Artikel 1. § 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° Minister : de Minister bevoegd voor Huisvesting;
2° [1 Maatschappij : de openbare huisvestingsmaatschappij;]1
3° [1 Administratie : het Departement Wonen van het Operationeel Directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening, Wonen, Erfgoed en Energie van de Waalse Overheidsdienst;]1
4° woning : het gebouw of het gebouwgedeelte dat voor de huisvesting als hoofdverblijfplaats van één of meer gezinnen bestemd is of daartoe gebruikt wordt;
5° aanvrager : de natuurlijke persoon die om de in dit besluit bedoelde voordelen vraagt;
6° (opgeheven)
7° [1 kind ten laste : persoon voor wie een kinderbijslag of een wezenrente wordt toegekend aan een verzoekend gezinslid, of het kind dat, na overlegging van bewijsstukken, door de Regering geacht wordt ten laste te zijn;]1
8° inkomsten : de globaal belastbare inkomsten die betrekking hebben op het voorlaatste jaar voorafgaande, al naar gelang het geval, aan de huur [1 , aan het begin van een onder een overeenkomst vallend verblijf in een collectieve verblijfsstructuur erkend door het Waalse Gewest, de aankoop van een gezonde woning of een verbeterbare woning]1 of aan het begin van een nieuwe periode voor de toekenning van huurtoelagen;
9° dakloze :
a) ofwel de persoon die gedurende drie maanden vóór de huur van een gezonde woning geen enkel zakelijk of persoonlijk recht heeft genoten om een woning te betrekken en die, behalve uitzonderlijkerwijs [1 en tijdelijk]1, niet werd gehuisvest door personen of instellingen;
b) ofwel de persoon die vóór de huur van een gezonde woning geen enkel zakelijk of persoonlijk recht heeft genoten om een woning te betrekken en die om psychische, medische of sociale redenen werd gehuisvest door een instelling;
c) ofwel de persoon die gedurende twaalf maanden vóór de huur van een gezonde woning [1 hoofdzakelijk verbleef in een toeristische uitrusting of in een woning die oorspronkelijk bestemd was voor vakantieverblijf]1;
10° gezin [2 van categorie 1]2 :
a) alleenstaande met een globaal belastbaar jaarinkomen dat niet meer bedraagt dan (10.000 euro), verhoogd met (1.860 euro) per kind ten laste;
b) verscheidene al dan niet aanverwante personen die doorgaans samenwonen in de zin van artikel 3 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, met een globaal belastbaar jaarinkomen dat niet meer bedraagt dan (13.650 euro), verhoogd met (1.860 euro) per kind ten laste;
c) gezin dat begeleid wordt door een door de Minister van Sociale Actie erkende dienst voor schuldbemiddeling, en met een jaarinkomen dat niet meer dan 120 % bedraagt van het [1 leefloon]1 overeenstemmend met de samenstelling van dit gezin.
[1 De in het eerste lid, 10°, a), b) en c) bedoelde personen mogen op de datum van de huur geen woning in volle eigendom of in vruchtgebruik hebben, behalve een onverbeterbare of onbewoonbare woning en, in het geval van de huur of de bewoning van een woning beheerd of te huur aangeboden door een vastgoedbeheerder, een onaangepaste woning, of in specifieke gevallen.]1
[1 In het eerste lid, 7°, wordt het gezinslid of het gehandicapte kind ten laste beschouwd als bijkomend kind ten laste.]1
§ 2. Voor de toepassing van § 1, 7° :
1° wordt het gehandicapte kind ten laste beschouwd als twee kinderen ten laste;
2° wordt de gehandicapte aanvrager en iedere gehandicapte persoon die met de aanvrager samenwoont, beschouwd als één kind ten laste;
3° wordt voor het begrip "kind ten laste" aanvankelijk rekening gehouden met de toestand op de datum van de huur en vervolgens met de toestand die drie maanden vóór het einde van elke periode voor de toekenning van huurtoelagen werd vastgesteld.
Voor de toepassing van § 1, 9°, b), moet de huisvesting om psychische, medische of sociale redenen binnen een instelling vallen onder de volgende reglementeringen :
1. [1 Boek IV van het Waalse Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid;]1
2. [1 ...]1 de besluiten van de Waalse Regering tot uitvoering van de artikelen 31, 32, 56 en 57 van het Waalse Huisvestingscode;
3. het programmadecreet van 17 december 1997 houdende verschillende maatregelen inzake sociale actie en sportinfrastructuren;
4. [1 het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 27 februari 2003]1 houdende algemene reglementering inzake opvangvoorzieningen gesubsidieerd door de "Office de la Naissance et de l'Enfance" (Dienst voor Geboorte en Kinderwelzijn);
5. het koninklijk besluit van 10 juli 1990 houdende vaststelling van de normen voor de erkenning van initiatieven van beschut wonen ten behoeve van psychiatrische patiënten;
[1 6. de regelgeving betreffende de onderwerpen bedoeld in de punten 1 tot 5 van toepassing in de Duitstalige Gemeenschap]1
De huisvesting in een noodopvangwoning beheerd door een gemeente of een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt tevens beschouwd als een in § 1, 9°, b) bedoelde huisvesting om psychische, medische of sociale redenen door een instelling.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
21 JANUARI 1999. - [Besluit tot toekenning van verhuis- [, huur- en installatietoelage].] (VERTALING) (BWG2007-03-22/34, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 15-04-2007) (BWG2014-02-06/05, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 02-03-2014) (NOTA: Opgeheven voor de Duitstalige Gemeenschap door <BDG2025-05-28/05, art. 27, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2025>)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 25-02-1999 en tekstbijwerking tot 25-06-2025)
Titre
21 JANVIER 1999. - [Arrêté relatif à l'octroi d'allocations de déménagement [, de loyer et d'installation].] (ARW2007-03-22/34, art. 1, 009; En vigueur : 15-04-2007) (ARW2014-02-06/05, art. 1, 013; En vigueur : 02-03-2014) (NOTE: Abrogé pour la Communauté Germanophone par <ACG2025-05-28/05, art. 27, 017; En vigueur : 01-01-2025>)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 25-02-1999 et mise à jour au 25-06-2025)
Documentinformatie
Info du document
Tekst (15)
Texte (15)
Article 1. § 1er. Pour l'application du présent arrêté, il faut entendre par :
1° Ministre : le Ministre qui a le Logement dans ses attributions;
2° [1 Société : la société de logement de service public;]1
3° [1 Administration : le Département du Logement de la Direction générale opérationnelle Aménagement du Territoire, Logement, Patrimoine et Energie du Service public de Wallonie;]1
4° logement : l'immeuble ou la partie d'immeuble destiné à l'habitation à titre de résidence principale d'un ou de plusieurs ménages ou utilisé à cette fin;
5° demandeur : la personne physique qui sollicite le bénéfice des avantages prévus par le présent arrêté;
6° (abrogé)
7° [1 enfant à charge : la personne pour laquelle des allocations familiales ou d'orphelin sont attribuées à un membre du ménage demandeur ou l'enfant qui, sur présentation de preuve, est considéré à charge par le Gouvernement;]1
8° revenus : les revenus imposables globalement afférents à l'avant-dernière année précédant, selon le cas, la prise en location [1 , le début d'un séjour sous convention dans une structure d'hébergement collectif agréée par la Région wallonne, l'achat d'un logement salubre ou améliorable]1 ou le début d'une nouvelle période d'octroi d'allocations de loyer;
9° " sans abri " :
a) soit la personne qui, pendant les trois mois précédant la prise en location d'un logement salubre, n'a joui d'aucun droit, réel ou personnel, lui assurant l'occupation d'un logement, ni n'a, sauf à titre exceptionnel [1 et temporaire]1, été hébergée par des personnes ou des institutions;
b) soit la personne qui, à la veille de la prise en location d'un logement salubre, ne jouissait d'aucun droit, réel ou personnel, lui assurant l'occupation d'un logement et était hébergée pour des raisons psychiques, médicales ou sociales par une institution;
c) soit la personne qui, pendant les douze mois précédant la prise en location d'un logement salubre, [1 résidait à titre principal dans un équipement à vocation touristique ou dans une habitation initialement destinée aux vacances]1;
10° ménage [3 de catégorie 1 ]3 :
a) la personne seule dont les revenus ne dépassent pas (10.000 euros) majorés de (1.860 euros) par enfant à charge;
b) plusieurs personnes unies ou non par des liens de parenté et qui vivent habituellement ensemble au sens de l'article 3, de la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population et aux cartes d'identité et modifiant la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques dont les revenus ne dépassent pas (13.650 euros) majorés de (1.860 euros) par enfant à charge;
c) le ménage faisant l'objet d'une guidance auprès d'un service de médiation de dettes agréé par le Ministre ayant l'Action sociale dans ses attributions et dont les ressources mensuelles ne dépassent pas 120 % du montant du [1 revenu d'intégration sociale]1 correspondant à la composition de ce ménage.
[1 Les personnes visées à l'alinéa 1er, 10°, a), b) et c), ne peuvent pas détenir, à la date de la prise en location, un logement en pleine propriété ou en usufruit, sauf s'il s'agit d'un logement non améliorable ou inhabitable et, en cas de location ou d'occupation d'un logement géré ou mis en location par un opérateur immobilier, inadapté, ou dans des cas spécifiques.]1
[1 A l'alinéa 1er, 7°, le membre du ménage ou l'enfant handicapé à charge est compté comme enfant à charge supplémentaire.]1
§ 2. Pour l'application du § 1er, 7° :
1° l'enfant à charge handicapé est compté pour deux enfants à charge;
2° le demandeur handicapé ainsi que chaque personne handicapée cohabitant avec le demandeur sont comptés pour un enfant à charge;
3° la notion d'enfant à charge s'apprécie, au départ, en fonction de la situation à la date de la prise en location, et par la suite, en fonction de la situation arrêtée trois mois avant la fin de chaque période d'octroi d'allocations de loyer.
Pour l'application du § 1er, 9°, b), l'hébergement pour des raisons psychiques, médicales ou sociales au sein d'une institution doit relever des réglementations suivantes :
1. [1 Le Livre IV du Code wallon de l'Action sociale et de la Santé;]1
2. [1 ...]1 les arrêtés du Gouvernement wallon exécutant les articles 31, 32, 56 et 57, du Code wallon du logement [1 et de l'Habitat durable]1;
3. le décret-programme du 17 décembre 1997 portant diverses mesures en matière d'action sociale et d'infrastructures sportives;
4. [1 arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 27 février 2003]1 portant réglementation générale des milieux d'accueil subventionnés par l'Office de la Naissance et de l'Enfance;
5. l'arrêté royal du 10 juillet 1990 fixant les normes d'agrément des initiatives d'habitation protégée pour des patients psychiatriques;
[1 6. les réglementations relatives aux matières visées aux points 1 à 5 applicables en Communauté germanophone.]1
L'hébergement dans un logement d'urgence géré par une commune ou un [2 centre public d'action sociale]2 est également considéré comme un hébergement pour des raisons psychiques, médicales ou sociales par une institution, visé au § 1er, 9°, b).
1° Ministre : le Ministre qui a le Logement dans ses attributions;
2° [1 Société : la société de logement de service public;]1
3° [1 Administration : le Département du Logement de la Direction générale opérationnelle Aménagement du Territoire, Logement, Patrimoine et Energie du Service public de Wallonie;]1
4° logement : l'immeuble ou la partie d'immeuble destiné à l'habitation à titre de résidence principale d'un ou de plusieurs ménages ou utilisé à cette fin;
5° demandeur : la personne physique qui sollicite le bénéfice des avantages prévus par le présent arrêté;
6° (abrogé)
7° [1 enfant à charge : la personne pour laquelle des allocations familiales ou d'orphelin sont attribuées à un membre du ménage demandeur ou l'enfant qui, sur présentation de preuve, est considéré à charge par le Gouvernement;]1
8° revenus : les revenus imposables globalement afférents à l'avant-dernière année précédant, selon le cas, la prise en location [1 , le début d'un séjour sous convention dans une structure d'hébergement collectif agréée par la Région wallonne, l'achat d'un logement salubre ou améliorable]1 ou le début d'une nouvelle période d'octroi d'allocations de loyer;
9° " sans abri " :
a) soit la personne qui, pendant les trois mois précédant la prise en location d'un logement salubre, n'a joui d'aucun droit, réel ou personnel, lui assurant l'occupation d'un logement, ni n'a, sauf à titre exceptionnel [1 et temporaire]1, été hébergée par des personnes ou des institutions;
b) soit la personne qui, à la veille de la prise en location d'un logement salubre, ne jouissait d'aucun droit, réel ou personnel, lui assurant l'occupation d'un logement et était hébergée pour des raisons psychiques, médicales ou sociales par une institution;
c) soit la personne qui, pendant les douze mois précédant la prise en location d'un logement salubre, [1 résidait à titre principal dans un équipement à vocation touristique ou dans une habitation initialement destinée aux vacances]1;
10° ménage [3 de catégorie 1 ]3 :
a) la personne seule dont les revenus ne dépassent pas (10.000 euros) majorés de (1.860 euros) par enfant à charge;
b) plusieurs personnes unies ou non par des liens de parenté et qui vivent habituellement ensemble au sens de l'article 3, de la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population et aux cartes d'identité et modifiant la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques dont les revenus ne dépassent pas (13.650 euros) majorés de (1.860 euros) par enfant à charge;
c) le ménage faisant l'objet d'une guidance auprès d'un service de médiation de dettes agréé par le Ministre ayant l'Action sociale dans ses attributions et dont les ressources mensuelles ne dépassent pas 120 % du montant du [1 revenu d'intégration sociale]1 correspondant à la composition de ce ménage.
[1 Les personnes visées à l'alinéa 1er, 10°, a), b) et c), ne peuvent pas détenir, à la date de la prise en location, un logement en pleine propriété ou en usufruit, sauf s'il s'agit d'un logement non améliorable ou inhabitable et, en cas de location ou d'occupation d'un logement géré ou mis en location par un opérateur immobilier, inadapté, ou dans des cas spécifiques.]1
[1 A l'alinéa 1er, 7°, le membre du ménage ou l'enfant handicapé à charge est compté comme enfant à charge supplémentaire.]1
§ 2. Pour l'application du § 1er, 7° :
1° l'enfant à charge handicapé est compté pour deux enfants à charge;
2° le demandeur handicapé ainsi que chaque personne handicapée cohabitant avec le demandeur sont comptés pour un enfant à charge;
3° la notion d'enfant à charge s'apprécie, au départ, en fonction de la situation à la date de la prise en location, et par la suite, en fonction de la situation arrêtée trois mois avant la fin de chaque période d'octroi d'allocations de loyer.
Pour l'application du § 1er, 9°, b), l'hébergement pour des raisons psychiques, médicales ou sociales au sein d'une institution doit relever des réglementations suivantes :
1. [1 Le Livre IV du Code wallon de l'Action sociale et de la Santé;]1
2. [1 ...]1 les arrêtés du Gouvernement wallon exécutant les articles 31, 32, 56 et 57, du Code wallon du logement [1 et de l'Habitat durable]1;
3. le décret-programme du 17 décembre 1997 portant diverses mesures en matière d'action sociale et d'infrastructures sportives;
4. [1 arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 27 février 2003]1 portant réglementation générale des milieux d'accueil subventionnés par l'Office de la Naissance et de l'Enfance;
5. l'arrêté royal du 10 juillet 1990 fixant les normes d'agrément des initiatives d'habitation protégée pour des patients psychiatriques;
[1 6. les réglementations relatives aux matières visées aux points 1 à 5 applicables en Communauté germanophone.]1
L'hébergement dans un logement d'urgence géré par une commune ou un [2 centre public d'action sociale]2 est également considéré comme un hébergement pour des raisons psychiques, médicales ou sociales par une institution, visé au § 1er, 9°, b).
Art. 2. § 1. Er worden tegen de voorwaarden bepaald bij dit besluit verhuis- en huurtoelagen toegekend :
1° aan het gezin [3 van categorie 1]3 dat ofwel een onbewoonbare of overbevolkte woning verlaat ofwel zijn toestand als dakloos gezin beëindigt en een gezonde woning of een verbeterbare woning huurt die binnen zes maanden na zijn intrek gezond wordt waarbij het gezin onder het adres van die woning een aanvraag indient tot inschrijving in het bevolkingsregister;
2° aan het gezin [3 van categorie 1]3 toestand waarvan een gezinslid gehandicapt is dat ofwel een onaangepaste woning verlaat en [1 een gezonde en aangepaste woning of een verbeterbare woning die gesaneerd en aangepast zal worden in huur neemt]1 waarbij het gezin onder het adres van die woning een aanvraag indient tot inschrijving in het bevolkingsregister;
3° [2 aan het gezin [3 van categorie 1]3 of met een bescheiden inkomen dat een woning huurt van en beheerd door een maatschappij of een woning van het "Fonds du logement des familles nombreuses de Wallonie" (Huisvestingsfonds voor kroostrijke gezinnen in Wallonië) dat, op verzoek van de maatschappij of van het Fonds, een onderbewoonde woning verlaat om een woning niet bedoeld in artikel 1, 7° tot 10°, van het Waalse wetboek van huisvesting en duurzaam wonen te huren;]2
De huurtoelage wordt enkel aan de gezinnen bedoeld [2 in de punten 1° tot 3°]2 toegekend voor zover de in huur genomen woning niet beheerd wordt door een maatschappij of niet toebehoort aan een bloedverwant in de opgaande of nederdalende lijn van een gezinslid en het gezin voor die woning zijn aanvraag tot inschrijving in het bevolkingsregister indient.
§ 2. Er wordt tegen de voorwaarden bepaald bij dit besluit een verhuistoelage toegekend aan het gezin dat een woning huurt van een maatschappij en dat op initiatief van laatstgenoemde een onderbewoonde woning, beheerd door die maatschappij, verlaat om een woning [2 van een maatschappij]2 te huren die in verhouding staat tot de gezinssamenstelling en gezond is, waarbij het gezin voor die woning zijn aanvraag indient tot inschrijving in het bevolkingsregister.
[2 § 2bis. Er wordt tegen de voorwaarden bepaald door dit besluit een huurtegemoetkoming toegekend aan het huurdersgezin dat een woning niet bedoeld in artikel 1, 7° tot 10°, van het Waalse wetboek van huisvesting en duurzaam wonen verlaat en waarvoor een schadevergoeding voor de beëindiging van de huurovereenkomst wordt verschuldigd, om een woning van een maatschappij te huren, waarbij het gezin voor die woning zijn aanvraag indient tot inschrijving in het bevolkingsregister.]2
§ 3. [2 Er wordt tegen de voorwaarden bepaald door dit besluit een installatietoelage toegekend aan het gezin dat een woning verlaat en dat deze woning als hoofdverblijfplaats bewoont, gelegen hetzij in een gebied bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 16 mei 2013 tot aanneming van de cartografie van de locaties waarop het "plan Habitat permanent" (plan permanente bewoning) betrekking heeft, hetzij in een toeristische uitrusting gelegen op het grondgebied van een gemeente waarvan de instemming met het Plan "habitat permanent " door de Regering werd gevalideerd en dat ofwel :
1° een gezonde of een verbeterbare woning huurt of koopt die gezond zal worden binnen de zes maanden na er zijn intrek in te hebben genomen waarbij het voor die woning een aanvraag indient tot inschrijving in het bevolkingsregister;
2° ofwel een onder een overeenkomst vallend verblijf aanvat in een collectieve verblijfsstructuur erkend door het Waalse Gewest krachtens het decreet van 5 juni 1997 betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden of erkend door de Duitstalige Gemeenschap krachtens het decreet van 9 mei 1994 betreffende de machtiging, de erkenning en de subsidiëring van onthaalstructuren voor senioren.]2
Die toelage is cumuleerbaar met de verhuis- en huurtoelagen voor het gezin [3 van categorie 1]3.
§ 4. In afwijking van de bepaling van § 1 :
1° kan er tegen de voorwaarden bepaald bij dit besluit een huurtoelage toegekend worden aan het gezin dat een ofwel onbewoonbare ofwel onaangepaste woning huurt die respectievelijk gezond of gezond en aangepast is geworden nadat er werken aan zijn uitgevoerd. De huurder mag de woning blijven bewonen tijdens de duur van de werken;
2° kan er tegen de voorwaarden bepaald bij dit besluit een huurtoelage toegekend worden aan het gezin dat een overbevolkte woning huurt indien de toestand van overbevolking beëindigd wordt na het vertrek van één of meerdere medebewoners.
1° aan het gezin [3 van categorie 1]3 dat ofwel een onbewoonbare of overbevolkte woning verlaat ofwel zijn toestand als dakloos gezin beëindigt en een gezonde woning of een verbeterbare woning huurt die binnen zes maanden na zijn intrek gezond wordt waarbij het gezin onder het adres van die woning een aanvraag indient tot inschrijving in het bevolkingsregister;
2° aan het gezin [3 van categorie 1]3 toestand waarvan een gezinslid gehandicapt is dat ofwel een onaangepaste woning verlaat en [1 een gezonde en aangepaste woning of een verbeterbare woning die gesaneerd en aangepast zal worden in huur neemt]1 waarbij het gezin onder het adres van die woning een aanvraag indient tot inschrijving in het bevolkingsregister;
3° [2 aan het gezin [3 van categorie 1]3 of met een bescheiden inkomen dat een woning huurt van en beheerd door een maatschappij of een woning van het "Fonds du logement des familles nombreuses de Wallonie" (Huisvestingsfonds voor kroostrijke gezinnen in Wallonië) dat, op verzoek van de maatschappij of van het Fonds, een onderbewoonde woning verlaat om een woning niet bedoeld in artikel 1, 7° tot 10°, van het Waalse wetboek van huisvesting en duurzaam wonen te huren;]2
De huurtoelage wordt enkel aan de gezinnen bedoeld [2 in de punten 1° tot 3°]2 toegekend voor zover de in huur genomen woning niet beheerd wordt door een maatschappij of niet toebehoort aan een bloedverwant in de opgaande of nederdalende lijn van een gezinslid en het gezin voor die woning zijn aanvraag tot inschrijving in het bevolkingsregister indient.
§ 2. Er wordt tegen de voorwaarden bepaald bij dit besluit een verhuistoelage toegekend aan het gezin dat een woning huurt van een maatschappij en dat op initiatief van laatstgenoemde een onderbewoonde woning, beheerd door die maatschappij, verlaat om een woning [2 van een maatschappij]2 te huren die in verhouding staat tot de gezinssamenstelling en gezond is, waarbij het gezin voor die woning zijn aanvraag indient tot inschrijving in het bevolkingsregister.
[2 § 2bis. Er wordt tegen de voorwaarden bepaald door dit besluit een huurtegemoetkoming toegekend aan het huurdersgezin dat een woning niet bedoeld in artikel 1, 7° tot 10°, van het Waalse wetboek van huisvesting en duurzaam wonen verlaat en waarvoor een schadevergoeding voor de beëindiging van de huurovereenkomst wordt verschuldigd, om een woning van een maatschappij te huren, waarbij het gezin voor die woning zijn aanvraag indient tot inschrijving in het bevolkingsregister.]2
§ 3. [2 Er wordt tegen de voorwaarden bepaald door dit besluit een installatietoelage toegekend aan het gezin dat een woning verlaat en dat deze woning als hoofdverblijfplaats bewoont, gelegen hetzij in een gebied bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 16 mei 2013 tot aanneming van de cartografie van de locaties waarop het "plan Habitat permanent" (plan permanente bewoning) betrekking heeft, hetzij in een toeristische uitrusting gelegen op het grondgebied van een gemeente waarvan de instemming met het Plan "habitat permanent " door de Regering werd gevalideerd en dat ofwel :
1° een gezonde of een verbeterbare woning huurt of koopt die gezond zal worden binnen de zes maanden na er zijn intrek in te hebben genomen waarbij het voor die woning een aanvraag indient tot inschrijving in het bevolkingsregister;
2° ofwel een onder een overeenkomst vallend verblijf aanvat in een collectieve verblijfsstructuur erkend door het Waalse Gewest krachtens het decreet van 5 juni 1997 betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden of erkend door de Duitstalige Gemeenschap krachtens het decreet van 9 mei 1994 betreffende de machtiging, de erkenning en de subsidiëring van onthaalstructuren voor senioren.]2
Die toelage is cumuleerbaar met de verhuis- en huurtoelagen voor het gezin [3 van categorie 1]3.
§ 4. In afwijking van de bepaling van § 1 :
1° kan er tegen de voorwaarden bepaald bij dit besluit een huurtoelage toegekend worden aan het gezin dat een ofwel onbewoonbare ofwel onaangepaste woning huurt die respectievelijk gezond of gezond en aangepast is geworden nadat er werken aan zijn uitgevoerd. De huurder mag de woning blijven bewonen tijdens de duur van de werken;
2° kan er tegen de voorwaarden bepaald bij dit besluit een huurtoelage toegekend worden aan het gezin dat een overbevolkte woning huurt indien de toestand van overbevolking beëindigd wordt na het vertrek van één of meerdere medebewoners.
Art. 2. § 1er. Sont accordées aux conditions fixées par le présent arrêté, des allocations de déménagement et de loyer :
1° au ménage [3 de catégorie 1]3 qui, soit quitte un logement inhabitable ou surpeuplé, soit sort de sa situation de "sans-abri" et prend en location un logement salubre ou un logement améliorable qui deviendra salubre dans les six mois de son entrée dans les lieux à l'adresse duquel il demande son inscription dans les registres de population;
2° au ménage [3 de catégorie 1]3 dont un membre du ménage est handicapé qui quitte un logement inadapté et [1 prend en location un logement salubre et adapté ou un logement améliorable qui deviendra salubre et adapté]1 dans les six mois de son entrée dans les lieux à l'adresse duquel il demande son inscription dans les registres de population;
3° [2 au ménage [3 de catégorie 1]3 ou à revenus modestes locataire d'un logement appartenant à une société et géré par elle ou d'un logement appartenant au Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie qui, à l'initiative de celle-ci ou de celui-ci, quitte un logement sous-occupé pour prendre en location un logement non visé à l'article 1er, 7° à 10°, du Code wallon du Logement et de l'Habitat durable;]2
L'aide au loyer n'est accordée aux ménages visés [2 aux points 1° à 3°]2 que pour autant que le logement pris en location ne soit pas géré par une société ou n'appartienne pas à un descendant ou ascendant d'un membre du ménage et que le ménage y demande son inscription dans les registres de population.
§ 2. Est accordée aux conditions fixées par le présent arrêté une allocation de déménagement au ménage locataire d'un logement appartenant à une société qui, à l'initiative de celle-ci, quitte un logement sous-occupé géré par cette dernière pour prendre en location un logement [2 d'une société]2 proportionné à sa composition de ménage et salubre, à l'adresse duquel il demande son inscription dans les registres de population.
[2 § 2bis. Une aide de loyer est accordée aux conditions fixées par le présent arrêté, au ménage locataire qui quitte un logement non visé à l'article 1er, 7° à 10°, du Code wallon du Logement et de l'Habitat durable pour lequel une indemnité de fin de bail est due, pour prendre en location un logement appartenant à une société à l'adresse duquel il demande son inscription dans les registres de population.]2
§ 3. [2 Une allocation d'installation est accordée aux conditions fixées par le présent arrêté, au ménage quittant une habitation qu'il occupe à titre de résidence principale, située soit dans une zone visée par l'arrêté du Gouvernement du 16 mai 2013 adoptant la cartographie des sites concernés par le plan Habitat permanent soit dans un équipement à vocation touristique situé sur le territoire d'une commune dont l'adhésion au Plan "habitat permanent" a été validée par le Gouvernement et qui, soit :
1° prend en location ou achète un logement salubre ou un logement améliorable qui devient salubre dans les six mois de son entrée dans les lieux, à l'adresse duquel il demande son inscription dans les registres de population;
2° débute un séjour sous convention dans une structure d'hébergement collectif agréée par la Région wallonne en vertu du décret du 5 juin 1997 relatif aux maisons de repos, résidences-services et aux centres d'accueil de jour pour personnes âgées, ou agréée par la Communauté germanophone en vertu du décret du 9 mai 1994 relatif à l'autorisation, à l'agréation et à la subsidiation de structures d'accueil pour seniors.]2
Cette allocation est cumulable avec les allocations de déménagement et de loyer pour le ménage [3 de catégorie 1]3.
§ 4. Par dérogation à la disposition du § 1er :
1° peut être accordée, aux conditions fixées par le présent arrêté, une allocation de loyer au ménage locataire d'un logement, soit inhabitable, soit inadapté, devenu respectivement salubre ou salubre et adapté à la suite de la réalisation de travaux. Le locataire est autorisé à continuer à occuper le logement pendant la durée des travaux;
2° peut être accordée, aux conditions fixées par le présent arrêté, une allocation de loyer au ménage locataire d'un logement surpeuplé lorsque le départ d'un ou de plusieurs cohabitants met fin à la situation de surpeuplement du logement.
1° au ménage [3 de catégorie 1]3 qui, soit quitte un logement inhabitable ou surpeuplé, soit sort de sa situation de "sans-abri" et prend en location un logement salubre ou un logement améliorable qui deviendra salubre dans les six mois de son entrée dans les lieux à l'adresse duquel il demande son inscription dans les registres de population;
2° au ménage [3 de catégorie 1]3 dont un membre du ménage est handicapé qui quitte un logement inadapté et [1 prend en location un logement salubre et adapté ou un logement améliorable qui deviendra salubre et adapté]1 dans les six mois de son entrée dans les lieux à l'adresse duquel il demande son inscription dans les registres de population;
3° [2 au ménage [3 de catégorie 1]3 ou à revenus modestes locataire d'un logement appartenant à une société et géré par elle ou d'un logement appartenant au Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie qui, à l'initiative de celle-ci ou de celui-ci, quitte un logement sous-occupé pour prendre en location un logement non visé à l'article 1er, 7° à 10°, du Code wallon du Logement et de l'Habitat durable;]2
L'aide au loyer n'est accordée aux ménages visés [2 aux points 1° à 3°]2 que pour autant que le logement pris en location ne soit pas géré par une société ou n'appartienne pas à un descendant ou ascendant d'un membre du ménage et que le ménage y demande son inscription dans les registres de population.
§ 2. Est accordée aux conditions fixées par le présent arrêté une allocation de déménagement au ménage locataire d'un logement appartenant à une société qui, à l'initiative de celle-ci, quitte un logement sous-occupé géré par cette dernière pour prendre en location un logement [2 d'une société]2 proportionné à sa composition de ménage et salubre, à l'adresse duquel il demande son inscription dans les registres de population.
[2 § 2bis. Une aide de loyer est accordée aux conditions fixées par le présent arrêté, au ménage locataire qui quitte un logement non visé à l'article 1er, 7° à 10°, du Code wallon du Logement et de l'Habitat durable pour lequel une indemnité de fin de bail est due, pour prendre en location un logement appartenant à une société à l'adresse duquel il demande son inscription dans les registres de population.]2
§ 3. [2 Une allocation d'installation est accordée aux conditions fixées par le présent arrêté, au ménage quittant une habitation qu'il occupe à titre de résidence principale, située soit dans une zone visée par l'arrêté du Gouvernement du 16 mai 2013 adoptant la cartographie des sites concernés par le plan Habitat permanent soit dans un équipement à vocation touristique situé sur le territoire d'une commune dont l'adhésion au Plan "habitat permanent" a été validée par le Gouvernement et qui, soit :
1° prend en location ou achète un logement salubre ou un logement améliorable qui devient salubre dans les six mois de son entrée dans les lieux, à l'adresse duquel il demande son inscription dans les registres de population;
2° débute un séjour sous convention dans une structure d'hébergement collectif agréée par la Région wallonne en vertu du décret du 5 juin 1997 relatif aux maisons de repos, résidences-services et aux centres d'accueil de jour pour personnes âgées, ou agréée par la Communauté germanophone en vertu du décret du 9 mai 1994 relatif à l'autorisation, à l'agréation et à la subsidiation de structures d'accueil pour seniors.]2
Cette allocation est cumulable avec les allocations de déménagement et de loyer pour le ménage [3 de catégorie 1]3.
§ 4. Par dérogation à la disposition du § 1er :
1° peut être accordée, aux conditions fixées par le présent arrêté, une allocation de loyer au ménage locataire d'un logement, soit inhabitable, soit inadapté, devenu respectivement salubre ou salubre et adapté à la suite de la réalisation de travaux. Le locataire est autorisé à continuer à occuper le logement pendant la durée des travaux;
2° peut être accordée, aux conditions fixées par le présent arrêté, une allocation de loyer au ménage locataire d'un logement surpeuplé lorsque le départ d'un ou de plusieurs cohabitants met fin à la situation de surpeuplement du logement.
Art. 3. § 1 Als onbewoonbaar of overbewoond wordt de woning beschouwd waarvoor :
1° ofwel van een besluit van de burgemeester is getroffen waarbij ze tijdelijk of definitief overbewoond, overeenkomstig de criteria vastgesteld krachtens [1 de artikelen 1, 17° en 3 van het Waalse Wetboek van Huisvesting en Duurzaam Wonen]1, of onbewoonbaar wordt geacht;
2° ofwel een personeelslid van het bestuur een vaststelling heeft verricht, waarbij ze onbewoonbaar of overbewoond wordt verklaard. In dat geval deelt het bestuur de inhoud van de vaststelling mede aan de burgemeester en de eigenaar om te voorkomen dat de woning nog in dezelfde omstandigheden wordt betrokken.
§ 2. De woning waarvan de kamerindeling geen geschikte bewoning mogelijk maakt door het gezin van de aanvrager wegens de handicap van één van zijn lid, wordt door een personeelslid van het bestuur of van het "Agence wallonne pour l'Intégration professionnelle des personnes handicapées" (Waals Agentschap voor de Integratie van Gehandicapte Personen) als ongeschikt beschouwd.
§ 3. [1 Als onderbewoond wordt de woning beschouwd die :
1° eigendom is van een maatschappij en minstens twee overtollige kamers telt, in uitvoering van de normen die krachtens artikel 94 van het Waalse Wetboek van Huisvesting en Duurzaam Wonen bepaald zijn;
2° eigendom is van het "Fonds du logement des familles nombreuses de Wallonie" en minstens één overtollige kamer telt t.o.v. het minimumaantal kamers naargelang de samenstelling van het gezin dat het bewoont en dat vereist is door het besluit van de Waalse Regering van 30 augustus 2007 tot vaststelling van de minimale gezondheidsnormen, de overbevolkingsnormen en houdende de in artikel 1, 19° tot 22°bis van de Waalse Huisvestingscode bedoelde begripsomschrijvingen.]1
§ 4. Als gezond wordt de woning beschouwd die, na onderzoek door een personeelslid van het bestuur, beantwoordt aan de minimale gezondheidscriteria die krachtens artikel 3 van het Waalse Huisvestingscode bepaald zijn.
(lid 2 opgeheven)
1° ofwel van een besluit van de burgemeester is getroffen waarbij ze tijdelijk of definitief overbewoond, overeenkomstig de criteria vastgesteld krachtens [1 de artikelen 1, 17° en 3 van het Waalse Wetboek van Huisvesting en Duurzaam Wonen]1, of onbewoonbaar wordt geacht;
2° ofwel een personeelslid van het bestuur een vaststelling heeft verricht, waarbij ze onbewoonbaar of overbewoond wordt verklaard. In dat geval deelt het bestuur de inhoud van de vaststelling mede aan de burgemeester en de eigenaar om te voorkomen dat de woning nog in dezelfde omstandigheden wordt betrokken.
§ 2. De woning waarvan de kamerindeling geen geschikte bewoning mogelijk maakt door het gezin van de aanvrager wegens de handicap van één van zijn lid, wordt door een personeelslid van het bestuur of van het "Agence wallonne pour l'Intégration professionnelle des personnes handicapées" (Waals Agentschap voor de Integratie van Gehandicapte Personen) als ongeschikt beschouwd.
§ 3. [1 Als onderbewoond wordt de woning beschouwd die :
1° eigendom is van een maatschappij en minstens twee overtollige kamers telt, in uitvoering van de normen die krachtens artikel 94 van het Waalse Wetboek van Huisvesting en Duurzaam Wonen bepaald zijn;
2° eigendom is van het "Fonds du logement des familles nombreuses de Wallonie" en minstens één overtollige kamer telt t.o.v. het minimumaantal kamers naargelang de samenstelling van het gezin dat het bewoont en dat vereist is door het besluit van de Waalse Regering van 30 augustus 2007 tot vaststelling van de minimale gezondheidsnormen, de overbevolkingsnormen en houdende de in artikel 1, 19° tot 22°bis van de Waalse Huisvestingscode bedoelde begripsomschrijvingen.]1
§ 4. Als gezond wordt de woning beschouwd die, na onderzoek door een personeelslid van het bestuur, beantwoordt aan de minimale gezondheidscriteria die krachtens artikel 3 van het Waalse Huisvestingscode bepaald zijn.
(lid 2 opgeheven)
Art. 3. § 1er. Est considéré comme inhabitable ou surpeuplé le logement qui :
1° soit a fait l'objet d'un arrêté du bourgmestre le reconnaissant surpeuplé en application des critères établis en exécution [1 des articles 1er, 17°, et 3bis du Code wallon du Logement et de l'Habitat durable]1, ou inhabitable, à titre temporaire ou à titre définitif;
2° soit à fait l'objet d'un constat d'inhabitabilité ou de surpeuplement par un agent de l'administration. Dans ce cas, l'administration fait part de la teneur de son constat au bourgmestre et au propriétaire afin d'éviter que le logement soit encore occupé dans les mêmes conditions.
§ 2. Est considéré comme inadapté, par un agent de l'administration ou de l'Agence wallonne pour l'Intégration [1 ...]1 des personnes handicapées, le logement dont la configuration ne permet pas une occupation adéquate par le ménage du demandeur en raison du handicap d'un de ses membres.
§ 3. [1 Un logement est considéré comme sous-occupé lorsque :
1° s'il appartient à une société, il comporte au moins une chambre excédentaire eu égard aux normes définies en exécution de l'article 94 du Code wallon du Logement et de l'Habitat durable;
2° s'il appartient au Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie, il comporte au moins une chambre excédentaire par rapport au nombre de chambres minimum en fonction de la composition du ménage qui l'occupe exigé par l'arrêté du Gouvernement wallon du 30 août 2007 déterminant les critères minimaux de salubrité, les critères de surpeuplement et portant les définitions visées à l'article 1er, 19° à 22°bis du Code wallon du Logement.]1
§ 4. Est considéré comme salubre le logement qui, après enquête par un agent de l'administration, s'avère répondre aux critères minimaux de salubrité fixés en exécution de l'article 3 du Code wallon du logement.
(alinéa 2 abrogé)
1° soit a fait l'objet d'un arrêté du bourgmestre le reconnaissant surpeuplé en application des critères établis en exécution [1 des articles 1er, 17°, et 3bis du Code wallon du Logement et de l'Habitat durable]1, ou inhabitable, à titre temporaire ou à titre définitif;
2° soit à fait l'objet d'un constat d'inhabitabilité ou de surpeuplement par un agent de l'administration. Dans ce cas, l'administration fait part de la teneur de son constat au bourgmestre et au propriétaire afin d'éviter que le logement soit encore occupé dans les mêmes conditions.
§ 2. Est considéré comme inadapté, par un agent de l'administration ou de l'Agence wallonne pour l'Intégration [1 ...]1 des personnes handicapées, le logement dont la configuration ne permet pas une occupation adéquate par le ménage du demandeur en raison du handicap d'un de ses membres.
§ 3. [1 Un logement est considéré comme sous-occupé lorsque :
1° s'il appartient à une société, il comporte au moins une chambre excédentaire eu égard aux normes définies en exécution de l'article 94 du Code wallon du Logement et de l'Habitat durable;
2° s'il appartient au Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie, il comporte au moins une chambre excédentaire par rapport au nombre de chambres minimum en fonction de la composition du ménage qui l'occupe exigé par l'arrêté du Gouvernement wallon du 30 août 2007 déterminant les critères minimaux de salubrité, les critères de surpeuplement et portant les définitions visées à l'article 1er, 19° à 22°bis du Code wallon du Logement.]1
§ 4. Est considéré comme salubre le logement qui, après enquête par un agent de l'administration, s'avère répondre aux critères minimaux de salubrité fixés en exécution de l'article 3 du Code wallon du logement.
(alinéa 2 abrogé)
Wijzigingen
Art. 4. § 1. [1 ...]1
[1 ...]1
[1 ...]1
Indien de inkomsten de in artikel 1, § 1, 10°, vastgestelde bedragen overschrijden en als de aanvrager verklaart dat de overschrijding toe te schrijven is aan uitzonderlijke omstandigheden of als hij aantoont dat zijn financiële toestand verslechterd is wegens arbeidsongeschiktheid of werkloosheid, brugpensioen of oppensioenstelling, worden de inkomsten van de laatste zes maanden in aanmerking genomen en berekend als globaal belastbare jaarinkomsten.
§ 2. Voor de toepassing van artikel 1, § 1, 10°, wordt de woning door een personeelslid van het bestuur of bij een besluit van de burgemeester onverbeterbaar of onbewoonbaar verklaard.
§ 3. (Voor de toepassing van artikel 2, §§ 1 en 2,) op de datum van de huur moet de aanvrager :
1° minstens 18 jaar oud of ontvoogde minderjarige zijn;
2° minstens één jaar in de onbewoonbare of overbewoonde of ongeschikte woning hebben gewoond, behalve als het om een dakloze gaat of als de burgemeester de bewoning ervan verbiedt.
Op de datum van de aanvraag moet hij, alsmede de personen die met hem zullen samenwonen, de volgende verbintenissen aangaan en ze nakomen zodra hij de woning in huur neemt :
a) de woning noch geheel, noch gedeeltelijk onderverhuren;
b) behalve de na de datum van de huur uit hen geboren of door hen geadopteerde kinderen, het betrekken van de woning door bijkomende medebewoners enkel toelaten als ze blijft voldoen aan de in artikel 3, § 4, bedoelde structuur- en afmetingsnormen;
c) de woning laten bezichtigen door personeelsleden van het bestuur;
d) het bestuur toelaten de bevoegde overheden om de nodige inlichtingen te vragen, of ze zelf verstrekken, met name inlichtingen over de samenstelling van het gezin, de inkomsten en het onroerend vermogen.
[2 Er kan worden afgeweken van de voorwaarde bepaald in het eerste lid, 1° voor de minderjarigen van minstens 16 jaar die begeleid worden door een dienst voor hulpverlening aan de jeugd erkend door de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap overeenkomstig de desbetreffende regelgeving.]2
(§ 4. Voor de toepassing van artikel 2, § 3 :
1° moet de aanvrager minstens 18 jaar oud of ontvoogde minderjarige zijn;
2° moet de aanvrager, (sinds minstens één jaar), een woonplaats betrekken in een toeristische voorziening bedoeld in artikel 2, § 3. [2 ...]2;
3° [3 de aanvrager of het gezinslid dat eigenaar is van de ontruimde woonplaats staat dit eigendomsrecht kosteloos af aan de gemeente waarin de in artikel 2, § 3, bedoelde toeristische voorziening gevestigd is, met het oog op de sloop ervan, of staat de sloop van deze woonplaats door genoemde gemeente schriftelijk toe]3;
4° [2 ...]2
5° mogen de inkomsten van het gezin waarvan een lid aanvrager is niet hoger zijn dan die van de gezinnen [3 van categorie 3]3, in de zin van artikel 1, 31°, van de Waalse Huisvestingscode.)
[3 6° voor uitrustingen die in fase 1 opgenomen zijn, wordt de steunaanvraag ingediend voor 1 januari 2028.]3
[3 Met betrekking tot het eerste lid, 3°, kan de sloop ook plaatsvinden door beslissing van de burgemeester overeenkomstig de artikelen 133 en 135 van de gemeentewet.]3
[1 ...]1
[1 ...]1
Indien de inkomsten de in artikel 1, § 1, 10°, vastgestelde bedragen overschrijden en als de aanvrager verklaart dat de overschrijding toe te schrijven is aan uitzonderlijke omstandigheden of als hij aantoont dat zijn financiële toestand verslechterd is wegens arbeidsongeschiktheid of werkloosheid, brugpensioen of oppensioenstelling, worden de inkomsten van de laatste zes maanden in aanmerking genomen en berekend als globaal belastbare jaarinkomsten.
§ 2. Voor de toepassing van artikel 1, § 1, 10°, wordt de woning door een personeelslid van het bestuur of bij een besluit van de burgemeester onverbeterbaar of onbewoonbaar verklaard.
§ 3. (Voor de toepassing van artikel 2, §§ 1 en 2,) op de datum van de huur moet de aanvrager :
1° minstens 18 jaar oud of ontvoogde minderjarige zijn;
2° minstens één jaar in de onbewoonbare of overbewoonde of ongeschikte woning hebben gewoond, behalve als het om een dakloze gaat of als de burgemeester de bewoning ervan verbiedt.
Op de datum van de aanvraag moet hij, alsmede de personen die met hem zullen samenwonen, de volgende verbintenissen aangaan en ze nakomen zodra hij de woning in huur neemt :
a) de woning noch geheel, noch gedeeltelijk onderverhuren;
b) behalve de na de datum van de huur uit hen geboren of door hen geadopteerde kinderen, het betrekken van de woning door bijkomende medebewoners enkel toelaten als ze blijft voldoen aan de in artikel 3, § 4, bedoelde structuur- en afmetingsnormen;
c) de woning laten bezichtigen door personeelsleden van het bestuur;
d) het bestuur toelaten de bevoegde overheden om de nodige inlichtingen te vragen, of ze zelf verstrekken, met name inlichtingen over de samenstelling van het gezin, de inkomsten en het onroerend vermogen.
[2 Er kan worden afgeweken van de voorwaarde bepaald in het eerste lid, 1° voor de minderjarigen van minstens 16 jaar die begeleid worden door een dienst voor hulpverlening aan de jeugd erkend door de Franse Gemeenschap of de Duitstalige Gemeenschap overeenkomstig de desbetreffende regelgeving.]2
(§ 4. Voor de toepassing van artikel 2, § 3 :
1° moet de aanvrager minstens 18 jaar oud of ontvoogde minderjarige zijn;
2° moet de aanvrager, (sinds minstens één jaar), een woonplaats betrekken in een toeristische voorziening bedoeld in artikel 2, § 3. [2 ...]2;
3° [3 de aanvrager of het gezinslid dat eigenaar is van de ontruimde woonplaats staat dit eigendomsrecht kosteloos af aan de gemeente waarin de in artikel 2, § 3, bedoelde toeristische voorziening gevestigd is, met het oog op de sloop ervan, of staat de sloop van deze woonplaats door genoemde gemeente schriftelijk toe]3;
4° [2 ...]2
5° mogen de inkomsten van het gezin waarvan een lid aanvrager is niet hoger zijn dan die van de gezinnen [3 van categorie 3]3, in de zin van artikel 1, 31°, van de Waalse Huisvestingscode.)
[3 6° voor uitrustingen die in fase 1 opgenomen zijn, wordt de steunaanvraag ingediend voor 1 januari 2028.]3
[3 Met betrekking tot het eerste lid, 3°, kan de sloop ook plaatsvinden door beslissing van de burgemeester overeenkomstig de artikelen 133 en 135 van de gemeentewet.]3
Art. 4. § 1er. [1 ...]1
[1 ...]1
[1 ...]1
Si les revenus dépassent les montants fixés à l'article 1er, § 1er, 10°, et si le demandeur justifie ce dépassement par des circonstances exceptionnelles ou établit la dégradation de sa situation financière en raison d'une incapacité de travail ou d'une mise en chômage, à la prépension ou à la retraite, les revenus des six derniers mois sont pris en considération et calculés en revenus annuels imposables globalement.
§ 2. Pour l'application de l'article 1er, § 1er, 10°, le logement est déclaré non améliorable ou inhabitable par un agent de l'administration ou par un arrêté du bourgmestre.
§ 3. (Pour l'application de l'article 2, §§ 1er et 2,) à la date de la prise en location, le demandeur doit :
1° être âgé de 18 ans au moins ou émancipé;
2° avoir résidé au moins un an dans le logement inhabitable ou surpeuplé ou inadapté, sauf s'il s'agit d'une personne " sans-abri " ou si le logement est frappé d'une interdiction d'habiter par le bourgmestre.
A la date de la demande, il doit souscrire, ainsi que les personnes qui cohabiteront avec lui, les engagements suivants à respecter dès la prise en location du logement :
a) ne pas donner le logement en sous-location en tout ou en partie;
b) hormis les enfants nés de ou adoptés par eux après la date de la prise en location, ne permettre l'occupation du logement par des cohabitants supplémentaires que si le logement continue à répondre aux critères de structure et de dimension visés à l'article 3, § 4;
c) consentir à la visite du logement par des agents de l'administration;
d) sauf à les fournir eux-mêmes, autoriser l'administration à solliciter des autorités compétentes les renseignements nécessaires, notamment ceux relatifs à la composition du ménage, aux revenus et au patrimoine immobilier.
[2 Il peut être dérogé à la condition fixée à l'alinéa 1°, 1°, pour les mineurs d'au moins 16 ans encadrés par un service d'aide à la jeunesse agréé par la Communauté française ou la Communauté germanophone en application de la réglementation en la matière.]2
(§ 4. Pour l'application de l'article 2, § 3 :
1° le demandeur doit être âgé de 18 ans au moins ou émancipé;
2° le demandeur doit occuper, (depuis au moins un an), une habitation dans un équipement touristique visé à l'article 2, § 3. [2 ...]2;
3° [3 le demandeur ou le membre du ménage propriétaire de l'habitation quittée cède gratuitement ce droit de propriété à la commune sur laquelle est implantée l'équipement touristique visé à l'article 2, § 3, à des fins de démolition, ou autorise, par écrit, la démolition de cette habitation par la commune susmentionnée]3;
4° [2 ...]2
5° les revenus du ménage dont un membre est demandeur ne peuvent excéder ceux des ménages [3 de catégorie 3]3 au sens de l'article 1er, 31°, du Code wallon du Logement.)
[3 6° pour les équipements situés en phase 1, la demande d'aide est introduite avant le 1er janvier 2028.]3
[3 Concernant l'alinéa 1er, 3°, la démolition peut également intervenir par décision du bourgmestre en application des articles 133 et 135 de la loi communale.]3
[1 ...]1
[1 ...]1
Si les revenus dépassent les montants fixés à l'article 1er, § 1er, 10°, et si le demandeur justifie ce dépassement par des circonstances exceptionnelles ou établit la dégradation de sa situation financière en raison d'une incapacité de travail ou d'une mise en chômage, à la prépension ou à la retraite, les revenus des six derniers mois sont pris en considération et calculés en revenus annuels imposables globalement.
§ 2. Pour l'application de l'article 1er, § 1er, 10°, le logement est déclaré non améliorable ou inhabitable par un agent de l'administration ou par un arrêté du bourgmestre.
§ 3. (Pour l'application de l'article 2, §§ 1er et 2,) à la date de la prise en location, le demandeur doit :
1° être âgé de 18 ans au moins ou émancipé;
2° avoir résidé au moins un an dans le logement inhabitable ou surpeuplé ou inadapté, sauf s'il s'agit d'une personne " sans-abri " ou si le logement est frappé d'une interdiction d'habiter par le bourgmestre.
A la date de la demande, il doit souscrire, ainsi que les personnes qui cohabiteront avec lui, les engagements suivants à respecter dès la prise en location du logement :
a) ne pas donner le logement en sous-location en tout ou en partie;
b) hormis les enfants nés de ou adoptés par eux après la date de la prise en location, ne permettre l'occupation du logement par des cohabitants supplémentaires que si le logement continue à répondre aux critères de structure et de dimension visés à l'article 3, § 4;
c) consentir à la visite du logement par des agents de l'administration;
d) sauf à les fournir eux-mêmes, autoriser l'administration à solliciter des autorités compétentes les renseignements nécessaires, notamment ceux relatifs à la composition du ménage, aux revenus et au patrimoine immobilier.
[2 Il peut être dérogé à la condition fixée à l'alinéa 1°, 1°, pour les mineurs d'au moins 16 ans encadrés par un service d'aide à la jeunesse agréé par la Communauté française ou la Communauté germanophone en application de la réglementation en la matière.]2
(§ 4. Pour l'application de l'article 2, § 3 :
1° le demandeur doit être âgé de 18 ans au moins ou émancipé;
2° le demandeur doit occuper, (depuis au moins un an), une habitation dans un équipement touristique visé à l'article 2, § 3. [2 ...]2;
3° [3 le demandeur ou le membre du ménage propriétaire de l'habitation quittée cède gratuitement ce droit de propriété à la commune sur laquelle est implantée l'équipement touristique visé à l'article 2, § 3, à des fins de démolition, ou autorise, par écrit, la démolition de cette habitation par la commune susmentionnée]3;
4° [2 ...]2
5° les revenus du ménage dont un membre est demandeur ne peuvent excéder ceux des ménages [3 de catégorie 3]3 au sens de l'article 1er, 31°, du Code wallon du Logement.)
[3 6° pour les équipements situés en phase 1, la demande d'aide est introduite avant le 1er janvier 2028.]3
[3 Concernant l'alinéa 1er, 3°, la démolition peut également intervenir par décision du bourgmestre en application des articles 133 et 135 de la loi communale.]3
Art. 5. (§ 1.) De verhuistoelage bedraagt (400 euro) en wordt met 20 % verhoogd per kind ten laste.
(§ 2.) De huurtoelagen zijn gelijk aan het verschil tussen, enerzijds, de huurprijs van de ontruimde woning of haar huurwaarde indien de aanvrager ze als eigenaar of kosteloos zou betrekken, en, anderzijds, de huurprijs van de gehuurde woning, zonder (100 euro) te mogen overschrijden. De maximumtoelage wordt met 20 % verhoogd per kind ten laste. [1 Ze worden alleen maar toegekend als het verschil tussen de huurprijzen minstens 5 euro bedraagt.]1
Wanneer de aanvrager niet langer "dakloos" is, bedragen de huurtoelagen (100 euro) per maand en worden ze tevens met 20 % verhoogd per kind ten laste.
[2 De na aftrek van het bedrag van de toelage betaalde huurprijs mag niet lager zijn dan 12 % van het leefloon, volgens het tarief dat wordt toegepast in functie van de samenstelling van het gezin]2.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt het bedrag van de huurprijs van de ontruimde woning of van haar huurwaarde aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen dat van kracht is bij elke wijziging van de huurprijs van de gezonde of geschikte woning.
[1 De huurtoelagen mogen niet worden gecumuleerd met huurtegemoetkomingen toegekend krachtens het besluit van de Waalse Regering van 20 juni 2013 tot bepaling van de tegemoetkomingsvoorwaarden van het Gewest in de huurprijs van de woningen die gehuurd of in beheer worden genomen door een sociaal vastgoedagentschap of een vereniging voor de bevordering van de huisvesting en het besluit van de Waalse Regering van 20 juni 2013 tot bepaling van de voorwaarden waaronder het Gewest een tegemoetkoming verstrekt in de huurprijs van de woningen die gehuurd of in beheer worden genomen door een openbare huisvestingsmaatschappij. De gecumuleerde bedragen van de huurtoelage en de huurtegemoetkoming mogen evenwel niet hoger zijn dan 200 euro. De huurtoelage wordt desgevallend verminderd met het nodige bedrag.
De huurtoelagen zijn uitsluitend verschuldigd als het bedrag berekend krachtens het vierde lid minstens 5 euro bedraagt.]1
[3 De huurtoelagen kunnen niet worden gecumuleerd met de steun die wordt toegekend in toepassing van het besluit van de Waalse Regering van 10 maart 2023 betreffende de toekenning van een huur- en een energietoeslag aan bepaalde kandidaten voor de toewijzing van een woning van openbaar nut die wordt verhuurd door een openbare huisvestingsmaatschappij in toepassing van artikel 94, § 1, van het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen en houdende diverse wijzigingen.]3
(De in artikel 4 bedoelde bedragen worden verbonden aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van september 1998 en worden op 1 januari van elk jaar aangepast naar gelang van de index van de maand september van het vorige jaar; de aldus verkregen bedragen worden op een heel tiental cent naar boven of naar beneden afgerond, al naar gelang hun laatste cijfer al dan niet vijf eenheden bereiken.)
[1 § 2bis. De huurtoelagen bedoeld in artikel 2, § 2bis, zijn gelijk aan het bedrag van de opzeggingsvergoeding die verschuldigd is krachtens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake huur van de hoofdverblijfplaats van de huurder, met een maximum van 200 euro per verschuldigde maand en zonder overschrijding van het bedrag van de maandelijkse huur van de ontruimde woning.]1
(§ 3. [4 Voor aanvragers die een woonplaats verlaten, gelegen in een uitrusting opgenomen in fase 1, bedraagt de in artikel 2, § 3, bedoelde toelage 10.000 indien ten minste één gezinslid eigenaar is van de ontruimde woonplaats. Ze wordt verdubbeld als de ontruimde woonplaats geen caravan is en met een bewoonbare oppervlakte van meer dan 35 m2, met uitzondering van de bergplaatsen, de washokken, de berghokken en de verschillende bijgebouwen.
Ze bedraagt 1.240 indien geen gezinslid eigenaar is van de ontruimde woonplaats.
Ze wordt verhoogd met 250 per kind ten laste.
Die toelage wordt enkel één keer per gezin verleend.
Met betrekking tot het eerste lid 1:
1° wanneer de aanvrager of geen lid van zijn gezin eigenaar is van het perceel waarop de ontruimde woonplaats is gelegen:
- de aanvrager of een lid van zijn gezin is eigenaar en betrekt de ontruimde woonplaats sinds één jaar;
- de eigenaar van de uitrusting of een gedeelte ervan, waarin de ontruimde woonplaats is gelegen, heeft eerder een overeenkomst met de gemeente getekend betreffende de controle op de ingangen;
2° wanneer de aanvrager of een lid van zijn gezin eigenaar is van het perceel waarop de ontruimde woonplaats is gelegen:
- de aanvrager of een lid van zijn gezin is eigenaar en betrekt de ontruimde woonplaats sinds één jaar;
- de aanvrager staat het perceel af aan de gemeente;
- hij/zij heeft in volle eigendom of in vruchtgebruiker enkel het perceel waarop de ontruimde woonplaats werd gelegen en wordt geen eigenaar of vruchtgebruiker van een perceel binnen tien jaar na de kennisgeving betreffende de toekenning van steun.]4
[4 § 4. Voor aanvragers die een woonplaats verlaten, gelegen in een uitrusting opgenomen in Fase 2, bedraagt de in artikel 2, § 3, bedoelde toelage 5.000 indien ten minste één gezinslid eigenaar is van de ontruimde woonplaats.
Ze bedraagt 1.240 als geen enkel gezinslid eigenaar is van de ontruimde woning.
Ze wordt verhoogd met 250 per kind ten laste.
Die toelage wordt enkel één keer per gezin verleend.
Met betrekking tot het eerste lid, indien de aanvrager of een lid van zijn gezin ook eigenaar is van het perceel waarop de ontruimde woonplaats werd gelegen:
1° hij/zij neemt op zich de volgende verbintenissen met betrekking tot het ontruimde perceel:
- ofwel het perceel vrij te houden van elke woonplaats;
- ofwel het perceel uitsluitend te bestemmen voor toerisme;
- ofwel, als het perceel wordt verkocht, de wederaankoop van het perceel bij voorkeur voor te stellen aan de gemeente.
- hij/zij heeft in volle eigendom of in vruchtgebruiker enkel het perceel waarop de ontruimde woonplaats werd gelegen en wordt geen eigenaar of vruchtgebruiker van een perceel binnen tien jaar na de kennisgeving betreffende de toekenning van steun.]4
[4 § 5. De voorwaarden bedoeld in § 3 en § 4 zijn cumulatief met de voorwaarden bedoeld in artikel 4, § 4.]4
(§ 2.) De huurtoelagen zijn gelijk aan het verschil tussen, enerzijds, de huurprijs van de ontruimde woning of haar huurwaarde indien de aanvrager ze als eigenaar of kosteloos zou betrekken, en, anderzijds, de huurprijs van de gehuurde woning, zonder (100 euro) te mogen overschrijden. De maximumtoelage wordt met 20 % verhoogd per kind ten laste. [1 Ze worden alleen maar toegekend als het verschil tussen de huurprijzen minstens 5 euro bedraagt.]1
Wanneer de aanvrager niet langer "dakloos" is, bedragen de huurtoelagen (100 euro) per maand en worden ze tevens met 20 % verhoogd per kind ten laste.
[2 De na aftrek van het bedrag van de toelage betaalde huurprijs mag niet lager zijn dan 12 % van het leefloon, volgens het tarief dat wordt toegepast in functie van de samenstelling van het gezin]2.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt het bedrag van de huurprijs van de ontruimde woning of van haar huurwaarde aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen dat van kracht is bij elke wijziging van de huurprijs van de gezonde of geschikte woning.
[1 De huurtoelagen mogen niet worden gecumuleerd met huurtegemoetkomingen toegekend krachtens het besluit van de Waalse Regering van 20 juni 2013 tot bepaling van de tegemoetkomingsvoorwaarden van het Gewest in de huurprijs van de woningen die gehuurd of in beheer worden genomen door een sociaal vastgoedagentschap of een vereniging voor de bevordering van de huisvesting en het besluit van de Waalse Regering van 20 juni 2013 tot bepaling van de voorwaarden waaronder het Gewest een tegemoetkoming verstrekt in de huurprijs van de woningen die gehuurd of in beheer worden genomen door een openbare huisvestingsmaatschappij. De gecumuleerde bedragen van de huurtoelage en de huurtegemoetkoming mogen evenwel niet hoger zijn dan 200 euro. De huurtoelage wordt desgevallend verminderd met het nodige bedrag.
De huurtoelagen zijn uitsluitend verschuldigd als het bedrag berekend krachtens het vierde lid minstens 5 euro bedraagt.]1
[3 De huurtoelagen kunnen niet worden gecumuleerd met de steun die wordt toegekend in toepassing van het besluit van de Waalse Regering van 10 maart 2023 betreffende de toekenning van een huur- en een energietoeslag aan bepaalde kandidaten voor de toewijzing van een woning van openbaar nut die wordt verhuurd door een openbare huisvestingsmaatschappij in toepassing van artikel 94, § 1, van het Waalse Wetboek van Duurzaam Wonen en houdende diverse wijzigingen.]3
(De in artikel 4 bedoelde bedragen worden verbonden aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van september 1998 en worden op 1 januari van elk jaar aangepast naar gelang van de index van de maand september van het vorige jaar; de aldus verkregen bedragen worden op een heel tiental cent naar boven of naar beneden afgerond, al naar gelang hun laatste cijfer al dan niet vijf eenheden bereiken.)
[1 § 2bis. De huurtoelagen bedoeld in artikel 2, § 2bis, zijn gelijk aan het bedrag van de opzeggingsvergoeding die verschuldigd is krachtens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake huur van de hoofdverblijfplaats van de huurder, met een maximum van 200 euro per verschuldigde maand en zonder overschrijding van het bedrag van de maandelijkse huur van de ontruimde woning.]1
(§ 3. [4 Voor aanvragers die een woonplaats verlaten, gelegen in een uitrusting opgenomen in fase 1, bedraagt de in artikel 2, § 3, bedoelde toelage 10.000 indien ten minste één gezinslid eigenaar is van de ontruimde woonplaats. Ze wordt verdubbeld als de ontruimde woonplaats geen caravan is en met een bewoonbare oppervlakte van meer dan 35 m2, met uitzondering van de bergplaatsen, de washokken, de berghokken en de verschillende bijgebouwen.
Ze bedraagt 1.240 indien geen gezinslid eigenaar is van de ontruimde woonplaats.
Ze wordt verhoogd met 250 per kind ten laste.
Die toelage wordt enkel één keer per gezin verleend.
Met betrekking tot het eerste lid 1:
1° wanneer de aanvrager of geen lid van zijn gezin eigenaar is van het perceel waarop de ontruimde woonplaats is gelegen:
- de aanvrager of een lid van zijn gezin is eigenaar en betrekt de ontruimde woonplaats sinds één jaar;
- de eigenaar van de uitrusting of een gedeelte ervan, waarin de ontruimde woonplaats is gelegen, heeft eerder een overeenkomst met de gemeente getekend betreffende de controle op de ingangen;
2° wanneer de aanvrager of een lid van zijn gezin eigenaar is van het perceel waarop de ontruimde woonplaats is gelegen:
- de aanvrager of een lid van zijn gezin is eigenaar en betrekt de ontruimde woonplaats sinds één jaar;
- de aanvrager staat het perceel af aan de gemeente;
- hij/zij heeft in volle eigendom of in vruchtgebruiker enkel het perceel waarop de ontruimde woonplaats werd gelegen en wordt geen eigenaar of vruchtgebruiker van een perceel binnen tien jaar na de kennisgeving betreffende de toekenning van steun.]4
[4 § 4. Voor aanvragers die een woonplaats verlaten, gelegen in een uitrusting opgenomen in Fase 2, bedraagt de in artikel 2, § 3, bedoelde toelage 5.000 indien ten minste één gezinslid eigenaar is van de ontruimde woonplaats.
Ze bedraagt 1.240 als geen enkel gezinslid eigenaar is van de ontruimde woning.
Ze wordt verhoogd met 250 per kind ten laste.
Die toelage wordt enkel één keer per gezin verleend.
Met betrekking tot het eerste lid, indien de aanvrager of een lid van zijn gezin ook eigenaar is van het perceel waarop de ontruimde woonplaats werd gelegen:
1° hij/zij neemt op zich de volgende verbintenissen met betrekking tot het ontruimde perceel:
- ofwel het perceel vrij te houden van elke woonplaats;
- ofwel het perceel uitsluitend te bestemmen voor toerisme;
- ofwel, als het perceel wordt verkocht, de wederaankoop van het perceel bij voorkeur voor te stellen aan de gemeente.
- hij/zij heeft in volle eigendom of in vruchtgebruiker enkel het perceel waarop de ontruimde woonplaats werd gelegen en wordt geen eigenaar of vruchtgebruiker van een perceel binnen tien jaar na de kennisgeving betreffende de toekenning van steun.]4
[4 § 5. De voorwaarden bedoeld in § 3 en § 4 zijn cumulatief met de voorwaarden bedoeld in artikel 4, § 4.]4
Art. 5. (§ 1.) L'allocation de déménagement s'élève à (400 euros) et est majorée de 20 % par enfant à charge.
(§ 2.) Les allocations de loyer s'élèvent à la différence entre, d'une part, le loyer du logement évacué ou sa valeur locative si le demandeur l'occupait en tant que propriétaire ou à titre gratuit et, d'autre part, le loyer du logement pris en location, sans pouvoir excéder (100 euros). Le maximum de l'allocation est majoré de 20 % par enfant à charge. [1 Elles sont uniquement accordées si la différence entre loyers s'élève à au moins 5 euros.]1
Lorsque le demandeur sort d'une situation de " sans-abri ", les allocations de loyer s'élèvent à (100 euros) par mois et sont également majorées de 20 % par enfant à charge.
[2 Le loyer payé, déduction faite du montant de l'allocation, ne peut être inférieur à 12 % du revenu d'intégration, selon le taux appliqué en fonction de la composition du ménage]2.
Pour l'application de l'alinéa 2, le montant du loyer du logement évacué ou de sa valeur locative est adapté à l'indice des prix à la consommation en vigueur lors de chaque variation du loyer du logement salubre ou adapté.
[1 Les allocations de loyer peuvent être cumulées avec les aides à la location de loyer octroyées en vertu de l'arrêté du Gouvernement wallon du 20 juin 2013 déterminant les conditions d'intervention de la Région dans le loyer des logements pris en gestion ou loués par une agence immobilière sociale ou par une association de promotion du logement et de l'arrêté du Gouvernement wallon du 20 juin 2013 déterminant les conditions d'intervention de la Région dans le loyer des logements pris en gestion ou loués par une société de logement de service public. Les montants cumulés de l'allocation et de l'aide à la location ne peuvent toutefois pas dépasser 200 euros. L'allocation de loyer est diminuée le cas échéant du montant nécessaire.
Les allocations de loyer sont uniquement dues si le montant calculé en vertu de l'alinéa 4 atteint au moins 5 euros.]1
[3 Les allocations de loyer ne peuvent pas être cumulées avec l'aide accordée en application de l'arrêté du Gouvernement wallon du 10 mars 2023 relatif à l'octroi d'une allocation de loyer et d'un complément énergie à certains candidats à l'attribution d'un logement d'utilité publique donné en location par une société de logement de service public en application de l'article 94, § 1er, du Code wallon de l'Habitation durable et portant des modifications diverses.]3
(Les montants visés à l'alinéa 4 sont rattachés à l'indice des prix à la consommation du mois de septembre 1998 et sont adaptés au 1er janvier de chaque année en fonction de l'indice du mois de septembre de l'année précédente, les montants ainsi obtenus étant arrondis à la dizaine de cents supérieure ou inférieure selon que leur dernier chiffre atteint ou non cinq cents.)
[1 § 2bis. Les allocations de loyer visées à l'article 2, § 2bis, s'élèvent au montant de l'indemnité de rupture due en vertu des dispositions particulières aux baux relatifs à la résidence principale du preneur contenues dans le Code civil, avec un maximum de 200 euros par mois dû, et sans pouvoir excéder le montant du loyer mensuel du logement quitté.]1
§ 3. [4 Pour les demandeurs quittant une habitation située dans un équipement repris en Phase 1, l'allocation visée à l'article 2, § 3, s'élève à 10.000 si au moins un membre du ménage est propriétaire de l'habitation quittée. Elle est doublée lorsque l'habitation quittée n'est pas une caravane et a une superficie occupable de plus de 35 m2 à l'exclusion des remises, buanderies, débarras et annexes diverses.
Elle s'élève à 1.240 si aucun membre du ménage n'est pas propriétaire de l'habitation quittée.
Elle est majorée de 250 par enfant à charge.
Cette allocation n'est octroyée qu'une seule fois par ménage.
Concernant l'alinéa 1er :
1° lorsque le demandeur ou aucun membre de son ménage n'est pas propriétaire de la parcelle sur laquelle se trouve l'habitation quittée :
- le demandeur ou un membre de son ménage est propriétaire et occupe l'habitation quittée depuis un an;
- le propriétaire de tout ou partie de l'équipement dans lequel se trouve l'habitation quittée a signé préalablement avec la commune une convention relative à la maîtrise des entrées;
2° lorsque le demandeur ou un membre de son ménage est propriétaire de la parcelle sur laquelle se trouve l'habitation quittée :
- le demandeur ou un membre de son ménage est propriétaire et occupe l'habitation quittée depuis un an;
- le demandeur cède la parcelle à la commune;
- il détient en pleine propriété ou en usufruit uniquement la parcelle sur laquelle se trouvait l'habitation occupée et ne devient pas propriétaire ou usufruitier d'une parcelle dans les dix ans suivant la notification d'octroi de l'aide.]4
[4 § 4. Pour les demandeurs quittant une habitation située dans un équipement repris en Phase 2, l'allocation visée à l'article 2, § 3, s'élève à 5.000 si au moins un membre du ménage est propriétaire de l'habitation quittée.
Elle s'élève à 1.240 si aucun membre du ménage n'est propriétaire de l'habitation quittée.
Elle est majorée de 250 par enfant à charge.
Cette allocation n'est octroyée qu'une seule fois par ménage.
Concernant l'alinéa 1er, si le demandeur ou un membre de son ménage est également propriétaire de la parcelle sur laquelle se trouvait l'habitation occupée :
1° il prend les engagements suivants relatifs à la parcelle quittée :
- soit maintenir la parcelle vierge de toute habitation;
- soit affecter la parcelle uniquement à une fonction touristique;
- soit, en cas de vente de la parcelle, proposer préférentiellement la parcelle au rachat par la commune.
2° il détient en pleine propriété ou en usufruit uniquement la parcelle sur laquelle se trouvait l'habitation occupée et ne devient pas propriétaire ou usufruitier d'une parcelle dans les dix ans suivant la notification d'octroi de l'aide;]4
[4 § 5. Les conditions visées aux § 3 et § 4 sont cumulatives avec celles visées à l'article 4, § 4.]4
(§ 2.) Les allocations de loyer s'élèvent à la différence entre, d'une part, le loyer du logement évacué ou sa valeur locative si le demandeur l'occupait en tant que propriétaire ou à titre gratuit et, d'autre part, le loyer du logement pris en location, sans pouvoir excéder (100 euros). Le maximum de l'allocation est majoré de 20 % par enfant à charge. [1 Elles sont uniquement accordées si la différence entre loyers s'élève à au moins 5 euros.]1
Lorsque le demandeur sort d'une situation de " sans-abri ", les allocations de loyer s'élèvent à (100 euros) par mois et sont également majorées de 20 % par enfant à charge.
[2 Le loyer payé, déduction faite du montant de l'allocation, ne peut être inférieur à 12 % du revenu d'intégration, selon le taux appliqué en fonction de la composition du ménage]2.
Pour l'application de l'alinéa 2, le montant du loyer du logement évacué ou de sa valeur locative est adapté à l'indice des prix à la consommation en vigueur lors de chaque variation du loyer du logement salubre ou adapté.
[1 Les allocations de loyer peuvent être cumulées avec les aides à la location de loyer octroyées en vertu de l'arrêté du Gouvernement wallon du 20 juin 2013 déterminant les conditions d'intervention de la Région dans le loyer des logements pris en gestion ou loués par une agence immobilière sociale ou par une association de promotion du logement et de l'arrêté du Gouvernement wallon du 20 juin 2013 déterminant les conditions d'intervention de la Région dans le loyer des logements pris en gestion ou loués par une société de logement de service public. Les montants cumulés de l'allocation et de l'aide à la location ne peuvent toutefois pas dépasser 200 euros. L'allocation de loyer est diminuée le cas échéant du montant nécessaire.
Les allocations de loyer sont uniquement dues si le montant calculé en vertu de l'alinéa 4 atteint au moins 5 euros.]1
[3 Les allocations de loyer ne peuvent pas être cumulées avec l'aide accordée en application de l'arrêté du Gouvernement wallon du 10 mars 2023 relatif à l'octroi d'une allocation de loyer et d'un complément énergie à certains candidats à l'attribution d'un logement d'utilité publique donné en location par une société de logement de service public en application de l'article 94, § 1er, du Code wallon de l'Habitation durable et portant des modifications diverses.]3
(Les montants visés à l'alinéa 4 sont rattachés à l'indice des prix à la consommation du mois de septembre 1998 et sont adaptés au 1er janvier de chaque année en fonction de l'indice du mois de septembre de l'année précédente, les montants ainsi obtenus étant arrondis à la dizaine de cents supérieure ou inférieure selon que leur dernier chiffre atteint ou non cinq cents.)
[1 § 2bis. Les allocations de loyer visées à l'article 2, § 2bis, s'élèvent au montant de l'indemnité de rupture due en vertu des dispositions particulières aux baux relatifs à la résidence principale du preneur contenues dans le Code civil, avec un maximum de 200 euros par mois dû, et sans pouvoir excéder le montant du loyer mensuel du logement quitté.]1
§ 3. [4 Pour les demandeurs quittant une habitation située dans un équipement repris en Phase 1, l'allocation visée à l'article 2, § 3, s'élève à 10.000 si au moins un membre du ménage est propriétaire de l'habitation quittée. Elle est doublée lorsque l'habitation quittée n'est pas une caravane et a une superficie occupable de plus de 35 m2 à l'exclusion des remises, buanderies, débarras et annexes diverses.
Elle s'élève à 1.240 si aucun membre du ménage n'est pas propriétaire de l'habitation quittée.
Elle est majorée de 250 par enfant à charge.
Cette allocation n'est octroyée qu'une seule fois par ménage.
Concernant l'alinéa 1er :
1° lorsque le demandeur ou aucun membre de son ménage n'est pas propriétaire de la parcelle sur laquelle se trouve l'habitation quittée :
- le demandeur ou un membre de son ménage est propriétaire et occupe l'habitation quittée depuis un an;
- le propriétaire de tout ou partie de l'équipement dans lequel se trouve l'habitation quittée a signé préalablement avec la commune une convention relative à la maîtrise des entrées;
2° lorsque le demandeur ou un membre de son ménage est propriétaire de la parcelle sur laquelle se trouve l'habitation quittée :
- le demandeur ou un membre de son ménage est propriétaire et occupe l'habitation quittée depuis un an;
- le demandeur cède la parcelle à la commune;
- il détient en pleine propriété ou en usufruit uniquement la parcelle sur laquelle se trouvait l'habitation occupée et ne devient pas propriétaire ou usufruitier d'une parcelle dans les dix ans suivant la notification d'octroi de l'aide.]4
[4 § 4. Pour les demandeurs quittant une habitation située dans un équipement repris en Phase 2, l'allocation visée à l'article 2, § 3, s'élève à 5.000 si au moins un membre du ménage est propriétaire de l'habitation quittée.
Elle s'élève à 1.240 si aucun membre du ménage n'est propriétaire de l'habitation quittée.
Elle est majorée de 250 par enfant à charge.
Cette allocation n'est octroyée qu'une seule fois par ménage.
Concernant l'alinéa 1er, si le demandeur ou un membre de son ménage est également propriétaire de la parcelle sur laquelle se trouvait l'habitation occupée :
1° il prend les engagements suivants relatifs à la parcelle quittée :
- soit maintenir la parcelle vierge de toute habitation;
- soit affecter la parcelle uniquement à une fonction touristique;
- soit, en cas de vente de la parcelle, proposer préférentiellement la parcelle au rachat par la commune.
2° il détient en pleine propriété ou en usufruit uniquement la parcelle sur laquelle se trouvait l'habitation occupée et ne devient pas propriétaire ou usufruitier d'une parcelle dans les dix ans suivant la notification d'octroi de l'aide;]4
[4 § 5. Les conditions visées aux § 3 et § 4 sont cumulatives avec celles visées à l'article 4, § 4.]4
Art. 6. § 1. De huurtoelagen [1 bedoeld in artikel 2, §§ 1 en 2]1 worden toegekend tijdens een periode van twee jaar vanaf de huur van de gezonde of geschikte woning.
§ 2. (Na die periode kan het hurend gezin verder in aanmerking komen voor huurtoelagen tijdens periodes van twee jaar voor zover het voldoet aan volgende voorwaarden :
)
1° geen inkomsten hebben die 30 % meer bedragen dan de in artikel 1, § 1, 10°, bedoelde bedragen;
2° alleen of samen met de andere medebewoners van de woning, niet het volle eigendom of het volle vruchtgebruik ervan hebben, behalve wanneer het een onverbeterbare of onbewoonbare woning betreft; in dat geval moeten de bepalingen van artikel 4, § 2, worden toegepast.
[2 3° geen huurder zijn van een woning van openbare nut die door een openbare huisvestingsmaatschappij wordt gehuurd.]2
Het bedrag van de per periode van twee jaar toe te kennen huurtoelagen bedraagt :
1° 100 % van het overeenkomstig de bepalingen van artikel 5 berekende bedrag, wanneer de inkomsten de in artikel 1, § 1, 10°, bedoelde bedragen niet overschrijden;
2° 50 % van het aldus berekende bedrag, wanneer de inkomsten niet meer dan 30 % hoger zijn dan de in artikel 1, § 1, 10°, vastgestelde bedragen.
Zodra het recht op huurtoelagen niet kan worden verlengd voor een nieuwe periode omdat niet wordt voldaan aan één van de in het eerste lid bedoelde voorwaarden, wordt dat voordeel definitief afgeschaft.
§ 3. Wanneer de begunstigde van huurtoelagen de gezonde of geschikte woning ontruimt om een andere gezonde of geschikte woning in huur te nemen, worden de toelagen voor de aan de gang zijnde periode verder verleend op voorwaarde [1 dat de verhuizing binnen drie maanden na de installatie in de nieuwe woning wordt vermeld]1.
§ 4. Bij overlijden van de begunstigde van huurtoelagen blijft de overlevende echtgenoot of de persoon met wie hij ongehuwd samenleefde, in aanmerking komen voor toelagen.
Indien de begunstigde bij zijn overlijden apart woonde, worden de huurtoelagen verder toegekend aan de overlevende medebewoner, en indien er meerdere overlevende medebewoners zijn, aan degene die door alle meerderjarige of ontvoogde medebewoners wordt aangeduid.
§ 2. (Na die periode kan het hurend gezin verder in aanmerking komen voor huurtoelagen tijdens periodes van twee jaar voor zover het voldoet aan volgende voorwaarden :
)
1° geen inkomsten hebben die 30 % meer bedragen dan de in artikel 1, § 1, 10°, bedoelde bedragen;
2° alleen of samen met de andere medebewoners van de woning, niet het volle eigendom of het volle vruchtgebruik ervan hebben, behalve wanneer het een onverbeterbare of onbewoonbare woning betreft; in dat geval moeten de bepalingen van artikel 4, § 2, worden toegepast.
[2 3° geen huurder zijn van een woning van openbare nut die door een openbare huisvestingsmaatschappij wordt gehuurd.]2
Het bedrag van de per periode van twee jaar toe te kennen huurtoelagen bedraagt :
1° 100 % van het overeenkomstig de bepalingen van artikel 5 berekende bedrag, wanneer de inkomsten de in artikel 1, § 1, 10°, bedoelde bedragen niet overschrijden;
2° 50 % van het aldus berekende bedrag, wanneer de inkomsten niet meer dan 30 % hoger zijn dan de in artikel 1, § 1, 10°, vastgestelde bedragen.
Zodra het recht op huurtoelagen niet kan worden verlengd voor een nieuwe periode omdat niet wordt voldaan aan één van de in het eerste lid bedoelde voorwaarden, wordt dat voordeel definitief afgeschaft.
§ 3. Wanneer de begunstigde van huurtoelagen de gezonde of geschikte woning ontruimt om een andere gezonde of geschikte woning in huur te nemen, worden de toelagen voor de aan de gang zijnde periode verder verleend op voorwaarde [1 dat de verhuizing binnen drie maanden na de installatie in de nieuwe woning wordt vermeld]1.
§ 4. Bij overlijden van de begunstigde van huurtoelagen blijft de overlevende echtgenoot of de persoon met wie hij ongehuwd samenleefde, in aanmerking komen voor toelagen.
Indien de begunstigde bij zijn overlijden apart woonde, worden de huurtoelagen verder toegekend aan de overlevende medebewoner, en indien er meerdere overlevende medebewoners zijn, aan degene die door alle meerderjarige of ontvoogde medebewoners wordt aangeduid.
Art. 6. § 1er. Les allocations de loyer [1 visées à l'article 2, §§ 1er et 2]1 sont octroyées pendant une période de deux ans à compter de la prise en location du logement salubre ou adapté.
§ 2. (Au delà de cette période, le ménage locataire peut continuer à bénéficier d'allocations de loyer, par périodes de deux ans, tant qu'il répond aux conditions suivantes :
)
1° ne pas avoir de revenus excédant de plus de 30 % les montants fixés à l'article 1er, § 1er, 10°;
2° ne pas posséder, seuls ou avec les autres personnes qui cohabitent dans le logement, la pleine propriété ou le plein usufruit d'un logement, sauf s'il s'agit d'un logement non améliorable ou inhabitable, auquel cas les dispositions de l'article 4, § 2, doivent être appliquées.
[2 3° ne pas être locataire d'un logement d'utilité publique donné en location par une société de logement de service public]2
Le montant des allocations de loyer à accorder par période de deux ans s'élève à :
1° 100 % du montant calculé conformément aux dispositions de l'article 5, lorsque les revenus n'excèdent pas les montants fixés à l'article 1er, § 1er, 10°;
2° 50 % du montant ainsi calculé, lorsque les revenus n'excèdent pas de plus de 30 % les montants fixés à l'article 1er, § 1er, 10°.
Dès que le bénéfice d'allocations de loyer ne peut être prolongé pour une nouvelle période, en raison du non-respect d'une des conditions visées à l'alinéa 1er, la suppression de l'avantage est définitive.
§ 3. Lorsque le bénéficiaire d'allocations de loyer quitte le logement salubre ou adapté pour prendre en location un autre logement également salubre ou adapté, les allocations continuent à être octroyées pour la période en cours, à condition [1 que le déménagement ait été signalé dans les trois mois de l'installation dans le nouveau logement]1.
§ 4. En cas de décès du bénéficiaire d'allocations de loyer, le conjoint survivant ou la personne avec laquelle il vivait maritalement continue à être reconnu admissible au bénéfice des allocations.
Si le bénéficiaire ne vivait pas en couple au moment de son décès, les allocations de loyer continuent d'être attribuées au cohabitant survivant et, dans l'hypothèse de l'existence de plusieurs cohabitants survivants, à celui qui aura été désigné par l'ensemble des cohabitants âgés d'au moins 18 ans ou émancipés.
§ 2. (Au delà de cette période, le ménage locataire peut continuer à bénéficier d'allocations de loyer, par périodes de deux ans, tant qu'il répond aux conditions suivantes :
)
1° ne pas avoir de revenus excédant de plus de 30 % les montants fixés à l'article 1er, § 1er, 10°;
2° ne pas posséder, seuls ou avec les autres personnes qui cohabitent dans le logement, la pleine propriété ou le plein usufruit d'un logement, sauf s'il s'agit d'un logement non améliorable ou inhabitable, auquel cas les dispositions de l'article 4, § 2, doivent être appliquées.
[2 3° ne pas être locataire d'un logement d'utilité publique donné en location par une société de logement de service public]2
Le montant des allocations de loyer à accorder par période de deux ans s'élève à :
1° 100 % du montant calculé conformément aux dispositions de l'article 5, lorsque les revenus n'excèdent pas les montants fixés à l'article 1er, § 1er, 10°;
2° 50 % du montant ainsi calculé, lorsque les revenus n'excèdent pas de plus de 30 % les montants fixés à l'article 1er, § 1er, 10°.
Dès que le bénéfice d'allocations de loyer ne peut être prolongé pour une nouvelle période, en raison du non-respect d'une des conditions visées à l'alinéa 1er, la suppression de l'avantage est définitive.
§ 3. Lorsque le bénéficiaire d'allocations de loyer quitte le logement salubre ou adapté pour prendre en location un autre logement également salubre ou adapté, les allocations continuent à être octroyées pour la période en cours, à condition [1 que le déménagement ait été signalé dans les trois mois de l'installation dans le nouveau logement]1.
§ 4. En cas de décès du bénéficiaire d'allocations de loyer, le conjoint survivant ou la personne avec laquelle il vivait maritalement continue à être reconnu admissible au bénéfice des allocations.
Si le bénéficiaire ne vivait pas en couple au moment de son décès, les allocations de loyer continuent d'être attribuées au cohabitant survivant et, dans l'hypothèse de l'existence de plusieurs cohabitants survivants, à celui qui aura été désigné par l'ensemble des cohabitants âgés d'au moins 18 ans ou émancipés.
Art. 7. § 1. (Voor de toepassing van artikel 2, §§ 1 en 2,) wordt de premieaanvraag aan het bestuur gericht aan de hand van het door het bestuur afgegeven formulier. Het bestuur richt aan de aanvrager een ontvangstbericht van zijn aanvraag binnen 15 dagen nadat het formulier toegezonden werd en vraagt hem in voorkomend geval elk document dat nuttig is om die verder aan te vullen.
§ 2. Om als volledig te worden beschouwd bevat de premieaanvraag (onverminderd de toepassing van § 2bis) :
1° een uittreksel uit het bevolkingscijfer waarbij de samenstelling van het gezin van de premieaanvrager is vastgesteld;
2° de duidelijke identificatie van de gehuurde woning en van de ontruimde woning of van de toestand van "dakloze" die door de aanvraag wordt beleven;
3° het formulier met de in artikel 4, § 3, tweede lid, bedoelde verbintenissen;
4° een verklaring op erewoord waarin de aanvrager verklaart dat de bij artikel 1, § 1, 10°, opgelegde patrimoniumvoorwaarde wordt nageleefd.
(§ 2bis. De aanvraag wordt eveneens als volledig beschouwd indien hij ingediend wordt overeenkomstig artikel 2, § 1, 3°, door middel van het formulier opgenomen in bijlage 2, behoorlijk ingevuld en ondertekend door de maatschappij.)
§ 3. De datum van de aanvraag is die van de poststempel die voorkomt op de verzending met al de vereiste documenten of, in voorkomend geval, de documenten die de aanvraag aanvullen.
§ 4. (Op straffe van onontvankelijkheid van de aanvraag dient de datum ervan, bepaald in § 3, uiterlijk zes maanden na aanvang van de huur te vallen of, bij toepassing van artikel 2, § 4, 1°, uiterlijk zes maanden na het einde van de werken, of, bij toepassing van artikel 2, § 4, 2°, uiterlijk zes maanden na het laatste vertrek van de medebewoners, of, bij toepassing van artikel 2, § 1, 3°, uiterlijk vierentwintig maanden na datum van de verhuis.)
§ 5. In geval van meervoudige aanvragen betreffende de ontruiming van éénzelfde woning met het oog op de huur van meerdere woningen is het aan iedere aanvraag te geven gevolg onafhankelijk van het aan de andere aanvragen te geven gevolg.
Wanneer de ontruiming van meerdere woningen aanleiding geeft tot de huur van één enkele woning door alle verhuisde personen, wordt de verhuistoelage voor elke ontruimde woning toegekend, terwijl de huurtoelagen slechts aan één aanvrager worden verleend, die aangewezen wordt door alle aanvragers die om de verhuistoelage hebben verzocht.
Voor de berekening van de huurtoelagen in geval van toepassing van de eerste en tweede leden schat het bestuur de huurprijzen van door meerdere gezinnen betrokken of te betrekken woningen per aanvrager.
§ 6. In geval van scheiding, na de datum van de aanvraag, tussen de aanvrager en zijn echtgenote of de persoon met wie hij ongehuwd samenleeft, onderzoekt het bestuur de toestand van beide partijen, met name voor de kinderen ten laste, en wijst het de begunstigde van de toelagen aan.
§ 2. Om als volledig te worden beschouwd bevat de premieaanvraag (onverminderd de toepassing van § 2bis) :
1° een uittreksel uit het bevolkingscijfer waarbij de samenstelling van het gezin van de premieaanvrager is vastgesteld;
2° de duidelijke identificatie van de gehuurde woning en van de ontruimde woning of van de toestand van "dakloze" die door de aanvraag wordt beleven;
3° het formulier met de in artikel 4, § 3, tweede lid, bedoelde verbintenissen;
4° een verklaring op erewoord waarin de aanvrager verklaart dat de bij artikel 1, § 1, 10°, opgelegde patrimoniumvoorwaarde wordt nageleefd.
(§ 2bis. De aanvraag wordt eveneens als volledig beschouwd indien hij ingediend wordt overeenkomstig artikel 2, § 1, 3°, door middel van het formulier opgenomen in bijlage 2, behoorlijk ingevuld en ondertekend door de maatschappij.)
§ 3. De datum van de aanvraag is die van de poststempel die voorkomt op de verzending met al de vereiste documenten of, in voorkomend geval, de documenten die de aanvraag aanvullen.
§ 4. (Op straffe van onontvankelijkheid van de aanvraag dient de datum ervan, bepaald in § 3, uiterlijk zes maanden na aanvang van de huur te vallen of, bij toepassing van artikel 2, § 4, 1°, uiterlijk zes maanden na het einde van de werken, of, bij toepassing van artikel 2, § 4, 2°, uiterlijk zes maanden na het laatste vertrek van de medebewoners, of, bij toepassing van artikel 2, § 1, 3°, uiterlijk vierentwintig maanden na datum van de verhuis.)
§ 5. In geval van meervoudige aanvragen betreffende de ontruiming van éénzelfde woning met het oog op de huur van meerdere woningen is het aan iedere aanvraag te geven gevolg onafhankelijk van het aan de andere aanvragen te geven gevolg.
Wanneer de ontruiming van meerdere woningen aanleiding geeft tot de huur van één enkele woning door alle verhuisde personen, wordt de verhuistoelage voor elke ontruimde woning toegekend, terwijl de huurtoelagen slechts aan één aanvrager worden verleend, die aangewezen wordt door alle aanvragers die om de verhuistoelage hebben verzocht.
Voor de berekening van de huurtoelagen in geval van toepassing van de eerste en tweede leden schat het bestuur de huurprijzen van door meerdere gezinnen betrokken of te betrekken woningen per aanvrager.
§ 6. In geval van scheiding, na de datum van de aanvraag, tussen de aanvrager en zijn echtgenote of de persoon met wie hij ongehuwd samenleeft, onderzoekt het bestuur de toestand van beide partijen, met name voor de kinderen ten laste, en wijst het de begunstigde van de toelagen aan.
Art. 7. § 1er. (Pour l'application de l'article 2, §§ 1er et 2,) la demande d'allocations est adressée à l'administration au moyen du formulaire délivré par celle-ci. Elle adresse au demandeur un avis de réception de sa demande dans les quinze jours de la date de cet envoi et, le cas échéant, lui réclame tout document nécessaire pour la compléter.
§ 2. (Sans préjudice de l'application du § 2bis, pour) être considérée comme complète, la demande d'allocations comporte :
1° un extrait du registre de la population établissant la composition de ménage du demandeur;
2° l'identification précise du logement pris en location et du logement quitté ou de la situation de " sans-abri " vécue par le demandeur;
3° le formulaire contenant les engagements visés à l'article 4, § 3, alinéa 2;
4° une déclaration sur l'honneur par laquelle le demandeur certifie que la condition de patrimoine imposée par l'article 1er, § 1er, 10°, est respectée.
(§ 2bis. La demande est également considérée comme complète lorsqu'elle est introduite en application de l'article 2, § 1er, 3°, à l'aide du formulaire figurant en annexe 2, dûment complété et signé par la société.)
§ 3. La date de la demande est celle du cachet de la poste apposé sur l'envoi contenant l'ensemble des documents requis ou, le cas échéant, le ou les derniers documents rendant la demande complète.
§ 4. (Sous peine d'irrecevabilité de la demande, la date de celle-ci, définie au § 3, doit se situer au plus tard six mois après la prise en location ou, lorsqu'il est fait application de l'article 2, § 4, 1°, au plus tard six mois après la fin des travaux, ou lorsqu'il est fait application de l'article 2, § 4, 2°, au plus tard six mois après le dernier départ de cohabitants, ou, lorsqu'il est fait application de l'article 2, § 1er, 3°, au plus tard vingt-quatre mois après la date du déménagement.)
§ 5. En cas de demandes multiples se rapportant à l'évacuation d'un même logement en vue de la prise en location de plusieurs logements, la suite à réserver à chaque demande est indépendante de la suite à réserver aux autres demandes.
Lorsque l'évacuation de plusieurs logements est suivie de la prise en location d'un seul logement par l'ensemble des personnes qui ont déménagé, l'allocation de déménagement est accordée pour chaque logement évacué, tandis que les allocations de loyer ne sont accordées qu'à un demandeur, désigné par l'ensemble des demandeurs ayant sollicité l'allocation de déménagement.
Pour le calcul des allocations de loyer lorsqu'il est fait application des alinéas 1er ou 2, les loyers de logements ayant été ou devant être occupés par plusieurs ménages sont estimés par l'administration pour chaque demandeur.
§ 6. En cas de séparation, après la date de la demande, du demandeur et de son conjoint ou de la personne avec laquelle il vivait maritalement, l'administration examine la situation de chacune des parties, notamment en ce qui concerne les enfants à charge, et désigne le bénéficiaire des allocations.
§ 2. (Sans préjudice de l'application du § 2bis, pour) être considérée comme complète, la demande d'allocations comporte :
1° un extrait du registre de la population établissant la composition de ménage du demandeur;
2° l'identification précise du logement pris en location et du logement quitté ou de la situation de " sans-abri " vécue par le demandeur;
3° le formulaire contenant les engagements visés à l'article 4, § 3, alinéa 2;
4° une déclaration sur l'honneur par laquelle le demandeur certifie que la condition de patrimoine imposée par l'article 1er, § 1er, 10°, est respectée.
(§ 2bis. La demande est également considérée comme complète lorsqu'elle est introduite en application de l'article 2, § 1er, 3°, à l'aide du formulaire figurant en annexe 2, dûment complété et signé par la société.)
§ 3. La date de la demande est celle du cachet de la poste apposé sur l'envoi contenant l'ensemble des documents requis ou, le cas échéant, le ou les derniers documents rendant la demande complète.
§ 4. (Sous peine d'irrecevabilité de la demande, la date de celle-ci, définie au § 3, doit se situer au plus tard six mois après la prise en location ou, lorsqu'il est fait application de l'article 2, § 4, 1°, au plus tard six mois après la fin des travaux, ou lorsqu'il est fait application de l'article 2, § 4, 2°, au plus tard six mois après le dernier départ de cohabitants, ou, lorsqu'il est fait application de l'article 2, § 1er, 3°, au plus tard vingt-quatre mois après la date du déménagement.)
§ 5. En cas de demandes multiples se rapportant à l'évacuation d'un même logement en vue de la prise en location de plusieurs logements, la suite à réserver à chaque demande est indépendante de la suite à réserver aux autres demandes.
Lorsque l'évacuation de plusieurs logements est suivie de la prise en location d'un seul logement par l'ensemble des personnes qui ont déménagé, l'allocation de déménagement est accordée pour chaque logement évacué, tandis que les allocations de loyer ne sont accordées qu'à un demandeur, désigné par l'ensemble des demandeurs ayant sollicité l'allocation de déménagement.
Pour le calcul des allocations de loyer lorsqu'il est fait application des alinéas 1er ou 2, les loyers de logements ayant été ou devant être occupés par plusieurs ménages sont estimés par l'administration pour chaque demandeur.
§ 6. En cas de séparation, après la date de la demande, du demandeur et de son conjoint ou de la personne avec laquelle il vivait maritalement, l'administration examine la situation de chacune des parties, notamment en ce qui concerne les enfants à charge, et désigne le bénéficiaire des allocations.
Artr. 7bis.[1 § 1. Voor de toepassing van artikel 2, § 3, wordt de aanvraag gericht aan de administratie door bemiddeling van de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waarin de in artikel 2, § 3, bedoelde toeristische voorziening gevestigd is, d.m.v. het door de gemeente of het centrum afgegeven formulier.
§ 2. [2 Om als volledig te worden beschouwd, moet de aanvraag om toelage naast het ingevulde formulier de volgende elementen bevatten:
1 de precieze identificatie van de nieuwe betrokken woning samen met het bewijs van de betrekking d.m.v. een eigendomsakte, huurovereenkomst, huurkwitanties of woonovereenkomst;
2 het bewijs dat er bij de bevoegde overheid een gezondheidsonderzoek werd aangevraagd;
3 het bewijs dat een bevestiging van de oppervlakte van de ontruimde woning werd aangevraagd bij de bevoegde overheid als de aanvraag betrekking heeft op een verdubbeld toelage van 10.000 euro]2.
§ 3. Op straffe van niet-ontvankelijkheid, moet de aanvraag om toelage ontvangen worden door de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn uiterlijk binnen [2 drie maanden]2 vanaf de betrekking van de nieuwe woning of de opname in een erkende collectieve verblijfsstructuur.
Er wordt een bericht van ontvangst afgeleverd door de gemeente of door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn uiterlijk vijftien dagen na het indienen van de aanvraag. In dit bericht wordt de lijst van de bijkomende documenten bepaald die verstrekt moeten worden om een volledige aanvraag te hebben.]1
§ 2. [2 Om als volledig te worden beschouwd, moet de aanvraag om toelage naast het ingevulde formulier de volgende elementen bevatten:
1 de precieze identificatie van de nieuwe betrokken woning samen met het bewijs van de betrekking d.m.v. een eigendomsakte, huurovereenkomst, huurkwitanties of woonovereenkomst;
2 het bewijs dat er bij de bevoegde overheid een gezondheidsonderzoek werd aangevraagd;
3 het bewijs dat een bevestiging van de oppervlakte van de ontruimde woning werd aangevraagd bij de bevoegde overheid als de aanvraag betrekking heeft op een verdubbeld toelage van 10.000 euro]2.
§ 3. Op straffe van niet-ontvankelijkheid, moet de aanvraag om toelage ontvangen worden door de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn uiterlijk binnen [2 drie maanden]2 vanaf de betrekking van de nieuwe woning of de opname in een erkende collectieve verblijfsstructuur.
Er wordt een bericht van ontvangst afgeleverd door de gemeente of door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn uiterlijk vijftien dagen na het indienen van de aanvraag. In dit bericht wordt de lijst van de bijkomende documenten bepaald die verstrekt moeten worden om een volledige aanvraag te hebben.]1
Art. 7bis. [1 § 1er. Pour l'application de l'article 2, § 3, la demande est adressée à l'administration par l'intermédiaire de la commune ou du centre public d'action sociale de la commune sur laquelle est implanté l'équipement touristique visé à l'article 2, § 3, au moyen d'un formulaire délivré par l'un d'eux.
§ 2. [2 Pour être considérée comme complète, la demande d'allocation comporte en sus du formulaire complété :
1 l'identification précise du nouveau logement occupé accompagnée de la preuve de son occupation par acte de propriété, contrat de bail, quittances de loyer ou convention d'hébergement;
2 la preuve qu'une demande d'enquête de salubrité a été sollicitée auprès des autorités compétentes en la matière;
3 la preuve qu'une demande de confirmation de superficie de l'habitation quittée a été sollicitée auprès des autorités compétentes en la matière, si la demande porte sur une allocation de 10.000 euros doublée.]2
§ 3. Sous peine d'irrecevabilité, la demande d'allocation est reçue par la commune ou le centre public d'action sociale au plus tard dans les [2 trois mois]2 de l'occupation du nouveau logement ou de l'admission dans une structure d'hébergement collectif agréée.
Un accusé de réception est délivré par la commune ou le centre public d'action sociale au plus tard dans les quinze jours qui suivent l'introduction de la demande. Il précise la liste des documents complémentaires à fournir pour que la demande soit complète.]1
§ 2. [2 Pour être considérée comme complète, la demande d'allocation comporte en sus du formulaire complété :
1 l'identification précise du nouveau logement occupé accompagnée de la preuve de son occupation par acte de propriété, contrat de bail, quittances de loyer ou convention d'hébergement;
2 la preuve qu'une demande d'enquête de salubrité a été sollicitée auprès des autorités compétentes en la matière;
3 la preuve qu'une demande de confirmation de superficie de l'habitation quittée a été sollicitée auprès des autorités compétentes en la matière, si la demande porte sur une allocation de 10.000 euros doublée.]2
§ 3. Sous peine d'irrecevabilité, la demande d'allocation est reçue par la commune ou le centre public d'action sociale au plus tard dans les [2 trois mois]2 de l'occupation du nouveau logement ou de l'admission dans une structure d'hébergement collectif agréée.
Un accusé de réception est délivré par la commune ou le centre public d'action sociale au plus tard dans les quinze jours qui suivent l'introduction de la demande. Il précise la liste des documents complémentaires à fournir pour que la demande soit complète.]1
Art. 8. § 1. [1 Wat betreft de toelagen bedoeld in artikel 2, §§ 1 en 2, binnen drie maanden na verzending van de volledige aanvraag en onder voorbehoud van het verkrijgen van het gezondheidsverslag, geeft de administratie kennis aan de aanvrager van de ontvankelijkheid van zijn aanvraag of van de redenen waarom een besluit tot toekenning hem niet afgegeven kan worden
Wat betreft de toelage bedoeld in artikel 2, § 3, binnen drie maanden na verzending van de volledige aanvraag en onder voorbehoud van het verkrijgen van het gezondheidsverslag opgesteld door de bevoegde overheid, geeft de administratie kennis aan de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de ontvankelijkheid van de aanvraag of van de redenen waarom deze aanvraag niet ontvankelijk is. De gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geeft aan de aanvrager binnen de dertig dagen kennis van de beslissing om de aanvraag toe te kennen dan wel om ze te verwerpen.
Krijgt de aanvrager geen kennisgeving toegestuurd binnen de in het eerste lid en het tweede lid bedoelde termijn, wordt dat gebrek met een toekenning gelijkgesteld.]1
§ 2. De aanvrager beschikt over één maand vanaf de kennisgeving van verwerping (...) om, bij aangetekend schrijven gericht aan het bestuur, bij de Minister een beroep in te dienen. De Minister beslist binnen drie maanden na ontvangst van dit beroep. Zoniet wordt de aanvraag aanvaard.
§ 3. De verhuistoelage wordt aan de begunstigde uitgekeerd.
De huurtoelagen aan de huurders van een andere woning dan die verhuurd door een maatschappij worden maandelijks uitgekeerd.
De huurtoelagen aan de huurders van een door een maatschappij verhuurde woning worden haar één keer per jaar uitgekeerd en moeten van de door de huurder werkelijk betaalde huurprijs worden afgetrokken.
De uitkeringsaanvragen m.b.t. een jaar die door een maatschappij bij het bestuur worden ingediend, verjaren door verloop van zes maanden vanaf de dag die volgt op het verstrijken van dit jaar.
De huurtoelagen die wegens verjaring niet worden uitgekeerd aan de maatschappij worden echter afgetrokken van de door de huurder verschuldigde huurprijs.
(De toelagen waarvan de toekenning aangevraagd wordt krachtens artikel 2, § 1, 3°, door middel van het formulier opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit, worden gestort aan de maatschappij die het formulier heeft ingediend, waarna laatstgenoemde aan elke begunstigde de toelage moet doorstorten waarop deze aanspraak kan maken na aftrek van de voorschotten gedaan door de maatschappij om in de verhuis te voorzien.)
§ 4. De Minister bepaalt het bedrag en de wijze waarop toelagen worden verleend aan het OCMW of aan de instelling met een maatschappelijk doel die het bedrag van de verhuis- en huurtoelagen aan de begunstigde voorschiet.
(§ 5. [1 De in artikel 2, § 3, bedoelde toelage wordt aan de begunstigde uitbetaald door de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn die/dat de aanvraag bij de administratie heeft ingediend binnen acht dagen van de kennisgeving aan de aanvrager van het besluit tot toekenning.]1 )
(§ 6. [1 De gemeente of het openbaar centrum]1 voor maatschappelijk welzijn maakt om de drie maanden een overzichtslijst van de betalingen van de in artikel 2, § 3, bedoelde toelagen aan het bestuur over alsook een kopie van de beslissingen samen met [1 ...]1 de betalingsbewijzen.
De terugbetaling wordt uitgevoerd om de drie maanden op initiatief van het bestuur voor elke toelage uitbetaald met inachtneming van de bepalingen van dit besluit.)
(§ 7. [1 De Minister kan het bedrag en de modaliteiten vastleggen van de vergoeding van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat als bemiddelaar dient om de aanvraag om toelage bedoeld in artikel 2, § 3, in te dienen. Hij kan ook het bedrag en de modaliteiten vastleggen van de vergoeding van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de begeleiding ten laste neemt van de herhuisvesting van een gezin dat in aanmerking komt voor deze toelage.]1 )
Wat betreft de toelage bedoeld in artikel 2, § 3, binnen drie maanden na verzending van de volledige aanvraag en onder voorbehoud van het verkrijgen van het gezondheidsverslag opgesteld door de bevoegde overheid, geeft de administratie kennis aan de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de ontvankelijkheid van de aanvraag of van de redenen waarom deze aanvraag niet ontvankelijk is. De gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn geeft aan de aanvrager binnen de dertig dagen kennis van de beslissing om de aanvraag toe te kennen dan wel om ze te verwerpen.
Krijgt de aanvrager geen kennisgeving toegestuurd binnen de in het eerste lid en het tweede lid bedoelde termijn, wordt dat gebrek met een toekenning gelijkgesteld.]1
§ 2. De aanvrager beschikt over één maand vanaf de kennisgeving van verwerping (...) om, bij aangetekend schrijven gericht aan het bestuur, bij de Minister een beroep in te dienen. De Minister beslist binnen drie maanden na ontvangst van dit beroep. Zoniet wordt de aanvraag aanvaard.
§ 3. De verhuistoelage wordt aan de begunstigde uitgekeerd.
De huurtoelagen aan de huurders van een andere woning dan die verhuurd door een maatschappij worden maandelijks uitgekeerd.
De huurtoelagen aan de huurders van een door een maatschappij verhuurde woning worden haar één keer per jaar uitgekeerd en moeten van de door de huurder werkelijk betaalde huurprijs worden afgetrokken.
De uitkeringsaanvragen m.b.t. een jaar die door een maatschappij bij het bestuur worden ingediend, verjaren door verloop van zes maanden vanaf de dag die volgt op het verstrijken van dit jaar.
De huurtoelagen die wegens verjaring niet worden uitgekeerd aan de maatschappij worden echter afgetrokken van de door de huurder verschuldigde huurprijs.
(De toelagen waarvan de toekenning aangevraagd wordt krachtens artikel 2, § 1, 3°, door middel van het formulier opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit, worden gestort aan de maatschappij die het formulier heeft ingediend, waarna laatstgenoemde aan elke begunstigde de toelage moet doorstorten waarop deze aanspraak kan maken na aftrek van de voorschotten gedaan door de maatschappij om in de verhuis te voorzien.)
§ 4. De Minister bepaalt het bedrag en de wijze waarop toelagen worden verleend aan het OCMW of aan de instelling met een maatschappelijk doel die het bedrag van de verhuis- en huurtoelagen aan de begunstigde voorschiet.
(§ 5. [1 De in artikel 2, § 3, bedoelde toelage wordt aan de begunstigde uitbetaald door de gemeente of het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn die/dat de aanvraag bij de administratie heeft ingediend binnen acht dagen van de kennisgeving aan de aanvrager van het besluit tot toekenning.]1 )
(§ 6. [1 De gemeente of het openbaar centrum]1 voor maatschappelijk welzijn maakt om de drie maanden een overzichtslijst van de betalingen van de in artikel 2, § 3, bedoelde toelagen aan het bestuur over alsook een kopie van de beslissingen samen met [1 ...]1 de betalingsbewijzen.
De terugbetaling wordt uitgevoerd om de drie maanden op initiatief van het bestuur voor elke toelage uitbetaald met inachtneming van de bepalingen van dit besluit.)
(§ 7. [1 De Minister kan het bedrag en de modaliteiten vastleggen van de vergoeding van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat als bemiddelaar dient om de aanvraag om toelage bedoeld in artikel 2, § 3, in te dienen. Hij kan ook het bedrag en de modaliteiten vastleggen van de vergoeding van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de begeleiding ten laste neemt van de herhuisvesting van een gezin dat in aanmerking komt voor deze toelage.]1 )
Art. 8. § 1er. [2 En ce qui concerne les allocations visées à l'article 2, §§ 1er et 2, dans les trois mois de la date de l'envoi à l'administration de la demande complète et sous réserve de l'obtention du rapport de salubrité, l'administration informe le demandeur de la recevabilité de sa demande ou des motifs pour lesquels une décision d'octroi ne peut lui être délivrée.
En ce qui concerne l'allocation visée à l'article 2, § 3, dans les trois mois de la date de l'envoi à l'administration de la demande complète et sous réserve de l'obtention du rapport de salubrité établi par les autorités compétentes, l'administration informe la commune ou le centre public d'action sociale de la recevabilité de la demande ou des motifs pour lesquels elle n'est pas recevable. La commune ou le centre public d'action sociale ont alors trente jours pour notifier au demandeur l'octroi ou le rejet de sa demande.
Le défaut de notification au demandeur dans les délais visés aux alinéas 1er et 2, est assimilé à un accord.]2
§ 2. Le demandeur dispose d'un délai d'un mois à dater de la notification de rejet (...) pour introduire, par envoi recommandé à la poste adressé à l'administration, un recours auprès du Ministre. Le Ministre statue dans les trois mois de la réception de ce recours. A défaut, la demande est acceptée.
§ 3. L'allocation de déménagement est liquidée au bénéficiaire.
Les allocations de loyer aux locataires d'un logement autre que ceux donnés en location par une société leur sont liquidées mensuellement.
Les allocations de loyer aux locataires d'un logement donné en location par une société sont liquidées à celle-ci une fois par an et viennent en déduction du loyer réellement payé par le locataire.
Les demandes de liquidation relatives à une année, adressées par une société à l'administration, se prescrivent par six mois à compter du jour qui suit le terme de cette année.
Les allocations de loyer qui ne sont pas liquidées à la société pour cause de prescription viennent, toutefois, en déduction du loyer dû par le locataire.
(Les allocations dont l'octroi est sollicité en vertu de l'article 2, § 1er, 3°, au moyen du formulaire figurant en annexe 2 au présent arrêté sont versées à la société qui a introduit le formulaire, à charge pour elle de reverser à chaque bénéficiaire l'allocation à laquelle il peut prétendre, sous déduction des sommes avancées par la société pour assurer son déménagement.)
§ 4. Le Ministre détermine le montant et les modalités de l'indemnisation du Centre public d'aide sociale ou de l'organisme à finalité sociale qui avance au bénéficiaire le montant des allocations de déménagement et de loyer.
(§ 5. [2 L'allocation visée à l'article 2, § 3, est liquidée au bénéficiaire par la commune ou le centre public d'action sociale qui a introduit la demande auprès de l'administration dans les huit jours de la notification au demandeur d'une décision d'octroi.]2)
(§ 6. [2 La]2 [1 [2 commune ou le Centre]2 public d'action sociale]1 transmet trimestriellement à l'administration un état récapitulatif des paiements d'allocations visées par l'article 2, § 3, une copie des décisions accompagnées [2 ...]2 des preuves de paiements.
Le remboursement intervient trimestriellement à l'initiative de l'administration pour toute allocation délivrée dans le respect des conditions posées par le présent arrêté.)
(§ 7 [2 Le Ministre peut déterminer le montant et les modalités de l'indemnisation du centre public d'action sociale par l'intermédiaire duquel est introduite la demande d'allocation visée par l'article 2, § 3. Il peut aussi déterminer le montant et les modalités de l'indemnisation du centre public d'action sociale qui prend en charge l'accompagnement post-relogement d'un ménage relogé bénéficiaire de cette allocation.]2 )
En ce qui concerne l'allocation visée à l'article 2, § 3, dans les trois mois de la date de l'envoi à l'administration de la demande complète et sous réserve de l'obtention du rapport de salubrité établi par les autorités compétentes, l'administration informe la commune ou le centre public d'action sociale de la recevabilité de la demande ou des motifs pour lesquels elle n'est pas recevable. La commune ou le centre public d'action sociale ont alors trente jours pour notifier au demandeur l'octroi ou le rejet de sa demande.
Le défaut de notification au demandeur dans les délais visés aux alinéas 1er et 2, est assimilé à un accord.]2
§ 2. Le demandeur dispose d'un délai d'un mois à dater de la notification de rejet (...) pour introduire, par envoi recommandé à la poste adressé à l'administration, un recours auprès du Ministre. Le Ministre statue dans les trois mois de la réception de ce recours. A défaut, la demande est acceptée.
§ 3. L'allocation de déménagement est liquidée au bénéficiaire.
Les allocations de loyer aux locataires d'un logement autre que ceux donnés en location par une société leur sont liquidées mensuellement.
Les allocations de loyer aux locataires d'un logement donné en location par une société sont liquidées à celle-ci une fois par an et viennent en déduction du loyer réellement payé par le locataire.
Les demandes de liquidation relatives à une année, adressées par une société à l'administration, se prescrivent par six mois à compter du jour qui suit le terme de cette année.
Les allocations de loyer qui ne sont pas liquidées à la société pour cause de prescription viennent, toutefois, en déduction du loyer dû par le locataire.
(Les allocations dont l'octroi est sollicité en vertu de l'article 2, § 1er, 3°, au moyen du formulaire figurant en annexe 2 au présent arrêté sont versées à la société qui a introduit le formulaire, à charge pour elle de reverser à chaque bénéficiaire l'allocation à laquelle il peut prétendre, sous déduction des sommes avancées par la société pour assurer son déménagement.)
§ 4. Le Ministre détermine le montant et les modalités de l'indemnisation du Centre public d'aide sociale ou de l'organisme à finalité sociale qui avance au bénéficiaire le montant des allocations de déménagement et de loyer.
(§ 5. [2 L'allocation visée à l'article 2, § 3, est liquidée au bénéficiaire par la commune ou le centre public d'action sociale qui a introduit la demande auprès de l'administration dans les huit jours de la notification au demandeur d'une décision d'octroi.]2)
(§ 6. [2 La]2 [1 [2 commune ou le Centre]2 public d'action sociale]1 transmet trimestriellement à l'administration un état récapitulatif des paiements d'allocations visées par l'article 2, § 3, une copie des décisions accompagnées [2 ...]2 des preuves de paiements.
Le remboursement intervient trimestriellement à l'initiative de l'administration pour toute allocation délivrée dans le respect des conditions posées par le présent arrêté.)
(§ 7 [2 Le Ministre peut déterminer le montant et les modalités de l'indemnisation du centre public d'action sociale par l'intermédiaire duquel est introduite la demande d'allocation visée par l'article 2, § 3. Il peut aussi déterminer le montant et les modalités de l'indemnisation du centre public d'action sociale qui prend en charge l'accompagnement post-relogement d'un ménage relogé bénéficiaire de cette allocation.]2 )
Art. 9. De begunstigde van toelagen moet die terugbetalen :
1° in geval van onjuiste of onvolledige verklaring om de krachtens dit besluit toegekende voordelen te verkrijgen [1 ...]1;
2° ten belope van de sommen ontvangen sinds de dag waarop de overeenkomstig dit besluit aangegane verbintenissen niet werden nagekomen.
[2 3° in geval van hervestiging van de begunstigde van de steun, bedoeld in artikel 5, § § 3 en 4, in een woonplaats gelegen in een gebied in het gewestplan die niet bestemd is als hoofdverblijfplaats.]2
Binnen de maand van de kennisgeving van de beslissing tot inning kan de begunstigde van toelagen bij aangetekend schrijven gericht aan het bestuur bij de Minister een beroep indienen. De Minister beslist binnen drie maanden na ontvangst van het beroep. Het verzuim van kennisgeving van de beslissing binnen drie maanden wordt met een verwerping van het beroep gelijkgesteld.
De inning wordt op initiatief van het bestuur verricht door [1 het Departement Thesaurie van de Waalse Overheidsdienst]1.
1° in geval van onjuiste of onvolledige verklaring om de krachtens dit besluit toegekende voordelen te verkrijgen [1 ...]1;
2° ten belope van de sommen ontvangen sinds de dag waarop de overeenkomstig dit besluit aangegane verbintenissen niet werden nagekomen.
[2 3° in geval van hervestiging van de begunstigde van de steun, bedoeld in artikel 5, § § 3 en 4, in een woonplaats gelegen in een gebied in het gewestplan die niet bestemd is als hoofdverblijfplaats.]2
Binnen de maand van de kennisgeving van de beslissing tot inning kan de begunstigde van toelagen bij aangetekend schrijven gericht aan het bestuur bij de Minister een beroep indienen. De Minister beslist binnen drie maanden na ontvangst van het beroep. Het verzuim van kennisgeving van de beslissing binnen drie maanden wordt met een verwerping van het beroep gelijkgesteld.
De inning wordt op initiatief van het bestuur verricht door [1 het Departement Thesaurie van de Waalse Overheidsdienst]1.
Art. 9. Le bénéficiaire d'allocations est tenu de les rembourser :
1° en totalité en cas de déclaration inexacte ou incomplète en vue d'obtenir les avantages accordés par le présent arrêté [1 ...]1;
2° à concurrence des montants percus depuis le jour où a été commis un manquement aux engagements souscrits conformément au présent arrêté.
[2 3° en totalité en cas de réinstallation du bénéficiaire de l'aide prévue à l'article 5, § § 3 et 4, dans une habitation située dans une zone au plan de secteur non destinée à l'habitation de résidence principale.]2
Dans le mois de la notification de la décision de recouvrement, le bénéficiaire d'allocations peut introduire, par pli recommandé adressé à l'administration, un recours auprès du Ministre. Le Ministre statue dans les trois mois de la réception du recours. Le défaut de notification de la décision dans les trois mois est assimilé à un rejet du recours.
Le recouvrement est exécuté à l'initiative de l'administration, par [1 le Département de la Trésorerie du Service public de Wallonie]1.
1° en totalité en cas de déclaration inexacte ou incomplète en vue d'obtenir les avantages accordés par le présent arrêté [1 ...]1;
2° à concurrence des montants percus depuis le jour où a été commis un manquement aux engagements souscrits conformément au présent arrêté.
[2 3° en totalité en cas de réinstallation du bénéficiaire de l'aide prévue à l'article 5, § § 3 et 4, dans une habitation située dans une zone au plan de secteur non destinée à l'habitation de résidence principale.]2
Dans le mois de la notification de la décision de recouvrement, le bénéficiaire d'allocations peut introduire, par pli recommandé adressé à l'administration, un recours auprès du Ministre. Le Ministre statue dans les trois mois de la réception du recours. Le défaut de notification de la décision dans les trois mois est assimilé à un rejet du recours.
Le recouvrement est exécuté à l'initiative de l'administration, par [1 le Département de la Trésorerie du Service public de Wallonie]1.
Art. 10. Het besluit van de Waalse Regering van 19 november 1993 tot toekenning van verhuis-, installatie- en huurtoelagen aan personen die een ongezonde woning ontruimen, gehandicapte personen die een ongeschikte woning ontruimen en personen die niet langer "dakloos" zijn, wordt opgeheven.
Bij wijze van overgang blijft dit besluit nochtans van toepassing op :
1° de aanvragen om toelagen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit worden ingediend;
2° de aanvragen om toelagen die vóór 1 juni 1999 worden ingediend, voor zover de verhuizing plaatsvindt vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
[1 In afwijking van het voormalige lid, kan de begunstigde van de toelagen bedoeld in het eerste en het tweede punt van bedoeld lid geen huurder zijn van een woning van openbare nut die door een openbare huisvestingsmaatschappij wordt gehuurd.]1
[1 In afwijking van het tweede lid, kunnen de afstammelingen van de begunstigden van de toelagen bedoeld in het eerste en het tweede lid geen aanspraak maken op het voordeel van deze bepalingen.]1
Niemand kan tegelijkertijd in aanmerking komen voor toelagen toegekend op grond van bovenvermeld besluit en voor toelagen toegekend op grond van dit besluit.
Bij wijze van overgang blijft dit besluit nochtans van toepassing op :
1° de aanvragen om toelagen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit worden ingediend;
2° de aanvragen om toelagen die vóór 1 juni 1999 worden ingediend, voor zover de verhuizing plaatsvindt vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
[1 In afwijking van het voormalige lid, kan de begunstigde van de toelagen bedoeld in het eerste en het tweede punt van bedoeld lid geen huurder zijn van een woning van openbare nut die door een openbare huisvestingsmaatschappij wordt gehuurd.]1
[1 In afwijking van het tweede lid, kunnen de afstammelingen van de begunstigden van de toelagen bedoeld in het eerste en het tweede lid geen aanspraak maken op het voordeel van deze bepalingen.]1
Niemand kan tegelijkertijd in aanmerking komen voor toelagen toegekend op grond van bovenvermeld besluit en voor toelagen toegekend op grond van dit besluit.
Art. 10. L'arrêté du Gouvernement wallon du 19 novembre 1993 concernant l'octroi d'allocations de déménagement, d'allocations d'installation et d'allocations de loyer en faveur de personnes quittant un logement insalubre, de personnes handicapées quittant un logement inadapté et de personnes sortant de leur situation de " sans-abri " est abrogé.
A titre transitoire, cet arrêté reste toutefois applicable :
1° aux demandes d'allocations introduites avant l'entrée en vigueur du présent arrêté;
2° aux demandes d'allocations introduites avant le 1er juin 1999, pour autant que la date du déménagement soit antérieure à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
[1 Par dérogation à l'alinéa précédent, le bénéficiaire des allocations visées aux point 1° et 2° dudit alinéa ne peut pas être locataire d'un logement d'utilité publique donné en location par une société de logement de service public.]1
[1 Par dérogation à l'alinéa 2, les descendants des bénéficiaires des allocations visées aux points 1° et 2° ne peuvent prétendre au bénéfice de ces dispositions. ]1
Nul ne peut bénéficier en même temps des allocations octroyées sur la base de l'arrêté susvisé et des allocations octroyées sur la base du présent arrêté.
A titre transitoire, cet arrêté reste toutefois applicable :
1° aux demandes d'allocations introduites avant l'entrée en vigueur du présent arrêté;
2° aux demandes d'allocations introduites avant le 1er juin 1999, pour autant que la date du déménagement soit antérieure à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
[1 Par dérogation à l'alinéa précédent, le bénéficiaire des allocations visées aux point 1° et 2° dudit alinéa ne peut pas être locataire d'un logement d'utilité publique donné en location par une société de logement de service public.]1
[1 Par dérogation à l'alinéa 2, les descendants des bénéficiaires des allocations visées aux points 1° et 2° ne peuvent prétendre au bénéfice de ces dispositions. ]1
Nul ne peut bénéficier en même temps des allocations octroyées sur la base de l'arrêté susvisé et des allocations octroyées sur la base du présent arrêté.
Wijzigingen
Art. 11. Dit besluit treedt in werking op 1 maart 1999.
Art. 11. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er mars 1999.
Art. 12. De Minister van Huisvesting is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 12. Le Ministre du Logement est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Bijlage.
Art. N. Annexe.