Artikel 1. Artikel 78 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, gewijzigd bij de wetten van 12 december 1994 en van 19 december 1997, wordt aangevuld als volgt :
" 8° de terugbetaling van de kosten voor het beheer van het compensatiefonds voor de universele postdienst, volgens de bepalingen voorzien in artikel 144decies, § 2;
9° de terugbetaling van de kosten voor het toezicht op de universele postdienst. ".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
9 JUNI 1999. - Koninklijk besluit tot omzetting van de verplichtingen die voortvloeien uit de van kracht zijnde richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst.
Titre
9 JUIN 1999. - Arrêté royal transposant les obligations découlant de la directive 97/67/CE du Parlement européen et du Conseil du 15 décembre 1997 concernant des règles communes pour le développement du marché intérieur des services postaux de la Communauté et l'amélioration de la qualité du service.
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
Tekst (45)
Texte (45)
Article 1. L'article 78 de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, modifié par les lois des 12 décembre 1994 et du 19 décembre 1997, est complété comme suit :
" 8° le remboursement des frais de gestion du fonds de compensation pour le service postal universel, selon les dispositions prévues à l'article 144decies, § 2;
9° le remboursement des frais de surveillance du service postal universel. ".
" 8° le remboursement des frais de gestion du fonds de compensation pour le service postal universel, selon les dispositions prévues à l'article 144decies, § 2;
9° le remboursement des frais de surveillance du service postal universel. ".
Art. 2. Artikel 131 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 131. Voor de toepassing van deze Titel wordt verstaan onder :
1° Postdiensten : de diensten met betrekking tot geadresseerde zendingen, die uit één van de volgende verrichtingen of uit een combinatie ervan bestaan :
- de lichting;
- het sorteren;
- het vervoer;
- de distributie.
Worden niet beschouwd als een postdienst :
- de verlening van postdiensten door de natuurlijke of rechtspersoon van wie de post afkomstig is;
- de niet-dichtgeplakte vrachtbrieven en facturen in de mate dat zij slechts de vermeldingen bevatten die nodig zijn voor het afleveren van de erbij horende koopwaren;
- de documentenuitwisseling.
2° Lichting : de verrichting die bestaat in het ophalen van de postzendingen die bij de toegangspunten worden afgeleverd.
3° Distributie : het proces gaande van de sortering in het distributiecentrum tot de bestelling van de postzendingen aan de geadresseerden.
4° Toegangspunten : de fysieke installaties, meer bepaald de brievenbussen die ter beschikking van het publiek staan, hetzij op de openbare weg, hetzij in de lokalen van de leverancier van de universele dienst, waar de postzendingen door de klanten aan het openbaar postnetwerk kunnen worden toevertrouwd.
5° Openbaar postnetwerk : het geheel van de organisatie en alle middelen waarvan door de leverancier van de universele dienst gebruik wordt gemaakt om een dienst behorend tot de universele dienst te verlenen, met name om :
- op de toegangspunten op het gehele grondgebied de onder een verplichting tot universele-dienstverlening vallende postzendingen op te halen;
- deze postzendingen tussen de punten van toegang tot het postnetwerk en het distributiecentrum te verzenden en te verwerken;
- deze postzendingen op het vermelde adres te distribueren.
6° Postzending : geadresseerde zending in de definitieve vorm die de leverancier van de universele dienst afhandelt;
Naast brievenpost worden bijvoorbeeld als postzending aangemerkt : boeken, catalogi, kranten, tijdschriften en postpakketten die goederen met of zonder handelswaarde bevatten.
7° Brievenpost : een op enigerlei fysieke drager aangebrachte schriftelijke mededeling die wordt vervoerd en besteld op het door de afzender op de zending zelf of op de omslag daarvan vermelde adres; boeken, catalogi, kranten en tijdschriften worden niet als brievenpost aangemerkt.
8° Aangetekende zending : dienst die bestaat in het waarborgen op forfaitaire basis tegen de risico's van verlies, diefstal of beschadiging, waarbij de afzender, in voorkomend geval op zijn verzoek, een bewijs ontvangt van de afgifte en/of van de bestelling van de postzending aan de geadresseerde.
9° Aangetekende zending in de loop van een gerechtelijke of administratieve procedure : zending waarvan de aantekening in het kader van een gerechtelijke of administratieve procedure door een wettelijke of reglementaire bepaling wordt voorgeschreven.
10° Zending met aangegeven waarde : dienst die bestaat in de verzekering van de postzending voor de door de afzender aangegeven waarde tegen verlies, diefstal of beschadiging.
11° Grensoverschrijdende post : post afkomstig uit of verzonden naar een andere Lidstaat van de Europese Unie of afkomstig uit of verzonden naar een derde land.
12° Direct mail : een mededeling die uitsluitend uit reclame, marketing- of publiciteitsmateriaal bestaat, die dezelfde boodschap bevat, met uitzondering van de naam, het adres en het identificatienummer van de geadresseerde, alsmede andere variabelen/parameters die de aard van de boodschap niet wijzigen, en die aan een aanzienlijk aantal geadresseerden wordt toegezonden met het oog op vervoer naar en bestelling op het adres dat de afzender op de eigenlijke zending of op de verpakking ervan heeft vermeld.
De Koning bepaalt, bij in Ministerraad overlegd besluit, op voorstel van het Instituut, wat dient te worden verstaan onder de uitdrukking "aanzienlijk aantal geadresseerden".
Rekeningen, facturen, bankafschriften en andere niet-identieke boodschappen worden niet als direct mail aangemerkt; een mededeling waarbij direct mail in dezelfde verpakking is samengevoegd met andere zendingen, wordt niet als direct mail aangemerkt. Direct mail omvat zowel grensoverschrijdende als binnenlandse direct mail.
13° Documentenuitwisseling : de levering van middelen, met inbegrip van het door derden verschaffen van ad hoc ruimte alsmede vervoer, voor zelfbestelling door de wederzijdse uitwisseling van postzendingen tussen gebruikers die zich op deze dienst abonneren.
14° Leverancier van de universele dienst : De Post.
15° Postoperator : elke natuurlijke of rechtspersoon die aan andere natuurlijke of rechtspersonen een postdienst verleent.
16° Gebruiker : elke natuurlijke of rechtspersoon aan wie een dienst van de universele dienst geleverd wordt, als afzender of als geadresseerde.
17° Essentiële eisen : de algemene redenen van niet-economische aard die de Staat ertoe kunnen leiden voorwaarden inzake de levering van postdiensten op te leggen; deze redenen zijn het vertrouwelijke karakter van de brievenpost, de veiligheid van het netwerk met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen en, in gerechtvaardigde gevallen, de bescherming van gegevens, de bescherming van het leefmilieu en de ruimtelijke ordening; de gegevensbescherming omvat de bescherming van persoonsgegevens, het vertrouwelijke karakter van de informatie die wordt doorgegeven en/of opgeslagen, alsmede de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
18° De Post : het autonome overheidsbedrijf bedoeld in artikel 1, § 4, 3°.
19° Financiële postdiensten : de bewerkingen met chartale, scripturale of elektronische geldmiddelen, kosteloos of tegen betaling verwezenlijkt door De Post en uitgevoerd voor haar eigen rekening of voor rekening van derden.
20° Instituut : het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie, afgekort B.l.P.T. zoals bedoeld in art. 71 van deze wet. ".
" Art. 131. Voor de toepassing van deze Titel wordt verstaan onder :
1° Postdiensten : de diensten met betrekking tot geadresseerde zendingen, die uit één van de volgende verrichtingen of uit een combinatie ervan bestaan :
- de lichting;
- het sorteren;
- het vervoer;
- de distributie.
Worden niet beschouwd als een postdienst :
- de verlening van postdiensten door de natuurlijke of rechtspersoon van wie de post afkomstig is;
- de niet-dichtgeplakte vrachtbrieven en facturen in de mate dat zij slechts de vermeldingen bevatten die nodig zijn voor het afleveren van de erbij horende koopwaren;
- de documentenuitwisseling.
2° Lichting : de verrichting die bestaat in het ophalen van de postzendingen die bij de toegangspunten worden afgeleverd.
3° Distributie : het proces gaande van de sortering in het distributiecentrum tot de bestelling van de postzendingen aan de geadresseerden.
4° Toegangspunten : de fysieke installaties, meer bepaald de brievenbussen die ter beschikking van het publiek staan, hetzij op de openbare weg, hetzij in de lokalen van de leverancier van de universele dienst, waar de postzendingen door de klanten aan het openbaar postnetwerk kunnen worden toevertrouwd.
5° Openbaar postnetwerk : het geheel van de organisatie en alle middelen waarvan door de leverancier van de universele dienst gebruik wordt gemaakt om een dienst behorend tot de universele dienst te verlenen, met name om :
- op de toegangspunten op het gehele grondgebied de onder een verplichting tot universele-dienstverlening vallende postzendingen op te halen;
- deze postzendingen tussen de punten van toegang tot het postnetwerk en het distributiecentrum te verzenden en te verwerken;
- deze postzendingen op het vermelde adres te distribueren.
6° Postzending : geadresseerde zending in de definitieve vorm die de leverancier van de universele dienst afhandelt;
Naast brievenpost worden bijvoorbeeld als postzending aangemerkt : boeken, catalogi, kranten, tijdschriften en postpakketten die goederen met of zonder handelswaarde bevatten.
7° Brievenpost : een op enigerlei fysieke drager aangebrachte schriftelijke mededeling die wordt vervoerd en besteld op het door de afzender op de zending zelf of op de omslag daarvan vermelde adres; boeken, catalogi, kranten en tijdschriften worden niet als brievenpost aangemerkt.
8° Aangetekende zending : dienst die bestaat in het waarborgen op forfaitaire basis tegen de risico's van verlies, diefstal of beschadiging, waarbij de afzender, in voorkomend geval op zijn verzoek, een bewijs ontvangt van de afgifte en/of van de bestelling van de postzending aan de geadresseerde.
9° Aangetekende zending in de loop van een gerechtelijke of administratieve procedure : zending waarvan de aantekening in het kader van een gerechtelijke of administratieve procedure door een wettelijke of reglementaire bepaling wordt voorgeschreven.
10° Zending met aangegeven waarde : dienst die bestaat in de verzekering van de postzending voor de door de afzender aangegeven waarde tegen verlies, diefstal of beschadiging.
11° Grensoverschrijdende post : post afkomstig uit of verzonden naar een andere Lidstaat van de Europese Unie of afkomstig uit of verzonden naar een derde land.
12° Direct mail : een mededeling die uitsluitend uit reclame, marketing- of publiciteitsmateriaal bestaat, die dezelfde boodschap bevat, met uitzondering van de naam, het adres en het identificatienummer van de geadresseerde, alsmede andere variabelen/parameters die de aard van de boodschap niet wijzigen, en die aan een aanzienlijk aantal geadresseerden wordt toegezonden met het oog op vervoer naar en bestelling op het adres dat de afzender op de eigenlijke zending of op de verpakking ervan heeft vermeld.
De Koning bepaalt, bij in Ministerraad overlegd besluit, op voorstel van het Instituut, wat dient te worden verstaan onder de uitdrukking "aanzienlijk aantal geadresseerden".
Rekeningen, facturen, bankafschriften en andere niet-identieke boodschappen worden niet als direct mail aangemerkt; een mededeling waarbij direct mail in dezelfde verpakking is samengevoegd met andere zendingen, wordt niet als direct mail aangemerkt. Direct mail omvat zowel grensoverschrijdende als binnenlandse direct mail.
13° Documentenuitwisseling : de levering van middelen, met inbegrip van het door derden verschaffen van ad hoc ruimte alsmede vervoer, voor zelfbestelling door de wederzijdse uitwisseling van postzendingen tussen gebruikers die zich op deze dienst abonneren.
14° Leverancier van de universele dienst : De Post.
15° Postoperator : elke natuurlijke of rechtspersoon die aan andere natuurlijke of rechtspersonen een postdienst verleent.
16° Gebruiker : elke natuurlijke of rechtspersoon aan wie een dienst van de universele dienst geleverd wordt, als afzender of als geadresseerde.
17° Essentiële eisen : de algemene redenen van niet-economische aard die de Staat ertoe kunnen leiden voorwaarden inzake de levering van postdiensten op te leggen; deze redenen zijn het vertrouwelijke karakter van de brievenpost, de veiligheid van het netwerk met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen en, in gerechtvaardigde gevallen, de bescherming van gegevens, de bescherming van het leefmilieu en de ruimtelijke ordening; de gegevensbescherming omvat de bescherming van persoonsgegevens, het vertrouwelijke karakter van de informatie die wordt doorgegeven en/of opgeslagen, alsmede de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
18° De Post : het autonome overheidsbedrijf bedoeld in artikel 1, § 4, 3°.
19° Financiële postdiensten : de bewerkingen met chartale, scripturale of elektronische geldmiddelen, kosteloos of tegen betaling verwezenlijkt door De Post en uitgevoerd voor haar eigen rekening of voor rekening van derden.
20° Instituut : het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie, afgekort B.l.P.T. zoals bedoeld in art. 71 van deze wet. ".
Art. 2. L'article 131 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 131. Pour l'application du présent titre, on entend par :
1° Services postaux : les services relatifs aux envois adressés qui consistent en l'une des opérations suivantes ou en la combinaison de plusieurs d'entre elles :
- la levée;
- le tri;
- l'acheminement;
- la distribution.
Ne sont pas considérés comme un service postal :
- la prestation de services postaux par la personne physique ou morale qui est à l'origine de l'envoi du courrier;
- les lettres de voitures et les factures non cachetées, dans la mesure où elles ne contiennent que les énonciations nécessaires à la livraison des marchandises qu'elles accompagnent;
- l'échange de documents.
2° Levée : l'opération consistant à collecter les envois postaux déposés aux points d'accès.
3° Distribution : le processus allant du tri au centre de distribution jusqu'à la remise des envois postaux aux destinataires.
4° Points d'accès : les installations physiques, notamment les boîtes aux lettres mises à la disposition du public, soit sur la voie publique, soit dans les locaux du prestataire du service universel, où les envois postaux peuvent être confiés par des clients au réseau postal public.
5° Réseau postal public : l'ensemble de l'organisation et des moyens de toute nature mis en oeuvre par le prestataire du service universel, pour prester un service faisant partie du service universel, en vue notamment de :
- la levée des envois postaux couverts par une obligation de service universel aux points d'accès sur l'ensemble du territoire;
- l'acheminement et le traitement de ces envois du point d'accès du réseau postal jusqu'au centre de distribution;
- la distribution à l'adresse indiquée sur l'envoi.
6° Envoi postal : un envoi portant une adresse sous la forme définitive dans laquelle il est acheminé par le prestataire du service universel;
Il s'agit, en plus des envois de correspondance, par exemple de livres, de catalogues, de journaux, de périodiques et de colis postaux contenant des marchandises avec ou sans valeur commerciale.
7° Envoi de correspondance : une communication écrite sur un support physique quelconque qui doit être acheminée et remise à l'adresse indiquée par l'expéditeur sur l'envoi lui-même ou sur son conditionnement; les livres, catalogues, journaux et périodiques ne sont pas considéres comme des envois de correspondance.
8° Envoi recommandé : service consistant à garantir forfaitairement contre les risques de perte, vol ou détérioration et fournissant à l'expéditeur, le cas échéant à sa demande, une preuve du dépôt de l'envoi postal et/ou de sa remise au destinataire.
9° Envoi recommandé utilisé dans le cadre d'une procédure judiciaire ou administrative : envoi pour lequel le recours à la recommandation dans le cadre d'une procédure judiciaire ou administrative est prescrit par une disposition légale ou réglementaire.
10° Envoi à valeur déclarée : service consistant à assurer l'envoi postal à concurrence de la valeur déclarée par l'expéditeur en cas de perte, vol ou détérioration.
11° Courrier transfrontière : le courrier en provenance ou à destination d'un autre Etat membre de l'Union européenne ou d'un pays tiers.
12° Publipostage : Une communication consistant uniquement en matériel de publicité ou de marketing et contenant un message identique, à l'exception du nom, de l'adresse et du numéro d'identification du destinataire ainsi que d'autres variables qui ne modifient pas la nature du message, qui est envoyée à un nombre significatif de personnes et qui doit être acheminée et remise a l'adresse indiquée par l'expéditeur sur l'envoi lui-même ou sur son conditionnement.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, sur proposition de l'Institut, ce qu'il y a lieu d'entendre par l'expression "nombre significatif de personnes".
Les notes, factures, états financiers et autres messages non identiques ne sont pas considérés comme du publipostage; une communication combinant du publipostage et d'autres envois sous un même conditionnement n'est pas non plus considérée comme du publipostage. Le publipostage comprend le publipostage national et transfrontière.
13° Echange de documents : la fourniture des moyens, y compris la mise à disposition par un tiers de locaux ad hoc et de moyens de transport, permettant la distribution par les intéressés eux-mêmes par l'échange mutuel d'envois postaux entre utilisateurs abonnés à ce service.
14° Prestataire du service universel : La Poste.
15° Opérateur postal : toute personne physique ou morale qui fournit un service postal pour d'autres personnes physiques ou morales.
16° Utilisateur : toute personne physique ou morale bénéficiaire d'une prestation de service universel en tant qu'expéditeur ou destinataire.
17° Exigences essentielles : les raisons générales de nature non économique qui peuvent amener l'Etat à imposer des conditions pour la prestation de services postaux; ces raisons sont la confidentialité de la correspondance, la sécurité du réseau en ce qui concerne le transport de matières dangereuses et, dans les cas justifiés, la protection des données, la protection de l'environnement et l'aménagement du territoire; la protection des données comprend la protection des données à caractère personnel, la confidentialité des informations transmises et/ou stockées, ainsi que la protection de la vie privée.
18° La Poste : l'entreprise publique autonome visée à l'article 1er, § 4, 3°.
19° Services financiers postaux : les opérations en monnaie fiduciaire, scripturale ou électronique, gratuites ou rétribuées, effectuées par La Poste, tant pour son propre compte que pour le compte de tiers.
20° Institut : l'Institut belge des services postaux et des télécommunications, en abrégé l.B.P.T., visé à l'article 71 de la présente loi. ".
" Art. 131. Pour l'application du présent titre, on entend par :
1° Services postaux : les services relatifs aux envois adressés qui consistent en l'une des opérations suivantes ou en la combinaison de plusieurs d'entre elles :
- la levée;
- le tri;
- l'acheminement;
- la distribution.
Ne sont pas considérés comme un service postal :
- la prestation de services postaux par la personne physique ou morale qui est à l'origine de l'envoi du courrier;
- les lettres de voitures et les factures non cachetées, dans la mesure où elles ne contiennent que les énonciations nécessaires à la livraison des marchandises qu'elles accompagnent;
- l'échange de documents.
2° Levée : l'opération consistant à collecter les envois postaux déposés aux points d'accès.
3° Distribution : le processus allant du tri au centre de distribution jusqu'à la remise des envois postaux aux destinataires.
4° Points d'accès : les installations physiques, notamment les boîtes aux lettres mises à la disposition du public, soit sur la voie publique, soit dans les locaux du prestataire du service universel, où les envois postaux peuvent être confiés par des clients au réseau postal public.
5° Réseau postal public : l'ensemble de l'organisation et des moyens de toute nature mis en oeuvre par le prestataire du service universel, pour prester un service faisant partie du service universel, en vue notamment de :
- la levée des envois postaux couverts par une obligation de service universel aux points d'accès sur l'ensemble du territoire;
- l'acheminement et le traitement de ces envois du point d'accès du réseau postal jusqu'au centre de distribution;
- la distribution à l'adresse indiquée sur l'envoi.
6° Envoi postal : un envoi portant une adresse sous la forme définitive dans laquelle il est acheminé par le prestataire du service universel;
Il s'agit, en plus des envois de correspondance, par exemple de livres, de catalogues, de journaux, de périodiques et de colis postaux contenant des marchandises avec ou sans valeur commerciale.
7° Envoi de correspondance : une communication écrite sur un support physique quelconque qui doit être acheminée et remise à l'adresse indiquée par l'expéditeur sur l'envoi lui-même ou sur son conditionnement; les livres, catalogues, journaux et périodiques ne sont pas considéres comme des envois de correspondance.
8° Envoi recommandé : service consistant à garantir forfaitairement contre les risques de perte, vol ou détérioration et fournissant à l'expéditeur, le cas échéant à sa demande, une preuve du dépôt de l'envoi postal et/ou de sa remise au destinataire.
9° Envoi recommandé utilisé dans le cadre d'une procédure judiciaire ou administrative : envoi pour lequel le recours à la recommandation dans le cadre d'une procédure judiciaire ou administrative est prescrit par une disposition légale ou réglementaire.
10° Envoi à valeur déclarée : service consistant à assurer l'envoi postal à concurrence de la valeur déclarée par l'expéditeur en cas de perte, vol ou détérioration.
11° Courrier transfrontière : le courrier en provenance ou à destination d'un autre Etat membre de l'Union européenne ou d'un pays tiers.
12° Publipostage : Une communication consistant uniquement en matériel de publicité ou de marketing et contenant un message identique, à l'exception du nom, de l'adresse et du numéro d'identification du destinataire ainsi que d'autres variables qui ne modifient pas la nature du message, qui est envoyée à un nombre significatif de personnes et qui doit être acheminée et remise a l'adresse indiquée par l'expéditeur sur l'envoi lui-même ou sur son conditionnement.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, sur proposition de l'Institut, ce qu'il y a lieu d'entendre par l'expression "nombre significatif de personnes".
Les notes, factures, états financiers et autres messages non identiques ne sont pas considérés comme du publipostage; une communication combinant du publipostage et d'autres envois sous un même conditionnement n'est pas non plus considérée comme du publipostage. Le publipostage comprend le publipostage national et transfrontière.
13° Echange de documents : la fourniture des moyens, y compris la mise à disposition par un tiers de locaux ad hoc et de moyens de transport, permettant la distribution par les intéressés eux-mêmes par l'échange mutuel d'envois postaux entre utilisateurs abonnés à ce service.
14° Prestataire du service universel : La Poste.
15° Opérateur postal : toute personne physique ou morale qui fournit un service postal pour d'autres personnes physiques ou morales.
16° Utilisateur : toute personne physique ou morale bénéficiaire d'une prestation de service universel en tant qu'expéditeur ou destinataire.
17° Exigences essentielles : les raisons générales de nature non économique qui peuvent amener l'Etat à imposer des conditions pour la prestation de services postaux; ces raisons sont la confidentialité de la correspondance, la sécurité du réseau en ce qui concerne le transport de matières dangereuses et, dans les cas justifiés, la protection des données, la protection de l'environnement et l'aménagement du territoire; la protection des données comprend la protection des données à caractère personnel, la confidentialité des informations transmises et/ou stockées, ainsi que la protection de la vie privée.
18° La Poste : l'entreprise publique autonome visée à l'article 1er, § 4, 3°.
19° Services financiers postaux : les opérations en monnaie fiduciaire, scripturale ou électronique, gratuites ou rétribuées, effectuées par La Poste, tant pour son propre compte que pour le compte de tiers.
20° Institut : l'Institut belge des services postaux et des télécommunications, en abrégé l.B.P.T., visé à l'article 71 de la présente loi. ".
Art. 3. In artikel 133 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 12 december 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "van De Post" worden geschrapt;
2° de woorden "voor De Post" worden vervangen door de woorden "voor de postdiensten";
3° de woorden "en de financiële postdiensten" worden geschrapt;
4° in de Franse tekst worden de woorden "et des services financiers postaux" geschrapt;
5° de woorden "Het instituut staat de Minister bij in het opstellen van de regels die De Post moet naleven bij het organiseren van zijn boekhouding conform artikel 27, § 1 van deze wet. " worden geschrapt;
6° het laatste lid wordt opgeheven.
1° de woorden "van De Post" worden geschrapt;
2° de woorden "voor De Post" worden vervangen door de woorden "voor de postdiensten";
3° de woorden "en de financiële postdiensten" worden geschrapt;
4° in de Franse tekst worden de woorden "et des services financiers postaux" geschrapt;
5° de woorden "Het instituut staat de Minister bij in het opstellen van de regels die De Post moet naleven bij het organiseren van zijn boekhouding conform artikel 27, § 1 van deze wet. " worden geschrapt;
6° het laatste lid wordt opgeheven.
Art. 3. A l'article 133 de la même loi, modifié par la loi du 12 décembre 1994, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots "de La Poste" sont supprimés;
2° les mots "pour La Poste" sont remplacés par les mots "pour les services postaux";
3° les mots "et aux services financiers postaux" sont supprimés;
4° dans le texte français les mots "et des services financiers postaux" sont supprimés;
5° les mots " L'Institut assiste le Ministre dans l'élaboration des regles que La Poste doit respecter en organisant sa comptabilité conformément à l'article 27, § 1er de la présente loi. " sont supprimés;
6° le dernier alinéa est abrogé.
1° les mots "de La Poste" sont supprimés;
2° les mots "pour La Poste" sont remplacés par les mots "pour les services postaux";
3° les mots "et aux services financiers postaux" sont supprimés;
4° dans le texte français les mots "et des services financiers postaux" sont supprimés;
5° les mots " L'Institut assiste le Ministre dans l'élaboration des regles que La Poste doit respecter en organisant sa comptabilité conformément à l'article 27, § 1er de la présente loi. " sont supprimés;
6° le dernier alinéa est abrogé.
Art. 4. Artikel 134 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 12 december 1994 en 19 december 1997, wordt opgeheven.
Art. 4. L'article 134 de la même loi, modifié par les lois du 12 décembre 1994 et du 19 décembre 1997, est abrogé.
Art. 5. In artikel 135 worden de woorden "De Post" vervangen door de woorden "de leverancier van de universele dienst".
Art. 5. Dans l'article 135 de la même loi les mots "de La Poste" sont remplacés par les mots "du prestataire du service universel".
Art. 6. In de Franse tekst van artikel 136 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 19 december 1997, wordt het woord "confisquer" vervangen door het woord "saisir".
Art. 6. Dans le texte français de l'article 136 de la même loi, remplacé par la loi du 19 décembre 1997, le mot "confisquer" est remplacé par le mot "saisir".
Art. 7. Artikel 137 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 7. L'article 137 de la même loi est abrogé.
Art. 8. Artikel 136bis van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 19 december 1997, wordt artikel 137.
Art. 8. L'article 136bis de la même loi, inséré par la loi du 19 décembre 1997, en devient l'article 137.
Art. 9. Het opschrift van hoofdstuk IV van Titel IV van dezelfde wet wordt vervangen door het volgende opschrift : "Hoofdstuk IV - Raadgevend Comité voor de postdiensten".
Art. 9. L'intitulé du chapitre IV du titre IV de la même loi est remplacé par l'intitulé suivant : - "Chapitre IV - Comité consultatif pour les services postaux".
Art. 10. In artikel 139 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "aanbidders van postdiensten" worden vervangen door het woord "postoperatoren";
2° in de Franse tekst wordt het woord "usagers" vervangen door het woord "utilisateurs".
1° de woorden "aanbidders van postdiensten" worden vervangen door het woord "postoperatoren";
2° in de Franse tekst wordt het woord "usagers" vervangen door het woord "utilisateurs".
Art. 10. A l'article 139 de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots "prestataires de services postaux" sont remplacés par les mots "opérateurs postaux";
2° le mot "usagers" est remplacé par les mots "utilisateurs ".
1° les mots "prestataires de services postaux" sont remplacés par les mots "opérateurs postaux";
2° le mot "usagers" est remplacé par les mots "utilisateurs ".
Art. 11. Het opschrift van afdeling II van hoofdstuk V van titel IV van dezelfde wet wordt vervangen door het volgend opschrift : "Afdeling II. - Opdrachten van openbare dienst van De Post".
Art. 11. L'intitulé de la section 11 du chapitre V du titre IV de la même loi est remplacé par l'intitulé suivant : "Section II. - Missions de service public de La Poste".
Art. 12. Artikel 141 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 141. § 1. De Post is belast met volgende opdrachten van openbare dienst over het gehele grondgebied van het Rijk :
A. De totaliteit van de universele postdienst.
Onverminderd artikel 13, §§ 3 en 4, kan De Post, voor haar rekening en onder haar verantwoordelijkheid, een deel van die al dan niet voorbehouden universele dienst contractueel aan een derde toevertrouwen.
De bepalingen van artikel 148sexies, § 1, punt 2°, zijn van toepassing op De Post voor alle verrichtingen die onder de, al of niet voorbehouden, universele dienst vallen.
B. De financiële postdiensten en de verkoop van postzegels en andere postwaarden, die worden geregeld door het beheerscontract tussen de Staat en De Post.
C. De Post kan door of krachtens een wettelijke of contractuele bepaling worden belast met andere opdrachten van openbare dienst.
§ 2. Als overgangsmaatregel, en zolang De Post de enige leverancier van de totaliteit van de universele dienst is en tot het aflopen van het huidige beheerscontract kan op dit contract beroep worden gedaan om de regels en bijzondere voorwaarden vast te leggen volgens dewelke deze de opdrachten van openbare dienst uitoefent die haar bij de wet zijn toevertrouwd.
De bepalingen van het beheerscontract moeten verenigbaar zijn met de verplichtingen van richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst. ".
" Art. 141. § 1. De Post is belast met volgende opdrachten van openbare dienst over het gehele grondgebied van het Rijk :
A. De totaliteit van de universele postdienst.
Onverminderd artikel 13, §§ 3 en 4, kan De Post, voor haar rekening en onder haar verantwoordelijkheid, een deel van die al dan niet voorbehouden universele dienst contractueel aan een derde toevertrouwen.
De bepalingen van artikel 148sexies, § 1, punt 2°, zijn van toepassing op De Post voor alle verrichtingen die onder de, al of niet voorbehouden, universele dienst vallen.
B. De financiële postdiensten en de verkoop van postzegels en andere postwaarden, die worden geregeld door het beheerscontract tussen de Staat en De Post.
C. De Post kan door of krachtens een wettelijke of contractuele bepaling worden belast met andere opdrachten van openbare dienst.
§ 2. Als overgangsmaatregel, en zolang De Post de enige leverancier van de totaliteit van de universele dienst is en tot het aflopen van het huidige beheerscontract kan op dit contract beroep worden gedaan om de regels en bijzondere voorwaarden vast te leggen volgens dewelke deze de opdrachten van openbare dienst uitoefent die haar bij de wet zijn toevertrouwd.
De bepalingen van het beheerscontract moeten verenigbaar zijn met de verplichtingen van richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst. ".
Art. 12. L'article 141 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 141. § 1er. La Poste est chargée des missions de service public suivantes sur l'ensemble du territoire du Royaume :
A. La totalité du service postal universel.
Sans préjudice de l'article 13 §§ 3 et 4, La Poste peut confier à un tiers, pour son compte et sous sa responsabilité, par voie contractuelle, une partie dudit service universel, réservé ou non.
Les dispositions de l'article 148sexies, § 1er, point 2°, sont applicables à La Poste pour toutes les prestations relevant du service universel, réservé ou non.
B. Les services financiers postaux et la vente des timbres-poste et autres valeurs postales, qui sont régles par le contrat de gestion entre l'Etat et La Poste.
C. La Poste peut être chargée par ou en vertu d'une disposition légale ou contractuelle d'autres missions de service public.
§ 2. A titre transitoire, aussi longtemps que La Poste est l'unique prestataire de la totalité du service universel et jusqu'à l'expiration du contrat de gestion en cours, il peut être recouru audit contrat pour fixer les règles et conditions spéciales selon lesquelles celle-ci exerce les missions de service public qui lui sont confiées par la loi.
Les dispositions du contrat de gestion doivent être compatibles avec les obligations contenues dans la directive 97/67/CE du Parlement européen et du Conseil du 15 décembre 1997 concernant des règles communes pour le développement du marché intérieur des services postaux de la Communauté et l'amélioration de la qualité de service. ".
" Art. 141. § 1er. La Poste est chargée des missions de service public suivantes sur l'ensemble du territoire du Royaume :
A. La totalité du service postal universel.
Sans préjudice de l'article 13 §§ 3 et 4, La Poste peut confier à un tiers, pour son compte et sous sa responsabilité, par voie contractuelle, une partie dudit service universel, réservé ou non.
Les dispositions de l'article 148sexies, § 1er, point 2°, sont applicables à La Poste pour toutes les prestations relevant du service universel, réservé ou non.
B. Les services financiers postaux et la vente des timbres-poste et autres valeurs postales, qui sont régles par le contrat de gestion entre l'Etat et La Poste.
C. La Poste peut être chargée par ou en vertu d'une disposition légale ou contractuelle d'autres missions de service public.
§ 2. A titre transitoire, aussi longtemps que La Poste est l'unique prestataire de la totalité du service universel et jusqu'à l'expiration du contrat de gestion en cours, il peut être recouru audit contrat pour fixer les règles et conditions spéciales selon lesquelles celle-ci exerce les missions de service public qui lui sont confiées par la loi.
Les dispositions du contrat de gestion doivent être compatibles avec les obligations contenues dans la directive 97/67/CE du Parlement européen et du Conseil du 15 décembre 1997 concernant des règles communes pour le développement du marché intérieur des services postaux de la Communauté et l'amélioration de la qualité de service. ".
Art. 13. Een afdeling III met als opschrift "Afdeling III - inhoud en eisen in verband met de universele postdienst" wordt na artikel 141 van dezelfde wet ingevoegd.
Art. 13. Une section III intitulée "section III. - Contenu et exigences liées au service postal universel" est insérée à la suite de l'article 141 de la même loi.
Art. 14. Artikel 142 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 142. § 1. De universele postdienst omvat de volgende verrichtingen :
- het ophalen, het sorteren, het vervoer en de distributie van postzendingen tot 2 kg;
- het ophalen, het sorteren, het vervoer en de distributie van postpakketten tot 10 kg;
- de distributie van de postpakketten ontvangen vanuit andere Lidstaten tot 20 kg;
- de diensten in verband met aangetekende zendingen en zendingen met aangegeven waarde.
De universele postdienst omvat zowel de nationale als de grensoverschrijdende diensten.
§ 2. De levering van de universele dienst brengt de volgende verplichtingen met zich :
1° in elke gemeente van het Rijk, met inbegrip van de gefusioneerde gemeenten die op 31 december 1971 een afzonderlijke bestuurlijke eenheid vormden, dient zich ten minste één toegangspunt te bevinden voor het deponeren van postzendingen bedoeld in § 1;
2° per gemeente bedoeld in punt 1° dient er minimaal vijf dagen per week, behalve op zondag en de wettelijke feestdagen, ten minste één lichting, één verzending en één bestelling van die postzendingen te geschieden;
3° bij de bestelling van de postzendingen moeten alle woningen van het Rijk worden betrokken voor zover zij voorzien zijn van een brievenbus binnen handbereik geplaatst aan de grens van de openbare weg en beantwoordend aan de reglementering uitgevaardigd door de Minister, op voorstel van het Instituut.
Deze verplichting wordt uitgebreid tot de pakketten bedoeld in § 1, tweede streepje. Zo het aangeboden pakket niet in ontvangst is kunnen genomen worden door de bestemmeling, wordt het bewaard op een plaats in de gemeente van de geadresseerde, waarbij die laatste daarvan op de hoogte wordt gebracht door een bericht dat in zijn bus wordt gestoken. Die plaats moet ten minste vijf dagen per week, behalve op zondag en de wettelijke feestdagen toegankelijk zijn.
§ 3. De levering van de universele dienst beantwoordt aan de volgende eisen :
- de essentiële eisen worden nageleefd;
- aan de gebruikers die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden, wordt een identieke dienstverlening geboden;
- er wordt niet gediscrimineerd, met name op grond van politieke, religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging;
- de dienst wordt, behoudens wegens overmacht, niet onderbroken of beëindigd;
- de dienst evolueert overeenkomstig de technische, economische en sociale ontwikkeling en de behoeften van de gebruikers.
§ 4. In geval van onderbreking of stopzetting van de verrichtingen van de universele dienst, is de leverancier verplicht de Minister en het Instituut onmiddellijk, en de gebruikers zo snel mogelijk daarvan op de hoogte te stellen. ".
" Art. 142. § 1. De universele postdienst omvat de volgende verrichtingen :
- het ophalen, het sorteren, het vervoer en de distributie van postzendingen tot 2 kg;
- het ophalen, het sorteren, het vervoer en de distributie van postpakketten tot 10 kg;
- de distributie van de postpakketten ontvangen vanuit andere Lidstaten tot 20 kg;
- de diensten in verband met aangetekende zendingen en zendingen met aangegeven waarde.
De universele postdienst omvat zowel de nationale als de grensoverschrijdende diensten.
§ 2. De levering van de universele dienst brengt de volgende verplichtingen met zich :
1° in elke gemeente van het Rijk, met inbegrip van de gefusioneerde gemeenten die op 31 december 1971 een afzonderlijke bestuurlijke eenheid vormden, dient zich ten minste één toegangspunt te bevinden voor het deponeren van postzendingen bedoeld in § 1;
2° per gemeente bedoeld in punt 1° dient er minimaal vijf dagen per week, behalve op zondag en de wettelijke feestdagen, ten minste één lichting, één verzending en één bestelling van die postzendingen te geschieden;
3° bij de bestelling van de postzendingen moeten alle woningen van het Rijk worden betrokken voor zover zij voorzien zijn van een brievenbus binnen handbereik geplaatst aan de grens van de openbare weg en beantwoordend aan de reglementering uitgevaardigd door de Minister, op voorstel van het Instituut.
Deze verplichting wordt uitgebreid tot de pakketten bedoeld in § 1, tweede streepje. Zo het aangeboden pakket niet in ontvangst is kunnen genomen worden door de bestemmeling, wordt het bewaard op een plaats in de gemeente van de geadresseerde, waarbij die laatste daarvan op de hoogte wordt gebracht door een bericht dat in zijn bus wordt gestoken. Die plaats moet ten minste vijf dagen per week, behalve op zondag en de wettelijke feestdagen toegankelijk zijn.
§ 3. De levering van de universele dienst beantwoordt aan de volgende eisen :
- de essentiële eisen worden nageleefd;
- aan de gebruikers die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden, wordt een identieke dienstverlening geboden;
- er wordt niet gediscrimineerd, met name op grond van politieke, religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging;
- de dienst wordt, behoudens wegens overmacht, niet onderbroken of beëindigd;
- de dienst evolueert overeenkomstig de technische, economische en sociale ontwikkeling en de behoeften van de gebruikers.
§ 4. In geval van onderbreking of stopzetting van de verrichtingen van de universele dienst, is de leverancier verplicht de Minister en het Instituut onmiddellijk, en de gebruikers zo snel mogelijk daarvan op de hoogte te stellen. ".
Art. 14. L'article 142 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 142. § 1er. Le service postal universel comprend les prestations suivantes :
- la levée, le tri, le transport et la distribution des envois postaux jusqu'à 2 kg;
- la levée, le tri, le transport et la distribution des colis postaux jusqu'à 10 kg;
- la distribution des colis postaux reçus d'autres Etats membres et pesant jusqu'à 20 kg;
- les services relatifs aux envois recommandés et aux envois à valeur déclarée.
Le service postal universel comprend aussi bien les services nationaux que les services transfrontières.
§ 2. La prestation du service universel comporte les obligations suivantes :
1° toutes les communes du Royaume, y compris les entités administratives fusionnées qui constituaient une commune distincte au 31 décembre 1970 sont pourvues d'un point d'accès, au moins, pour le dépôt des envois postaux visés au § 1er;
2° il doit y avoir, par commune visée au point 1°, au minimum une levée, une expédition et une distribution des envois postaux et ce, au moins cinq jours par semaine, sauf le dimanche et les jours fériés légaux;
3° la distribution des envois postaux doit s'étendre à toutes les habitations du Royaume pour autant qu'elles soient pourvues d'une boîte aux lettres placée à la limite de la voirie publique et à portée de main, répondant à la réglementation édictée par le Ministre sur proposition de l'Institut.
Cette obligation s'étend aux colis visés au § 1er, deuxième tiret. Au cas où le colis présenté n'a pu être réceptionné par le destinataire, il est conservé dans un lieu situé dans la commune du destinataire, ce dernier en étant averti par un avis déposé dans sa boîte. Ce lieu doit être accessible au moins cinq jours par semaine, sauf le dimanche et les jours fériés légaux.
§ 3. La prestation du service universel répond aux exigences suivantes :
- garantir le respect des exigences essentielles;
- offrir aux utilisateurs se trouvant dans des conditions comparables un service identique;
- être disponible sans discrimination, notamment pour des raisons d'ordre politique, religieux ou idéologique;
- ne pas être interrompue ou arrêtée, sauf en cas de force majeure;
- évoluer en fonction de l'environnement technique, économique et social ainsi que des besoins des utilisateurs.
§ 4. En cas d'interruption ou d'arrêt des prestations du service universel, le prestataire est tenu d'en informer immédiatement le Ministre et l'Institut le plus rapidement possible les utilisateurs.
" Art. 142. § 1er. Le service postal universel comprend les prestations suivantes :
- la levée, le tri, le transport et la distribution des envois postaux jusqu'à 2 kg;
- la levée, le tri, le transport et la distribution des colis postaux jusqu'à 10 kg;
- la distribution des colis postaux reçus d'autres Etats membres et pesant jusqu'à 20 kg;
- les services relatifs aux envois recommandés et aux envois à valeur déclarée.
Le service postal universel comprend aussi bien les services nationaux que les services transfrontières.
§ 2. La prestation du service universel comporte les obligations suivantes :
1° toutes les communes du Royaume, y compris les entités administratives fusionnées qui constituaient une commune distincte au 31 décembre 1970 sont pourvues d'un point d'accès, au moins, pour le dépôt des envois postaux visés au § 1er;
2° il doit y avoir, par commune visée au point 1°, au minimum une levée, une expédition et une distribution des envois postaux et ce, au moins cinq jours par semaine, sauf le dimanche et les jours fériés légaux;
3° la distribution des envois postaux doit s'étendre à toutes les habitations du Royaume pour autant qu'elles soient pourvues d'une boîte aux lettres placée à la limite de la voirie publique et à portée de main, répondant à la réglementation édictée par le Ministre sur proposition de l'Institut.
Cette obligation s'étend aux colis visés au § 1er, deuxième tiret. Au cas où le colis présenté n'a pu être réceptionné par le destinataire, il est conservé dans un lieu situé dans la commune du destinataire, ce dernier en étant averti par un avis déposé dans sa boîte. Ce lieu doit être accessible au moins cinq jours par semaine, sauf le dimanche et les jours fériés légaux.
§ 3. La prestation du service universel répond aux exigences suivantes :
- garantir le respect des exigences essentielles;
- offrir aux utilisateurs se trouvant dans des conditions comparables un service identique;
- être disponible sans discrimination, notamment pour des raisons d'ordre politique, religieux ou idéologique;
- ne pas être interrompue ou arrêtée, sauf en cas de force majeure;
- évoluer en fonction de l'environnement technique, économique et social ainsi que des besoins des utilisateurs.
§ 4. En cas d'interruption ou d'arrêt des prestations du service universel, le prestataire est tenu d'en informer immédiatement le Ministre et l'Institut le plus rapidement possible les utilisateurs.
Art. 15. In artikel 143 van dezelfde wet worden de tweede en derde paragraaf opgeheven.
Art. 15. A l'article 143 de la même loi, les paragraphes 2 et 3 sont abrogés.
Art. 16. Artikel 144 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 144. De algemene en bijzondere voorwaarden inzake het aanbod van de diensten en leveringen die tot de universele dienst behoren, alsook de tarieven, maken het voorwerp uit van een "Catalogus van de diensten aangeboden door de leverancier van de universele dienst", die in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. De wijzigingen aan deze catalogus worden eveneens in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. ".
" Art. 144. De algemene en bijzondere voorwaarden inzake het aanbod van de diensten en leveringen die tot de universele dienst behoren, alsook de tarieven, maken het voorwerp uit van een "Catalogus van de diensten aangeboden door de leverancier van de universele dienst", die in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. De wijzigingen aan deze catalogus worden eveneens in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. ".
Art. 16. L'article 144 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 144. Les conditions générales et particulières en matière d'offre des services et fournitures qui font partie du service universel, ainsi que les tarifs, font l'objet d'un "Catalogue des services offerts par le prestataire du service universel" publié au Moniteur belge. Les modifications apportées a ce catalogue doivent également être publiées au Moniteur belge. ".
" Art. 144. Les conditions générales et particulières en matière d'offre des services et fournitures qui font partie du service universel, ainsi que les tarifs, font l'objet d'un "Catalogue des services offerts par le prestataire du service universel" publié au Moniteur belge. Les modifications apportées a ce catalogue doivent également être publiées au Moniteur belge. ".
Art. 17. Een artikel 144 bis, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :
" Art.144bis. § 1. De leverancier van de universele dienst verstrekt aan de gebruikers precieze, actuele en volledige informatie met betrekking tot de producten en diensten die deel uitmaken van de universele dienst.
Inlichtingen betreffende de toegang tot de dienst, het tarief, het kwaliteitsniveau, de aansprakelijkheidsregeling en de klachtenprocedure moeten mondeling kunnen verstrekt worden. De karakteristieken van een product moeten kunnen worden opgesomd.
Behalve hetgeen in artikel 144 is behaald, afficheert hij op duidelijke en leesbare wijze de openingstijden van de kantoren aan de buitenkant ervan, en de belangrijkste tarieven aan de binnenkant van deze laatste.
Hij verstrekt eveneens in alle kantoren brochures met een beschrijving per product of dienst dat of die deel uitmaakt van de universele dienst, van de toegangsvoorwaarden, de basistarieven, de kortingen, de standaardtoeslagen, de aansprakelijkheidsregeling en de klachtenprocedure, de naam en het adres van zijn hoofdzetel.
§ 2. Elke wijziging die wordt aangebracht in de aanbiedingsvoorwaarden van de producten en diensten moet, voordat zij van toepassing wordt, ter kennis worden gebracht van de gebruikers. ".
" Art.144bis. § 1. De leverancier van de universele dienst verstrekt aan de gebruikers precieze, actuele en volledige informatie met betrekking tot de producten en diensten die deel uitmaken van de universele dienst.
Inlichtingen betreffende de toegang tot de dienst, het tarief, het kwaliteitsniveau, de aansprakelijkheidsregeling en de klachtenprocedure moeten mondeling kunnen verstrekt worden. De karakteristieken van een product moeten kunnen worden opgesomd.
Behalve hetgeen in artikel 144 is behaald, afficheert hij op duidelijke en leesbare wijze de openingstijden van de kantoren aan de buitenkant ervan, en de belangrijkste tarieven aan de binnenkant van deze laatste.
Hij verstrekt eveneens in alle kantoren brochures met een beschrijving per product of dienst dat of die deel uitmaakt van de universele dienst, van de toegangsvoorwaarden, de basistarieven, de kortingen, de standaardtoeslagen, de aansprakelijkheidsregeling en de klachtenprocedure, de naam en het adres van zijn hoofdzetel.
§ 2. Elke wijziging die wordt aangebracht in de aanbiedingsvoorwaarden van de producten en diensten moet, voordat zij van toepassing wordt, ter kennis worden gebracht van de gebruikers. ".
Art. 17. Un article 144bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 144 bis. § 1er. Le prestataire du service universel fournit aux utilisateurs des informations précises, actualisées et complètes sur les produits et services faisant partie du service universel.
Des informations concernant l'accès au service, le tarif, le niveau de qualité, les régies de la responsabilité et la procédure de réclamation doivent pouvoir être formulées oralement. Les caractéristiques d'un produit doivent pouvoir être énumérées.
Outre ce qui est prévu à l'article 144, il affiche de manière claire et lisible les heures d'ouverture des bureaux à l'extérieur de ceux-ci, et les principaux tarifs à l'intérieur de ces derniers.
Il fournit également dans tous les bureaux des brochures detaillant, par produit ou service faisant partie du service universel, les conditions d'accès, les tarifs de base, les réductions, les suppléments standards, les règles de la responsabilité et la procédure de réclamation, et mentionnant le nom et l'adresse de son siège principal.
§ 2. Toute modification apportée aux conditions d'offre des produits et services doit être portée à la connaissance des utilisateurs avant son entrée en application.
" Art. 144 bis. § 1er. Le prestataire du service universel fournit aux utilisateurs des informations précises, actualisées et complètes sur les produits et services faisant partie du service universel.
Des informations concernant l'accès au service, le tarif, le niveau de qualité, les régies de la responsabilité et la procédure de réclamation doivent pouvoir être formulées oralement. Les caractéristiques d'un produit doivent pouvoir être énumérées.
Outre ce qui est prévu à l'article 144, il affiche de manière claire et lisible les heures d'ouverture des bureaux à l'extérieur de ceux-ci, et les principaux tarifs à l'intérieur de ces derniers.
Il fournit également dans tous les bureaux des brochures detaillant, par produit ou service faisant partie du service universel, les conditions d'accès, les tarifs de base, les réductions, les suppléments standards, les règles de la responsabilité et la procédure de réclamation, et mentionnant le nom et l'adresse de son siège principal.
§ 2. Toute modification apportée aux conditions d'offre des produits et services doit être portée à la connaissance des utilisateurs avant son entrée en application.
Art. 18. Een artikel 144ter, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :
" Art. 144ter. § 1. De tarieven voor elk van de diensten die deel uitmaken van de verlening van de universele dienst worden vastgesteld met inachtneming van de volgende beginselen :
1° de prijzen moeten betaalbaar zijn en van die aard dat alle gebruikers toegang hebben tot de aangeboden diensten;
2° de tarieven moeten op de kosten van de universele dienst gebaseerd zijn;
3° de tarieven moeten transparant en niet-discriminerend zijn;
4° de tarieven zijn identiek over het gehele grondgebied van het Rijk, ongeacht de plaats van ophaling en distributie.
§ 2. Onverminderd § 1 mogen er individuele tariefakkoorden worden gesloten om rekening te houden met de omvang en de aard van de respectievelijke verrichtingen van de partijen.
§ 3. De tarieven bedoeld in §§ 1 en 2 evolueren volgens een, bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, op advies van het Instituut, vastgestelde formule.
De leverancier van de universele dienst deelt in geval van een wijziging van de tarieven voor de voorbehouden universele dienst alle documenten met betrekking tot de kostprijsberekening mee aan het Instituut. ".
" Art. 144ter. § 1. De tarieven voor elk van de diensten die deel uitmaken van de verlening van de universele dienst worden vastgesteld met inachtneming van de volgende beginselen :
1° de prijzen moeten betaalbaar zijn en van die aard dat alle gebruikers toegang hebben tot de aangeboden diensten;
2° de tarieven moeten op de kosten van de universele dienst gebaseerd zijn;
3° de tarieven moeten transparant en niet-discriminerend zijn;
4° de tarieven zijn identiek over het gehele grondgebied van het Rijk, ongeacht de plaats van ophaling en distributie.
§ 2. Onverminderd § 1 mogen er individuele tariefakkoorden worden gesloten om rekening te houden met de omvang en de aard van de respectievelijke verrichtingen van de partijen.
§ 3. De tarieven bedoeld in §§ 1 en 2 evolueren volgens een, bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, op advies van het Instituut, vastgestelde formule.
De leverancier van de universele dienst deelt in geval van een wijziging van de tarieven voor de voorbehouden universele dienst alle documenten met betrekking tot de kostprijsberekening mee aan het Instituut. ".
Art. 18. Un article 144ter, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 144ter. § 1er. Les tarifs de chacun des services faisant partie de la prestation du service universel sont fixes selon les principes suivants :
1° les prix doivent être abordables et tels que tous les utilisateurs aient accès aux services offerts;
2° les prix doivent être orientés sur les coûts du service universel;
3° les tarifs doivent être transparents et non discriminatoires;
4° les tarifs sont identiques sur toute l'étendue du territoire du Royaume quels que soient les lieux de levée et de distribution.
§ 2. Sans préjudice du § 1er, des accords tarifaires individuels peuvent être conclus pour prendre en compte le volume et la nature des prestations respectives des parties.
§ 3. Les tarifs visés au §§ 1er et 2 évoluent selon une formule fixée, sur avis de l'Institut, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
Le prestataire du service universel communique à l'institut tous les documents concernant le calcul du prix de revient en cas de modification des tarifs pour le service universel réservé. ".
" Art. 144ter. § 1er. Les tarifs de chacun des services faisant partie de la prestation du service universel sont fixes selon les principes suivants :
1° les prix doivent être abordables et tels que tous les utilisateurs aient accès aux services offerts;
2° les prix doivent être orientés sur les coûts du service universel;
3° les tarifs doivent être transparents et non discriminatoires;
4° les tarifs sont identiques sur toute l'étendue du territoire du Royaume quels que soient les lieux de levée et de distribution.
§ 2. Sans préjudice du § 1er, des accords tarifaires individuels peuvent être conclus pour prendre en compte le volume et la nature des prestations respectives des parties.
§ 3. Les tarifs visés au §§ 1er et 2 évoluent selon une formule fixée, sur avis de l'Institut, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
Le prestataire du service universel communique à l'institut tous les documents concernant le calcul du prix de revient en cas de modification des tarifs pour le service universel réservé. ".
Art. 19. Een art. 144quater, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :
" Art. 144quater. § 1. De Koning stelt, op advies van het Instituut, bij in Ministerraad overlegd besluit, de kwaliteitsnormen vast voor de universele dienst en bepaalt de inlichtingen die de leverancier moet verstrekken om de controle ervan mogelijk te maken.
Deze kwaliteitsnormen hebben met name betrekking op de verzendingsduur, de regelmaat en de betrouwbaarheid van de binnenlandse en grensoverschrijdende diensten.
De naleving van die normen wordt minstens één keer per jaar door het Instituut gecontroleerd.
§ 2. Het instituut publiceert een jaarverslag over de controle op de prestaties.
Dat verslag bevat eveneens informatie over het aantal klachten ingediend bij de leverancier van de universele dienst en over de manier waarop die zijn behandeld.
§ 3. De Koning stelt, op advies van het Instituut, de correctiemaatregelen vast die kunnen worden genomen indien door de leverancier van de universele dienst niet is voldaan aan de kwaliteitsnormen bedoeld in § 1 of aan de kwaliteitsnormen voor de grensoverschrijdende diensten, die vastgesteld worden door het Europees Parlement en de Raad en waarvan de toepassing gecontroleerd wordt door de Commissie. ".
§ 4. De Koning bepaalt op advies van het Instituut, bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, de boekhoudkundige elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de berekening van de kost van de universele dienst.
" Art. 144quater. § 1. De Koning stelt, op advies van het Instituut, bij in Ministerraad overlegd besluit, de kwaliteitsnormen vast voor de universele dienst en bepaalt de inlichtingen die de leverancier moet verstrekken om de controle ervan mogelijk te maken.
Deze kwaliteitsnormen hebben met name betrekking op de verzendingsduur, de regelmaat en de betrouwbaarheid van de binnenlandse en grensoverschrijdende diensten.
De naleving van die normen wordt minstens één keer per jaar door het Instituut gecontroleerd.
§ 2. Het instituut publiceert een jaarverslag over de controle op de prestaties.
Dat verslag bevat eveneens informatie over het aantal klachten ingediend bij de leverancier van de universele dienst en over de manier waarop die zijn behandeld.
§ 3. De Koning stelt, op advies van het Instituut, de correctiemaatregelen vast die kunnen worden genomen indien door de leverancier van de universele dienst niet is voldaan aan de kwaliteitsnormen bedoeld in § 1 of aan de kwaliteitsnormen voor de grensoverschrijdende diensten, die vastgesteld worden door het Europees Parlement en de Raad en waarvan de toepassing gecontroleerd wordt door de Commissie. ".
§ 4. De Koning bepaalt op advies van het Instituut, bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, de boekhoudkundige elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de berekening van de kost van de universele dienst.
Art. 19. Un article 144quater, rédigé comme suit, est insére dans la même loi :
" Art. 144quater. § 1er. Sur avis de l'Institut, le Roi determine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les normes de qualité pour le service universel et détermine les renseignements à fournir par le prestataire afin de permettre le contrôle de ces normes.
Ces normes de qualité concernent notamment la durée de l'expédition, la régularité et la fiabilité des services intérieurs et transfrontières.
Le respect de ces normes fait l'objet d'un contrôle au moins une fois par an par l'Institut.
§ 2. L'Institut publie un rapport annuel sur les résultats du contrôle des performances.
Ce rapport contient également des informations sur le nombre de réclamations introduites auprès du prestataire du service universel et la façon dont elles ont été traitées.
§ 3. Sur avis de l'institut, le Roi prend les mesures correctrices nécessaires si le prestataire du service universel ne satisfait pas aux normes de qualité visées au § 1er ou aux normes de qualité pour les services transfrontières, fixées par le Parlement européen et le Conseil et dont la Commission contrôle l'application.".
§ 4. Le Roi détermine sur avis de l'Institut, par arrêté royal délibére en Conseil des Ministres, les éléments comptables à prendre en compte pour le calcul du coût du service universel.
" Art. 144quater. § 1er. Sur avis de l'Institut, le Roi determine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les normes de qualité pour le service universel et détermine les renseignements à fournir par le prestataire afin de permettre le contrôle de ces normes.
Ces normes de qualité concernent notamment la durée de l'expédition, la régularité et la fiabilité des services intérieurs et transfrontières.
Le respect de ces normes fait l'objet d'un contrôle au moins une fois par an par l'Institut.
§ 2. L'Institut publie un rapport annuel sur les résultats du contrôle des performances.
Ce rapport contient également des informations sur le nombre de réclamations introduites auprès du prestataire du service universel et la façon dont elles ont été traitées.
§ 3. Sur avis de l'institut, le Roi prend les mesures correctrices nécessaires si le prestataire du service universel ne satisfait pas aux normes de qualité visées au § 1er ou aux normes de qualité pour les services transfrontières, fixées par le Parlement européen et le Conseil et dont la Commission contrôle l'application.".
§ 4. Le Roi détermine sur avis de l'Institut, par arrêté royal délibére en Conseil des Ministres, les éléments comptables à prendre en compte pour le calcul du coût du service universel.
Art. 20. In dezelfde wet wordt in titel IV een hoofdstuk Vbis ingevoegd, dat de artikelen 144quinquies tot 144septies bevat, luidend als volgt :
" Hoofdstuk Vbis. - De boekhouding
" Hoofdstuk Vbis. - De boekhouding
Art. 20. Il est inséré dans la même loi, au titre IV, un chapitre V bis comprenant les articles 144quinquies à 144septies et rédigé comme suit :
" Chapitre Vbis. - La comptabilité
" Chapitre Vbis. - La comptabilité
Art. 144quinquies. Uiterlijk op 1 januari 2000 houdt de leverancier van de universele dienst in zijn interne boekhouding gescheiden rekeningen voor ten minste elk van de diensten die deel uitmaken van de voorbehouden dienst, enerzijds, en voor de niet-voorbehouden diensten anderzijds.
De rekeningen voor de niet-voorbehouden diensten moeten een duidelijk onderscheid maken tussen de diensten die onder de universele dienst vallen en de diensten die er niet onder vallen.
Deze interne boekhouding steunt op de samenhangende toepassing van de principes van de analytische boekhouding, die objectief gerechtvaardigd kunnen worden.
De rekeningen voor de niet-voorbehouden diensten moeten een duidelijk onderscheid maken tussen de diensten die onder de universele dienst vallen en de diensten die er niet onder vallen.
Deze interne boekhouding steunt op de samenhangende toepassing van de principes van de analytische boekhouding, die objectief gerechtvaardigd kunnen worden.
Art. 144quinquies. Au plus tard le 1er janvier 2000, le prestataire du service universel tient dans sa comptabilité interne des comptes séparés au moins pour chacun des services compris dans le secteur réservé, d'une part, et pour les services non réservés d'autre part.
Les comptes relatifs aux services non réservés doivent établir une nette distinction entre les services qui font partie du service universel et ceux qui n'en font pas partie.
Cette comptabilité interne se fonde sur l'application cohérente des principes de la comptabilité analytique, qui peuvent être objectivement justifiés.
Les comptes relatifs aux services non réservés doivent établir une nette distinction entre les services qui font partie du service universel et ceux qui n'en font pas partie.
Cette comptabilité interne se fonde sur l'application cohérente des principes de la comptabilité analytique, qui peuvent être objectivement justifiés.
Art. 144sexies. § 1. Onverminderd § 2 worden in de in artikel 144quinquies bedoelde boekhouding de kosten als volgt aan elk van de voorbehouden en de niet-voorbehouden diensten toegerekend :
a) de kosten die aan een specifieke dienst toegerekend kunnen worden, worden daaraan toegerekend;
b) de gemeenschappelijke kosten, dit zijn die welke niet aan een specifieke dienst toegerekend kunnen worden, worden als volgt toegerekend :
- telkens wanneer dat mogelijk is, worden de gemeenschappelijke kosten toegerekend op grond van een rechtstreekse analyse van de herkomst van de kosten zelf;
- wanneer een rechtstreekse analyse niet mogelijk is, worden de gemeenschappelijke kostencategorieën toegerekend op grond van een indirecte band met een categorie van kosten of met een andere groep van kostencategorieën waarvoor een rechtstreekse toewijzing of aanrekening mogelijk is; de indirecte band steunt op vergelijkbare kostenstructuren;
- wanneer niet kan worden overgegaan tot een directe of indirecte toerekening, wordt de kostencategorie toegerekend op grond van een algemene verdeelsleutel waarbij de verhouding wordt weergegeven tussen enerzijds alle uitgaven die rechtstreeks of onrechtstreeks toegewezen zijn op elk van de voorbehouden diensten en, anderzijds, alle uitgaven die rechtstreeks of onrechtstreeks toegewezen of aangerekend zijn op de overige diensten.
§ 2. Andere systemen van analytische boekhouding mogen slechts worden toegepast als ze compatibel zijn met de bepalingen van artikel 144quinquies en als zij door het Instituut zijn goedgekeurd.
a) de kosten die aan een specifieke dienst toegerekend kunnen worden, worden daaraan toegerekend;
b) de gemeenschappelijke kosten, dit zijn die welke niet aan een specifieke dienst toegerekend kunnen worden, worden als volgt toegerekend :
- telkens wanneer dat mogelijk is, worden de gemeenschappelijke kosten toegerekend op grond van een rechtstreekse analyse van de herkomst van de kosten zelf;
- wanneer een rechtstreekse analyse niet mogelijk is, worden de gemeenschappelijke kostencategorieën toegerekend op grond van een indirecte band met een categorie van kosten of met een andere groep van kostencategorieën waarvoor een rechtstreekse toewijzing of aanrekening mogelijk is; de indirecte band steunt op vergelijkbare kostenstructuren;
- wanneer niet kan worden overgegaan tot een directe of indirecte toerekening, wordt de kostencategorie toegerekend op grond van een algemene verdeelsleutel waarbij de verhouding wordt weergegeven tussen enerzijds alle uitgaven die rechtstreeks of onrechtstreeks toegewezen zijn op elk van de voorbehouden diensten en, anderzijds, alle uitgaven die rechtstreeks of onrechtstreeks toegewezen of aangerekend zijn op de overige diensten.
§ 2. Andere systemen van analytische boekhouding mogen slechts worden toegepast als ze compatibel zijn met de bepalingen van artikel 144quinquies en als zij door het Instituut zijn goedgekeurd.
Art. 144sexies. § 1er. Sans préjudice du § 2, la comptabilité visée à l'article 144quinquies répartit les coûts entre tous les services réservés et les services non réservés de la façon suivante :
a) les couts qui peuvent être directement affectés à un service particulier le sont;
b) les coûts communs, c'est à dire ceux qui ne peuvent pas être affectés directement à un service particulier, sont répartis comme suit :
- chaque fois que cela est possible, les coûts communs sont répartis sur la base d'une analyse directe de l'origine des coûts eux-mêmes;
- lorsqu'une analyse directe n'est pas possible, les categories de coûts communs sont affectées sur la base d'un rapport indirect à une catégorie de coût ou à un autre groupe de catégorie de coûts pour lesquels une affectation ou imputation directe est possible; le rapport indirect est fondé sur des structures de coût comparables;
- lorsqu'il n'y a pas moyen de procéder à une imputation directe ou indirecte, la catégorie de coûts est imputée sur base d'un facteur de répartition général calculé en établissant le rapport entre d'une part, toutes les dépenses directement ou indirectement affectées ou imputées à chacun des services réservés et, d'autre part, toutes les dépenses directement ou indirectement affectées ou imputées aux autres services.
§ 2. D'autres systèmes de comptabilité analytique ne peuvent être appliqués que s'ils sont compatibles avec les dispositions de l'article 144quinquies et s'ils ont été approuvés par l'Institut.
a) les couts qui peuvent être directement affectés à un service particulier le sont;
b) les coûts communs, c'est à dire ceux qui ne peuvent pas être affectés directement à un service particulier, sont répartis comme suit :
- chaque fois que cela est possible, les coûts communs sont répartis sur la base d'une analyse directe de l'origine des coûts eux-mêmes;
- lorsqu'une analyse directe n'est pas possible, les categories de coûts communs sont affectées sur la base d'un rapport indirect à une catégorie de coût ou à un autre groupe de catégorie de coûts pour lesquels une affectation ou imputation directe est possible; le rapport indirect est fondé sur des structures de coût comparables;
- lorsqu'il n'y a pas moyen de procéder à une imputation directe ou indirecte, la catégorie de coûts est imputée sur base d'un facteur de répartition général calculé en établissant le rapport entre d'une part, toutes les dépenses directement ou indirectement affectées ou imputées à chacun des services réservés et, d'autre part, toutes les dépenses directement ou indirectement affectées ou imputées aux autres services.
§ 2. D'autres systèmes de comptabilité analytique ne peuvent être appliqués que s'ils sont compatibles avec les dispositions de l'article 144quinquies et s'ils ont été approuvés par l'Institut.
Art. 144septies. Het Instituut waakt erover dat :
- de in artikel 144quinquies bedoelde rekeningen worden gecontroleerd door een bevoegde instelling die onafhankelijk is van de leverancier van de universele dienst;
jaarlijks een conformiteitverklaring wordt gepubliceerd. ".
- de in artikel 144quinquies bedoelde rekeningen worden gecontroleerd door een bevoegde instelling die onafhankelijk is van de leverancier van de universele dienst;
jaarlijks een conformiteitverklaring wordt gepubliceerd. ".
Art. 144septies. L'Institut veille à ce que :
- les comptes visés à l'article 144quinquies soient vérifiés par un organe compétent, indépendant du prestataire du service universel;
- une déclaration de conformité soit publiée annuellement. ".
- les comptes visés à l'article 144quinquies soient vérifiés par un organe compétent, indépendant du prestataire du service universel;
- une déclaration de conformité soit publiée annuellement. ".
Art. 21. In dezelfde wet wordt in titel IV een hoofdstuk Vter ingevoegd, dat het artikel 144octies bevat, luidend als volgt :
" Hoofdstuk Vter. - Voorbehouden diensten
" Hoofdstuk Vter. - Voorbehouden diensten
Art. 21. il est inséré dans la même loi, au titre IV, un chapitre Vter comprenant l'article 144octies et rédigé comme suit :
" Chapitre Vter. - Services réservés
" Chapitre Vter. - Services réservés
Art. 144octies. § 1. De volgende diensten worden omwille van het behoud van de universele postdienst bedoeld in artikel 142 van deze wet, uitsluitend aan De Post voorbehouden :
- het ophalen, het sorteren, het vervoer en de distributie van binnenlandse postzendingen, al dan niet per snelpost, met een prijs van minder dan vijfmaal het openbare tarief van brievenpost van de laagste gewichtsklasse van de snelste standaardcategorie, voor zover het gewicht lager is dan 350 gram;
- de grensoverschrijdende post en de direct mail, binnen dezelfde prijs- en gewichtsgrenzen.
§ 2. Omwille van de bescherming van het algemeen belang en van de openbare orde, is de dienst van aangetekende zendingen in de loop van gerechtelijke of administratieve procedures, eveneens aan De Post voorbehouden en dat ongeacht de drager ervan.
§ 3. De documentenuitwisseling is niet beoogd in § 1.
- het ophalen, het sorteren, het vervoer en de distributie van binnenlandse postzendingen, al dan niet per snelpost, met een prijs van minder dan vijfmaal het openbare tarief van brievenpost van de laagste gewichtsklasse van de snelste standaardcategorie, voor zover het gewicht lager is dan 350 gram;
- de grensoverschrijdende post en de direct mail, binnen dezelfde prijs- en gewichtsgrenzen.
§ 2. Omwille van de bescherming van het algemeen belang en van de openbare orde, is de dienst van aangetekende zendingen in de loop van gerechtelijke of administratieve procedures, eveneens aan De Post voorbehouden en dat ongeacht de drager ervan.
§ 3. De documentenuitwisseling is niet beoogd in § 1.
Art. 144octies. § 1er. Aux fins d'assurer le maintien du service postal universel vise à l'article 142 de la présente loi, les services suivants sont exclusivement reservés à La Poste :
- la levee, le tri, le transport et la distribution des envois de correspondance intérieure, que ce soit par courrier accéléré ou non, dont le prix est inférieur à cinq fois le tarif public applicable à un envoi de correspondance du premier échelon de poids de la catégorie normalisée la plus rapide, pour autant que leur poids soit inférieur à 350 grammes;
- le courrier transfrontière et le publipostage, dans les mêmes limites de prix et de poids.
§ 2. Pour la protection de l'interêt général et de l'ordre public, le service des envois recommandés utilisés dans le cadre de procédures judiciaires ou administratives sont également réservés à La Poste et ce, quel qu'en soit le support.
§ 3. Les échanges de documents ne sont pas visés par le § 1er.
- la levee, le tri, le transport et la distribution des envois de correspondance intérieure, que ce soit par courrier accéléré ou non, dont le prix est inférieur à cinq fois le tarif public applicable à un envoi de correspondance du premier échelon de poids de la catégorie normalisée la plus rapide, pour autant que leur poids soit inférieur à 350 grammes;
- le courrier transfrontière et le publipostage, dans les mêmes limites de prix et de poids.
§ 2. Pour la protection de l'interêt général et de l'ordre public, le service des envois recommandés utilisés dans le cadre de procédures judiciaires ou administratives sont également réservés à La Poste et ce, quel qu'en soit le support.
§ 3. Les échanges de documents ne sont pas visés par le § 1er.
Art. 22. In dezelfde wet wordt in titel IV een hoofdstuk Vquater ingevoegd, dat de artikelen 144nonies tot 144unodecies bevat, luidend als volgt :
" Hoofdstuk Vquater. - Compensatiefonds voor de universele postdienst
" Hoofdstuk Vquater. - Compensatiefonds voor de universele postdienst
Art. 22. il est inséré dans la même loi, au titre IV, un chapitre Vquater comprenant les articles 144nonies à 144unodecies et rédigé comme suit :
" Chapitre Vquater. - Fonds de compensation pour le service postal universel
" Chapitre Vquater. - Fonds de compensation pour le service postal universel
Art. 144nonies. § 1. Voor de financiering van de universele postdienst bedoeld in artikel 142 wordt een compensatiefonds opgericht.
De Koning stelt bij een in Ministerraad overlegd besluit, op advies van het Instituut, de organisatie van het compensatiefonds, de datum alsook de nadere regels voor de uitvoering ervan vast.
§ 2. Beroep op het fonds is slechts toegelaten vanaf de datum bedoeld in § 1 van dit artikel en op voorwaarde dat de leverancier van de universele dienst, meer bepaald op grond van boekhoudkundige gegevens bedoeld in de artikelen 144quinquies en sexies, aantoont dat de verplichtingen van universele dienst een onevenredige last voor hem uitmaken, rekening houdend met de diensten die aan hem voorbehouden zijn.
§ 3. Aan het compensatiefonds wordt rechtspersoonlijkheid toegekend. Het fonds wordt beheerd en vertegenwoordigd door de leidinggevende ambtenaar van het Instituut, bijgestaan door de door hem aangewezen ambtenaren van het instituut.
De jaarrekening en het jaarverslag van het compensatiefonds en het verslag over het beheer van dit fonds worden samen met die van het instituut gepubliceerd.
De Koning stelt bij een in Ministerraad overlegd besluit, op advies van het Instituut, de organisatie van het compensatiefonds, de datum alsook de nadere regels voor de uitvoering ervan vast.
§ 2. Beroep op het fonds is slechts toegelaten vanaf de datum bedoeld in § 1 van dit artikel en op voorwaarde dat de leverancier van de universele dienst, meer bepaald op grond van boekhoudkundige gegevens bedoeld in de artikelen 144quinquies en sexies, aantoont dat de verplichtingen van universele dienst een onevenredige last voor hem uitmaken, rekening houdend met de diensten die aan hem voorbehouden zijn.
§ 3. Aan het compensatiefonds wordt rechtspersoonlijkheid toegekend. Het fonds wordt beheerd en vertegenwoordigd door de leidinggevende ambtenaar van het Instituut, bijgestaan door de door hem aangewezen ambtenaren van het instituut.
De jaarrekening en het jaarverslag van het compensatiefonds en het verslag over het beheer van dit fonds worden samen met die van het instituut gepubliceerd.
Art. 144nonies. § 1er. Un fonds de compensation est créé afin d'assurer le financement du service postal universel vise a l'article 142.
Le Roi fixe, par arrêté délibere en Conseil des Ministres, sur avis de l'Institut, l'organisation du fonds de compensation, la date et les modalités de sa mise en oeuvre.
§ 2. Le recours au fonds n'est autorisé qu'à partir de la date visée au § 1er du présent article et à condition que le prestataire du service universel établisse, notamment sur base de données comptables visées aux articles 144quinquies et sexies, que les obligations de service universel constituent une charge inéquitable pour lui compte tenu des services qui lui sont réservés.
§ 3. Le fonds de compensation est doté de la personnalité juridique. Il est géré et représenté par le fonctionnaire dirigeant de l'Institut, assisté par les fonctionnaires de l'Institut qu'il désigne.
Les comptes annuels et le rapport annuel du fonds de compensation et le rapport de gestion dedit fonds sont publiés en même temps que ceux de l'Institut.
Le Roi fixe, par arrêté délibere en Conseil des Ministres, sur avis de l'Institut, l'organisation du fonds de compensation, la date et les modalités de sa mise en oeuvre.
§ 2. Le recours au fonds n'est autorisé qu'à partir de la date visée au § 1er du présent article et à condition que le prestataire du service universel établisse, notamment sur base de données comptables visées aux articles 144quinquies et sexies, que les obligations de service universel constituent une charge inéquitable pour lui compte tenu des services qui lui sont réservés.
§ 3. Le fonds de compensation est doté de la personnalité juridique. Il est géré et représenté par le fonctionnaire dirigeant de l'Institut, assisté par les fonctionnaires de l'Institut qu'il désigne.
Les comptes annuels et le rapport annuel du fonds de compensation et le rapport de gestion dedit fonds sont publiés en même temps que ceux de l'Institut.
Art. 144decies. § 1. Ten vroegste op de datum die wordt vastgesteld bij het besluit, bedoeld in artikel 144nonies, § 1, zijn alle ondernemingen die een vergunning gekregen hebben krachtens artikel 148sexies voor het verstrekken van niet-voorbehouden postdiensten die deel uitmaken van de universele dienst, waarmee deze ondernemingen een omzet halen van meer dan 50 miljoen Belgische frank, verplicht bij te dragen in het compensatiefonds.
Die bijdrage staat in verhouding tot de omzet die zij behaald hebben met diensten zoals gedefinieerd in het vorige lid verstrekt aan gebruikers die hun zetel, vaste inrichting, woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats in België hebben. De eerste 50 miljoen worden voor de berekening van de behaalde omzet niet in aanmerking genomen.
§ 2. De bijdrage wordt als volgt berekend : de kosten van de resterende universele postdienst, rekening houdende met de voorbehouden diensten, vermeerderd met de kosten voor het beheer van het compensatiefonds, worden vermenigvuldigd met de breuk die wordt verkregen door de omzet van de bijdrager, bedoeld in § 1, te delen door de som van de omzetcijfers van de bijdragers, bedoeld in § 1.
De kosten voor het beheer van het compensatiefonds bestaan uit alle kosten die verband houden met de werking van het fonds en die gedragen worden door het Instituut. Dat bedrag wordt vastgesteld door het Instituut en vormt een bijzonder artikel op de begroting van het Instituut. De Koning stelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het maximumbedrag vast van de kosten voor het beheer van het fonds.
De omzetcijfers worden berekend op grond van de jaarrekening die betrekking heeft op het jaar waarvoor de kostprijs van de universele postdienst wordt berekend.
Om de omzetcijfers bedoeld in § 1 vast te stellen, doen de bijdragers in het compensatiefonds aan het Instituut op zijn verzoek en binnen de door hem voorgeschreven termijn alle documenten toekomen die het Instituut nodig acht. Indien deze gegevens niet worden meegedeeld zal het Instituut de omzet van de betreffende onderneming vaststellen enkel op grond van de elementen waarover het beschikt.
§ 3. Het Instituut publiceert jaarlijks vóór 30 juni de lijst van de ondernemingen die moeten bijdragen.
§ 4. De betrokken ondernemingen storten gedurende het lopende jaar voorschotten in het compensatiefonds, volgens het onderstaande tijdschema :
- eerste voorschot vóór 31 maart;
- tweede voorschot vóór 30 juni;
- derde voorschot vóór 30 september;
- vierde voorschot vóór 31 december.
§ 5. Om het bedrag van de in § 4 van dit artikel bedoelde voorschotten te bepalen, maken de betrokken ondernemingen een raming van hun omzet voor het lopende kwartaal. Het bedrag van de voorschotten stemt overeen met hetgeen had moeten worden betaald, rekening houdend met de geschatte omzet, op grond van het niveau van deelname van het laatste jaar waarover de kosten van de universele dienst zijn gepubliceerd.
§ 6. De ontvangen voorschotten, waarvan het bedrag is afgetrokken dat overeenstemt met de kosten voor het beheer van het compensatiefonds, worden in de maand die volgt op de in § 4 bedoelde data, door het fonds overgemaakt aan de leverancier van de universele dienst.
Het deel van de voorschotten dat overeenstemt met de kosten voor het beheer van het compensatiefonds wordt door dat fonds aan het Instituut betaald in de maand die volgt op de in § 4 bedoelde data.
§ 7. Vóór 30 juni van het jaar dat volgt op het jaar dat het voorwerp uitgemaakt heeft van voorschotten, publiceert het Instituut het definitieve bedrag van de participatie van elk van de bijdragers in het compensatiefonds, alsmede de eventuele procedure voor aanzuivering van de rekeningen.
§ 8. In de maand van de in § 7 van dit artikel bedoelde publicatie worden de rekeningen betreffende de universele dienst aangezuiverd. Daartoe ontvangt en verdeelt het compensatiefonds de eventuele bedragen ter vereffening.
§ 9. Indien blijkt dat de voorschotten die een bijdrager heeft gestort 10 % lager liggen dan het definitieve bedrag van de bijdrage zoals het berekend is door het Instituut en dat dit verschil toe te schrijven is aan een onderschatting van de omzet, is op het verschil een intrest verschuldigd die op jaarbasis berekend wordt tegen een tarief dat gelijk is aan het percentage van de verhoging in geval van uitblijvende of onvolledige voorafbetalingen op de belasting voor natuurlijke personen.
De bedragen die deze intresten vertegenwoordigen, alsook de eventuele intresten op de aan het compensatiefonds betaalde sommen, worden het volgende jaar in mindering gebracht van de kosten van de universele dienst.
Die bijdrage staat in verhouding tot de omzet die zij behaald hebben met diensten zoals gedefinieerd in het vorige lid verstrekt aan gebruikers die hun zetel, vaste inrichting, woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats in België hebben. De eerste 50 miljoen worden voor de berekening van de behaalde omzet niet in aanmerking genomen.
§ 2. De bijdrage wordt als volgt berekend : de kosten van de resterende universele postdienst, rekening houdende met de voorbehouden diensten, vermeerderd met de kosten voor het beheer van het compensatiefonds, worden vermenigvuldigd met de breuk die wordt verkregen door de omzet van de bijdrager, bedoeld in § 1, te delen door de som van de omzetcijfers van de bijdragers, bedoeld in § 1.
De kosten voor het beheer van het compensatiefonds bestaan uit alle kosten die verband houden met de werking van het fonds en die gedragen worden door het Instituut. Dat bedrag wordt vastgesteld door het Instituut en vormt een bijzonder artikel op de begroting van het Instituut. De Koning stelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het maximumbedrag vast van de kosten voor het beheer van het fonds.
De omzetcijfers worden berekend op grond van de jaarrekening die betrekking heeft op het jaar waarvoor de kostprijs van de universele postdienst wordt berekend.
Om de omzetcijfers bedoeld in § 1 vast te stellen, doen de bijdragers in het compensatiefonds aan het Instituut op zijn verzoek en binnen de door hem voorgeschreven termijn alle documenten toekomen die het Instituut nodig acht. Indien deze gegevens niet worden meegedeeld zal het Instituut de omzet van de betreffende onderneming vaststellen enkel op grond van de elementen waarover het beschikt.
§ 3. Het Instituut publiceert jaarlijks vóór 30 juni de lijst van de ondernemingen die moeten bijdragen.
§ 4. De betrokken ondernemingen storten gedurende het lopende jaar voorschotten in het compensatiefonds, volgens het onderstaande tijdschema :
- eerste voorschot vóór 31 maart;
- tweede voorschot vóór 30 juni;
- derde voorschot vóór 30 september;
- vierde voorschot vóór 31 december.
§ 5. Om het bedrag van de in § 4 van dit artikel bedoelde voorschotten te bepalen, maken de betrokken ondernemingen een raming van hun omzet voor het lopende kwartaal. Het bedrag van de voorschotten stemt overeen met hetgeen had moeten worden betaald, rekening houdend met de geschatte omzet, op grond van het niveau van deelname van het laatste jaar waarover de kosten van de universele dienst zijn gepubliceerd.
§ 6. De ontvangen voorschotten, waarvan het bedrag is afgetrokken dat overeenstemt met de kosten voor het beheer van het compensatiefonds, worden in de maand die volgt op de in § 4 bedoelde data, door het fonds overgemaakt aan de leverancier van de universele dienst.
Het deel van de voorschotten dat overeenstemt met de kosten voor het beheer van het compensatiefonds wordt door dat fonds aan het Instituut betaald in de maand die volgt op de in § 4 bedoelde data.
§ 7. Vóór 30 juni van het jaar dat volgt op het jaar dat het voorwerp uitgemaakt heeft van voorschotten, publiceert het Instituut het definitieve bedrag van de participatie van elk van de bijdragers in het compensatiefonds, alsmede de eventuele procedure voor aanzuivering van de rekeningen.
§ 8. In de maand van de in § 7 van dit artikel bedoelde publicatie worden de rekeningen betreffende de universele dienst aangezuiverd. Daartoe ontvangt en verdeelt het compensatiefonds de eventuele bedragen ter vereffening.
§ 9. Indien blijkt dat de voorschotten die een bijdrager heeft gestort 10 % lager liggen dan het definitieve bedrag van de bijdrage zoals het berekend is door het Instituut en dat dit verschil toe te schrijven is aan een onderschatting van de omzet, is op het verschil een intrest verschuldigd die op jaarbasis berekend wordt tegen een tarief dat gelijk is aan het percentage van de verhoging in geval van uitblijvende of onvolledige voorafbetalingen op de belasting voor natuurlijke personen.
De bedragen die deze intresten vertegenwoordigen, alsook de eventuele intresten op de aan het compensatiefonds betaalde sommen, worden het volgende jaar in mindering gebracht van de kosten van de universele dienst.
Art. 144decies. § 1er. Au plus tôt à la date fixée par l'arrêté visé à l'article 144nonies § 1er, toutes les entreprises ayant obtenu une licence en application de l'article 148sexies pour la prestation de services non réservés compris dans le service universel, pour lesquels ces entreprises atteignent un chiffre d'affaires de plus de 50 millions de francs belges, sont obligées de contribuer au fonds de compensation.
Cette contribution se fait en fonction du chiffre d'affaires atteint par les services tels que définis à l'alinéa précédent fournis aux utilisateurs qui ont leur siège, établissement fixe, domicile ou lieu de résidence habituel en Belgique. Pour la détermination du chiffre d'affaires atteint, les 50 premiers millions ne sont pas pris en considération.
§ 2. La contribution est calculée comme suit : le coût du service postal universel restant à couvrir, compte tenu des services reservés, ajouté aux frais de gestion du fonds de compensation, est multiplié par la fraction qui est obtenue en divisant le chiffre d'affaires du contributeur, visé au § 1er, par la somme des chiffres d'affaires des contributeurs, visés au § 1er.
Les frais de gestion du fonds de compensation sont composés de l'ensemble des frais liés au fonctionnement du fonds et supportés par l'Institut. Ce montant est fixé par l'Institut et fait l'objet d'un article particulier du budget de l'Institut. Le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, fixe le montant maximum des frais de gestion dudit fonds.
Les chiffres d'affaires sont calculés sur base des comptes annuels afférents à l'année pour laquelle le coût du service postal universel est calcule.
Afin de déterminer les chiffres d'affaires visés au § 1er, les contributeurs au fonds de compensation font parvenir à l'Institut, à sa demande et dans le délai prescrit par lui, tous les documents juges nécessaires par l'Institut. A défaut de communication de ces données, l'Institut établira le chiffre d'affaires de l'entreprise concerne sur la seule base des éléments en sa possession.
§ 3. L'Institut publie chaque année avant le 30 juin, la liste des entreprises qui doivent contribuer.
§ 4. Les entreprises concernées versent des acomptes au fonds de compensation pendant l'année en cours, selon les modalités suivantes :
- premier acompte avant le 31 mars;
- deuxième acompte avant le 30 juin;
- troisième acompte avant le 30 septembre;
- quatrième acompte avant le 31 décembre.
§ 5. Afin de déterminer le montant des acomptes visés au § 4, les entreprises concernées procedent à une estimation de leur chiffre d'affaires pour le trimestre en cours. Le montant des acomptes correspond à ce qui aurait dû être payé, compte tenu du chiffre d'affaires estimé, sur base du taux de participation de la derniere année pour laquelle le coût du service universel a été publié.
§ 6. Les acomptes reçus diminués du montant correspondant aux frais de gestion du fonds de compensation sont versés par le fonds au prestataire du service universel dans le mois qui suit les dates visées au § 4.
La portion des acomptes correspondant aux frais de gestion du fonds de compensation est versée par ce fonds à l'Institut dans le mois qui suit les dates visées au § 4.
§ 7. Avant le 30 juin de l'année qui suit l'année qui a fait l'objet d'acomptes, l'Institut publie le montant définitif des participations de chacun des contributeurs au fonds de compensation, ainsi que les éventuelles procédures d'apurement des comptes.
§ 8. Dans le mois de la publication visée au § 7, les comptes concernant le service universel sont apures. A cet effet, le fonds de compensation reçoit et distribue les éventuelles soultes.
§ 9. S'il s'avère que les acomptes verses par un contributeur sont de 10 % inferieurs au montant définitif de la contribution telle que calculée par l'Institut et que cette différence est le résultat d'une sous-estimation du chiffre d'affaires, un intérêt calcule sur base annuelle d'un taux équivalent au taux de la majoration en cas d'absence ou d'insuffisance de versements anticipés à l'impôt des personnes physiques sur la différence est dû.
Les sommes représentant ces intérêts, ainsi que les éventuels intérêts sur les sommes payées au fonds de compensation, viennent l'année suivante en déduction du coût du service universel.
Cette contribution se fait en fonction du chiffre d'affaires atteint par les services tels que définis à l'alinéa précédent fournis aux utilisateurs qui ont leur siège, établissement fixe, domicile ou lieu de résidence habituel en Belgique. Pour la détermination du chiffre d'affaires atteint, les 50 premiers millions ne sont pas pris en considération.
§ 2. La contribution est calculée comme suit : le coût du service postal universel restant à couvrir, compte tenu des services reservés, ajouté aux frais de gestion du fonds de compensation, est multiplié par la fraction qui est obtenue en divisant le chiffre d'affaires du contributeur, visé au § 1er, par la somme des chiffres d'affaires des contributeurs, visés au § 1er.
Les frais de gestion du fonds de compensation sont composés de l'ensemble des frais liés au fonctionnement du fonds et supportés par l'Institut. Ce montant est fixé par l'Institut et fait l'objet d'un article particulier du budget de l'Institut. Le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, fixe le montant maximum des frais de gestion dudit fonds.
Les chiffres d'affaires sont calculés sur base des comptes annuels afférents à l'année pour laquelle le coût du service postal universel est calcule.
Afin de déterminer les chiffres d'affaires visés au § 1er, les contributeurs au fonds de compensation font parvenir à l'Institut, à sa demande et dans le délai prescrit par lui, tous les documents juges nécessaires par l'Institut. A défaut de communication de ces données, l'Institut établira le chiffre d'affaires de l'entreprise concerne sur la seule base des éléments en sa possession.
§ 3. L'Institut publie chaque année avant le 30 juin, la liste des entreprises qui doivent contribuer.
§ 4. Les entreprises concernées versent des acomptes au fonds de compensation pendant l'année en cours, selon les modalités suivantes :
- premier acompte avant le 31 mars;
- deuxième acompte avant le 30 juin;
- troisième acompte avant le 30 septembre;
- quatrième acompte avant le 31 décembre.
§ 5. Afin de déterminer le montant des acomptes visés au § 4, les entreprises concernées procedent à une estimation de leur chiffre d'affaires pour le trimestre en cours. Le montant des acomptes correspond à ce qui aurait dû être payé, compte tenu du chiffre d'affaires estimé, sur base du taux de participation de la derniere année pour laquelle le coût du service universel a été publié.
§ 6. Les acomptes reçus diminués du montant correspondant aux frais de gestion du fonds de compensation sont versés par le fonds au prestataire du service universel dans le mois qui suit les dates visées au § 4.
La portion des acomptes correspondant aux frais de gestion du fonds de compensation est versée par ce fonds à l'Institut dans le mois qui suit les dates visées au § 4.
§ 7. Avant le 30 juin de l'année qui suit l'année qui a fait l'objet d'acomptes, l'Institut publie le montant définitif des participations de chacun des contributeurs au fonds de compensation, ainsi que les éventuelles procédures d'apurement des comptes.
§ 8. Dans le mois de la publication visée au § 7, les comptes concernant le service universel sont apures. A cet effet, le fonds de compensation reçoit et distribue les éventuelles soultes.
§ 9. S'il s'avère que les acomptes verses par un contributeur sont de 10 % inferieurs au montant définitif de la contribution telle que calculée par l'Institut et que cette différence est le résultat d'une sous-estimation du chiffre d'affaires, un intérêt calcule sur base annuelle d'un taux équivalent au taux de la majoration en cas d'absence ou d'insuffisance de versements anticipés à l'impôt des personnes physiques sur la différence est dû.
Les sommes représentant ces intérêts, ainsi que les éventuels intérêts sur les sommes payées au fonds de compensation, viennent l'année suivante en déduction du coût du service universel.
Art. 144undecies. § 1. Het instituut berekent jaarlijks de kosten van de universele dienst.
De Koning stelt, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, op advies van het Instituut, de methode vast voor de berekening van die kosten, evenals de modaliteiten voor de publicatie ervan.
Het Instituut mag zich voor die berekening laten bijstaan door onafhankelijke deskundigen.
Het Instituut wordt voor de berekening terugbetaald door de leverancier van de universele dienst op grond van de kostprijs der prestaties bedoeld in voorgaand lid.
De Koning stelt, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, op advies van het Instituut, de regels vast voor die terugbetaling. De leverancier voert dat bedrag in bij zijn kosten.
De leverancier van de universele dienst verstrekt aan het Instituut of aan de onafhankelijke deskundige alle gevraagde inlichtingen, om de berekening mogelijk te maken van de kosten van de resterende universele postdienst.
Indien de leverancier van de universele dienst de gevraagde inlichtingen niet verstrekt binnen de door het Instituut gestelde termijn of ze onvolledig verstrekt, kan hij geen aanspraak maken op een tegemoetkoming vanwege het compensatiefonds.
§ 2. De Koning stelt, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, op advies van het Instituut, de voorwaarden vast voor de tegemoetkoming van het compensatiefonds. ".
De Koning stelt, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, op advies van het Instituut, de methode vast voor de berekening van die kosten, evenals de modaliteiten voor de publicatie ervan.
Het Instituut mag zich voor die berekening laten bijstaan door onafhankelijke deskundigen.
Het Instituut wordt voor de berekening terugbetaald door de leverancier van de universele dienst op grond van de kostprijs der prestaties bedoeld in voorgaand lid.
De Koning stelt, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, op advies van het Instituut, de regels vast voor die terugbetaling. De leverancier voert dat bedrag in bij zijn kosten.
De leverancier van de universele dienst verstrekt aan het Instituut of aan de onafhankelijke deskundige alle gevraagde inlichtingen, om de berekening mogelijk te maken van de kosten van de resterende universele postdienst.
Indien de leverancier van de universele dienst de gevraagde inlichtingen niet verstrekt binnen de door het Instituut gestelde termijn of ze onvolledig verstrekt, kan hij geen aanspraak maken op een tegemoetkoming vanwege het compensatiefonds.
§ 2. De Koning stelt, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, op advies van het Instituut, de voorwaarden vast voor de tegemoetkoming van het compensatiefonds. ".
Art. 144undecies. § 1er. L'Institut calcule chaque année les coûts du service universel.
Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur avis de l'Institut, la méthode pour calculer ces coûts, ainsi que les modalités de sa publication.
L'Institut peut se faire assister par des experts indépendants pour effectuer ce calcul.
L'Institut est remboursé par le prestataire du service universel pour le calcul sur la base du coût des prestations visées à l'alinéa précédent.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur avis de l'institut, les règles de ce remboursement. Le prestataire impute ce montant dans ses coûts.
Le prestataire du service universel fournit à l'Institut ou à l'expert indépendant tous les renseignements qu'ils demandent afin de permettre le calcul des couts du service postal universel restant.
Si le prestataire du service universel ne fournit pas ou insuffisamment les renseignements demandés dans le délai fixé par l'Institut, il ne peut pretendre à une intervention du fonds de compensation.
§ 2. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur avis de l'Institut, la procédure d'intervention du fonds de compensation. ".
Le Roi fixe par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur avis de l'Institut, la méthode pour calculer ces coûts, ainsi que les modalités de sa publication.
L'Institut peut se faire assister par des experts indépendants pour effectuer ce calcul.
L'Institut est remboursé par le prestataire du service universel pour le calcul sur la base du coût des prestations visées à l'alinéa précédent.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur avis de l'institut, les règles de ce remboursement. Le prestataire impute ce montant dans ses coûts.
Le prestataire du service universel fournit à l'Institut ou à l'expert indépendant tous les renseignements qu'ils demandent afin de permettre le calcul des couts du service postal universel restant.
Si le prestataire du service universel ne fournit pas ou insuffisamment les renseignements demandés dans le délai fixé par l'Institut, il ne peut pretendre à une intervention du fonds de compensation.
§ 2. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur avis de l'Institut, la procédure d'intervention du fonds de compensation. ".
Art. 23. In dezelfde wet wordt in titel IV een hoofdstuk Vquinquies ingevoegd, dat het artikel 144duodecies bevat, luidend als volgt :
" Hoofdstuk Vquinquies. - Sancties
" Hoofdstuk Vquinquies. - Sancties
Art. 23. Il est inséré dans la même loi, au titre IV, un chapitre Vquinquies comprenant l'article 144duodecies et rédigé comme suit :
" Chapitre Vquinquies. - Sanctions
" Chapitre Vquinquies. - Sanctions
Art. 144duodecies. § 1. In geval van niet-nakoming van de krachtens deze titel opgelegde verplichtingen, richt het Instituut een omstandige ingebrekestelling aan de overtreders.
De overtreder beschikt over een termijn van 14 kalenderdagen om zijn verdedigingsmiddelen te laten gelden.
§ 2. Indien het verzuim blijft bestaan kan het Instituut, na de betrokkene gehoord te hebben, een administratieve geldboete opleggen ten bedrage van minimaal 10 000 frank en maximaal 100 000 frank indien de betrokkene een natuurlijke persoon is of ten bedrage van minimaal 0,5 % en maximaal 5 % van het omzetcijfer behaald met de postdiensten, indien de betrokkene een rechtspersoon is.
Bovendien kan de Minister, op advies van het instituut, naar gelang van het geval de individuele vergunning intrekken en of de betrokken postoperator van de lijst waarvan sprake in artikel 148ter schrappen.
Zo het verzuim de reglementaire, wettelijke of conventionele bepalingen betreft inzake fiscale of sociale aangelegenheden, kan het Instituut de overtreders slechts in gebreke stellen op grond van de vaststellingen gedaan door de bevoegde diensten.
Het instituut legt een administratieve boete van 10 000 BEF minimum en van 100 000 BEF maximum op aan eenieder die op herhaalde wijze, en na ingebrekestelling, een verbintenis aangaat met een postoperator die niet of niet meer op de lijst voorkomt die in het Belgisch Staatsblad bekend gemaakt wordt overeenkomstig artikel 148ter of artikel 148sexies.
§ 3. In afwijking van § 2, in geval van een gebrekkige uitvoering door de leverancier van de universele dienst van de in afdeling III van hoofdstuk V van titel IV van deze wet vastgelegde verplichtingen met betrekking tot de universele dienst, vastgesteld op grond van controles verricht door het Instituut, zal de Minister, op advies van het Instituut op het einde van elk kalenderjaar de leverancier van de universele dienst voor elke soort van tekortkoming de betaling kunnen opleggen van een schadevergoeding die niet meer mag bedragen dan in totaal 1 % van de omzet die inzake universele dienstverlening is behaald.
De Minister kan, op advies van het Instituut, dezelfde maatregel opleggen indien de ingeroepen oorzaak bedoeld in art. 142, § 3, vierde streepje, van deze wet volgens het Instituut niet kan gekwalificeerd worden als overmacht.
§ 4 In de gevallen voorzien in § 3, is de procedure voorzien in § 1 van toepassing. ".
De overtreder beschikt over een termijn van 14 kalenderdagen om zijn verdedigingsmiddelen te laten gelden.
§ 2. Indien het verzuim blijft bestaan kan het Instituut, na de betrokkene gehoord te hebben, een administratieve geldboete opleggen ten bedrage van minimaal 10 000 frank en maximaal 100 000 frank indien de betrokkene een natuurlijke persoon is of ten bedrage van minimaal 0,5 % en maximaal 5 % van het omzetcijfer behaald met de postdiensten, indien de betrokkene een rechtspersoon is.
Bovendien kan de Minister, op advies van het instituut, naar gelang van het geval de individuele vergunning intrekken en of de betrokken postoperator van de lijst waarvan sprake in artikel 148ter schrappen.
Zo het verzuim de reglementaire, wettelijke of conventionele bepalingen betreft inzake fiscale of sociale aangelegenheden, kan het Instituut de overtreders slechts in gebreke stellen op grond van de vaststellingen gedaan door de bevoegde diensten.
Het instituut legt een administratieve boete van 10 000 BEF minimum en van 100 000 BEF maximum op aan eenieder die op herhaalde wijze, en na ingebrekestelling, een verbintenis aangaat met een postoperator die niet of niet meer op de lijst voorkomt die in het Belgisch Staatsblad bekend gemaakt wordt overeenkomstig artikel 148ter of artikel 148sexies.
§ 3. In afwijking van § 2, in geval van een gebrekkige uitvoering door de leverancier van de universele dienst van de in afdeling III van hoofdstuk V van titel IV van deze wet vastgelegde verplichtingen met betrekking tot de universele dienst, vastgesteld op grond van controles verricht door het Instituut, zal de Minister, op advies van het Instituut op het einde van elk kalenderjaar de leverancier van de universele dienst voor elke soort van tekortkoming de betaling kunnen opleggen van een schadevergoeding die niet meer mag bedragen dan in totaal 1 % van de omzet die inzake universele dienstverlening is behaald.
De Minister kan, op advies van het Instituut, dezelfde maatregel opleggen indien de ingeroepen oorzaak bedoeld in art. 142, § 3, vierde streepje, van deze wet volgens het Instituut niet kan gekwalificeerd worden als overmacht.
§ 4 In de gevallen voorzien in § 3, is de procedure voorzien in § 1 van toepassing. ".
Art. 144duodecies. § 1er. En cas de manquement aux obligations imposées par le présent Titre, l'Institut adresse une mise en demeure circonstanciée aux contrevenants.
Le contrevenant dispose d'un délai de quinze jours civils pour faire valoir ses moyens de defense.
§ 2. Si le manquement persiste, l'Institut peut infliger, après avoir entendu l'intéressé, une amende administrative d'un montant de 10 000 francs au minimum et 100 000 francs au maximum si celui-ci est une personne physique ou de 0,5 % au minimum et de 5 % au maximum du chiffre d'affaires atteint par les services postaux s'il s'agit d'une personne morale.
En outre, sur avis de l'institut, le Ministre peut selon le cas retirer la licence individuelle et ou rayer l'operateur postal concerné de la liste prévue à l'article 148ter.
Si le manquement concerne les dispositions réglementaires, légales ou conventionnelles en matière fiscale ou sociale, l'Institut ne peut mettre en demeure les contrevenants que sur la base des constatations faites par les services compétents.
L'Institut applique une amende administrative d'un montant de 10 000 FB au minimum et de 100 000 FB au maximum à l'encontre de quiconque contracte de manière répétée, et après mise en demeure, avec un opérateur postal qui ne figure pas ou plus sur la liste publiée au Moniteur belge conformément à l'article 148 ter ou à l'article 148sexies.
§ 3. Par dérogation au § 2, en cas d'exécution défaillante par le prestataire du service universel des obligations prévues à la section III du chapitre V du Titre IV de la présente loi concernant le service universel, constatée sur base de contrôles effectués par l'Institut, le Ministre pourra, sur avis de l'Institut, à la fin de chaque année civile, imposer au prestataire du service universel, pour chaque type de manquement, le paiement d'une indemnité ne pouvant excéder au total 1 % du chiffre d'affaires réalisé en matière de service universel.
Le Ministre peut, sur avis de l'Institut, imposer la même mesure si, selon l'Institut, la cause invoquée visée à l'article 142, § 3, quatrième tiret, de cette loi ne peut pas être qualifiée de force majeure.
§ 4. Dans les cas prévus au § 3, la procédure prévue au § 1er et est d'application. ".
Le contrevenant dispose d'un délai de quinze jours civils pour faire valoir ses moyens de defense.
§ 2. Si le manquement persiste, l'Institut peut infliger, après avoir entendu l'intéressé, une amende administrative d'un montant de 10 000 francs au minimum et 100 000 francs au maximum si celui-ci est une personne physique ou de 0,5 % au minimum et de 5 % au maximum du chiffre d'affaires atteint par les services postaux s'il s'agit d'une personne morale.
En outre, sur avis de l'institut, le Ministre peut selon le cas retirer la licence individuelle et ou rayer l'operateur postal concerné de la liste prévue à l'article 148ter.
Si le manquement concerne les dispositions réglementaires, légales ou conventionnelles en matière fiscale ou sociale, l'Institut ne peut mettre en demeure les contrevenants que sur la base des constatations faites par les services compétents.
L'Institut applique une amende administrative d'un montant de 10 000 FB au minimum et de 100 000 FB au maximum à l'encontre de quiconque contracte de manière répétée, et après mise en demeure, avec un opérateur postal qui ne figure pas ou plus sur la liste publiée au Moniteur belge conformément à l'article 148 ter ou à l'article 148sexies.
§ 3. Par dérogation au § 2, en cas d'exécution défaillante par le prestataire du service universel des obligations prévues à la section III du chapitre V du Titre IV de la présente loi concernant le service universel, constatée sur base de contrôles effectués par l'Institut, le Ministre pourra, sur avis de l'Institut, à la fin de chaque année civile, imposer au prestataire du service universel, pour chaque type de manquement, le paiement d'une indemnité ne pouvant excéder au total 1 % du chiffre d'affaires réalisé en matière de service universel.
Le Ministre peut, sur avis de l'Institut, imposer la même mesure si, selon l'Institut, la cause invoquée visée à l'article 142, § 3, quatrième tiret, de cette loi ne peut pas être qualifiée de force majeure.
§ 4. Dans les cas prévus au § 3, la procédure prévue au § 1er et est d'application. ".
Art. 24. In dezelfde wet wordt in titel IV een hoofdstuk VIIbis ingevoegd, dat de artikelen 148bis tot 148septies bevat, luidend als volgt :
" Hoofdstuk Vllbis. - Algemene bepalingen met betrekking tot het verstrekken van postdiensten
" Hoofdstuk Vllbis. - Algemene bepalingen met betrekking tot het verstrekken van postdiensten
Art. 24. Il est inséré dans la même loi, au titre IV, un chapitre VIIbis comprenant les articles 148bis à 148septies et rédigé comme suit :
" Chapitre Vllbis. - Dispositions générales relatives à la prestation de services postaux
" Chapitre Vllbis. - Dispositions générales relatives à la prestation de services postaux
Afdeling I. - Voorwaarden voor het verstrekken van postdiensten die geen deel uitmaken van de universele dienst.
Section première. - Conditions pour la prestation de services postaux non compris dans le service universel.
Art. 148bis. § 1. Het verstrekken van een postdienst die geen deel uitmaakt van de universele dienst is aan de volgende voorwaarden onderworpen :
1° elke persoon die een desbetreffende dienst wil verstrekken of reeds verstrekt, doet hiervan aangifte bij het Instituut bij een ter post aangetekende brief;
2° de aangifte houdt de verbintenis vanwege de aangever in om hetgeen volgt na te leven en te doen naleven door de onderaannemers en door elke persoon die hem personeel levert :
- de essentiële eisen;
- de wettelijke, reglementaire of conventionele bepalingen inzake fiscale en sociale aangelegenheden;
- het verbod om zendingen te vervoeren of te bestellen die aan de buitenkant vermeldingen dragen die duidelijk in strijd zijn met de goede zeden of de openbare orde;
- het verbod om de postdienst te leveren die onder de voorbehouden diensten ressorteert.
§ 2. De Koning stelt de praktische regels van de aangifte vast op advies van het Instituut.
Deze aangifte moet uiterlijk vier weken voor het begin van de verstrekking van de dienst gedaan worden voor elke onderneming die een dergelijke dienst wil verstrekken en uiterlijk drie maanden na de publicatie in het Belgisch Staatsblad van het koninklijk besluit voor elke onderneming die reeds een dergelijke dienst verstrekt.
§ 3. Binnen de drie weken volgend op de ontvangst door het Instituut van de in § 1 bedoelde aangifte, meldt het Instituut aan de betrokken onderneming bij een ter post aangetekende brief de goede ontvangst van de aangifte en de eventuele opmerkingen met betrekking tot de aangegeven diensten.
1° elke persoon die een desbetreffende dienst wil verstrekken of reeds verstrekt, doet hiervan aangifte bij het Instituut bij een ter post aangetekende brief;
2° de aangifte houdt de verbintenis vanwege de aangever in om hetgeen volgt na te leven en te doen naleven door de onderaannemers en door elke persoon die hem personeel levert :
- de essentiële eisen;
- de wettelijke, reglementaire of conventionele bepalingen inzake fiscale en sociale aangelegenheden;
- het verbod om zendingen te vervoeren of te bestellen die aan de buitenkant vermeldingen dragen die duidelijk in strijd zijn met de goede zeden of de openbare orde;
- het verbod om de postdienst te leveren die onder de voorbehouden diensten ressorteert.
§ 2. De Koning stelt de praktische regels van de aangifte vast op advies van het Instituut.
Deze aangifte moet uiterlijk vier weken voor het begin van de verstrekking van de dienst gedaan worden voor elke onderneming die een dergelijke dienst wil verstrekken en uiterlijk drie maanden na de publicatie in het Belgisch Staatsblad van het koninklijk besluit voor elke onderneming die reeds een dergelijke dienst verstrekt.
§ 3. Binnen de drie weken volgend op de ontvangst door het Instituut van de in § 1 bedoelde aangifte, meldt het Instituut aan de betrokken onderneming bij een ter post aangetekende brief de goede ontvangst van de aangifte en de eventuele opmerkingen met betrekking tot de aangegeven diensten.
Art. 148bis. § 1er. La prestation d'un service postal non compris dans le service universel est soumise aux conditions suivantes :
1° toute personne souhaitant fournir ou fournissant déjà un tel service doit en faire la déclaration à l'Institut par lettre recommandée;
2° la déclaration porte engagement du déclarant a respecter et à faire respecter par les sous-traitants et par toute personne lui procurant du personnel :
- les exigences essentielles;
- les dispositions légales, réglementaires ou conventionnelles en matière fiscale et sociale;
- l'interdiction de transporter et de distribuer des envois qui porteraient exterieurement des inscriptions manifestement contraires aux bonnes moeurs ou à l'ordre public;
- l'interdiction de fournir le service postal relevant des services réservés.
§ 2. Le Roi fixe les modalites de déclaration sur avis de l'Institut.
Cette déclaration doit être faite au plus tard quatre semaines avant le début de la prestation du service pour toute entreprise souhaitant fournir un tel service et au plus tard trois mois après la publication au Moniteur belge de l'arrêté royal pour toute entreprise fournissant déjà un tel service.
§ 3. Dans les trois semaines qui suivent la réception par l'Institut de la déclaration visée au § 1er, ce dernier transmet à la personne concernee, par lettre recommandée, un accusé de réception de la déclaration de même que ses éventuelles remarques concernant les services déclarés.
1° toute personne souhaitant fournir ou fournissant déjà un tel service doit en faire la déclaration à l'Institut par lettre recommandée;
2° la déclaration porte engagement du déclarant a respecter et à faire respecter par les sous-traitants et par toute personne lui procurant du personnel :
- les exigences essentielles;
- les dispositions légales, réglementaires ou conventionnelles en matière fiscale et sociale;
- l'interdiction de transporter et de distribuer des envois qui porteraient exterieurement des inscriptions manifestement contraires aux bonnes moeurs ou à l'ordre public;
- l'interdiction de fournir le service postal relevant des services réservés.
§ 2. Le Roi fixe les modalites de déclaration sur avis de l'Institut.
Cette déclaration doit être faite au plus tard quatre semaines avant le début de la prestation du service pour toute entreprise souhaitant fournir un tel service et au plus tard trois mois après la publication au Moniteur belge de l'arrêté royal pour toute entreprise fournissant déjà un tel service.
§ 3. Dans les trois semaines qui suivent la réception par l'Institut de la déclaration visée au § 1er, ce dernier transmet à la personne concernee, par lettre recommandée, un accusé de réception de la déclaration de même que ses éventuelles remarques concernant les services déclarés.
Art. 148ter. De aangifte bedoeld in art. 148bis van deze wet wordt opgenomen in een minstens één keer per jaar bijgewerkte lijst die in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 148ter. La déclaration visée à l'article 148 bis de la présente loi est reprise dans une liste mise à jour au moins une fois par an et publiée au Moniteur belge.
Art. 148quater. De overdracht van een dienst die onderworpen is aan een aangifte is vrij, voor zover die overdracht uiterlijk zeven vrije dagen na de overdracht met een ter post aangetekende brief bij het Instituut wordt aangegeven.
Art. 148quater. La cession d'un service soumis à une déclaration est libre, pour autant que cette cession soit déclarée à l'Institut par lettre recommandée au plus tard sept jours francs apres la cession.
Art. 148quinquies. De Koning stelt, op advies van het Instituut, het bedrag vast van de vergoeding die van de ondernemingen wordt gevraagd om de administratiekosten te dekken die voortvloeien uit de aangifte en de actualisering van de aangifte.
Art. 148quinquies. Sur avis de l'Institut, le Roi détermine le montant de l'indemnité demandée aux entreprises en vue de couvrir les frais d'administration découlant de la déclaration et de l'actualisation de la déclaration.
Afdeling II. - Voorwaarden voor de levering van de niet-voorbehouden diensten die deel uitmaken van de universele dienst.
Section II. - Conditions régissant la prestation des services non réservés compris dans le service universel.
Art. 148sexies. § 1. De levering van een niet-voorbehouden dienst die deel uitmaakt van de universele dienst is aan de volgende voorwaarden onderworpen :
1° de leverancier van de universele dienst uitgezonderd, moet elke postoperator die een dergelijke dienst wenst te verstrekken of die reeds verstrekt, bij het Instituut, met een ter post aangetekende brief, een aanvraag indienen voor een individuele vergunning, volgens de voorwaarden die de Koning, op voorstel van het Instituut, bepaalt;
2° de toekenning van de individuele vergunning is afhankelijk van de verbintenis vanwege de aanvrager om hetgeen volgt na te leven en te doen naleven door de onderaannemers en, indien het geval zich voordoet, door elke persoon die hem personeel levert :
- de kwaliteitsnormen bepaald bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit; deze normen hebben met name betrekking op de verzendingsduur, de regelmaat, de inachtneming van het te dekken geografische gebied en de betrouwbaarheid van de diensten;
- de essentiële eisen;
- de tarifaire principes bepaald in artikel 144ter;
- de wettelijke, reglementaire of conventionele bepalingen inzake fiscale en sociale aangelegenheden;
- het verbod om zendingen te vervoeren of te bestellen die aan de buitenkant vermeldingen dragen die duidelijk in strijd zijn met de goede zeden of de openbare orde;
- onverminderd artikel 141, § 1, A, het verbod om de postdienst te leveren die onder de voorbehouden diensten ressorteert;
- de verplichting om jaarlijks aan het Instituut de omzet mee te delen, en in het bijzonder de omzet met betrekking tot de postdiensten;
- de verplichting een transparante, eenvoudige en goedkope procedure in te stellen voor de billijke en snelle behandeling van klachten van gebruikers.
§ 2. De Koning stelt op advies van het Instituut bij een in Ministerraad overlegd besluit, de procedure vast voor de toekenning, de weigering en intrekking van de individuele vergunning, alsmede de voorwaarden voor de overdracht ervan.
Deze procedure moet transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn, en gebaseerd op objectieve criteria. Zij moet bovendien voorzien in een mogelijkheid tot beroep bij gedeeltelijke of volledige weigering, alsook bij intrekking van de individuele vergunning.
§ 3. De naam van elke postoperator die houder is van een individuele vergunning wordt opgenomen in een minstens één keer per jaar bijgewerkte lijst die in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
1° de leverancier van de universele dienst uitgezonderd, moet elke postoperator die een dergelijke dienst wenst te verstrekken of die reeds verstrekt, bij het Instituut, met een ter post aangetekende brief, een aanvraag indienen voor een individuele vergunning, volgens de voorwaarden die de Koning, op voorstel van het Instituut, bepaalt;
2° de toekenning van de individuele vergunning is afhankelijk van de verbintenis vanwege de aanvrager om hetgeen volgt na te leven en te doen naleven door de onderaannemers en, indien het geval zich voordoet, door elke persoon die hem personeel levert :
- de kwaliteitsnormen bepaald bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit; deze normen hebben met name betrekking op de verzendingsduur, de regelmaat, de inachtneming van het te dekken geografische gebied en de betrouwbaarheid van de diensten;
- de essentiële eisen;
- de tarifaire principes bepaald in artikel 144ter;
- de wettelijke, reglementaire of conventionele bepalingen inzake fiscale en sociale aangelegenheden;
- het verbod om zendingen te vervoeren of te bestellen die aan de buitenkant vermeldingen dragen die duidelijk in strijd zijn met de goede zeden of de openbare orde;
- onverminderd artikel 141, § 1, A, het verbod om de postdienst te leveren die onder de voorbehouden diensten ressorteert;
- de verplichting om jaarlijks aan het Instituut de omzet mee te delen, en in het bijzonder de omzet met betrekking tot de postdiensten;
- de verplichting een transparante, eenvoudige en goedkope procedure in te stellen voor de billijke en snelle behandeling van klachten van gebruikers.
§ 2. De Koning stelt op advies van het Instituut bij een in Ministerraad overlegd besluit, de procedure vast voor de toekenning, de weigering en intrekking van de individuele vergunning, alsmede de voorwaarden voor de overdracht ervan.
Deze procedure moet transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn, en gebaseerd op objectieve criteria. Zij moet bovendien voorzien in een mogelijkheid tot beroep bij gedeeltelijke of volledige weigering, alsook bij intrekking van de individuele vergunning.
§ 3. De naam van elke postoperator die houder is van een individuele vergunning wordt opgenomen in een minstens één keer per jaar bijgewerkte lijst die in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 148sexies. § 1er. La prestation d'un service non réservé compris dans le service universel est soumise aux conditions suivantes :
1° à l'exception du prestataire du service universel, tout opérateur postal souhaitant fournir ou fournissant déjà un tel service doit introduire auprès de l'institut, par lettre recommandée, une demande de licence individuelle selon des modalités à définir par le Roi, sur proposition de l'Institut;
2° l'octroi de la licence individuelle est subordonné à l'engagement du demandeur à respecter et à faire respecter les éléments suivants par les sous-traitants et, le cas échéant, par toute personne lui procurant du personnel :
- les normes de qualite fixées par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres; ces normes concernent notamment la durée de l'expédition, la régularité, le respect de la zone géographique à couvrir et la fiabilité des services;
- les exigences essentielles;
- les principes tarifaires fixés à l'article 144ter;
- les dispositions légales, réglementaires ou conventionnelles en matière fiscale et sociale;
- l'interdiction de transporter et de distribuer les envois qui porteraient extérieurement des inscriptions manifestement contraires aux bonnes moeurs ou à l'ordre public;
- sans préjudice de l'article 141 § 1er, A, l'interdiction de fournir le service postal relevant des services réservés;
- l'obligation de communiquer chaque année à l'Institut le chiffre d'affaires et, en particulier, celui afférent aux services postaux;
- l'obligation de mettre en place une procédure transparente, simple et peu onéreuse pour le traitement équitable et rapide des réclamations des utilisateurs.
§ 2. Le Roi fixe sur avis de l'Institut, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, la procédure relative à l'octroi, au refus et au retrait de la licence individuelle, ainsi que sa durée et les conditions de sa cession.
Cette procédure doit être transparente, non discriminatoire, proportionnée et fondée sur des critères objectifs. Elle doit en outre prévoir des voies de recours en cas de refus entier ou partiel, ainsi qu'en cas de retrait de la licence individuelle.
§ 3. Le nom de chaque opérateur postal titulaire de la licence individuelle est repris dans une liste mise à jour au moins une fois par an et publiée au Moniteur belge.
1° à l'exception du prestataire du service universel, tout opérateur postal souhaitant fournir ou fournissant déjà un tel service doit introduire auprès de l'institut, par lettre recommandée, une demande de licence individuelle selon des modalités à définir par le Roi, sur proposition de l'Institut;
2° l'octroi de la licence individuelle est subordonné à l'engagement du demandeur à respecter et à faire respecter les éléments suivants par les sous-traitants et, le cas échéant, par toute personne lui procurant du personnel :
- les normes de qualite fixées par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres; ces normes concernent notamment la durée de l'expédition, la régularité, le respect de la zone géographique à couvrir et la fiabilité des services;
- les exigences essentielles;
- les principes tarifaires fixés à l'article 144ter;
- les dispositions légales, réglementaires ou conventionnelles en matière fiscale et sociale;
- l'interdiction de transporter et de distribuer les envois qui porteraient extérieurement des inscriptions manifestement contraires aux bonnes moeurs ou à l'ordre public;
- sans préjudice de l'article 141 § 1er, A, l'interdiction de fournir le service postal relevant des services réservés;
- l'obligation de communiquer chaque année à l'Institut le chiffre d'affaires et, en particulier, celui afférent aux services postaux;
- l'obligation de mettre en place une procédure transparente, simple et peu onéreuse pour le traitement équitable et rapide des réclamations des utilisateurs.
§ 2. Le Roi fixe sur avis de l'Institut, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, la procédure relative à l'octroi, au refus et au retrait de la licence individuelle, ainsi que sa durée et les conditions de sa cession.
Cette procédure doit être transparente, non discriminatoire, proportionnée et fondée sur des critères objectifs. Elle doit en outre prévoir des voies de recours en cas de refus entier ou partiel, ainsi qu'en cas de retrait de la licence individuelle.
§ 3. Le nom de chaque opérateur postal titulaire de la licence individuelle est repris dans une liste mise à jour au moins une fois par an et publiée au Moniteur belge.
Art. 148septies. De Koning stelt de bedragen van de rechten vast die de aanvragers van een individuele vergunning aan het Instituut moeten betalen.
Die bedragen hangen af van de omvang van de diensten waarvoor een individuele vergunning is aangevraagd.
Die bedragen hangen af van de omvang van de diensten waarvoor een individuele vergunning is aangevraagd.
Art. 148septies. Le Roi fixe, après avis de l'Institut, les montants des redevances à payer à l'Institut par les demandeurs de licence individuelle.
Ces montants varient en fonction de l'ampleur des services pour lesquels une licence individuelle a été demandée.
Ces montants varient en fonction de l'ampleur des services pour lesquels une licence individuelle a été demandée.
Art. 25. Een artikel 154ter, luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :
" Art. 154ter. § 1. Worden opgeheven in de wet van 26 december 1956 op de postdienst :
1° artikel 16, vervangen bij de wet van 21 maart 1991 en bij besluit nr. 437 van 5 augustus 1986;
2° artikel 17, vervangen bij de wet van 21 maart 1991;
3° artikel 18, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991;
4° artikel 19, gewijzigd bij de wet van 9 juli 1976;
5° artikel 21, gewijzigd bij de wet van 9 juli 1976 en vervangen bij de wet van 21 maart 1991;
6° artikel 22, gewijzigd bij de wet van 9 juli 1976 en vervangen bij de wet van 21 maart 1991;
7° artikel 23, vervangen bij de wet van 21 maart 1991.
§ 2. In artikel 26 van de wet van 26 december 1956 op de postdienst vervallen de woorden "en van artikel 134, § 2, en 141, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven".
§ 3. In artikel 28 van de wet van 26 december 1956 op de postdienst wordt het woord "Postbeambten" vervangen door de woorden "personeelsleden van een postoperator" en worden de woorden "De Post" vervangen door de woorden "een postoperator".
§ 4. In artikel 29 van de wet van 26 december 1956 op de postdienst worden de woorden "De Post" vervangen door de woorden "een postoperator". ".
" Art. 154ter. § 1. Worden opgeheven in de wet van 26 december 1956 op de postdienst :
1° artikel 16, vervangen bij de wet van 21 maart 1991 en bij besluit nr. 437 van 5 augustus 1986;
2° artikel 17, vervangen bij de wet van 21 maart 1991;
3° artikel 18, gewijzigd bij de wet van 21 maart 1991;
4° artikel 19, gewijzigd bij de wet van 9 juli 1976;
5° artikel 21, gewijzigd bij de wet van 9 juli 1976 en vervangen bij de wet van 21 maart 1991;
6° artikel 22, gewijzigd bij de wet van 9 juli 1976 en vervangen bij de wet van 21 maart 1991;
7° artikel 23, vervangen bij de wet van 21 maart 1991.
§ 2. In artikel 26 van de wet van 26 december 1956 op de postdienst vervallen de woorden "en van artikel 134, § 2, en 141, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven".
§ 3. In artikel 28 van de wet van 26 december 1956 op de postdienst wordt het woord "Postbeambten" vervangen door de woorden "personeelsleden van een postoperator" en worden de woorden "De Post" vervangen door de woorden "een postoperator".
§ 4. In artikel 29 van de wet van 26 december 1956 op de postdienst worden de woorden "De Post" vervangen door de woorden "een postoperator". ".
Art. 25. Un article 154ter, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 154ter. § 1er. Sont abrogés dans la loi du 26 décembre 1956 sur le service des postes :
1° l'article 16, remplacé par la loi du 21 mars 1991 et par l'arrête n° 437 du 5 août 1986;
2° l'article 17, remplacé par la loi du 21 mars 1991;
3° l'article 18, modifié par la loi du 21 mars 1991;
4° l'article 19, modifié par la loi du 9 juillet 1976;
5° l'article 21, modifié par la loi du 9 juillet 1976 et remplacé par la loi du 21 mars 1991;
6° l'article 22, modifié par la loi du 9 juillet 1976 et remplacé par la loi du 21 mars 1991;
7° l'article 23, remplacé par la loi du 21 mars 1991.
§ 2. Dans l'article 26 de la loi du 26 décembre 1956 sur le service des postes, les mots " ainsi qu'aux articles 134, § 2 et 141, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques " sont supprimés.
§ 3. Dans l'article 28 de la loi du 26 décembre 1956 sur le service des postes, les mots " les agents des postes " sont remplacés par les mots " les membres du personnel d'un operateur postal " et les mots " La Poste " sont remplacés par les mots " un opérateur postal ".
§ 4. Dans l'article 29 de la loi du 26 décembre 1956 sur le service des postes, les mots " La Poste " sont remplacés par les mots " un opérateur postal ". ".
" Art. 154ter. § 1er. Sont abrogés dans la loi du 26 décembre 1956 sur le service des postes :
1° l'article 16, remplacé par la loi du 21 mars 1991 et par l'arrête n° 437 du 5 août 1986;
2° l'article 17, remplacé par la loi du 21 mars 1991;
3° l'article 18, modifié par la loi du 21 mars 1991;
4° l'article 19, modifié par la loi du 9 juillet 1976;
5° l'article 21, modifié par la loi du 9 juillet 1976 et remplacé par la loi du 21 mars 1991;
6° l'article 22, modifié par la loi du 9 juillet 1976 et remplacé par la loi du 21 mars 1991;
7° l'article 23, remplacé par la loi du 21 mars 1991.
§ 2. Dans l'article 26 de la loi du 26 décembre 1956 sur le service des postes, les mots " ainsi qu'aux articles 134, § 2 et 141, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques " sont supprimés.
§ 3. Dans l'article 28 de la loi du 26 décembre 1956 sur le service des postes, les mots " les agents des postes " sont remplacés par les mots " les membres du personnel d'un operateur postal " et les mots " La Poste " sont remplacés par les mots " un opérateur postal ".
§ 4. Dans l'article 29 de la loi du 26 décembre 1956 sur le service des postes, les mots " La Poste " sont remplacés par les mots " un opérateur postal ". ".
Art. 26. Het koninklijk besluit van 9 december 1997 tot vaststelling van de voorwaarden van de snelpost wordt opgeheven.
Art. 26. L'arrêté royal du 9 décembre 1997 fixant les conditions du courrier accéléré est abrogé.
Art. 27. In artikel 460 van het Strafwetboek worden de woorden "aan de post" vervangen door de woorden "aan een postoperator" en de woorden "van de posterijen" vervangen door de woorden "een personeelslid van een postoperator of een persoon die voor zijn rekening optreedt".
Art. 27. Dans l'article 460 du Code pénal les mots " à la poste " sont remplacés par les mots : " à un opérateur postal " et les mots " de l'administration des postes " sont remplacés par les mots " un membre du personnel d'un opérateur postal ou toute personne agissant pour son compte ".
Art. 28. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 28. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 29. Onze Minister van Telecommunicatie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 9 juni 1999.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Telecommunicatie,
E. DI RUPO
Gegeven te Brussel, 9 juni 1999.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Telecommunicatie,
E. DI RUPO
Art. 29. Notre Ministre des Télécommunications est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 9 juin 1999.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre des Télécommunications,
E. DI RUPO
Donné à Bruxelles, le 9 juin 1999.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre des Télécommunications,
E. DI RUPO