ce montant sur ses coûts).
Le prestataire du service universel fournit à l'Institut ou à l'expert indépendant tous les renseignements qu'ils demandent afin de permettre le calcul des coûts du service postal universel restant.
Si le prestataire du service universel ne fournit pas ou insuffisamment les renseignements demandés dans le délai fixé par l'Institut, il ne peut prétendre à une intervention du Fonds de compensation.
§ 2. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, sur avis de l'Institut, les conditions d'intervention du Fonds de compensation. ".
" CHAPITRE Vquater. - Fonds de compensation pour le service postal universel. ".
" Art. 144novies. § 1er. Un Fonds de compensation est créé afin d'assurer le financement du service postal universel, visé à l'article 142.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur avis de l'Institut, l'organisation du Fonds de compensation, la date et les modalités de sa mise en oeuvre.
§ 2. Le recours au Fonds n'est autorisé qu'à partir de la date visée au § 1er du présent article et à condition que le prestataire du service universel établisse, notamment sur la base de données comptables visées aux articles 144quinquies et 144sexies, que les obligations de service universel constituent une charge inéquitable pour lui compte tenu des services qui lui sont réservés.
§ 3. Le Fonds de compensation (est doté de la personnalité) juridique. Il est géré et représenté par le fonctionnaire (dirigeant de l'Institut), assisté par les fonctionnaires de l'Institut qu'il désigne.
Les comptes annuels et le rapport annuel du Fonds de compensation et le rapport de gestion dudit Fonds sont publiés en même temps que ceux de l'Institut. ".
" Art. 144decies. § 1er. Au plus tôt à la date fixée par l'arrêté visé à (l'article 144novies), § 1er, toutes les entreprises ayant obtenu une licence en application de l'article 148sexies pour la prestation de services non réservés compris dans le service universel, pour lesquels ces entreprises atteignent un chiffre d'affaires de plus de 50 millions de francs belges, sont obligées de contribuer au Fonds de compensation.
Cette contribution se fait en fonction du chiffre d'affaires atteint par les services définis à l'alinéa précédent fournis aux utilisateurs qui ont leur siège, établissement fixe, domicile ou lieu de résidence habituel en Belgique. Pour la détermination du chiffre d'affaires atteint, les 50 premiers millions de francs belges ne sont pas pris en considération.
§ 2. La contribution est calculée comme suit : le coût du service postal universel restant à couvrir, compte tenu des services réservés, ajouté aux frais de gestion du Fonds de compensation, est multiplié par la fraction qui est obtenue en divisant le chiffre d'affaires du contributeur, visé au § 1er, par la somme des chiffres d'affaires des contributeurs, visés au § 1er.
Les frais de gestion du Fonds de compensation sont composés de l'ensemble des frais liés au fonctionnement du Fonds et supportés par l'Institut. Ce montant est fixé par l'Institut et fait l'objet d'un article particulier du budget de l'Institut. Le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, fixe le montant maximum des frais de gestion dudit Fonds.
Les chiffres d'affaires sont calculés sur la base des comptes annuels afférents à l'année pour laquelle le coût du service postal universel est calculé.
Afin de déterminer les chiffres d'affaires visés au § 1er, les contributeurs au Fonds de compensation font parvenir à l'Institut, à sa demande et dans le délai prescrit par lui, tous les documents jugés nécessaires par l'Institut. (A défaut de communication) de ces données, l'Institut établira le chiffre d'affaires de l'entreprise concernée sur la seule base des éléments en sa possession.
§ 4. Les entreprises concernées versent des acomptes au Fonds de compensation pendant l'année en cours, selon les modalités suivantes : premier acompte avant le 31 mars, deuxième acompte avant le 30 juin, troisième acompte avant le 30 septembre, quatrième acompte avant le 31 décembre.
§ 5. Afin de déterminer le montant des acomptes visés au § 4, les entreprises concernées procèdent à une estimation de leur chiffre d'affaires pour le trimestre en cours. Le montant des acomptes correspond à ce qui aurait dû être payé, compte tenu du chiffre d'affaires estimé, sur la base du taux de participation de la dernière année pour laquelle le coût du service universel a été publié.
§ 6. Les acomptes reçus diminués du montant correspondant aux frais de gestion du Fonds de compensation sont versés par le Fonds au prestataire du service universel dans le mois qui suit les dates visées au § 4.
La portion des acomptes correspondant aux frais de gestion du Fonds de compensation est versée par ce Fonds à l'Institut dans le mois qui suit les dates visées au § 4.
§ 7. Avant le 30 juin de l'année qui suit l'année qui a fait l'objet d'acomptes, l'Institut publie le montant définitif des participations de chacun des contributeurs au Fonds de compensation, ainsi que les éventuelles procédures d'apurement des comptes.
§ 8. Dans le mois de la publication visée au § 7, les comptes concernant le service universel sont apurés. A cet effet, le Fonds de compensation reçoit et distribue les éventuelles soultes.
§ 9. S'il s'avère que les acomptes versés par un contributeur sont de 10 p.c. inférieurs au montant définitif de la contribution telle que calculée par l'Institut et que cette différence est le résultat d'une sous-estimation du chiffre d'affaires, un intérêt calculé sur une base annuelle d'un taux équivalent au taux de la majoration en cas d'absence ou d'insuffisance de versements anticipés à l'impôt des personnes physiques sur la différence est dû.
Les sommes représentant ces intérêts, ainsi que les éventuels intérêts sur les sommes payées au Fonds de compensation, (viennent l'année suivante) en déduction du coût du service universel. ".
" (Art. 144undecies). § 1er. L'Institut calcule chaque année les coûts du service universel. Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur avis de l'Institut, la méthode pour calculer ces coûts, ainsi que les modalités de sa publication.
L'Institut peut se faire assister par des experts indépendants pour effectuer ce calcul. L'Institut est remboursé par le prestataire du service universel pour le calcul sur la base du coût des prestations visées à l'alinéa précédent. Le Roi fixe, par arrêté (délibéré en Conseil des Ministres), sur avis de l'Institut, les règles de ce remboursement. Le prestataire (impute ce montant sur ses coûts).
Le prestataire du service universel fournit à l'Institut ou à l'expert indépendant tous les renseignements qu'ils demandent afin de permettre le calcul des coûts du service postal universel restant.
Si le prestataire du service universel ne fournit pas ou insuffisamment les renseignements demandés dans le délai fixé par l'Institut, il ne peut prétendre à une intervention du Fonds de compensation.
§ 2. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, sur avis de l'Institut, les conditions d'intervention du Fonds de compensation. ".
Art.21. Artikel 148quinquies van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999, wordt vervangen als volgt :
" Art. 148quinquies. De Koning stelt, op advies van het Instituut, het bedrag vast van de vergoeding die van de ondernemingen wordt gevraagd om de administratiekosten te dekken die voortvloeien uit de aangifte en de actualisering van de aangifte. ".
" Art. 148quinquies. De Koning stelt, op advies van het Instituut, het bedrag vast van de vergoeding die van de ondernemingen wordt gevraagd om de administratiekosten te dekken die voortvloeien uit de aangifte en de actualisering van de aangifte. ".
Art.21. L'article 148quinquies de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1999, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 148quinquies. Sur avis de l'Institut, le Roi fixe le montant de l'indemnité demandée aux entreprises en vue de couvrir les frais d'administration découlant de la déclaration et de l'actualisation de la déclaration. ".
" Art. 148quinquies. Sur avis de l'Institut, le Roi fixe le montant de l'indemnité demandée aux entreprises en vue de couvrir les frais d'administration découlant de la déclaration et de l'actualisation de la déclaration. ".
Art.22. Artikel 148septies van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999, wordt vervangen als volgt :
" Art. 148septies. De Koning stelt, op advies van het Instituut, de bedragen van de rechten vast die de aanvragers van een individuele vergunning aan het Instituut moeten betalen. Die bedragen hangen af van de omvang van de diensten waarvoor een individuele vergunning is aangevraagd. ".
" Art. 148septies. De Koning stelt, op advies van het Instituut, de bedragen van de rechten vast die de aanvragers van een individuele vergunning aan het Instituut moeten betalen. Die bedragen hangen af van de omvang van de diensten waarvoor een individuele vergunning is aangevraagd. ".
Art.22. L'article 148septies de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1999, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 148septies. Le Roi fixe, sur avis de l'Institut, les montants des redevances à payer à l'Institut par les demandeurs de licence individuelle. Ces montants varient en fonction de l'ampleur des services pour lesquels une licence individuelle a été demandée. ".
" Art. 148septies. Le Roi fixe, sur avis de l'Institut, les montants des redevances à payer à l'Institut par les demandeurs de licence individuelle. Ces montants varient en fonction de l'ampleur des services pour lesquels une licence individuelle a été demandée. ".
Art.23. Artikel 154ter van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999, wordt vervangen als volgt :
" Art. 154ter. § 1. In de wet van 26 december 1956 op de postdienst worden opgeheven :
1° artikel 16, vervangen bij de wet van 21 maart 1991 en bij besluit nr. 437 van 5 augustus 1986;
2° artikel 17, vervangen bij de wet van 21 maart 1991;
3° artikel 18, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991;
4° artikel 19, gewijzigd bij de wet van 9 juli 1976;
5° artikel 21, gewijzigd bij de wet van 9 juli 1976 en vervangen bij de wet van 21 maart 1991;
6° artikel 22, gewijzigd bij de wet van 9 juli 1976 en vervangen bij de wet van 21 maart 1991;
7° artikel 23, vervangen bij de wet van 21 maart 1991.
§ 2. In artikel 26 van de wet van 26 december 1956 op de postdienst vervallen de woorden " en van artikel 134, § 2, en 141, van de wet van 21 maart 199I betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven ".
§ 3. In artikel 28 van de wet van 26 december 1956 op de postdienst wordt het woord " Postbeambten " vervangen door de woorden " personeelsleden van een postoperator " en worden de woorden " De Post " vervangen door de woorden " een postoperator ".
§ 4. In artikel 29 van de wet van 26 december 1956 op de postdienst worden de woorden " De Post " vervangen door de woorden " een postoperator ".
" Art. 154ter. § 1. In de wet van 26 december 1956 op de postdienst worden opgeheven :
1° artikel 16, vervangen bij de wet van 21 maart 1991 en bij besluit nr. 437 van 5 augustus 1986;
2° artikel 17, vervangen bij de wet van 21 maart 1991;
3° artikel 18, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991;
4° artikel 19, gewijzigd bij de wet van 9 juli 1976;
5° artikel 21, gewijzigd bij de wet van 9 juli 1976 en vervangen bij de wet van 21 maart 1991;
6° artikel 22, gewijzigd bij de wet van 9 juli 1976 en vervangen bij de wet van 21 maart 1991;
7° artikel 23, vervangen bij de wet van 21 maart 1991.
§ 2. In artikel 26 van de wet van 26 december 1956 op de postdienst vervallen de woorden " en van artikel 134, § 2, en 141, van de wet van 21 maart 199I betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven ".
§ 3. In artikel 28 van de wet van 26 december 1956 op de postdienst wordt het woord " Postbeambten " vervangen door de woorden " personeelsleden van een postoperator " en worden de woorden " De Post " vervangen door de woorden " een postoperator ".
§ 4. In artikel 29 van de wet van 26 december 1956 op de postdienst worden de woorden " De Post " vervangen door de woorden " een postoperator ".
Art.23. L'article 154ter de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1999, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 154ter. § 1er. Sont abrogés dans la loi du 26 décembre 1956 sur le service des postes :
1° l'article 16, remplacé par la loi du 21 mars 1991 et par l'arrêté n° 437 du 5 août 1986;
2° l'article 17, remplacé par la loi du 21 mars 1991;
3° l'article 18, modifié par la loi du 21 mars 1991;
4° l'article 19, modifié par la loi du 9 juillet 1976;
5° l'article 21, modifié par la loi du 9 juillet 1976 et remplacé par la loi du 21 mars 1991;
6° l'article 22, modifié par la loi du 9 juillet 1976 et remplacé par la loi du 21 mars 1991;
7° l'article 23, remplacé par la loi du 21 mars 1991.
§ 2. Dans l'article 26 de la loi du 26 décembre 1956 sur le service des postes, les mots " ainsi qu'aux articles 134, § 2 et 141, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques " sont supprimés.
§ 3. Dans l'article 28 de la loi du 26 décembre 1956 sur le service des postes, les mots " les agents des postes " sont remplacés par les mots " les membres du personnel d'un opérateur postal " et les mots " La Poste, " sont remplacés par les mots " un opérateur postal ".
§ 4. Dans l'article 29 de la loi du 26 décembre 1956 sur le service des postes, les mots " La Poste " sont remplacés par les mots " un opérateur postal ".
" Art. 154ter. § 1er. Sont abrogés dans la loi du 26 décembre 1956 sur le service des postes :
1° l'article 16, remplacé par la loi du 21 mars 1991 et par l'arrêté n° 437 du 5 août 1986;
2° l'article 17, remplacé par la loi du 21 mars 1991;
3° l'article 18, modifié par la loi du 21 mars 1991;
4° l'article 19, modifié par la loi du 9 juillet 1976;
5° l'article 21, modifié par la loi du 9 juillet 1976 et remplacé par la loi du 21 mars 1991;
6° l'article 22, modifié par la loi du 9 juillet 1976 et remplacé par la loi du 21 mars 1991;
7° l'article 23, remplacé par la loi du 21 mars 1991.
§ 2. Dans l'article 26 de la loi du 26 décembre 1956 sur le service des postes, les mots " ainsi qu'aux articles 134, § 2 et 141, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques " sont supprimés.
§ 3. Dans l'article 28 de la loi du 26 décembre 1956 sur le service des postes, les mots " les agents des postes " sont remplacés par les mots " les membres du personnel d'un opérateur postal " et les mots " La Poste, " sont remplacés par les mots " un opérateur postal ".
§ 4. Dans l'article 29 de la loi du 26 décembre 1956 sur le service des postes, les mots " La Poste " sont remplacés par les mots " un opérateur postal ".
HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen.
CHAPITRE IV. - Dispositions finales.
Art.24. Het koninklijk besluit van 4 maart 1999 tot aanpassing van sommige bepalingen van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige overheidsbedrijven aan de richtlijnen van de Europese Unie en tot wijziging van sommige bepalingen van die wet met betrekking tot de universele dienstverlening, het koninklijk besluit van 6 november 1999 houdende wijziging van artikel 105bis van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, het koninklijk besluit van 21 december 1999 (tot aanpassing van sommige bepalingen) van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven aan de richtlijnen van de Europese Unie, alsook het koninklijk besluit van 23 december 1999 tot aanpassing van de artikelen 1 en 4 van bijlage 2 bij de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven aan Richtlijn 97/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 inzake interconnectie op telecommunicatiegebied, wat betreft de waarborging van de universele dienst en van de interoperabiliteit door toepassing van de beginselen van Open Network Provision (ONP), worden bekrachtigd.
Art.24. L'arrêté royal du 4 mars 1999 adaptant certaines dispositions de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques aux directives de l'Union européenne et modifiant certaines dispositions de cette loi relatives au service universel, l'arrêté royal du 6 novembre 1999 portant modification de l'article 105bis de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, l'arrêté royal du 21 décembre 1999 adaptant certaines dispositions de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques aux directives de l'Union européenne et l'arrêté royal du 23 décembre 1999 adaptant les articles 1er et 4 de l'annexe 2 à la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques à la Directive 97/33/CE du Parlement européen et du Conseil du 30 juin 1997 relative à l'interconnexion dans le secteur des télécommunications en vue d'assurer un service universel et l'interopérabilité par l'application des principes de fourniture d'un réseau ouvert (ONP), sont confirmés.
Art.25. Artikel 9 en bijlage 3 van het koninklijk besluit van 10 januari 1997 (NOTA : Justel leest 1992, zie Franse tekst) betreffende de klankradio-omroep in frequentie modulatie in de band 87.5 MHz - 108 MHz worden opgeheven.
Art.25. L'article 9 et l'annexe 3 de l'arrêté royal du 10 janvier 1992 réglementant la radiodiffusion sonore en modulation de fréquence dans la bande 87.5 MHz - 108 MHz sont abrogés.
Art. 26. Behoudens de artikelen 5, 8 en 19 tot 25 treedt deze wet in werking met ingang van 8 april 2000.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 3 juli 2000.
ALBERT
Van Koningswege :
Voor de Minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, afwezig,
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 3 juli 2000.
ALBERT
Van Koningswege :
Voor de Minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, afwezig,
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN
Art. 26. A l'exception des articles 5, 8 et 19 à 25, la présente loi produit ses effets le 8 avril 2000.
Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
Donné à Bruxelles, 3 juillet 2000.
ALBERT
Par le Roi :
Pour le Ministre des Télécommunications et des Entreprises et Participations publiques, absent,
Le Ministre de la Justice,
M. VERWILGHEN
Scellé du sceau de l'Etat :
Le Ministre de la Justice,
M. VERWILGHEN
Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
Donné à Bruxelles, 3 juillet 2000.
ALBERT
Par le Roi :
Pour le Ministre des Télécommunications et des Entreprises et Participations publiques, absent,
Le Ministre de la Justice,
M. VERWILGHEN
Scellé du sceau de l'Etat :
Le Ministre de la Justice,
M. VERWILGHEN