Naar hoofdinhoud

Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
8 DECEMBER 1998. - Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 27 oktober 1993 houdende uitvoering van het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen.
Titre
8 DECEMBRE 1998. - Arrêté du Gouvernement flamand portant modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 octobre 1993 portant exécution de l'arrêté royal n° 474 du 28 octobre 1986 portant création d'un régime de contractuels subventionnés par l'Etat auprès de certains pouvoirs locaux (TRADUCTION).
Documentinformatie
Numac: 1999035217
Datum: 1998-12-08
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1999035217
Date: 1998-12-08
Moniteur: Voir
Tekst (8)
Texte (8)
Artikel 1. § 1. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 oktober 1993 houdende uitvoering van het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen, wordt 15° vervangen door wat volgt :
  "15° zeer moeilijk bemiddelbare werkzoekenden : werkzoekenden die door een cumulatie van persoons- en omgevingsgebonden factoren, geen arbeidsplaats in het reguliere arbeidscircuit kunnen verwerven of behouden maar die onder begeleiding in staat zijn tot het verrichten van arbeid op maat.
  Onder persoons- en omgevingsgebonden factoren wordt verstaan :
  1° op de dag voor de indienstneming ingeschreven zijn bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding als niet-werkende werkzoekende en tegelijkertijd voldoen aan volgende voorwaarden :
  - fysieke of psychische of sociale beperkingen en moeilijkheden hebben;
  - een begeleidingstraject volgen van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding of van een door deze Dienst erkende derde of Vlaamse openbare instelling waarmee deze Dienst een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten;
  - op de dag voor de indienstneming ononderbroken gedurende een periode van minstens 5 jaar inactief zijn;
  - geen hoger diploma, getuigschrift of brevet hebben behaald dan lager secundair onderwijs, buitengewoon hoger secundair onderwijs of hoger secundair beroepsonderwijs;
  2° op de dag vóór de indienstneming werknemer zijn in een door de minister erkende sociale werkplaats;".
  § 2. Onverminderd bovenvermelde bepalingen kan de minister beslissen in te gaan op een gemotiveerde vraag tot afwijking van de voorwaarde vermeld in het punt 15°, 1°, vierde streepje van artikel 1 van hetzelfde besluit, zoals gewijzigd.
  § 3. De minister kan periodes bepalen die met een periode van inactiviteit worden gelijkgesteld.
Article 1. § 1er. Le point 15° de l'article 1er de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 octobre 1993 portant exécution de l'arrêté royal n° 474 du 28 octobre 1996 portant création d'un régime de contractuels subventionnés par l'Etat auprès de certains pouvoirs locaux est modifié comme suit :
  " 15° demandeurs d'emploi dont le placement s'avère très difficile : les demandeurs d'emploi qui par suite d'une accumulation de facteurs personnels et de facteurs liés au milieu social ne peuvent acquérir ou garder une place dans le circuit de travail régulier mais qui, accompagnés, sont capables d'exercer un travail sur mesure.
  Par facteurs personnels et facteurs liés au milieu social, il faut entendre :
  1° le jour précédant l'entrée en service être inscrit comme demandeur d'emploi non occupé à l'Office flamand d'Emploi et de la Formation professionnelle, remplissant en même temps les conditions suivantes :
  - avoir des difficultés physiques, psychiques ou sociales;
  - suivre une trajectoire d'accompagnement auprès de l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle ou d'une institution publique flamande avec laquelle l'Office susmentionné a conclu une convention de collaboration;
  - le jour précédant l'entrée en service être inactif pendant une période ininterrompue d'au moins 5 ans;
  - le niveau du diplôme, du certificat ou du brevet ne peut pas être supérieur à celui de l'enseignement secondaire primaire, de l'enseignement secondaire supérieur extraordinaire ou de l'enseignement secondaire supérieure professionnel;
  2° le jour précédant l'entrée en service être employé dans un atelier social agréé par le Ministre; ".
  § 2. Nonobstant les dispositions susmentionnées le Ministre peut décider de réserver une suite favorable à toute demande motivée dérogeant à la prescription reprise au point 15°, 1°, quatrième tiret de l'article 1er du même arrêté, tel que modifié.
  § 3. Le Ministre peut déterminer des périodes qui sont assimilées à une période d'inactivité.
Art. 2. In artikel 1 van hetzelfde besluit wordt 16° vervangen door wat volgt :
  "16° sociale werkplaats : voorziening erkend overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen, die tot doel heeft werkgelegenheid te verschaffen in een beschermde arbeidsomgeving door het opzetten van een bedrijfsactiviteit;".
Art. 2. Dans l'article 1er du même arrêté le point 16° est remplacé par le texte suivant :
  " 16° atelier social : projet agréé conformément aux dispositions du décret du 14 juillet 1998 relatif aux ateliers sociaux qui, par le lancement d'une activité économique, vise à mettre au travail des demandeurs d'emploi dans un milieu de travail protégé; ".
Art. 3. In artikel 2, § 1, van hetzelfde besluit wordt een 7° ingevoegd dat luidt als volgt :
  "7° de niet-werkende werkzoekenden die worden aangeworven als erkend omkaderingspersoneelslid in een sociale werkplaats zoals erkend bij het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen.".
Art. 3. A l'article 2, § 1er, du même arrêté, est inséré un point 7° libellé comme suit :
  " 7° les demandeurs d'emploi non occupés qui sont recrutés comme membre du personnel d'encadrement dans un atelier social agréé par le décret du 14 juillet 1998 relatif aux ateliers sociaux. ".
Art. 4. Artikel 6bis van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt :
  "Art. 6bis. § 1. In toepassing van artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 474 en van artikel 20 van het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen en binnen de perken van een daartoe bestemd begrotingskrediet kunnen de sociale werkplaatsen aanspraak maken op een persoonsgebonden, degressieve loonpremie op basis van het aantal door de minister erkende werknemers, die zeer moeilijk bemiddelbare werkzoekenden moeten zijn.
  De persoonsgebonden, degressieve loonpremie bedraagt zowel voor jaar 1 als jaar 2 van de tewerkstelling F 600 000 op jaarbasis.
  Vanaf het derde jaar van tewerkstelling van de erkende werknemer bedraagt het jaarbedrag van de loonpremie F 540 000.
  Voor de vaststelling van de loonpremie zoals bepaald in het tweede en het derde lid van dit artikel wordt rekening gehouden met de periode van tewerkstelling in het kader van het artikel 6bis van dit besluit zoals van kracht vóór de gelding van onderhavig wijzigingsbesluit.
  Bij de definitieve vervanging van een erkende werknemer start de persoonsgebonden, degressieve loonpremie bij jaar 1, in zoverre de sociale werkplaats aantoont dat de te vervangen werknemer tewerkgesteld wordt op de reguliere arbeidsmarkt, in een erkende sociale werkplaats, in het Derde Arbeidscircuit, volgens de bepalingen van dit besluit met uitzondering van een tewerkstelling in het kader van artikel 7bis of volgens de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 27 oktober 1993 tot veralgemening van het stelsel van gesubsidieerde contractuelen met uitzondering van een tewerkstelling in het kader van artikel 7bis.
  Deze regeling is eveneens van toepassing wanneer de uitdiensttreding van de erkende werknemer buiten de wil om van de sociale werkplaats gebeurt. Bij betwistingen beslist de minister. De administratie brengt ten aanzien van de minister hiertoe, na overleg met de trajectbegeleider, een advies uit.
  De loonpremie van de werknemer die met een vervangingscontract wordt tewerkgesteld ter vervanging van een erkende werknemer stemt overeen met het jaarbedrag dat door de titularis zou worden ontvangen.
  In toepassing van artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 474 en van artikel 20 van het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen en binnen de perken van een daartoe bestemd begrotingskrediet kunnen de sociale werkplaatsen eveneens aanspraak maken op een persoonsgebonden, degressieve loonpremie voor de vervanger van een erkende werknemer, die in het kader van zijn individueel herinschakelingsproject tijdens de duur van zijn tewerkstelling een stage in het reguliere arbeidscircuit of een beroepsopleiding volgt onder de voorwaarden zoals bepaald in artikel 32 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het terbeschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers.
  § 2. In toepassing van artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 474 en van artikel 20 van het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen en binnen de perken van een begrotingskrediet kunnen de erkende sociale werkplaatsen ook aanspraak maken op een omkaderingspremie à rato van één voltijds omkaderingspersoneelslid per 5 voltijds equivalente erkende aangeworven werknemers.
  Het jaarbedrag van de omkaderingspremie wordt vastgesteld op F 450 000 per voltijds equivalent omkaderingspersoneelslid.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt tijdens de in § 5 van dit artikel voorziene vervangingstermijn de erkende werknemer geacht nog te zijn aangeworven.
  § 3. Het bedrag van de loonpremie en de omkaderingspremie evolueert op dezelfde wijze en in dezelfde mate als de gezondheidsindex, met als basismaand november 1998.
  § 4. In toepassing van artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 474 en van artikel 20 van het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen stelt de minister maandelijks het bedrag vast dat de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding stort vóór de tiende van de lopende kalendermaand. Het bedrag van de loonpremie wordt binnen het kader van de toegekende premie van de betrokken maand berekend op basis van de effectieve tewerkstelling. Er is slechts recht op een loonpremie voor de werkelijk verrichte en daarmee gelijkgestelde arbeidsprestaties. Het bedrag van de omkaderingssubsidie wordt binnen het kader van de toegekende premie van de betrokken maand en rekening houdend met de bepalingen van § 2 van dit artikel, berekend op basis van de tewerkstelling van een omkaderingspersoneelslid.
  § 5. De indienstneming van de erkende werknemer gebeurt binnen de zes maanden te rekenen vanaf de dag van de kennisgeving van de beslissing tot erkenning. Voor sociale werkplaatsen waar een aanwerving in fases aangewezen is, gaan de aanwervingstermijnen slechts in op de data vermeld in de erkenningsbeslissing.
  Met iedere uitbreiding van de erkenning gaat een nieuwe aanwervingstermijn in van zes maanden te rekenen vanaf de dag van de kennisgeving van de beslissing tot uitbreiding of wijziging.
  Met iedere wijziging van de erkenning gaat een nieuwe vervangingstermijn in van drie maanden voor de arbeidsplaatsen waarop de wijziging betrekking heeft te rekenen vanaf de dag van de kennisgeving van de beslissing tot wijziging.
  Een uitdienstgetreden erkende werknemer kan worden vervangen indien deze vervanging gebeurt binnen de drie maanden te rekenen vanaf de dag van de uitdiensttreding van de te vervangen werknemer.
  De minister kan een éénmalige verlenging van de vervangingstermijn van maximaal drie maanden toestaan indien de sociale werkplaats het bewijs levert dat het verstrijken van de vervangingstermijn zonder de indienstname van een werknemer buiten haar wil om is gebeurd.
  Na de termijn vermeld in de leden 1 tot en met 4 van deze paragraaf vervalt het recht op de toegekende loonpremie.
  § 6. De loonpremie kan in geen geval gecumuleerd worden met een andere tussenkomst in de loonkosten die bij decreet of besluit aan eenzelfde tewerkstelling wordt toegekend. De sociale werkplaats moet de minister onmiddellijk op de hoogte brengen, wanneer hij een andere tussenkomst in de loonkost van een werknemer ontvangt.".
Art. 4. L'article 6bis du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 6bis. § 1er. En application de l'article 4, § 2, de l'arrêté royal n° 474 et de l'article 20 du décret du 14 juillet 1998 relatif aux ateliers sociaux et dans les limites d'un crédit budgétaire affecté à cet effet, les ateliers sociaux peuvent prétendre à une prime salariale dégressive individuelle sur la base du nombre d'employés agréés par le Ministre et qui doivent être des demandeurs d'emploi dont le placement s'avère difficile.
  La prime salariale dégressive individuelle s'élève annuellement à F 600 000 tant pour la première année que pour la deuxième année d'emploi.
  Le montant annuelle de la prime salariale s'élève à F 540 000 à partir de la troisième année d'emploi de l'employé agréé.
  Pour la fixation de la prime salariale telle que stipulée au deuxième et troisième alinéa du présent arrêté, il est tenu compte de la période d'emploi dans le cadre de l'article 6bis du présent arrêté telle qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté de modification.
  En cas de remplacement définitif d'un employé agréé, la prime salariale dégressive individuelle commence la première année, pour autant que l'atelier social démontre que l'employé à remplacer est employé sur le marché du travail régulier, dans un atelier social agréé, dans le troisième circuit de travail, suivant les dispositions du présent arrêté, à l'exception d'un emploi dans le cadre de l'article 7bis ou suivant les dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 27 octobre 1993 généralisant le régime des contractuels subventionnés à l'exception d'un emploi dans le cadre de l'article 7bis.
  Cette règle s'applique également lorsque la démission de l'employé agréé se passe contre le gré de l'atelier social. Le Ministre décide en cas de contestations. A cet effet, l'administration émet un avis vis-à-vis du Ministre, après concertation avec l'accompagnateur de parcours.
  La prime salariale de l'employé qui est employé aux conditions d'un contrat de remplacement d'un employé agréé correspond au montant annuel dont bénéficierait le titulaire.
  En application de l'article 4, § 2, de l'arrêté royal n° 474 et de l'article 20 du décret du 14 juillet 1998 relatif aux ateliers sociaux et dans les limites d'un crédit budgétaire affecté à cet effet, les ateliers sociaux peuvent également prétendre à une prime salariale dégressive individuelle pour le remplacant d'un employé agréé, qui dans le cadre de son projet individuel de réintégration suit un stage pendant la durée de son emploi dans le circuit de travail régulier ou suit une formation professionnelle aux conditions telles que fixées à l'article 32 de la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs.
  § 2. En application de l'article 4, § 2, de l'arrêté royal n° 474 et de l'article 20 du décret du 14 juillet 1998 relatif aux ateliers sociaux et dans les limites d'un crédit budgétaire, les ateliers sociaux peuvent également prétendre à une prime d'encadrement à raison d'un membre du personnel d'encadrement employé à plein temps par 5 employés à plein temps équivalents agréés recrutés.
  Le montant annuel de la prime d'encadrement est fixé à F 450 000 par membre du personnel d'encadrement équivalent employé à plein temps.
  Pour l'application du premier alinéa, l'employé agréé est supposé être toujours recruté pendant le délai de remplacement visé au § 5 du présent arrêté.
  § 3. le montant de la prime salariale et de la prime d'encadrement évolue de la même façon et dans la même mesure que l'indice de santé, avec novembre 1998 comme mois de base.
  § 4. En application de l'article 4, § 2, de l'arrêté royal n° 474 et de l'article 20 du décret du 14 juillet 1998 relatif aux ateliers sociaux, le Ministre fixe mensuellement le montant que l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle verse avant le dix du mois calendrier courant. Le montant de la prime salariale est calculé dans le cadre de la prime accordée lors du mois concerné sur la base du taux d'emploi effectif. Le droit à une prime salariale n'existe que pour les prestations de travail réellement effectuées et pour les prestations assimilées. Le montant de la prime d'encadrement est calculé dans le cadre de la prime accordée lors du mois concerné sur la base de l'emploi d'un membre du personnel d'encadrement et compte tenu des dispositions du § 2 du présent arrêté.
  § 5. L'entrée en service d'un employé agréé se fait dans les six mois à compter à partir de la notification de la décision d'agrément. En ce qui concerne les ateliers où un recrutement en phases est indiqué, les délais de recrutement ne commencent qu'aux dates mentionnées dans la décision d'agrément.
  A chaque extension de l'agrément, un nouveau délai de recrutement de six mois commence à compter à partir du jour de la notification de la décision d'extension ou de modification.
  A chaque extension de l'agrément, un nouveau délai de recrutement de trois mois commence pour les emplois auxquels la modification a trait à compter à partir du jour de la notification de la décision de modification.
  Un employé agréé quittant son emploi peut être remplacé lorsque ce remplacement se fait dans les trois mois à compter à partir du jour de la démission de l'employé qui est à remplacer.
  Le Ministre peut accorder une prolongation unique du délai de remplacement d'au maximum trois mois à condition que l'atelier social fournit la preuve que l'échéance du délai de remplacement sans entrée en service d'un employé s'est fait contre son gré.
  Le droit à la prime salariale accordée échoit après le délai mentionné aux alinéas 1er à 4 du présent paragraphe.
  § 6. La prime salariale ne peut en aucun cas être cumulée avec une autre intervention dans les frais salariaux qui serait accordée au même emploi suite à un décret ou à un arrêté. L'atelier social doit immédiatement informer le Ministre au cas où il recevrait une autre intervention dans les frais salariaux. ".
Art. 5. In hetzelfde besluit wordt het opschrift van Hoofdstuk VII vervangen door wat volgt :
  "HOOFDSTUK VII. - Overgangs- en Slotbepalingen.".
Art. 5. Au même arrêté, le libellé du Chapitre VII est remplacé par ce qui suit :
  " CHAPITRE VII. - Dispositions transitoires et finales. ".
Art. 6. In hetzelfde besluit worden een artikel 19bis, een artikel 19ter en een artikel 19quater ingevoegd, die luiden als volgt :
  "Art. 19bis. § 1. De premiebetaling in toepassing van artikel 6bis van dit besluit zoals van kracht voor de gelding van onderhavig wijzigingsbesluit aan een instelling die uiterlijk op 31 december 1998 geen aanvraag tot erkenning in het kader van het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen heeft ingediend, stopt van rechtswege op 31 december 1998 tenzij de instelling aantoont dat de werknemers vóór deze datum in opzeg werden geplaatst. In dit geval wordt de premie verder uitbetaald gedurende de opzeggingstermijn.
  § 2. De premiebetaling in toepassing van artikel 6bis van dit besluit blijft in ongewijzigde vorm van toepassing voor de instellingen die uiterlijk op 31 december 1998 een aanvraag tot erkenning in het kader van het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen hebben ingediend tot over de aanvraag is beslist.".
  "Art. 19ter. De personen die in toepassing van artikel 6bis van dit besluit zoals van kracht voor de gelding van dit wijzigingsbesluit als omkaderingspersoneelslid werden tewerkgesteld worden gelijkgesteld met de personen zoals bepaald in artikel 2, § 1, 7°, van dit besluit.".
  "Art. 19quater. Voor de aanwervingen in het kader van artikel 6bis van dit besluit zijn enkel artikel 1, 15° en 16°, artikel 2, § 1, 7°, artikel 6bis, artikel 10, §§ 4, 5 en 6, 2e lid, artikel 19, artikel 19bis en artikel 19ter van dit besluit van toepassing.
  De bepalingen van het decreet van 14 juli 1998 inzake sociale werkplaatsen en het besluit van de Vlaamse regering van 8 december 1998 tot uitvoering van het decreet inzake sociale werkplaatsen met uitzondering van de artikelen 2, 18 tot en met 24 en 27 zijn van toepassing op werknemers tewerkgesteld in het kader van artikel 6bis van dit besluit.".
Art. 6. Au même arrêté, un article 19bis, un article 19ter et un article 19quater, sont insérés libellés comme suit :
  " Art. 19bis. § 1er. Le paiement de la prime, en application de l'article 6bis du présent arrêté tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté de modification, à une institution qui au plus tard le 31 décembre 1998 n'a pas introduit de demande d'agrément dans le cadre du décret du 14 juillet 1998 relatif aux ateliers sociaux, cesse de droit le 31 décembre 1998 sauf si l'institution démontre que les employés ont reçu leur préavis avant cette date. Dans ce cas, la prime continuera à être payée pendant la période de préavis.
  § 2. Le paiement de la prime en application de l'article 6bis du présent arrêté continuera à être appliquée sans être modifiée aux institutions qui au plus tard le 31 décembre 1998 ont introduit une demande d'agrément dans le cadre du décret du 14 juillet 1998 relatif aux ateliers sociaux jusqu'à ce qu'une décision relative à cette demande a été prise. ".
  " Art. 19ter. Les personnes qui en application de l'article 6bis du présent arrêté tel qu'il était en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté de modification étaient employées comme membre du personnel d'encadrement, sont assimilées aux personnes telles que fixées à l'article 2, § 1er, 7° du présent arrêté. ".
  " Art. 19quater. En ce qui concerne les recrutement dans le cadre de l'article 6bis du présent arrêté, seuls l'article 1er, 15° et 16°, l'article 2, § 1er, 7°, l'article 6bis, l'article 10, §§ 4, 5 et 6, 2ème alinéa, l'article 19, l'article 19bis et l'article 19ter du présent arrêté sont d'application.
  Les dispositions du décret du 14 juillet 1998 relatifs aux ateliers sociaux et l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 1998 en exécution du décret du 14 juillet 1998 relatif aux ateliers sociaux, à l'exception des articles 2, 18 à 24 compris et 27, s'appliquent aux personnes employés dans le cadre de l'article 6bis du présent arrêté. ".
Art. 7. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 november 1998.
Art. 7. Le présent arrêté produit ses effets à partir du 1er novembre 1998.
Art. 8. De Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling is belast met de uitvoering van het besluit.
  Brussel, 8 december 1998.
  De minister-president van de Vlaamse regering,
  L. VAN DEN BRANDE
  De Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling,
  Th. KELCHTERMANS
Art. 8. Le Ministre flamand de l'Environnement et de l'Emploi est chargé de l'exécution du présent arrêté.
  Bruxelles, le 8 décembre 1998.
  Le Ministre-Président du Gouvernement flamand,
  L. VAN DEN BRANDE
  Le Ministre flamand de l'Environnement et de l'Emploi,
  Th. KELCHTERMANS