Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
18 MEI 1999. - Decreet betreffende het onderwijs X.
Titre
18 MAI 1999. - Décret relatif à l'enseignement X (TRADUCTION). (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 20-07-1999 et mise à jour au 30-12-1999)
Documentinformatie
Numac: 1999035897
Datum: 1999-05-18
Info du document
Numac: 1999035897
Date: 1999-05-18
Inhoud
Tekst (149)
Texte (149)
HOOFDSTUK I. - Inleidende bepaling.
CHAPITRE I. - Disposition introductive.
Art. 1.1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Art. 1.1. Le présent décret régit une matière communautaire.
HOOFDSTUK II. - Hogescholen.
CHAPITRE II. - Instituts supérieurs.
Art. 2.1. Artikel 2, 44°, van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap wordt gewijzigd als volgt :
" 44° werving : eerste aanstelling of benoeming tot personeelslid in een ambt voorzien op de personeelsformatie van de hogeschool; ".
" 44° werving : eerste aanstelling of benoeming tot personeelslid in een ambt voorzien op de personeelsformatie van de hogeschool; ".
Art. 2.1. L'article 2, 44° du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande est modifié ainsi qu'il suit :
" 44° recrutement : première désignation ou nomination en tant que membre du personnel dans une fonction prévue au cadre organique de l'institut supérieur; ".
" 44° recrutement : première désignation ou nomination en tant que membre du personnel dans une fonction prévue au cadre organique de l'institut supérieur; ".
Art. 2.2. Aan artikel 20bis van hetzelfde decreet wordt een streep toegevoegd, dat luidt als volgt :
" - de initiële lerarenopleiding dans. ".
" - de initiële lerarenopleiding dans. ".
Art. 2.2. A l'article 20bis du même décret, il est ajouté un tiret, rédigé comme suit :
" - la formation initiale des enseignants " danse ". ".
" - la formation initiale des enseignants " danse ". ".
Art. 2.3. Artikel 20sexies van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt :
1° aan § 1 en § 3 worden twee strepen toegevoegd, die luiden als volgt :
" - de voortgezette lerarenopleiding niet-confessionele zedenleer voor het lager onderwijs, waarvoor het overeenstemmend diploma wordt verleend;
- de voortgezette lerarenopleiding godsdienst voor het lager onderwijs waarvoor het overeenstemmend diploma wordt verleend. ";
2° in § 2 worden telkens na het woord " zedenleer " en na het woord " godsdienst " de woorden " voor het lager onderwijs " ingevoegd.
1° aan § 1 en § 3 worden twee strepen toegevoegd, die luiden als volgt :
" - de voortgezette lerarenopleiding niet-confessionele zedenleer voor het lager onderwijs, waarvoor het overeenstemmend diploma wordt verleend;
- de voortgezette lerarenopleiding godsdienst voor het lager onderwijs waarvoor het overeenstemmend diploma wordt verleend. ";
2° in § 2 worden telkens na het woord " zedenleer " en na het woord " godsdienst " de woorden " voor het lager onderwijs " ingevoegd.
Art. 2.3. L'article 20sexies du même décret est modifié comme suit :
1° aux §§ 1er et 3 sont ajoutés deux tirets rédigés comme suit :
" - la formation continuée des enseignants " morale non confessionnelle " pour l'enseignement primaire, pour laquelle est délivré le diplôme correspondant;
- la formation continuée des enseignants " religion " pour l'enseignement primaire, pour laquelle est délivré le diplôme correspondant. ";
2° au § 2 sont insérés chaque fois après le mot " morale " et après le mot " religion " les mots " pour l'enseignement primaire ".
1° aux §§ 1er et 3 sont ajoutés deux tirets rédigés comme suit :
" - la formation continuée des enseignants " morale non confessionnelle " pour l'enseignement primaire, pour laquelle est délivré le diplôme correspondant;
- la formation continuée des enseignants " religion " pour l'enseignement primaire, pour laquelle est délivré le diplôme correspondant. ";
2° au § 2 sont insérés chaque fois après le mot " morale " et après le mot " religion " les mots " pour l'enseignement primaire ".
Art. 2.4. Artikel 20septies van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt :
1° de huidige tekst, die § 1 wordt, wordt aangevuld met een tweede lid, dat luidt als volgt :
" Hogescholen die een initiële lerarenopleiding organiseren, kunnen een voortgezette lerarenopleiding intercultureel onderwijs organiseren, waarvoor het overeenkomstige diploma wordt verleend. ";
2° er worden een § 2 en een § 3 toegevoegd, die luiden als volgt :
" § 2. Tot de voortgezette lerarenopleiding buitengewoon onderwijs worden toegelaten :
- de houders van een diploma van een initiële lerarenopleiding;
- de personeelsleden van het buitengewoon onderwijs.
§ 3. Het ministerieel besluit van 10 mei 1924 betreffende het getuigschrift van bekwaamheid tot het opvoeden van abnormale kinderen. Reglement en programma van de voorbereidende cursussen en van de examens, zoals gewijzigd, wordt opgeheven met ingang van het academiejaar 1999-2000.
De studenten die zich ten laatste in het academiejaar 1998-1999 ingeschreven hebben voor de normaalleergangen, kunnen deze voleindigen, op voorwaarde dat zij hun studies niet onderbreken.
De instellingen kunnen getuigschriften uitreiken tot uiterlijk 2002. ".
1° de huidige tekst, die § 1 wordt, wordt aangevuld met een tweede lid, dat luidt als volgt :
" Hogescholen die een initiële lerarenopleiding organiseren, kunnen een voortgezette lerarenopleiding intercultureel onderwijs organiseren, waarvoor het overeenkomstige diploma wordt verleend. ";
2° er worden een § 2 en een § 3 toegevoegd, die luiden als volgt :
" § 2. Tot de voortgezette lerarenopleiding buitengewoon onderwijs worden toegelaten :
- de houders van een diploma van een initiële lerarenopleiding;
- de personeelsleden van het buitengewoon onderwijs.
§ 3. Het ministerieel besluit van 10 mei 1924 betreffende het getuigschrift van bekwaamheid tot het opvoeden van abnormale kinderen. Reglement en programma van de voorbereidende cursussen en van de examens, zoals gewijzigd, wordt opgeheven met ingang van het academiejaar 1999-2000.
De studenten die zich ten laatste in het academiejaar 1998-1999 ingeschreven hebben voor de normaalleergangen, kunnen deze voleindigen, op voorwaarde dat zij hun studies niet onderbreken.
De instellingen kunnen getuigschriften uitreiken tot uiterlijk 2002. ".
Art. 2.4. L'article 20septies du même décret est modifié comme suit :
1° le texte actuel, qui devient § 1er, est complété par un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
" Des instituts supérieurs organisant une formation initiale des enseignants, peuvent également organiser une formation continuée des enseignants " enseignement interculturel " pour laquelle est délivrée le diplôme correspondant. ";
2° sont insérés un § 2 et un § 3, rédigés comme suit :
" § 2. Sont admis à la formation continuée des enseignants pour l'enseignement spécial :
- les porteurs d'un diplôme de la formation initiale des enseignants;
- les personnels de l'enseignement spécial.
§ 3. L'arrêté ministériel du 10 mai 1924 relatif au certificat d'aptitude à l'éducation des enfants anormaux Règlement et programme des cours préparatoires et des examens, tel que modifié, est abrogé à compter de l'année académique 1999-2000.
Les étudiants qui se sont inscrits pendant l'année académique 1998-1999 au plus tard pour les cours normaux, peuvent les terminer, à condition qu'ils n'interrompent pas leurs études.
Les établissements peuvent délivrer des certificats jusqu'à l'année 2002 au plus tard. ".
1° le texte actuel, qui devient § 1er, est complété par un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
" Des instituts supérieurs organisant une formation initiale des enseignants, peuvent également organiser une formation continuée des enseignants " enseignement interculturel " pour laquelle est délivrée le diplôme correspondant. ";
2° sont insérés un § 2 et un § 3, rédigés comme suit :
" § 2. Sont admis à la formation continuée des enseignants pour l'enseignement spécial :
- les porteurs d'un diplôme de la formation initiale des enseignants;
- les personnels de l'enseignement spécial.
§ 3. L'arrêté ministériel du 10 mai 1924 relatif au certificat d'aptitude à l'éducation des enfants anormaux Règlement et programme des cours préparatoires et des examens, tel que modifié, est abrogé à compter de l'année académique 1999-2000.
Les étudiants qui se sont inscrits pendant l'année académique 1998-1999 au plus tard pour les cours normaux, peuvent les terminer, à condition qu'ils n'interrompent pas leurs études.
Les établissements peuvent délivrer des certificats jusqu'à l'année 2002 au plus tard. ".
Art. 2.5. In bijlage I - Lijst van studiegebieden, opleidingen en opties - van hetzelfde decreet wordt aan punt 8, Studiegebied onderwijs, De voortgezette leraren-opleidingen, een streep toegevoegd, die luidt als volgt :
" - de voortgezette lerarenopleiding intercultureel onderwijs, waarvoor het overeenkomstig diploma wordt verleend. ".
" - de voortgezette lerarenopleiding intercultureel onderwijs, waarvoor het overeenkomstig diploma wordt verleend. ".
Art. 2.5. A l'annexe I - Liste des disciplines, formations et options du même décret, il est ajouté un tiret au point 8, Discipline Enseignement, Formations continuées des enseignants, rédigé comme suit :
" - la formation continuée des enseignants " enseignement interculturel ", pour laquelle est délivré le diplôme correspondant. ".
" - la formation continuée des enseignants " enseignement interculturel ", pour laquelle est délivré le diplôme correspondant. ".
Art. 2.6. Aan Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling 4, Onderafdeling 4, van hetzelfde decreet wordt een artikel 20octies toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 20octies. Hogescholen die een initiële lerarenopleiding organiseren, kunnen een voortgezette lerarenopleiding zorgverbreding en remediërend leren organiseren, waarvoor het overeenkomstige diploma wordt verleend. ".
" Art. 20octies. Hogescholen die een initiële lerarenopleiding organiseren, kunnen een voortgezette lerarenopleiding zorgverbreding en remediërend leren organiseren, waarvoor het overeenkomstige diploma wordt verleend. ".
Art. 2.6. Au Titre II, Chapitre Ier, Section 4, Sous-section 4, du même décret, il est inséré un article 20octies, formulé comme suit :
" Art. 20octies. Des instituts supérieurs organisant une formation initiale des enseignants, peuvent également organiser une formation continuée des enseignants " encadrement renforcé et cours de rattrapage " pour laquelle est délivré le diplôme correspondant. ".
" Art. 20octies. Des instituts supérieurs organisant une formation initiale des enseignants, peuvent également organiser une formation continuée des enseignants " encadrement renforcé et cours de rattrapage " pour laquelle est délivré le diplôme correspondant. ".
Art. 2.7. In bijlage I - Lijst van studiegebieden, opleidingen en opties - van hetzelfde decreet wordt aan punt 8, Studiegebied onderwijs, De voortgezette leraren-opleidingen, een streep toegevoegd, die luidt als volgt :
" - de voortgezette lerarenopleiding zorgverbreding en remediërend leren, waarvoor het overeenkomstige diploma wordt verleend. ".
" - de voortgezette lerarenopleiding zorgverbreding en remediërend leren, waarvoor het overeenkomstige diploma wordt verleend. ".
Art. 2.7. A l'annexe I - Liste des disciplines, formations et options du même décret, il est ajouté un tiret au point 8, Discipline Enseignement, Formations continuées des enseignants, rédigé comme suit :
" - la formation continuée des enseignants " encadrement renforcé et cours de rattrapage ", pour laquelle est délivré le diplôme correspondant. ".
" - la formation continuée des enseignants " encadrement renforcé et cours de rattrapage ", pour laquelle est délivré le diplôme correspondant. ".
Art. 2.8. Aan Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling 4, Onderafdeling 4, van hetzelfde decreet wordt een artikel 20novies toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 20novies. De hogeschool die de basisopleiding dans van één cyclus aanbiedt, kan aansluitend bij deze basisopleiding een initiële lerarenopleiding organiseren, waarvoor het diploma van leraar dans wordt verleend.
Deze lerarenopleiding bestaat uit één studiejaar en bedraagt ten minste 1.500 en ten hoogste 1.800 uren onderwijs- en andere studie-activiteiten.
Tot de lerarenopleiding dans worden toegelaten :
1° de geslaagden van het tweede studiejaar van de basisopleiding dans van één cyclus. Om het diploma van leraar dans te behalen, moeten de studenten in kwestie het diploma van de basisopleiding dans van één cyclus behaald hebben;
2° de kandidaten die voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden tot de basisopleidingen van één cyclus, geslaagd zijn voor een artistiek toelatingsexamen, georganiseerd door de hogeschool die de basisopleiding dans van één cyclus organiseert, en vijf jaar nuttige ervaring als professioneel danser in een erkend gezelschap kunnen aantonen. ".
" Art. 20novies. De hogeschool die de basisopleiding dans van één cyclus aanbiedt, kan aansluitend bij deze basisopleiding een initiële lerarenopleiding organiseren, waarvoor het diploma van leraar dans wordt verleend.
Deze lerarenopleiding bestaat uit één studiejaar en bedraagt ten minste 1.500 en ten hoogste 1.800 uren onderwijs- en andere studie-activiteiten.
Tot de lerarenopleiding dans worden toegelaten :
1° de geslaagden van het tweede studiejaar van de basisopleiding dans van één cyclus. Om het diploma van leraar dans te behalen, moeten de studenten in kwestie het diploma van de basisopleiding dans van één cyclus behaald hebben;
2° de kandidaten die voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden tot de basisopleidingen van één cyclus, geslaagd zijn voor een artistiek toelatingsexamen, georganiseerd door de hogeschool die de basisopleiding dans van één cyclus organiseert, en vijf jaar nuttige ervaring als professioneel danser in een erkend gezelschap kunnen aantonen. ".
Art. 2.8. Au Titre II, Chapitre Ier, Section 4, Sous-section 4, du même décret, il est ajouté un article 20novies, rédigé comme suit :
" Art. 20novies. L'institut supérieur qui offre la formation initiale " danse " d'un cycle, peut organiser dans le prolongement de cette formation initiale une formation initiale des enseignants, pour laquelle le diplôme d'enseignant " danse " est délivré.
Cette formation des enseignants se compose d'une année d'études et comporte au moins 1.500 heures et au plus 1.800 heures d'activités d'enseignement et d'autres activités d'étude.
Sont admis à la formation des enseignants :
1° les candidats reçus de la deuxième année d'études de la formation initiale " danse " d'un cycle. Afin d'obtenir le diplôme d'enseignant " danse ", les étudiants en question doivent être titulaires du diplôme de la formation initiale " danse " d'un cycle;
2° les candidats qui satisfont aux conditions générales d'admission aux formations initiales d'un cycle, ont réussi à un examen artistique d'admission, organisé par l'institut supérieur qui organise la formation initiale " danse " d'un cycle, et qui peuvent prouver une expérience utile de cinq ans comme danseur professionnel dans une troupe agréée. ".
" Art. 20novies. L'institut supérieur qui offre la formation initiale " danse " d'un cycle, peut organiser dans le prolongement de cette formation initiale une formation initiale des enseignants, pour laquelle le diplôme d'enseignant " danse " est délivré.
Cette formation des enseignants se compose d'une année d'études et comporte au moins 1.500 heures et au plus 1.800 heures d'activités d'enseignement et d'autres activités d'étude.
Sont admis à la formation des enseignants :
1° les candidats reçus de la deuxième année d'études de la formation initiale " danse " d'un cycle. Afin d'obtenir le diplôme d'enseignant " danse ", les étudiants en question doivent être titulaires du diplôme de la formation initiale " danse " d'un cycle;
2° les candidats qui satisfont aux conditions générales d'admission aux formations initiales d'un cycle, ont réussi à un examen artistique d'admission, organisé par l'institut supérieur qui organise la formation initiale " danse " d'un cycle, et qui peuvent prouver une expérience utile de cinq ans comme danseur professionnel dans une troupe agréée. ".
Art. 2.9. Aan artikel 41, § 1, van hetzelfde decreet wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De Vlaamse Regering bepaalt daarenboven de voorwaarden waaronder aan de houders van het diploma in de ziekenhuisverpleegkunde of psychiatrische verpleegkunde of van het brevet van verpleger of verpleegster, vrijstellingen en studieduurverkorting kunnen verleend worden. ".
" De Vlaamse Regering bepaalt daarenboven de voorwaarden waaronder aan de houders van het diploma in de ziekenhuisverpleegkunde of psychiatrische verpleegkunde of van het brevet van verpleger of verpleegster, vrijstellingen en studieduurverkorting kunnen verleend worden. ".
Art. 2.9. A l'article 41, § 1er, du même décret, il est ajouté un alinéa, rédigé ainsi qu'il suit :
" En outre, le Gouvernement flamand fixe les conditions auxquelles les titulaires du diplôme de " nursing hospitalier " ou de " nursing psychiatrique " ou du brevet d'infirmier ou d'infirmière, peuvent bénéficier de dispenses ou d'une réduction de la durée d'études. ".
" En outre, le Gouvernement flamand fixe les conditions auxquelles les titulaires du diplôme de " nursing hospitalier " ou de " nursing psychiatrique " ou du brevet d'infirmier ou d'infirmière, peuvent bénéficier de dispenses ou d'une réduction de la durée d'études. ".
Art. 2.10. Artikel 77 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt :
1° in § 1, eerste zin, worden tussen de woorden " legt " en " een " de woorden " vóór 1 mei 1999 " gevoegd;
2° § 2 wordt gewijzigd als volgt :
- 1° in de eerste zin wordt het woord " driejaarlijks " vervangen door het woord " vijfjaarlijks ";
- 2° er wordt een derde zin toegevoegd, die luidt als volgt :
" In afwijking van de termijn van vijf jaar, gebeurt de eerste evaluatie van het personeelslid na de eerste aanstelling, of na benoeming of bevordering na maximum drie jaar. ";
- 3° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De eerste evaluatie conform de in § 1 bedoelde evaluatieregeling is voor alle personeelsleden afgerond uiterlijk op het einde van het academiejaar 2000-2001. ";
3° aan § 6 wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De commissaris-coördinator van de Vlaamse Regering bij de hogescholen maakt vóór eind 1999 een evaluatie op van de evaluatiereglementen van de hogescholen. ";
4° er wordt een § 7 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 7. De evaluatie van het onderwijzend personeel belast met de opleidingsonderdelen godsdienst en niet-confessionele zedenleer behoort, voor wat betreft de vakinhoudelijke aspecten van deze opleidingsonderdelen, tot de bevoegdheid van de leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. ".
1° in § 1, eerste zin, worden tussen de woorden " legt " en " een " de woorden " vóór 1 mei 1999 " gevoegd;
2° § 2 wordt gewijzigd als volgt :
- 1° in de eerste zin wordt het woord " driejaarlijks " vervangen door het woord " vijfjaarlijks ";
- 2° er wordt een derde zin toegevoegd, die luidt als volgt :
" In afwijking van de termijn van vijf jaar, gebeurt de eerste evaluatie van het personeelslid na de eerste aanstelling, of na benoeming of bevordering na maximum drie jaar. ";
- 3° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De eerste evaluatie conform de in § 1 bedoelde evaluatieregeling is voor alle personeelsleden afgerond uiterlijk op het einde van het academiejaar 2000-2001. ";
3° aan § 6 wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De commissaris-coördinator van de Vlaamse Regering bij de hogescholen maakt vóór eind 1999 een evaluatie op van de evaluatiereglementen van de hogescholen. ";
4° er wordt een § 7 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 7. De evaluatie van het onderwijzend personeel belast met de opleidingsonderdelen godsdienst en niet-confessionele zedenleer behoort, voor wat betreft de vakinhoudelijke aspecten van deze opleidingsonderdelen, tot de bevoegdheid van de leden van de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. ".
Art. 2.10. L'article 77 du même décret est modifié comme suit :
1° au § 1er, première phrase, sont insérés les mots " avant le 1er mai 1999 " entre le mot " fixe " et les mots " un régime ";
2° le § 2 est modifié comme suit :
- 1° dans la première phrase, les mots " tous les trois ans " sont remplacés par les mots " tous les cinq ans ";
- 2° il est ajouté une troisième phrase, rédigée comme suit :
" Par dérogation au délai de cinq ans, la première évaluation du membre du personnel se fait après la première désignation, ou après nomination ou promotion et ce après trois ans au maximum. ";
- 3° il est ajouté un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
" Tout membre du personnel aura subi la première évaluation conformément à la réglementation d'évaluation visée au § 1er à la fin de l'année académique 2000-2001 au plus tard. ";
3° au § 6 est ajouté un alinéa, rédigé comme suit :
" Le commissaire-coordinateur du Gouvernement flamand auprès des instituts supérieurs évalue avant fin 1999 les règlements d'évaluation des instituts supérieurs. ";
4° il est ajouté un § 7, rédigé comme suit :
" § 7. L'évaluation du personnel enseignant chargé des subdivisions de formation " religion " et " morale non confessionnelle ", relève, pour ce qui concerne le contenu de ces subdivisions de formation, de la compétence des membres de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques, telle que prévue au décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques. ".
1° au § 1er, première phrase, sont insérés les mots " avant le 1er mai 1999 " entre le mot " fixe " et les mots " un régime ";
2° le § 2 est modifié comme suit :
- 1° dans la première phrase, les mots " tous les trois ans " sont remplacés par les mots " tous les cinq ans ";
- 2° il est ajouté une troisième phrase, rédigée comme suit :
" Par dérogation au délai de cinq ans, la première évaluation du membre du personnel se fait après la première désignation, ou après nomination ou promotion et ce après trois ans au maximum. ";
- 3° il est ajouté un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
" Tout membre du personnel aura subi la première évaluation conformément à la réglementation d'évaluation visée au § 1er à la fin de l'année académique 2000-2001 au plus tard. ";
3° au § 6 est ajouté un alinéa, rédigé comme suit :
" Le commissaire-coordinateur du Gouvernement flamand auprès des instituts supérieurs évalue avant fin 1999 les règlements d'évaluation des instituts supérieurs. ";
4° il est ajouté un § 7, rédigé comme suit :
" § 7. L'évaluation du personnel enseignant chargé des subdivisions de formation " religion " et " morale non confessionnelle ", relève, pour ce qui concerne le contenu de ces subdivisions de formation, de la compétence des membres de l'inspection et de l'encadrement des cours philosophiques, telle que prévue au décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques. ".
Art. 2.11. In hetzelfde decreet wordt een artikel 90bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 90bis. § 1. Een benoemd personeelslid of een personeelslid bedoeld in artikel 318, 2°, kan mits zijn toestemming belast worden met een opdracht in een ander ambt. Het personeelslid ontvangt de salarisschaal verbonden aan het ambt waarbinnen het de opdracht uitoefent en is onderworpen aan de statutaire bepalingen die van toepassing zijn op de personeelsleden in het betreffende ambt.
Het personeelslid behoudt de rechten verbonden aan zijn vorige ambt zolang het niet benoemd is in een ander ambt.
§ 2. De bezoldiging gebeurt met ingang van het academiejaar 1999-2000 volgens de modaliteiten die respectievelijk gelden voor de benoemde personeelsleden en de personeelsleden bedoeld in artikel 318, 2°. ".
" Art. 90bis. § 1. Een benoemd personeelslid of een personeelslid bedoeld in artikel 318, 2°, kan mits zijn toestemming belast worden met een opdracht in een ander ambt. Het personeelslid ontvangt de salarisschaal verbonden aan het ambt waarbinnen het de opdracht uitoefent en is onderworpen aan de statutaire bepalingen die van toepassing zijn op de personeelsleden in het betreffende ambt.
Het personeelslid behoudt de rechten verbonden aan zijn vorige ambt zolang het niet benoemd is in een ander ambt.
§ 2. De bezoldiging gebeurt met ingang van het academiejaar 1999-2000 volgens de modaliteiten die respectievelijk gelden voor de benoemde personeelsleden en de personeelsleden bedoeld in artikel 318, 2°. ".
Art. 2.11. Au même décret, il est inséré un article 90bis, rédigé comme suit :
" Art. 90bis. § 1er. Un membre du personnel nommé à titre définitif ou un membre du personnel visé à l'article 318, 2°, peut être appelé, moyennant son accord, à assumer une charge dans une autre fonction. Le membre du personnel bénéficie de l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il exerce la charge et est assujetti aux dispositions statutaires qui sont applicables aux membres du personnel dans la fonction concernée.
Le membre du personnel maintient les droits liés à sa fonction précédente aussi longtemps qu'il n'est pas nommé dans une autre fonction.
§ 2. La rémunération s'opère à compter de l'année académique 1999-2000 suivant les modalités s'appliquant respectivement aux membres du personnel nommés et aux membres du personnel visés à l'article 318, 2°. ".
" Art. 90bis. § 1er. Un membre du personnel nommé à titre définitif ou un membre du personnel visé à l'article 318, 2°, peut être appelé, moyennant son accord, à assumer une charge dans une autre fonction. Le membre du personnel bénéficie de l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il exerce la charge et est assujetti aux dispositions statutaires qui sont applicables aux membres du personnel dans la fonction concernée.
Le membre du personnel maintient les droits liés à sa fonction précédente aussi longtemps qu'il n'est pas nommé dans une autre fonction.
§ 2. La rémunération s'opère à compter de l'année académique 1999-2000 suivant les modalités s'appliquant respectivement aux membres du personnel nommés et aux membres du personnel visés à l'article 318, 2°. ".
Art. 2.12. Artikel 92, § 1, 5°, van hetzelfde decreet wordt aangevuld met de woorden :
" of mits instemming van het hogeschoolbestuur, op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; ".
" of mits instemming van het hogeschoolbestuur, op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt; ".
Art. 2.12. L'article 92, § 1er, 5° du même décret est modifié (NOTE : lire : complété; voir original néerlandais) comme suit :
" ou moyennant l'accord de la direction de l'institut supérieur, à la fin de l'année académique pendant laquelle le membre du personnel a atteint l'âge de 65 ans; ".
" ou moyennant l'accord de la direction de l'institut supérieur, à la fin de l'année académique pendant laquelle le membre du personnel a atteint l'âge de 65 ans; ".
Art. 2.13. Artikel 93, § 1, 5°, van hetzelfde decreet wordt aangevuld met de woorden :
" of mits instemming van het hogeschoolbestuur, op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. ".
" of mits instemming van het hogeschoolbestuur, op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. ".
Art. 2.13. L'article 93, § 1er, 5° du même décret est complété par les mots :
" 5° ou moyennant l'accord de la direction de l'institut supérieur, à la fin de l'année académique pendant laquelle le membre du personnel a atteint l'âge de 65 ans. ".
" 5° ou moyennant l'accord de la direction de l'institut supérieur, à la fin de l'année académique pendant laquelle le membre du personnel a atteint l'âge de 65 ans. ".
Art. 2.14. In hetzelfde decreet wordt een artikel 93bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 93bis. § 1. De onderwijsbevoegdheid godsdienst of niet-confessionele zedenleer van personeelsleden belast met de lesopdracht godsdienst of niet-confessionele zedenleer eindigt van rechtswege vanaf het ogenblik dat de bevoegde instantie van de betrokken levensbeschouwing, zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, daartoe beslist.
Deze beslissing moet uitdrukkelijk gemotiveerd zijn.
§ 2. Het hogeschoolbestuur bepaalt het opdrachtvolume waarvoor het personeelslid zijn aanstelling of benoeming behoudt. Bij vermindering van het opdrachtvolume of volledig ontslag gelden inzake de opzeggingstermijnen de bepalingen van artikel 92, § 2, en artikel 93, § 2, laatste lid. Het hogeschoolbestuur bepaalt de voorwaarden waaronder de personeelsleden tijdens de opzeggingstermijn worden vervangen. ".
" Art. 93bis. § 1. De onderwijsbevoegdheid godsdienst of niet-confessionele zedenleer van personeelsleden belast met de lesopdracht godsdienst of niet-confessionele zedenleer eindigt van rechtswege vanaf het ogenblik dat de bevoegde instantie van de betrokken levensbeschouwing, zoals bedoeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, daartoe beslist.
Deze beslissing moet uitdrukkelijk gemotiveerd zijn.
§ 2. Het hogeschoolbestuur bepaalt het opdrachtvolume waarvoor het personeelslid zijn aanstelling of benoeming behoudt. Bij vermindering van het opdrachtvolume of volledig ontslag gelden inzake de opzeggingstermijnen de bepalingen van artikel 92, § 2, en artikel 93, § 2, laatste lid. Het hogeschoolbestuur bepaalt de voorwaarden waaronder de personeelsleden tijdens de opzeggingstermijn worden vervangen. ".
Art. 2.14. Au même décret, il est inséré un article 93bis, rédigé comme suit :
" Art. 93bis. § 1er. La capacité d'enseignement " religion " ou " morale non confessionnelle " des membres du personnel s'acquittant d'une charge d'enseignement " religion " ou " morale non confessionnelle " se termine de plein droit dès que l'instance compétente de la philosophie concernée, telle que visée au décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques, prend une décision en ce sens.
Cette décision doit être motivée explicitement.
§ 2. La direction de l'institut supérieur fixe le volume de la charge pour lequel le membre du personnel maintient sa désignation ou sa nomination. Lors d'une réduction du volume de la charge ou en cas d'un licenciement complet s'appliquent par rapport aux délais de préavis les dispositions des articles 92, § 2, et 93, § 2, dernier alinéa. La direction de l'institut supérieur définit les modalités auxquelles les membres du personnel sont remplacés au cours du délai de préavis. ".
" Art. 93bis. § 1er. La capacité d'enseignement " religion " ou " morale non confessionnelle " des membres du personnel s'acquittant d'une charge d'enseignement " religion " ou " morale non confessionnelle " se termine de plein droit dès que l'instance compétente de la philosophie concernée, telle que visée au décret du 1er décembre 1993 relatif à l'inspection et à l'encadrement des cours philosophiques, prend une décision en ce sens.
Cette décision doit être motivée explicitement.
§ 2. La direction de l'institut supérieur fixe le volume de la charge pour lequel le membre du personnel maintient sa désignation ou sa nomination. Lors d'une réduction du volume de la charge ou en cas d'un licenciement complet s'appliquent par rapport aux délais de préavis les dispositions des articles 92, § 2, et 93, § 2, dernier alinéa. La direction de l'institut supérieur définit les modalités auxquelles les membres du personnel sont remplacés au cours du délai de préavis. ".
Art. 2.15. Artikel 109 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt :
1° in het eerste lid wordt het woord " benoemd " geschrapt;
2° het derde lid wordt geschrapt.
1° in het eerste lid wordt het woord " benoemd " geschrapt;
2° het derde lid wordt geschrapt.
Art. 2.15. L'article 109 du même décret est modifié comme suit :
1° au premier alinéa les mots " nommé à titre définitif " sont supprimés;
2° le troisième alinéa est supprimé.
1° au premier alinéa les mots " nommé à titre définitif " sont supprimés;
2° le troisième alinéa est supprimé.
Art. 2.16. Artikel 116 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt :
1° de huidige tekst wordt § 1;
2° er wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 2. de leden van het onderwijzend personeel die belast zijn met de opleidingsonderdelen godsdienst of niet-confessionele zedenleer worden aangesteld door het hogeschoolbestuur, in consensus met de bevoegde instantie van de betrokken levensbeschouwing, zoals bedoeld in artikel 77, § 7. ".
1° de huidige tekst wordt § 1;
2° er wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 2. de leden van het onderwijzend personeel die belast zijn met de opleidingsonderdelen godsdienst of niet-confessionele zedenleer worden aangesteld door het hogeschoolbestuur, in consensus met de bevoegde instantie van de betrokken levensbeschouwing, zoals bedoeld in artikel 77, § 7. ".
Art. 2.16. L'article 116 du même décret est modifié comme suit :
1° le texte actuel devient le § 1er;
2° il est ajouté un § 2, rédigé comme suit :
" § 2. Les membres du personnel enseignant chargés des subdivisions de formation " religion " ou " morale non confessionnelle " sont désignés par la direction de l'institut supérieur, de concert avec l'instance compétente de la philosophie concernée, telle que visée à l'article 77, § 7. ".
1° le texte actuel devient le § 1er;
2° il est ajouté un § 2, rédigé comme suit :
" § 2. Les membres du personnel enseignant chargés des subdivisions de formation " religion " ou " morale non confessionnelle " sont désignés par la direction de l'institut supérieur, de concert avec l'instance compétente de la philosophie concernée, telle que visée à l'article 77, § 7. ".
Art. 2.17. Artikel 119, § 2, van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt :
" § 2. Elke werving in een vacante betrekking, met uitzondering van de aanstelling van minder dan één academiejaar, kan slechts gebeuren na een openbare oproep, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. ".
" § 2. Elke werving in een vacante betrekking, met uitzondering van de aanstelling van minder dan één academiejaar, kan slechts gebeuren na een openbare oproep, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. ".
Art. 2.17. L'article 119, § 2 du même décret est modifié comme suit :
" § 2. Chaque recrutement dans un poste vacant, à l'exception de la désignation de moins d'une année, ne peut s'opérer qu'après un appel public, publié au Moniteur belge. ".
" § 2. Chaque recrutement dans un poste vacant, à l'exception de la désignation de moins d'une année, ne peut s'opérer qu'après un appel public, publié au Moniteur belge. ".
Art. 2.18. Artikel 140 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt :
1° § 1, eerste lid, wordt vervangen door de tekst die luidt als volgt :
" § 1. Bij de eerste aanstelling of benoeming of bij ambtswijziging schaalt het hogeschoolbestuur de leden van het onderwijzend personeel of de algemeen directeur in de overeenstemmende salarisschaal in. Het kan daarbij rekening houden, geheel of gedeeltelijk, met de verworven nuttige beroepservaring. ";
2° de huidige tekst van § 1, tweede lid, wordt § 2;
3° er wordt een § 3 ingevoegd, die luidt als volgt :
" § 3. In afwijking van § 1 kan het hogeschoolbestuur voor de personeelsleden die op 31 december 1997 in dienst waren uiterlijk tot 31 augustus 1999 een beslissing nemen inzake het verlenen van een geldelijke anciënniteitsbijslag op basis van verworven nuttige beroepservaring. ";
4° de huidige § 2 wordt § 4;
5° er wordt een § 5 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 5. In afwijking van § 1 worden de diensten, gepresteerd bij de V.Z.W. Studiecentrum Open Hoger Onderwijs in aanmerking genomen als geldelijke anciënniteitsbijslag, voorzover ze gepresteerd werden vanaf de aanvangsleeftijd van de salarisschaal die betrokkene geniet. ".
1° § 1, eerste lid, wordt vervangen door de tekst die luidt als volgt :
" § 1. Bij de eerste aanstelling of benoeming of bij ambtswijziging schaalt het hogeschoolbestuur de leden van het onderwijzend personeel of de algemeen directeur in de overeenstemmende salarisschaal in. Het kan daarbij rekening houden, geheel of gedeeltelijk, met de verworven nuttige beroepservaring. ";
2° de huidige tekst van § 1, tweede lid, wordt § 2;
3° er wordt een § 3 ingevoegd, die luidt als volgt :
" § 3. In afwijking van § 1 kan het hogeschoolbestuur voor de personeelsleden die op 31 december 1997 in dienst waren uiterlijk tot 31 augustus 1999 een beslissing nemen inzake het verlenen van een geldelijke anciënniteitsbijslag op basis van verworven nuttige beroepservaring. ";
4° de huidige § 2 wordt § 4;
5° er wordt een § 5 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 5. In afwijking van § 1 worden de diensten, gepresteerd bij de V.Z.W. Studiecentrum Open Hoger Onderwijs in aanmerking genomen als geldelijke anciënniteitsbijslag, voorzover ze gepresteerd werden vanaf de aanvangsleeftijd van de salarisschaal die betrokkene geniet. ".
Art. 2.18. L'article 140 du même décret est modifié comme suit :
1° le § 1er (NOTE : Justel supplée "1er alinéa"; voir original néerlandais) est remplacé par le texte, rédigé comme suit :
" § 1er. Lors de la première désignation ou nomination ou lors d'un changement de fonction, la direction de l'institut supérieur insère les membres du personnel enseignant ou le directeur général dans l'échelle de traitement correspondante. Elle peut tenir compte, en tout ou en partie, de l'expérience professionnelle utile acquise. ";
2° le texte actuel du § 1er, deuxième alinéa, devient le § 2;
3° il est inséré un § 3, rédigé comme suit :
" § 3. Par dérogation au § 1er, la direction de l'institut supérieur peut prendre une décision pour les membres du personnel en service le 31 décembre 1997 sur l'octroi d'une allocation d'ancienneté pécuniaire au vu de l'expérience professionnelle utile acquise, et ce le 31 août 1999 au plus tard. ";
4° l'actuel § 2 devient le § 4;
5° il est ajouté un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. Par dérogation au § 1er, les prestations accomplies auprès de l'A.S.B.L. " Studiecentrum Open Hoger Onderwijs " sont prises en compte pour l'octroi d'une allocation d'ancienneté pécuniaire, pour autant que ces prestations fussent rendues dès l'âge initial de l'échelle de traitement dont bénéficie l'intéressé. ".
1° le § 1er (NOTE : Justel supplée "1er alinéa"; voir original néerlandais) est remplacé par le texte, rédigé comme suit :
" § 1er. Lors de la première désignation ou nomination ou lors d'un changement de fonction, la direction de l'institut supérieur insère les membres du personnel enseignant ou le directeur général dans l'échelle de traitement correspondante. Elle peut tenir compte, en tout ou en partie, de l'expérience professionnelle utile acquise. ";
2° le texte actuel du § 1er, deuxième alinéa, devient le § 2;
3° il est inséré un § 3, rédigé comme suit :
" § 3. Par dérogation au § 1er, la direction de l'institut supérieur peut prendre une décision pour les membres du personnel en service le 31 décembre 1997 sur l'octroi d'une allocation d'ancienneté pécuniaire au vu de l'expérience professionnelle utile acquise, et ce le 31 août 1999 au plus tard. ";
4° l'actuel § 2 devient le § 4;
5° il est ajouté un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. Par dérogation au § 1er, les prestations accomplies auprès de l'A.S.B.L. " Studiecentrum Open Hoger Onderwijs " sont prises en compte pour l'octroi d'une allocation d'ancienneté pécuniaire, pour autant que ces prestations fussent rendues dès l'âge initial de l'échelle de traitement dont bénéficie l'intéressé. ".
Art. 2.19. Artikel 156 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt :
1° het eerste lid wordt vervangen door de tekst die luidt als volgt :
" § 1. Bij de eerste aanstelling of benoeming of bij ambtswijziging schaalt het hogeschoolbestuur de leden van het administratief en technisch personeel in de overeenstemmende salarisschaal in. Het kan daarbij rekening houden, geheel of gedeeltelijk, met de verworven nuttige beroepservaring. ";
2° het huidige tweede lid wordt § 2;
3° er wordt een § 3 ingevoegd, die luidt als volgt :
" § 3. In afwijking van § 1 kan het hogeschoolbestuur voor de personeelsleden die op 31 december 1997 in dienst waren uiterlijk tot 31 augustus 1999 een beslissing nemen inzake het verlenen van een geldelijke anciënniteitsbijslag op basis van verworven nuttige beroepservaring. ";
4° er wordt een § 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 4. In afwijking van § 1 worden de diensten, gepresteerd bij de V.Z.W. Studiecentrum Open Hoger Onderwijs in aanmerking genomen als geldelijke anciënniteitsbijslag, voor zover ze gepresteerd werden vanaf de aanvangsleeftijd van de salarisschaal die betrokkene geniet. ".
1° het eerste lid wordt vervangen door de tekst die luidt als volgt :
" § 1. Bij de eerste aanstelling of benoeming of bij ambtswijziging schaalt het hogeschoolbestuur de leden van het administratief en technisch personeel in de overeenstemmende salarisschaal in. Het kan daarbij rekening houden, geheel of gedeeltelijk, met de verworven nuttige beroepservaring. ";
2° het huidige tweede lid wordt § 2;
3° er wordt een § 3 ingevoegd, die luidt als volgt :
" § 3. In afwijking van § 1 kan het hogeschoolbestuur voor de personeelsleden die op 31 december 1997 in dienst waren uiterlijk tot 31 augustus 1999 een beslissing nemen inzake het verlenen van een geldelijke anciënniteitsbijslag op basis van verworven nuttige beroepservaring. ";
4° er wordt een § 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 4. In afwijking van § 1 worden de diensten, gepresteerd bij de V.Z.W. Studiecentrum Open Hoger Onderwijs in aanmerking genomen als geldelijke anciënniteitsbijslag, voor zover ze gepresteerd werden vanaf de aanvangsleeftijd van de salarisschaal die betrokkene geniet. ".
Art. 2.19. L'article 156 du même décret est modifié comme suit :
1° le premier alinéa est remplacé par le texte rédigé comme suit :
" § 1er. Lors de la première désignation ou nomination ou lors d'un changement de fonction, la direction de l'institut supérieur insère les membres du personnel administratif et technique dans l'échelle de traitement correspondante. Elle peut tenir compte, en tout ou en partie, de l'expérience professionnelle utile acquise. ";
2° l'alinéa 2 actuel devient le § 2;
3° il est inséré un § 3, rédigé comme suit :
" § 3. Par dérogation au § 1er, la direction de l'institut supérieur peut prendre une décision pour les membres du personnel en service le 31 décembre 1997 sur l'octroi d'une allocation d'ancienneté pécuniaire au vu de l'expérience professionnelle utile acquise, et ce le 31 août 1999 au plus tard. ";
4° il est ajouté un § 4, rédigé comme suit :
" § 4. Par dérogation au § 1er, les prestations accomplies auprès de l'A.S.B.L. " Studiecentrum Open Hoger Onderwijs " sont prises en compte pour l'octroi d'une allocation d'ancienneté pécuniaire, pour autant que ces prestations fussent rendues dès l'âge initial de l'échelle de traitement dont bénéficie l'intéressé. ".
1° le premier alinéa est remplacé par le texte rédigé comme suit :
" § 1er. Lors de la première désignation ou nomination ou lors d'un changement de fonction, la direction de l'institut supérieur insère les membres du personnel administratif et technique dans l'échelle de traitement correspondante. Elle peut tenir compte, en tout ou en partie, de l'expérience professionnelle utile acquise. ";
2° l'alinéa 2 actuel devient le § 2;
3° il est inséré un § 3, rédigé comme suit :
" § 3. Par dérogation au § 1er, la direction de l'institut supérieur peut prendre une décision pour les membres du personnel en service le 31 décembre 1997 sur l'octroi d'une allocation d'ancienneté pécuniaire au vu de l'expérience professionnelle utile acquise, et ce le 31 août 1999 au plus tard. ";
4° il est ajouté un § 4, rédigé comme suit :
" § 4. Par dérogation au § 1er, les prestations accomplies auprès de l'A.S.B.L. " Studiecentrum Open Hoger Onderwijs " sont prises en compte pour l'octroi d'une allocation d'ancienneté pécuniaire, pour autant que ces prestations fussent rendues dès l'âge initial de l'échelle de traitement dont bénéficie l'intéressé. ".
Art. 2.20. Aan artikel 163, tweede lid, van hetzelfde decreet worden de woorden " hetzij door ambtswijziging " toegevoegd.
Art. 2.20. A l'article 163, deuxième alinéa, du même décret sont ajoutés les mots " soit par changement de fonction ".
Art. 2.21. In artikel 179, 12°, van hetzelfde decreet worden na de woorden " initiële lerarenopleiding van academisch niveau " de woorden " en de initiële lerarenopleiding dans, " toegevoegd.
Art. 2.21. A l'article 179, 12° du même décret, les mots " et la formation initiale des enseignants " danse ", " sont ajoutés après les mots " formation initiale des enseignants de niveau académique ".
Art. 2.22. Titel IV, Hoofdstuk IV, Afdeling 2, Onderafdeling 2, van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt :
1° artikel 219 wordt geschrapt;
2° artikel 220 wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 220. De universiteiten en de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap stellen uiterlijk op 1 oktober 2000 gezamenlijk een deontologische code op betreffende het voeren van publiciteit. Zij richten uiterlijk op dezelfde datum gezamenlijk een Geschillencommissie op. Zij bepalen bij gezamenlijk reglement de samenstelling en de werking van deze Commissie, met inbegrip van het secretariaat en de duur van het mandaat van de leden. De Vlaamse Regering bekrachtigt de deontologische code en het reglement inzake de Geschillencommissie. ";
3° Artikel 221 wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 221. Bij ontstentenis van een deontologische code en een Geschillencommissie zoals bedoeld in artikel 220 op de vastgestelde datum, stelt de Vlaamse Regering een deontologische code op en richt zij een Geschillencommissie op. De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling en de werking van deze Commissie, met inbegrip van het secretariaat en de duur van het mandaat van de leden. ";
4° Artikel 222 wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 222. De geschillencommissie opgericht overeenkomstig artikel 220 of 221 behandelt op vraag van een hogeschool, een universiteit of de Vlaamse Regering de inbreuken op de deontologische code en brengt desgevallend aanmaningen uit ten overstaan van de betrokken hogeschool of universiteit.
Ingeval een hogeschool of universiteit geen gevolg geeft aan de aanmaningen van de geschillencommissie, kan de Vlaamse Regering, na de Geschillencommissie en de hogeschool of universiteit gehoord te hebben, bepalen ten hoogste 5 % van de werkingsuitkeringen van het lopende begrotingsjaar, zoals bedoeld in artikel 229, in te houden. ".
1° artikel 219 wordt geschrapt;
2° artikel 220 wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 220. De universiteiten en de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap stellen uiterlijk op 1 oktober 2000 gezamenlijk een deontologische code op betreffende het voeren van publiciteit. Zij richten uiterlijk op dezelfde datum gezamenlijk een Geschillencommissie op. Zij bepalen bij gezamenlijk reglement de samenstelling en de werking van deze Commissie, met inbegrip van het secretariaat en de duur van het mandaat van de leden. De Vlaamse Regering bekrachtigt de deontologische code en het reglement inzake de Geschillencommissie. ";
3° Artikel 221 wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 221. Bij ontstentenis van een deontologische code en een Geschillencommissie zoals bedoeld in artikel 220 op de vastgestelde datum, stelt de Vlaamse Regering een deontologische code op en richt zij een Geschillencommissie op. De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling en de werking van deze Commissie, met inbegrip van het secretariaat en de duur van het mandaat van de leden. ";
4° Artikel 222 wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 222. De geschillencommissie opgericht overeenkomstig artikel 220 of 221 behandelt op vraag van een hogeschool, een universiteit of de Vlaamse Regering de inbreuken op de deontologische code en brengt desgevallend aanmaningen uit ten overstaan van de betrokken hogeschool of universiteit.
Ingeval een hogeschool of universiteit geen gevolg geeft aan de aanmaningen van de geschillencommissie, kan de Vlaamse Regering, na de Geschillencommissie en de hogeschool of universiteit gehoord te hebben, bepalen ten hoogste 5 % van de werkingsuitkeringen van het lopende begrotingsjaar, zoals bedoeld in artikel 229, in te houden. ".
Art. 2.22. Le Titre IV, Chapitre IV, Section 2, Sous-section 2 du même décret est modifié comme suit :
1° l'article 219 est supprimé;
2° l'article 220 est remplacé par ce qui suit :
" Art. 220. Les universités et les instituts supérieurs en Communauté flamande rédigent le 1er octobre 2000 au plus tard un code déontologique relatif aux initiatives publicitaires. Au plus tard à la même date, ils créent en commun une Commission du contentieux. Ils définissent par règlement commun la composition et le fonctionnement de cette Commission, y compris du secrétariat, et la durée du mandat des membres. Le Gouvernement flamand sanctionne le code déontologique et le règlement par rapport à la Commission du contentieux. ";
3° L'article 221 est remplacé par ce qui suit :
" Art. 221. A défaut d'un code déontologique et d'une Commission du contentieux tels que visés à l'article 220 à la date fixée, le Gouvernement flamand établit un code déontologique et crée une Commission du contentieux. Le Gouvernement flamand fixe la composition et le fonctionnement de cette Commission, y compris du secrétariat, et la durée du mandat des membres. ";
4° L'article 222 est remplacé par ce qui suit :
" Art. 222. La Commission du contentieux composée conformément à l'article 220 ou 221 traite, à la demande d'un institut supérieur, d'une université ou du Gouvernement flamand, les infractions au code déontologique et émet, le cas échéant, des injonctions vis à vis de l'institut supérieur ou de l'université concerné.
Au cas où un institut supérieur ou une université n'obtempérerait pas aux injonctions de la Commission du contentieux, le Gouvernement flamand peut décider de retenir 5 % au maximum du montant des allocations de fonctionnement de l'année budgétaire en cours, telles que visées à l'article 229. ".
1° l'article 219 est supprimé;
2° l'article 220 est remplacé par ce qui suit :
" Art. 220. Les universités et les instituts supérieurs en Communauté flamande rédigent le 1er octobre 2000 au plus tard un code déontologique relatif aux initiatives publicitaires. Au plus tard à la même date, ils créent en commun une Commission du contentieux. Ils définissent par règlement commun la composition et le fonctionnement de cette Commission, y compris du secrétariat, et la durée du mandat des membres. Le Gouvernement flamand sanctionne le code déontologique et le règlement par rapport à la Commission du contentieux. ";
3° L'article 221 est remplacé par ce qui suit :
" Art. 221. A défaut d'un code déontologique et d'une Commission du contentieux tels que visés à l'article 220 à la date fixée, le Gouvernement flamand établit un code déontologique et crée une Commission du contentieux. Le Gouvernement flamand fixe la composition et le fonctionnement de cette Commission, y compris du secrétariat, et la durée du mandat des membres. ";
4° L'article 222 est remplacé par ce qui suit :
" Art. 222. La Commission du contentieux composée conformément à l'article 220 ou 221 traite, à la demande d'un institut supérieur, d'une université ou du Gouvernement flamand, les infractions au code déontologique et émet, le cas échéant, des injonctions vis à vis de l'institut supérieur ou de l'université concerné.
Au cas où un institut supérieur ou une université n'obtempérerait pas aux injonctions de la Commission du contentieux, le Gouvernement flamand peut décider de retenir 5 % au maximum du montant des allocations de fonctionnement de l'année budgétaire en cours, telles que visées à l'article 229. ".
Art. 2.23. Artikel 231quater van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt :
1° de huidige tekst wordt § 1;
2° de woorden " die de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben " worden geschrapt;
3° er wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 2. In afwijking van de bepalingen van de artikelen 122, § 2, en 231, kan het hogeschoolbestuur personeelsleden zoals bedoeld in artikel 318, 2°, die op 1 januari 1996 met toepassing van artikel 317 werden geconcordeerd naar een ambt waarvoor zij niet in het bezit zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs, op hun verzoek benoemen in een ambt waarvoor zij wel het vereiste bekwaamheidsbewijs bezitten.
Deze benoeming is mogelijk voor het volume van de opdracht waarop zij krachtens artikel 326 aanspraak kunnen maken. Door deze benoeming verliezen deze personeelsleden het genot van de in artikel 319 bedoelde overgangsmaatregelen en bekomen zij de salarisschaal verbonden aan het ambt waarin zij benoemd worden. ".
1° de huidige tekst wordt § 1;
2° de woorden " die de leeftijd van 55 jaar bereikt hebben " worden geschrapt;
3° er wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 2. In afwijking van de bepalingen van de artikelen 122, § 2, en 231, kan het hogeschoolbestuur personeelsleden zoals bedoeld in artikel 318, 2°, die op 1 januari 1996 met toepassing van artikel 317 werden geconcordeerd naar een ambt waarvoor zij niet in het bezit zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs, op hun verzoek benoemen in een ambt waarvoor zij wel het vereiste bekwaamheidsbewijs bezitten.
Deze benoeming is mogelijk voor het volume van de opdracht waarop zij krachtens artikel 326 aanspraak kunnen maken. Door deze benoeming verliezen deze personeelsleden het genot van de in artikel 319 bedoelde overgangsmaatregelen en bekomen zij de salarisschaal verbonden aan het ambt waarin zij benoemd worden. ".
Art. 2.23. L'article 231quater du même décret est modifié comme suit :
1° le texte actuel devient le § 1er;
2° les mots " qui ont atteint l'âge de 55 ans " sont supprimés;
3° il est ajouté un § 2, rédigé comme suit :
" § 2. Par dérogation aux dispositions des articles 122, § 2 et 231, la direction de l'institut supérieur peut nommer les personnels visés à l'article 318, 2°, qui, par application de l'article 317, étaient concordés le 1er janvier 1996 avec une fonction pour laquelle ils ne sont pas porteurs du titre requis, à leur demande dans une fonction pour laquelle ils détiennent le titre requis.
Cette nomination est possible pour le volume de la charge à laquelle ils peuvent prétendre en vertu de l'article 326. A cause de cette nomination, les personnels perdent le bénéfice des mesures de transition visées à l'article 319 et ils obtiennent l'échelle de traitement attachée à la fonction dans laquelle ils sont nommés. ".
1° le texte actuel devient le § 1er;
2° les mots " qui ont atteint l'âge de 55 ans " sont supprimés;
3° il est ajouté un § 2, rédigé comme suit :
" § 2. Par dérogation aux dispositions des articles 122, § 2 et 231, la direction de l'institut supérieur peut nommer les personnels visés à l'article 318, 2°, qui, par application de l'article 317, étaient concordés le 1er janvier 1996 avec une fonction pour laquelle ils ne sont pas porteurs du titre requis, à leur demande dans une fonction pour laquelle ils détiennent le titre requis.
Cette nomination est possible pour le volume de la charge à laquelle ils peuvent prétendre en vertu de l'article 326. A cause de cette nomination, les personnels perdent le bénéfice des mesures de transition visées à l'article 319 et ils obtiennent l'échelle de traitement attachée à la fonction dans laquelle ils sont nommés. ".
Art. 2.24. Aan artikel 234 van hetzelfde decreet wordt een § 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 3. Indien het hogeschoolbestuur nalaat de jaarrekening en/of het jaarverslag tijdig in te dienen, dan kan de Vlaamse Regering bepalen ten hoogste 5 % van het bedrag van de werkingsuitkeringen van het lopende begrotingsjaar, zoals bedoeld in artikel 229, in te houden.
De inhouding van de werkingsuitkeringen is evenredig met de duur van de nalatigheid. De inhouding wordt verrekend vanaf de betaling van de eerstvolgende schijf, volgend op de overschrijding van de indieningsdatum van de jaarrekening en/of het jaarverslag. De ingehouden bedragen worden op het einde van het begrotingsjaar samen met de uitbetaling van het saldo verdeeld over alle hogescholen a rato van hun relatief aandeel in de enveloppe. ".
" § 3. Indien het hogeschoolbestuur nalaat de jaarrekening en/of het jaarverslag tijdig in te dienen, dan kan de Vlaamse Regering bepalen ten hoogste 5 % van het bedrag van de werkingsuitkeringen van het lopende begrotingsjaar, zoals bedoeld in artikel 229, in te houden.
De inhouding van de werkingsuitkeringen is evenredig met de duur van de nalatigheid. De inhouding wordt verrekend vanaf de betaling van de eerstvolgende schijf, volgend op de overschrijding van de indieningsdatum van de jaarrekening en/of het jaarverslag. De ingehouden bedragen worden op het einde van het begrotingsjaar samen met de uitbetaling van het saldo verdeeld over alle hogescholen a rato van hun relatief aandeel in de enveloppe. ".
Art. 2.24. A l'article 234 du même décret, il est ajouté un § 3, rédigé comme suit :
" § 3. Si la direction de l'institut supérieur omet d'introduire à temps le compte annuel et/ou le rapport annuel, le Gouvernement flamand peut décider de retenir 5 % au maximum du montant des allocations de fonctionnement de l'année budgétaire en cours, telles que visées à l'article 229.
La retenue des allocations de fonctionnement est proportionnelle à la durée de l'omission. La retenue est réglée à compter du paiement de la première tranche qui suit le dépassement de la date de dépôt du compte annuel et/ou du rapport annuel. A la fin de l'année budgétaire, les montants retenus sont répartis, en même temps que le solde, parmi tous les instituts supérieurs au prorata de leur quote-part relative dans l'enveloppe. ".
" § 3. Si la direction de l'institut supérieur omet d'introduire à temps le compte annuel et/ou le rapport annuel, le Gouvernement flamand peut décider de retenir 5 % au maximum du montant des allocations de fonctionnement de l'année budgétaire en cours, telles que visées à l'article 229.
La retenue des allocations de fonctionnement est proportionnelle à la durée de l'omission. La retenue est réglée à compter du paiement de la première tranche qui suit le dépassement de la date de dépôt du compte annuel et/ou du rapport annuel. A la fin de l'année budgétaire, les montants retenus sont répartis, en même temps que le solde, parmi tous les instituts supérieurs au prorata de leur quote-part relative dans l'enveloppe. ".
Art. 2.25. Artikel 243 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt :
1° in § 1 worden na de woorden " de bezoldigingsregeling " de woorden " en het administratief statuut " toegevoegd en worden de woorden " van de commissarissen en " geschrapt;
2° § 2 wordt vervangen door de tekst die luidt als volgt :
" § 2. De bezoldiging van de commissaris van de Vlaamse Regering bij de hogescholen wordt gedurende de vier eerste jaren van de opdracht vastgesteld in de salarisschaal A211, zoals opgenomen in bijlage 11 van de rechtspositieregeling van het personeel van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Na vier jaar wordt de commissaris definitief ingeschaald in de salarisschaal A214, zoals opgenomen in bijlage 11 van de rechtspositieregeling van het personeel van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de Vlaamse Gemeenschap blijft op hen van toepassing. ";
3° § 4 wordt vervangen door de tekst die luidt als volgt :
" § 4. De commissaris-coördinator van de Vlaamse Regering bij de hogescholen wordt gedurende de eerste vier jaren van de opdracht bezoldigd op dezelfde wijze als de directeur-generaal bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Na vier jaren wordt de commissaris-coördinator bezoldigd op dezelfde wijze als de gewoon hoogleraar bij de hogescholen. ".
1° in § 1 worden na de woorden " de bezoldigingsregeling " de woorden " en het administratief statuut " toegevoegd en worden de woorden " van de commissarissen en " geschrapt;
2° § 2 wordt vervangen door de tekst die luidt als volgt :
" § 2. De bezoldiging van de commissaris van de Vlaamse Regering bij de hogescholen wordt gedurende de vier eerste jaren van de opdracht vastgesteld in de salarisschaal A211, zoals opgenomen in bijlage 11 van de rechtspositieregeling van het personeel van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Na vier jaar wordt de commissaris definitief ingeschaald in de salarisschaal A214, zoals opgenomen in bijlage 11 van de rechtspositieregeling van het personeel van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de Vlaamse Gemeenschap blijft op hen van toepassing. ";
3° § 4 wordt vervangen door de tekst die luidt als volgt :
" § 4. De commissaris-coördinator van de Vlaamse Regering bij de hogescholen wordt gedurende de eerste vier jaren van de opdracht bezoldigd op dezelfde wijze als de directeur-generaal bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Na vier jaren wordt de commissaris-coördinator bezoldigd op dezelfde wijze als de gewoon hoogleraar bij de hogescholen. ".
Art. 2.25. L'article 243 du même décret est modifié comme suit :
1° au § 1er, les mots " et le statut administratif " sont ajoutés après les mots " le statut pécuniaire " et les mots " des commissaires et " sont supprimés;
2° le § 2 est supprimé par le texte rédigé comme suit :
" § 2. La rémunération du commissaire du Gouvernement flamand auprès des instituts supérieurs est fixée pendant les quatre premières années de la charge dans l'échelle de traitement A211, comme reprise à l'annexe 11 du statut des personnels du Ministère de la Communauté flamande. Après quatre ans, le commissaire est définitivement inséré dans l'échelle de traitement A214 figurant à l'annexe 11 du statut des personnels du Ministère de la Communauté flamande. Le statut pécuniaire des fonctionnaires de la Communauté flamande reste applicable à eux. ";
3° le § 4 est remplacé par le texte rédigé comme suit :
" § 4. Le commissaire-coordinateur du Gouvernement flamand auprès des instituts supérieurs est rémunéré pendant les quatre premières années de la charge de la même façon que le directeur général auprès du Ministère de la Communauté flamande. Après quatre ans, le commissaire-coordinateur est rémunéré de la même façon que le professeur ordinaire auprès des instituts supérieurs. ".
1° au § 1er, les mots " et le statut administratif " sont ajoutés après les mots " le statut pécuniaire " et les mots " des commissaires et " sont supprimés;
2° le § 2 est supprimé par le texte rédigé comme suit :
" § 2. La rémunération du commissaire du Gouvernement flamand auprès des instituts supérieurs est fixée pendant les quatre premières années de la charge dans l'échelle de traitement A211, comme reprise à l'annexe 11 du statut des personnels du Ministère de la Communauté flamande. Après quatre ans, le commissaire est définitivement inséré dans l'échelle de traitement A214 figurant à l'annexe 11 du statut des personnels du Ministère de la Communauté flamande. Le statut pécuniaire des fonctionnaires de la Communauté flamande reste applicable à eux. ";
3° le § 4 est remplacé par le texte rédigé comme suit :
" § 4. Le commissaire-coordinateur du Gouvernement flamand auprès des instituts supérieurs est rémunéré pendant les quatre premières années de la charge de la même façon que le directeur général auprès du Ministère de la Communauté flamande. Après quatre ans, le commissaire-coordinateur est rémunéré de la même façon que le professeur ordinaire auprès des instituts supérieurs. ".
Art. 2.26. Artikel 277 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt :
1° in § 1 wordt het woord " benoemd " geschrapt;
2° § 4 wordt geschrapt.
1° in § 1 wordt het woord " benoemd " geschrapt;
2° § 4 wordt geschrapt.
Art. 2.26. L'article 277 du même décret est modifié comme suit :
1° au § 1er, les mots " nommés à titre définitif " sont supprimés;
2° le § 4 est supprimé.
1° au § 1er, les mots " nommés à titre définitif " sont supprimés;
2° le § 4 est supprimé.
Art. 2.27. Artikel 286 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt :
1° in het eerste lid wordt het woord " benoemd " geschrapt;
2° het tweede lid wordt geschrapt.
1° in het eerste lid wordt het woord " benoemd " geschrapt;
2° het tweede lid wordt geschrapt.
Art. 2.27. L'article 286 du même décret est modifié comme suit :
1° au premier alinéa le mot " nommés " est supprimé;
2° le deuxième alinéa est supprimé.
1° au premier alinéa le mot " nommés " est supprimé;
2° le deuxième alinéa est supprimé.
Art. 2.28. Aan artikel 288 van hetzelfde decreet wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
" De commissaris-coördinator stelt vóór eind 1999 een evaluatie op van de werking van de medezeggenschapsorganen en de onderhandelingscomités. ".
" De commissaris-coördinator stelt vóór eind 1999 een evaluatie op van de werking van de medezeggenschapsorganen en de onderhandelingscomités. ".
Art. 2.28. A l'article 288 du même décret, il est ajouté une phrase, rédigée comme suit :
" Le commissaire-coordinateur évalue avant fin 1999 le fonctionnement des organes de participation et des comités de négociation. ".
" Le commissaire-coordinateur évalue avant fin 1999 le fonctionnement des organes de participation et des comités de négociation. ".
Art. 2.29. In artikel 302, § 1, van hetzelfde decreet wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
" § 1. In de onderhandelingscomités in de gesubsidieerde vrije hogescholen onderhandelen het hogeschoolbestuur en de representatieve vakorganisaties over de aangelegenheden, bedoeld in en krachtens de artikelen 2, 9 en 11 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. Het arbeidsreglement in de hogescholen vormt daarenboven eveneens voorwerp van onderhandeling in het Hogeschoolonderhandelingscomité. Over dezelfde aangelegenheden kan niet én in het Hogeschoolonderhandelingscomité én op een ander niveau worden onderhandeld. ".
" § 1. In de onderhandelingscomités in de gesubsidieerde vrije hogescholen onderhandelen het hogeschoolbestuur en de representatieve vakorganisaties over de aangelegenheden, bedoeld in en krachtens de artikelen 2, 9 en 11 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. Het arbeidsreglement in de hogescholen vormt daarenboven eveneens voorwerp van onderhandeling in het Hogeschoolonderhandelingscomité. Over dezelfde aangelegenheden kan niet én in het Hogeschoolonderhandelingscomité én op een ander niveau worden onderhandeld. ".
Art. 2.29. A l'article 302, § 1er, du même décret, le premier alinéa est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Aux comités de négociation des instituts supérieurs libres subventionnés, la direction de l'institut supérieur et les organisations syndicales représentatives négocient les matières visées aux et en vertu des articles 2, 9 et 11 de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités. Le règlement du travail dans les instituts supérieurs fait également l'objet des négociations dans le Comité de négociation de l'institut supérieur. Les mêmes matières ne peuvent être débattues en même temps dans le Comité de négociation de l'institut supérieur et à un autre niveau. ".
" § 1er. Aux comités de négociation des instituts supérieurs libres subventionnés, la direction de l'institut supérieur et les organisations syndicales représentatives négocient les matières visées aux et en vertu des articles 2, 9 et 11 de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités. Le règlement du travail dans les instituts supérieurs fait également l'objet des négociations dans le Comité de négociation de l'institut supérieur. Les mêmes matières ne peuvent être débattues en même temps dans le Comité de négociation de l'institut supérieur et à un autre niveau. ".
Art. 2.30. Artikel 304bis van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt :
1° de huidige tekst wordt § 1;
2° er wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 2. Voor de toepassing van dit artikel worden onder representatieve vakorganisaties verstaan de vakorganisaties die voldoen aan de voorwaarden die gesteld zijn in artikel 7 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. ".
1° de huidige tekst wordt § 1;
2° er wordt een § 2 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 2. Voor de toepassing van dit artikel worden onder representatieve vakorganisaties verstaan de vakorganisaties die voldoen aan de voorwaarden die gesteld zijn in artikel 7 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. ".
Art. 2.30. L'article 304bis du même décret est modifié comme suit :
1° le texte actuel devient le § 1er;
2° il est ajouté un § 2, rédigé comme suit :
" § 2. Pour l'application du présent article, il faut entendre par organisations syndicales représentatives, les organisations syndicales remplissant les conditions posées à l'article 7 de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités. ".
1° le texte actuel devient le § 1er;
2° il est ajouté un § 2, rédigé comme suit :
" § 2. Pour l'application du présent article, il faut entendre par organisations syndicales représentatives, les organisations syndicales remplissant les conditions posées à l'article 7 de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités. ".
Art. 2.31. In hetzelfde decreet wordt een artikel 312ter ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 312ter. Het diploma van " maatschappelijk adviseur ", uitgereikt door een onderwijsinstelling georganiseerd of gesubsidieerd door de Staat of door de Vlaamse Gemeenschap, kan gelijkgesteld worden met het diploma van " maatschappelijk assistent ".
De houders van een diploma van " maatschappelijk adviseur " moeten daartoe een aanvraag indienen bij de Vlaamse minister bevoegd voor het Onderwijs, via de administratie Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek van het departement Onderwijs, en het bewijs leveren dat hun diploma uitgereikt is door een instelling die op grond van de onderwijswetgeving daartoe gemachtigd was. ".
" Art. 312ter. Het diploma van " maatschappelijk adviseur ", uitgereikt door een onderwijsinstelling georganiseerd of gesubsidieerd door de Staat of door de Vlaamse Gemeenschap, kan gelijkgesteld worden met het diploma van " maatschappelijk assistent ".
De houders van een diploma van " maatschappelijk adviseur " moeten daartoe een aanvraag indienen bij de Vlaamse minister bevoegd voor het Onderwijs, via de administratie Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek van het departement Onderwijs, en het bewijs leveren dat hun diploma uitgereikt is door een instelling die op grond van de onderwijswetgeving daartoe gemachtigd was. ".
Art. 2.31. Au même décret, il est inséré un article 312ter, rédigé comme suit :
" Art. 312ter. Le diplôme de " Conseil social " délivré par un établissement d'enseignement organisé ou subventionné par l'Etat ou par la Communauté flamande, peut être assimilé au diplôme d'" assistant social ".
A cet effet, les porteurs d'un diplôme de " Conseil social " doivent déposer une demande auprès du Ministre flamand ayant l'enseignement dans ses attributions, par la voie de l'Administration de l'Enseignement supérieur et de la Recherche scientifique du Département de l'Enseignement, et prouver que leur diplôme est délivré par un institut habilité à cette fin par la législation de l'enseignement. ".
" Art. 312ter. Le diplôme de " Conseil social " délivré par un établissement d'enseignement organisé ou subventionné par l'Etat ou par la Communauté flamande, peut être assimilé au diplôme d'" assistant social ".
A cet effet, les porteurs d'un diplôme de " Conseil social " doivent déposer une demande auprès du Ministre flamand ayant l'enseignement dans ses attributions, par la voie de l'Administration de l'Enseignement supérieur et de la Recherche scientifique du Département de l'Enseignement, et prouver que leur diplôme est délivré par un institut habilité à cette fin par la législation de l'enseignement. ".
Art. 2.32. In hetzelfde decreet wordt een artikel 312quater ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 312quater. Onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering draagt de Vlaamse Gemeenschap bij in het dekken van de kosten van projecten van innovatie van het hoger onderwijs. ".
" Art. 312quater. Onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering draagt de Vlaamse Gemeenschap bij in het dekken van de kosten van projecten van innovatie van het hoger onderwijs. ".
Art. 2.32. Au même décret, il est inséré un article 312quater, rédigé comme suit :
" Art. 312quater. Aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, la Communauté flamande intervient dans les coûts des projets d'innovation de l'enseignement supérieur. ".
" Art. 312quater. Aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, la Communauté flamande intervient dans les coûts des projets d'innovation de l'enseignement supérieur. ".
Art. 2.33. In hetzelfde decreet wordt een artikel 312quinquies ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 312quinquies. Onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering draagt de Vlaamse Gemeenschap bij in het dekken van de kosten van projecten van internationale samenwerking op het vlak van het hogescholenonderwijs. ".
" Art. 312quinquies. Onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering draagt de Vlaamse Gemeenschap bij in het dekken van de kosten van projecten van internationale samenwerking op het vlak van het hogescholenonderwijs. ".
Art. 2.33. Au même décret, il est inséré un article 312quinquies, formulé comme suit :
" Art. 312quinquies. Aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, la Communauté flamande intervient dans les coûts des projets de coopération internationale au niveau de l'enseignement dispensé par les instituts supérieurs. ".
" Art. 312quinquies. Aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, la Communauté flamande intervient dans les coûts des projets de coopération internationale au niveau de l'enseignement dispensé par les instituts supérieurs. ".
Art. 2.34. In artikel 315, § 4, van hetzelfde decreet worden in de eerste zin na het woord " terbeschikkingstelling " de woorden " politiek verlof " ingevoegd.
Art. 2.34. A l'article 315, § 4, du même décret, les mots " d'un congé politique " sont insérés après les mots " d'une mise en disponibilité réglementairement accordée ".
Art. 2.35. Artikel 318bis van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt :
1° er wordt een nieuw artikel 318bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 318bis. De personeelsleden behorend tot het onderwijzend personeel die vóór de inwerkingtreding van dit decreet ter beschikking gesteld waren bij ontstentenis van betrekking in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs of in het onderwijs voor sociale promotie en die wedertewerkgesteld waren in een hogeschool op 30 juni 1995, worden gelijkgesteld met de personeelsleden bedoeld in artikel 318, 2°, mits ze voldoen aan de andere voorwaarden van artikel 318, 2°, en mits ze op 1 januari 1999 titularis zijn van een betrekking van het onderwijzend personeel in een hogeschool. ";
2° de huidige tekst van artikel 318bis wordt artikel 318ter.
1° er wordt een nieuw artikel 318bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 318bis. De personeelsleden behorend tot het onderwijzend personeel die vóór de inwerkingtreding van dit decreet ter beschikking gesteld waren bij ontstentenis van betrekking in het secundair onderwijs, in het deeltijds kunstonderwijs of in het onderwijs voor sociale promotie en die wedertewerkgesteld waren in een hogeschool op 30 juni 1995, worden gelijkgesteld met de personeelsleden bedoeld in artikel 318, 2°, mits ze voldoen aan de andere voorwaarden van artikel 318, 2°, en mits ze op 1 januari 1999 titularis zijn van een betrekking van het onderwijzend personeel in een hogeschool. ";
2° de huidige tekst van artikel 318bis wordt artikel 318ter.
Art. 2.35. L'article 318bis du même décret est modifié comme suit :
1° il est inséré un nouvel article 318 (Justel lit : 318bis; voir original néerlandais), qui est rédigé ainsi qu'il suit :
" Art. 318bis. Les membres du personnel appartenant au personnel enseignant qui étaient mis en disponibilité par défaut d'emploi dans l'enseignement secondaire, dans l'enseignement artistique à temps partiel ou dans l'enseignement de promotion sociale avant l'entrée en vigueur du présent arrêté et qui étaient remis au travail dans un institut supérieur le 30 juin 1995, sont assimilés aux membres du personnel visés à l'article 318, 2°, s'ils satisfont aux autres conditions de l'article 318, 2°, et à condition qu'ils soient titulaires, le 1er janvier 1999, d'un emploi du personnel enseignant dans un institut supérieur. ";
2° le texte actuel de l'article 318bis devient l'article 318ter.
1° il est inséré un nouvel article 318 (Justel lit : 318bis; voir original néerlandais), qui est rédigé ainsi qu'il suit :
" Art. 318bis. Les membres du personnel appartenant au personnel enseignant qui étaient mis en disponibilité par défaut d'emploi dans l'enseignement secondaire, dans l'enseignement artistique à temps partiel ou dans l'enseignement de promotion sociale avant l'entrée en vigueur du présent arrêté et qui étaient remis au travail dans un institut supérieur le 30 juin 1995, sont assimilés aux membres du personnel visés à l'article 318, 2°, s'ils satisfont aux autres conditions de l'article 318, 2°, et à condition qu'ils soient titulaires, le 1er janvier 1999, d'un emploi du personnel enseignant dans un institut supérieur. ";
2° le texte actuel de l'article 318bis devient l'article 318ter.
Art. 2.36. Aan artikel 327 wordt een § 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 3. In afwijking van § 2, eerste lid, eindigt de bezoldiging van de personeelsleden belast met onderwijsactiviteiten, mits toestemming van het personeelslid inzake het verder uitoefenen van de onderwijsactiviteiten, op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid voldoet aan de in § 2, eerste lid, bepaalde voorwaarden. ".
" § 3. In afwijking van § 2, eerste lid, eindigt de bezoldiging van de personeelsleden belast met onderwijsactiviteiten, mits toestemming van het personeelslid inzake het verder uitoefenen van de onderwijsactiviteiten, op het einde van het academiejaar waarin het personeelslid voldoet aan de in § 2, eerste lid, bepaalde voorwaarden. ".
Art. 2.36. A l'article 327, il est ajouté un § 3, rédigé comme suit :
" § 3. Par dérogation au § 2, premier alinéa, la rémunération des membres du personnel chargés d'activités d'enseignement se termine, moyennant consentement du membre du personnel quant à la poursuite des activités d'enseignement, à la fin de l'année académique au cours de laquelle le membre du personnel satisfait aux conditions fixées au § 2, premier alinéa. ".
" § 3. Par dérogation au § 2, premier alinéa, la rémunération des membres du personnel chargés d'activités d'enseignement se termine, moyennant consentement du membre du personnel quant à la poursuite des activités d'enseignement, à la fin de l'année académique au cours de laquelle le membre du personnel satisfait aux conditions fixées au § 2, premier alinéa. ".
Art. 2.37. Aan artikel 337, § 5, van hetzelfde decreet wordt een streep toegevoegd, die luidt als volgt :
" - voor de personeelsleden vastbenoemd op 31 december 1995 in een selectieambt of bevorderingsambt in de categorie van het administratief personeel is de schaalanciënniteit gelijk aan de dienstanciënniteit verworven op 31 december 1995 in het betreffende selectieambt of bevorderingsambt. ".
" - voor de personeelsleden vastbenoemd op 31 december 1995 in een selectieambt of bevorderingsambt in de categorie van het administratief personeel is de schaalanciënniteit gelijk aan de dienstanciënniteit verworven op 31 december 1995 in het betreffende selectieambt of bevorderingsambt. ".
Art. 2.37. A l'article 337, § 5 du même décret, il est ajouté un tiret, libellé comme suit :
" - Pour les membres du personnel nommés à titre définitif au 31 décembre 1995 dans une fonction de sélection ou de promotion de la catégorie du personnel administratif, l'ancienneté barémique est égale à l'ancienneté de service acquise le 31 décembre 1995 dans la fonction de sélection ou de promotion concernée. ".
" - Pour les membres du personnel nommés à titre définitif au 31 décembre 1995 dans une fonction de sélection ou de promotion de la catégorie du personnel administratif, l'ancienneté barémique est égale à l'ancienneté de service acquise le 31 décembre 1995 dans la fonction de sélection ou de promotion concernée. ".
Art. 2.38. Aan artikel 339, § 2, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
" De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten inzake deze tewerkstelling. ".
" De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten inzake deze tewerkstelling. ".
Art. 2.38. A l'article 339, § 2, deuxième alinéa, du même décret, est ajoutée une phrase, formulée comme suit :
" Le Gouvernement flamand fixe les modalités en matière de cet emploi. ".
" Le Gouvernement flamand fixe les modalités en matière de cet emploi. ".
Art. 2.39. Aan artikel 340ter, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
" De financiering wordt toegekend bij besluit van de Vlaamse Regering. ".
" De financiering wordt toegekend bij besluit van de Vlaamse Regering. ".
Art. 2.39. A l'article 340ter, § 1er, premier alinéa, du même décret, est ajoutée une phrase, rédigée comme suit :
" Le financement est accordé par arrêté du Gouvernement flamand. ".
" Le financement est accordé par arrêté du Gouvernement flamand. ".
Art. 2.40. In § 1 van artikel 340sexies van hetzelfde decreet wordt 3° vervangen door wat volgt :
" 3° zij staan onder de controle van een commissaris bij de hogescholen. ".
" 3° zij staan onder de controle van een commissaris bij de hogescholen. ".
Art. 2.40. Au § 1er de l'article 340sexies du même décret, le point 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° ils sont contrôlés par un commissaire auprès des instituts supérieurs. ".
" 3° ils sont contrôlés par un commissaire auprès des instituts supérieurs. ".
Art. 2.41. Artikel 362, § 1, van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt :
" Art. 362. § 1. De Vlaamse Regering stelt de opdracht van de inspecteurs hoger onderwijs die op 30 juni 1998 benoemd zijn, opnieuw vast.
De in het eerste lid bedoelde inspecteurs hoger onderwijs behouden tot hun uitdiensttreding op persoonlijke titel hun ambt voor het volume van hun opdracht op 30 juni 1998 en de daaraan verbonden salarisschaal, alsmede de verworven geldelijke anciënniteit overeenkomstig de op die datum geldende reglementering. Zij behouden de rechtspositieregeling die op hen van toepassing was op 30 juni 1998. ".
" Art. 362. § 1. De Vlaamse Regering stelt de opdracht van de inspecteurs hoger onderwijs die op 30 juni 1998 benoemd zijn, opnieuw vast.
De in het eerste lid bedoelde inspecteurs hoger onderwijs behouden tot hun uitdiensttreding op persoonlijke titel hun ambt voor het volume van hun opdracht op 30 juni 1998 en de daaraan verbonden salarisschaal, alsmede de verworven geldelijke anciënniteit overeenkomstig de op die datum geldende reglementering. Zij behouden de rechtspositieregeling die op hen van toepassing was op 30 juni 1998. ".
Art. 2.41. L'article 362, § 1er, du même décret est modifié comme suit :
" Art. 362. § 1er. Le Gouvernement flamand définit à nouveau la charge des inspecteurs de l'enseignement supérieur qui sont nommés le 30 juin 1998.
Jusqu'à la cessation de leurs fonctions, les inspecteurs de l'enseignement supérieur visés au premier alinéa maintiennent à titre personnel leur fonction pour le volume de leur charge au 30 juin 1998 et l'échelle de traitement y afférente, ainsi que l'ancienneté pécuniaire acquise conformément à la réglementation en vigueur à cette date. Ils conservent le statut qui leur était applicable au 30 juin 1998. ".
" Art. 362. § 1er. Le Gouvernement flamand définit à nouveau la charge des inspecteurs de l'enseignement supérieur qui sont nommés le 30 juin 1998.
Jusqu'à la cessation de leurs fonctions, les inspecteurs de l'enseignement supérieur visés au premier alinéa maintiennent à titre personnel leur fonction pour le volume de leur charge au 30 juin 1998 et l'échelle de traitement y afférente, ainsi que l'ancienneté pécuniaire acquise conformément à la réglementation en vigueur à cette date. Ils conservent le statut qui leur était applicable au 30 juin 1998. ".
Art. 2.42. In bijlage I - Lijst van studiegebieden, opleidingen en opties - van hetzelfde decreet wordt in punt 8, Studiegebied onderwijs, een nieuw derde lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
" De initiële lerarenopleiding dans, waarvoor het diploma van leraar dans wordt verleend. ".
" De initiële lerarenopleiding dans, waarvoor het diploma van leraar dans wordt verleend. ".
Art. 2.42. A l'annexe Ire - Liste des disciplines, formations et options du même décret est inséré un nouveau troisième alinéa au point 8, Discipline Enseignement, formulé comme suit :
" La formation initiale des enseignants " danse ", pour laquelle est délivré le diplôme d'enseignant " danse ". ".
" La formation initiale des enseignants " danse ", pour laquelle est délivré le diplôme d'enseignant " danse ". ".
Art. 2.43. In bijlage I - Lijst van studiegebieden, opleidingen en opties - van hetzelfde decreet worden in punt 8, Studiegebied onderwijs, De voortgezette leraren-opleidingen, vierde en vijfde streep, de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden " aan onderwijzers(essen) " worden geschrapt;
2° na het woord " zedenleer " en na het woord " godsdienst " worden telkens de woorden " voor het lager onderwijs " ingevoegd.
1° de woorden " aan onderwijzers(essen) " worden geschrapt;
2° na het woord " zedenleer " en na het woord " godsdienst " worden telkens de woorden " voor het lager onderwijs " ingevoegd.
Art. 2.43. A l'annexe Ire - Liste des disciplines, formations et options du même décret au point 8, Discipline Enseignement, Formations continuées des enseignants, quatrième et cinquième tirets sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " aux instituteurs(trices) " sont supprimés;
2° après le mot " morale " et après le mot " religion " sont chaque fois ajoutés les mots " pour l'enseignement primaire ".
1° les mots " aux instituteurs(trices) " sont supprimés;
2° après le mot " morale " et après le mot " religion " sont chaque fois ajoutés les mots " pour l'enseignement primaire ".
Art. 2.44. In bijlage II, 103°, van hetzelfde decreet worden de woorden " Grondgebied : gemeente Hasselt " vervangen door de woorden " Grondgebied : gemeenten Hasselt en Diepenbeek ".
Art. 2.44. A l'annexe II, 103° du même décret, les mots " Territoire : commune de Hasselt " sont remplacés par les mots " Territoire : commune de Hasselt et de Diepenbeek ".
Art. 2.45. In artikel 160, § 2, 2°, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II worden de woorden " en van het gemeenschapsonderwijs " vervangen door de woorden " van het gemeenschapsonderwijs en van de hogescholen ".
Art. 2.45. A l'article 160, § 2, 2° du décret du 31 juillet 1990 relatif à l'enseignement II, les mots " et de l'enseignement communautaire " sont remplacés par les mots " de l'enseignement communautaire et des instituts supérieurs ".
Art. 2.46. Aan artikel 68 van het decreet van 9 april 1992 betreffende het onderwijs III, wordt een § 4 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 4. De studenten die op basis van de overgangsbepalingen, voorzien in § 1 tot en met § 3 van dit artikel, een diploma verwerven van het hoger onderwijs van het lange type, worden geacht ook in het bezit te zijn van het met hun diploma overeenstemmende kandidaatsdiploma. ".
" § 4. De studenten die op basis van de overgangsbepalingen, voorzien in § 1 tot en met § 3 van dit artikel, een diploma verwerven van het hoger onderwijs van het lange type, worden geacht ook in het bezit te zijn van het met hun diploma overeenstemmende kandidaatsdiploma. ".
Art. 2.46. A l'article 68 du décret du 9 avril 1992 relatif à l'enseignement III, est ajouté un § 4, rédigé comme suit :
" § 4. Les étudiants qui obtiennent sur la base des dispositions transitoires prévues aux §§ 1er à 3 inclus du présent article, un diplôme de l'enseignement supérieur de type long, sont censés être porteurs du diplôme de candidat correspondant à leur diplôme. ".
" § 4. Les étudiants qui obtiennent sur la base des dispositions transitoires prévues aux §§ 1er à 3 inclus du présent article, un diplôme de l'enseignement supérieur de type long, sont censés être porteurs du diplôme de candidat correspondant à leur diplôme. ".
Art. 2.47. Aan artikel 22 van het decreet van 9 juni 1998 betreffende de Hogere Zeevaartschool wordt een § 6 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 6. In afwijking van de bepalingen van artikel 36 kan de Vlaamse Regering tijdelijke personeelsleden bedoeld in artikel 20, op hun verzoek benoemen. Elk personeelslid dat benoemd wordt, dient in het bezit te zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs.
Deze benoeming is mogelijk in het ambt waarvoor zij overgangsmaatregelen genieten en voor het volume van de opdracht waarvan zij op 31 december 1995 titularis waren en die zij in hoofdambt uitoefenden. ".
" § 6. In afwijking van de bepalingen van artikel 36 kan de Vlaamse Regering tijdelijke personeelsleden bedoeld in artikel 20, op hun verzoek benoemen. Elk personeelslid dat benoemd wordt, dient in het bezit te zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs.
Deze benoeming is mogelijk in het ambt waarvoor zij overgangsmaatregelen genieten en voor het volume van de opdracht waarvan zij op 31 december 1995 titularis waren en die zij in hoofdambt uitoefenden. ".
Art. 2.47. A l'article 22 du décret du 9 juin (Justel supplée : 1998; voir original néerlandais) relatif à la " Hogere Zeevaartschool ", un § 6 est ajouté, rédigé comme suit :
" § 6. Par dérogation aux dispositions de l'article 36, le Gouvernement flamand peut nommer à leur demande les membres du personnel visés à l'article 20. Chaque membre du personnel qui est nommé, doit être porteur du titre requis.
Cette nomination est possible dans la fonction pour laquelle ils bénéficient de mesures transitoires et pour le volume de la charge dont ils étaient titulaires le 31 décembre 1995 et qu'ils exerçaient en fonction principale. ".
" § 6. Par dérogation aux dispositions de l'article 36, le Gouvernement flamand peut nommer à leur demande les membres du personnel visés à l'article 20. Chaque membre du personnel qui est nommé, doit être porteur du titre requis.
Cette nomination est possible dans la fonction pour laquelle ils bénéficient de mesures transitoires et pour le volume de la charge dont ils étaient titulaires le 31 décembre 1995 et qu'ils exerçaient en fonction principale. ".
Art. 2.48. Artikel 35, § 3, van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt :
" § 3. In afwijking van § 1 worden alle benoemde personeelsleden en de tijdelijke personeelsleden bedoeld in artikel 20 en de benoemde personeelsleden bedoeld in artikel 27 beschouwd als behorend tot het personeelskader. ".
" § 3. In afwijking van § 1 worden alle benoemde personeelsleden en de tijdelijke personeelsleden bedoeld in artikel 20 en de benoemde personeelsleden bedoeld in artikel 27 beschouwd als behorend tot het personeelskader. ".
Art. 2.48. L'article 35, § 3, du même décret et modifié comme suit :
" § 3. Par dérogation au § 1er, tous les personnels nommés et temporaires visés à l'article 20 et les personnels nommés visés à l'article 27 sont considérés comme appartenant au cadre organique. ".
" § 3. Par dérogation au § 1er, tous les personnels nommés et temporaires visés à l'article 20 et les personnels nommés visés à l'article 27 sont considérés comme appartenant au cadre organique. ".
Art. 2.49. Aan artikel 11 van de wet van 15 juli 1983 houdende oprichting van de Nationale Dienst voor Leerlingenvervoer wordt de volgende zin toegevoegd :
" Zij blijven eveneens onderworpen aan het administratief en geldelijk statuut dat op hen van toepassing zou zijn, indien zij in dienst zouden gebleven zijn in hun dienst of instelling van herkomst. ".
" Zij blijven eveneens onderworpen aan het administratief en geldelijk statuut dat op hen van toepassing zou zijn, indien zij in dienst zouden gebleven zijn in hun dienst of instelling van herkomst. ".
Art. 2.49. A l'article 11 de la loi du 15 juillet 1983 portant création du Service national de transport scolaire, la phrase suivante est ajoutée :
" Ils continuent à être assujettis au statut administratif et pécuniaire qui leur serait applicable au cas où ils seraient restés occupés dans leur service ou établissement. ".
" Ils continuent à être assujettis au statut administratif et pécuniaire qui leur serait applicable au cas où ils seraient restés occupés dans leur service ou établissement. ".
Art. 2.50. 1° Artikel 2.49 heeft uitwerking met ingang van 1 april 1991.
2° Artikel 2. 46 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1994.
3° De artikelen 2.25 en 2.29 hebben uitwerking met ingang van 1 oktober 1994.
4° De artikelen 2.4, 2°, 2.28, 2.34, 2.38 en 2.45 hebben uitwerking met ingang van 1 september 1995.
5° De artikelen (2.1,) 2.11, 2.17, 2.18, 1° tot en met 4°, 2.19, 1° tot en met 3°, (2.20) en 2.37 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1996.
6° De artikelen 2.18, 5°, en 2.19, 4°, hebben uitwerking met ingang van 1 september 1996.
7° De artikelen 2.30 en 2.32 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1997.
8° De artikelen 2.24 en 2.31 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1998.
9° Artikel 2.41 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 1998.
10° De artikelen (...) 2.3, 2.4, 1°, 2.5, 2.6, 2.7, 2.10, 2.14, 2.16, (...) 2.36, 2.43 en 2.44 hebben uitwerking met ingang van 1 september 1998.
11° Artikel 2.48 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1998.
12° De artikelen 2.22, 2.33, 2.35, 2.39 en 2.40 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1999.
13° De artikelen 2.2, 2.8, 2.9, 2.12, 2.13, 2.21, 2.23, 2.42 en 2.47 hebben uitwerking op 1 september 1999.
2° Artikel 2. 46 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1994.
3° De artikelen 2.25 en 2.29 hebben uitwerking met ingang van 1 oktober 1994.
4° De artikelen 2.4, 2°, 2.28, 2.34, 2.38 en 2.45 hebben uitwerking met ingang van 1 september 1995.
5° De artikelen (2.1,) 2.11, 2.17, 2.18, 1° tot en met 4°, 2.19, 1° tot en met 3°, (2.20) en 2.37 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1996.
6° De artikelen 2.18, 5°, en 2.19, 4°, hebben uitwerking met ingang van 1 september 1996.
7° De artikelen 2.30 en 2.32 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1997.
8° De artikelen 2.24 en 2.31 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1998.
9° Artikel 2.41 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 1998.
10° De artikelen (...) 2.3, 2.4, 1°, 2.5, 2.6, 2.7, 2.10, 2.14, 2.16, (...) 2.36, 2.43 en 2.44 hebben uitwerking met ingang van 1 september 1998.
11° Artikel 2.48 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1998.
12° De artikelen 2.22, 2.33, 2.35, 2.39 en 2.40 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1999.
13° De artikelen 2.2, 2.8, 2.9, 2.12, 2.13, 2.21, 2.23, 2.42 en 2.47 hebben uitwerking op 1 september 1999.
Art. 2.50. 1° L'article 2.49 produit ses effets le 1er avril 1991.
2° L'article 2.46 produit ses effets le 1er janvier 1994.
3° Les articles 2.25 et 2.29 produisent leurs effets le 1er octobre 1994.
4° Les articles 2.4, 2°, 2.28, 2.34, 2.38 et 2.45 produisent leurs effets le 1er septembre 1995.
5° Les articles (2.1,) 2.11, 2.17, 2.18, 1° à 4° inclus, 2.19, 1° à 3°, (2.20) et 2.37 produisent leurs effets le 1er janvier 1996.
6° Les articles 2.18, 5° et 2.19, 4° produisent leurs effets le 1er septembre 1996.
7° Les articles 2.30 et 2.32 produisent leurs effets le 1er janvier 1997.
8° Les articles 2.24 et 2.31 produisent leurs effets le 1er janvier 1998.
9° L'article 2.41 produit ses effets le 1er juillet 1998.
10° Les articles (...) 2.3, 2.4, 1°, 2.5, 2.6, 2.7, 2.10, 2.14, 2.16, (...) 2.36, 2.43 et 2.44 produisent leurs effets le 1er septembre 1998.
11° L'article 2.48 produit ses effets le 1er octobre 1998.
12° Les articles 2.22, 2.33, 2.33, 2.35, 2.39 et 2.40 produisent leurs effets le 1er janvier 1999.
13° Les articles 2.2, 2.8, 2.9, 2.12, 2.13, 2.21, 2.23, 2.42 et 2.47 entrent en vigueur le 1er septembre 1999.
2° L'article 2.46 produit ses effets le 1er janvier 1994.
3° Les articles 2.25 et 2.29 produisent leurs effets le 1er octobre 1994.
4° Les articles 2.4, 2°, 2.28, 2.34, 2.38 et 2.45 produisent leurs effets le 1er septembre 1995.
5° Les articles (2.1,) 2.11, 2.17, 2.18, 1° à 4° inclus, 2.19, 1° à 3°, (2.20) et 2.37 produisent leurs effets le 1er janvier 1996.
6° Les articles 2.18, 5° et 2.19, 4° produisent leurs effets le 1er septembre 1996.
7° Les articles 2.30 et 2.32 produisent leurs effets le 1er janvier 1997.
8° Les articles 2.24 et 2.31 produisent leurs effets le 1er janvier 1998.
9° L'article 2.41 produit ses effets le 1er juillet 1998.
10° Les articles (...) 2.3, 2.4, 1°, 2.5, 2.6, 2.7, 2.10, 2.14, 2.16, (...) 2.36, 2.43 et 2.44 produisent leurs effets le 1er septembre 1998.
11° L'article 2.48 produit ses effets le 1er octobre 1998.
12° Les articles 2.22, 2.33, 2.33, 2.35, 2.39 et 2.40 produisent leurs effets le 1er janvier 1999.
13° Les articles 2.2, 2.8, 2.9, 2.12, 2.13, 2.21, 2.23, 2.42 et 2.47 entrent en vigueur le 1er septembre 1999.
HOOFDSTUK III. - Universiteiten.
CHAPITRE III. - Universités.
Art. 3.1. In artikel 35, zesde lid, van het decreet van 12 juni 1991 wordt de eerste zin gewijzigd als volgt :
" Het universiteitsbestuur kan, in afwijking van het eerste lid, personen die in het bezit zijn van een einddiploma van een universiteit of instelling van hoger onderwijs in het buitenland, voorzover deze laatste een opleidingsprogramma van ten minste vier jaar aanbiedt, of die geslaagd zijn voor de hele cyclus van een instelling die leidt tot het ambt van bedienaar van een erkende eredienst, toelaten tot de inschrijving in een opleiding van de tweede cyclus van het studiegebied Godgeleerdheid, Godsdienstwetenschappen en Kerkelijk recht. ".
" Het universiteitsbestuur kan, in afwijking van het eerste lid, personen die in het bezit zijn van een einddiploma van een universiteit of instelling van hoger onderwijs in het buitenland, voorzover deze laatste een opleidingsprogramma van ten minste vier jaar aanbiedt, of die geslaagd zijn voor de hele cyclus van een instelling die leidt tot het ambt van bedienaar van een erkende eredienst, toelaten tot de inschrijving in een opleiding van de tweede cyclus van het studiegebied Godgeleerdheid, Godsdienstwetenschappen en Kerkelijk recht. ".
Art. 3.1. A l'article 35, sixième alinéa, du décret du 12 juin 1991, la première phrase est modifiée comme suit :
" Par dérogation au premier alinéa, les autorités universitaires peuvent admettre à l'inscription dans une formation du deuxième cycle de la discipline " Théologie, Sciences religieuses et droit canon ", les personnes titulaires d'un diplôme de fin d'études d'une université ou d'un établissement d'enseignement supérieur à l'étranger, pour autant que ce dernier offre un programme de formation de quatre ans au moins, ainsi que les candidats reçus pour un cycle entier d'un institut conduisant à la fonction de ministre du culte reconnu. ".
" Par dérogation au premier alinéa, les autorités universitaires peuvent admettre à l'inscription dans une formation du deuxième cycle de la discipline " Théologie, Sciences religieuses et droit canon ", les personnes titulaires d'un diplôme de fin d'études d'une université ou d'un établissement d'enseignement supérieur à l'étranger, pour autant que ce dernier offre un programme de formation de quatre ans au moins, ainsi que les candidats reçus pour un cycle entier d'un institut conduisant à la fonction de ministre du culte reconnu. ".
Art. 3.2. In artikel 41, tweede lid, van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap worden de woorden " de rector van de universiteit " vervangen door de woorden " het universiteitsbestuur ".
Art. 3.2. A l'article 41, alinéa 2, du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande, les mots " le recteur de l'université " sont remplacés par les mots " les autorités universitaires ".
Art. 3.3. Artikel 43, § 7, van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 7. In afwijking van het bepaalde in § 3 kan het universiteitsbestuur voor de specialisatie-opleidingen die het aanduidt een hoger inschrijvingsgeld vaststellen op grond van één of meerdere van de volgende criteria :
1° de hoogte van de kosten van organisatie van de opleiding veroorzaakt door het aantrekken van hoog gespecialiseerd personeel, de uitrustingskosten van laboratoria, de kosten van bibliotheken, de kosten van het studie- en leermateriaal of de kosten van specifieke begeleidings- en supervisietaken;
2° het aanbod van bijzondere faciliteiten zoals bedrijfsbezoeken, veldactiviteiten of residentiële seminaries;
3° het feit dat voor de toegang tot de opleiding een bepaalde beroepservaring wordt gevraagd of het feit dat de opleiding wordt georganiseerd in samenwerking met de industrie of een beroepsorganisatie om te voorzien in de opleidingsbehoeften van die sector;
4° het internationale karakter van de opleiding.
Het hoger inschrijvingsgeld is beperkt tot maximum het dubbele van het basiseenheidsbedrag per onderwijsbelastingseenheid, vastgesteld en geïndexeerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 130, § 2.
Het universiteitsbestuur deelt elke beslissing daaromtrent, samen met de verantwoording, mee aan de Vlaamse Regering via de Regeringscommissaris.
Het universiteitsbestuur kan de hoogte van de inschrijvingsgelden differentiëren naar gelang het gaat om beursstudenten of bijna-beursstudenten of het gaat om bijzondere categorieën van studenten op grond van sociale overwegingen. ".
" § 7. In afwijking van het bepaalde in § 3 kan het universiteitsbestuur voor de specialisatie-opleidingen die het aanduidt een hoger inschrijvingsgeld vaststellen op grond van één of meerdere van de volgende criteria :
1° de hoogte van de kosten van organisatie van de opleiding veroorzaakt door het aantrekken van hoog gespecialiseerd personeel, de uitrustingskosten van laboratoria, de kosten van bibliotheken, de kosten van het studie- en leermateriaal of de kosten van specifieke begeleidings- en supervisietaken;
2° het aanbod van bijzondere faciliteiten zoals bedrijfsbezoeken, veldactiviteiten of residentiële seminaries;
3° het feit dat voor de toegang tot de opleiding een bepaalde beroepservaring wordt gevraagd of het feit dat de opleiding wordt georganiseerd in samenwerking met de industrie of een beroepsorganisatie om te voorzien in de opleidingsbehoeften van die sector;
4° het internationale karakter van de opleiding.
Het hoger inschrijvingsgeld is beperkt tot maximum het dubbele van het basiseenheidsbedrag per onderwijsbelastingseenheid, vastgesteld en geïndexeerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 130, § 2.
Het universiteitsbestuur deelt elke beslissing daaromtrent, samen met de verantwoording, mee aan de Vlaamse Regering via de Regeringscommissaris.
Het universiteitsbestuur kan de hoogte van de inschrijvingsgelden differentiëren naar gelang het gaat om beursstudenten of bijna-beursstudenten of het gaat om bijzondere categorieën van studenten op grond van sociale overwegingen. ".
Art. 3.3. L'article 43, § 7, du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" § 7. Sans préjudice des dispositions du § 3, les autorités universitaires peuvent fixer des droits d'inscription plus élevés pour les formations de spécialisation désignées par elles, sur base d'un ou de plusieurs des critères suivants :
1° l'importance du coût de l'organisation de la formation, occasionné par l'engagement de personnels très spécialisés, le coût d'équipement des laboratoires, le coût de bibliothèques, le coût du matériel d'étude et didactique ou le coût de charges spécifiques d'encadrement et de supervision;
2° l'offre de facilités spéciales telles que des visites d'entreprises, des activités sur le terrain ou des séminaires résidentiels;
3° le fait qu'une certaine expérience professionnelle est exigée pour pouvoir accéder à la formation ou le fait que la formation est organisée en collaboration avec l'industrie ou une organisation professionnelle, afin de satisfaire les besoins en formation du secteur en question;
4° le caractère international de la formation.
Les droits d'inscription plus élevés sont limités au double du montant unitaire de base par unité de charge d'enseignement, fixé et indexé conformément aux dispositions de l'article 130, § 2.
Toute décision à ce sujet, assortie d'une motivation, est communiquée par les autorités universitaires au Gouvernement flamand, par le biais du commissaire du Gouvernement flamand.
Les autorités universitaires peuvent différencier le montant des droits d'inscription, selon qu'il s'agit de boursiers, de quasi-boursiers ou de catégories spéciales d'étudiants sur base de considérations sociales. ".
" § 7. Sans préjudice des dispositions du § 3, les autorités universitaires peuvent fixer des droits d'inscription plus élevés pour les formations de spécialisation désignées par elles, sur base d'un ou de plusieurs des critères suivants :
1° l'importance du coût de l'organisation de la formation, occasionné par l'engagement de personnels très spécialisés, le coût d'équipement des laboratoires, le coût de bibliothèques, le coût du matériel d'étude et didactique ou le coût de charges spécifiques d'encadrement et de supervision;
2° l'offre de facilités spéciales telles que des visites d'entreprises, des activités sur le terrain ou des séminaires résidentiels;
3° le fait qu'une certaine expérience professionnelle est exigée pour pouvoir accéder à la formation ou le fait que la formation est organisée en collaboration avec l'industrie ou une organisation professionnelle, afin de satisfaire les besoins en formation du secteur en question;
4° le caractère international de la formation.
Les droits d'inscription plus élevés sont limités au double du montant unitaire de base par unité de charge d'enseignement, fixé et indexé conformément aux dispositions de l'article 130, § 2.
Toute décision à ce sujet, assortie d'une motivation, est communiquée par les autorités universitaires au Gouvernement flamand, par le biais du commissaire du Gouvernement flamand.
Les autorités universitaires peuvent différencier le montant des droits d'inscription, selon qu'il s'agit de boursiers, de quasi-boursiers ou de catégories spéciales d'étudiants sur base de considérations sociales. ".
Art. 3.4. Artikel 68 van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 68. Binnen de formatie van het assisterend academisch personeel kunnen de universiteiten assistenten in een voltijds of deeltijds dienstverband aanstellen die uitsluitend belast zijn met taken van praktijkgebonden onderwijs. Het universiteitsbestuur geeft deze personeelsleden de titel van praktijkassistent of praktijklector. ".
" Art. 68. Binnen de formatie van het assisterend academisch personeel kunnen de universiteiten assistenten in een voltijds of deeltijds dienstverband aanstellen die uitsluitend belast zijn met taken van praktijkgebonden onderwijs. Het universiteitsbestuur geeft deze personeelsleden de titel van praktijkassistent of praktijklector. ".
Art. 3.4. L'article 68 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 68. Dans le cadre organique du personnel académique assistant, les universités peuvent désigner des assistants à temps plein ou à temps partiel qui sont chargés exclusivement de tâches spécifiques d'enseignement pratique. Les autorités universitaires confèrent à ces personnels le titre d'assistant de pratique ou de maître de conférences de formation pratique. ".
" Art. 68. Dans le cadre organique du personnel académique assistant, les universités peuvent désigner des assistants à temps plein ou à temps partiel qui sont chargés exclusivement de tâches spécifiques d'enseignement pratique. Les autorités universitaires confèrent à ces personnels le titre d'assistant de pratique ou de maître de conférences de formation pratique. ".
Art. 3.5. Artikel 69 van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 69. Doctor-assistenten kunnen benevens hun wetenschappelijke activiteiten belast worden met het verstrekken van onderwijs. Het universiteitsbestuur legt bij het begin van ieder academiejaar de opleidingsonderdelen vast die door de doctor-assistenten verzorgd worden.
Ook gepromoveerde onderzoekers in vast of tijdelijk dienstverband van de universiteiten of van het Fonds voor wetenschappelijk onderzoek Vlaanderen kunnen onder dezelfde voorwaarden belast worden met het verstrekken van onderwijs. ".
" Art. 69. Doctor-assistenten kunnen benevens hun wetenschappelijke activiteiten belast worden met het verstrekken van onderwijs. Het universiteitsbestuur legt bij het begin van ieder academiejaar de opleidingsonderdelen vast die door de doctor-assistenten verzorgd worden.
Ook gepromoveerde onderzoekers in vast of tijdelijk dienstverband van de universiteiten of van het Fonds voor wetenschappelijk onderzoek Vlaanderen kunnen onder dezelfde voorwaarden belast worden met het verstrekken van onderwijs. ".
Art. 3.5. L'article 69 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 69. Les docteurs-assistants peuvent être appelés à assumer une charge d'enseignement, outre leurs activités scientifiques. Au début de chaque année académique, les autorités universitaires fixent les subdivisions de formation que les docteurs-assistants prendront à leur charge.
Les chercheurs promus engagés à titre temporaire ou définitif par les universités ou le Fonds de la recherche scientifique en Flandre peuvent être chargés de dispenser un enseignement aux mêmes conditions. ".
" Art. 69. Les docteurs-assistants peuvent être appelés à assumer une charge d'enseignement, outre leurs activités scientifiques. Au début de chaque année académique, les autorités universitaires fixent les subdivisions de formation que les docteurs-assistants prendront à leur charge.
Les chercheurs promus engagés à titre temporaire ou définitif par les universités ou le Fonds de la recherche scientifique en Flandre peuvent être chargés de dispenser un enseignement aux mêmes conditions. ".
Art. 3.6. Artikel 70 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 3.6. L'article 70 du même décret est supprimé.
Art. 3.7. In artikel 73, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt het woord " of " tussen de woorden " voltijdse " en " deeltijdse benoeming " vervangen door de woorden " en/of ".
Art. 3.7. A l'article 73, premier alinéa, du même décret, le mot " ou " entre les mots " à temps plein " et " à temps partiel " est remplacé par les mots " et/ou ".
Art. 3.8. Artikel 76 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 8 juli 1996, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 76. De opdracht van een lid van het zelfstandig academisch personeel in een deeltijds dienstverband kan ofwel uitsluitend onderwijsactiviteiten, ofwel uitsluitend onderzoeksactiviteiten of een combinatie van beide bevatten. Ook wetenschappelijke dienstverlening kan tot de taakstelling van die leden van het zelfstandig academisch personeel behoren.
Deze deeltijdse opdrachten worden uitgedrukt als een procentueel aandeel van een voltijdse opdracht. Voor het bepalen van een procentueel aandeel komt elke halve dag per week die besteed wordt ten dienste van de universiteit overeen met 10 %. Het procentueel aandeel moet minstens 10 % van een voltijdse aanstelling omvatten en wordt altijd als een veelvoud van vijf uitgedrukt. In afwijking van het vorenstaande bedraagt het procentueel aandeel van een deeltijdse opdracht die uitsluitend onderwijsactiviteiten omvat, ten minste 5 %.
De bestaande forfaitaire deeltijdse opdrachten moeten voor het academiejaar 2001-2002 zijn omgevormd in een procentueel deeltijdse opdracht. In het nieuwe dienstverband genieten ze ten minste hetzelfde jaarsalaris. Bij deze omvorming houdt het universiteitsbestuur rekening met de verworven ervaring, de doorlopen beroepscarrière en de verworven kwalificaties voor het bepalen van de geldelijke anciënniteit.
De leden van het zelfstandig academisch personeel in een deeltijds dienstverband met een omvang van ten minste 80 % zijn onderworpen aan dezelfde voorschriften inzake de uitoefening van nevenactiviteiten als de leden van het zelfstandig academisch personeel in een voltijds dienstverband. ".
" Art. 76. De opdracht van een lid van het zelfstandig academisch personeel in een deeltijds dienstverband kan ofwel uitsluitend onderwijsactiviteiten, ofwel uitsluitend onderzoeksactiviteiten of een combinatie van beide bevatten. Ook wetenschappelijke dienstverlening kan tot de taakstelling van die leden van het zelfstandig academisch personeel behoren.
Deze deeltijdse opdrachten worden uitgedrukt als een procentueel aandeel van een voltijdse opdracht. Voor het bepalen van een procentueel aandeel komt elke halve dag per week die besteed wordt ten dienste van de universiteit overeen met 10 %. Het procentueel aandeel moet minstens 10 % van een voltijdse aanstelling omvatten en wordt altijd als een veelvoud van vijf uitgedrukt. In afwijking van het vorenstaande bedraagt het procentueel aandeel van een deeltijdse opdracht die uitsluitend onderwijsactiviteiten omvat, ten minste 5 %.
De bestaande forfaitaire deeltijdse opdrachten moeten voor het academiejaar 2001-2002 zijn omgevormd in een procentueel deeltijdse opdracht. In het nieuwe dienstverband genieten ze ten minste hetzelfde jaarsalaris. Bij deze omvorming houdt het universiteitsbestuur rekening met de verworven ervaring, de doorlopen beroepscarrière en de verworven kwalificaties voor het bepalen van de geldelijke anciënniteit.
De leden van het zelfstandig academisch personeel in een deeltijds dienstverband met een omvang van ten minste 80 % zijn onderworpen aan dezelfde voorschriften inzake de uitoefening van nevenactiviteiten als de leden van het zelfstandig academisch personeel in een voltijds dienstverband. ".
Art. 3.8. L'article 76 du même décret, modifié par le décret du 8 juillet 1996, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 76. La charge à temps partiel d'un membre du personnel académique autonome peut comprendre, soit uniquement des activités d'enseignement, soit uniquement des activités de recherche, soit une combinaison des deux. Des services scientifiques peuvent également faire partie de la charge desdits membres du personnel académique autonome.
Ces charges à temps partiel sont exprimées en pourcentage d'une charge à temps plein. Pour la détermination du pourcentage, chaque demi-journée hebdomadaire au service de l'université correspond à 10 %. Le pourcentage doit être d'au moins 10 % d'une charge à temps plein, et est toujours exprimé en multiples de cinq. Par dérogation à ce qui précède, le pourcentage d'une charge à temps partiel comportant uniquement des activités d'enseignement est d'au moins 5 %.
Pour l'année académique 2001-2002, les charges forfaitaires à temps partiel existants doivent être converties en charges à temps partiel exprimées en pourcentage. Dans ce nouveau régime, elles font l'objet d'au moins le même traitement annuel. Lors de la conversion, les autorités universitaires tiennent compte des expériences acquises, de la carrière professionnelle parcourue et des qualifications acquises pour la détermination de l'ancienneté pécuniaire.
Les membres du personnel académique autonome qui accomplissent une charge à temps partiel d'un volume de 80 % au moins, doivent se conformer aux mêmes prescriptions fixées pour l'exercice d'activités accessoires que les membres du personnel académique autonome ayant une charge à temps plein. ".
" Art. 76. La charge à temps partiel d'un membre du personnel académique autonome peut comprendre, soit uniquement des activités d'enseignement, soit uniquement des activités de recherche, soit une combinaison des deux. Des services scientifiques peuvent également faire partie de la charge desdits membres du personnel académique autonome.
Ces charges à temps partiel sont exprimées en pourcentage d'une charge à temps plein. Pour la détermination du pourcentage, chaque demi-journée hebdomadaire au service de l'université correspond à 10 %. Le pourcentage doit être d'au moins 10 % d'une charge à temps plein, et est toujours exprimé en multiples de cinq. Par dérogation à ce qui précède, le pourcentage d'une charge à temps partiel comportant uniquement des activités d'enseignement est d'au moins 5 %.
Pour l'année académique 2001-2002, les charges forfaitaires à temps partiel existants doivent être converties en charges à temps partiel exprimées en pourcentage. Dans ce nouveau régime, elles font l'objet d'au moins le même traitement annuel. Lors de la conversion, les autorités universitaires tiennent compte des expériences acquises, de la carrière professionnelle parcourue et des qualifications acquises pour la détermination de l'ancienneté pécuniaire.
Les membres du personnel académique autonome qui accomplissent une charge à temps partiel d'un volume de 80 % au moins, doivent se conformer aux mêmes prescriptions fixées pour l'exercice d'activités accessoires que les membres du personnel académique autonome ayant une charge à temps plein. ".
Art. 3.9. Artikel 77 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met volgende zin :
" In afwijking van het vorenstaande bedraagt het procentueel aandeel van een deeltijdse opdracht van assistenten die uitsluitend belast zijn met taken van praktijkgebonden onderwijs, ten minste 5 %. ".
" In afwijking van het vorenstaande bedraagt het procentueel aandeel van een deeltijdse opdracht van assistenten die uitsluitend belast zijn met taken van praktijkgebonden onderwijs, ten minste 5 %. ".
Art. 3.9. L'article 77 du même décret est complété par la phrase suivante :
" Par dérogation à ce qui précède, le pourcentage d'une charge à temps partiel d'assistants exclusivement chargés de tâches d'enseignement pratique, s'élève à 5 % au moins. ".
" Par dérogation à ce qui précède, le pourcentage d'une charge à temps partiel d'assistants exclusivement chargés de tâches d'enseignement pratique, s'élève à 5 % au moins. ".
Art. 3.10. Artikel 81 van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 81. Het universiteitsbestuur stelt een reglement op dat de tijdelijke vervanging van de leden van het zelfstandig academisch personeel regelt. De leden van het zelfstandig academisch personeel worden vervangen door leden van het academisch personeel of door wetenschappelijke medewerkers in dienst van de universiteit of werkzaam aan de universiteit. In uitzonderlijke gevallen kunnen externen als tijdelijk vervangend academisch personeel worden aangesteld, met afwijking van de decretale voorschriften inzake diploma en openbaarheid van vacature. Zij worden ingeschaald in een van de salarisschalen van docent.
Een tijdelijke aanstelling zoals vermeld in het eerste lid kan nooit langer duren dan één academiejaar en eindigt in ieder geval op het einde van het academiejaar. Deze aanstellingen zijn maximaal viermaal hernieuwbaar. Het universiteitsbestuur is ertoe gehouden aan te tonen welke inspanningen het heeft geleverd om de uitzonderlijke situatie weg te werken. ".
" Art. 81. Het universiteitsbestuur stelt een reglement op dat de tijdelijke vervanging van de leden van het zelfstandig academisch personeel regelt. De leden van het zelfstandig academisch personeel worden vervangen door leden van het academisch personeel of door wetenschappelijke medewerkers in dienst van de universiteit of werkzaam aan de universiteit. In uitzonderlijke gevallen kunnen externen als tijdelijk vervangend academisch personeel worden aangesteld, met afwijking van de decretale voorschriften inzake diploma en openbaarheid van vacature. Zij worden ingeschaald in een van de salarisschalen van docent.
Een tijdelijke aanstelling zoals vermeld in het eerste lid kan nooit langer duren dan één academiejaar en eindigt in ieder geval op het einde van het academiejaar. Deze aanstellingen zijn maximaal viermaal hernieuwbaar. Het universiteitsbestuur is ertoe gehouden aan te tonen welke inspanningen het heeft geleverd om de uitzonderlijke situatie weg te werken. ".
Art. 3.10. L'article 81 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 81. Les autorités universitaires établissent un règlement organisant le remplacement temporaire des membres du personnel académique autonome. Les membres du personnel académique autonome sont remplacés par des membres du personnel académique ou par des collaborateurs scientifiques en service de l'université ou y travaillant. Dans des cas exceptionnels, des personnes externes peuvent être désignées en tant que personnel académique de remplacement à titre temporaire, par dérogation aux prescriptions décrétales en matière de diplôme et de publicité des vacances d'emploi. Ils sont insérés dans une des échelles de traitement de chargé de cours.
Une désignation à temps partiel telle que visée au premier alinéa a une durée maximum d'une année académique et prend en tout cas fin au terme de l'année académique. Ces désignations peuvent être renouvelées quatre fois au maximum. Les autorités universitaires sont tenues de démontrer les efforts faites pour remédier à la situation exceptionnelle. ".
" Art. 81. Les autorités universitaires établissent un règlement organisant le remplacement temporaire des membres du personnel académique autonome. Les membres du personnel académique autonome sont remplacés par des membres du personnel académique ou par des collaborateurs scientifiques en service de l'université ou y travaillant. Dans des cas exceptionnels, des personnes externes peuvent être désignées en tant que personnel académique de remplacement à titre temporaire, par dérogation aux prescriptions décrétales en matière de diplôme et de publicité des vacances d'emploi. Ils sont insérés dans une des échelles de traitement de chargé de cours.
Une désignation à temps partiel telle que visée au premier alinéa a une durée maximum d'une année académique et prend en tout cas fin au terme de l'année académique. Ces désignations peuvent être renouvelées quatre fois au maximum. Les autorités universitaires sont tenues de démontrer les efforts faites pour remédier à la situation exceptionnelle. ".
Art. 3.11. Artikel 92, eerste lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 27 januari 1993, wordt aangevuld met een tweede volzin die luidt als volgt :
" Een verlenging van de aanstelling van een lid van het assisterend academisch personeel kan slechts na een gunstige evaluatie. ".
" Een verlenging van de aanstelling van een lid van het assisterend academisch personeel kan slechts na een gunstige evaluatie. ".
Art. 3.11. L'article 92, premier alinéa, du même décret, modifié par le décret du 27 janvier 1993, est complété par une seconde phrase, rédigée comme suit :
" Une prolongation de la désignation d'un membre du personnel académique assistant n'est possible qu'après une évaluation favorable. ".
" Une prolongation de la désignation d'un membre du personnel académique assistant n'est possible qu'après une évaluation favorable. ".
Art. 3.12. Artikel 94 van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 94. Doctor-assistenten worden aangesteld voor maximaal twee termijnen van ten hoogste drie jaar.
De aanstelling voor de tweede periode kan slechts na een gunstige evaluatie van de geleverde wetenschappelijke onderzoeksprestaties.
Doctor-assistenten die op 30 september 1999 in dienst zijn, kunnen na het beëindigen van de lopende aanstelling, voor één bijkomende periode van ten hoogste drie jaar aangesteld worden. ".
" Art. 94. Doctor-assistenten worden aangesteld voor maximaal twee termijnen van ten hoogste drie jaar.
De aanstelling voor de tweede periode kan slechts na een gunstige evaluatie van de geleverde wetenschappelijke onderzoeksprestaties.
Doctor-assistenten die op 30 september 1999 in dienst zijn, kunnen na het beëindigen van de lopende aanstelling, voor één bijkomende periode van ten hoogste drie jaar aangesteld worden. ".
Art. 3.12. L'article 94 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 94. Les docteurs-assistants sont désignés pour un maximum de deux délais de trois ans au plus.
La désignation pour le second délai n'est possible qu'après une évaluation favorable des prestations fournies en matière de recherche scientifique.
Les docteurs-assistants en service au 30 septembre 1999 peuvent, à l'expiration de la désignation en cours, être désignés pour une période supplémentaire de trois ans au maximum. ".
" Art. 94. Les docteurs-assistants sont désignés pour un maximum de deux délais de trois ans au plus.
La désignation pour le second délai n'est possible qu'après une évaluation favorable des prestations fournies en matière de recherche scientifique.
Les docteurs-assistants en service au 30 septembre 1999 peuvent, à l'expiration de la désignation en cours, être désignés pour une période supplémentaire de trois ans au maximum. ".
Art. 3.13. Artikel 95 van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 95. De Vlaamse Regering bepaalt de salarisschalen van de leden van het assisterend academisch personeel.
Het universiteitsbestuur schaalt de leden van het assisterend academisch personeel bij een eerste aanstelling in de overeenstemmende salarisschaal in, rekening houdend, geheel of gedeeltelijk, met de verworven ervaring, de doorlopen beroepscarrière en de verworven kwalificaties.
Het salaris van een deeltijds assisterend academisch personeelslid is een evenredig deel van het salaris van een voltijds assisterend academisch personeelslid. Bij de uitbreiding van een deeltijdse naar een voltijdse aanstelling kan de inschalingsanciënniteit worden heroverwogen indien het betrokken personeelslid tijdens de deeltijdse aanstelling nieuwe beroepservaring verworven heeft.
De anciënniteitsopbouw in een salarisschaal is gelijk aan de nominale aanstellingsduur, ongeacht de omvang van het dienstverband. ".
" Art. 95. De Vlaamse Regering bepaalt de salarisschalen van de leden van het assisterend academisch personeel.
Het universiteitsbestuur schaalt de leden van het assisterend academisch personeel bij een eerste aanstelling in de overeenstemmende salarisschaal in, rekening houdend, geheel of gedeeltelijk, met de verworven ervaring, de doorlopen beroepscarrière en de verworven kwalificaties.
Het salaris van een deeltijds assisterend academisch personeelslid is een evenredig deel van het salaris van een voltijds assisterend academisch personeelslid. Bij de uitbreiding van een deeltijdse naar een voltijdse aanstelling kan de inschalingsanciënniteit worden heroverwogen indien het betrokken personeelslid tijdens de deeltijdse aanstelling nieuwe beroepservaring verworven heeft.
De anciënniteitsopbouw in een salarisschaal is gelijk aan de nominale aanstellingsduur, ongeacht de omvang van het dienstverband. ".
Art. 3.13. L'article 95 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 95. Le Gouvernement flamand détermine les échelles de traitement des membres du personnel académique assistant.
Les autorités universitaires insèrent les membres du personnel académique assistant dans l'échelle de traitement correspondante lors de leur première désignation, en tenant compte, en tout ou en partie, de l'expérience professionnelle acquise, de la carrière professionnelle parcourue et des qualifications acquises.
Le traitement d'un membre du personnel académique assistant exerçant une charge à temps partiel constitue une quote-part proportionnelle du traitement d'un membre du personnel académique assistant ayant une charge à temps plein. Lors d'une extension d'une désignation à temps partiel à une désignation à temps plein, l'ancienneté barémique peut être reconsidérée si le membre du personnel a acquis de nouvelles expériences professionnelles au cours de la désignation à temps partiel.
L'accumulation d'ancienneté dans une échelle de traitement égale la durée nominale de la désignation, quel que soit le volume de la charge. ".
" Art. 95. Le Gouvernement flamand détermine les échelles de traitement des membres du personnel académique assistant.
Les autorités universitaires insèrent les membres du personnel académique assistant dans l'échelle de traitement correspondante lors de leur première désignation, en tenant compte, en tout ou en partie, de l'expérience professionnelle acquise, de la carrière professionnelle parcourue et des qualifications acquises.
Le traitement d'un membre du personnel académique assistant exerçant une charge à temps partiel constitue une quote-part proportionnelle du traitement d'un membre du personnel académique assistant ayant une charge à temps plein. Lors d'une extension d'une désignation à temps partiel à une désignation à temps plein, l'ancienneté barémique peut être reconsidérée si le membre du personnel a acquis de nouvelles expériences professionnelles au cours de la désignation à temps partiel.
L'accumulation d'ancienneté dans une échelle de traitement égale la durée nominale de la désignation, quel que soit le volume de la charge. ".
Art. 3.14. Artikel 96 van hetzelfde decreet zoals gewijzigd, wordt aangevuld met een tweede lid, dat luidt als volgt :
" Voor de graden van docent en hoofddocent kan de Vlaamse Regering twee salarisschalen vastleggen. Overgang van de laagste salarisschaal naar de hogere salarisschaal van dezelfde graad is slechts mogelijk na een gunstige evaluatie van het betrokken personeelslid.
Bij bevordering naar de hogere salarisschaal verkrijgt het betrokken personeelslid het onmiddellijk hogere salaris in die schaal. ".
" Voor de graden van docent en hoofddocent kan de Vlaamse Regering twee salarisschalen vastleggen. Overgang van de laagste salarisschaal naar de hogere salarisschaal van dezelfde graad is slechts mogelijk na een gunstige evaluatie van het betrokken personeelslid.
Bij bevordering naar de hogere salarisschaal verkrijgt het betrokken personeelslid het onmiddellijk hogere salaris in die schaal. ".
Art. 3.14. L'article 96 du même décret, tel que modifié, est complété par un second alinéa, rédigé comme suit :
" Pour les grades de chargé de cours et de chargé de cours principal, le Gouvernement flamand peut déterminer deux échelles de traitement. Le passage de l'échelle de traitement inférieure à l'échelle de traitement supérieure du même grade n'est possible qu'après une évaluation favorable du membre du personnel intéressé.
Lors d'une promotion à l'échelle de traitement supérieure, le membre du personnel intéressé obtient le traitement immédiatement supérieur dans l'échelle en question. ".
" Pour les grades de chargé de cours et de chargé de cours principal, le Gouvernement flamand peut déterminer deux échelles de traitement. Le passage de l'échelle de traitement inférieure à l'échelle de traitement supérieure du même grade n'est possible qu'après une évaluation favorable du membre du personnel intéressé.
Lors d'une promotion à l'échelle de traitement supérieure, le membre du personnel intéressé obtient le traitement immédiatement supérieur dans l'échelle en question. ".
Art. 3.15. Artikel 97 van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 97. Bij de eerste benoeming of aanstelling in een graad van het zelfstandig academisch personeel schaalt het universiteitsbestuur de leden van het zelfstandig academisch personeel in de overeenstemmende salarisschaal in, rekening houdend, geheel of gedeeltelijk, met de verworven ervaring, de doorlopen beroepscarrière en de verworven kwalificaties.
Het salaris van een deeltijds zelfstandig academisch personeelslid is een evenredig deel van het salaris van een voltijds zelfstandig academisch personeelslid.
Bij de bevordering naar een hogere graad van het zelfstandig academisch personeel verkrijgt het betrokken personeelslid het onmiddellijk hogere salaris in de schaal van de nieuwe graad.
Bij de uitbreiding van een deeltijds naar een voltijds dienstverband of bij het heropnemen van een voltijds dienstverband zoals bedoeld in artikel 105, kan de inschalingsanciënniteit worden heroverwogen indien het betrokken personeelslid tijdens de aanstelling in het deeltijds dienstverband belangrijke nieuwe beroepservaring verworven heeft. De heroverweging van de inschalingsanciënniteit moet uitdrukkelijk en grondig gemotiveerd worden.
In geval van een deeltijds dienstverband met een omvang van 25 % of minder, is de anciënniteitsopbouw in een salarisschaal met het oog op het verkrijgen van de volgende salaristrappen gelijk aan één vierde van de nominale aanstellingsduur. In alle andere gevallen is de anciënniteitsopbouw in een salarisschaal gelijk aan de nominale aanstellingsduur, ongeacht de omvang van het dienstverband. ".
" Art. 97. Bij de eerste benoeming of aanstelling in een graad van het zelfstandig academisch personeel schaalt het universiteitsbestuur de leden van het zelfstandig academisch personeel in de overeenstemmende salarisschaal in, rekening houdend, geheel of gedeeltelijk, met de verworven ervaring, de doorlopen beroepscarrière en de verworven kwalificaties.
Het salaris van een deeltijds zelfstandig academisch personeelslid is een evenredig deel van het salaris van een voltijds zelfstandig academisch personeelslid.
Bij de bevordering naar een hogere graad van het zelfstandig academisch personeel verkrijgt het betrokken personeelslid het onmiddellijk hogere salaris in de schaal van de nieuwe graad.
Bij de uitbreiding van een deeltijds naar een voltijds dienstverband of bij het heropnemen van een voltijds dienstverband zoals bedoeld in artikel 105, kan de inschalingsanciënniteit worden heroverwogen indien het betrokken personeelslid tijdens de aanstelling in het deeltijds dienstverband belangrijke nieuwe beroepservaring verworven heeft. De heroverweging van de inschalingsanciënniteit moet uitdrukkelijk en grondig gemotiveerd worden.
In geval van een deeltijds dienstverband met een omvang van 25 % of minder, is de anciënniteitsopbouw in een salarisschaal met het oog op het verkrijgen van de volgende salaristrappen gelijk aan één vierde van de nominale aanstellingsduur. In alle andere gevallen is de anciënniteitsopbouw in een salarisschaal gelijk aan de nominale aanstellingsduur, ongeacht de omvang van het dienstverband. ".
Art. 3.15. L'article 97 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 97. Au moment de la première nomination ou désignation dans un grade du personnel académique autonome, les autorités universitaires insèrent les membres du personnel académique autonome dans l'échelle de traitement correspondante, en tenant compte, en tout ou en partie, de l'expérience professionnelle acquise, de la carrière professionnelle parcourue et des qualifications acquises.
Le traitement d'un membre du personnel académique autonome exerçant une charge à temps partiel constitue une quote-part proportionnelle du traitement d'un membre du personnel académique autonome ayant une charge à temps plein.
Lors d'une promotion à un grade supérieur du personnel académique autonome, le membre du personnel intéressé obtient le traitement immédiatement supérieur dans l'échelle liée au nouveau grade.
Lors d'une extension d'une charge à temps partiel à une charge à temps plein ou lors de la reprise d'une charge à temps plein telle que visée à l'article 105, l'ancienneté barémique peut être reconsidérée si le membre du personnel en question a acquis de nouvelles expériences professionnelles au cours de la désignation à temps partiel. La reconsidération de l'ancienneté barémique doit être dûment et explicitement motivée.
En cas d'une charge à temps partiel d'un volume de 25 % ou moins, l'accumulation d'ancienneté dans une échelle de traitement en vue de l'obtention des échelons suivants égale un quart de la durée nominale de la désignation. Dans tous les autres cas, l'accumulation d'ancienneté dans une échelle de traitement égale la durée nominale de la désignation, quel que soit le volume de la charge. ".
" Art. 97. Au moment de la première nomination ou désignation dans un grade du personnel académique autonome, les autorités universitaires insèrent les membres du personnel académique autonome dans l'échelle de traitement correspondante, en tenant compte, en tout ou en partie, de l'expérience professionnelle acquise, de la carrière professionnelle parcourue et des qualifications acquises.
Le traitement d'un membre du personnel académique autonome exerçant une charge à temps partiel constitue une quote-part proportionnelle du traitement d'un membre du personnel académique autonome ayant une charge à temps plein.
Lors d'une promotion à un grade supérieur du personnel académique autonome, le membre du personnel intéressé obtient le traitement immédiatement supérieur dans l'échelle liée au nouveau grade.
Lors d'une extension d'une charge à temps partiel à une charge à temps plein ou lors de la reprise d'une charge à temps plein telle que visée à l'article 105, l'ancienneté barémique peut être reconsidérée si le membre du personnel en question a acquis de nouvelles expériences professionnelles au cours de la désignation à temps partiel. La reconsidération de l'ancienneté barémique doit être dûment et explicitement motivée.
En cas d'une charge à temps partiel d'un volume de 25 % ou moins, l'accumulation d'ancienneté dans une échelle de traitement en vue de l'obtention des échelons suivants égale un quart de la durée nominale de la désignation. Dans tous les autres cas, l'accumulation d'ancienneté dans une échelle de traitement égale la durée nominale de la désignation, quel que soit le volume de la charge. ".
Art. 3.16. Na artikel 97 van hetzelfde decreet wordt een nieuw artikel 97bis ingevoegd dat luidt als volgt :
" Art. 97bis. § 1. Het salaris van de leden van het assisterend academisch personeel die tevens benoemd of aangesteld zijn als lid van het zelfstandig academisch personeel met een deeltijds dienstverband, is samengesteld uit twee delen. Elk deel is hetzelfde evenredig aandeel als de omvang van het dienstverband van het salaris aan 100 % dat de betrokkene zou genoten hebben in geval van een benoeming of aanstelling in een voltijds dienstverband.
In geval van uitbreiding van het dienstverband als lid van het zelfstandig academisch personeel tot een voltijds dienstverband in dezelfde graad, wordt het betrokken personeelslid ingeschaald op dezelfde salaristrap in de schaal verbonden aan die graad.
In geval van benoeming of aanstelling in een hogere graad van het zelfstandig academisch personeel wordt het betrokken personeelslid ingeschaald in de overeenkomstige salarisschaal op de salaristrap onmiddellijk boven het salaris aan 100 % in de schaal van de vroegere graad in het zelfstandig academisch personeel.
§ 2. De omvang van de gecombineerde opdrachten samen is beperkt tot het equivalent van een voltijds dienstverband.
§ 3. In geval van de combinatie van een voltijds dienstverband als lid van het assisterend academisch personeel met een deeltijds dienstverband als lid van het zelfstandig academisch personeel waarvan de opdracht uitsluitend onderwijsactiviteiten omvat, is de omvang van de opdracht beperkt tot ten hoogste twee jaaruren. Bij benoeming of aanstelling in een voltijds dienstverband als lid van het zelfstandig academisch personeel gebeurt de inschaling in de overeenkomstige salarisschaal, rekening houdend met het salaris dat de betrokkene genoot als lid van het zelfstandig academisch personeel. ".
" Art. 97bis. § 1. Het salaris van de leden van het assisterend academisch personeel die tevens benoemd of aangesteld zijn als lid van het zelfstandig academisch personeel met een deeltijds dienstverband, is samengesteld uit twee delen. Elk deel is hetzelfde evenredig aandeel als de omvang van het dienstverband van het salaris aan 100 % dat de betrokkene zou genoten hebben in geval van een benoeming of aanstelling in een voltijds dienstverband.
In geval van uitbreiding van het dienstverband als lid van het zelfstandig academisch personeel tot een voltijds dienstverband in dezelfde graad, wordt het betrokken personeelslid ingeschaald op dezelfde salaristrap in de schaal verbonden aan die graad.
In geval van benoeming of aanstelling in een hogere graad van het zelfstandig academisch personeel wordt het betrokken personeelslid ingeschaald in de overeenkomstige salarisschaal op de salaristrap onmiddellijk boven het salaris aan 100 % in de schaal van de vroegere graad in het zelfstandig academisch personeel.
§ 2. De omvang van de gecombineerde opdrachten samen is beperkt tot het equivalent van een voltijds dienstverband.
§ 3. In geval van de combinatie van een voltijds dienstverband als lid van het assisterend academisch personeel met een deeltijds dienstverband als lid van het zelfstandig academisch personeel waarvan de opdracht uitsluitend onderwijsactiviteiten omvat, is de omvang van de opdracht beperkt tot ten hoogste twee jaaruren. Bij benoeming of aanstelling in een voltijds dienstverband als lid van het zelfstandig academisch personeel gebeurt de inschaling in de overeenkomstige salarisschaal, rekening houdend met het salaris dat de betrokkene genoot als lid van het zelfstandig academisch personeel. ".
Art. 3.16. Après l'article 97 du même décret est inséré un nouvel article 97bis, formulé ainsi qu'il suit :
" Art. 97bis. § 1er. Le traitement des membres du personnel académique assistant également nommés ou désignés en tant que membre du personnel académique autonome exerçant une charge à temps partiel, est constitué de deux composantes. Chaque composante est la même quote-part proportionnelle que le volume de la charge du traitement à 100 % duquel aurait bénéficié l'intéressé au cas d'une nomination ou d'une désignation dans une charge à temps plein.
Lors d'une extension de la charge en tant que membre du personnel académique autonome à une charge à temps plein dans le même grade, le membre du personnel concerné est intégré au même échelon de l'échelle liée à ce grade.
Lors d'une nomination ou désignation dans un grade supérieur du personnel académique autonome, le membre du personnel concerné est inséré dans l'échelle de traitement correspondante à l'échelon immédiatement supérieur au traitement à 100 % dans l'échelle du grade précédent du personnel académique autonome.
§ 2. Le volume des charges combinées est limité à l'équivalent d'une charge à temps plein.
§ 3. Lorsqu'une charge à temps plein en tant que membre du personnel académique assistant et une charge à temps partiel en tant que membre du personnel académique autonome dont la charge comprend uniquement des activités d'enseignement sont combinées, le volume de la charge est limité à au maximum deux heures annuelles. Lors d'une nomination ou d'une désignation dans une charge à temps plein en tant que membre du personnel académique autonome, l'insertion se fait dans l'échelle de traitement correspondante, en tenant compte du traitement dont l'intéressé bénéficiait comme membre du personnel académique autonome. ".
" Art. 97bis. § 1er. Le traitement des membres du personnel académique assistant également nommés ou désignés en tant que membre du personnel académique autonome exerçant une charge à temps partiel, est constitué de deux composantes. Chaque composante est la même quote-part proportionnelle que le volume de la charge du traitement à 100 % duquel aurait bénéficié l'intéressé au cas d'une nomination ou d'une désignation dans une charge à temps plein.
Lors d'une extension de la charge en tant que membre du personnel académique autonome à une charge à temps plein dans le même grade, le membre du personnel concerné est intégré au même échelon de l'échelle liée à ce grade.
Lors d'une nomination ou désignation dans un grade supérieur du personnel académique autonome, le membre du personnel concerné est inséré dans l'échelle de traitement correspondante à l'échelon immédiatement supérieur au traitement à 100 % dans l'échelle du grade précédent du personnel académique autonome.
§ 2. Le volume des charges combinées est limité à l'équivalent d'une charge à temps plein.
§ 3. Lorsqu'une charge à temps plein en tant que membre du personnel académique assistant et une charge à temps partiel en tant que membre du personnel académique autonome dont la charge comprend uniquement des activités d'enseignement sont combinées, le volume de la charge est limité à au maximum deux heures annuelles. Lors d'une nomination ou d'une désignation dans une charge à temps plein en tant que membre du personnel académique autonome, l'insertion se fait dans l'échelle de traitement correspondante, en tenant compte du traitement dont l'intéressé bénéficiait comme membre du personnel académique autonome. ".
Art. 3.17. Artikel 99 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 3.17. L'article 99 du même décret est supprimé.
Art. 3.18. Aan artikel 105, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt :
" Evenwel kan het universiteitsbestuur het deeltijds dienstverband, vanaf het ogenblik dat het betrokken lid aan de gestelde voorwaarden voldoet, uitbreiden tot een voltijds dienstverband. ".
" Evenwel kan het universiteitsbestuur het deeltijds dienstverband, vanaf het ogenblik dat het betrokken lid aan de gestelde voorwaarden voldoet, uitbreiden tot een voltijds dienstverband. ".
Art. 3.18. A l'article 105, deuxième alinéa, du même décret est ajoutée une phrase, rédigée comme suit :
" Les autorités universitaires peuvent néanmoins étendre la charge à temps partiel à une charge à temps plein du moment que l'intéressé satisfait aux conditions imposées. ".
" Les autorités universitaires peuvent néanmoins étendre la charge à temps partiel à une charge à temps plein du moment que l'intéressé satisfait aux conditions imposées. ".
Art. 3.19. Artikel 106 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 3.19. L'article 106 du même décret est supprimé.
Art. 3.20. In Hoofdstuk IV van hetzelfde decreet wordt een Afdeling 5 ingevoegd, waarvan de tekst luidt als volgt :
" Afdeling 5. - Evaluatie. ".
" Art. 106bis. Het universiteitsbestuur legt de regels vast voor de evaluatie van de prestaties en de wijze van functioneren van de leden van het academisch personeel.
Ten minste om de vijf jaar moet er een evaluatie plaatsvinden van de wijze waarop elk lid van het academisch personeel zijn taak heeft vervuld in de voorbije periode. De evaluatieprocedure moet voorzien in een beroepsmogelijkheid met onafhankelijke beroepsinstanties. De procedure moet de rechten van het personeelslid maximaal waarborgen. In afwijking van het bepaalde in de eerste volzin moet er evenwel een evaluatie plaatsvinden drie jaar na de eerste aanstelling en na elke benoeming of bevordering.
Indien de geleverde prestaties en de bereikte resultaten als ondermaats worden geëvalueerd, kan het universiteitsbestuur besluiten dat de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende één jaar wordt gehalveerd.
Indien het eindoordeel van een evaluatie " onvoldoende " is, kan het universiteitsbestuur de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende één jaar stopzetten.
Indien het eindoordeel van twee opeenvolgende evaluaties " onvoldoende " is of driemaal " onvoldoende " is in de loop van de beroepscarrière, kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid ontslaan. In deze gevallen wordt een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens deze opzeggingsperiode wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld en kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid met een andere opdracht belasten. Het betrokken personeelslid geniet dan het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het was benoemd. Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn.
De eerste evaluatie moet voor elk personeelslid afgerond zijn uiterlijk op 31 december 2002.
Het universiteitsbestuur deelt de vastgestelde evaluatieprocedure mee aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering maakt ten laatste in 2006 een evaluatie van de effecten en de uitkomsten van de door de universiteiten gehanteerde evaluatieprocedures. ".
" Afdeling 5. - Evaluatie. ".
" Art. 106bis. Het universiteitsbestuur legt de regels vast voor de evaluatie van de prestaties en de wijze van functioneren van de leden van het academisch personeel.
Ten minste om de vijf jaar moet er een evaluatie plaatsvinden van de wijze waarop elk lid van het academisch personeel zijn taak heeft vervuld in de voorbije periode. De evaluatieprocedure moet voorzien in een beroepsmogelijkheid met onafhankelijke beroepsinstanties. De procedure moet de rechten van het personeelslid maximaal waarborgen. In afwijking van het bepaalde in de eerste volzin moet er evenwel een evaluatie plaatsvinden drie jaar na de eerste aanstelling en na elke benoeming of bevordering.
Indien de geleverde prestaties en de bereikte resultaten als ondermaats worden geëvalueerd, kan het universiteitsbestuur besluiten dat de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende één jaar wordt gehalveerd.
Indien het eindoordeel van een evaluatie " onvoldoende " is, kan het universiteitsbestuur de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende één jaar stopzetten.
Indien het eindoordeel van twee opeenvolgende evaluaties " onvoldoende " is of driemaal " onvoldoende " is in de loop van de beroepscarrière, kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid ontslaan. In deze gevallen wordt een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens deze opzeggingsperiode wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld en kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid met een andere opdracht belasten. Het betrokken personeelslid geniet dan het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het was benoemd. Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn.
De eerste evaluatie moet voor elk personeelslid afgerond zijn uiterlijk op 31 december 2002.
Het universiteitsbestuur deelt de vastgestelde evaluatieprocedure mee aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering maakt ten laatste in 2006 een evaluatie van de effecten en de uitkomsten van de door de universiteiten gehanteerde evaluatieprocedures. ".
Art. 3.20. Au Chapitre IV du même décret, il est inséré une Section 5, dont le texte est le suivant :
" Section 5. - Evaluation. ".
" Art. 106bis. Les autorités universitaires fixent les règles pour l'évaluation des prestations et de la manière dont fonctionnent les membres du personnel académique.
Au moins tous les cinq ans, une évaluation doit avoir lieu de la manière dont chaque membre du personnel académique s'est acquitté de sa tâche pendant la période écoulée. La procédure d'évaluation doit prévoir la possibilité de recours auprès d'instances de recours indépendantes. La procédure doit garantir au maximum les droits et devoirs du membre du personnel. Par dérogation aux dispositions de la première phrase, une évaluation doit être effectuée trois ans après la première désignation et après chaque nomination ou promotion.
Si les prestations rendues et les résultats atteints sont évalués comme étant médiocres, les autorités universitaires peuvent décider de réduire l'ancienneté en vue du passage au suivant échelon de traitement de moitié pour une durée d'un an.
Si le jugement final d'une évaluation est " insuffisant ", les autorités universitaires peuvent suspendre, pendant un an, l'accumulation d'ancienneté en vue du passage au suivant échelon de traitement.
Si le jugement final de deux évaluations successives est " insuffisant " ou s'il est à trois reprises " insuffisant " dans le courant de la carrière professionnelle, le membre du personnel intéresse est licencié. Dans ces cas, il est accordé un préavis dont la durée correspond à la période nécessaire pour pouvoir bénéficier des avantages de la sécurité sociale et des allocations de chômage. Pendant ce préavis, le membre du personnel est censé être désigné à titre temporaire et peut être chargé d'une autre tâche par les autorités universitaires. Le membre du personnel intéressé bénéficie du traitement brut lié à la fonction dans laquelle il était nommé. Le membre du personnel peut renoncer entièrement ou partiellement à ce préavis.
Pour chaque membre du personnel, la première évaluation doit être achevée le 31 décembre 2002 au plus tard.
Les autorités universitaires communiquent la procédure d'évaluation fixée au Gouvernement flamand. En 2006 au plus tard, le Gouvernement flamand évalue les effets et résultats des procédures d'évaluation appliquées par les universités. ".
" Section 5. - Evaluation. ".
" Art. 106bis. Les autorités universitaires fixent les règles pour l'évaluation des prestations et de la manière dont fonctionnent les membres du personnel académique.
Au moins tous les cinq ans, une évaluation doit avoir lieu de la manière dont chaque membre du personnel académique s'est acquitté de sa tâche pendant la période écoulée. La procédure d'évaluation doit prévoir la possibilité de recours auprès d'instances de recours indépendantes. La procédure doit garantir au maximum les droits et devoirs du membre du personnel. Par dérogation aux dispositions de la première phrase, une évaluation doit être effectuée trois ans après la première désignation et après chaque nomination ou promotion.
Si les prestations rendues et les résultats atteints sont évalués comme étant médiocres, les autorités universitaires peuvent décider de réduire l'ancienneté en vue du passage au suivant échelon de traitement de moitié pour une durée d'un an.
Si le jugement final d'une évaluation est " insuffisant ", les autorités universitaires peuvent suspendre, pendant un an, l'accumulation d'ancienneté en vue du passage au suivant échelon de traitement.
Si le jugement final de deux évaluations successives est " insuffisant " ou s'il est à trois reprises " insuffisant " dans le courant de la carrière professionnelle, le membre du personnel intéresse est licencié. Dans ces cas, il est accordé un préavis dont la durée correspond à la période nécessaire pour pouvoir bénéficier des avantages de la sécurité sociale et des allocations de chômage. Pendant ce préavis, le membre du personnel est censé être désigné à titre temporaire et peut être chargé d'une autre tâche par les autorités universitaires. Le membre du personnel intéressé bénéficie du traitement brut lié à la fonction dans laquelle il était nommé. Le membre du personnel peut renoncer entièrement ou partiellement à ce préavis.
Pour chaque membre du personnel, la première évaluation doit être achevée le 31 décembre 2002 au plus tard.
Les autorités universitaires communiquent la procédure d'évaluation fixée au Gouvernement flamand. En 2006 au plus tard, le Gouvernement flamand évalue les effets et résultats des procédures d'évaluation appliquées par les universités. ".
Art. 3.21. Aan artikel 108 van hetzelfde decreet wordt de volgende zin toegevoegd :
" Het universiteitsbestuur stelt voor elke functie een functiebeschrijving en -profiel vast. ".
" Het universiteitsbestuur stelt voor elke functie een functiebeschrijving en -profiel vast. ".
Art. 3.21. A l'article 108 du même décret, la phrase suivante, libellée comme suit, est ajoutée :
" Les autorités universitaires déterminent pour chaque fonction une description de fonction et un profil de fonction. ".
" Les autorités universitaires déterminent pour chaque fonction une description de fonction et un profil de fonction. ".
Art. 3.22. Artikel 109 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 3.22. L'article 109 du même décret est supprimé.
Art. 3.23. Artikel 111 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 8 juli 1996, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 111. Benoemingen of aanstellingen in de functies waarin de personeelsformatie voorziet, gebeuren door werving, bevordering, overheveling of mutatie.
De benoemingen of aanstellingen vinden in principe plaats in een voltijds of deeltijds vast dienstverband. De omvang van een deeltijds dienstverband wordt uitgedrukt in een procentueel aandeel van een voltijds dienstverband. Het procentueel dienstverband moet ten minste 10 % van een voltijdse aanstelling omvatten en wordt als een veelvoud van vijf uitgedrukt. Een halve dag per week komt overeen met 10 %. De betrokkenen verkrijgen hetzelfde procentueel aandeel van het salaris dat zij zouden genieten in een voltijds dienstverband. Om te voorzien in tijdelijke personeelsbehoeften of in tijdelijke vervangingen van personeelsleden, kan het universiteitsbestuur personeel aanwerven, doch enkel op contractuele basis. De duur van de waarneming van vacante betrekkingen in afwachting van de definitieve opvulling ervan kan ten hoogste twee jaar bedragen.
Het universiteitsbestuur kan de omvang van het dienstverband wijzigen met instemming of op verzoek van het personeelslid. In geval van een vermindering van de omvang behoudt het personeelslid gedurende zes jaar het recht van terugkeer naar de oorspronkelijke omvang. ".
" Art. 111. Benoemingen of aanstellingen in de functies waarin de personeelsformatie voorziet, gebeuren door werving, bevordering, overheveling of mutatie.
De benoemingen of aanstellingen vinden in principe plaats in een voltijds of deeltijds vast dienstverband. De omvang van een deeltijds dienstverband wordt uitgedrukt in een procentueel aandeel van een voltijds dienstverband. Het procentueel dienstverband moet ten minste 10 % van een voltijdse aanstelling omvatten en wordt als een veelvoud van vijf uitgedrukt. Een halve dag per week komt overeen met 10 %. De betrokkenen verkrijgen hetzelfde procentueel aandeel van het salaris dat zij zouden genieten in een voltijds dienstverband. Om te voorzien in tijdelijke personeelsbehoeften of in tijdelijke vervangingen van personeelsleden, kan het universiteitsbestuur personeel aanwerven, doch enkel op contractuele basis. De duur van de waarneming van vacante betrekkingen in afwachting van de definitieve opvulling ervan kan ten hoogste twee jaar bedragen.
Het universiteitsbestuur kan de omvang van het dienstverband wijzigen met instemming of op verzoek van het personeelslid. In geval van een vermindering van de omvang behoudt het personeelslid gedurende zes jaar het recht van terugkeer naar de oorspronkelijke omvang. ".
Art. 3.23. L'article 111 du même décret, modifié par le décret du 8 juillet 1996, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 111. Les nominations ou désignations aux fonctions prévues par le cadre organique, s'effectuent par voie de recrutement, de promotion, de transfert ou de mutation.
En principe, les nominations ou désignations ont lieu pour des charges à temps plein ou à temps partiel. Le volume d'une charge à temps partiel s'exprime par un pourcentage d'une charge à temps plein. La charge partielle doit constituer au moins 10 % d'une désignation à temps partiel; elle s'exprime en multiples de cinq ; Une demi-journée par semaine correspond à 10 %. Les intéressés obtiennent le même pourcentage du traitement dont ils bénéficieraient s'ils accomplissaient une charge à temps partiel. Afin de combler des besoins temporaires en personnel ou de pourvoir en des remplacements temporaires de personnel, les autorités universitaires peuvent engager des personnels, mais uniquement sous les liens d'un contrat. La durée de l'exercice à titre intérimaire d'emplois vacants, dans l'attente de leur comblement définitif, ne peut dépasser deux ans.
Les autorités universitaires peuvent modifier le volume de la charge moyennant l'accord du membre du personnel ou à sa demande. En cas d'une réduction du volume, le membre du personnel conserve, pendant six ans, le droit de retourner au volume initial. ".
" Art. 111. Les nominations ou désignations aux fonctions prévues par le cadre organique, s'effectuent par voie de recrutement, de promotion, de transfert ou de mutation.
En principe, les nominations ou désignations ont lieu pour des charges à temps plein ou à temps partiel. Le volume d'une charge à temps partiel s'exprime par un pourcentage d'une charge à temps plein. La charge partielle doit constituer au moins 10 % d'une désignation à temps partiel; elle s'exprime en multiples de cinq ; Une demi-journée par semaine correspond à 10 %. Les intéressés obtiennent le même pourcentage du traitement dont ils bénéficieraient s'ils accomplissaient une charge à temps partiel. Afin de combler des besoins temporaires en personnel ou de pourvoir en des remplacements temporaires de personnel, les autorités universitaires peuvent engager des personnels, mais uniquement sous les liens d'un contrat. La durée de l'exercice à titre intérimaire d'emplois vacants, dans l'attente de leur comblement définitif, ne peut dépasser deux ans.
Les autorités universitaires peuvent modifier le volume de la charge moyennant l'accord du membre du personnel ou à sa demande. En cas d'une réduction du volume, le membre du personnel conserve, pendant six ans, le droit de retourner au volume initial. ".
Art. 3.24. Artikel 112 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 15 juli 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 112. Onder werving wordt verstaan het aantrekken van personeelsleden na een openbare vacature en na een vergelijkende selectieprocedure. Het universiteitsbestuur kan een wervingsreserve aanleggen voor een cluster van verwante functies.
Het vacaturebericht vermeldt tenminste de volgende gegevens :
- de functie-inhoud;
- de functie-eisen, inclusief specifieke diploma-eisen indien nodig;
- de graad of de graden;
- de omvang van de functie;
- het vast of tijdelijk karakter;
- de selectieprocedure.
Het universiteitsbestuur kan de kandidaat in kwestie, afhankelijk van diens beroepservaring en aantoonbare kwaliteiten, benoemen of aanstellen in één van de graden vermeld in het vacaturebericht. In het vacaturebericht mogen ten hoogste twee opeenvolgende graden van hetzelfde niveau vermeld worden. ".
" Art. 112. Onder werving wordt verstaan het aantrekken van personeelsleden na een openbare vacature en na een vergelijkende selectieprocedure. Het universiteitsbestuur kan een wervingsreserve aanleggen voor een cluster van verwante functies.
Het vacaturebericht vermeldt tenminste de volgende gegevens :
- de functie-inhoud;
- de functie-eisen, inclusief specifieke diploma-eisen indien nodig;
- de graad of de graden;
- de omvang van de functie;
- het vast of tijdelijk karakter;
- de selectieprocedure.
Het universiteitsbestuur kan de kandidaat in kwestie, afhankelijk van diens beroepservaring en aantoonbare kwaliteiten, benoemen of aanstellen in één van de graden vermeld in het vacaturebericht. In het vacaturebericht mogen ten hoogste twee opeenvolgende graden van hetzelfde niveau vermeld worden. ".
Art. 3.24. L'article 112 du même décret, modifié par le décret du 15 juillet 1997, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 112. Par recrutement, il faut entendre l'engagement de personnels après un avis de vacance public et après une procédure de sélection comparative. Les autorités universitaires peuvent créer une réserve de recrutement pour un groupe de fonctions connexes.
L'avis déclarant un poste vacant mentionne au moins les données suivantes :
- le contenu de la fonction;
- les exigences que pose la fonction, le cas échéant, également les conditions spécifiques de diplôme;
- le(s) grade(s);
- le volume de la fonction;
- le caractère de la fonction : définitif ou temporaire;
- la procédure de sélection.
Les autorités universitaires peuvent nommer ou désigner le candidat en question dans un des grades cités dans l'avis de vacance, au vu de son expérience professionnelle et de ses qualités manifestes. L'avis précité peut mentionner au maximum deux grades successifs du même niveau. ".
" Art. 112. Par recrutement, il faut entendre l'engagement de personnels après un avis de vacance public et après une procédure de sélection comparative. Les autorités universitaires peuvent créer une réserve de recrutement pour un groupe de fonctions connexes.
L'avis déclarant un poste vacant mentionne au moins les données suivantes :
- le contenu de la fonction;
- les exigences que pose la fonction, le cas échéant, également les conditions spécifiques de diplôme;
- le(s) grade(s);
- le volume de la fonction;
- le caractère de la fonction : définitif ou temporaire;
- la procédure de sélection.
Les autorités universitaires peuvent nommer ou désigner le candidat en question dans un des grades cités dans l'avis de vacance, au vu de son expérience professionnelle et de ses qualités manifestes. L'avis précité peut mentionner au maximum deux grades successifs du même niveau. ".
Art. 3.25. Artikel 113 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 8 juli 1996, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 113. Het vacaturebericht wordt ten minste in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. ".
" Art. 113. Het vacaturebericht wordt ten minste in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. ".
Art. 3.25. L'article 113 du même décret, modifié par le décret du 8 juillet 1996, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 113. L'avis de vacance d'emploi est publié au moins au Moniteur belge. ".
" Art. 113. L'avis de vacance d'emploi est publié au moins au Moniteur belge. ".
Art. 3.26. Artikel 114 van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 114. Onder bevordering wordt verstaan de benoeming of aanstelling in een functie van een hogere graad na interne bekendmaking en na het met succes doorlopen van de door het universiteitsbestuur vastgelegde selectieprocedure.
In afwijking van het eerste lid kan een bevordering in een functie van de onmiddellijk hogere graad en van de daaropvolgende graad plaatsvinden zonder interne bekendmaking en zonder selectie indien dit gebeurt in het kader van een vooraf door het universiteitsbestuur bepaalde loopbaanplanning en binnen de perken van de personeelsformatie. Deze afwijking geldt enkel voor de zeer goed functionerende en presterende personeelsleden. De bevordering moet afdoende gemotiveerd worden op basis van een evaluatie van de door de betrokkene geleverde prestaties.
Een eerste bevordering in een leidinggevende functie vindt steeds plaats na interne bekendmaking en selectie. ".
" Art. 114. Onder bevordering wordt verstaan de benoeming of aanstelling in een functie van een hogere graad na interne bekendmaking en na het met succes doorlopen van de door het universiteitsbestuur vastgelegde selectieprocedure.
In afwijking van het eerste lid kan een bevordering in een functie van de onmiddellijk hogere graad en van de daaropvolgende graad plaatsvinden zonder interne bekendmaking en zonder selectie indien dit gebeurt in het kader van een vooraf door het universiteitsbestuur bepaalde loopbaanplanning en binnen de perken van de personeelsformatie. Deze afwijking geldt enkel voor de zeer goed functionerende en presterende personeelsleden. De bevordering moet afdoende gemotiveerd worden op basis van een evaluatie van de door de betrokkene geleverde prestaties.
Een eerste bevordering in een leidinggevende functie vindt steeds plaats na interne bekendmaking en selectie. ".
Art. 3.26. L'article 114 du même décret est remplace par la disposition suivante :
" Art. 114. Par promotion, il faut entendre la nomination ou désignation d'un membre du personnel à une fonction d'un grade supérieur, après avis interne et après avoir parcouru avec succès la procédure de sélection fixée par les autorités universitaires.
Par dérogation au premier alinéa, une promotion à une fonction du grade immédiatement supérieur et du grade suivant est possible sans avis interne et sans sélection, si elle a lieu dans le cadre d'un planning de la carrière fixé au préalable par les autorités universitaires et dans les limites du cadre organique. Cette dérogation s'applique uniquement aux personnels qui fonctionnent et fournissent des prestations de façon impeccable. La promotion doit être dûment motivée au vu d'une évaluation des prestations rendues par l'intéressé.
Une première promotion à une fonction dirigeante a toujours lieu après avis et sélection internes. ".
" Art. 114. Par promotion, il faut entendre la nomination ou désignation d'un membre du personnel à une fonction d'un grade supérieur, après avis interne et après avoir parcouru avec succès la procédure de sélection fixée par les autorités universitaires.
Par dérogation au premier alinéa, une promotion à une fonction du grade immédiatement supérieur et du grade suivant est possible sans avis interne et sans sélection, si elle a lieu dans le cadre d'un planning de la carrière fixé au préalable par les autorités universitaires et dans les limites du cadre organique. Cette dérogation s'applique uniquement aux personnels qui fonctionnent et fournissent des prestations de façon impeccable. La promotion doit être dûment motivée au vu d'une évaluation des prestations rendues par l'intéressé.
Une première promotion à une fonction dirigeante a toujours lieu après avis et sélection internes. ".
Art. 3.27. Artikel 116 van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 116. Het universiteitsbestuur weegt bij elke selectie minstens de verworven kennis en ervaring, de opleiding, de technische en persoonlijke bekwaamheden en de potentialiteit van de kandidaten af tegen de functiebeschrijving en het functieprofiel. De beslissing wordt gemotiveerd op grond van die afweging. ".
" Art. 116. Het universiteitsbestuur weegt bij elke selectie minstens de verworven kennis en ervaring, de opleiding, de technische en persoonlijke bekwaamheden en de potentialiteit van de kandidaten af tegen de functiebeschrijving en het functieprofiel. De beslissing wordt gemotiveerd op grond van die afweging. ".
Art. 3.27. L'article 116 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 116. A chacune des sélections, les autorités universitaires opposent au moins les connaissances et l'expérience acquises, la formation, les aptitudes techniques et personnelles et la potentialité des candidats d'une part et la description de fonction ainsi que le profil de fonction d'autre part. La décision est motivée au vu de cette pondération. ".
" Art. 116. A chacune des sélections, les autorités universitaires opposent au moins les connaissances et l'expérience acquises, la formation, les aptitudes techniques et personnelles et la potentialité des candidats d'une part et la description de fonction ainsi que le profil de fonction d'autre part. La décision est motivée au vu de cette pondération. ".
Art. 3.28. Artikel 116bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 8 juli 1997, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 116bis. Onder mutatie wordt verstaan de verandering van functie in dezelfde graad op verzoek van het betrokken personeelslid, ambtshalve of als resultaat van een selectie na interne bekendmaking. Het universiteitsbestuur legt de procedure voor mutatie vast. ".
" Art. 116bis. Onder mutatie wordt verstaan de verandering van functie in dezelfde graad op verzoek van het betrokken personeelslid, ambtshalve of als resultaat van een selectie na interne bekendmaking. Het universiteitsbestuur legt de procedure voor mutatie vast. ".
Art. 3.28. L'article 116bis du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 116bis. Par mutation, il faut entendre le changement de fonction dans le même grade à la demande du membre du personnel intéressé, d'office ou au terme d'une sélection après avis interne. Les autorités universitaires fixent la procédure de mutation. ".
" Art. 116bis. Par mutation, il faut entendre le changement de fonction dans le même grade à la demande du membre du personnel intéressé, d'office ou au terme d'une sélection après avis interne. Les autorités universitaires fixent la procédure de mutation. ".
Art. 3.29. Artikel 118 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 21 december 1994, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 118. Het universiteitsbestuur legt een evaluatieprocedure vast met inbegrip van een beroepsmogelijkheid met onafhankelijke beroepsinstanties. De procedure moet de rechten van het personeelslid maximaal waarborgen.
Ten minste om de vijf jaar vindt er een evaluatie plaats van de geleverde prestaties, de bereikte resultaten en de wijze van functioneren van elk lid van het administratief en technisch personeel, gerelateerd aan de functiebeschrijving en het functieprofiel. In afwijking van het bepaalde in de eerste volzin moet er evenwel een evaluatie plaatsvinden drie jaar na de eerste aanstelling en na elke benoeming of bevordering.
Indien de geleverde prestaties en de bereikte resultaten als ondermaats worden geëvalueerd, kan het universiteitsbestuur besluiten dat de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende één jaar wordt gehalveerd.
Indien het eindoordeel van een evaluatie " onvoldoende " is, kan het universiteitsbestuur de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende één jaar stopzetten.
Indien het resultaat van deze evaluatie tweemaal na elkaar of driemaal in de loop van de beroepscarriere een " onvoldoende " oplevert, kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid ontslaan. In deze gevallen wordt een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens deze opzeggingsperiode wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld en kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid met een andere opdracht belasten. Het betrokken personeelslid geniet dan het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het was benoemd. Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn.
Indien de prestaties van een personeelslid als ondermaats of als onvoldoende worden beoordeeld, kan het universiteitsbestuur het personeelslid op zijn verzoek terugzetten in een lagere graad.
Het universiteitsbestuur deelt de vastgestelde evaluatieprocedure mee aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering maakt ten laatste in 2006 een evaluatie van de effecten en de uitkomsten van de door de universiteiten gehanteerde evaluatieprocedures. ".
" Art. 118. Het universiteitsbestuur legt een evaluatieprocedure vast met inbegrip van een beroepsmogelijkheid met onafhankelijke beroepsinstanties. De procedure moet de rechten van het personeelslid maximaal waarborgen.
Ten minste om de vijf jaar vindt er een evaluatie plaats van de geleverde prestaties, de bereikte resultaten en de wijze van functioneren van elk lid van het administratief en technisch personeel, gerelateerd aan de functiebeschrijving en het functieprofiel. In afwijking van het bepaalde in de eerste volzin moet er evenwel een evaluatie plaatsvinden drie jaar na de eerste aanstelling en na elke benoeming of bevordering.
Indien de geleverde prestaties en de bereikte resultaten als ondermaats worden geëvalueerd, kan het universiteitsbestuur besluiten dat de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende één jaar wordt gehalveerd.
Indien het eindoordeel van een evaluatie " onvoldoende " is, kan het universiteitsbestuur de anciënniteitsopbouw met het oog op de volgende salaristrap gedurende één jaar stopzetten.
Indien het resultaat van deze evaluatie tweemaal na elkaar of driemaal in de loop van de beroepscarriere een " onvoldoende " oplevert, kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid ontslaan. In deze gevallen wordt een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens deze opzeggingsperiode wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld en kan het universiteitsbestuur het betrokken personeelslid met een andere opdracht belasten. Het betrokken personeelslid geniet dan het brutosalaris verbonden aan het ambt waarin het was benoemd. Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn.
Indien de prestaties van een personeelslid als ondermaats of als onvoldoende worden beoordeeld, kan het universiteitsbestuur het personeelslid op zijn verzoek terugzetten in een lagere graad.
Het universiteitsbestuur deelt de vastgestelde evaluatieprocedure mee aan de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering maakt ten laatste in 2006 een evaluatie van de effecten en de uitkomsten van de door de universiteiten gehanteerde evaluatieprocedures. ".
Art. 3.29. L'article 118 du même décret, modifié par le décret du 21 décembre 1994, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 118. Les autorités universitaires fixent une procédure d'évaluation, y compris une possibilité de recours auprès d'instances de recours indépendantes. La procédure doit garantir au maximum les droits du membre du personnel.
Au moins tous les cinq ans, il est organise une évaluation des prestations fournies, des résultats atteints et du fonctionnement de chaque membre du personnel administratif et technique, reliée à la description de fonction et au profil de fonction. Par dérogation aux dispositions de la première phrase, une évaluation doit toutefois avoir lieu trois ans de la première désignation et de chaque nomination ou promotion.
Si les prestations rendues et les résultats atteints sont évalués comme étant médiocres, les autorités universitaires peuvent décider de réduire l'accumulation d'ancienneté en vue du passage au suivant échelon de traitement de moitié pour une durée d'un an.
Si le jugement final d'une évaluation est " insuffisant ", les autorités universitaires peuvent suspendre, pendant un an, l'accumulation d'ancienneté en vue du passage au suivant échelon de traitement.
Si le jugement final de deux évaluations successives est " insuffisant " ou s'il est à trois reprises " insuffisant " dans le courant de la carrière professionnelle, le membre du personnel intéressé est licencié par les autorités universitaires. Dans ces cas, il est accordé un préavis dont la durée correspond à la période nécessaire pour pouvoir bénéficier des avantages de la sécurité sociale et des allocations de chômage. Pendant ce préavis, le membre du personnel est censé être désigné à titre temporaire et peut être chargé d'une autre tâche par les autorités universitaires. Le membre du personnel intéressé bénéficie du traitement brut lié à la fonction dans laquelle il était nomme. Le membre du personnel peut renoncer entièrement ou partiellement à ce préavis.
Si les prestations d'un membre du personnel sont jugées médiocres ou insuffisantes, les autorités universitaires peuvent le rétrograder à sa demande.
Les autorités universitaires communiquent la procédure d'évaluation fixée au Gouvernement flamand. En 2006 au plus tard, le Gouvernement flamand évalue les effets et résultats des procédures d'évaluation appliquées par les universités. ".
" Art. 118. Les autorités universitaires fixent une procédure d'évaluation, y compris une possibilité de recours auprès d'instances de recours indépendantes. La procédure doit garantir au maximum les droits du membre du personnel.
Au moins tous les cinq ans, il est organise une évaluation des prestations fournies, des résultats atteints et du fonctionnement de chaque membre du personnel administratif et technique, reliée à la description de fonction et au profil de fonction. Par dérogation aux dispositions de la première phrase, une évaluation doit toutefois avoir lieu trois ans de la première désignation et de chaque nomination ou promotion.
Si les prestations rendues et les résultats atteints sont évalués comme étant médiocres, les autorités universitaires peuvent décider de réduire l'accumulation d'ancienneté en vue du passage au suivant échelon de traitement de moitié pour une durée d'un an.
Si le jugement final d'une évaluation est " insuffisant ", les autorités universitaires peuvent suspendre, pendant un an, l'accumulation d'ancienneté en vue du passage au suivant échelon de traitement.
Si le jugement final de deux évaluations successives est " insuffisant " ou s'il est à trois reprises " insuffisant " dans le courant de la carrière professionnelle, le membre du personnel intéressé est licencié par les autorités universitaires. Dans ces cas, il est accordé un préavis dont la durée correspond à la période nécessaire pour pouvoir bénéficier des avantages de la sécurité sociale et des allocations de chômage. Pendant ce préavis, le membre du personnel est censé être désigné à titre temporaire et peut être chargé d'une autre tâche par les autorités universitaires. Le membre du personnel intéressé bénéficie du traitement brut lié à la fonction dans laquelle il était nomme. Le membre du personnel peut renoncer entièrement ou partiellement à ce préavis.
Si les prestations d'un membre du personnel sont jugées médiocres ou insuffisantes, les autorités universitaires peuvent le rétrograder à sa demande.
Les autorités universitaires communiquent la procédure d'évaluation fixée au Gouvernement flamand. En 2006 au plus tard, le Gouvernement flamand évalue les effets et résultats des procédures d'évaluation appliquées par les universités. ".
Art. 3.30. Artikel 120, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De Vlaamse Regering bepaalt de graden en de niveaus en stelt de daaraan verbonden salarisschalen van het administratief en technisch personeel vast. De leden van het administratief en technisch personeel en hun rechthebbenden ontvangen de vergoedingen, toelagen en bijkomende bezoldigingen die aan de personeelsleden van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en aan hun rechthebbenden worden toegekend. Voor wat het vakantiegeld betreft, laat de Vlaamse Regering vooraf een onderzoek uitvoeren naar de financiële effecten van de verplichting van de toekenning van het vakantiegeld van de overheid.
Het universiteitsbestuur bepaalt de vergoedingen voor bijzondere prestaties.
Het universiteitsbestuur schaalt de leden van het administratief en technisch personeel bij eerste aanstelling of benoeming in de overeenstemmende salarisschaal, rekening houdend, geheel of gedeeltelijk, met de verworven ervaring, de doorlopen beroepscarrière en de verworven kwalificaties.
Het salaris van een lid van het administratief en technisch personeel in deeltijds dienstverband is een evenredig deel van het salaris van een lid van het administratief en technisch personeel in voltijds dienstverband.
De anciënniteitsopbouw in een salarisschaal is gelijk aan de nominale aanstellingsduur, ongeacht de omvang van het dienstverband.
Het universiteitsbestuur kan aan door hem bepaalde categorieën van het administratief en technisch personeel een arbeidsmarktschaarstetoeslag toekennen van maximaal 20 % van het jaarsalaris voor een periode van maximum twee jaar. Deze toeslag is hernieuwbaar zolang de arbeidsmarktkrapte voortduurt. ".
" De Vlaamse Regering bepaalt de graden en de niveaus en stelt de daaraan verbonden salarisschalen van het administratief en technisch personeel vast. De leden van het administratief en technisch personeel en hun rechthebbenden ontvangen de vergoedingen, toelagen en bijkomende bezoldigingen die aan de personeelsleden van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en aan hun rechthebbenden worden toegekend. Voor wat het vakantiegeld betreft, laat de Vlaamse Regering vooraf een onderzoek uitvoeren naar de financiële effecten van de verplichting van de toekenning van het vakantiegeld van de overheid.
Het universiteitsbestuur bepaalt de vergoedingen voor bijzondere prestaties.
Het universiteitsbestuur schaalt de leden van het administratief en technisch personeel bij eerste aanstelling of benoeming in de overeenstemmende salarisschaal, rekening houdend, geheel of gedeeltelijk, met de verworven ervaring, de doorlopen beroepscarrière en de verworven kwalificaties.
Het salaris van een lid van het administratief en technisch personeel in deeltijds dienstverband is een evenredig deel van het salaris van een lid van het administratief en technisch personeel in voltijds dienstverband.
De anciënniteitsopbouw in een salarisschaal is gelijk aan de nominale aanstellingsduur, ongeacht de omvang van het dienstverband.
Het universiteitsbestuur kan aan door hem bepaalde categorieën van het administratief en technisch personeel een arbeidsmarktschaarstetoeslag toekennen van maximaal 20 % van het jaarsalaris voor een periode van maximum twee jaar. Deze toeslag is hernieuwbaar zolang de arbeidsmarktkrapte voortduurt. ".
Art. 3.30. L'article 120, premier alinéa, du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Le Gouvernement flamand fixe les grades et les niveaux et établit les échelles de traitement afférentes du personnel administratif et technique. Les membres du personnel administratif et technique et leurs ayants droit reçoivent les indemnités, allocations et rémunérations supplémentaires qui sont attribuées aux personnels du Ministère de la Communauté flamande et à leurs ayants droit. Pour ce qui est du pécule de vacances, le Gouvernement flamand fait examiner les effets financiers de l'obligation de l'autorité d'octroyer un pécule de vacances.
Les autorités universitaires fixent les indemnités pour les prestations spéciales.
Au moment de la première nomination ou désignation, les autorités universitaires insèrent les membres du personnel administratif et technique dans l'échelle de traitement correspondante, en tenant compte, en tout ou en partie, de l'expérience acquise, de la carrière professionnelle parcourue et des qualifications acquises.
Le traitement d'un membre du personnel administratif et technique exerçant sa fonction à temps partiel constitue une quote-part proportionnelle du traitement d'un membre du personnel ayant une fonction à temps plein.
L'accumulation d'ancienneté dans une échelle de traitement égale la durée nominale de la désignation, quel que soit le volume de la fonction.
Les autorités universitaires peuvent accorder à certaines catégories du personnel administratif et technique à définir par elles, pendant une période maximum de deux ans, une allocation de suremploi de 20 % du traitement annuel au maximum.
Aussi longtemps que persistera la pénurie sur le marché du travail, cette allocation est renouvelable. ".
" Le Gouvernement flamand fixe les grades et les niveaux et établit les échelles de traitement afférentes du personnel administratif et technique. Les membres du personnel administratif et technique et leurs ayants droit reçoivent les indemnités, allocations et rémunérations supplémentaires qui sont attribuées aux personnels du Ministère de la Communauté flamande et à leurs ayants droit. Pour ce qui est du pécule de vacances, le Gouvernement flamand fait examiner les effets financiers de l'obligation de l'autorité d'octroyer un pécule de vacances.
Les autorités universitaires fixent les indemnités pour les prestations spéciales.
Au moment de la première nomination ou désignation, les autorités universitaires insèrent les membres du personnel administratif et technique dans l'échelle de traitement correspondante, en tenant compte, en tout ou en partie, de l'expérience acquise, de la carrière professionnelle parcourue et des qualifications acquises.
Le traitement d'un membre du personnel administratif et technique exerçant sa fonction à temps partiel constitue une quote-part proportionnelle du traitement d'un membre du personnel ayant une fonction à temps plein.
L'accumulation d'ancienneté dans une échelle de traitement égale la durée nominale de la désignation, quel que soit le volume de la fonction.
Les autorités universitaires peuvent accorder à certaines catégories du personnel administratif et technique à définir par elles, pendant une période maximum de deux ans, une allocation de suremploi de 20 % du traitement annuel au maximum.
Aussi longtemps que persistera la pénurie sur le marché du travail, cette allocation est renouvelable. ".
Art. 3.31. Artikel 128 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 8 juli 1996, wordt aangevuld met een vierde lid dat luidt als volgt :
" Het universiteitsbestuur kan een bedrag uit het bijzonder Onderzoeksfonds dat krachtens artikel 168 van dit decreet in elke universiteit werd ingesteld, voegen bij het bedrag van de werkingsuitkering voor de dekking van de gewone uitgaven bedoeld in de eerste alinea. De Vlaamse Regering kan een maximumpercentage vastleggen van de bijdrage van de Vlaamse Gemeenschap in het bijzonder Onderzoeksfonds dat mag getransfereerd worden naar de werkingsuitkering. ".
" Het universiteitsbestuur kan een bedrag uit het bijzonder Onderzoeksfonds dat krachtens artikel 168 van dit decreet in elke universiteit werd ingesteld, voegen bij het bedrag van de werkingsuitkering voor de dekking van de gewone uitgaven bedoeld in de eerste alinea. De Vlaamse Regering kan een maximumpercentage vastleggen van de bijdrage van de Vlaamse Gemeenschap in het bijzonder Onderzoeksfonds dat mag getransfereerd worden naar de werkingsuitkering. ".
Art. 3.31. L'article 128 du même décret, modifié par le décret du 8 juillet 1996, est complété par un quatrième alinéa, rédigé comme suit :
" Les autorités universitaires peuvent ajouter un montant du Fonds spécial de recherche créé auprès de chaque université en vertu de l'article 168 du présent décret, au montant des allocations de fonctionnement pour la couverture des dépenses ordinaires visées au premier alinéa. Le Gouvernement flamand peut fixer un pourcentage maximum de la contribution de la Communauté flamande dans le Fonds spécial de recherche qui peut être transféré à l'allocation de fonctionnement. ".
" Les autorités universitaires peuvent ajouter un montant du Fonds spécial de recherche créé auprès de chaque université en vertu de l'article 168 du présent décret, au montant des allocations de fonctionnement pour la couverture des dépenses ordinaires visées au premier alinéa. Le Gouvernement flamand peut fixer un pourcentage maximum de la contribution de la Communauté flamande dans le Fonds spécial de recherche qui peut être transféré à l'allocation de fonctionnement. ".
Art. 3.32. Aan artikel 130, § 8, van hetzelfde decreet, zoals toegevoegd bij decreet van 24 juli 1996, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Ingeval het reële aantal onderwijsbelastingseenheden van de opleidingen in kwestie hoger is dan het aantal van peildatum 1 februari 1996, wordt het reële aantal in rekening gebracht bij de bepaling van de hoogte van het bedrag van de werkingsuitkering. ".
" Ingeval het reële aantal onderwijsbelastingseenheden van de opleidingen in kwestie hoger is dan het aantal van peildatum 1 februari 1996, wordt het reële aantal in rekening gebracht bij de bepaling van de hoogte van het bedrag van de werkingsuitkering. ".
Art. 3.32. A l'article 130, § 8, du même décret, tel qu'inséré par le décret du 24 juillet 1996, il est ajouté un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
" Au cas où le nombre réel d'unités de charge d'enseignement des formations en question serait supérieur au nombre noté au 1er février 1996, date servant de repère, c'est le nombre réel qui est porté en compte pour la fixation du montant de l'allocation de fonctionnement. ".
" Au cas où le nombre réel d'unités de charge d'enseignement des formations en question serait supérieur au nombre noté au 1er février 1996, date servant de repère, c'est le nombre réel qui est porté en compte pour la fixation du montant de l'allocation de fonctionnement. ".
Art. 3.33. In Hoofdstuk VIII van hetzelfde decreet wordt een Afdeling 4bis ingevoegd, die luidt als volgt :
" Afdeling 4bis. - Deontologie en Geschillencommissie. ".
" Art. 151bis. De universiteiten en de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap stellen uiterlijk op 1 oktober 2000 gezamenlijk een deontologische code op betreffende het voeren van publiciteit. Zij richten uiterlijk op dezelfde datum gezamenlijk een Geschillencommissie op. Zij bepalen bij gezamenlijk reglement de samenstelling en de werking van deze Commissie, met inbegrip van het secretariaat en de duur van het mandaat van de leden. De Vlaamse Regering bekrachtigt de deontologische code en het reglement inzake de Geschillencommissie. ".
" Art. 151ter. Bij ontstentenis van een deontologische code en een Geschillencommissie zoals bedoeld in artikel 151bis op de vastgestelde datum, stelt de Vlaamse Regering een deontologische code op en richt zij een Geschillencommissie op. De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling en de werking van deze Commissie, met inbegrip van het secretariaat en de duur van het mandaat van de leden. ".
" Art. 151quater. De Geschillencommissie opgericht overeenkomstig artikel 151bis of 151ter behandelt op vraag van een hogeschool, een universiteit of de Vlaamse Regering de inbreuken op de deontologische code en brengt desgevallend aanmaningen uit ten overstaan van de betrokken hogeschool of universiteit.
In geval een hogeschool of universiteit geen gevolg geeft aan de aanmaningen van de Geschillencommissie, kan de Vlaamse Regering, na de Geschillencommissie en de hogeschool of universiteit gehoord te hebben, bepalen ten hoogste 5 % van de werkingsuitkeringen van het lopende begrotingsjaar, zoals bedoeld in artikel 130, in te houden. ".
" Afdeling 4bis. - Deontologie en Geschillencommissie. ".
" Art. 151bis. De universiteiten en de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap stellen uiterlijk op 1 oktober 2000 gezamenlijk een deontologische code op betreffende het voeren van publiciteit. Zij richten uiterlijk op dezelfde datum gezamenlijk een Geschillencommissie op. Zij bepalen bij gezamenlijk reglement de samenstelling en de werking van deze Commissie, met inbegrip van het secretariaat en de duur van het mandaat van de leden. De Vlaamse Regering bekrachtigt de deontologische code en het reglement inzake de Geschillencommissie. ".
" Art. 151ter. Bij ontstentenis van een deontologische code en een Geschillencommissie zoals bedoeld in artikel 151bis op de vastgestelde datum, stelt de Vlaamse Regering een deontologische code op en richt zij een Geschillencommissie op. De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling en de werking van deze Commissie, met inbegrip van het secretariaat en de duur van het mandaat van de leden. ".
" Art. 151quater. De Geschillencommissie opgericht overeenkomstig artikel 151bis of 151ter behandelt op vraag van een hogeschool, een universiteit of de Vlaamse Regering de inbreuken op de deontologische code en brengt desgevallend aanmaningen uit ten overstaan van de betrokken hogeschool of universiteit.
In geval een hogeschool of universiteit geen gevolg geeft aan de aanmaningen van de Geschillencommissie, kan de Vlaamse Regering, na de Geschillencommissie en de hogeschool of universiteit gehoord te hebben, bepalen ten hoogste 5 % van de werkingsuitkeringen van het lopende begrotingsjaar, zoals bedoeld in artikel 130, in te houden. ".
Art. 3.33. Au Chapitre VIII du même décret, il est inséré une Section 4bis, rédigée ainsi qu'il suit :
" Section 4bis. - Déontologie et Commission du contentieux. ".
" Art. 151bis. Le 1er octobre 2000 au plus tard, les universités et les instituts supérieurs en Communauté flamande rédigent conjointement un code déontologique relatif aux initiatives publicitaires. Au plus tard à la même date, ils créent en commun une Commission du contentieux. Ils définissent par règlement commun la composition et le fonctionnement de cette Commission, y compris du secrétariat, et la durée du mandat des membres. Le Gouvernement flamand sanctionne le code déontologique et le règlement par rapport à la Commission du contentieux. ".
" Art. 151ter. A défaut d'un code déontologique et d'une Commission du contentieux tels que visés à l'article 115bis à la date fixée, le Gouvernement flamand établit un code déontologique et crée une Commission du contentieux. Le Gouvernement flamand fixe la composition et le fonctionnement de cette Commission, y compris du secrétariat, et la durée du mandat des membres. ".
" Art. 151quater. La Commission du contentieux composée conformément à l'article 115bis ou 151ter traite, à la demande d'un institut supérieur, d'une université ou du Gouvernement flamand, les infractions au code déontologique et émet, le cas échéant, des injonctions vis à vis de l'institut supérieur ou de l'université concerné.
Au cas où l'institut supérieur ou l'université n'obtempérerait pas aux injonctions de la Commission du contentieux, le Gouvernement flamand peut décider de retenir 5 % au maximum du montant des allocations de fonctionnement de l'année budgétaire en cours, telles que visées à l'article 130. ".
" Section 4bis. - Déontologie et Commission du contentieux. ".
" Art. 151bis. Le 1er octobre 2000 au plus tard, les universités et les instituts supérieurs en Communauté flamande rédigent conjointement un code déontologique relatif aux initiatives publicitaires. Au plus tard à la même date, ils créent en commun une Commission du contentieux. Ils définissent par règlement commun la composition et le fonctionnement de cette Commission, y compris du secrétariat, et la durée du mandat des membres. Le Gouvernement flamand sanctionne le code déontologique et le règlement par rapport à la Commission du contentieux. ".
" Art. 151ter. A défaut d'un code déontologique et d'une Commission du contentieux tels que visés à l'article 115bis à la date fixée, le Gouvernement flamand établit un code déontologique et crée une Commission du contentieux. Le Gouvernement flamand fixe la composition et le fonctionnement de cette Commission, y compris du secrétariat, et la durée du mandat des membres. ".
" Art. 151quater. La Commission du contentieux composée conformément à l'article 115bis ou 151ter traite, à la demande d'un institut supérieur, d'une université ou du Gouvernement flamand, les infractions au code déontologique et émet, le cas échéant, des injonctions vis à vis de l'institut supérieur ou de l'université concerné.
Au cas où l'institut supérieur ou l'université n'obtempérerait pas aux injonctions de la Commission du contentieux, le Gouvernement flamand peut décider de retenir 5 % au maximum du montant des allocations de fonctionnement de l'année budgétaire en cours, telles que visées à l'article 130. ".
Art. 3.34. § 1. Artikel 158, derde, vierde en vijfde lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 27 januari 1993, worden vervangen door de volgende bepaling :
" Met ingang van 1 januari 1994 kunnen ten laste van ten hoogste 80 percent van de saldi van de werkingsuitkeringen van de vorige begrotingsjaren enkel wetenschappelijke, pedagogische, administratieve of technische medewerkers tijdelijk op contractuele basis worden aangesteld.
De aanstellingstermijn kan éénmaal verlengd worden, waarbij de totale aanstellingstermijn niet meer dan twee jaar mag bedragen.
De wetenschappelijke of pedagogische medewerkers genieten de salarisschalen van het assisterend academisch personeel. De administratieve of technische medewerkers genieten de salarisschalen van het administratief en technisch personeel. ".
§ 2. Artikel 158, zesde lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 27 januari 1993, wordt opgeheven.
" Met ingang van 1 januari 1994 kunnen ten laste van ten hoogste 80 percent van de saldi van de werkingsuitkeringen van de vorige begrotingsjaren enkel wetenschappelijke, pedagogische, administratieve of technische medewerkers tijdelijk op contractuele basis worden aangesteld.
De aanstellingstermijn kan éénmaal verlengd worden, waarbij de totale aanstellingstermijn niet meer dan twee jaar mag bedragen.
De wetenschappelijke of pedagogische medewerkers genieten de salarisschalen van het assisterend academisch personeel. De administratieve of technische medewerkers genieten de salarisschalen van het administratief en technisch personeel. ".
§ 2. Artikel 158, zesde lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 27 januari 1993, wordt opgeheven.
Art. 3.34. § 1er. A l'article 158, les troisième, quatrième et cinquième alinéas du même décret, modifiés par le décret du 27 janvier 1993, sont remplacés par la disposition suivante :
" A partir du 1er janvier 1994, seuls des collaborateurs du personnel scientifique, pédagogique, administratif ou technique peuvent être désignés temporairement sur base contractuelle à charge de 80 pour-cent au maximum des soldes des allocations de fonctionnement des années budgétaires antérieures.
Le délai de la désignation ne peut être prolongé qu'une seule fois, la durée totale ne pouvant dépasser deux ans.
Les collaborateurs scientifiques ou pédagogiques bénéficient des échelles de traitement du personnel académique assistant. Les collaborateurs administratifs ou techniques bénéficient des échelles de traitement du personnel administratif et technique. ".
§ 2. L'article 158, sixième alinéa, du même décret, modifié par le décret du 27 janvier 1993, est supprimé.
" A partir du 1er janvier 1994, seuls des collaborateurs du personnel scientifique, pédagogique, administratif ou technique peuvent être désignés temporairement sur base contractuelle à charge de 80 pour-cent au maximum des soldes des allocations de fonctionnement des années budgétaires antérieures.
Le délai de la désignation ne peut être prolongé qu'une seule fois, la durée totale ne pouvant dépasser deux ans.
Les collaborateurs scientifiques ou pédagogiques bénéficient des échelles de traitement du personnel académique assistant. Les collaborateurs administratifs ou techniques bénéficient des échelles de traitement du personnel administratif et technique. ".
§ 2. L'article 158, sixième alinéa, du même décret, modifié par le décret du 27 janvier 1993, est supprimé.
Art. 3.35. In artikel 159 van hetzelfde decreet worden het eerste en tweede lid vervangen door de volgende bepaling :
" Bij het vaststellen van de personeelsformatie en de begrote jaarlijkse bezettingsgraad mag het aantal betrekkingen van het zelfstandig academisch personeel, uitgedrukt in voltijdse eenheden, ten hoogste 70 percent van het totaal aantal plaatsen in de formatie van het academisch personeel bedragen.
Zo lang het bovengenoemde aantal is overschreden, mag geen enkele benoeming of aanstelling in de desbetreffende personeelscategorie worden gedaan. ".
" Bij het vaststellen van de personeelsformatie en de begrote jaarlijkse bezettingsgraad mag het aantal betrekkingen van het zelfstandig academisch personeel, uitgedrukt in voltijdse eenheden, ten hoogste 70 percent van het totaal aantal plaatsen in de formatie van het academisch personeel bedragen.
Zo lang het bovengenoemde aantal is overschreden, mag geen enkele benoeming of aanstelling in de desbetreffende personeelscategorie worden gedaan. ".
Art.3. 35. A l'article 159 du même décret, les premier et deuxième alinéas sont remplacés par la disposition suivante :
" En fixant le cadre organique et le taux d'occupation annuel budgétisé, le nombre d'emplois du personnel académique autonome, exprimés en unités à temps plein, s'élève au maximum à 70 % du nombre total de postes au cadre du personnel académique.
Aussi longtemps que les nombres susmentionnés sont dépassés, aucune nomination ou désignation dans les grades concernés ne peut être faite. ".
" En fixant le cadre organique et le taux d'occupation annuel budgétisé, le nombre d'emplois du personnel académique autonome, exprimés en unités à temps plein, s'élève au maximum à 70 % du nombre total de postes au cadre du personnel académique.
Aussi longtemps que les nombres susmentionnés sont dépassés, aucune nomination ou désignation dans les grades concernés ne peut être faite. ".
Art. 3.36. Artikel 160 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 8 juli 1996, wordt aangevuld met een vierde lid, dat luidt als volgt :
" Om vanaf het begrotingsjaar 2000 na te gaan of de 80 percent- of 85 percentnorm wordt overschreden, wordt er rekening gehouden met het bedrag dat de universiteit uit het bijzonder Onderzoeksfonds heeft toegevoegd aan de werkingsuitkering overeenkomstig het bepaalde in artikel 128, vierde lid. ".
" Om vanaf het begrotingsjaar 2000 na te gaan of de 80 percent- of 85 percentnorm wordt overschreden, wordt er rekening gehouden met het bedrag dat de universiteit uit het bijzonder Onderzoeksfonds heeft toegevoegd aan de werkingsuitkering overeenkomstig het bepaalde in artikel 128, vierde lid. ".
Art. 3.36. L'article 160 du même décret, modifié par le décret du 8 juillet 1996, est complété par un quatrième alinéa, rédigé comme suit :
" Afin de vérifier à partir de l'année budgétaire 2000 si la norme de 80 % ou 85 % est dépassée, il est tenu compte du montant provenant du Fonds spécial de recherche que l'université a ajouté à l'allocation de fonctionnement conformément aux dispositions de l'article 128, quatrième alinéa. ".
" Afin de vérifier à partir de l'année budgétaire 2000 si la norme de 80 % ou 85 % est dépassée, il est tenu compte du montant provenant du Fonds spécial de recherche que l'université a ajouté à l'allocation de fonctionnement conformément aux dispositions de l'article 128, quatrième alinéa. ".
Art. 3.37. Artikel 162, derde lid, van hetzelfde decreet wordt aangevuld met de volgende zin :
" Het universiteitsbestuur brengt eveneens verslag uit over de wijze van organisatie en de effecten van de onderwijsbegeleiding in de eerste kandidatuur. ".
" Het universiteitsbestuur brengt eveneens verslag uit over de wijze van organisatie en de effecten van de onderwijsbegeleiding in de eerste kandidatuur. ".
Art. 3.37. A l'article 162 du même décret, le troisième alinéa est complété par la phrase suivante :
" Les autorités universitaires dressent également un rapport sur l'organisation et les effets de l'encadrement de l'enseignement en première candidature. ".
" Les autorités universitaires dressent également un rapport sur l'organisation et les effets de l'encadrement de l'enseignement en première candidature. ".
Art. 3.38. Artikel 169bis van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt :
1° de huidige tekst van het artikel wordt § 1;
2° er worden drie paragrafen toegevoegd, waarvan de tekst luidt als volgt :
" § 2. Onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering zal de Vlaamse Gemeenschap universitaire steunpunten subsidiëren. Deze steunpunten bieden wetenschappelijke ondersteuning aan de overheid en aan de onderwijsinstellingen op het gebied van thema's door de Vlaamse Regering vastgelegd. De ondersteuning moet zowel onderzoek als vorming en materiaalontwikkeling behelzen.
§ 3. Onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering draagt de Vlaamse Gemeenschap bij in het dekken van de kosten van projecten van internationale samenwerking op het vlak van het universitair onderwijs.
§ 4. Onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering draagt de Vlaamse Gemeenschap bij in het dekken van de kosten van projecten van innovatie van het hoger onderwijs. ".
1° de huidige tekst van het artikel wordt § 1;
2° er worden drie paragrafen toegevoegd, waarvan de tekst luidt als volgt :
" § 2. Onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering zal de Vlaamse Gemeenschap universitaire steunpunten subsidiëren. Deze steunpunten bieden wetenschappelijke ondersteuning aan de overheid en aan de onderwijsinstellingen op het gebied van thema's door de Vlaamse Regering vastgelegd. De ondersteuning moet zowel onderzoek als vorming en materiaalontwikkeling behelzen.
§ 3. Onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering draagt de Vlaamse Gemeenschap bij in het dekken van de kosten van projecten van internationale samenwerking op het vlak van het universitair onderwijs.
§ 4. Onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering draagt de Vlaamse Gemeenschap bij in het dekken van de kosten van projecten van innovatie van het hoger onderwijs. ".
Art. 3.38. L'article 169bis du même décret est modifié comme suit :
1° le texte actuel de l'article devient le § 1er;
2° trois paragraphes sont ajoutés, dont le texte est le suivant :
" § 2. Aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, la Communauté flamande subventionnera des antennes universitaires. Ces antennes offrent un encadrement scientifique au pouvoir public et aux établissements d'enseignement dans le domaine de thèmes fixés par le Gouvernement flamand. Cet encadrement doit couvrir la recherche, la formation et la conception de matériaux.
§ 3. Aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, la Communauté flamande intervient dans la couverture des coûts de projets de collaboration internationale au niveau de l'enseignement universitaire.
§ 4. Aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, la Communauté flamande intervient dans la couverture des coûts de projets innovateurs de l'enseignement supérieur. ".
1° le texte actuel de l'article devient le § 1er;
2° trois paragraphes sont ajoutés, dont le texte est le suivant :
" § 2. Aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, la Communauté flamande subventionnera des antennes universitaires. Ces antennes offrent un encadrement scientifique au pouvoir public et aux établissements d'enseignement dans le domaine de thèmes fixés par le Gouvernement flamand. Cet encadrement doit couvrir la recherche, la formation et la conception de matériaux.
§ 3. Aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, la Communauté flamande intervient dans la couverture des coûts de projets de collaboration internationale au niveau de l'enseignement universitaire.
§ 4. Aux conditions fixées par le Gouvernement flamand, la Communauté flamande intervient dans la couverture des coûts de projets innovateurs de l'enseignement supérieur. ".
Art. 3.39. Artikel 181, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt aangevuld als volgt :
" Wanneer het universiteitsbestuur bij de rangschikkingsoperatie aan het aldus gerangschikte personeelslid geen graad toekent, verkrijgt het personeelslid ambtshalve de graad van docent. ".
" Wanneer het universiteitsbestuur bij de rangschikkingsoperatie aan het aldus gerangschikte personeelslid geen graad toekent, verkrijgt het personeelslid ambtshalve de graad van docent. ".
Art. 3.39. L'article 181, premier alinéa, du même décret, est complété comme suit :
" Si, lors d'une opération de classement, les autorités universitaires n'accordent aucun grade au membre du personnel ainsi classé, celui-ci obtient d'office le grade de chargé de cours. ".
" Si, lors d'une opération de classement, les autorités universitaires n'accordent aucun grade au membre du personnel ainsi classé, celui-ci obtient d'office le grade de chargé de cours. ".
Art. 3.40. Artikel 181, derde lid, van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" De betrokkenen die aldus gerangschikt worden in de graad van docent, behouden in afwijking van het krachtens artikel 96 van dit decreet vastgestelde salaris het aan hun vroegere graad verbonden salaris, met inbegrip van het jaarsalaris dat zij eventueel genoten als deeltijds lid van het onderwijzend personeel in dezelfde universiteit vastgesteld overeenkomstig de voor de inwerkingtreding van dit decreet op hen toepasselijke regels. ".
" De betrokkenen die aldus gerangschikt worden in de graad van docent, behouden in afwijking van het krachtens artikel 96 van dit decreet vastgestelde salaris het aan hun vroegere graad verbonden salaris, met inbegrip van het jaarsalaris dat zij eventueel genoten als deeltijds lid van het onderwijzend personeel in dezelfde universiteit vastgesteld overeenkomstig de voor de inwerkingtreding van dit decreet op hen toepasselijke regels. ".
Art. 3.40. L'article 181, troisième alinéa, du même décret, est remplacé par ce qui suit :
" Les intéressés ainsi classés dans le grade de chargé de cours, maintiennent, par dérogation au traitement fixé en vertu de l'article 96 du présent décret, le traitement rattaché à leur grade précédent, y compris le traitement annuel dont ils bénéficieraient éventuellement comme membre du personnel temporaire des personnels enseignants à la même université fixé conformément aux règles qui leur étaient applicables avant l'entrée en vigueur du présent décret. ".
" Les intéressés ainsi classés dans le grade de chargé de cours, maintiennent, par dérogation au traitement fixé en vertu de l'article 96 du présent décret, le traitement rattaché à leur grade précédent, y compris le traitement annuel dont ils bénéficieraient éventuellement comme membre du personnel temporaire des personnels enseignants à la même université fixé conformément aux règles qui leur étaient applicables avant l'entrée en vigueur du présent décret. ".
Art. 3.41. § 1. Artikel 181, zesde lid, van hetzelfde decreet wordt aangevuld met de volgende bepalingen :
" Tot op de datum van de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering bedoeld in artikel 63, blijft op hen de op 30 september 1991 van kracht zijnde regeling inzake administratieve standen, tuchtregeling en ambtsbeëindiging van toepassing. Zij zijn onderworpen aan de evaluatieprocedure bedoeld in artikel 106bis. ".
§ 2. Artikel 181, achtste lid, tweede volzin van hetzelfde decreet heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1991.
" Tot op de datum van de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering bedoeld in artikel 63, blijft op hen de op 30 september 1991 van kracht zijnde regeling inzake administratieve standen, tuchtregeling en ambtsbeëindiging van toepassing. Zij zijn onderworpen aan de evaluatieprocedure bedoeld in artikel 106bis. ".
§ 2. Artikel 181, achtste lid, tweede volzin van hetzelfde decreet heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1991.
Art. 3.41. § 1er. A l'article 181 du même décret, le sixième alinéa est complété par les dispositions suivantes :
" Jusqu'à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement flamand visé à l'article 63, le régime des positions administratives, de la discipline et de la cessation des fonctions qui s'appliquait à ces membres du personnel au 30 septembre 1991, reste d'application. Ils sont soumis à la procédure d'évaluation visée à l'article 106bis. ".
§ 2. L'article 181, huitième alinéa, deuxième phrase, du même décret, produit ses effets le 1er octobre 1991.
" Jusqu'à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté du Gouvernement flamand visé à l'article 63, le régime des positions administratives, de la discipline et de la cessation des fonctions qui s'appliquait à ces membres du personnel au 30 septembre 1991, reste d'application. Ils sont soumis à la procédure d'évaluation visée à l'article 106bis. ".
§ 2. L'article 181, huitième alinéa, deuxième phrase, du même décret, produit ses effets le 1er octobre 1991.
Art. 3.42. In Hoofdstuk X van hetzelfde decreet wordt een artikel 181bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 181bis. § 1. Het universiteitsbestuur kan per 1 januari 2000 de onderzoekers in vast dienstverband van het Fonds voor wetenschappelijk onderzoek Vlaanderen (FWO) rangschikken in een van de graden van het zelfstandig academisch personeel van de universiteit. In afwijking van het bepaalde in de artikelen 88 en 90 doet het universiteitsbestuur daartoe aan de betrokkenen een benoemingsvoorstel met vermelding van de graad waarin de betrokkene kan gerangschikt worden en de opdracht van de betrokkene.
§ 2. De betrokkenen die aldus gerangschikt worden in een van de graden van het zelfstandig academisch personeel, verkrijgen in de salarisschaal verbonden aan hun graad het salaris dat onmiddellijk hoger is dan het salaris dat zij genoten in hun vorig dienstverband à 100 %. Voor de toepassing van deze bepalingen wordt rekening gehouden met het salaris dat betrokkenen genoten in hoofde van hun benoeming in een deeltijds dienstverband met een opdracht van uitsluitend onderwijsactiviteiten.
§ 3. De onderzoekers van het FWO die tevens benoemd waren als lid van het zelfstandig academisch personeel in een deeltijds dienstverband en wier dienstverband ingevolge de toepassing van § 1 voltijds werd in een hogere graad, worden ingeschaald in de salarisschaal van hun nieuwe graad op de salaristrap onmiddellijk hoger dan de salaristrap à 100 % in hun oude salarisschaal van het zelfstandig academisch personeel. ".
" Art. 181bis. § 1. Het universiteitsbestuur kan per 1 januari 2000 de onderzoekers in vast dienstverband van het Fonds voor wetenschappelijk onderzoek Vlaanderen (FWO) rangschikken in een van de graden van het zelfstandig academisch personeel van de universiteit. In afwijking van het bepaalde in de artikelen 88 en 90 doet het universiteitsbestuur daartoe aan de betrokkenen een benoemingsvoorstel met vermelding van de graad waarin de betrokkene kan gerangschikt worden en de opdracht van de betrokkene.
§ 2. De betrokkenen die aldus gerangschikt worden in een van de graden van het zelfstandig academisch personeel, verkrijgen in de salarisschaal verbonden aan hun graad het salaris dat onmiddellijk hoger is dan het salaris dat zij genoten in hun vorig dienstverband à 100 %. Voor de toepassing van deze bepalingen wordt rekening gehouden met het salaris dat betrokkenen genoten in hoofde van hun benoeming in een deeltijds dienstverband met een opdracht van uitsluitend onderwijsactiviteiten.
§ 3. De onderzoekers van het FWO die tevens benoemd waren als lid van het zelfstandig academisch personeel in een deeltijds dienstverband en wier dienstverband ingevolge de toepassing van § 1 voltijds werd in een hogere graad, worden ingeschaald in de salarisschaal van hun nieuwe graad op de salaristrap onmiddellijk hoger dan de salaristrap à 100 % in hun oude salarisschaal van het zelfstandig academisch personeel. ".
Art. 3.42. Au Chapitre X du même décret, il est inséré un article 181bis, formulé comme suit :
" Art. 181bis. § 1er. A compter du 1er janvier 2000, les autorités universitaires peuvent classer les chercheurs nommés définitivement du " Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen " (FWO-Fonds flamand pour la recherche scientifique) dans un des grades du personnel académique autonome de l'université. Par dérogation aux dispositions des articles 88 et 90, les autorités universitaires font aux personnes intéressées une proposition de nomination avec mention du grade dans lequel l'intéressé peut être classé et de la charge à assumer par lui.
§ 2. Les intéressés ainsi classés dans un des grades du personnel académique autonome, obtiennent dans l'échelle de traitement liée à leur grade le traitement immédiatement supérieur au traitement dont ils bénéficiaient dans leur charge précédente à 100 %. Pour l'application de ces dispositions, il est tenu compte du traitement dont bénéficiaient les intéressés du chef de leur nomination dans une charge à temps partiel consistant uniquement en activités d'enseignement.
§ 3. Les chercheurs du FWO qui étaient également nommés membre du personnel académique autonome dans une charge à temps partiel et dont la charge devenait une charge complète dans un grade supérieur par application du § 1er, sont insérés dans l'échelle de traitement de leur nouveau grade à l'échelon immédiatement supérieur à l'échelon à 100 % de leur ancienne échelle de traitement du personnel académique autonome. ".
" Art. 181bis. § 1er. A compter du 1er janvier 2000, les autorités universitaires peuvent classer les chercheurs nommés définitivement du " Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen " (FWO-Fonds flamand pour la recherche scientifique) dans un des grades du personnel académique autonome de l'université. Par dérogation aux dispositions des articles 88 et 90, les autorités universitaires font aux personnes intéressées une proposition de nomination avec mention du grade dans lequel l'intéressé peut être classé et de la charge à assumer par lui.
§ 2. Les intéressés ainsi classés dans un des grades du personnel académique autonome, obtiennent dans l'échelle de traitement liée à leur grade le traitement immédiatement supérieur au traitement dont ils bénéficiaient dans leur charge précédente à 100 %. Pour l'application de ces dispositions, il est tenu compte du traitement dont bénéficiaient les intéressés du chef de leur nomination dans une charge à temps partiel consistant uniquement en activités d'enseignement.
§ 3. Les chercheurs du FWO qui étaient également nommés membre du personnel académique autonome dans une charge à temps partiel et dont la charge devenait une charge complète dans un grade supérieur par application du § 1er, sont insérés dans l'échelle de traitement de leur nouveau grade à l'échelon immédiatement supérieur à l'échelon à 100 % de leur ancienne échelle de traitement du personnel académique autonome. ".
Art. 3.43. Artikel 182, derde lid van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt :
" De beslissingen van het universiteitsbestuur houdende benoeming of aanstelling van de leden van het onderwijzend personeel of van het vastbenoemd wetenschappelijk personeel die overeenkomstig de voorheen geldende bepalingen werden getroffen en waarvan de administratieve procedure werd aangevat vóór 1 oktober 1991, doch die ingaan in het academiejaar 1991-1992, zijn rechtsgeldig, op voorwaarde dat de uiteindelijke beslissingen door het universiteitsbestuur genomen werden vóór 1 oktober 1992. Voor de aldus benoemde of aangestelde personeelsleden gelden de bepalingen van artikel 181 en van het tweede lid van dit artikel. De rangschikking of een latere benoeming of aanstelling in een graad van het zelfstandig academisch personeel van de leden van het onderwijzend personeel, die overeenkomstig de voorheen geldende bepalingen werden aangesteld of benoemd, worden geacht in overeenstemming te zijn met de bepalingen van het eerste lid van artikel 83. De leden van het onderwijzend of wetenschappelijk personeel die op het moment van hun benoeming in het bezit waren van een diploma van doctor op proefschrift zonder de formele erkenning van de gelijkwaardigheid ervan met een Belgisch diploma van doctor, worden geacht te voldoen aan de diplomavoorwaarden zoals die waren voorgeschreven in de wet van 28 april 1953 of in het koninklijk besluit van 31 oktober 1953. ".
" De beslissingen van het universiteitsbestuur houdende benoeming of aanstelling van de leden van het onderwijzend personeel of van het vastbenoemd wetenschappelijk personeel die overeenkomstig de voorheen geldende bepalingen werden getroffen en waarvan de administratieve procedure werd aangevat vóór 1 oktober 1991, doch die ingaan in het academiejaar 1991-1992, zijn rechtsgeldig, op voorwaarde dat de uiteindelijke beslissingen door het universiteitsbestuur genomen werden vóór 1 oktober 1992. Voor de aldus benoemde of aangestelde personeelsleden gelden de bepalingen van artikel 181 en van het tweede lid van dit artikel. De rangschikking of een latere benoeming of aanstelling in een graad van het zelfstandig academisch personeel van de leden van het onderwijzend personeel, die overeenkomstig de voorheen geldende bepalingen werden aangesteld of benoemd, worden geacht in overeenstemming te zijn met de bepalingen van het eerste lid van artikel 83. De leden van het onderwijzend of wetenschappelijk personeel die op het moment van hun benoeming in het bezit waren van een diploma van doctor op proefschrift zonder de formele erkenning van de gelijkwaardigheid ervan met een Belgisch diploma van doctor, worden geacht te voldoen aan de diplomavoorwaarden zoals die waren voorgeschreven in de wet van 28 april 1953 of in het koninklijk besluit van 31 oktober 1953. ".
Art. 3.43. A l'article 182 du même décret, le troisième alinéa est modifié comme suit :
" Les décisions des autorités universitaires nommant ou désignant les membres du personnel enseignant ou du personnel scientifique nommés à titre définitif, prises conformément aux dispositions antérieures et dont la procédure administrative était entamée avant le 1er octobre 1991, mais qui prennent cours pendant l'année académique 1991-1992, conservent leur validité, pourvu que les décisions finales aient été prises avant le 1er octobre 1992. L'article 181 et le deuxième alinéa du présent article s'appliquent aux personnes ainsi nommées ou désignées. Le classement ou une nomination ou désignation ultérieure dans un grade du personnel académique autonome des membres du personnel enseignant, désignés ou nommés conformément aux dispositions en vigueur préalablement, sont censés satisfaire aux dispositions du premier alinéa de l'article 83. Les membres du personnel enseignant ou scientifique qui, au moment de leur nomination, étaient titulaires d'un diplôme de docteur obtenu sur présentation d'une thèse dont l'équivalence à un diplôme belge de docteur n'est pas formellement reconnue, sont censés satisfaire aux conditions de diplôme au sens de la loi du 28 avril 1953 ou de l'arrêté royal du 31 octobre 1953. ".
" Les décisions des autorités universitaires nommant ou désignant les membres du personnel enseignant ou du personnel scientifique nommés à titre définitif, prises conformément aux dispositions antérieures et dont la procédure administrative était entamée avant le 1er octobre 1991, mais qui prennent cours pendant l'année académique 1991-1992, conservent leur validité, pourvu que les décisions finales aient été prises avant le 1er octobre 1992. L'article 181 et le deuxième alinéa du présent article s'appliquent aux personnes ainsi nommées ou désignées. Le classement ou une nomination ou désignation ultérieure dans un grade du personnel académique autonome des membres du personnel enseignant, désignés ou nommés conformément aux dispositions en vigueur préalablement, sont censés satisfaire aux dispositions du premier alinéa de l'article 83. Les membres du personnel enseignant ou scientifique qui, au moment de leur nomination, étaient titulaires d'un diplôme de docteur obtenu sur présentation d'une thèse dont l'équivalence à un diplôme belge de docteur n'est pas formellement reconnue, sont censés satisfaire aux conditions de diplôme au sens de la loi du 28 avril 1953 ou de l'arrêté royal du 31 octobre 1953. ".
Art. 3.44. Aan artikel 182bis van hetzelfde decreet wordt een vierde en vijfde lid toegevoegd, die luiden als volgt :
" Het principe van de onmiddellijk hogere jaarwedde vervat in het artikel 41 van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat, geldt ook voor de vaststelling van de hoogte van het salaris als lid van het onderwijzend personeel in geval van benoeming van een lid van het wetenschappelijk personeel tot lid van het onderwijzend personeel met een deeltijds dienstverband in combinatie met een deeltijdse opdracht als lid van het wetenschappelijk personeel.
Hetzelfde principe van de onmiddellijk hogere jaarwedde geldt ook voor de vaststelling van de hoogte van het salaris bij benoeming van een geassocieerd docent tot docent en bij benoeming van een geassocieerd hoogleraar tot hoogleraar. ".
" Het principe van de onmiddellijk hogere jaarwedde vervat in het artikel 41 van de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat, geldt ook voor de vaststelling van de hoogte van het salaris als lid van het onderwijzend personeel in geval van benoeming van een lid van het wetenschappelijk personeel tot lid van het onderwijzend personeel met een deeltijds dienstverband in combinatie met een deeltijdse opdracht als lid van het wetenschappelijk personeel.
Hetzelfde principe van de onmiddellijk hogere jaarwedde geldt ook voor de vaststelling van de hoogte van het salaris bij benoeming van een geassocieerd docent tot docent en bij benoeming van een geassocieerd hoogleraar tot hoogleraar. ".
Art. 3.44. A l'article 182bis du même décret sont ajoutés un quatrième et un cinquième alinéas, rédigés ainsi qu'il suit :
" Le principe d'un traitement annuel immédiatement supérieur prévu à l'article 41 de la loi du 28 avril 1953 sur l'organisation de l'enseignement supérieur dans les universités de l'Etat, est également applicable à la fixation du niveau du traitement comme membre du personnel enseignant en cas d'une nomination d'un membre du personnel scientifique en qualité de membre du personnel enseignant assurant une charge à temps partiel qu'il combine avec une charge partielle en qualité de membre du personnel scientifique.
(NOTE : nouvel alinéa, conformément au texte néerlandais.) Le même principe du traitement annuel immédiatement supérieur s'applique également à la fixation du niveau de traitement lors d'une nomination d'un chargé de cours associé en qualité de chargé de cours et lors d'une nomination d'un professeur associé en qualité de professeur. ".
" Le principe d'un traitement annuel immédiatement supérieur prévu à l'article 41 de la loi du 28 avril 1953 sur l'organisation de l'enseignement supérieur dans les universités de l'Etat, est également applicable à la fixation du niveau du traitement comme membre du personnel enseignant en cas d'une nomination d'un membre du personnel scientifique en qualité de membre du personnel enseignant assurant une charge à temps partiel qu'il combine avec une charge partielle en qualité de membre du personnel scientifique.
(NOTE : nouvel alinéa, conformément au texte néerlandais.) Le même principe du traitement annuel immédiatement supérieur s'applique également à la fixation du niveau de traitement lors d'une nomination d'un chargé de cours associé en qualité de chargé de cours et lors d'une nomination d'un professeur associé en qualité de professeur. ".
Art. 3.45. Na artikel 182ter van hetzelfde decreet wordt een artikel 182quater ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 182quater. De benoemingen en aanstellingen vanaf 1 oktober 1991 tot en met 30 september 1994 in één van de graden van artikel 64, tweede lid, van personeelsleden die gelijktijdig aangesteld worden als onderzoeker bij het Fonds voor wetenschappelijk onderzoek, het Vlaams Instituut voor de Bevordering van het wetenschappelijk-technologisch onderzoek in de industrie en het Instituut voor wetenschappelijk Onderzoek in de nijverheid en landbouw worden als regelmatig beschouwd. ".
" Art. 182quater. De benoemingen en aanstellingen vanaf 1 oktober 1991 tot en met 30 september 1994 in één van de graden van artikel 64, tweede lid, van personeelsleden die gelijktijdig aangesteld worden als onderzoeker bij het Fonds voor wetenschappelijk onderzoek, het Vlaams Instituut voor de Bevordering van het wetenschappelijk-technologisch onderzoek in de industrie en het Instituut voor wetenschappelijk Onderzoek in de nijverheid en landbouw worden als regelmatig beschouwd. ".
Art. 3.45. Après l'article 182ter du même décret est inséré un article 182quater, rédigé comme suit :
" Art. 182quater. Les nominations et désignations opérées du 1er octobre 1991 au 30 septembre 1994 inclus à un des grades de l'article 64, deuxième alinéa, des personnels désignés simultanément comme chercheur auprès du " Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek " (Fonds de la recherche scientifique), du " Vlaams Instituut voor de Bevordering van het wetenschappelijk-technologisch onderzoek in de industrie " (Institut flamand pour la Promotion de la recherche scientifico-technologique dans l'industrie) et de l'" Instituut voor wetenschappelijk Onderzoek in de nijverheid en landbouw " (Institut pour l'Encouragement de la recherche scientifique dans l'industrie et l'agriculture) sont considérées régulières. ".
" Art. 182quater. Les nominations et désignations opérées du 1er octobre 1991 au 30 septembre 1994 inclus à un des grades de l'article 64, deuxième alinéa, des personnels désignés simultanément comme chercheur auprès du " Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek " (Fonds de la recherche scientifique), du " Vlaams Instituut voor de Bevordering van het wetenschappelijk-technologisch onderzoek in de industrie " (Institut flamand pour la Promotion de la recherche scientifico-technologique dans l'industrie) et de l'" Instituut voor wetenschappelijk Onderzoek in de nijverheid en landbouw " (Institut pour l'Encouragement de la recherche scientifique dans l'industrie et l'agriculture) sont considérées régulières. ".
Art. 3.46. In artikel 186bis, § 1, 1°, van hetzelfde decreet worden de woorden " 1 oktober 1982 " vervangen door de woorden " 1 januari 1983 ".
Art. 3.46. A l'article 186bis, § 1er, 1°, du même décret, les mots " 1er octobre 1982 " sont remplacés par les mots " 1er janvier 1983 ".
Art. 3.47. Aan artikel 186bis van hetzelfde decreet wordt een § 8 toegevoegd, die luidt als volgt :
" § 8. In afwijking van de op het ogenblik van de beslissing van het universiteitsbestuur toepasselijke regelgeving worden de leden van het vastbenoemd wetenschappelijk personeel, die voldoen aan de diplomavereisten om te worden benoemd in een graad van het onderwijzend personeel en in het bezit zijn van een diploma van geaggregeerde van het Hoger Onderwijs, geacht regelmatig te zijn benoemd vanaf de datum van benoeming als lid van het wetenschappelijk personeel. ".
" § 8. In afwijking van de op het ogenblik van de beslissing van het universiteitsbestuur toepasselijke regelgeving worden de leden van het vastbenoemd wetenschappelijk personeel, die voldoen aan de diplomavereisten om te worden benoemd in een graad van het onderwijzend personeel en in het bezit zijn van een diploma van geaggregeerde van het Hoger Onderwijs, geacht regelmatig te zijn benoemd vanaf de datum van benoeming als lid van het wetenschappelijk personeel. ".
Art. 3.47. A l'article 186bis du même décret est ajouté un § 8, rédigé comme suit :
" § 8. Par dérogation à la réglementation applicable au moment de la prise de décision des autorités universitaires, les membres du personnel scientifique nommés à titre définitif qui satisfont aux exigences de diplôme pour être nommés à un grade du personnel enseignant et sont titulaires d'un diplôme d'agrégé de l'enseignement supérieur, sont réputés être nommés régulièrement, à compter de la date de nomination, comme membre du personnel scientifique. ".
" § 8. Par dérogation à la réglementation applicable au moment de la prise de décision des autorités universitaires, les membres du personnel scientifique nommés à titre définitif qui satisfont aux exigences de diplôme pour être nommés à un grade du personnel enseignant et sont titulaires d'un diplôme d'agrégé de l'enseignement supérieur, sont réputés être nommés régulièrement, à compter de la date de nomination, comme membre du personnel scientifique. ".
Art. 3.48. Aan artikel 186ter van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" In het kader van het sanerings- en herstructureringsplan kunnen publiekrechtelijke instellingen administratief en technisch personeel aanstellen op contractuele basis voor een bepaalde duur. ".
" In het kader van het sanerings- en herstructureringsplan kunnen publiekrechtelijke instellingen administratief en technisch personeel aanstellen op contractuele basis voor een bepaalde duur. ".
Art. 3.48. A l'article 186ter du même décret est ajouté un deuxième alinéa, rédigé ainsi qu'il suit :
" Dans le contexte du plan d'assainissement et de restructuration, des institutions de droit public peuvent désigner des personnels administratifs et techniques sur une base contractuelle et pour une durée limitée. ".
" Dans le contexte du plan d'assainissement et de restructuration, des institutions de droit public peuvent désigner des personnels administratifs et techniques sur une base contractuelle et pour une durée limitée. ".
Art. 3.49. In artikel 188, tweede lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 27 januari 1993, worden de woorden " 8 mei " vervangen door de woorden " 1 oktober ".
Art. 3.49. A l'article 188, deuxième alinéa, du même décret, modifié par le décret du 27 janvier 1993, les mots " 8 mai " sont remplacés par les mots " 1er octobre ".
Art. 3.50. Aan artikel 188 van hetzelfde decreet wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" De bevorderingen van de in het eerste lid van artikel 107 bedoelde personeelsleden in een functie van de onmiddellijk hogere graad zonder vacature doorgevoerd in het kader van een door het universiteitsbestuur vooraf bepaalde loopbaanplanning en binnen de perken van de personeelsformatie, worden als regelmatig beschouwd, indien deze zijn gebeurd na een gunstige beoordeling en expliciete motivering. ".
" De bevorderingen van de in het eerste lid van artikel 107 bedoelde personeelsleden in een functie van de onmiddellijk hogere graad zonder vacature doorgevoerd in het kader van een door het universiteitsbestuur vooraf bepaalde loopbaanplanning en binnen de perken van de personeelsformatie, worden als regelmatig beschouwd, indien deze zijn gebeurd na een gunstige beoordeling en expliciete motivering. ".
Art. 3.50. A l'article 188 du même décret est ajouté un troisième alinéa, formulé comme suit :
" Les promotions des personnels visés au premier alinéa de l'article 107 dans une fonction du grade immédiatement supérieur sans publication d'un avis de vacances d'emploi, opérées dans le cadre d'un parcours professionnel jalonné au préalable par les autorités universitaires et dans les limites d'un cadre organique, sont censées être régulières, si celles-ci ont été effectuées après une évaluation favorable et une motivation explicite. ".
" Les promotions des personnels visés au premier alinéa de l'article 107 dans une fonction du grade immédiatement supérieur sans publication d'un avis de vacances d'emploi, opérées dans le cadre d'un parcours professionnel jalonné au préalable par les autorités universitaires et dans les limites d'un cadre organique, sont censées être régulières, si celles-ci ont été effectuées après une évaluation favorable et une motivation explicite. ".
Art. 3.51. Aan artikel 188 van hetzelfde decreet wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" In afwijking van de op het ogenblik van de beslissing van het universiteitsbestuur toepasselijke regelgeving voor de vaste benoeming van het meesters-, vak- en dienstpersoneel in de rijksuniversiteiten, worden de in het eerste lid van artikel 107 bedoelde personeelsleden van een universiteit bedoeld in artikel 3, geacht regelmatig te zijn benoemd vanaf de datum van inwerkingtreding van de beslissingen van het universiteitsbestuur houdende de eerste benoeming in een deeltijdse betrekking. De prestaties van de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel, geleverd in een deeltijds dienstverband voor 1 januari 1992, worden pro rata meegerekend voor het bepalen van hun geldelijke anciënniteit. ".
" In afwijking van de op het ogenblik van de beslissing van het universiteitsbestuur toepasselijke regelgeving voor de vaste benoeming van het meesters-, vak- en dienstpersoneel in de rijksuniversiteiten, worden de in het eerste lid van artikel 107 bedoelde personeelsleden van een universiteit bedoeld in artikel 3, geacht regelmatig te zijn benoemd vanaf de datum van inwerkingtreding van de beslissingen van het universiteitsbestuur houdende de eerste benoeming in een deeltijdse betrekking. De prestaties van de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel, geleverd in een deeltijds dienstverband voor 1 januari 1992, worden pro rata meegerekend voor het bepalen van hun geldelijke anciënniteit. ".
Art. 3.51. A l'article 188 du même décret est ajouté un quatrième alinéa, rédigé comme suit :
" Par dérogation à la réglementation applicable au moment de la prise de décision des autorités universitaires à la nomination à titre définitif des membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service dans les universités de l'Etat, les personnels visés au premier alinéa de l'article 107 d'une université visée à l'article 3, sont censés être nommés régulièrement à compter de la date de l'entrée en vigueur des décisions des autorités universitaires portant la première nomination à un emploi à temps partiel. Les prestations des membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service, rendues dans le cadre d'une charge à temps partiel avant le 1er janvier 1992, sont inclues au prorata dans le calcul de l'ancienneté pécuniaire. ".
" Par dérogation à la réglementation applicable au moment de la prise de décision des autorités universitaires à la nomination à titre définitif des membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service dans les universités de l'Etat, les personnels visés au premier alinéa de l'article 107 d'une université visée à l'article 3, sont censés être nommés régulièrement à compter de la date de l'entrée en vigueur des décisions des autorités universitaires portant la première nomination à un emploi à temps partiel. Les prestations des membres du personnel de maîtrise, gens de métier et de service, rendues dans le cadre d'une charge à temps partiel avant le 1er janvier 1992, sont inclues au prorata dans le calcul de l'ancienneté pécuniaire. ".
Art. 3.52. Artikel 191, 4°, achtste lid, van hetzelfde decreet wordt aangevuld met de volgende bepaling :
" Zij zijn onderworpen aan de rechtspositieregeling van de respectievelijke personeelscategorie. Tot op het moment van inwerkingtreding van de bij of krachtens dit decreet vastgestelde rechtspositieregeling, blijft op hen de op 30 september 1991 van kracht zijnde rechtspositieregeling van toepassing. ".
" Zij zijn onderworpen aan de rechtspositieregeling van de respectievelijke personeelscategorie. Tot op het moment van inwerkingtreding van de bij of krachtens dit decreet vastgestelde rechtspositieregeling, blijft op hen de op 30 september 1991 van kracht zijnde rechtspositieregeling van toepassing. ".
Art. 3.52. A l'article 191, 4°, du même décret, le huitième alinéa est complété par la disposition suivante :
" Ils sont soumis au statut de la catégorie du personnel respective. Le statut qui s'appliquait à eux au 30 septembre 1991 reste d'application jusqu'à l'entrée en vigueur du statut fixé par le présent décret ou en vertu de celui-ci. ".
" Ils sont soumis au statut de la catégorie du personnel respective. Le statut qui s'appliquait à eux au 30 septembre 1991 reste d'application jusqu'à l'entrée en vigueur du statut fixé par le présent décret ou en vertu de celui-ci. ".
Art. 3.53. Aan artikel 201, elfde lid, van hetzelfde decreet, zoals ingevoegd bij decreet van 14 juli 1998, wordt volgende zin toegevoegd :
" In afwijking van artikel 36, tweede zin zoals ingevoegd bij decreet van 14 juli 1998, kan het universiteitsbestuur de studenten die in 1997-1998 of eerder met goed gevolg het eerste licentiaat Godgeleerdheid (oud programma) afwerkten, toelaten tot het licentiaat in de Godgeleerdheid (nieuw programma). ".
" In afwijking van artikel 36, tweede zin zoals ingevoegd bij decreet van 14 juli 1998, kan het universiteitsbestuur de studenten die in 1997-1998 of eerder met goed gevolg het eerste licentiaat Godgeleerdheid (oud programma) afwerkten, toelaten tot het licentiaat in de Godgeleerdheid (nieuw programma). ".
Art. 3.53. A l'article 201, onzième alinéa, du même décret, tel qu'inséré par le décret du 14 juillet 1998, la phrase suivante est ajoutée :
" Par dérogation à l'article 36, deuxième phrase, telle qu'insérée par le décret du 14 juillet 1998, les autorités universitaires peuvent admettre à la licence en théologie (nouveau programme) les étudiants qui ont suivi avec succès en 1997-1998 ou dans les années précédentes la première licence en théologie (ancien programme). ".
" Par dérogation à l'article 36, deuxième phrase, telle qu'insérée par le décret du 14 juillet 1998, les autorités universitaires peuvent admettre à la licence en théologie (nouveau programme) les étudiants qui ont suivi avec succès en 1997-1998 ou dans les années précédentes la première licence en théologie (ancien programme). ".
Art. 3.54. In artikel 5 van de wet van 7 april 1971 houdende de oprichting en de werking van de Universitaire Instelling Antwerpen worden de woorden " Rechten en Politieke en sociale Wetenschappen " vervangen door " Rechten, Politieke en sociale Wetenschappen ".
Art. 3.54. A l'article 5 de la loi du 7 avril 1971 portant création et fonctionnement de l'" Universitaire Instelling Antwerpen ", les mots " droit et sciences politiques et sociales " sont remplacés par " droit, sciences politiques et sociales ".
Art. 3.55. In artikel 6, A, 1, van dezelfde wet worden de woorden " en de vice-rector " geschrapt.
Art. 3.55. A l'article 6, a), 1., de la même loi, les mots " et le vice-recteur " sont supprimés.
Art. 3.56. In artikel 6, B, tweede alinea, van dezelfde wet worden de woorden " Commissie van parlementsleden, waarvan sprake in artikel 18 " vervangen door " de Raad van bestuur ".
Art. 3.56. A l'article 6, b), deuxième alinéa, de la même loi, les mots " la Commission de membres du parlement visée à l'article 18 " sont remplacés par les mots " le Conseil d'administration ".
Art. 3.57. In artikel 6, C, van dezelfde wet worden in de aanhef van dit artikel de woorden " Worden door de Vlaamse Regering benoemd : " vervangen door " Worden door de Raad van bestuur gecoöpteerd : ".
Art. 3.57. A l'article 6, c), de la même loi, dans l'intitulé dudit article, les mots " Sont nommés par le Roi : " sont remplacés par " Sont cooptés par le Conseil d'administration : ".
Art. 3.58. In artikel 6, C, van dezelfde wet wordt de voorlaatste alinea " De benoemingen voorzien sub A, 1, en C, worden door de Vlaamse Regering voorgesteld na overleg met de Commissie van parlementsleden waarvan sprake in artikel 18. " geschrapt.
Art. 3.58. A l'article 6, c), de la même loi, l'avant-dernier alinéa " Les nominations reprises au a), 1 et c), sont proposées par le Gouvernement après concertation avec la Commission des membres du parlement visée à l'article 18. " est supprimé.
Art. 3.59. In artikel 14, tweede alinea, 1°, van dezelfde wet worden de woorden " en vice-rector " geschrapt.
Art. 3.59. A l'article 14, deuxième alinéa, 1°, de la même loi, les mots " et le vice-recteur " sont supprimés.
Art. 3.60. In artikel 16, eerste alinea, tweede zin, van dezelfde wet worden na de woorden " van een academische opleiding ", de woorden " of een diploma van de tweede cyclus van een opleiding van academisch niveau " toegevoegd.
Art. 3.60. A l'article 16, premier alinéa, deuxième phrase, de la même loi, les mots " ou d'un diplôme du deuxième cycle d'une formation de niveau académique " sont ajoutés après les mots " d'une formation académique ".
Art. 3.61. Artikel 19 van dezelfde wet wordt geschrapt.
Art. 3.61. L'article 19 de la même loi est supprimé.
Art. 3.62. 1° De artikelen 3.16, 3.18, 3.39, 3.40, 3.41, 3.43, 3.45, 3.48, 3.49, 3.50 en 3.52 gaan in op 1 oktober 1991.
2° Artikel 3.38 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1995.
3° Artikel 3.3 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1996.
4° De artikelen 3.1, 3.2 en 3.53 hebben uitwerking met ingang van 1 oktober 1998.
5° Artikel 3.33 treedt in werking op 1 september 1999.
6° De artikelen 3.4 tot 3.15, 3.17, (3.19 tot 3.21, 3.23 tot 3.29), 3.34, 3.35, 3.37 en 3.54 tot 3.61 treden in werking op 1 oktober 1999.
7° De artikelen (3.22,) 3.30, (...) 3.36 en 3.42 treden in werking op 1 januari 2000, behalve voor wat betreft de vakantiegeldregeling van artikel 3.30 die pas in werking treedt op datum te bepalen door de Vlaamse Regering na het onderzoek van de Vlaamse Regering, zoals bepaald in artikel 3.30 en ten laatste op 1 januari 2002.
8° Artikel 3.44 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1965.
9° Artikel 3.51 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1971.
10° Artikel 3.46 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1982.
11° Artikel 3.47 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1985.
12° Artikel 3.32 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997.
(13° Artikel 3.31 treedt in werking op 1 oktober 2000.)
2° Artikel 3.38 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1995.
3° Artikel 3.3 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1996.
4° De artikelen 3.1, 3.2 en 3.53 hebben uitwerking met ingang van 1 oktober 1998.
5° Artikel 3.33 treedt in werking op 1 september 1999.
6° De artikelen 3.4 tot 3.15, 3.17, (3.19 tot 3.21, 3.23 tot 3.29), 3.34, 3.35, 3.37 en 3.54 tot 3.61 treden in werking op 1 oktober 1999.
7° De artikelen (3.22,) 3.30, (...) 3.36 en 3.42 treden in werking op 1 januari 2000, behalve voor wat betreft de vakantiegeldregeling van artikel 3.30 die pas in werking treedt op datum te bepalen door de Vlaamse Regering na het onderzoek van de Vlaamse Regering, zoals bepaald in artikel 3.30 en ten laatste op 1 januari 2002.
8° Artikel 3.44 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1965.
9° Artikel 3.51 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1971.
10° Artikel 3.46 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1982.
11° Artikel 3.47 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 1985.
12° Artikel 3.32 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997.
(13° Artikel 3.31 treedt in werking op 1 oktober 2000.)
Art. 3.62. 1° Les articles 3.16, 3.18, 3.39, 3.40, 3.41, 3.43, 3.45, 3.48, 3.49, 3.50 et 3.52 produisent leurs effets le 1er octobre 1991;
2° L'article 3.38 produit ses effets le 1er janvier 1995;
3° L'article 3.3 produit ses effets le 1er octobre 1996;
4° Les articles 3.1, 3.2 et 3.53 produisent leurs effets le 1er octobre 1998;
5° L'article 3.33 entre en vigueur le 1er septembre 1999;
6° Les articles 3.4 à 3.15, 3.17, (3.19 à 3.21, 3.23 à 3.29), 3.34, 3.35, 3.37 et 3.54 à 3.61 entrent en vigueur le 1er octobre 1999;
7° Les articles (3.22,) 3.30, (...), 3.36 et 3.42 entrent en vigueur le 1er janvier 2000, à l'exception en ce qui concerne le régime du pécule de vacances de l'article 3.30 qui entre en vigueur à une date à déterminer par le Gouvernement flamand après l'examen par le Gouvernement flamand, tel que fixé à l'article 3.30 et au plus tard le 1er janvier 2002;
8° L'article 3.44 produit ses effets le 1er janvier 1965;
9° L'article 3.51 produit ses effets le 1er octobre 1971;
10° L'article 3.46 produit ses effets le 1er octobre 1982;
11° L'article 3.47 produit ses effets le 1er octobre 1985;
12° L'article 3.32 produit ses effets le 1er janvier 1997.
(13° L'article 3.31 entre en vigueur le 1er octobre 2000.)
2° L'article 3.38 produit ses effets le 1er janvier 1995;
3° L'article 3.3 produit ses effets le 1er octobre 1996;
4° Les articles 3.1, 3.2 et 3.53 produisent leurs effets le 1er octobre 1998;
5° L'article 3.33 entre en vigueur le 1er septembre 1999;
6° Les articles 3.4 à 3.15, 3.17, (3.19 à 3.21, 3.23 à 3.29), 3.34, 3.35, 3.37 et 3.54 à 3.61 entrent en vigueur le 1er octobre 1999;
7° Les articles (3.22,) 3.30, (...), 3.36 et 3.42 entrent en vigueur le 1er janvier 2000, à l'exception en ce qui concerne le régime du pécule de vacances de l'article 3.30 qui entre en vigueur à une date à déterminer par le Gouvernement flamand après l'examen par le Gouvernement flamand, tel que fixé à l'article 3.30 et au plus tard le 1er janvier 2002;
8° L'article 3.44 produit ses effets le 1er janvier 1965;
9° L'article 3.51 produit ses effets le 1er octobre 1971;
10° L'article 3.46 produit ses effets le 1er octobre 1982;
11° L'article 3.47 produit ses effets le 1er octobre 1985;
12° L'article 3.32 produit ses effets le 1er janvier 1997.
(13° L'article 3.31 entre en vigueur le 1er octobre 2000.)
HOOFDSTUK IV. - Kwaliteitsbewaking in hogescholen en universiteiten.
CHAPITRE IV. - Contrôle qualitatif dans les instituts supérieurs et les universités.
Art. 4.1. Artikel 58 van het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap wordt gewijzigd als volgt :
" Art. 58. De hogeschool zorgt voor de interne en externe kwaliteitsbewaking :
1° zij moet permanent en op eigen initiatief toezien op de kwaliteit van haar onderwijs- en onderzoeksactiviteiten;
2° zij betrekt de studenten, de alumni en de externe deskundigen uit het beroepsveld bij de processen van interne en externe kwaliteitsbewaking;
3° zij voorziet, zoveel mogelijk met andere binnenlandse en buitenlandse hogescholen, in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van de onderwijs- en onderzoeksactiviteiten van de hogeschool. Van de uitkomsten van deze beoordeling wordt een openbaar verslag gemaakt.
De beoordeling gebeurt :
- ten minste om de vijf jaar voor de opleidingen van één cyclus;
- ten minste om de acht jaar voor de opleidingen van academisch niveau;
4° zij geeft gevolg aan de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling in het beleid van de hogeschool. ".
" Art. 58. De hogeschool zorgt voor de interne en externe kwaliteitsbewaking :
1° zij moet permanent en op eigen initiatief toezien op de kwaliteit van haar onderwijs- en onderzoeksactiviteiten;
2° zij betrekt de studenten, de alumni en de externe deskundigen uit het beroepsveld bij de processen van interne en externe kwaliteitsbewaking;
3° zij voorziet, zoveel mogelijk met andere binnenlandse en buitenlandse hogescholen, in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van de onderwijs- en onderzoeksactiviteiten van de hogeschool. Van de uitkomsten van deze beoordeling wordt een openbaar verslag gemaakt.
De beoordeling gebeurt :
- ten minste om de vijf jaar voor de opleidingen van één cyclus;
- ten minste om de acht jaar voor de opleidingen van academisch niveau;
4° zij geeft gevolg aan de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling in het beleid van de hogeschool. ".
Art. 4.1. L'article 58 du décret du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande est modifié comme suit :
" Art. 58. L'institut supérieur assure le contrôle qualitatif interne et externe :
1° ce contrôle doit être permanent et l'institut supérieur veille de sa propre initiative à la qualité de ses activités d'enseignement et de recherche;
2° il associe les étudiants, les diplômés et les experts externes du champ professionnel aux processus de contrôle qualitatif interne et externe;
3° il procède régulièrement, autant que possible avec d'autres instituts supérieurs belges et étrangers, à l'évaluation de la qualité des activités d'enseignement et de recherche de l'institut supérieur. Des résultats de cette évaluation est dressé un rapport public.
L'évaluation s'effectue :
- au moins tous les cinq ans pour les formations d'un cycle;
- au moins tous les huit ans pour les formations de niveau académique;
4° il donne suite aux résultats de ce contrôle qualitatif en adaptant la politique de l'institut supérieur. ".
" Art. 58. L'institut supérieur assure le contrôle qualitatif interne et externe :
1° ce contrôle doit être permanent et l'institut supérieur veille de sa propre initiative à la qualité de ses activités d'enseignement et de recherche;
2° il associe les étudiants, les diplômés et les experts externes du champ professionnel aux processus de contrôle qualitatif interne et externe;
3° il procède régulièrement, autant que possible avec d'autres instituts supérieurs belges et étrangers, à l'évaluation de la qualité des activités d'enseignement et de recherche de l'institut supérieur. Des résultats de cette évaluation est dressé un rapport public.
L'évaluation s'effectue :
- au moins tous les cinq ans pour les formations d'un cycle;
- au moins tous les huit ans pour les formations de niveau académique;
4° il donne suite aux résultats de ce contrôle qualitatif en adaptant la politique de l'institut supérieur. ".
Art. 4.2. Artikel 59 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt :
1° in 2° worden de woorden " verricht de Vlaamse Regering regelmatig een vergelijkend onderzoek " vervangen door de woorden " kan de Vlaamse Regering regelmatig een vergelijkend onderzoek laten verrichten ", worden de woorden " Zij stelt " vervangen door de woorden " In voorkomend geval stelt zij " en worden tussen de woorden " kennisgeving naar " en de woorden " de Vlaamse Onderwijsraad " de woorden " de Vlaamse Hogescholenraad, " ingevoegd;
2° er wordt een 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 4° de hogescholen rapporteren jaarlijks in hun jaarverslag over hun kwaliteitsbewaking en over de maatregelen die zij getroffen hebben om gevolg te geven aan de bevindingen en aanbevelingen van de interne en externe beoordeling. ";
3° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Indien naar het oordeel van de Vlaamse Regering de uitkomsten van een kwaliteitsbeoordeling van een externe Visitatiecommissie doen blijken dat de kwaliteit van de onderwijs- of onderzoeksactiviteiten van de hogeschool in kwestie zorgen baart, moet het hogeschoolbestuur binnen de zes maanden nadat de Vlaamse Regering haar oordeel heeft medegedeeld, een plan voorleggen waarin het aangeeft welke maatregelen het voorneemt te nemen om de vastgestelde tekortkomingen te remediëren. Het hogeschoolbestuur rapporteert vervolgens jaarlijks op een gedetailleerde wijze over de uitvoering van het plan en over de effecten die de genomen maatregelen sorteren. Na vier jaar voorziet het hogeschoolbestuur in een externe beoordeling van de kwaliteit van de onderwijs- en onderzoeksactiviteiten in kwestie. Van de uitkomsten hiervan wordt een openbaar verslag gemaakt. ".
1° in 2° worden de woorden " verricht de Vlaamse Regering regelmatig een vergelijkend onderzoek " vervangen door de woorden " kan de Vlaamse Regering regelmatig een vergelijkend onderzoek laten verrichten ", worden de woorden " Zij stelt " vervangen door de woorden " In voorkomend geval stelt zij " en worden tussen de woorden " kennisgeving naar " en de woorden " de Vlaamse Onderwijsraad " de woorden " de Vlaamse Hogescholenraad, " ingevoegd;
2° er wordt een 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 4° de hogescholen rapporteren jaarlijks in hun jaarverslag over hun kwaliteitsbewaking en over de maatregelen die zij getroffen hebben om gevolg te geven aan de bevindingen en aanbevelingen van de interne en externe beoordeling. ";
3° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Indien naar het oordeel van de Vlaamse Regering de uitkomsten van een kwaliteitsbeoordeling van een externe Visitatiecommissie doen blijken dat de kwaliteit van de onderwijs- of onderzoeksactiviteiten van de hogeschool in kwestie zorgen baart, moet het hogeschoolbestuur binnen de zes maanden nadat de Vlaamse Regering haar oordeel heeft medegedeeld, een plan voorleggen waarin het aangeeft welke maatregelen het voorneemt te nemen om de vastgestelde tekortkomingen te remediëren. Het hogeschoolbestuur rapporteert vervolgens jaarlijks op een gedetailleerde wijze over de uitvoering van het plan en over de effecten die de genomen maatregelen sorteren. Na vier jaar voorziet het hogeschoolbestuur in een externe beoordeling van de kwaliteit van de onderwijs- en onderzoeksactiviteiten in kwestie. Van de uitkomsten hiervan wordt een openbaar verslag gemaakt. ".
Art. 4.2. L'article 59 du même décret est modifié comme suit :
1° au point 2°, les mots " fera procéder régulièrement, (...), à un examen comparatif " sont remplacés par les mots " peut régulièrement faire effectuer, (...), un examen comparatif ", les mots " il institue " sont remplacés par " il institue, le cas échéant, " et les mots " au Conseil des instituts supérieurs flamands, " sont insérés entre les mots " transmis pour information " et " au Conseil flamand de l'enseignement ";
2° il est ajouté un point 4°, rédigé ainsi qu'il suit :
" 4° chaque année, les instituts supérieurs relatent dans leur rapport annuel sur le contrôle qualitatif qu'ils assurent et sur les mesures qu'ils ont prises suite aux observations et recommandations de l'évaluation interne et externe. ";
3° il est ajouté un deuxième alinéa, rédige ainsi qu'il suit :
" Si le Gouvernement flamand estime, qu'il ressort des résultats d'une évaluation de la qualité effectuée par une Commission de visite externe, que la qualité des activités d'enseignement ou de recherche de l'institut supérieur est préoccupante, la direction de l'institut supérieur doit, dans les six mois de la communication par le Gouvernement flamand de son estimation, produire un plan comprenant les mesures qu'elle entend prendre pour remédier aux défauts observés. Ensuite, la direction de l'institut supérieur dresse chaque année un rapport détaillé sur la mise en oeuvre du plan et sur les effets que ressortent les mesures prises. Après un délai de quatre ans, la direction de l'institut supérieur procède à une appréciation externe de la qualité des activités d'enseignement et de recherche en question. Les résultats ainsi obtenus sont publiés dans un rapport. ".
1° au point 2°, les mots " fera procéder régulièrement, (...), à un examen comparatif " sont remplacés par les mots " peut régulièrement faire effectuer, (...), un examen comparatif ", les mots " il institue " sont remplacés par " il institue, le cas échéant, " et les mots " au Conseil des instituts supérieurs flamands, " sont insérés entre les mots " transmis pour information " et " au Conseil flamand de l'enseignement ";
2° il est ajouté un point 4°, rédigé ainsi qu'il suit :
" 4° chaque année, les instituts supérieurs relatent dans leur rapport annuel sur le contrôle qualitatif qu'ils assurent et sur les mesures qu'ils ont prises suite aux observations et recommandations de l'évaluation interne et externe. ";
3° il est ajouté un deuxième alinéa, rédige ainsi qu'il suit :
" Si le Gouvernement flamand estime, qu'il ressort des résultats d'une évaluation de la qualité effectuée par une Commission de visite externe, que la qualité des activités d'enseignement ou de recherche de l'institut supérieur est préoccupante, la direction de l'institut supérieur doit, dans les six mois de la communication par le Gouvernement flamand de son estimation, produire un plan comprenant les mesures qu'elle entend prendre pour remédier aux défauts observés. Ensuite, la direction de l'institut supérieur dresse chaque année un rapport détaillé sur la mise en oeuvre du plan et sur les effets que ressortent les mesures prises. Après un délai de quatre ans, la direction de l'institut supérieur procède à une appréciation externe de la qualité des activités d'enseignement et de recherche en question. Les résultats ainsi obtenus sont publiés dans un rapport. ".
Art. 4.3. Artikel 60, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt :
" Indien de kwaliteit van het onderwijs in een opleiding aan een hogeschool na een grondig kwaliteitsonderzoek uitgevoerd volgens de artikelen 58 of 59 duurzaam onvoldoende wordt geacht, of in redelijkheid moet geacht worden niet te behoren tot het hoger onderwijs, kan de Vlaamse Regering besluiten dat :
1° de opleiding en de in die opleiding ingeschreven studenten niet financierbaar zijn en/of;
2° het hogeschoolbestuur de opleiding niet meer mag bekronen met een graad, verbonden aan een hogeschoolopleiding.
De ingeschreven studenten moeten wel de mogelijkheid krijgen hun opleiding af te ronden met een graad, verbonden aan een hogeschoolopleiding. De Vlaamse Regering neemt daartoe de nodige maatregelen. ".
" Indien de kwaliteit van het onderwijs in een opleiding aan een hogeschool na een grondig kwaliteitsonderzoek uitgevoerd volgens de artikelen 58 of 59 duurzaam onvoldoende wordt geacht, of in redelijkheid moet geacht worden niet te behoren tot het hoger onderwijs, kan de Vlaamse Regering besluiten dat :
1° de opleiding en de in die opleiding ingeschreven studenten niet financierbaar zijn en/of;
2° het hogeschoolbestuur de opleiding niet meer mag bekronen met een graad, verbonden aan een hogeschoolopleiding.
De ingeschreven studenten moeten wel de mogelijkheid krijgen hun opleiding af te ronden met een graad, verbonden aan een hogeschoolopleiding. De Vlaamse Regering neemt daartoe de nodige maatregelen. ".
Art. 4.3. L'article 60, premier alinéa, du même décret est modifié comme suit :
" Si, après un examen approfondi de la qualité d'une formation d'un institut supérieur, exécuté en vertu des articles 58 ou 59, la qualité de l'enseignement est jugée durablement insuffisante, ou si elle donne à penser, en toute équité, qu'elle ne cadre pas dans l'enseignement supérieur, le Gouvernement flamand peut décider :
1° que la formation et les étudiants qui s'y sont inscrits ne sont pas admissibles au financement et/ou;
2° que la direction de l'institut supérieur ne peut plus couronner la formation d'un grade attaché à une formation supérieure.
Les étudiants inscrits doivent cependant avoir la possibilité d'achever leur formation et d'obtenir un grade attaché à une formation supérieure. A cet effet, le Gouvernement flamand prend les mesures qui s'imposent. ".
" Si, après un examen approfondi de la qualité d'une formation d'un institut supérieur, exécuté en vertu des articles 58 ou 59, la qualité de l'enseignement est jugée durablement insuffisante, ou si elle donne à penser, en toute équité, qu'elle ne cadre pas dans l'enseignement supérieur, le Gouvernement flamand peut décider :
1° que la formation et les étudiants qui s'y sont inscrits ne sont pas admissibles au financement et/ou;
2° que la direction de l'institut supérieur ne peut plus couronner la formation d'un grade attaché à une formation supérieure.
Les étudiants inscrits doivent cependant avoir la possibilité d'achever leur formation et d'obtenir un grade attaché à une formation supérieure. A cet effet, le Gouvernement flamand prend les mesures qui s'imposent. ".
Art. 4.4. In hetzelfde decreet wordt een artikel 60bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
" Art. 60bis. In afwijking van artikel 58, 3°, en artikel 59, 1°, zal de Vlaamse Regering tot en met het academiejaar 2002-2003 zelf de kwaliteit van de opleidingen van één cyclus evalueren op grond van een externe beoordeling. Vanaf het academiejaar 1999-2000 zal zij daarvoor tewerk gaan zoals aangegeven in artikel 59, 2°. ".
" Art. 60bis. In afwijking van artikel 58, 3°, en artikel 59, 1°, zal de Vlaamse Regering tot en met het academiejaar 2002-2003 zelf de kwaliteit van de opleidingen van één cyclus evalueren op grond van een externe beoordeling. Vanaf het academiejaar 1999-2000 zal zij daarvoor tewerk gaan zoals aangegeven in artikel 59, 2°. ".
Art. 4.4. Dans le même décret, il est inséré un article 60bis, libellé comme suit :
" Art. 60bis. Par dérogation aux articles 58, 3°, et 59, 1°, le Gouvernement flamand évaluera lui-même, jusqu'à l'année académique 2002-2003 incluse, la qualité des formations d'un cycle sur la base d'un examen externe. Pour ce faire, il procédera, à partir de l'année académique 1999-2000, aux termes de l'article 59, 2°. ".
" Art. 60bis. Par dérogation aux articles 58, 3°, et 59, 1°, le Gouvernement flamand évaluera lui-même, jusqu'à l'année académique 2002-2003 incluse, la qualité des formations d'un cycle sur la base d'un examen externe. Pour ce faire, il procédera, à partir de l'année académique 1999-2000, aux termes de l'article 59, 2°. ".
Art. 4.5. Artikel 122, eerste lid, van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap, wordt vervangen door de volgende bepalingen :
" Art. 122. De universiteit zorgt voor de interne en externe kwaliteitsbewaking :
- zij moet permanent en op eigen initiatief toezien op de kwaliteit van haar onderwijs- en onderzoeksactiviteiten;
- zij betrekt de studenten, de alumni en de externe deskundigen uit het beroepsveld bij de processen van interne en externe kwaliteitsbewaking;
- zij voorziet, zoveel mogelijk met andere binnenlandse en buitenlandse universiteiten, in een regelmatige beoordeling, ten minste om de acht jaar, van de kwaliteit van de onderwijs- en onderzoeksactiviteiten van de universiteit. Van de uitkomsten van deze beoordeling wordt een openbaar verslag gemaakt;
- zij geeft gevolg aan de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling in het beleid van de universiteit. ".
" Art. 122. De universiteit zorgt voor de interne en externe kwaliteitsbewaking :
- zij moet permanent en op eigen initiatief toezien op de kwaliteit van haar onderwijs- en onderzoeksactiviteiten;
- zij betrekt de studenten, de alumni en de externe deskundigen uit het beroepsveld bij de processen van interne en externe kwaliteitsbewaking;
- zij voorziet, zoveel mogelijk met andere binnenlandse en buitenlandse universiteiten, in een regelmatige beoordeling, ten minste om de acht jaar, van de kwaliteit van de onderwijs- en onderzoeksactiviteiten van de universiteit. Van de uitkomsten van deze beoordeling wordt een openbaar verslag gemaakt;
- zij geeft gevolg aan de uitkomsten van de kwaliteitsbeoordeling in het beleid van de universiteit. ".
Art. 4.5. L'article 122, premier alinéa, du décret du 12 juin 1991 relatif aux universités dans la Communauté flamande, est remplacé par les dispositions suivantes :
" Art. 122. L'université veille au contrôle qualitatif interne et externe :
- elle doit procéder de sa propre initiative et d'une façon permanente au contrôle qualitatif de ses activités d'enseignement et de recherche;
- elle associe les étudiants, les diplômés et les experts externes du champ professionnel aux processus de contrôle qualitatif interne et externe;
- elle prévoit, autant que possible en collaboration avec d'autres universités belges et étrangères, une appréciation régulière, au moins tous les huit ans, de la qualité des activités d'enseignement et de recherche de l'université; un rapport des résultats de cette appréciation est publié;
- elle donne suite aux résultats de ce contrôle qualitatif en adaptant la politique suivie par l'université. ".
" Art. 122. L'université veille au contrôle qualitatif interne et externe :
- elle doit procéder de sa propre initiative et d'une façon permanente au contrôle qualitatif de ses activités d'enseignement et de recherche;
- elle associe les étudiants, les diplômés et les experts externes du champ professionnel aux processus de contrôle qualitatif interne et externe;
- elle prévoit, autant que possible en collaboration avec d'autres universités belges et étrangères, une appréciation régulière, au moins tous les huit ans, de la qualité des activités d'enseignement et de recherche de l'université; un rapport des résultats de cette appréciation est publié;
- elle donne suite aux résultats de ce contrôle qualitatif en adaptant la politique suivie par l'université. ".
Art. 4.6. In artikel 123, 2°, van hetzelfde decreet worden de woorden " laat de Vlaamse Regering vergelijkend onderzoek verrichten " vervangen door de woorden " kan de Vlaamse Regering vergelijkend onderzoek laten verrichten " en worden de woorden " Zij stelt " vervangen door de woorden " In voorkomend geval stelt zij ".
Art. 4.6. A l'article 123, 2°, du même décret, les mots " le Gouvernement flamand fait exécuter un examen comparatif " sont remplacés par les mots " le Gouvernement flamand peut faire exécuter un examen comparatif " et les mots " A cette fin, il institue " sont remplacés par les mots " A cette fin, il institue, le cas échéant, ".
Art. 4.7. Aan artikel 123 van hetzelfde decreet wordt een 4° toegevoegd, dat luidt als volgt :
" 4° de universiteiten rapporteren jaarlijks in hun jaarverslag over hun kwaliteitsbewaking en over de maatregelen die zij getroffen hebben om gevolg te geven aan de bevindingen en aanbevelingen van de interne en externe beoordeling. ".
" 4° de universiteiten rapporteren jaarlijks in hun jaarverslag over hun kwaliteitsbewaking en over de maatregelen die zij getroffen hebben om gevolg te geven aan de bevindingen en aanbevelingen van de interne en externe beoordeling. ".
Art. 4.7. A l'article 123 du même décret, il est inséré un point 4°, rédigé ainsi qu'il suit :
" 4° chaque année, les universités relatent dans leur rapport annuel sur le contrôle qualitatif qu'elles assurent et sur les mesures qu'elles ont prises suite aux observations et recommandations de l'appréciation interne et externe. ".
" 4° chaque année, les universités relatent dans leur rapport annuel sur le contrôle qualitatif qu'elles assurent et sur les mesures qu'elles ont prises suite aux observations et recommandations de l'appréciation interne et externe. ".
Art. 4.8. Aan artikel 123 van hetzelfde decreet wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
" Indien naar het oordeel van de Vlaamse Regering de uitkomsten van een kwaliteitsbeoordeling van een externe Visitatiecommissie doen blijken dat de kwaliteit van de onderwijs- of onderzoeksactiviteiten van de universiteit in kwestie zorgen baart, moet het universiteitsbestuur binnen de zes maanden nadat de Vlaamse Regering haar oordeel heeft medegedeeld, een plan voorleggen waarin het aangeeft welke maatregelen het voorneemt te nemen om de vastgestelde tekortkomingen te remediëren. Het universiteitsbestuur rapporteert vervolgens jaarlijks op een gedetailleerde wijze over de uitvoering van het plan en over de effecten die de genomen maatregelen sorteren. Na vier jaar voorziet het universiteitsbestuur in een externe beoordeling van de kwaliteit van de onderwijs- en onderzoeksactiviteiten in kwestie. Van de uitkomsten hiervan wordt een openbaar verslag gemaakt. ".
" Indien naar het oordeel van de Vlaamse Regering de uitkomsten van een kwaliteitsbeoordeling van een externe Visitatiecommissie doen blijken dat de kwaliteit van de onderwijs- of onderzoeksactiviteiten van de universiteit in kwestie zorgen baart, moet het universiteitsbestuur binnen de zes maanden nadat de Vlaamse Regering haar oordeel heeft medegedeeld, een plan voorleggen waarin het aangeeft welke maatregelen het voorneemt te nemen om de vastgestelde tekortkomingen te remediëren. Het universiteitsbestuur rapporteert vervolgens jaarlijks op een gedetailleerde wijze over de uitvoering van het plan en over de effecten die de genomen maatregelen sorteren. Na vier jaar voorziet het universiteitsbestuur in een externe beoordeling van de kwaliteit van de onderwijs- en onderzoeksactiviteiten in kwestie. Van de uitkomsten hiervan wordt een openbaar verslag gemaakt. ".
Art. 4.8. A l'article 123 du même décret, il est ajouté un deuxième alinéa, rédigé ainsi qu'il suit :
" Si le Gouvernement flamand estime, qu'il ressort des résultats d'une appréciation de la qualité effectuée par une Commission de visite externe, que la qualité des activités d'enseignement ou de recherche de l'université est préoccupante, les autorités universitaires doivent, dans les six mois de la communication par le Gouvernement flamand de son estimation, produire un plan comprenant les mesures qu'elles entendent prendre pour remédier aux défauts observés. Ensuite, les autorités universitaires dressent chaque année un rapport détaillé sur la mise en oeuvre du plan et sur les effets que ressortent les mesures prises. Après un délai de quatre ans, les autorités universitaires procèdent à une appréciation externe de la qualité des activités d'enseignement et de recherche en question. Les résultats ainsi obtenus sont publiés dans un rapport. ".
" Si le Gouvernement flamand estime, qu'il ressort des résultats d'une appréciation de la qualité effectuée par une Commission de visite externe, que la qualité des activités d'enseignement ou de recherche de l'université est préoccupante, les autorités universitaires doivent, dans les six mois de la communication par le Gouvernement flamand de son estimation, produire un plan comprenant les mesures qu'elles entendent prendre pour remédier aux défauts observés. Ensuite, les autorités universitaires dressent chaque année un rapport détaillé sur la mise en oeuvre du plan et sur les effets que ressortent les mesures prises. Après un délai de quatre ans, les autorités universitaires procèdent à une appréciation externe de la qualité des activités d'enseignement et de recherche en question. Les résultats ainsi obtenus sont publiés dans un rapport. ".
Art. 4.9. Artikel 124, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepalingen :
" Indien de kwaliteit van het onderwijs in een opleiding aan een universiteit na een grondig kwaliteitsonderzoek uitgevoerd volgens de artikelen 122 of 123 duurzaam onvoldoende wordt geacht, of in redelijkheid moet geacht worden niet te behoren tot het academisch onderwijs, kan de Vlaamse Regering besluiten dat :
1° de studenten van die opleiding niet in aanmerking komen voor het bepalen van de hoogte van de subsidies bedoeld in Hoofdstuk VIII en/of;
2° het universiteitsbestuur de opleiding niet meer mag bekronen met een academische graad.
De ingeschreven studenten moeten wel de mogelijkheid krijgen hun opleiding af te ronden met een academische graad. De Vlaamse Regering neemt daartoe de nodige maatregelen. ".
" Indien de kwaliteit van het onderwijs in een opleiding aan een universiteit na een grondig kwaliteitsonderzoek uitgevoerd volgens de artikelen 122 of 123 duurzaam onvoldoende wordt geacht, of in redelijkheid moet geacht worden niet te behoren tot het academisch onderwijs, kan de Vlaamse Regering besluiten dat :
1° de studenten van die opleiding niet in aanmerking komen voor het bepalen van de hoogte van de subsidies bedoeld in Hoofdstuk VIII en/of;
2° het universiteitsbestuur de opleiding niet meer mag bekronen met een academische graad.
De ingeschreven studenten moeten wel de mogelijkheid krijgen hun opleiding af te ronden met een academische graad. De Vlaamse Regering neemt daartoe de nodige maatregelen. ".
Art. 4.9. L'article 124, premier alinéa, du même décret est remplacé par les dispositions suivantes :
" Si, après un examen approfondi de la qualité d'une formation à une université, exécuté en vertu des articles 122 ou 123, la qualité de l'enseignement est jugée durablement insuffisante, ou si elle donne à penser, en toute équité, qu'elle ne cadre pas dans l'enseignement académique, le Gouvernement flamand peut décider que :
1° les étudiants de cette formation n'entrent plus en ligne de compte pour le calcul des subventions visées au Chapitre VIII et/ou;
2° les autorités universitaires ne peuvent plus couronner la formation d'un grade académique.
Les étudiants inscrits doivent cependant avoir la possibilité d'achever leur formation et d'obtenir un grade académique à l'issue. A cet effet, le Gouvernement flamand prend les mesures qui s'imposent. ".
" Si, après un examen approfondi de la qualité d'une formation à une université, exécuté en vertu des articles 122 ou 123, la qualité de l'enseignement est jugée durablement insuffisante, ou si elle donne à penser, en toute équité, qu'elle ne cadre pas dans l'enseignement académique, le Gouvernement flamand peut décider que :
1° les étudiants de cette formation n'entrent plus en ligne de compte pour le calcul des subventions visées au Chapitre VIII et/ou;
2° les autorités universitaires ne peuvent plus couronner la formation d'un grade académique.
Les étudiants inscrits doivent cependant avoir la possibilité d'achever leur formation et d'obtenir un grade académique à l'issue. A cet effet, le Gouvernement flamand prend les mesures qui s'imposent. ".
Art. 4.10. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 september 1998.
Art. 4.10. Le présent chapitre produit ses effets le 1er septembre 1998.
HOOFDSTUK V. - Dienstverlening door universiteiten en hogescholen.
CHAPITRE V. - Services fournis par les universités et les instituts supérieurs.
Art. 5.1. Artikel 6 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de wetenschappelijke of maatschappelijke dienstverlening door de universiteiten of de hogescholen en betreffende de relaties van de universiteiten en de hogescholen met andere rechtspersonen, wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 6. Indien de prestaties kunnen leiden tot het nemen van octrooien, licenties of het vestigen van andere intellectuele rechten, moet reeds bij het afsluiten van het contract tussen de universiteit of hogeschool en opdrachtgever in een regeling worden voorzien die een billijke return verzekert voor de universiteit of hogeschool. Deze return kan niet alleen de vorm aannemen van een reële en billijke financiële vergoeding, maar ook van het gedeelde eigendomsrecht van de onderzoeksresultaten, zonder evenwel afbreuk te doen aan het geldende auteursrecht. ".
" Art. 6. Indien de prestaties kunnen leiden tot het nemen van octrooien, licenties of het vestigen van andere intellectuele rechten, moet reeds bij het afsluiten van het contract tussen de universiteit of hogeschool en opdrachtgever in een regeling worden voorzien die een billijke return verzekert voor de universiteit of hogeschool. Deze return kan niet alleen de vorm aannemen van een reële en billijke financiële vergoeding, maar ook van het gedeelde eigendomsrecht van de onderzoeksresultaten, zonder evenwel afbreuk te doen aan het geldende auteursrecht. ".
Art. 5.1. L'article 6 du décret du 22 février 1995 relatif aux services scientifiques ou sociaux fournis par les universités ou les instituts supérieurs et aux rapports de ceux-ci avec d'autres personnes morales, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 6. Si les prestations fournies peuvent donner lieu à l'octroi de brevets et de licences ou à l'établissement d'autres droits intellectuels, des dispositions assurant des revenus équitables à l'université ou l'institut supérieur doivent déjà être prévues lors de la conclusion d'une convention entre l'université ou l'institut supérieur et le mandant. Ces revenus peuvent prendre la forme d'une rétribution financière réelle et équitable, ainsi que du droit de propriété partagé des résultats de recherche sans pour autant porter préjudice aux droits d'auteur en vigueur. ".
" Art. 6. Si les prestations fournies peuvent donner lieu à l'octroi de brevets et de licences ou à l'établissement d'autres droits intellectuels, des dispositions assurant des revenus équitables à l'université ou l'institut supérieur doivent déjà être prévues lors de la conclusion d'une convention entre l'université ou l'institut supérieur et le mandant. Ces revenus peuvent prendre la forme d'une rétribution financière réelle et équitable, ainsi que du droit de propriété partagé des résultats de recherche sans pour autant porter préjudice aux droits d'auteur en vigueur. ".
Art. 5.2. Artikel 9 van hetzelfde decreet wordt vervangen door volgend artikel :
" Onder spin-off bedrijven moeten, voor de toepassing van dit decreet, worden verstaan ondernemingen met rechtspersoonlijkheid overeenkomstig de wetten op de handelsvennootschappen waarvan de bedrijfsactiviteit gericht is op de maatschappelijke of industriële valorisatie van de wetenschappelijke kennis, resultaten van wetenschappelijk of projectmatig wetenschappelijk onderzoek, technologie of administratieve of logistieke innovaties van de universiteit of hogeschool, en waar de universiteit of hogeschool aan deelneemt. ".
" Onder spin-off bedrijven moeten, voor de toepassing van dit decreet, worden verstaan ondernemingen met rechtspersoonlijkheid overeenkomstig de wetten op de handelsvennootschappen waarvan de bedrijfsactiviteit gericht is op de maatschappelijke of industriële valorisatie van de wetenschappelijke kennis, resultaten van wetenschappelijk of projectmatig wetenschappelijk onderzoek, technologie of administratieve of logistieke innovaties van de universiteit of hogeschool, en waar de universiteit of hogeschool aan deelneemt. ".
Art. 5.2. L'article 9 du même décret est remplacé par l'article suivant :
" Pour l'application du présent décret, il faut entendre par entreprises " spin-off ", les entreprises ayant une personnalité juridique conformément aux lois sur les sociétés commerciales, dont l'activité est orientée vers la valorisation sociale ou industrielle des connaissances scientifiques, des résultats de recherches scientifiques ou de recherches scientifiques thématiques, des technologies ou des innovations administratives ou logistiques de l'université ou de l'institut supérieur, et à laquelle l'université ou l'institut supérieur participe. ".
" Pour l'application du présent décret, il faut entendre par entreprises " spin-off ", les entreprises ayant une personnalité juridique conformément aux lois sur les sociétés commerciales, dont l'activité est orientée vers la valorisation sociale ou industrielle des connaissances scientifiques, des résultats de recherches scientifiques ou de recherches scientifiques thématiques, des technologies ou des innovations administratives ou logistiques de l'université ou de l'institut supérieur, et à laquelle l'université ou l'institut supérieur participe. ".
Art. 5.3. Artikel 10 van hetzelfde decreet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 10. Onder deelnemen moet, voor de toepassing van dit decreet, verstaan worden de rechtstreekse inbreng van de universiteit of hogeschool in die spin-off bedrijven als vennoot van immateriële activa of van financiële middelen. ".
" Art. 10. Onder deelnemen moet, voor de toepassing van dit decreet, verstaan worden de rechtstreekse inbreng van de universiteit of hogeschool in die spin-off bedrijven als vennoot van immateriële activa of van financiële middelen. ".
Art. 5.3. L'article 10 du même décret est remplacé par la disposition suivante :
" Pour l'application du présent décret, il faut entendre par " participation ", l'apport direct de université ou de l'institut supérieur à ces entreprises " spin-off ", comme associé, d'un actif immatériel ou de moyens financiers. ".
" Pour l'application du présent décret, il faut entendre par " participation ", l'apport direct de université ou de l'institut supérieur à ces entreprises " spin-off ", comme associé, d'un actif immatériel ou de moyens financiers. ".
Art. 5.4. Artikel 11 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 5.4. L'article 11 du même décret est supprime.
Art. 5.5. Artikel 12 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 12. § 1. Rechtstreekse financiële inbreng door de universiteit of de hogeschool is slechts mogelijk wanneer de wetenschappelijke kennis, resultaten van wetenschappelijk of projectmatig wetenschappelijk onderzoek, technologie of administratieve of logistieke innovaties waarvan de terbeschikkingstelling de basis vormt voor de oprichting van, of de deelname aan een spin-off bedrijf, op een billijke wijze door het spin-off bedrijf of door andere deelnemende vennoten aan de deelnemende universiteit of hogeschool wordt vergoed. De vergoeding wordt bepaald in gemeen overleg tussen de universiteit of hogeschool en de andere deelnemende vennoten. De commissaris van de Vlaamse Regering kan het universiteitsbestuur of het hogeschoolbestuur vragen de hoogte van de vergoeding te laten schatten door een bedrijfsrevisor of een ander onafhankelijk expert.
De valorisatie van deze wetenschappelijke kennis, resultaten van wetenschappelijk of projectmatig wetenschappelijk onderzoek, technologie of administratieve of logistieke innovaties kan eveneens gebeuren door de inbreng van de waarde ervan, geheel of gedeeltelijk, als immateriële activa in het spin-off bedrijf. In ruil voor deze immateriële inbreng en naargelang van de vorm ervan, kan de universiteit of hogeschool hetzij aandelen of winstbewijzen verkrijgen, met of zonder stemrecht. Desgevallend kunnen aan de universiteit of hogeschool obligaties worden toegekend.
§ 2. Het gebruik van infrastructuur, personeel of lokalen van de universiteit of hogeschool kan nooit als inbreng in een spin-off bedrijf beschouwd worden, maar dient steeds het voorwerp van een overeenkomst tussen het bedrijf en de universiteit of hogeschool te zijn. De vergoeding die het bedrijf hiervoor betaalt, moet minstens kostendekkend zijn voor de universiteit of de hogeschool. ".
" Art. 12. § 1. Rechtstreekse financiële inbreng door de universiteit of de hogeschool is slechts mogelijk wanneer de wetenschappelijke kennis, resultaten van wetenschappelijk of projectmatig wetenschappelijk onderzoek, technologie of administratieve of logistieke innovaties waarvan de terbeschikkingstelling de basis vormt voor de oprichting van, of de deelname aan een spin-off bedrijf, op een billijke wijze door het spin-off bedrijf of door andere deelnemende vennoten aan de deelnemende universiteit of hogeschool wordt vergoed. De vergoeding wordt bepaald in gemeen overleg tussen de universiteit of hogeschool en de andere deelnemende vennoten. De commissaris van de Vlaamse Regering kan het universiteitsbestuur of het hogeschoolbestuur vragen de hoogte van de vergoeding te laten schatten door een bedrijfsrevisor of een ander onafhankelijk expert.
De valorisatie van deze wetenschappelijke kennis, resultaten van wetenschappelijk of projectmatig wetenschappelijk onderzoek, technologie of administratieve of logistieke innovaties kan eveneens gebeuren door de inbreng van de waarde ervan, geheel of gedeeltelijk, als immateriële activa in het spin-off bedrijf. In ruil voor deze immateriële inbreng en naargelang van de vorm ervan, kan de universiteit of hogeschool hetzij aandelen of winstbewijzen verkrijgen, met of zonder stemrecht. Desgevallend kunnen aan de universiteit of hogeschool obligaties worden toegekend.
§ 2. Het gebruik van infrastructuur, personeel of lokalen van de universiteit of hogeschool kan nooit als inbreng in een spin-off bedrijf beschouwd worden, maar dient steeds het voorwerp van een overeenkomst tussen het bedrijf en de universiteit of hogeschool te zijn. De vergoeding die het bedrijf hiervoor betaalt, moet minstens kostendekkend zijn voor de universiteit of de hogeschool. ".
Art. 5.5. L'article 12 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 12. (NOTE : La traduction qui suit est inexacte. Voir original néerlandais.) § 1er. Un apport financier direct de l'université ou de l'institut supérieur n'est possible que si les connaissances scientifiques, les résultats de recherches scientifiques ou de recherches scientifiques thématiques, les technologies ou les innovations administratives ou logistiques dont la mise à disposition constitue la base de la création d'une entreprise " spin-off " ou de la participation à une telle entreprise, sont rétribués de manière équitable par l'entreprise " spin-off " ou par d'autres associés participants à l'université participante ou l'institut supérieur n'est possible que si les connaissances scientifiques, les résultats de recherches scientifiques ou de recherches scientifiques thématiques, les technologies ou les innovations administratives ou logistiques dont la mise à disposition constitue la base de la création d'une entreprise " spin-off " ou de la participation à une telle entreprise, sont rétribués de manière équitable par l'entreprise " spin-off " ou par d'autres associés participants à l'université participante ou l'institut supérieur n'est possible que si les connaissances scientifiques, les résultats de recherches scientifiques ou de recherches scientifiques thématiques, les technologies ou les innovations administratives ou logistiques dont la mise à disposition constitue la base de la création d'une entreprise " spin-off " ou de la participation à une telle entreprise, sont rétribués de manière équitable par l'entreprise " spin-off " ou par d'autres associés, des personnels ou des locaux de l'université ou de l'institut supérieur ne peut jamais être considérée comme un apport à une entreprise " spin-off ", mais doit toujours être l'objet d'une convention entre l'entreprise et l'université ou l'institut supérieur. La rétribution que l'entreprise paie de ce chef, doit au moins couvrir les frais de l'université ou de l'institut supérieur. ".
" Art. 12. (NOTE : La traduction qui suit est inexacte. Voir original néerlandais.) § 1er. Un apport financier direct de l'université ou de l'institut supérieur n'est possible que si les connaissances scientifiques, les résultats de recherches scientifiques ou de recherches scientifiques thématiques, les technologies ou les innovations administratives ou logistiques dont la mise à disposition constitue la base de la création d'une entreprise " spin-off " ou de la participation à une telle entreprise, sont rétribués de manière équitable par l'entreprise " spin-off " ou par d'autres associés participants à l'université participante ou l'institut supérieur n'est possible que si les connaissances scientifiques, les résultats de recherches scientifiques ou de recherches scientifiques thématiques, les technologies ou les innovations administratives ou logistiques dont la mise à disposition constitue la base de la création d'une entreprise " spin-off " ou de la participation à une telle entreprise, sont rétribués de manière équitable par l'entreprise " spin-off " ou par d'autres associés participants à l'université participante ou l'institut supérieur n'est possible que si les connaissances scientifiques, les résultats de recherches scientifiques ou de recherches scientifiques thématiques, les technologies ou les innovations administratives ou logistiques dont la mise à disposition constitue la base de la création d'une entreprise " spin-off " ou de la participation à une telle entreprise, sont rétribués de manière équitable par l'entreprise " spin-off " ou par d'autres associés, des personnels ou des locaux de l'université ou de l'institut supérieur ne peut jamais être considérée comme un apport à une entreprise " spin-off ", mais doit toujours être l'objet d'une convention entre l'entreprise et l'université ou l'institut supérieur. La rétribution que l'entreprise paie de ce chef, doit au moins couvrir les frais de l'université ou de l'institut supérieur. ".
Art. 5.6. In artikel 14 wordt tweemaal tussen de woorden " haar " en " inbreng " het woord " rechtstreekse " ingevoegd.
Art. 5.6. A l'article 14, il y a lieu d'insérer deux fois le mot " direct " après les mots " de leur apport ".
Art. 5.7. In artikel 16 van hetzelfde decreet wordt de laatste zin geschrapt.
Art. 5.7. A l'article 16 du même décret, la dernière phrase est supprimée.
Art. 5.8. Artikel 18 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 18. § 1. Iedere deelname in een spin-off bedrijf dient te worden goedgekeurd door het universiteits- of hogeschoolbestuur. Bij deze goedkeuring dient het universiteits- of hogeschoolbestuur zich uitdrukkelijk akkoord te verklaren met :
- de oprichtingsakte van de vennootschap;
- het businessplan waaruit blijkt hoe de ingebrachte wetenschappelijke kennis, resultaten van wetenschappelijk of projectmatig wetenschappelijk onderzoek, technologie of administratieve of logistieke innovaties gevaloriseerd zullen worden;
- de waarde van de wetenschappelijke kennis, resultaten van wetenschappelijk of projectmatig wetenschappelijk onderzoek, technologie of administratieve of logistieke innovaties;
- in voorkomend geval de grootte van de financiële inbreng;
- in voorkomend geval het ontwerp van overeenkomst tussen het spin-off bedrijf en de universiteit of hogeschool voor het gebruik van lokalen, infrastructuur, diensten of personeel.
§ 2. Het universiteits- of hogeschoolbestuur kan in een reglement bijkomende voorwaarden vastleggen voor het nemen van participaties in een spin-off bedrijf.
§ 3. Het universiteits- of hogeschoolbestuur beslist over de bestemming van de opbrengsten van de participatie. ".
" Art. 18. § 1. Iedere deelname in een spin-off bedrijf dient te worden goedgekeurd door het universiteits- of hogeschoolbestuur. Bij deze goedkeuring dient het universiteits- of hogeschoolbestuur zich uitdrukkelijk akkoord te verklaren met :
- de oprichtingsakte van de vennootschap;
- het businessplan waaruit blijkt hoe de ingebrachte wetenschappelijke kennis, resultaten van wetenschappelijk of projectmatig wetenschappelijk onderzoek, technologie of administratieve of logistieke innovaties gevaloriseerd zullen worden;
- de waarde van de wetenschappelijke kennis, resultaten van wetenschappelijk of projectmatig wetenschappelijk onderzoek, technologie of administratieve of logistieke innovaties;
- in voorkomend geval de grootte van de financiële inbreng;
- in voorkomend geval het ontwerp van overeenkomst tussen het spin-off bedrijf en de universiteit of hogeschool voor het gebruik van lokalen, infrastructuur, diensten of personeel.
§ 2. Het universiteits- of hogeschoolbestuur kan in een reglement bijkomende voorwaarden vastleggen voor het nemen van participaties in een spin-off bedrijf.
§ 3. Het universiteits- of hogeschoolbestuur beslist over de bestemming van de opbrengsten van de participatie. ".
Art. 5.8. L'article 18 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 18. § 1er. Toute participation dans une entreprise " spin-off " doit être approuvée par les autorités universitaires ou la direction de l'institut supérieur, qui doivent marquer formellement leur accord sur :
- l'acte de constitution de la société;
- le plan d'entreprise, d'où il ressort comment seront valorisés les apports en connaissances scientifiques, résultats de recherches scientifiques ou de recherches scientifiques thématiques, technologies, innovations administratives ou logistiques;
- la valeur des connaissances scientifiques, résultats de recherches scientifiques ou de recherches scientifiques thématiques, technologies, innovations administratives ou logistiques;
- éventuellement, l'importance de l'apport financier;
- éventuellement, le projet de convention entre l'entreprise " spin-off " et l'université ou l'institut supérieur pour l'utilisation de locaux, d'infrastructures, de services ou de personnels.
§ 2. Les autorités universitaires ou la direction de l'institut supérieur peuvent fixer par règlement des conditions complémentaires pour la prise de participation à une entreprise " spin-off ".
§ 3. Les autorités universitaires ou la direction de l'institut supérieur décident de l'affectation du produit de la participation. ".
" Art. 18. § 1er. Toute participation dans une entreprise " spin-off " doit être approuvée par les autorités universitaires ou la direction de l'institut supérieur, qui doivent marquer formellement leur accord sur :
- l'acte de constitution de la société;
- le plan d'entreprise, d'où il ressort comment seront valorisés les apports en connaissances scientifiques, résultats de recherches scientifiques ou de recherches scientifiques thématiques, technologies, innovations administratives ou logistiques;
- la valeur des connaissances scientifiques, résultats de recherches scientifiques ou de recherches scientifiques thématiques, technologies, innovations administratives ou logistiques;
- éventuellement, l'importance de l'apport financier;
- éventuellement, le projet de convention entre l'entreprise " spin-off " et l'université ou l'institut supérieur pour l'utilisation de locaux, d'infrastructures, de services ou de personnels.
§ 2. Les autorités universitaires ou la direction de l'institut supérieur peuvent fixer par règlement des conditions complémentaires pour la prise de participation à une entreprise " spin-off ".
§ 3. Les autorités universitaires ou la direction de l'institut supérieur décident de l'affectation du produit de la participation. ".
Art. 5.9. In artikel 19 van hetzelfde decreet wordt § 2 vervangen door wat volgt :
" § 2. Ten minste om de vijf jaar dient het universiteits- of hogeschoolbestuur een evaluatie te maken over de participatie in het spin-off bedrijf. ".
" § 2. Ten minste om de vijf jaar dient het universiteits- of hogeschoolbestuur een evaluatie te maken over de participatie in het spin-off bedrijf. ".
Art. 5.9. A l'article 19 du même décret, le § 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Au moins tous les cinq ans, les autorités universitaires ou la direction de l'institut supérieur doivent évaluer la participation à l'entreprise " spin-off ". ".
" § 2. Au moins tous les cinq ans, les autorités universitaires ou la direction de l'institut supérieur doivent évaluer la participation à l'entreprise " spin-off ". ".
Art. 5.10. In § 1 van artikel 20 van hetzelfde decreet worden de woorden " en indien hiervoor een juridische of rationele verantwoording bestaat " geschrapt.
Art. 5.10. Au § 1er de l'article 20 du même décret, les mots " et moyennant une justification juridique et rationnelle " sont supprimes.
Art. 5.11. Artikel 23 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 23. § 1. Tussen de in de artikelen 20, § 1, en 21 vermelde V.Z.W.'s of andere rechtspersonen en de universiteit of hogeschool dient een overeenkomst afgesloten te worden die minstens omvat :
1° de voorwaarden voor medebeheer van de V.Z.W., de internationale vereniging met wetenschappelijk doel of de instelling van openbaar nut als de universiteit of hogeschool zelf deelneemt zoals bepaald in artikel 20, § 1, voor zover deze voorwaarden niet in de oprichtingsakte bepaald zouden zijn;
2° in voorkomend geval de voorwaarden waaronder de V.Z.W. of andere rechtspersoon gebruik kan maken van lokalen, infrastructuur, diensten of personeelsleden van de universiteit of hogeschool en de vergoeding die hiervoor betaald dient te worden. Behoudens de kosten waarvoor de overeenkomst bepaalt dat zij afzonderlijk aan de universiteit of hogeschool moeten worden terugbetaald, kan de overeenkomst ook bepalen dat de V.Z.W. of andere rechtspersoon een percentage op de som van lidmaatschapsgelden, schenkingen in contanten, overheidstoelagen in de mate dat de financierende overheid dit toelaat en inkomsten uit activiteiten als voorafname afdraagt aan de instelling als vergoeding voor de terbeschikkingstelling of gebruik van haar algemene infrastructuur en diensten;
3° de wijze waarop de universiteit of hogeschool in voorkomend geval deelneemt in de opbrengsten van de andere rechtspersoon;
4° de verplichting jaarlijks de jaarrekeningen en een jaarverslag ter kennisneming aan de universiteit of hogeschool op te sturen.
§ 2. Tussen de V.Z.W.'s of andere rechtspersonen waarin de universiteit of hogeschool niet deelneemt of die geen activiteiten uitoefenen zoals bedoeld in artikel 21 en die enkel gebruik maken van lokalen of infrastructuur, al dan niet met bijhorende diensten, of van diensten of personeel van de instelling en de universiteit of hogeschool, dient een overeenkomst afgesloten te worden waarin de voorwaarden voor gebruik door de V.Z.W. of andere rechtspersoon van lokalen, infrastructuur, diensten of personeel en de vergoeding, die hiervoor moet betaald worden, bepaald worden. ".
" Art. 23. § 1. Tussen de in de artikelen 20, § 1, en 21 vermelde V.Z.W.'s of andere rechtspersonen en de universiteit of hogeschool dient een overeenkomst afgesloten te worden die minstens omvat :
1° de voorwaarden voor medebeheer van de V.Z.W., de internationale vereniging met wetenschappelijk doel of de instelling van openbaar nut als de universiteit of hogeschool zelf deelneemt zoals bepaald in artikel 20, § 1, voor zover deze voorwaarden niet in de oprichtingsakte bepaald zouden zijn;
2° in voorkomend geval de voorwaarden waaronder de V.Z.W. of andere rechtspersoon gebruik kan maken van lokalen, infrastructuur, diensten of personeelsleden van de universiteit of hogeschool en de vergoeding die hiervoor betaald dient te worden. Behoudens de kosten waarvoor de overeenkomst bepaalt dat zij afzonderlijk aan de universiteit of hogeschool moeten worden terugbetaald, kan de overeenkomst ook bepalen dat de V.Z.W. of andere rechtspersoon een percentage op de som van lidmaatschapsgelden, schenkingen in contanten, overheidstoelagen in de mate dat de financierende overheid dit toelaat en inkomsten uit activiteiten als voorafname afdraagt aan de instelling als vergoeding voor de terbeschikkingstelling of gebruik van haar algemene infrastructuur en diensten;
3° de wijze waarop de universiteit of hogeschool in voorkomend geval deelneemt in de opbrengsten van de andere rechtspersoon;
4° de verplichting jaarlijks de jaarrekeningen en een jaarverslag ter kennisneming aan de universiteit of hogeschool op te sturen.
§ 2. Tussen de V.Z.W.'s of andere rechtspersonen waarin de universiteit of hogeschool niet deelneemt of die geen activiteiten uitoefenen zoals bedoeld in artikel 21 en die enkel gebruik maken van lokalen of infrastructuur, al dan niet met bijhorende diensten, of van diensten of personeel van de instelling en de universiteit of hogeschool, dient een overeenkomst afgesloten te worden waarin de voorwaarden voor gebruik door de V.Z.W. of andere rechtspersoon van lokalen, infrastructuur, diensten of personeel en de vergoeding, die hiervoor moet betaald worden, bepaald worden. ".
Art. 5.11. L'article 23 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 23. § 1er. Entre les A.S.B.L. ou autres personnes morales visées aux articles 20, § 1er, et 21, et l'université ou l'institut supérieur, une convention sera conclue qui prévoit au moins :
1° les conditions de cogestion de l'A.S.B.L., de l'association internationale à but scientifique ou de l'organisme d'intérêt public, si l'université ou l'institut supérieur participent eux-mêmes, au sens de l'article 20, § 1er, et si ces conditions ne sont pas prévues dans l'acte de fondation;
2° le cas échéant, les conditions auxquelles les A.S.B.L. ou autres personnes morales peuvent faire usage des locaux, infrastructures, services ou personnels de l'université ou de l'institut supérieur et la rémunération qui doit être payée de ce chef. Sauf les frais, dont la convention prévoit qu'ils seront remboursés séparément à l'université ou l'institut supérieur, la convention peut aussi prévoir que l'A.S.B.L. ou une autre personne morale cède un pourcentage de la somme des cotisations, dons au comptant, subventions publiques dans la mesure où le pouvoir public qui assure le financement le permet, et recettes d'activités, à titre de prélèvement, à l'institution, comme rétribution pour la disposition ou l'usage de ses infrastructures générales et services;
3° la façon dont l'université ou l'institut supérieur participe, le cas échéant, au produit de l'autre personne morale;
4° l'obligation d'envoyer annuellement les comptes annuels et un rapport annuel, pour information, à l'université ou l'institut supérieur.
§ 2. Entre les A.S.B.L. ou autres personnes morales dans lesquelles l'université ou l'institut supérieur n'ont pas de participation, ou qui n'exercent pas d'activités visées à l'article 21 et ne font usage que de locaux ou d'infrastructures, avec des services y afférents ou non, ou encore de services ou de personnels de l'établissement et de l'université ou de l'institut supérieur, une convention sera conclue, définissant les conditions d'utilisation des locaux, infrastructures, services ou personnels par l'A.S.B.L. ou une autre personne morale, ainsi que la rétribution qui devra être payée de ce chef. ".
" Art. 23. § 1er. Entre les A.S.B.L. ou autres personnes morales visées aux articles 20, § 1er, et 21, et l'université ou l'institut supérieur, une convention sera conclue qui prévoit au moins :
1° les conditions de cogestion de l'A.S.B.L., de l'association internationale à but scientifique ou de l'organisme d'intérêt public, si l'université ou l'institut supérieur participent eux-mêmes, au sens de l'article 20, § 1er, et si ces conditions ne sont pas prévues dans l'acte de fondation;
2° le cas échéant, les conditions auxquelles les A.S.B.L. ou autres personnes morales peuvent faire usage des locaux, infrastructures, services ou personnels de l'université ou de l'institut supérieur et la rémunération qui doit être payée de ce chef. Sauf les frais, dont la convention prévoit qu'ils seront remboursés séparément à l'université ou l'institut supérieur, la convention peut aussi prévoir que l'A.S.B.L. ou une autre personne morale cède un pourcentage de la somme des cotisations, dons au comptant, subventions publiques dans la mesure où le pouvoir public qui assure le financement le permet, et recettes d'activités, à titre de prélèvement, à l'institution, comme rétribution pour la disposition ou l'usage de ses infrastructures générales et services;
3° la façon dont l'université ou l'institut supérieur participe, le cas échéant, au produit de l'autre personne morale;
4° l'obligation d'envoyer annuellement les comptes annuels et un rapport annuel, pour information, à l'université ou l'institut supérieur.
§ 2. Entre les A.S.B.L. ou autres personnes morales dans lesquelles l'université ou l'institut supérieur n'ont pas de participation, ou qui n'exercent pas d'activités visées à l'article 21 et ne font usage que de locaux ou d'infrastructures, avec des services y afférents ou non, ou encore de services ou de personnels de l'établissement et de l'université ou de l'institut supérieur, une convention sera conclue, définissant les conditions d'utilisation des locaux, infrastructures, services ou personnels par l'A.S.B.L. ou une autre personne morale, ainsi que la rétribution qui devra être payée de ce chef. ".
Art. 5.12. In artikel 24 van hetzelfde decreet worden tussen de woorden " naam " en " van " de woorden " en het logo " ingevoegd.
Art. 5.12. A l'article 24 du même décret, il y a lieu d'insérer les mots " et le logo " entre les mots " le nom " et " de l'université ".
Art. 5.13. Artikel 26 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt :
" Art. 26. De bestaande en toekomstige rechtspersonen waarin de universiteit of hogeschool participeert, of waarin de universiteit of hogeschool (een) vertegenwoordiger( s) heeft, moeten voldoen aan de in het decreet opgenomen voorwaarden.
Doen ze dat niet, dan dient elke verdere terbeschikkingstelling of gebruik van lokalen, infrastructuur, personeel of andere diensten van de universiteit of hogeschool onmiddellijk worden gestaakt en dan trekt de universiteit of hogeschool haar participatie terug uit de rechtspersoon of trekt zij haar vertegenwoordiger(s) in de bestuursorganen van de rechtspersoon terug. ".
" Art. 26. De bestaande en toekomstige rechtspersonen waarin de universiteit of hogeschool participeert, of waarin de universiteit of hogeschool (een) vertegenwoordiger( s) heeft, moeten voldoen aan de in het decreet opgenomen voorwaarden.
Doen ze dat niet, dan dient elke verdere terbeschikkingstelling of gebruik van lokalen, infrastructuur, personeel of andere diensten van de universiteit of hogeschool onmiddellijk worden gestaakt en dan trekt de universiteit of hogeschool haar participatie terug uit de rechtspersoon of trekt zij haar vertegenwoordiger(s) in de bestuursorganen van de rechtspersoon terug. ".
Art. 5.13. L'article 26 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 26. Les personnes morales existantes et futures dans lesquelles l'université ou l'institut supérieur a une participation, ou dans lesquelles l'université ou l'institut supérieur a un ou plusieurs représentants, doivent répondre aux conditions prévues par le présent décret.
Sinon, il sera mis fin sans délai à la mise à disposition ou à l'utilisation des locaux, infrastructures, personnels ou autres services de l'université ou de l'institut supérieur. De plus, l'université ou l'institut supérieur retirera sa participation dans la personne morale ou retirera son/ses représentant(s) dans les organes de direction de la personne morale. ".
" Art. 26. Les personnes morales existantes et futures dans lesquelles l'université ou l'institut supérieur a une participation, ou dans lesquelles l'université ou l'institut supérieur a un ou plusieurs représentants, doivent répondre aux conditions prévues par le présent décret.
Sinon, il sera mis fin sans délai à la mise à disposition ou à l'utilisation des locaux, infrastructures, personnels ou autres services de l'université ou de l'institut supérieur. De plus, l'université ou l'institut supérieur retirera sa participation dans la personne morale ou retirera son/ses représentant(s) dans les organes de direction de la personne morale. ".
Art. 5.14. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 september 1995.
Art. 5.14. (NOTE : numéro d'article corrigé par Justel.) Le présent chapitre produit ses effets le 1er septembre 1995.
HOOFDSTUK VI. - Investeringskredieten voor de hogescholen. (opgeheven)
CHAPITRE VI. - Crédits d'investissement en faveur des instituts supérieurs. (rapporté)
Art. 6.6. (rapporté)
Promulguons le présent décret, ordonnons qu'il soit publié au Moniteur belge.
Bruxelles, le 18 mai 1999.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
L. VAN DEN BRANDE
Le Ministre flamand de l'Enseignement et de la Fonction publique,
E. BALDEWIJNS
Promulguons le présent décret, ordonnons qu'il soit publié au Moniteur belge.
Bruxelles, le 18 mai 1999.
Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
L. VAN DEN BRANDE
Le Ministre flamand de l'Enseignement et de la Fonction publique,
E. BALDEWIJNS