Vergelijking NL / FR

| Word Word (citaat)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titel
25 MAART 1999. - [Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid] (ORD2014-05-08/54, art. 2, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2015; zie ook ORD2014-05-08/54, art. 159) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-06-1999 en tekstbijwerking tot 03-06-2024)
Titre
25 MARS 1999. - [Code de l'inspection, la prévention, la constatation et la répression des infractions en matière d'environnement et de la responsabilité environnementale] (ORD2014-05-08/54, art. 2, 027; En vigueur : 01-01-2015; voir aussi ORD2014-05-08/54, art. 159) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 24-06-1999 et mise à jour au 03-06-2024)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (93)
Texte (93)
Titel I. - [1 (Hoofdstuk I vervangen door Titel I)]1 Algemene bepalingen.
Titre I. [1 (Chapitre I remplacé par Titre I)]1 - Dispositions générales.
Artikel 1. [1 Dit Wetboek]1 regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 39 van de Grondwet.
  
Article 1. [1 Le présent Code]1 règle une matière visée à l'article 39 de la Constitution.
  
Art.2. [1 § 1. Dit Wetboek regelt de milieuaansprakelijkheid alsook de inspectie, de preventie, de vaststelling en de bestraffing van de misdrijven, enerzijds van de miskenning van de hiernavolgende bepalingen van de verordeningen van de Europese Unie, en anderzijds, van de misdrijven voorzien in het onderhavige Wetboek en in de volgende wetten en ordonnanties en hun uitvoeringsbesluiten :
   1° de wetten en ordonnanties die voorzien in hun onderwerping aan dit wetboek en die niet onder punt 2° worden bedoeld, alsook hun uitvoeringsbesluiten;
   2° de volgende wetten en ordonnanties, alsook hun uitvoeringsbesluiten :
   - het Boswetboek;
   - het Veldwetboek;
   - de wet van 28 december 1931 op de bescherming van aan particulieren behorende bossen en wouden;
   - de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van het grondwater;
   - de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen de verontreiniging;
   - de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren;
   - de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
   - [10 de ordonnantie van 17 juli 1997 betreffende het voorkomen en de strijd tegen geluidshinder en trillingen in een stedelijke omgeving]1
0;
   - de ordonnantie van 22 april 1999 betreffende het voorkomen en het beheer van afval van producten in papier en/of karton;
   - de ordonnantie van 29 april 2004 betreffende de milieuovereenkomsten;
   - de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot opstelling van een kader voor het waterbeleid;
   - de ordonnantie van 1 maart 2007 betreffende de bescherming van het leefmilieu tegen de eventuele schadelijke effecten en hinder van niet-ioniserende stralingen;
   - de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems;
   - de ordonnantie van 9 december 2010 betreffende de toepasselijke sancties in het geval van niet-naleving van de Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en van de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH);
   - de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud;
   - het Brusselse Wetboek van lucht, klimaat en energiebeheersing van 2 mei 2013;
   - de ordonnantie van 14 juni 2012 betreffende afvalstoffen;
   - de ordonnantie van 20 juni 2013 betreffende een pesticidegebruik dat verenigbaar is met de duurzame ontwikkeling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  [4 - de besluitwet van 18 december 1946 waarbij tot het houden van een telling der grondwaterreserves en tot invoering van een reglementering van hun gebruik besloten wordt.]4
   3° de volgende bepalingen :
   - Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer;
   - [8 Artikel 3, §§ 1 en 2, artikel 4, §§ 1 en 2, artikel 5, §§ 1 en 2 en artikel 7, §§ 1 tot en met 4 van de Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen, in de mate deze de vervaardiging en het gebruik van persistente organische verontreinigende stoffen en het afvalbeheer regelen;]8
   - [2 Artikel 3, artikel 4 met uitzondering van § 5, artikel 5, artikel 6 §§ 1 en 2, artikel 7 § 1, artikel 8, artikel 10, artikel 13 en artikel 19 §§ 1 tot 3 van de Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006]2
   - Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, in het gewestelijke bevoegdheidsgebied;
   - Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie;
   - Verordening (EG) nr. 1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde in bijlage III of III A bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad genoemde afvalstoffen naar bepaalde landen waarop het OESO-besluit betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is, in het gewestelijke bevoegdheidsgebied;
   - artikelen 4, 5, 6, § 2, artikelen 7, 8, §§ 1 tot en met 3, artikel 10, § 1, § 3, eerste lid, §§ 4 en 5, artikel 11, §§ 1 tot en met 7, artikel 12, §§ 1 tot en met 3, artikel 13, §§ 1 tot en met 3, artikel 22, §§ 1, 2, 4, artikel 23, §§ 1, 2, 3, 5 en 6, en artikel 24, § 1, van Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en van de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen en artikel 17 van deze Verordening;
   - [7 Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009, tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 en, Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn, in het gewestelijke bevoegdheidsgebied ;]7
  [2 - Artikelen 4 en 7 van de Verordening (EU) nr. 511/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende voor gebruikers bestemde nalevingsmaatregelen uit het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik in de Unie
   - Artikel 7, artikel 8 § 3, artikel 31 § 1 en artikel 32 §§ 1 en 2 van de Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten;]2

  [3 - Artikel 3, §§ 1 tot en met 4, artikel 4, §§ 1 en 4, artikel 5, §§ 1 en 2, artikel 7, §§ 1 tot en met 3, artikel 8, §§ 1 tot en met 4, artikel 9, § 1, artikel 10, §§ 4 tot 6, artikel 11, artikel 12, artikel 13, §§ 1 en 3, artikel 14, §§ 1 tot en met 4 van de Verordening (EU) 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende kwik, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1102/2008;]3
  [5 - Verordening (EG) nr. 708/2007 van de Raad van 11 juni 2007 inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet voorkomende soorten in de aquacultuur.]5
  [6 - de ordonnantie van 16 mei 2019 betreffende het beheer en de bescherming van onbevaarbare waterlopen en vijvers; ]6
  [9 - de rechtstreeks toepasselijke bepalingen van de Verordening (EU) 2020/741 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 2020 inzake minimumeisen voor hergebruik van water;]9
   § 2. De Regering vult de in punt 3° bedoelde lijst aan met de rechtstreeks toepasselijke bepalingen van de verordeningen van de Europese Unie, die na de inwerkingtreding van huidig lid werden aangenomen of in werking zijn getreden, en waarvan de uitvoering behoort tot de bevoegdheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bedoeld onder artikelen 6, § 1, II, eerste lid, III, 2° tot en met 10°, VII, eerste lid, h, en XI, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, krachtens artikel 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, in de mate waarin hun naleving niet reeds door een andere wetgeving wordt geregeld.]1
  
Art.2. [1 § 1er. Le présent Code régit la responsabilité environnementale ainsi que l'inspection, la prévention, la constatation et la répression, d'une part, de la violation des dispositions suivantes des règlements de l'Union européenne, et d'autre part, des infractions prévues dans le présent Code et dans les lois et ordonnances suivantes et leurs arrêtés d'exécution :
   1° les lois et ordonnances prévoyant leur soumission au présent Code et qui ne sont pas visées au point 2°, ainsi que leurs arrêtés d'exécution;
   2° les lois et ordonnances suivantes, ainsi que leurs arrêtés d'exécution :
   - le Code forestier;
   - le Code rural;
   - la loi du 28 décembre 1931 relative à la protection des bois et forêts appartenant à des particuliers;
   - la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux souterraines;
   - la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution;
   - la loi du 14 août 1986 relative à la protection et au bien-être des animaux;
   - l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement;
   - [10 l'ordonnance du 17 juillet 1997 relative à la prévention et à la lutte contre le bruit et les vibrations en milieu urbain]1
0;
   - l'ordonnance du 22 avril 1999 relative à la prévention et à la gestion des déchets des produits en papier et/ou carton;
   - l'ordonnance du 29 avril 2004 relative aux conventions environnementales;
   - l'ordonnance du 20 octobre 2006 établissant un cadre pour la politique de l'eau;
   - l'ordonnance du 1er mars 2007 relative à la protection de l'environnement contre les éventuels effets nocifs et nuisances provoqués par les radiations non ionisantes;
   - l'ordonnance du 5 mars 2009 relative à la gestion et à l'assainissement des sols pollués;
   - l'ordonnance du 9 décembre 2010 relative aux sanctions applicables en cas de violation du Règlement (CE) n° 1907/2006 du Parlement européen et du Conseil du 18 décembre 2006 concernant l'enregistrement, l'évaluation et l'autorisation des substances chimiques, ainsi que les restrictions applicables à ces substances (REACH);
   - l'ordonnance du 1er mars 2012 relative à la conservation de la nature;
   - le Code bruxellois de l'air, du climat et de la maîtrise de l'énergie du 2 mai 2013;
   - l'ordonnance du 14 juin 2012 relative aux déchets;
   - l'ordonnance du 20 juin 2013 relative à une utilisation des pesticides compatible avec le développement durable en Région de Bruxelles-Capitale;
  [4 - l'arrêté-loi du 18 décembre 1946 instituant un recensement des réserves aquifères souterraines et établissant une réglementation de leur usage.]4
  [6 - l'ordonnance du 16 mai 2019 relative à la gestion et à la protection des cours d'eau non navigables et des étangs]6
   3° les dispositions suivantes :
   - le Règlement (CE) n° 338/97 du Conseil du 9 décembre 1996 relatif à la protection des espèces de faune et de flore sauvages par le contrôle de leur commerce;
   - [8 L'article 3, §§ 1er et 2, l'article 4, §§ 1er et 2, l'article 5, §§ 1er et 2 et l'article 7, §§ 1er à 4 du Règlement (UE) 2019/1021 du Parlement européen et du Conseil du 20 juin 2019 concernant les polluants organiques persistants, dans la mesure où ils règlent la fabrication et l'utilisation des polluants organiques persistants et la gestion des déchets;]8
   - [2 L'article 3, l'article 4, à l'exception du § 5, l'article 5, l'article 6 §§ 1 et 2, l'article 7 § 1er, l'article 8, l'article 10, l'article 13 et l'article 19 §§ 1, 2 et 3 du Règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le règlement (CE) n° 842/2006]2
   - le Règlement (CE) n° 1013/2006 du Parlement européen et du Conseil du 14 juin 2006 concernant les transferts de déchets, dans le champ des compétences régionales;
   - le Règlement (CE) n° 1907/2006 du Parlement européen et du Conseil du 18 décembre 2006 concernant l'enregistrement, l'évaluation et l'autorisation des substances chimiques, ainsi que les restrictions applicables à ces substances (REACH), instituant une Agence européenne des produits chimiques, modifiant la Directive 1999/45/CE et abrogeant le Règlement (CEE) n° 793/93 du Conseil et le Règlement (CE) n° 1488/94 de la Commission ainsi que la Directive 76/769/CEE du Conseil et les Directives 91/155/CEE, 93/67/CEE, 93/105/CE et 2000/21/CE de la Commission;
   - le Règlement (CE) n° 1418/2007 de la Commission du 29 novembre 2007 concernant l'exportation de certains déchets destinés à être valorisés, énumérés à l'annexe III ou IIIA du Règlement (CE) n° 1013/2006 du Parlement européen et du Conseil, vers certains pays auxquels la décision de l'OCDE sur le contrôle des mouvements transfrontières de déchets ne s'applique pas, dans le champ des compétences régionales;
   - les articles 4, 5, 6, § 2, les articles 7, 8, §§ 1er à 3, l'article 10, § 1er, § 3, alinéa 1er, §§ 4 et 5, l'article 11, §§ 1er à 7, l'article 12, §§ 1er à 3, l'article 13, §§ 1er à 3, l'article 22, §§ 1er, 2, 4, l'article 23, §§ 1er, 2, 3, 5 et 6, et l'article 24, § 1er, du Règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone et l'article 17 de ce Règlement;
   - [7 le Règlement (CE) n° 1069/2009 du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 établissant des règles sanitaires applicables aux sous-produits animaux et produits dérivés non destinés à la consommation humaine et abrogeant le Règlement (CE) n° 1774/2002 et le Règlement (UE) n° 142/2011 de la Commission du 25 février 2011 portant application du règlement (CE) n° 1069/2009 du Parlement européen et du Conseil établissant des règles sanitaires applicables aux sous-produits animaux et produits dérivés non destinés à la consommation humaine et portant application de la directive 97/78/CE du Conseil en ce qui concerne certains échantillons et articles exemptés des contrôles vétérinaires effectués aux frontières en vertu de cette directive, dans le champ des compétences régionales ;]7
  [2 - L'article 4 et l'article 7 du Règlement (UE) n ° 511/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux mesures concernant le respect par les utilisateurs dans l'Union du protocole de Nagoya sur l'accès aux ressources génétiques et le partage juste et équitable des avantages découlant de leur utilisation
   - L'article 7, l'article 8, § 3, l'article 31, § 1 et l'article 32, §§ 1 et 2 du Règlement (UE) n ° 1143/2014 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2014 relatif à la prévention et à la gestion de l'introduction et de la propagation des espèces exotiques envahissantes;]2

  [3 - L'article 3, §§ 1er à 4, l'article 4, §§ 1er et 4, l'article 5, §§ 1er et 2, l'article 7, §§ 1er à 3, l'article 8, §§ 1er à 4, l'article 9, § 1er, l'article 10, §§ 4 à 6, l'article 11, l'article 12, l'article 13, §§ 1er et 3, l'article 14, §§ 1er à 4 du règlement (UE) 2017/852 du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2017 relatif au mercure et abrogeant le règlement (CE) n° 1102/2008;]3
  [5 - le Règlement CE n° 708/2007 du Conseil du 11 juin 2007 relatif à l'utilisation en aquaculture des espèces exotiques et des espèces localement absentes.]5
  [9 - les dispositions directement applicables du règlement 2020/741 (UE) du Parlement européen et du Conseil du 25 mai 2020 relatif aux exigences minimales applicables à la réutilisation de l'eau ;]9
   § 2. Le Gouvernement complète la liste visée au point 3° par les dispositions directement applicables des règlements de l'Union européenne adoptés ou entrant en vigueur postérieurement à l'entrée en vigueur du présent alinéa et dont la mise en oeuvre relève des compétences de la Région de Bruxelles-Capitale visées aux articles 6, § 1er, II, alinéa 1er, III, 2° à 10°, VII, alinéa 1er, h, et XI, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles en vertu de l'article 4 de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux institutions bruxelloises, dans la mesure où le contrôle de leur respect n'est pas déjà régi par une autre législation.]1
  
Art.3. [1 § 1. In de zin van onderhavig Wetboek wordt begrepen onder :
   1° misdrijf : elke overtreding of elk wanbedrijf bepaald door of krachtens een verordening van de Europese Unie, een wet, een ordonnantie bedoeld in artikel 2 van dit Wetboek of bepaald door of krachtens dit Wetboek;
   2° [4 Leefmilieu Brussel]4
   3° GAN : het Gewestelijk Agentschap voor Netheid;
   4° Ministerie : het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
   5° Milieucollege : het college bedoeld in artikel 79 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
   6° inrichting : elke inrichting in de zin van artikel 3, 1°, van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
   7° personeelsleden : personeelsleden van [4 Leefmilieu Brussel]4 en/of van een gemeente, en/of van het GAN en/of van het bevoegde bestuur van het Ministerie;
   8° met het toezicht belaste personeelsleden : statutaire of contractuele personeelsleden van [4 Leefmilieu Brussel]4 en/of van een gemeente, en/of van het GAN en/of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, belast met het toezicht op de naleving van de verordeningen van de Europese Unie, de wetten en/of in artikel 2 bedoelde ordonnanties, en van dit Wetboek, en met de vaststelling van de misdrijven daarop vast te stellen;
   9° deskundige : derde die waarborgen biedt inzake onafhankelijkheid en bekwaamheid, op wie de met het toezicht belaste personeelsleden beroep kunnen doen in het kader van hun inspectieopdracht;
   10° erkend laboratorium : laboratorium dat een erkenning heeft bekomen overeenkomstig de door de Regering vastgelegde voorwaarden en procedure;
   11° inspectie : opdracht van toezicht, controle en onderzoek, die aan de met het toezicht belaste personeelsleden wordt toevertrouwd;
   12° inspectieprogramma : jaarlijks door [4 Leefmilieu Brussel]4 vastgelegd en door de Regering goedgekeurd programma, dat minimale criteria voor inspectie bevat, zoals vastgelegd door de Aanbeveling van het Europese Parlement en de Raad nr. 2001/331/EG van 4 april 2001 betreffende minimumcriteria voor milieu-inspecties in de Lidstaten, zonder het kader te vormen voor de toekenning van vergunningen voor projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben;
   13° de leidend ambtenaar van het GAN : de directeur-generaal van het GAN;
   14° verordening van de Europese Unie : elke verordening van de Europese Unie, van de Europese Gemeenschap of van de Economische Europese Gemeenschap;
   15° handeling van administratief onderzoek : iedere handeling, verricht door een administratieve overheid of een personeelslid gemachtigd om een misdrijf vast te stellen of om de procedure in te leiden die bestemd is voor het inzamelen van bewijselementen, voor de vaststelling van een misdrijf, of om de zaak in staat te stellen teneinde door de administratieve overheid beslecht te worden;
   16° handeling van administratieve sanctie : [5 elk voorstel tot bestuurlijke transactie of ]5 elke handeling die een alternatieve administratieve geldboete uitspreekt en die wordt opgelegd door de in eerste aanleg bevoegde instantie;
   17° werkdag : elke dag die noch een zaterdag, noch een zondag, noch een wettelijke feestdag is;
   18° verontreiniging : de door de mens veroorzaakte aanwezigheid van elementen, substanties of energievormen zoals warmte, stralingen, licht, geluid of andere trillingen in de atmosfeer, de bodem of het water, die de mens of het leefmilieu op rechtstreekse of onrechtstreekse wijze nadelig beïnvloedt of kan beïnvloeden;
   19° audiovisueel apparaat : elk vast observatiesysteem dat tot doel heeft de naleving van de bepalingen bedoeld in artikel 2 en de bepalingen van dit wetboek na te gaan, de misdrijven op deze bepalingen te voorkomen en/of vast te stellen en/of de daders van deze misdrijven op te sporen;
   20° niet-besloten plaats : elke plaats die niet door een omheining is afgebakend en vrij toegankelijk is voor het publiek;
   21° voor het publiek toegankelijke besloten plaats : elk besloten gebouw of elke besloten plaats bestemd voor het gebruik door het publiek waar diensten aan het publiek kunnen worden verstrekt;
   22° niet voor het publiek toegankelijke besloten plaats : elk besloten gebouw of elke besloten plaats die uitsluitend bestemd is voor het gebruik door de gewoonlijke gebruikers;
   23° verantwoordelijke voor de verwerking : [4 Leefmilieu Brussel]4, vertegenwoordigd door zijn leidend ambtenaar, het GAN, vertegenwoordigd door zijn leidend ambtenaar, de gemeente of de Regering, naargelang de overheid waaronder de doeleinden en de modaliteiten van de verwerking van de opgeslagen persoonsgegevens zijn bepaald.]1

   [2 § 2. 1° Voor de toepassing van huidige bepaling en van de hiernavolgende bepalingen wordt verstaan onder :
   a) de leidend ambtenaar van [4 Leefmilieu Brussel]4 : de directeur-generaal van [4 Leefmilieu Brussel]4, in voorkomend geval vervangen in de uitoefening van zijn bevoegdheden overeenkomstig 3° ;
   b) de adjunct-leidend ambtenaar van [4 Leefmilieu Brussel]4 : de adjunct-directeur-generaal van [4 Leefmilieu Brussel]4, in voorkomend geval vervangen in de uitoefening van zijn bevoegdheden overeenkomstig 3°, b) en c) en 5°, b) [3 en c) ]3.
   2° De bevoegdheden die in de hiernavolgende bepalingen worden toevertrouwd aan [4 Leefmilieu Brussel]4, worden uitgeoefend door de leidend ambtenaar van [4 Leefmilieu Brussel]4.
   3° Met uitzondering van de bevoegdheid om de met het toezicht belaste personeelsleden van [4 Leefmilieu Brussel]4 aan te duiden, worden de bevoegdheden, toegewezen aan de leidend ambtenaar van [4 Leefmilieu Brussel]4, als volgt uitgeoefend :
   a) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de leidend ambtenaar van [4 Leefmilieu Brussel]4, door de adjunct-leidend ambtenaar van [4 Leefmilieu Brussel]4;
   b) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de leidend ambtenaar van [4 Leefmilieu Brussel]4 en van de adjunct-leidend ambtenaar van [4 Leefmilieu Brussel]4, door de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft;
   c) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de leidend ambtenaar van [4 Leefmilieu Brussel]4, van de adjunct-leidend ambtenaar van [4 Leefmilieu Brussel]4 en van de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, door een andere aangewezen directeur-hoofd van de dienst aangewezen door één van deze drie ambtenaren.
   4° De Regering legt de gevallen vast waarin de bevoegdheden van de leidend ambtenaar van [4 Leefmilieu Brussel]4, voorzien door de hierna volgende bepalingen, en onder voorbehoud van toepassing van 6°, zullen worden uitgeoefend door de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft.
   5° De bevoegdheden die aan de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, worden toegewezen overeenkomstig 4° en 7°, worden als volgt uitgeoefend :
   a) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, door de adjunct-leidend ambtenaar van [4 Leefmilieu Brussel]4;
   b) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, en van de adjunct-leidend ambtenaar van [4 Leefmilieu Brussel]4, door de leidend ambtenaar van [4 Leefmilieu Brussel]4.
  [3 c) in geval van afwezigheid, verlof of verhindering van de leidend ambtenaar van [4 Leefmilieu Brussel]4, van de adjunct - leidend ambtenaar van [4 Leefmilieu Brussel]4 en van de directeur - hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft, door een andere directeur-hoofd van een dienst aangewezen door één van deze drie ambtenaren. ]3
   6° De leidend ambtenaar van [4 Leefmilieu Brussel]4 kan zich in de plaats stellen van de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft in de uitoefening van de bevoegdheden vastgesteld krachtens 4°.
   7° De leidend ambtenaar van [4 Leefmilieu Brussel]4 is bevoegd om bepaalde bevoegdheden die door de hiernavolgende bepalingen worden toegekend aan [4 Leefmilieu Brussel]4, te delegeren aan de directeur-hoofd van de dienst die de inspectie en de bodem onder zijn bevoegdheden heeft.]2

  
Art.3. [1 § 1er. Au sens du présent Code, on entend par :
   1° infraction : toute contravention ou tout délit défini par ou en vertu d'un règlement de l'Union européenne, d'une loi, d'une ordonnance visé à l'article 2 du présent Code ou défini par ou en vertu du présent Code;
   2° [4 Bruxelles Environnement]4
   3° ARP : l'Agence régionale pour la propreté;
   4° Ministère : le Ministère de la Région de Bruxelles-Capitale;
   5° Collège d'environnement : le Collège visé à l'article 79 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement;
   6° installation : toute installation au sens de l'article 3, 1°, de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement;
   7° agents : agents de [4 Bruxelles Environnement]4 et/ou d'une administration communale, et/ou de l'ARP et/ou de l'administration compétente du Ministère;
   8° agents chargés de la surveillance : agents statutaires ou contractuels de [4 Bruxelles Environnement]4 et/ou d'une administration communale et/ou de l'ARP et/ou de l'administration compétente du Ministère chargés de contrôler le respect de règlements de l'Union européenne, de lois et/ou d'ordonnances visés à l'article 2, et du présent Code, et de constater les infractions à ceux-ci;
   9° expert : tiers offrant des garanties d'indépendance et de compétence auxquels les agents chargés de la surveillance peuvent faire appel dans le cadre de leur mission d'inspection;
   10° laboratoire agréé : laboratoire ayant obtenu l'agrément conformément aux conditions et à la procédure fixées par le Gouvernement;
   11° inspection : mission de surveillance, de contrôle et d'investigation dévolue aux agents chargés de la surveillance;
   12° programme d'inspection : programme annuel établi par [4 Bruxelles Environnement]4 et approuvé par le Gouvernement intégrant les critères minimaux d'inspection tels que fixés par la Recommandation n° 2001/331/CE du Parlement européen et du Conseil du 4 avril 2001 prévoyant des critères minimaux applicables aux inspections environnementales dans les Etats membres, sans définir le cadre dans lequel la mise en oeuvre de projets susceptibles d'avoir des incidences notables sur l'environnement peut être autorisée;
   13° le fonctionnaire dirigeant de l'ARP : le directeur général de l'ARP;
   14° règlement de l'Union européenne : tout règlement de l'Union européenne, de la Communauté européenne ou de la Communauté économique européenne;
   15° acte d'instruction administrative : tout acte, exercé par une autorité administrative ou un agent habilités à constater l'infraction ou à instruire la procédure, qui est destiné à recueillir des preuves, à constater une infraction ou à mettre l'affaire en état d'être tranchée par l'autorité administrative;
   16° acte de répression administrative : [5 toute proposition de transaction ou]5 tout acte prononçant une amende administrative alternative et qui est émis par l'autorité compétente en premier ressort;
   17° jour ouvrable : chaque jour qui n'est ni un samedi, ni un dimanche, ni un jour férié légal;
   18° pollution : la présence d'éléments, de substances ou de formes d'énergie telles que la chaleur, les radiations, la lumière, le bruit ou d'autres vibrations causée par l'homme dans l'atmosphère, le sol ou l'eau, qui peut affecter négativement l'homme ou l'environnement de façon directe ou indirecte;
   19° appareil audiovisuel : tout système d'observation fixe dont le but est de contrôler le respect des dispositions visées à l'article 2 et des dispositions du présent Code, de prévenir et/ou de constater les faits constitutifs d'une infraction à ces dispositions et/ou de rechercher les auteurs de ces infractions;
   20° lieu ouvert : tout lieu non délimité par une enceinte et accessible librement au public;
   21° lieu fermé accessible au public : tout bâtiment ou lieu fermé destiné à l'usage du public, où des services peuvent lui être fournis;
   22° lieu fermé non accessible au public : tout bâtiment ou lieu fermé destiné uniquement à l'usage des utilisateurs habituels;
   23° responsable du traitement : selon l'autorité sous laquelle sont déterminées les finalités et les modalités de traitement des données à caractère personnel enregistrées, [4 Bruxelles Environnement]4, représenté par son fonctionnaire dirigeant, l'ARP, représentée par son fonctionnaire dirigeant, la commune ou le Gouvernement.]1

   [2 § 2. 1° Pour l'application de la présente disposition et des dispositions qui suivent, on entend par :
   a) le fonctionnaire dirigeant de [4 Bruxelles Environnement]4 : le directeur général de [4 Bruxelles Environnement]4, remplacé le cas échéant dans l'exercice de ses compétences conformément au 3° ;
   b) le fonctionnaire dirigeant adjoint de [4 Bruxelles Environnement]4 : le directeur général adjoint de [4 Bruxelles Environnement]4, remplacé le cas échéant dans l'exercice de ses compétences conformément aux 3°, b) et c) et 5°, b) [3 et c)]3.
   2° Les compétences attribuées à [4 Bruxelles Environnement]4 par les dispositions qui suivent sont exercées par le fonctionnaire dirigeant de [4 Bruxelles Environnement]4.
   3° à l'exception de la compétence de désigner les agents de [4 Bruxelles Environnement]4 chargés de la surveillance, les compétences attribuées au fonctionnaire dirigeant de [4 Bruxelles Environnement]4 par les dispositions qui suivent sont exercées de la manière suivante :
   a) en cas d'absence, de congé ou d'empêchement du fonctionnaire dirigeant de [4 Bruxelles Environnement]4, par le fonctionnaire dirigeant adjoint de [4 Bruxelles Environnement]4;
   b) en cas d'absence, de congé ou d'empêchement du fonctionnaire dirigeant de [4 Bruxelles Environnement]4 et du fonctionnaire dirigeant adjoint de [4 Bruxelles Environnement]4, par le directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions;
   c) en cas d'absence, de congé ou d'empêchement du fonctionnaire dirigeant de [4 Bruxelles Environnement]4, du fonctionnaire dirigeant adjoint et du directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions, par un autre directeur-chef de service désigné par l'une de ces trois autorités.
   4° Le Gouvernement détermine les cas dans lesquels les compétences du fonctionnaire dirigeant de [4 Bruxelles Environnement]4 prévues par les dispositions qui suivent seront, sous réserve d'application du 6°, exercées par le directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions.
   5° Les compétences attribuées au directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions, en vertu des 4° et 7°, sont exercées de la manière suivante :
   a) en cas d'absence, de congé ou d'empêchement du directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions, par le fonctionnaire dirigeant adjoint de [4 Bruxelles Environnement]4;
   b) en cas d'absence, de congé ou d'empêchement du directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions et du fonctionnaire dirigeant adjoint de [4 Bruxelles Environnement]4, par le fonctionnaire dirigeant de [4 Bruxelles Environnement]4.
  [3 c) en cas d'absence, de congé ou d'empêchement du fonctionnaire dirigeant de [4 Bruxelles Environnement]4, du fonctionnaire dirigeant adjoint de [4 Bruxelles Environnement]4 et du directeur - chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions, par un autre directeur - chef de service désigné par l'un de ces trois fonctionnaires. ]3
   6° Le fonctionnaire dirigeant de [4 Bruxelles Environnement]4 peut se substituer au directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions dans l'exercice des compétences déterminées en vertu du 4°.
   7° Le fonctionnaire dirigeant de [4 Bruxelles Environnement]4 est autorisé à déléguer au directeur-chef de service ayant l'inspectorat et les sols dans ses attributions certaines des compétences qui sont attribuées à [4 Bruxelles Environnement]4 par les dispositions qui suivent.]2

  
Art.4. [1 Voor de toepassing van artikel 20, van artikel 21, § 1, zesde lid, en van artikelen 24 tot en met 30 en 57, wordt eveneens begrepen onder :
   1° milieuschade :
   a) schade aan beschermde soorten en natuurlijke habitats, namelijk elke schade die aanzienlijke negatieve gevolgen heeft voor het bereiken of handhaven van een gunstige staat van instandhouding van dergelijke habitats of soorten. De omvang van deze gevolgen wordt beoordeeld in verhouding tot de aanvankelijke toestand, rekening houdend met de criteria in bijlage 1.
   Schade aan beschermde soorten en natuurlijke habitats bevat niet de vooraf vastgestelde negatieve effecten van handelingen van een exploitant waarvoor de bevoegde instanties uitdrukkelijk toestemming hebben gegeven door of krachtens artikelen 64 en 83 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud;
   b) schade aan wateren, namelijk elke schade die een aanzienlijke negatieve invloed heeft op de ecologische, chemische of kwantitatieve toestand of het ecologisch potentieel van de betrokken wateren, zoals omschreven door of krachtens artikel 5 en bijlage III van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid, met uitzondering van de negatieve gevolgen waarop artikel 64 van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid en haar uitvoeringsbesluiten van toepassing is. Schade die een ernstige en negatieve invloed heeft op de ecologische, chemische of kwantitatieve toestand of het ecologisch potentieel van de grondwateren door het rechtstreeks of onrechtstreeks binnendringen van stoffen, preparaten, organismen of micro-organismen aan de oppervlakte of in de bodem worden bepaald door of krachtens de ordonnantie betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems en haar uitvoeringsbesluiten. De omvang van deze gevolgen wordt beoordeeld in verhouding tot de aanvankelijke toestand, rekening houdend met de criteria in bijlage 1;
   c) bodemschade, namelijk elke bodemaantasting die rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk is of schadelijk kan zijn voor de gezondheid van de mens of voor de ecologische, chemische of kwantitatieve toestand of voor het ecologische potentieel van de bodem en van de watermassa's doordat er rechtstreeks of onrechtstreeks stoffen, preparaten, organismen of micro-organismen aan de oppervlakte of in de bodem zijn binnengedrongen, zoals bepaald door of krachtens de ordonnantie betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems. De omvang van deze gevolgen wordt beoordeeld in verhouding tot de aanvankelijke toestand, rekening houdend met de criteria in bijlage 1;
   2° schade : een meetbare negatieve verandering in een natuurlijke rijkdom of een meetbare aantasting van een ecosysteemfunctie die rechtstreeks of onrechtstreeks optreedt;
   3° beschermde soorten en natuurlijke habitats :
   a) de in bijlage II.1 en, voor zover zij met het teken (1) worden aangemerkt, in bijlage II.2 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud bedoelde soorten;
   b) habitats :
   - de natuurlijke habitats opgesomd in bijlage I van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud;
   - de natuurlijke habitats van soorten bedoeld in bijlage II.1 van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud;
   - de voortplantingsgebieden of de rustplaatsen van de soorten opgesomd en aangeduid met teken (1) in bijlage II.2. van de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende het natuurbehoud;
   - de gebieden van communautair belang voorgesteld aan en goedgekeurd door de Europese Commissie;
   - de grondgebieden aangewezen als grondgebieden Natura 2000 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
   - de gebieden uitgeroepen tot natuurreservaat of bosreservaat in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
   - de groengebieden, de zones met hoge biologische waarde, de parkgebieden, de bosgebieden, de gebieden met erfdienstbaarheden langs de randen van bossen en wouden, van het Gewestelijk Bestemmingsplan (GBP);
   4° staat van instandhouding :
   a) met betrekking tot een natuurlijke habitat, het effect van de som van de invloeden die op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en die op lange termijn gevolgen kunnen hebben voor de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat evenals voor het voortbestaan van de betrokken typische soorten, hetzij op het grondgebied van het Gewest, hetzij in het natuurlijke verspreidingsgebied van die habitat.
   De staat van instandhouding van een natuurlijke habitat wordt als " gunstig " beschouwd wanneer :
   - het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de gedekte zones binnen dit natuurlijke verspreidingsgebied stabiel zijn of toenemen,
   - de specifieke structuur en functies voor het behoud van de natuurlijke habitat op lange termijn bestaan en in een niet al te verre toekomst wellicht zullen blijven bestaan, en
   - de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is zoals omschreven onder b);
   b) met betrekking tot een soort, de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en die op lange termijn gevolgen kunnen hebben voor de verspreiding en omvang van de populaties van die soort op het grondgebied van het Gewest.
   De staat van instandhouding van een soort wordt als " gunstig " beschouwd wanneer :
   - uit de gegevens van de populatiedynamiek van deze soort blijkt dat ze op lange termijn standhoudt als een levensvatbare component van haar natuurlijke habitat,
   - het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort niet kleiner wordt en wellicht in een niet al te verre toekomst evenmin kleiner zal worden, en
   - er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties die er voorkomen op lange termijn in stand te houden;
   5° water : alle oppervlakte- en grondwater waarop de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid en de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems, van toepassing zijn;
   6° bodem : de bodem zoals bepaald in artikel 3, 1°, van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems;
   7° exploitant : iedere privé- of openbare natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroepsactiviteit verricht of controleert of die bij volmacht een doorslaggevende economische zeggenschap over de technische werking heeft gekregen, met inbegrip van de houder van een vergunning of toelating voor dergelijke activiteit of de persoon die dergelijke activiteit laat registreren of er kennis van geeft;
   8° beroepsactiviteit : een in het kader van een economische activiteit, een zaak of een onderneming verrichte activiteit, het privé-, openbare, winstgevende of niet-winstgevende karakter ervan buiten beschouwing gelaten;
   9° emissie : het lozen, in het milieu, van stoffen, preparaten, organismen of micro-organismen afkomstig van menselijke activiteiten;
   10° onmiddellijke dreiging van schade : een voldoende waarschijnlijkheid dat zich in de nabije toekomst milieuschade zal voordoen;
   11° preventieve maatregel : iedere maatregel die wordt getroffen naar aanleiding van een gebeurtenis, daad of nalatigheid die gevaar of hinder heeft doen ontstaan, ongeacht of deze een onmiddellijke dreiging van milieuschade vormen, teneinde deze schade te voorkomen of zo beperkt mogelijk te houden;
   12° herstelmaatregel : iedere maatregel of combinatie van maatregelen, met inbegrip van inperkende of overgangsmaatregelen, gericht op het herstel, de rehabilitatie of de vervanging van de beschadigde natuurlijke rijkdommen of functies of op het verschaffen van een gelijkwaardig alternatief voor deze rijkdommen of functies, zoals voorzien in bijlage 2;
   13° natuurlijke rijkdom : de beschermde soorten en natuurlijke habitats, de wateren en bodems;
   14° functies en ecosysteemfuncties : de functies die een natuurlijke rijkdom vervult ten voordele van een andere natuurlijke rijkdom of het publiek;
   15° aanvankelijke toestand : : de toestand van de natuurlijke rijkdommen en functies, op het ogenblik dat de schade zich voordoet, waarin ze zich zouden hebben bevonden mocht de schade zich niet hebben voorgedaan, geraamd aan de hand van de beste beschikbare informatie;
   16° regeneratie : bij water en beschermde soorten en natuurlijke habitats, de terugkeer van de beschadigde natuurlijke rijkdommen of aangetaste functies in hun aanvankelijke toestand en bij bodemschade, het wegwerken van alle risico's die ernstige negatieve gevolgen hebben voor de gezondheid van de mens;
   17° natuurlijke regeneratie : regeneratie zonder rechtstreekse menselijke tussenkomst in het herstelproces;
   18° kosten : de kosten verantwoord door de noodzaak om een correcte en doeltreffende toepassing van dit Wetboek te garanderen, met inbegrip van de kosten voor de raming van de milieuschade, de onmiddellijke dreiging van zulke schade, de alternatieve maatregelen, evenals de administratieve, gerechts- en uitvoeringskosten, de kosten voor gegevensverzameling en de andere algemene kosten, en de toezichts- en follow-upkosten.]1

  
Art.4. [1 Pour l'application de l'article 20, de l'article 21, § 1er, alinéa 6, et des articles 24 à 30 et 57, on entend également par :
   1° dommage environnemental :
   a) les dommages causés aux espèces et habitats naturels protégés, à savoir tout dommage qui affecte significativement la constitution ou le maintien d'un état de conservation favorable de tels habitats ou espèces. L'importance des effets de ces dommages s'évalue par rapport à l'état initial, en tenant compte des critères figurant à l'annexe 1re.
   Les dommages causés aux espèces et habitats naturels protégés n'englobent pas les incidences négatives précédemment identifiées qui résultent d'un acte de l'exploitant expressément autorisé par les autorités compétentes par ou en vertu des articles 64 et 83 de l'ordonnance du 1er mars 2012 relative à la conservation de la nature;
   b) les dommages affectant les eaux, à savoir tout dommage qui affecte de manière significative l'état écologique, chimique ou quantitatif ou le potentiel écologique des eaux, tels que définis par ou en vertu de l'article 5 et de l'annexe III de l'ordonnance du 20 octobre 2006 établissant un cadre pour la politique de l'eau, à l'exception des incidences négatives auxquelles s'applique l'article 64 de l'ordonnance du 20 octobre 2006 établissant un cadre pour la politique de l'eau et ses arrêtés d'exécution. Les dommages affectant de manière grave et négative l'état écologique, chimique ou quantitatif ou le potentiel écologique des eaux souterraines du fait de l'introduction directe ou indirecte en surface ou dans le sol de substances, préparations, organismes ou micro-organismes sont définis par l'ordonnance relative à la gestion et à l'assainissement des sols pollués et ses arrêtés d'exécution. L'importance des effets de ces dommages s'évalue en tenant compte des critères qui figurent à l'annexe 1re;
   c) les dommages affectant les sols, à savoir toute contamination du sol qui est préjudiciable ou risque d'être préjudiciable, directement ou indirectement, à la santé humaine ou à l'état écologique, chimique ou quantitatif, ou au potentiel écologique du sol et des masses d'eau, du fait de l'introduction directe ou indirecte en surface ou dans le sol de substances, préparations, organismes ou micro-organismes, tels que définis par l'ordonnance relative à la gestion et à l'assainissement des sols pollués. L'importance des effets de ces dommages s'évalue en tenant compte des critères qui figurent à l'annexe 1re;
   2° dommage : une modification négative mesurable d'une ressource naturelle ou une détérioration mesurable d'un service lié à des ressources naturelles, qui peut survenir de manière directe ou indirecte;
   3° espèces et habitats naturels protégés :
   a) les espèces visées à l'annexe II.1, et, pour autant qu'elles soient marquées du signe (1), à l'annexe II.2 de l'ordonnance du 1er mars 2012 relative à la conservation de la nature;
   b) les habitats :
   - les habitats naturels énumérés à l'annexe Ire de l'ordonnance du 1er mars 2012 relative à la conservation de la nature;
   - les habitats naturels des espèces visées à l'annexe II.1 de l'ordonnance du 1er mars 2012 relative à la conservation de la nature;
   - les sites de reproduction ou les aires de repos des espèces énumérées et marquées du signe (1) à l'annexe II.2 de l'ordonnance du 1er mars 2012 relative à la conservation de la nature;
   - les sites d'importance communautaire proposés à et arrêtés par la Commission européenne;
   - les sites désignés comme sites Natura 2000 dans la Région de Bruxelles-Capitale;
   - les sites érigés en réserve naturelle ou en réserve forestière dans la Région de Bruxelles-Capitale;
   - les zones vertes, les zones de haute valeur biologique, les zones de parc, les zones forestières et les zones de servitude au pourtour des bois et forêts, du Plan régional d'Affectation du Sol (PRAS);
   4° état de conservation :
   a) en ce qui concerne un habitat naturel, l'effet de l'ensemble des influences agissant sur un habitat naturel ainsi que sur les espèces typiques qu'il abrite, qui peuvent affecter à long terme sa répartition naturelle, sa structure et ses fonctions ainsi que la survie à long terme de ses espèces typiques sur, selon le cas, le territoire régional ou l'aire de répartition naturelle de cet habitat.
   L'état de conservation d'un habitat naturel est considéré comme " favorable " lorsque :
   - son aire de répartition naturelle et les zones couvertes à l'intérieur de cette aire de répartition naturelle sont stables ou en augmentation,
   - la structure et les fonctions spécifiques nécessaires à son maintien à long terme existent et sont susceptibles de continuer à exister dans un avenir prévisible, et que
   - l'état de conservation des espèces typiques qu'il abrite est favorable conformément à la définition sous b);
   b) en ce qui concerne une espèce, l'effet de l'ensemble des influences qui, agissant sur l'espèce concernée, peuvent affecter à long terme la répartition et l'importance de ses populations sur le territoire régional.
   L'état de conservation d'une espèce est considéré comme " favorable " lorsque :
   - les données relatives à la dynamique de la population de cette espèce indiquent qu'elle se maintient à long terme comme élément viable de son habitat naturel,
   - l'aire de répartition naturelle de l'espèce n'est ni en train de diminuer ni susceptible de diminuer dans un avenir prévisible, et que
   - il existe et il continuera probablement d'exister un habitat suffisamment grand pour maintenir à long terme les populations qu'il abrite;
   5° eaux : toutes les eaux de surface et souterraines couvertes par l'ordonnance du 20 octobre 2006 établissant un cadre pour la politique de l'eau et par l'ordonnance du 5 mars 2009 relative à la gestion et à l'assainissement des sols pollués;
   6° sols : le sol tel que défini à l'article 3, 1°, de l'ordonnance du 5 mars 2009 relative à la gestion et à l'assainissement des sols pollués;
   7° exploitant : toute personne physique ou morale, privée ou publique, qui exerce ou contrôle une activité professionnelle ou qui a reçu par délégation un pouvoir économique important sur le fonctionnement technique, y compris le titulaire d'un permis ou d'une autorisation pour une telle activité, ou la personne faisant enregistrer ou notifiant une telle activité;
   8° activité professionnelle : toute activité exercée dans le cadre d'une activité économique, d'une affaire ou d'une entreprise, indépendamment de son caractère privé ou public, lucratif ou non lucratif;
   9° émission : le rejet dans l'environnement, à la suite d'activités humaines, de substances, préparations, organismes ou micro-organismes;
   10° menace imminente : une probabilité suffisante de survenance d'un dommage environnemental dans un avenir proche;
   11° mesure de prévention : toute mesure prise en réponse à un événement, un acte ou une omission qui a créé des dangers ou des nuisances, que ceux-ci constituent ou non une menace imminente de dommage environnemental, afin de prévenir ou de limiter au maximum le dommage;
   12° mesure de réparation : toute action, ou combinaison d'actions, y compris des mesures d'atténuation ou des mesures transitoires, visant à restaurer, réhabiliter ou remplacer les ressources naturelles endommagées ou les services détériorés ou à fournir une alternative équivalente à ces ressources ou services, telles que prévues à l'annexe 2;
   13° ressource naturelle : les espèces et habitats naturels protégés, les eaux et les sols;
   14° services et services liés à une ressource naturelle : les fonctions assurées par une ressource naturelle au bénéfice d'une autre ressource naturelle ou du public;
   15° état initial : l'état des ressources naturelles et des services, au moment du dommage, qui aurait existé si le dommage environnemental n'était pas survenu, estimé à l'aide des meilleures informations disponibles;
   16° régénération : dans le cas des eaux et des espèces et habitats naturels protégés, le retour des ressources naturelles endommagées ou des services détériorés à leur état initial et, dans le cas de dommages affectant les sols, l'élimination de tout risque d'incidence négative grave sur la santé humaine;
   17° régénération naturelle : régénération où aucune intervention humaine directe dans le processus de rétablissement n'a lieu;
   18° coûts : les coûts justifiés par la nécessité d'assurer une mise en oeuvre correcte et effective du présent Code en ce qui concerne la responsabilité environnementale, y compris le coût de l'évaluation des dommages environnementaux, de la menace imminente de tels dommages, les options en matière d'action, ainsi que les frais administratifs, judiciaires et d'exécution, les coûts de collecte des données et les autres frais généraux, et les coûts de la surveillance et du suivi.]1

  
Titel II. - [1 (Hoofdstuk II vervangen door Titel II)]1 [1 Inspectie, preventie, vaststelling van de misdrijven en milieuaansprakelijkheid]1
Titre II. [1 (Chapitre II remplacé par Titre II)]1 - [1 Inspection, prévention, constatation des infractions et responsabilité environnementale]1
HOOFDSTUK 1. [1 - Bevoegde instanties.]1
CHAPITRE 1er. [1 - Autorités compétentes]1
Afdeling 1. [1 (Afdeling I vervangen door Afdeling 1)]1 - De personeelsleden belast met het toezicht
Section 1. [1 (Section I remplacée par Section 1)]1 - Agents chargés de la surveillance.
Art.5. [1 § 1. De leidend ambtenaar van [3 Leefmilieu Brussel]3 stelt de met het toezicht belaste personeelsleden van [3 Leefmilieu Brussel]3 aan. Ze zijn belast met het toezicht, op het geheel van het gewestelijke grondgebied, op de naleving van de verordeningen van de Europese Unie, van de wetten en ordonnanties bedoeld in artikel 2 alsook van dit Wetboek, en met de vaststelling van de misdrijven.
   Onder de ambtenaren van [3 Leefmilieu Brussel]3 die overeenkomstig het vorige lid zijn aangesteld, stelt de leidend ambtenaar van [3 Leefmilieu Brussel]3 deze ambtenaren aan die de hoedanigheid van officiers van gerechtelijke politie hebben.
   De bevoegdheden van officiers van gerechtelijke politie mogen enkel worden uitgeoefend door personeelsleden die de eed hebben afgelegd overeenkomstig de van kracht zijnde wetten, statuten en reglementen.
   Onder de personeelsleden van [3 Leefmilieu Brussel]3 die overeenkomstig het eerste lid zijn aangesteld, stelt de leidend ambtenaar van [3 Leefmilieu Brussel]3, die in naam van [3 Leefmilieu Brussel]3 handelt, deze personeelsleden aan aan wie hij, onder zijn controle, de verwerking van opgeslagen persoonsgegevens delegeert.
  [2 Onder de personeelsleden van Leefmilieu Brussel die overeenkomstig het eerste lid zijn aangesteld, stelt de leidend ambtenaar van Leefmilieu Brussel, die in naam van Leefmilieu Brussel handelt, een of meerdere waterlopeninspecteurs aan belast met de controle van de naleving van de ordonnantie van 16 mei 2019 houdende het beheer en de bescherming van onbevaarbare waterlopen en vijvers.]2
   § 2. [4 De leidend ambtenaar van het GAN stelt de met het toezicht belaste personeelsleden van het GAN aan. Ze zijn belast met het toezicht, op het geheel van het gewestelijke grondgebied, op de naleving van artikelen 18, § 1 en 19, §§ 2 en 4 van de ordonnantie van 14 juni 2012 betreffende afvalstoffen voor wat afvalstoffen in de zin van artikel 3, 1°, van dezelfde ordonnantie betreft, met uitzondering van stedelijke afvalstoffen bedoeld in artikel 3, 6°, b), van dezelfde ordonnantie waarvoor, overeenkomstig artikel 23 van dezelfde ordonnantie, de houders van deze afvalstoffen zelf de afvalverwerking verrichten of laten verrichten door een handelaar, een installatie of een onderneming die afvalverwerkingshandelingen verricht, of door een inzamelaar van afvalstoffen, andere dan het GAN, en met de vaststelling van de misdrijven.]4
   Onder de ambtenaren van het GAN die overeenkomstig het vorige lid zijn aangesteld, stelt de leidend ambtenaar van het GAN deze ambtenaren aan die de hoedanigheid van officiers van gerechtelijke politie hebben.
   De bevoegdheden van officiers van gerechtelijke politie mogen enkel worden uitgeoefend door personeelsleden die een eed hebben afgelegd overeenkomstig de van kracht zijnde wetten, statuten en reglementen.
   Onder de personeelsleden van het GAN die overeenkomstig het eerste lid zijn aangesteld, stelt de leidend ambtenaar van het GAN, die in naam van het GAN handelt, deze personeelsleden aan aan wie hij, onder zijn controle, de verwerking delegeert van de opgeslagen persoonsgegevens.
   § 3. De Regering wijst, op voorstel van de leidend ambtenaar van het bevoegde bestuur van het Ministerie, de met het toezicht belaste personeelsleden van het Ministerie aan. Ze zijn belast met het toezicht, op het geheel van het gewestelijk grondgebied, op de naleving van hoofdstuk 1 van titel 2 van boek 2 van het Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing en met de vaststelling van de misdrijven.
   Onder de ambtenaren die overeenkomstig het vorige lid zijn aangesteld, stelt de Regering deze ambtenaren aan die de hoedanigheid van officiers van gerechtelijke politie hebben.
   De bevoegdheden van officiers van gerechtelijke politie mogen enkel worden uitgeoefend door personeelsleden die een eed hebben afgelegd overeenkomstig de van kracht zijnde wetten, statuten en reglementen.
   Onder de personeelsleden die overeenkomstig het eerste lid zijn aangesteld, stelt de Regering deze personeelsleden aan aan wie zij, onder haar controle, de verwerking delegeert van de opgeslagen persoonsgegevens.
   § 4. Voor elke gemeente stelt het College van Burgemeester en Schepenen de met het toezicht belaste personeelsleden van de gemeente aan. Ze zijn belast met het toezicht, op het geheel van het gemeentelijk grondgebied, op de naleving van de verordeningen van de Europese Unie, van de in artikel 2 bedoelde wetten en ordonnanties, en met de vaststelling van de misdrijven.
   Onder de personeelsleden die overeenkomstig het eerste lid zijn aangesteld, stelt het College van Burgemeester en Schepenen de personeelsleden aan aan wie hij, onder zijn controle, de verwerking delegeert van de opgeslagen persoonsgegevens.
   § 5. De boswachters bedoeld onder artikelen 9 en 16 van het Wetboek van Strafvordering worden belast met het toezicht, op het geheel van het gewestelijk grondgebied, op de naleving van de wet van 19 december 1854 bevattend het Boswetboek, de wet van 28 december 1931 op de bescherming van aan particulieren behorende bossen en wouden, de ordonnantie van 1 maart 2012 betreffende natuurbehoud, en de ordonnantie van 20 juni 2013 betreffende een pesticidegebruik dat verenigbaar is met de duurzame ontwikkeling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
   § 6. [3 Leefmilieu Brussel]3 bereidt elk jaar een ontwerp inspectieprogramma voor, dat binnen de drie maanden door de Regering dient te worden goedgekeurd.]1

  
Art.5. [1 § 1er. Le fonctionnaire dirigeant de [3 Bruxelles Environnement]3 désigne les agents de [3 Bruxelles Environnement]3 chargés de la surveillance. Ils sont chargés de contrôler, sur l'ensemble du territoire régional, le respect des règlements de l'Union européenne, des lois et des ordonnances visés à l'article 2 ainsi que du présent Code, et de constater les infractions.
   Parmi les fonctionnaires de [3 Bruxelles Environnement]3 désignés conformément à l'alinéa précédent, le fonctionnaire dirigeant de [3 Bruxelles Environnement]3 désigne ceux ayant la qualité d'officiers de police judiciaire.
   Les compétences de police judiciaire ne peuvent être exercées que par des agents ayant prêté serment conformément aux lois, statuts et règlements en vigueur.
   Parmi les agents de [3 Bruxelles Environnement]3 désignés conformément à l'alinéa premier, le fonctionnaire dirigeant de [3 Bruxelles Environnement]3, agissant au nom de [3 Bruxelles Environnement]3, désigne les agents auxquels il délègue, sous son contrôle, le traitement des données à caractère personnel enregistrées.
  [2 Parmi les agents de Bruxelles Environnement désignés conformément à l'alinéa 1er, le fonctionnaire dirigeant de Bruxelles Environnement, agissant au nom de Bruxelles Environnement, désigne un ou plusieurs inspecteurs des cours d'eau chargé(s) du contrôle du respect de l'ordonnance du 16 mai 2019 relative à la gestion et à la protection des cours d'eau non navigables et des étangs]2
   § 2. [4 Le fonctionnaire dirigeant de l'ARP désigne les agents de l'ARP chargés de la surveillance. Ils sont chargés de contrôler, sur l'ensemble du territoire régional, le respect des articles 18, § 1er, et 19, §§ 2 et 4, de l'ordonnance du 14 juin 2012 relative aux déchets en ce qui concerne les déchets au sens de l'article 3, 1°, de la même ordonnance, à l'exception des déchets municipaux visés à l'article 3, 6°, b), de la même ordonnance pour lesquels, conformément à l'article 23 de la même ordonnance, les détenteurs desdits déchets procèdent eux-mêmes à leur traitement ou le font faire par un négociant, une installation ou une entreprise effectuant des opérations de traitement des déchets ou par un collecteur de déchets autre que l'ARP, et de constater les infractions.]4
   Parmi les fonctionnaires de l'ARP désignés conformément à l'alinéa précédent, le fonctionnaire dirigeant de l'ARP désigne ceux ayant la qualité d'officiers de police judiciaire.
   Les compétences de police judiciaire ne peuvent être exercées que par des agents ayant prêté serment conformément aux lois, statuts et règlements en vigueur.
   Parmi les agents de l'ARP désignés conformément à l'alinéa premier, le fonctionnaire dirigeant de l'ARP, agissant au nom de l'ARP, désigne les agents auxquels il délègue, sous son contrôle, le traitement des données à caractère personnel enregistrées.
   § 3. Le Gouvernement désigne, sur proposition du fonctionnaire dirigeant de l'administration compétente du Ministère, ses agents chargés de la surveillance. Ils sont chargés de contrôler, sur l'ensemble du territoire régional, le respect du chapitre 1er du titre 2 du livre 2 du Code bruxellois de l'Air, du Climat et de la Maîtrise de l'Energie, et de constater les infractions.
   Parmi les fonctionnaires désignés conformément à l'alinéa précédent, le Gouvernement désigne ceux ayant la qualité d'officiers de police judiciaire.
   Les compétences de police judiciaire ne peuvent être exercées que par des agents ayant prêté serment conformément aux lois, statuts et règlements en vigueur.
   Parmi les agents désignés conformément à l'alinéa premier, le Gouvernement désigne les agents auxquels il délègue, sous son contrôle, le traitement des données à caractère personnel enregistrées.
   § 4. Pour chaque commune, le Collège des Bourgmestre et Echevins désigne les agents communaux chargés de la surveillance. Ils sont chargés de contrôler, sur l'ensemble du territoire communal, le respect des règlements de l'Union Européenne, des lois et ordonnances visés à l'article 2, et de constater les infractions.
   Parmi les agents désignés conformément à l'alinéa premier, le Collège des Bourgmestre et Echevins désigne les agents auxquels il délègue, sous son contrôle, le traitement des données à caractère personnel enregistrées.
   § 5. Les gardes forestiers visés aux articles 9 et 16 du Code d'instruction criminelle sont chargés de contrôler, sur l'ensemble du territoire régional, le respect de la loi du 19 décembre 1854 contenant le Code forestier, la loi du 28 décembre 1931 relative à la protection des bois et forêts appartenant à des particuliers, l'ordonnance du 1er mars 2012 relative à la conservation de la nature et l'ordonnance du 20 juin 2013 relative à une utilisation des pesticides compatible avec le développement durable en Région de Bruxelles-Capitale.
   § 6. [3 Bruxelles Environnement]3 prépare chaque année un projet de programme d'inspection qui doit être approuvé par le Gouvernement dans les trois mois.]1

  
Art.6. Bij de uitoefening van hun opdracht kunnen de met het toezicht belaste personeelsleden de politiediensten om assistentie vragen, met name wanneer blijkt dat ze bun opdracht niet kunnen vervullen zonder gesloten of niet-toegankelijke ruimten of terreinen te betreden.
Art.6. Les agents chargés de la surveillance peuvent dans l'exercice de leur mission demander que les services de police leur prêtent main forte, notamment si l'exécution de leur mission s'avère impossible sans qu'ils puissent accéder aux locaux ou terrains fermés ou non accessibles.
Art.7. Om hun opdracht uit te voeren, kunnen de met toezicht belaste personeelsleden zich [1 eveneens]1 door deskundigen laten bijstaan [1 zich door deskundigen laten bijstaan]1.
  
Art.7. Les agents chargés de la surveillance peuvent [1 également]1, dans l'exécution de leur mission, se faire accompagner d'experts [1 , conformément à l'article 11, § 2]1.
  
Afdeling 2. [1 - Bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid.]1
Section 2. - [1 Autorité compétente en matière de responsabilité environnementale]1
Art.8. [1 § 1. De bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid is de leidend ambtenaar van [2 Leefmilieu Brussel]2.
   § 2. Zij is, onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid, belast met het aanduiden van de exploitant die de milieuschade of de onmiddellijke dreiging van milieuschade heeft veroorzaakt.
   § 3. Zij is eveneens belast met het beoordelen van de omvang van de milieuschade en het bepalen van de herstelmaatregelen die moeten worden getroffen gelet op de beginselen vermeld in bijlage 1 en bijlage 2, evenals met het ramen van de kosten van deze maatregelen. Daartoe kan ze de betrokken exploitant vragen dat hij zelf een raming maakt en haar alle nodige informatie en gegevens verstrekt.
   De Regering legt een methodologie vast voor de evaluatie van de milieuschade, de bepaling van de herstelmaatregelen en de raming van de kosten die gepaard gaan met deze maatregelen.
   § 4. De bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid kan de uitvoering van de nodige preventie- of herstelmaatregelen aan derden delegeren of opleggen.]1

  
Art.8. [1 § 1er. L'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale est le fonctionnaire dirigeant de [2 Bruxelles Environnement]2.
   § 2. Elle est chargée, sans préjudice des dispositions légales relatives à la responsabilité civile, de désigner l'exploitant qui a causé un dommage environnemental ou une menace imminente de dommage environnemental.
   § 3. Elle est également chargée d'évaluer l'importance des dommages environnementaux et de déterminer les mesures de réparation qu'il convient de prendre au regard des principes énoncés aux annexes 1 et 2, ainsi que d'évaluer le coût de ces mesures. A cet effet, elle peut demander à l'exploitant concerné d'effectuer sa propre évaluation et de lui communiquer toutes les informations et données nécessaires.
   Le Gouvernement arrête une méthodologie d'évaluation des dommages environnementaux, de détermination des mesures de réparation et d'évaluation des coûts de ces mesures.
   § 4. L'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale peut déléguer ou imposer à des tiers l'exécution des mesures nécessaires de prévention ou de réparation.]1

  
Hoofdstuk 2. [1 (Afdeling 3 vervangen door Hoofdstuk 2)]1 - [1 Inspectie]1
Chapitre 2. [1 (Section 3 remplacé par Chapitre 2)]1 - [1 Inspection]1
Afdeling 1. [1 (Onderafdeling 1 vervangen door Afdeling 1)]1 - Algemene bepalingen.
Section 1. [1 (Sous-section 1 remplacée par Section 1)]1 - Généralités.
Art.9. [1 (Art. 11bis hernummerd tot artikel 9)]1 <INGEVOEGD bij ORD 2001-12-06/57, art. 24; Inwerkingtreding : 12-02-2002> [1 Onverminderd]1 de bepalingen van een samenwerkingsakkoord dat geratificeerd wordt overeenkomstig artikel 92bis, § 1, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, kan de Regering [1 ...]1 bepalingen vaststellen met betrekking tot de nadere regels op het vlak van de inspectie. Die bepalingen hebben met name betrekking op de frequentie van de controles en op de [1 meetmethoden]1.
  
Art.9. [1 (Art. 11bis renuméroté art. 9)]1 [1 Sans préjudice]1 des dispositions déterminées par accord de coopération approuvé conformément à l'article 92bis, § 1er, deuxième alinéa, de la loi spéciale de réformes institutionnelles du 8 août 1980, le Gouvernement peut arrêter des dispositions relatives aux modalités de l'inspection [1 ...]1. Ces dispositions ont trait notamment aux fréquences des contrôles et aux méthodes de mesures.
  
Art.10. [1 (artikel 12 hernummerd tot artikel 10)]1 Bij het uitoefenen van hun opdrachten mogen de met het toezicht belaste personeelsleden te allen tijde lokalen, terreinen en andere plaatsen betreden, tenzij het een woning in de zin van artikel 15 van de Grondwet betreft.
  Bij ernstige verontreiniging [1 of ernstige bedreiging]1 [1 die het milieu of de volksgezondheid kan schaden]1, mogen de voornoemde personeelsleden volgens de wettelijke vormvoorschriften [1 binnentreden in de woonplaats]1.
  
Art.10. [1 (Art. 12 renuméroté art. 10)]1 Dans l'exercice de leurs missions, les agents chargés de la surveillance peuvent pénétrer, à tout moment, dans les installations, locaux, terrains et autres lieux sauf s'ils constituent un domicile au sens de l'article 15 de la Constitution.
  En cas de pollution grave [1 ou de menace grave]1 susceptible de nuire [1 à l'environnement ou]1 à la santé humaine, ces agents peuvent [1 pénétrer dans le domicile]1 selon les formalités prescrites par la loi.
  
Art.11. [1 (artikel 13 hernummerd tot artikel 11)]1 [1 § 1.]1 Bij de uitoefening van hun opdracht mogen de met het toezicht belaste personeelsleden tot alle onderzoeken, controles en verhoren overgaan en alle inlichtingen inwinnen die ze nodig achten [1 voor de uitoefening van hun opdracht]1, met name :
  1° [1 de identiteit controleren en]1 een persoon ondervragen [1 ...]1;
  2° [2 elk document, stuk of bewijsstuk dat nuttig is voor de uitoefening van hun opdracht, zonder verplaatsing opzoeken, raadplegen of laten overmaken ;]2
  3° van de opgevraagde documenten een kopie nemen of ze meenemen tegen afgifte van een ontvangstbewijs;
  [1 4° eender welk apparaat plaatsen voor de meting van vervuiling.]1
  [1 § 2. De met het toezicht belaste personeelsleden kunnen aan deskundigen eender welk onderzoek en controle toevertrouwen.
   De deskundigen handelen volgens de instructies van de met het toezicht belaste personeelsleden.
   De door de deskundige ingezamelde informatie en vaststellingen kunnen op elk moment worden aangewend door de met het toezicht belaste personeelsleden.]1

  [1 § 3. De verantwoordelijke voor de verwerking, of zijn afgevaardigde, kan, bij wege van uitzondering, een audiovisueel apparaat plaatsen mits naleving van artikelen 13 tot en met 15 van huidig Wetboek en van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.]1
  
Art.11. [1 (Art. 13 renuméroté art. 11)]1 [1 § 1er.]1 Les agents chargés de la surveillance peuvent, dans l'accomplissement de leur mission, procéder à tous examens, contrôles et enquêtes, recueillir toutes les informations qu'ils estiment nécessaires [1 à l'exercice de leur mission]1 et notamment :
  1° [1 contrôler l'identité et]1 interroger toute personne [1 ...]1;
  2° rechercher, consulter ou se faire produire sans déplacement tout document, pièce au titre utile à l'accomplissement de leur mission;
  3° prendre copie des documents demandés, ou les emporter contre récépissé;
  [1 4° installer tout appareil de mesure de pollution. ]1
  [1 § 2. Les agents chargés de la surveillance peuvent confier à des experts tout examen et tout contrôle.
   Les experts agissent suivant les instructions des agents chargés de la surveillance.
   Les informations et constatations recueillies par l'expert peuvent à tout moment être utilisées par les agents chargés de la surveillance.]1

  [1 § 3. Le responsable du traitement, ou son délégué, peut installer, à titre exceptionnel, un appareil audiovisuel dans le respect des articles 13 à 15 du présent Code et de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel.]1
  
Art.12. [1 (artikel 14 hernummerd tot artikel 12)]1 De met het toezicht belaste personeelsleden mogen metingen van de verontreiniging verrichten en kosteloos monsters [1 van eender welk element of substantie]1 nemen of laten nemen door [1 een erkend laboratorium of door een deskundige handelend volgens hun instructies]1.
  Ze mogen van de personen tegen wie de resultaten van de metingen aangevoerd kunnen worden, de technische [1 en menselijke]1 middelen opeisen die nodig zijn om de metingen te doen of monsters te nemen.
  
Art.12. [1 (Art. 14 renuméroté art. 12)]1 Les agents chargés de la surveillance peuvent réaliser des mesures de pollution et procéder gratuitement au prélèvement d'échantillons [1 de tout élément ou]1 de substances ou les faire exécuter par [1 un laboratoire agréé ou par un expert agissant suivant leurs instructions]1.
  Ils peuvent requérir des personnes à charge desquelles les résultats des mesures pourront être retenus les moyens techniques [1 et humains]1 nécessaires pour effectuer les mesures ou prélever des échantillons.
  
Afdeling 2. [1 (Onderafdeling 2 vervangen door Afdeling 2)]1 - [1 Metingen van verontreiniging]1
Section 2. [1 (Sous-section 2 remplacée par section 2)]1 - [1 Mesures de pollution]1
Art.13. [1 § 1. Elke meting van verontreiniging bestemd om de naleving van de bepalingen zoals bedoeld in artikel 2 of van dit Wetboek na te gaan, komt tot stand volgens de modaliteiten en met behulp van apparaten en meetsystemen die de objectiviteit en de integriteit van de verzamelde gegevens waarborgen.
   § 2. Er wordt slechts tot het plaatsen van een audiovisueel apparaat overgegaan als de overige onderzoeksmiddelen die in dit Wetboek zijn voorzien niet lijken te volstaan en mits naleving van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
   De gefilmde beelden moeten adequaat, pertinent en niet excessief zijn ten opzichte van het nagestreefde doeleinde.
   Enkel de gegevens die tot doel hebben bewijzen te verzamelen van de constitutieve bestanddelen van een misdrijf en de daders op te sporen, mogen worden opgenomen en bewaard.
   Bovendien moet de verantwoordelijke voor de verwerking, of zijn afgevaardigde, zich ervan verzekeren dat het audiovisueel apparaat niet specifiek naar een plaats wordt gericht waarvoor hijzelf niet gemachtigd is om de gegevens te verwerken.
   Het rechtstreeks bekijken van beelden in real time is uitsluitend toegestaan om toe te laten aan de verantwoordelijke voor de verwerking, of zijn afgevaardigde, om onmiddellijk in te grijpen in geval van inbreuk of van milieuschade of in geval van een dreiging van inbreuk of van een dreiging van milieuschade.
   Het rechtstreeks bekijken van beelden in real time van een niet besloten plaats moet plaatsvinden onder de controle van de politiediensten.
   De verantwoordelijke voor de verwerking, of zijn afgevaardigde, verzoekt bij de korpschef van de betreffende politiezone, om de controle van de politieagenten die deze aanstelt.
   § 3. De opgeslagen persoonsgegevens moeten worden bewaard voor een duur die niet langer dan noodzakelijk is voor de realisatie van de doeleinden waarvoor zij zijn verkregen of waarvoor zij later worden verwerkt.
   De verantwoordelijke voor de verwerking of zijn afgevaardigde leeft de volgende termijnen en manieren van bewaring na :
   - maximum één maand indien de opgeslagen gegevens niet kunnen bijdragen tot het aanbrengen van het bewijs van een inbreuk;
   - de gegevens die zijn opgeslagen tijdens de verwerking worden bewaard en moeten beschikbaar en toegankelijk blijven zolang het dossier niet is afgesloten;
   - de opgeslagen gegevens van een afgesloten en gearchiveerd dossier zijn enkel toegankelijk voor de verantwoordelijke voor de verwerking of voor zijn afgevaardigde;
   - de opgeslagen gegevens die de identificatie van een persoon toelaten en die geen enkel nut meer hebben, moeten worden vernietigd.]1

  
Art.13. [1 § 1er. Toute mesure de pollution destinée à contrôler le respect des dispositions visées à l'article 2 ou du présent Code s'effectue selon des modalités et à l'aide d'appareils et de systèmes de mesures qui garantissent l'objectivité et l'intégrité des données recueillies.
   § 2. L'installation d'un appareil audiovisuel ne s'effectue que dans la seule hypothèse où les autres moyens d'investigation prévus par le présent Code semblent insuffisants et dans le respect de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
   Les images filmées doivent être adéquates, pertinentes et non excessives par rapport à la finalité poursuivie.
   Ne peuvent être enregistrées et conservées que les données destinées à réunir la preuve de faits constitutifs d'une infraction et à rechercher les auteurs des infractions.
   En outre, le responsable du traitement, ou son délégué, doit s'assurer que l'appareil audio-visuel n'est pas dirigé spécifiquement vers un lieu pour lequel il n'est pas habilité à traiter lui-même les données.
   Le visionnage en temps réel n'est admis que pour permettre au responsable du traitement, ou son délégué, d'intervenir immédiatement en cas d'infraction ou de dommage environnemental ou en cas de menace d'infraction ou de menace de dommage environnemental.
   Le visionnage en temps réel d'un lieu ouvert doit être réalisé sous le contrôle des services de police.
   Le responsable du traitement, ou son délégué, sollicite, auprès du chef de corps de la zone de police concernée, le contrôle des agents de police que celui-ci désigne.
   § 3. Les données enregistrées à caractère personnel doivent être conservées pendant une durée n'excédant pas celle nécessaire à la réalisation des finalités pour lesquelles elles sont obtenues ou pour lesquelles elles sont traitées ultérieurement.
   Le responsable du traitement ou son délégué respecte les délais et modes de conservation suivants :
   - maximum un mois si les données enregistrées ne peuvent contribuer à apporter la preuve d'une infraction;
   - les données enregistrées en cours de traitement sont conservées et doivent rester disponibles et accessibles aussi longtemps que le dossier n'est pas clôturé;
   - les données enregistrées d'un dossier clôturé et archivé ne sont accessibles qu'au seul responsable du traitement ou à son délégué;
   - les données enregistrées permettant l'identification d'une personne qui ne présentent plus aucune utilité doivent être détruites.]1

  
Art.14. [1 § 1. De metingen van de verontreiniging zijn ogenblikkelijk of permanent.
   § 2. Het met het toezicht belaste personeelslid, het personeelslid, de deskundige of het erkend laboratorium belast met de meting van de verontreiniging controleert de goede werking van de apparaten :
   1° vóór hun gebruik, voor elke ogenblikkelijke meting; of
   2° periodiek, voor elke permanente meting.
   § 3. De personen zoals bedoeld in § 2 stellen een analyseverslag op dat, in voorkomend geval, een lijst van de disfuncties bevat, overeenkomstig § 6.
   Tussen het moment waarop de disfunctie van het apparaat wordt vastgesteld en het moment waarop ze werd verholpen, kunnen de resultaten van de metingen niet worden gebruikt.
   § 4. De natuurlijke persoon of rechtspersoon, tegen wie het resultaat van de uitgevoerde meting kan worden aangevoerd, wordt enkel verwittigd en zijn aanwezigheid is enkel vereist voor het geval zijn tussenkomst nodig blijkt te zijn.
   § 5. De controle van de goede werking van een meetapparaat opgelegd door een milieuvergunning wordt uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden opgelegd in de milieuvergunning of door een besluit van de Regering dat de uitbatingsvoorwaarden eigen aan de vergunde installaties oplegt.
   § 6. De in § 2 geviseerde personen houden dagelijks een register bij waarin de processen van controle van de goede werking, van onderhoud, van herstel, van stopzetting en de heropstart, volgend op de stopzetting, van de meetapparaten worden beschreven.
   § 7. Voorafgaand aan iedere plaatsing van een vast audiovisueel apparaat, en zonder afbreuk te doen aan de noodzaak om voorafgaand aan de plaatsing ervan op een goed van het openbaar domein, een domaniale toelating te verkrijgen, waarschuwt de verantwoordelijke voor de verwerking :
   - de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, in voorkomend geval met inachtname van artikel 17 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
   - de korpschef van de betrokken politiezone.
   Hij verzoekt bovendien :
   - de toelating van de burgemeester van de betrokken gemeente wanneer het apparaat bedoeld is voor het filmen van een niet-besloten plaats;
   - de instemming van de eigenaar en de uitbater wanneer het apparaat bedoeld is voor het filmen van een voor het publiek toegankelijke besloten plaats;
   - de instemming van de eigenaar en de uitbater of, bij gebreke van een uitbater, van de eigenaar en de persoon die desgevallend krachtens een zakelijk of persoonlijk recht de plaats bezet, wanneer het apparaat bedoeld is voor het filmen van een niet voor het publiek toegankelijke besloten plaats.
   De verantwoordelijke voor de verwerking of zijn afgevaardigde moet, wanneer hij zijn verklaring en verzoek om toelating indient, conform het eerste lid, de inbreuken of de milieuschades of de dreigingen van inbreuken of van milieuschades beschrijven die een beroep rechtvaardigen op de plaatsing van audiovisuele apparaten en moet het adequaat karakter aantonen van een dergelijke plaatsing in het licht van de nagestreefde doeleinden.
   Onafgezien van de plaats waar het audiovisueel apparaat geplaatst wordt, duidt de verantwoordelijke voor de verwerking de installatie ervan aan door het aanbrengen van een pictogram of belast de beheerder van de plaats om het te doen.
   Het feit dat een fysiek persoon een plaats binnentreedt waar een pictogram een cameratoezicht aanduidt, maakt haar instemming uit om gefilmd te worden.]1

  
Art.14. [1 § 1er. Les mesures de pollution sont ponctuelles ou permanentes.
   § 2. L'agent chargé de la surveillance, l'agent, l'expert ou le laboratoire agréé chargé de la mesure de pollution vérifie le bon fonctionnement des appareils :
   1° avant leur utilisation, pour toute mesure ponctuelle; ou
   2° périodiquement, pour toute mesure permanente.
   § 3. Les personnes visées au paragraphe 2 dressent un rapport d'analyse contenant, le cas échéant, une liste des dysfonctionnements, conformément au § 6.
   Entre le moment où le dysfonctionnement de l'appareil est constaté et le moment où il y a été remédié, les résultats des mesures ne peuvent pas être utilisés.
   § 4. La personne physique ou morale, à charge de laquelle le résultat de la mesure effectuée peut être retenu, n'est avertie et sa présence n'est requise que dans l'hypothèse où son intervention s'avère nécessaire.
   § 5. Le contrôle du bon fonctionnement d'un appareil de mesure imposé par un permis d'environnement est réalisé conformément aux conditions imposées dans le permis d'environnement ou par un arrêté du Gouvernement imposant les conditions d'exploiter propres aux installations autorisées.
   § 6. Les personnes visées au paragraphe 2 tiennent à jour un registre décrivant les opérations de contrôle de bon fonctionnement, de maintenance, de réparation, de mise à l'arrêt et de remise en fonctionnement, suite à la mise à l'arrêt, des appareils de mesures.
   § 7. Préalablement à toute installation d'un appareil audiovisuel fixe, et sans préjudice de la nécessité d'obtenir une autorisation domaniale préalablement à son installation sur un bien du domaine public, le responsable du traitement avertit :
   - la Commission de la protection de la vie privée, le cas échéant dans le respect de l'article 17 de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel; et
   - le chef de corps de la zone de police concernée.
   En outre, il requiert :
   - l'autorisation du bourgmestre de la commune concernée lorsque l'appareil est destiné à filmer un lieu ouvert;
   - le consentement du propriétaire et de l'exploitant lorsque l'appareil est destiné à filmer un lieu fermé accessible au public;
   - le consentement du propriétaire de l'exploitant ou, à défaut d'exploitant, du propriétaire et de la personne occupant le cas échéant les lieux en vertu d'un droit réel ou personnel, lorsque l'appareil est destiné à filmer un lieu fermé non accessible au public.
   Le responsable du traitement ou son délégué doit, lorsqu'il introduit sa déclaration et sa demande d'autorisation, conformément à l'alinéa premier, décrire les infractions ou les dommages environnementaux ou les menaces d'infractions ou de dommages environnementaux qui justifient le recours à l'installation d'appareils audiovisuels et démontrer le caractère adéquat d'une telle installation, au regard des objectifs poursuivis.
   Quel que soit le lieu d'installation de l'appareil audiovisuel, le responsable du traitement signale son installation par l'apposition d'un pictogramme ou charge le gestionnaire du lieu de procéder à cette apposition.
   Le fait pour une personne physique de pénétrer dans un lieu où un pictogramme signale une surveillance par caméra constitue la manifestation de son consentement à être filmée.]1

  
Art.15. [1 (Art. 17 hernummerd tot art. 15)]1 § 1. Elke meting van de [1 verontreiniging]1 wordt opgenomen in een meetverslag [1 opgesteld door het met het toezicht belaste personeelslid, door de deskundige of door het erkend laboratorium]1 dat de volgende gegevens bevat :
  [1 1° de vermelding van het register zoals bedoeld in artikel 14, § 6;
   2° in voorkomend geval, de luchtgesteldheid op het moment van de metingen;]1

  [1 ]1° de meetmethode en -omstandigheden;
  [1 ]1° de beschrijving van het gebruikte meetmateriaal;
  [1 ]1° het plan van de omgeving met nauwkeurige aanduiding van de meetpunten;
  [1 ]1° de datum en het uur waarop de metingen werden verricht;
  [1 ]1° de duur van de metingen;
  [1 8° de namen en hoedanigheid van de personeelsleden, van het erkend laboratorium of van de deskundige die de metingen hebben uitgevoerd;
   9° de namen en hoedanigheid van de personen die het verslag hebben opgesteld;
   10° in voorkomend geval, de identificatie van de aanwezige personen;]1

  [1 ...]1 [1 ...]1
  [1 11°]1° het resultaat van de metingen.
  [1 ...]1
  § 2. De [1 vermoedelijke]1 dader of de eigenaar van het goed waar het feit dat [1 het constitutief bestanddeel]1 van het misdrijf vormt werd gepleegd of waar het zijn oorsprong vond, ontvangt samen met de kennisgeving van de waarschuwing [1 bedoeld in artikel 21, § 2, van de ingebrekestelling bedoeld in artikel 21, § 3,]1 of van het proces-verbaal waarin het misdrijf wordt vastgesteld een afschrift van het meetverslag.
  [1 § 3. De door de audiovisuele apparaten opgeslagen gegevens maken het voorwerp uit van een verslag opgesteld door de verantwoordelijke voor de verwerking, dat de volgende aanwijzingen bevat :
   - het plan van de gefilmde plaatsen en hun politieadres;
   - de data en uren gedurende welke de apparaten gewerkt hebben;
   - de beschrijving van het gebruikte materiaal;
   - de naam en voornaam van de verantwoordelijken voor de verwerking die zijn overgegaan tot de plaatsing van de apparaten en het opslaan van de gegevens;
   - in voorkomend geval, de identificatie van de personen aanwezig op het ogenblik van de opname;
   - de toelating van de burgemeester van de betrokken gemeente, wanneer die vereist is;
   - de toelating van de eigenaar en de uitbater of de persoon die in voorkomend geval de plaats bezet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, van de betrokken plaats, wanneer die vereist is; en
   - het bewijs van de voorafgaande kennisgeving aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.]1

  [1 § 4. Het verslag bedoeld in paragraaf 3 en een kopie van de opname zijn aangehecht aan de kennisgeving van de waarschuwing bedoeld in artikel 21, § 2, van de ingebrekestelling bedoeld in artikel 21, § 3, of van het proces-verbaal dat het misdrijf vaststelt, gericht aan de vermoedelijke dader van het misdrijf en aan de Procureur des Konings.]1
  [1 § 5. Alleen de verantwoordelijke voor de verwerking of zijn afgevaardigde, beschikt over een toegangsrecht tot de in paragraaf 3 bedoelde opgeslagen gegevens, die aan de Procureur des Konings meegedeeld kunnen worden.
   De verantwoordelijke voor de verwerking of zijn afgevaardigde stelt onder de personeelsleden belast met het toezicht, de personeelsleden aan die toegang hebben tot de opgeslagen gegevens.
   Deze personeelsleden moeten voldoen aan de volgende voorwaarden :
   - beschikken over het statuut van personeelslid belast met het toezicht sedert ten minste 5 jaar op het ogenblik van hun aanstelling;
   - elk jaar een certificaat van goed zedelijk gedrag overleggen;
   - een verklaring op eer ondertekenen waarin zij zich verbinden om een discretieplicht na te leven wat betreft de gevoelige en persoonsgegevens die door de beelden worden verschaft.
   De functie van deze personeelsleden beperkt zich tot het controleren of de opgeslagen gegevens een inbreuk kunnen vormen of een milieuschade kunnen veroorzaken en tot het informeren van de verantwoordelijke voor de verwerking over het resultaat van hun controles.
   De lijst van personen die aldus zijn aangesteld moet ter beschikking worden gehouden van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer door de verantwoordelijke voor de verwerking of zijn afgevaardigde.]1

  
Art.15. [1 (Art. 17 renuméroté art. 15)]1 § 1er. Chaque mesure de pollution [1 ...]1 est consignée dans un rapport de mesures [1 établi par l'agent chargé de la surveillance, par l'expert ou par le laboratoire agréé]1 comprenant les indications suivantes :
  [1 1° la mention du registre visé à l'article 14, § 6;
   2° le cas échéant, les conditions atmosphériques au moment des mesures;]1

  [1 ]1 la méthode de mesure et les circonstances qui les ont entourées;
  [1 ]1 la description du matériel de mesure utilisé;
  [1 ]1 le plan des lieux avec l'indication précise des points de mesure;
  [1 ]1 la date et l'heure auxquelles les mesures ont été effectuées;
  [1 ]1 la durée des mesures;
  [1 8° les noms et qualité des agents, du laboratoire agréé ou de l'expert ayant effectué les mesures;
   9° les noms et qualité des personnes ayant rédigé le rapport;
   10° le cas échéant, l'identification des personnes présentes;]1

  [1 ...]1 [1 ...]1
  [1 11°]1 le résultat des mesures.
  [1 ...]1
  § 2. Une copie du rapport de mesures est joint a la notification de l'avertissement [1 visé à l'article 21, § 2, de la mise en demeure visée à l'article 21, § 3,]1 ou du procès-verbal constatant l'infraction [1 qui est adressé]1 à l'auteur présumé de l'infraction ou au propriétaire du bien où a été commis ou d'où provient le fait constitutif de l'infraction.
  [1 § 3. Les données enregistrées par les appareils audiovisuels fixes font l'objet d'un rapport établi par le responsable du traitement, comprenant les indications suivantes :
   - le plan des lieux filmés et leur adresse de police;
   - les dates et heures pendant lesquelles les appareils ont fonctionné;
   - la description du matériel utilisé;
   - les nom et prénom des responsables du traitement ayant procédé à l'installation des appareils et à l'enregistrement des données;
   - le cas échéant, l'identification des personnes présentes au moment de l'enregistrement;
   - l'autorisation du bourgmestre de la commune concernée, lorsque celle-ci est requise;
   - l'autorisation du propriétaire et de l'exploitant ou de la personne occupant le cas échéant les lieux en vertu d'un droit réel ou personnel, du lieu concerné, lorsque celle-ci est requise; et
   - la preuve de la notification préalable à la Commission de la protection de la vie privée.]1

  [1 § 4. Le rapport visé au § 3 et une copie de l'enregistrement sont joints à la notification de l'avertissement visé à l'article 21, § 2, de la mise en demeure visée à l'article 21, § 3, ou du procès-verbal constatant l'infraction qui est adressé à l'auteur présumé de l'infraction et au Procureur du Roi.]1
  [1 § 5. Seul le responsable du traitement ou son délégué a un droit d'accès aux données enregistrées visées au § 3, lesquelles peuvent être communiquées au Procureur du Roi.
   Le responsable du traitement ou son délégué désigne, parmi les agents chargés de la surveillance, les agents qui ont accès aux données enregistrées.
   Ces agents doivent remplir les conditions suivantes :
   - avoir le statut d'agent chargé de la surveillance depuis au moins 5 ans à la date de leur désignation;
   - produire chaque année un certificat de bonne vie et moeurs;
   - signer une déclaration sur l'honneur aux termes de laquelle ils s'engagent à respecter un devoir de discrétion en ce qui concerne les données sensibles et personnelles fournies par les images.
   La fonction de ces agents se limite à vérifier si les données enregistrées sont susceptibles de constituer une infraction ou d'engendrer un dommage à l'environnement et à informer le responsable du traitement du résultat de leurs vérifications.
   La liste des personnes ainsi désignées doit être tenue à la disposition de la Commission de la protection de la vie privée par le responsable du traitement ou son délégué.]1

  
Afdeling 3. [1 (Onderafdeling 3 vervangen door Afdeling 3)]1 - Monsternemingen.
Section 3. [1 (Sous-section 3 remplacée par Section 3)]1 - Des prélèvements d'échantillons.
Art.16. [1 (art. 18 hernummerd tot art. 16)]1 § 1. [1 Het met het toezicht belaste personeelslid, de deskundige of het erkend laboratorium die de monsters heeft genomen, wijst een erkend analyselaboratorium aan dat belast wordt met de officiële analyse van het eerste monster.]1
  [1 § 2. Bij elke monsterneming worden telkens twee monsters in dezelfde omstandigheden genomen. Ze worden in geschikte recipiënten of verpakkingen bewaard die een goede bewaring en een goede analyse garanderen.
   Eén monster is bestemd voor het erkend laboratorium voor analyse. Een tweede monster is bestemd voor de natuurlijke persoon of rechtspersoon, tegen wie het resultaat van de analyses kan worden aangevoerd.]1

  [1 § 3. De recipiënten of de verpakkingen worden met de zegel van de natuurlijke persoon of rechtspersoon zoals bedoeld in § 1 bekleed, waardoor de inhoud ervan onmogelijk kan worden vervangen of gewijzigd.]1
  [1 § 4.]1 Op de recipiënten of de verpakkingen staan de volgende gegevens :
  1° een identificatienummer;
  2° de datum van de monsterneming;
  3° de identiteit en de handtekening van [1 de natuurlijke persoon of rechtspersoon zoals bedoeld in § 1]1;
  4° de aard van de substanties of voorwerpen waarvan het monster is genomen.
  [1 ...]1 [1 ...]1
  
Art.16. [1 (Art. 18 renuméroté art. 16)]1 § 1er. [1 L'agent chargé de la surveillance, l'expert ou le laboratoire agréé ayant réalisé les prélèvements désignent un laboratoire d'analyse agréé chargé de l'analyse officielle du premier échantillon.]1
  [1 § 2. Deux échantillons recueillis dans les mêmes conditions sont prélevés lors de chaque prélèvement. Ils sont collectés dans des récipients ou des emballages appropriés permettant une bonne conservation et une bonne analyse.
   Un échantillon est destiné au laboratoire d'analyse agréé. Un deuxième échantillon est destiné à la personne physique ou morale à charge de laquelle le résultat des analyses peut être retenu.]1

  [1 § 3. Les récipients ou les emballages sont revêtus du sceau de la personne physique ou morale visée au § 1er, rendant impossible la substitution ou l'altération de leur contenu.]1
  [1 § 4.]1 Les récipients [1 ou les]1 emballages portent les mentions suivantes :
  1° un numéro d'identification;
  2° la date de prélèvement des échantillons;
  3° l'identité et la signature de [1 la personne physique ou morale visée au § 1er]1;
  4° la nature des substances ou des objets faisant l'objet du prélèvement.
  § 3. [1 ...]1
  
Art.17. [1 (art. 19 hernummerd tot art. 17)]1 § 1. [1 De natuurlijke persoon of rechtspersoon zoals bedoeld in artikel 16 § 1]1, stelt van elke monsterneming een proces-verbaal op. Het proces-verbaal bevat [1 op zijn minst]1 de volgende gegevens :
  1° de gegevens die vermeld staan op de recipiënten of verpakkingen waarin de monsters bewaard worden;
  2° de methode en de omstandigheden [1 waarin de monsterneming plaatsvond]1;
  3° de beschrijving van de recipiënten of verpakkingen waarin de monsters bewaard worden;
  4° [1 in voorkomend geval, de identiteit van de personen die de monsterneming hebben bijgewoond;]1
  [1 ]1 de vermelding dat de persoon tegen wie de resultaten van de monsterneming kunnen worden aangevoerd, het tweede monster kan laten analyseren door een ander erkend laboratorium;
  [1 ]1 de identiteit van het [1 erkende]1 laboratorium dat belast is met de officiële analyse van het monster,
  [1 ]1 de resultaten van [1 ...]1 de analyses die ter plaatse uitgevoerd zijn.
  § 2. Binnen [1 vijf werkdagen]1 na de monsterneming wordt een afschrift van het proces-verbaal bezorgd aan de persoon tegen wie de analyseresultaten kunnen worden aangevoerd.
  [1 ...]1
  
Art.17. [1 (art. 19 renuméroté en art. 17)]1 § 1er. Chaque prélèvement d'échantillons est consigné dans un procès-verbal d'échantillonnage rédigé par [1 la personne physique ou morale visée à l'article 16, § 1er,]1. Le procès-verbal comprend [1 au minimum]1 les indications suivantes :
  1° les informations reprises sur les récipients ou les emballages dans lesquels les échantillons sont collectés;
  2° la méthode et les circonstances [1 dans lesquelles le prélèvement a été réalisé]1;
  3° la description des récipients ou des emballages dans lesquels les échantillons sont collectés;
  4° [1 le cas échéant, l'identité des personnes qui ont assisté au prélèvement;]1
  [1 ]1 la mention de la faculté, pour la personne à charge de laquelle les résultats du prélèvement pourront être retenus, de demander auprès d'un autre laboratoire agréé de faire une analyse du second échantillon;
  [1 ]1 l'identité du laboratoire [1 agréé]1 chargé de l'analyse officielle de l'échantillon;
  [1 ]1 les résultats des analyses réalisées sur place.
  § 2. Une copie du procès-verbal d'échantillonnage est communiquée dans les [1 cinq jours ouvrables]1 du prélèvement à la personne à charge de laquelle les résultats des analyses pourront être retenus.
  [1 ...]1
  
Art.18. [1 (Art. 21 hernummerd tot art. 18)]1 § 1. [1 Ten laatste op de eerste werkdag die volgt op de datum van monsterneming, wordt één van de monsters bezorgd aan het erkend laboratorium voor analyse aangeduid door de natuurlijke persoon of rechtspersoon zoals bedoeld in artikel 16, § 1.
   Het wordt bewaard in omstandigheden die een correcte analyse toelaten.]1

  § 2. [1 Het tweede monster wordt onmiddellijk op de plaats van monsterneming overhandigd aan één van de personen tegen wie de analyseresultaten kunnen worden aangevoerd indien hij aanwezig is op het ogenblik van de monsterneming.
   Als dat niet mogelijk is, wordt het monster bewaard door het erkende laboratorium dat met de officiële analyse is belast. Het wordt tot vijf werkdagen na de monsterneming ter beschikking gehouden van de personen bedoeld in het eerste lid.]1

  § 3. De persoon tegen wie de analyseresultaten kunnen worden aangevoerd, kan een analyse van het tweede monster vragen bij een ander erkend laboratorium [1 ...]1.
  Indien het monster hem op de plaats van de monsterneming overhandigd wordt, dient hij het [1 ...]1 [1 ten laatste op de eerste werkdag die volgt op de datum van monsterneming]1 aan dit laboratorium door te geven. Het monster wordt zo bewaard dat het correct kan worden geanalyseerd.
  [1 Indien hij het monster niet onmiddellijk op de plaats van de monsterneming heeft gekregen, kan hij binnen de vijf werkdagen na de monsterneming, het erkend laboratorium voor analyse aangeduid door de natuurlijke persoon of rechtspersoon zoals bedoeld in artikel 16, § 1, verzoeken dat het tweede monster te zijner beschikking wordt gesteld.]1
  In ieder geval gebeurt de analyse van het tweede monster op kosten van de belanghebbende.
  
Art.18. [1 (Art. 21 renuméroté en art. 18)]1 § 1er. [1 Un des échantillons est transmis au laboratoire d'analyse agréé désigné par la personne physique ou morale visée à l'article 16, § 1er, au plus tard le premier jour ouvrable qui suit la date du prélèvement.
   Il est conservé dans des conditions permettant une analyse correcte.]1

  § 2. [1 Le second échantillon est remis immédiatement sur le lieu même du prélèvement à une des personnes à charge de laquelle les résultats peuvent être retenus dans l'hypothèse où elle serait présente au moment du prélèvement.
   A défaut, l'échantillon est conservé par le laboratoire agréé. Il demeure pendant cinq jours ouvrables après le prélèvement à la disposition des personnes visées à l'alinéa 1er.]1

  § 3. La personne à charge de laquelle les résultats des analyses pourront être retenus, peut demander une analyse du second échantillon auprès d'un autre laboratoire agrée [1 ...]1.
  Dans le cas où l'échantillon lui est remis sur le lieu même du prélèvement, il est tenu de le transmettre [1 ...]1 à ce laboratoire [1 au plus tard le premier jour ouvrable qui suit le prélèvement]1. L'échantillon est conservé dans des conditions permettant une analyse correcte.
  [1 Dans le cas où il n'a pas pu directement obtenir cet échantillon, il peut, dans les cinq jours ouvrables suivant le prélèvement de l'échantillon, requérir du laboratoire d'analyse agréé désigné par la personne physique ou morale visée à l'article 16, § 1er, que le second échantillon soit mis à sa disposition.]1
  L'analyse du second échantillon est dans tous les cas réalisée aux frais de l'intéressé.
  
Art.19. [1 (Art. 22 hernummerd tot art. 19)]1 § 1. [1 Het erkende laboratorium aangeduid door de natuurlijke persoon of rechtspersoon zoals bedoeld in artikel 16, § 1, maakt een analyseverslag op en bezorgt dit aan het met het toezicht belaste personeelslid.]1
  Het laboratorium dat de analyse van het tweede monster uitvoert, maakt onmiddellijk een analyseverslag op en bezorgt dat aan de persoon die de analyse gevraagd heeft. [1 Die bezorgt het verslag onmiddellijk aan de personen zoals bedoeld in artikel 16, § 1.]1
  § 2. Het analyseverslag bevat de volgende gegevens :
  1° [1 de identiteit van het personeelslid die om de analyse heeft gevraagd en in voorkomend geval van de persoon die de tweede analyse heeft geëist;]1
  2° de ontvangstdatum van de monsters [1 en hun referentienummers]1;
  3° de aanduiding van de omstandigheden waarin de monsters zijn bewaard;
  4° [1 ...]1
  [1 ]1 de aanduiding van de gebruikte analysemethode en van de omstandigheden waarin de analyse werd verricht;
  [1 ]1 de datum waarop de analyse werd verricht;
  [1 ...]1 [1 ...]1
  [1 ]1 de opgeleverde resultaten.
  § 3. [1 De vermoedelijke dader of de eigenaar van het goed waar het feit dat het constitutief bestanddeel van het misdrijf vormt werd gepleegd of waar het zijn oorsprong vond, ontvangt samen met de kennisgeving van de waarschuwing bedoeld in artikel 21, § 2, van de ingebrekestelling bedoeld in artikel 21, § 3, of van het proces-verbaal waarin het misdrijf wordt vastgesteld een afschrift van het analyseverslag.]1
  
Art.19. [1 (Art. 22 renuméroté art. 19)]1 § 1er. [1 Le laboratoire agréé désigné par la personne physique ou morale visée à l'article 16, § 1er, dresse un rapport d'analyse qu'il transmet à l'agent chargé de la surveillance.]1
  Le laboratoire chargé de l'analyse portant sur le second échantillon dresse immédiatement un rapport d'analyse qu'il transmet à la personne qui en a fait la demande. [1 Celle-ci le transmet immédiatement aux personnes visées à l'article 16, § 1er]1.
  § 2. Le rapport d'analyse comporte les mentions suivantes :
  1° [1 l'identité de l'agent qui a demandé l'analyse et le cas échéant de la personne qui a requis la seconde analyse;]1
  2° la date de réception des échantillons et leurs numéros de suite;
  3° l'indication des conditions de conservation des échantillons;
  [1 ...]1 [1 ...]1
  [1 ]1 l'indication de la méthode d'analyse et des conditions dans lesquelles elle a été réalisée;
  [1 ]1 la date à laquelle l'analyse a été effectuée;
  [1 ...]1 [1 ...]1
  [1 ]1 les résultats obtenus.
  § 3. [1 Une copie du rapport d'analyse est jointe à la notification de l'avertissement visé à l'article 21, § 2, de la mise en demeure visée à l'article 21, § 3, ou du procès-verbal constatant l'infraction qui est adressé à l'auteur présumé de l'infraction ou au propriétaire du bien où a été commis ou d'où provient le fait constitutif de l'infraction.]1
  
HOOFDSTUK 3. [1 - Preventie, vaststelling van de misdrijven en milieuaansprakelijkheid]1
CHAPITRE 3. [1 - Prévention, constatation des infractions et responsabilité environnementale]1
Afdeling 1. - [1 Preventie]1
Section 1re. - [1 Prévention]1
Art.20. [1 De exploitant treft onverwijld de nodige preventieve maatregelen wanneer zich nog geen milieuschade heeft voorgedaan maar een onmiddellijke dreiging bestaat dat dergelijke schade zich voordoet.
  Wanneer een onmiddellijke dreiging van milieuschade ondanks de door de betrokken exploitant genomen preventieve maatregelen niet verdwijnt, is deze laatste verplicht om de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid zo spoedig mogelijk van alle relevante aspecten op de hoogte te brengen.]1

  
Art.20. [1 Lorsqu'un dommage environnemental n'est pas encore survenu, mais qu'il existe une menace imminente qu'un tel dommage survienne, l'exploitant prend sans retard les mesures de prévention nécessaires.
  Lorsqu'une menace imminente de dommage environnemental ne disparaît pas en dépit des mesures de prévention prises par l'exploitant, ce dernier est tenu d'informer l'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale de tous les aspects pertinents dans les meilleurs délais.]1

  
Art.21. [1 § 1. De met het toezicht belaste personeelsleden kunnen te allen tijde maatregelen treffen of opleggen, zelfs mondeling, ten aanzien van eender welke persoon, die nodig zijn om elke vorm van gevaar of hinder voor het leefmilieu of voor de volksgezondheid te voorkomen, te verminderen of te verhelpen en hen verplichten informatie te verstrekken.
  Indien de maatregelen mondeling zijn opgelegd, worden ze binnen 10 werkdagen bij een ter post aangetekende brief [3 of langs elektronische weg]3 aan de bestemmeling van de maatregel bevestigd door :
  1° de burgemeester wanneer personeelsleden van de gemeente het bevel hebben opgelegd; of
  2° de leidend ambtenaar van [2 Leefmilieu Brussel]2, van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, wanneer hun respectieve personeelsleden het bevel hebben gegeven.
  Indien de maatregelen schriftelijk zijn opgelegd, worden ze goedgekeurd door een medeondertekening :
  1° van de burgemeester, wanneer een personeelslid van de gemeente het bevel heeft opgelegd; of
  2° van de leidend ambtenaar van [2 Leefmilieu Brussel]2, van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, wanneer één van hun respectieve personeelsleden het bevel heeft opgelegd.
  Ze worden aan de bestemmeling van de maatregel bezorgd bij een ter post aangetekende brief [3 of langs elektronische weg]3.
  Indien aan die maatregelen geen gevolg wordt gegeven, kunnen de met het toezicht belaste personeelsleden de voorgeschreven maatregel ambtshalve ten laste van de in gebreke blijvende persoon uitvoeren of laten uitvoeren.
  Een preventieve maatregel opgelegd door een met het toezicht belast personeelslid aan een exploitant, en medeondertekend, indien zij schriftelijk werd genomen of bekrachtigd, indien zij werd genomen na een mondelinge beslissing, door de leidend ambtenaar van [2 Leefmilieu Brussel]2, vormt van rechtswege een bevolen preventieve maatregel van de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid in de zin van artikel 24, indien de gevaren of hinder die haar rechtvaardigen een onmiddellijke dreiging op milieuschade, die binnen het toepassingsgebied van artikel 57 valt, kunnen uitmaken of daaraan aan de oorsprong kunnen liggen.
  § 2. De met het toezicht belaste personeelsleden kunnen te allen tijde, zelfs mondeling, een waarschuwing richten tot de vermoedelijke dader van het misdrijf, of tot de eigenaar van het goed waar het feit dat het constitutief bestanddeel van het misdrijf vormt gepleegd werd of waar het zijn oorsprong vond en een termijn vastleggen waarbinnen hij zich in regel dient te stellen.
  Wanneer een mondelinge waarschuwing gegeven wordt, dan dient die binnen tien werkdagen bij een ter post aangetekende brief [3 of langs elektronische weg]3 te worden bevestigd door :
  1° de burgemeester wanneer de waarschuwing door personeelsleden van de gemeente werd gegeven; of
  2° de leidend ambtenaar van [2 Leefmilieu Brussel]2 of van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie wanneer de waarschuwing door respectievelijk één van hun personeelsleden werd gegeven.
  Deze waarschuwing kan in voorkomend geval in dezelfde aangetekende brief [3 of langs elektronische weg]3 gepaard gaan met een krachtens § 1 genomen of opgelegde preventieve maatregel.
  § 3. Nadat de waarschuwing geen gedeeltelijke of volledige uitvoering krijgt door zijn bestemmeling of indien de situatie het vereist, kunnen de met het toezicht belaste personeelsleden een ingebrekestelling per aangetekend schrijven [3 of langs elektronische weg]3 richten aan eerstgenoemde.
  De ingebrekestelling kan in dezelfde aangetekende brief [3 of langs elektronische weg]3 gepaard gaan met een preventieve maatregel opgelegd overeenkomstig § 1.
  § 4. In geval van een feit dat het constitutief bestanddeel van een misdrijf vormt en indien de dreiging van die aard is dat enige vertraging in het nemen van maatregelen tot onherstelbare schade riskeert te leiden of in geval van herhaalde vaststellingen verricht conform artikel 23, kunnen de met het toezicht belaste personeelsleden bovendien mondeling bevelen tot :
  1° de gedeeltelijke of volledige stopzetting van de activiteit;
  2° de sluiting van één of meer inrichtingen.
  Die maatregelen vervallen indien ze binnen tien werkdagen nadat ze opgelegd werden, niet bij een ter post aangetekende brief [3 of langs elektronische weg]3 bevestigd zijn door :
  1° de burgemeester wanneer personeelsleden van de gemeente de maatregelen hebben opgelegd; of
  2° de leidend ambtenaar van [2 Leefmilieu Brussel]2, van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, wanneer één van hun personeelsleden de maatregelen hebben opgelegd.]1

  
Art.21. [1 § 1er. Les agents chargés de la surveillance peuvent à tout moment prendre ou ordonner à toute personne, même verbalement, toute mesure de prévention nécessaire pour éviter, réduire ou remédier à des dangers ou nuisances pour l'environnement et la santé humaine, et l'obliger à fournir des informations.
  Lorsqu'elles sont ordonnées verbalement, les mesures sont confirmées au destinataire de la mesure par lettre recommandée à la poste [3 ou par voie électronique]3, dans les dix jours ouvrables par :
  1° le bourgmestre, lorsque l'ordre a été donnée par des agents communaux; ou
  2° le fonctionnaire dirigeant de [2 Bruxelles Environnement]2, de l'ARP ou de l'administration compétente du Ministère, lorsque l'ordre est donné par un de leurs agents respectifs.
  Lorsqu'elles sont ordonnées par écrit, ces mesures sont approuvées par un contreseing :
  1° du bourgmestre, lorsque l'ordre a été donné par des agents communaux; ou
  2° du fonctionnaire dirigeant de [2 Bruxelles Environnement]2, de l'ARP ou de l'administration compétente du Ministère, lorsque l'ordre est donné par un de leurs agents respectifs.
  Elles sont transmises au destinataire de la mesure par lettre recommandée à la poste [3 ou par voie électronique]3.
  S'il n'a pas été obtempéré à ces mesures, les agents chargés de la surveillance peuvent exécuter ou faire exécuter d'office la mesure ordonnée, et ce à charge de la personne défaillante.
  Une mesure de prévention, ordonnée par un agent chargé de la surveillance à un exploitant, et contresignée, si elle a été prise par écrit, ou confirmée, si elle a été prise oralement, par le fonctionnaire dirigeant de [2 Bruxelles Environnement]2, constitue de plein droit une mesure de prévention ordonnée par l'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale, au sens de l'article 24, si les dangers ou nuisances qui la justifient sont susceptibles de constituer ou d'être à l'origine d'une menace imminente de dommage environnemental entrant dans le champ d'application de l'article 57.
  § 2. Les agents chargés de la surveillance peuvent à tout moment adresser, même verbalement, un avertissement à l'auteur suspecté d'avoir commis l'infraction ou au propriétaire du bien d'où provient le fait constitutif de l'infraction, et fixer un délai pour qu'il se mette en règle.
  Lorsqu'il est donné verbalement, l'avertissement est confirmé par lettre recommandée à la poste [3 ou par voie électronique]3 dans les dix jours ouvrables par :
  1° le bourgmestre, lorsque l'avertissement a été donné par des agents communaux; ou
  2° le fonctionnaire dirigeant de [2 Bruxelles Environnement]2 ou de l'ARP ou de l'administration compétente du Ministère, lorsque l'avertissement a été donné par un de leurs agents respectifs.
  L'avertissement peut être accompagné, le cas échéant dans la même lettre recommandée [3 ou adressée par voie électronique]3, d'une mesure de prévention prise ou ordonnée en vertu du paragraphe 1er.
  § 3. Après un avertissement non suivi d'exécution partielle ou totale par son destinataire ou lorsque la situation le requiert, les agents chargés de la surveillance peuvent adresser à ce dernier une mise en demeure par lettre recommandée [3 ou par voie électronique]3.
  La mise en demeure peut être accompagnée, dans la même lettre recommandée [3 ou adressée par voie électronique]3, d'une mesure de prévention ordonnée en vertu du paragraphe 1er.
  § 4. En cas de fait constitutif d'infraction et lorsque la menace est telle que tout retard dans l'adoption des mesures adéquates risque de provoquer un dommage irréparable ou en cas de constats répétés effectués conformément à l'article 23, les agents chargés de la surveillance peuvent en outre ordonner verbalement :
  1° la cessation partielle ou totale de l'activité;
  2° la fermeture d'une ou de plusieurs installations.
  Ces mesures cessent leurs effets si, dans les dix jours ouvrables de leur prescription, elles n'ont pas été confirmées par lettre recommandée à la poste [3 ou par voie électronique]3 par :
  1° le bourgmestre lorsqu'elles ont été prises par des agents communaux; ou
  2° le fonctionnaire dirigeant de [2 Bruxelles Environnement]2, de l'ARP ou de l'administration compétente du Ministère, lorsque l'ordre est donné par un de leurs agents respectifs.]1

  
Art.22. [1 Iedere belanghebbende kan bij het Milieucollege beroep instellen tegen het bevel om een activiteit gedeeltelijk of volledig stop te zetten of om een of meer inrichtingen te sluiten of tegen een bevel met een gelijkaardig gevolg, of tegen ieder bevel om een activiteit voort te zetten of een bevel met een gelijkaardig gevolg.
  Op straffe van verval dient het beroep per verzoekschrift bij het Milieucollege te worden ingesteld binnen tien dagen na de kennisgeving van de beslissing of van de bevestiging bedoeld in artikel 21. Het Milieucollege hoort de belanghebbende, op zijn verzoek, of zijn raadsman. In dit geval wordt ook het met het toezicht belaste personeelslid dat de maatregelen heeft genomen gehoord.
  Binnen vijftien werkdagen na de datum van verzending van het verzoekschrift betekent het Milieucollege zijn beslissing. Deze termijn wordt met tien werkdagen verlengd wanneer de partijen een verzoek indienen om te worden gehoord. Voorts wordt de termijn verlengd met tien werkdagen wanneer het verzoekschrift is opgestuurd in de periode van 15 juni tot 15 augustus.]1

  
Art.22. [1 Un recours est ouvert auprès du Collège d'environnement à toute personne justifiant d'un intérêt contre toute décision ordonnant la cessation partielle ou totale d'une activité ou la fermeture d'une ou de plusieurs installations ou produisant un effet équivalent, ou toute décision ordonnant la poursuite d'une activité ou produisant un effet équivalent.
  A peine de forclusion, le recours doit être introduit par requête auprès du Collège d'environnement dans les dix jours de la notification de la décision ou de la confirmation visée à l'article 21. Le Collège d'environnement entend, à leur demande, le requérant ou son conseil. Dans ce cas, l'agent chargé de la surveillance ayant pris la mesure est également entendu.
  Le Collège d'environnement notifie sa décision dans les quinze jours ouvrables de la date d'envoi de la requête. Ce délai est augmenté de dix jours ouvrables lorsque les parties demandent à être entendues. Il est en outre augmenté de dix jours ouvrables lorsque la requête a été envoyée dans la période allant du 15 juin au 15 août.]1

  
Afdeling 2. - [1 Vaststelling van de misdrijven]1
Section 2. - [1 Constatation des infractions]1
Art.23. [1 De met het toezicht belaste personeelsleden stellen de misdrijven vast in een proces-verbaal dat bewijswaarde heeft tot het bewijs van het tegendeel. Binnen tien werkdagen na de vaststelling van het misdrijf wordt een afschrift van het proces-verbaal bezorgd aan de vermoedelijke dader of aan de eigenaar van het goed waar het feit dat het constitutief bestanddeel van het misdrijf vormt gepleegd werd of waar het zijn oorsprong gevonden heeft. De termijn wordt berekend te rekenen vanaf de dag volgend op de vaststelling van het misdrijf.]1
  
Art.23. [1 Les agents chargés de la surveillance constatent les infractions par procès-verbal faisant foi jusqu'à preuve du contraire. Une copie du procès-verbal est communiquée dans les dix jours ouvrables suivant la constatation de l'infraction à l'auteur présumé de l'infraction ou au propriétaire du bien où a été commis ou d'où provient le fait constitutif de l'infraction. Le délai est calculé à partir du lendemain de la constatation de l'infraction.]1
  
Afdeling 3. - [1 Milieuaansprakelijkheid]1
Section 3. - [1 Responsabilité environnementale]1
Onderafdeling 1. - [1 Preventieve maatregelen]1
Sous-section 1re. - [1 Mesures de prévention]1
Art.24. [1 De bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid kan te allen tijde :
  1° de exploitant verplichten informatie te verstrekken telkens als zich een onmiddellijke dreiging van milieuschade voordoet of ingeval dergelijke onmiddellijke dreiging wordt vermoed;
  2° de exploitant verplichten de nodige preventieve maatregelen te treffen; of
  3° zelf de nodige preventieve maatregelen nemen.
  Als de exploitant de verplichtingen bepaald in artikel 20 of in punten 1° en 2°, niet nakomt, als hij niet kan worden geïdentificeerd of als hij krachtens artikel 27 de kosten niet moet dragen, kan de bevoegde instantie zelf de nodige preventieve maatregelen treffen.
  De genomen beslissingen worden onmiddellijk [2 bij een ter post aangetekend schrijven of langs elektronische weg]2 aan de betrokken exploitant betekend die tegelijkertijd ingelicht wordt over de rechtsmiddelen en beroepstermijnen waarover hij beschikt.]1

  
Art.24. [1 L'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale peut à tout moment :
  1° obliger l'exploitant à fournir des informations chaque fois qu'une menace imminente de dommage environnemental est présente, ou dans le cas où une telle menace imminente est suspectée;
  2° obliger l'exploitant à prendre les mesures préventives nécessaires; ou
  3° prendre elle-même les mesures préventives nécessaires.
  Si l'exploitant ne s'acquitte pas des obligations prévues à l'article 20 ou aux points 1° et 2°, s'il ne peut être identifié ou s'il n'est pas tenu de supporter les coûts en vertu de l'article 27, l'autorité compétente peut prendre les mesures préventives nécessaires.
  Les décisions prises sont notifiées sans délai [2 par lettre recommandée à la poste ou par voie électronique]2 à l'exploitant concerné, qui est en même temps informé des voies et délais de recours dont il dispose.]1

  
Onderafdeling 2. - [1 Herstelmaatregelen]1
Sous-section 2. - [1 Mesures de réparation]1
Art.25. [1 § 1. Wanneer er zich milieuschade heeft voorgedaan, brengt de exploitant onverwijld de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid op de hoogte van alle relevante aspecten van de toestand en treft hij :
  1° alle praktische maatregelen om de betrokken verontreinigende stoffen en/of enige andere schadefactor onmiddellijk te bestrijden, in te perken, te verwijderen of te behandelen, teneinde nieuwe milieuschade en negatieve gevolgen voor de volksgezondheid of aantasting van de functies te beperken of te voorkomen;
  2° de nodige herstelmaatregelen. Hij bepaalt overeenkomstig bijlage 2 de mogelijke herstelmaatregelen en legt ze ter goedkeuring voor aan de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid.
  § 2. De bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid besluit welke herstelmaatregelen overeenkomstig bijlage 2, en zo nodig in samenwerking met de betrokken exploitant, worden uitgevoerd.
  Wanneer zich meerdere gevallen van milieuschade hebben voorgedaan en de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid er niet voor kan zorgen dat de noodzakelijke herstelmaatregelen gelijktijdig worden genomen, kan zij bepalen welk geval van milieuschade eerst moet worden hersteld. Bij het nemen van deze beslissing houdt zij onder meer rekening met de aard, de omvang en de ernst van de milieuschade en met de mogelijkheid van natuurlijke regeneratie. Er moet ook rekening worden gehouden met de risico's voor de gezondheid van de mens.
  De bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid nodigt de personen, bedoeld in artikel 29, § 1, uit en in ieder geval de personen op wier terrein herstelmaatregelen zouden moeten worden toegepast, om opmerkingen te formuleren en houdt rekening met deze opmerkingen.
  § 3. De bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid kan te allen tijde :
  1° de exploitant verplichten aanvullende informatie te verstrekken over alle schade die zich heeft voorgedaan;
  2° zelf alle praktische maatregelen treffen of de betrokken exploitant daartoe verplichten om de betrokken verontreinigende stoffen en/of enige andere schadefactor onmiddellijk te bestrijden, in te perken, te verwijderen of te beheren, teneinde nieuwe milieuschade en negatieve gevolgen voor de gezondheid van de mens of aantasting van de functies te beperken of te voorkomen;
  3° de exploitant verplichten de nodige herstelmaatregelen te treffen; of
  4° zelf de nodige herstelmaatregelen treffen.
  § 4. Als de exploitant de verplichtingen bepaald in § 1 of § 3, 2° of 3° niet nakomt, als hij niet kan worden geïdentificeerd of als hij krachtens artikel 27 de kosten niet moet dragen, kan de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid zelf de nodige preventieve maatregelen treffen.
  § 5. Iedere beslissing die een herstelmaatregel oplegt wordt onverwijld [2 bij een ter post aangetekend schrijven of langs elektronische weg]2 meegedeeld aan de betrokken exploitant, die tegelijkertijd op de hoogte wordt gebracht van de rechtsmiddelen en beroepstermijnen waarover hij beschikt.]1

  
Art.25. [1 § 1er. Lorsqu'un dommage environnemental s'est produit, l'exploitant informe sans tarder l'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale de tous les aspects pertinents de la situation et prend :
  1° toutes les mesures pratiques afin de combattre, d'endiguer, d'éliminer ou de traiter immédiatement les contaminants concernés et tout autre facteur de dommage, en vue de limiter ou de prévenir de nouveaux dommages environnementaux et des incidences négatives sur la santé humaine ou la détérioration des services;
  2° les mesures de réparation nécessaires. Il détermine, conformément à l'annexe 2, les mesures de réparation possibles et les soumet à l'approbation de l'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale.
  § 2. L'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale définit les mesures de réparation à mettre en oeuvre conformément à l'annexe 2, le cas échéant, avec la collaboration de l'exploitant concerné.
  Lorsque plusieurs dommages environnementaux se sont produits de telle manière que l'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale ne peut faire en sorte que les mesures de réparation nécessaires soient prises simultanément, elle est habilitée à décider quel dommage environnemental doit être réparé prioritairement. Elle prend cette décision en tenant compte, notamment, de la nature, de l'étendue, de la gravité des différents dommages environnementaux concernés et des possibilités de régénération naturelle. Les risques pour la santé humaine sont également pris en compte.
  L'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale invite les personnes visées à l'article 29, § 1er, et, en tout état de cause, les personnes sur le terrain desquelles des mesures de réparation devraient être appliquées, à présenter leurs observations, dont elle tient compte.
  § 3. L'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale peut, à tout moment :
  1° obliger l'exploitant à fournir des informations complémentaires concernant tout dommage s'étant produit;
  2° prendre ou obliger l'exploitant à prendre toutes les mesures pratiques afin de combattre, d'endiguer, d'éliminer ou de gérer immédiatement les contaminants concernés et tout autre facteur de dommage, en vue de limiter ou de prévenir de nouveaux dommages environnementaux et des incidences négatives sur la santé humaine ou la détérioration des services;
  3° obliger l'exploitant à prendre les mesures de réparation nécessaires; ou
  4° prendre elle-même les mesures de réparation nécessaires.
  § 4. Si l'exploitant ne s'acquitte pas des obligations prévues au § 1er ou au § 3, 2° ou 3°, s'il ne peut être identifié ou s'il n'est pas tenu de supporter les coûts en vertu de l'article 27, l'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale peut prendre les mesures de réparation nécessaires.
  § 5. Toute décision qui impose une mesure de réparation est notifiée sans délai [2 par lettre recommandée à la poste ou par voie électronique]2 à l'exploitant concerné, qui est en même temps informé des voies et délais de recours dont il dispose.]1

  
Onderafdeling 3. - [1 Preventie- en herstelkosten]1
Sous-section 3. - [1 Coûts liés à la prévention et à la réparation]1
Art.26. [1 De exploitant draagt de kosten voor de preventie- en herstelmaatregelen die door de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid zijn genomen.
  Wanneer milieuschade of de onmiddellijke dreiging van deze schade is veroorzaakt door verschillende exploitanten, zijn deze er hoofdelijk toe gehouden de kosten voor de ondernomen preventie- en herstelmaatregelen te dragen.]1

  
Art.26. [1 L'exploitant supporte les coûts des mesures de prévention et de réparation des dommages environnementaux prises par l'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale.
  Quand le dommage environnemental ou la menace imminente de ce dommage a été causé par plusieurs exploitants, ceux-ci sont solidairement tenus de supporter les coûts des mesures de prévention et de réparation entreprises.]1

  
Art.27. [1 § 1. De exploitant is echter niet verplicht de kosten te dragen van de preventie- of herstelmaatregelen opgelegd door de instantie bevoegd inzake milieuaansprakelijkheid als hij kan bewijzen dat de milieuschade of de onmiddellijke dreiging van dergelijke schade :
  1° veroorzaakt is door een derde ondanks dat er passende veiligheidsmaatregelen waren getroffen; of
  2° het gevolg is van het opvolgen van een bevel of instructie van een overheidsinstantie, tenzij het een bevel of instructie betreft naar aanleiding van een emissie of incident veroorzaakt door de activiteiten van de exploitant zelf.
  § 2. De exploitant is niet verplicht de kosten te dragen van de herstelmaatregelen die met toepassing van dit Wetboek worden getroffen als hij kan bewijzen dat de milieuschade of de onmiddellijke dreiging van dergelijke schade te wijten is aan :
  1° een emissie of een gebeurtenis die uitdrukkelijk toegestaan is met naleving van alle voorwaarden die verband houden met een op de datum van de emissie of de gebeurtenis van toepassing zijnde vergunning die uitgereikt of verlengd werd krachtens de in bijlage 3 bedoelde wetgevende en reglementaire bepalingen inzake de exploitatie van een hierin opgenomen activiteit;
  2° een emissie of een activiteit of elke aanwending van een product in het kader van een activiteit waarvan de exploitant kan bewijzen dat deze niet beschouwd was als vatbaar voor het aanrichten van milieuschade in het licht van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het ogenblik dat de emissie of de activiteit plaatsvond.
  § 3. De Regering legt de modaliteiten vast volgens welke de exploitant de kosten die hij heeft gemaakt maar die hij krachtens § 1 en § 2 van dit artikel niet moet dragen, kan terugvorderen.]1

  
Art.27. [1 § 1er. L'exploitant n'est pas tenu de supporter le coût des mesures de prévention ou de réparation ordonnées par l'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale lorsqu'il est en mesure de prouver que la menace imminente de dommage environnemental ou le dommage environnemental :
  1° est le fait d'un tiers, en dépit de mesures de sécurité appropriées; ou
  2° résulte du respect d'un ordre ou d'une instruction émanant d'une autorité publique autre qu'un ordre ou une instruction consécutifs à une émission ou à un incident causés par les propres activités de l'exploitant.
  § 2. L'exploitant n'est pas tenu de supporter les coûts des mesures de réparation entreprises en application du présent Code, s'il apporte la preuve qu'il n'a pas commis de faute ou de négligence, et que le dommage environnemental est dû à :
  1° une émission ou à un événement expressément autorisé et respectant toutes les conditions liées à une autorisation qui est d'application à la date de l'émission ou de l'événement, délivrée ou renouvelée en vertu des dispositions législatives et réglementaires visées à l'annexe 3 pour l'exploitation d'une activité qui y est énumérée;
  2° une émission ou une activité ou tout mode d'utilisation d'un produit dans le cadre d'une activité dont l'exploitant prouve qu'elle n'était pas considérée comme susceptible de causer des dommages à l'environnement au regard de l'état des connaissances scientifiques et techniques au moment où l'émission ou l'activité a eu lieu.
  § 3. Le Gouvernement fixe les modalités selon lesquelles l'exploitant peut recouvrer les coûts qu'il a engagés, mais qu'il n'est pas tenu de supporter en vertu du § 1er et du § 2.]1

  
Art.28. [1 § 1. Behoudens artikel 27 vordert de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid, met name via een waarborgsom of andere passende waarborgen bij de exploitant die de milieuschade of de onmiddellijke dreiging van schade heeft veroorzaakt, de kosten terug die ze heeft gedragen voor de ondernomen preventieve maatregelen of herstelmaatregelen van de milieuschade. De Regering bepaalt de financiële waarborgen die passend worden geacht en legt de regels in verband met de uitoefening van dit terugvorderingsrecht vast.
  § 2. De bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid kan beslissen om de gedragen kosten niet volledig terug te vorderen wanneer de daartoe benodigde uitgaven hoger zijn dan het terug te vorderen bedrag of wanneer de exploitant niet kan worden geïdentificeerd.
  § 3. De bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid is gerechtigd om tegen de exploitant of, indien van toepassing, een derde die de schade of de onmiddellijke dreiging van schade heeft veroorzaakt, een procedure in te stellen om de kosten met betrekking tot alle uit hoofde van dit Wetboek genomen maatregelen terug te vorderen binnen een periode van vijf jaar vanaf de datum waarop de maatregelen geheel zijn voltooid of de datum waarop de aansprakelijke exploitant of derde is geïdentificeerd, waarbij de meest recente datum in aanmerking wordt genomen.
  § 4. De door de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid getroffen maatregelen overeenkomstig artikel 21, § 1, zesde lid en de artikelen 24 en 25 § 3, worden getroffen onverminderd de aansprakelijkheid van de betrokken exploitant en de naleving van artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.]1

  
Art.28. [1 § 1er. Sous réserve de l'article 27, l'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale recouvre, notamment par le biais d'une caution ou d'autres garanties appropriées, auprès de l'exploitant qui a causé le dommage environnemental ou la menace imminente d'un tel dommage, les coûts qu'elle a supportés en ce qui concerne les mesures de prévention ou de réparation des dommages environnementaux entreprises. Le Gouvernement définit les garanties financières considérées comme appropriées et fixe les règles en rapport avec l'exercice de ce droit de recouvrement.
  § 2. L'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale peut décider de ne pas recouvrer l'intégralité des coûts supportés lorsque les dépenses nécessaires à cet effet sont supérieures à la somme à recouvrer, ou lorsque l'exploitant ne peut pas être identifié.
  § 3. L'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale est habilitée à engager contre l'exploitant ou, selon le cas, contre un tiers qui a causé un dommage environnemental ou une menace imminente de dommage environnemental, une procédure de recouvrement des coûts relatifs à toute mesure prise en application du présent Code dans une période de cinq ans à compter de la date à laquelle les mesures ont été achevées ou de la date à laquelle l'exploitant responsable ou le tiers ont été identifiés, la date la plus récente étant retenue.
  § 4. Les mesures prises par l'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale en application de l'article 21, § 1er, alinéa 6, et des articles 24 et 25, § 3, le sont sans préjudice de la responsabilité de l'exploitant concerné et du respect des articles 107 et 108 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne.]1

  
Onderafdeling 4. - [1 Vordering van maatregelen en rechtsmiddelen]1
Sous-section 4. - [1 Demande de mesure et recours]1
Art.29. [1 § 1. Iedere natuurlijke of rechtspersoon die een belang heeft bij de besluitvorming inzake milieuschade, met name hij die zulke milieuschade lijdt of dreigt te lijden, is gerechtigd om bij de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid opmerkingen in te dienen betreffende elk geval van milieuschade of onmiddellijke dreiging van dergelijke schade waarvan hij kennis heeft en heeft de mogelijkheid om de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid te verzoeken krachtens dit Wetboek maatregelen te treffen.
  Iedere vereniging die op het grondgebied van het Gewest ijvert voor de bescherming van het leefmilieu, wordt geacht een belang te hebben op voorwaarde dat :
  1° de vereniging is opgericht als een VZW;
  2° de VZW al bestond vóór de datum waarop de milieuschade of de onmiddellijke dreiging van schade zich heeft voorgedaan; en
  3° het statutair doel van de VZW de bescherming van het leefmilieu is;
  4° het belang waarvan de aantasting in haar opmerkingen en/of haar verzoek tot het nemen van maatregelen wordt aangevoerd, past in het kader van het statutair doel van de VZW, zoals blijkt op de datum waarop de schade of de onmiddellijke dreiging van schade zich heeft voorgedaan.
  Deze bepaling is van toepassing, onverminderd het vorderingsrecht bepaald door de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu.
  § 2. Het verzoek tot maatregelen gaat vergezeld van de relevante informatie en gegevens ter ondersteuning van de opmerkingen die met betrekking tot de milieuschade in kwestie worden voorgelegd.
  § 3. Wanneer het verzoek tot maatregelen en de bijbehorende opmerkingen op aannemelijke wijze het bestaan van milieuschade aangeven, onderzoekt de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid deze opmerkingen en dit verzoek tot maatregelen.
  In dat geval, biedt de bevoegde instantie de betrokken exploitant de gelegenheid om zijn standpunt met betrekking tot het verzoek tot maatregelen en de bijbehorende opmerkingen kenbaar te maken, overeenkomstig de door de Regering vastgelegde vormen en termijnen.
  § 4. De bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid brengt de personen bedoeld in § 1 die opmerkingen hebben ingediend zo spoedig mogelijk en uiterlijk een maand na ontvangst van het verzoek op de hoogte van haar beslissing om al dan niet op te treden, met vermelding van de redenen waarop haar beslissing is gebaseerd.
  § 5. De kennisgeving van de met redenen omklede beslissing van de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid vermeldt de rechtsmiddelen en beroepstermijnen waarvan ze het voorwerp kan uitmaken, evenals de modaliteiten voor het indienen van dit beroep.
  § 6. De Regering legt de vormregels en de modaliteiten vast voor de indiening en het onderzoek van de op basis van dit artikel ingediende verzoeken tot maatregelen.
  § 7. De personen bedoeld § 1 kunnen een beroepsprocedure instellen :
  1° bij het Milieucollege tegen de beslissingen, daden of verzuim van de instantie bevoegd inzake milieuaansprakelijkheid krachtens dit Wetboek; en
  2° bij de Regering tegen de beslissingen van het Milieucollege bedoeld in punt 1°.
  De Regering legt de beroepsprocedure bedoeld in de punten 1° en 2° vast.]1

  
Art.29. [1 § 1er. Toute personne physique ou morale ayant un intérêt à faire valoir à l'égard du processus décisionnel relatif au dommage environnemental, notamment celle touchée ou risquant d'être touchée par un tel dommage, est habilitée à soumettre à l'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale toute observation liée à toute survenance de dommages environnementaux ou à une menace imminente de dommage environnemental dont elle a eu connaissance, et a la faculté de demander que l'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale prenne des mesures en vertu du présent Code.
  Toute association qui oeuvre en faveur de la protection de l'environnement sur le territoire de la Région, est réputée avoir un intérêt à la condition que :
  1° l'association soit constituée en ASBL;
  2° l'ASBL préexiste à la date de survenance du dommage environnemental ou de la menace imminente de dommage;
  3° l'objet statutaire de l'ASBL soit la protection de l'environnement; et
  4° l'intérêt dont la lésion est invoquée dans ses observations et/ou sa demande d'action entre dans le cadre de l'objet statutaire de l'ASBL tel qu'il ressort à la date du dommage ou de la menace imminente de dommage.
  La présente disposition s'applique sans préjudice du droit d'action prévu par la loi du 12 janvier 1993 concernant un droit d'action en matière de protection de l'environnement.
  § 2. La demande est accompagnée des informations et données pertinentes venant étayer les observations présentées en relation avec le dommage environnemental en question.
  § 3. Lorsque la demande et les observations qui l'accompagnent indiquent d'une manière plausible l'existence d'un dommage environnemental, l'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale examine ces observations et cette demande.
  En pareil cas, l'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale donne à l'exploitant concerné la possibilité de faire connaître sa position concernant la demande et les observations qui l'accompagnent, selon les formes et délais fixés par le Gouvernement.
  § 4. L'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale informe les personnes visées au § 1er qui ont soumis des observations de sa décision d'agir ou non, en indiquant les raisons qui motivent celle-ci dès que possible et, au plus tard, dans le mois qui suit la réception de la demande.
  § 5. La notification de la décision motivée de l'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale indique les voies et délais de recours dont elle peut faire l'objet ainsi que les modalités d'introduction de ce recours.
  § 6. Le Gouvernement fixe les règles de forme et les modalités en rapport avec l'introduction et l'instruction des demandes d'action introduites sur la base du présent article.
  § 7. Les personnes visées au § 1er peuvent engager une procédure de recours :
  1° auprès du Collège d'environnement contre les décisions, actes ou omissions de l'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale en vertu du présent Code; et
  2° auprès du Gouvernement contre les décisions du Collège d'environnement visées au point 1°.
  Le Gouvernement fixe les procédures de recours visées aux points 1° et 2°.]1

  
Onderafdeling 5. - [1 Intergewestelijke en internationale samenwerking]1
Sous-section 5. - [1 Coopération interrégionale et internationale]1
Art.30. [1 § 1. Wanneer milieuschade gevolgen heeft of kan hebben voor meerdere Lidstaten of meerdere Gewesten, waaronder het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, werkt de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid samen met de andere Lidstaten van de Europese Unie of Gewesten, met name door een passende informatie-uitwisseling, om ervoor te zorgen dat een preventieve maatregel en, al naargelang het geval, een herstelmaatregel met betrekking tot de milieuschade wordt getroffen.
  § 2. Wanneer dergelijke milieuschade is ontstaan in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, verstrekt de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid voldoende informatie aan de Lidstaten of gewesten die mogelijk zijn getroffen.
  § 3. Wanneer de bevoegde instantie inzake milieuschade schade vaststelt die is veroorzaakt buiten het grondgebied waarvoor ze bevoegd is, meldt ze dit aan de Europese Commissie en alle andere betrokken gewesten of Lidstaten; ze kan aanbevelingen doen betreffende preventie- of herstelmaatregelen die moeten worden getroffen en kan overeenkomstig dit Wetboek de kosten die ze heeft gemaakt voor preventie- of herstelmaatregelen terugvorderen.
  § 4. Deze samenwerking doet geen afbreuk aan de bestaande samenwerkingsvormen. ]1

  
Art.30. [1 § 1er. Lorsqu'un dommage environnemental affecte ou est susceptible d'affecter plusieurs Etats membres ou plusieurs Régions, parmi lesquelles la Région de Bruxelles-Capitale, l'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale coopère avec les autres Etats de l'Union européenne ou Régions, notamment par un échange approprié d'informations, en vue d'assurer une mesure de prévention et, selon le cas, de réparation en ce qui concerne ce dommage environnemental.
  § 2. Lorsqu'un tel dommage environnemental a pris naissance en Région de Bruxelles-Capitale, l'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale fournit des informations suffisantes aux Etats membres ou régions potentiellement affectés.
  § 3. Lorsque l'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale identifie un dommage dont la cause est extérieure au territoire relevant de ses compétences, elle en informe la Commission européenne et toutes autres régions ou tout Etat membre concernés; elle peut faire des recommandations relatives à l'adoption de mesures de prévention ou de réparation et conformément au présent Code, recouvrer les frais qu'elle a engagés dans le cadre de l'adoption de mesures de prévention ou de réparation.
  § 4. Cette coopération ne porte pas préjudice aux formes de collaborations existantes. ]1

  
Titel III. [1 - Misdrijven en strafsancties]1
Titre III. [1 - Infractions et sanctions pénales]1
HOOFDSTUK 1. [1 - Misdrijven]1
CHAPITRE 1er. [1 - - Infractions]1
Art.31. [1 § 1. Wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met een geldboete van 50 tot 100.000 euro, of met slechts één van die straffen alleen :
   1° diegene die zich, minstens wegens nalatigheid, zich onttrekt aan of die op welkdanige manier de uitvoering verhindert van de inspectieopdracht waarmee de met het toezicht belaste personeelsleden gemachtigd zijn krachtens artikelen 5 tot en met 7 en artikelen 9 tot en met 19 van dit Wetboek;
   2° diegene die, minstens wegens nalatigheid :
   a) de informatieverplichtingen zoals voorzien in artikel 20, tweede lid, of artikel 25, § 1, niet nakomt;
   b) verzuimt de informatie die hem gevraagd wordt krachtens artikel 21, § 1, artikel 24, eerste lid, 1°, of artikel 25, § 3, 1°, mee te delen;
   c) zijn verplichtingen niet nakomt om preventieve of herstelmaatregelen te treffen zoals voorzien in respectievelijk artikel 20, eerste lid, en artikel 25, § 1;
   d) de verplichting tot het voorafgaandelijk voorleggen van de mogelijke herstelmaatregelen voorzien in artikel 25, § 1, 2°, niet eerbiedigt;
   e) de maatregelen die hem zijn opgelegd krachtens artikel 21, § 1, eerste lid, [2 artikel 21, § 4,]2 artikel 24, eerste lid, 2°, of artikel 25, § 3, 2° en 3°, niet of niet volgens de instructies uitvoert;
   f) geen adequate financiële waarborg stelt overeenkomstig artikel 28, § 1;
   3° diegene die, minstens wegens nalatigheid, een bepaling van een verordening van de Europese Unie zoals voorzien in artikel 2 overtreedt, voor zover het niet reeds door een andere ordonnantie strafbaar wordt gesteld, of, tenminste wegens nalatigheid, behoudens een andersluidende bepaling, feiten pleegt, die door of krachtens een wet of ordonnantie voorzien in artikel 2 en niet zoals voorzien in de paragrafen 3 en 4 van huidig artikel, strafbaar worden gesteld.
   § 2. De nalatigheid bepaald in paragraaf 1 staat vast door het plegen zelf van de strafbare feiten, ongeacht of het gaat om een handeling of een verzuim, behoudens tegenbewijs.
   § 3. Wordt gestraft met een gevangenisstraf van één maand tot twee jaar en met een geldboete van 10.000 tot 500.000 euro, of met slechts één van die straffen alleen, diegene die :
   a) één van de misdrijven pleegt zoals voorzien in artikel 3 van de ordonnantie van 9 december 2010 betreffende de toepasselijke sancties in het geval van niet-naleving van de Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH); of
   b) één van de misdrijven pleegt zoals voorzien in artikel 75 van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems.
   § 4. Voor de toepassing van dit artikel, geniet de mogelijkheid voorzien in artikel 37ter van het Strafwetboek om een werkstraf op te leggen in plaats van een gevangenisstraf of een geldboete, de voorkeur.
   De uitgesproken straf is doeltreffend, evenredig en afschrikkend.]1

  
Art.31. [1 § 1er. Est passible d'un emprisonnement de huit jours à deux ans et d'une amende de 50 à 100.000 euros, ou d'une de ces peines seulement :
   1° celui qui, au moins par négligence, se soustrait ou fait obstacle d'une quelconque manière à l'exécution de la mission d'inspection dont sont investis les agents chargés de la surveillance en vertu des articles 5 à 7 et 9 à 19 du présent Code;
   2° celui qui, au moins par négligence :
   a) ne s'acquitte pas des obligations d'information visées à l'article 20, alinéa 2, ou à l'article 25, § 1er;
   b) s'abstient de communiquer les informations qui lui ont été demandées en vertu de l'article 21, § 1er, de l'article 24, alinéa 1er, 1°, ou de l'article 25, § 3, 1° ;
   c) ne s'acquitte pas des obligations de prendre des mesures de prévention ou de réparation visées respectivement à l'article 20, alinéa 1er, et à l'article 25, § 1er;
   d) ne respecte pas l'obligation de soumettre préalablement les mesures de réparation possibles visées à l'article 25, § 1er, 2° ;
   e) n'exécute pas ou de façon non conforme aux instructions les mesures qui lui sont imposées en vertu de l'article 21, § 1er, alinéa 1er, [2 de l'article 21, § 4,]2 de l'article 24, alinéa 1er, 2°, ou de l'article 25, § 3, 2° et 3° ; ou
   f) ne constitue pas une garantie financière appropriée conformément à l'article 28, § 1er;
   3° celui qui, au moins par négligence, viole une disposition d'un règlement de l'Union européenne visée à l'article 2, pour autant qu'elle ne soit pas déjà incriminée par une autre ordonnance, ou commet au moins par négligence, sauf disposition contraire, des faits incriminés pénalement par ou en vertu d'une loi ou d'une ordonnance visée à l'article 2 et non visée aux paragraphes 3 et 4 du présent article.
   § 2. La négligence visée au § 1er est établie par la commission même des faits incriminés, qu'il s'agisse d'un acte ou d'une omission, sauf preuve contraire.
   § 3. Est passible d'un emprisonnement d'un mois à deux ans et d'une peine d'amende de 10.000 à 500.000 euros, ou d'une de ces peines seulement, celui qui :
   a) commet une des infractions prévues à l'article 3 de l'ordonnance du 9 décembre 2010 relative aux sanctions applicables en cas de violation du Règlement (CE) n° 1907/2006 du Parlement européen et du Conseil du 18 décembre 2006 concernant l'enregistrement, l'évaluation et l'autorisation des substances chimiques, ainsi que les restrictions applicables à ces substances (REACH); ou
   b) commet une des infractions prévues à l'article 75 de l'ordonnance du 5 mars 2009 relative à la gestion et à l'assainissement des sols pollués.
   § 4. Dans l'application du présent article, la possibilité prévue par l'article 37ter du Code pénal d'infliger une peine de travail de façon alternative à la peine de prison ou d'amende est privilégiée.
   La peine prononcée est effective, dissuasive et proportionnée.]1

  
HOOFDSTUK 2. [1 - Verzwarende omstandigheden]1
CHAPITRE 2. [1 - - Circonstances aggravantes]1
Art.32. [1 Wordt gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot drie jaar en met een geldboete van 250 tot 300.000 euro, of met slechts één van die straffen alleen, diegene die een misdrijf pleegt zoals voorzien in artikel 31, § 1, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, grond of water of aan dieren of planten of aanzienlijke schade aan een habitat binnen een Natura 2000-gebied wordt veroorzaakt.
   Huidig artikel doet geen afbreuk aan de verzwarende omstandigheden zoals voorzien in bijzondere wetgevingen.]1

  
Art.32. [1 Est passible d'un emprisonnement de trois mois à trois ans et d'une amende de 250 à 300.000 euros ou de l'une de ces peines seulement, celui qui commet une infraction visée à l'article 31, § 1er, causant la mort ou de graves lésions à des personnes, ou une dégradation substantielle de l'air, de la qualité du sol, ou de la qualité de l'eau, de la faune ou de la flore, ou une dégradation importante à un habitat au sein d'un site Natura 2000.
   Le présent article ne fait pas préjudice aux circonstances aggravantes prévues dans les législations particulières.]1

  
HOOFDSTUK 3. [1 (Hoofdstuk III vervangen door Hoofdstuk 3)]1 - Recidive.
CHAPITRE 3. [1 (Chapitre III remplacé par chapitre 3)]1 - [1 Récidive]1
Art.33. [2 (Art. 23 hernummerd tot art. 33)]2 [1 De persoon die binnen drie jaar [3 na een in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordeling of een definitieve administratieve sanctie]3 voor een misdrijf [2 bedoeld in artikel 31]2, opnieuw een misdrijf begaat [2 bedoeld in artikel 31]2 met een gevangenisstraf worden gestraft, [2 en met een geldboete die het dubbel bedraagt van de maximale boete of gevangenisstraf vastgesteld voor het laatst gepleegde misdrijf, of met slechts één van die straffen alleen]2. De straf mag echter niet minder bedragen dan [2 200]2 euro of vijftien dagen gevangenisstraf.]1
  
Art.33. [2 (Art. 23 renuméroté art. 33)]2 [1 Celui qui, dans un délai de trois ans [3 après une condamnation pénale coulée en force de chose jugée ou une sanction administrative définitive]3 pour une infraction [2 visée à l'article 31]2, commet une nouvelle infraction [2 visée à l'article 31]2, pourra être puni d'une peine d'emprisonnement [2 et d'une amende égale au double du maximum de ce qui est prévu pour la dernière infraction commise, ou de l'une de ces peines seulement,]2 sans être inférieure à [2 200]2 euros ou à quinze jours d'emprisonnement.]1
  
Titel IV. [1 (Hoofdstuk IV vervangen door Titel IV)]1 - Door de rechter opgelegde maatregelen.
Titre IV. [1 (Chapitre IV remplacé par Titre IV)]1 - [1 Mesures pouvant être prononcées par le juge]1
Art.34. [1 (Art. 24 hernummerd tot art. 34)]1 Onverminderd de straffen vermeld [1 in de artikelen 31 tot en met 33]1, kan de rechter een of meerdere maatregelen opleggen die in dit [1 titel]1 worden opgenomen.
  
Art.34. [1 (Art. 24 renuméroté art. 34)]1 Sans préjudice des peines prévues [1 aux articles 31 à 33]1 le juge peut prononcer une ou plusieurs mesures prévues dans le présent [1 titre]2.
  
Art.35. [1 (Art. 25 hernummerd tot art. 35)]1 Onverminderd de toepassing van de artikelen 42 tot en met 43bis van het Strafwetboek kan de rechter roerende goederen die schade kunnen berokkenen aan het leefmilieu of de volksgezondheid verbeurd verklaren in een vonnis waarin een misdrijf wordt vastgesteld.
  
Art.35. [1 (art. 25 renuméroté art. 35)]1 Sans préjudice de l'application des articles 42 à 43bis inclus du Code pénal, la confiscation de biens meubles représentant un danger pour l'environnement ou la santé humaine peut être prononcée par un jugement constatant l'existence d'une infraction.
  
Art.36. [1 (Art. 26 hernummerd tot art. 36)]1 De rechter kan de schuldige van een misdrijf waarbij het leefmilieu of de volksgezondheid in het gedrang komt, veroordelen om in het Fonds voor Milieubescherming zoals bedoeld bij artikel 2, 9° van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen, een som te storten die gelijk is aan de kosten die de gemeente, [2 Leefmilieu Brussel]2 [1 , het GAN]1 of het Gewest hebben gemaakt om schade of het gevaar voor schade door het misdrijf aan het leefmilieu of de volksgezondheid te voorkomen, te beperken, stop te zetten of te verhelpen.
  
Art.36. [1 (art. 26 renuméroté art. 36)]1 En cas de danger pour l'environnement ou la santé publique, le juge peut condamner celui qui a commis l'infraction à verser au Fonds pour la protection de l'environnement visé à l'article 2, 9° de l'ordonnance du 12 décembre 1991 créant des fonds budgétaires une somme d'argent équivalente aux frais exposés par la commune, [2 Bruxelles Environnement]2 [1 , l'ARP]1 ou la Région pour prévenir, réduire, mettre un terme ou remédier au risque de dommage ou au préjudice causé à l'environnement ou à la santé publique par l'infraction.
  
Art.37. [1 (Art. 27 hernummerd tot art. 37)]1 Op verzoek van [2 Leefmilieu Brussel]2, het GAN, de Regering of de Burgemeester, kan de rechter bevelen dat binnen de termijn die hij zelf vaststelt of wel de plaats weer in de oorspronkelijke staat wordt gebracht of in zo'n staat dat er geen gevaar of hinder meer is voor het leefmilieu en de volksgezondheid, ofwel dat er aanpassingswerken moeten worden uitgevoerd.
  Onverminderd de toepassing van hoofdstuk XXIII van boek IV van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek, kan de rechter bevelen dat wanneer de plaats niet in de oorspronkelijke staat wordt gebracht of de aanpassingswerken niet binnen de vastgestelde termijn uitgevoerd worden, [2 Leefmilieu Brussel]2, het GAN, de Regering of de burgemeester zelf ambtshalve de werken kunnen laten uitvoeren [1 en over het recht beschikken om de materialen en voorwerpen die afkomstig zijn uit de instaatstelling van de plaatsen te verkopen, te vervoeren, te bewaren of om ze te vernietigen op een plaats die hij kiest]1.
  De veroordeelde moet alle uitvoeringskosten terugbetalen op voorlegging van een kostenstaat die door de beslagrechter begroot en uitvoerbaar verklaard is [1 , mits vermindering van de verkoopprijs van de materialen en voorwerpen afkomstig uit de instaatstelling van de plaats]1.
  
Art.37. [1 (art. 27 renuméroté art. 37)]1 A la demande de [2 Bruxelles Environnement]2, de l'ARP, du Gouvernement ou du bourgmestre, le juge peut ordonner dans le délai qu'il détermine soit la remise des lieux dans leur pristin état ou dans un état tel qu'il ne présente plus aucun danger ni ne constitue une nuisance pour l'environnement ou la santé humaine, soit l'exécution de travaux d'aménagement.
  Sans préjudice de l'application du chapitre XXIII du livre IV de la quatrième partie du Code judiciaire, le juge peut ordonner que, lorsque les lieux ne sont pas remis en état ou les travaux ne sont pas exécutés dans le délai prescrit, [2 Bruxelles Environnement]2, l'ARP, le Gouvernement ou le bourgmestre pourra pourvoir d'office à son exécution [1 et aura le droit de vendre les matériaux et objets provenant de la remise en état des lieux, de les transporter, de les entreposer ou de procéder à leur destruction en un lieu qu'il choisit]1.
  Le condamné est contraint au remboursement de tous les frais d'exécution sur présentation on d'un état taxé et rendu exécutoire par le juge des saisies [1 , déduction faite du prix de la vente des matériaux et objets provenant de la remise en état des lieux " sont insérés après les mots " juges des saisies]1.
  
Art.38. [1 (Art. 28 hernummerd tot art. 38)]1 Bij veroordeling wegens [1 misdrijf bedoeld in artikel 31]1, kan de rechter een gedeeltelijke of volledige stopzetting van de activiteit of de tijdelijke of definitieve sluiting bevelen van de inrichting of de inrichtingen; de stopzetting of de sluiting kan tijdelijk, met een maximumduur van twee jaar, worden opgelegd ook al is de veroordeelde noch eigenaar noch exploitant.
  Daarenboven kan de rechter de veroordeelde voorlopig of definitief verbieden nog soortgelijke inlichtingen te exploiteren, hetzij persoonlijk, hetzij via tussenpersonen.
  
Art.38. [1 (art. 28 renuméroté art. 38)]1 En cas de condamnation pour une [1 infraction visée à l'article 31,]1 le juge peut ordonner la cessation partielle ou totale de l'activité ou la fermeture temporaire ou définitive d'une ou plusieurs installations; la cessation d'activité ou la fermeture peut être ordonnée à titre temporaire [1 pour]1 une durée maximum de deux ans même si le condamné n'est ni le propriétaire ni l'exploitant.
  Il peut en outre interdire, à titre temporaire où définitif, au condamné, d'exploiter soit par lui-même, soit par personne interposée, de telles installations.
  
Art.39. [1 (Art. 29 hernummerd tot art. 39)]1 Indien de veroordeelde binnen tien jaar na een uitvoerbaar verklaarde veroordeling voor een misdrijf gepleegd bij de uitoefening van zijn beroep opnieuw een soortgelijk misdrijf pleegt, dan kan de rechter hem verbieden een bepaalde beroepsactiviteit persoonlijk of via tussenpersonen uit te oefenen.
  Het voornoemde verbod kan worden opgelegd voor een periode van een tot vijf jaar.
  
Art.39. [1 (Art. 29 renuméroté art. 39)]1 Si dans les dix ans qui suivent une condamnation exécutoire pour une infraction commise dans l'exercice de sa profession, le condamné commet à nouveau une infraction dans le même contexte, le juge peut lui interdire d'exercer personnellement ou par interposition de personne une activité professionnelle déterminée.
  L'interdiction d'exercer l'activité professionnelle peut être imposée pour une période de un a cinq ans.
  
Art.40. [1 (Art. 30 hernummerd tot art. 40)]1 De rechter kan bevelen dat het veroordelende vonnis op kosten van de veroordeelde bekendgemaakt wordt, op de wijze die hij bepaalt.
  
Art.40. [1 (Art. 30 renuméroté art. 40)]1 Le juge peut ordonner que le jugement portant condamnation soit publié aux frais du condamné, suivant les modalités qu'il détermine.
  
Art.41. [1 (Art. 31 hernummerd tot art. 41)]1 [1 Onverminderd de toepassing van artikel 5 en de artikelen 66 tot en met 69 van het Strafwetboek, kan de rechter iedere persoon die ertoe gemachtigd is om de dader van het misdrijf bevelen of instructies te geven]1, tot de straffen veroordelen die [1 door de artikelen 31 tot en met 33 voor dit misdrijf zijn voorzien]1 indien :
  1° hij aan de dader een opdracht heeft toevertrouwd waarvoor die niet de nodige kennis bezat om ze met naleving van de bepalingen die van toepassing zijn, te kunnen uitvoeren;
  2° hij heeft nagelaten de dader de nodige middelen te geven om de [1 bepalingen van de verordeningen van de Europese Unie, de wetten, de ordonnanties en hun uitvoeringbesluiten bedoeld in artikel 2, en van de bepalingen van dit Wetboek]1 na te leven;
  3° hij ervan op de hoogte was dat er een misdrijf gepleegd is of gepleegd zou worden en niets heeft ondernomen om het te voorkomen of de gevolgen ervan te verhelpen, ook al was hij daartoe in staat.
  
Art.41. [1 (Art. 31 renuméroté art. 41)]1 [1 Sans préjudice de l'article 5 et des articles 66 à 69 du Code pénal,]1 le juge peut condamner [1 à la peine prévue aux articles 31 à 33 pour cette infraction]1, toute personne habilitée à donner des ordres ou des instructions a l'auteur de l'infraction :
  1° qui [1 a]1 confié à l'auteur de l'infraction une mission pour laquelle celui-ci n'aurait pas eu les connaissances nécessaires pour s'en acquitter dans le respect des dispositions applicables;
  2° qui n'[1 a]1 pas donné à celui-ci les moyens nécessaires pour respecter les [1 dispositions des règlements de l'Union européenne, des lois, des ordonnances et de leurs arrêtés d'exécution visés à l'article 2 ainsi que du présent Code]1;
  3° qui [2 a]2 été au courant du fait qu'une infraction avait été commise ou risquait de l'être et aurait omis de l'empêcher ou de remédier aux effets de ce délit, bien qu'il en ait eu la possibilité.
  
Titel V. [1 (Hoofdstuk V vervangen door Titel V)]1 - [1 Alternatieve administratieve geldboetes]1
Titre V. [1 (Chapitre V remplacé par Titre V)]1 - [1 Amendes administratives alternatives]1
Art.42. [1 (Art. 35 hernummerd tot art. 42)]1 De misdrijven [1 bedoeld in artikel 31]1 kunnen strafrechtelijk worden vervolgd of met [1 alternatieve]1 administratieve geldboetes worden bestraft.
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  
Art.42. [1 (Art. 35 renuméroté art. 42)]1 Les infractions [1 visées à l'article 31]1 font l'objet soit de poursuites pénales, soit d'une amende administrative [1 alternative]1.
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  
Art.43. [1 (Art. 36 hernummerd tot art. 43)]1 Een exemplaar van elk proces-verbaal van een [1 in artikel 31 bedoeld misdrijf]1 wordt binnen tien [1 werkdagen]1 na de vaststelling van het misdrijf bezorgd aan de leidend ambtenaar van [2 Leefmilieu Brussel]2, van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, naargelang van het geval, en aan de Procureur des Konings.
  
Art.43. [1 (Art. 36 renuméroté art. 43)]1 Tout procès-verbal constatant [1 une infraction visée à l'article 31]1 est transmis dans les dix jours [1 ouvrables]1 de la constatation de l'infraction en un exemplaire au fonctionnaire dirigeant de [2 Bruxelles Environnement]2, de l'ARP ou de l'administration compétente du Ministère selon le cas ainsi qu'au procureur du Roi.
  
Art.44. [1 (Art. 37 hernummerd tot art. 44)]1 Binnen zes maanden na de verzendingsdatum van het proces-verbaal brengt de Procureur des Konings de leidend ambtenaar van [2 Leefmilieu Brussel]2, van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, naargelang van het geval, op de hoogte van zijn beslissing om de vermoedelijke dader van een [1 in artikel 31]1 bedoeld misdrijf al dan niet te vervolgen.
  Als de Procureur des Konings beslist de dader te vervolgen, kan geen [1 alternatieve]1 administratieve geldboete worden opgelegd.
  Als de Procureur des Konings beslist de dader niet te vervolgen, of als een beslissing uitblijf binnen de krachtens het eerste lid gestelde termijn, kan een [1 alternatieve]1 administratieve geldboete worden opgelegd.
  
Art.44. [1 (Art. 37 renuméroté art. 44)]1 Le procureur du Roi notifie au fonctionnaire dirigeant de [2 Bruxelles Environnement]2, de l'ARP ou de l'administration compétente du Ministère selon le cas, dans les six mois de la date d'envoi du procès-verbal sa décision de poursuivre ou de ne pas poursuivre l'auteur présumé d'une infraction visée à [1 à l'article 31]1.
  La décision du procureur du Roi de poursuivre le contrevenant exclut l'application d'une amende administrative [1 alternative]1.
  La décision du procureur du Roi de ne pas poursuivre le contrevenant ou l'absence de décision dans le délai imparti en vertu de l'alinéa 1er permet l'application d'une amende administrative [1 alternative]1.
  
Art.45. [1 (Art. 38 hernummerd tot art. 45)]1 Nadat de persoon die met een [1 alternatieve]1 administratieve geldboete strafbaar is, zich heeft kunnen verdedigen, beslist de leidend ambtenaar van [2 Leefmilieu Brussel]2, van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, of voor het misdrijf een [1 alternatieve]1 administratieve geldboete dient te worden opgelegd.
  (In de beslissing wordt het bedrag van de [1 alternatieve]1 administratieve geldboete vastgelegd en wordt de dader aangemaand om de geldboete binnen dertig dagen na de betekening van de beslissing te storten op het rekeningnummer van het Fonds voor de Bescherming van het Leefmilieu zoals bedoeld in artikel 2, 9°, van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen, welk vermeld staat op het formulier dat bij de beslissing is gevoegd.) <ORD 2001-06-28/60, art. 12, 002; Inwerkingtreding : 23-11-2001>
  [1 De alternatieve administratieve geldboete bedraagt tussen 50 en 62.500 euro.]1
  [1 Dit bedrag kan verminderd worden tot onder het wettelijke minimumbedrag in geval van verzachtende omstandigheden.]1
  [1 Het bedrag van de alternatieve administratieve geldboete wordt gestort aan het Fonds voor de bescherming van het leefmilieu zoals bedoeld bij artikel 2, 9° van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen.]1
  De beslissing om een [1 alternatieve]1 administratieve geldboete op te leggen of, in voorkomend geval, de beslissing om geen [1 alternatieve]1 administratieve geldboete op te leggen, wordt binnen tien dagen bij een ter post aangetekende brief [3 of langs elektronische weg]3 betekend aan :
  1° de persoon die met een [1 alternatieve]1 administratieve geldboete strafbaar is;
  2° de procureur des Konings.
Art.45. [1 (Art. 38 renuméroté art. 45)]1 Le fonctionnaire dirigeant de [2 Bruxelles Environnement]2, l'ARP ou de l'administration compétente du Ministère décide, après avoir mis la personne passible de l'amende administrative [1 alternative]1 en mesure de présenter ses moyens de défense, s'il y a lieu d'infliger une amende administrative [1 alternative]1 du chef de l'infraction.
  (La décision d'infliger une amende administrative [1 alternative]1 fixe le montant de celle-ci et invite le contrevenant à acquitter l'amende dans un délai de trente jours à dater de la notification par versement au compte du Fonds pour la protection de l'environnement, visé à l'article 2, 9°, de l'ordonnance du 12 décembre 1991 créant des fonds budgétaires, mentionné dans le formulaire qui y est joint.) <ORD 2001-06-28/60, art. 12, 002; En vigueur : 23-11-2001>
  [1 Le montant de l'amende administrative alternative est de 50 à 62.500 euros.]1
  [1 Ce montant peut être réduit en dessous du minimum légal en cas de circonstances atténuantes.]1
  [1 Le montant de l'amende administrative alternative est versé au Fonds pour la protection de l'environnement visé à l'article 2, 9° de l'ordonnance du 12 décembre 1991 créant des fonds budgétaires.]1
  La décision d'infliger une amende administrative [1 alternative]1 ou, le cas échéant, la décision de ne pas infliger une amende administrative [1 alternative]1 est notifiée dans les dix jours par lettre recommandée à la poste [3 ou par voie électronique]3 :
  1° à la personne passible de l'amende administrative [1 alternative]1;
  2° au procureur du Roi.
  (NOTA : Artikel 45 hernummerd en gewijzigd wordt door het arrest nr. 25/2016 van het Grondwettelijk Hof van 18 februari 2016 vernietigd (B.St. 25-04-2016, p. 28158), alleen in zoverre het niet de mogelijkheid biedt de beslissing om een alternatieve administratieve geldboete op te leggen, met uitstel gepaard te doen gaan)
  
  (NOTE : L'article 45 renuméroté et modifié est annulé par l'arrêt de la Cour constitutionnelle n° 25/2016 du 18 février 2016 (M.B. 25-04-2016, p. 28158), en ce qu'il ne permet pas d'assortir d'un sursis la décision d'infliger une amende administrative alternative)
  
Art. 45/1. [1 Op vraag van de persoon die met een alternatieve administratieve geldboete strafbaar is, kan de leidend ambtenaar van Leefmilieu Brussel, van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie beslissen de tenuitvoerlegging van de beslissing tot oplegging van een alternatieve administratieve geldboete geheel of gedeeltelijk uit te stellen, indien deze persoon, binnen de periode van vijf jaar voorafgaand aan de vaststelling van het misdrijf, geen alternatieve administratieve geldboete of strafrechtelijke sanctie heeft gekregen wegens een misdrijf bedoeld in artikel 31.
   Het uitstel wordt van rechtswege herroepen indien de persoon ten laste van wie een alternatieve administratieve geldboete met uitstel werd opgelegd, binnen drie jaar vanaf de kennisgeving van de beslissing tot oplegging van een alternatieve administratieve geldboete, een nieuw misdrijf begaat zoals bedoeld in artikel 31, waarvoor een alternatieve administratieve geldboete of een strafrechtelijke sanctie wordt opgelegd.
   Wanneer het uitstel is herroepen omdat een nieuw misdrijf zoals bedoeld in artikel 31, dat aanleiding geeft tot het opleggen van een alternatieve administratieve geldboete, tijdens de proeftijd werd begaan, wordt de herroeping van het uitstel vastgesteld in dezelfde beslissing als die waarmee de alternatieve administratieve geldboete wordt opgelegd wegens het nieuw misdrijf. De alternatieve administratieve geldboete die uitvoerbaar wordt ten gevolge van de herroeping van het uitstel wordt onbeperkt samengevoegd met deze die wordt opgelegd wegens het nieuw misdrijf.
   Wanneer het uitstel is herroepen omdat een nieuw misdrijf zoals bedoeld in artikel 31, dat aanleiding geeft tot een strafrechtelijke sanctie, tijdens de proeftijd werd begaan, wordt de herroeping van het uitstel meegedeeld aan de persoon die met een alternatieve administratieve geldboete strafbaar is per aangetekende brief of langs elektronische weg. De persoon die met een alternatieve administratieve geldboete strafbaar is, wordt aangemaand om de geldboete overeenkomstig artikel 45, tweede lid, te storten.]1

  
Art.45/1. [1 A la demande de la personne passible de l'amende administrative alternative, le fonctionnaire dirigeant de Bruxelles Environnement, de l'ARP ou de l'administration compétente du Ministère peut décider de surseoir à l'exécution de tout ou partie de la décision d'infliger une amende administrative alternative, si, dans les cinq ans qui précèdent le constat de l'infraction, cette personne ne s'est vue infliger aucune amende administrative alternative ou sanction pénale du chef d'une infraction visée à l'article 31.
   Le sursis est révoqué de plein droit lorsque la personne qui s'est vue infliger une amende administrative alternative avec sursis commet, dans les trois ans à compter de la notification de la décision d'infliger une amende administrative alternative, une nouvelle infraction visée à l'article 31 entrainant l'infliction d'une amende administrative alternative ou d'une sanction pénale.
   Lorsque le sursis est révoqué du fait de la commission pendant le délai d'épreuve d'une nouvelle infraction visée à l'article 31 entrainant l'infliction d'une amende administrative alternative, la révocation du sursis est constatée dans la même décision que celle par laquelle est infligée l'amende administrative alternative du chef de la nouvelle infraction. L'amende administrative alternative qui devient exécutoire suite à la révocation du sursis est cumulée sans limite avec celle infligée du fait de la nouvelle infraction.
   Lorsque le sursis est révoqué du fait de la commission pendant le délai d'épreuve d'une nouvelle infraction visée à l'article 31 entrainant l'infliction d'une sanction pénale, la révocation du sursis est notifiée à la personne passible de l'amende administrative alternative par lettre recommandée à la poste ou par voie électronique. La personne passible de l'amende administrative alternative est invitée à acquitter l'amende administrative alternative conformément à l'article 45, alinéa 2.]1

  
Art.46. [1 De overheid die de alternatieve administratieve geldboete oplegt beslist, in voorkomend geval, om deze gepaard te laten gaan met een bevel tot stopzetting van het misdrijf binnen een bepaalde termijn op straffe van een dwangsom waarvan de totale som niet meer mag bedragen dan 62.500 euro, eveneens te betalen aan het Fonds voor de bescherming van het leefmilieu.
   De dwangsom wordt door de in het eerste lid bedoelde overheid bepaald en bevolen.]1
[2 De dwangsom kan worden vastgesteld hetzij op één bepaald bedrag, hetzij op een bedrag per tijdseenheid of per misdrijf. In de twee laatste gevallen kan eveneens een bedrag worden bepaald waarboven geen dwangsom meer verbeurd wordt.]2
  [2 De dwangsom kan worden opgeheven, de looptijd ervan kan worden geschorst gedurende een bepaalde termijn of het bedrag ervan kan worden verminderd op vraag van de persoon aan wie op straffe van een dwangsom het bevel tot stopzetting van het misdrijf binnen een bepaalde termijn werd opgelegd, indien deze persoon in de gehele of gedeeltelijke, definitieve of tijdelijke onmogelijkheid verkeert om aan het bevel te voldoen. De opheffing van het bevel tot stopzetting van het misdrijf brengt automatisch de opheffing van de dwangsom mee.
   De dwangsom is van rechtswege verschuldigd bij het verstrijken van de uitvoeringstermijn van het bevel tot stopzetting.
   De dwangsom verjaart bij het verstrijken van een termijn van één jaar vanaf de datum waarop zij is verbeurd.]2

  
Art.46. [1 L'autorité qui inflige l'amende administrative alternative décide, le cas échéant, de l'assortir d'un ordre de cesser l'infraction dans un délai déterminé sous peine d'astreinte dont le montant total ne pourra excéder 62.500 euros, également payée au Fonds pour la protection de l'environnement.
   L'astreinte est ordonnée et déterminée par l'autorité visée à l'alinéa 1er.]1
[2 L'astreinte peut être fixée soit à une somme unique, soit à une somme déterminée par unité de temps ou par infraction. Dans ces deux derniers cas, un montant au-delà duquel l'astreinte cessera ses effets peut également être déterminé.]2
  [2 L'astreinte peut être levée, son cours peut être suspendu durant un délai déterminé ou le montant de l'astreinte peut être réduit à la demande de la personne visée par l'ordre de cesser l'infraction dans un délai déterminé sous peine d'astreinte, si celle-ci est dans l'impossibilité définitive ou temporaire, totale ou partielle, de satisfaire à l'ordre. La levée de l'ordre de cesser l'infraction entraîne automatiquement la levée de l'astreinte.
   L'astreinte est exigible de plein droit à l'expiration du délai d'exécution de l'ordre de cessation.
   L'astreinte se prescrit par l'expiration d'un délai de un an à partir de la date où elle est encourue.]2

  
Art.47. [1 (Art. 34 hernummerd tot art. 47)]1 De verantwoordelijke voor het dagelijks beheer van een onderneming moet de [1 alternatieve]1 administratieve geldboetes [2 en de dwangsommen]2 betalen voor misdrijven door een aangestelde of een gevolmachtigde wanneer (hij) niet alle nodige voorzorgen genomen heeft om misdrijven te voorkomen of om elke vorm van gevaar, hinder of ongemak te verminderen of te verhelpen. <ORD 2001-06-28/60, art. 11, 002; Inwerkingtreding : 23-11-2001>
  
Art.47. [1 (Art. 34 renuméroté art. 47)]1 La personne qui assure la gestion journalière d'une entreprise est redevable des amendes administratives [1 alternatives]1 [2 et des astreintes]2 qui seraient imposées pour des infractions commises par un préposé ou un mandataire (lorsqu'elle) n'a pas pris toutes les précautions nécessaires pour éviter les infractions ou pour réduire les dangers, nuisances ou inconvénients ou pour y remédier. <ORD 2001-06-28/60, art. 11, 002; En vigueur : 23-11-2001>
  
Art.48. [1 (Art. 41 hernummerd tot art. 48)]1 Ingeval van samenloop van meerdere misdrijven zoals bedoeld [1 in artikel 31]1, worden de bedragen van de [1 alternatieve]1 administratieve geldboetes samengevoegd; het gehele bedrag mag evenwel niet meer dan (125 000 EUR) bedragen.
  
Art.48. [1 (art. 41 renuméroté art. 48)]1 En cas de concours de plusieurs infractions visées [1 à l'article 31]1, les montants des amendes administratives [1 alternatives]1 sont cumulés sans qu'ils puissent cependant excéder la somme de (125 000 EUR).
  
Art.49. [1 (Art. 39bis hernummerd tot art. 49)]1 <INGEVOEGD bij ORD 2001-06-28/60, art. 13; Inwerkingtreding : 23-11-2001> Iedereen die veroordeeld is tot de betaling van een [1 alternatieve]1 administratieve geldboete [3 , desgevallend in combinatie met een bevel tot stopzetting van het misdrijf binnen een bepaalde termijn op straffe van een dwangsom,]3 kan een beroep instellen bij het Milieucollege. Het beroep wordt, op straffe van verval, ingesteld bij wege van verzoekschrift binnen twee maanden na de kennisgeving van de beslissing.
  [3 Iedereen aan wie op straffe van een dwangsom een bevel tot stopzetting van het misdrijf binnen een bepaalde termijn wordt opgelegd, en aan wie de opheffing, de opschorting gedurende een bepaalde termijn of de vermindering van het bedrag in toepassing van artikel 46, lid 3 werd geweigerd, kan een beroep instellen bij het Milieucollege. Het beroep wordt, op straffe van verval, ingesteld bij wege van verzoekschrift binnen twee maanden na de kennisgeving van de beslissing.]3
  Het Milieucollege hoort de eiser of zijn raadsman op hun verzoek en [1 de leidend ambtenaar van [2 Leefmilieu Brussel]2 of van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie die de alternatieve administratieve geldboete [3 , desgevallend in combinatie met een bevel tot stopzetting van het misdrijf binnen een bepaalde termijn op straffe van een dwangsom,]3 heeft opgelegd. Deze laatste kan zich laten vertegenwoordigen door een personeelslid van, naargelang het geval, [2 Leefmilieu Brussel]2 of het GAN]1.
  [1 Het Milieucollege bevestigt of wijzigt de beslissing genomen in eerste aanleg. Het beschikt eveneens over de bevoegdheden voorzien in artikelen 45, vierde lid, [3 45/1]3 en 46.]1
  Het Milieucollege geeft binnen twee maanden na de datum van verzending van het verzoekschrift kennis van zijn beslissing. Deze termijn wordt met een maand verlengd wanneer de partijen vragen om te worden gehoord. [1 Hij wordt overigens verlengd met vijfenveertig dagen wanneer het beroep ingediend is in de periode van 15 juni tot 15 augustus.]1
  Bij gebreke van een beslissing binnen de in het vorige lid gestelde termijn wordt de beslissing waartegen een beroep is ingesteld, geacht bevestigd te zijn.
  
Art.49. [1 (Art. 39bis renuméroté art. 49)]1 Un recours est ouvert devant le Collège d'environnement à toute personne condamnée au paiement d'une amende administrative [1 alternative]1 [3 assortie, le cas échéant, d'un ordre de cesser l'infraction dans un délai déterminé sous peine d'astreinte]3. Le recours est introduit, à peine de forclusion, par voie de requête dans les deux mois de la notification de la décision.
  [3 Un recours est ouvert devant le Collège d'environnement à toute personne visée par un ordre de cesser l'infraction dans un délai déterminé sous peine d'astreinte et qui s'en est vue refuser la levée, la suspension de son cours durant un délai déterminé ou la réduction de son montant en application de l'article 46, alinéa 3. Le recours est introduit, à peine de forclusion, par voie de requête dans les deux mois de la notification de la décision.]3
  Le Collège d'environnement entend, à leur demande, le requérant ou son conseil, de même que [1 le fonctionnaire dirigeant de [2 Bruxelles Environnement]2, de l'ARP ou de l'administration compétente du Ministère qui a infligé l'amende administrative alternative [3 assortie, le cas échéant, d'un ordre de cesser l'infraction dans un délai déterminé sous peine d'astreinte]3. Ce dernier peut se faire représenter par un agent, selon le cas, de [2 Bruxelles Environnement]2 ou de l'ARP]1.
  [1 Le Collège d'environnement confirme ou réforme la décision prise en première instance. Il dispose également des pouvoirs prévus aux articles 45, alinéa 4, [3 45/1]3 et 46.]1
  Le Collège d'environnement notifie sa décision dans les deux mois de la date d'envoi de la requête. Ce délai est augmenté d'un mois lorsque les parties demandent à être entendues. [1 Il est par ailleurs augmenté de quarante-cinq jours lorsque le recours a été envoyé dans la période allant du 15 juin au 15 août.]1
  En l'absence de décision dans le délai prescrit à l'alinéa précédent, la décision ayant fait l'objet d'un recours est censée confirmée.
  
Art.50. [1 (Art. 39 hernummerd tot art. 50)]1 De strafvordering vervalt met de betaling van de [1 alternatieve]1 administratieve geldboete.
  
Art.50. [1 (Art. 39 renuméroté art. 50)]1 Le paiement de l'amende administrative [1 alternative]1 éteint l'action publique.
  
Art.51. [2 (Art. 40 hernummerd tot art. 51)]2 [1 Indien de [2 alternatieve administratieve]2 geldboete [2 of de dwangsom]2 niet tijdig wordt betaald, vaardigt de door de regering aangewezen ambtenaar een dwangbevel uit. Het uitgevaardigde dwangbevel wordt door voornoemde ambtenaar geviseerd en uitvoerbaar verklaard.]1
  [2 Het dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaarderexploot of bij aangetekende zending of elektronisch aangetekende zending.]2
  
Art.51. [2 (Art. 40 renuméroté art. 51)]2 [1 En cas de non paiement de l'amende [2 administrative alternative]2 [2 ou de l'astreinte]2 dans les délais, une contrainte est décernée par le fonctionnaire désigné par le gouvernement. La contrainte est visée et rendue exécutoire par le fonctionnaire susmentionné. ]1
  [2 La contrainte est signifiée par exploit d'huissier, par courrier recommandé ou par envoi recommandé électronique.]2
  
Art.52. [1 (Art. 42 hernummerd tot art. 52)]1 [2 Indien, binnen drie jaar na een in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordeling of een definitieve administratieve sanctie voor een misdrijf bedoeld in artikel 31, een nieuw misdrijf bedoeld in artikel 31 wordt vastgesteld]2, [1 kan het maximum bedrag voorzien in artikel 45, derde lid, worden verdubbeld]1.
  
Art.52. [1 (Art. 42 renuméroté art. 52)]1 [2 Si, dans un délai de trois ans après une condamnation pénale coulée en force de chose jugée ou une sanction administrative définitive pour une infraction visée à l'article 31, une nouvelle infraction visée à l'article 31 est constatée]2, [1 le montant maximal prévu à l'article 45, alinéa 3, peut être doublé]1.
  
Art.53. [1 De alternatieve administratieve geldboete kan niet meer worden opgelegd na een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf het plegen van het misdrijf.
   In geval van een voortdurend misdrijf, is de eerste datum van de termijn bedoeld in het eerste lid de dag waarop het misdrijf heeft opgehouden.
   Wanneer verscheidene misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uiting zijn van hetzelfde misdadig opzet, zal de eerste dag van deze termijn, ten opzichte van het geheel van de constitutieve feiten van het misdrijf, de dag van het plegen van het laatste misdrijf zijn op voorwaarde dat deze feiten niet worden gescheiden door een periode langer dan vijf jaar, rekening houdend met de oorzaken van stuiting.
   De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit iedere keer dat er een onderzoeksdaad of een daad van administratieve vervolging met betrekking tot het misdrijf wordt gesteld voor zover deze daad gesteld wordt vooraleer de initiële termijn van vijf jaar bedoeld in het eerste tot het derde lid verstreken is. De stuiting van de verjaringstermijn doet een nieuwe termijn van vijf jaar ingaan, te rekenen vanaf de daad die er aan de oorsprong van ligt. Zij geldt voor alle daders van en medeplichtigen aan het misdrijf, zelfs diegenen die niet door de daad van stuiting worden geviseerd.
   Zodra een beslissing door de in laatste aanleg bevoegde instantie is genomen om een alternatieve administratieve geldboete op te leggen binnen de termijn bedoeld in het eerste lid, kan hierop niet meer worden teruggekomen wegens het later verstrijken van deze termijn.]1

  
Art.53. [1 L'amende administrative alternative ne peut plus être imposée après un délai supérieur de cinq ans à compter de la commission de l'infraction.
   En cas d'infraction continue, le premier jour du délai visé à l'alinéa 1er est le jour où l'infraction a cessé.
   Lorsque différentes infractions constituent la manifestation successive et continue de la même intention délictueuse, le premier jour de ce délai, à l'égard de l'ensemble des faits constitutifs de l'infraction, est le jour de la commission de la dernière infraction, pour autant que ces faits ne soient pas séparés entre eux par un délai supérieur à cinq ans, en tenant compte des causes d'interruption.
   Le délai visé à l'alinéa 1er est interrompu à chaque fois qu'un acte d'instruction ou de répression administrative concernant l'infraction est exercé, pour autant que cet acte soit posé avant que ne soit écoulé le délai initial de cinq ans visé aux alinéas 1er à 3. L'interruption du délai de prescription fait courir un nouveau délai de cinq ans à compter de l'acte qui l'a générée. Elle vaut pour tous les auteurs et complices de l'infraction, même ceux que l'acte interruptif n'a pas visés.
   Une fois qu'une décision d'infliger une amende administrative alternative a été adoptée par l'autorité compétente en dernier ressort dans le délai visé à l'alinéa 1er, elle ne peut pas être remise en cause en raison de l'expiration ultérieure de ce délai.]1

  
Titel Vbis. [1 Bestuurlijke transactie]1
Titre Vbis. [1 Transaction administrative]1
Art. 53/1. [1 § 1. De Regering stelt de lijst vast van misdrijven die het voorwerp kunnen uitmaken van een bestuurlijke transactie. Misdrijven die het milieu ernstig kunnen schaden of die de gezondheid of de veiligheid van de bevolking kunnen schaden, kunnen er niet op voorkomen.
   § 2. Wanneer de personeelsleden belast met het toezicht een misdrijf zoals bedoeld in paragraaf 1 vaststellen, kunnen ze een transactie voorstellen aan de vermoedelijke dader van het misdrijf indien de feiten geen aanzienlijke schade aan de lucht, de bodemkwaliteit, de waterkwaliteit, de fauna of de flora hebben veroorzaakt.
   De Regering bepaalt het bedrag van de som die wordt voorgesteld als transactie. Deze som mag niet lager zijn dan 50 euro en niet hoger dan 2.500 euro per misdrijf.
   In geval van samenloop van meerdere misdrijven zoals bedoeld in paragraaf 1, kan een transactie worden voorgesteld en kunnen de bedragen van de sommen worden samengevoegd, zolang het totaal niet meer bedraagt dan 2.500 euro.
   § 3. Het transactievoorstel wordt bijgevoegd aan de kennisgeving van het proces-verbaal dat het misdrijf vaststelt, die gericht is aan de vermoedelijke dader van het misdrijf. Het transactievoorstel licht de vermoedelijke dader van het misdrijf in dat de weigering van het transactievoorstel of de niet-betaling van de voorgestelde som binnen de vastgelegde termijn, als gevolg heeft dat het proces-verbaal wordt overgemaakt aan de Procureur des Konings, die kan beslissen om de vermoedelijke dader van het misdrijf al dan niet te vervolgen, overeenkomstig artikel 44 van huidig Wetboek.
   De som voorgesteld in de transactie wordt onmiddellijk geïnd, of binnen een termijn van veertien dagen vanaf de kennisgeving bedoeld in het eerste lid.
   De Regering bepaalt de modaliteiten van de inning.
   § 4. De betaling van de voorgestelde som binnen de vastgelegde termijn doet de strafvordering vervallen, alsook de mogelijkheid om een alternatieve administratieve geldboete op te leggen.
   In afwijking van artikel 43 van huidig Wetboek, wordt, indien huidige bepaling wordt toegepast, het proces-verbaal slechts overgemaakt aan de leidend ambtenaar van Leefmilieu Brussel, van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, naargelang van het geval, en aan de Procureur des Konings wanneer de vermoedelijke dader van het misdrijf het transactievoorstel weigert of de voorgestelde som niet betaalt binnen de vastgelegde termijn. In deze gevallen wordt het proces-verbaal overgemaakt aan de leidend ambtenaar van Leefmilieu Brussel, van het GAN of van het bevoegde bestuur van het Ministerie, naargelang van het geval, en aan de Procureur des Konings binnen tien werkdagen vanaf het verstrijken van de betalingstermijn van de transactie.
   § 5. Het bedrag van de transactie wordt gestort aan het Fonds voor de Bescherming van het Leefmilieu zoals bedoeld in artikel 2, 9° van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen of aan de gemeente, naargelang het misdrijf werd vastgesteld door een met het toezicht belaste personeelslid, bedoeld in artikel 5, §§ 1, 2, 3, 5, of door een met het toezicht belast personeelslid van de gemeente, bedoeld in artikel 5, § 4, van huidig Wetboek.]1

  
Art.53/1. [1 § 1er. Le Gouvernement arrête la liste des infractions qui peuvent faire l'objet d'une transaction administrative. Les infractions susceptibles de nuire gravement à l'environnement, ou de nuire à la santé ou la sécurité de la population, ne peuvent pas y figurer.
   § 2. Lorsque les agents chargés de la surveillance constatent une infraction visée au paragraphe 1er, ils peuvent proposer une transaction à l'auteur présumé de l'infraction, si les faits n'ont pas causé une dégradation substantielle de l'air, de la qualité du sol, de la qualité de l'eau, de la faune ou de la flore.
   Le Gouvernement détermine le montant de la somme proposée à titre de transaction. Cette somme ne peut être inférieure à 50 euros, ni supérieure à 2.500 euros par infraction.
   En cas de concours de plusieurs infractions visées au paragraphe 1er, la transaction peut être proposée et les montants des sommes cumulés, pour autant que le total n'excède pas 2.500 euros.
   § 3. La proposition de transaction est jointe à la notification du procès-verbal constatant l'infraction qui est adressée à l'auteur présumé de l'infraction. La proposition de transaction informe l'auteur présumé de l'infraction que le refus de la proposition de transaction ou le non-paiement de la somme proposée dans le délai fixé a pour conséquence que le procès-verbal est transmis au procureur du Roi, qui pourra décider de poursuivre ou de ne pas poursuivre l'auteur présumé de l'infraction, conformément à l'article 44 du présent Code.
   La somme proposée au titre de transaction est perçue soit immédiatement, soit dans un délai de quatorze jours à compter de la notification visée à l'alinéa 1er.
   Le Gouvernement détermine les modalités de perception.
   § 4. Le paiement de la somme proposée dans le délai fixé éteint l'action publique, ainsi que la possibilité d'appliquer une amende administrative alternative.
   Par dérogation à l'article 43 du présent Code, en cas d'application de la présente disposition, le procès-verbal constatant l'infraction n'est transmis au fonctionnaire dirigeant de Bruxelles Environnement, de l'ARP ou de l'administration compétente du Ministère selon le cas, et au procureur du Roi que lorsque l'auteur présumé de l'infraction refuse la proposition de transaction ou ne paie pas la somme proposée dans le délai fixé. Dans ces cas, le procès-verbal est transmis au fonctionnaire dirigeant de Bruxelles Environnement, de l'ARP ou de l'administration compétente du Ministère selon le cas, et au procureur du Roi dans les dix jours ouvrables de l'expiration du délai de paiement de la transaction.
   § 5. Le montant de la transaction est versé au Fonds pour la protection de l'environnement visé à l'article 2, 9°, de l'ordonnance du 12 décembre 1991 créant des fonds budgétaires ou à la commune, selon que l'infraction a été constatée par un agent chargé de la surveillance visé à l'article 5, §§ 1er, 2, 3, 5, ou par un agent communal chargé de la surveillance visé à l'article 5, § 4, du présent Code.]1

  
Titel VI. [1 (Hoofdstuk VI vervangen door Titel VI)]1 - [1 Overgangsbepalingen]1
Titre VI. [1 (Chapitre VI remplacé par Titre VI)]1 - [1 Dispositions transitoires]1
Art.54. [1 § 1. Er kan aan niemand een administratieve sanctie of dwangsom voorzien in dit Wetboek worden opgelegd indien deze niet wettelijk voorzien was alvorens het misdrijf werd gepleegd.
   § 2. Indien de alternatieve administratieve geldboete van toepassing op het ogenblik waarop de administratieve overheid zich uitspreekt, verschilt van degene die toepasselijk was ten tijde van het misdrijf, zal de minst zware administratieve geldboete worden toegepast.
   § 3. In geval van voortdurend misdrijf, wordt het ogenblik van het misdrijf bepaald door het ogenblik waarop dit misdrijf heeft opgehouden te bestaan of, indien het nog steeds niet heeft opgehouden te bestaan op het ogenblik van de beslissing, het ogenblik waarop de administratieve overheid zich uitspreekt.
   § 4. Artikel 53 is van toepassing op feiten die zich hebben voorgedaan vóór zijn inwerkingtreding.]1

  
Art.54. [1 § 1er. Nul ne peut se voir infliger une sanction administrative ou une astreinte prévue dans le présent Code qui n'était pas prévue par la législation avant que l'infraction fût commise.
   § 2. Si l'amende administrative alternative établie au moment où l'autorité administrative statue diffère de celle qui était portée au temps de l'infraction, l'amende administrative la moins sévère est appliquée.
   § 3. En cas d'infraction continue, le temps de l'infraction est déterminé par le moment où cette infraction a cessé ou, si elle n'a toujours pas cessé au jour de la décision, le moment où l'autorité administrative statue.
   § 4. L'article 53 est applicable aux faits qui se sont produits avant son entrée en vigueur.]1

  
Titel VII. [1 - Slotbepalingen]1
Titre VII. [1 - Dispositions finales]1
Art.55. [1 (Art. 44 hernummerd tot art. 55)]1 Met toepassing van artikel 104 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen kan de Regering de bepalingen [1 van dit Wetboek]1 in het Brussels Milieuwetboek invoegen.
  
Art.55. [1 (Art. 44 renuméroté art. 55)]1 Le Gouvernement peut, en application de l'article 104 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement, intégrer les dispositions [1 du présent Code]1 au Code bruxellois de l'environnement.
  
Art. 55/1. [1 De Regering specificeert de modaliteiten van de verzending langs elektronische weg bedoeld in de artikelen 21, 24, 25 en 45 van dit Wetboek. De betekening langs elektronische weg moet dezelfde waarborgen bieden als de betekening per post die zij vervangt.]1
  
Art.55/1. [1 Le Gouvernement précise les modalités de l'envoi par voie électronique visé aux articles 21, 24, 25 et 45 du présent Code. L'envoi par voie électronique doit offrir les mêmes garanties que celles de l'envoi postal qu'il remplace.]1
  
Art.56. [1 § 1. Dit Wetboek is van toepassing onverminderd een strengere wetgeving betreffende de preventie en het herstel van milieuschade teweeggebracht door een van de beroepsactiviteiten die onder het toepassingsgebied van dit Wetboek vallen.
   § 2. Dit Wetboek regelt niet het recht op schadevergoeding ten gevolge van schade veroorzaakt aan personen en goederen of een onmiddellijke dreiging van dergelijke schade, en doet geen afbreuk aan de wetgevingen die daar betrekking op hebben.]1

  
Art.56. [1 § 1er. Le présent Code s'applique sans préjudice d'une législation plus stricte concernant la prévention et la réparation des dommages environnementaux causés par l'une des activités professionnelles relevant du champ d'application du présent Code.
   § 2. Le présent Code ne règle pas le droit à indemnisation à la suite d'un dommage causé aux personnes et aux biens ou d'une menace imminente d'un tel dommage, et ne porte pas préjudice aux législations y relatives.]1

  
Art.57. [1 § 1. De artikelen 20 en 21, § 1, zesde lid en de artikelen 24 tot en met 30 zijn uitsluitend van toepassing op :
   1° milieuschade die wordt veroorzaakt door een van de beroepsactiviteiten, opgesomd in bijlage 3, alsook op een onmiddellijke dreiging van dergelijke schade als gevolg van een van die activiteiten; of
   2° schade aan beschermde soorten en natuurlijke habitats die wordt veroorzaakt door een andere dan de in bijlage 3 opgesomde beroepsactiviteiten, en op een onmiddellijke dreiging van dergelijke schade ten gevolge van een van die activiteiten, wanneer de exploitant een fout of nalatigheid kan worden verweten.
   § 2. De artikelen bedoeld in § 1 zijn alleen van toepassing op milieuschade of op een onmiddellijke dreiging van dergelijke schade ten gevolge van diffuse verontreiniging ingeval een oorzakelijk verband kan worden gelegd tussen de schade en de activiteiten van individuele exploitanten.
   § 3. De artikelen bedoeld in § 1 zijn niet van toepassing op milieuschade of een onmiddellijke dreiging van dergelijke schade ten gevolge van :
   1° een gewapend conflict, vijandelijkheden, burgeroorlog of oproer;
   2° een natuurverschijnsel dat uitzonderlijk, onontkoombaar en onafwendbaar is. Worden met name als uitzonderlijk, onontkoombaar en onafwendbaar natuurverschijnsel beschouwd, de natuurverschijnselen bedoeld in artikel 2, § 1 van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen en geïdentificeerd overeenkomstig artikel 2, § 2 van die wet;
   3° een incident waarvoor de aansprakelijkheid of schadevergoeding binnen het toepassingsgebied valt van een van de hierna opgesomde internationale verdragen, met inbegrip van toekomstige wijzigingen van die verdragen, die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van kracht zijn :
   a) het internationaal Verdrag van 27 november 1992 inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie;
   b) het internationaal Verdrag van 27 november 1992 ter oprichting van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie.
   § 4. De artikelen bedoeld in § 1 zijn niet van toepassing op nucleaire milieurisico's en milieuschade of de onmiddellijke dreiging dat dergelijke schade ontstaat als gevolg van activiteiten waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van toepassing is, of als gevolg van een incident of activiteit waarvoor de aansprakelijkheid of schadevergoeding binnen het toepassingsgebied van een van de hierna opgesomde internationale verdragen valt, met inbegrip van iedere toekomstige wijziging van deze verdragen :
   1° het Verdrag van Parijs van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie alsook het Verdrag van Brussel van 31 januari 1963 tot aanvulling van het Verdrag van Parijs;
   2° het Verdrag van Wenen van 21 mei 1963 inzake wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade;
   3° het Verdrag van 12 september 1997 inzake aanvullende vergoeding voor kernschade;
   4° het gezamenlijk Protocol van 21 september 1988 betreffende de toepassing van het Verdrag van Wenen en het Verdrag van Parijs;
   5° het Verdrag van Brussel van 17 december 1971 inzake de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van het zeevervoer van nucleaire stoffen.
   § 5. De artikelen bedoeld in § 1 zijn niet van toepassing op activiteiten die hoofdzakelijk in het belang van de landsverdediging of de internationale veiligheid worden uitgeoefend, en evenmin op activiteiten die uitsluitend ten doel hebben bescherming tegen natuurrampen te bieden.
   § 6. De artikelen bedoeld in § 1 zijn niet van toepassing op :
   1° schade, veroorzaakt door een emissie die, een gebeurtenis die of een incident dat zich vóór 30 april 2007 heeft voorgedaan;
   2° schade, veroorzaakt door een emissie die, een gebeurtenis die of een incident dat zich na 30 april 2007 heeft voorgedaan wanneer ze het gevolg is van een specifieke activiteit die vóór voormelde datum werd beoefend en volbracht;
   3° schade wanneer sinds de emissie, de gebeurtenis of het incident waarvan ze het gevolg is, meer dan dertig jaar is verstreken.]1

  
Art.57. [1 § 1er. Les articles 20 et 21, § 1er, alinéa 6, et les articles 24 à 30, ne s'appliquent que :
   1° aux dommages environnementaux causés par l'une des activités professionnelles énumérées à l'annexe 3 et à la menace imminente de tels dommages découlant de l'une de ces activités; ou
   2° aux dommages causés aux espèces et habitats naturels protégés par une activité professionnelle autre que celles énumérées à l'annexe 3, et à la menace imminente de tels dommages découlant de l'une de ces activités, lorsque l'exploitant a commis une faute ou une négligence.
   § 2. Les articles visés au paragraphe 1er ne s'appliquent aux dommages environnementaux ou à la menace imminente de tels dommages causés par une pollution à caractère diffus que lorsqu'il est possible d'établir un lien de causalité entre les dommages et les activités des différents exploitants.
   § 3. Les articles visés au paragraphe 1er ne s'appliquent pas aux dommages environnementaux ou à une menace imminente de tels dommages causés par :
   1° un conflit armé, des hostilités, une guerre civile ou une insurrection;
   2° un phénomène naturel de nature exceptionnelle, inévitable et irrésistible. Sont notamment considérés comme phénomènes naturels de nature exceptionnelle, inévitable et irrésistible, les phénomènes naturels visés à l'article 2, § 1er, de la loi du 12 juillet 1976 relative à la réparation de certains dommages causés à des biens privés par des calamités naturelles et identifiés conformément à l'article 2, § 2, de cette loi;
   3° un incident à l'égard duquel la responsabilité ou l'indemnisation relèvent du champ d'application d'une des conventions internationales énumérées ci-après, y compris toute modification future de ces conventions en vigueur en Région de Bruxelles-Capitale :
   a) la Convention internationale du 27 novembre 1992 sur la responsabilité civile pour les dommages dus à la pollution par les hydrocarbures;
   b) la Convention internationale du 27 novembre 1992 portant création d'un Fonds international d'indemnisation pour les dommages dus à la pollution par les hydrocarbures.
   § 4. Les articles visés au paragraphe 1er ne s'appliquent pas aux risques ni aux dommages environnementaux nucléaires ni à la menace imminente de tels dommages qui peuvent résulter d'activités relevant du traité instituant la Communauté européenne de l'énergie atomique ou d'un incident ou d'une activité à l'égard desquels la responsabilité ou l'indemnisation relèvent du champ d'application d'un des instruments internationaux énumérés ci-après, y compris toute modification future de ces instruments :
   1° la Convention de Paris du 29 juillet 1960 sur la responsabilité civile dans le domaine de l'énergie nucléaire, et la convention complémentaire de Bruxelles du 31 janvier 1963;
   2° la Convention de Vienne du 21 mai 1963 relative à la responsabilité civile en matière de dommages nucléaires;
   3° la Convention du 12 septembre 1997 sur le financement complémentaire en relation avec les dommages nucléaires;
   4° le Protocole conjoint du 21 septembre 1988 concernant l'application de la Convention de Vienne et de la Convention de Paris;
   5° la Convention de Bruxelles du 17 décembre 1971 relative à la responsabilité civile dans le domaine du transport maritime des matières nucléaires.
   § 5. Les articles visés au paragraphe 1er ne s'appliquent pas aux activités menées principalement dans l'intérêt de la défense nationale ou de la sécurité internationale, ni aux activités dont l'unique objet est d'assurer la protection contre les catastrophes naturelles.
   § 6. Les articles visés au paragraphe 1er ne s'appliquent pas :
   1° aux dommages causés par une émission, un événement ou un incident survenus avant le 30 avril 2007;
   2° aux dommages causés par une émission, un événement ou un incident survenus après le 30 avril 2007 lorsqu'ils résultent d'une activité spécifique qui a été exercée et menée à son terme avant ladite date;
   3° aux dommages lorsque plus de trente ans se sont écoulés depuis l'émission, événement ou incident ayant donné lieu à ceux-ci.]1

  
Art.58. [1 De dag van de akte die het uitgangspunt is van de termijn wordt er niet in begrepen.
   De vervaldag wordt in de termijn gerekend.
   Als de termijn niet in werkdagen wordt gerekend en de vervaldag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, dan wordt de vervaldag echter verplaatst naar de eerstvolgende werkdag.]1

  
Art.58. [1 Le jour de l'acte qui est le point de départ d'un délai n'y est pas compris.
   Le jour de l'échéance est compté dans le délai.
   Lorsque le délai ne se compte pas en jours ouvrables et que le jour de l'échéance est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le jour de l'échéance est cependant reporté au plus prochain jour ouvrable.]1

  
Art.59. [1 (Art. 43 hernummerd tot art. 59)]1 De volgende bepalingen worden opgeheven in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest :
  1° Titel Xl van de wet van 19 december 1854 houdende het Boswetboek;
  2° de jachtwet van 28 februari 1882, behalve artikel 10;
  3° artikel 11 van de wet van 28 december 1931 op de bescherming van aan particulieren toebehorende bossen en wouden;
  4° de artikelen 6 tot 9 van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging;
  5° de artikelen 7 tot 10 van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de grondwateren;
  6° de artikelen 36 tot 40 van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen de verontreiniging;
  7° de artikelen 46 en 47 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, voor de toepassing van artikel 5, eerste lid;
  8° de artikelen 21, 27 en 28 van de ordonnantie van 7 maart 1991 betreffende de preventie en het beheer van afvalstoffen;
  9° artikel 5, eerste en tweede lid, van de ordonnantie van 29 augustus 1991 betreffende de bescherming van de wilde fauna en betreffende de jacht;
  10° de artikelen 39 en 40 van de ordonnantie van 27 april 1995 betreffende het behoud en de bescherming van de natuur;
  11° de artikelen van 88 tot 95 en van 97 tot 99 van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
  12° de artikelen van 15 tot 19 van de ordonnantie van 17 juli 1997 betreffende de strijd tegen geluidshinder in een stedelijke omgeving.
  
Art.59. [1 (Art. 43 renuméroté art. 59)]1 Les dispositions suivantes sont abrogées dans la Région de Bruxelles-Capitale :
  1° le Titre Xl de la loi du 19 décembre 1854 contenant le Code forestier;
  2° la loi du 28 février 1882 sur la chasse, sauf son article 10;
  3° l'article 11 de la loi du 28 décembre 1931 relative à la protection des bois et forêts appartenant à des particuliers;
  4° les articles 6 à 9 de la loi du 28 décembre 1964 relative à la lutte contre la pollution atmosphérique;
  5° les articles 7 à 10 de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux souterraines;
  6° les articles 36 à 40 de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution;
  7° les articles 46 et 47 de la loi du 12 juillet 1973 sur la conservation de la nature pour l'application de l'article 5, alinéa 1er;
  8° les articles 21, 27 et 28 de l'ordonnance du 7 mars 1991 relative à la prévention et à la gestion des déchets;
  9° l'article 5, premier et deuxième alinéas, de l'ordonnance du 29 août 1991 relative à la conservation de la faune sauvage et à la chasse;
  10° les articles 39 et 40 de l'ordonnance du 27 avril 1995 relative à la sauvegarde et à la protection de la nature;
  11° les articles 88 a 95 et 97 à 99 de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement;
  12° les articles 15 à 19 de l'ordonnance du 17 juillet 1997 relative a la lutte contre le bruit en milieu urbain.
  
BIJLAGEN
ANNEXES
Art. N1. [1 Bijlage 1. - Evaluatiecriteria bedoeld in artikel 4, 1°
   § 1. De omvang van een schade die negatieve effecten heeft op het bereiken of handhaven van de gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats of soorten dient geëvalueerd te worden ten opzichte van de staat van instandhouding op het ogenblik dat de schade werd veroorzaakt, ten opzichte van de functies als gevolg van hun belevingswaarde en ten opzichte van hun capaciteit van natuurlijke regeneratie. Aanmerkelijke schade aan de referentietoestand moet aan de hand van meetbare gegevens worden gedefinieerd zoals :
   1° het aantal exemplaren, de populatiedichtheid of de ingenomen oppervlakte;
   2° de rol van de exemplaren in kwestie of de zone die getroffen is ten opzichte van de instandhouding van de soort of habitat, de schaarsheid van de soort of habitat (gemeten op plaatselijk, gewestelijk en hoger niveau, ook op gemeenschapsniveau);
   3° het voortplantingsvermogen van de soort (volgens de dynamiek die eigen is aan deze soort of populatie), de levensvatbaarheid of het vermogen tot natuurlijke regeneratie van de habitat (volgens de dynamiek die eigen is aan de soorten of hun populaties);
   4° het vermogen van de soort of habitat om zich in een beperkte tijdspanne te herstellen na het optreden van de schade, zonder andere tussenkomst dan versterkte beschermingsmaatregelen, in een staat die, vanwege de loutere dynamiek van de soort of habitat, leidt naar een staat die gelijkwaardig of beter is dan de referentietoestand. Wordt noodzakelijkerwijs als aanmerkelijke schade bestempeld, de schade die een bewezen effect op de volksgezondheid heeft.
   Kunnen niet als aanmerkelijke schade worden bestempeld :
   1° de negatieve schommelingen die kleiner zijn dan de normale gemiddelde schommelingen voor een bepaalde soort of habitat;
   2° de negatieve schommelingen die te wijten zijn aan natuurlijke oorzaken of die het resultaat zijn van tussenkomsten in verband met het normale beheer van de sites zoals gedefinieerd in de beheersplannen of eerder uitgeoefend door de eigenaars of exploitants;
   3° de schade aan soorten of habitats waarvan bekend is dat zij zich binnen een korte periode en zonder ingrijpen zullen herstellen ofwel tot de referentietoestand ofwel tot een toestand die uitsluitend op basis van de dynamiek van de soort of habitat leidt tot een toestand die gelijkwaardig of beter wordt geacht dan de referentietoestand.
   § 2. De omvang van de effecten van schade toegebracht aan wateren wordt geëvalueerd aan de hand van parameters, van waarden van beoordelingsfactoren voor de kwaliteit van de ecologische en chemische staat of voor de kwantiteit of het ecologisch potentieel en aan de hand van milieukwaliteitsnormen van het water in kwestie, welke gedefinieerd worden door of krachtens artikel 5 van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid en de bijlagen III en V van deze ordonnantie en, voor wat het grondwater betreft, door of krachtens artikel 3 van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems.
   § 3. De omvang van een schade toegebracht aan bodems wordt geëvalueerd overeenkomstig de regels voorgeschreven door de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems en haar uitvoeringsbesluiten.]1

  
Art. N1. [1 Annexe 1re. - Critères d'évaluation visés à l'article 4, 1°
   § 1er. L'étendue d'un dommage qui a des incidences négatives sur la constitution ou le maintien d'un état de conservation favorable des habitats ou des espèces doit être évaluée par rapport à l'état de conservation à l'époque où le dommage a été occasionné, aux services rendus par les agréments qu'ils procurent et à leur capacité de régénération naturelle. Il convient de définir les atteintes significatives à l'état initial au moyen de données mesurables telles que :
   1° le nombre d'individus, leur densité ou la surface couverte;
   2° le rôle des individus concernés ou de la zone atteinte par rapport à la conservation de l'espèce ou de l'habitat, la rareté de l'espèce ou de l'habitat (appréciés à un niveau local, régional et supérieur, y compris au niveau communautaire);
   3° la capacité de multiplication de l'espèce (selon la dynamique propre à cette espèce ou à cette population), sa viabilité ou la capacité de régénération naturelle de l'habitat (selon les dynamiques propres aux espèces qui le caractérisent ou à leurs populations);
   4° la capacité de l'espèce ou de l'habitat de se rétablir en un temps limité après la survenance d'un dommage, sans intervention autre que des mesures de protection renforcées, en un état conduisant du fait de la seule dynamique de l'espèce ou de l'habitat à un état jugé équivalent ou supérieur à l'état initial. Sont nécessairement qualifiés de dommages significatifs, les dommages ayant une incidence démontrée sur la santé humaine.
   Ne peuvent pas être qualifiés de dommages significatifs :
   1° les variations négatives inférieures aux fluctuations naturelles considérées comme normales pour l'espèce ou l'habitat concernés;
   2° les variations négatives dues à des causes naturelles ou résultant des interventions liées à la gestion normale des sites telle que définie dans les plans de gestion ou pratiquée antérieurement par les propriétaires ou exploitants;
   3° les dommages causés aux espèces ou aux habitats, pour lesquels il est établi que les espèces ou les habitats se rétabliront en un temps limité et sans intervention soit à l'état initial, soit en un état conduisant du fait de la seule dynamique de l'espèce ou de l'habitat à un état jugé équivalent ou supérieur à l'état initial.
   § 2. L'importance des effets des dommages causés aux eaux s'évalue par référence aux paramètres, aux valeurs des éléments de qualité de l'état écologique, chimique ou quantitatif ou du potentiel écologique et aux normes de qualité environnementale des eaux concernées, lesquels sont définis par ou en vertu de l'article 5 de l'ordonnance du 20 octobre 2006 établissant un cadre pour la politique de l'eau et des annexes III et V de cette ordonnance et, pour les eaux souterraines, par ou en vertu de l'article 3 de l'ordonnance du 5 mars 2009 relative à la gestion et à l'assainissement des sols pollués.
   § 3. L'étendue d'un dommage affectant les sols est évaluée conformément aux règles prescrites par l'ordonnance du 5 mars 2009 relative à la gestion et à l'assainissement des sols pollués et ses arrêtés d'exécution.]1

  
Art. N2. [1 Bijlage 2. - Herstel van milieuschade
   § 1/1. Het herstel van milieuschade in verband met beschermde soorten of natuurlijke habitats gebeurt via het terugbrengen in de referentietoestand van het leefmilieu door een primair, aanvullend en compenserend herstel, waarbij :
   1° " primair " herstel verwijst naar elke herstelmaatregel waarmee de beschadigde natuurlijke hulpbronnen of vernielde ecoysteemfuncties in de referentietoestand of benaderende staat worden teruggebracht;
   2° " aanvullend " herstel verwijst naar elke herstelmaatregel die aan de natuurlijke rijkdommen of ecosystemen wordt aangebracht om het feit te compenseren dat het primair herstel er niet in geslaagd is de natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties volledig te herstellen;
   3° " compenserend " herstel verwijst naar elke ondernomen handeling om de tussentijdse verliezen van natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties te compenseren, die optreden tussen de datum van het ontstaan van de schade en het ogenblik waarop het primair herstel zijn volledige uitwerking heeft bereikt;
   4° " tussentijdse verliezen " verwijst naar verliezen voortkomend uit het feit dat de beschadigde natuurlijke rijkdommen of functies hun ecologische functies niet kunnen vervullen of geen ecosysteemfuncties kunnen vervullen voor andere natuurlijke rijkdommen of voor het publiek tot op het ogenblik waarop de primaire of aanvullende maatregelen hun uitwerking hebben bereikt. Deze kunnen geen aanleiding geven tot een financiële compensatie voor het publiek.
   Wanneer een primair herstel het milieu niet in zijn referentietoestand herstelt, wordt er een aanvullend herstel uitgevoerd. Om de geleden tussentijdse verliezen te compenseren, wordt er bovendien een compenserend herstel uitgevoerd.
   Het herstel van milieuschade, wanneer het om schade toegebracht aan wateren of beschermde soorten en natuurlijke habitats gaat, houdt ook de verwijdering in van elk risico van ernstig negatief effect op de volksgezondheid.
   § 1/2. De doelstellingen van het herstel zijn de volgende :
   1° het doel van het primair herstel is om de beschadigde natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties weer in de referentietoestand te brengen of in een benaderende staat te brengen;
   2° wanneer de terugkeer naar de referentietoestand van de beschadigde natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties niet lukt, wordt het aanvullend herstel ondernomen. Het doel van het aanvullend herstel is om een niveau van natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties te bereiken dat vergelijkbaar is met het niveau dat bereikt zou zijn indien de referentietoestand van de beschadigde site hersteld zou zijn geweest, eventueel ook op een andere site. Waar dit mogelijk en aangewezen is, zou die andere site geografisch verbonden moeten zijn met de beschadigde site, gelet op de belangen van de getroffen populatie;
   3° het compenserend herstel wordt ondernomen om de voorlopige verliezen aan natuurlijke rijkdommen en ecosysteemfuncties te compenseren in afwachting van de regeneratie. Deze compensatie bestaat in het aanbrengen van bijkomende verbeteringen aan de natuurlijke habitats en beschermde soorten of wateren ofwel op de beschadigde site, ofwel op een andere site. Dit herstel kan niet de vorm aannemen van een aan het publiek toegekende financiële compensatie.
   § 1/3. De herstelmaatregelen kunnen op de volgende wijze vastgesteld worden :
   1° er kunnen opties worden overwogen waaronder acties om de natuurlijke rijkdommen en ecosysteemfuncties op directe en versnelde wijze, of door een natuurlijke regeneratie, dichter bij hun referentietoestand te brengen;
   2° bij de bepaling van de omvang van de maatregelen voor aanvullend of compenserend herstel, dienen de benaderingen die in de zin gaan van een gelijkwaardigheid rijkdom-rijkdom of functie-functie prioritair te worden gebruikt. In deze benaderingen dienen de acties die leiden tot natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties van dezelfde soort, kwaliteit en kwantiteit als die welke zijn aangetast bij voorrang te worden aangewend. Wanneer dit onmogelijk is, worden er andere natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties voorzien. Een verminderde kwaliteit zou bijvoorbeeld door meer herstelmaatregelen gecompenseerd kunnen worden;
   3° wanneer het onmogelijk is benaderingen " van eerste keus " te gebruiken die in de zin gaan van een gelijkwaardigheid rijkdom-rijkdom of functie-functie, dan worden er andere evaluatietechnieken aangewend. De bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid kan de methode voorschrijven, bijvoorbeeld die van de geldelijke waardebepaling, om de omvang van de noodzakelijke aanvullende en compenserende herstelmaatregelen te bepalen. Wanneer het mogelijk is om de verliezen aan rijkdommen of functies te schatten, maar onmogelijk om binnen een redelijke termijn of voor een redelijke kostprijs de vervangende natuurlijke rijkdommen of functies te ramen, dan kan de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid kiezen voor herstelmaatregelen waarvan de kostprijs overeenstemt met de geschatte geldelijke waarde van de verloren natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties. De aanvullende en compenserende herstelmaatregelen zouden zodanig opgevat moeten zijn dat de bijkomende natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties beantwoorden aan de tijdvoorkeuren en het tijdschema van de herstelmaatregelen. Bijvoorbeeld : hoe langer de terugkeer naar de referentietoestand duurt, des te omvangrijker de compenserende herstelmaatregelen zullen zijn (omnia manentia aequa).
   § 1/4. Redelijke herstelopties zouden op basis van onderstaande criteria beoordeeld moeten worden met behulp van de best beschikbare technologieën, als die gedefinieerd zijn :
   - de uitwerking van elke optie op de volksgezondheid en -veiligheid;
   - de kosten van de tenuitvoerlegging van de optie;
   - de slaagkansen van elke optie;
   - de mate waarin elke optie een latere schade zal kunnen beletten en de mate waarin de tenuitvoerlegging van deze optie zijdelingse schade zal kunnen vermijden;
   - de mate waarin elke optie een gunstige uitwerking heeft voor elke component van de natuurlijke rijkdom of ecosysteemfunctie;
   - de mate waarin bij elke optie rekening wordt gehouden met de relevante sociale, economische en culturele aspecten alsook met andere relevante plaatsgebonden factoren;
   - de nodige termijn voor het werkelijk herstel van de milieuschade;
   - de mate waarin elke optie het herstel van de site van de milieuschade mogelijk maakt;
   - de geografische band met de beschadigde site.
   Bij de evaluatie van de verschillende vastgestelde herstelopties, kan voor primaire herstelmaatregelen gekozen worden die de aangetaste wateren, beschermde soorten of natuurlijke habitats niet volledig herstellen of die deze minder snel herstellen. Deze beslissing kan alleen worden genomen indien de verloren natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties op de primaire site ingevolge de beslissing gecompenseerd worden door een versterking van de aanvullende of compenserende handelingen die voor een niveau van natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties zorgen dat gelijkwaardig is aan het niveau van de verloren rijkdommen en ecosysteemfuncties. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer elders voor een mindere kostprijs gelijkwaardige natuurlijke rijkdommen of ecosysteemfuncties geleverd kunnen worden. Deze aanvullende herstelmaatregelen dienen gedefinieerd te worden overeenkomstig de in § 1/3, 2° voorziene regels.
   Niettegenstaande de in het tweede lid gedefinieerde regels en overeenkomstig artikel 25, § 2, tweede lid, is de bevoegde instantie inzake milieuaansprakelijkheid gerechtigd om te beslissen dat er geen enkele aanvullende herstelmaatregel genomen dient te worden indien :
   1° de reeds genomen herstelmaatregelen ervoor zorgen dat er geen enkel ernstig risico van negatief effect op de volksgezondheid, de wateren of de beschermde soorten en natuurlijke habitats meer bestaat; en indien
   2° de kostprijs van de te nemen herstelmaatregelen voor het terugbrengen in de referentietoestand of een gelijkwaardig niveau buitensporig zou zijn ten opzichte van de verwachte milieuvoordelen.
   § 2. Onder voorbehoud van de bepalingen van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems, waarin het herstel van schade aan grondwater vanwege de rechtstreekse of onrechtstreekse invoering aan de oppervlakte of in de bodem van stoffen, bereidingen, organismen of micro-organismen wordt geregeld, gebeurt het herstel van milieuschade in verband met water overeenkomstig het herstel van milieuschade verbonden aan beschermde soorten of natuurlijke habitats, zoals uiteengezet in de paragrafen 1/1 tot 1/4.
   § 3. De doelstellingen van het herstel, de vaststelling van de herstelmaatregelen en de keuze van de herstelopties inzake bodemschade worden geregeld overeenkomstig de bepalingen van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems. Ook dient er een optie van natuurlijke regeneratie te worden overwogen.]1

  
Art. N2. [1 Annexe 2. - Réparation des dommages environnementaux
   § 1/1. La réparation de dommages environnementaux liés aux espèces ou habitats naturels protégés s'effectue par la remise en l'état initial de l'environnement par une réparation primaire, complémentaire et compensatoire, où :
   1° la réparation " primaire " désigne toute mesure de réparation par laquelle les ressources naturelles endommagées ou les services détériorés retournent à leur état initial ou s'en rapprochent;
   2° la réparation " complémentaire " désigne toute mesure de réparation entreprise à l'égard des ressources naturelles ou des services afin de compenser le fait que la réparation primaire n'aboutit pas à la restauration complète des ressources naturelles ou des services;
   3° la réparation " compensatoire " désigne toute action entreprise afin de compenser les pertes intermédiaires de ressources naturelles ou de services qui surviennent entre la date de survenance d'un dommage et le moment où la réparation primaire a pleinement produit son effet;
   4° les " pertes intermédiaires " désignent des pertes résultant du fait que les ressources naturelles ou les services endommagés ne sont pas en mesure de remplir leurs fonctions écologiques ou de fournir des services à d'autres ressources naturelles ou au public jusqu'à ce que les mesures primaires ou complémentaires aient produit leur effet. Elles ne peuvent donner lieu à une compensation financière accordée au public.
   Lorsqu'une réparation primaire n'aboutit pas à la remise en l'état initial de l'environnement, une réparation complémentaire est effectuée. En outre, afin de compenser les pertes intermédiaires subies, une réparation compensatoire est entreprise.
   La réparation de dommages environnementaux, quand il s'agit de dommages affectant les eaux ou les espèces et habitats naturels protégés, implique également l'élimination de tout risque d'incidence négative grave sur la santé humaine.
   § 1/2. Les objectifs en matière de réparation sont les suivants :
   1° l'objectif de la réparation primaire est de remettre en l'état initial, ou dans un état s'en approchant, les ressources naturelles ou les services endommagés;
   2° lorsque le retour à l'état initial des ressources naturelles ou des services endommagés n'a pas lieu, la réparation complémentaire est entreprise. L'objectif de la réparation complémentaire est de fournir un niveau de ressources naturelles ou de services comparable à celui qui aurait été fourni si l'état initial du site endommagé avait été rétabli, y compris, selon le cas, sur un autre site. Lorsque cela est possible et opportun, l'autre site devrait être géographiquement lié au site endommagé, eu égard aux intérêts de la population touchée;
   3° la réparation compensatoire est entreprise pour compenser les pertes provisoires de ressources naturelles et de services en attendant la régénération. Cette compensation consiste à apporter des améliorations supplémentaires aux habitats naturels et aux espèces protégées ou aux eaux soit sur le site endommagé, soit sur un autre site. Elle ne peut consister en une compensation financière accordée au public.
   § 1/3. Les mesures de réparation sont identifiées de la façon suivante :
   1° pour identifier des mesures de réparation primaire, des options comprenant des actions pour rapprocher directement les ressources naturelles et les services de leur état initial d'une manière accélérée, ou par une régénération naturelle, sont à envisager;
   2° lors de la détermination de l'importance des mesures de réparation complémentaire et compensatoire, les approches allant dans le sens d'une équivalence ressource-ressource ou service-service sont à utiliser en priorité. Dans ces approches, les actions fournissant des ressources naturelles ou des services de type, qualité et quantité équivalents à ceux endommagés sont à utiliser en priorité. Lorsque cela est impossible, d'autres ressources naturelles ou services sont fournis. Par exemple, une réduction de la qualité pourrait être compensée par une augmentation de la quantité des mesures de réparation;
   3° lorsqu'il est impossible d'utiliser les approches " de premier choix " allant dans le sens d'une équivalence ressource-ressource ou service-service, d'autres techniques d'évaluation sont utilisées. L'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale peut prescrire la méthode, par exemple l'évaluation monétaire, afin de déterminer l'importance des mesures de réparation complémentaire et compensatoire nécessaires. S'il est possible d'évaluer les pertes en ressources ou en services, mais qu'il est impossible d'évaluer en temps utile ou à un coût raisonnable les ressources naturelles ou services de remplacement, l'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale peut opter pour des mesures de réparation dont le coût est équivalent à la valeur monétaire estimée des ressources naturelles ou services perdus. Les mesures de réparation complémentaire et compensatoire devraient être conçues de manière à prévoir le recours à des ressources naturelles ou à des services supplémentaires de manière à tenir compte des préférences en matière de temps et du calendrier des mesures de réparation. Par exemple, plus le délai de retour à l'état initial est long, plus les mesures de réparation compensatoires entreprises seront importantes (toutes autres choses restant égales par ailleurs).
   § 1/4. Les options de réparation raisonnables devraient être évaluées à l'aide des meilleures technologies disponibles, lorsqu'elles sont définies, sur la base des critères suivants :
   - les effets de chaque option sur la santé et la sécurité publiques;
   - le coût de la mise en oeuvre de l'option;
   - les perspectives de réussite de chaque option;
   - la mesure dans laquelle chaque option empêchera tout dommage ultérieur et la mesure dans laquelle la mise en oeuvre de cette option évitera des dommages collatéraux;
   - la mesure dans laquelle chaque option a des effets favorables pour chaque composant de la ressource naturelle ou du service;
   - la mesure dans laquelle chaque option tient compte des aspects sociaux, économiques et culturels pertinents et des autres facteurs pertinents spécifiques au lieu;
   - le délai nécessaire à la réparation effective du dommage environnemental;
   - la mesure dans laquelle chaque option permet la remise en état du site du dommage environnemental;
   - le lien géographique avec le site endommagé.
   Lors de l'évaluation des différentes options de réparation identifiées, des mesures de réparation primaire qui ne rétablissent pas entièrement l'état initial des eaux ou des espèces ou habitats naturels protégés endommagés, ou qui le rétablissent plus lentement, peuvent être choisies. Cette décision ne peut être prise que si les ressources naturelles ou les services perdus sur le site primaire à la suite de la décision sont compensés par un renforcement des actions complémentaires ou compensatoires aptes à fournir un niveau de ressources naturelles ou de services semblables au niveau de ceux qui ont été perdus. Ce sera le cas, par exemple lorsque des ressources naturelles ou des services équivalents pourraient être fournis ailleurs à un coût moindre. Ces mesures de réparation supplémentaires doivent être définies conformément aux règles prévues au § 1/3, 2°.
   Malgré les règles définies à l'alinéa 2, et conformément à l'article 25, § 2, alinéa 2, l'autorité compétente en matière de responsabilité environnementale est habilitée à décider qu'aucune mesure de réparation supplémentaire ne doit être prise si :
   1° les mesures de réparation déjà prises garantissent qu'il ne subsiste aucun risque grave d'incidence négative sur la santé humaine, les eaux ou les espèces et habitats naturels protégés; et si
   2° le coût des mesures de réparation à prendre pour rétablir l'état initial ou un niveau équivalent serait disproportionné par rapport aux bénéfices environnementaux escomptés.
   § 2. Sous réserve des dispositions de l'ordonnance du 5 mars 2009 relative à la gestion et à l'assainissement des sols pollués réglant la réparation de dommages affectant les eaux souterraines du fait de l'introduction directe ou indirecte en surface ou dans le sol de substances, préparations, organismes ou micro-organismes, la réparation de dommages environnementaux liés aux eaux s'effectue conformément à la réparation de dommages environnementaux liés aux espèces ou habitats naturels protégés, telle qu'exposée aux §§ 1/1 à 1/4.
   § 3. Les objectifs de réparation, l'identification des mesures de réparation et le choix des options de réparation des dommages affectant les sols sont réglés conformément aux dispositions de l'ordonnance du 5 mars 2009 relative à la gestion et à l'assainissement des sols pollués. Une option de régénération naturelle est également à envisager.]1

  
Art. N3. [1 Bijlage 3. - Activiteiten bedoeld in artikel 57, § 1
   De activiteiten bedoeld in artikel 57, § 1 zijn de volgende :
   1° de uitbating van :
   a) inrichtingen die aan een vergunning onderworpen zijn en die opgesomd worden in bijlage I van Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, met uitzondering van de inrichtingen of delen van inrichtingen die bestemd zijn voor het onderzoek, de ontwikkeling en het testen van nieuwe producten en processen; of
   b) risicoactiviteiten bedoeld in artikel 3, 3° van de ordonnantie van 5 maart 2009 betreffende het beheer en de sanering van verontreinigde bodems;
   2° de handelingen voor het beheer van afval, meer bepaald het ophalen, het vervoeren, het valoriseren en het verwijderen van afval en van gevaarlijke afval, met inbegrip van het toezicht op deze handelingen en de latere behandeling van verwijderingsplaatsen, onderworpen aan een vergunning of aan een inschrijving door en krachtens de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen en haar uitvoeringsbesluiten (opgesomd in de bijlagen van de ordonnantie van 22 april 1999 tot vaststelling van de lijst van inrichtingen van klasse IA (rubrieken 213 tot en met 220) en het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de lijst van inrichtingen van klasse IB, II en III (rubrieken 44 tot en met 51 en 81).
   Deze activiteiten omvatten meer bepaald de uitbating van stortplaatsen in de zin van artikel 2, 7° van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 april 2002 betreffende het storten van afval of de uitbating van verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties in de zin van artikel 3, 4° en 5° van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 november 2002 betreffende de verbranding en de meeverbranding van afval;
   3° elke lozing in landoppervlaktewateren onderworpen aan een voorafgaande toestemming, meer bepaald de lozingen van afvalwater onderworpen aan een voorafgaande toestemming krachtens de wet van 26 maart 1971 betreffende de bescherming van oppervlaktewater tegen verontreiniging of de lozingen van deze aard die onderworpen zijn aan een milieuvergunning overeenkomstig de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
   4° elke lozing van stoffen in grondwater die onderworpen is aan een voorafgaande toelating krachtens de wet van 26 maart 1971 betreffende de bescherming van grondwater of die onderworpen is aan een milieuvergunning overeenkomstig de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;
   5° de lozing of de invoering van verontreinigende stoffen in oppervlaktewater of grondwater die onderworpen is aan een vergunning, een toelating, een inschrijving of een aangifte door of krachtens artikel 44 van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid;
   6° het winnen en het indijken van water dat aan een voorafgaande toestemming onderworpen is door of krachtens artikel 44 van de ordonnantie van 20 oktober 2006 tot vaststelling van een kader voor het waterbeleid, door of krachtens de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen en opgesomd in de bijlagen van de ordonnantie van 22 april 1999 tot vaststelling van de lijst van inrichtingen van klasse IA (rubriek 222) en het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de lijst van inrichtingen van klasse IB, II en III (rubriek 62);
   7° de vervaardiging, het gebruik, de opslag, de behandeling, de verpakking, het lozen in het milieu en het vervoer naar de site, bedoeld door of krachtens de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen en opgesomd in de bijlagen van de ordonnantie van 22 april 1999 tot vaststelling van de lijst van inrichtingen van klasse IA en het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 4 maart 1999 tot vaststelling van de lijst van inrichtingen van klasse IB, II en III, van :
   a) gevaarlijke stoffen in de zin van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid, van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten met het oog op het in de handel brengen of het gebruik ervan en van artikel 1, § 4 van het koninklijk besluit van 24 mei 1982 houdende reglementering van het in de handel brengen van stoffen die gevaarlijk kunnen zijn voor de mens of voor zijn leefmilieu;
   b) gevaarlijke preparaten in de zin van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid en van artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten met het oog op het in de handel brengen of het gebruik ervan;
   c) gewasbeschermingsmiddelen zoals gedefinieerd in artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit van 28 februari 1994 betreffende het bewaren, het op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik;
   d) biociden zoals gedefinieerd in artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden;
   8° het vervoer over de weg, per spoor, over de binnenwateren, over zee of door de lucht van gevaarlijke goederen of verontreinigende goederen in de zin van :
   a) het koninklijk besluit van 9 maart 2003 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen; of
   b) het koninklijk besluit van 11 december 1998 inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, met uitzondering van de radioactieve stoffen; of
   c) het koninklijk besluit van 17 september 2005 tot omzetting van Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring- en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad van 13 september 1993 betreffende de minimumeisen voor schepen die gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoeren en die naar of uit de zeehavens van de Europese Unie varen;
   9° elk ingeperkt gebruik, met inbegrip van het vervoer, van genetisch gemodificeerde micro-organismen in de zin van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 8 november 2001 betreffende het ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde en/of pathogene organismen en betreffende de indeling van de betrokken installaties;
   10° elke doelbewuste introductie in het leefmilieu of elk vervoer van genetisch gemodificeerde organismen in de zin van het koninklijk besluit van 21 februari 2005 tot reglementering van de doelbewuste introductie in het leefmilieu evenals van het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde organismen of van producten die er bevatten;
   11° [2 de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Unie]2 waarvoor een vergunning is vereist dan wel een verbod geldt in de zin van verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en van de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen;
   12° het beheer van winningsafval overeenkomstig Richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën; of
   13° elke doelbewuste introductie in het leefmilieu of elk vervoer van invasieve exotische soorten (cf. Verdrag van 5 juni 1992 inzake de biologische diversiteit, goedgekeurd door de ordonnantie van 25 april 1996).]1

  
Art. N3. [1 Annexe 3. - Activités visées à l'article 57, § 1er
   Les activités visées à l'article 57, § 1er, sont les suivantes :
   1° l'exploitation :
   a) d'installations soumises à un permis, énumérées à l'annexe I de la Directive 96/61/CE du Conseil du 24 septembre 1996 relative à la prévention et à la réduction intégrées de la pollution, à l'exception des installations ou parties d'installations utilisées pour la recherche, le développement et l'expérimentation de nouveaux produits et procédés; ou
   b) d'activités à risque visées par l'article 3, 3°, de l'ordonnance du 5 mars 2009 relative à la gestion et à l'assainissement des sols pollués;
   2° les opérations de gestion des déchets, notamment le ramassage, le transport, la valorisation et l'élimination des déchets et des déchets dangereux, y compris la surveillance de ces opérations et le traitement ultérieur des sites d'élimination, soumis à un permis ou à un enregistrement par et en vertu de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement et de ses arrêtés d'exécution (énumérées aux annexes de l'ordonnance du 22 avril 1999 fixant la liste des installations de classe IA (rubriques 213 à 220) et de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 4 mars 1999 fixant la liste des installations de classe IB, II et III (rubriques 44 à 51 et 81).
   Ces activités comportent, notamment, l'exploitation de décharges au sens de l'article 2, 7° de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 18 avril 2002 concernant la mise en décharge des déchets ou l'exploitation d'installations d'incinération et de co-incinération au sens de l'article 3, 4° et 5° de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 21 novembre 2002 relatif à l'incinération et à la co-incinération des déchets;
   3° tout rejet effectué dans les eaux intérieures de surface soumis à autorisation préalable, notamment les déversements d'eaux usées soumis à autorisation préalable en vertu de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution ou les rejets de cette nature soumis à un permis d'environnement conformément à l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement;
   4° tout rejet de substances dans les eaux souterraines soumis à autorisation préalable en vertu de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux souterraines ou soumis à un permis d'environnement conformément à l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement;
   5° le rejet ou l'introduction de polluants dans les eaux de surface ou souterraines soumis à un permis, une autorisation, un enregistrement ou une déclaration par ou en vertu de l'article 44 de l'ordonnance du 20 octobre 2006 établissant un cadre pour la politique de l'eau;
   6° le captage et l'endiguement d'eau soumis à autorisation préalable par ou en vertu de l'article 44 de l'ordonnance du 20 octobre 2006 établissant un cadre pour la politique de l'eau, par ou en vertu de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement et énumérés aux annexes de l'ordonnance du 22 avril 1999 fixant la liste des installations de classe IA (rubrique 222) et de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 4 mars 1999 fixant la liste des installations de classe IB, II et III (rubrique 62);
   7° la fabrication, l'utilisation, le stockage, le traitement, le conditionnement, le rejet dans l'environnement et le transport sur le site, visés par ou vertu de l'ordonnance du 5 juin 1997 relative aux permis d'environnement et énumérés aux annexes de l'ordonnance du 22 avril 1999 fixant la liste des installations de classe IA et de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 4 mars 1999 fixant la liste des installations de classe IB, II et III, de :
   a) substances dangereuses au sens de la loi du 21 décembre 1998 relative aux normes de produits ayant pour but la promotion de modes de production et de consommation durables et la protection de l'environnement et de la santé, de l'arrêté royal du 11 janvier 1993 réglementant la classification, l'emballage et l'étiquetage des préparations dangereuses en vue de leur mise sur le marché ou de leur emploi et de l'article 1er, § 4, de l'arrêté royal du 24 mai 1982 réglementant la mise sur le marché de substances pouvant être dangereuses pour l'homme ou son environnement;
   b) préparations dangereuses au sens de la loi du 21 décembre 1998 relative aux normes de produits ayant pour but la promotion de modes de production et de consommation durables et la protection de l'environnement et de la santé et de l'article 1er, § 2, de l'arrêté royal du 11 janvier 1993 réglementant la classification, l'emballage et l'étiquetage des préparations dangereuses en vue de leur mise sur le marché ou de leur emploi;
   c) produits phytopharmaceutiques tels que définis par l'article 1er, 2° de l'arrêté royal du 28 février 1994 relatif à la conservation, à la mise sur le marché et à l'utilisation des pesticides à usage agricole;
   d) produits biocides tels que définis par l'article 1er, 1°, de l'arrêté royal du 22 mai 2003 concernant la mise sur le marché et l'utilisation des produits biocides;
   8° le transport par route, chemin de fer, voie de navigation intérieure, mer ou air de marchandises dangereuses ou de marchandises polluantes au sens de :
   a) l'arrêté royal du 9 mars 2003 relatif au transport des marchandises dangereuses par route, à l'exception des matières explosibles et radioactives; ou
   b) l'arrêté royal du 11 décembre 1998 relatif au transport de marchandises dangereuses par chemin de fer, à l'exception des matières radioactives; ou
   c) l'arrêté royal du 17 septembre 2005 transposant la Directive 2002/59/CE du Parlement européen et du Conseil du 27 juin 2002 relative à la mise en place d'un système communautaire de suivi du trafic des navires et d'information et abrogeant la Directive 93/75/CEE du Conseil du 13 septembre 1993 relative aux conditions minimales exigées pour les navires à destination des ports maritimes de l'Union européenne ou en sortant et transportant des marchandises dangereuses ou polluantes;
   9° toute utilisation confinée, y compris le transport, de micro-organismes génétiquement modifiés au sens de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 8 novembre 2001 relatif à l'utilisation confinée d'organismes génétiquement modifiés et/ou pathogènes et au classement des installations concernées;
   10° toute dissémination volontaire dans l'environnement ou tout transport d'organismes génétiquement modifiés au sens de l'arrêté royal du 21 février 2005 réglementant la dissémination volontaire dans l'environnement ainsi que la mise sur le marché d'organismes génétiquement modifiés ou de produits en contenant;
   11° [2 le transfert transfrontalier de déchets, à l'intérieur, à l'entrée et à la sortie de l'Union européenne]2 soumis à autorisation préalable ou interdit au sens du Règlement (CE) n° 1013/2006 du Parlement européen et du Conseil du 14 juin 2006 concernant les transferts de déchets;
   12° la gestion des déchets d'extraction conformément à la Directive 2006/21/CE du Parlement européen et du Conseil du 15 mars 2006 concernant la gestion des déchets des industries extractives; ou
   13° toute dissémination volontaire dans l'environnement ou tout transport d'espèces exotiques envahissantes (cf. Convention sur la diversité biologique du 5 juin 1992 approuvée par l'ordonnance du 25 avril 1996).]1