Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit en van zijn uitvoeringsbesluiten verstaat men onder :
1° wet van 15 december 1980 : de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
2° de wet : de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
3° buitenlandse onderdanen en werknemers : de onderdanen en werknemers die de Belgische nationaliteit niet bezitten;
4° de Minister : de Minister van Tewerkstelling en Arbeid;
5° de bevoegde overheid : de overheid bevoegd krachtens artikel 6, § 1, IX, 3° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen,
6° (wettig verblijf : de verblijfssituatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk of die gemachtigd is er zich te vestigen krachtens de wet van 15 december 1980 of de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, met uitzondering van de verblijfssituatie van de vreemdeling die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden.) <KB 2003-02-06/41, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
7° arbeidsmarkt : de arbeidsmarkt van de drie Gewesten, evenals de markt van de Lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
8° schouwspelartiest : de personen die het beroep van schouwspelartiest uitoefenen zoals omschreven in artikel 3, 2° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 genomen ter uitvoering van de wet van 27 juni 1969 ter herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid van werknemers;
9° cabaret : wat ook de benaming, juridische vorm en sociale doelstelling zij, elke instelling waarvan de reële hoofd- of bijactiviteit bestaat in het organiseren van spektakels onder de vorm van dans, zang of striptease;
10° cabaretpersoneel : elke met een arbeidsovereenkomst in dienst genomen persoon om tewerkgesteld te zijn in een cabaret;
11° beroepssportlui : de sportlui aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.
(12° opleiding : een activiteit of een geheel van activiteiten die erop gericht is de personen die eraan deelnemen meer kennis en meer vaardigheden bij te brengen die hen moeten toelaten hun beroepswerkzaamheden efficiënter uit te oefenen. In ieder geval kan de bedrijfsgebonden opleiding niet gepaard gaan met enige productieve prestatie.
13° kaderlid : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven;
14° hoofdkwartier: iedere binnenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, b), van Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en ieder Belgisch filiaal van een buitenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, c) van het zelfde Wetboek, op voorwaarde dat de binnenlandse vennootschap of buitenlandse vennootschap minstens gekwalificeerd kan worden als een geassocieerde vennootschap zoals bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Vennootschappen en de binnenlandse vennootschap of Belgische filiaal activiteiten met een voorbereidend of hulpverlenend karakter ten voordele van het geheel of een deel van de vennootschappen van de groep waartoe ze behoort, activiteiten inzake informatieverstrekking aan klanten, activiteiten die op een passieve wijze bijdragen tot verkoopverrichtingen en/of activiteiten die een actieve tussenkomst in de verkopen impliceren uitoefent;
15° groep: het geheel van verbonden en/of geassocieerde vennootschappen zoals bedoeld in artikelen 11 en 12 van het Wetboek van vennootschappen die in ten minste drie verschillende landen gevestigd zijn; <KB 2007-09-12/35, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[1 16° leidinggevend personeel : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, 4° van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008;]1
[2 17° echtgenoot : de echtgenoot, alsook iedere persoon die met een andere persoon verbonden is door een geregistreerd partnerschap zoals bedoeld in de artikelen 10, § 1, 4° en 5°, en 40bis, § 2, 1° en 2° van de wet van 15 december 1980;]2
[3 18° europese blauwe kaart : het verblijfsdocument voorzien bij artikel 1, 3° van de wet van 15 december 1980;
19° dienst Vreemdelingenzaken : het bestuur dat belast is met de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.]3
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titel
9 JUNI 1999. - Koninklijk besluit houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers. (NOTA: Opgeheven voor Brussels Hoofdstedelijk Gewest door <BESL2024-05-16/37, art. 36, 1°, 051; Inwerkingtreding : 01-10-2024>)(NOTA : opgeheven behalve voor wat betreft de au-pair jongeren bij KB2018-09-02/04, art. 23, 042; Inwerkingtreding : 24-12-2018) (NOTA : opgeheven voor het Vlaams Gewest bij BVR2018-12-07/13, art. 83, 044; Inwerkingtreding : 01-01-2019) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-06-1999 en tekstbijwerking tot 12-08-2024)
Titre
9 JUIN 1999. - Arrêté royal portant exécution de la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers.(NOTE: Abrogé pour la Région de Bruxelles-Capitale par <ARR2024-05-16/37, art. 36, 1°, 051; En vigueur : 01-10-2024>) (NOTE : abrogé sauf en ce qui concerne les jeunes au pair par AR2018-09-02/04, art. 23, 042; En vigueur : 24-12-2018) (NOTE : abrogé pour la Région flamande par AGF2018-12-07/13, art. 83, 044; En vigueur : 01-01-2019) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 26-06-1999 et mise à jour au 12-08-2024)
Documentinformatie
Info du document
Inhoud
HOOFDSTUK I. - Definities.
HOOFDSTUK II. - Vrijstellingen.
HOOFDSTUK III. - Categorieën van arbeidskaarten...
HOOFDSTUK IV. - Toekenningsvoorwaarden voor de ...
Afdeling 1. - De arbeidsvergunning.
Onderafdeling 1. - De arbeidsmarkt.
Onderafdeling 2. - De internationale overeenkom...
Onderafdeling 3. - De overeenkomst.
Onderafdeling 4. - Het geneeskundig getuigschrift.
Onderafdeling 4. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Afdeling 1bis. [1 - De voorlopige arbeidsvergun...
Afdeling 1bis. VLAAMS_GEWEST. [1 - De toelating...
Afdeling 2. - De arbeidskaart A.
Afdeling 3. - De arbeidskaart C.
Afdeling 3. BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 ...
Afdeling 3. VLAAMS_GEWEST. [1 - Procedure voor ...
Afdeling 3. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Proce...
Afdeling 4._DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Proce...
HOOFDSTUK V. - Contingenten.
HOOFDSTUK VI. - Bijzondere categorieën van werk...
Afdeling 1. - De stagiairs.
Afdeling 2. - De au pair-jongeren.
Afdeling 3. - Cabaretpersoneel.
Afdeling 4. [1 De seizoenarbeiders.]1
Afdeling 5. [1 Personen die overgeplaatst worde...
Afdeling 6. [1 De Europese blauwe kaart [2 voor...
Afdeling 7. [1 De onderzoekers]1
Afdeling 8. [1 De vrijwilligers in het kader va...
HOOFDSTUK VII. - Hernieuwing van de arbeidsverg...
HOOFDSTUK VIII. - Weigering en intrekking van d...
HOOFDSTUK IX. - Toezicht.
HOOFDSTUK X. - Slachtoffers van de mensenhandel...
HOOFDSTUK X.1._DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Be...
HOOFDSTUK XI. - (Tijdelijke, overgangs- en slot...
BIJLAGEN.
Inhoud
CHAPITRE I. - Définitions.
CHAPITRE II. - Dispenses.
CHAPITRE III. - Catégories de permis de travail...
CHAPITRE IV. - Conditions d'octroi de l'autoris...
Section 1. - L'autorisation d'occupation.
Sous-section 1. - Le marché de l'emploi.
Sous-section 2. - Les conventions ou accords in...
Sous-section 3. - Le contrat.
Sous-section 4. - Le certificat médical.
Sous-section 4. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Section 1bis. [1 - L'autorisation provisoire d'...
Section 1bis. REGION_FLAMANDE. [1 - Admission à...
Section 2. - Le permis de travail A.
Section 3. - Le permis de travail C.
Section 3. REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.[1 Proc...
Section 3. REGION_FLAMANDE. [1 Procédure d'admi...
Section 3. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Procéd...
Section 4._COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Procéd...
CHAPITRE V. - Contingents.
CHAPITRE VI. - Catégories spéciales de travaill...
Section 1. - Les stagiaires.
Section 2. - Les jeunes au pair.
Section 3. - Personnel de cabaret.
Section 4. [1 Les travailleurs saisonniers.]1
Section 5. [1 Les personnes faisant l'objet d'u...
Section 6. [1 La carte bleue européenne [2 pour...
Section 7. [1 Les chercheurs]1
Section 8. [1 Les volontaires dans le cadre du ...
CHAPITRE VII. - Renouvellement de l'autorisatio...
CHAPITRE VIII. - Refus et retrait de l'autorisa...
CHAPITRE IX. - Surveillance.
CHAPITRE X. - Victimes de la traite des êtres h...
CHAPITRE X.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Disp...
CHAPITRE XI. - (Dispositions temporaires, trans...
ANNEXES.
Tekst (406)
Texte (406)
HOOFDSTUK I. - Definities.
CHAPITRE I. - Définitions.
Article 1. Pour l'application du présent arrêté et de ses arrêtés d'exécution, on entend par :
1° loi du 15 décembre 1980 : la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
2° la loi : loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers;
3° ressortissants et travailleurs étrangers : les ressortissants et les travailleurs qui n'ont pas la nationalité belge;
4° le Ministre : le Ministre de l'Emploi et du Travail;
5° l'autorité compétente : l'autorité compétente en vertu de l'article 6, § 1er, IX, 3°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles;
6° (séjour légal : la situation de séjour de l'étranger admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume ou autorisé à s'y établir, en vertu de la loi du 15 décembre 1980 ou de la loi du 22 décembre 1999 relative à la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume, à l'exception de la situation de séjour de l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période de trois mois maximum.) <AR 2003-02-06/41, art. 1, 009; En vigueur : 01-04-2003>
7° marché de l'emploi : le marché de l'emploi des trois Régions, ainsi que le marché des Etats membres de l'Espace Economique Européen;
8° artiste de spectacles : les personnes qui exercent la profession d'artiste de spectacles définie à l'article 3, 2° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
9° cabaret : quels que soient sa dénomination, sa forme juridique et son objet social, tout établissement dont l'activité réelle, principale ou accessoire, consiste en l'organisation de spectacles de danse, chant ou strip-tease;
10° personnel de cabaret : toute personne engagée dans les liens d'un contrat de travail pour être occupée dans un cabaret;
11° sportifs professionnels : les sportifs recrutés dans les liens d'un contrat de travail de sportif rémunéré conformément aux dispositions de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré.
(12° formation : une activité ou un ensemble d'activités ayant pour but l'augmentation de la connaissance et des aptitudes des personnes y participant en vue d'une exécution plus efficace de l'activité professionnelle. En tout cas, la formation au sein de l'entreprise ne peut pas entraîner de prestation productive.
13° cadre : les employés qui exercent une fonction visée à l'article 14, § 1er, 3°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie ;
14° siège central : toute société résidente visée à l'article 2, § 1er, 5°, b) du Code des impôts sur les revenus 1992, ainsi que toute succursale belge d'une société étrangère visée à l'article 2, § 1er, 5°, c) du même Code, à la condition que la société résidente ou la société étrangère puisse au moins être qualifiée comme une société associée visée à l'article 12 du Code des sociétés et que la société résidente ou la succursale belge exerce des activités ayant un caractère préparatoire ou auxiliaire au profit de tout ou partie des sociétés du groupe auquel elle appartient, des activités d'information à la clientèle, des activités contribuant de manière passive aux opérations de vente et/ou des activités impliquant une intervention active des ventes ;
15° groupe : l'ensemble des sociétés liées et/ou associées visées aux articles 11 et 12 du Code des sociétés, établies dans au moins trois pays différents.) <AR 2007-09-12/35, art. 2, 017; En vigueur : 08-10-2007>
[1 16° personnel de direction : les employés qui exercent une fonction visée à l'article 4, alinéa 1er, 4° de la loi du 4 décembre 2007 relative aux élections sociales de l'année 2008.]1
[2 17° conjoint : le conjoint ainsi que toute personne liée à une autre personne par un partenariat enregistré tel que visé aux articles 10, § 1er, 4° et 5°, et 40bis, § 2, 1° et 2°, de la loi du 15 décembre 1980;]2
[3 18° carte bleue européenne : le document de séjour visé à l'article 1er, 3° de la loi du 15 décembre 1980;
19° office des étrangers : l'administration en charge de l'accès au territoire, du séjour, de l'établissement et de l'éloignement des étrangers.]3
1° loi du 15 décembre 1980 : la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
2° la loi : loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers;
3° ressortissants et travailleurs étrangers : les ressortissants et les travailleurs qui n'ont pas la nationalité belge;
4° le Ministre : le Ministre de l'Emploi et du Travail;
5° l'autorité compétente : l'autorité compétente en vertu de l'article 6, § 1er, IX, 3°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles;
6° (séjour légal : la situation de séjour de l'étranger admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume ou autorisé à s'y établir, en vertu de la loi du 15 décembre 1980 ou de la loi du 22 décembre 1999 relative à la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume, à l'exception de la situation de séjour de l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période de trois mois maximum.) <AR 2003-02-06/41, art. 1, 009; En vigueur : 01-04-2003>
7° marché de l'emploi : le marché de l'emploi des trois Régions, ainsi que le marché des Etats membres de l'Espace Economique Européen;
8° artiste de spectacles : les personnes qui exercent la profession d'artiste de spectacles définie à l'article 3, 2° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
9° cabaret : quels que soient sa dénomination, sa forme juridique et son objet social, tout établissement dont l'activité réelle, principale ou accessoire, consiste en l'organisation de spectacles de danse, chant ou strip-tease;
10° personnel de cabaret : toute personne engagée dans les liens d'un contrat de travail pour être occupée dans un cabaret;
11° sportifs professionnels : les sportifs recrutés dans les liens d'un contrat de travail de sportif rémunéré conformément aux dispositions de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré.
(12° formation : une activité ou un ensemble d'activités ayant pour but l'augmentation de la connaissance et des aptitudes des personnes y participant en vue d'une exécution plus efficace de l'activité professionnelle. En tout cas, la formation au sein de l'entreprise ne peut pas entraîner de prestation productive.
13° cadre : les employés qui exercent une fonction visée à l'article 14, § 1er, 3°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie ;
14° siège central : toute société résidente visée à l'article 2, § 1er, 5°, b) du Code des impôts sur les revenus 1992, ainsi que toute succursale belge d'une société étrangère visée à l'article 2, § 1er, 5°, c) du même Code, à la condition que la société résidente ou la société étrangère puisse au moins être qualifiée comme une société associée visée à l'article 12 du Code des sociétés et que la société résidente ou la succursale belge exerce des activités ayant un caractère préparatoire ou auxiliaire au profit de tout ou partie des sociétés du groupe auquel elle appartient, des activités d'information à la clientèle, des activités contribuant de manière passive aux opérations de vente et/ou des activités impliquant une intervention active des ventes ;
15° groupe : l'ensemble des sociétés liées et/ou associées visées aux articles 11 et 12 du Code des sociétés, établies dans au moins trois pays différents.) <AR 2007-09-12/35, art. 2, 017; En vigueur : 08-10-2007>
[1 16° personnel de direction : les employés qui exercent une fonction visée à l'article 4, alinéa 1er, 4° de la loi du 4 décembre 2007 relative aux élections sociales de l'année 2008.]1
[2 17° conjoint : le conjoint ainsi que toute personne liée à une autre personne par un partenariat enregistré tel que visé aux articles 10, § 1er, 4° et 5°, et 40bis, § 2, 1° et 2°, de la loi du 15 décembre 1980;]2
[3 18° carte bleue européenne : le document de séjour visé à l'article 1er, 3° de la loi du 15 décembre 1980;
19° office des étrangers : l'administration en charge de l'accès au territoire, du séjour, de l'établissement et de l'éloignement des étrangers.]3
Art. 1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. Voor de toepassing van dit besluit en van zijn uitvoeringsbesluiten verstaat men onder :
1° wet van 15 december 1980 : de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
2° de wet : de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
3° buitenlandse onderdanen en werknemers : de onderdanen en werknemers die de Belgische nationaliteit niet bezitten;
4° [4 Gewestminister: de Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bevoegd voor tewerkstelling;]4
5° de bevoegde overheid : de overheid bevoegd krachtens artikel 6, § 1, IX, 3° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen,
6° (wettig verblijf : de verblijfssituatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk of die gemachtigd is er zich te vestigen krachtens de wet van 15 december 1980 of de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, met uitzondering van de verblijfssituatie van de vreemdeling die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden.) <KB 2003-02-06/41, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
7° arbeidsmarkt : de arbeidsmarkt van de drie Gewesten, evenals de markt van de Lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
8° schouwspelartiest : de personen die het beroep van schouwspelartiest uitoefenen zoals omschreven in artikel 3, 2° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 genomen ter uitvoering van de wet van 27 juni 1969 ter herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid van werknemers;
9° cabaret : wat ook de benaming, juridische vorm en sociale doelstelling zij, elke instelling waarvan de reële hoofd- of bijactiviteit bestaat in het organiseren van spektakels onder de vorm van dans, zang of striptease;
10° cabaretpersoneel : elke met een arbeidsovereenkomst in dienst genomen persoon om tewerkgesteld te zijn in een cabaret;
11° beroepssportlui : de sportlui aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.
(12° opleiding : een activiteit of een geheel van activiteiten die erop gericht is de personen die eraan deelnemen meer kennis en meer vaardigheden bij te brengen die hen moeten toelaten hun beroepswerkzaamheden efficiënter uit te oefenen. In ieder geval kan de bedrijfsgebonden opleiding niet gepaard gaan met enige productieve prestatie.
13° kaderlid : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven;
14° hoofdkwartier: iedere binnenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, b), van Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en ieder Belgisch filiaal van een buitenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, c) van het zelfde Wetboek, op voorwaarde dat de binnenlandse vennootschap of buitenlandse vennootschap minstens gekwalificeerd kan worden als een geassocieerde vennootschap zoals bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Vennootschappen en de binnenlandse vennootschap of Belgische filiaal activiteiten met een voorbereidend of hulpverlenend karakter ten voordele van het geheel of een deel van de vennootschappen van de groep waartoe ze behoort, activiteiten inzake informatieverstrekking aan klanten, activiteiten die op een passieve wijze bijdragen tot verkoopverrichtingen en/of activiteiten die een actieve tussenkomst in de verkopen impliceren uitoefent;
15° groep: het geheel van verbonden en/of geassocieerde vennootschappen zoals bedoeld in artikelen 11 en 12 van het Wetboek van vennootschappen die in ten minste drie verschillende landen gevestigd zijn; <KB 2007-09-12/35, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[1 16° leidinggevend personeel : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, 4° van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008;]1
[2 17° echtgenoot : de echtgenoot, alsook iedere persoon die met een andere persoon verbonden is door een geregistreerd partnerschap zoals bedoeld in de artikelen 10, § 1, 4° en 5°, en 40bis, § 2, 1° en 2° van de wet van 15 december 1980;]2
[3 18° europese blauwe kaart : [5 artikel 6, 1° van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018]5;
19° dienst Vreemdelingenzaken : het bestuur dat belast is met de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.]3
[4 20° Brussel Economie en Werkgelegenheid: de directie economische migratie van Brussel Economie en Werkgelegenheid bij de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel;]4
[4 21° Samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018: het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten.]4
[5 22° uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018: het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten.
23° seizoenarbeider: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 12, 1° van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
24° ICT: overplaatsing binnen een onderneming
25° overplaatsing binnen een onderneming: de overplaatsing bedoeld in artikel 24, 5° van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
26° leidinggevende ICT: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 24, 1° van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
27° specialist ICT: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 24, 2° van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
28° stagiair-werknemer ICT: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 24, 3° van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
29° vrijwilliger: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 55, 1° van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.]5
1° wet van 15 december 1980 : de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
2° de wet : de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
3° buitenlandse onderdanen en werknemers : de onderdanen en werknemers die de Belgische nationaliteit niet bezitten;
4° [4 Gewestminister: de Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bevoegd voor tewerkstelling;]4
5° de bevoegde overheid : de overheid bevoegd krachtens artikel 6, § 1, IX, 3° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen,
6° (wettig verblijf : de verblijfssituatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk of die gemachtigd is er zich te vestigen krachtens de wet van 15 december 1980 of de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, met uitzondering van de verblijfssituatie van de vreemdeling die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden.) <KB 2003-02-06/41, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
7° arbeidsmarkt : de arbeidsmarkt van de drie Gewesten, evenals de markt van de Lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
8° schouwspelartiest : de personen die het beroep van schouwspelartiest uitoefenen zoals omschreven in artikel 3, 2° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 genomen ter uitvoering van de wet van 27 juni 1969 ter herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid van werknemers;
9° cabaret : wat ook de benaming, juridische vorm en sociale doelstelling zij, elke instelling waarvan de reële hoofd- of bijactiviteit bestaat in het organiseren van spektakels onder de vorm van dans, zang of striptease;
10° cabaretpersoneel : elke met een arbeidsovereenkomst in dienst genomen persoon om tewerkgesteld te zijn in een cabaret;
11° beroepssportlui : de sportlui aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.
(12° opleiding : een activiteit of een geheel van activiteiten die erop gericht is de personen die eraan deelnemen meer kennis en meer vaardigheden bij te brengen die hen moeten toelaten hun beroepswerkzaamheden efficiënter uit te oefenen. In ieder geval kan de bedrijfsgebonden opleiding niet gepaard gaan met enige productieve prestatie.
13° kaderlid : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven;
14° hoofdkwartier: iedere binnenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, b), van Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en ieder Belgisch filiaal van een buitenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, c) van het zelfde Wetboek, op voorwaarde dat de binnenlandse vennootschap of buitenlandse vennootschap minstens gekwalificeerd kan worden als een geassocieerde vennootschap zoals bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Vennootschappen en de binnenlandse vennootschap of Belgische filiaal activiteiten met een voorbereidend of hulpverlenend karakter ten voordele van het geheel of een deel van de vennootschappen van de groep waartoe ze behoort, activiteiten inzake informatieverstrekking aan klanten, activiteiten die op een passieve wijze bijdragen tot verkoopverrichtingen en/of activiteiten die een actieve tussenkomst in de verkopen impliceren uitoefent;
15° groep: het geheel van verbonden en/of geassocieerde vennootschappen zoals bedoeld in artikelen 11 en 12 van het Wetboek van vennootschappen die in ten minste drie verschillende landen gevestigd zijn; <KB 2007-09-12/35, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[1 16° leidinggevend personeel : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, 4° van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008;]1
[2 17° echtgenoot : de echtgenoot, alsook iedere persoon die met een andere persoon verbonden is door een geregistreerd partnerschap zoals bedoeld in de artikelen 10, § 1, 4° en 5°, en 40bis, § 2, 1° en 2° van de wet van 15 december 1980;]2
[3 18° europese blauwe kaart : [5 artikel 6, 1° van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018]5;
19° dienst Vreemdelingenzaken : het bestuur dat belast is met de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.]3
[4 20° Brussel Economie en Werkgelegenheid: de directie economische migratie van Brussel Economie en Werkgelegenheid bij de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel;]4
[4 21° Samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018: het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten.]4
[5 22° uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018: het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten.
23° seizoenarbeider: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 12, 1° van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
24° ICT: overplaatsing binnen een onderneming
25° overplaatsing binnen een onderneming: de overplaatsing bedoeld in artikel 24, 5° van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
26° leidinggevende ICT: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 24, 1° van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
27° specialist ICT: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 24, 2° van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
28° stagiair-werknemer ICT: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 24, 3° van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
29° vrijwilliger: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 55, 1° van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.]5
Wijzigingen
Art. 1 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Pour l'application du présent arrêté et de ses arrêtés d'exécution, on entend par :
1° loi du 15 décembre 1980 : la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
2° la loi : loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers;
3° ressortissants et travailleurs étrangers : les ressortissants et les travailleurs qui n'ont pas la nationalité belge;
4° [4 Ministre régional : le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale ayant l'Emploi dans ses attributions ;]4
5° l'autorité compétente : l'autorité compétente en vertu de l'article 6, § 1er, IX, 3°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles;
6° (séjour légal : la situation de séjour de l'étranger admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume ou autorisé à s'y établir, en vertu de la loi du 15 décembre 1980 ou de la loi du 22 décembre 1999 relative à la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume, à l'exception de la situation de séjour de l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période de trois mois maximum.) <AR 2003-02-06/41, art. 1, 009; En vigueur : 01-04-2003>
7° marché de l'emploi : le marché de l'emploi des trois Régions, ainsi que le marché des Etats membres de l'Espace Economique Européen;
8° artiste de spectacles : les personnes qui exercent la profession d'artiste de spectacles définie à l'article 3, 2° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
9° cabaret : quels que soient sa dénomination, sa forme juridique et son objet social, tout établissement dont l'activité réelle, principale ou accessoire, consiste en l'organisation de spectacles de danse, chant ou strip-tease;
10° personnel de cabaret : toute personne engagée dans les liens d'un contrat de travail pour être occupée dans un cabaret;
11° sportifs professionnels : les sportifs recrutés dans les liens d'un contrat de travail de sportif rémunéré conformément aux dispositions de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré.
(12° formation : une activité ou un ensemble d'activités ayant pour but l'augmentation de la connaissance et des aptitudes des personnes y participant en vue d'une exécution plus efficace de l'activité professionnelle. En tout cas, la formation au sein de l'entreprise ne peut pas entraîner de prestation productive.
13° cadre : les employés qui exercent une fonction visée à l'article 14, § 1er, 3°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie ;
14° siège central : toute société résidente visée à l'article 2, § 1er, 5°, b) du Code des impôts sur les revenus 1992, ainsi que toute succursale belge d'une société étrangère visée à l'article 2, § 1er, 5°, c) du même Code, à la condition que la société résidente ou la société étrangère puisse au moins être qualifiée comme une société associée visée à l'article 12 du Code des sociétés et que la société résidente ou la succursale belge exerce des activités ayant un caractère préparatoire ou auxiliaire au profit de tout ou partie des sociétés du groupe auquel elle appartient, des activités d'information à la clientèle, des activités contribuant de manière passive aux opérations de vente et/ou des activités impliquant une intervention active des ventes ;
15° groupe : l'ensemble des sociétés liées et/ou associées visées aux articles 11 et 12 du Code des sociétés, établies dans au moins trois pays différents.) <AR 2007-09-12/35, art. 2, 017; En vigueur : 08-10-2007>
[1 16° personnel de direction : les employés qui exercent une fonction visée à l'article 4, alinéa 1er, 4° de la loi du 4 décembre 2007 relative aux élections sociales de l'année 2008.]1
[2 17° conjoint : le conjoint ainsi que toute personne liée à une autre personne par un partenariat enregistré tel que visé aux articles 10, § 1er, 4° et 5°, et 40bis, § 2, 1° et 2°, de la loi du 15 décembre 1980;]2
[3 18° carte bleue européenne : [4 le titre de séjour visé à [5 l'article 6, 1° de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018]5;
19° office des étrangers : l'administration en charge de l'accès au territoire, du séjour, de l'établissement et de l'éloignement des étrangers.]3
[4 20° Bruxelles Economie et Emploi : la direction de la migration économique de Bruxelles Economie et Emploi auprès du Service public régional de Bruxelles;]4
[4 21° Accord de coopération du 2 février 2018 : Accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers.]4
[5 22° accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 : l'accord de coopération du 6 décembre 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant exécution de l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers.
23° travailleur saisonnier : le ressortissant de pays tiers visé à l'article 12, 1° de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018;
24° ICT : transfert temporaire intragroupe
25° transfert temporaire intragroupe : le transfert visé à l'article 24, 5° de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018;
26° cadre ICT : le ressortissant de pays tiers visé à l'article 24, 1° de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018;
27° expert ICT : le ressortissant de pays tiers visé à l'article 24, 2° de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018;
28° employé stagiaire ICT : le ressortissant de pays tiers visé à l'article 24, 3° de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018;
29° volontaire : le ressortissant de pays tiers visé à l'article 55, 1° de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018.]5
Pour l'application du présent arrêté et de ses arrêtés d'exécution, on entend par :
1° loi du 15 décembre 1980 : la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
2° la loi : loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers;
3° ressortissants et travailleurs étrangers : les ressortissants et les travailleurs qui n'ont pas la nationalité belge;
4° [4 Ministre régional : le Ministre du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale ayant l'Emploi dans ses attributions ;]4
5° l'autorité compétente : l'autorité compétente en vertu de l'article 6, § 1er, IX, 3°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles;
6° (séjour légal : la situation de séjour de l'étranger admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume ou autorisé à s'y établir, en vertu de la loi du 15 décembre 1980 ou de la loi du 22 décembre 1999 relative à la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume, à l'exception de la situation de séjour de l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période de trois mois maximum.) <AR 2003-02-06/41, art. 1, 009; En vigueur : 01-04-2003>
7° marché de l'emploi : le marché de l'emploi des trois Régions, ainsi que le marché des Etats membres de l'Espace Economique Européen;
8° artiste de spectacles : les personnes qui exercent la profession d'artiste de spectacles définie à l'article 3, 2° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
9° cabaret : quels que soient sa dénomination, sa forme juridique et son objet social, tout établissement dont l'activité réelle, principale ou accessoire, consiste en l'organisation de spectacles de danse, chant ou strip-tease;
10° personnel de cabaret : toute personne engagée dans les liens d'un contrat de travail pour être occupée dans un cabaret;
11° sportifs professionnels : les sportifs recrutés dans les liens d'un contrat de travail de sportif rémunéré conformément aux dispositions de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré.
(12° formation : une activité ou un ensemble d'activités ayant pour but l'augmentation de la connaissance et des aptitudes des personnes y participant en vue d'une exécution plus efficace de l'activité professionnelle. En tout cas, la formation au sein de l'entreprise ne peut pas entraîner de prestation productive.
13° cadre : les employés qui exercent une fonction visée à l'article 14, § 1er, 3°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie ;
14° siège central : toute société résidente visée à l'article 2, § 1er, 5°, b) du Code des impôts sur les revenus 1992, ainsi que toute succursale belge d'une société étrangère visée à l'article 2, § 1er, 5°, c) du même Code, à la condition que la société résidente ou la société étrangère puisse au moins être qualifiée comme une société associée visée à l'article 12 du Code des sociétés et que la société résidente ou la succursale belge exerce des activités ayant un caractère préparatoire ou auxiliaire au profit de tout ou partie des sociétés du groupe auquel elle appartient, des activités d'information à la clientèle, des activités contribuant de manière passive aux opérations de vente et/ou des activités impliquant une intervention active des ventes ;
15° groupe : l'ensemble des sociétés liées et/ou associées visées aux articles 11 et 12 du Code des sociétés, établies dans au moins trois pays différents.) <AR 2007-09-12/35, art. 2, 017; En vigueur : 08-10-2007>
[1 16° personnel de direction : les employés qui exercent une fonction visée à l'article 4, alinéa 1er, 4° de la loi du 4 décembre 2007 relative aux élections sociales de l'année 2008.]1
[2 17° conjoint : le conjoint ainsi que toute personne liée à une autre personne par un partenariat enregistré tel que visé aux articles 10, § 1er, 4° et 5°, et 40bis, § 2, 1° et 2°, de la loi du 15 décembre 1980;]2
[3 18° carte bleue européenne : [4 le titre de séjour visé à [5 l'article 6, 1° de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018]5;
19° office des étrangers : l'administration en charge de l'accès au territoire, du séjour, de l'établissement et de l'éloignement des étrangers.]3
[4 20° Bruxelles Economie et Emploi : la direction de la migration économique de Bruxelles Economie et Emploi auprès du Service public régional de Bruxelles;]4
[4 21° Accord de coopération du 2 février 2018 : Accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers.]4
[5 22° accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 : l'accord de coopération du 6 décembre 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant exécution de l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers.
23° travailleur saisonnier : le ressortissant de pays tiers visé à l'article 12, 1° de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018;
24° ICT : transfert temporaire intragroupe
25° transfert temporaire intragroupe : le transfert visé à l'article 24, 5° de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018;
26° cadre ICT : le ressortissant de pays tiers visé à l'article 24, 1° de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018;
27° expert ICT : le ressortissant de pays tiers visé à l'article 24, 2° de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018;
28° employé stagiaire ICT : le ressortissant de pays tiers visé à l'article 24, 3° de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018;
29° volontaire : le ressortissant de pays tiers visé à l'article 55, 1° de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018.]5
Wijzigingen
Art. 1_VLAAMS_GEWEST. Voor de toepassing van dit besluit en van zijn uitvoeringsbesluiten verstaat men onder :
1° wet van 15 december 1980 : de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
2° de wet : de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
3° buitenlandse onderdanen en werknemers : de onderdanen en werknemers die de Belgische nationaliteit niet bezitten;
4° [4 gewestminister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid;]4
5° de bevoegde overheid : de overheid bevoegd krachtens artikel 6, § 1, IX, 3° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen,
6° (wettig verblijf : de verblijfssituatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk of die gemachtigd is er zich te vestigen krachtens de wet van 15 december 1980 of de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, met uitzondering van de verblijfssituatie van de vreemdeling die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden.) <KB 2003-02-06/41, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
7° arbeidsmarkt : de arbeidsmarkt van de drie Gewesten, evenals de markt van de Lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
8° schouwspelartiest : de personen die het beroep van schouwspelartiest uitoefenen zoals omschreven in artikel 3, 2° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 genomen ter uitvoering van de wet van 27 juni 1969 ter herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid van werknemers;
9° cabaret : wat ook de benaming, juridische vorm en sociale doelstelling zij, elke instelling waarvan de reële hoofd- of bijactiviteit bestaat in het organiseren van spektakels onder de vorm van dans, zang of striptease;
10° cabaretpersoneel : elke met een arbeidsovereenkomst in dienst genomen persoon om tewerkgesteld te zijn in een cabaret;
11° beroepssportlui : de sportlui aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.
(12° opleiding : een activiteit of een geheel van activiteiten die erop gericht is de personen die eraan deelnemen meer kennis en meer vaardigheden bij te brengen die hen moeten toelaten hun beroepswerkzaamheden efficiënter uit te oefenen. In ieder geval kan de bedrijfsgebonden opleiding niet gepaard gaan met enige productieve prestatie.
13° kaderlid : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven;
14° hoofdkwartier: iedere binnenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, b), van Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en ieder Belgisch filiaal van een buitenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, c) van het zelfde Wetboek, op voorwaarde dat de binnenlandse vennootschap of buitenlandse vennootschap minstens gekwalificeerd kan worden als een geassocieerde vennootschap zoals bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Vennootschappen en de binnenlandse vennootschap of Belgische filiaal activiteiten met een voorbereidend of hulpverlenend karakter ten voordele van het geheel of een deel van de vennootschappen van de groep waartoe ze behoort, activiteiten inzake informatieverstrekking aan klanten, activiteiten die op een passieve wijze bijdragen tot verkoopverrichtingen en/of activiteiten die een actieve tussenkomst in de verkopen impliceren uitoefent;
15° groep: het geheel van verbonden en/of geassocieerde vennootschappen zoals bedoeld in artikelen 11 en 12 van het Wetboek van vennootschappen die in ten minste drie verschillende landen gevestigd zijn; <KB 2007-09-12/35, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[1 16° leidinggevend personeel : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, 4° van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008;]1
[2 17° echtgenoot : de echtgenoot, alsook iedere persoon die met een andere persoon verbonden is door een geregistreerd partnerschap zoals bedoeld in de artikelen 10, § 1, 4° en 5°, en 40bis, § 2, 1° en 2° van de wet van 15 december 1980;]2
[3 18° europese blauwe kaart : het verblijfsdocument voorzien [4 bij artikel 1, 15°]4 van de wet van 15 december 1980;
19° dienst Vreemdelingenzaken : het bestuur [4 van de federale overheid]4 dat belast is met de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.]3
[4 20° dienst Economische Migratie : de dienst Economische Migratie van het Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie, vermeld in artikel 25, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
21° gecombineerde vergunning : een verblijfstitel die een vermelding bevat over de toegang tot de arbeidsmarkt en die een onderdaan van een derde land in staat stelt om wettelijk op het Belgische grondgebied te verblijven om er te werken;
22° samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 : het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
23° gecombineerde procedure : de procedure, vermeld in hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018.]4
1° wet van 15 december 1980 : de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
2° de wet : de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
3° buitenlandse onderdanen en werknemers : de onderdanen en werknemers die de Belgische nationaliteit niet bezitten;
4° [4 gewestminister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid;]4
5° de bevoegde overheid : de overheid bevoegd krachtens artikel 6, § 1, IX, 3° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen,
6° (wettig verblijf : de verblijfssituatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk of die gemachtigd is er zich te vestigen krachtens de wet van 15 december 1980 of de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, met uitzondering van de verblijfssituatie van de vreemdeling die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden.) <KB 2003-02-06/41, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
7° arbeidsmarkt : de arbeidsmarkt van de drie Gewesten, evenals de markt van de Lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
8° schouwspelartiest : de personen die het beroep van schouwspelartiest uitoefenen zoals omschreven in artikel 3, 2° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 genomen ter uitvoering van de wet van 27 juni 1969 ter herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid van werknemers;
9° cabaret : wat ook de benaming, juridische vorm en sociale doelstelling zij, elke instelling waarvan de reële hoofd- of bijactiviteit bestaat in het organiseren van spektakels onder de vorm van dans, zang of striptease;
10° cabaretpersoneel : elke met een arbeidsovereenkomst in dienst genomen persoon om tewerkgesteld te zijn in een cabaret;
11° beroepssportlui : de sportlui aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.
(12° opleiding : een activiteit of een geheel van activiteiten die erop gericht is de personen die eraan deelnemen meer kennis en meer vaardigheden bij te brengen die hen moeten toelaten hun beroepswerkzaamheden efficiënter uit te oefenen. In ieder geval kan de bedrijfsgebonden opleiding niet gepaard gaan met enige productieve prestatie.
13° kaderlid : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven;
14° hoofdkwartier: iedere binnenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, b), van Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en ieder Belgisch filiaal van een buitenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, c) van het zelfde Wetboek, op voorwaarde dat de binnenlandse vennootschap of buitenlandse vennootschap minstens gekwalificeerd kan worden als een geassocieerde vennootschap zoals bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Vennootschappen en de binnenlandse vennootschap of Belgische filiaal activiteiten met een voorbereidend of hulpverlenend karakter ten voordele van het geheel of een deel van de vennootschappen van de groep waartoe ze behoort, activiteiten inzake informatieverstrekking aan klanten, activiteiten die op een passieve wijze bijdragen tot verkoopverrichtingen en/of activiteiten die een actieve tussenkomst in de verkopen impliceren uitoefent;
15° groep: het geheel van verbonden en/of geassocieerde vennootschappen zoals bedoeld in artikelen 11 en 12 van het Wetboek van vennootschappen die in ten minste drie verschillende landen gevestigd zijn; <KB 2007-09-12/35, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[1 16° leidinggevend personeel : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, 4° van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008;]1
[2 17° echtgenoot : de echtgenoot, alsook iedere persoon die met een andere persoon verbonden is door een geregistreerd partnerschap zoals bedoeld in de artikelen 10, § 1, 4° en 5°, en 40bis, § 2, 1° en 2° van de wet van 15 december 1980;]2
[3 18° europese blauwe kaart : het verblijfsdocument voorzien [4 bij artikel 1, 15°]4 van de wet van 15 december 1980;
19° dienst Vreemdelingenzaken : het bestuur [4 van de federale overheid]4 dat belast is met de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.]3
[4 20° dienst Economische Migratie : de dienst Economische Migratie van het Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie, vermeld in artikel 25, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
21° gecombineerde vergunning : een verblijfstitel die een vermelding bevat over de toegang tot de arbeidsmarkt en die een onderdaan van een derde land in staat stelt om wettelijk op het Belgische grondgebied te verblijven om er te werken;
22° samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 : het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
23° gecombineerde procedure : de procedure, vermeld in hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018.]4
Art. 1 _REGION_FLAMANDE.
Pour l'application du présent arrêté et de ses arrêtés d'exécution, on entend par :
1° loi du 15 décembre 1980 : la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
2° la loi : loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers;
3° ressortissants et travailleurs étrangers : les ressortissants et les travailleurs qui n'ont pas la nationalité belge;
4° [4 ministre régional : le ministre flamand ayant la politique de l'emploi dans ses attributions ;]4
5° l'autorité compétente : l'autorité compétente en vertu de l'article 6, § 1er, IX, 3°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles;
6° (séjour légal : la situation de séjour de l'étranger admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume ou autorisé à s'y établir, en vertu de la loi du 15 décembre 1980 ou de la loi du 22 décembre 1999 relative à la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume, à l'exception de la situation de séjour de l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période de trois mois maximum.) <AR 2003-02-06/41, art. 1, 009; En vigueur : 01-04-2003>
7° marché de l'emploi : le marché de l'emploi des trois Régions, ainsi que le marché des Etats membres de l'Espace Economique Européen;
8° artiste de spectacles : les personnes qui exercent la profession d'artiste de spectacles définie à l'article 3, 2° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
9° cabaret : quels que soient sa dénomination, sa forme juridique et son objet social, tout établissement dont l'activité réelle, principale ou accessoire, consiste en l'organisation de spectacles de danse, chant ou strip-tease;
10° personnel de cabaret : toute personne engagée dans les liens d'un contrat de travail pour être occupée dans un cabaret;
11° sportifs professionnels : les sportifs recrutés dans les liens d'un contrat de travail de sportif rémunéré conformément aux dispositions de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré.
(12° formation : une activité ou un ensemble d'activités ayant pour but l'augmentation de la connaissance et des aptitudes des personnes y participant en vue d'une exécution plus efficace de l'activité professionnelle. En tout cas, la formation au sein de l'entreprise ne peut pas entraîner de prestation productive.
13° cadre : les employés qui exercent une fonction visée à l'article 14, § 1er, 3°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie ;
14° siège central : toute société résidente visée à l'article 2, § 1er, 5°, b) du Code des impôts sur les revenus 1992, ainsi que toute succursale belge d'une société étrangère visée à l'article 2, § 1er, 5°, c) du même Code, à la condition que la société résidente ou la société étrangère puisse au moins être qualifiée comme une société associée visée à l'article 12 du Code des sociétés et que la société résidente ou la succursale belge exerce des activités ayant un caractère préparatoire ou auxiliaire au profit de tout ou partie des sociétés du groupe auquel elle appartient, des activités d'information à la clientèle, des activités contribuant de manière passive aux opérations de vente et/ou des activités impliquant une intervention active des ventes ;
15° groupe : l'ensemble des sociétés liées et/ou associées visées aux articles 11 et 12 du Code des sociétés, établies dans au moins trois pays différents.) <AR 2007-09-12/35, art. 2, 017; En vigueur : 08-10-2007>
[1 16° personnel de direction : les employés qui exercent une fonction visée à l'article 4, alinéa 1er, 4° de la loi du 4 décembre 2007 relative aux élections sociales de l'année 2008.]1
[2 17° conjoint : le conjoint ainsi que toute personne liée à une autre personne par un partenariat enregistré tel que visé aux articles 10, § 1er, 4° et 5°, et 40bis, § 2, 1° et 2°, de la loi du 15 décembre 1980;]2
[3 18° carte bleue européenne : le document de séjour visé [4 à l'article 1er, 15°]4 de la loi du 15 décembre 1980;
19° office des étrangers : l'administration [4 de l'autorité fédérale]4 en charge de l'accès au territoire, du séjour, de l'établissement et de l'éloignement des étrangers.]3
[4 20° service de Migration économique : le service de Migration économique du département Environnement et Economie sociale du Ministère flamand du Travail et de l'Economie sociale, visé à l'article 25, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'administration flamande ;
21° permis combiné : un permis de séjour contenant une indication d'accès au marché du travail et permettant à un ressortissant d'un pays tiers de résider légalement sur le territoire belge afin d'y travailler ;
22° accord de coopération du 2 février 2018 : l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone en ce qui concerne la coordination entre la politique d'admission au travail et la politique en matière de permis de séjour et en ce qui concerne les normes relatives à l'occupation et au séjour de travailleurs étrangers ;
23° procédure combinée : la procédure visée au chapitre IV de l'accord de coopération du 2 février 2018.]4
Pour l'application du présent arrêté et de ses arrêtés d'exécution, on entend par :
1° loi du 15 décembre 1980 : la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
2° la loi : loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers;
3° ressortissants et travailleurs étrangers : les ressortissants et les travailleurs qui n'ont pas la nationalité belge;
4° [4 ministre régional : le ministre flamand ayant la politique de l'emploi dans ses attributions ;]4
5° l'autorité compétente : l'autorité compétente en vertu de l'article 6, § 1er, IX, 3°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles;
6° (séjour légal : la situation de séjour de l'étranger admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume ou autorisé à s'y établir, en vertu de la loi du 15 décembre 1980 ou de la loi du 22 décembre 1999 relative à la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume, à l'exception de la situation de séjour de l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période de trois mois maximum.) <AR 2003-02-06/41, art. 1, 009; En vigueur : 01-04-2003>
7° marché de l'emploi : le marché de l'emploi des trois Régions, ainsi que le marché des Etats membres de l'Espace Economique Européen;
8° artiste de spectacles : les personnes qui exercent la profession d'artiste de spectacles définie à l'article 3, 2° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
9° cabaret : quels que soient sa dénomination, sa forme juridique et son objet social, tout établissement dont l'activité réelle, principale ou accessoire, consiste en l'organisation de spectacles de danse, chant ou strip-tease;
10° personnel de cabaret : toute personne engagée dans les liens d'un contrat de travail pour être occupée dans un cabaret;
11° sportifs professionnels : les sportifs recrutés dans les liens d'un contrat de travail de sportif rémunéré conformément aux dispositions de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré.
(12° formation : une activité ou un ensemble d'activités ayant pour but l'augmentation de la connaissance et des aptitudes des personnes y participant en vue d'une exécution plus efficace de l'activité professionnelle. En tout cas, la formation au sein de l'entreprise ne peut pas entraîner de prestation productive.
13° cadre : les employés qui exercent une fonction visée à l'article 14, § 1er, 3°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie ;
14° siège central : toute société résidente visée à l'article 2, § 1er, 5°, b) du Code des impôts sur les revenus 1992, ainsi que toute succursale belge d'une société étrangère visée à l'article 2, § 1er, 5°, c) du même Code, à la condition que la société résidente ou la société étrangère puisse au moins être qualifiée comme une société associée visée à l'article 12 du Code des sociétés et que la société résidente ou la succursale belge exerce des activités ayant un caractère préparatoire ou auxiliaire au profit de tout ou partie des sociétés du groupe auquel elle appartient, des activités d'information à la clientèle, des activités contribuant de manière passive aux opérations de vente et/ou des activités impliquant une intervention active des ventes ;
15° groupe : l'ensemble des sociétés liées et/ou associées visées aux articles 11 et 12 du Code des sociétés, établies dans au moins trois pays différents.) <AR 2007-09-12/35, art. 2, 017; En vigueur : 08-10-2007>
[1 16° personnel de direction : les employés qui exercent une fonction visée à l'article 4, alinéa 1er, 4° de la loi du 4 décembre 2007 relative aux élections sociales de l'année 2008.]1
[2 17° conjoint : le conjoint ainsi que toute personne liée à une autre personne par un partenariat enregistré tel que visé aux articles 10, § 1er, 4° et 5°, et 40bis, § 2, 1° et 2°, de la loi du 15 décembre 1980;]2
[3 18° carte bleue européenne : le document de séjour visé [4 à l'article 1er, 15°]4 de la loi du 15 décembre 1980;
19° office des étrangers : l'administration [4 de l'autorité fédérale]4 en charge de l'accès au territoire, du séjour, de l'établissement et de l'éloignement des étrangers.]3
[4 20° service de Migration économique : le service de Migration économique du département Environnement et Economie sociale du Ministère flamand du Travail et de l'Economie sociale, visé à l'article 25, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'administration flamande ;
21° permis combiné : un permis de séjour contenant une indication d'accès au marché du travail et permettant à un ressortissant d'un pays tiers de résider légalement sur le territoire belge afin d'y travailler ;
22° accord de coopération du 2 février 2018 : l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone en ce qui concerne la coordination entre la politique d'admission au travail et la politique en matière de permis de séjour et en ce qui concerne les normes relatives à l'occupation et au séjour de travailleurs étrangers ;
23° procédure combinée : la procédure visée au chapitre IV de l'accord de coopération du 2 février 2018.]4
Art. 1 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Voor de toepassing van dit besluit en van zijn uitvoeringsbesluiten verstaat men onder :
1° wet van 15 december 1980 : de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
2° de wet : de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
3° buitenlandse onderdanen en werknemers : de onderdanen en werknemers die de Belgische nationaliteit niet bezitten;
4° [4 Gemeenschapsminister: de minister van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap bevoegd voor Werkgelegenheid;]4
5° de bevoegde overheid : de overheid bevoegd krachtens artikel 6, § 1, IX, 3° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen,
6° (wettig verblijf : de verblijfssituatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk of die gemachtigd is er zich te vestigen krachtens de wet van 15 december 1980 of de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, met uitzondering van de verblijfssituatie van de vreemdeling die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden.) <KB 2003-02-06/41, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
7° arbeidsmarkt : de arbeidsmarkt van de drie Gewesten, evenals de markt van de Lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
8° schouwspelartiest : de personen die het beroep van schouwspelartiest uitoefenen zoals omschreven in artikel 3, 2° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 genomen ter uitvoering van de wet van 27 juni 1969 ter herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid van werknemers;
9° cabaret : wat ook de benaming, juridische vorm en sociale doelstelling zij, elke instelling waarvan de reële hoofd- of bijactiviteit bestaat in het organiseren van spektakels onder de vorm van dans, zang of striptease;
10° cabaretpersoneel : elke met een arbeidsovereenkomst in dienst genomen persoon om tewerkgesteld te zijn in een cabaret;
11° beroepssportlui : de sportlui aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.
(12° opleiding : een activiteit of een geheel van activiteiten die erop gericht is de personen die eraan deelnemen meer kennis en meer vaardigheden bij te brengen die hen moeten toelaten hun beroepswerkzaamheden efficiënter uit te oefenen. In ieder geval kan de bedrijfsgebonden opleiding niet gepaard gaan met enige productieve prestatie.
13° kaderlid : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven;
14° hoofdkwartier: iedere binnenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, b), van Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en ieder Belgisch filiaal van een buitenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, c) van het zelfde Wetboek, op voorwaarde dat de binnenlandse vennootschap of buitenlandse vennootschap minstens gekwalificeerd kan worden als een geassocieerde vennootschap zoals bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Vennootschappen en de binnenlandse vennootschap of Belgische filiaal activiteiten met een voorbereidend of hulpverlenend karakter ten voordele van het geheel of een deel van de vennootschappen van de groep waartoe ze behoort, activiteiten inzake informatieverstrekking aan klanten, activiteiten die op een passieve wijze bijdragen tot verkoopverrichtingen en/of activiteiten die een actieve tussenkomst in de verkopen impliceren uitoefent;
15° groep: het geheel van verbonden en/of geassocieerde vennootschappen zoals bedoeld in artikelen 11 en 12 van het Wetboek van vennootschappen die in ten minste drie verschillende landen gevestigd zijn; <KB 2007-09-12/35, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[1 16° leidinggevend personeel : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, 4° van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008;]1
[2 17° echtgenoot : de echtgenoot, alsook iedere persoon die met een andere persoon verbonden is door een geregistreerd partnerschap zoals bedoeld in de artikelen 10, § 1, 4° en 5°, en 40bis, § 2, 1° en 2° van de wet van 15 december 1980;]2
[3 18° [5 Europese blauwe kaart: het document vermeld in artikel 6, 1°, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;]5
19° dienst Vreemdelingenzaken : het bestuur [4 van de federale overheid]4 dat belast is met de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.]3
[4 20° departement: het departement van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap dat bevoegd is voor Werkgelegenheid;
21° gecombineerde vergunning: de verblijfstitel die een vermelding bevat over de toegang tot de arbeidsmarkt en die een onderdaan van een derde land in staat stelt om wettelijk op het Belgische grondgebied te verblijven om er te werken;
22° samenwerkingsakkoord: het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten.]4
[5 23° uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018: het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
24° seizoenarbeider: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 12, 1°, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
25° leidinggevende-ICT: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 24, 1°, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
26° specialist-ICT: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 24, 2°, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
27° stagiair-werknemer-ICT: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 24, 3°, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
28° vrijwilliger: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 55, 1°, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.]5
Voor de toepassing van dit besluit en van zijn uitvoeringsbesluiten verstaat men onder :
1° wet van 15 december 1980 : de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
2° de wet : de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
3° buitenlandse onderdanen en werknemers : de onderdanen en werknemers die de Belgische nationaliteit niet bezitten;
4° [4 Gemeenschapsminister: de minister van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap bevoegd voor Werkgelegenheid;]4
5° de bevoegde overheid : de overheid bevoegd krachtens artikel 6, § 1, IX, 3° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen,
6° (wettig verblijf : de verblijfssituatie van de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk of die gemachtigd is er zich te vestigen krachtens de wet van 15 december 1980 of de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, met uitzondering van de verblijfssituatie van de vreemdeling die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden.) <KB 2003-02-06/41, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
7° arbeidsmarkt : de arbeidsmarkt van de drie Gewesten, evenals de markt van de Lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
8° schouwspelartiest : de personen die het beroep van schouwspelartiest uitoefenen zoals omschreven in artikel 3, 2° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 genomen ter uitvoering van de wet van 27 juni 1969 ter herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid van werknemers;
9° cabaret : wat ook de benaming, juridische vorm en sociale doelstelling zij, elke instelling waarvan de reële hoofd- of bijactiviteit bestaat in het organiseren van spektakels onder de vorm van dans, zang of striptease;
10° cabaretpersoneel : elke met een arbeidsovereenkomst in dienst genomen persoon om tewerkgesteld te zijn in een cabaret;
11° beroepssportlui : de sportlui aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars.
(12° opleiding : een activiteit of een geheel van activiteiten die erop gericht is de personen die eraan deelnemen meer kennis en meer vaardigheden bij te brengen die hen moeten toelaten hun beroepswerkzaamheden efficiënter uit te oefenen. In ieder geval kan de bedrijfsgebonden opleiding niet gepaard gaan met enige productieve prestatie.
13° kaderlid : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven;
14° hoofdkwartier: iedere binnenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, b), van Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en ieder Belgisch filiaal van een buitenlandse vennootschap zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 5°, c) van het zelfde Wetboek, op voorwaarde dat de binnenlandse vennootschap of buitenlandse vennootschap minstens gekwalificeerd kan worden als een geassocieerde vennootschap zoals bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Vennootschappen en de binnenlandse vennootschap of Belgische filiaal activiteiten met een voorbereidend of hulpverlenend karakter ten voordele van het geheel of een deel van de vennootschappen van de groep waartoe ze behoort, activiteiten inzake informatieverstrekking aan klanten, activiteiten die op een passieve wijze bijdragen tot verkoopverrichtingen en/of activiteiten die een actieve tussenkomst in de verkopen impliceren uitoefent;
15° groep: het geheel van verbonden en/of geassocieerde vennootschappen zoals bedoeld in artikelen 11 en 12 van het Wetboek van vennootschappen die in ten minste drie verschillende landen gevestigd zijn; <KB 2007-09-12/35, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[1 16° leidinggevend personeel : de bedienden die een functie bekleden zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, 4° van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008;]1
[2 17° echtgenoot : de echtgenoot, alsook iedere persoon die met een andere persoon verbonden is door een geregistreerd partnerschap zoals bedoeld in de artikelen 10, § 1, 4° en 5°, en 40bis, § 2, 1° en 2° van de wet van 15 december 1980;]2
[3 18° [5 Europese blauwe kaart: het document vermeld in artikel 6, 1°, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;]5
19° dienst Vreemdelingenzaken : het bestuur [4 van de federale overheid]4 dat belast is met de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.]3
[4 20° departement: het departement van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap dat bevoegd is voor Werkgelegenheid;
21° gecombineerde vergunning: de verblijfstitel die een vermelding bevat over de toegang tot de arbeidsmarkt en die een onderdaan van een derde land in staat stelt om wettelijk op het Belgische grondgebied te verblijven om er te werken;
22° samenwerkingsakkoord: het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten.]4
[5 23° uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018: het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
24° seizoenarbeider: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 12, 1°, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
25° leidinggevende-ICT: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 24, 1°, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
26° specialist-ICT: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 24, 2°, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
27° stagiair-werknemer-ICT: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 24, 3°, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
28° vrijwilliger: de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 55, 1°, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.]5
Wijzigingen
Art. 1 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Pour l'application du présent arrêté et de ses arrêtés d'exécution, on entend par :
1° loi du 15 décembre 1980 : la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
2° la loi : loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers;
3° ressortissants et travailleurs étrangers : les ressortissants et les travailleurs qui n'ont pas la nationalité belge;
4° [4 ministre communautaire : le ministre du Gouvernement de la Communauté germanophone compétent pour l'Emploi;]4
5° l'autorité compétente : l'autorité compétente en vertu de l'article 6, § 1er, IX, 3°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles;
6° (séjour légal : la situation de séjour de l'étranger admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume ou autorisé à s'y établir, en vertu de la loi du 15 décembre 1980 ou de la loi du 22 décembre 1999 relative à la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume, à l'exception de la situation de séjour de l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période de trois mois maximum.) <AR 2003-02-06/41, art. 1, 009; En vigueur : 01-04-2003>
7° marché de l'emploi : le marché de l'emploi des trois Régions, ainsi que le marché des Etats membres de l'Espace Economique Européen;
8° artiste de spectacles : les personnes qui exercent la profession d'artiste de spectacles définie à l'article 3, 2° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
9° cabaret : quels que soient sa dénomination, sa forme juridique et son objet social, tout établissement dont l'activité réelle, principale ou accessoire, consiste en l'organisation de spectacles de danse, chant ou strip-tease;
10° personnel de cabaret : toute personne engagée dans les liens d'un contrat de travail pour être occupée dans un cabaret;
11° sportifs professionnels : les sportifs recrutés dans les liens d'un contrat de travail de sportif rémunéré conformément aux dispositions de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré.
(12° formation : une activité ou un ensemble d'activités ayant pour but l'augmentation de la connaissance et des aptitudes des personnes y participant en vue d'une exécution plus efficace de l'activité professionnelle. En tout cas, la formation au sein de l'entreprise ne peut pas entraîner de prestation productive.
13° cadre : les employés qui exercent une fonction visée à l'article 14, § 1er, 3°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie ;
14° siège central : toute société résidente visée à l'article 2, § 1er, 5°, b) du Code des impôts sur les revenus 1992, ainsi que toute succursale belge d'une société étrangère visée à l'article 2, § 1er, 5°, c) du même Code, à la condition que la société résidente ou la société étrangère puisse au moins être qualifiée comme une société associée visée à l'article 12 du Code des sociétés et que la société résidente ou la succursale belge exerce des activités ayant un caractère préparatoire ou auxiliaire au profit de tout ou partie des sociétés du groupe auquel elle appartient, des activités d'information à la clientèle, des activités contribuant de manière passive aux opérations de vente et/ou des activités impliquant une intervention active des ventes ;
15° groupe : l'ensemble des sociétés liées et/ou associées visées aux articles 11 et 12 du Code des sociétés, établies dans au moins trois pays différents.) <AR 2007-09-12/35, art. 2, 017; En vigueur : 08-10-2007>
[1 16° personnel de direction : les employés qui exercent une fonction visée à l'article 4, alinéa 1er, 4° de la loi du 4 décembre 2007 relative aux élections sociales de l'année 2008.]1
[2 17° conjoint : le conjoint ainsi que toute personne liée à une autre personne par un partenariat enregistré tel que visé aux articles 10, § 1er, 4° et 5°, et 40bis, § 2, 1° et 2°, de la loi du 15 décembre 1980;]2
[3 18° [5 carte bleue européenne : le document mentionné à l'article 6, 1°, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018;]5
19° office des étrangers : l'administration [4 de l'autorité fédérale]4 en charge de l'accès au territoire, du séjour, de l'établissement et de l'éloignement des étrangers.]3
[4 20° département : le département du Ministère de la Communauté germanophone compétent en matière d'emploi;
21° permis unique : le titre de séjour comportant une mention au sujet de l'accès au marché de l'emploi, qui autorise un ressortissant d'un pays tiers à résider légalement sur le territoire belge pour y travailler;
22° accord de coopération : l'Accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers.]4
[5 23° accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 : l'accord de coopération du 6 décembre 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant exécution de l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers;
24° travailleur saisonnier : le ressortissant de pays tiers mentionné à l'article 12, 1°, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018;
25° cadre ICT : le ressortissant de pays tiers mentionné à l'article 24, 1°, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018;
26° expert ICT : le ressortissant de pays tiers mentionné à l'article 24, 2°, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018;
27° employé stagiaire ICT : le ressortissant de pays tiers mentionné à l'article 24, 3°, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018;
28° volontaire : le ressortissant de pays tiers mentionné à l'article 55, 1°, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018.]5
Pour l'application du présent arrêté et de ses arrêtés d'exécution, on entend par :
1° loi du 15 décembre 1980 : la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
2° la loi : loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers;
3° ressortissants et travailleurs étrangers : les ressortissants et les travailleurs qui n'ont pas la nationalité belge;
4° [4 ministre communautaire : le ministre du Gouvernement de la Communauté germanophone compétent pour l'Emploi;]4
5° l'autorité compétente : l'autorité compétente en vertu de l'article 6, § 1er, IX, 3°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles;
6° (séjour légal : la situation de séjour de l'étranger admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume ou autorisé à s'y établir, en vertu de la loi du 15 décembre 1980 ou de la loi du 22 décembre 1999 relative à la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume, à l'exception de la situation de séjour de l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période de trois mois maximum.) <AR 2003-02-06/41, art. 1, 009; En vigueur : 01-04-2003>
7° marché de l'emploi : le marché de l'emploi des trois Régions, ainsi que le marché des Etats membres de l'Espace Economique Européen;
8° artiste de spectacles : les personnes qui exercent la profession d'artiste de spectacles définie à l'article 3, 2° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
9° cabaret : quels que soient sa dénomination, sa forme juridique et son objet social, tout établissement dont l'activité réelle, principale ou accessoire, consiste en l'organisation de spectacles de danse, chant ou strip-tease;
10° personnel de cabaret : toute personne engagée dans les liens d'un contrat de travail pour être occupée dans un cabaret;
11° sportifs professionnels : les sportifs recrutés dans les liens d'un contrat de travail de sportif rémunéré conformément aux dispositions de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré.
(12° formation : une activité ou un ensemble d'activités ayant pour but l'augmentation de la connaissance et des aptitudes des personnes y participant en vue d'une exécution plus efficace de l'activité professionnelle. En tout cas, la formation au sein de l'entreprise ne peut pas entraîner de prestation productive.
13° cadre : les employés qui exercent une fonction visée à l'article 14, § 1er, 3°, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie ;
14° siège central : toute société résidente visée à l'article 2, § 1er, 5°, b) du Code des impôts sur les revenus 1992, ainsi que toute succursale belge d'une société étrangère visée à l'article 2, § 1er, 5°, c) du même Code, à la condition que la société résidente ou la société étrangère puisse au moins être qualifiée comme une société associée visée à l'article 12 du Code des sociétés et que la société résidente ou la succursale belge exerce des activités ayant un caractère préparatoire ou auxiliaire au profit de tout ou partie des sociétés du groupe auquel elle appartient, des activités d'information à la clientèle, des activités contribuant de manière passive aux opérations de vente et/ou des activités impliquant une intervention active des ventes ;
15° groupe : l'ensemble des sociétés liées et/ou associées visées aux articles 11 et 12 du Code des sociétés, établies dans au moins trois pays différents.) <AR 2007-09-12/35, art. 2, 017; En vigueur : 08-10-2007>
[1 16° personnel de direction : les employés qui exercent une fonction visée à l'article 4, alinéa 1er, 4° de la loi du 4 décembre 2007 relative aux élections sociales de l'année 2008.]1
[2 17° conjoint : le conjoint ainsi que toute personne liée à une autre personne par un partenariat enregistré tel que visé aux articles 10, § 1er, 4° et 5°, et 40bis, § 2, 1° et 2°, de la loi du 15 décembre 1980;]2
[3 18° [5 carte bleue européenne : le document mentionné à l'article 6, 1°, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018;]5
19° office des étrangers : l'administration [4 de l'autorité fédérale]4 en charge de l'accès au territoire, du séjour, de l'établissement et de l'éloignement des étrangers.]3
[4 20° département : le département du Ministère de la Communauté germanophone compétent en matière d'emploi;
21° permis unique : le titre de séjour comportant une mention au sujet de l'accès au marché de l'emploi, qui autorise un ressortissant d'un pays tiers à résider légalement sur le territoire belge pour y travailler;
22° accord de coopération : l'Accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers.]4
[5 23° accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 : l'accord de coopération du 6 décembre 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant exécution de l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers;
24° travailleur saisonnier : le ressortissant de pays tiers mentionné à l'article 12, 1°, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018;
25° cadre ICT : le ressortissant de pays tiers mentionné à l'article 24, 1°, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018;
26° expert ICT : le ressortissant de pays tiers mentionné à l'article 24, 2°, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018;
27° employé stagiaire ICT : le ressortissant de pays tiers mentionné à l'article 24, 3°, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018;
28° volontaire : le ressortissant de pays tiers mentionné à l'article 55, 1°, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018.]5
Wijzigingen
HOOFDSTUK II. - Vrijstellingen.
CHAPITRE II. - Dispenses.
Art. 2. Zijn vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart :
1° [4 de onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte evenals de onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat;]4
2° [4 a) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen " (F kaart);
b) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F+ kaart);
c) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit is, gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf, van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals :
- van een geldig attest van immatriculatie,
- of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
d) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die gedurende het beroep ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen houder is van een geldig document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
e) de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden.]4;
3° (a) de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een vestigingsvergunning;
b) de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden om onbeperkt te verblijven met toepassing van de wet van 15 december 1980 of van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, behalve de personen bedoeld in artikel 9, eerste lid, 16° en 17°;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
4° de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van één van de documenten bepaald bij het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten;
5° de in België erkende vluchteling;
6° de bedienaars van de erkende erediensten, voor zover hun activiteiten de bediening betreft;
7° het aan de commissies voor militaire begraafplaatsen verbonden personeel, dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt;
8° de werknemers die ingeschreven zijn in de Pool der zeelieden van de Belgische koopvaardij;
9° het rijdend of varend personeel dat voor rekening van een in het buitenland gevestigde werkgever tewerkgesteld is aan werken van vervoer te land, ter zee of in de lucht, op voorwaarde dat hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
10° de handelsvertegenwoordigers met hoofdverblijf in het buitenland, die hun klanten in België bezoeken, voor rekening van in het buitenland gevestigde ondernemingen zonder bijhuis in België en die in het bezit zijn van de legitimatiekaart ingesteld bij artikel 10 van de Internationale overeenkomst voor de vereenvoudiging van de douane-formaliteiten ondertekend te Genève, op 3 november 1923 en voor zover hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
11° de personen die naar België gekomen zijn om, voor rekening van een in het buitenland gevestigde onderneming, door de Belgische nijverheid geleverde goederen in ontvangst te nemen, voor zover hun verblijf in het land geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
12° het kaderpersoneel en vorsers in dienst van een coördinatiecentrum, dat geniet van de voordelen voorzien in het artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, of in dienst van een onderneming gevestigd in een tewerkstellingszone die geniet van de voordelen voorzien in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van de tewerkstellingszones, voor de duur van hun tewerkstelling in het centrum of de onderneming gevestigd in de tewerkstellingszone;
13° de dienstboden die toeristen vergezellen, op voorwaarde dat deze laatsten niet langer dan drie opeenvolgende maanden in België verblijven;
14° de werknemers, die geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die tewerkgesteld zijn door een in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten op voorwaarde dat :
a) deze werknemers, in de Lidstaat van de Europese Economische Ruimte waar zij verblijven, beschikken over een recht op verblijf of een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden;
b) deze werknemers op wettige wijze in de Lidstaat waar zij verblijven tewerkgesteld zijn en deze vergunning ten minste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk;
c) deze werknemers in het bezit zijn van een regelmatige arbeidsovereenkomst;
(oude d) opgeheven) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 1°, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
d) (oude e) (deze werknemers over een paspoort en een verblijfsvergunning van een duur die minstens gelijkwaardig is met de duur van de dienstverlening beschikken, teneinde hun terugkeer naar hun land van oorsprong of verblijf te verzekeren.) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
15° de in België verblijvende journalisten die uitsluitend verbonden zijn aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations, alsmede de in het buitenland verblijvende journalisten verbonden aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations die naar België komen voor de uitoefening van hun opdracht voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;
16° (personen die in het buitenland verblijven, er tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om aan internationale sportwedstrijden deel te nemen evenals de scheidsrechters, begeleiders, officiële vertegenwoordigers, personeelsleden en alle andere personen geaccrediteerd en/of erkend door internationale of nationale sportfederaties, voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
17° de schouwspelartiesten met internationale faam evenals de begeleiders waarvan de aanwezigheid vereist is voor het schouwspel op voorwaarde dat hun verblijf in België drie opeenvolgende maanden niet overschrijdt;
18° [4 de personen die een machtiging tot verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België, uitsluitend voor de arbeidsprestaties tijdens de schoolvakanties]4
19° [4 de studenten die verplichte stages verrichten in België ten behoeve van hun in België of in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte verrichte studies of in de Zwitserse Bondsstaat;]4
20° (de personen die tewerkgesteld worden in uitvoering van internationale akkoorden die werden goedgekeurd door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
21° (a) stagiairs die tewerkgesteld worden door een Belgische overheid;
b) stagiairs die tewerkgesteld worden door een internationale instelling van publiek recht in België gevestigd en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, of die tewerkgesteld worden in het kader van een programma goedgekeurd door die instelling;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
22° (a) leerlingen die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt hebben, die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;
b) leerlingen die wettig in België verblijven en die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(23° de werknemers in het bezit van een arbeidskaart A, B of C, zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit, voor de arbeid verricht op het grondgebied van een andere bevoegde overheid dan deze die de arbeidskaart heeft afgeleverd en wanneer het een werknemer betreft die in het bezit is van een arbeidskaart B om hetzelfde beroep uit te oefenen bij dezelfde werkgever als deze tot wie de tewerkstelling beperkt is;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(24° de personen die tewerkgesteld worden door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
25° de postdoctorale vreemdelingen die houder zijn van een doctorsgraad of een gelijkwaardige kwalificatie hebben, die genieten van een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek en die in het kader van de internationale mobiliteit een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in een gastuniversiteit tot een goed einde brengen met het oog op de valorisering van hun wetenschappelijke kennis opgedaan in het kader van het doctoraat en dit voor een periode van maximum drie jaar; de universiteit moet de bevoegde overheid informeren van de komst van de postdoctorandus, ten laatste binnen de maand van aankomst.) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(26° de onderzoekers die naar België komen om onderzoek te doen bij een erkende onderzoekinstelling in het kader van een gastovereenkomst, in de gevallen, onder de voorwaarden en volgens de nadere regelen bepaald bij de artikelen 61/10 tot 61/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en bij het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten.
De duur van de vrijstelling wordt beperkt tot de duur van het onderzoeksproject die wordt vastgelegd in de door de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling afgesloten gastovereenkomst. Haar geldigheid is beperkt tot de onderzoeksactiviteit voor dewelke ze werd toegekend alsook tot de onderzoeksinstelling bedoeld in het eerste lid met wie de buitenlandse onderdaan voor dewelke deze vrijstelling werd toegekend, samenwerkt;
27° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 4° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007;]2
28° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet van 27 december 2006, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007.]2
29° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, die naar België komen om een opleiding te volgen van minder of gelijk aan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep.
De vrijstelling is beperkt tot de duur van de opleiding.
De in dit eerste punt bedoelde onderneming die de opleiding organiseert is ertoe gehouden de bevoegde overheid in kennis te stellen van de komst van de in opleiding zijnde werknemer en dit uiterlijk bij aanvang van de opleiding.
30° de buitenlandse onderdanen die tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever, die naar België komen om prototypes van voertuigen uit te testen of om prototypes uit te testen die ontwikkeld zijn door een onderzoekinstelling bedoeld in 26°
De vrijstelling is beperkt tot de duur van het uittesten van de prototypes. Per betrokken buitenlandse onderdaan kan de vrijstelling voor maximum vier weken per kalenderjaar ingeroepen worden.
Onder " prototype " wordt verstaan, het oorspronkelijke of eerste model van een product dat aan een intensief proefondervindelijk gebruik onderworpen wordt voordat het product in productie kan gaan;
31° de werknemers die naar België worden gedetacheerd voor de initiële assemblage en/of de eerste installatie van een goed, die een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van een overeenkomst voor de levering van goederen en die noodzakelijk is voor het in werking stellen van het geleverde goed en die uitgevoerd wordt door gekwalificeerde en/of gespecialiseerde werknemers van de leverende onderneming, wanneer de duur van de bedoelde werken niet meer dan acht dagen bedraagt. Deze afwijking geldt evenwel niet voor activiteiten in de bouwsector, zoals hierna gedefinieerd in artikel 10 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 genomen ter uitvoering van Hoofdstuk 8 van Titel IV van de Programmawet (I) van 27 december 2006;
32° de buitenlandse onderdanen die als gespecialiseerde technici tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om dringende onderhouds- of herstellingswerken aan machines of apparaten uit te voeren die door hun werkgever geleverd werden aan de in België gevestigde onderneming, in dewelke de herstellingen of het onderhoud plaatsvinden mits hun verblijf, nodig voor de activiteiten, niet meer dan vijf dagen per maand bedraagt;
33° de buitenlandse onderdanen die door een hoofdkwartier tewerkgesteld worden als kaderlid [1 of als leidinggevend personeel]1, voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 69 van voornoemde wet van 3 juli 1978 aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet.
Het hoofdkwartier moet de bevoegde overheid inlichten van de komst van het kaderlid [1 of van het betrokken leidinggevend personeelslid]1 en dit uiterlijk bij aanvang van zijn tewerkstelling;) <KB 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[3 34° de buitenlandse onderdanen die houder zijn van een Europese blauwe kaart uitgereikt door de Dienst Vreemdelingenzaken;]3
De Minister kan de criteria bepalen die toelaten om het begrip internationale faam bedoeld in lid 1, 17° te bepalen.
(Behalve in de gevallen bedoeld [2 in het eerste lid 1°, [4 ...]4 19° en 22°, a)]2, gelden de vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld onder dit artikel slechts als de begunstigden ervan voldoen aan het vereiste inzake wettig verblijf, zoals omschreven in artikel 1, 6°.
In afwijking op het voorgaande lid wordt de verblijfstoestand van de buitenlandse onderdaan die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden als wettig verblijf beschouwd voor de toepassing van (artikel 2, eerste lid, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°,32° en 33°).) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[4 De vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld in dit artikel gelden ook ten aanzien van de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die gemachtigd of toegelaten is tot het verblijf en die in afwachting is van de afgifte van het verblijfsdocument.]4
[4 Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de Minister de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]4
1° [4 de onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte evenals de onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat;]4
2° [4 a) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen " (F kaart);
b) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F+ kaart);
c) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit is, gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf, van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals :
- van een geldig attest van immatriculatie,
- of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
d) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die gedurende het beroep ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen houder is van een geldig document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
e) de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden.]4;
3° (a) de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een vestigingsvergunning;
b) de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden om onbeperkt te verblijven met toepassing van de wet van 15 december 1980 of van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, behalve de personen bedoeld in artikel 9, eerste lid, 16° en 17°;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
4° de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van één van de documenten bepaald bij het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten;
5° de in België erkende vluchteling;
6° de bedienaars van de erkende erediensten, voor zover hun activiteiten de bediening betreft;
7° het aan de commissies voor militaire begraafplaatsen verbonden personeel, dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt;
8° de werknemers die ingeschreven zijn in de Pool der zeelieden van de Belgische koopvaardij;
9° het rijdend of varend personeel dat voor rekening van een in het buitenland gevestigde werkgever tewerkgesteld is aan werken van vervoer te land, ter zee of in de lucht, op voorwaarde dat hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
10° de handelsvertegenwoordigers met hoofdverblijf in het buitenland, die hun klanten in België bezoeken, voor rekening van in het buitenland gevestigde ondernemingen zonder bijhuis in België en die in het bezit zijn van de legitimatiekaart ingesteld bij artikel 10 van de Internationale overeenkomst voor de vereenvoudiging van de douane-formaliteiten ondertekend te Genève, op 3 november 1923 en voor zover hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
11° de personen die naar België gekomen zijn om, voor rekening van een in het buitenland gevestigde onderneming, door de Belgische nijverheid geleverde goederen in ontvangst te nemen, voor zover hun verblijf in het land geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
12° het kaderpersoneel en vorsers in dienst van een coördinatiecentrum, dat geniet van de voordelen voorzien in het artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, of in dienst van een onderneming gevestigd in een tewerkstellingszone die geniet van de voordelen voorzien in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van de tewerkstellingszones, voor de duur van hun tewerkstelling in het centrum of de onderneming gevestigd in de tewerkstellingszone;
13° de dienstboden die toeristen vergezellen, op voorwaarde dat deze laatsten niet langer dan drie opeenvolgende maanden in België verblijven;
14° de werknemers, die geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die tewerkgesteld zijn door een in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten op voorwaarde dat :
a) deze werknemers, in de Lidstaat van de Europese Economische Ruimte waar zij verblijven, beschikken over een recht op verblijf of een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden;
b) deze werknemers op wettige wijze in de Lidstaat waar zij verblijven tewerkgesteld zijn en deze vergunning ten minste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk;
c) deze werknemers in het bezit zijn van een regelmatige arbeidsovereenkomst;
(oude d) opgeheven) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 1°, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
d) (oude e) (deze werknemers over een paspoort en een verblijfsvergunning van een duur die minstens gelijkwaardig is met de duur van de dienstverlening beschikken, teneinde hun terugkeer naar hun land van oorsprong of verblijf te verzekeren.) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
15° de in België verblijvende journalisten die uitsluitend verbonden zijn aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations, alsmede de in het buitenland verblijvende journalisten verbonden aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations die naar België komen voor de uitoefening van hun opdracht voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;
16° (personen die in het buitenland verblijven, er tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om aan internationale sportwedstrijden deel te nemen evenals de scheidsrechters, begeleiders, officiële vertegenwoordigers, personeelsleden en alle andere personen geaccrediteerd en/of erkend door internationale of nationale sportfederaties, voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
17° de schouwspelartiesten met internationale faam evenals de begeleiders waarvan de aanwezigheid vereist is voor het schouwspel op voorwaarde dat hun verblijf in België drie opeenvolgende maanden niet overschrijdt;
18° [4 de personen die een machtiging tot verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België, uitsluitend voor de arbeidsprestaties tijdens de schoolvakanties]4
19° [4 de studenten die verplichte stages verrichten in België ten behoeve van hun in België of in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte verrichte studies of in de Zwitserse Bondsstaat;]4
20° (de personen die tewerkgesteld worden in uitvoering van internationale akkoorden die werden goedgekeurd door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
21° (a) stagiairs die tewerkgesteld worden door een Belgische overheid;
b) stagiairs die tewerkgesteld worden door een internationale instelling van publiek recht in België gevestigd en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, of die tewerkgesteld worden in het kader van een programma goedgekeurd door die instelling;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
22° (a) leerlingen die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt hebben, die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;
b) leerlingen die wettig in België verblijven en die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(23° de werknemers in het bezit van een arbeidskaart A, B of C, zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit, voor de arbeid verricht op het grondgebied van een andere bevoegde overheid dan deze die de arbeidskaart heeft afgeleverd en wanneer het een werknemer betreft die in het bezit is van een arbeidskaart B om hetzelfde beroep uit te oefenen bij dezelfde werkgever als deze tot wie de tewerkstelling beperkt is;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(24° de personen die tewerkgesteld worden door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
25° de postdoctorale vreemdelingen die houder zijn van een doctorsgraad of een gelijkwaardige kwalificatie hebben, die genieten van een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek en die in het kader van de internationale mobiliteit een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in een gastuniversiteit tot een goed einde brengen met het oog op de valorisering van hun wetenschappelijke kennis opgedaan in het kader van het doctoraat en dit voor een periode van maximum drie jaar; de universiteit moet de bevoegde overheid informeren van de komst van de postdoctorandus, ten laatste binnen de maand van aankomst.) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(26° de onderzoekers die naar België komen om onderzoek te doen bij een erkende onderzoekinstelling in het kader van een gastovereenkomst, in de gevallen, onder de voorwaarden en volgens de nadere regelen bepaald bij de artikelen 61/10 tot 61/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en bij het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten.
De duur van de vrijstelling wordt beperkt tot de duur van het onderzoeksproject die wordt vastgelegd in de door de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling afgesloten gastovereenkomst. Haar geldigheid is beperkt tot de onderzoeksactiviteit voor dewelke ze werd toegekend alsook tot de onderzoeksinstelling bedoeld in het eerste lid met wie de buitenlandse onderdaan voor dewelke deze vrijstelling werd toegekend, samenwerkt;
27° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 4° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007;]2
28° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet van 27 december 2006, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007.]2
29° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, die naar België komen om een opleiding te volgen van minder of gelijk aan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep.
De vrijstelling is beperkt tot de duur van de opleiding.
De in dit eerste punt bedoelde onderneming die de opleiding organiseert is ertoe gehouden de bevoegde overheid in kennis te stellen van de komst van de in opleiding zijnde werknemer en dit uiterlijk bij aanvang van de opleiding.
30° de buitenlandse onderdanen die tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever, die naar België komen om prototypes van voertuigen uit te testen of om prototypes uit te testen die ontwikkeld zijn door een onderzoekinstelling bedoeld in 26°
De vrijstelling is beperkt tot de duur van het uittesten van de prototypes. Per betrokken buitenlandse onderdaan kan de vrijstelling voor maximum vier weken per kalenderjaar ingeroepen worden.
Onder " prototype " wordt verstaan, het oorspronkelijke of eerste model van een product dat aan een intensief proefondervindelijk gebruik onderworpen wordt voordat het product in productie kan gaan;
31° de werknemers die naar België worden gedetacheerd voor de initiële assemblage en/of de eerste installatie van een goed, die een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van een overeenkomst voor de levering van goederen en die noodzakelijk is voor het in werking stellen van het geleverde goed en die uitgevoerd wordt door gekwalificeerde en/of gespecialiseerde werknemers van de leverende onderneming, wanneer de duur van de bedoelde werken niet meer dan acht dagen bedraagt. Deze afwijking geldt evenwel niet voor activiteiten in de bouwsector, zoals hierna gedefinieerd in artikel 10 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 genomen ter uitvoering van Hoofdstuk 8 van Titel IV van de Programmawet (I) van 27 december 2006;
32° de buitenlandse onderdanen die als gespecialiseerde technici tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om dringende onderhouds- of herstellingswerken aan machines of apparaten uit te voeren die door hun werkgever geleverd werden aan de in België gevestigde onderneming, in dewelke de herstellingen of het onderhoud plaatsvinden mits hun verblijf, nodig voor de activiteiten, niet meer dan vijf dagen per maand bedraagt;
33° de buitenlandse onderdanen die door een hoofdkwartier tewerkgesteld worden als kaderlid [1 of als leidinggevend personeel]1, voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 69 van voornoemde wet van 3 juli 1978 aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet.
Het hoofdkwartier moet de bevoegde overheid inlichten van de komst van het kaderlid [1 of van het betrokken leidinggevend personeelslid]1 en dit uiterlijk bij aanvang van zijn tewerkstelling;) <KB 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[3 34° de buitenlandse onderdanen die houder zijn van een Europese blauwe kaart uitgereikt door de Dienst Vreemdelingenzaken;]3
De Minister kan de criteria bepalen die toelaten om het begrip internationale faam bedoeld in lid 1, 17° te bepalen.
(Behalve in de gevallen bedoeld [2 in het eerste lid 1°, [4 ...]4 19° en 22°, a)]2, gelden de vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld onder dit artikel slechts als de begunstigden ervan voldoen aan het vereiste inzake wettig verblijf, zoals omschreven in artikel 1, 6°.
In afwijking op het voorgaande lid wordt de verblijfstoestand van de buitenlandse onderdaan die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden als wettig verblijf beschouwd voor de toepassing van (artikel 2, eerste lid, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°,32° en 33°).) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[4 De vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld in dit artikel gelden ook ten aanzien van de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die gemachtigd of toegelaten is tot het verblijf en die in afwachting is van de afgifte van het verblijfsdocument.]4
[4 Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de Minister de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]4
Art. 2. Sont dispensés de l'obligation d'obtenir un permis de travail :
1° [4 le ressortissant d'un Etat membre de l'Espace économique européen ainsi que le ressortissant de la Confédération suisse;]4
2° [4 a) le ressortissant étranger en possession d'une " carte de séjour de membre de la famille d'un citoyen de l'Union " conforme au modèle figurant à l'annexe 9 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers " (carte F);
b) le ressortissant étranger en possession d'une " Carte de séjour permanent de membre de la famille d'un citoyen de l'Union " conforme au modèle figurant à l'annexe 9bis de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers (carte F+);
c) le ressortissant étranger invoquant le bénéfice d'un droit au séjour sur la base de l'article 40bis ou de l'article 40ter de la loi du 15 décembre 1980, en possession, durant la période d'examen de la demande de reconnaissance du droit de séjour d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 19ter de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ainsi que :
- d'une attestation d'immatriculation valide,
- ou d'un certificat d'inscription au registre des étrangers temporaire valide;
d) le ressortissant étranger invoquant le bénéfice d'un droit de séjour sur la base de l'article 40bis ou de l'article 40ter de la loi du 15 décembre 1980 en possession, durant le recours devant le Conseil du Contentieux des Etrangers, d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 35 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers en cours de validité;
e) le conjoint d'un Belge, en possession d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 15 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 en qualité de travailleur frontalier, tant que cette personne dispose, dans l'Etat de sa résidence, d'un droit ou d'une autorisation de séjour supérieurs à trois mois.]4;
3° (a) les ressortissants étrangers en possession d'un titre d'établissement;
b) les ressortissants étrangers autorisés ou admis au séjour illimité en application de la loi du 15 décembre 1980 ou de la loi du 22 décembre 1999 relative à la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume, sauf les personnes visées à l'article 9, alinéa 1er, 16° et 17°;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
4° les ressortissants étrangers en possession de l'un des documents prévus par l'arrêté royal du 30 octobre 1991, relatif aux documents de séjour en Belgique de certains étrangers pour l'exercice des fonctions qui donnent droit à l'obtention de ces documents;
5° le réfugié reconnu en Belgique;
6° les ministres des cultes reconnus, pour les activités relevant de leur ministère;
7° le personnel attaché aux commissions des sépultures militaires qui assure l'entretien des sépultures des militaires de nationalité étrangère;
8° les travailleurs inscrits au Pool des marins de la marine marchande belge;
9° le personnel roulant ou navigant occupé, pour le compte d'un employeur établi à l'étranger, à des travaux de transport par terre, par mer ou par air, à condition que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
10° les représentants de commerce ayant leur résidence principale à l'étranger et visitant leur clientèle en Belgique pour compte d'entreprises établies à l'étranger et n'ayant pas de succursales en Belgique qui sont en possession de la carte de légitimation instituée par l'article 10 de la Convention internationale pour la simplification des formalités douanières signée à Genève, le 3 novembre 1923 et pour autant que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
11° les personnes venues en Belgique pour procéder, pour compte d'une entreprise établie à l'étranger, à la réception de marchandises fournies par l'industrie belge, pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;
12° les cadres et chercheurs au service d'un centre de coordination bénéficiant des avantages prévus à l'article 6 de l'arrêté royal n° 187 du 30 décembre 1982 relatif à la création de centres de coordination ou au service d'une entreprise établie dans une zone d'emploi bénéficiant des avantages prévus à l'article 9 de l'arrêté royal n° 118 du 23 décembre 1982 relatif à la création de zones d'emploi, pour la durée de leur emploi dans le centre ou l'entreprise établie dans la zone d'emploi;
13° le personnel domestique accompagnant les touristes faisant un séjour en Belgique qui ne dépasse pas trois mois consécutifs;
14° les travailleurs, non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace Economique Européen, qui sont occupés par une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace Economique Européen qui se rend en Belgique pour fournir des services, à condition :
a) que ces travailleurs disposent dans l'Etat membre de l'Espace Economique Européen de leur résidence, d'un droit ou d'une autorisation de séjour supérieur à trois mois;
b) que ces travailleurs soient légalement autorisés à travailler dans l'Etat membre de leur résidence et que cette autorisation soit au moins valable pour la durée de la prestation à accomplir en Belgique;
c) que ces travailleurs soient titulaires d'un contrat de travail régulier;
(ancien d) abrogé) <AR 2008-04-23/32, art. 1, 1°, 018; En vigueur : 20-05-2008>
d) (ancien e) (ces travailleurs disposent, afin de garantir leur retour dans leur pays d'origine ou de résidence, d'un passeport et d'un titre de séjour d'une durée équivalente au minimum à la durée de la prestation.) <AR 2008-04-23/32, art. 1, 2°, 018; En vigueur : 20-05-2008>
15° les journalistes séjournant en Belgique qui sont exclusivement attachés à des journaux publiés à l'étranger, ou à des agences de presse, stations de radio ou télévision établies à l'étranger, ainsi que les journalistes séjournant à l'étranger attachés à des journaux publiés à l'étranger ou à des agences de presse, des stations de radio ou télévision établies à l'étranger qui viennent en Belgique pour l'exécution de leur mission pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;
16° (les personnes résidant à l'étranger, occupées par un employeur situé à l'étranger et venant en Belgique pour participer à des épreuves sportives internationales ainsi que les arbitres, accompagnateurs, délégués officiels, membres du personnel et autres personnes accréditées et/ou agréées par les fédérations sportives internationales ou nationales, pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
17° les artistes de spectacle de réputation internationale ainsi que les accompagnateurs dont la présence est requise pour le spectacle à condition que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
18° [4 les personnes autorisées au séjour, aux fins d'études en Belgique, qui sont inscrites dans un établissement d'enseignement en Belgique, uniquement pour les prestations de travail pendant les vacances scolaires;]4
(19° [4 les étudiants qui effectuent des stages obligatoires en Belgique pour les besoins de leurs études effectuées en Belgique ou dans un Etat membre de l'Espace économique européen ou dans la Confédération suisse]4;
20° les personnes qui sont occupées en exécution d'accords internationaux qui ont été approuvés par une autorité fédérale, régionale ou communautaire dans le cadre de leurs compétences respectives;
21° a) les stagiaires occupés par un pouvoir public belge;
b) les stagiaires occupés par une organisation internationale de droit public établie en Belgique et dont le statut est régi par un traité en vigueur, ou occupés dans le cadre d'un programme approuvé par cette organisation;
22° a) les apprentis engagés avant l'âge de dix-huit ans dans les liens d'un contrat d'apprentissage ou de formation en alternance agréé par l'autorité qui en a la compétence;
b) les apprentis séjournant légalement en Belgique et engagés dans les liens d'un contrat d'apprentissage ou de formation en alternance agréé par l'autorité qui en a la compétence;
23° les travailleurs en possession d'un permis de travail A, B ou C, visés à l'article 3 du présent arrêté, pour les prestations effectuées sur le territoire d'une autre autorité compétente que celle qui a délivré le permis de travail et, lorsqu'il s'agit d'un travailleur en possession d'un permis B, pour exercer la même profession au service du même employeur que celui auprès duquel est limitée l'occupation;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
(24° les personnes occupées par une agence locale pour l'emploi;
25° les postdoctorants étrangers titulaires d'un titre de docteur ou d'une qualification équivalente, bénéficiaires d'un subside à savant et qui mènent à bien, dans le cadre de la mobilité internationale, une recherche scientifique fondamentale dans une université d'accueil en vue de valoriser leur compétence scientifique acquise dans le cadre du doctorat et ce pour une période de maximum trois ans; l'université est tenue d'informer l'autorité compétente de la venue du postdoctorant, au plus tard dans le mois de celle-ci.) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
(26 ° les chercheurs qui viennent en Belgique pour faire de la recherche auprès d'un organisme de recherche agréé dans le cadre d'une convention d'accueil, dans les cas et selon les conditions et modalités fixées par les articles 61/10 à 61/12 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers et par l'arrêté royal du 8 juin 2007 contenant les conditions d'agrément des organismes de recherche qui souhaitent conclure, dans le cadre de projets de recherche, des conventions d'accueil avec des chercheurs de pays hors Union européenne et fixant les conditions auxquelles de telles conventions d'accueil peuvent être conclues.
La durée de la dispense est limitée à la durée du projet de recherche telle qu'elle est fixée dans la convention d'accueil entre le chercheur et l'organisme de recherche agréé. Sa validité est circonscrite à l'activité de recherche pour laquelle elle a été accordée ainsi qu' à l'organisme de recherche visé à l'alinéa 1e r avec lequel collabore le ressortissant étranger pour lequel cette dispense a été accordée;
27° [2 les ressortissants étrangers visés par l'article 1er, 4° de l'arrêté royal du 20 mars 2007 pris en exécution du Chapitre 8, du Titre IV, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 instaurant une déclaration préalable pour les travailleurs salariés et indépendants détachés, modifié par l'arrêté royal du 31 août 2007;]2
28° [2 les ressortissants étrangers visés par l'article 1er, 5° de l'arrêté royal du 20 mars 2007 pris en exécution du Chapitre 8, du Titre IV, de la loi-programme du 27 décembre 2006, modifié par l'arrêté royal, modifié par l'arrêté royal du 31 août 2007.]2
29° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace économique européen, soit ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, soit ressortissants d'un Etat visé à l'article 10, venant en Belgique pour suivre une formation d'une durée inférieure ou égale à trois mois calendrier au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational.
La dispense est limitée à la durée de la formation.
L'entreprise visée par ce point qui organise la formation est tenue d'informer l'autorité compétente de la venue du travailleur en formation au plus tard au moment où débute la formation.
30° les ressortissants étrangers occupés par un employeur établi à l'étranger qui viennent en Belgique afin d'effectuer des tests de prototype de véhicules ou pour effectuer des tests de prototype qui sont développés par un organisme de recherche visé au 26°.
La dispense est limitée à la durée du test de prototypes. Elle peut être invoquée à raison de maximum quatre semaines par année civile et par ressortissant étranger concerné.
Par " prototype ", on entend l'original ou le premier modèle d'un produit qui est soumis à un usage expérimental intensif avant que le produit puisse entrer à la production ;
31° les travailleurs salariés qui sont détachés en Belgique pour l'assemblage initial et/ou la première installation d'un bien, qui constitue une composante essentielle d'un contrat pour la livraison de marchandises, et qui est nécessaire pour la mise en marche du bien fourni et qui est effectué par les travailleurs qualifiés et/ou spécialisés de l'entreprise qui fournit le bien, quand la durée des travaux visés ne s'élève pas à plus de huit jours. Cette dérogation ne vaut pas toutefois pour les activités dans le secteur de la construction, telles que définies à l'article 10 de l'arrêté royal du pris en exécution du Chapitre 8 du Titre IV de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 ;
32° les ressortissants étrangers qui sont occupés en qualité de techniciens spécialisés par un employeur établi à l'étranger et qui se rendent en Belgique pour effectuer des travaux d'entretien urgents ou des travaux de réparation urgents à des machines ou appareils livrés par leur employeur à l'entreprise établie en Belgique au sein de laquelle les réparations ou l'entretien sont effectués, à la condition que leur période de séjour nécessité par ces activités ne dépasse pas cinq jours par mois;
33° les ressortissants étrangers employés par un siège central comme cadre [1 ou comme personnel de direction]1, pour autant que leur rémunération annuelle dépasse le montant indiqué à l'article 69 de la loi du 3 juillet 1978, calculé et adapté suivant l'article 131 de la même loi.
Le siège central est tenu d'informer l'autorité compétente de la venue du cadre [1 ou du membre du personnel de direction concerné]1 au plus tard au moment de sa mise au travail;) <AR 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; En vigueur : 08-10-2007>
[3 34° les ressortissants étrangers détenteurs d'une carte bleue européenne délivrée par l'Office des étrangers.]3
Le Ministre peut déterminer les critères permettant de définir la notion de réputation internationale visée à l'alinéa 1er, 17°.
(A l'exception des cas visés [2 à l'alinéa 1er, 1°, [4 ...]4 19° et 22°, a)]2 , les dispenses de l'obligation d'obtenir un permis de travail mentionnées au présent article ne valent que si leurs bénéficiaires satisfont à la condition en matière de séjour légal, définie à l'article 1er, 6°.
Par dérogation à l'alinéa précédent, la situation de séjour de l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période de trois mois maximum est considérée comme séjour légal pour l'application de (l'article 2, alinéa 1er, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°, 32° et 33°).) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003 <AR 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; En vigueur : 08-10-2007>>
[4 Les dispenses de l'obligation d'obtenir un permis de travail mentionnées au présent article valent aussi à l'égard du ressortissant étranger, en possession d'un document établi conformément à l'annexe 15 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, qui est autorisé ou admis au séjour, et en attente de la délivrance du document de séjour.]4
[4 Afin de se conformer à des modifications intervenues, quant à la dénomination des titres et documents de séjour, dans la loi du 15 décembre 1980 et dans l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement, et l'éloignement des étrangers, le Ministre peut adapter la dénomination des titres et documents de séjour visés par le présent article.]4
1° [4 le ressortissant d'un Etat membre de l'Espace économique européen ainsi que le ressortissant de la Confédération suisse;]4
2° [4 a) le ressortissant étranger en possession d'une " carte de séjour de membre de la famille d'un citoyen de l'Union " conforme au modèle figurant à l'annexe 9 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers " (carte F);
b) le ressortissant étranger en possession d'une " Carte de séjour permanent de membre de la famille d'un citoyen de l'Union " conforme au modèle figurant à l'annexe 9bis de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers (carte F+);
c) le ressortissant étranger invoquant le bénéfice d'un droit au séjour sur la base de l'article 40bis ou de l'article 40ter de la loi du 15 décembre 1980, en possession, durant la période d'examen de la demande de reconnaissance du droit de séjour d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 19ter de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ainsi que :
- d'une attestation d'immatriculation valide,
- ou d'un certificat d'inscription au registre des étrangers temporaire valide;
d) le ressortissant étranger invoquant le bénéfice d'un droit de séjour sur la base de l'article 40bis ou de l'article 40ter de la loi du 15 décembre 1980 en possession, durant le recours devant le Conseil du Contentieux des Etrangers, d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 35 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers en cours de validité;
e) le conjoint d'un Belge, en possession d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 15 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 en qualité de travailleur frontalier, tant que cette personne dispose, dans l'Etat de sa résidence, d'un droit ou d'une autorisation de séjour supérieurs à trois mois.]4;
3° (a) les ressortissants étrangers en possession d'un titre d'établissement;
b) les ressortissants étrangers autorisés ou admis au séjour illimité en application de la loi du 15 décembre 1980 ou de la loi du 22 décembre 1999 relative à la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume, sauf les personnes visées à l'article 9, alinéa 1er, 16° et 17°;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
4° les ressortissants étrangers en possession de l'un des documents prévus par l'arrêté royal du 30 octobre 1991, relatif aux documents de séjour en Belgique de certains étrangers pour l'exercice des fonctions qui donnent droit à l'obtention de ces documents;
5° le réfugié reconnu en Belgique;
6° les ministres des cultes reconnus, pour les activités relevant de leur ministère;
7° le personnel attaché aux commissions des sépultures militaires qui assure l'entretien des sépultures des militaires de nationalité étrangère;
8° les travailleurs inscrits au Pool des marins de la marine marchande belge;
9° le personnel roulant ou navigant occupé, pour le compte d'un employeur établi à l'étranger, à des travaux de transport par terre, par mer ou par air, à condition que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
10° les représentants de commerce ayant leur résidence principale à l'étranger et visitant leur clientèle en Belgique pour compte d'entreprises établies à l'étranger et n'ayant pas de succursales en Belgique qui sont en possession de la carte de légitimation instituée par l'article 10 de la Convention internationale pour la simplification des formalités douanières signée à Genève, le 3 novembre 1923 et pour autant que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
11° les personnes venues en Belgique pour procéder, pour compte d'une entreprise établie à l'étranger, à la réception de marchandises fournies par l'industrie belge, pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;
12° les cadres et chercheurs au service d'un centre de coordination bénéficiant des avantages prévus à l'article 6 de l'arrêté royal n° 187 du 30 décembre 1982 relatif à la création de centres de coordination ou au service d'une entreprise établie dans une zone d'emploi bénéficiant des avantages prévus à l'article 9 de l'arrêté royal n° 118 du 23 décembre 1982 relatif à la création de zones d'emploi, pour la durée de leur emploi dans le centre ou l'entreprise établie dans la zone d'emploi;
13° le personnel domestique accompagnant les touristes faisant un séjour en Belgique qui ne dépasse pas trois mois consécutifs;
14° les travailleurs, non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace Economique Européen, qui sont occupés par une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace Economique Européen qui se rend en Belgique pour fournir des services, à condition :
a) que ces travailleurs disposent dans l'Etat membre de l'Espace Economique Européen de leur résidence, d'un droit ou d'une autorisation de séjour supérieur à trois mois;
b) que ces travailleurs soient légalement autorisés à travailler dans l'Etat membre de leur résidence et que cette autorisation soit au moins valable pour la durée de la prestation à accomplir en Belgique;
c) que ces travailleurs soient titulaires d'un contrat de travail régulier;
(ancien d) abrogé) <AR 2008-04-23/32, art. 1, 1°, 018; En vigueur : 20-05-2008>
d) (ancien e) (ces travailleurs disposent, afin de garantir leur retour dans leur pays d'origine ou de résidence, d'un passeport et d'un titre de séjour d'une durée équivalente au minimum à la durée de la prestation.) <AR 2008-04-23/32, art. 1, 2°, 018; En vigueur : 20-05-2008>
15° les journalistes séjournant en Belgique qui sont exclusivement attachés à des journaux publiés à l'étranger, ou à des agences de presse, stations de radio ou télévision établies à l'étranger, ainsi que les journalistes séjournant à l'étranger attachés à des journaux publiés à l'étranger ou à des agences de presse, des stations de radio ou télévision établies à l'étranger qui viennent en Belgique pour l'exécution de leur mission pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;
16° (les personnes résidant à l'étranger, occupées par un employeur situé à l'étranger et venant en Belgique pour participer à des épreuves sportives internationales ainsi que les arbitres, accompagnateurs, délégués officiels, membres du personnel et autres personnes accréditées et/ou agréées par les fédérations sportives internationales ou nationales, pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
17° les artistes de spectacle de réputation internationale ainsi que les accompagnateurs dont la présence est requise pour le spectacle à condition que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
18° [4 les personnes autorisées au séjour, aux fins d'études en Belgique, qui sont inscrites dans un établissement d'enseignement en Belgique, uniquement pour les prestations de travail pendant les vacances scolaires;]4
(19° [4 les étudiants qui effectuent des stages obligatoires en Belgique pour les besoins de leurs études effectuées en Belgique ou dans un Etat membre de l'Espace économique européen ou dans la Confédération suisse]4;
20° les personnes qui sont occupées en exécution d'accords internationaux qui ont été approuvés par une autorité fédérale, régionale ou communautaire dans le cadre de leurs compétences respectives;
21° a) les stagiaires occupés par un pouvoir public belge;
b) les stagiaires occupés par une organisation internationale de droit public établie en Belgique et dont le statut est régi par un traité en vigueur, ou occupés dans le cadre d'un programme approuvé par cette organisation;
22° a) les apprentis engagés avant l'âge de dix-huit ans dans les liens d'un contrat d'apprentissage ou de formation en alternance agréé par l'autorité qui en a la compétence;
b) les apprentis séjournant légalement en Belgique et engagés dans les liens d'un contrat d'apprentissage ou de formation en alternance agréé par l'autorité qui en a la compétence;
23° les travailleurs en possession d'un permis de travail A, B ou C, visés à l'article 3 du présent arrêté, pour les prestations effectuées sur le territoire d'une autre autorité compétente que celle qui a délivré le permis de travail et, lorsqu'il s'agit d'un travailleur en possession d'un permis B, pour exercer la même profession au service du même employeur que celui auprès duquel est limitée l'occupation;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
(24° les personnes occupées par une agence locale pour l'emploi;
25° les postdoctorants étrangers titulaires d'un titre de docteur ou d'une qualification équivalente, bénéficiaires d'un subside à savant et qui mènent à bien, dans le cadre de la mobilité internationale, une recherche scientifique fondamentale dans une université d'accueil en vue de valoriser leur compétence scientifique acquise dans le cadre du doctorat et ce pour une période de maximum trois ans; l'université est tenue d'informer l'autorité compétente de la venue du postdoctorant, au plus tard dans le mois de celle-ci.) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
(26 ° les chercheurs qui viennent en Belgique pour faire de la recherche auprès d'un organisme de recherche agréé dans le cadre d'une convention d'accueil, dans les cas et selon les conditions et modalités fixées par les articles 61/10 à 61/12 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers et par l'arrêté royal du 8 juin 2007 contenant les conditions d'agrément des organismes de recherche qui souhaitent conclure, dans le cadre de projets de recherche, des conventions d'accueil avec des chercheurs de pays hors Union européenne et fixant les conditions auxquelles de telles conventions d'accueil peuvent être conclues.
La durée de la dispense est limitée à la durée du projet de recherche telle qu'elle est fixée dans la convention d'accueil entre le chercheur et l'organisme de recherche agréé. Sa validité est circonscrite à l'activité de recherche pour laquelle elle a été accordée ainsi qu' à l'organisme de recherche visé à l'alinéa 1e r avec lequel collabore le ressortissant étranger pour lequel cette dispense a été accordée;
27° [2 les ressortissants étrangers visés par l'article 1er, 4° de l'arrêté royal du 20 mars 2007 pris en exécution du Chapitre 8, du Titre IV, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 instaurant une déclaration préalable pour les travailleurs salariés et indépendants détachés, modifié par l'arrêté royal du 31 août 2007;]2
28° [2 les ressortissants étrangers visés par l'article 1er, 5° de l'arrêté royal du 20 mars 2007 pris en exécution du Chapitre 8, du Titre IV, de la loi-programme du 27 décembre 2006, modifié par l'arrêté royal, modifié par l'arrêté royal du 31 août 2007.]2
29° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace économique européen, soit ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, soit ressortissants d'un Etat visé à l'article 10, venant en Belgique pour suivre une formation d'une durée inférieure ou égale à trois mois calendrier au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational.
La dispense est limitée à la durée de la formation.
L'entreprise visée par ce point qui organise la formation est tenue d'informer l'autorité compétente de la venue du travailleur en formation au plus tard au moment où débute la formation.
30° les ressortissants étrangers occupés par un employeur établi à l'étranger qui viennent en Belgique afin d'effectuer des tests de prototype de véhicules ou pour effectuer des tests de prototype qui sont développés par un organisme de recherche visé au 26°.
La dispense est limitée à la durée du test de prototypes. Elle peut être invoquée à raison de maximum quatre semaines par année civile et par ressortissant étranger concerné.
Par " prototype ", on entend l'original ou le premier modèle d'un produit qui est soumis à un usage expérimental intensif avant que le produit puisse entrer à la production ;
31° les travailleurs salariés qui sont détachés en Belgique pour l'assemblage initial et/ou la première installation d'un bien, qui constitue une composante essentielle d'un contrat pour la livraison de marchandises, et qui est nécessaire pour la mise en marche du bien fourni et qui est effectué par les travailleurs qualifiés et/ou spécialisés de l'entreprise qui fournit le bien, quand la durée des travaux visés ne s'élève pas à plus de huit jours. Cette dérogation ne vaut pas toutefois pour les activités dans le secteur de la construction, telles que définies à l'article 10 de l'arrêté royal du pris en exécution du Chapitre 8 du Titre IV de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 ;
32° les ressortissants étrangers qui sont occupés en qualité de techniciens spécialisés par un employeur établi à l'étranger et qui se rendent en Belgique pour effectuer des travaux d'entretien urgents ou des travaux de réparation urgents à des machines ou appareils livrés par leur employeur à l'entreprise établie en Belgique au sein de laquelle les réparations ou l'entretien sont effectués, à la condition que leur période de séjour nécessité par ces activités ne dépasse pas cinq jours par mois;
33° les ressortissants étrangers employés par un siège central comme cadre [1 ou comme personnel de direction]1, pour autant que leur rémunération annuelle dépasse le montant indiqué à l'article 69 de la loi du 3 juillet 1978, calculé et adapté suivant l'article 131 de la même loi.
Le siège central est tenu d'informer l'autorité compétente de la venue du cadre [1 ou du membre du personnel de direction concerné]1 au plus tard au moment de sa mise au travail;) <AR 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; En vigueur : 08-10-2007>
[3 34° les ressortissants étrangers détenteurs d'une carte bleue européenne délivrée par l'Office des étrangers.]3
Le Ministre peut déterminer les critères permettant de définir la notion de réputation internationale visée à l'alinéa 1er, 17°.
(A l'exception des cas visés [2 à l'alinéa 1er, 1°, [4 ...]4 19° et 22°, a)]2 , les dispenses de l'obligation d'obtenir un permis de travail mentionnées au présent article ne valent que si leurs bénéficiaires satisfont à la condition en matière de séjour légal, définie à l'article 1er, 6°.
Par dérogation à l'alinéa précédent, la situation de séjour de l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période de trois mois maximum est considérée comme séjour légal pour l'application de (l'article 2, alinéa 1er, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°, 32° et 33°).) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003 <AR 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; En vigueur : 08-10-2007>>
[4 Les dispenses de l'obligation d'obtenir un permis de travail mentionnées au présent article valent aussi à l'égard du ressortissant étranger, en possession d'un document établi conformément à l'annexe 15 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, qui est autorisé ou admis au séjour, et en attente de la délivrance du document de séjour.]4
[4 Afin de se conformer à des modifications intervenues, quant à la dénomination des titres et documents de séjour, dans la loi du 15 décembre 1980 et dans l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement, et l'éloignement des étrangers, le Ministre peut adapter la dénomination des titres et documents de séjour visés par le présent article.]4
Art. 2_WAALS_GEWEST. Zijn vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart :
1°-25°[10 ...]10
(26° de onderzoekers die naar België komen om onderzoek te doen bij een erkende onderzoekinstelling in het kader van een gastovereenkomst, in de gevallen, onder de voorwaarden en volgens de nadere regelen bepaald bij de artikelen 61/10 tot 61/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en bij het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten.
De duur van de vrijstelling wordt beperkt tot de duur van het onderzoeksproject die wordt vastgelegd in de door de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling afgesloten gastovereenkomst. Haar geldigheid is beperkt tot de onderzoeksactiviteit voor dewelke ze werd toegekend alsook tot de onderzoeksinstelling bedoeld in het eerste lid met wie de buitenlandse onderdaan voor dewelke deze vrijstelling werd toegekend, samenwerkt;
27°-35° [10 ...]10
[10 ...]10
1°-25°[10 ...]10
(26° de onderzoekers die naar België komen om onderzoek te doen bij een erkende onderzoekinstelling in het kader van een gastovereenkomst, in de gevallen, onder de voorwaarden en volgens de nadere regelen bepaald bij de artikelen 61/10 tot 61/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en bij het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten.
De duur van de vrijstelling wordt beperkt tot de duur van het onderzoeksproject die wordt vastgelegd in de door de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling afgesloten gastovereenkomst. Haar geldigheid is beperkt tot de onderzoeksactiviteit voor dewelke ze werd toegekend alsook tot de onderzoeksinstelling bedoeld in het eerste lid met wie de buitenlandse onderdaan voor dewelke deze vrijstelling werd toegekend, samenwerkt;
27°-35° [10 ...]10
[10 ...]10
Wijzigingen
Art. 2 _REGION_WALLONNE.
Sont dispensés de l'obligation d'obtenir un permis de travail :
1°-25° [10 ...]10
(26 ° les chercheurs qui viennent en Belgique pour faire de la recherche auprès d'un organisme de recherche agréé dans le cadre d'une convention d'accueil, dans les cas et selon les conditions et modalités fixées par les articles 61/10 à 61/12 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers et par l'arrêté royal du 8 juin 2007 contenant les conditions d'agrément des organismes de recherche qui souhaitent conclure, dans le cadre de projets de recherche, des conventions d'accueil avec des chercheurs de pays hors Union européenne et fixant les conditions auxquelles de telles conventions d'accueil peuvent être conclues.
La durée de la dispense est limitée à la durée du projet de recherche telle qu'elle est fixée dans la convention d'accueil entre le chercheur et l'organisme de recherche agréé. Sa validité est circonscrite à l'activité de recherche pour laquelle elle a été accordée ainsi qu' à l'organisme de recherche visé à l'alinéa 1e r avec lequel collabore le ressortissant étranger pour lequel cette dispense a été accordée;
27°-35° [10 ...]10
[10 ...]10
Sont dispensés de l'obligation d'obtenir un permis de travail :
1°-25° [10 ...]10
(26 ° les chercheurs qui viennent en Belgique pour faire de la recherche auprès d'un organisme de recherche agréé dans le cadre d'une convention d'accueil, dans les cas et selon les conditions et modalités fixées par les articles 61/10 à 61/12 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers et par l'arrêté royal du 8 juin 2007 contenant les conditions d'agrément des organismes de recherche qui souhaitent conclure, dans le cadre de projets de recherche, des conventions d'accueil avec des chercheurs de pays hors Union européenne et fixant les conditions auxquelles de telles conventions d'accueil peuvent être conclues.
La durée de la dispense est limitée à la durée du projet de recherche telle qu'elle est fixée dans la convention d'accueil entre le chercheur et l'organisme de recherche agréé. Sa validité est circonscrite à l'activité de recherche pour laquelle elle a été accordée ainsi qu' à l'organisme de recherche visé à l'alinéa 1e r avec lequel collabore le ressortissant étranger pour lequel cette dispense a été accordée;
27°-35° [10 ...]10
[10 ...]10
Wijzigingen
Art. 2 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Zijn vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart :
1° [4 de onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte evenals de onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat;]4
2° [4 a) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen " (F kaart);
b) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F+ kaart);
c) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit is, gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf, van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals :
- van een geldig attest van immatriculatie,
- of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
d) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die gedurende het beroep ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen houder is van een geldig document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
e) de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden.]4;
3° (a) de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een vestigingsvergunning;
b) de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden om onbeperkt te verblijven met toepassing van de wet van 15 december 1980 of van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, behalve de personen bedoeld in artikel 9, eerste lid, 16° en 17°;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
4° de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van één van de documenten bepaald bij het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten;
5° de in België erkende vluchteling;
6° de bedienaars van de erkende erediensten, voor zover hun activiteiten de bediening betreft;
7° het aan de commissies voor militaire begraafplaatsen verbonden personeel, dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt;
8° de werknemers die ingeschreven zijn in de Pool der zeelieden van de Belgische koopvaardij;
9° het rijdend of varend personeel dat voor rekening van een in het buitenland gevestigde werkgever tewerkgesteld is aan werken van vervoer te land, ter zee of in de lucht, op voorwaarde dat hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
10° de handelsvertegenwoordigers met hoofdverblijf in het buitenland, die hun klanten in België bezoeken, voor rekening van in het buitenland gevestigde ondernemingen zonder bijhuis in België en die in het bezit zijn van de legitimatiekaart ingesteld bij artikel 10 van de Internationale overeenkomst voor de vereenvoudiging van de douane-formaliteiten ondertekend te Genève, op 3 november 1923 en voor zover hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
11° de personen die naar België gekomen zijn om, voor rekening van een in het buitenland gevestigde onderneming, door de Belgische nijverheid geleverde goederen in ontvangst te nemen, voor zover hun verblijf in het land geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
12° het kaderpersoneel en vorsers in dienst van een coördinatiecentrum, dat geniet van de voordelen voorzien in het artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, of in dienst van een onderneming gevestigd in een tewerkstellingszone die geniet van de voordelen voorzien in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van de tewerkstellingszones, voor de duur van hun tewerkstelling in het centrum of de onderneming gevestigd in de tewerkstellingszone;
13° de dienstboden die toeristen vergezellen, op voorwaarde dat deze laatsten niet langer dan drie opeenvolgende maanden in België verblijven;
14° de werknemers, die geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die tewerkgesteld zijn door een in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten op voorwaarde dat :
a) deze werknemers, in de Lidstaat van de Europese Economische Ruimte waar zij verblijven, beschikken over een recht op verblijf of een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden;
b) deze werknemers op wettige wijze in de Lidstaat waar zij verblijven tewerkgesteld zijn en deze vergunning ten minste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk;
c) deze werknemers in het bezit zijn van een regelmatige arbeidsovereenkomst;
(oude d) opgeheven) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 1°, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
d) (oude e) (deze werknemers over een paspoort en een verblijfsvergunning van een duur die minstens gelijkwaardig is met de duur van de dienstverlening beschikken, teneinde hun terugkeer naar hun land van oorsprong of verblijf te verzekeren.) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
15° de in België verblijvende journalisten die uitsluitend verbonden zijn aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations, alsmede de in het buitenland verblijvende journalisten verbonden aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations die naar België komen voor de uitoefening van hun opdracht voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;
16° (personen die in het buitenland verblijven, er tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om aan internationale sportwedstrijden deel te nemen evenals de scheidsrechters, begeleiders, officiële vertegenwoordigers, personeelsleden en alle andere personen geaccrediteerd en/of erkend door internationale of nationale sportfederaties, voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
17° de schouwspelartiesten met internationale faam evenals de begeleiders waarvan de aanwezigheid vereist is voor het schouwspel op voorwaarde dat hun verblijf in België drie opeenvolgende maanden niet overschrijdt;
18° [4 de personen die een machtiging tot verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België, uitsluitend voor de arbeidsprestaties tijdens de schoolvakanties]4
19° [4 de studenten die verplichte stages verrichten in België ten behoeve van hun in België of in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte verrichte studies of in de Zwitserse Bondsstaat;]4
20° (de personen die tewerkgesteld worden in uitvoering van internationale akkoorden die werden goedgekeurd door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
21° (a) stagiairs die tewerkgesteld worden door een Belgische overheid;
b) stagiairs die tewerkgesteld worden door een internationale instelling van publiek recht in België gevestigd en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, of die tewerkgesteld worden in het kader van een programma goedgekeurd door die instelling;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
22° (a) leerlingen die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt hebben, die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;
b) leerlingen die wettig in België verblijven en die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(23° de werknemers in het bezit van een arbeidskaart A, B of C, zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit, voor de arbeid verricht op het grondgebied van een andere bevoegde overheid dan deze die de arbeidskaart heeft afgeleverd en wanneer het een werknemer betreft die in het bezit is van een arbeidskaart B om hetzelfde beroep uit te oefenen bij dezelfde werkgever als deze tot wie de tewerkstelling beperkt is;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(24° de personen die tewerkgesteld worden door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
25° de postdoctorale vreemdelingen die houder zijn van een doctorsgraad of een gelijkwaardige kwalificatie hebben, die genieten van een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek en die in het kader van de internationale mobiliteit een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in een gastuniversiteit tot een goed einde brengen met het oog op de valorisering van hun wetenschappelijke kennis opgedaan in het kader van het doctoraat en dit voor een periode van maximum drie jaar; de universiteit moet de bevoegde overheid informeren van de komst van de postdoctorandus, ten laatste binnen de maand van aankomst.) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(26° [10 onderzoekers die naar België komen om in het Duitse taalgebied gedurende hoogstens negentig dagen onderzoek te doen bij een erkend onderzoekscentrum overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet-EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten. De maximumduur van het onderzoek bedraagt 180 dagen binnen een periode van 360 dagen voor onderzoekers die houder zijn van een door een andere lidstaat afgegeven en voor de volledige duur van het onderzoek geldige vergunning voor onderzoekers en die gebruik maken van hun recht op kortetermijnmobiliteit, op voorwaarde dat ze een gastovereenkomst in de eerste lidstaat bezitten en de arbeids- en loonvoorwaarden niet ongunstiger zijn dan die van werknemers in vergelijkbare functies.]10
27° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 4° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007;]2
28° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet van 27 december 2006, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007.]2
29° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, die naar België komen om een opleiding te volgen van minder of gelijk aan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep.
De vrijstelling is beperkt tot de duur van de opleiding.
De in dit eerste punt bedoelde onderneming die de opleiding organiseert is ertoe gehouden de bevoegde overheid in kennis te stellen van de komst van de in opleiding zijnde werknemer en dit uiterlijk bij aanvang van de opleiding.
30° de buitenlandse onderdanen die tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever, die naar België komen om prototypes van voertuigen uit te testen of om prototypes uit te testen die ontwikkeld zijn door een onderzoekinstelling bedoeld in 26°
De vrijstelling is beperkt tot de duur van het uittesten van de prototypes. Per betrokken buitenlandse onderdaan kan de vrijstelling voor maximum vier weken per kalenderjaar ingeroepen worden.
Onder " prototype " wordt verstaan, het oorspronkelijke of eerste model van een product dat aan een intensief proefondervindelijk gebruik onderworpen wordt voordat het product in productie kan gaan;
31° de werknemers die naar België worden gedetacheerd voor de initiële assemblage en/of de eerste installatie van een goed, die een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van een overeenkomst voor de levering van goederen en die noodzakelijk is voor het in werking stellen van het geleverde goed en die uitgevoerd wordt door gekwalificeerde en/of gespecialiseerde werknemers van de leverende onderneming, wanneer de duur van de bedoelde werken niet meer dan acht dagen bedraagt. Deze afwijking geldt evenwel niet voor activiteiten in de bouwsector, zoals hierna gedefinieerd in artikel 10 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 genomen ter uitvoering van Hoofdstuk 8 van Titel IV van de Programmawet (I) van 27 december 2006;
32° de buitenlandse onderdanen die als gespecialiseerde technici tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om dringende onderhouds- of herstellingswerken aan machines of apparaten uit te voeren die door hun werkgever geleverd werden aan de in België gevestigde onderneming, in dewelke de herstellingen of het onderhoud plaatsvinden mits hun verblijf, nodig voor de activiteiten, niet meer dan vijf dagen per maand bedraagt;
33° de buitenlandse onderdanen die door een hoofdkwartier tewerkgesteld worden als kaderlid [1 of als leidinggevend personeel]1, voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt [5 dan het bedrag van 65.771 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37;]5.
Het hoofdkwartier moet de bevoegde overheid inlichten van de komst van het kaderlid [1 of van het betrokken leidinggevend personeelslid]1 en dit uiterlijk bij aanvang van zijn tewerkstelling;) <KB 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[3 34° [9 ...]9]3
[8 35° de buitenlandse onderdanen die de verblijfsstatus van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens een wetgeving of regelgeving tot omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, voor zover zij met een arbeidskaart model B gedurende een ononderbroken periode van twaalf maanden werden tewerkgesteld.]8
[10 36° personen die, in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming, voor een maximumduur van negentig dagen binnen een periode van 180 dagen naar België komen en in het bezit zijn van een door een andere lidstaat afgegeven en voor de volledige duur van de overplaatsing geldige vergunning voor binnen een onderneming overgeplaatste personen en van wie de tewerkstelling aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) de gastentiteit en de in een derde land gevestigde onderneming behoren tot dezelfde onderneming of dezelfde groep van ondernemingen;
b) de werknemer is gebonden door een arbeidsovereenkomst met zijn in een derde land gevestigde werkgever;
c) leidinggevenden-ICT of specialisten-ICT zijn in het bezit van een door de werkgever ondertekende opdrachtbrief waarin de duur van de overplaatsing, de functiebeschrijving en de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de duur van de overplaatsing zijn vastgelegd;
d) stagiair-werknemers-ICT zijn in het bezit van een stageovereenkomst waarin de duur van de overplaatsing, het opleidingsprogramma en de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de duur van de overplaatsing zijn vastgelegd.]10
[11 37° personen die houder zijn van een door een andere lidstaat afgegeven en voor de volledige duur geldige Europese blauwe kaart en die voor een maximumduur van 90 dagen binnen een periode van 180 dagen naar België komen om een werkactiviteit uit te oefenen.]11
[8 "Wat punt 35° betreft, worden met arbeidsperiodes gelijkgesteld de periodes van algehele arbeidsongeschiktheid als gevolg van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich voordeden op een moment dat de betrokkene werd tewerkgesteld.]8
De [9 Gemeenschapsminister]9 kan de criteria bepalen die toelaten om het begrip internationale faam bedoeld in lid 1, 17° te bepalen.
(Behalve in de gevallen bedoeld [2 in het eerste lid 1°, [4 ...]4 19° en 22°, a)]2, gelden de vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld onder dit artikel slechts als de begunstigden ervan voldoen aan het vereiste inzake wettig verblijf, zoals omschreven in artikel 1, 6°.
In afwijking op het voorgaande lid wordt de verblijfstoestand van de buitenlandse onderdaan die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden als wettig verblijf beschouwd voor de toepassing van (artikel 2, eerste lid, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°,32° [10 , 33° en 36°]10).) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[4 De vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld in dit artikel gelden ook ten aanzien van de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die gemachtigd of toegelaten is tot het verblijf en die in afwachting is van de afgifte van het verblijfsdocument.]4
[4 Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de [9 Gemeenschapsminister]9 de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]4
Zijn vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart :
1° [4 de onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte evenals de onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat;]4
2° [4 a) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen " (F kaart);
b) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F+ kaart);
c) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit is, gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf, van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals :
- van een geldig attest van immatriculatie,
- of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
d) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die gedurende het beroep ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen houder is van een geldig document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
e) de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden.]4;
3° (a) de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een vestigingsvergunning;
b) de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden om onbeperkt te verblijven met toepassing van de wet van 15 december 1980 of van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, behalve de personen bedoeld in artikel 9, eerste lid, 16° en 17°;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
4° de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van één van de documenten bepaald bij het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten;
5° de in België erkende vluchteling;
6° de bedienaars van de erkende erediensten, voor zover hun activiteiten de bediening betreft;
7° het aan de commissies voor militaire begraafplaatsen verbonden personeel, dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt;
8° de werknemers die ingeschreven zijn in de Pool der zeelieden van de Belgische koopvaardij;
9° het rijdend of varend personeel dat voor rekening van een in het buitenland gevestigde werkgever tewerkgesteld is aan werken van vervoer te land, ter zee of in de lucht, op voorwaarde dat hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
10° de handelsvertegenwoordigers met hoofdverblijf in het buitenland, die hun klanten in België bezoeken, voor rekening van in het buitenland gevestigde ondernemingen zonder bijhuis in België en die in het bezit zijn van de legitimatiekaart ingesteld bij artikel 10 van de Internationale overeenkomst voor de vereenvoudiging van de douane-formaliteiten ondertekend te Genève, op 3 november 1923 en voor zover hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
11° de personen die naar België gekomen zijn om, voor rekening van een in het buitenland gevestigde onderneming, door de Belgische nijverheid geleverde goederen in ontvangst te nemen, voor zover hun verblijf in het land geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
12° het kaderpersoneel en vorsers in dienst van een coördinatiecentrum, dat geniet van de voordelen voorzien in het artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, of in dienst van een onderneming gevestigd in een tewerkstellingszone die geniet van de voordelen voorzien in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van de tewerkstellingszones, voor de duur van hun tewerkstelling in het centrum of de onderneming gevestigd in de tewerkstellingszone;
13° de dienstboden die toeristen vergezellen, op voorwaarde dat deze laatsten niet langer dan drie opeenvolgende maanden in België verblijven;
14° de werknemers, die geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die tewerkgesteld zijn door een in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten op voorwaarde dat :
a) deze werknemers, in de Lidstaat van de Europese Economische Ruimte waar zij verblijven, beschikken over een recht op verblijf of een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden;
b) deze werknemers op wettige wijze in de Lidstaat waar zij verblijven tewerkgesteld zijn en deze vergunning ten minste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk;
c) deze werknemers in het bezit zijn van een regelmatige arbeidsovereenkomst;
(oude d) opgeheven) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 1°, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
d) (oude e) (deze werknemers over een paspoort en een verblijfsvergunning van een duur die minstens gelijkwaardig is met de duur van de dienstverlening beschikken, teneinde hun terugkeer naar hun land van oorsprong of verblijf te verzekeren.) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
15° de in België verblijvende journalisten die uitsluitend verbonden zijn aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations, alsmede de in het buitenland verblijvende journalisten verbonden aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations die naar België komen voor de uitoefening van hun opdracht voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;
16° (personen die in het buitenland verblijven, er tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om aan internationale sportwedstrijden deel te nemen evenals de scheidsrechters, begeleiders, officiële vertegenwoordigers, personeelsleden en alle andere personen geaccrediteerd en/of erkend door internationale of nationale sportfederaties, voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
17° de schouwspelartiesten met internationale faam evenals de begeleiders waarvan de aanwezigheid vereist is voor het schouwspel op voorwaarde dat hun verblijf in België drie opeenvolgende maanden niet overschrijdt;
18° [4 de personen die een machtiging tot verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België, uitsluitend voor de arbeidsprestaties tijdens de schoolvakanties]4
19° [4 de studenten die verplichte stages verrichten in België ten behoeve van hun in België of in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte verrichte studies of in de Zwitserse Bondsstaat;]4
20° (de personen die tewerkgesteld worden in uitvoering van internationale akkoorden die werden goedgekeurd door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
21° (a) stagiairs die tewerkgesteld worden door een Belgische overheid;
b) stagiairs die tewerkgesteld worden door een internationale instelling van publiek recht in België gevestigd en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, of die tewerkgesteld worden in het kader van een programma goedgekeurd door die instelling;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
22° (a) leerlingen die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt hebben, die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;
b) leerlingen die wettig in België verblijven en die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(23° de werknemers in het bezit van een arbeidskaart A, B of C, zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit, voor de arbeid verricht op het grondgebied van een andere bevoegde overheid dan deze die de arbeidskaart heeft afgeleverd en wanneer het een werknemer betreft die in het bezit is van een arbeidskaart B om hetzelfde beroep uit te oefenen bij dezelfde werkgever als deze tot wie de tewerkstelling beperkt is;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(24° de personen die tewerkgesteld worden door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
25° de postdoctorale vreemdelingen die houder zijn van een doctorsgraad of een gelijkwaardige kwalificatie hebben, die genieten van een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek en die in het kader van de internationale mobiliteit een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in een gastuniversiteit tot een goed einde brengen met het oog op de valorisering van hun wetenschappelijke kennis opgedaan in het kader van het doctoraat en dit voor een periode van maximum drie jaar; de universiteit moet de bevoegde overheid informeren van de komst van de postdoctorandus, ten laatste binnen de maand van aankomst.) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(26° [10 onderzoekers die naar België komen om in het Duitse taalgebied gedurende hoogstens negentig dagen onderzoek te doen bij een erkend onderzoekscentrum overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet-EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten. De maximumduur van het onderzoek bedraagt 180 dagen binnen een periode van 360 dagen voor onderzoekers die houder zijn van een door een andere lidstaat afgegeven en voor de volledige duur van het onderzoek geldige vergunning voor onderzoekers en die gebruik maken van hun recht op kortetermijnmobiliteit, op voorwaarde dat ze een gastovereenkomst in de eerste lidstaat bezitten en de arbeids- en loonvoorwaarden niet ongunstiger zijn dan die van werknemers in vergelijkbare functies.]10
27° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 4° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007;]2
28° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet van 27 december 2006, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007.]2
29° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, die naar België komen om een opleiding te volgen van minder of gelijk aan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep.
De vrijstelling is beperkt tot de duur van de opleiding.
De in dit eerste punt bedoelde onderneming die de opleiding organiseert is ertoe gehouden de bevoegde overheid in kennis te stellen van de komst van de in opleiding zijnde werknemer en dit uiterlijk bij aanvang van de opleiding.
30° de buitenlandse onderdanen die tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever, die naar België komen om prototypes van voertuigen uit te testen of om prototypes uit te testen die ontwikkeld zijn door een onderzoekinstelling bedoeld in 26°
De vrijstelling is beperkt tot de duur van het uittesten van de prototypes. Per betrokken buitenlandse onderdaan kan de vrijstelling voor maximum vier weken per kalenderjaar ingeroepen worden.
Onder " prototype " wordt verstaan, het oorspronkelijke of eerste model van een product dat aan een intensief proefondervindelijk gebruik onderworpen wordt voordat het product in productie kan gaan;
31° de werknemers die naar België worden gedetacheerd voor de initiële assemblage en/of de eerste installatie van een goed, die een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van een overeenkomst voor de levering van goederen en die noodzakelijk is voor het in werking stellen van het geleverde goed en die uitgevoerd wordt door gekwalificeerde en/of gespecialiseerde werknemers van de leverende onderneming, wanneer de duur van de bedoelde werken niet meer dan acht dagen bedraagt. Deze afwijking geldt evenwel niet voor activiteiten in de bouwsector, zoals hierna gedefinieerd in artikel 10 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 genomen ter uitvoering van Hoofdstuk 8 van Titel IV van de Programmawet (I) van 27 december 2006;
32° de buitenlandse onderdanen die als gespecialiseerde technici tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om dringende onderhouds- of herstellingswerken aan machines of apparaten uit te voeren die door hun werkgever geleverd werden aan de in België gevestigde onderneming, in dewelke de herstellingen of het onderhoud plaatsvinden mits hun verblijf, nodig voor de activiteiten, niet meer dan vijf dagen per maand bedraagt;
33° de buitenlandse onderdanen die door een hoofdkwartier tewerkgesteld worden als kaderlid [1 of als leidinggevend personeel]1, voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt [5 dan het bedrag van 65.771 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37;]5.
Het hoofdkwartier moet de bevoegde overheid inlichten van de komst van het kaderlid [1 of van het betrokken leidinggevend personeelslid]1 en dit uiterlijk bij aanvang van zijn tewerkstelling;) <KB 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[3 34° [9 ...]9]3
[8 35° de buitenlandse onderdanen die de verblijfsstatus van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens een wetgeving of regelgeving tot omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, voor zover zij met een arbeidskaart model B gedurende een ononderbroken periode van twaalf maanden werden tewerkgesteld.]8
[10 36° personen die, in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming, voor een maximumduur van negentig dagen binnen een periode van 180 dagen naar België komen en in het bezit zijn van een door een andere lidstaat afgegeven en voor de volledige duur van de overplaatsing geldige vergunning voor binnen een onderneming overgeplaatste personen en van wie de tewerkstelling aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) de gastentiteit en de in een derde land gevestigde onderneming behoren tot dezelfde onderneming of dezelfde groep van ondernemingen;
b) de werknemer is gebonden door een arbeidsovereenkomst met zijn in een derde land gevestigde werkgever;
c) leidinggevenden-ICT of specialisten-ICT zijn in het bezit van een door de werkgever ondertekende opdrachtbrief waarin de duur van de overplaatsing, de functiebeschrijving en de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de duur van de overplaatsing zijn vastgelegd;
d) stagiair-werknemers-ICT zijn in het bezit van een stageovereenkomst waarin de duur van de overplaatsing, het opleidingsprogramma en de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de duur van de overplaatsing zijn vastgelegd.]10
[11 37° personen die houder zijn van een door een andere lidstaat afgegeven en voor de volledige duur geldige Europese blauwe kaart en die voor een maximumduur van 90 dagen binnen een periode van 180 dagen naar België komen om een werkactiviteit uit te oefenen.]11
[8 "Wat punt 35° betreft, worden met arbeidsperiodes gelijkgesteld de periodes van algehele arbeidsongeschiktheid als gevolg van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich voordeden op een moment dat de betrokkene werd tewerkgesteld.]8
De [9 Gemeenschapsminister]9 kan de criteria bepalen die toelaten om het begrip internationale faam bedoeld in lid 1, 17° te bepalen.
(Behalve in de gevallen bedoeld [2 in het eerste lid 1°, [4 ...]4 19° en 22°, a)]2, gelden de vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld onder dit artikel slechts als de begunstigden ervan voldoen aan het vereiste inzake wettig verblijf, zoals omschreven in artikel 1, 6°.
In afwijking op het voorgaande lid wordt de verblijfstoestand van de buitenlandse onderdaan die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden als wettig verblijf beschouwd voor de toepassing van (artikel 2, eerste lid, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°,32° [10 , 33° en 36°]10).) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[4 De vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld in dit artikel gelden ook ten aanzien van de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die gemachtigd of toegelaten is tot het verblijf en die in afwachting is van de afgifte van het verblijfsdocument.]4
[4 Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de [9 Gemeenschapsminister]9 de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]4
Wijzigingen
Art. 2 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Sont dispensés de l'obligation d'obtenir un permis de travail :
1° [4 le ressortissant d'un Etat membre de l'Espace économique européen ainsi que le ressortissant de la Confédération suisse;]4
2° [4 a) le ressortissant étranger en possession d'une " carte de séjour de membre de la famille d'un citoyen de l'Union " conforme au modèle figurant à l'annexe 9 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers " (carte F);
b) le ressortissant étranger en possession d'une " Carte de séjour permanent de membre de la famille d'un citoyen de l'Union " conforme au modèle figurant à l'annexe 9bis de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers (carte F+);
c) le ressortissant étranger invoquant le bénéfice d'un droit au séjour sur la base de l'article 40bis ou de l'article 40ter de la loi du 15 décembre 1980, en possession, durant la période d'examen de la demande de reconnaissance du droit de séjour d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 19ter de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ainsi que :
- d'une attestation d'immatriculation valide,
- ou d'un certificat d'inscription au registre des étrangers temporaire valide;
d) le ressortissant étranger invoquant le bénéfice d'un droit de séjour sur la base de l'article 40bis ou de l'article 40ter de la loi du 15 décembre 1980 en possession, durant le recours devant le Conseil du Contentieux des Etrangers, d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 35 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers en cours de validité;
e) le conjoint d'un Belge, en possession d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 15 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 en qualité de travailleur frontalier, tant que cette personne dispose, dans l'Etat de sa résidence, d'un droit ou d'une autorisation de séjour supérieurs à trois mois.]4;
3° (a) les ressortissants étrangers en possession d'un titre d'établissement;
b) les ressortissants étrangers autorisés ou admis au séjour illimité en application de la loi du 15 décembre 1980 ou de la loi du 22 décembre 1999 relative à la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume, sauf les personnes visées à l'article 9, alinéa 1er, 16° et 17°;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
4° les ressortissants étrangers en possession de l'un des documents prévus par l'arrêté royal du 30 octobre 1991, relatif aux documents de séjour en Belgique de certains étrangers pour l'exercice des fonctions qui donnent droit à l'obtention de ces documents;
5° le réfugié reconnu en Belgique;
6° les ministres des cultes reconnus, pour les activités relevant de leur ministère;
7° le personnel attaché aux commissions des sépultures militaires qui assure l'entretien des sépultures des militaires de nationalité étrangère;
8° les travailleurs inscrits au Pool des marins de la marine marchande belge;
9° le personnel roulant ou navigant occupé, pour le compte d'un employeur établi à l'étranger, à des travaux de transport par terre, par mer ou par air, à condition que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
10° les représentants de commerce ayant leur résidence principale à l'étranger et visitant leur clientèle en Belgique pour compte d'entreprises établies à l'étranger et n'ayant pas de succursales en Belgique qui sont en possession de la carte de légitimation instituée par l'article 10 de la Convention internationale pour la simplification des formalités douanières signée à Genève, le 3 novembre 1923 et pour autant que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
11° les personnes venues en Belgique pour procéder, pour compte d'une entreprise établie à l'étranger, à la réception de marchandises fournies par l'industrie belge, pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;
12° les cadres et chercheurs au service d'un centre de coordination bénéficiant des avantages prévus à l'article 6 de l'arrêté royal n° 187 du 30 décembre 1982 relatif à la création de centres de coordination ou au service d'une entreprise établie dans une zone d'emploi bénéficiant des avantages prévus à l'article 9 de l'arrêté royal n° 118 du 23 décembre 1982 relatif à la création de zones d'emploi, pour la durée de leur emploi dans le centre ou l'entreprise établie dans la zone d'emploi;
13° le personnel domestique accompagnant les touristes faisant un séjour en Belgique qui ne dépasse pas trois mois consécutifs;
14° les travailleurs, non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace Economique Européen, qui sont occupés par une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace Economique Européen qui se rend en Belgique pour fournir des services, à condition :
a) que ces travailleurs disposent dans l'Etat membre de l'Espace Economique Européen de leur résidence, d'un droit ou d'une autorisation de séjour supérieur à trois mois;
b) que ces travailleurs soient légalement autorisés à travailler dans l'Etat membre de leur résidence et que cette autorisation soit au moins valable pour la durée de la prestation à accomplir en Belgique;
c) que ces travailleurs soient titulaires d'un contrat de travail régulier;
(ancien d) abrogé) <AR 2008-04-23/32, art. 1, 1°, 018; En vigueur : 20-05-2008>
d) (ancien e) (ces travailleurs disposent, afin de garantir leur retour dans leur pays d'origine ou de résidence, d'un passeport et d'un titre de séjour d'une durée équivalente au minimum à la durée de la prestation.) <AR 2008-04-23/32, art. 1, 2°, 018; En vigueur : 20-05-2008>
15° les journalistes séjournant en Belgique qui sont exclusivement attachés à des journaux publiés à l'étranger, ou à des agences de presse, stations de radio ou télévision établies à l'étranger, ainsi que les journalistes séjournant à l'étranger attachés à des journaux publiés à l'étranger ou à des agences de presse, des stations de radio ou télévision établies à l'étranger qui viennent en Belgique pour l'exécution de leur mission pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;
16° (les personnes résidant à l'étranger, occupées par un employeur situé à l'étranger et venant en Belgique pour participer à des épreuves sportives internationales ainsi que les arbitres, accompagnateurs, délégués officiels, membres du personnel et autres personnes accréditées et/ou agréées par les fédérations sportives internationales ou nationales, pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
17° les artistes de spectacle de réputation internationale ainsi que les accompagnateurs dont la présence est requise pour le spectacle à condition que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
18° [4 les personnes autorisées au séjour, aux fins d'études en Belgique, qui sont inscrites dans un établissement d'enseignement en Belgique, uniquement pour les prestations de travail pendant les vacances scolaires;]4
(19° [4 les étudiants qui effectuent des stages obligatoires en Belgique pour les besoins de leurs études effectuées en Belgique ou dans un Etat membre de l'Espace économique européen ou dans la Confédération suisse]4;
20° les personnes qui sont occupées en exécution d'accords internationaux qui ont été approuvés par une autorité fédérale, régionale ou communautaire dans le cadre de leurs compétences respectives;
21° a) les stagiaires occupés par un pouvoir public belge;
b) les stagiaires occupés par une organisation internationale de droit public établie en Belgique et dont le statut est régi par un traité en vigueur, ou occupés dans le cadre d'un programme approuvé par cette organisation;
22° a) les apprentis engagés avant l'âge de dix-huit ans dans les liens d'un contrat d'apprentissage ou de formation en alternance agréé par l'autorité qui en a la compétence;
b) les apprentis séjournant légalement en Belgique et engagés dans les liens d'un contrat d'apprentissage ou de formation en alternance agréé par l'autorité qui en a la compétence;
23° les travailleurs en possession d'un permis de travail A, B ou C, visés à l'article 3 du présent arrêté, pour les prestations effectuées sur le territoire d'une autre autorité compétente que celle qui a délivré le permis de travail et, lorsqu'il s'agit d'un travailleur en possession d'un permis B, pour exercer la même profession au service du même employeur que celui auprès duquel est limitée l'occupation;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
(24° les personnes occupées par une agence locale pour l'emploi;
25° les postdoctorants étrangers titulaires d'un titre de docteur ou d'une qualification équivalente, bénéficiaires d'un subside à savant et qui mènent à bien, dans le cadre de la mobilité internationale, une recherche scientifique fondamentale dans une université d'accueil en vue de valoriser leur compétence scientifique acquise dans le cadre du doctorat et ce pour une période de maximum trois ans; l'université est tenue d'informer l'autorité compétente de la venue du postdoctorant, au plus tard dans le mois de celle-ci.) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
(26 ° [10 les chercheurs qui viennent en Belgique pour faire de la recherche pendant une durée maximale de nonante jours auprès d'un organisme de recherche situé en région de langue allemande et agréé conformément à l'arrêté royal du 8 juin 2007 contenant les conditions d'agrément des organismes de recherche qui souhaitent conclure, dans le cadre de projets de recherche, des conventions d'accueil avec des chercheurs de pays hors Union européenne, et fixant les conditions auxquelles de telles conventions d'accueil peuvent être conclues. La durée maximale de la recherche est portée à cent-quatre-vingts jours sur une période de trois-cent-soixante jours pour les chercheurs qui sont titulaires d'un permis pour chercheur délivré par un autre Etat membre, valide durant toute la durée de la recherche, et qui exercent leur droit à la mobilité à court terme, pour autant qu'ils disposent d'une convention d'accueil dans un premier Etat membre et que leurs conditions de travail et de rémunération soient au moins aussi favorables que celles accordées aux chercheurs occupant des fonctions comparables.]10
27° [2 les ressortissants étrangers visés par l'article 1er, 4° de l'arrêté royal du 20 mars 2007 pris en exécution du Chapitre 8, du Titre IV, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 instaurant une déclaration préalable pour les travailleurs salariés et indépendants détachés, modifié par l'arrêté royal du 31 août 2007;]2
28° [2 les ressortissants étrangers visés par l'article 1er, 5° de l'arrêté royal du 20 mars 2007 pris en exécution du Chapitre 8, du Titre IV, de la loi-programme du 27 décembre 2006, modifié par l'arrêté royal, modifié par l'arrêté royal du 31 août 2007.]2
29° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace économique européen, soit ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, soit ressortissants d'un Etat visé à l'article 10, venant en Belgique pour suivre une formation d'une durée inférieure ou égale à trois mois calendrier au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational.
La dispense est limitée à la durée de la formation.
L'entreprise visée par ce point qui organise la formation est tenue d'informer l'autorité compétente de la venue du travailleur en formation au plus tard au moment où débute la formation.
30° les ressortissants étrangers occupés par un employeur établi à l'étranger qui viennent en Belgique afin d'effectuer des tests de prototype de véhicules ou pour effectuer des tests de prototype qui sont développés par un organisme de recherche visé au 26°.
La dispense est limitée à la durée du test de prototypes. Elle peut être invoquée à raison de maximum quatre semaines par année civile et par ressortissant étranger concerné.
Par " prototype ", on entend l'original ou le premier modèle d'un produit qui est soumis à un usage expérimental intensif avant que le produit puisse entrer à la production ;
31° les travailleurs salariés qui sont détachés en Belgique pour l'assemblage initial et/ou la première installation d'un bien, qui constitue une composante essentielle d'un contrat pour la livraison de marchandises, et qui est nécessaire pour la mise en marche du bien fourni et qui est effectué par les travailleurs qualifiés et/ou spécialisés de l'entreprise qui fournit le bien, quand la durée des travaux visés ne s'élève pas à plus de huit jours. Cette dérogation ne vaut pas toutefois pour les activités dans le secteur de la construction, telles que définies à l'article 10 de l'arrêté royal du pris en exécution du Chapitre 8 du Titre IV de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 ;
32° les ressortissants étrangers qui sont occupés en qualité de techniciens spécialisés par un employeur établi à l'étranger et qui se rendent en Belgique pour effectuer des travaux d'entretien urgents ou des travaux de réparation urgents à des machines ou appareils livrés par leur employeur à l'entreprise établie en Belgique au sein de laquelle les réparations ou l'entretien sont effectués, à la condition que leur période de séjour nécessité par ces activités ne dépasse pas cinq jours par mois;
33° les ressortissants étrangers employés par un siège central comme cadre [1 ou comme personnel de direction]1, pour autant que leur rémunération annuelle dépasse le montant [5 de 65.771 euros calculé et adapté conformément à l'article 37;]5.
Le siège central est tenu d'informer l'autorité compétente de la venue du cadre [1 ou du membre du personnel de direction concerné]1 au plus tard au moment de sa mise au travail;) <AR 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; En vigueur : 08-10-2007>
[3 34° [9 ...]9;]3
[8 35° les ressortissants étrangers ayant obtenu le statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, en vertu d'une législation ou règlementation transposant la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, pour autant qu'ils aient été occupés sous permis de travail B pendant une période ininterrompue de douze mois.]8
[10 36° Les personnes faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe d'une durée maximale de nonante jours sur une période de cent-quatre-vingts jours qui viennent en Belgique et qui sont titulaires d'un permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe délivré par un autre Etat membre, valide durant toute la durée dudit transfert, et dont l'occupation répond aux conditions suivantes :
a) l'entité hôte et l'entreprise établie dans un pays tiers appartiennent à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises;
b) le travailleur dispose d'un contrat de travail le liant à son employeur établi dans un pays tiers;
c) s'il s'agit de cadres ou d'experts ICT, ceux-ci disposent d'une lettre de mission signée par l'employeur, spécifiant la durée du transfert et la fonction exercée ainsi que les conditions de travail et de rémunération pour la durée du transfert;
d) s'il s'agit d'employés stagiaires ICT, ceux-ci disposent d'une convention de stage spécifiant la durée du transfert et le programme de formation ainsi que les conditions de travail et de rémunération pour la durée du transfert.]10
[11 37° les personnes qui sont titulaires d'une carte bleue européenne délivrée par un autre Etat membre et valide pendant toute la durée concernée et qui se rendent en Belgique aux fins d'exercer une activité professionnelle pour une durée maximale de nonante jours sur une période de cent quatre-vingts jours.]11
[8 Concernant le 35°, sont assimilées aux périodes de travail, les périodes d'incapacité totale de travail résultant d'une maladie professionnelle, d'un accident du travail ou d'un accident survenu sur le chemin du travail alors que l'intéressé était occupé.]8
[9 Le ministre communautaire]9 peut déterminer les critères permettant de définir la notion de réputation internationale visée à l'alinéa 1er, 17°.
(A l'exception des cas visés [2 à l'alinéa 1er, 1°, [4 ...]4 19° et 22°, a)]2 , les dispenses de l'obligation d'obtenir un permis de travail mentionnées au présent article ne valent que si leurs bénéficiaires satisfont à la condition en matière de séjour légal, définie à l'article 1er, 6°.
Par dérogation à l'alinéa précédent, la situation de séjour de l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période de trois mois maximum est considérée comme séjour légal pour l'application de (l'article 2, alinéa 1er, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°, 32° [10 , 33° et 36°]10).) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003 <AR 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; En vigueur : 08-10-2007>>
[4 Les dispenses de l'obligation d'obtenir un permis de travail mentionnées au présent article valent aussi à l'égard du ressortissant étranger, en possession d'un document établi conformément à l'annexe 15 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, qui est autorisé ou admis au séjour, et en attente de la délivrance du document de séjour.]4
[4 Afin de se conformer à des modifications intervenues, quant à la dénomination des titres et documents de séjour, dans la loi du 15 décembre 1980 et dans l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement, et l'éloignement des étrangers, [9 le ministre communautaire]9 peut adapter la dénomination des titres et documents de séjour visés par le présent article.]4
Sont dispensés de l'obligation d'obtenir un permis de travail :
1° [4 le ressortissant d'un Etat membre de l'Espace économique européen ainsi que le ressortissant de la Confédération suisse;]4
2° [4 a) le ressortissant étranger en possession d'une " carte de séjour de membre de la famille d'un citoyen de l'Union " conforme au modèle figurant à l'annexe 9 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers " (carte F);
b) le ressortissant étranger en possession d'une " Carte de séjour permanent de membre de la famille d'un citoyen de l'Union " conforme au modèle figurant à l'annexe 9bis de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers (carte F+);
c) le ressortissant étranger invoquant le bénéfice d'un droit au séjour sur la base de l'article 40bis ou de l'article 40ter de la loi du 15 décembre 1980, en possession, durant la période d'examen de la demande de reconnaissance du droit de séjour d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 19ter de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ainsi que :
- d'une attestation d'immatriculation valide,
- ou d'un certificat d'inscription au registre des étrangers temporaire valide;
d) le ressortissant étranger invoquant le bénéfice d'un droit de séjour sur la base de l'article 40bis ou de l'article 40ter de la loi du 15 décembre 1980 en possession, durant le recours devant le Conseil du Contentieux des Etrangers, d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 35 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers en cours de validité;
e) le conjoint d'un Belge, en possession d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 15 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 en qualité de travailleur frontalier, tant que cette personne dispose, dans l'Etat de sa résidence, d'un droit ou d'une autorisation de séjour supérieurs à trois mois.]4;
3° (a) les ressortissants étrangers en possession d'un titre d'établissement;
b) les ressortissants étrangers autorisés ou admis au séjour illimité en application de la loi du 15 décembre 1980 ou de la loi du 22 décembre 1999 relative à la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume, sauf les personnes visées à l'article 9, alinéa 1er, 16° et 17°;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
4° les ressortissants étrangers en possession de l'un des documents prévus par l'arrêté royal du 30 octobre 1991, relatif aux documents de séjour en Belgique de certains étrangers pour l'exercice des fonctions qui donnent droit à l'obtention de ces documents;
5° le réfugié reconnu en Belgique;
6° les ministres des cultes reconnus, pour les activités relevant de leur ministère;
7° le personnel attaché aux commissions des sépultures militaires qui assure l'entretien des sépultures des militaires de nationalité étrangère;
8° les travailleurs inscrits au Pool des marins de la marine marchande belge;
9° le personnel roulant ou navigant occupé, pour le compte d'un employeur établi à l'étranger, à des travaux de transport par terre, par mer ou par air, à condition que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
10° les représentants de commerce ayant leur résidence principale à l'étranger et visitant leur clientèle en Belgique pour compte d'entreprises établies à l'étranger et n'ayant pas de succursales en Belgique qui sont en possession de la carte de légitimation instituée par l'article 10 de la Convention internationale pour la simplification des formalités douanières signée à Genève, le 3 novembre 1923 et pour autant que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
11° les personnes venues en Belgique pour procéder, pour compte d'une entreprise établie à l'étranger, à la réception de marchandises fournies par l'industrie belge, pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;
12° les cadres et chercheurs au service d'un centre de coordination bénéficiant des avantages prévus à l'article 6 de l'arrêté royal n° 187 du 30 décembre 1982 relatif à la création de centres de coordination ou au service d'une entreprise établie dans une zone d'emploi bénéficiant des avantages prévus à l'article 9 de l'arrêté royal n° 118 du 23 décembre 1982 relatif à la création de zones d'emploi, pour la durée de leur emploi dans le centre ou l'entreprise établie dans la zone d'emploi;
13° le personnel domestique accompagnant les touristes faisant un séjour en Belgique qui ne dépasse pas trois mois consécutifs;
14° les travailleurs, non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace Economique Européen, qui sont occupés par une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace Economique Européen qui se rend en Belgique pour fournir des services, à condition :
a) que ces travailleurs disposent dans l'Etat membre de l'Espace Economique Européen de leur résidence, d'un droit ou d'une autorisation de séjour supérieur à trois mois;
b) que ces travailleurs soient légalement autorisés à travailler dans l'Etat membre de leur résidence et que cette autorisation soit au moins valable pour la durée de la prestation à accomplir en Belgique;
c) que ces travailleurs soient titulaires d'un contrat de travail régulier;
(ancien d) abrogé) <AR 2008-04-23/32, art. 1, 1°, 018; En vigueur : 20-05-2008>
d) (ancien e) (ces travailleurs disposent, afin de garantir leur retour dans leur pays d'origine ou de résidence, d'un passeport et d'un titre de séjour d'une durée équivalente au minimum à la durée de la prestation.) <AR 2008-04-23/32, art. 1, 2°, 018; En vigueur : 20-05-2008>
15° les journalistes séjournant en Belgique qui sont exclusivement attachés à des journaux publiés à l'étranger, ou à des agences de presse, stations de radio ou télévision établies à l'étranger, ainsi que les journalistes séjournant à l'étranger attachés à des journaux publiés à l'étranger ou à des agences de presse, des stations de radio ou télévision établies à l'étranger qui viennent en Belgique pour l'exécution de leur mission pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;
16° (les personnes résidant à l'étranger, occupées par un employeur situé à l'étranger et venant en Belgique pour participer à des épreuves sportives internationales ainsi que les arbitres, accompagnateurs, délégués officiels, membres du personnel et autres personnes accréditées et/ou agréées par les fédérations sportives internationales ou nationales, pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
17° les artistes de spectacle de réputation internationale ainsi que les accompagnateurs dont la présence est requise pour le spectacle à condition que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
18° [4 les personnes autorisées au séjour, aux fins d'études en Belgique, qui sont inscrites dans un établissement d'enseignement en Belgique, uniquement pour les prestations de travail pendant les vacances scolaires;]4
(19° [4 les étudiants qui effectuent des stages obligatoires en Belgique pour les besoins de leurs études effectuées en Belgique ou dans un Etat membre de l'Espace économique européen ou dans la Confédération suisse]4;
20° les personnes qui sont occupées en exécution d'accords internationaux qui ont été approuvés par une autorité fédérale, régionale ou communautaire dans le cadre de leurs compétences respectives;
21° a) les stagiaires occupés par un pouvoir public belge;
b) les stagiaires occupés par une organisation internationale de droit public établie en Belgique et dont le statut est régi par un traité en vigueur, ou occupés dans le cadre d'un programme approuvé par cette organisation;
22° a) les apprentis engagés avant l'âge de dix-huit ans dans les liens d'un contrat d'apprentissage ou de formation en alternance agréé par l'autorité qui en a la compétence;
b) les apprentis séjournant légalement en Belgique et engagés dans les liens d'un contrat d'apprentissage ou de formation en alternance agréé par l'autorité qui en a la compétence;
23° les travailleurs en possession d'un permis de travail A, B ou C, visés à l'article 3 du présent arrêté, pour les prestations effectuées sur le territoire d'une autre autorité compétente que celle qui a délivré le permis de travail et, lorsqu'il s'agit d'un travailleur en possession d'un permis B, pour exercer la même profession au service du même employeur que celui auprès duquel est limitée l'occupation;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
(24° les personnes occupées par une agence locale pour l'emploi;
25° les postdoctorants étrangers titulaires d'un titre de docteur ou d'une qualification équivalente, bénéficiaires d'un subside à savant et qui mènent à bien, dans le cadre de la mobilité internationale, une recherche scientifique fondamentale dans une université d'accueil en vue de valoriser leur compétence scientifique acquise dans le cadre du doctorat et ce pour une période de maximum trois ans; l'université est tenue d'informer l'autorité compétente de la venue du postdoctorant, au plus tard dans le mois de celle-ci.) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
(26 ° [10 les chercheurs qui viennent en Belgique pour faire de la recherche pendant une durée maximale de nonante jours auprès d'un organisme de recherche situé en région de langue allemande et agréé conformément à l'arrêté royal du 8 juin 2007 contenant les conditions d'agrément des organismes de recherche qui souhaitent conclure, dans le cadre de projets de recherche, des conventions d'accueil avec des chercheurs de pays hors Union européenne, et fixant les conditions auxquelles de telles conventions d'accueil peuvent être conclues. La durée maximale de la recherche est portée à cent-quatre-vingts jours sur une période de trois-cent-soixante jours pour les chercheurs qui sont titulaires d'un permis pour chercheur délivré par un autre Etat membre, valide durant toute la durée de la recherche, et qui exercent leur droit à la mobilité à court terme, pour autant qu'ils disposent d'une convention d'accueil dans un premier Etat membre et que leurs conditions de travail et de rémunération soient au moins aussi favorables que celles accordées aux chercheurs occupant des fonctions comparables.]10
27° [2 les ressortissants étrangers visés par l'article 1er, 4° de l'arrêté royal du 20 mars 2007 pris en exécution du Chapitre 8, du Titre IV, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 instaurant une déclaration préalable pour les travailleurs salariés et indépendants détachés, modifié par l'arrêté royal du 31 août 2007;]2
28° [2 les ressortissants étrangers visés par l'article 1er, 5° de l'arrêté royal du 20 mars 2007 pris en exécution du Chapitre 8, du Titre IV, de la loi-programme du 27 décembre 2006, modifié par l'arrêté royal, modifié par l'arrêté royal du 31 août 2007.]2
29° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace économique européen, soit ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, soit ressortissants d'un Etat visé à l'article 10, venant en Belgique pour suivre une formation d'une durée inférieure ou égale à trois mois calendrier au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational.
La dispense est limitée à la durée de la formation.
L'entreprise visée par ce point qui organise la formation est tenue d'informer l'autorité compétente de la venue du travailleur en formation au plus tard au moment où débute la formation.
30° les ressortissants étrangers occupés par un employeur établi à l'étranger qui viennent en Belgique afin d'effectuer des tests de prototype de véhicules ou pour effectuer des tests de prototype qui sont développés par un organisme de recherche visé au 26°.
La dispense est limitée à la durée du test de prototypes. Elle peut être invoquée à raison de maximum quatre semaines par année civile et par ressortissant étranger concerné.
Par " prototype ", on entend l'original ou le premier modèle d'un produit qui est soumis à un usage expérimental intensif avant que le produit puisse entrer à la production ;
31° les travailleurs salariés qui sont détachés en Belgique pour l'assemblage initial et/ou la première installation d'un bien, qui constitue une composante essentielle d'un contrat pour la livraison de marchandises, et qui est nécessaire pour la mise en marche du bien fourni et qui est effectué par les travailleurs qualifiés et/ou spécialisés de l'entreprise qui fournit le bien, quand la durée des travaux visés ne s'élève pas à plus de huit jours. Cette dérogation ne vaut pas toutefois pour les activités dans le secteur de la construction, telles que définies à l'article 10 de l'arrêté royal du pris en exécution du Chapitre 8 du Titre IV de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 ;
32° les ressortissants étrangers qui sont occupés en qualité de techniciens spécialisés par un employeur établi à l'étranger et qui se rendent en Belgique pour effectuer des travaux d'entretien urgents ou des travaux de réparation urgents à des machines ou appareils livrés par leur employeur à l'entreprise établie en Belgique au sein de laquelle les réparations ou l'entretien sont effectués, à la condition que leur période de séjour nécessité par ces activités ne dépasse pas cinq jours par mois;
33° les ressortissants étrangers employés par un siège central comme cadre [1 ou comme personnel de direction]1, pour autant que leur rémunération annuelle dépasse le montant [5 de 65.771 euros calculé et adapté conformément à l'article 37;]5.
Le siège central est tenu d'informer l'autorité compétente de la venue du cadre [1 ou du membre du personnel de direction concerné]1 au plus tard au moment de sa mise au travail;) <AR 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; En vigueur : 08-10-2007>
[3 34° [9 ...]9;]3
[8 35° les ressortissants étrangers ayant obtenu le statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, en vertu d'une législation ou règlementation transposant la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, pour autant qu'ils aient été occupés sous permis de travail B pendant une période ininterrompue de douze mois.]8
[10 36° Les personnes faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe d'une durée maximale de nonante jours sur une période de cent-quatre-vingts jours qui viennent en Belgique et qui sont titulaires d'un permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe délivré par un autre Etat membre, valide durant toute la durée dudit transfert, et dont l'occupation répond aux conditions suivantes :
a) l'entité hôte et l'entreprise établie dans un pays tiers appartiennent à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises;
b) le travailleur dispose d'un contrat de travail le liant à son employeur établi dans un pays tiers;
c) s'il s'agit de cadres ou d'experts ICT, ceux-ci disposent d'une lettre de mission signée par l'employeur, spécifiant la durée du transfert et la fonction exercée ainsi que les conditions de travail et de rémunération pour la durée du transfert;
d) s'il s'agit d'employés stagiaires ICT, ceux-ci disposent d'une convention de stage spécifiant la durée du transfert et le programme de formation ainsi que les conditions de travail et de rémunération pour la durée du transfert.]10
[11 37° les personnes qui sont titulaires d'une carte bleue européenne délivrée par un autre Etat membre et valide pendant toute la durée concernée et qui se rendent en Belgique aux fins d'exercer une activité professionnelle pour une durée maximale de nonante jours sur une période de cent quatre-vingts jours.]11
[8 Concernant le 35°, sont assimilées aux périodes de travail, les périodes d'incapacité totale de travail résultant d'une maladie professionnelle, d'un accident du travail ou d'un accident survenu sur le chemin du travail alors que l'intéressé était occupé.]8
[9 Le ministre communautaire]9 peut déterminer les critères permettant de définir la notion de réputation internationale visée à l'alinéa 1er, 17°.
(A l'exception des cas visés [2 à l'alinéa 1er, 1°, [4 ...]4 19° et 22°, a)]2 , les dispenses de l'obligation d'obtenir un permis de travail mentionnées au présent article ne valent que si leurs bénéficiaires satisfont à la condition en matière de séjour légal, définie à l'article 1er, 6°.
Par dérogation à l'alinéa précédent, la situation de séjour de l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période de trois mois maximum est considérée comme séjour légal pour l'application de (l'article 2, alinéa 1er, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°, 32° [10 , 33° et 36°]10).) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003 <AR 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; En vigueur : 08-10-2007>>
[4 Les dispenses de l'obligation d'obtenir un permis de travail mentionnées au présent article valent aussi à l'égard du ressortissant étranger, en possession d'un document établi conformément à l'annexe 15 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, qui est autorisé ou admis au séjour, et en attente de la délivrance du document de séjour.]4
[4 Afin de se conformer à des modifications intervenues, quant à la dénomination des titres et documents de séjour, dans la loi du 15 décembre 1980 et dans l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement, et l'éloignement des étrangers, [9 le ministre communautaire]9 peut adapter la dénomination des titres et documents de séjour visés par le présent article.]4
Wijzigingen
Art. 2_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. Zijn vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart :
1° [4 de onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte evenals de onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat;]4
2° [4 a) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen " (F kaart);
b) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F+ kaart);
c) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit is, gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf, van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals :
- van een geldig attest van immatriculatie,
- of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
d) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die gedurende het beroep ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen houder is van een geldig document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
e) de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden.]4;
3° (a) de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een vestigingsvergunning;
b) de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden om onbeperkt te verblijven met toepassing van de wet van 15 december 1980 of van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, behalve de personen bedoeld in artikel 9, eerste lid, 16° en 17°;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
4° de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van één van de documenten bepaald bij het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten;
5° de in België erkende vluchteling;
6° de bedienaars van de erkende erediensten, voor zover hun activiteiten de bediening betreft;
7° het aan de commissies voor militaire begraafplaatsen verbonden personeel, dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt;
8° de werknemers die ingeschreven zijn in de Pool der zeelieden van de Belgische koopvaardij;
9° het rijdend of varend personeel dat voor rekening van een in het buitenland gevestigde werkgever tewerkgesteld is aan werken van vervoer te land, ter zee of in de lucht, op voorwaarde dat hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
10° de handelsvertegenwoordigers met hoofdverblijf in het buitenland, die hun klanten in België bezoeken, voor rekening van in het buitenland gevestigde ondernemingen zonder bijhuis in België en die in het bezit zijn van de legitimatiekaart ingesteld bij artikel 10 van de Internationale overeenkomst voor de vereenvoudiging van de douane-formaliteiten ondertekend te Genève, op 3 november 1923 en voor zover hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
11° de personen die naar België gekomen zijn om, voor rekening van een in het buitenland gevestigde onderneming, door de Belgische nijverheid geleverde goederen in ontvangst te nemen, voor zover hun verblijf in het land geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
12° het kaderpersoneel en vorsers in dienst van een coördinatiecentrum, dat geniet van de voordelen voorzien in het artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, of in dienst van een onderneming gevestigd in een tewerkstellingszone die geniet van de voordelen voorzien in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van de tewerkstellingszones, voor de duur van hun tewerkstelling in het centrum of de onderneming gevestigd in de tewerkstellingszone;
13° de dienstboden die toeristen vergezellen, op voorwaarde dat deze laatsten niet langer dan drie opeenvolgende maanden in België verblijven;
14° de werknemers, die geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die tewerkgesteld zijn door een in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten op voorwaarde dat :
a) deze werknemers, in de Lidstaat van de Europese Economische Ruimte waar zij verblijven, beschikken over een recht op verblijf of een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden;
b) deze werknemers op wettige wijze in de Lidstaat waar zij verblijven tewerkgesteld zijn en deze vergunning ten minste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk;
c) deze werknemers in het bezit zijn van een regelmatige arbeidsovereenkomst;
d) (oude e) (deze werknemers over een paspoort en een verblijfsvergunning van een duur die minstens gelijkwaardig is met de duur van de dienstverlening beschikken, teneinde hun terugkeer naar hun land van oorsprong of verblijf te verzekeren.) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
15° de in België verblijvende journalisten die uitsluitend verbonden zijn aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations, alsmede de in het buitenland verblijvende journalisten verbonden aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations die naar België komen voor de uitoefening van hun opdracht voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;
16° (personen die in het buitenland verblijven, er tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om aan internationale sportwedstrijden deel te nemen evenals de scheidsrechters, begeleiders, officiële vertegenwoordigers, personeelsleden en alle andere personen geaccrediteerd en/of erkend door internationale of nationale sportfederaties, voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
17° de schouwspelartiesten met internationale faam evenals de begeleiders waarvan de aanwezigheid vereist is voor het schouwspel op voorwaarde dat hun verblijf in België drie opeenvolgende maanden niet overschrijdt;
18° [4 de personen die een machtiging tot verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België, uitsluitend voor de arbeidsprestaties tijdens de schoolvakanties]4
19° [4 de studenten die verplichte stages verrichten in België ten behoeve van hun in België of in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte verrichte studies of in de Zwitserse Bondsstaat;]4
20° (de personen die tewerkgesteld worden in uitvoering van internationale akkoorden die werden goedgekeurd door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
21° (a) stagiairs die tewerkgesteld worden door een Belgische overheid;
b) stagiairs die tewerkgesteld worden door een internationale instelling van publiek recht in België gevestigd en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, of die tewerkgesteld worden in het kader van een programma goedgekeurd door die instelling;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
22° (a) leerlingen die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt hebben, die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;
b) leerlingen die wettig in België verblijven en die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(23° de werknemers in het bezit van een arbeidskaart A, B of C, zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit, voor de arbeid verricht op het grondgebied van een andere bevoegde overheid dan deze die de arbeidskaart heeft afgeleverd en wanneer het een werknemer betreft die in het bezit is van een arbeidskaart B om hetzelfde beroep uit te oefenen bij dezelfde werkgever als deze tot wie de tewerkstelling beperkt is;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(24° de personen die tewerkgesteld worden door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
25° de postdoctorale vreemdelingen die houder zijn van een doctorsgraad of een gelijkwaardige kwalificatie hebben, die genieten van een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek en die in het kader van de internationale mobiliteit een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in een gastuniversiteit tot een goed einde brengen met het oog op de valorisering van hun wetenschappelijke kennis opgedaan in het kader van het doctoraat en dit voor een periode van maximum drie jaar; de universiteit moet de bevoegde overheid informeren van de komst van de postdoctorandus, ten laatste binnen de maand van aankomst.) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(26° [14 de onderzoekers die naar België komen voor maximum negentig dagen onderzoek te doen bij een erkende onderzoeksinstelling gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet-EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten. De maximale duur van het onderzoek bedraagt honderdtachtig dagen op elke periode van driehonderdzestig dagen voor onderzoekers die beschikken over een vergunning voor onderzoeker uitgereikt door een eerste lidstaat en geldig tijdens de volledige duur van het onderzoek, voor zover ze beschikken over een gastovereenkomst in een eerste lidstaat en dat hun arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden minstens gelijk zijn aan dat van onderzoekers met gelijkaardige functies.]14
27° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 4° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007;]2
28° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet van 27 december 2006, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007.]2
29° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat [15 waarmee België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers verbonden is]15, die naar België komen om een opleiding te volgen van minder of gelijk aan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep.
De vrijstelling is beperkt tot de duur van de opleiding.
De in dit eerste punt bedoelde onderneming die de opleiding organiseert is ertoe gehouden de bevoegde overheid in kennis te stellen van de komst van de in opleiding zijnde werknemer en dit uiterlijk bij aanvang van de opleiding.
30° de buitenlandse onderdanen die tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever, die naar België komen om prototypes van voertuigen uit te testen of om prototypes uit te testen die ontwikkeld zijn door een onderzoekinstelling bedoeld in 26°
De vrijstelling is beperkt tot de duur van het uittesten van de prototypes. Per betrokken buitenlandse onderdaan kan de vrijstelling voor maximum vier weken per kalenderjaar ingeroepen worden.
Onder " prototype " wordt verstaan, het oorspronkelijke of eerste model van een product dat aan een intensief proefondervindelijk gebruik onderworpen wordt voordat het product in productie kan gaan;
31° de werknemers die naar België worden gedetacheerd voor de initiële assemblage en/of de eerste installatie van een goed, die een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van een overeenkomst voor de levering van goederen en die noodzakelijk is voor het in werking stellen van het geleverde goed en die uitgevoerd wordt door gekwalificeerde en/of gespecialiseerde werknemers van de leverende onderneming, wanneer de duur van de bedoelde werken niet meer dan acht dagen bedraagt. Deze afwijking geldt evenwel niet voor activiteiten in de bouwsector, zoals hierna gedefinieerd in artikel 10 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 genomen ter uitvoering van Hoofdstuk 8 van Titel IV van de Programmawet (I) van 27 december 2006;
32° de buitenlandse onderdanen die als gespecialiseerde technici tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om dringende onderhouds- of herstellingswerken aan machines of apparaten uit te voeren die door hun werkgever geleverd werden aan de in België gevestigde onderneming, in dewelke de herstellingen of het onderhoud plaatsvinden mits hun verblijf, nodig voor de activiteiten, niet meer dan vijf dagen per maand bedraagt;
33° de buitenlandse onderdanen die door een hoofdkwartier tewerkgesteld worden als kaderlid [1 of als leidinggevend personeel]1, voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [6 bedrag van 65.771 EUR berekend en aangepast volgens artikel 37 van dit besluit]6.
Het hoofdkwartier moet de bevoegde overheid inlichten van de komst van het kaderlid [1 of van het betrokken leidinggevend personeelslid]1 en dit uiterlijk bij aanvang van zijn tewerkstelling;) <KB 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[3 34° [15 ...]15]3
[10 35° de buitenlandse onderdanen die het statuut van langdurig ingezeten onderdanen in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, voor zover ze gedurende een ononderbroken periode van twaalf maanden tewerkgesteld geweest zijn overeenkomstig artikel 9, eerste lid, 20°, van dit besluit.
Voor de toepassing van 35° worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van volledige arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich hebben voorgedaan op een moment dat de betrokkene op regelmatige wijze was tewerkgesteld door een in België gevestigde werkgever.]10
[13 36° De persoon die overgeplaatst wordt binnen een onderneming voor maximum negentig dagen op elke periode van honderdtachtig dagen, houder van een vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon uitgereikt door een andere lidstaat en geldig tijdens de volledige duur van de overplaatsing, en van wie de betrekking voldoet aan de volgende voorwaarden:
a) De gastentiteit en het bedrijf gevestigd in een derde land behoren tot hetzelfde bedrijf of tot dezelfde bedrijvengroep;
b) De werknemer beschikt over een arbeidsovereenkomst die hem bindt aan zijn werkgever gevestigd in een derde land;
c) Als het gaat om een leidinggevende ICT of een specialist ICT, dan beschikt deze over een opdrachtbrief ondertekend door de werkgever, met vermelding van de duur van de overplaatsing en de uitgeoefende functie, alsook de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden voor de duur van de overplaatsing;
d) Als het gaat om een stagiair-werknemer ICT, beschikt deze over een stageovereenkomst die de duur van de overplaatsing en het opleidingsprogramma vermeldt, alsook de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden voor de duur van de overplaatsing.]13
[16 37° [17 ...]17]16
De [11 Gewestminister]11 kan de criteria bepalen die toelaten om het begrip internationale faam bedoeld in lid 1, 17° te bepalen.
(Behalve in de gevallen bedoeld [2 in het eerste lid 1°, [4 ...]4 19° en 22°, a)]2, gelden de vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld onder dit artikel slechts als de begunstigden ervan voldoen aan het vereiste inzake wettig verblijf, zoals omschreven in artikel 1, 6°.
In afwijking op het voorgaande lid wordt de verblijfstoestand van de buitenlandse onderdaan die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden als wettig verblijf beschouwd voor de toepassing van (artikel 2, eerste lid, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, [12 21°,]12 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°,32° [12 , 33° [16 , 36° en 37°]16]12).) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[4 De vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld in dit artikel gelden ook ten aanzien van de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die gemachtigd of toegelaten is tot het verblijf en die in afwachting is van de afgifte van het verblijfsdocument.]4
[4 Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de [11 Gewestminister]11 de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]4
1° [4 de onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte evenals de onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat;]4
2° [4 a) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen " (F kaart);
b) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F+ kaart);
c) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit is, gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf, van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals :
- van een geldig attest van immatriculatie,
- of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
d) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die gedurende het beroep ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen houder is van een geldig document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
e) de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden.]4;
3° (a) de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een vestigingsvergunning;
b) de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden om onbeperkt te verblijven met toepassing van de wet van 15 december 1980 of van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, behalve de personen bedoeld in artikel 9, eerste lid, 16° en 17°;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
4° de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van één van de documenten bepaald bij het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten;
5° de in België erkende vluchteling;
6° de bedienaars van de erkende erediensten, voor zover hun activiteiten de bediening betreft;
7° het aan de commissies voor militaire begraafplaatsen verbonden personeel, dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt;
8° de werknemers die ingeschreven zijn in de Pool der zeelieden van de Belgische koopvaardij;
9° het rijdend of varend personeel dat voor rekening van een in het buitenland gevestigde werkgever tewerkgesteld is aan werken van vervoer te land, ter zee of in de lucht, op voorwaarde dat hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
10° de handelsvertegenwoordigers met hoofdverblijf in het buitenland, die hun klanten in België bezoeken, voor rekening van in het buitenland gevestigde ondernemingen zonder bijhuis in België en die in het bezit zijn van de legitimatiekaart ingesteld bij artikel 10 van de Internationale overeenkomst voor de vereenvoudiging van de douane-formaliteiten ondertekend te Genève, op 3 november 1923 en voor zover hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
11° de personen die naar België gekomen zijn om, voor rekening van een in het buitenland gevestigde onderneming, door de Belgische nijverheid geleverde goederen in ontvangst te nemen, voor zover hun verblijf in het land geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
12° het kaderpersoneel en vorsers in dienst van een coördinatiecentrum, dat geniet van de voordelen voorzien in het artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, of in dienst van een onderneming gevestigd in een tewerkstellingszone die geniet van de voordelen voorzien in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van de tewerkstellingszones, voor de duur van hun tewerkstelling in het centrum of de onderneming gevestigd in de tewerkstellingszone;
13° de dienstboden die toeristen vergezellen, op voorwaarde dat deze laatsten niet langer dan drie opeenvolgende maanden in België verblijven;
14° de werknemers, die geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die tewerkgesteld zijn door een in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten op voorwaarde dat :
a) deze werknemers, in de Lidstaat van de Europese Economische Ruimte waar zij verblijven, beschikken over een recht op verblijf of een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden;
b) deze werknemers op wettige wijze in de Lidstaat waar zij verblijven tewerkgesteld zijn en deze vergunning ten minste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk;
c) deze werknemers in het bezit zijn van een regelmatige arbeidsovereenkomst;
d) (oude e) (deze werknemers over een paspoort en een verblijfsvergunning van een duur die minstens gelijkwaardig is met de duur van de dienstverlening beschikken, teneinde hun terugkeer naar hun land van oorsprong of verblijf te verzekeren.) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
15° de in België verblijvende journalisten die uitsluitend verbonden zijn aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations, alsmede de in het buitenland verblijvende journalisten verbonden aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations die naar België komen voor de uitoefening van hun opdracht voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;
16° (personen die in het buitenland verblijven, er tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om aan internationale sportwedstrijden deel te nemen evenals de scheidsrechters, begeleiders, officiële vertegenwoordigers, personeelsleden en alle andere personen geaccrediteerd en/of erkend door internationale of nationale sportfederaties, voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
17° de schouwspelartiesten met internationale faam evenals de begeleiders waarvan de aanwezigheid vereist is voor het schouwspel op voorwaarde dat hun verblijf in België drie opeenvolgende maanden niet overschrijdt;
18° [4 de personen die een machtiging tot verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België, uitsluitend voor de arbeidsprestaties tijdens de schoolvakanties]4
19° [4 de studenten die verplichte stages verrichten in België ten behoeve van hun in België of in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte verrichte studies of in de Zwitserse Bondsstaat;]4
20° (de personen die tewerkgesteld worden in uitvoering van internationale akkoorden die werden goedgekeurd door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
21° (a) stagiairs die tewerkgesteld worden door een Belgische overheid;
b) stagiairs die tewerkgesteld worden door een internationale instelling van publiek recht in België gevestigd en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, of die tewerkgesteld worden in het kader van een programma goedgekeurd door die instelling;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
22° (a) leerlingen die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt hebben, die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;
b) leerlingen die wettig in België verblijven en die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(23° de werknemers in het bezit van een arbeidskaart A, B of C, zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit, voor de arbeid verricht op het grondgebied van een andere bevoegde overheid dan deze die de arbeidskaart heeft afgeleverd en wanneer het een werknemer betreft die in het bezit is van een arbeidskaart B om hetzelfde beroep uit te oefenen bij dezelfde werkgever als deze tot wie de tewerkstelling beperkt is;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(24° de personen die tewerkgesteld worden door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
25° de postdoctorale vreemdelingen die houder zijn van een doctorsgraad of een gelijkwaardige kwalificatie hebben, die genieten van een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek en die in het kader van de internationale mobiliteit een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in een gastuniversiteit tot een goed einde brengen met het oog op de valorisering van hun wetenschappelijke kennis opgedaan in het kader van het doctoraat en dit voor een periode van maximum drie jaar; de universiteit moet de bevoegde overheid informeren van de komst van de postdoctorandus, ten laatste binnen de maand van aankomst.) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(26° [14 de onderzoekers die naar België komen voor maximum negentig dagen onderzoek te doen bij een erkende onderzoeksinstelling gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet-EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten. De maximale duur van het onderzoek bedraagt honderdtachtig dagen op elke periode van driehonderdzestig dagen voor onderzoekers die beschikken over een vergunning voor onderzoeker uitgereikt door een eerste lidstaat en geldig tijdens de volledige duur van het onderzoek, voor zover ze beschikken over een gastovereenkomst in een eerste lidstaat en dat hun arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden minstens gelijk zijn aan dat van onderzoekers met gelijkaardige functies.]14
27° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 4° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007;]2
28° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet van 27 december 2006, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007.]2
29° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat [15 waarmee België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers verbonden is]15, die naar België komen om een opleiding te volgen van minder of gelijk aan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep.
De vrijstelling is beperkt tot de duur van de opleiding.
De in dit eerste punt bedoelde onderneming die de opleiding organiseert is ertoe gehouden de bevoegde overheid in kennis te stellen van de komst van de in opleiding zijnde werknemer en dit uiterlijk bij aanvang van de opleiding.
30° de buitenlandse onderdanen die tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever, die naar België komen om prototypes van voertuigen uit te testen of om prototypes uit te testen die ontwikkeld zijn door een onderzoekinstelling bedoeld in 26°
De vrijstelling is beperkt tot de duur van het uittesten van de prototypes. Per betrokken buitenlandse onderdaan kan de vrijstelling voor maximum vier weken per kalenderjaar ingeroepen worden.
Onder " prototype " wordt verstaan, het oorspronkelijke of eerste model van een product dat aan een intensief proefondervindelijk gebruik onderworpen wordt voordat het product in productie kan gaan;
31° de werknemers die naar België worden gedetacheerd voor de initiële assemblage en/of de eerste installatie van een goed, die een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van een overeenkomst voor de levering van goederen en die noodzakelijk is voor het in werking stellen van het geleverde goed en die uitgevoerd wordt door gekwalificeerde en/of gespecialiseerde werknemers van de leverende onderneming, wanneer de duur van de bedoelde werken niet meer dan acht dagen bedraagt. Deze afwijking geldt evenwel niet voor activiteiten in de bouwsector, zoals hierna gedefinieerd in artikel 10 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 genomen ter uitvoering van Hoofdstuk 8 van Titel IV van de Programmawet (I) van 27 december 2006;
32° de buitenlandse onderdanen die als gespecialiseerde technici tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om dringende onderhouds- of herstellingswerken aan machines of apparaten uit te voeren die door hun werkgever geleverd werden aan de in België gevestigde onderneming, in dewelke de herstellingen of het onderhoud plaatsvinden mits hun verblijf, nodig voor de activiteiten, niet meer dan vijf dagen per maand bedraagt;
33° de buitenlandse onderdanen die door een hoofdkwartier tewerkgesteld worden als kaderlid [1 of als leidinggevend personeel]1, voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [6 bedrag van 65.771 EUR berekend en aangepast volgens artikel 37 van dit besluit]6.
Het hoofdkwartier moet de bevoegde overheid inlichten van de komst van het kaderlid [1 of van het betrokken leidinggevend personeelslid]1 en dit uiterlijk bij aanvang van zijn tewerkstelling;) <KB 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[3 34° [15 ...]15]3
[10 35° de buitenlandse onderdanen die het statuut van langdurig ingezeten onderdanen in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, voor zover ze gedurende een ononderbroken periode van twaalf maanden tewerkgesteld geweest zijn overeenkomstig artikel 9, eerste lid, 20°, van dit besluit.
Voor de toepassing van 35° worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van volledige arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich hebben voorgedaan op een moment dat de betrokkene op regelmatige wijze was tewerkgesteld door een in België gevestigde werkgever.]10
[13 36° De persoon die overgeplaatst wordt binnen een onderneming voor maximum negentig dagen op elke periode van honderdtachtig dagen, houder van een vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon uitgereikt door een andere lidstaat en geldig tijdens de volledige duur van de overplaatsing, en van wie de betrekking voldoet aan de volgende voorwaarden:
a) De gastentiteit en het bedrijf gevestigd in een derde land behoren tot hetzelfde bedrijf of tot dezelfde bedrijvengroep;
b) De werknemer beschikt over een arbeidsovereenkomst die hem bindt aan zijn werkgever gevestigd in een derde land;
c) Als het gaat om een leidinggevende ICT of een specialist ICT, dan beschikt deze over een opdrachtbrief ondertekend door de werkgever, met vermelding van de duur van de overplaatsing en de uitgeoefende functie, alsook de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden voor de duur van de overplaatsing;
d) Als het gaat om een stagiair-werknemer ICT, beschikt deze over een stageovereenkomst die de duur van de overplaatsing en het opleidingsprogramma vermeldt, alsook de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden voor de duur van de overplaatsing.]13
[16 37° [17 ...]17]16
De [11 Gewestminister]11 kan de criteria bepalen die toelaten om het begrip internationale faam bedoeld in lid 1, 17° te bepalen.
(Behalve in de gevallen bedoeld [2 in het eerste lid 1°, [4 ...]4 19° en 22°, a)]2, gelden de vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld onder dit artikel slechts als de begunstigden ervan voldoen aan het vereiste inzake wettig verblijf, zoals omschreven in artikel 1, 6°.
In afwijking op het voorgaande lid wordt de verblijfstoestand van de buitenlandse onderdaan die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden als wettig verblijf beschouwd voor de toepassing van (artikel 2, eerste lid, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, [12 21°,]12 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°,32° [12 , 33° [16 , 36° en 37°]16]12).) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[4 De vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld in dit artikel gelden ook ten aanzien van de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die gemachtigd of toegelaten is tot het verblijf en die in afwachting is van de afgifte van het verblijfsdocument.]4
[4 Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de [11 Gewestminister]11 de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]4
Wijzigingen
Art. 2 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Sont dispensés de l'obligation d'obtenir un permis de travail :
1° [4 le ressortissant d'un Etat membre de l'Espace économique européen ainsi que le ressortissant de la Confédération suisse;]4
2° [4 a) le ressortissant étranger en possession d'une " carte de séjour de membre de la famille d'un citoyen de l'Union " conforme au modèle figurant à l'annexe 9 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers " (carte F);
b) le ressortissant étranger en possession d'une " Carte de séjour permanent de membre de la famille d'un citoyen de l'Union " conforme au modèle figurant à l'annexe 9bis de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers (carte F+);
c) le ressortissant étranger invoquant le bénéfice d'un droit au séjour sur la base de l'article 40bis ou de l'article 40ter de la loi du 15 décembre 1980, en possession, durant la période d'examen de la demande de reconnaissance du droit de séjour d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 19ter de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ainsi que :
- d'une attestation d'immatriculation valide,
- ou d'un certificat d'inscription au registre des étrangers temporaire valide;
d) le ressortissant étranger invoquant le bénéfice d'un droit de séjour sur la base de l'article 40bis ou de l'article 40ter de la loi du 15 décembre 1980 en possession, durant le recours devant le Conseil du Contentieux des Etrangers, d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 35 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers en cours de validité;
e) le conjoint d'un Belge, en possession d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 15 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 en qualité de travailleur frontalier, tant que cette personne dispose, dans l'Etat de sa résidence, d'un droit ou d'une autorisation de séjour supérieurs à trois mois.]4;
3° (a) les ressortissants étrangers en possession d'un titre d'établissement;
b) les ressortissants étrangers autorisés ou admis au séjour illimité en application de la loi du 15 décembre 1980 ou de la loi du 22 décembre 1999 relative à la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume, sauf les personnes visées à l'article 9, alinéa 1er, 16° et 17°;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
4° les ressortissants étrangers en possession de l'un des documents prévus par l'arrêté royal du 30 octobre 1991, relatif aux documents de séjour en Belgique de certains étrangers pour l'exercice des fonctions qui donnent droit à l'obtention de ces documents;
5° le réfugié reconnu en Belgique;
6° les ministres des cultes reconnus, pour les activités relevant de leur ministère;
7° le personnel attaché aux commissions des sépultures militaires qui assure l'entretien des sépultures des militaires de nationalité étrangère;
8° les travailleurs inscrits au Pool des marins de la marine marchande belge;
9° le personnel roulant ou navigant occupé, pour le compte d'un employeur établi à l'étranger, à des travaux de transport par terre, par mer ou par air, à condition que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
10° les représentants de commerce ayant leur résidence principale à l'étranger et visitant leur clientèle en Belgique pour compte d'entreprises établies à l'étranger et n'ayant pas de succursales en Belgique qui sont en possession de la carte de légitimation instituée par l'article 10 de la Convention internationale pour la simplification des formalités douanières signée à Genève, le 3 novembre 1923 et pour autant que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
11° les personnes venues en Belgique pour procéder, pour compte d'une entreprise établie à l'étranger, à la réception de marchandises fournies par l'industrie belge, pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;
12° les cadres et chercheurs au service d'un centre de coordination bénéficiant des avantages prévus à l'article 6 de l'arrêté royal n° 187 du 30 décembre 1982 relatif à la création de centres de coordination ou au service d'une entreprise établie dans une zone d'emploi bénéficiant des avantages prévus à l'article 9 de l'arrêté royal n° 118 du 23 décembre 1982 relatif à la création de zones d'emploi, pour la durée de leur emploi dans le centre ou l'entreprise établie dans la zone d'emploi;
13° le personnel domestique accompagnant les touristes faisant un séjour en Belgique qui ne dépasse pas trois mois consécutifs;
14° les travailleurs, non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace Economique Européen, qui sont occupés par une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace Economique Européen qui se rend en Belgique pour fournir des services, à condition :
a) que ces travailleurs disposent dans l'Etat membre de l'Espace Economique Européen de leur résidence, d'un droit ou d'une autorisation de séjour supérieur à trois mois;
b) que ces travailleurs soient légalement autorisés à travailler dans l'Etat membre de leur résidence et que cette autorisation soit au moins valable pour la durée de la prestation à accomplir en Belgique;
c) que ces travailleurs soient titulaires d'un contrat de travail régulier;
d) (ancien e) (ces travailleurs disposent, afin de garantir leur retour dans leur pays d'origine ou de résidence, d'un passeport et d'un titre de séjour d'une durée équivalente au minimum à la durée de la prestation.) <AR 2008-04-23/32, art. 1, 2°, 018; En vigueur : 20-05-2008>
15° les journalistes séjournant en Belgique qui sont exclusivement attachés à des journaux publiés à l'étranger, ou à des agences de presse, stations de radio ou télévision établies à l'étranger, ainsi que les journalistes séjournant à l'étranger attachés à des journaux publiés à l'étranger ou à des agences de presse, des stations de radio ou télévision établies à l'étranger qui viennent en Belgique pour l'exécution de leur mission pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;
16° (les personnes résidant à l'étranger, occupées par un employeur situé à l'étranger et venant en Belgique pour participer à des épreuves sportives internationales ainsi que les arbitres, accompagnateurs, délégués officiels, membres du personnel et autres personnes accréditées et/ou agréées par les fédérations sportives internationales ou nationales, pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
17° les artistes de spectacle de réputation internationale ainsi que les accompagnateurs dont la présence est requise pour le spectacle à condition que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
18° [4 les personnes autorisées au séjour, aux fins d'études en Belgique, qui sont inscrites dans un établissement d'enseignement en Belgique, uniquement pour les prestations de travail pendant les vacances scolaires;]4
(19° [4 les étudiants qui effectuent des stages obligatoires en Belgique pour les besoins de leurs études effectuées en Belgique ou dans un Etat membre de l'Espace économique européen ou dans la Confédération suisse]4;
20° les personnes qui sont occupées en exécution d'accords internationaux qui ont été approuvés par une autorité fédérale, régionale ou communautaire dans le cadre de leurs compétences respectives;
21° a) les stagiaires occupés par un pouvoir public belge;
b) les stagiaires occupés par une organisation internationale de droit public établie en Belgique et dont le statut est régi par un traité en vigueur, ou occupés dans le cadre d'un programme approuvé par cette organisation;
22° a) les apprentis engagés avant l'âge de dix-huit ans dans les liens d'un contrat d'apprentissage ou de formation en alternance agréé par l'autorité qui en a la compétence;
b) les apprentis séjournant légalement en Belgique et engagés dans les liens d'un contrat d'apprentissage ou de formation en alternance agréé par l'autorité qui en a la compétence;
23° les travailleurs en possession d'un permis de travail A, B ou C, visés à l'article 3 du présent arrêté, pour les prestations effectuées sur le territoire d'une autre autorité compétente que celle qui a délivré le permis de travail et, lorsqu'il s'agit d'un travailleur en possession d'un permis B, pour exercer la même profession au service du même employeur que celui auprès duquel est limitée l'occupation;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
(24° les personnes occupées par une agence locale pour l'emploi;
25° les postdoctorants étrangers titulaires d'un titre de docteur ou d'une qualification équivalente, bénéficiaires d'un subside à savant et qui mènent à bien, dans le cadre de la mobilité internationale, une recherche scientifique fondamentale dans une université d'accueil en vue de valoriser leur compétence scientifique acquise dans le cadre du doctorat et ce pour une période de maximum trois ans; l'université est tenue d'informer l'autorité compétente de la venue du postdoctorant, au plus tard dans le mois de celle-ci.) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
(26 ° [14 es chercheurs qui viennent en Belgique pour faire de la recherche pour une durée maximale de nonante jours auprès d'un organisme de recherche agréé situé en Région de Bruxelles-Capitale visé par l'arrêté royal du 8 juin 2007 contenant les conditions d'agrément des organismes de recherche qui souhaitent conclure, dans le cadre de projets de recherche, des conventions d'accueil avec des chercheurs de pays hors Union européenne et fixant les conditions auxquelles de telles conventions d'accueil peuvent être conclues. La durée maximale de la recherche est portée à cent quatre-vingts jours sur toute période de trois cent soixante jours pour les chercheurs qui sont titulaires d'un permis pour chercheur délivré par un premier Etat membre valide durant toute la durée de la recherche, pour autant qu'ils disposent d'une convention d'accueil dans un premier Etat membre et que leurs conditions de travail et de revenu soient au moins aussi favorables que celles accordées aux chercheurs occupant des fonctions comparables.]14
27° [2 les ressortissants étrangers visés par l'article 1er, 4° de l'arrêté royal du 20 mars 2007 pris en exécution du Chapitre 8, du Titre IV, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 instaurant une déclaration préalable pour les travailleurs salariés et indépendants détachés, modifié par l'arrêté royal du 31 août 2007;]2
28° [2 les ressortissants étrangers visés par l'article 1er, 5° de l'arrêté royal du 20 mars 2007 pris en exécution du Chapitre 8, du Titre IV, de la loi-programme du 27 décembre 2006, modifié par l'arrêté royal, modifié par l'arrêté royal du 31 août 2007.]2
29° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace économique européen, soit ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, soit ressortissants d'un Etat [15 avec lequel la Belgique est liée par une convention ou un accord international en matière d'occupation de travailleurs]15, venant en Belgique pour suivre une formation d'une durée inférieure ou égale à trois mois calendrier au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational.
La dispense est limitée à la durée de la formation.
L'entreprise visée par ce point qui organise la formation est tenue d'informer l'autorité compétente de la venue du travailleur en formation au plus tard au moment où débute la formation.
30° les ressortissants étrangers occupés par un employeur établi à l'étranger qui viennent en Belgique afin d'effectuer des tests de prototype de véhicules ou pour effectuer des tests de prototype qui sont développés par un organisme de recherche visé au 26°.
La dispense est limitée à la durée du test de prototypes. Elle peut être invoquée à raison de maximum quatre semaines par année civile et par ressortissant étranger concerné.
Par " prototype ", on entend l'original ou le premier modèle d'un produit qui est soumis à un usage expérimental intensif avant que le produit puisse entrer à la production ;
31° les travailleurs salariés qui sont détachés en Belgique pour l'assemblage initial et/ou la première installation d'un bien, qui constitue une composante essentielle d'un contrat pour la livraison de marchandises, et qui est nécessaire pour la mise en marche du bien fourni et qui est effectué par les travailleurs qualifiés et/ou spécialisés de l'entreprise qui fournit le bien, quand la durée des travaux visés ne s'élève pas à plus de huit jours. Cette dérogation ne vaut pas toutefois pour les activités dans le secteur de la construction, telles que définies à l'article 10 de l'arrêté royal du pris en exécution du Chapitre 8 du Titre IV de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 ;
32° les ressortissants étrangers qui sont occupés en qualité de techniciens spécialisés par un employeur établi à l'étranger et qui se rendent en Belgique pour effectuer des travaux d'entretien urgents ou des travaux de réparation urgents à des machines ou appareils livrés par leur employeur à l'entreprise établie en Belgique au sein de laquelle les réparations ou l'entretien sont effectués, à la condition que leur période de séjour nécessité par ces activités ne dépasse pas cinq jours par mois;
33° les ressortissants étrangers employés par un siège central comme cadre [1 ou comme personnel de direction]1, pour autant que leur rémunération annuelle dépasse le montant [6 de 65.771 EUR calculé et adapté suivant l'article 37 du présent arrêté]6.
Le siège central est tenu d'informer l'autorité compétente de la venue du cadre [1 ou du membre du personnel de direction concerné]1 au plus tard au moment de sa mise au travail;) <AR 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; En vigueur : 08-10-2007>
[3 34° [15 ...]15;]3
[10 35° les ressortissants étrangers ayant obtenu le statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, en vertu d'une législation ou réglementation transposant la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, pour autant qu'ils aient été occupé pendant une période ininterrompue de douze mois, et ce, conformément à l'article 9, alinéa premier, 20°, du présent arrêté.
Pour l'application du 35°, sont assimilées à des périodes de travail, les périodes d'incapacité totale de travail résultant d'une maladie professionnelle, d'un accident du travail ou d'un accident survenu sur le chemin du travail alors que l'intéressé était occupé régulièrement par un employeur établi en Belgique.]10
[13 36° Les personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe d'une durée maximale de nonante jours sur toute période de cent quatre-vingts jours, titulaires d'un permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe délivré par un autre Etat membre valide durant toute la durée du transfert, et dont l'occupation répond aux conditions suivantes :
a) L'entité hôte et l'entreprise établie dans un pays tiers appartiennent à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises;
b) Le travailleur dispose d'un contrat de travail le liant à son employeur établi dans un pays tiers;
c) S'il s'agit d'un cadre ICT ou d'un expert ICT, celui-ci dispose d'une lettre de mission signée par l'employeur, spécifiant la durée du transfert et la fonction exercée ainsi que les conditions de travail et de rémunération pour la durée du transfert;
d) S'il s'agit d'un employé stagiaire ICT, celui-ci dispose d'une convention de stage spécifiant la durée du transfert et le programme de formation ainsi que les conditions de travail et de rémunération pour la durée du transfert.]13
[16 37° [17 ...]17]16
Le [11 Ministre régional]11 peut déterminer les critères permettant de définir la notion de réputation internationale visée à l'alinéa 1er, 17°.
(A l'exception des cas visés [2 à l'alinéa 1er, 1°, [4 ...]4 19° et 22°, a)]2 , les dispenses de l'obligation d'obtenir un permis de travail mentionnées au présent article ne valent que si leurs bénéficiaires satisfont à la condition en matière de séjour légal, définie à l'article 1er, 6°.
Par dérogation à l'alinéa précédent, la situation de séjour de l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période de trois mois maximum est considérée comme séjour légal pour l'application de (l'article 2, alinéa 1er, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, [12 21°,]12 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°, 32° [12 , 33° [16 36° et 37°]16]12).) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003 <AR 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; En vigueur : 08-10-2007>>
[4 Les dispenses de l'obligation d'obtenir un permis de travail mentionnées au présent article valent aussi à l'égard du ressortissant étranger, en possession d'un document établi conformément à l'annexe 15 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, qui est autorisé ou admis au séjour, et en attente de la délivrance du document de séjour.]4
[4 Afin de se conformer à des modifications intervenues, quant à la dénomination des titres et documents de séjour, dans la loi du 15 décembre 1980 et dans l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement, et l'éloignement des étrangers, le [11 Ministre régional]11 peut adapter la dénomination des titres et documents de séjour visés par le présent article.]4
Sont dispensés de l'obligation d'obtenir un permis de travail :
1° [4 le ressortissant d'un Etat membre de l'Espace économique européen ainsi que le ressortissant de la Confédération suisse;]4
2° [4 a) le ressortissant étranger en possession d'une " carte de séjour de membre de la famille d'un citoyen de l'Union " conforme au modèle figurant à l'annexe 9 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers " (carte F);
b) le ressortissant étranger en possession d'une " Carte de séjour permanent de membre de la famille d'un citoyen de l'Union " conforme au modèle figurant à l'annexe 9bis de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers (carte F+);
c) le ressortissant étranger invoquant le bénéfice d'un droit au séjour sur la base de l'article 40bis ou de l'article 40ter de la loi du 15 décembre 1980, en possession, durant la période d'examen de la demande de reconnaissance du droit de séjour d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 19ter de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ainsi que :
- d'une attestation d'immatriculation valide,
- ou d'un certificat d'inscription au registre des étrangers temporaire valide;
d) le ressortissant étranger invoquant le bénéfice d'un droit de séjour sur la base de l'article 40bis ou de l'article 40ter de la loi du 15 décembre 1980 en possession, durant le recours devant le Conseil du Contentieux des Etrangers, d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 35 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers en cours de validité;
e) le conjoint d'un Belge, en possession d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 15 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 en qualité de travailleur frontalier, tant que cette personne dispose, dans l'Etat de sa résidence, d'un droit ou d'une autorisation de séjour supérieurs à trois mois.]4;
3° (a) les ressortissants étrangers en possession d'un titre d'établissement;
b) les ressortissants étrangers autorisés ou admis au séjour illimité en application de la loi du 15 décembre 1980 ou de la loi du 22 décembre 1999 relative à la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume, sauf les personnes visées à l'article 9, alinéa 1er, 16° et 17°;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
4° les ressortissants étrangers en possession de l'un des documents prévus par l'arrêté royal du 30 octobre 1991, relatif aux documents de séjour en Belgique de certains étrangers pour l'exercice des fonctions qui donnent droit à l'obtention de ces documents;
5° le réfugié reconnu en Belgique;
6° les ministres des cultes reconnus, pour les activités relevant de leur ministère;
7° le personnel attaché aux commissions des sépultures militaires qui assure l'entretien des sépultures des militaires de nationalité étrangère;
8° les travailleurs inscrits au Pool des marins de la marine marchande belge;
9° le personnel roulant ou navigant occupé, pour le compte d'un employeur établi à l'étranger, à des travaux de transport par terre, par mer ou par air, à condition que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
10° les représentants de commerce ayant leur résidence principale à l'étranger et visitant leur clientèle en Belgique pour compte d'entreprises établies à l'étranger et n'ayant pas de succursales en Belgique qui sont en possession de la carte de légitimation instituée par l'article 10 de la Convention internationale pour la simplification des formalités douanières signée à Genève, le 3 novembre 1923 et pour autant que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
11° les personnes venues en Belgique pour procéder, pour compte d'une entreprise établie à l'étranger, à la réception de marchandises fournies par l'industrie belge, pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;
12° les cadres et chercheurs au service d'un centre de coordination bénéficiant des avantages prévus à l'article 6 de l'arrêté royal n° 187 du 30 décembre 1982 relatif à la création de centres de coordination ou au service d'une entreprise établie dans une zone d'emploi bénéficiant des avantages prévus à l'article 9 de l'arrêté royal n° 118 du 23 décembre 1982 relatif à la création de zones d'emploi, pour la durée de leur emploi dans le centre ou l'entreprise établie dans la zone d'emploi;
13° le personnel domestique accompagnant les touristes faisant un séjour en Belgique qui ne dépasse pas trois mois consécutifs;
14° les travailleurs, non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace Economique Européen, qui sont occupés par une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace Economique Européen qui se rend en Belgique pour fournir des services, à condition :
a) que ces travailleurs disposent dans l'Etat membre de l'Espace Economique Européen de leur résidence, d'un droit ou d'une autorisation de séjour supérieur à trois mois;
b) que ces travailleurs soient légalement autorisés à travailler dans l'Etat membre de leur résidence et que cette autorisation soit au moins valable pour la durée de la prestation à accomplir en Belgique;
c) que ces travailleurs soient titulaires d'un contrat de travail régulier;
d) (ancien e) (ces travailleurs disposent, afin de garantir leur retour dans leur pays d'origine ou de résidence, d'un passeport et d'un titre de séjour d'une durée équivalente au minimum à la durée de la prestation.) <AR 2008-04-23/32, art. 1, 2°, 018; En vigueur : 20-05-2008>
15° les journalistes séjournant en Belgique qui sont exclusivement attachés à des journaux publiés à l'étranger, ou à des agences de presse, stations de radio ou télévision établies à l'étranger, ainsi que les journalistes séjournant à l'étranger attachés à des journaux publiés à l'étranger ou à des agences de presse, des stations de radio ou télévision établies à l'étranger qui viennent en Belgique pour l'exécution de leur mission pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;
16° (les personnes résidant à l'étranger, occupées par un employeur situé à l'étranger et venant en Belgique pour participer à des épreuves sportives internationales ainsi que les arbitres, accompagnateurs, délégués officiels, membres du personnel et autres personnes accréditées et/ou agréées par les fédérations sportives internationales ou nationales, pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
17° les artistes de spectacle de réputation internationale ainsi que les accompagnateurs dont la présence est requise pour le spectacle à condition que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
18° [4 les personnes autorisées au séjour, aux fins d'études en Belgique, qui sont inscrites dans un établissement d'enseignement en Belgique, uniquement pour les prestations de travail pendant les vacances scolaires;]4
(19° [4 les étudiants qui effectuent des stages obligatoires en Belgique pour les besoins de leurs études effectuées en Belgique ou dans un Etat membre de l'Espace économique européen ou dans la Confédération suisse]4;
20° les personnes qui sont occupées en exécution d'accords internationaux qui ont été approuvés par une autorité fédérale, régionale ou communautaire dans le cadre de leurs compétences respectives;
21° a) les stagiaires occupés par un pouvoir public belge;
b) les stagiaires occupés par une organisation internationale de droit public établie en Belgique et dont le statut est régi par un traité en vigueur, ou occupés dans le cadre d'un programme approuvé par cette organisation;
22° a) les apprentis engagés avant l'âge de dix-huit ans dans les liens d'un contrat d'apprentissage ou de formation en alternance agréé par l'autorité qui en a la compétence;
b) les apprentis séjournant légalement en Belgique et engagés dans les liens d'un contrat d'apprentissage ou de formation en alternance agréé par l'autorité qui en a la compétence;
23° les travailleurs en possession d'un permis de travail A, B ou C, visés à l'article 3 du présent arrêté, pour les prestations effectuées sur le territoire d'une autre autorité compétente que celle qui a délivré le permis de travail et, lorsqu'il s'agit d'un travailleur en possession d'un permis B, pour exercer la même profession au service du même employeur que celui auprès duquel est limitée l'occupation;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
(24° les personnes occupées par une agence locale pour l'emploi;
25° les postdoctorants étrangers titulaires d'un titre de docteur ou d'une qualification équivalente, bénéficiaires d'un subside à savant et qui mènent à bien, dans le cadre de la mobilité internationale, une recherche scientifique fondamentale dans une université d'accueil en vue de valoriser leur compétence scientifique acquise dans le cadre du doctorat et ce pour une période de maximum trois ans; l'université est tenue d'informer l'autorité compétente de la venue du postdoctorant, au plus tard dans le mois de celle-ci.) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
(26 ° [14 es chercheurs qui viennent en Belgique pour faire de la recherche pour une durée maximale de nonante jours auprès d'un organisme de recherche agréé situé en Région de Bruxelles-Capitale visé par l'arrêté royal du 8 juin 2007 contenant les conditions d'agrément des organismes de recherche qui souhaitent conclure, dans le cadre de projets de recherche, des conventions d'accueil avec des chercheurs de pays hors Union européenne et fixant les conditions auxquelles de telles conventions d'accueil peuvent être conclues. La durée maximale de la recherche est portée à cent quatre-vingts jours sur toute période de trois cent soixante jours pour les chercheurs qui sont titulaires d'un permis pour chercheur délivré par un premier Etat membre valide durant toute la durée de la recherche, pour autant qu'ils disposent d'une convention d'accueil dans un premier Etat membre et que leurs conditions de travail et de revenu soient au moins aussi favorables que celles accordées aux chercheurs occupant des fonctions comparables.]14
27° [2 les ressortissants étrangers visés par l'article 1er, 4° de l'arrêté royal du 20 mars 2007 pris en exécution du Chapitre 8, du Titre IV, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 instaurant une déclaration préalable pour les travailleurs salariés et indépendants détachés, modifié par l'arrêté royal du 31 août 2007;]2
28° [2 les ressortissants étrangers visés par l'article 1er, 5° de l'arrêté royal du 20 mars 2007 pris en exécution du Chapitre 8, du Titre IV, de la loi-programme du 27 décembre 2006, modifié par l'arrêté royal, modifié par l'arrêté royal du 31 août 2007.]2
29° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace économique européen, soit ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, soit ressortissants d'un Etat [15 avec lequel la Belgique est liée par une convention ou un accord international en matière d'occupation de travailleurs]15, venant en Belgique pour suivre une formation d'une durée inférieure ou égale à trois mois calendrier au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational.
La dispense est limitée à la durée de la formation.
L'entreprise visée par ce point qui organise la formation est tenue d'informer l'autorité compétente de la venue du travailleur en formation au plus tard au moment où débute la formation.
30° les ressortissants étrangers occupés par un employeur établi à l'étranger qui viennent en Belgique afin d'effectuer des tests de prototype de véhicules ou pour effectuer des tests de prototype qui sont développés par un organisme de recherche visé au 26°.
La dispense est limitée à la durée du test de prototypes. Elle peut être invoquée à raison de maximum quatre semaines par année civile et par ressortissant étranger concerné.
Par " prototype ", on entend l'original ou le premier modèle d'un produit qui est soumis à un usage expérimental intensif avant que le produit puisse entrer à la production ;
31° les travailleurs salariés qui sont détachés en Belgique pour l'assemblage initial et/ou la première installation d'un bien, qui constitue une composante essentielle d'un contrat pour la livraison de marchandises, et qui est nécessaire pour la mise en marche du bien fourni et qui est effectué par les travailleurs qualifiés et/ou spécialisés de l'entreprise qui fournit le bien, quand la durée des travaux visés ne s'élève pas à plus de huit jours. Cette dérogation ne vaut pas toutefois pour les activités dans le secteur de la construction, telles que définies à l'article 10 de l'arrêté royal du pris en exécution du Chapitre 8 du Titre IV de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 ;
32° les ressortissants étrangers qui sont occupés en qualité de techniciens spécialisés par un employeur établi à l'étranger et qui se rendent en Belgique pour effectuer des travaux d'entretien urgents ou des travaux de réparation urgents à des machines ou appareils livrés par leur employeur à l'entreprise établie en Belgique au sein de laquelle les réparations ou l'entretien sont effectués, à la condition que leur période de séjour nécessité par ces activités ne dépasse pas cinq jours par mois;
33° les ressortissants étrangers employés par un siège central comme cadre [1 ou comme personnel de direction]1, pour autant que leur rémunération annuelle dépasse le montant [6 de 65.771 EUR calculé et adapté suivant l'article 37 du présent arrêté]6.
Le siège central est tenu d'informer l'autorité compétente de la venue du cadre [1 ou du membre du personnel de direction concerné]1 au plus tard au moment de sa mise au travail;) <AR 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; En vigueur : 08-10-2007>
[3 34° [15 ...]15;]3
[10 35° les ressortissants étrangers ayant obtenu le statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, en vertu d'une législation ou réglementation transposant la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, pour autant qu'ils aient été occupé pendant une période ininterrompue de douze mois, et ce, conformément à l'article 9, alinéa premier, 20°, du présent arrêté.
Pour l'application du 35°, sont assimilées à des périodes de travail, les périodes d'incapacité totale de travail résultant d'une maladie professionnelle, d'un accident du travail ou d'un accident survenu sur le chemin du travail alors que l'intéressé était occupé régulièrement par un employeur établi en Belgique.]10
[13 36° Les personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe d'une durée maximale de nonante jours sur toute période de cent quatre-vingts jours, titulaires d'un permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe délivré par un autre Etat membre valide durant toute la durée du transfert, et dont l'occupation répond aux conditions suivantes :
a) L'entité hôte et l'entreprise établie dans un pays tiers appartiennent à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises;
b) Le travailleur dispose d'un contrat de travail le liant à son employeur établi dans un pays tiers;
c) S'il s'agit d'un cadre ICT ou d'un expert ICT, celui-ci dispose d'une lettre de mission signée par l'employeur, spécifiant la durée du transfert et la fonction exercée ainsi que les conditions de travail et de rémunération pour la durée du transfert;
d) S'il s'agit d'un employé stagiaire ICT, celui-ci dispose d'une convention de stage spécifiant la durée du transfert et le programme de formation ainsi que les conditions de travail et de rémunération pour la durée du transfert.]13
[16 37° [17 ...]17]16
Le [11 Ministre régional]11 peut déterminer les critères permettant de définir la notion de réputation internationale visée à l'alinéa 1er, 17°.
(A l'exception des cas visés [2 à l'alinéa 1er, 1°, [4 ...]4 19° et 22°, a)]2 , les dispenses de l'obligation d'obtenir un permis de travail mentionnées au présent article ne valent que si leurs bénéficiaires satisfont à la condition en matière de séjour légal, définie à l'article 1er, 6°.
Par dérogation à l'alinéa précédent, la situation de séjour de l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période de trois mois maximum est considérée comme séjour légal pour l'application de (l'article 2, alinéa 1er, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, [12 21°,]12 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°, 32° [12 , 33° [16 36° et 37°]16]12).) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003 <AR 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; En vigueur : 08-10-2007>>
[4 Les dispenses de l'obligation d'obtenir un permis de travail mentionnées au présent article valent aussi à l'égard du ressortissant étranger, en possession d'un document établi conformément à l'annexe 15 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, qui est autorisé ou admis au séjour, et en attente de la délivrance du document de séjour.]4
[4 Afin de se conformer à des modifications intervenues, quant à la dénomination des titres et documents de séjour, dans la loi du 15 décembre 1980 et dans l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement, et l'éloignement des étrangers, le [11 Ministre régional]11 peut adapter la dénomination des titres et documents de séjour visés par le présent article.]4
Wijzigingen
Art. 2_VLAAMS_GEWEST. Zijn vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart :
1° [4 de onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte evenals de onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat;]4
2° [4 a) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen " (F kaart);
b) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F+ kaart);
c) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit is, gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf, van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals :
- van een geldig attest van immatriculatie,
- of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
d) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die gedurende het beroep ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen houder is van een geldig document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
e) de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden.]4;
3° (a) de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een vestigingsvergunning;
b) de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden om onbeperkt te verblijven met toepassing van de wet van 15 december 1980 of van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, behalve de personen bedoeld in artikel 9, eerste lid, 16° en 17°;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
4° de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van één van de documenten bepaald bij het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten;
5° de in België erkende vluchteling;
6° de bedienaars van de erkende erediensten, voor zover hun activiteiten de bediening betreft;
7° het aan de commissies voor militaire begraafplaatsen verbonden personeel, dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt;
8° de werknemers die ingeschreven zijn in de Pool der zeelieden van de Belgische koopvaardij;
9° het rijdend of varend personeel dat voor rekening van een in het buitenland gevestigde werkgever tewerkgesteld is aan werken van vervoer te land, ter zee of in de lucht, op voorwaarde dat hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
10° de handelsvertegenwoordigers met hoofdverblijf in het buitenland, die hun klanten in België bezoeken, voor rekening van in het buitenland gevestigde ondernemingen zonder bijhuis in België en die in het bezit zijn van de legitimatiekaart ingesteld bij artikel 10 van de Internationale overeenkomst voor de vereenvoudiging van de douane-formaliteiten ondertekend te Genève, op 3 november 1923 en voor zover hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
11° de personen die naar België gekomen zijn om, voor rekening van een in het buitenland gevestigde onderneming, door de Belgische nijverheid geleverde goederen in ontvangst te nemen, voor zover hun verblijf in het land geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
12° het kaderpersoneel en vorsers in dienst van een coördinatiecentrum, dat geniet van de voordelen voorzien in het artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, of in dienst van een onderneming gevestigd in een tewerkstellingszone die geniet van de voordelen voorzien in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van de tewerkstellingszones, voor de duur van hun tewerkstelling in het centrum of de onderneming gevestigd in de tewerkstellingszone;
13° de dienstboden die toeristen vergezellen, op voorwaarde dat deze laatsten niet langer dan drie opeenvolgende maanden in België verblijven;
14° de werknemers, die geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die tewerkgesteld zijn door een in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten op voorwaarde dat :
a) deze werknemers, in de Lidstaat van de Europese Economische Ruimte waar zij verblijven, beschikken over een recht op verblijf of een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden;
b) deze werknemers op wettige wijze in de Lidstaat waar zij verblijven tewerkgesteld zijn en deze vergunning ten minste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk;
c) deze werknemers in het bezit zijn van een regelmatige arbeidsovereenkomst;
(oude d) opgeheven) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 1°, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
d) (oude e) (deze werknemers over een paspoort en een verblijfsvergunning van een duur die minstens gelijkwaardig is met de duur van de dienstverlening beschikken, teneinde hun terugkeer naar hun land van oorsprong of verblijf te verzekeren.) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
15° de in België verblijvende journalisten die uitsluitend verbonden zijn aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations, alsmede de in het buitenland verblijvende journalisten verbonden aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations die naar België komen voor de uitoefening van hun opdracht voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;
16° (personen die in het buitenland verblijven, er tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om aan internationale sportwedstrijden deel te nemen evenals de scheidsrechters, begeleiders, officiële vertegenwoordigers, personeelsleden en alle andere personen geaccrediteerd en/of erkend door internationale of nationale sportfederaties, voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
17° de schouwspelartiesten met internationale faam evenals de begeleiders waarvan de aanwezigheid vereist is voor het schouwspel op voorwaarde dat hun verblijf in België drie opeenvolgende maanden niet overschrijdt;
18° [4 de personen die een machtiging tot verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België, uitsluitend voor de arbeidsprestaties tijdens de schoolvakanties]4
19° [4 de studenten die verplichte stages verrichten in België ten behoeve van hun in België of in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte verrichte studies of in de Zwitserse Bondsstaat;]4
20° (de personen die tewerkgesteld worden in uitvoering van internationale akkoorden die werden goedgekeurd door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
21° (a) stagiairs die tewerkgesteld worden door een Belgische overheid;
b) stagiairs die tewerkgesteld worden door een internationale instelling van publiek recht in België gevestigd en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, of die tewerkgesteld worden in het kader van een programma goedgekeurd door die instelling;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
22° (a) leerlingen die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt hebben, die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;
b) leerlingen die wettig in België verblijven en die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(23° de werknemers in het bezit van een arbeidskaart A, B of C, zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit, voor de arbeid verricht op het grondgebied van een andere bevoegde overheid dan deze die de arbeidskaart heeft afgeleverd en wanneer het een werknemer betreft die in het bezit is van een arbeidskaart B om hetzelfde beroep uit te oefenen bij dezelfde werkgever als deze tot wie de tewerkstelling beperkt is;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(24° de personen die tewerkgesteld worden door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
25° de postdoctorale vreemdelingen die houder zijn van een doctorsgraad of een gelijkwaardige kwalificatie hebben, die genieten van een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek en die in het kader van de internationale mobiliteit een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in een gastuniversiteit tot een goed einde brengen met het oog op de valorisering van hun wetenschappelijke kennis opgedaan in het kader van het doctoraat en dit voor een periode van maximum drie jaar; de universiteit moet de bevoegde overheid informeren van de komst van de postdoctorandus, ten laatste binnen de maand van aankomst.) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(26° de onderzoekers die naar België komen om onderzoek te doen bij een erkende onderzoekinstelling in het kader van een gastovereenkomst, in de gevallen, onder de voorwaarden en volgens de nadere regelen bepaald bij de artikelen 61/10 tot 61/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en bij het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten.
De duur van de vrijstelling wordt beperkt tot de duur van het onderzoeksproject die wordt vastgelegd in de door de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling afgesloten gastovereenkomst. Haar geldigheid is beperkt tot de onderzoeksactiviteit voor dewelke ze werd toegekend alsook tot de onderzoeksinstelling bedoeld in het eerste lid met wie de buitenlandse onderdaan voor dewelke deze vrijstelling werd toegekend, samenwerkt;
27° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 4° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007;]2
28° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet van 27 december 2006, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007.]2
29° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, die naar België komen om een opleiding te volgen van minder of gelijk aan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep.
De vrijstelling is beperkt tot de duur van de opleiding.
De in dit eerste punt bedoelde onderneming die de opleiding organiseert is ertoe gehouden de bevoegde overheid in kennis te stellen van de komst van de in opleiding zijnde werknemer en dit uiterlijk bij aanvang van de opleiding.
30° de buitenlandse onderdanen die tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever, die naar België komen om prototypes van voertuigen uit te testen of om prototypes uit te testen die ontwikkeld zijn door een onderzoekinstelling bedoeld in 26°
De vrijstelling is beperkt tot de duur van het uittesten van de prototypes. Per betrokken buitenlandse onderdaan kan de vrijstelling voor maximum vier weken per kalenderjaar ingeroepen worden.
Onder " prototype " wordt verstaan, het oorspronkelijke of eerste model van een product dat aan een intensief proefondervindelijk gebruik onderworpen wordt voordat het product in productie kan gaan;
31° de werknemers die naar België worden gedetacheerd voor de initiële assemblage en/of de eerste installatie van een goed, die een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van een overeenkomst voor de levering van goederen en die noodzakelijk is voor het in werking stellen van het geleverde goed en die uitgevoerd wordt door gekwalificeerde en/of gespecialiseerde werknemers van de leverende onderneming, wanneer de duur van de bedoelde werken niet meer dan acht dagen bedraagt. Deze afwijking geldt evenwel niet voor activiteiten in de bouwsector, zoals hierna gedefinieerd in artikel 10 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 genomen ter uitvoering van Hoofdstuk 8 van Titel IV van de Programmawet (I) van 27 december 2006;
32° de buitenlandse onderdanen die als gespecialiseerde technici tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om dringende onderhouds- of herstellingswerken aan machines of apparaten uit te voeren die door hun werkgever geleverd werden aan de in België gevestigde onderneming, in dewelke de herstellingen of het onderhoud plaatsvinden mits hun verblijf, nodig voor de activiteiten, niet meer dan vijf dagen per maand bedraagt;
33° de buitenlandse onderdanen die door een hoofdkwartier tewerkgesteld worden als kaderlid [1 of als leidinggevend personeel]1, voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [7 bedrag van 65.771 euro berekend en aangepast conform artikel 37]7.
Het hoofdkwartier moet de bevoegde overheid inlichten van de komst van het kaderlid [1 of van het betrokken leidinggevend personeelslid]1 en dit uiterlijk bij aanvang van zijn tewerkstelling;) <KB 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[3 34° [10 ...]10]3
[9 35° de buitenlandse onderdanen die het statuut van langdurig ingezeten onderdanen in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, en die gedurende een ononderbroken periode van twaalf maanden arbeid hebben verricht conform artikel 9, eerste lid, 20°, van dit besluit.
Voor de toepassing van het voorgaande lid worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van algehele arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich voordeden op een moment dat betrokkene op regelmatige wijze door een in België gevestigde werkgever werd tewerkgesteld.]9
De [10 gewestminister]10 kan de criteria bepalen die toelaten om het begrip internationale faam bedoeld in lid 1, 17° te bepalen.
(Behalve in de gevallen bedoeld [2 in het eerste lid 1°, [4 ...]4 19° en 22°, a)]2, gelden de vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld onder dit artikel slechts als de begunstigden ervan voldoen aan het vereiste inzake wettig verblijf, zoals omschreven in artikel 1, 6°.
In afwijking op het voorgaande lid wordt de verblijfstoestand van de buitenlandse onderdaan die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden als wettig verblijf beschouwd voor de toepassing van (artikel 2, eerste lid, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°,32° en 33°).) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[4 De vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld in dit artikel gelden ook ten aanzien van de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die gemachtigd of toegelaten is tot het verblijf en die in afwachting is van de afgifte van het verblijfsdocument.]4
[4 Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de [10 gewestminister]10 de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]4
1° [4 de onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte evenals de onderdaan van de Zwitserse Bondsstaat;]4
2° [4 a) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen " (F kaart);
b) de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een " duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F+ kaart);
c) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit is, gedurende de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het recht op verblijf, van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals :
- van een geldig attest van immatriculatie,
- of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
d) de buitenlandse onderdaan die het voordeel inroept van een recht op verblijf op grond van artikel 40bis of van artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, die gedurende het beroep ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen houder is van een geldig document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
e) de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden.]4;
3° (a) de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van een vestigingsvergunning;
b) de buitenlandse onderdanen die gemachtigd of toegelaten werden om onbeperkt te verblijven met toepassing van de wet van 15 december 1980 of van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, behalve de personen bedoeld in artikel 9, eerste lid, 16° en 17°;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
4° de buitenlandse onderdanen die in het bezit zijn van één van de documenten bepaald bij het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen, voor de uitoefening van de ambten die recht geven op het verkrijgen van deze documenten;
5° de in België erkende vluchteling;
6° de bedienaars van de erkende erediensten, voor zover hun activiteiten de bediening betreft;
7° het aan de commissies voor militaire begraafplaatsen verbonden personeel, dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt;
8° de werknemers die ingeschreven zijn in de Pool der zeelieden van de Belgische koopvaardij;
9° het rijdend of varend personeel dat voor rekening van een in het buitenland gevestigde werkgever tewerkgesteld is aan werken van vervoer te land, ter zee of in de lucht, op voorwaarde dat hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
10° de handelsvertegenwoordigers met hoofdverblijf in het buitenland, die hun klanten in België bezoeken, voor rekening van in het buitenland gevestigde ondernemingen zonder bijhuis in België en die in het bezit zijn van de legitimatiekaart ingesteld bij artikel 10 van de Internationale overeenkomst voor de vereenvoudiging van de douane-formaliteiten ondertekend te Genève, op 3 november 1923 en voor zover hun verblijf in België geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
11° de personen die naar België gekomen zijn om, voor rekening van een in het buitenland gevestigde onderneming, door de Belgische nijverheid geleverde goederen in ontvangst te nemen, voor zover hun verblijf in het land geen drie opeenvolgende maanden overschrijdt;
12° het kaderpersoneel en vorsers in dienst van een coördinatiecentrum, dat geniet van de voordelen voorzien in het artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, of in dienst van een onderneming gevestigd in een tewerkstellingszone die geniet van de voordelen voorzien in artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van de tewerkstellingszones, voor de duur van hun tewerkstelling in het centrum of de onderneming gevestigd in de tewerkstellingszone;
13° de dienstboden die toeristen vergezellen, op voorwaarde dat deze laatsten niet langer dan drie opeenvolgende maanden in België verblijven;
14° de werknemers, die geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, die tewerkgesteld zijn door een in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten op voorwaarde dat :
a) deze werknemers, in de Lidstaat van de Europese Economische Ruimte waar zij verblijven, beschikken over een recht op verblijf of een verblijfsvergunning van meer dan drie maanden;
b) deze werknemers op wettige wijze in de Lidstaat waar zij verblijven tewerkgesteld zijn en deze vergunning ten minste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk;
c) deze werknemers in het bezit zijn van een regelmatige arbeidsovereenkomst;
(oude d) opgeheven) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 1°, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
d) (oude e) (deze werknemers over een paspoort en een verblijfsvergunning van een duur die minstens gelijkwaardig is met de duur van de dienstverlening beschikken, teneinde hun terugkeer naar hun land van oorsprong of verblijf te verzekeren.) <KB 2008-04-23/32, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 20-05-2008>
15° de in België verblijvende journalisten die uitsluitend verbonden zijn aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations, alsmede de in het buitenland verblijvende journalisten verbonden aan in het buitenland uitgegeven dagbladen of in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations die naar België komen voor de uitoefening van hun opdracht voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;
16° (personen die in het buitenland verblijven, er tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om aan internationale sportwedstrijden deel te nemen evenals de scheidsrechters, begeleiders, officiële vertegenwoordigers, personeelsleden en alle andere personen geaccrediteerd en/of erkend door internationale of nationale sportfederaties, voor zover hun verblijf in het land niet langer dan drie opeenvolgende maanden duurt;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
17° de schouwspelartiesten met internationale faam evenals de begeleiders waarvan de aanwezigheid vereist is voor het schouwspel op voorwaarde dat hun verblijf in België drie opeenvolgende maanden niet overschrijdt;
18° [4 de personen die een machtiging tot verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België, uitsluitend voor de arbeidsprestaties tijdens de schoolvakanties]4
19° [4 de studenten die verplichte stages verrichten in België ten behoeve van hun in België of in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte verrichte studies of in de Zwitserse Bondsstaat;]4
20° (de personen die tewerkgesteld worden in uitvoering van internationale akkoorden die werden goedgekeurd door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van hun respectievelijke bevoegdheden;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
21° (a) stagiairs die tewerkgesteld worden door een Belgische overheid;
b) stagiairs die tewerkgesteld worden door een internationale instelling van publiek recht in België gevestigd en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, of die tewerkgesteld worden in het kader van een programma goedgekeurd door die instelling;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
22° (a) leerlingen die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt hebben, die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;
b) leerlingen die wettig in België verblijven en die aangeworven werden met een leerovereenkomst of met een overeenkomst inzake alternerend leren, erkend door de bevoegde overheid;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(23° de werknemers in het bezit van een arbeidskaart A, B of C, zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit, voor de arbeid verricht op het grondgebied van een andere bevoegde overheid dan deze die de arbeidskaart heeft afgeleverd en wanneer het een werknemer betreft die in het bezit is van een arbeidskaart B om hetzelfde beroep uit te oefenen bij dezelfde werkgever als deze tot wie de tewerkstelling beperkt is;) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(24° de personen die tewerkgesteld worden door een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
25° de postdoctorale vreemdelingen die houder zijn van een doctorsgraad of een gelijkwaardige kwalificatie hebben, die genieten van een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek en die in het kader van de internationale mobiliteit een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek in een gastuniversiteit tot een goed einde brengen met het oog op de valorisering van hun wetenschappelijke kennis opgedaan in het kader van het doctoraat en dit voor een periode van maximum drie jaar; de universiteit moet de bevoegde overheid informeren van de komst van de postdoctorandus, ten laatste binnen de maand van aankomst.) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(26° de onderzoekers die naar België komen om onderzoek te doen bij een erkende onderzoekinstelling in het kader van een gastovereenkomst, in de gevallen, onder de voorwaarden en volgens de nadere regelen bepaald bij de artikelen 61/10 tot 61/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en bij het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten.
De duur van de vrijstelling wordt beperkt tot de duur van het onderzoeksproject die wordt vastgelegd in de door de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling afgesloten gastovereenkomst. Haar geldigheid is beperkt tot de onderzoeksactiviteit voor dewelke ze werd toegekend alsook tot de onderzoeksinstelling bedoeld in het eerste lid met wie de buitenlandse onderdaan voor dewelke deze vrijstelling werd toegekend, samenwerkt;
27° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 4° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet (I) van 27 december 2006 tot voorafgaande melding voor gedetacheerde werknemers en zelfstandigen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007;]2
28° [2 de buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 1, 5° van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 tot uitvoering van het Hoofdstuk 8, van Titel IV, van de programmawet van 27 december 2006, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 augustus 2007.]2
29° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, die naar België komen om een opleiding te volgen van minder of gelijk aan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep.
De vrijstelling is beperkt tot de duur van de opleiding.
De in dit eerste punt bedoelde onderneming die de opleiding organiseert is ertoe gehouden de bevoegde overheid in kennis te stellen van de komst van de in opleiding zijnde werknemer en dit uiterlijk bij aanvang van de opleiding.
30° de buitenlandse onderdanen die tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever, die naar België komen om prototypes van voertuigen uit te testen of om prototypes uit te testen die ontwikkeld zijn door een onderzoekinstelling bedoeld in 26°
De vrijstelling is beperkt tot de duur van het uittesten van de prototypes. Per betrokken buitenlandse onderdaan kan de vrijstelling voor maximum vier weken per kalenderjaar ingeroepen worden.
Onder " prototype " wordt verstaan, het oorspronkelijke of eerste model van een product dat aan een intensief proefondervindelijk gebruik onderworpen wordt voordat het product in productie kan gaan;
31° de werknemers die naar België worden gedetacheerd voor de initiële assemblage en/of de eerste installatie van een goed, die een wezenlijk bestanddeel uitmaakt van een overeenkomst voor de levering van goederen en die noodzakelijk is voor het in werking stellen van het geleverde goed en die uitgevoerd wordt door gekwalificeerde en/of gespecialiseerde werknemers van de leverende onderneming, wanneer de duur van de bedoelde werken niet meer dan acht dagen bedraagt. Deze afwijking geldt evenwel niet voor activiteiten in de bouwsector, zoals hierna gedefinieerd in artikel 10 van het koninklijk besluit van 20 maart 2007 genomen ter uitvoering van Hoofdstuk 8 van Titel IV van de Programmawet (I) van 27 december 2006;
32° de buitenlandse onderdanen die als gespecialiseerde technici tewerkgesteld worden door een in het buitenland gevestigde werkgever en die naar België komen om dringende onderhouds- of herstellingswerken aan machines of apparaten uit te voeren die door hun werkgever geleverd werden aan de in België gevestigde onderneming, in dewelke de herstellingen of het onderhoud plaatsvinden mits hun verblijf, nodig voor de activiteiten, niet meer dan vijf dagen per maand bedraagt;
33° de buitenlandse onderdanen die door een hoofdkwartier tewerkgesteld worden als kaderlid [1 of als leidinggevend personeel]1, voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [7 bedrag van 65.771 euro berekend en aangepast conform artikel 37]7.
Het hoofdkwartier moet de bevoegde overheid inlichten van de komst van het kaderlid [1 of van het betrokken leidinggevend personeelslid]1 en dit uiterlijk bij aanvang van zijn tewerkstelling;) <KB 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[3 34° [10 ...]10]3
[9 35° de buitenlandse onderdanen die het statuut van langdurig ingezeten onderdanen in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, en die gedurende een ononderbroken periode van twaalf maanden arbeid hebben verricht conform artikel 9, eerste lid, 20°, van dit besluit.
Voor de toepassing van het voorgaande lid worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van algehele arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich voordeden op een moment dat betrokkene op regelmatige wijze door een in België gevestigde werkgever werd tewerkgesteld.]9
De [10 gewestminister]10 kan de criteria bepalen die toelaten om het begrip internationale faam bedoeld in lid 1, 17° te bepalen.
(Behalve in de gevallen bedoeld [2 in het eerste lid 1°, [4 ...]4 19° en 22°, a)]2, gelden de vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld onder dit artikel slechts als de begunstigden ervan voldoen aan het vereiste inzake wettig verblijf, zoals omschreven in artikel 1, 6°.
In afwijking op het voorgaande lid wordt de verblijfstoestand van de buitenlandse onderdaan die gemachtigd werd te verblijven in het Koninkrijk voor een periode van maximum drie maanden als wettig verblijf beschouwd voor de toepassing van (artikel 2, eerste lid, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°,32° en 33°).) <KB 2003-02-06/41, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[4 De vrijstellingen van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart vermeld in dit artikel gelden ook ten aanzien van de buitenlandse onderdaan die in het bezit is van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die gemachtigd of toegelaten is tot het verblijf en die in afwachting is van de afgifte van het verblijfsdocument.]4
[4 Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de [10 gewestminister]10 de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]4
Wijzigingen
Art. 2 _REGION_FLAMANDE.
Sont dispensés de l'obligation d'obtenir un permis de travail :
1° [4 le ressortissant d'un Etat membre de l'Espace économique européen ainsi que le ressortissant de la Confédération suisse;]4
2° [4 a) le ressortissant étranger en possession d'une " carte de séjour de membre de la famille d'un citoyen de l'Union " conforme au modèle figurant à l'annexe 9 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers " (carte F);
b) le ressortissant étranger en possession d'une " Carte de séjour permanent de membre de la famille d'un citoyen de l'Union " conforme au modèle figurant à l'annexe 9bis de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers (carte F+);
c) le ressortissant étranger invoquant le bénéfice d'un droit au séjour sur la base de l'article 40bis ou de l'article 40ter de la loi du 15 décembre 1980, en possession, durant la période d'examen de la demande de reconnaissance du droit de séjour d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 19ter de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ainsi que :
- d'une attestation d'immatriculation valide,
- ou d'un certificat d'inscription au registre des étrangers temporaire valide;
d) le ressortissant étranger invoquant le bénéfice d'un droit de séjour sur la base de l'article 40bis ou de l'article 40ter de la loi du 15 décembre 1980 en possession, durant le recours devant le Conseil du Contentieux des Etrangers, d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 35 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers en cours de validité;
e) le conjoint d'un Belge, en possession d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 15 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 en qualité de travailleur frontalier, tant que cette personne dispose, dans l'Etat de sa résidence, d'un droit ou d'une autorisation de séjour supérieurs à trois mois.]4;
3° (a) les ressortissants étrangers en possession d'un titre d'établissement;
b) les ressortissants étrangers autorisés ou admis au séjour illimité en application de la loi du 15 décembre 1980 ou de la loi du 22 décembre 1999 relative à la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume, sauf les personnes visées à l'article 9, alinéa 1er, 16° et 17°;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
4° les ressortissants étrangers en possession de l'un des documents prévus par l'arrêté royal du 30 octobre 1991, relatif aux documents de séjour en Belgique de certains étrangers pour l'exercice des fonctions qui donnent droit à l'obtention de ces documents;
5° le réfugié reconnu en Belgique;
6° les ministres des cultes reconnus, pour les activités relevant de leur ministère;
7° le personnel attaché aux commissions des sépultures militaires qui assure l'entretien des sépultures des militaires de nationalité étrangère;
8° les travailleurs inscrits au Pool des marins de la marine marchande belge;
9° le personnel roulant ou navigant occupé, pour le compte d'un employeur établi à l'étranger, à des travaux de transport par terre, par mer ou par air, à condition que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
10° les représentants de commerce ayant leur résidence principale à l'étranger et visitant leur clientèle en Belgique pour compte d'entreprises établies à l'étranger et n'ayant pas de succursales en Belgique qui sont en possession de la carte de légitimation instituée par l'article 10 de la Convention internationale pour la simplification des formalités douanières signée à Genève, le 3 novembre 1923 et pour autant que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
11° les personnes venues en Belgique pour procéder, pour compte d'une entreprise établie à l'étranger, à la réception de marchandises fournies par l'industrie belge, pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;
12° les cadres et chercheurs au service d'un centre de coordination bénéficiant des avantages prévus à l'article 6 de l'arrêté royal n° 187 du 30 décembre 1982 relatif à la création de centres de coordination ou au service d'une entreprise établie dans une zone d'emploi bénéficiant des avantages prévus à l'article 9 de l'arrêté royal n° 118 du 23 décembre 1982 relatif à la création de zones d'emploi, pour la durée de leur emploi dans le centre ou l'entreprise établie dans la zone d'emploi;
13° le personnel domestique accompagnant les touristes faisant un séjour en Belgique qui ne dépasse pas trois mois consécutifs;
14° les travailleurs, non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace Economique Européen, qui sont occupés par une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace Economique Européen qui se rend en Belgique pour fournir des services, à condition :
a) que ces travailleurs disposent dans l'Etat membre de l'Espace Economique Européen de leur résidence, d'un droit ou d'une autorisation de séjour supérieur à trois mois;
b) que ces travailleurs soient légalement autorisés à travailler dans l'Etat membre de leur résidence et que cette autorisation soit au moins valable pour la durée de la prestation à accomplir en Belgique;
c) que ces travailleurs soient titulaires d'un contrat de travail régulier;
(ancien d) abrogé) <AR 2008-04-23/32, art. 1, 1°, 018; En vigueur : 20-05-2008>
d) (ancien e) (ces travailleurs disposent, afin de garantir leur retour dans leur pays d'origine ou de résidence, d'un passeport et d'un titre de séjour d'une durée équivalente au minimum à la durée de la prestation.) <AR 2008-04-23/32, art. 1, 2°, 018; En vigueur : 20-05-2008>
15° les journalistes séjournant en Belgique qui sont exclusivement attachés à des journaux publiés à l'étranger, ou à des agences de presse, stations de radio ou télévision établies à l'étranger, ainsi que les journalistes séjournant à l'étranger attachés à des journaux publiés à l'étranger ou à des agences de presse, des stations de radio ou télévision établies à l'étranger qui viennent en Belgique pour l'exécution de leur mission pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;
16° (les personnes résidant à l'étranger, occupées par un employeur situé à l'étranger et venant en Belgique pour participer à des épreuves sportives internationales ainsi que les arbitres, accompagnateurs, délégués officiels, membres du personnel et autres personnes accréditées et/ou agréées par les fédérations sportives internationales ou nationales, pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
17° les artistes de spectacle de réputation internationale ainsi que les accompagnateurs dont la présence est requise pour le spectacle à condition que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
18° [4 les personnes autorisées au séjour, aux fins d'études en Belgique, qui sont inscrites dans un établissement d'enseignement en Belgique, uniquement pour les prestations de travail pendant les vacances scolaires;]4
(19° [4 les étudiants qui effectuent des stages obligatoires en Belgique pour les besoins de leurs études effectuées en Belgique ou dans un Etat membre de l'Espace économique européen ou dans la Confédération suisse]4;
20° les personnes qui sont occupées en exécution d'accords internationaux qui ont été approuvés par une autorité fédérale, régionale ou communautaire dans le cadre de leurs compétences respectives;
21° a) les stagiaires occupés par un pouvoir public belge;
b) les stagiaires occupés par une organisation internationale de droit public établie en Belgique et dont le statut est régi par un traité en vigueur, ou occupés dans le cadre d'un programme approuvé par cette organisation;
22° a) les apprentis engagés avant l'âge de dix-huit ans dans les liens d'un contrat d'apprentissage ou de formation en alternance agréé par l'autorité qui en a la compétence;
b) les apprentis séjournant légalement en Belgique et engagés dans les liens d'un contrat d'apprentissage ou de formation en alternance agréé par l'autorité qui en a la compétence;
23° les travailleurs en possession d'un permis de travail A, B ou C, visés à l'article 3 du présent arrêté, pour les prestations effectuées sur le territoire d'une autre autorité compétente que celle qui a délivré le permis de travail et, lorsqu'il s'agit d'un travailleur en possession d'un permis B, pour exercer la même profession au service du même employeur que celui auprès duquel est limitée l'occupation;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
(24° les personnes occupées par une agence locale pour l'emploi;
25° les postdoctorants étrangers titulaires d'un titre de docteur ou d'une qualification équivalente, bénéficiaires d'un subside à savant et qui mènent à bien, dans le cadre de la mobilité internationale, une recherche scientifique fondamentale dans une université d'accueil en vue de valoriser leur compétence scientifique acquise dans le cadre du doctorat et ce pour une période de maximum trois ans; l'université est tenue d'informer l'autorité compétente de la venue du postdoctorant, au plus tard dans le mois de celle-ci.) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
(26 ° les chercheurs qui viennent en Belgique pour faire de la recherche auprès d'un organisme de recherche agréé dans le cadre d'une convention d'accueil, dans les cas et selon les conditions et modalités fixées par les articles 61/10 à 61/12 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers et par l'arrêté royal du 8 juin 2007 contenant les conditions d'agrément des organismes de recherche qui souhaitent conclure, dans le cadre de projets de recherche, des conventions d'accueil avec des chercheurs de pays hors Union européenne et fixant les conditions auxquelles de telles conventions d'accueil peuvent être conclues.
La durée de la dispense est limitée à la durée du projet de recherche telle qu'elle est fixée dans la convention d'accueil entre le chercheur et l'organisme de recherche agréé. Sa validité est circonscrite à l'activité de recherche pour laquelle elle a été accordée ainsi qu' à l'organisme de recherche visé à l'alinéa 1e r avec lequel collabore le ressortissant étranger pour lequel cette dispense a été accordée;
27° [2 les ressortissants étrangers visés par l'article 1er, 4° de l'arrêté royal du 20 mars 2007 pris en exécution du Chapitre 8, du Titre IV, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 instaurant une déclaration préalable pour les travailleurs salariés et indépendants détachés, modifié par l'arrêté royal du 31 août 2007;]2
28° [2 les ressortissants étrangers visés par l'article 1er, 5° de l'arrêté royal du 20 mars 2007 pris en exécution du Chapitre 8, du Titre IV, de la loi-programme du 27 décembre 2006, modifié par l'arrêté royal, modifié par l'arrêté royal du 31 août 2007.]2
29° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace économique européen, soit ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, soit ressortissants d'un Etat visé à l'article 10, venant en Belgique pour suivre une formation d'une durée inférieure ou égale à trois mois calendrier au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational.
La dispense est limitée à la durée de la formation.
L'entreprise visée par ce point qui organise la formation est tenue d'informer l'autorité compétente de la venue du travailleur en formation au plus tard au moment où débute la formation.
30° les ressortissants étrangers occupés par un employeur établi à l'étranger qui viennent en Belgique afin d'effectuer des tests de prototype de véhicules ou pour effectuer des tests de prototype qui sont développés par un organisme de recherche visé au 26°.
La dispense est limitée à la durée du test de prototypes. Elle peut être invoquée à raison de maximum quatre semaines par année civile et par ressortissant étranger concerné.
Par " prototype ", on entend l'original ou le premier modèle d'un produit qui est soumis à un usage expérimental intensif avant que le produit puisse entrer à la production ;
31° les travailleurs salariés qui sont détachés en Belgique pour l'assemblage initial et/ou la première installation d'un bien, qui constitue une composante essentielle d'un contrat pour la livraison de marchandises, et qui est nécessaire pour la mise en marche du bien fourni et qui est effectué par les travailleurs qualifiés et/ou spécialisés de l'entreprise qui fournit le bien, quand la durée des travaux visés ne s'élève pas à plus de huit jours. Cette dérogation ne vaut pas toutefois pour les activités dans le secteur de la construction, telles que définies à l'article 10 de l'arrêté royal du pris en exécution du Chapitre 8 du Titre IV de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 ;
32° les ressortissants étrangers qui sont occupés en qualité de techniciens spécialisés par un employeur établi à l'étranger et qui se rendent en Belgique pour effectuer des travaux d'entretien urgents ou des travaux de réparation urgents à des machines ou appareils livrés par leur employeur à l'entreprise établie en Belgique au sein de laquelle les réparations ou l'entretien sont effectués, à la condition que leur période de séjour nécessité par ces activités ne dépasse pas cinq jours par mois;
33° les ressortissants étrangers employés par un siège central comme cadre [1 ou comme personnel de direction]1, pour autant que leur rémunération annuelle dépasse [7 le montant de 65.771, calculé et adapté conformément à l'article 37]7.
Le siège central est tenu d'informer l'autorité compétente de la venue du cadre [1 ou du membre du personnel de direction concerné]1 au plus tard au moment de sa mise au travail;) <AR 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; En vigueur : 08-10-2007>
[3 34° [10 ...]10]3
[9 35° les ressortissants étrangers ayant obtenu le statut de résident ressortissant de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne en vertu de la législation ou réglementation en conversion de la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée et qui ont travaillé pendant une période ininterrompue de douze mois conformément à l'article 9, alinéa premier, 20°, du présent arrêté.
Pour l'application de l'alinéa précédent, sont assimilées aux périodes d'emploi, les périodes d'incapacité de travail générale suite à une maladie professionnelle, un accident du travail ou un accident survenu sur le chemin du travail, qui se sont produits à un moment où l'intéressé était engagé de façon régulière par un employeur établi en Belgique.]9
Le [10 ministre régiona]10 peut déterminer les critères permettant de définir la notion de réputation internationale visée à l'alinéa 1er, 17°.
(A l'exception des cas visés [2 à l'alinéa 1er, 1°, [4 ...]4 19° et 22°, a)]2 , les dispenses de l'obligation d'obtenir un permis de travail mentionnées au présent article ne valent que si leurs bénéficiaires satisfont à la condition en matière de séjour légal, définie à l'article 1er, 6°.
Par dérogation à l'alinéa précédent, la situation de séjour de l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période de trois mois maximum est considérée comme séjour légal pour l'application de (l'article 2, alinéa 1er, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°, 32° et 33°).) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003 <AR 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; En vigueur : 08-10-2007>>
[4 Les dispenses de l'obligation d'obtenir un permis de travail mentionnées au présent article valent aussi à l'égard du ressortissant étranger, en possession d'un document établi conformément à l'annexe 15 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, qui est autorisé ou admis au séjour, et en attente de la délivrance du document de séjour.]4
[4 Afin de se conformer à des modifications intervenues, quant à la dénomination des titres et documents de séjour, dans la loi du 15 décembre 1980 et dans l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement, et l'éloignement des étrangers, le [10 ministre régiona]10 peut adapter la dénomination des titres et documents de séjour visés par le présent article.]4
Sont dispensés de l'obligation d'obtenir un permis de travail :
1° [4 le ressortissant d'un Etat membre de l'Espace économique européen ainsi que le ressortissant de la Confédération suisse;]4
2° [4 a) le ressortissant étranger en possession d'une " carte de séjour de membre de la famille d'un citoyen de l'Union " conforme au modèle figurant à l'annexe 9 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers " (carte F);
b) le ressortissant étranger en possession d'une " Carte de séjour permanent de membre de la famille d'un citoyen de l'Union " conforme au modèle figurant à l'annexe 9bis de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers (carte F+);
c) le ressortissant étranger invoquant le bénéfice d'un droit au séjour sur la base de l'article 40bis ou de l'article 40ter de la loi du 15 décembre 1980, en possession, durant la période d'examen de la demande de reconnaissance du droit de séjour d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 19ter de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ainsi que :
- d'une attestation d'immatriculation valide,
- ou d'un certificat d'inscription au registre des étrangers temporaire valide;
d) le ressortissant étranger invoquant le bénéfice d'un droit de séjour sur la base de l'article 40bis ou de l'article 40ter de la loi du 15 décembre 1980 en possession, durant le recours devant le Conseil du Contentieux des Etrangers, d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 35 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers en cours de validité;
e) le conjoint d'un Belge, en possession d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 15 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 en qualité de travailleur frontalier, tant que cette personne dispose, dans l'Etat de sa résidence, d'un droit ou d'une autorisation de séjour supérieurs à trois mois.]4;
3° (a) les ressortissants étrangers en possession d'un titre d'établissement;
b) les ressortissants étrangers autorisés ou admis au séjour illimité en application de la loi du 15 décembre 1980 ou de la loi du 22 décembre 1999 relative à la régularisation de séjour de certaines catégories d'étrangers séjournant sur le territoire du Royaume, sauf les personnes visées à l'article 9, alinéa 1er, 16° et 17°;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
4° les ressortissants étrangers en possession de l'un des documents prévus par l'arrêté royal du 30 octobre 1991, relatif aux documents de séjour en Belgique de certains étrangers pour l'exercice des fonctions qui donnent droit à l'obtention de ces documents;
5° le réfugié reconnu en Belgique;
6° les ministres des cultes reconnus, pour les activités relevant de leur ministère;
7° le personnel attaché aux commissions des sépultures militaires qui assure l'entretien des sépultures des militaires de nationalité étrangère;
8° les travailleurs inscrits au Pool des marins de la marine marchande belge;
9° le personnel roulant ou navigant occupé, pour le compte d'un employeur établi à l'étranger, à des travaux de transport par terre, par mer ou par air, à condition que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
10° les représentants de commerce ayant leur résidence principale à l'étranger et visitant leur clientèle en Belgique pour compte d'entreprises établies à l'étranger et n'ayant pas de succursales en Belgique qui sont en possession de la carte de légitimation instituée par l'article 10 de la Convention internationale pour la simplification des formalités douanières signée à Genève, le 3 novembre 1923 et pour autant que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
11° les personnes venues en Belgique pour procéder, pour compte d'une entreprise établie à l'étranger, à la réception de marchandises fournies par l'industrie belge, pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;
12° les cadres et chercheurs au service d'un centre de coordination bénéficiant des avantages prévus à l'article 6 de l'arrêté royal n° 187 du 30 décembre 1982 relatif à la création de centres de coordination ou au service d'une entreprise établie dans une zone d'emploi bénéficiant des avantages prévus à l'article 9 de l'arrêté royal n° 118 du 23 décembre 1982 relatif à la création de zones d'emploi, pour la durée de leur emploi dans le centre ou l'entreprise établie dans la zone d'emploi;
13° le personnel domestique accompagnant les touristes faisant un séjour en Belgique qui ne dépasse pas trois mois consécutifs;
14° les travailleurs, non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace Economique Européen, qui sont occupés par une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace Economique Européen qui se rend en Belgique pour fournir des services, à condition :
a) que ces travailleurs disposent dans l'Etat membre de l'Espace Economique Européen de leur résidence, d'un droit ou d'une autorisation de séjour supérieur à trois mois;
b) que ces travailleurs soient légalement autorisés à travailler dans l'Etat membre de leur résidence et que cette autorisation soit au moins valable pour la durée de la prestation à accomplir en Belgique;
c) que ces travailleurs soient titulaires d'un contrat de travail régulier;
(ancien d) abrogé) <AR 2008-04-23/32, art. 1, 1°, 018; En vigueur : 20-05-2008>
d) (ancien e) (ces travailleurs disposent, afin de garantir leur retour dans leur pays d'origine ou de résidence, d'un passeport et d'un titre de séjour d'une durée équivalente au minimum à la durée de la prestation.) <AR 2008-04-23/32, art. 1, 2°, 018; En vigueur : 20-05-2008>
15° les journalistes séjournant en Belgique qui sont exclusivement attachés à des journaux publiés à l'étranger, ou à des agences de presse, stations de radio ou télévision établies à l'étranger, ainsi que les journalistes séjournant à l'étranger attachés à des journaux publiés à l'étranger ou à des agences de presse, des stations de radio ou télévision établies à l'étranger qui viennent en Belgique pour l'exécution de leur mission pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;
16° (les personnes résidant à l'étranger, occupées par un employeur situé à l'étranger et venant en Belgique pour participer à des épreuves sportives internationales ainsi que les arbitres, accompagnateurs, délégués officiels, membres du personnel et autres personnes accréditées et/ou agréées par les fédérations sportives internationales ou nationales, pour autant que leur séjour dans le pays ne dépasse pas trois mois consécutifs;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
17° les artistes de spectacle de réputation internationale ainsi que les accompagnateurs dont la présence est requise pour le spectacle à condition que leur séjour en Belgique ne dépasse pas trois mois consécutifs;
18° [4 les personnes autorisées au séjour, aux fins d'études en Belgique, qui sont inscrites dans un établissement d'enseignement en Belgique, uniquement pour les prestations de travail pendant les vacances scolaires;]4
(19° [4 les étudiants qui effectuent des stages obligatoires en Belgique pour les besoins de leurs études effectuées en Belgique ou dans un Etat membre de l'Espace économique européen ou dans la Confédération suisse]4;
20° les personnes qui sont occupées en exécution d'accords internationaux qui ont été approuvés par une autorité fédérale, régionale ou communautaire dans le cadre de leurs compétences respectives;
21° a) les stagiaires occupés par un pouvoir public belge;
b) les stagiaires occupés par une organisation internationale de droit public établie en Belgique et dont le statut est régi par un traité en vigueur, ou occupés dans le cadre d'un programme approuvé par cette organisation;
22° a) les apprentis engagés avant l'âge de dix-huit ans dans les liens d'un contrat d'apprentissage ou de formation en alternance agréé par l'autorité qui en a la compétence;
b) les apprentis séjournant légalement en Belgique et engagés dans les liens d'un contrat d'apprentissage ou de formation en alternance agréé par l'autorité qui en a la compétence;
23° les travailleurs en possession d'un permis de travail A, B ou C, visés à l'article 3 du présent arrêté, pour les prestations effectuées sur le territoire d'une autre autorité compétente que celle qui a délivré le permis de travail et, lorsqu'il s'agit d'un travailleur en possession d'un permis B, pour exercer la même profession au service du même employeur que celui auprès duquel est limitée l'occupation;) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
(24° les personnes occupées par une agence locale pour l'emploi;
25° les postdoctorants étrangers titulaires d'un titre de docteur ou d'une qualification équivalente, bénéficiaires d'un subside à savant et qui mènent à bien, dans le cadre de la mobilité internationale, une recherche scientifique fondamentale dans une université d'accueil en vue de valoriser leur compétence scientifique acquise dans le cadre du doctorat et ce pour une période de maximum trois ans; l'université est tenue d'informer l'autorité compétente de la venue du postdoctorant, au plus tard dans le mois de celle-ci.) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003>
(26 ° les chercheurs qui viennent en Belgique pour faire de la recherche auprès d'un organisme de recherche agréé dans le cadre d'une convention d'accueil, dans les cas et selon les conditions et modalités fixées par les articles 61/10 à 61/12 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers et par l'arrêté royal du 8 juin 2007 contenant les conditions d'agrément des organismes de recherche qui souhaitent conclure, dans le cadre de projets de recherche, des conventions d'accueil avec des chercheurs de pays hors Union européenne et fixant les conditions auxquelles de telles conventions d'accueil peuvent être conclues.
La durée de la dispense est limitée à la durée du projet de recherche telle qu'elle est fixée dans la convention d'accueil entre le chercheur et l'organisme de recherche agréé. Sa validité est circonscrite à l'activité de recherche pour laquelle elle a été accordée ainsi qu' à l'organisme de recherche visé à l'alinéa 1e r avec lequel collabore le ressortissant étranger pour lequel cette dispense a été accordée;
27° [2 les ressortissants étrangers visés par l'article 1er, 4° de l'arrêté royal du 20 mars 2007 pris en exécution du Chapitre 8, du Titre IV, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 instaurant une déclaration préalable pour les travailleurs salariés et indépendants détachés, modifié par l'arrêté royal du 31 août 2007;]2
28° [2 les ressortissants étrangers visés par l'article 1er, 5° de l'arrêté royal du 20 mars 2007 pris en exécution du Chapitre 8, du Titre IV, de la loi-programme du 27 décembre 2006, modifié par l'arrêté royal, modifié par l'arrêté royal du 31 août 2007.]2
29° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace économique européen, soit ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, soit ressortissants d'un Etat visé à l'article 10, venant en Belgique pour suivre une formation d'une durée inférieure ou égale à trois mois calendrier au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational.
La dispense est limitée à la durée de la formation.
L'entreprise visée par ce point qui organise la formation est tenue d'informer l'autorité compétente de la venue du travailleur en formation au plus tard au moment où débute la formation.
30° les ressortissants étrangers occupés par un employeur établi à l'étranger qui viennent en Belgique afin d'effectuer des tests de prototype de véhicules ou pour effectuer des tests de prototype qui sont développés par un organisme de recherche visé au 26°.
La dispense est limitée à la durée du test de prototypes. Elle peut être invoquée à raison de maximum quatre semaines par année civile et par ressortissant étranger concerné.
Par " prototype ", on entend l'original ou le premier modèle d'un produit qui est soumis à un usage expérimental intensif avant que le produit puisse entrer à la production ;
31° les travailleurs salariés qui sont détachés en Belgique pour l'assemblage initial et/ou la première installation d'un bien, qui constitue une composante essentielle d'un contrat pour la livraison de marchandises, et qui est nécessaire pour la mise en marche du bien fourni et qui est effectué par les travailleurs qualifiés et/ou spécialisés de l'entreprise qui fournit le bien, quand la durée des travaux visés ne s'élève pas à plus de huit jours. Cette dérogation ne vaut pas toutefois pour les activités dans le secteur de la construction, telles que définies à l'article 10 de l'arrêté royal du pris en exécution du Chapitre 8 du Titre IV de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006 ;
32° les ressortissants étrangers qui sont occupés en qualité de techniciens spécialisés par un employeur établi à l'étranger et qui se rendent en Belgique pour effectuer des travaux d'entretien urgents ou des travaux de réparation urgents à des machines ou appareils livrés par leur employeur à l'entreprise établie en Belgique au sein de laquelle les réparations ou l'entretien sont effectués, à la condition que leur période de séjour nécessité par ces activités ne dépasse pas cinq jours par mois;
33° les ressortissants étrangers employés par un siège central comme cadre [1 ou comme personnel de direction]1, pour autant que leur rémunération annuelle dépasse [7 le montant de 65.771, calculé et adapté conformément à l'article 37]7.
Le siège central est tenu d'informer l'autorité compétente de la venue du cadre [1 ou du membre du personnel de direction concerné]1 au plus tard au moment de sa mise au travail;) <AR 2007-09-12/35, art. 3, a), 017; En vigueur : 08-10-2007>
[3 34° [10 ...]10]3
[9 35° les ressortissants étrangers ayant obtenu le statut de résident ressortissant de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne en vertu de la législation ou réglementation en conversion de la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée et qui ont travaillé pendant une période ininterrompue de douze mois conformément à l'article 9, alinéa premier, 20°, du présent arrêté.
Pour l'application de l'alinéa précédent, sont assimilées aux périodes d'emploi, les périodes d'incapacité de travail générale suite à une maladie professionnelle, un accident du travail ou un accident survenu sur le chemin du travail, qui se sont produits à un moment où l'intéressé était engagé de façon régulière par un employeur établi en Belgique.]9
Le [10 ministre régiona]10 peut déterminer les critères permettant de définir la notion de réputation internationale visée à l'alinéa 1er, 17°.
(A l'exception des cas visés [2 à l'alinéa 1er, 1°, [4 ...]4 19° et 22°, a)]2 , les dispenses de l'obligation d'obtenir un permis de travail mentionnées au présent article ne valent que si leurs bénéficiaires satisfont à la condition en matière de séjour légal, définie à l'article 1er, 6°.
Par dérogation à l'alinéa précédent, la situation de séjour de l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période de trois mois maximum est considérée comme séjour légal pour l'application de (l'article 2, alinéa 1er, [4 2°,]4 4°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, 11°, 13°, 14°, 15°, 16°, 17°, 20°, 26°, 27°, 28°, 29°, 30°, 31°, 32° et 33°).) <AR 2003-02-06/41, art. 2, 009; En vigueur : 01-04-2003 <AR 2007-09-12/35, art. 3, b), 017; En vigueur : 08-10-2007>>
[4 Les dispenses de l'obligation d'obtenir un permis de travail mentionnées au présent article valent aussi à l'égard du ressortissant étranger, en possession d'un document établi conformément à l'annexe 15 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, qui est autorisé ou admis au séjour, et en attente de la délivrance du document de séjour.]4
[4 Afin de se conformer à des modifications intervenues, quant à la dénomination des titres et documents de séjour, dans la loi du 15 décembre 1980 et dans l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement, et l'éloignement des étrangers, le [10 ministre régiona]10 peut adapter la dénomination des titres et documents de séjour visés par le présent article.]4
Wijzigingen
Art. 2/1. [1 Zijn eveneens vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart, de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan die het statuut van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie heeft verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, voor zover deze buitenlandse onderdaan vrijgesteld is van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart.
Artikel 2, tweede lid en verder, zijn van toepassing.]1
Artikel 2, tweede lid en verder, zijn van toepassing.]1
Art. 2/1. [1 Sont également dispensés de l'obligation d'obtenir un permis de travail, le conjoint et les enfants du ressortissant étranger ayant obtenu le statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, en vertu d'une législation ou réglementation transposant la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, pour autant que ce ressortissant étranger soit dispensé de l'obligation d'obtenir un permis de travail.
L'article 2, alinéa 2 et suivants sont d'application.]1
L'article 2, alinéa 2 et suivants sont d'application.]1
HOOFDSTUK III. - Categorieën van arbeidskaarten en algemene bepalingen.
CHAPITRE III. - Catégories de permis de travail et dispositions générales.
Art. 3. De arbeidskaart behoort tot een van de volgende categorieën :
1° de arbeidskaart A : de arbeidskaart voor onbepaalde tijd en die voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen geldt;
2° de arbeidskaart B : de arbeidskaart voor bepaalde tijd, van ten hoogste twaalf maanden en beperkt tot de tewerkstelling bij één werkgever;
(3° de arbeidskaart C : de arbeidskaart voor bepaalde tijd en die voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen geldt.) <KB 2003-02-06/41, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
1° de arbeidskaart A : de arbeidskaart voor onbepaalde tijd en die voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen geldt;
2° de arbeidskaart B : de arbeidskaart voor bepaalde tijd, van ten hoogste twaalf maanden en beperkt tot de tewerkstelling bij één werkgever;
(3° de arbeidskaart C : de arbeidskaart voor bepaalde tijd en die voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen geldt.) <KB 2003-02-06/41, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
Art. 3. Le permis de travail appartient à l'une des catégories suivantes :
1° le permis de travail A : le permis de travail d'une durée illimitée et valable pour toutes les professions salariées;
2° le permis de travail B : le permis de travail d'une durée déterminée, de maximum douze mois et limité à l'occupation auprès d'un seul employeur;
(3° le permis de travail C : le permis de travail d'une durée limitée et valable pour toutes les professions salariées.) <AR 2003-02-06/41, art. 3, 009; En vigueur : 01-04-2003>
1° le permis de travail A : le permis de travail d'une durée illimitée et valable pour toutes les professions salariées;
2° le permis de travail B : le permis de travail d'une durée déterminée, de maximum douze mois et limité à l'occupation auprès d'un seul employeur;
(3° le permis de travail C : le permis de travail d'une durée limitée et valable pour toutes les professions salariées.) <AR 2003-02-06/41, art. 3, 009; En vigueur : 01-04-2003>
Art. 3 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De arbeidskaart behoort tot een van de volgende categorieën :
1° de arbeidskaart A : de arbeidskaart voor onbepaalde tijd en die voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen geldt;
2° de arbeidskaart B : de arbeidskaart voor bepaalde tijd, van ten hoogste twaalf maanden en beperkt tot de tewerkstelling bij één werkgever;
(3° de arbeidskaart C : de arbeidskaart voor bepaalde tijd en die voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen geldt.) <KB 2003-02-06/41, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
[1 In afwijking van het eerste lid, 2°, en met uitzondering van de toelating tot arbeid met het oog op een overplaatsing binnen een onderneming voor stagiair-werknemers-ICT is de toelating tot arbeid voor de werknemers vermeld in artikel 9, 4°, 6°, 7°, 21° en 22°, geldig voor een periode van drie jaar, respectievelijk voor de in de arbeidsovereenkomst of in de opdrachtbrief bepaalde periode van tewerkstelling, wanneer die periode minder dan drie jaar bedraagt.]1
De arbeidskaart behoort tot een van de volgende categorieën :
1° de arbeidskaart A : de arbeidskaart voor onbepaalde tijd en die voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen geldt;
2° de arbeidskaart B : de arbeidskaart voor bepaalde tijd, van ten hoogste twaalf maanden en beperkt tot de tewerkstelling bij één werkgever;
(3° de arbeidskaart C : de arbeidskaart voor bepaalde tijd en die voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen geldt.) <KB 2003-02-06/41, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
[1 In afwijking van het eerste lid, 2°, en met uitzondering van de toelating tot arbeid met het oog op een overplaatsing binnen een onderneming voor stagiair-werknemers-ICT is de toelating tot arbeid voor de werknemers vermeld in artikel 9, 4°, 6°, 7°, 21° en 22°, geldig voor een periode van drie jaar, respectievelijk voor de in de arbeidsovereenkomst of in de opdrachtbrief bepaalde periode van tewerkstelling, wanneer die periode minder dan drie jaar bedraagt.]1
Art. 3 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Le permis de travail appartient à l'une des catégories suivantes :
1° le permis de travail A : le permis de travail d'une durée illimitée et valable pour toutes les professions salariées;
2° le permis de travail B : le permis de travail d'une durée déterminée, de maximum douze mois et limité à l'occupation auprès d'un seul employeur;
(3° le permis de travail C : le permis de travail d'une durée limitée et valable pour toutes les professions salariées.) <AR 2003-02-06/41, art. 3, 009; En vigueur : 01-04-2003>
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, et à l'exception de l'autorisation de travail délivrée aux employés stagiaires ICT en vue d'un transfert temporaire intragroupe, l'autorisation de travail délivrée aux travailleurs mentionnés à l'article 9, 4°, 6°, 7°, 21° et 22°, est valable pour une période de trois années ou, selon le cas, pour une période égale à la durée d'occupation prévue dans le contrat de travail ou la lettre de mission, si cette durée est inférieure à trois années.]1
Le permis de travail appartient à l'une des catégories suivantes :
1° le permis de travail A : le permis de travail d'une durée illimitée et valable pour toutes les professions salariées;
2° le permis de travail B : le permis de travail d'une durée déterminée, de maximum douze mois et limité à l'occupation auprès d'un seul employeur;
(3° le permis de travail C : le permis de travail d'une durée limitée et valable pour toutes les professions salariées.) <AR 2003-02-06/41, art. 3, 009; En vigueur : 01-04-2003>
[1 Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, et à l'exception de l'autorisation de travail délivrée aux employés stagiaires ICT en vue d'un transfert temporaire intragroupe, l'autorisation de travail délivrée aux travailleurs mentionnés à l'article 9, 4°, 6°, 7°, 21° et 22°, est valable pour une période de trois années ou, selon le cas, pour une période égale à la durée d'occupation prévue dans le contrat de travail ou la lettre de mission, si cette durée est inférieure à trois années.]1
Wijzigingen
Art. 3_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. De arbeidskaart behoort tot een van de volgende categorieën :
1° de arbeidskaart A : de arbeidskaart voor onbepaalde tijd en die voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen geldt;
2° de arbeidskaart B : de arbeidskaart voor bepaalde tijd, van ten hoogste twaalf maanden en beperkt tot de tewerkstelling bij één werkgever;
(3° de arbeidskaart C : de arbeidskaart voor bepaalde tijd en die voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen geldt.) <KB 2003-02-06/41, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
[1 Met uitzondering van de toelating tot arbeid afgeleverd aan de stagiair-werknemer ICT, is de toelating tot arbeid afgeleverd aan de werknemers bedoeld in artikel 9, eerste lid, 1°, 2°, 3°, 6° of 7° geldig voor een periode van drie jaar, of voor een periode gelijk aan de duur van de tewerkstelling voorzien in de arbeidsovereenkomst of de opdrachtbrief, indien deze periode minder is dan drie jaar.]1
1° de arbeidskaart A : de arbeidskaart voor onbepaalde tijd en die voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen geldt;
2° de arbeidskaart B : de arbeidskaart voor bepaalde tijd, van ten hoogste twaalf maanden en beperkt tot de tewerkstelling bij één werkgever;
(3° de arbeidskaart C : de arbeidskaart voor bepaalde tijd en die voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen geldt.) <KB 2003-02-06/41, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
[1 Met uitzondering van de toelating tot arbeid afgeleverd aan de stagiair-werknemer ICT, is de toelating tot arbeid afgeleverd aan de werknemers bedoeld in artikel 9, eerste lid, 1°, 2°, 3°, 6° of 7° geldig voor een periode van drie jaar, of voor een periode gelijk aan de duur van de tewerkstelling voorzien in de arbeidsovereenkomst of de opdrachtbrief, indien deze periode minder is dan drie jaar.]1
Art. 3 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Le permis de travail appartient à l'une des catégories suivantes :
1° le permis de travail A : le permis de travail d'une durée illimitée et valable pour toutes les professions salariées;
2° le permis de travail B : le permis de travail d'une durée déterminée, de maximum douze mois et limité à l'occupation auprès d'un seul employeur;
(3° le permis de travail C : le permis de travail d'une durée limitée et valable pour toutes les professions salariées.) <AR 2003-02-06/41, art. 3, 009; En vigueur : 01-04-2003>
[1 A l'exception de l'autorisation de travail délivrée aux employés stagiaires ICT, l'autorisation de travail délivrée aux travailleurs visés à l'article 9, alinéa 1er, 1°, 2°, 3°, 6° ou 7° est valable pour une période de trois années, ou à une période égale à la durée d'occupation prévue dans le contrat de travail ou la lettre de mission, si cette durée est inférieure à trois années.]1
Le permis de travail appartient à l'une des catégories suivantes :
1° le permis de travail A : le permis de travail d'une durée illimitée et valable pour toutes les professions salariées;
2° le permis de travail B : le permis de travail d'une durée déterminée, de maximum douze mois et limité à l'occupation auprès d'un seul employeur;
(3° le permis de travail C : le permis de travail d'une durée limitée et valable pour toutes les professions salariées.) <AR 2003-02-06/41, art. 3, 009; En vigueur : 01-04-2003>
[1 A l'exception de l'autorisation de travail délivrée aux employés stagiaires ICT, l'autorisation de travail délivrée aux travailleurs visés à l'article 9, alinéa 1er, 1°, 2°, 3°, 6° ou 7° est valable pour une période de trois années, ou à une période égale à la durée d'occupation prévue dans le contrat de travail ou la lettre de mission, si cette durée est inférieure à trois années.]1
Wijzigingen
Art. 3.1 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Er wordt een arbeidskaart B en een machtiging tot tewerkstelling afgegeven voor de tewerkstelling van derdelanders die aan één van de volgende voorwaarden voldoen :
1° ze krijgen toelating om gedurende hoogstens negentig dagen te werken;
2° ze krijgen toelating voor bepaalde duur werken, zonder dat ze hun hoofdverblijfplaats op het Belgische grondgebied hebben;
3° ze krijgen toelating als au pair-jongere in de zin van hoofdstuk VI, afdeling 2.
De bepalingen van hoofdstuk IV, afdeling 4, zijn van toepassing op de aanvragen voor toelating tot arbeid die onder de toepassing vallen van het eerste lid.]1
[1 Er wordt een arbeidskaart B en een machtiging tot tewerkstelling afgegeven voor de tewerkstelling van derdelanders die aan één van de volgende voorwaarden voldoen :
1° ze krijgen toelating om gedurende hoogstens negentig dagen te werken;
2° ze krijgen toelating voor bepaalde duur werken, zonder dat ze hun hoofdverblijfplaats op het Belgische grondgebied hebben;
3° ze krijgen toelating als au pair-jongere in de zin van hoofdstuk VI, afdeling 2.
De bepalingen van hoofdstuk IV, afdeling 4, zijn van toepassing op de aanvragen voor toelating tot arbeid die onder de toepassing vallen van het eerste lid.]1
Art. 3/1 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Un permis de travail B et une autorisation d'occupation sont délivrés pour l'occupation des ressortissants d'un pays tiers qui remplissent l'une des conditions suivantes :
1° ils sont autorisés à travailler pour une période de maximum nonante jours;
2° ils sont autorisés à travailler pour une période déterminée sans que leur résidence principale se situe sur le territoire belge;
3° ils sont autorisés en tant que jeunes au pair au sens du chapitre VI, section 2.
Les dispositions du chapitre IV, section 4, s'appliquent aux demandes d'autorisation de travail auxquelles s'applique l'alinéa 1er.]1
[1 Un permis de travail B et une autorisation d'occupation sont délivrés pour l'occupation des ressortissants d'un pays tiers qui remplissent l'une des conditions suivantes :
1° ils sont autorisés à travailler pour une période de maximum nonante jours;
2° ils sont autorisés à travailler pour une période déterminée sans que leur résidence principale se situe sur le territoire belge;
3° ils sont autorisés en tant que jeunes au pair au sens du chapitre VI, section 2.
Les dispositions du chapitre IV, section 4, s'appliquent aux demandes d'autorisation de travail auxquelles s'applique l'alinéa 1er.]1
Art. 3.2 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Overeenkomstig artikel 16 van het samenwerkingsakkoord zijn de toelating tot arbeid en de machtiging tot tewerkstelling vervat in de gecombineerde vergunning of in andere verblijfstitels met het oog op werk voor een periode van meer dan negentig dagen, als de hoofdverblijfplaats van de onderdaan van een derde land zich op het Belgische grondgebied bevindt.
De bepalingen van hoofdstuk IV, afdeling 3, zijn van toepassing op de aanvragen voor toelating tot arbeid die onder de toepassing vallen van het eerste lid.]1
[1 Overeenkomstig artikel 16 van het samenwerkingsakkoord zijn de toelating tot arbeid en de machtiging tot tewerkstelling vervat in de gecombineerde vergunning of in andere verblijfstitels met het oog op werk voor een periode van meer dan negentig dagen, als de hoofdverblijfplaats van de onderdaan van een derde land zich op het Belgische grondgebied bevindt.
De bepalingen van hoofdstuk IV, afdeling 3, zijn van toepassing op de aanvragen voor toelating tot arbeid die onder de toepassing vallen van het eerste lid.]1
Art. 3/2 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Conformément à l'article 16 de l'accord de coopération, les autorisations d'occupation et de travail sont contenues dans le permis unique ou d'autres titres de séjour en vue d'un emploi d'une période de plus de nonante jours, si le ressortissant d'un pays tiers a sa résidence principale sur le territoire belge.
Les dispositions du chapitre IV, section 3, s'appliquent aux demandes d'autorisation de travail auxquelles s'applique l'alinéa 1er.]1
[1 Conformément à l'article 16 de l'accord de coopération, les autorisations d'occupation et de travail sont contenues dans le permis unique ou d'autres titres de séjour en vue d'un emploi d'une période de plus de nonante jours, si le ressortissant d'un pays tiers a sa résidence principale sur le territoire belge.
Les dispositions du chapitre IV, section 3, s'appliquent aux demandes d'autorisation de travail auxquelles s'applique l'alinéa 1er.]1
Art. 3.3 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Tijdens de periode van tewerkingstelling in het kader van een arbeidskaart B :
1° deelt de werkgever elke onderbreking van de arbeidsovereenkomst mee aan het departement;
2° wordt een nieuwe toelating tot arbeid aangevraagd bij elke wijziging van werkgever, alsook bij elke belangrijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden die gevolgen heeft voor de geldigheid van de machtiging tot tewerkstelling.
[2 ...]2
[2 ...]2]1
[1 Tijdens de periode van tewerkingstelling in het kader van een arbeidskaart B :
1° deelt de werkgever elke onderbreking van de arbeidsovereenkomst mee aan het departement;
2° wordt een nieuwe toelating tot arbeid aangevraagd bij elke wijziging van werkgever, alsook bij elke belangrijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden die gevolgen heeft voor de geldigheid van de machtiging tot tewerkstelling.
[2 ...]2
[2 ...]2]1
Art. 3/3 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Pendant la période d'occupation dans le cadre d'un permis de travail B :
1° l'employeur informe le département de toute interruption du contrat de travail;
2° en cas de changement d'employeur ainsi qu'en cas de modification significative des conditions de travail ayant des conséquences sur la validité de l'autorisation d'occupation, une nouvelle demande de permis de travail est introduite.
[2 ...]2
[2 ...]2]1
[1 Pendant la période d'occupation dans le cadre d'un permis de travail B :
1° l'employeur informe le département de toute interruption du contrat de travail;
2° en cas de changement d'employeur ainsi qu'en cas de modification significative des conditions de travail ayant des conséquences sur la validité de l'autorisation d'occupation, une nouvelle demande de permis de travail est introduite.
[2 ...]2
[2 ...]2]1
Art. 4. § 1. Wanneer de werknemer houder is van een arbeidskaart A, is geen arbeidsvergunning vereist in hoofde van de werkgever.
De arbeidskaart A verliest alle geldigheid als de houder van die kaart gedurende een periode van meer dan een jaar uit het land afwezig blijft, behalve indien deze afwezigheid niet het verlies van zijn recht op of machtiging tot verblijf, overeenkomstig artikel 39, § 3 of § 5 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, tot gevolg had.
§ 2. De toekenning aan de werkgever van de arbeidsvergunning, heeft automatisch tot gevolg dat ook de arbeidskaart B aan de betrokken werknemer wordt toegekend.
De geldigheidsduur van de arbeidskaart stemt overeen met de geldigheidsduur van de aan de werkgever toegekende arbeidsvergunning.
De arbeidskaart B verliest alle geldigheid indien de houder ervan zijn recht op of machtiging tot verblijf verliest.
§ 3. (Wanneer de werknemer houder is van een arbeidskaart C, is geen arbeidsvergunning vereist in hoofde van de werkgever.
De arbeidskaart C verliest alle geldigheid indien de houder ervan zijn recht op of machtiging tot verblijf verliest.) <KB 2003-02-06/41, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
De arbeidskaart A verliest alle geldigheid als de houder van die kaart gedurende een periode van meer dan een jaar uit het land afwezig blijft, behalve indien deze afwezigheid niet het verlies van zijn recht op of machtiging tot verblijf, overeenkomstig artikel 39, § 3 of § 5 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, tot gevolg had.
§ 2. De toekenning aan de werkgever van de arbeidsvergunning, heeft automatisch tot gevolg dat ook de arbeidskaart B aan de betrokken werknemer wordt toegekend.
De geldigheidsduur van de arbeidskaart stemt overeen met de geldigheidsduur van de aan de werkgever toegekende arbeidsvergunning.
De arbeidskaart B verliest alle geldigheid indien de houder ervan zijn recht op of machtiging tot verblijf verliest.
§ 3. (Wanneer de werknemer houder is van een arbeidskaart C, is geen arbeidsvergunning vereist in hoofde van de werkgever.
De arbeidskaart C verliest alle geldigheid indien de houder ervan zijn recht op of machtiging tot verblijf verliest.) <KB 2003-02-06/41, art. 4, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
Art. 4. § 1er. Lorsque le travailleur est titulaire d'un permis de travail A, aucune autorisation d'occupation n'est requise dans le chef de l'employeur.
Le permis de travail A perd toute validité si le porteur de ce permis s'absente du pays pendant une période de plus d'une année sauf si cette absence n'a pas entraîné la perte de son droit ou de son autorisation au séjour, conformément à l'article 39, § 3 ou § 5 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
§ 2. L'octroi à l'employeur de l'autorisation d'occupation, emporte d'office l'octroi au travailleur intéressé du permis de travail B.
La durée de validité du permis de travail correspond à la durée de validité de l'autorisation d'occupation octroyée à l'employeur.
Le permis de travail B perd toute validité si le détenteur de ce permis perd son droit ou son autorisation de séjour.
§ 3. (Lorsque le travailleur est titulaire d'un permis de travail C, aucune autorisation d'occupation n'est requise dans le chef de l'employeur.
Le permis de travail C perd toute validité si le détenteur de ce permis perd son droit ou son autorisation de séjour.) <AR 2003-02-06/41, art. 4, 009; En vigueur : 01-04-2003>
Le permis de travail A perd toute validité si le porteur de ce permis s'absente du pays pendant une période de plus d'une année sauf si cette absence n'a pas entraîné la perte de son droit ou de son autorisation au séjour, conformément à l'article 39, § 3 ou § 5 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
§ 2. L'octroi à l'employeur de l'autorisation d'occupation, emporte d'office l'octroi au travailleur intéressé du permis de travail B.
La durée de validité du permis de travail correspond à la durée de validité de l'autorisation d'occupation octroyée à l'employeur.
Le permis de travail B perd toute validité si le détenteur de ce permis perd son droit ou son autorisation de séjour.
§ 3. (Lorsque le travailleur est titulaire d'un permis de travail C, aucune autorisation d'occupation n'est requise dans le chef de l'employeur.
Le permis de travail C perd toute validité si le détenteur de ce permis perd son droit ou son autorisation de séjour.) <AR 2003-02-06/41, art. 4, 009; En vigueur : 01-04-2003>
Art. 5. In afwijking van artikel 4, § 2, van de wet, mag de arbeidsvergunning worden toegekend aan de werkgever voor de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 9 [1 , bij artikel 2, eerste lid, 34°]1 (en in artikel 38septies) die België zijn binnengekomen om er tewerkgesteld te worden vooraleer de werkgever de arbeidsvergunning heeft bekomen. <KB 2008-12-23/30, art. 2, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
Art. 5. Par dérogation à l'article 4, § 2, de la loi, l'autorisation d'occupation peut être accordée à l'employeur pour l'occupation de ressortissants étrangers, visés à l'article 9 [1 , à l'article 2, alinéa 1er, 34°]1 (et a l'article 38septies,) qui ont pénétré en Belgique avant que l'employeur ait obtenu l'autorisation d'occupation. <AR 2008-12-23/30, art. 2, 019; En vigueur : 01-01-2009>
Wijzigingen
Art. 5 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[2 In afwijking van artikel 4, § 2, van de wet, mag de vergunning worden toegekend aan de werkgever voor de tewerkstelling van onderdanen bedoeld in [5 ...]5 en in artikel 9, die België zijn binnengekomen om er tewerkgesteld te worden vooraleer de werkgever de arbeidsvergunning heeft bekomen.]2
[6 Het eerste lid is niet van toepassing op vergunningen voor de personen vermeld in artikel 9, 14°, en de personen vermeld in artikel 9, 21°, in het kader van een aanvraag om toelating tot arbeid met het oog op een overplaatsing binnen een onderneming.
Voor de toepassing van het eerste lid moet de onderdaan van een derde land, voor de aanvragen vermeld in artikel 9, 5°, en vermeld in artikel 9, 23°, voor een periode van meer dan negentig dagen gemachtigd of toegelaten zijn tot het verblijf in de zin van titel I, hoofdstuk III, van de wet van 15 december 1980.]6
[2 In afwijking van artikel 4, § 2, van de wet, mag de vergunning worden toegekend aan de werkgever voor de tewerkstelling van onderdanen bedoeld in [5 ...]5 en in artikel 9, die België zijn binnengekomen om er tewerkgesteld te worden vooraleer de werkgever de arbeidsvergunning heeft bekomen.]2
[6 Het eerste lid is niet van toepassing op vergunningen voor de personen vermeld in artikel 9, 14°, en de personen vermeld in artikel 9, 21°, in het kader van een aanvraag om toelating tot arbeid met het oog op een overplaatsing binnen een onderneming.
Voor de toepassing van het eerste lid moet de onderdaan van een derde land, voor de aanvragen vermeld in artikel 9, 5°, en vermeld in artikel 9, 23°, voor een periode van meer dan negentig dagen gemachtigd of toegelaten zijn tot het verblijf in de zin van titel I, hoofdstuk III, van de wet van 15 december 1980.]6
Art. 5 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[2 Par dérogation à l'article 4, § 2, de la loi, l'autorisation peut être accordée à l'employeur pour l'occupation de ressortissants visés [3 ...]3 à l'article 9, qui ont pénétré en Belgique avant que l'employeur ait obtenu l'autorisation d'occupation.]2
[4 L'alinéa 1er ne s'applique pas aux permis pour les personnes mentionnées à l'article 9, 14°, et celles mentionnées à l'article 9, 21°, dans le cadre d'une demande d'autorisation de travail en vue d'un transfert temporaire intragroupe.
Aux fins d'application de l'alinéa 1er, le séjour doit être autorisé ou accordé pour une période de plus de nonante jours conformément au titre Ier, chapitre III, de la loi du 15 décembre 1980 au ressortissant d'un pays tiers pour les demandes mentionnées à l'article 9, 5° et 23°.]4
[2 Par dérogation à l'article 4, § 2, de la loi, l'autorisation peut être accordée à l'employeur pour l'occupation de ressortissants visés [3 ...]3 à l'article 9, qui ont pénétré en Belgique avant que l'employeur ait obtenu l'autorisation d'occupation.]2
[4 L'alinéa 1er ne s'applique pas aux permis pour les personnes mentionnées à l'article 9, 14°, et celles mentionnées à l'article 9, 21°, dans le cadre d'une demande d'autorisation de travail en vue d'un transfert temporaire intragroupe.
Aux fins d'application de l'alinéa 1er, le séjour doit être autorisé ou accordé pour une période de plus de nonante jours conformément au titre Ier, chapitre III, de la loi du 15 décembre 1980 au ressortissant d'un pays tiers pour les demandes mentionnées à l'article 9, 5° et 23°.]4
Art. 5_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. In afwijking van artikel 4, § 2, van de wet, mag de arbeidsvergunning worden toegekend aan de werkgever voor de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 9 [5 , met uitzondering van punt 1°, ]5 [4 en bij artikel 2, eerste lid, 34°]4 die België zijn binnengekomen om er tewerkgesteld te worden vooraleer de werkgever de arbeidsvergunning heeft bekomen.
Art. 5 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Par dérogation à l'article 4, § 2, de la loi, l'autorisation d'occupation peut être accordée à l'employeur pour l'occupation de ressortissants étrangers, visés à l'article 9 [5 , à l'exception du point 1°,]5 [4 et à l'article 2, alinéa 1er, 34°]4 qui ont pénétré en Belgique avant que l'employeur ait obtenu l'autorisation d'occupation.
Par dérogation à l'article 4, § 2, de la loi, l'autorisation d'occupation peut être accordée à l'employeur pour l'occupation de ressortissants étrangers, visés à l'article 9 [5 , à l'exception du point 1°,]5 [4 et à l'article 2, alinéa 1er, 34°]4 qui ont pénétré en Belgique avant que l'employeur ait obtenu l'autorisation d'occupation.
Art. 5_VLAAMS_GEWEST. In afwijking van artikel 4, § 2, van de wet, mag de arbeidsvergunning worden toegekend aan de werkgever voor de tewerkstelling van buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 9 [1 [4 ...]4]1 [3 ...]3 die België zijn binnengekomen om er tewerkgesteld te worden vooraleer de werkgever de arbeidsvergunning heeft bekomen.
Art. 5 _REGION_FLAMANDE.
Par dérogation à l'article 4, § 2, de la loi, l'autorisation d'occupation peut être accordée à l'employeur pour l'occupation de ressortissants étrangers, visés à l'article 9 [1 , [4 ...]4]1 [3 ...]3 qui ont pénétré en Belgique avant que l'employeur ait obtenu l'autorisation d'occupation.
Par dérogation à l'article 4, § 2, de la loi, l'autorisation d'occupation peut être accordée à l'employeur pour l'occupation de ressortissants étrangers, visés à l'article 9 [1 , [4 ...]4]1 [3 ...]3 qui ont pénétré en Belgique avant que l'employeur ait obtenu l'autorisation d'occupation.
Art. 6. De arbeidsvergunning en de arbeidskaart kunnen aan bijzondere voorwaarden worden verbonden. Die voorwaarden worden in het formulier van toekenning van de arbeidsvergunning en indien mogelijk op de arbeidskaart aangegeven.
Art. 6. L'autorisation d'occupation et le permis de travail peuvent être soumis à des conditions spéciales. Ces conditions sont inscrites dans la formule d'octroi de l'autorisation d'occupation et si possible sur le permis de travail.
Art. 7. De buitenlandse onderdaan die het land voorgoed verlaat, moet vóór zijn vertrek de arbeidskaart teruggeven aan het gemeentebestuur van zijn hoofdverblijfplaats.
Art. 7. Le ressortissant étranger qui quitte définitivement le pays, est tenu, avant son départ, de restituer le permis de travail à l'administration communale du lieu de sa résidence principale.
HOOFDSTUK IV. - Toekenningsvoorwaarden voor de arbeidsvergunning en voor de arbeidskaart.
CHAPITRE IV. - Conditions d'octroi de l'autorisation d'occupation et du permis de travail.
Afdeling 1. - De arbeidsvergunning.
Section 1. - L'autorisation d'occupation.
Onderafdeling 1. - De arbeidsmarkt.
Sous-section 1. - Le marché de l'emploi.
Art. 8. De arbeidsvergunning wordt alleen dan toegekend wanneer het niet mogelijk is binnen een redelijke termijn onder de werknemers op de arbeidsmarkt een werknemer te vinden die, al of niet door een nog te volgen gepaste beroepsopleiding, geschikt is om de betrokken arbeidsplaats op een bevredigende wijze en binnen een billijke termijn te bekleden.
Art. 8. L'autorisation d'occupation n'est accordée que s'il n'est pas possible de trouver parmi les travailleurs appartenant au marché de l'emploi un travailleur apte à occuper de façon satisfaisante et dans un délai raisonnable, même au moyen d'une formation professionnelle adéquate, l'emploi envisagé.
Art. 9. In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om :
1° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
2° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
3° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
4° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
5° stagiairs bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
6° (hooggeschoold personeel, voor zover de duur van hun tewerkstelling de vier jaar niet overschrijdt en hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 67 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet; deze periode van vier jaar kan éénmaal worden verlengd met een nieuwe periode van vier jaar. De overheid die bevoegd is voor de aflevering van de arbeidskaart kan de hernieuwing van deze ondergeschikt maken aan het respecteren door de werkgever van de voorwaarden die hem bij de aflevering van de eerste arbeidskaart door die overheid werden opgelegd in het vooruitzicht van een eventuele hernieuwing ervan, en die het pro-actief bestrijden van het tekort op de arbeidsmarkt beogen en waarbij wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging van de risicogroepen.
De beperking van duur van de tewerkstelling bedoeld in het vorig lid is niet van toepassing voorzover de tewerkstelling niet plaatsvindt in het kader van een terbeschikkingstelling van werknemers in loondienst en voorzover :
- ofwel de werknemer onderdaan is van een land, met hetwelk de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie heeft afgesloten;
- ofwel zijn jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 69 van de voormelde wet van 3 juli 1978 aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
7° personen die een leidinggevende functie komen bekleden (...) voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 69 van dezelfde wet aangegeven bedrag. Het voornoemde bedrag is berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet; <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
8° navorsers en gasthoogleraren tewerkgesteld in een universiteit, in een inrichting van hoger onderwijs, een erkende wetenschappelijke instelling of een onderzoeksafdeling van een onderneming, voor zover de duur ervan de 4 jaar niet overschrijdt;
9° gespecialiseerde techniekers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven en die naar België komen om over te gaan (tot de montage of het op gang brengen) of de herstelling van een in het buitenland bij die werkgever vervaardigde (of door hem geleverde) installatie voor een periode van maximum 6 maanden; <KB 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
10° werknemers die verbonden blijven door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever en die een specifieke beroepsopleiding volgen in een Belgisch bedrijf in het kader van een opleidingsovereenkomst toegevoegd aan een verkoopscontract gesloten tussen dit Belgisch bedrijf en een buitenlandse firma, voor zover de duur van deze opleiding de zes maanden niet overschrijdt;
11° (beroepssportlui en trainers, voor zover, voor beide gevallen, het bedrag van hun bezoldiging minstens het achtvoudige bedraagt van de bezoldiging bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, § 1 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars;) <KB 2003-03-09/39, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
12° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een uitbatingszetel in België;
13° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een toeristische dienst van hun land;
14° au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van Hoofdstuk VI;
15° (schouwspelartiesten voor zover hun jaarlijkse bezoldiging niet lager ligt dan het in artikel 65, § 2, eerste lid, van de voormelde wet van 3 juli 1978 aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
16° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan van wie het recht op verblijf beperkt wordt tot de geldigheid van zijn arbeidskaart of van zijn beroepskaart, of tot de uitoefening van een zelfstandig beroep, voor de geldigheidsduur van dit recht op verblijf;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
17° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan bedoeld in (artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° en 34°]1), voor de geldigheidsduur van het recht op verblijf van die persoon.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
(18° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, en die naar België komen om een opleiding te volgen gedurende meer dan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;
19° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte, hetzij geen onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, en die naar België komen om een opleiding te volgen in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;) <KB 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
(20° de werknemers, onderdanen van een Staat die geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte, die de verblijfsstatus van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen op basis van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.) <AR 2008-12-23/30, art. 3, 019; Inwerkingtreding : onbepaald, dat in werking treedt de dag waarop de artikelen 38ter, 38quater en 38quinquies van dit koninklijk besluit>
De toepassing van 8° moet onder navorsers worden verstaan, de personen die :
- houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
- door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling zijn geselecteerd en uitgenodigd;
- voltijds deelnemen aan een programma of een project van wetenschappelijk onderzoek gevoerd in de onthalende instelling en hiervoor genieten van een wetenschappelijke omkadering;
- een bezoldiging of een subsidie ontvangen die tenminste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen.
Eveneens moet onder gasthoogleraren worden verstaan, de personen die :
- houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
- uitgenodigd zijn door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling, met het oog op het verstrekken van onderwijs of het deelnemen aan het onderzoek binnen de onthalende instelling;
- worden beschouwd als gekwalificeerd op het niveau van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs;
- een bezoldiging ontvangen in een barema van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs.
Onverminderd de bepalingen van de artikelen 34 en 35 van dit besluit, moet de in het derde lid, vierde streepje bedoelde bezoldiging niet worden toegekend voor zover kan bewezen worden dat de gasthoogleraar gedurende zijn verblijf verder bezoldigd wordt door zijn uitzendende instelling.
1° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
2° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
3° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
4° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
5° stagiairs bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
6° (hooggeschoold personeel, voor zover de duur van hun tewerkstelling de vier jaar niet overschrijdt en hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 67 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet; deze periode van vier jaar kan éénmaal worden verlengd met een nieuwe periode van vier jaar. De overheid die bevoegd is voor de aflevering van de arbeidskaart kan de hernieuwing van deze ondergeschikt maken aan het respecteren door de werkgever van de voorwaarden die hem bij de aflevering van de eerste arbeidskaart door die overheid werden opgelegd in het vooruitzicht van een eventuele hernieuwing ervan, en die het pro-actief bestrijden van het tekort op de arbeidsmarkt beogen en waarbij wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging van de risicogroepen.
De beperking van duur van de tewerkstelling bedoeld in het vorig lid is niet van toepassing voorzover de tewerkstelling niet plaatsvindt in het kader van een terbeschikkingstelling van werknemers in loondienst en voorzover :
- ofwel de werknemer onderdaan is van een land, met hetwelk de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie heeft afgesloten;
- ofwel zijn jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 69 van de voormelde wet van 3 juli 1978 aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
7° personen die een leidinggevende functie komen bekleden (...) voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het in artikel 69 van dezelfde wet aangegeven bedrag. Het voornoemde bedrag is berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet; <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
8° navorsers en gasthoogleraren tewerkgesteld in een universiteit, in een inrichting van hoger onderwijs, een erkende wetenschappelijke instelling of een onderzoeksafdeling van een onderneming, voor zover de duur ervan de 4 jaar niet overschrijdt;
9° gespecialiseerde techniekers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven en die naar België komen om over te gaan (tot de montage of het op gang brengen) of de herstelling van een in het buitenland bij die werkgever vervaardigde (of door hem geleverde) installatie voor een periode van maximum 6 maanden; <KB 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
10° werknemers die verbonden blijven door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever en die een specifieke beroepsopleiding volgen in een Belgisch bedrijf in het kader van een opleidingsovereenkomst toegevoegd aan een verkoopscontract gesloten tussen dit Belgisch bedrijf en een buitenlandse firma, voor zover de duur van deze opleiding de zes maanden niet overschrijdt;
11° (beroepssportlui en trainers, voor zover, voor beide gevallen, het bedrag van hun bezoldiging minstens het achtvoudige bedraagt van de bezoldiging bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, § 1 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars;) <KB 2003-03-09/39, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
12° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een uitbatingszetel in België;
13° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een toeristische dienst van hun land;
14° au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van Hoofdstuk VI;
15° (schouwspelartiesten voor zover hun jaarlijkse bezoldiging niet lager ligt dan het in artikel 65, § 2, eerste lid, van de voormelde wet van 3 juli 1978 aangegeven bedrag, berekend en aangepast volgens artikel 131 van dezelfde wet;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
16° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan van wie het recht op verblijf beperkt wordt tot de geldigheid van zijn arbeidskaart of van zijn beroepskaart, of tot de uitoefening van een zelfstandig beroep, voor de geldigheidsduur van dit recht op verblijf;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
17° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan bedoeld in (artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° en 34°]1), voor de geldigheidsduur van het recht op verblijf van die persoon.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
(18° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, en die naar België komen om een opleiding te volgen gedurende meer dan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;
19° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte, hetzij geen onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, en die naar België komen om een opleiding te volgen in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;) <KB 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
(20° de werknemers, onderdanen van een Staat die geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte, die de verblijfsstatus van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen op basis van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.) <AR 2008-12-23/30, art. 3, 019; Inwerkingtreding : onbepaald, dat in werking treedt de dag waarop de artikelen 38ter, 38quater en 38quinquies van dit koninklijk besluit>
De toepassing van 8° moet onder navorsers worden verstaan, de personen die :
- houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
- door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling zijn geselecteerd en uitgenodigd;
- voltijds deelnemen aan een programma of een project van wetenschappelijk onderzoek gevoerd in de onthalende instelling en hiervoor genieten van een wetenschappelijke omkadering;
- een bezoldiging of een subsidie ontvangen die tenminste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen.
Eveneens moet onder gasthoogleraren worden verstaan, de personen die :
- houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
- uitgenodigd zijn door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling, met het oog op het verstrekken van onderwijs of het deelnemen aan het onderzoek binnen de onthalende instelling;
- worden beschouwd als gekwalificeerd op het niveau van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs;
- een bezoldiging ontvangen in een barema van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs.
Onverminderd de bepalingen van de artikelen 34 en 35 van dit besluit, moet de in het derde lid, vierde streepje bedoelde bezoldiging niet worden toegekend voor zover kan bewezen worden dat de gasthoogleraar gedurende zijn verblijf verder bezoldigd wordt door zijn uitzendende instelling.
Art. 9. Par dérogation à l'article 8, il n'est pas tenu compte de la situation du marché de l'emploi pour l'octroi de l'autorisation d'occupation lorsqu'il s'agit :
1° (abrogé) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
2° (abrogé) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
3° (abrogé) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
4° (abrogé) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
5° de stagiaires visés à la section 1 du Chapitre VI;
6° (du personnel hautement qualifié pour autant que la durée de leur occupation n'excède pas quatre ans et que leur rémunération annuelle dépasse le montant indiqué à l'article 67 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, calculé et adapté suivant l'article 131 de la même loi; cette période de quatre ans peut être renouvelée une fois pour une nouvelle période de quatre ans. L'autorité compétente pour délivrer le permis peut subordonner le renouvellement de celui-ci au respect par l'employeur des conditions qui lui ont été imposées par cette autorité, au moment de la première délivrance du permis et dans la perspective d'un renouvellement éventuel de celui-ci, et qui visent la lutte proactive contre la pénurie sur le marché de l'emploi et le fait de tendre vers une participation au travail équilibrée des groupes à risque.) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
(La limitation de la durée de l'occupation visée à l'alinéa précédent, n'est pas d'application si l'occupation ne s'exerce pas dans le cadre d'un détachement de travailleurs salariés et pour autant :
- que le travailleur soit ressortissant d'un pays avec lequel l'Union européenne a clôturé les négociations d'adhésion dans le cadre de l'élargissement de l'Union européenne;
ou que sa rémunération annuelle dépasse le montant indiqué à l'article 69 de la loi précitée du 3 juillet 1978, calculé et adapté suivant l'article 131 de la même loi.) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
7° des personnes qui viennent occuper un poste de direction (...) pour autant que leur rémunération annuelle dépasse le montant indiqué à l'article 69 de la même loi. Le montant précité est calculés et adapté suivant l'article 131 de la même loi; <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
8° de chercheurs et de professeurs invités occupés dans une université, un établissement d'enseignement supérieur, un établissement scientifique reconnu ou un département de recherche d'une entreprise pour autant que la durée de leur occupation n'excède pas 4 ans;
9° des techniciens spécialisés qui restent liés par contrat de travail avec un employeur établi à l'étranger et qui viennent en Belgique pour procéder (au montage ou à la mise en marche) ou à la réparation d'une installation fabriquée (ou livrée) par leur employeur à l'étranger pour une durée de 6 mois maximum; <AR 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; En vigueur : 08-10-2007>
10° des travailleurs qui restent liés par contrat de travail avec une entreprise établie a l'étranger et qui suivent une formation professionnelle spécifique dans une firme belge dans le cadre d'un contrat de formation accessoire à un contrat de vente conclu entre cette firme belge et une firme étrangère, pour autant que la durée de cette formation n'excède pas six mois;
11° (de sportifs professionnels et d'entraîneurs, pour autant que, dans les deux cas, le montant de leur rémunération corresponde au moins à huit fois la rémunération fixée conformément aux dispositions de l'article 2, § 1er, de la loi du 24 fevrier 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré;) <AR 2003-03-09/39, art. 1, 010; En vigueur : 01-07-2003>
12° de personnes exerçant une fonction à responsabilité dans une compagnie de navigation aérienne étrangère ayant un siège d'exploitation en Belgique;
13° de personnes exerçant une fonction à responsabilités dans un office de tourisme de leur pays;
14° de jeunes au pair, visés à la section 2 du Chapitre VI;
(15° d'artistes de spectacle, pour autant que leur rémunération annuelle ne soit pas inferieure au montant indiqué à l'article 65, § 2, alinéa 1er, de la loi du 3 juillet 1978 précitée, calculé et adapté suivant l'article 131 de la même loi;
16° du conjoint et enfants du ressortissant étranger dont le droit au séjour est limité à la validité de son permis de travail ou de sa carte professionnelle, ou à l'exercice d'une activité professionnelle indépendante, pour la durée de validité de ce droit au séjour;
17° du conjoint et enfants du ressortissant étranger visé à (l'article 2, alinéa 1er, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° et 34°]1), pour la durée de validité du droit au séjour de celui-ci.) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003> <AR 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; En vigueur : 08-10-2007>
(18° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace économique europeen, soit ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, soit ressortissants d'un Etat visé à l'article 10, venant en Belgique pour suivre une formation d'une durée supérieure à trois mois calendrier au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational;
19° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie en dehors de l'Espace économique européen, soit non ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, venant en Belgique pour suivre une formation au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational.) <AR 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; En vigueur : 08-10-2007>
(20° de travailleurs ressortissants d'un Etat non-membre de l'Espace économique européen bénéficiant du statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, sur base de la Directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue duree.) Pour l'application du 8°, on entend par chercheurs, les personnes qui :
- sont porteuses d'un doctorat à thèse ou d'un titre académique jugé équivalent ou possèdent des qualités scientifiques exceptionnelles dont l'existence est attestée par l'institution d'accueil;
- ont été sélectionnées et invitées par une université, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu;
- participent à temps plein à un programme ou à un projet de recherche mene au sein de l'institution d'accueil et bénéficient d'un encadrement scientifique dans ce contexte;
- perçoivent une rémunération ou un subside au moins égal au barème d'assistant des universités, établissements d'enseignement supérieur ou établissements scientifiques reconnus.
Il y a également lieu d'entendre par professeurs invités les personnes qui :
- sont porteuses d'un doctorat à thèse ou d'un titre académique jugé équivalent ou possèdent des qualités scientifiques exceptionnelles dont l'existence est attestée par l'institution d'accueil;
- ont été invitées par une université, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu, en vue de contribuer à l'enseignement ou à la recherche au sein de l'institution d'accueil;
- sont considérées comme possédant des qualifications qui les situent au niveau du personnel enseignant des universités ou établissements d'enseignement supérieur francophones ou du personnel académique indépendant des universités flamandes ou des mêmes grades dans les établissements d'enseignement supérieur flamands;
- perçoivent une rémunération conformément au barème du personnel enseignant des universités ou établissements d'enseignement supérieur francophones ou du personnel académique indépendant des universités flamandes ou des mêmes grades dans les établissements d'enseignement supérieur flamands.
Sans préjudice des dispositions des articles 34 et 35 du présent arrêté, la rémunération visée à l'alinéa 3, quatrième tiret, ne doit pas être octroyée pour autant qu'il peut être démontré que, durant son séjour, le professeur invité continue à être rémunéré par son institution d'envoi.
1° (abrogé) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
2° (abrogé) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
3° (abrogé) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
4° (abrogé) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
5° de stagiaires visés à la section 1 du Chapitre VI;
6° (du personnel hautement qualifié pour autant que la durée de leur occupation n'excède pas quatre ans et que leur rémunération annuelle dépasse le montant indiqué à l'article 67 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, calculé et adapté suivant l'article 131 de la même loi; cette période de quatre ans peut être renouvelée une fois pour une nouvelle période de quatre ans. L'autorité compétente pour délivrer le permis peut subordonner le renouvellement de celui-ci au respect par l'employeur des conditions qui lui ont été imposées par cette autorité, au moment de la première délivrance du permis et dans la perspective d'un renouvellement éventuel de celui-ci, et qui visent la lutte proactive contre la pénurie sur le marché de l'emploi et le fait de tendre vers une participation au travail équilibrée des groupes à risque.) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
(La limitation de la durée de l'occupation visée à l'alinéa précédent, n'est pas d'application si l'occupation ne s'exerce pas dans le cadre d'un détachement de travailleurs salariés et pour autant :
- que le travailleur soit ressortissant d'un pays avec lequel l'Union européenne a clôturé les négociations d'adhésion dans le cadre de l'élargissement de l'Union européenne;
ou que sa rémunération annuelle dépasse le montant indiqué à l'article 69 de la loi précitée du 3 juillet 1978, calculé et adapté suivant l'article 131 de la même loi.) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
7° des personnes qui viennent occuper un poste de direction (...) pour autant que leur rémunération annuelle dépasse le montant indiqué à l'article 69 de la même loi. Le montant précité est calculés et adapté suivant l'article 131 de la même loi; <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
8° de chercheurs et de professeurs invités occupés dans une université, un établissement d'enseignement supérieur, un établissement scientifique reconnu ou un département de recherche d'une entreprise pour autant que la durée de leur occupation n'excède pas 4 ans;
9° des techniciens spécialisés qui restent liés par contrat de travail avec un employeur établi à l'étranger et qui viennent en Belgique pour procéder (au montage ou à la mise en marche) ou à la réparation d'une installation fabriquée (ou livrée) par leur employeur à l'étranger pour une durée de 6 mois maximum; <AR 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; En vigueur : 08-10-2007>
10° des travailleurs qui restent liés par contrat de travail avec une entreprise établie a l'étranger et qui suivent une formation professionnelle spécifique dans une firme belge dans le cadre d'un contrat de formation accessoire à un contrat de vente conclu entre cette firme belge et une firme étrangère, pour autant que la durée de cette formation n'excède pas six mois;
11° (de sportifs professionnels et d'entraîneurs, pour autant que, dans les deux cas, le montant de leur rémunération corresponde au moins à huit fois la rémunération fixée conformément aux dispositions de l'article 2, § 1er, de la loi du 24 fevrier 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré;) <AR 2003-03-09/39, art. 1, 010; En vigueur : 01-07-2003>
12° de personnes exerçant une fonction à responsabilité dans une compagnie de navigation aérienne étrangère ayant un siège d'exploitation en Belgique;
13° de personnes exerçant une fonction à responsabilités dans un office de tourisme de leur pays;
14° de jeunes au pair, visés à la section 2 du Chapitre VI;
(15° d'artistes de spectacle, pour autant que leur rémunération annuelle ne soit pas inferieure au montant indiqué à l'article 65, § 2, alinéa 1er, de la loi du 3 juillet 1978 précitée, calculé et adapté suivant l'article 131 de la même loi;
16° du conjoint et enfants du ressortissant étranger dont le droit au séjour est limité à la validité de son permis de travail ou de sa carte professionnelle, ou à l'exercice d'une activité professionnelle indépendante, pour la durée de validité de ce droit au séjour;
17° du conjoint et enfants du ressortissant étranger visé à (l'article 2, alinéa 1er, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° et 34°]1), pour la durée de validité du droit au séjour de celui-ci.) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003> <AR 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; En vigueur : 08-10-2007>
(18° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace économique europeen, soit ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, soit ressortissants d'un Etat visé à l'article 10, venant en Belgique pour suivre une formation d'une durée supérieure à trois mois calendrier au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational;
19° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie en dehors de l'Espace économique européen, soit non ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, venant en Belgique pour suivre une formation au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational.) <AR 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; En vigueur : 08-10-2007>
(20° de travailleurs ressortissants d'un Etat non-membre de l'Espace économique européen bénéficiant du statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, sur base de la Directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue duree.)
- sont porteuses d'un doctorat à thèse ou d'un titre académique jugé équivalent ou possèdent des qualités scientifiques exceptionnelles dont l'existence est attestée par l'institution d'accueil;
- ont été sélectionnées et invitées par une université, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu;
- participent à temps plein à un programme ou à un projet de recherche mene au sein de l'institution d'accueil et bénéficient d'un encadrement scientifique dans ce contexte;
- perçoivent une rémunération ou un subside au moins égal au barème d'assistant des universités, établissements d'enseignement supérieur ou établissements scientifiques reconnus.
Il y a également lieu d'entendre par professeurs invités les personnes qui :
- sont porteuses d'un doctorat à thèse ou d'un titre académique jugé équivalent ou possèdent des qualités scientifiques exceptionnelles dont l'existence est attestée par l'institution d'accueil;
- ont été invitées par une université, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu, en vue de contribuer à l'enseignement ou à la recherche au sein de l'institution d'accueil;
- sont considérées comme possédant des qualifications qui les situent au niveau du personnel enseignant des universités ou établissements d'enseignement supérieur francophones ou du personnel académique indépendant des universités flamandes ou des mêmes grades dans les établissements d'enseignement supérieur flamands;
- perçoivent une rémunération conformément au barème du personnel enseignant des universités ou établissements d'enseignement supérieur francophones ou du personnel académique indépendant des universités flamandes ou des mêmes grades dans les établissements d'enseignement supérieur flamands.
Sans préjudice des dispositions des articles 34 et 35 du présent arrêté, la rémunération visée à l'alinéa 3, quatrième tiret, ne doit pas être octroyée pour autant qu'il peut être démontré que, durant son séjour, le professeur invité continue à être rémunéré par son institution d'envoi.
Wijzigingen
Art. 9_WAALS_GEWEST. In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om :
1°-4° [7 ...]7]
5° stagiairs bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
6° [7 ...]7]
7° [7 ...]7]
8° navorsers en gasthoogleraren tewerkgesteld in een universiteit, in een inrichting van hoger onderwijs, een erkende wetenschappelijke instelling of een onderzoeksafdeling van een onderneming, voor zover de duur ervan de 4 jaar niet overschrijdt;
9°-20° [7 ...]7]
1°-4° [7 ...]7]
5° stagiairs bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
6° [7 ...]7]
7° [7 ...]7]
8° navorsers en gasthoogleraren tewerkgesteld in een universiteit, in een inrichting van hoger onderwijs, een erkende wetenschappelijke instelling of een onderzoeksafdeling van een onderneming, voor zover de duur ervan de 4 jaar niet overschrijdt;
9°-20° [7 ...]7]
Wijzigingen
Art. 9 _REGION_WALLONNE.
Par dérogation à l'article 8, il n'est pas tenu compte de la situation du marché de l'emploi pour l'octroi de l'autorisation d'occupation lorsqu'il s'agit :
1°-4° [7 ...]7
5° de stagiaires visés à la section 1 du Chapitre VI;
6° [7 ...]7
7° [7 ...]7
8° de chercheurs et de professeurs invités occupés dans une université, un établissement d'enseignement supérieur, un établissement scientifique reconnu ou un département de recherche d'une entreprise pour autant que la durée de leur occupation n'excède pas 4 ans;
9°-20° [7 ...]7
Par dérogation à l'article 8, il n'est pas tenu compte de la situation du marché de l'emploi pour l'octroi de l'autorisation d'occupation lorsqu'il s'agit :
1°-4° [7 ...]7
5° de stagiaires visés à la section 1 du Chapitre VI;
6° [7 ...]7
7° [7 ...]7
8° de chercheurs et de professeurs invités occupés dans une université, un établissement d'enseignement supérieur, un établissement scientifique reconnu ou un département de recherche d'une entreprise pour autant que la durée de leur occupation n'excède pas 4 ans;
9°-20° [7 ...]7
Wijzigingen
Art. 9 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om :
1° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
2° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
3° [7 journalisten die in België verblijven en die uitsluitend verbonden zijn aan dagbladen die in het buitenland uitgegeven worden of aan persagentschappen, radio- of televisiestations die in het buitenland gevestigd zijn;]7
4° [6 [7 hooggekwalificeerde werknemers overeenkomstig de voorwaarden vermeld in hoofdstuk VI, afdeling 6;]7]6
5° stagiairs bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
6° (hooggeschoold personeel, voor zover de duur van hun tewerkstelling de vier jaar niet overschrijdt en hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan [2 het bedrag van 39.422 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37]2; deze periode van vier jaar kan éénmaal worden verlengd met een nieuwe periode van vier jaar. De overheid die bevoegd is voor de aflevering van de arbeidskaart kan de hernieuwing van deze ondergeschikt maken aan het respecteren door de werkgever van de voorwaarden die hem bij de aflevering van de eerste arbeidskaart door die overheid werden opgelegd in het vooruitzicht van een eventuele hernieuwing ervan, en die het pro-actief bestrijden van het tekort op de arbeidsmarkt beogen en waarbij wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging van de risicogroepen.
De beperking van duur van de tewerkstelling bedoeld in het vorig lid is niet van toepassing voorzover de tewerkstelling niet plaatsvindt in het kader van een terbeschikkingstelling van werknemers in loondienst en voorzover :
- ofwel de werknemer onderdaan is van een land, met hetwelk de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie heeft afgesloten;
- ofwel zijn jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan [2 het bedrag van 65.771 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37]2.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
7° personen die een leidinggevende functie komen bekleden (...) voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan [2 het bedrag van 65.771 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37]2; <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
8° navorsers en gasthoogleraren tewerkgesteld in een universiteit, in een inrichting van hoger onderwijs, een erkende wetenschappelijke instelling of een onderzoeksafdeling van een onderneming, voor zover de duur ervan de 4 jaar niet overschrijdt;
9° gespecialiseerde techniekers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven en die naar België komen om over te gaan (tot de montage of het op gang brengen) of de herstelling van een in het buitenland bij die werkgever vervaardigde (of door hem geleverde) installatie voor een periode van maximum 6 maanden; <KB 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
10° werknemers die verbonden blijven door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever en die een specifieke beroepsopleiding [7 volgen of geven]7 in een Belgisch bedrijf in het kader van een opleidingsovereenkomst toegevoegd aan een verkoopscontract gesloten tussen dit Belgisch bedrijf en een buitenlandse firma, voor zover de duur van deze opleiding de zes maanden niet overschrijdt;
11° (beroepssportlui en trainers, voor zover, voor beide gevallen, het bedrag van hun bezoldiging minstens het achtvoudige bedraagt van de bezoldiging bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, § 1 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars;) <KB 2003-03-09/39, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
12° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een uitbatingszetel in België;
13° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een toeristische dienst van hun land;
14° au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van Hoofdstuk VI;
15° (schouwspelartiesten voor zover hun jaarlijkse bezoldiging niet lager ligt dan [2 het bedrag van 32.886 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37;]2) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
16° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan van wie het recht op verblijf beperkt wordt tot de geldigheid van zijn arbeidskaart of van zijn beroepskaart, of tot de uitoefening van een zelfstandig beroep, voor de geldigheidsduur van dit recht op verblijf;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
17° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan bedoeld in (artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° en 34°]1), voor de geldigheidsduur van het recht op verblijf van die persoon.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
(18° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, en die naar België komen om een opleiding te volgen gedurende meer dan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;
19° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte, hetzij geen onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, en die naar België komen om een opleiding te volgen in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;) <KB 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
20° [5 de buitenlandse onderdanen die de verblijfsstatus van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen op basis van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen voor zover deze arbeidsvergunning betrekking heeft op beroepen waarvoor de bevoegde overheid erkend heeft dat er zich een tekort aan arbeidskrachten voordoet.]5
[7 21° de binnen een onderneming overgeplaatste personen, voor zover ze voldoen aan de voorwaarden vermeld in hoofdstuk VI, afdeling 5;
22° onderzoekers, voor zover ze voldoen aan de voorwaarden vermeld in hoofdstuk VI, afdeling 7;
23° vrijwilligers, voor zover ze voldoen aan de voorwaarden vermeld in hoofdstuk VI, afdeling 8.]7
De toepassing van 8° moet onder navorsers worden verstaan, de personen die :
- houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
- door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling zijn geselecteerd en uitgenodigd;
- voltijds deelnemen aan een programma of een project van wetenschappelijk onderzoek gevoerd in de onthalende instelling en hiervoor genieten van een wetenschappelijke omkadering;
- een bezoldiging of een subsidie ontvangen die tenminste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen.
Eveneens moet onder gasthoogleraren worden verstaan, de personen die :
- houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
- uitgenodigd zijn door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling, met het oog op het verstrekken van onderwijs of het deelnemen aan het onderzoek binnen de onthalende instelling;
- worden beschouwd als gekwalificeerd op het niveau van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs;
- een bezoldiging ontvangen in een barema van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs.
Onverminderd de bepalingen van de artikelen 34 en 35 van dit besluit, moet de in het derde lid, vierde streepje bedoelde bezoldiging niet worden toegekend voor zover kan bewezen worden dat de gasthoogleraar gedurende zijn verblijf verder bezoldigd wordt door zijn uitzendende instelling.
[5 [6 ...]6]5.
In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om :
1° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
2° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
3° [7 journalisten die in België verblijven en die uitsluitend verbonden zijn aan dagbladen die in het buitenland uitgegeven worden of aan persagentschappen, radio- of televisiestations die in het buitenland gevestigd zijn;]7
4° [6 [7 hooggekwalificeerde werknemers overeenkomstig de voorwaarden vermeld in hoofdstuk VI, afdeling 6;]7]6
5° stagiairs bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
6° (hooggeschoold personeel, voor zover de duur van hun tewerkstelling de vier jaar niet overschrijdt en hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan [2 het bedrag van 39.422 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37]2; deze periode van vier jaar kan éénmaal worden verlengd met een nieuwe periode van vier jaar. De overheid die bevoegd is voor de aflevering van de arbeidskaart kan de hernieuwing van deze ondergeschikt maken aan het respecteren door de werkgever van de voorwaarden die hem bij de aflevering van de eerste arbeidskaart door die overheid werden opgelegd in het vooruitzicht van een eventuele hernieuwing ervan, en die het pro-actief bestrijden van het tekort op de arbeidsmarkt beogen en waarbij wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging van de risicogroepen.
De beperking van duur van de tewerkstelling bedoeld in het vorig lid is niet van toepassing voorzover de tewerkstelling niet plaatsvindt in het kader van een terbeschikkingstelling van werknemers in loondienst en voorzover :
- ofwel de werknemer onderdaan is van een land, met hetwelk de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie heeft afgesloten;
- ofwel zijn jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan [2 het bedrag van 65.771 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37]2.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
7° personen die een leidinggevende functie komen bekleden (...) voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan [2 het bedrag van 65.771 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37]2; <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
8° navorsers en gasthoogleraren tewerkgesteld in een universiteit, in een inrichting van hoger onderwijs, een erkende wetenschappelijke instelling of een onderzoeksafdeling van een onderneming, voor zover de duur ervan de 4 jaar niet overschrijdt;
9° gespecialiseerde techniekers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven en die naar België komen om over te gaan (tot de montage of het op gang brengen) of de herstelling van een in het buitenland bij die werkgever vervaardigde (of door hem geleverde) installatie voor een periode van maximum 6 maanden; <KB 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
10° werknemers die verbonden blijven door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever en die een specifieke beroepsopleiding [7 volgen of geven]7 in een Belgisch bedrijf in het kader van een opleidingsovereenkomst toegevoegd aan een verkoopscontract gesloten tussen dit Belgisch bedrijf en een buitenlandse firma, voor zover de duur van deze opleiding de zes maanden niet overschrijdt;
11° (beroepssportlui en trainers, voor zover, voor beide gevallen, het bedrag van hun bezoldiging minstens het achtvoudige bedraagt van de bezoldiging bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, § 1 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars;) <KB 2003-03-09/39, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
12° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een uitbatingszetel in België;
13° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een toeristische dienst van hun land;
14° au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van Hoofdstuk VI;
15° (schouwspelartiesten voor zover hun jaarlijkse bezoldiging niet lager ligt dan [2 het bedrag van 32.886 euro, berekend en aangepast volgens artikel 37;]2) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
16° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan van wie het recht op verblijf beperkt wordt tot de geldigheid van zijn arbeidskaart of van zijn beroepskaart, of tot de uitoefening van een zelfstandig beroep, voor de geldigheidsduur van dit recht op verblijf;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
17° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan bedoeld in (artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° en 34°]1), voor de geldigheidsduur van het recht op verblijf van die persoon.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
(18° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, en die naar België komen om een opleiding te volgen gedurende meer dan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;
19° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte, hetzij geen onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, en die naar België komen om een opleiding te volgen in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;) <KB 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
20° [5 de buitenlandse onderdanen die de verblijfsstatus van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen op basis van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen voor zover deze arbeidsvergunning betrekking heeft op beroepen waarvoor de bevoegde overheid erkend heeft dat er zich een tekort aan arbeidskrachten voordoet.]5
[7 21° de binnen een onderneming overgeplaatste personen, voor zover ze voldoen aan de voorwaarden vermeld in hoofdstuk VI, afdeling 5;
22° onderzoekers, voor zover ze voldoen aan de voorwaarden vermeld in hoofdstuk VI, afdeling 7;
23° vrijwilligers, voor zover ze voldoen aan de voorwaarden vermeld in hoofdstuk VI, afdeling 8.]7
De toepassing van 8° moet onder navorsers worden verstaan, de personen die :
- houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
- door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling zijn geselecteerd en uitgenodigd;
- voltijds deelnemen aan een programma of een project van wetenschappelijk onderzoek gevoerd in de onthalende instelling en hiervoor genieten van een wetenschappelijke omkadering;
- een bezoldiging of een subsidie ontvangen die tenminste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen.
Eveneens moet onder gasthoogleraren worden verstaan, de personen die :
- houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
- uitgenodigd zijn door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling, met het oog op het verstrekken van onderwijs of het deelnemen aan het onderzoek binnen de onthalende instelling;
- worden beschouwd als gekwalificeerd op het niveau van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs;
- een bezoldiging ontvangen in een barema van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs.
Onverminderd de bepalingen van de artikelen 34 en 35 van dit besluit, moet de in het derde lid, vierde streepje bedoelde bezoldiging niet worden toegekend voor zover kan bewezen worden dat de gasthoogleraar gedurende zijn verblijf verder bezoldigd wordt door zijn uitzendende instelling.
[5 [6 ...]6]5.
Wijzigingen
Art. 9 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Par dérogation à l'article 8, il n'est pas tenu compte de la situation du marché de l'emploi pour l'octroi de l'autorisation d'occupation lorsqu'il s'agit :
1° (abrogé) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
2° (abrogé) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
3° [7 de journalistes séjournant en Belgique qui sont exclusivement attachés à des journaux publiés à l'étranger, ou à des agences de presse, stations de radio ou télévision établies à l'étranger;]7
4° [6 [7 de travailleurs hautement qualifiés conformément aux conditions mentionnées au chapitre VI, section 6;]7]6
5° de stagiaires visés à la section 1 du Chapitre VI;
6° (du personnel hautement qualifié pour autant que la durée de leur occupation n'excède pas quatre ans et que leur rémunération annuelle dépasse le montant [2 de 39.422 euros calculé et adapté conformément à l'article 37]2; cette période de quatre ans peut être renouvelée une fois pour une nouvelle période de quatre ans. L'autorité compétente pour délivrer le permis peut subordonner le renouvellement de celui-ci au respect par l'employeur des conditions qui lui ont été imposées par cette autorité, au moment de la première délivrance du permis et dans la perspective d'un renouvellement éventuel de celui-ci, et qui visent la lutte proactive contre la pénurie sur le marché de l'emploi et le fait de tendre vers une participation au travail équilibrée des groupes à risque.) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
(La limitation de la durée de l'occupation visée à l'alinéa précédent, n'est pas d'application si l'occupation ne s'exerce pas dans le cadre d'un détachement de travailleurs salariés et pour autant :
- que le travailleur soit ressortissant d'un pays avec lequel l'Union européenne a clôturé les négociations d'adhésion dans le cadre de l'élargissement de l'Union européenne;
ou que sa rémunération annuelle dépasse le montant [2 de 65.771 euros calculé et adapté conformément à l'article 37]2.) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
7° des personnes qui viennent occuper un poste de direction (...) pour autant que leur rémunération annuelle dépasse le montant [2 de 65.771 euros calculé et adapté conformément à l'article 37]2; <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
8° de chercheurs et de professeurs invités occupés dans une université, un établissement d'enseignement supérieur, un établissement scientifique reconnu ou un département de recherche d'une entreprise pour autant que la durée de leur occupation n'excède pas 4 ans;
9° des techniciens spécialisés qui restent liés par contrat de travail avec un employeur établi à l'étranger et qui viennent en Belgique pour procéder (au montage ou à la mise en marche) ou à la réparation d'une installation fabriquée (ou livrée) par leur employeur à l'étranger pour une durée de 6 mois maximum; <AR 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; En vigueur : 08-10-2007>
10° des travailleurs qui restent liés par contrat de travail avec une entreprise établie a l'étranger et qui suivent une formation professionnelle spécifique dans une firme belge dans le cadre d'un contrat de formation accessoire à un contrat de vente conclu entre cette firme belge et une firme étrangère [7 ou qui dispensent une telle formation]7, pour autant que la durée de cette formation n'excède pas six mois;
11° (de sportifs professionnels et d'entraîneurs, pour autant que, dans les deux cas, le montant de leur rémunération corresponde au moins à huit fois la rémunération fixée conformément aux dispositions de l'article 2, § 1er, de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré;) <AR 2003-03-09/39, art. 1, 010; En vigueur : 01-07-2003>
12° de personnes exerçant une fonction à responsabilité dans une compagnie de navigation aérienne étrangère ayant un siège d'exploitation en Belgique;
13° de personnes exerçant une fonction à responsabilités dans un office de tourisme de leur pays;
14° de jeunes au pair, visés à la section 2 du Chapitre VI;
(15° d'artistes de spectacle, pour autant que leur rémunération annuelle ne soit pas inférieure au montant [2 de 32.886 euros calculé et adapté conformément à l'article 37]2;
16° du conjoint et enfants du ressortissant étranger dont le droit au séjour est limité à la validité de son permis de travail ou de sa carte professionnelle, ou à l'exercice d'une activité professionnelle indépendante, pour la durée de validité de ce droit au séjour;
17° du conjoint et enfants du ressortissant étranger visé à (l'article 2, alinéa 1er, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° et 34°]1), pour la durée de validité du droit au séjour de celui-ci.) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003> <AR 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; En vigueur : 08-10-2007>
(18° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace économique européen, soit ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, soit ressortissants d'un Etat visé à l'article 10, venant en Belgique pour suivre une formation d'une durée supérieure à trois mois calendrier au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational;
19° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie en dehors de l'Espace économique européen, soit non ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, venant en Belgique pour suivre une formation au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational.) <AR 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; En vigueur : 08-10-2007>
20° [5 de ressortissants étrangers qui ont obtenu le statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne sur base de la Directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée pour autant que cette autorisation d'occupation concerne des professions reconnues, par l'autorité compétente, comme connaissant une pénurie de main-d'oeuvre.]5
[7 21° de personnes faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe, pour autant qu'elles remplissent les conditions mentionnées au chapitre VI, section 5;
22° de chercheurs, pour autant qu'ils remplissent les conditions mentionnées au chapitre VI, section 7;
23° de volontaires, pour autant qu'ils remplissent les conditions mentionnées au chapitre VI, section 8.]7
Pour l'application du 8°, on entend par chercheurs, les personnes qui :
- sont porteuses d'un doctorat à thèse ou d'un titre académique jugé équivalent ou possèdent des qualités scientifiques exceptionnelles dont l'existence est attestée par l'institution d'accueil;
- ont été sélectionnées et invitées par une université, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu;
- participent à temps plein à un programme ou à un projet de recherche mene au sein de l'institution d'accueil et bénéficient d'un encadrement scientifique dans ce contexte;
- perçoivent une rémunération ou un subside au moins égal au barème d'assistant des universités, établissements d'enseignement supérieur ou établissements scientifiques reconnus.
Il y a également lieu d'entendre par professeurs invités les personnes qui :
- sont porteuses d'un doctorat à thèse ou d'un titre académique jugé équivalent ou possèdent des qualités scientifiques exceptionnelles dont l'existence est attestée par l'institution d'accueil;
- ont été invitées par une université, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu, en vue de contribuer à l'enseignement ou à la recherche au sein de l'institution d'accueil;
- sont considérées comme possédant des qualifications qui les situent au niveau du personnel enseignant des universités ou établissements d'enseignement supérieur francophones ou du personnel académique indépendant des universités flamandes ou des mêmes grades dans les établissements d'enseignement supérieur flamands;
- perçoivent une rémunération conformément au barème du personnel enseignant des universités ou établissements d'enseignement supérieur francophones ou du personnel académique indépendant des universités flamandes ou des mêmes grades dans les établissements d'enseignement supérieur flamands.
Sans préjudice des dispositions des articles 34 et 35 du présent arrêté, la rémunération visée à l'alinéa 3, quatrième tiret, ne doit pas être octroyée pour autant qu'il peut être démontré que, durant son séjour, le professeur invité continue à être rémunéré par son institution d'envoi.
[5 [6 ...]6]5
Par dérogation à l'article 8, il n'est pas tenu compte de la situation du marché de l'emploi pour l'octroi de l'autorisation d'occupation lorsqu'il s'agit :
1° (abrogé) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
2° (abrogé) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
3° [7 de journalistes séjournant en Belgique qui sont exclusivement attachés à des journaux publiés à l'étranger, ou à des agences de presse, stations de radio ou télévision établies à l'étranger;]7
4° [6 [7 de travailleurs hautement qualifiés conformément aux conditions mentionnées au chapitre VI, section 6;]7]6
5° de stagiaires visés à la section 1 du Chapitre VI;
6° (du personnel hautement qualifié pour autant que la durée de leur occupation n'excède pas quatre ans et que leur rémunération annuelle dépasse le montant [2 de 39.422 euros calculé et adapté conformément à l'article 37]2; cette période de quatre ans peut être renouvelée une fois pour une nouvelle période de quatre ans. L'autorité compétente pour délivrer le permis peut subordonner le renouvellement de celui-ci au respect par l'employeur des conditions qui lui ont été imposées par cette autorité, au moment de la première délivrance du permis et dans la perspective d'un renouvellement éventuel de celui-ci, et qui visent la lutte proactive contre la pénurie sur le marché de l'emploi et le fait de tendre vers une participation au travail équilibrée des groupes à risque.) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
(La limitation de la durée de l'occupation visée à l'alinéa précédent, n'est pas d'application si l'occupation ne s'exerce pas dans le cadre d'un détachement de travailleurs salariés et pour autant :
- que le travailleur soit ressortissant d'un pays avec lequel l'Union européenne a clôturé les négociations d'adhésion dans le cadre de l'élargissement de l'Union européenne;
ou que sa rémunération annuelle dépasse le montant [2 de 65.771 euros calculé et adapté conformément à l'article 37]2.) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
7° des personnes qui viennent occuper un poste de direction (...) pour autant que leur rémunération annuelle dépasse le montant [2 de 65.771 euros calculé et adapté conformément à l'article 37]2; <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
8° de chercheurs et de professeurs invités occupés dans une université, un établissement d'enseignement supérieur, un établissement scientifique reconnu ou un département de recherche d'une entreprise pour autant que la durée de leur occupation n'excède pas 4 ans;
9° des techniciens spécialisés qui restent liés par contrat de travail avec un employeur établi à l'étranger et qui viennent en Belgique pour procéder (au montage ou à la mise en marche) ou à la réparation d'une installation fabriquée (ou livrée) par leur employeur à l'étranger pour une durée de 6 mois maximum; <AR 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; En vigueur : 08-10-2007>
10° des travailleurs qui restent liés par contrat de travail avec une entreprise établie a l'étranger et qui suivent une formation professionnelle spécifique dans une firme belge dans le cadre d'un contrat de formation accessoire à un contrat de vente conclu entre cette firme belge et une firme étrangère [7 ou qui dispensent une telle formation]7, pour autant que la durée de cette formation n'excède pas six mois;
11° (de sportifs professionnels et d'entraîneurs, pour autant que, dans les deux cas, le montant de leur rémunération corresponde au moins à huit fois la rémunération fixée conformément aux dispositions de l'article 2, § 1er, de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré;) <AR 2003-03-09/39, art. 1, 010; En vigueur : 01-07-2003>
12° de personnes exerçant une fonction à responsabilité dans une compagnie de navigation aérienne étrangère ayant un siège d'exploitation en Belgique;
13° de personnes exerçant une fonction à responsabilités dans un office de tourisme de leur pays;
14° de jeunes au pair, visés à la section 2 du Chapitre VI;
(15° d'artistes de spectacle, pour autant que leur rémunération annuelle ne soit pas inférieure au montant [2 de 32.886 euros calculé et adapté conformément à l'article 37]2;
16° du conjoint et enfants du ressortissant étranger dont le droit au séjour est limité à la validité de son permis de travail ou de sa carte professionnelle, ou à l'exercice d'une activité professionnelle indépendante, pour la durée de validité de ce droit au séjour;
17° du conjoint et enfants du ressortissant étranger visé à (l'article 2, alinéa 1er, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° et 34°]1), pour la durée de validité du droit au séjour de celui-ci.) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003> <AR 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; En vigueur : 08-10-2007>
(18° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace économique européen, soit ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, soit ressortissants d'un Etat visé à l'article 10, venant en Belgique pour suivre une formation d'une durée supérieure à trois mois calendrier au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational;
19° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie en dehors de l'Espace économique européen, soit non ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, venant en Belgique pour suivre une formation au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational.) <AR 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; En vigueur : 08-10-2007>
20° [5 de ressortissants étrangers qui ont obtenu le statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne sur base de la Directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée pour autant que cette autorisation d'occupation concerne des professions reconnues, par l'autorité compétente, comme connaissant une pénurie de main-d'oeuvre.]5
[7 21° de personnes faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe, pour autant qu'elles remplissent les conditions mentionnées au chapitre VI, section 5;
22° de chercheurs, pour autant qu'ils remplissent les conditions mentionnées au chapitre VI, section 7;
23° de volontaires, pour autant qu'ils remplissent les conditions mentionnées au chapitre VI, section 8.]7
Pour l'application du 8°, on entend par chercheurs, les personnes qui :
- sont porteuses d'un doctorat à thèse ou d'un titre académique jugé équivalent ou possèdent des qualités scientifiques exceptionnelles dont l'existence est attestée par l'institution d'accueil;
- ont été sélectionnées et invitées par une université, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu;
- participent à temps plein à un programme ou à un projet de recherche mene au sein de l'institution d'accueil et bénéficient d'un encadrement scientifique dans ce contexte;
- perçoivent une rémunération ou un subside au moins égal au barème d'assistant des universités, établissements d'enseignement supérieur ou établissements scientifiques reconnus.
Il y a également lieu d'entendre par professeurs invités les personnes qui :
- sont porteuses d'un doctorat à thèse ou d'un titre académique jugé équivalent ou possèdent des qualités scientifiques exceptionnelles dont l'existence est attestée par l'institution d'accueil;
- ont été invitées par une université, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu, en vue de contribuer à l'enseignement ou à la recherche au sein de l'institution d'accueil;
- sont considérées comme possédant des qualifications qui les situent au niveau du personnel enseignant des universités ou établissements d'enseignement supérieur francophones ou du personnel académique indépendant des universités flamandes ou des mêmes grades dans les établissements d'enseignement supérieur flamands;
- perçoivent une rémunération conformément au barème du personnel enseignant des universités ou établissements d'enseignement supérieur francophones ou du personnel académique indépendant des universités flamandes ou des mêmes grades dans les établissements d'enseignement supérieur flamands.
Sans préjudice des dispositions des articles 34 et 35 du présent arrêté, la rémunération visée à l'alinéa 3, quatrième tiret, ne doit pas être octroyée pour autant qu'il peut être démontré que, durant son séjour, le professeur invité continue à être rémunéré par son institution d'envoi.
[5 [6 ...]6]5
Wijzigingen
Art. 9_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om :
[9 1° De personen die overgeplaatst worden binnen een onderneming, bedoeld in afdeling 5 van hoofdstuk VI;
2° het hooggeschoolde personeel bedoeld in afdeling 6 van hoofdstuk VI;
3° de onderzoekers bedoeld in afdeling 7 van hoofdstuk VI;
4° de vrijwilligers in het kader van het Europese vrijwilligerswerk, bedoeld in afdeling 8 van hoofdstuk VI;]9
5° stagiairs bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
6° [10 hooggeschoold personeel, voor zover de jaarlijkse bezoldiging ervan hoger ligt dan het bedrag van 39.422 EUR berekend en aangepast volgens artikel 37 van dit besluit;]10
De beperking van duur van de tewerkstelling bedoeld in het vorig lid is niet van toepassing voorzover de tewerkstelling niet plaatsvindt in het kader van een terbeschikkingstelling van werknemers in loondienst en voorzover :
- ofwel de werknemer onderdaan is van een land, met hetwelk de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie heeft afgesloten;
- ofwel zijn jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [3 bedrag van 65.771 EUR berekend en aangepast volgens artikel 37 van dit besluit]3.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
7° personen die een leidinggevende functie komen bekleden (...) voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [3 bedrag van 65.771 EUR berekend en aangepast volgens artikel 37 van dit besluit]3; <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
8° navorsers en gasthoogleraren tewerkgesteld in een universiteit, in een inrichting van hoger onderwijs, een erkende wetenschappelijke instelling of een onderzoeksafdeling van een onderneming, voor zover de duur ervan de 4 jaar niet overschrijdt;
9° gespecialiseerde techniekers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven en die naar België komen om over te gaan (tot de montage of het op gang brengen) of de herstelling van een in het buitenland bij die werkgever vervaardigde (of door hem geleverde) installatie voor een periode van maximum 6 maanden; <KB 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
10° werknemers die verbonden blijven door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever en die een specifieke beroepsopleiding volgen in een Belgisch bedrijf in het kader van een opleidingsovereenkomst toegevoegd aan een verkoopscontract gesloten tussen dit Belgisch bedrijf en een buitenlandse firma, voor zover de duur van deze opleiding de zes maanden niet overschrijdt;
11° (beroepssportlui en trainers, voor zover, voor beide gevallen, het bedrag van hun bezoldiging minstens het achtvoudige bedraagt van de bezoldiging bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, § 1 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars;) <KB 2003-03-09/39, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
12° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een uitbatingszetel in België;
13° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een toeristische dienst van hun land;
14° au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van Hoofdstuk VI;
15° (schouwspelartiesten voor zover hun jaarlijkse bezoldiging niet lager ligt dan het [3 bedrag van 32.886 EUR berekend een aangepast volgens artikel 37 van dit besluit]3;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
16° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan van wie het recht op verblijf beperkt wordt tot de geldigheid van zijn arbeidskaart of van zijn beroepskaart, of tot de uitoefening van een zelfstandig beroep, voor de geldigheidsduur van dit recht op verblijf;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
17° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan bedoeld in (artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° en 34°]1), voor de geldigheidsduur van het recht op verblijf van die persoon.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
(18° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat [10 waarmee België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers verbonden is]10, en die naar België komen om een opleiding te volgen gedurende meer dan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;
19° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte, hetzij geen onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, en die naar België komen om een opleiding te volgen in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep.) <KB 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
20° [7 de onderdanen van een Staat die geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte die het statuut van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.
De arbeidsvergunning heeft betrekking op beroepen waarvoor de bevoegde overheid erkend heeft dat er zich, voor de toepassing van de wet, een tekort aan arbeidskrachten voordoet.]7
De toepassing van 8° moet onder navorsers worden verstaan, de personen die :
- houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
- door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling zijn geselecteerd en uitgenodigd;
- voltijds deelnemen aan een programma of een project van wetenschappelijk onderzoek gevoerd in de onthalende instelling en hiervoor genieten van een wetenschappelijke omkadering;
- een bezoldiging of een subsidie ontvangen die tenminste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen.
Eveneens moet onder gasthoogleraren worden verstaan, de personen die :
- houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
- uitgenodigd zijn door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling, met het oog op het verstrekken van onderwijs of het deelnemen aan het onderzoek binnen de onthalende instelling;
- worden beschouwd als gekwalificeerd op het niveau van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs;
- een bezoldiging ontvangen in een barema van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs.
Onverminderd de bepalingen van de artikelen 34 en 35 van dit besluit, moet de in het derde lid, vierde streepje bedoelde bezoldiging niet worden toegekend voor zover kan bewezen worden dat de gasthoogleraar gedurende zijn verblijf verder bezoldigd wordt door zijn uitzendende instelling.
[7 [8 ...]8]7
[9 1° De personen die overgeplaatst worden binnen een onderneming, bedoeld in afdeling 5 van hoofdstuk VI;
2° het hooggeschoolde personeel bedoeld in afdeling 6 van hoofdstuk VI;
3° de onderzoekers bedoeld in afdeling 7 van hoofdstuk VI;
4° de vrijwilligers in het kader van het Europese vrijwilligerswerk, bedoeld in afdeling 8 van hoofdstuk VI;]9
5° stagiairs bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
6° [10 hooggeschoold personeel, voor zover de jaarlijkse bezoldiging ervan hoger ligt dan het bedrag van 39.422 EUR berekend en aangepast volgens artikel 37 van dit besluit;]10
De beperking van duur van de tewerkstelling bedoeld in het vorig lid is niet van toepassing voorzover de tewerkstelling niet plaatsvindt in het kader van een terbeschikkingstelling van werknemers in loondienst en voorzover :
- ofwel de werknemer onderdaan is van een land, met hetwelk de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie heeft afgesloten;
- ofwel zijn jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [3 bedrag van 65.771 EUR berekend en aangepast volgens artikel 37 van dit besluit]3.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
7° personen die een leidinggevende functie komen bekleden (...) voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [3 bedrag van 65.771 EUR berekend en aangepast volgens artikel 37 van dit besluit]3; <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
8° navorsers en gasthoogleraren tewerkgesteld in een universiteit, in een inrichting van hoger onderwijs, een erkende wetenschappelijke instelling of een onderzoeksafdeling van een onderneming, voor zover de duur ervan de 4 jaar niet overschrijdt;
9° gespecialiseerde techniekers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven en die naar België komen om over te gaan (tot de montage of het op gang brengen) of de herstelling van een in het buitenland bij die werkgever vervaardigde (of door hem geleverde) installatie voor een periode van maximum 6 maanden; <KB 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
10° werknemers die verbonden blijven door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever en die een specifieke beroepsopleiding volgen in een Belgisch bedrijf in het kader van een opleidingsovereenkomst toegevoegd aan een verkoopscontract gesloten tussen dit Belgisch bedrijf en een buitenlandse firma, voor zover de duur van deze opleiding de zes maanden niet overschrijdt;
11° (beroepssportlui en trainers, voor zover, voor beide gevallen, het bedrag van hun bezoldiging minstens het achtvoudige bedraagt van de bezoldiging bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, § 1 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars;) <KB 2003-03-09/39, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
12° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een uitbatingszetel in België;
13° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een toeristische dienst van hun land;
14° au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van Hoofdstuk VI;
15° (schouwspelartiesten voor zover hun jaarlijkse bezoldiging niet lager ligt dan het [3 bedrag van 32.886 EUR berekend een aangepast volgens artikel 37 van dit besluit]3;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
16° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan van wie het recht op verblijf beperkt wordt tot de geldigheid van zijn arbeidskaart of van zijn beroepskaart, of tot de uitoefening van een zelfstandig beroep, voor de geldigheidsduur van dit recht op verblijf;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
17° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan bedoeld in (artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° en 34°]1), voor de geldigheidsduur van het recht op verblijf van die persoon.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
(18° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat [10 waarmee België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers verbonden is]10, en die naar België komen om een opleiding te volgen gedurende meer dan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;
19° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte, hetzij geen onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, en die naar België komen om een opleiding te volgen in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep.) <KB 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
20° [7 de onderdanen van een Staat die geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte die het statuut van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.
De arbeidsvergunning heeft betrekking op beroepen waarvoor de bevoegde overheid erkend heeft dat er zich, voor de toepassing van de wet, een tekort aan arbeidskrachten voordoet.]7
De toepassing van 8° moet onder navorsers worden verstaan, de personen die :
- houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
- door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling zijn geselecteerd en uitgenodigd;
- voltijds deelnemen aan een programma of een project van wetenschappelijk onderzoek gevoerd in de onthalende instelling en hiervoor genieten van een wetenschappelijke omkadering;
- een bezoldiging of een subsidie ontvangen die tenminste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen.
Eveneens moet onder gasthoogleraren worden verstaan, de personen die :
- houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
- uitgenodigd zijn door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling, met het oog op het verstrekken van onderwijs of het deelnemen aan het onderzoek binnen de onthalende instelling;
- worden beschouwd als gekwalificeerd op het niveau van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs;
- een bezoldiging ontvangen in een barema van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs.
Onverminderd de bepalingen van de artikelen 34 en 35 van dit besluit, moet de in het derde lid, vierde streepje bedoelde bezoldiging niet worden toegekend voor zover kan bewezen worden dat de gasthoogleraar gedurende zijn verblijf verder bezoldigd wordt door zijn uitzendende instelling.
[7 [8 ...]8]7
Wijzigingen
Art. 9 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Par dérogation à l'article 8, il n'est pas tenu compte de la situation du marché de l'emploi pour l'octroi de l'autorisation d'occupation lorsqu'il s'agit :
[9 1° Les personnes faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe, visées à la section 5 du chapitre VI;
2° le personnel hautement qualifié, visé à la section 6 du chapitre VI;
3° les chercheurs, visés à la section 7 du chapitre VI;
4° les volontaires dans le cadre sur service volontaire européen, visés dans la section 8 du chapitre VI;]9
5° de stagiaires visés à la section 1 du Chapitre VI;
6° [10 du personnel hautement qualifié pour autant que leur rémunération annuelle dépasse le montant [3 de 39.422 EUR calculé et adapté suivant l'article 37 du présent arrêté.]10
(La limitation de la durée de l'occupation visée à l'alinéa précédent, n'est pas d'application si l'occupation ne s'exerce pas dans le cadre d'un détachement de travailleurs salariés et pour autant :
- que le travailleur soit ressortissant d'un pays avec lequel l'Union européenne a clôturé les négociations d'adhésion dans le cadre de l'élargissement de l'Union européenne;
ou que sa rémunération annuelle dépasse le montant [3 de 65.771 EUR calculé et adapté suivant l'article 37 du présent arrêté]3.) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
7° des personnes qui viennent occuper un poste de direction (...) pour autant que leur rémunération annuelle dépasse le montant [3 de 65.771 EUR calculé et adapté suivant l'article 37 du présent arrêté]3; <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
8° de chercheurs et de professeurs invités occupés dans une université, un établissement d'enseignement supérieur, un établissement scientifique reconnu ou un département de recherche d'une entreprise pour autant que la durée de leur occupation n'excède pas 4 ans;
9° des techniciens spécialisés qui restent liés par contrat de travail avec un employeur établi à l'étranger et qui viennent en Belgique pour procéder (au montage ou à la mise en marche) ou à la réparation d'une installation fabriquee (ou livrée) par leur employeur à l'étranger pour une durée de 6 mois maximum; <AR 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; En vigueur : 08-10-2007>
10° des travailleurs qui restent liés par contrat de travail avec une entreprise établie a l'étranger et qui suivent une formation professionnelle spécifique dans une firme belge dans le cadre d'un contrat de formation accessoire à un contrat de vente conclu entre cette firme belge et une firme étrangère, pour autant que la durée de cette formation n'excède pas six mois;
11° (de sportifs professionnels et d'entraîneurs, pour autant que, dans les deux cas, le montant de leur rémunération corresponde au moins à huit fois la rémunération fixée conformément aux dispositions de l'article 2, § 1er, de la loi du 24 fevrier 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré;) <AR 2003-03-09/39, art. 1, 010; En vigueur : 01-07-2003>
12° de personnes exerçant une fonction à responsabilité dans une compagnie de navigation aérienne étrangère ayant un siège d'exploitation en Belgique;
13° de personnes exerçant une fonction à responsabilités dans un office de tourisme de leur pays;
14° de jeunes au pair, visés à la section 2 du Chapitre VI;
(15° d'artistes de spectacle, pour autant que leur rémunération annuelle ne soit pas inferieure au montant indiqué [3 de 32.886 EUR calculé et adapté suivant l'article 37 du présent arrêté]3;
16° du conjoint et enfants du ressortissant étranger dont le droit au séjour est limité à la validité de son permis de travail ou de sa carte professionnelle, ou à l'exercice d'une activité professionnelle indépendante, pour la durée de validité de ce droit au séjour;
17° du conjoint et enfants du ressortissant étranger visé à (l'article 2, alinéa 1er, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° et 34°]1), pour la durée de validité du droit au séjour de celui-ci.) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003> <AR 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; En vigueur : 08-10-2007>
(18° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace économique europeen, soit ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, soit ressortissants d'un Etat [10 avec lequel la Belgique est liée par une convention ou un accord international en matière d'occupation de travailleurs]10, venant en Belgique pour suivre une formation d'une durée supérieure à trois mois calendrier au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational;
19° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie en dehors de l'Espace économique européen, soit non ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, venant en Belgique pour suivre une formation au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational.) <AR 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; En vigueur : 08-10-2007>
20° [7 de ressortissants d'un Etat non-membre de l'Espace économique européen bénéficiant du statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, en vertu d'une législation ou réglementation transposant la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée.
L'autorisation d'occupation concerne des professions reconnues, par l'autorité compétente, pour l'application de la loi, comme connaissant une pénurie de main-d'oeuvre.]7
Pour l'application du 8°, on entend par chercheurs, les personnes qui :
- sont porteuses d'un doctorat à thèse ou d'un titre académique jugé équivalent ou possèdent des qualités scientifiques exceptionnelles dont l'existence est attestée par l'institution d'accueil;
- ont été sélectionnées et invitées par une universite, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu;
- participent à temps plein à un programme ou à un projet de recherche mene au sein de l'institution d'accueil et benéficient d'un encadrement scientifique dans ce contexte;
- perçoivent une rémunération ou un subside au moins égal au barème d'assistant des universités, établissements d'enseignement supérieur ou établissements scientifiques reconnus.
Il y a également lieu d'entendre par professeurs invités les personnes qui :
- sont porteuses d'un doctorat à thèse ou d'un titre académique jugé équivalent ou possèdent des qualités scientifiques exceptionnelles dont l'existence est attestée par l'institution d'accueil;
- ont été invitées par une université, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu, en vue de contribuer à l'enseignement ou à la recherche au sein de l'institution d'accueil;
- sont considérées comme possédant des qualifications qui les situent au niveau du personnel enseignant des universités ou établissements d'enseignement supérieur francophones ou du personnel académique indépendant des universités flamandes ou des mêmes grades dans les établissements d'enseignement supérieur flamands;
- perçoivent une rémunération conformément au barème du personnel enseignant des universités ou établissements d'enseignement supérieur francophones ou du personnel académique indépendant des universités flamandes ou des mêmes grades dans les établissements d'enseignement supérieur flamands.
Sans préjudice des dispositions des articles 34 et 35 du présent arrêté, la rémunération visée à l'alinéa 3, quatrième tiret, ne doit pas être octroyée pour autant qu'il peut être démontré que, durant son séjour, le professeur invité continue à être rémunéré par son institution d'envoi.
[7 [8 ...]8.]7
Par dérogation à l'article 8, il n'est pas tenu compte de la situation du marché de l'emploi pour l'octroi de l'autorisation d'occupation lorsqu'il s'agit :
[9 1° Les personnes faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe, visées à la section 5 du chapitre VI;
2° le personnel hautement qualifié, visé à la section 6 du chapitre VI;
3° les chercheurs, visés à la section 7 du chapitre VI;
4° les volontaires dans le cadre sur service volontaire européen, visés dans la section 8 du chapitre VI;]9
5° de stagiaires visés à la section 1 du Chapitre VI;
6° [10 du personnel hautement qualifié pour autant que leur rémunération annuelle dépasse le montant [3 de 39.422 EUR calculé et adapté suivant l'article 37 du présent arrêté.]10
(La limitation de la durée de l'occupation visée à l'alinéa précédent, n'est pas d'application si l'occupation ne s'exerce pas dans le cadre d'un détachement de travailleurs salariés et pour autant :
- que le travailleur soit ressortissant d'un pays avec lequel l'Union européenne a clôturé les négociations d'adhésion dans le cadre de l'élargissement de l'Union européenne;
ou que sa rémunération annuelle dépasse le montant [3 de 65.771 EUR calculé et adapté suivant l'article 37 du présent arrêté]3.) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
7° des personnes qui viennent occuper un poste de direction (...) pour autant que leur rémunération annuelle dépasse le montant [3 de 65.771 EUR calculé et adapté suivant l'article 37 du présent arrêté]3; <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
8° de chercheurs et de professeurs invités occupés dans une université, un établissement d'enseignement supérieur, un établissement scientifique reconnu ou un département de recherche d'une entreprise pour autant que la durée de leur occupation n'excède pas 4 ans;
9° des techniciens spécialisés qui restent liés par contrat de travail avec un employeur établi à l'étranger et qui viennent en Belgique pour procéder (au montage ou à la mise en marche) ou à la réparation d'une installation fabriquee (ou livrée) par leur employeur à l'étranger pour une durée de 6 mois maximum; <AR 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; En vigueur : 08-10-2007>
10° des travailleurs qui restent liés par contrat de travail avec une entreprise établie a l'étranger et qui suivent une formation professionnelle spécifique dans une firme belge dans le cadre d'un contrat de formation accessoire à un contrat de vente conclu entre cette firme belge et une firme étrangère, pour autant que la durée de cette formation n'excède pas six mois;
11° (de sportifs professionnels et d'entraîneurs, pour autant que, dans les deux cas, le montant de leur rémunération corresponde au moins à huit fois la rémunération fixée conformément aux dispositions de l'article 2, § 1er, de la loi du 24 fevrier 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré;) <AR 2003-03-09/39, art. 1, 010; En vigueur : 01-07-2003>
12° de personnes exerçant une fonction à responsabilité dans une compagnie de navigation aérienne étrangère ayant un siège d'exploitation en Belgique;
13° de personnes exerçant une fonction à responsabilités dans un office de tourisme de leur pays;
14° de jeunes au pair, visés à la section 2 du Chapitre VI;
(15° d'artistes de spectacle, pour autant que leur rémunération annuelle ne soit pas inferieure au montant indiqué [3 de 32.886 EUR calculé et adapté suivant l'article 37 du présent arrêté]3;
16° du conjoint et enfants du ressortissant étranger dont le droit au séjour est limité à la validité de son permis de travail ou de sa carte professionnelle, ou à l'exercice d'une activité professionnelle indépendante, pour la durée de validité de ce droit au séjour;
17° du conjoint et enfants du ressortissant étranger visé à (l'article 2, alinéa 1er, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° et 34°]1), pour la durée de validité du droit au séjour de celui-ci.) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003> <AR 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; En vigueur : 08-10-2007>
(18° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace économique europeen, soit ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, soit ressortissants d'un Etat [10 avec lequel la Belgique est liée par une convention ou un accord international en matière d'occupation de travailleurs]10, venant en Belgique pour suivre une formation d'une durée supérieure à trois mois calendrier au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational;
19° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie en dehors de l'Espace économique européen, soit non ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, venant en Belgique pour suivre une formation au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational.) <AR 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; En vigueur : 08-10-2007>
20° [7 de ressortissants d'un Etat non-membre de l'Espace économique européen bénéficiant du statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, en vertu d'une législation ou réglementation transposant la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée.
L'autorisation d'occupation concerne des professions reconnues, par l'autorité compétente, pour l'application de la loi, comme connaissant une pénurie de main-d'oeuvre.]7
Pour l'application du 8°, on entend par chercheurs, les personnes qui :
- sont porteuses d'un doctorat à thèse ou d'un titre académique jugé équivalent ou possèdent des qualités scientifiques exceptionnelles dont l'existence est attestée par l'institution d'accueil;
- ont été sélectionnées et invitées par une universite, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu;
- participent à temps plein à un programme ou à un projet de recherche mene au sein de l'institution d'accueil et benéficient d'un encadrement scientifique dans ce contexte;
- perçoivent une rémunération ou un subside au moins égal au barème d'assistant des universités, établissements d'enseignement supérieur ou établissements scientifiques reconnus.
Il y a également lieu d'entendre par professeurs invités les personnes qui :
- sont porteuses d'un doctorat à thèse ou d'un titre académique jugé équivalent ou possèdent des qualités scientifiques exceptionnelles dont l'existence est attestée par l'institution d'accueil;
- ont été invitées par une université, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu, en vue de contribuer à l'enseignement ou à la recherche au sein de l'institution d'accueil;
- sont considérées comme possédant des qualifications qui les situent au niveau du personnel enseignant des universités ou établissements d'enseignement supérieur francophones ou du personnel académique indépendant des universités flamandes ou des mêmes grades dans les établissements d'enseignement supérieur flamands;
- perçoivent une rémunération conformément au barème du personnel enseignant des universités ou établissements d'enseignement supérieur francophones ou du personnel académique indépendant des universités flamandes ou des mêmes grades dans les établissements d'enseignement supérieur flamands.
Sans préjudice des dispositions des articles 34 et 35 du présent arrêté, la rémunération visée à l'alinéa 3, quatrième tiret, ne doit pas être octroyée pour autant qu'il peut être démontré que, durant son séjour, le professeur invité continue à être rémunéré par son institution d'envoi.
[7 [8 ...]8.]7
Wijzigingen
Art. 9_VLAAMS_GEWEST. In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om :
1° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
2° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
3° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
4° [7 et hoogopgeleide personeel, vermeld in afdeling 1bis;]7
5° stagiairs bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
6° (hooggeschoold personeel, voor zover de duur van hun tewerkstelling de vier jaar niet overschrijdt en hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [4 bedrag van 39.422 euro berekend en aangepast conform artikel 37]4 ; deze periode van vier jaar kan éénmaal worden verlengd met een nieuwe periode van vier jaar. De overheid die bevoegd is voor de aflevering van de arbeidskaart kan de hernieuwing van deze ondergeschikt maken aan het respecteren door de werkgever van de voorwaarden die hem bij de aflevering van de eerste arbeidskaart door die overheid werden opgelegd in het vooruitzicht van een eventuele hernieuwing ervan, en die het pro-actief bestrijden van het tekort op de arbeidsmarkt beogen en waarbij wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging van de risicogroepen.
De beperking van duur van de tewerkstelling bedoeld in het vorig lid is niet van toepassing voorzover de tewerkstelling niet plaatsvindt in het kader van een terbeschikkingstelling van werknemers in loondienst en voorzover :
- ofwel de werknemer onderdaan is van een land, met hetwelk de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie heeft afgesloten;
- ofwel zijn jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [4 bedrag van 65.771 euro berekend en aangepast conform artikel 37]4.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
7° personen die een leidinggevende functie komen bekleden (...) voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [4 bedrag van 65.771 euro berekend en aangepast conform artikel 37]4; <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
8° navorsers en gasthoogleraren tewerkgesteld in een universiteit, in een inrichting van hoger onderwijs, een erkende wetenschappelijke instelling of een onderzoeksafdeling van een onderneming, voor zover de duur ervan de 4 jaar niet overschrijdt;
9° gespecialiseerde techniekers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven en die naar België komen om over te gaan (tot de montage of het op gang brengen) of de herstelling van een in het buitenland bij die werkgever vervaardigde (of door hem geleverde) installatie voor een periode van maximum 6 maanden; <KB 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
10° werknemers die verbonden blijven door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever en die een specifieke beroepsopleiding volgen in een Belgisch bedrijf in het kader van een opleidingsovereenkomst toegevoegd aan een verkoopscontract gesloten tussen dit Belgisch bedrijf en een buitenlandse firma, voor zover de duur van deze opleiding de zes maanden niet overschrijdt;
11° (beroepssportlui en trainers, voor zover, voor beide gevallen, het bedrag van hun bezoldiging minstens het achtvoudige bedraagt van de bezoldiging bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, § 1 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars;) <KB 2003-03-09/39, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
12° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een uitbatingszetel in België;
13° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een toeristische dienst van hun land;
14° au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van Hoofdstuk VI;
15° (schouwspelartiesten voor zover hun jaarlijkse bezoldiging niet lager ligt dan het [4 bedrag van 32.886 euro berekend en aangepast conform artikel 37]4;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
16° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan van wie het recht op verblijf beperkt wordt tot de geldigheid van zijn arbeidskaart of van zijn beroepskaart, of tot de uitoefening van een zelfstandig beroep, voor de geldigheidsduur van dit recht op verblijf;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
17° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan bedoeld in (artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° en 34°]1 ), voor de geldigheidsduur van het recht op verblijf van die persoon.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
18° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, en die naar België komen om een opleiding te volgen gedurende meer dan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;
19° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte, hetzij geen onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, en die naar België komen om een opleiding te volgen in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;) <KB 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
20° [6 de buitenlandse onderdanen die het statuut van langdurig ingezeten onderdanen in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, voor zover die arbeidsvergunning betrekking heeft op beroepen waarvoor de bevoegde overheid erkend heeft dat er zich, voor de toepassing van de wet, een tekort aan arbeidskrachten voordoet.]6
De toepassing van 8° moet onder navorsers worden verstaan, de personen die :
- houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
- door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling zijn geselecteerd en uitgenodigd;
- voltijds deelnemen aan een programma of een project van wetenschappelijk onderzoek gevoerd in de onthalende instelling en hiervoor genieten van een wetenschappelijke omkadering;
- een bezoldiging of een subsidie ontvangen die tenminste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen.
Eveneens moet onder gasthoogleraren worden verstaan, de personen die :
- houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
- uitgenodigd zijn door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling, met het oog op het verstrekken van onderwijs of het deelnemen aan het onderzoek binnen de onthalende instelling;
- worden beschouwd als gekwalificeerd op het niveau van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs;
- een bezoldiging ontvangen in een barema van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs.
Onverminderd de bepalingen van de artikelen 34 en 35 van dit besluit, moet de in het derde lid, vierde streepje bedoelde bezoldiging niet worden toegekend voor zover kan bewezen worden dat de gasthoogleraar gedurende zijn verblijf verder bezoldigd wordt door zijn uitzendende instelling.
[7 ...]7
1° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
2° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
3° (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
4° [7 et hoogopgeleide personeel, vermeld in afdeling 1bis;]7
5° stagiairs bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
6° (hooggeschoold personeel, voor zover de duur van hun tewerkstelling de vier jaar niet overschrijdt en hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [4 bedrag van 39.422 euro berekend en aangepast conform artikel 37]4 ; deze periode van vier jaar kan éénmaal worden verlengd met een nieuwe periode van vier jaar. De overheid die bevoegd is voor de aflevering van de arbeidskaart kan de hernieuwing van deze ondergeschikt maken aan het respecteren door de werkgever van de voorwaarden die hem bij de aflevering van de eerste arbeidskaart door die overheid werden opgelegd in het vooruitzicht van een eventuele hernieuwing ervan, en die het pro-actief bestrijden van het tekort op de arbeidsmarkt beogen en waarbij wordt gestreefd naar een evenredige vertegenwoordiging van de risicogroepen.
De beperking van duur van de tewerkstelling bedoeld in het vorig lid is niet van toepassing voorzover de tewerkstelling niet plaatsvindt in het kader van een terbeschikkingstelling van werknemers in loondienst en voorzover :
- ofwel de werknemer onderdaan is van een land, met hetwelk de Europese Unie de toetredingsonderhandelingen in het kader van de uitbreiding van de Europese Unie heeft afgesloten;
- ofwel zijn jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [4 bedrag van 65.771 euro berekend en aangepast conform artikel 37]4.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
7° personen die een leidinggevende functie komen bekleden (...) voor zover hun jaarlijkse bezoldiging hoger ligt dan het [4 bedrag van 65.771 euro berekend en aangepast conform artikel 37]4; <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
8° navorsers en gasthoogleraren tewerkgesteld in een universiteit, in een inrichting van hoger onderwijs, een erkende wetenschappelijke instelling of een onderzoeksafdeling van een onderneming, voor zover de duur ervan de 4 jaar niet overschrijdt;
9° gespecialiseerde techniekers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven en die naar België komen om over te gaan (tot de montage of het op gang brengen) of de herstelling van een in het buitenland bij die werkgever vervaardigde (of door hem geleverde) installatie voor een periode van maximum 6 maanden; <KB 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
10° werknemers die verbonden blijven door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever en die een specifieke beroepsopleiding volgen in een Belgisch bedrijf in het kader van een opleidingsovereenkomst toegevoegd aan een verkoopscontract gesloten tussen dit Belgisch bedrijf en een buitenlandse firma, voor zover de duur van deze opleiding de zes maanden niet overschrijdt;
11° (beroepssportlui en trainers, voor zover, voor beide gevallen, het bedrag van hun bezoldiging minstens het achtvoudige bedraagt van de bezoldiging bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 2, § 1 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars;) <KB 2003-03-09/39, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
12° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een uitbatingszetel in België;
13° personen die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een toeristische dienst van hun land;
14° au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van Hoofdstuk VI;
15° (schouwspelartiesten voor zover hun jaarlijkse bezoldiging niet lager ligt dan het [4 bedrag van 32.886 euro berekend en aangepast conform artikel 37]4;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
16° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan van wie het recht op verblijf beperkt wordt tot de geldigheid van zijn arbeidskaart of van zijn beroepskaart, of tot de uitoefening van een zelfstandig beroep, voor de geldigheidsduur van dit recht op verblijf;) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
17° (de echtgenoot en kinderen van de buitenlandse onderdaan bedoeld in (artikel 2, eerste lid, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° en 34°]1 ), voor de geldigheidsduur van het recht op verblijf van die persoon.) <KB 2003-02-06/41, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
18° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is in een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte, hetzij onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, hetzij onderdanen zijn van een Staat bedoeld bij artikel 10, en die naar België komen om een opleiding te volgen gedurende meer dan drie kalendermaanden in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;
19° de werknemers die, hetzij geen onderdaan zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die tewerkgesteld worden in een onderneming die gevestigd is buiten de Europese Economische Ruimte, hetzij geen onderdanen zijn van een Staat die de Conventie van 14 december 1960 met betrekking tot de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft ondertekend, en die naar België komen om een opleiding te volgen in de Belgische zetel van de multinationale groep tot dewelke hun onderneming behoort, in het kader van een opleidingsovereenkomst tussen de zetels van die multinationale groep;) <KB 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
20° [6 de buitenlandse onderdanen die het statuut van langdurig ingezeten onderdanen in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben verkregen krachtens wetgeving of reglementering ter omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, voor zover die arbeidsvergunning betrekking heeft op beroepen waarvoor de bevoegde overheid erkend heeft dat er zich, voor de toepassing van de wet, een tekort aan arbeidskrachten voordoet.]6
De toepassing van 8° moet onder navorsers worden verstaan, de personen die :
- houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
- door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling zijn geselecteerd en uitgenodigd;
- voltijds deelnemen aan een programma of een project van wetenschappelijk onderzoek gevoerd in de onthalende instelling en hiervoor genieten van een wetenschappelijke omkadering;
- een bezoldiging of een subsidie ontvangen die tenminste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen.
Eveneens moet onder gasthoogleraren worden verstaan, de personen die :
- houder zijn van een doctoraat op proefschrift of een academische titel die hiermee gelijkgesteld kan worden of buitengewone wetenschappelijke verdiensten hebben die blijken uit een attest van de onthalende instelling;
- uitgenodigd zijn door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling, met het oog op het verstrekken van onderwijs of het deelnemen aan het onderzoek binnen de onthalende instelling;
- worden beschouwd als gekwalificeerd op het niveau van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs;
- een bezoldiging ontvangen in een barema van het onderwijzend personeel van de Franstalige universiteiten of instellingen van hoger onderwijs of van het zelfstandig academisch personeel van de Vlaamse universiteiten of van dezelfde graad in de Vlaamse instellingen van hoger onderwijs.
Onverminderd de bepalingen van de artikelen 34 en 35 van dit besluit, moet de in het derde lid, vierde streepje bedoelde bezoldiging niet worden toegekend voor zover kan bewezen worden dat de gasthoogleraar gedurende zijn verblijf verder bezoldigd wordt door zijn uitzendende instelling.
[7 ...]7
Art. 9 _REGION_FLAMANDE.
Par dérogation à l'article 8, il n'est pas tenu compte de la situation du marché de l'emploi pour l'octroi de l'autorisation d'occupation lorsqu'il s'agit :
1° (abrogé) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
2° (abrogé) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
3° (abrogé) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
4° [7 le personnel hautement qualifié visé à la section 1bis]7
5° de stagiaires visés à la section 1 du Chapitre VI;
6° (du personnel hautement qualifié pour autant que la durée de leur occupation n'excède pas quatre ans et que leur rémunération annuelle dépasse [4 le montant de 39.422 euros, calculé et adapté conformément à l'article 37]4; cette période de quatre ans peut être renouvelée une fois pour une nouvelle période de quatre ans. L'autorité compétente pour délivrer le permis peut subordonner le renouvellement de celui-ci au respect par l'employeur des conditions qui lui ont été imposées par cette autorité, au moment de la première délivrance du permis et dans la perspective d'un renouvellement éventuel de celui-ci, et qui visent la lutte proactive contre la pénurie sur le marché de l'emploi et le fait de tendre vers une participation au travail équilibrée des groupes à risque.) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
(La limitation de la durée de l'occupation visée à l'alinéa précédent, n'est pas d'application si l'occupation ne s'exerce pas dans le cadre d'un détachement de travailleurs salariés et pour autant :
- que le travailleur soit ressortissant d'un pays avec lequel l'Union européenne a clôturé les négociations d'adhésion dans le cadre de l'élargissement de l'Union européenne;
ou que sa rémunération annuelle dépasse [4 le montant de 65.771 euros, calculé et adapté conformément à l'article 37]4.) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
7° des personnes qui viennent occuper un poste de direction (...) pour autant que leur rémunération annuelle dépasse [4 le montant de 65.771 euros est calculé et adapté conformément à l'article 37]4; <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
8° de chercheurs et de professeurs invités occupés dans une université, un établissement d'enseignement supérieur, un établissement scientifique reconnu ou un département de recherche d'une entreprise pour autant que la durée de leur occupation n'excède pas 4 ans;
9° des techniciens spécialisés qui restent liés par contrat de travail avec un employeur établi à l'étranger et qui viennent en Belgique pour procéder (au montage ou à la mise en marche) ou à la réparation d'une installation fabriquee (ou livrée) par leur employeur à l'étranger pour une durée de 6 mois maximum; <AR 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; En vigueur : 08-10-2007>
10° des travailleurs qui restent liés par contrat de travail avec une entreprise établie a l'étranger et qui suivent une formation professionnelle spécifique dans une firme belge dans le cadre d'un contrat de formation accessoire à un contrat de vente conclu entre cette firme belge et une firme étrangère, pour autant que la durée de cette formation n'excède pas six mois;
11° (de sportifs professionnels et d'entraîneurs, pour autant que, dans les deux cas, le montant de leur rémunération corresponde au moins à huit fois la rémunération fixée conformément aux dispositions de l'article 2, § 1er, de la loi du 24 fevrier 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré;) <AR 2003-03-09/39, art. 1, 010; En vigueur : 01-07-2003>
12° de personnes exerçant une fonction à responsabilité dans une compagnie de navigation aérienne étrangère ayant un siège d'exploitation en Belgique;
13° de personnes exerçant une fonction à responsabilités dans un office de tourisme de leur pays;
14° de jeunes au pair, visés à la section 2 du Chapitre VI;
(15° d'artistes de spectacle, pour autant que leur rémunération annuelle ne soit pas inferieure au [4 montant de 32.886 euros, calculé et adapté conformément à l'article 37]4;
16° du conjoint et enfants du ressortissant étranger dont le droit au séjour est limité à la validité de son permis de travail ou de sa carte professionnelle, ou à l'exercice d'une activité professionnelle indépendante, pour la durée de validité de ce droit au séjour;
17° du conjoint et enfants du ressortissant étranger visé à (l'article 2, alinéa 1er, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° et 34°]1), pour la durée de validité du droit au séjour de celui-ci.) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003> <AR 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; En vigueur : 08-10-2007>
(18° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace économique europeen, soit ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, soit ressortissants d'un Etat visé à l'article 10, venant en Belgique pour suivre une formation d'une durée supérieure à trois mois calendrier au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational;
19° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie en dehors de l'Espace économique européen, soit non ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, venant en Belgique pour suivre une formation au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational.) <AR 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; En vigueur : 08-10-2007>
20° [6 les ressortissants étrangers ayant obtenu le statut de résident ressortissant de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne en vertu de la législation ou réglementation en conversion de la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, pour autant que ce permis de travail a trait aux professions pour lesquelles l'autorité compétente a reconnu que l'on constate, pour l'application de la loi, une pénurie de main d'oeuvre.]6
Pour l'application du 8°, on entend par chercheurs, les personnes qui :
- sont porteuses d'un doctorat à thèse ou d'un titre académique jugé équivalent ou possèdent des qualités scientifiques exceptionnelles dont l'existence est attestée par l'institution d'accueil;
- ont été sélectionnées et invitées par une universite, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu;
- participent à temps plein à un programme ou à un projet de recherche mene au sein de l'institution d'accueil et benéficient d'un encadrement scientifique dans ce contexte;
- perçoivent une rémunération ou un subside au moins égal au barème d'assistant des universités, établissements d'enseignement supérieur ou établissements scientifiques reconnus.
Il y a également lieu d'entendre par professeurs invités les personnes qui :
- sont porteuses d'un doctorat à thèse ou d'un titre académique jugé équivalent ou possèdent des qualités scientifiques exceptionnelles dont l'existence est attestée par l'institution d'accueil;
- ont été invitées par une université, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu, en vue de contribuer à l'enseignement ou à la recherche au sein de l'institution d'accueil;
- sont considérées comme possédant des qualifications qui les situent au niveau du personnel enseignant des universités ou établissements d'enseignement supérieur francophones ou du personnel académique indépendant des universités flamandes ou des mêmes grades dans les établissements d'enseignement supérieur flamands;
- perçoivent une rémunération conformément au barème du personnel enseignant des universités ou établissements d'enseignement supérieur francophones ou du personnel académique indépendant des universités flamandes ou des mêmes grades dans les établissements d'enseignement supérieur flamands.
Sans préjudice des dispositions des articles 34 et 35 du présent arrêté, la rémunération visée à l'alinéa 3, quatrième tiret, ne doit pas être octroyée pour autant qu'il peut être démontré que, durant son séjour, le professeur invité continue à être rémunéré par son institution d'envoi.
[6 [7 ...]7]6
Par dérogation à l'article 8, il n'est pas tenu compte de la situation du marché de l'emploi pour l'octroi de l'autorisation d'occupation lorsqu'il s'agit :
1° (abrogé) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
2° (abrogé) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
3° (abrogé) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
4° [7 le personnel hautement qualifié visé à la section 1bis]7
5° de stagiaires visés à la section 1 du Chapitre VI;
6° (du personnel hautement qualifié pour autant que la durée de leur occupation n'excède pas quatre ans et que leur rémunération annuelle dépasse [4 le montant de 39.422 euros, calculé et adapté conformément à l'article 37]4; cette période de quatre ans peut être renouvelée une fois pour une nouvelle période de quatre ans. L'autorité compétente pour délivrer le permis peut subordonner le renouvellement de celui-ci au respect par l'employeur des conditions qui lui ont été imposées par cette autorité, au moment de la première délivrance du permis et dans la perspective d'un renouvellement éventuel de celui-ci, et qui visent la lutte proactive contre la pénurie sur le marché de l'emploi et le fait de tendre vers une participation au travail équilibrée des groupes à risque.) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
(La limitation de la durée de l'occupation visée à l'alinéa précédent, n'est pas d'application si l'occupation ne s'exerce pas dans le cadre d'un détachement de travailleurs salariés et pour autant :
- que le travailleur soit ressortissant d'un pays avec lequel l'Union européenne a clôturé les négociations d'adhésion dans le cadre de l'élargissement de l'Union européenne;
ou que sa rémunération annuelle dépasse [4 le montant de 65.771 euros, calculé et adapté conformément à l'article 37]4.) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
7° des personnes qui viennent occuper un poste de direction (...) pour autant que leur rémunération annuelle dépasse [4 le montant de 65.771 euros est calculé et adapté conformément à l'article 37]4; <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003>
8° de chercheurs et de professeurs invités occupés dans une université, un établissement d'enseignement supérieur, un établissement scientifique reconnu ou un département de recherche d'une entreprise pour autant que la durée de leur occupation n'excède pas 4 ans;
9° des techniciens spécialisés qui restent liés par contrat de travail avec un employeur établi à l'étranger et qui viennent en Belgique pour procéder (au montage ou à la mise en marche) ou à la réparation d'une installation fabriquee (ou livrée) par leur employeur à l'étranger pour une durée de 6 mois maximum; <AR 2007-09-12/35, art. 4, a), 017; En vigueur : 08-10-2007>
10° des travailleurs qui restent liés par contrat de travail avec une entreprise établie a l'étranger et qui suivent une formation professionnelle spécifique dans une firme belge dans le cadre d'un contrat de formation accessoire à un contrat de vente conclu entre cette firme belge et une firme étrangère, pour autant que la durée de cette formation n'excède pas six mois;
11° (de sportifs professionnels et d'entraîneurs, pour autant que, dans les deux cas, le montant de leur rémunération corresponde au moins à huit fois la rémunération fixée conformément aux dispositions de l'article 2, § 1er, de la loi du 24 fevrier 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré;) <AR 2003-03-09/39, art. 1, 010; En vigueur : 01-07-2003>
12° de personnes exerçant une fonction à responsabilité dans une compagnie de navigation aérienne étrangère ayant un siège d'exploitation en Belgique;
13° de personnes exerçant une fonction à responsabilités dans un office de tourisme de leur pays;
14° de jeunes au pair, visés à la section 2 du Chapitre VI;
(15° d'artistes de spectacle, pour autant que leur rémunération annuelle ne soit pas inferieure au [4 montant de 32.886 euros, calculé et adapté conformément à l'article 37]4;
16° du conjoint et enfants du ressortissant étranger dont le droit au séjour est limité à la validité de son permis de travail ou de sa carte professionnelle, ou à l'exercice d'une activité professionnelle indépendante, pour la durée de validité de ce droit au séjour;
17° du conjoint et enfants du ressortissant étranger visé à (l'article 2, alinéa 1er, 4°, 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [1 , 26° et 34°]1), pour la durée de validité du droit au séjour de celui-ci.) <AR 2003-02-06/41, art. 5, 009; En vigueur : 01-04-2003> <AR 2007-09-12/35, art. 4, b), 017; En vigueur : 08-10-2007>
(18° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace économique europeen, soit ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, soit ressortissants d'un Etat visé à l'article 10, venant en Belgique pour suivre une formation d'une durée supérieure à trois mois calendrier au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational;
19° les travailleurs qui sont, soit non ressortissants d'un Etat membre de l'Espace économique européen et qui sont occupés dans une entreprise établie en dehors de l'Espace économique européen, soit non ressortissants d'un Etat signataire de la Convention du 14 décembre 1960 relative à l'Organisation de Coopération et de Développement économiques, venant en Belgique pour suivre une formation au siège belge du groupe multinational auquel appartient leur entreprise, dans le cadre d'un contrat de formation entre les sièges de ce groupe multinational.) <AR 2007-09-12/35, art. 4, c), 017; En vigueur : 08-10-2007>
20° [6 les ressortissants étrangers ayant obtenu le statut de résident ressortissant de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne en vertu de la législation ou réglementation en conversion de la Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, pour autant que ce permis de travail a trait aux professions pour lesquelles l'autorité compétente a reconnu que l'on constate, pour l'application de la loi, une pénurie de main d'oeuvre.]6
Pour l'application du 8°, on entend par chercheurs, les personnes qui :
- sont porteuses d'un doctorat à thèse ou d'un titre académique jugé équivalent ou possèdent des qualités scientifiques exceptionnelles dont l'existence est attestée par l'institution d'accueil;
- ont été sélectionnées et invitées par une universite, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu;
- participent à temps plein à un programme ou à un projet de recherche mene au sein de l'institution d'accueil et benéficient d'un encadrement scientifique dans ce contexte;
- perçoivent une rémunération ou un subside au moins égal au barème d'assistant des universités, établissements d'enseignement supérieur ou établissements scientifiques reconnus.
Il y a également lieu d'entendre par professeurs invités les personnes qui :
- sont porteuses d'un doctorat à thèse ou d'un titre académique jugé équivalent ou possèdent des qualités scientifiques exceptionnelles dont l'existence est attestée par l'institution d'accueil;
- ont été invitées par une université, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu, en vue de contribuer à l'enseignement ou à la recherche au sein de l'institution d'accueil;
- sont considérées comme possédant des qualifications qui les situent au niveau du personnel enseignant des universités ou établissements d'enseignement supérieur francophones ou du personnel académique indépendant des universités flamandes ou des mêmes grades dans les établissements d'enseignement supérieur flamands;
- perçoivent une rémunération conformément au barème du personnel enseignant des universités ou établissements d'enseignement supérieur francophones ou du personnel académique indépendant des universités flamandes ou des mêmes grades dans les établissements d'enseignement supérieur flamands.
Sans préjudice des dispositions des articles 34 et 35 du présent arrêté, la rémunération visée à l'alinéa 3, quatrième tiret, ne doit pas être octroyée pour autant qu'il peut être démontré que, durant son séjour, le professeur invité continue à être rémunéré par son institution d'envoi.
[6 [7 ...]7]6
Onderafdeling 2. - De internationale overeenkomsten of akkoorden.
Sous-section 2. - Les conventions ou accords internationaux.
Art. 10. De arbeidsvergunning wordt alleen voor die werknemers toegekend die onderdaan zijn van de landen waarmede België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers verbonden is.
Art. 10. L'octroi de l'autorisation d'occupation est limité aux travailleurs ressortissant des pays avec lesquels la Belgique est liée par des conventions ou des accords internationaux en matière en matière d'occupation des travailleurs.
Art. 11. In afwijking van artikel 10 wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet beperkt tot de werknemers die onderdaan zijn van de landen waarmee België verbonden is krachtens internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9 (en artikel 38septies). <AR 2008-12-23/30, art. 6, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
Art. 11. Par dérogation à l'article 10, l'octroi de l'autorisation d'occupation n'est pas limité aux travailleurs ressortissant des pays avec lesquels la Belgique est liée par des conventions ou des accords internationaux en matiere d'occupation des travailleurs lorsqu'il s'agit des personnes visées à l'article 9 (et à l'article 38septies). <AR 2008-12-23/30, art. 6, 019; En vigueur : 01-01-2009>
Art. 11 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
In afwijking van artikel 10 wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet beperkt tot de werknemers die onderdaan zijn van de landen waarmee België verbonden is krachtens internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers wanneer het gaat om de personen [1 bedoeld in artikel 9 en in hoofdstuk VI, afdeling 4]1 (en artikel 38septies). <AR 2008-12-23/30, art. 6, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
In afwijking van artikel 10 wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet beperkt tot de werknemers die onderdaan zijn van de landen waarmee België verbonden is krachtens internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers wanneer het gaat om de personen [1 bedoeld in artikel 9 en in hoofdstuk VI, afdeling 4]1 (en artikel 38septies). <AR 2008-12-23/30, art. 6, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
Art. 11 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Par dérogation à l'article 10, l'octroi de l'autorisation d'occupation n'est pas limité aux travailleurs ressortissant des pays avec lesquels la Belgique est liée par des conventions ou des accords internationaux en matiere d'occupation des travailleurs lorsqu'il s'agit des personnes visées à l'article 9 [1 et au chapitre VI, section 4]1.
Par dérogation à l'article 10, l'octroi de l'autorisation d'occupation n'est pas limité aux travailleurs ressortissant des pays avec lesquels la Belgique est liée par des conventions ou des accords internationaux en matiere d'occupation des travailleurs lorsqu'il s'agit des personnes visées à l'article 9 [1 et au chapitre VI, section 4]1.
Wijzigingen
Art. 11_VLAAMS_GEWEST. In afwijking van artikel 10 wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet beperkt tot de werknemers die onderdaan zijn van de landen waarmee België verbonden is krachtens internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9 [2 ...]2.
Art. 11 _REGION_FLAMANDE.
Par dérogation à l'article 10, l'octroi de l'autorisation d'occupation n'est pas limité aux travailleurs ressortissant des pays avec lesquels la Belgique est liée par des conventions ou des accords internationaux en matiere d'occupation des travailleurs lorsqu'il s'agit des personnes visées à l'article 9 [2 ...]2.
Par dérogation à l'article 10, l'octroi de l'autorisation d'occupation n'est pas limité aux travailleurs ressortissant des pays avec lesquels la Belgique est liée par des conventions ou des accords internationaux en matiere d'occupation des travailleurs lorsqu'il s'agit des personnes visées à l'article 9 [2 ...]2.
Wijzigingen
Onderafdeling 3. - De overeenkomst.
Sous-section 3. - Le contrat.
Art. 12. Voor de toekenning van de arbeidsvergunning dienen de werkgever en de werknemer een arbeidsovereenkomst te ondertekenen die de vermeldingen en de bepalingen bevat die voorkomen in bijlage I van dit besluit.
Wanneer het schouwspelartiesten, met of zonder internationale faam, betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en de bepalingen die voorkomen in bijlage II van dit besluit.
Wanneer het stagiairs betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en bepalingen die voorkomen in het artikel 22, 3° en 4° van dit besluit.
Wanneer het au pair-jongeren betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en bepalingen die voorkomen in bijlage III van dit besluit.
Wanneer het de voorlopige arbeidsvergunning betreft, geldt als voorwaarde voor de toekenning ervan dat werkgever en werknemer een geschreven arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten ondertekenen.
Wanneer het schouwspelartiesten, met of zonder internationale faam, betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en de bepalingen die voorkomen in bijlage II van dit besluit.
Wanneer het stagiairs betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en bepalingen die voorkomen in het artikel 22, 3° en 4° van dit besluit.
Wanneer het au pair-jongeren betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en bepalingen die voorkomen in bijlage III van dit besluit.
Wanneer het de voorlopige arbeidsvergunning betreft, geldt als voorwaarde voor de toekenning ervan dat werkgever en werknemer een geschreven arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten ondertekenen.
Art. 12. L'octroi de l'autorisation d'occupation est subordonné à la signature par l'employeur et le travailleur d'un contrat de travail contenant les mentions et dispositions indiquées à l'annexe I du présent arrêté.
Lorsqu'il s'agit d'artistes de spectacles, de réputation internationale ou non, le contrat contient les mentions et dispositions indiquées à l'annexe II du présent arrêté.
Lorsqu'il s'agit de stagiaires, le contrat contient les mentions et dispositions indiquées à l'article 22, 3° et 4° de cet arrêté.
Lorsqu'il s'agit de jeunes au pair, le contrat contient les mentions et dispositions indiquées à l'annexe III du présent arrête.
Lorsqu'il s'agit de l'autorisation provisoire d'occupation, l'octroi de celle-ci est subordonné à la signature d'un contrat de travail écrit conforme aux dispositions de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
Lorsqu'il s'agit d'artistes de spectacles, de réputation internationale ou non, le contrat contient les mentions et dispositions indiquées à l'annexe II du présent arrêté.
Lorsqu'il s'agit de stagiaires, le contrat contient les mentions et dispositions indiquées à l'article 22, 3° et 4° de cet arrêté.
Lorsqu'il s'agit de jeunes au pair, le contrat contient les mentions et dispositions indiquées à l'annexe III du présent arrête.
Lorsqu'il s'agit de l'autorisation provisoire d'occupation, l'octroi de celle-ci est subordonné à la signature d'un contrat de travail écrit conforme aux dispositions de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
Art. 12 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Voor de toekenning van de arbeidsvergunning dienen de werkgever en de werknemer een arbeidsovereenkomst te ondertekenen die de vermeldingen en de bepalingen bevat die voorkomen in bijlage I van dit besluit.
Wanneer het schouwspelartiesten, met of zonder internationale faam, betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en de bepalingen die voorkomen in bijlage II van dit besluit.
Wanneer het stagiairs betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en bepalingen die voorkomen in het artikel 22, 3° [1 ...]1 van dit besluit.
Wanneer het au pair-jongeren betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en bepalingen die voorkomen in bijlage III van dit besluit.
Wanneer het de voorlopige arbeidsvergunning betreft, geldt als voorwaarde voor de toekenning ervan dat werkgever en werknemer een geschreven arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten ondertekenen.
Voor de toekenning van de arbeidsvergunning dienen de werkgever en de werknemer een arbeidsovereenkomst te ondertekenen die de vermeldingen en de bepalingen bevat die voorkomen in bijlage I van dit besluit.
Wanneer het schouwspelartiesten, met of zonder internationale faam, betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en de bepalingen die voorkomen in bijlage II van dit besluit.
Wanneer het stagiairs betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en bepalingen die voorkomen in het artikel 22, 3° [1 ...]1 van dit besluit.
Wanneer het au pair-jongeren betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en bepalingen die voorkomen in bijlage III van dit besluit.
Wanneer het de voorlopige arbeidsvergunning betreft, geldt als voorwaarde voor de toekenning ervan dat werkgever en werknemer een geschreven arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten ondertekenen.
Art. 12 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
L'octroi de l'autorisation d'occupation est subordonné à la signature par l'employeur et le travailleur d'un contrat de travail contenant les mentions et dispositions indiquées à l'annexe I du présent arrêté.
Lorsqu'il s'agit d'artistes de spectacles, de réputation internationale ou non, le contrat contient les mentions et dispositions indiquées à l'annexe II du présent arrêté.
Lorsqu'il s'agit de stagiaires, le contrat contient les mentions et dispositions indiquées à l'article 22, 3° [1 ...]1 de cet arrêté.
Lorsqu'il s'agit de jeunes au pair, le contrat contient les mentions et dispositions indiquées à l'annexe III du présent arrête.
Lorsqu'il s'agit de l'autorisation provisoire d'occupation, l'octroi de celle-ci est subordonné à la signature d'un contrat de travail écrit conforme aux dispositions de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
L'octroi de l'autorisation d'occupation est subordonné à la signature par l'employeur et le travailleur d'un contrat de travail contenant les mentions et dispositions indiquées à l'annexe I du présent arrêté.
Lorsqu'il s'agit d'artistes de spectacles, de réputation internationale ou non, le contrat contient les mentions et dispositions indiquées à l'annexe II du présent arrêté.
Lorsqu'il s'agit de stagiaires, le contrat contient les mentions et dispositions indiquées à l'article 22, 3° [1 ...]1 de cet arrêté.
Lorsqu'il s'agit de jeunes au pair, le contrat contient les mentions et dispositions indiquées à l'annexe III du présent arrête.
Lorsqu'il s'agit de l'autorisation provisoire d'occupation, l'octroi de celle-ci est subordonné à la signature d'un contrat de travail écrit conforme aux dispositions de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
Wijzigingen
Art. 12_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. Voor de toekenning van de arbeidsvergunning dienen de werkgever en de werknemer een arbeidsovereenkomst te ondertekenen die de vermeldingen en de bepalingen bevat die voorkomen in bijlage I van dit besluit.
Wanneer het schouwspelartiesten, met of zonder internationale faam, betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en de bepalingen die voorkomen in bijlage II van dit besluit.
Wanneer het stagiairs betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en bepalingen die voorkomen in het artikel 22, 3° [1 ...]1 van dit besluit.
Wanneer het au pair-jongeren betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en bepalingen die voorkomen in bijlage III van dit besluit.
[2 Wanneer het vastbenoemde ambtenaren betreft, vervangt het bewijs van hun statutaire betrekking de in het eerste lid vermelde arbeidsovereenkomst.]2
Wanneer het schouwspelartiesten, met of zonder internationale faam, betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en de bepalingen die voorkomen in bijlage II van dit besluit.
Wanneer het stagiairs betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en bepalingen die voorkomen in het artikel 22, 3° [1 ...]1 van dit besluit.
Wanneer het au pair-jongeren betreft, bevat de overeenkomst de vermeldingen en bepalingen die voorkomen in bijlage III van dit besluit.
[2 Wanneer het vastbenoemde ambtenaren betreft, vervangt het bewijs van hun statutaire betrekking de in het eerste lid vermelde arbeidsovereenkomst.]2
Art. 12 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
L'octroi de l'autorisation d'occupation est subordonné à la signature par l'employeur et le travailleur d'un contrat de travail contenant les mentions et dispositions indiquées à l'annexe I du présent arrêté.
Lorsqu'il s'agit d'artistes de spectacles, de réputation internationale ou non, le contrat contient les mentions et dispositions indiquées à l'annexe II du présent arrêté.
Lorsqu'il s'agit de stagiaires, le contrat contient les mentions et dispositions indiquées à l'article 22, 3° [1 ...]1 de cet arrêté.
Lorsqu'il s'agit de jeunes au pair, le contrat contient les mentions et dispositions indiquées à l'annexe III du présent arrête.
[2 Lorsqu'il s'agit d'agents de la fonction publique nommés à titre définitif, la preuve de leur statut remplace le contrat de travail mentionné à l'alinéa premier.]2
L'octroi de l'autorisation d'occupation est subordonné à la signature par l'employeur et le travailleur d'un contrat de travail contenant les mentions et dispositions indiquées à l'annexe I du présent arrêté.
Lorsqu'il s'agit d'artistes de spectacles, de réputation internationale ou non, le contrat contient les mentions et dispositions indiquées à l'annexe II du présent arrêté.
Lorsqu'il s'agit de stagiaires, le contrat contient les mentions et dispositions indiquées à l'article 22, 3° [1 ...]1 de cet arrêté.
Lorsqu'il s'agit de jeunes au pair, le contrat contient les mentions et dispositions indiquées à l'annexe III du présent arrête.
[2 Lorsqu'il s'agit d'agents de la fonction publique nommés à titre définitif, la preuve de leur statut remplace le contrat de travail mentionné à l'alinéa premier.]2
Art. 13. In afwijking van artikel 12, eerste lid, wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet afhankelijk gesteld van de ondertekening van de overeenkomst bedoeld in hetzelfde artikel wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9 (en artikel 38septies). <AR 2008-12-23/30, art. 7, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2009>
Art. 13. Par dérogation à l'article 12, alinéa 1er, l'octroi de l'autorisation d'occupation n'est pas subordonné à la signature du contrat visé au même article, lorsqu'il s'agit des personnes visées à l'article 9 (et à l'article 38septies). <AR 2008-12-23/30, art. 7, 019; En vigueur : 01-01-2009>
Art. 13_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. In afwijking van artikel 12, eerste lid, wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet afhankelijk gesteld van de ondertekening van de overeenkomst bedoeld in hetzelfde artikel wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9 [3 ...]3.
Art. 13 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Par dérogation à l'article 12, alinéa 1er, l'octroi de l'autorisation d'occupation n'est pas subordonné à la signature du contrat visé au même article, lorsqu'il s'agit des personnes visées à l'article 9 [3 ...]3.
Par dérogation à l'article 12, alinéa 1er, l'octroi de l'autorisation d'occupation n'est pas subordonné à la signature du contrat visé au même article, lorsqu'il s'agit des personnes visées à l'article 9 [3 ...]3.
Wijzigingen
Art. 13_VLAAMS_GEWEST. In afwijking van artikel 12, eerste lid, wordt de toekenning van de arbeidsvergunning niet afhankelijk gesteld van de ondertekening van de overeenkomst bedoeld in hetzelfde artikel wanneer het gaat om de personen bedoeld in artikel 9 [2 ...]2.
Art. 13 _REGION_FLAMANDE.
Par dérogation à l'article 12, alinéa 1er, l'octroi de l'autorisation d'occupation n'est pas subordonné à la signature du contrat visé au même article, lorsqu'il s'agit des personnes visées à l'article 9 [2 ...]2.
Par dérogation à l'article 12, alinéa 1er, l'octroi de l'autorisation d'occupation n'est pas subordonné à la signature du contrat visé au même article, lorsqu'il s'agit des personnes visées à l'article 9 [2 ...]2.
Wijzigingen
Onderafdeling 4. - Het geneeskundig getuigschrift.
Sous-section 4. - Le certificat médical.
Onderafdeling 4. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Sous-section 4. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Art. 14. De aanvraag om een arbeidsvergunning voor een buitenlandse werknemer die voor de eerste keer tewerkgesteld wordt in België, moet vergezeld gaan van een geneeskundig getuigschrift waarbij verklaard wordt dat niets erop wijst dat de werknemer, wegens zijn gezondheidstoestand, in de nabije toekomst arbeidsongeschikt zal worden.
Zo de werknemer zich in het buitenland bevindt, moet dit geneeskundig getuigschrift afgegeven worden door een geneesheer erkend door de Belgische diplomatieke of consulaire ambtenaren in het buitenland.
Het geneeskundig getuigschrift moet ten vroegste drie maanden voor de indieningsdatum van de aanvraag worden opgesteld.
Het geneeskundig getuigschrift zal desnoods, door een beëdigd vertaler, in een van de talen van het Gewest, dat bevoegd is voor het afleveren van de arbeidskaart, moeten worden vertaald.
Zo de werknemer zich in het buitenland bevindt, moet dit geneeskundig getuigschrift afgegeven worden door een geneesheer erkend door de Belgische diplomatieke of consulaire ambtenaren in het buitenland.
Het geneeskundig getuigschrift moet ten vroegste drie maanden voor de indieningsdatum van de aanvraag worden opgesteld.
Het geneeskundig getuigschrift zal desnoods, door een beëdigd vertaler, in een van de talen van het Gewest, dat bevoegd is voor het afleveren van de arbeidskaart, moeten worden vertaald.
Art. 14. La demande d'autorisation d'occupation pour un travailleur étranger, occupé pour la première fois en Belgique, doit être accompagnée d'un certificat médical constatant que rien n'indique que son état de santé, le rendra inapte au travail dans un avenir rapproché.
Si le travailleur se trouve à l'étranger, ce certificat médical est délivré par un médecin agréé par les agents diplomatiques ou consulaires belges à l'étranger.
Le certificat médical doit avoir été établi au plus tôt trois mois avant la date d'introduction de la demande.
Le certificat médical devra, le cas échéant, être traduit dans une des langues de la Région compétente pour délivrer le permis de travail, par un traducteur assermenté.
Si le travailleur se trouve à l'étranger, ce certificat médical est délivré par un médecin agréé par les agents diplomatiques ou consulaires belges à l'étranger.
Le certificat médical doit avoir été établi au plus tôt trois mois avant la date d'introduction de la demande.
Le certificat médical devra, le cas échéant, être traduit dans une des langues de la Région compétente pour délivrer le permis de travail, par un traducteur assermenté.
Art. 14_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. De aanvraag om een arbeidsvergunning voor een buitenlandse werknemer die voor de eerste keer tewerkgesteld wordt in België, moet vergezeld gaan van een geneeskundig getuigschrift waarbij verklaard wordt dat niets erop wijst dat de werknemer, wegens zijn gezondheidstoestand, in de nabije toekomst arbeidsongeschikt zal worden.
Zo de werknemer zich in het buitenland bevindt, moet dit geneeskundig getuigschrift afgegeven worden door een geneesheer erkend door de Belgische diplomatieke of consulaire ambtenaren in het buitenland.
Het geneeskundig getuigschrift moet ten vroegste drie maanden voor de indieningsdatum van de aanvraag worden opgesteld.
Het geneeskundig getuigschrift zal desnoods, door een beëdigd vertaler, in een van de talen van het Gewest, dat bevoegd is voor het afleveren van de arbeidskaart, moeten worden vertaald.
[1 Voor de toepassing van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wordt het geneeskundig getuigschrift vermeld in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, 5°, van de wet van 15 december 1980 gelijkgesteld met een geneeskundig getuigschrift als vermeld in dit artikel.]1
Zo de werknemer zich in het buitenland bevindt, moet dit geneeskundig getuigschrift afgegeven worden door een geneesheer erkend door de Belgische diplomatieke of consulaire ambtenaren in het buitenland.
Het geneeskundig getuigschrift moet ten vroegste drie maanden voor de indieningsdatum van de aanvraag worden opgesteld.
Het geneeskundig getuigschrift zal desnoods, door een beëdigd vertaler, in een van de talen van het Gewest, dat bevoegd is voor het afleveren van de arbeidskaart, moeten worden vertaald.
[1 Voor de toepassing van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wordt het geneeskundig getuigschrift vermeld in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, 5°, van de wet van 15 december 1980 gelijkgesteld met een geneeskundig getuigschrift als vermeld in dit artikel.]1
Art. 14 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
La demande d'autorisation d'occupation pour un travailleur étranger, occupé pour la première fois en Belgique, doit être accompagnée d'un certificat médical constatant que rien n'indique que son état de santé, le rendra inapte au travail dans un avenir rapproché.
Si le travailleur se trouve à l'étranger, ce certificat médical est délivré par un médecin agréé par les agents diplomatiques ou consulaires belges à l'étranger.
Le certificat médical doit avoir été établi au plus tôt trois mois avant la date d'introduction de la demande.
Le certificat médical devra, le cas échéant, être traduit dans une des langues de la Région compétente pour délivrer le permis de travail, par un traducteur assermenté.
[1 Pour l'application du chapitre IV de l'accord de coopération du 2 février 2018, le certificat médical visé à l'article 61/25-2, § 1er, alinéa 2, 5°, de la loi du 15 décembre 1980 est assimilé à un certificat médical visé par le présent article]1
La demande d'autorisation d'occupation pour un travailleur étranger, occupé pour la première fois en Belgique, doit être accompagnée d'un certificat médical constatant que rien n'indique que son état de santé, le rendra inapte au travail dans un avenir rapproché.
Si le travailleur se trouve à l'étranger, ce certificat médical est délivré par un médecin agréé par les agents diplomatiques ou consulaires belges à l'étranger.
Le certificat médical doit avoir été établi au plus tôt trois mois avant la date d'introduction de la demande.
Le certificat médical devra, le cas échéant, être traduit dans une des langues de la Région compétente pour délivrer le permis de travail, par un traducteur assermenté.
[1 Pour l'application du chapitre IV de l'accord de coopération du 2 février 2018, le certificat médical visé à l'article 61/25-2, § 1er, alinéa 2, 5°, de la loi du 15 décembre 1980 est assimilé à un certificat médical visé par le présent article]1
Wijzigingen
Art. 14_VLAAMS_GEWEST. De aanvraag om een arbeidsvergunning voor een buitenlandse werknemer die voor de eerste keer tewerkgesteld wordt in België, moet vergezeld gaan van een geneeskundig getuigschrift waarbij verklaard wordt dat niets erop wijst dat de werknemer, wegens zijn gezondheidstoestand, in de nabije toekomst arbeidsongeschikt zal worden.
Zo de werknemer zich in het buitenland bevindt, moet dit geneeskundig getuigschrift afgegeven worden door een geneesheer erkend door de Belgische diplomatieke of consulaire ambtenaren in het buitenland.
Het geneeskundig getuigschrift moet ten vroegste drie maanden voor de indieningsdatum van de aanvraag worden opgesteld.
Het geneeskundig getuigschrift zal desnoods, door een beëdigd vertaler, in een van de talen van het Gewest, dat bevoegd is voor het afleveren van de arbeidskaart, moeten worden vertaald.
[1 Voor de toepassing van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 wordt het geneeskundig getuigschrift, vermeld in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, 5°, van de wet van 15 december 1980, gelijkgesteld met een geneeskundig getuigschrift als vermeld in het eerste tot en met het vierde lid.]1
Zo de werknemer zich in het buitenland bevindt, moet dit geneeskundig getuigschrift afgegeven worden door een geneesheer erkend door de Belgische diplomatieke of consulaire ambtenaren in het buitenland.
Het geneeskundig getuigschrift moet ten vroegste drie maanden voor de indieningsdatum van de aanvraag worden opgesteld.
Het geneeskundig getuigschrift zal desnoods, door een beëdigd vertaler, in een van de talen van het Gewest, dat bevoegd is voor het afleveren van de arbeidskaart, moeten worden vertaald.
[1 Voor de toepassing van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 wordt het geneeskundig getuigschrift, vermeld in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, 5°, van de wet van 15 december 1980, gelijkgesteld met een geneeskundig getuigschrift als vermeld in het eerste tot en met het vierde lid.]1
Art. 14 _REGION_FLAMANDE.
La demande d'autorisation d'occupation pour un travailleur étranger, occupé pour la première fois en Belgique, doit être accompagnée d'un certificat médical constatant que rien n'indique que son état de santé, le rendra inapte au travail dans un avenir rapproché.
Si le travailleur se trouve à l'étranger, ce certificat médical est délivré par un médecin agréé par les agents diplomatiques ou consulaires belges à l'étranger.
Le certificat médical doit avoir été établi au plus tôt trois mois avant la date d'introduction de la demande.
Le certificat médical devra, le cas échéant, être traduit dans une des langues de la Région compétente pour délivrer le permis de travail, par un traducteur assermenté.
[1 Aux fins de l'application du chapitre IV de l'accord de coopération du 2 février 2018, le certificat médical visé à l'article 61/25-2, § 1er, deuxième alinéa, 5° de la loi du 15 décembre 1980 est assimilé à un certificat médical visé aux alinéas 1 à 4 inclus.]1
La demande d'autorisation d'occupation pour un travailleur étranger, occupé pour la première fois en Belgique, doit être accompagnée d'un certificat médical constatant que rien n'indique que son état de santé, le rendra inapte au travail dans un avenir rapproché.
Si le travailleur se trouve à l'étranger, ce certificat médical est délivré par un médecin agréé par les agents diplomatiques ou consulaires belges à l'étranger.
Le certificat médical doit avoir été établi au plus tôt trois mois avant la date d'introduction de la demande.
Le certificat médical devra, le cas échéant, être traduit dans une des langues de la Région compétente pour délivrer le permis de travail, par un traducteur assermenté.
[1 Aux fins de l'application du chapitre IV de l'accord de coopération du 2 février 2018, le certificat médical visé à l'article 61/25-2, § 1er, deuxième alinéa, 5° de la loi du 15 décembre 1980 est assimilé à un certificat médical visé aux alinéas 1 à 4 inclus.]1
Wijzigingen
Art. 15. De bepalingen van artikel 14 zijn niet van toepassing op de tewerkstelling :
1° van personen die minstens 2 jaar wettig in België verblijven;
2° van personen bedoeld in artikel 9, 9° en 10°.
1° van personen die minstens 2 jaar wettig in België verblijven;
2° van personen bedoeld in artikel 9, 9° en 10°.
Art. 15. Les dispositions de l'article 14 ne s'appliquent pas à l'occupation :
1° des personnes qui séjournent légalement en Belgique depuis au moins 2 ans;
2° des personnes visées à l'article 9, 9° et 10°.
1° des personnes qui séjournent légalement en Belgique depuis au moins 2 ans;
2° des personnes visées à l'article 9, 9° et 10°.
Art. 15_VLAAMS_GEWEST. De bepalingen van artikel 14 zijn niet van toepassing op de tewerkstelling :
1° van personen die minstens 2 jaar wettig in België verblijven;
2° van personen [1 als vermeld in artikel 9, eerste lid, 4°, 9°, 10° en 20°]1.
1° van personen die minstens 2 jaar wettig in België verblijven;
2° van personen [1 als vermeld in artikel 9, eerste lid, 4°, 9°, 10° en 20°]1.
Art. 15 _REGION_FLAMANDE.
Les dispositions de l'article 14 ne s'appliquent pas à l'occupation :
1° des personnes qui séjournent légalement en Belgique depuis au moins 2 ans;
2° des personnes [1 telles que mentionnées à l'article 9 alinéa premier, 4°, 9°, 10° et 20°]1.
Les dispositions de l'article 14 ne s'appliquent pas à l'occupation :
1° des personnes qui séjournent légalement en Belgique depuis au moins 2 ans;
2° des personnes [1 telles que mentionnées à l'article 9 alinéa premier, 4°, 9°, 10° et 20°]1.
Wijzigingen
Afdeling 1bis. [1 - De voorlopige arbeidsvergunning uitgereikt in het kader van het verkrijgen van de Europese blauwe kaart.]1
Section 1bis. [1 - L'autorisation provisoire d'occupation délivrée dans le cadre de l'obtention de la carte bleue européenne.]1
Afdeling 1bis. VLAAMS_GEWEST. [1 - De toelating tot arbeid in het kader van de Europese blauwe kaart]1
Section 1bis. REGION_FLAMANDE. [1 - Admission à l'emploi dans le cadre de la carte bleue européenne]1
Art. 15/1. [1 De voorlopige arbeidsvergunning toegekend in het kader van het verkrijgen van een Europese blauwe kaart wordt toegekend aan de werkgevers die een buitenlandse werknemer willen tewerkstellen voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan :
a) de werkgever moet met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst hebben gesloten van onbepaalde duur of met een duur gelijk aan of hoger dan een jaar;
b) [2 de buitenlandse werknemer moet een bruto jaarloon genieten van 49.995 of meer;]2
c) de werknemer moet hogere beroepskwalificaties aantonen in het bezit zijn van een diploma uitgereikt door een onderwijsinstituut erkend als hogere onderwijsinstelling door de Staat waar in het instituut is gevestigd.
Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt verstaan onder diploma van het hoger onderwijs : alle diploma's, getuigschriften of andere opleidingstitels uitgereikt door een overheid waarbij het succesvol beëindigen wordt aangetoond van een postsecundair programma inzake hogere studies, dit betekent een geheel van lessen verstrekt door een onderwijsinstituut erkend als hoger onderwijsinstelling door de staat waar in het instituut is gevestigd, op voorwaarde dat de studies nodig voor het behalen ervan minstens drie jaar hebben geduurd.
[2 Het bedrag van het in lid 1, onder b), bedoeld loon wordt elk jaar aangepast op 1 januari, aan de index van de conventionele lonen voor bedienden van het derde kwartaal (basis 1997=100) volgens de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag, vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het oorspronkelijke indexcijfer. Het resultaat wordt afgerond op de euro.
Voor de toepassing van lid 3, wordt verstaan onder :
1° index van de conventionele lonen voor bedienden, de index opgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van het gemiddelde van de bediendenlonen voor volwassenen in de particuliere sector, zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
2° basisbedrag : het bedrag van kracht op 1 januari 2013;
3° nieuw indexcijfer : index voor het derde kwartaal op basis 1997=100 van het jaar dat aan de indexering voorafgaat;
4° oorspronkelijke index : index van het derde kwartaal 2012 op basis 1997 = 100.]2
In afwijking van het eerste lid kan de bevoegde overheid een vraag voor een voorlopige arbeidsvergunning afwijzen :
1°) wanneer het mogelijk is, onder de werknemers op de arbeidsmarkt, een werknemer te vinden die geschikt is om de betrokken arbeidsplaats op een bevredigende wijze en binnen een redelijke termijn te bekleden;
2°) om een ethische rekrutering te verzekeren in de sectoren die een tekort aan gekwalificeerde werknemers kennen in het land van oorsprong;
3°) indien de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber eerder gesanctioneerd werd door zich niet te schikken naar de bepalingen tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling of om werknemers te hebben tewerkgesteld die geen toelating tot verblijf en tewerkstelling hadden.]1
(NOTA : het bedrag van 49,995 € wordt op 01-01-2014 verhoogd tot 50,974 €, zie : 2014-04-24/01)
a) de werkgever moet met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst hebben gesloten van onbepaalde duur of met een duur gelijk aan of hoger dan een jaar;
b) [2 de buitenlandse werknemer moet een bruto jaarloon genieten van 49.995 of meer;]2
c) de werknemer moet hogere beroepskwalificaties aantonen in het bezit zijn van een diploma uitgereikt door een onderwijsinstituut erkend als hogere onderwijsinstelling door de Staat waar in het instituut is gevestigd.
Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt verstaan onder diploma van het hoger onderwijs : alle diploma's, getuigschriften of andere opleidingstitels uitgereikt door een overheid waarbij het succesvol beëindigen wordt aangetoond van een postsecundair programma inzake hogere studies, dit betekent een geheel van lessen verstrekt door een onderwijsinstituut erkend als hoger onderwijsinstelling door de staat waar in het instituut is gevestigd, op voorwaarde dat de studies nodig voor het behalen ervan minstens drie jaar hebben geduurd.
[2 Het bedrag van het in lid 1, onder b), bedoeld loon wordt elk jaar aangepast op 1 januari, aan de index van de conventionele lonen voor bedienden van het derde kwartaal (basis 1997=100) volgens de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag, vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het oorspronkelijke indexcijfer. Het resultaat wordt afgerond op de euro.
Voor de toepassing van lid 3, wordt verstaan onder :
1° index van de conventionele lonen voor bedienden, de index opgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van het gemiddelde van de bediendenlonen voor volwassenen in de particuliere sector, zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
2° basisbedrag : het bedrag van kracht op 1 januari 2013;
3° nieuw indexcijfer : index voor het derde kwartaal op basis 1997=100 van het jaar dat aan de indexering voorafgaat;
4° oorspronkelijke index : index van het derde kwartaal 2012 op basis 1997 = 100.]2
In afwijking van het eerste lid kan de bevoegde overheid een vraag voor een voorlopige arbeidsvergunning afwijzen :
1°) wanneer het mogelijk is, onder de werknemers op de arbeidsmarkt, een werknemer te vinden die geschikt is om de betrokken arbeidsplaats op een bevredigende wijze en binnen een redelijke termijn te bekleden;
2°) om een ethische rekrutering te verzekeren in de sectoren die een tekort aan gekwalificeerde werknemers kennen in het land van oorsprong;
3°) indien de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber eerder gesanctioneerd werd door zich niet te schikken naar de bepalingen tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling of om werknemers te hebben tewerkgesteld die geen toelating tot verblijf en tewerkstelling hadden.]1
(NOTA : het bedrag van 49,995 € wordt op 01-01-2014 verhoogd tot 50,974 €, zie : 2014-04-24/01)
Art. 15/1. [1 L'autorisation provisoire d'occupation octroyée dans le cadre de l'obtention d'une carte bleue européenne est accordée aux employeurs qui souhaitent occuper un travailleur étranger pour autant que les conditions suivantes soient réunies :
a) l'employeur doit avoir conclu avec le travailleur étranger un contrat de travail à durée indéterminée ou d'une durée égale ou supérieure à un an;
b) [2 le travailleur étranger doit bénéficier d'une rémunération annuelle brute égale ou supérieure à 49.995;]2
c) le travailleur doit attester de qualifications professionnelles élevées en étant titulaire d'un diplôme délivré par un institut d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel il est établi.
Pour l'application de l'alinéa précédent, on entend par diplôme de l'enseignement supérieur : tout diplôme, certificat ou autre titre de formation délivré par une autorité attestant l'accomplissement avec succès d'un programme d'études supérieures postsecondaires, c'est-à-dire un ensemble de cours dispensés par un institut d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel il se situe, à condition que les études nécessaires à son obtention aient duré trois années au moins.
[2 Le montant de rémunération prévu à l'alinéa 1er, point b) est adapté, chaque année, le 1er janvier, à l'indice des salaires conventionnels pour employés du troisième trimestre (base 1997=100) conformément à la formule suivante : le nouveau montant est égal au montant de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ. Le résultat est arrondi à l'euro.
Pour l'application de l'alinéa 3, il faut entendre par :
1° indice des salaires conventionnels pour employés, l'indice établi par le SPF Emploi, Travail et Concertation sociale sur base du calcul de la moyenne du traitement des employés adultes du secteur privé tel qu'il est fixé par convention collective de travail;
2° montant de base : montant en vigueur au 1er janvier 2013;
3° nouvel indice : indice du troisième trimestre en base 1997=100 de l'année précédant l'indexation;
4° indice de départ : indice du troisième trimestre 2012 en base 1997 = 100.]2
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'autorité compétente peut rejeter une demande d'autorisation provisoire d'occupation :
1°) si il est possible, de trouver parmi les travailleurs appartenant au marché de l'emploi, un travailleur apte à occuper de façon satisfaisante et dans un délai raisonnable l'emploi envisagé;
2°) afin d'assurer un recrutement éthique dans des secteurs souffrant d'une pénurie de travailleurs qualifiés dans le pays d'origine;
3°) si l'employeur, son préposé ou mandataire a été sanctionné pour avoir occupé des travailleurs sans avoir effectué la déclaration immédiate de l'emploi ou pour avoir occupé des travailleurs qui n'étaient pas autorisés à séjourner et à travailler.]1
(NOTE : le montant de 49,995 € est, au 01-01-2014, porté à 50.975 € voir 2014-04-24/01)
a) l'employeur doit avoir conclu avec le travailleur étranger un contrat de travail à durée indéterminée ou d'une durée égale ou supérieure à un an;
b) [2 le travailleur étranger doit bénéficier d'une rémunération annuelle brute égale ou supérieure à 49.995;]2
c) le travailleur doit attester de qualifications professionnelles élevées en étant titulaire d'un diplôme délivré par un institut d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel il est établi.
Pour l'application de l'alinéa précédent, on entend par diplôme de l'enseignement supérieur : tout diplôme, certificat ou autre titre de formation délivré par une autorité attestant l'accomplissement avec succès d'un programme d'études supérieures postsecondaires, c'est-à-dire un ensemble de cours dispensés par un institut d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel il se situe, à condition que les études nécessaires à son obtention aient duré trois années au moins.
[2 Le montant de rémunération prévu à l'alinéa 1er, point b) est adapté, chaque année, le 1er janvier, à l'indice des salaires conventionnels pour employés du troisième trimestre (base 1997=100) conformément à la formule suivante : le nouveau montant est égal au montant de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ. Le résultat est arrondi à l'euro.
Pour l'application de l'alinéa 3, il faut entendre par :
1° indice des salaires conventionnels pour employés, l'indice établi par le SPF Emploi, Travail et Concertation sociale sur base du calcul de la moyenne du traitement des employés adultes du secteur privé tel qu'il est fixé par convention collective de travail;
2° montant de base : montant en vigueur au 1er janvier 2013;
3° nouvel indice : indice du troisième trimestre en base 1997=100 de l'année précédant l'indexation;
4° indice de départ : indice du troisième trimestre 2012 en base 1997 = 100.]2
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'autorité compétente peut rejeter une demande d'autorisation provisoire d'occupation :
1°) si il est possible, de trouver parmi les travailleurs appartenant au marché de l'emploi, un travailleur apte à occuper de façon satisfaisante et dans un délai raisonnable l'emploi envisagé;
2°) afin d'assurer un recrutement éthique dans des secteurs souffrant d'une pénurie de travailleurs qualifiés dans le pays d'origine;
3°) si l'employeur, son préposé ou mandataire a été sanctionné pour avoir occupé des travailleurs sans avoir effectué la déclaration immédiate de l'emploi ou pour avoir occupé des travailleurs qui n'étaient pas autorisés à séjourner et à travailler.]1
(NOTE : le montant de 49,995 € est, au 01-01-2014, porté à 50.975 € voir 2014-04-24/01)
Art. 15/1_WAALS_GEWEST. [1 De voorlopige arbeidsvergunning toegekend in het kader van het verkrijgen van een Europese blauwe kaart wordt toegekend aan de werkgevers die een buitenlandse werknemer willen tewerkstellen voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan :
a) de werkgever moet met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst hebben gesloten van onbepaalde duur of met een duur gelijk aan of hoger dan een jaar;
b) [2 de buitenlandse werknemer moet een bruto jaarloon genieten van 49.995 of meer [3 berekend en aangepast volgens artikel 37/1]3;]2
c) de werknemer moet hogere beroepskwalificaties aantonen in het bezit zijn van een diploma uitgereikt door een onderwijsinstituut erkend als hogere onderwijsinstelling door de Staat waar in het instituut is gevestigd.
Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt verstaan onder diploma van het hoger onderwijs : alle diploma's, getuigschriften of andere opleidingstitels uitgereikt door een overheid waarbij het succesvol beëindigen wordt aangetoond van een postsecundair programma inzake hogere studies, dit betekent een geheel van lessen verstrekt door een onderwijsinstituut erkend als hoger onderwijsinstelling door de staat waar in het instituut is gevestigd, op voorwaarde dat de studies nodig voor het behalen ervan minstens drie jaar hebben geduurd.
[2 [3 ...]3 van kracht op 1 januari 2013;
[3 ...]3 ]2
In afwijking van het eerste lid kan de bevoegde overheid een vraag voor een voorlopige arbeidsvergunning afwijzen :
1°) wanneer het mogelijk is, onder de werknemers op de arbeidsmarkt, een werknemer te vinden die geschikt is om de betrokken arbeidsplaats op een bevredigende wijze en binnen een redelijke termijn te bekleden;
2°) om een ethische rekrutering te verzekeren in de sectoren die een tekort aan gekwalificeerde werknemers kennen in het land van oorsprong;
3°) indien de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber eerder gesanctioneerd werd door zich niet te schikken naar de bepalingen tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling of om werknemers te hebben tewerkgesteld die geen toelating tot verblijf en tewerkstelling hadden.]1
(NOTA : het bedrag van 49,995 € wordt op 01-01-2014 verhoogd tot 50,974 €, zie : 2014-04-24/01)
a) de werkgever moet met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst hebben gesloten van onbepaalde duur of met een duur gelijk aan of hoger dan een jaar;
b) [2 de buitenlandse werknemer moet een bruto jaarloon genieten van 49.995 of meer [3 berekend en aangepast volgens artikel 37/1]3;]2
c) de werknemer moet hogere beroepskwalificaties aantonen in het bezit zijn van een diploma uitgereikt door een onderwijsinstituut erkend als hogere onderwijsinstelling door de Staat waar in het instituut is gevestigd.
Voor de toepassing van het voorgaande lid wordt verstaan onder diploma van het hoger onderwijs : alle diploma's, getuigschriften of andere opleidingstitels uitgereikt door een overheid waarbij het succesvol beëindigen wordt aangetoond van een postsecundair programma inzake hogere studies, dit betekent een geheel van lessen verstrekt door een onderwijsinstituut erkend als hoger onderwijsinstelling door de staat waar in het instituut is gevestigd, op voorwaarde dat de studies nodig voor het behalen ervan minstens drie jaar hebben geduurd.
[2 [3 ...]3 van kracht op 1 januari 2013;
[3 ...]3 ]2
In afwijking van het eerste lid kan de bevoegde overheid een vraag voor een voorlopige arbeidsvergunning afwijzen :
1°) wanneer het mogelijk is, onder de werknemers op de arbeidsmarkt, een werknemer te vinden die geschikt is om de betrokken arbeidsplaats op een bevredigende wijze en binnen een redelijke termijn te bekleden;
2°) om een ethische rekrutering te verzekeren in de sectoren die een tekort aan gekwalificeerde werknemers kennen in het land van oorsprong;
3°) indien de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber eerder gesanctioneerd werd door zich niet te schikken naar de bepalingen tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling of om werknemers te hebben tewerkgesteld die geen toelating tot verblijf en tewerkstelling hadden.]1
(NOTA : het bedrag van 49,995 € wordt op 01-01-2014 verhoogd tot 50,974 €, zie : 2014-04-24/01)
Art. 15/1 _REGION_WALLONNE.
[1 L'autorisation provisoire d'occupation octroyée dans le cadre de l'obtention d'une carte bleue européenne est accordée aux employeurs qui souhaitent occuper un travailleur étranger pour autant que les conditions suivantes soient réunies :
a) l'employeur doit avoir conclu avec le travailleur étranger un contrat de travail à durée indéterminée ou d'une durée égale ou supérieure à un an;
b) [2 le travailleur étranger doit bénéficier d'une rémunération annuelle brute égale ou supérieure à 49.995 [3 calculée et adaptée conformément à l'article 37/1]3;]2
c) le travailleur doit attester de qualifications professionnelles élevées en étant titulaire d'un diplôme délivré par un institut d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel il est établi.
Pour l'application de l'alinéa précédent, on entend par diplôme de l'enseignement supérieur : tout diplôme, certificat ou autre titre de formation délivré par une autorité attestant l'accomplissement avec succès d'un programme d'études supérieures postsecondaires, c'est-à-dire un ensemble de cours dispensés par un institut d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel il se situe, à condition que les études nécessaires à son obtention aient duré trois années au moins.
[2 [3 ...]3
[3 ...]3 ]2
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'autorité compétente peut rejeter une demande d'autorisation provisoire d'occupation :
1°) si il est possible, de trouver parmi les travailleurs appartenant au marché de l'emploi, un travailleur apte à occuper de façon satisfaisante et dans un délai raisonnable l'emploi envisagé;
2°) afin d'assurer un recrutement éthique dans des secteurs souffrant d'une pénurie de travailleurs qualifiés dans le pays d'origine;
3°) si l'employeur, son préposé ou mandataire a été sanctionné pour avoir occupé des travailleurs sans avoir effectué la déclaration immédiate de l'emploi ou pour avoir occupé des travailleurs qui n'étaient pas autorisés à séjourner et à travailler.]1
(NOTE : le montant de 49,995 € est, au 01-01-2014, porté à 50.975 € voir 2014-04-24/01)
[1 L'autorisation provisoire d'occupation octroyée dans le cadre de l'obtention d'une carte bleue européenne est accordée aux employeurs qui souhaitent occuper un travailleur étranger pour autant que les conditions suivantes soient réunies :
a) l'employeur doit avoir conclu avec le travailleur étranger un contrat de travail à durée indéterminée ou d'une durée égale ou supérieure à un an;
b) [2 le travailleur étranger doit bénéficier d'une rémunération annuelle brute égale ou supérieure à 49.995 [3 calculée et adaptée conformément à l'article 37/1]3;]2
c) le travailleur doit attester de qualifications professionnelles élevées en étant titulaire d'un diplôme délivré par un institut d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel il est établi.
Pour l'application de l'alinéa précédent, on entend par diplôme de l'enseignement supérieur : tout diplôme, certificat ou autre titre de formation délivré par une autorité attestant l'accomplissement avec succès d'un programme d'études supérieures postsecondaires, c'est-à-dire un ensemble de cours dispensés par un institut d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel il se situe, à condition que les études nécessaires à son obtention aient duré trois années au moins.
[2 [3 ...]3
[3 ...]3 ]2
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'autorité compétente peut rejeter une demande d'autorisation provisoire d'occupation :
1°) si il est possible, de trouver parmi les travailleurs appartenant au marché de l'emploi, un travailleur apte à occuper de façon satisfaisante et dans un délai raisonnable l'emploi envisagé;
2°) afin d'assurer un recrutement éthique dans des secteurs souffrant d'une pénurie de travailleurs qualifiés dans le pays d'origine;
3°) si l'employeur, son préposé ou mandataire a été sanctionné pour avoir occupé des travailleurs sans avoir effectué la déclaration immédiate de l'emploi ou pour avoir occupé des travailleurs qui n'étaient pas autorisés à séjourner et à travailler.]1
(NOTE : le montant de 49,995 € est, au 01-01-2014, porté à 50.975 € voir 2014-04-24/01)
Art. 15/1_VLAAMS_GEWEST. [1 § 1. Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan.
§ 2. De toelating tot arbeid in het kader van de Europese blauwe kaart wordt toegekend als aan al de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de werkgever heeft met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst gesloten van onbepaalde duur of voor minstens één jaar;
2° de buitenlandse werknemer krijgt een bruto jaarloon van 49.995 euro of meer, berekend en aangepast conform artikel 37/1;
3° de werknemer toont hogere beroepskwalificaties aan en is in het bezit van een diploma, uitgereikt door een onderwijsinstituut dat erkend is als hogere onderwijsinstelling door de Staat waarin het instituut is gevestigd.
In het eerste lid wordt verstaan onder diploma van het hoger onderwijs : alle diploma's, getuigschriften of andere opleidingstitels die uitgereikt zijn door een overheid, waarbij het succesvol beëindigen van een postsecundair programma voor hogere studies wordt aangetoond. Dat is een geheel van lessen, verstrekt door een onderwijsinstituut dat erkend is als hoger onderwijsinstelling door de staat waarin het instituut is gevestigd, op voorwaarde dat de studies die nodig zijn om het diploma van hoger onderwijs te behalen, minstens drie jaar hebben geduurd.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 kan de bevoegde overheid in de volgende gevallen een vraag afwijzen :
1° om een ethische rekrutering te verzekeren in de sectoren met een tekort aan gekwalificeerde werknemers in het land van oorsprong;
2° als de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber eerder gesanctioneerd werd omdat hij zich niet schikte naar de bepalingen tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling of omdat hij werknemers heeft tewerkgesteld die geen toelating tot verblijf en tewerkstelling hadden.]1
§ 2. De toelating tot arbeid in het kader van de Europese blauwe kaart wordt toegekend als aan al de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de werkgever heeft met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst gesloten van onbepaalde duur of voor minstens één jaar;
2° de buitenlandse werknemer krijgt een bruto jaarloon van 49.995 euro of meer, berekend en aangepast conform artikel 37/1;
3° de werknemer toont hogere beroepskwalificaties aan en is in het bezit van een diploma, uitgereikt door een onderwijsinstituut dat erkend is als hogere onderwijsinstelling door de Staat waarin het instituut is gevestigd.
In het eerste lid wordt verstaan onder diploma van het hoger onderwijs : alle diploma's, getuigschriften of andere opleidingstitels die uitgereikt zijn door een overheid, waarbij het succesvol beëindigen van een postsecundair programma voor hogere studies wordt aangetoond. Dat is een geheel van lessen, verstrekt door een onderwijsinstituut dat erkend is als hoger onderwijsinstelling door de staat waarin het instituut is gevestigd, op voorwaarde dat de studies die nodig zijn om het diploma van hoger onderwijs te behalen, minstens drie jaar hebben geduurd.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2 kan de bevoegde overheid in de volgende gevallen een vraag afwijzen :
1° om een ethische rekrutering te verzekeren in de sectoren met een tekort aan gekwalificeerde werknemers in het land van oorsprong;
2° als de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber eerder gesanctioneerd werd omdat hij zich niet schikte naar de bepalingen tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling of omdat hij werknemers heeft tewerkgesteld die geen toelating tot verblijf en tewerkstelling hadden.]1
Art. 15/1 _REGION_FLAMANDE.
[1 § 1er. Cette section prévoit la conversion partielle de la directive 2009/50/CE du Conseil du 25 mai 2009 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fins d'un emploi hautement qualifié.
§ 2. L'admission à l'emploi au titre de la carte bleue européenne sera accordée si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° l'employeur doit avoir conclu avec le travailleur étranger un contrat de travail à durée indéterminée ou d'une durée égale ou supérieure à un an ;
2° le salarié étranger perçoit un salaire annuel brut de 49 995 euros ou plus, calculé et ajusté conformément à l'article 37/1 ;
3° le travailleur doit attester de qualifications professionnelles élevées en étant titulaire d'un diplôme délivré par un institut d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel il est établi.
Dans l'alinéa premier, on entend par diplôme d'enseignement supérieur : tous les diplômes, certificats ou autres titres délivrés par un gouvernement, dans lesquels la réussite d'un programme d'enseignement supérieur de niveau post-secondaire est démontrée. Il s'agit d'un ensemble de leçons dispensées par un établissement d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel il est établi, à condition que les études nécessaires à l'obtention du diplôme de l'enseignement supérieur aient duré au moins trois ans.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, l'autorité compétente peut, dans les cas suivants rejeter une question :
1° assurer un recrutement éthique dans les secteurs où il y a pénurie de travailleurs qualifiés dans le pays d'origine ;
2° si l'employeur, son préposé ou son mandataire a été précédemment sanctionné parce qu'il ne s'est pas conformé aux dispositions introduisant une déclaration immédiate d'emploi ou parce qu'il a occupé des employés qui n'avaient pas accès à la résidence et à l'emploi.]1
[1 § 1er. Cette section prévoit la conversion partielle de la directive 2009/50/CE du Conseil du 25 mai 2009 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fins d'un emploi hautement qualifié.
§ 2. L'admission à l'emploi au titre de la carte bleue européenne sera accordée si toutes les conditions suivantes sont remplies :
1° l'employeur doit avoir conclu avec le travailleur étranger un contrat de travail à durée indéterminée ou d'une durée égale ou supérieure à un an ;
2° le salarié étranger perçoit un salaire annuel brut de 49 995 euros ou plus, calculé et ajusté conformément à l'article 37/1 ;
3° le travailleur doit attester de qualifications professionnelles élevées en étant titulaire d'un diplôme délivré par un institut d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel il est établi.
Dans l'alinéa premier, on entend par diplôme d'enseignement supérieur : tous les diplômes, certificats ou autres titres délivrés par un gouvernement, dans lesquels la réussite d'un programme d'enseignement supérieur de niveau post-secondaire est démontrée. Il s'agit d'un ensemble de leçons dispensées par un établissement d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel il est établi, à condition que les études nécessaires à l'obtention du diplôme de l'enseignement supérieur aient duré au moins trois ans.
§ 3. Par dérogation au paragraphe 2, l'autorité compétente peut, dans les cas suivants rejeter une question :
1° assurer un recrutement éthique dans les secteurs où il y a pénurie de travailleurs qualifiés dans le pays d'origine ;
2° si l'employeur, son préposé ou son mandataire a été précédemment sanctionné parce qu'il ne s'est pas conformé aux dispositions introduisant une déclaration immédiate d'emploi ou parce qu'il a occupé des employés qui n'avaient pas accès à la résidence et à l'emploi.]1
Wijzigingen
Art. 15/2. [1 De artikelen 8, 10 en 14 zijn niet van toepassing in het geval van toekenning van een voorlopige arbeidsvergunning uitgereikt in het kader van het verkrijgen van een Europese blauwe kaart.
Bij afwijking op het voorgaande lid kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gevallen bepalen waarvoor een onderzoek van de arbeidsmarkt noodzakelijk is.]1
Bij afwijking op het voorgaande lid kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gevallen bepalen waarvoor een onderzoek van de arbeidsmarkt noodzakelijk is.]1
Art. 15/2. [1 Les articles 8, 10 et 14 ne sont pas d'application en cas d'octroi d'une autorisation provisoire d'occupation délivrée dans le cadre de l'obtention d'une carte bleue européenne.
Par dérogation à l'alinéa précédent, le Roi peut fixer, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les cas dans lesquels un examen du marché de l'emploi est nécessaire.]1
Par dérogation à l'alinéa précédent, le Roi peut fixer, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les cas dans lesquels un examen du marché de l'emploi est nécessaire.]1
Art. 15/2_VLAAMS_GEWEST. [1 In afwijking van artikel 9, eerste lid, 4°, kan de Vlaamse Regering de gevallen bepalen waarin een onderzoek van de arbeidsmarkt noodzakelijk is.]1
Art. 15/2 _REGION_FLAMANDE.
[1 Par dérogation à l'article 9, alinéa premier, 4°, le Gouvernement flamand peut déterminer les cas dans lesquels un examen du marché du travail est nécessaire]1
[1 Par dérogation à l'article 9, alinéa premier, 4°, le Gouvernement flamand peut déterminer les cas dans lesquels un examen du marché du travail est nécessaire]1
Wijzigingen
Art. 15/3. [1 De voorlopige arbeidsvergunning wordt in het kader van het verkrijgen van een Europese blauwe kaart toegekend binnen de dertig dagen voor zover de betreffende toekenningvoorwaarden zijn vervuld.
De werkgever bezorgt de werknemer een afschrift van deze voorlopige arbeidsvergunning in afwachting van de toekenning van de Europese blauwe kaart.
De werknemer kan beginnen werken van zodra hij in het bezit is van het afschrift van deze voorlopige arbeidsvergunning en hij het verblijf aangevraagd heeft en wettig verblijft.
De voorlopige arbeidsvergunning is niet langer geldig :
- op de dag van de uitreiking aan de werknemer van de Europese blauwe kaart;
- op de dag van de betekening aan de werknemer door de Dienst Vreemdelingenzaken van de beslissing tot weigering van de aanvraag voor een Europese blauwe kaart;
- indien de werknemer binnen de negentig dagen te rekenen vanaf de dag van uitreiking van de voorlopige arbeidsvergunning geen aanvraag voor een Europese blauwe kaart heeft ingediend bij de Dienst Vreemdelingenzaken.]1
De werkgever bezorgt de werknemer een afschrift van deze voorlopige arbeidsvergunning in afwachting van de toekenning van de Europese blauwe kaart.
De werknemer kan beginnen werken van zodra hij in het bezit is van het afschrift van deze voorlopige arbeidsvergunning en hij het verblijf aangevraagd heeft en wettig verblijft.
De voorlopige arbeidsvergunning is niet langer geldig :
- op de dag van de uitreiking aan de werknemer van de Europese blauwe kaart;
- op de dag van de betekening aan de werknemer door de Dienst Vreemdelingenzaken van de beslissing tot weigering van de aanvraag voor een Europese blauwe kaart;
- indien de werknemer binnen de negentig dagen te rekenen vanaf de dag van uitreiking van de voorlopige arbeidsvergunning geen aanvraag voor een Europese blauwe kaart heeft ingediend bij de Dienst Vreemdelingenzaken.]1
Art. 15/3. [1 L'autorisation provisoire d'occupation octroyée dans le cadre de l'obtention d'une carte bleue européenne est délivrée dans les trente jours lorsque les conditions pour l'octroi de celles-ci sont remplies.
L'employeur remet au travailleur une copie de cette autorisation provisoire d'occupation en attendant l'octroi de la carte bleue européenne.
Le travailleur peut commencer à travailler dés qu'il est en possession de la copie de cette autorisation provisoire d'occupation et qu'il a fait sa demande de séjour et est en séjour légal.
L'autorisation provisoire d'occupation perd sa validité :
- à la date de la délivrance au travailleur de la carte bleue européenne;
- à la date de la notification au travailleur de la décision de refus par l'Office des étrangers de la demande de la carte bleue européenne;
- en cas d'absence de demande par le travailleur auprès de l'Office des étrangers d'une carte bleue européenne dans les nonante jours à compter de la date de délivrance de l'autorisation d'occupation provisoire.]1
L'employeur remet au travailleur une copie de cette autorisation provisoire d'occupation en attendant l'octroi de la carte bleue européenne.
Le travailleur peut commencer à travailler dés qu'il est en possession de la copie de cette autorisation provisoire d'occupation et qu'il a fait sa demande de séjour et est en séjour légal.
L'autorisation provisoire d'occupation perd sa validité :
- à la date de la délivrance au travailleur de la carte bleue européenne;
- à la date de la notification au travailleur de la décision de refus par l'Office des étrangers de la demande de la carte bleue européenne;
- en cas d'absence de demande par le travailleur auprès de l'Office des étrangers d'une carte bleue européenne dans les nonante jours à compter de la date de délivrance de l'autorisation d'occupation provisoire.]1
Art. 15/4. [1 Tijdens de eerste twee jaar van tewerkstelling van de werknemer gedekt door een voorlopige arbeidsvergunning of door de Europese blauwe kaart :
1° is de werkgever ertoe gehouden de bevoegde overheid te verwittigen in geval van verbreking van de arbeidsovereenkomst;
2° is elke wijziging van werkgever evenals elke wijziging van de arbeidsvoorwaarden zoals bedoeld in artikel 15/1 die gevolgen heeft voor de geldigheid van de Europese blauwe kaart, onderworpen aan de voorafgaande toekenning door de bevoegde overheid van een voorlopige arbeidsvergunning;
3° is de hernieuwing van de Europese blauwe kaart door de werknemer bij de Dienst Vreemdelingenzaken afhankelijk van de toekenning door de bevoegde overheid van een nieuwe voorlopige arbeidsvergunning aan de werkgever voor zover de voorwaarden vermeld onder artikel 15/1 zijn vervuld.]1
1° is de werkgever ertoe gehouden de bevoegde overheid te verwittigen in geval van verbreking van de arbeidsovereenkomst;
2° is elke wijziging van werkgever evenals elke wijziging van de arbeidsvoorwaarden zoals bedoeld in artikel 15/1 die gevolgen heeft voor de geldigheid van de Europese blauwe kaart, onderworpen aan de voorafgaande toekenning door de bevoegde overheid van een voorlopige arbeidsvergunning;
3° is de hernieuwing van de Europese blauwe kaart door de werknemer bij de Dienst Vreemdelingenzaken afhankelijk van de toekenning door de bevoegde overheid van een nieuwe voorlopige arbeidsvergunning aan de werkgever voor zover de voorwaarden vermeld onder artikel 15/1 zijn vervuld.]1
Art. 15/4. [1 Durant les deux premières années d'emploi du travailleur couvertes par une autorisation provisoire d'occupation ou par une carte bleue européenne :
1° l'employeur est tenu d'informer l'autorité compétente en cas de rupture du contrat de travail;
2° tout changement d'employeur ainsi que toutes modifications des conditions d'emploi visées à l'article 15/1, ayant des conséquences quant à la validité de la carte bleue européenne, sont subordonnés à l'octroi préalable par l'autorité compétente d'une autorisation provisoire d'occupation;
3° le renouvellement de la carte bleue européenne par le travailleur auprès de l'Office des étrangers est subordonné à l'octroi par l'autorité compétente d'une nouvelle autorisation provisoire d'occupation à l'employeur pour autant que les conditions visées à l'article 15/1 soient remplies.]1
1° l'employeur est tenu d'informer l'autorité compétente en cas de rupture du contrat de travail;
2° tout changement d'employeur ainsi que toutes modifications des conditions d'emploi visées à l'article 15/1, ayant des conséquences quant à la validité de la carte bleue européenne, sont subordonnés à l'octroi préalable par l'autorité compétente d'une autorisation provisoire d'occupation;
3° le renouvellement de la carte bleue européenne par le travailleur auprès de l'Office des étrangers est subordonné à l'octroi par l'autorité compétente d'une nouvelle autorisation provisoire d'occupation à l'employeur pour autant que les conditions visées à l'article 15/1 soient remplies.]1
Art. 15/4_VLAAMS_GEWEST. [1 Tijdens de eerste twee jaar van tewerkstelling van de werknemer gedekt [2 ...]2 door de Europese blauwe kaart :
1° is de werkgever ertoe gehouden de bevoegde overheid te verwittigen in geval van verbreking van de arbeidsovereenkomst;
2° [2 veronderstelt elke wijziging van werkgever, alsook elke betekenisvolle wijziging van de arbeidsvoorwaarden, vermeld in artikel 15/1, § 2, die gevolgen heeft voor de geldigheid van de Europese blauwe kaart, een nieuwe aanvraag van toelating tot arbeid die deel uitmaakt van een procedure om de Europese blauwe kaart te verkrijgen;]2
3° is de hernieuwing van de Europese blauwe kaart door de werknemer bij de Dienst Vreemdelingenzaken afhankelijk van [2 een nieuwe aanvraag van toelating tot arbeid die deel uitmaakt van een procedure om de Europese blauwe kaart te verkrijgen]2 voor zover de voorwaarden vermeld onder artikel 15/1 zijn vervuld.]1
1° is de werkgever ertoe gehouden de bevoegde overheid te verwittigen in geval van verbreking van de arbeidsovereenkomst;
2° [2 veronderstelt elke wijziging van werkgever, alsook elke betekenisvolle wijziging van de arbeidsvoorwaarden, vermeld in artikel 15/1, § 2, die gevolgen heeft voor de geldigheid van de Europese blauwe kaart, een nieuwe aanvraag van toelating tot arbeid die deel uitmaakt van een procedure om de Europese blauwe kaart te verkrijgen;]2
3° is de hernieuwing van de Europese blauwe kaart door de werknemer bij de Dienst Vreemdelingenzaken afhankelijk van [2 een nieuwe aanvraag van toelating tot arbeid die deel uitmaakt van een procedure om de Europese blauwe kaart te verkrijgen]2 voor zover de voorwaarden vermeld onder artikel 15/1 zijn vervuld.]1
Art. 15/4 _REGION_FLAMANDE.
[1 Durant les deux premières années d'emploi du travailleur couvertes [2 ...]2 par une carte bleue européenne :
1° l'employeur est tenu d'informer l'autorité compétente en cas de rupture du contrat de travail;
2° [2 tout changement d'employeur ainsi que tout changement significatif des conditions de travail visées à l'article 15/1, § 2, qui a un impact sur la validité de la carte bleue européenne, présuppose une nouvelle demande d'admission à l'emploi qui fait partie d'une procédure d'obtention de la carte bleue européenne]2
3° le renouvellement de la carte bleue européenne par le travailleur auprès de l'Office des étrangers est subordonné à [2 une nouvelle demande d'admission au travail dans le cadre d'une procédure d'obtention de la carte bleue européenne]2 pour autant que les conditions visées à l'article 15/1 soient remplies.]1
[1 Durant les deux premières années d'emploi du travailleur couvertes [2 ...]2 par une carte bleue européenne :
1° l'employeur est tenu d'informer l'autorité compétente en cas de rupture du contrat de travail;
2° [2 tout changement d'employeur ainsi que tout changement significatif des conditions de travail visées à l'article 15/1, § 2, qui a un impact sur la validité de la carte bleue européenne, présuppose une nouvelle demande d'admission à l'emploi qui fait partie d'une procédure d'obtention de la carte bleue européenne]2
3° le renouvellement de la carte bleue européenne par le travailleur auprès de l'Office des étrangers est subordonné à [2 une nouvelle demande d'admission au travail dans le cadre d'une procédure d'obtention de la carte bleue européenne]2 pour autant que les conditions visées à l'article 15/1 soient remplies.]1
Afdeling 2. - De arbeidskaart A.
Section 2. - Le permis de travail A.
Art. 16. <KB 2003-02-06/41, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> De arbeidskaart A wordt toegekend aan de buitenlandse onderdaan die, over een maximale periode van tien jaar wettig en ononderbroken verblijf onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, bewijst dat hij vier jaar arbeid met een arbeidskaart B heeft verricht.
De termijn van vier jaar arbeid bepaald in het eerste lid wordt teruggebracht tot drie jaar voor de onderdanen van de landen waarmee België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers verbonden is.
De termijn van vier jaar arbeid bedoeld in het eerste lid en de termijn van drie jaar arbeid bedoeld in het tweede lid worden respectievelijk verminderd met één jaar, indien de echtgenote of de kinderen van de buitenlandse onderdaan samen met hem wettig verblijven.
Voor de toepassing van de voorgaande leden worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van algehele arbeidsongeschiktheid als gevolg van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich voordeden op een moment dat de betrokkene op regelmatige wijze door een in België gevestigde werkgever werd tewerkgesteld.
Het verblijf wordt geacht ononderbroken te zijn :
a) wanneer de onderbreking tussen twee opeenvolgende verblijfsperioden niet meer dan een jaar beloopt;
b) wanneer de afwezigheid het gevolg is van de dienstplicht, op voorwaarde dat de betrokkene binnen zestig dagen na het volbrengen van de dienstperiode naar België terugkeert.
Komen niet in aanmerking de jaren arbeid gedekt door arbeidskaarten die werden toegekend :
a) aan de gespecialiseerde techniekers, bedoeld in artikel 9, eerste lid, 9°;
b) aan de stagiairs, bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
c) aan de au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk VI;
d) aan werknemers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven;
e) om te werken als navorser of gasthoogleraar aan een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling;
f) om te werken als hooggeschoold personeel, bedoeld bij artikel 9, eerste lid, 6°;
g) op grond van artikel 9, eerste lid, 16° of 17°.
(h) aan de werknemers die een opleiding volgen op basis van artikel 9, eerste lid, 18° en 19°.) <KB 2007-09-12/35, art. 5, 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
De termijn van vier jaar arbeid bepaald in het eerste lid wordt teruggebracht tot drie jaar voor de onderdanen van de landen waarmee België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers verbonden is.
De termijn van vier jaar arbeid bedoeld in het eerste lid en de termijn van drie jaar arbeid bedoeld in het tweede lid worden respectievelijk verminderd met één jaar, indien de echtgenote of de kinderen van de buitenlandse onderdaan samen met hem wettig verblijven.
Voor de toepassing van de voorgaande leden worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van algehele arbeidsongeschiktheid als gevolg van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich voordeden op een moment dat de betrokkene op regelmatige wijze door een in België gevestigde werkgever werd tewerkgesteld.
Het verblijf wordt geacht ononderbroken te zijn :
a) wanneer de onderbreking tussen twee opeenvolgende verblijfsperioden niet meer dan een jaar beloopt;
b) wanneer de afwezigheid het gevolg is van de dienstplicht, op voorwaarde dat de betrokkene binnen zestig dagen na het volbrengen van de dienstperiode naar België terugkeert.
Komen niet in aanmerking de jaren arbeid gedekt door arbeidskaarten die werden toegekend :
a) aan de gespecialiseerde techniekers, bedoeld in artikel 9, eerste lid, 9°;
b) aan de stagiairs, bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
c) aan de au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk VI;
d) aan werknemers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven;
e) om te werken als navorser of gasthoogleraar aan een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling;
f) om te werken als hooggeschoold personeel, bedoeld bij artikel 9, eerste lid, 6°;
g) op grond van artikel 9, eerste lid, 16° of 17°.
(h) aan de werknemers die een opleiding volgen op basis van artikel 9, eerste lid, 18° en 19°.) <KB 2007-09-12/35, art. 5, 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
Art. 16. <AR 2003-02-06/41, art. 6, 009; En vigueur : 01-04-2003> Le permis de travail A est accordé au ressortissant étranger qui justifie, sur une période maximale de dix ans de séjour légal et ininterrompu précédant immédiatement la demande, de quatre années de travail couvertes par un permis B.
Le délai de quatre années de travail prévu au 1er alinéa est réduit à trois années pour les ressortissants des pays avec lesquels la Belgique est liée par des conventions ou des accords internationaux en matière d'occupation de travailleurs.
Le délai de quatre années de travail prévu au 1er alinéa et le délai de trois années de travail prévu en deuxième alinéa sont respectivement réduits d'une année si le conjoint ou les enfants du ressortissant étranger séjournent légalement avec lui.
Pour l'application des alinéas précédents, sont assimilées à des périodes de travail, les périodes d'incapacité totale de travail résultant d'une maladie professionnelle, d'un accident du travail ou d'un accident survenu sur le chemin du travail alors que l'intéressé était occupé régulièrement par un employeur établi en Belgique.
Le séjour est réputé ininterrompu :
a) si l'interruption entre deux périodes successives de séjour n'est pas supérieure à un an;
b) si l'absence résulte des obligations militaires à condition que le travailleur soit rentré en Belgique au plus tard soixante jours après l'accomplissement de la période de service.
Ne sont pas prises en considération les années de travail couvertes par des permis de travail accordes :
a) aux techniciens spécialisés visés à l'article 9, alinéa 1er, 9°;
b) aux stagiaires visés à la section 1re du chapitre VI;
c) aux jeunes au pair visés à la section 2 du chapitre VI;
d) à des travailleurs qui restent liés par contrat de travail avec un employeur établi à l'étranger;
e) pour travailler comme chercheur ou professeur invité dans une université, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu;
f) pour travailler comme personnel hautement qualifié, visé à l'article 9, alinéa 1er, 6°;
g) sur base de l'article 9, alinéa 1er, 16° ou 17°.
(h) aux travailleurs qui suivent une formation sur base de l'article 9, alin» ea 1er, 18° et 19°.) <AR 2007-09-12/35, art. 5, 017; En vigueur : 08-10-2007>
Le délai de quatre années de travail prévu au 1er alinéa est réduit à trois années pour les ressortissants des pays avec lesquels la Belgique est liée par des conventions ou des accords internationaux en matière d'occupation de travailleurs.
Le délai de quatre années de travail prévu au 1er alinéa et le délai de trois années de travail prévu en deuxième alinéa sont respectivement réduits d'une année si le conjoint ou les enfants du ressortissant étranger séjournent légalement avec lui.
Pour l'application des alinéas précédents, sont assimilées à des périodes de travail, les périodes d'incapacité totale de travail résultant d'une maladie professionnelle, d'un accident du travail ou d'un accident survenu sur le chemin du travail alors que l'intéressé était occupé régulièrement par un employeur établi en Belgique.
Le séjour est réputé ininterrompu :
a) si l'interruption entre deux périodes successives de séjour n'est pas supérieure à un an;
b) si l'absence résulte des obligations militaires à condition que le travailleur soit rentré en Belgique au plus tard soixante jours après l'accomplissement de la période de service.
Ne sont pas prises en considération les années de travail couvertes par des permis de travail accordes :
a) aux techniciens spécialisés visés à l'article 9, alinéa 1er, 9°;
b) aux stagiaires visés à la section 1re du chapitre VI;
c) aux jeunes au pair visés à la section 2 du chapitre VI;
d) à des travailleurs qui restent liés par contrat de travail avec un employeur établi à l'étranger;
e) pour travailler comme chercheur ou professeur invité dans une université, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu;
f) pour travailler comme personnel hautement qualifié, visé à l'article 9, alinéa 1er, 6°;
g) sur base de l'article 9, alinéa 1er, 16° ou 17°.
(h) aux travailleurs qui suivent une formation sur base de l'article 9, alin» ea 1er, 18° et 19°.) <AR 2007-09-12/35, art. 5, 017; En vigueur : 08-10-2007>
Art. 16 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
<KB 2003-02-06/41, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> De arbeidskaart A wordt toegekend aan de buitenlandse onderdaan die, over een maximale periode van tien jaar wettig en ononderbroken verblijf onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, bewijst dat hij vier jaar arbeid met een arbeidskaart B heeft verricht.
De termijn van vier jaar arbeid bepaald in het eerste lid wordt teruggebracht tot drie jaar voor de onderdanen van de landen waarmee België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers verbonden is.
De termijn van vier jaar arbeid bedoeld in het eerste lid en de termijn van drie jaar arbeid bedoeld in het tweede lid worden respectievelijk verminderd met één jaar, indien de echtgenote of de kinderen van de buitenlandse onderdaan samen met hem wettig verblijven.
Voor de toepassing van de voorgaande leden worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van algehele arbeidsongeschiktheid als gevolg van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich voordeden op een moment dat de betrokkene op regelmatige wijze door een in België gevestigde werkgever werd tewerkgesteld.
Het verblijf wordt geacht ononderbroken te zijn :
a) wanneer de onderbreking tussen twee opeenvolgende verblijfsperioden niet meer dan een jaar beloopt;
b) wanneer de afwezigheid het gevolg is van de dienstplicht, op voorwaarde dat de betrokkene binnen zestig dagen na het volbrengen van de dienstperiode naar België terugkeert.
Komen niet in aanmerking de jaren arbeid gedekt door arbeidskaarten die werden toegekend :
a) aan de gespecialiseerde techniekers, bedoeld in artikel 9, eerste lid, 9°;
b) aan de stagiairs, bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
c) aan de au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk VI;
d) aan werknemers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven;
e) om te werken als navorser of gasthoogleraar aan een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling;
f) om te werken als hooggeschoold personeel, bedoeld bij artikel 9, eerste lid, 6°;
g) op grond van artikel 9, eerste lid, 16° of 17°.
(h) aan de werknemers die een opleiding volgen op basis van artikel 9, eerste lid, 18° en 19°.) <KB 2007-09-12/35, art. 5, 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[1 i) de vrijwilligers vermeld in hoofdstuk VI, afdeling 8.]1
<KB 2003-02-06/41, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> De arbeidskaart A wordt toegekend aan de buitenlandse onderdaan die, over een maximale periode van tien jaar wettig en ononderbroken verblijf onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, bewijst dat hij vier jaar arbeid met een arbeidskaart B heeft verricht.
De termijn van vier jaar arbeid bepaald in het eerste lid wordt teruggebracht tot drie jaar voor de onderdanen van de landen waarmee België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers verbonden is.
De termijn van vier jaar arbeid bedoeld in het eerste lid en de termijn van drie jaar arbeid bedoeld in het tweede lid worden respectievelijk verminderd met één jaar, indien de echtgenote of de kinderen van de buitenlandse onderdaan samen met hem wettig verblijven.
Voor de toepassing van de voorgaande leden worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van algehele arbeidsongeschiktheid als gevolg van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, die zich voordeden op een moment dat de betrokkene op regelmatige wijze door een in België gevestigde werkgever werd tewerkgesteld.
Het verblijf wordt geacht ononderbroken te zijn :
a) wanneer de onderbreking tussen twee opeenvolgende verblijfsperioden niet meer dan een jaar beloopt;
b) wanneer de afwezigheid het gevolg is van de dienstplicht, op voorwaarde dat de betrokkene binnen zestig dagen na het volbrengen van de dienstperiode naar België terugkeert.
Komen niet in aanmerking de jaren arbeid gedekt door arbeidskaarten die werden toegekend :
a) aan de gespecialiseerde techniekers, bedoeld in artikel 9, eerste lid, 9°;
b) aan de stagiairs, bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
c) aan de au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk VI;
d) aan werknemers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven;
e) om te werken als navorser of gasthoogleraar aan een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling;
f) om te werken als hooggeschoold personeel, bedoeld bij artikel 9, eerste lid, 6°;
g) op grond van artikel 9, eerste lid, 16° of 17°.
(h) aan de werknemers die een opleiding volgen op basis van artikel 9, eerste lid, 18° en 19°.) <KB 2007-09-12/35, art. 5, 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[1 i) de vrijwilligers vermeld in hoofdstuk VI, afdeling 8.]1
Art. 16 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
<AR 2003-02-06/41, art. 6, 009; En vigueur : 01-04-2003> Le permis de travail A est accordé au ressortissant étranger qui justifie, sur une période maximale de dix ans de séjour légal et ininterrompu précédant immédiatement la demande, de quatre années de travail couvertes par un permis B.
Le délai de quatre années de travail prévu au 1er alinéa est réduit à trois années pour les ressortissants des pays avec lesquels la Belgique est liée par des conventions ou des accords internationaux en matière d'occupation de travailleurs.
Le délai de quatre années de travail prévu au 1er alinéa et le délai de trois années de travail prévu en deuxième alinéa sont respectivement réduits d'une année si le conjoint ou les enfants du ressortissant étranger séjournent légalement avec lui.
Pour l'application des alinéas précédents, sont assimilées à des périodes de travail, les périodes d'incapacité totale de travail résultant d'une maladie professionnelle, d'un accident du travail ou d'un accident survenu sur le chemin du travail alors que l'intéressé était occupé régulièrement par un employeur établi en Belgique.
Le séjour est réputé ininterrompu :
a) si l'interruption entre deux périodes successives de séjour n'est pas supérieure à un an;
b) si l'absence résulte des obligations militaires à condition que le travailleur soit rentré en Belgique au plus tard soixante jours après l'accomplissement de la période de service.
Ne sont pas prises en considération les années de travail couvertes par des permis de travail accordes :
a) aux techniciens spécialisés visés à l'article 9, alinéa 1er, 9°;
b) aux stagiaires visés à la section 1re du chapitre VI;
c) aux jeunes au pair visés à la section 2 du chapitre VI;
d) à des travailleurs qui restent liés par contrat de travail avec un employeur établi à l'étranger;
e) pour travailler comme chercheur ou professeur invité dans une université, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu;
f) pour travailler comme personnel hautement qualifié, visé à l'article 9, alinéa 1er, 6°;
g) sur base de l'article 9, alinéa 1er, 16° ou 17°.
(h) aux travailleurs qui suivent une formation sur base de l'article 9, alin» ea 1er, 18° et 19°.) <AR 2007-09-12/35, art. 5, 017; En vigueur : 08-10-2007>
[1 i) aux volontaires mentionnés au chapitre VI, section 8.]1
<AR 2003-02-06/41, art. 6, 009; En vigueur : 01-04-2003> Le permis de travail A est accordé au ressortissant étranger qui justifie, sur une période maximale de dix ans de séjour légal et ininterrompu précédant immédiatement la demande, de quatre années de travail couvertes par un permis B.
Le délai de quatre années de travail prévu au 1er alinéa est réduit à trois années pour les ressortissants des pays avec lesquels la Belgique est liée par des conventions ou des accords internationaux en matière d'occupation de travailleurs.
Le délai de quatre années de travail prévu au 1er alinéa et le délai de trois années de travail prévu en deuxième alinéa sont respectivement réduits d'une année si le conjoint ou les enfants du ressortissant étranger séjournent légalement avec lui.
Pour l'application des alinéas précédents, sont assimilées à des périodes de travail, les périodes d'incapacité totale de travail résultant d'une maladie professionnelle, d'un accident du travail ou d'un accident survenu sur le chemin du travail alors que l'intéressé était occupé régulièrement par un employeur établi en Belgique.
Le séjour est réputé ininterrompu :
a) si l'interruption entre deux périodes successives de séjour n'est pas supérieure à un an;
b) si l'absence résulte des obligations militaires à condition que le travailleur soit rentré en Belgique au plus tard soixante jours après l'accomplissement de la période de service.
Ne sont pas prises en considération les années de travail couvertes par des permis de travail accordes :
a) aux techniciens spécialisés visés à l'article 9, alinéa 1er, 9°;
b) aux stagiaires visés à la section 1re du chapitre VI;
c) aux jeunes au pair visés à la section 2 du chapitre VI;
d) à des travailleurs qui restent liés par contrat de travail avec un employeur établi à l'étranger;
e) pour travailler comme chercheur ou professeur invité dans une université, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu;
f) pour travailler comme personnel hautement qualifié, visé à l'article 9, alinéa 1er, 6°;
g) sur base de l'article 9, alinéa 1er, 16° ou 17°.
(h) aux travailleurs qui suivent une formation sur base de l'article 9, alin» ea 1er, 18° et 19°.) <AR 2007-09-12/35, art. 5, 017; En vigueur : 08-10-2007>
[1 i) aux volontaires mentionnés au chapitre VI, section 8.]1
Wijzigingen
Art. 16_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. <KB 2003-02-06/41, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> De arbeidskaart A wordt toegekend aan de buitenlandse onderdaan die, over een maximale periode van tien jaar wettig en ononderbroken verblijf onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag, bewijst dat hij vier jaar arbeid met een arbeidskaart B heeft verricht.
De termijn van vier jaar arbeid bepaald in het eerste lid wordt teruggebracht tot drie jaar voor de onderdanen van de landen waarmee België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers verbonden is.
De termijn van vier jaar arbeid bedoeld in het eerste lid en de termijn van drie jaar arbeid bedoeld in het tweede lid worden respectievelijk verminderd met één jaar, indien de echtgenote of de kinderen van de buitenlandse onderdaan samen met hem wettig verblijven.
Voor de toepassing van de voorgaande leden worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van algehele arbeidsongeschiktheid als gevolg van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, [2 alsook de perioden van moederschapsbescherming als bedoeld in hoofdstuk IV van de Arbeidswet van 16 maart 1971, voor zover de betrokkene een moederschapsuitkering in de zin van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 of het in artikel 30, § 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten bedoelde geboorteverlof geniet, en]2 die zich voordeden op een moment dat de betrokkene op regelmatige wijze door een in België gevestigde werkgever werd tewerkgesteld.
Het verblijf wordt geacht ononderbroken te zijn :
a) wanneer de onderbreking tussen twee opeenvolgende verblijfsperioden niet meer dan een jaar beloopt;
b) wanneer de afwezigheid het gevolg is van de dienstplicht, op voorwaarde dat de betrokkene binnen zestig dagen na het volbrengen van de dienstperiode naar België terugkeert.
Komen niet in aanmerking de jaren arbeid gedekt door arbeidskaarten die werden toegekend :
a) aan de gespecialiseerde techniekers, bedoeld in artikel 9, eerste lid, 9°;
b) aan de stagiairs, bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
c) aan de au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk VI;
d) aan werknemers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven;
e) om te werken als navorser of gasthoogleraar aan een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling;
f) [2 aan seizoenarbeiders, bedoeld in afdeling 4 van hoofdstuk VI;]2
g) op grond van artikel 9, eerste lid, 16° of 17°.
(h) aan de werknemers die een opleiding volgen op basis van artikel 9, eerste lid, 18° en 19°.) <KB 2007-09-12/35, art. 5, 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[1 i) aan de vrijwilligers bedoeld in afdeling 8 van hoofdstuk VI;]1
[2 j) aan de in artikel twee bedoelde werknemers, behalve de in punt 35° bedoelde werknemers.]2
De termijn van vier jaar arbeid bepaald in het eerste lid wordt teruggebracht tot drie jaar voor de onderdanen van de landen waarmee België door internationale overeenkomsten of akkoorden inzake de tewerkstelling van werknemers verbonden is.
De termijn van vier jaar arbeid bedoeld in het eerste lid en de termijn van drie jaar arbeid bedoeld in het tweede lid worden respectievelijk verminderd met één jaar, indien de echtgenote of de kinderen van de buitenlandse onderdaan samen met hem wettig verblijven.
Voor de toepassing van de voorgaande leden worden met arbeidsperioden gelijkgesteld de perioden van algehele arbeidsongeschiktheid als gevolg van een beroepsziekte, een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar en van het werk, [2 alsook de perioden van moederschapsbescherming als bedoeld in hoofdstuk IV van de Arbeidswet van 16 maart 1971, voor zover de betrokkene een moederschapsuitkering in de zin van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 of het in artikel 30, § 2 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten bedoelde geboorteverlof geniet, en]2 die zich voordeden op een moment dat de betrokkene op regelmatige wijze door een in België gevestigde werkgever werd tewerkgesteld.
Het verblijf wordt geacht ononderbroken te zijn :
a) wanneer de onderbreking tussen twee opeenvolgende verblijfsperioden niet meer dan een jaar beloopt;
b) wanneer de afwezigheid het gevolg is van de dienstplicht, op voorwaarde dat de betrokkene binnen zestig dagen na het volbrengen van de dienstperiode naar België terugkeert.
Komen niet in aanmerking de jaren arbeid gedekt door arbeidskaarten die werden toegekend :
a) aan de gespecialiseerde techniekers, bedoeld in artikel 9, eerste lid, 9°;
b) aan de stagiairs, bedoeld in afdeling 1 van hoofdstuk VI;
c) aan de au pair-jongeren, bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk VI;
d) aan werknemers die door een arbeidsovereenkomst met een in het buitenland gevestigde werkgever verbonden blijven;
e) om te werken als navorser of gasthoogleraar aan een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling;
f) [2 aan seizoenarbeiders, bedoeld in afdeling 4 van hoofdstuk VI;]2
g) op grond van artikel 9, eerste lid, 16° of 17°.
(h) aan de werknemers die een opleiding volgen op basis van artikel 9, eerste lid, 18° en 19°.) <KB 2007-09-12/35, art. 5, 017; Inwerkingtreding : 08-10-2007>
[1 i) aan de vrijwilligers bedoeld in afdeling 8 van hoofdstuk VI;]1
[2 j) aan de in artikel twee bedoelde werknemers, behalve de in punt 35° bedoelde werknemers.]2
Art. 16 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
<AR 2003-02-06/41, art. 6, 009; En vigueur : 01-04-2003> Le permis de travail A est accordé au ressortissant étranger qui justifie, sur une période maximale de dix ans de séjour légal et ininterrompu précédant immédiatement la demande, de quatre années de travail couvertes par un permis B.
Le délai de quatre années de travail prévu au 1er alinéa est réduit à trois années pour les ressortissants des pays avec lesquels la Belgique est liée par des conventions ou des accords internationaux en matière d'occupation de travailleurs.
Le délai de quatre années de travail prévu au 1er alinéa et le délai de trois années de travail prévu en deuxième alinéa sont respectivement réduits d'une année si le conjoint ou les enfants du ressortissant étranger séjournent légalement avec lui.
Pour l'application des alinéas précédents, sont assimilées à des périodes de travail, les périodes d'incapacité totale de travail résultant d'une maladie professionnelle, d'un accident du travail ou d'un accident survenu sur le chemin du travail [2 , les périodes de protection de la maternité visées au chapitre IV de la loi du 16 mars 1971 sur le travail pour autant que l'intéressé bénéficie d'une indemnité de maternité au sens de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 et le congé de naissance visé à l'article 30, § 2 de la loi du 3 juillet 1978 sur le contrat de travail,]2 alors que l'intéressé était occupé régulièrement par un employeur établi en Belgique.
Le séjour est réputé ininterrompu :
a) si l'interruption entre deux périodes successives de séjour n'est pas supérieure à un an;
b) si l'absence résulte des obligations militaires à condition que le travailleur soit rentré en Belgique au plus tard soixante jours après l'accomplissement de la période de service.
Ne sont pas prises en considération les années de travail couvertes par des permis de travail accordes :
a) aux techniciens spécialisés visés à l'article 9, alinéa 1er, 9°;
b) aux stagiaires visés à la section 1re du chapitre VI;
c) aux jeunes au pair visés à la section 2 du chapitre VI;
d) à des travailleurs qui restent liés par contrat de travail avec un employeur établi à l'étranger;
e) pour travailler comme chercheur ou professeur invité dans une université, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu;
f) [2 aux travailleurs saisonniers, visés à la section 4 du chapitre VI]2;
g) sur base de l'article 9, alinéa 1er, 16° ou 17°.
(h) aux travailleurs qui suivent une formation sur base de l'article 9, alin» ea 1er, 18° et 19°.) <AR 2007-09-12/35, art. 5, 017; En vigueur : 08-10-2007>
[1 i) aux volontaires visés à la section 8 du chapitre VI.]1
[2 j) aux travailleurs visés à l'article 2, à l'exception des travailleurs visés au point 35°.]2
<AR 2003-02-06/41, art. 6, 009; En vigueur : 01-04-2003> Le permis de travail A est accordé au ressortissant étranger qui justifie, sur une période maximale de dix ans de séjour légal et ininterrompu précédant immédiatement la demande, de quatre années de travail couvertes par un permis B.
Le délai de quatre années de travail prévu au 1er alinéa est réduit à trois années pour les ressortissants des pays avec lesquels la Belgique est liée par des conventions ou des accords internationaux en matière d'occupation de travailleurs.
Le délai de quatre années de travail prévu au 1er alinéa et le délai de trois années de travail prévu en deuxième alinéa sont respectivement réduits d'une année si le conjoint ou les enfants du ressortissant étranger séjournent légalement avec lui.
Pour l'application des alinéas précédents, sont assimilées à des périodes de travail, les périodes d'incapacité totale de travail résultant d'une maladie professionnelle, d'un accident du travail ou d'un accident survenu sur le chemin du travail [2 , les périodes de protection de la maternité visées au chapitre IV de la loi du 16 mars 1971 sur le travail pour autant que l'intéressé bénéficie d'une indemnité de maternité au sens de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 et le congé de naissance visé à l'article 30, § 2 de la loi du 3 juillet 1978 sur le contrat de travail,]2 alors que l'intéressé était occupé régulièrement par un employeur établi en Belgique.
Le séjour est réputé ininterrompu :
a) si l'interruption entre deux périodes successives de séjour n'est pas supérieure à un an;
b) si l'absence résulte des obligations militaires à condition que le travailleur soit rentré en Belgique au plus tard soixante jours après l'accomplissement de la période de service.
Ne sont pas prises en considération les années de travail couvertes par des permis de travail accordes :
a) aux techniciens spécialisés visés à l'article 9, alinéa 1er, 9°;
b) aux stagiaires visés à la section 1re du chapitre VI;
c) aux jeunes au pair visés à la section 2 du chapitre VI;
d) à des travailleurs qui restent liés par contrat de travail avec un employeur établi à l'étranger;
e) pour travailler comme chercheur ou professeur invité dans une université, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu;
f) [2 aux travailleurs saisonniers, visés à la section 4 du chapitre VI]2;
g) sur base de l'article 9, alinéa 1er, 16° ou 17°.
(h) aux travailleurs qui suivent une formation sur base de l'article 9, alin» ea 1er, 18° et 19°.) <AR 2007-09-12/35, art. 5, 017; En vigueur : 08-10-2007>
[1 i) aux volontaires visés à la section 8 du chapitre VI.]1
[2 j) aux travailleurs visés à l'article 2, à l'exception des travailleurs visés au point 35°.]2
Afdeling 3. - De arbeidskaart C.
Section 3. - Le permis de travail C.
Afdeling 3. BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Procedure voor de toelating tot arbeid die deel uitmaakt van een procedure om de gecombineerde vergunning of een andere verblijfstitel te verkrijgen met het oog op werk voor een periode van meer dan negentig dagen.]1
Section 3. REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.[1 Procédure d'autorisation au travail qui s'inscrit dans la procédure d'obtention du permis unique ou d'un autre titre de séjour en vue de travailler pour une période de plus de nonante jours.]1
Afdeling 3. VLAAMS_GEWEST. [1 - Procedure voor de toelating tot arbeid die deel uitmaakt van een procedure om de gecombineerde vergunning, de Europese blauwe kaart of een andere verblijfstitel te verkrijgen met het oog op werk voor een periode van meer dan negentig dagen.]1
Section 3. REGION_FLAMANDE. [1 Procédure d'admission à l'emploi dans le cadre d'une procédure d'obtention du permis combiné, de la carte bleue européenne ou d'un autre permis de séjour aux fins de travail pour une période de plus de 90 jours.]1
Afdeling 3. DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Procedure voor de toelating tot arbeid die deel uitmaakt van een procedure om een gecombineerde vergunning, een Europese blauwe kaart of een andere verblijfstitel te verkrijgen met het oog op werk en die de onderdaan van een derde land de mogelijkheid biedt voor een periode van meer dan negentig dagen te werken]1
Section 3. COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Procédure d'obtention d'une autorisation de travail, qui s'inscrit dans la procédure d'obtention du permis unique, d'une carte bleue européenne ou d'un autre titre de séjour en vue de travailler et qui autorise un ressortissant d'un pays tiers à travailler pour une période de plus de nonante jours.]1
Art. 17. [1 De arbeidskaart C wordt toegekend :
1° a) aan de buitenlandse onderdanen die een asielaanvraag hebben ingediend na 31 mei 2007 en die [4 vier maanden]4 na hun asielaanvraag nog geen betekening van de beslissing hebben gekregen van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen totdat een beslissing wordt betekend door deze laatste, of, in geval van beroep, totdat een beslissing wordt betekend door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.;
b) aan de buitenlandse onderdanen die een asielaanvraag hebben ingediend vóór 1 juni 2007, waarvan de aanvraag ontvankelijk werd verklaard of waarover nog geen beslissing werd betekend met betrekking tot de ontvankelijkheid, tot wanneer een beslissing wordt betekend inzake de gegrondheid van hun aanvraag tot erkenning als vluchteling door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen of, in geval van beroep, door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen;
2° aan de buitenlandse onderdanen die erkend zijn voor de subsidiaire beschermingsstatus gedurende de periode waarbinnen hun verblijf is beperkt;
3° aan de buitenlandse onderdanen die, in het kader van de strijd tegen de mensenhandel, een verblijfsvergunning hebben ontvangen in toepassing van artikel 110bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
4° aan de buitenlandse onderdanen die tot een verblijf gemachtigd werden in toepassing van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit zijn van een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
5° aan de buitenlandse onderdanen die tot een verblijf gemachtigd werden in toepassing van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980, voorzover de verlenging van de machtiging tot verblijf afhankelijk wordt gemaakt van tewerkstelling, behalve als het buitenlandse onderdanen betreft die een verblijfsvergunning toegekend kregen nadat een werkgever in België voor hen een aanvraag om arbeidsvergunning had ingediend;
6° aan de buitenlandse onderdanen die het voorrecht inroepen van een recht op verblijf op basis van artikel 10 van de wet van 15 december 1980 of van een recht op verblijfsvergunning op basis van artikel 10bis van dezelfde wet, tijdens de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het verblijfsrecht alsook tijdens het beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, met uitzondering van de :
- familieleden van buitenlandse onderdanen wier verblijf beperkt is tot de duur van een arbeidskaart of van een beroepskaart of van de uitoefening van een zelfstandige activiteit,
- familieleden van buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 2, 1e lid, 4° (behalve als het onderdanen zijn van een land dat met België verbonden is door een akkoord van wederkerigheid), 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25 en 26° [2 en 34°]2,
- familieleden van een student;
7° aan de buitenlandse onderdanen die een definitieve gunstige beslissing hebben verkregen betreffende een verblijfsrecht op basis van artikel 10 van de wet van 15 december 1980 of betreffende een verblijfsvergunning op basis van artikel 10bis van de voorvermelde wet met uitzondering van de :
- familieleden van buitenlandse onderdanen wier verblijf beperkt is tot de duur van een arbeidskaart of van een beroepskaart of van de uitoefening van een zelfstandige activiteit,
- familieleden van buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 2, 1e lid, 4° (behalve als het onderdanen zijn van een land dat met België verbonden is door een akkoord van wederkerigheid) 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° en 26° [2 en 34°]2,
- familieleden van een student;
8° aan de personen die een recht op verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België voor arbeidsprestaties buiten de schoolvakanties, voor zover hun tewerkstelling twintig uren per week niet overschrijdt en deze verenigbaar is met hun studies;
9° aan de echtgenoot en aan de kinderen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt van diplomaten en consuls alsook de echtgenoot van andere titularissen van een bijzondere verblijfstitel indien zij onderdaan zijn van een land waarmee België verbonden is via een wederkerigheidsakkoord;
10° aan de personen die gemachtigd werden te verblijven als begunstigden van de tijdelijke bescherming bedoeld bij artikel 57/29 van de wet van 15 december 1980 door de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheden heeft of door diens gemachtigde.]1
[3 De arbeidskaart C is geldig ten aanzien van buitenlandse onderdanen die aan de voorwaarden voldoen bedoeld in het eerste lid, maar die tijdelijk in het bezit zijn van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, omdat zij in afwachting zijn van de afgifte van het verblijfsdocument.
Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de Minister de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]3
1° a) aan de buitenlandse onderdanen die een asielaanvraag hebben ingediend na 31 mei 2007 en die [4 vier maanden]4 na hun asielaanvraag nog geen betekening van de beslissing hebben gekregen van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen totdat een beslissing wordt betekend door deze laatste, of, in geval van beroep, totdat een beslissing wordt betekend door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.;
b) aan de buitenlandse onderdanen die een asielaanvraag hebben ingediend vóór 1 juni 2007, waarvan de aanvraag ontvankelijk werd verklaard of waarover nog geen beslissing werd betekend met betrekking tot de ontvankelijkheid, tot wanneer een beslissing wordt betekend inzake de gegrondheid van hun aanvraag tot erkenning als vluchteling door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen of, in geval van beroep, door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen;
2° aan de buitenlandse onderdanen die erkend zijn voor de subsidiaire beschermingsstatus gedurende de periode waarbinnen hun verblijf is beperkt;
3° aan de buitenlandse onderdanen die, in het kader van de strijd tegen de mensenhandel, een verblijfsvergunning hebben ontvangen in toepassing van artikel 110bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
4° aan de buitenlandse onderdanen die tot een verblijf gemachtigd werden in toepassing van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980, die in het bezit zijn van een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister;
5° aan de buitenlandse onderdanen die tot een verblijf gemachtigd werden in toepassing van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980, voorzover de verlenging van de machtiging tot verblijf afhankelijk wordt gemaakt van tewerkstelling, behalve als het buitenlandse onderdanen betreft die een verblijfsvergunning toegekend kregen nadat een werkgever in België voor hen een aanvraag om arbeidsvergunning had ingediend;
6° aan de buitenlandse onderdanen die het voorrecht inroepen van een recht op verblijf op basis van artikel 10 van de wet van 15 december 1980 of van een recht op verblijfsvergunning op basis van artikel 10bis van dezelfde wet, tijdens de periode van onderzoek van de aanvraag tot erkenning van het verblijfsrecht alsook tijdens het beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, met uitzondering van de :
- familieleden van buitenlandse onderdanen wier verblijf beperkt is tot de duur van een arbeidskaart of van een beroepskaart of van de uitoefening van een zelfstandige activiteit,
- familieleden van buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 2, 1e lid, 4° (behalve als het onderdanen zijn van een land dat met België verbonden is door een akkoord van wederkerigheid), 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25 en 26° [2 en 34°]2,
- familieleden van een student;
7° aan de buitenlandse onderdanen die een definitieve gunstige beslissing hebben verkregen betreffende een verblijfsrecht op basis van artikel 10 van de wet van 15 december 1980 of betreffende een verblijfsvergunning op basis van artikel 10bis van de voorvermelde wet met uitzondering van de :
- familieleden van buitenlandse onderdanen wier verblijf beperkt is tot de duur van een arbeidskaart of van een beroepskaart of van de uitoefening van een zelfstandige activiteit,
- familieleden van buitenlandse onderdanen bedoeld in artikel 2, 1e lid, 4° (behalve als het onderdanen zijn van een land dat met België verbonden is door een akkoord van wederkerigheid) 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° en 26° [2 en 34°]2,
- familieleden van een student;
8° aan de personen die een recht op verblijf hebben om studies te volgen in België in een onderwijsinrichting in België voor arbeidsprestaties buiten de schoolvakanties, voor zover hun tewerkstelling twintig uren per week niet overschrijdt en deze verenigbaar is met hun studies;
9° aan de echtgenoot en aan de kinderen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt van diplomaten en consuls alsook de echtgenoot van andere titularissen van een bijzondere verblijfstitel indien zij onderdaan zijn van een land waarmee België verbonden is via een wederkerigheidsakkoord;
10° aan de personen die gemachtigd werden te verblijven als begunstigden van de tijdelijke bescherming bedoeld bij artikel 57/29 van de wet van 15 december 1980 door de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheden heeft of door diens gemachtigde.]1
[3 De arbeidskaart C is geldig ten aanzien van buitenlandse onderdanen die aan de voorwaarden voldoen bedoeld in het eerste lid, maar die tijdelijk in het bezit zijn van een document overeenkomstig de bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, omdat zij in afwachting zijn van de afgifte van het verblijfsdocument.
Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de Minister de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]3
Art. 17. [1 Le permis de travail C est accordé :
1° a) aux ressortissants étrangers ayant introduit une demande d'asile après le 31 mai 2007 et qui, [4 quatre mois]4 après avoir introduit leur demande d'asile, n'ont pas reçu notification de la décision du Commissaire général aux Réfugiés et aux Apatrides, jusqu'à ce qu'une décision soit notifiée par celui-ci ou, en cas de recours, jusqu'à ce qu'une décision soit notifiée par le Conseil du Contentieux des Etrangers;
b) aux ressortissants étrangers ayant introduit une demande d'asile avant le 1er juin 2007, dont la demande a été jugée recevable ou n'a pas fait l'objet d'une décision quant à sa recevabilité, jusqu'à ce qu'une décision soit notifiée quant au bien-fondé de leur demande de reconnaissance de la qualité de réfugié par le Commissaire général aux Réfugiés et aux Apatrides ou, en cas de recours, par le Conseil du Contentieux des Etrangers;
2° aux ressortissants étrangers bénéficiant du statut de protection subsidiaire durant la période pendant laquelle leur séjour est limité;
3° aux ressortissants étrangers qui, dans le cadre des mesures de la lutte contre la traite des êtres humains, se sont vus délivrer un titre de séjour, en application de l'article 110bis de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
4° aux ressortissants étrangers autorisés au séjour, en application de l'article 9ter de la loi du 15 décembre 1980, qui sont en possession d'un certificat d'inscription au registre des étrangers;
5° aux ressortissants étrangers autorisés au séjour en application de l'article 9bis de la loi du 15 décembre 1980, pour autant que la prolongation de l'autorisation de séjour soit soumise à la condition d'occuper un emploi, sauf s'il s'agit de ressortissants étrangers pour lesquels l'autorisation de séjour a été accordée après qu'un employeur en Belgique ait introduit pour eux une demande d'autorisation d'occupation;
6° aux ressortissants étrangers invoquant le bénéfice d'un droit de séjour sur la base de l'article 10 de la loi du 15 décembre 1980 ou d'un droit à l'autorisation de séjour sur base de l'article 10bis de la loi précitée, pendant la période d'examen de la demande de reconnaissance du droit de séjour ainsi que durant le recours devant le Conseil du Contentieux des étrangers, à l'exception des :
- membres de la famille de ressortissants étrangers dont le séjour est limité à la durée d'un permis de travail ou d'une carte professionnelle ou de l'exercice d'une activité indépendante,
- membres de la famille de ressortissants étrangers visés à l'article 2, alinéa 1er, 4° (sauf s'ils sont ressortissants d'un pays lié avec la Belgique par un accord de réciprocité), 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25 [2 , 26° et 34°]2,
- membres de la famille d'un étudiant;
7°. aux ressortissants étrangers ayant obtenu une décision définitive favorable quant à un droit de séjour sur la base de l'article 10 de la loi du 15 décembre 1980 ou quant à une autorisation de séjour sur base de l'article 10bis de loi précitée à l'exception des :
- membres de la famille de ressortissants étrangers dont le séjour est limité à la durée d'un permis de travail ou d'une carte professionnelle ou de l'exercice d'une activité indépendante,
- membres de la famille de ressortissants étrangers visés à l'article 2, alinéa 1er, 4° (sauf s'ils sont ressortissants d'un pays lié avec la Belgique par un accord de réciprocité) 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [2 , 26° et 34°]2,
- membres de la famille d'un étudiant;
8° aux personnes autorisées au séjour aux fins d'études en Belgique qui sont inscrites dans un établissement d'enseignement en Belgique pour des prestations le travail en dehors des vacances scolaires, pour autant que leur occupation n'excède pas vingt heures par semaine et qu'elle soit compatible avec leurs études;
9° au conjoint et les enfants âgés de moins de dix-huit ans des agents diplomatiques et consulaires ainsi que les conjoints des autres titulaires d'un titre de séjour spécial s'ils sont ressortissants d'un pays lié avec la Belgique par un accord de réciprocité;
10° aux personnes autorisées à séjourner en tant que bénéficiaires de la protection temporaire visée à l'article 57/29 de la loi du 15 décembre 1980 par le Ministre qui a l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers dans ses compétences, ou par son délégué.]1
[3 Le permis de travail C est valable à l'égard des ressortissants étrangers qui remplissent les conditions visées à l'alinéa 1er mais qui, temporairement, sont en possession d'un document établi conformément à l'annexe 15 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers car ils sont en attente de la délivrance du document de séjour.
Afin de se conformer à des modifications intervenues, quant à la dénomination des titres et documents de séjour, dans la loi du 15 décembre 1980 et dans l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement, et l'éloignement des étrangers, le Ministre peut adapter la dénomination des titres et documents de séjour visés par le présent article.]3
1° a) aux ressortissants étrangers ayant introduit une demande d'asile après le 31 mai 2007 et qui, [4 quatre mois]4 après avoir introduit leur demande d'asile, n'ont pas reçu notification de la décision du Commissaire général aux Réfugiés et aux Apatrides, jusqu'à ce qu'une décision soit notifiée par celui-ci ou, en cas de recours, jusqu'à ce qu'une décision soit notifiée par le Conseil du Contentieux des Etrangers;
b) aux ressortissants étrangers ayant introduit une demande d'asile avant le 1er juin 2007, dont la demande a été jugée recevable ou n'a pas fait l'objet d'une décision quant à sa recevabilité, jusqu'à ce qu'une décision soit notifiée quant au bien-fondé de leur demande de reconnaissance de la qualité de réfugié par le Commissaire général aux Réfugiés et aux Apatrides ou, en cas de recours, par le Conseil du Contentieux des Etrangers;
2° aux ressortissants étrangers bénéficiant du statut de protection subsidiaire durant la période pendant laquelle leur séjour est limité;
3° aux ressortissants étrangers qui, dans le cadre des mesures de la lutte contre la traite des êtres humains, se sont vus délivrer un titre de séjour, en application de l'article 110bis de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
4° aux ressortissants étrangers autorisés au séjour, en application de l'article 9ter de la loi du 15 décembre 1980, qui sont en possession d'un certificat d'inscription au registre des étrangers;
5° aux ressortissants étrangers autorisés au séjour en application de l'article 9bis de la loi du 15 décembre 1980, pour autant que la prolongation de l'autorisation de séjour soit soumise à la condition d'occuper un emploi, sauf s'il s'agit de ressortissants étrangers pour lesquels l'autorisation de séjour a été accordée après qu'un employeur en Belgique ait introduit pour eux une demande d'autorisation d'occupation;
6° aux ressortissants étrangers invoquant le bénéfice d'un droit de séjour sur la base de l'article 10 de la loi du 15 décembre 1980 ou d'un droit à l'autorisation de séjour sur base de l'article 10bis de la loi précitée, pendant la période d'examen de la demande de reconnaissance du droit de séjour ainsi que durant le recours devant le Conseil du Contentieux des étrangers, à l'exception des :
- membres de la famille de ressortissants étrangers dont le séjour est limité à la durée d'un permis de travail ou d'une carte professionnelle ou de l'exercice d'une activité indépendante,
- membres de la famille de ressortissants étrangers visés à l'article 2, alinéa 1er, 4° (sauf s'ils sont ressortissants d'un pays lié avec la Belgique par un accord de réciprocité), 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25 [2 , 26° et 34°]2,
- membres de la famille d'un étudiant;
7°. aux ressortissants étrangers ayant obtenu une décision définitive favorable quant à un droit de séjour sur la base de l'article 10 de la loi du 15 décembre 1980 ou quant à une autorisation de séjour sur base de l'article 10bis de loi précitée à l'exception des :
- membres de la famille de ressortissants étrangers dont le séjour est limité à la durée d'un permis de travail ou d'une carte professionnelle ou de l'exercice d'une activité indépendante,
- membres de la famille de ressortissants étrangers visés à l'article 2, alinéa 1er, 4° (sauf s'ils sont ressortissants d'un pays lié avec la Belgique par un accord de réciprocité) 6°, 7°, 12°, 14°, 15°, 25° [2 , 26° et 34°]2,
- membres de la famille d'un étudiant;
8° aux personnes autorisées au séjour aux fins d'études en Belgique qui sont inscrites dans un établissement d'enseignement en Belgique pour des prestations le travail en dehors des vacances scolaires, pour autant que leur occupation n'excède pas vingt heures par semaine et qu'elle soit compatible avec leurs études;
9° au conjoint et les enfants âgés de moins de dix-huit ans des agents diplomatiques et consulaires ainsi que les conjoints des autres titulaires d'un titre de séjour spécial s'ils sont ressortissants d'un pays lié avec la Belgique par un accord de réciprocité;
10° aux personnes autorisées à séjourner en tant que bénéficiaires de la protection temporaire visée à l'article 57/29 de la loi du 15 décembre 1980 par le Ministre qui a l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers dans ses compétences, ou par son délégué.]1
[3 Le permis de travail C est valable à l'égard des ressortissants étrangers qui remplissent les conditions visées à l'alinéa 1er mais qui, temporairement, sont en possession d'un document établi conformément à l'annexe 15 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers car ils sont en attente de la délivrance du document de séjour.
Afin de se conformer à des modifications intervenues, quant à la dénomination des titres et documents de séjour, dans la loi du 15 décembre 1980 et dans l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement, et l'éloignement des étrangers, le Ministre peut adapter la dénomination des titres et documents de séjour visés par le présent article.]3
Art. 17_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 § 1. De bepalingen van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 gelden onverminderd de toepassing van:
1° hoofdstuk II en III, hoofdstuk IV, afdeling 1, 1bis en 2, hoofdstuk V, hoofdstuk VI, [2 afdelingen 1, 3, 4, 5, 6, 7 en 8]2, hoofdstuk VII met uitzondering van artikel 31, tweede lid, en hoofdstuk VIII tot en met XI;
2° het koninklijk besluit van 7 oktober 2009 houdende bijzondere bepalingen met betrekking tot de tewerkstelling van sommige categorieën van buitenlandse werknemers.
§ 2. De bepalingen van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 zijn niet van toepassing op aanvragen op basis van artikel 2, eerste lid, 14°, [3 en als het gaat om een aanvraag voor korte-termijnmobiliteit zoals bedoeld in artikel 37, 9° van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, op basis van artikel 2, eerste lid, 26° ]3 van dit besluit.]1
[2 § 3. De onderdaan van een derde land die wordt toegelaten tot arbeid voor een termijn van maximaal negentig dagen en die zijn verblijfstermijn wenst te verlengen om te werken, zodat de gehele duur negentig dagen overstijgt, dient een verzoek in overeenkomstig de procedure bedoeld in deze afdeling.]2
1° hoofdstuk II en III, hoofdstuk IV, afdeling 1, 1bis en 2, hoofdstuk V, hoofdstuk VI, [2 afdelingen 1, 3, 4, 5, 6, 7 en 8]2, hoofdstuk VII met uitzondering van artikel 31, tweede lid, en hoofdstuk VIII tot en met XI;
2° het koninklijk besluit van 7 oktober 2009 houdende bijzondere bepalingen met betrekking tot de tewerkstelling van sommige categorieën van buitenlandse werknemers.
§ 2. De bepalingen van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 zijn niet van toepassing op aanvragen op basis van artikel 2, eerste lid, 14°, [3 en als het gaat om een aanvraag voor korte-termijnmobiliteit zoals bedoeld in artikel 37, 9° van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, op basis van artikel 2, eerste lid, 26° ]3 van dit besluit.]1
[2 § 3. De onderdaan van een derde land die wordt toegelaten tot arbeid voor een termijn van maximaal negentig dagen en die zijn verblijfstermijn wenst te verlengen om te werken, zodat de gehele duur negentig dagen overstijgt, dient een verzoek in overeenkomstig de procedure bedoeld in deze afdeling.]2
Art. 17 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 § 1er. Les dispositions du chapitre IV de l'accord de coopération du 2 février 2018 s'appliquent sans préjudice des dispositions :
1° des chapitres II et III, des sections 1, 1bis et 2 du chapitre IV, du chapitre V, des [2 sections 1, 3, 4, 5, 6, 7 et 8]2 du chapitre VI, du chapitre VII à l'exception de l'article 31, alinéa 2 et des chapitres VIII à XI inclus ;
2° de l'arrêté royal du 7 octobre 2009 portant des dispositions particulières relatives à l'occupation de certaines catégories de travailleurs étrangers.
§ 2. Les dispositions du chapitre IV de l'accord de coopération du 2 février 2018 ne sont pas d'application aux demandes formulées sur base de l'article 2, alinéa 1er, 14° [3 et, lorsqu'il s'agit d'une demande de mobilité de courte durée visée à l'article 37, 9° de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018, à l'article 2, alinéa 1er, 26°]3 du présent arrêté.]1
[2 § 3. Le ressortissant d'un pays tiers qui est admis au travail pour une période maximale de nonante jours et qui souhaite prolonger la durée de son séjour à des fins de travail, de sorte que la durée totale dépasse nonante jours, introduit une demande conformément à la procédure visée à la présente section.]2
[1 § 1er. Les dispositions du chapitre IV de l'accord de coopération du 2 février 2018 s'appliquent sans préjudice des dispositions :
1° des chapitres II et III, des sections 1, 1bis et 2 du chapitre IV, du chapitre V, des [2 sections 1, 3, 4, 5, 6, 7 et 8]2 du chapitre VI, du chapitre VII à l'exception de l'article 31, alinéa 2 et des chapitres VIII à XI inclus ;
2° de l'arrêté royal du 7 octobre 2009 portant des dispositions particulières relatives à l'occupation de certaines catégories de travailleurs étrangers.
§ 2. Les dispositions du chapitre IV de l'accord de coopération du 2 février 2018 ne sont pas d'application aux demandes formulées sur base de l'article 2, alinéa 1er, 14° [3 et, lorsqu'il s'agit d'une demande de mobilité de courte durée visée à l'article 37, 9° de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018, à l'article 2, alinéa 1er, 26°]3 du présent arrêté.]1
[2 § 3. Le ressortissant d'un pays tiers qui est admis au travail pour une période maximale de nonante jours et qui souhaite prolonger la durée de son séjour à des fins de travail, de sorte que la durée totale dépasse nonante jours, introduit une demande conformément à la procédure visée à la présente section.]2
Art. 17_VLAAMS_GEWEST. [1 Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven.]1
Art. 17 _REGION_FLAMANDE.
[1 Cette section prévoit la transposition partielle de la directive 2011/98/UE du Parlement européen et du Conseil du 13 décembre 2011 établissant une procédure de demande unique en vue de la délivrance d'un permis combiné autorisant les ressortissants de pays tiers à résider et à travailler sur le territoire d'un Etat membre et établissant un socle commun de droits pour les travailleurs issus de pays tiers résidant légalement dans un Etat membre.]1
[1 Cette section prévoit la transposition partielle de la directive 2011/98/UE du Parlement européen et du Conseil du 13 décembre 2011 établissant une procédure de demande unique en vue de la délivrance d'un permis combiné autorisant les ressortissants de pays tiers à résider et à travailler sur le territoire d'un Etat membre et établissant un socle commun de droits pour les travailleurs issus de pays tiers résidant légalement dans un Etat membre.]1
Wijzigingen
Art. 17 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven.]1
[1 Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven.]1
Art. 17 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Cette section transpose partiellement la directive 2011/98/UE du Parlement européen et du Conseil du 13 décembre 2011 établissant une procédure de demande unique en vue de la délivrance d'un permis unique autorisant les ressortissants de pays tiers à résider et à travailler sur le territoire d'un Etat membre et établissant un socle commun de droits pour les travailleurs issus de pays tiers qui résident légalement dans un Etat membre.]1
[1 Cette section transpose partiellement la directive 2011/98/UE du Parlement européen et du Conseil du 13 décembre 2011 établissant une procédure de demande unique en vue de la délivrance d'un permis unique autorisant les ressortissants de pays tiers à résider et à travailler sur le territoire d'un Etat membre et établissant un socle commun de droits pour les travailleurs issus de pays tiers qui résident légalement dans un Etat membre.]1
Wijzigingen
Art. 17/1 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De bepalingen van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord gelden met behoud van de toepassing van :
1° [2 hoofdstuk II en III, hoofdstuk IV, afdeling 1 en afdeling 2, hoofdstuk V, hoofdstuk VI, afdeling 1 en afdeling 3 tot 8, hoofdstuk VII, met uitzondering van artikel 31, tweede lid, en hoofdstuk VIII tot XI;]2
2° het koninklijk besluit van 7 oktober 2009 houdende bijzondere bepalingen met betrekking tot de tewerkstelling van sommige categorieën van buitenlandse werknemers.
De bepalingen van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord zijn niet van toepassing op aanvragen op basis van artikel 2, eerste lid, 14°, [2 en - in geval van een kortetermijnmobiliteit vermeld in artikel 37, 9°, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 - op basis van artikel 2, eerste lid, 26°]2]1
[2 Onderdanen van een derde land die hoogstens negentig dagen met het oog op werk toegelaten zijn en die hun verblijf met het oog op werk verlengen waardoor de totale duur meer dan negentig dagen bedraagt, dienen een aanvraag in overeenkomstig de procedure vastgelegd in deze afdeling.]2
[1 De bepalingen van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord gelden met behoud van de toepassing van :
1° [2 hoofdstuk II en III, hoofdstuk IV, afdeling 1 en afdeling 2, hoofdstuk V, hoofdstuk VI, afdeling 1 en afdeling 3 tot 8, hoofdstuk VII, met uitzondering van artikel 31, tweede lid, en hoofdstuk VIII tot XI;]2
2° het koninklijk besluit van 7 oktober 2009 houdende bijzondere bepalingen met betrekking tot de tewerkstelling van sommige categorieën van buitenlandse werknemers.
De bepalingen van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord zijn niet van toepassing op aanvragen op basis van artikel 2, eerste lid, 14°, [2 en - in geval van een kortetermijnmobiliteit vermeld in artikel 37, 9°, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 - op basis van artikel 2, eerste lid, 26°]2]1
[2 Onderdanen van een derde land die hoogstens negentig dagen met het oog op werk toegelaten zijn en die hun verblijf met het oog op werk verlengen waardoor de totale duur meer dan negentig dagen bedraagt, dienen een aanvraag in overeenkomstig de procedure vastgelegd in deze afdeling.]2
Art. 17.1 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Les dispositions du chapitre IV de l'accord de coopération s'appliquent sans préjudice des dispositions :
1° [2 des chapitres II et III, du chapitre IV, sections 1re et 2, du chapitre V, du chapitre VI, sections 1re et 3 à 8, du chapitre VII, à l'exception de l'article 31, alinéa 2, et des chapitres VIII à XI;]2
2° de l'arrêté royal du 7 octobre 2009 portant des dispositions particulières relatives à l'occupation de certaines catégories de travailleurs étrangers.
Les dispositions du chapitre IV de l'accord de coopération ne s'appliquent pas aux demandes mentionnées à l'article 2, alinéa 1er, 14° [2 et, lorsqu'il s'agit d'une demande de mobilité de courte durée mentionnée à l'article 37, 9°, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018, aux demandes mentionnées à l'article 2, alinéa 1er, 26°]2.]1
[2 Les ressortissants d'un pays tiers qui sont autorisés en vue de travailler pour nonante jours au plus et qui prolongent leur séjour dans le même but de sorte que la durée totale dépasse les nonante jours, introduisent une demande conformément à la procédure fixée dans la présente section.]2
[1 Les dispositions du chapitre IV de l'accord de coopération s'appliquent sans préjudice des dispositions :
1° [2 des chapitres II et III, du chapitre IV, sections 1re et 2, du chapitre V, du chapitre VI, sections 1re et 3 à 8, du chapitre VII, à l'exception de l'article 31, alinéa 2, et des chapitres VIII à XI;]2
2° de l'arrêté royal du 7 octobre 2009 portant des dispositions particulières relatives à l'occupation de certaines catégories de travailleurs étrangers.
Les dispositions du chapitre IV de l'accord de coopération ne s'appliquent pas aux demandes mentionnées à l'article 2, alinéa 1er, 14° [2 et, lorsqu'il s'agit d'une demande de mobilité de courte durée mentionnée à l'article 37, 9°, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018, aux demandes mentionnées à l'article 2, alinéa 1er, 26°]2.]1
[2 Les ressortissants d'un pays tiers qui sont autorisés en vue de travailler pour nonante jours au plus et qui prolongent leur séjour dans le même but de sorte que la durée totale dépasse les nonante jours, introduisent une demande conformément à la procédure fixée dans la présente section.]2
Art. 17/1_VLAAMS_GEWEST. [1 § 1. De bepalingen van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 gelden met behoud van de toepassing van :
1° hoofdstuk II en III, hoofdstuk IV, afdeling 1, 1bis en 2, hoofdstuk V, hoofdstuk VI, afdeling 1 en 3, hoofdstuk VII, met uitzondering van artikel 31, tweede lid, en hoofdstuk VIII tot en met XI van dit besluit;
2° het koninklijk besluit van 7 oktober 2009 houdende bijzondere bepalingen met betrekking tot de tewerkstelling van sommige categorieën van buitenlandse werknemers.
§ 2. De bepalingen van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 zijn niet van toepassing op aanvragen op basis van artikel 2, eerste lid, 14°, van dit besluit.]1
1° hoofdstuk II en III, hoofdstuk IV, afdeling 1, 1bis en 2, hoofdstuk V, hoofdstuk VI, afdeling 1 en 3, hoofdstuk VII, met uitzondering van artikel 31, tweede lid, en hoofdstuk VIII tot en met XI van dit besluit;
2° het koninklijk besluit van 7 oktober 2009 houdende bijzondere bepalingen met betrekking tot de tewerkstelling van sommige categorieën van buitenlandse werknemers.
§ 2. De bepalingen van hoofdstuk IV van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 zijn niet van toepassing op aanvragen op basis van artikel 2, eerste lid, 14°, van dit besluit.]1
Art. 17/1 _REGION_FLAMANDE.
[1 § 1er. Les dispositions du chapitre IV de l'accord de coopération du 2 février 2018 s'appliquent sans préjudice de l'application :
1° des chapitres II et III, du chapitre IV, section 1ère, 1bis et 2, du chapitre V, du chapitre VI, sections 1 et 3, du chapitre VII, à l'exception de l'article 31, deuxième alinéa, et des chapitres VIII à XI du présent arrêté ;
2° de l'arrêté royal du 7 octobre 2009 portant des dispositions particulières relatives à l'occupation de certaines catégories de travailleurs étrangers.
§ 2. Les dispositions du chapitre IV de l'accord de coopération du 2 février 2018 ne s'appliquent pas aux demandes fondées sur l'article 2, alinéa premier, 14° du présent arrêté.]1
[1 § 1er. Les dispositions du chapitre IV de l'accord de coopération du 2 février 2018 s'appliquent sans préjudice de l'application :
1° des chapitres II et III, du chapitre IV, section 1ère, 1bis et 2, du chapitre V, du chapitre VI, sections 1 et 3, du chapitre VII, à l'exception de l'article 31, deuxième alinéa, et des chapitres VIII à XI du présent arrêté ;
2° de l'arrêté royal du 7 octobre 2009 portant des dispositions particulières relatives à l'occupation de certaines catégories de travailleurs étrangers.
§ 2. Les dispositions du chapitre IV de l'accord de coopération du 2 février 2018 ne s'appliquent pas aux demandes fondées sur l'article 2, alinéa premier, 14° du présent arrêté.]1
Art. 18. <KB 2003-02-06/41, art. 7, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> De maximale duur van de arbeidskaart C bedraagt een jaar; zij kan worden hernieuwd.
Art. 18. <AR 2003-02-06/41, art. 7, 009; En vigueur : 01-04-2003> Le permis C a une durée maximale d'une année; il peut être renouvelé.
Art. 18_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Voor de tewerkstelling van een werknemer, onderdaan van een derde land, vraagt de werkgever overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling een toelating tot arbeid aan bij Brussel Economie en Werkgelegenheid.
[2 De aanvraag wordt ingediend door middel van een formulier dat Brussel Economie en Werkgelegenheid ter beschikking stelt. Dit aanvraagformulier vermeldt onder meer:
1° de naam, voornaam, rijksregisternummer, geboortedatum, geslacht, nationaliteit, adres, en indien het een rechtspersoon betreft, het ondernemingsnummer of nummer van de exploitatiezetel, naam, rechtsvorm en e-mailadres van de werkgever en, in voorkomend geval, van zijn mandataris, en
2° de naam, voornaam, rijksregisternummer, geboortedatum, geboorteplaats, geslacht, nationaliteit, adres van het wettelijke domicilie, e-mailadres van de werknemer, en indien de werknemer in het buitenland verblijft op het ogenblik van de indiening van de aanvraag de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfsadres in het buitenland, en
3° de gegevens aangaande de tewerkstelling van de werknemer op het grondgebied van het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest.]2
De werkgever en de werknemer, onderdaan van een derde land, vullen de aanvraag naar behoren in, en ondertekenen het gedateerde formulier.
De werkgever treedt op als vertegenwoordiger van de werknemer. De ondertekening door de werknemer en de werkgever van het aanvraagformulier vermeld in het tweede lid, geldt als aanwijzing door de werknemer van de werkgever als vertegenwoordiger in het kader van de procedure tot aanvraag van een gecombineerde vergunning en de aanvaarding door de werkgever van het gegeven mandaat.]1
[2 De aanvraag wordt ingediend door middel van een formulier dat Brussel Economie en Werkgelegenheid ter beschikking stelt. Dit aanvraagformulier vermeldt onder meer:
1° de naam, voornaam, rijksregisternummer, geboortedatum, geslacht, nationaliteit, adres, en indien het een rechtspersoon betreft, het ondernemingsnummer of nummer van de exploitatiezetel, naam, rechtsvorm en e-mailadres van de werkgever en, in voorkomend geval, van zijn mandataris, en
2° de naam, voornaam, rijksregisternummer, geboortedatum, geboorteplaats, geslacht, nationaliteit, adres van het wettelijke domicilie, e-mailadres van de werknemer, en indien de werknemer in het buitenland verblijft op het ogenblik van de indiening van de aanvraag de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfsadres in het buitenland, en
3° de gegevens aangaande de tewerkstelling van de werknemer op het grondgebied van het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest.]2
De werkgever en de werknemer, onderdaan van een derde land, vullen de aanvraag naar behoren in, en ondertekenen het gedateerde formulier.
De werkgever treedt op als vertegenwoordiger van de werknemer. De ondertekening door de werknemer en de werkgever van het aanvraagformulier vermeld in het tweede lid, geldt als aanwijzing door de werknemer van de werkgever als vertegenwoordiger in het kader van de procedure tot aanvraag van een gecombineerde vergunning en de aanvaarding door de werkgever van het gegeven mandaat.]1
Art. 18 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Afin de pouvoir occuper un travailleur, ressortissant d'un pays tiers, l'employeur introduit une demande d'autorisation de travail auprès de Bruxelles Economie et Emploi, et ce, conformément aux dispositions de la présente section.
[2 La demande est introduite au moyen d'un formulaire mis à disposition par Bruxelles Economie et Emploi. Ce formulaire de demande mentionne notamment :
1° les nom, prénom, numéro de registre national, date de naissance, sexe, nationalité, adresse, et s'il s'agit d'une personne morale, le numéro d'entreprise ou de siège d'exploitation, le nom et la forme juridique et l'adresse de courrier électronique de l'employeur, et le cas échéant de son mandataire, et
2° les nom, prénom, numéro de registre national, date et lieu de naissance, sexe, nationalité, adresse de domicile en Belgique et de courrier électronique du travailleur et, si le travailleur réside à l'étranger au moment de l'introduction de la demande, le poste diplomatique ou consulaire compétent pour son adresse de résidence à l'étranger, et
3° les données concernant l'occupation du travailleur sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale.]2
L'employeur et le travailleur ressortissant d'un pays tiers remplissent dûment, datent et signent le formulaire de demande.
L'employeur agit comme représentant du travailleur. La signature par le travailleur et l'employeur ou son mandataire du formulaire de demande visé à l'alinéa 2, vaut désignation, par le travailleur de l'employeur en tant que représentant dans le cadre de la procédure de demande de permis unique et acceptation, par l'employeur, du mandat ainsi confié.]1
[1 Afin de pouvoir occuper un travailleur, ressortissant d'un pays tiers, l'employeur introduit une demande d'autorisation de travail auprès de Bruxelles Economie et Emploi, et ce, conformément aux dispositions de la présente section.
[2 La demande est introduite au moyen d'un formulaire mis à disposition par Bruxelles Economie et Emploi. Ce formulaire de demande mentionne notamment :
1° les nom, prénom, numéro de registre national, date de naissance, sexe, nationalité, adresse, et s'il s'agit d'une personne morale, le numéro d'entreprise ou de siège d'exploitation, le nom et la forme juridique et l'adresse de courrier électronique de l'employeur, et le cas échéant de son mandataire, et
2° les nom, prénom, numéro de registre national, date et lieu de naissance, sexe, nationalité, adresse de domicile en Belgique et de courrier électronique du travailleur et, si le travailleur réside à l'étranger au moment de l'introduction de la demande, le poste diplomatique ou consulaire compétent pour son adresse de résidence à l'étranger, et
3° les données concernant l'occupation du travailleur sur le territoire de la Région de Bruxelles-Capitale.]2
L'employeur et le travailleur ressortissant d'un pays tiers remplissent dûment, datent et signent le formulaire de demande.
L'employeur agit comme représentant du travailleur. La signature par le travailleur et l'employeur ou son mandataire du formulaire de demande visé à l'alinéa 2, vaut désignation, par le travailleur de l'employeur en tant que représentant dans le cadre de la procédure de demande de permis unique et acceptation, par l'employeur, du mandat ainsi confié.]1
Art. 18_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor de tewerkstelling van een werknemer, onderdaan van een derde land, vraagt de werkgever conform de bepalingen van deze afdeling een toelating tot arbeid aan bij de dienst Economische Migratie. De werkgever treedt daarbij op als vertegenwoordiger van de werknemer. De ondertekening van de arbeidsovereenkomst door de werknemer geldt als aanwijzing door de werknemer van de werkgever als zijn vertegenwoordiger.
De aanvraag wordt ingediend met een formulier waarvoor de dienst Economische Migratie een model ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt :
1° de persoonlijke gegevens en het e-mailadres van de werkgever of diens mandataris en van de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor het verblijfsadres van de onderdaan van een derde land als die in het buitenland verblijft op het ogenblik waarop de werkgever de aanvraag indient;
2° de persoonlijke gegevens van de werknemer;
3° de gegevens en de details aangaande de tewerkstelling van de werknemer in het Vlaamse Gewest.
De werkgever vult de aanvraag naar behoren in, en ondertekent het gedateerde formulier.
De ondertekening kan verricht worden via elke elektronische weg die aan de voorwaarden van artikel 1322, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek voldoet.]1
De aanvraag wordt ingediend met een formulier waarvoor de dienst Economische Migratie een model ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt :
1° de persoonlijke gegevens en het e-mailadres van de werkgever of diens mandataris en van de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor het verblijfsadres van de onderdaan van een derde land als die in het buitenland verblijft op het ogenblik waarop de werkgever de aanvraag indient;
2° de persoonlijke gegevens van de werknemer;
3° de gegevens en de details aangaande de tewerkstelling van de werknemer in het Vlaamse Gewest.
De werkgever vult de aanvraag naar behoren in, en ondertekent het gedateerde formulier.
De ondertekening kan verricht worden via elke elektronische weg die aan de voorwaarden van artikel 1322, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek voldoet.]1
Art. 18 _REGION_FLAMANDE.
[1 Pour l'emploi d'un travailleur ressortissant d'un pays tiers, l'employeur demande au service de Migration Economique l'admission au travail conformément aux dispositions de la présente section. L'employeur agit à titre de représentant de l'employé. La signature du contrat de travail par l'employé est considérée comme une instruction de l'employé de l'employeur en tant que son représentant.
La demande doit être soumise en utilisant le formulaire pour lequel un modèle est disponible auprès du service de Migration Economique. Ce formulaire de demande précise :
1° les données personnelles et l'adresse électronique de l'employeur ou de son mandataire et de la représentation diplomatique ou consulaire compétente pour l'adresse de résidence du ressortissant d'un pays tiers s'il réside à l'étranger au moment où l'employeur présente la demande ;
2° les données personnelles du travailleur ;
3° les données et détails concernant l'occupation du salarié en Région flamande.
L'employeur doit dûment remplir la demande et signer le formulaire daté.
La signature peut être effectuée par tout moyen électronique répondant aux conditions de l'article 1322, alinéa 2 du Code civil.]1
[1 Pour l'emploi d'un travailleur ressortissant d'un pays tiers, l'employeur demande au service de Migration Economique l'admission au travail conformément aux dispositions de la présente section. L'employeur agit à titre de représentant de l'employé. La signature du contrat de travail par l'employé est considérée comme une instruction de l'employé de l'employeur en tant que son représentant.
La demande doit être soumise en utilisant le formulaire pour lequel un modèle est disponible auprès du service de Migration Economique. Ce formulaire de demande précise :
1° les données personnelles et l'adresse électronique de l'employeur ou de son mandataire et de la représentation diplomatique ou consulaire compétente pour l'adresse de résidence du ressortissant d'un pays tiers s'il réside à l'étranger au moment où l'employeur présente la demande ;
2° les données personnelles du travailleur ;
3° les données et détails concernant l'occupation du salarié en Région flamande.
L'employeur doit dûment remplir la demande et signer le formulaire daté.
La signature peut être effectuée par tout moyen électronique répondant aux conditions de l'article 1322, alinéa 2 du Code civil.]1
Wijzigingen
Art. 18 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor de tewerkstelling van een werknemer, onderdaan van een derde land, vraagt de werkgever conform de bepalingen van het samenwerkingsakkoord en conform de bepalingen van deze afdeling een toelating tot arbeid aan bij het departement. De werkgever treedt daarbij op als vertegenwoordiger van de werknemer. De ondertekening van de arbeidsovereenkomst door de werknemer geldt als instemming van de werknemer met de aanwijzing van de werkgever als zijn vertegenwoordiger.
De aanvraag wordt ingediend via een formulier dat het departement ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt :
1° [2 volgende gegevens over de werkgever :
a) in geval van een natuurlijke persoon volgende gegevens over de werkgever: naam, voornaam, geslacht, geboortedatum en geboorteplaats, nationaliteit, rijksregisternummer, het e-mailadres en de contactgegevens;
b) in geval van een rechtspersoon: benaming, zetel, ondernemingsnummer, e-mailadres en de contactgegevens;
c) in geval van een volmacht of vertegenwoordiging, volgende gegevens over de gevolmachtigde of de vertegenwoordiger: naam, voornaam, geslacht, geboortedatum en geboorteplaats, nationaliteit, rijksregisternummer, het e-mailadres en de contactgegevens, het adres en, in voorkomend geval, de benaming van de onderneming en het ondernemingsnummer;]2
2° [2 naam, voornaam, geslacht, geboortedatum en geboorteplaats, nationaliteit, adres, in voorkomend geval rijksregisternummer, de contactgegevens van de werknemer en, als de werknemer op het ogenblik van de indiening van de aanvraag in het buitenland verblijft, de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor het verblijfsadres van de werknemer;]2
3° de gegevens en de details aangaande de tewerkstelling van de werknemer in het Duitse taalgebied.
De aanvraag wordt door de werkgever ingevuld, gedagtekend en ondertekend.]1
[1 Voor de tewerkstelling van een werknemer, onderdaan van een derde land, vraagt de werkgever conform de bepalingen van het samenwerkingsakkoord en conform de bepalingen van deze afdeling een toelating tot arbeid aan bij het departement. De werkgever treedt daarbij op als vertegenwoordiger van de werknemer. De ondertekening van de arbeidsovereenkomst door de werknemer geldt als instemming van de werknemer met de aanwijzing van de werkgever als zijn vertegenwoordiger.
De aanvraag wordt ingediend via een formulier dat het departement ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt :
1° [2 volgende gegevens over de werkgever :
a) in geval van een natuurlijke persoon volgende gegevens over de werkgever: naam, voornaam, geslacht, geboortedatum en geboorteplaats, nationaliteit, rijksregisternummer, het e-mailadres en de contactgegevens;
b) in geval van een rechtspersoon: benaming, zetel, ondernemingsnummer, e-mailadres en de contactgegevens;
c) in geval van een volmacht of vertegenwoordiging, volgende gegevens over de gevolmachtigde of de vertegenwoordiger: naam, voornaam, geslacht, geboortedatum en geboorteplaats, nationaliteit, rijksregisternummer, het e-mailadres en de contactgegevens, het adres en, in voorkomend geval, de benaming van de onderneming en het ondernemingsnummer;]2
2° [2 naam, voornaam, geslacht, geboortedatum en geboorteplaats, nationaliteit, adres, in voorkomend geval rijksregisternummer, de contactgegevens van de werknemer en, als de werknemer op het ogenblik van de indiening van de aanvraag in het buitenland verblijft, de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor het verblijfsadres van de werknemer;]2
3° de gegevens en de details aangaande de tewerkstelling van de werknemer in het Duitse taalgebied.
De aanvraag wordt door de werkgever ingevuld, gedagtekend en ondertekend.]1
Art. 18 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Afin de pouvoir occuper en tant que travailleur un ressortissant d'un pays tiers, l'employeur introduit une demande d'autorisation de travail auprès du département, et ce, conformément aux dispositions de l'accord de coopération et à celles de la présente section. En l'espèce, l'employeur agit comme représentant du travailleur. La signature par le travailleur du contrat de travail vaut désignation, par ce travailleur, de l'employeur en tant que représentant.
La demande est introduite au moyen d'un formulaire mis à disposition par le département. Ce formulaire de demande mentionne :
1° [2 les informations suivantes, qui concernent l'employeur :
a) pour une personne physique, les informations suivantes : nom, prénom, sexe, date et lieu de naissance, nationalité, numéro de registre national, adresse électronique et données de contact;
b) pour une personne morale : raison sociale, siège social, numéro d'entreprise, adresse électronique et données de contact;
c) en cas de procuration ou de représentation, les informations suivantes, qui concernent le mandataire ou le représentant : nom, prénom, sexe, date et lieu de naissance, nationalité, numéro de registre national, adresse électronique et données de contact, adresse et, le cas échéant, raison sociale et numéro d'entreprise.]2
2° [2 le nom, le prénom, le sexe, la date et le lieu de naissance, la nationalité, l'adresse, le cas échéant, le numéro de registre national, les données de contact du travailleur et, si le travailleur réside à l'étranger au moment de l'introduction de la demande, le poste diplomatique ou consulaire compétent pour son adresse de résidence à l'étranger;]2
3° les informations et les détails relatifs à l'occupation du travailleur en région de langue allemande.
La demande est remplie, datée et signée par l'employeur.]1
[1 Afin de pouvoir occuper en tant que travailleur un ressortissant d'un pays tiers, l'employeur introduit une demande d'autorisation de travail auprès du département, et ce, conformément aux dispositions de l'accord de coopération et à celles de la présente section. En l'espèce, l'employeur agit comme représentant du travailleur. La signature par le travailleur du contrat de travail vaut désignation, par ce travailleur, de l'employeur en tant que représentant.
La demande est introduite au moyen d'un formulaire mis à disposition par le département. Ce formulaire de demande mentionne :
1° [2 les informations suivantes, qui concernent l'employeur :
a) pour une personne physique, les informations suivantes : nom, prénom, sexe, date et lieu de naissance, nationalité, numéro de registre national, adresse électronique et données de contact;
b) pour une personne morale : raison sociale, siège social, numéro d'entreprise, adresse électronique et données de contact;
c) en cas de procuration ou de représentation, les informations suivantes, qui concernent le mandataire ou le représentant : nom, prénom, sexe, date et lieu de naissance, nationalité, numéro de registre national, adresse électronique et données de contact, adresse et, le cas échéant, raison sociale et numéro d'entreprise.]2
2° [2 le nom, le prénom, le sexe, la date et le lieu de naissance, la nationalité, l'adresse, le cas échéant, le numéro de registre national, les données de contact du travailleur et, si le travailleur réside à l'étranger au moment de l'introduction de la demande, le poste diplomatique ou consulaire compétent pour son adresse de résidence à l'étranger;]2
3° les informations et les détails relatifs à l'occupation du travailleur en région de langue allemande.
La demande est remplie, datée et signée par l'employeur.]1
Art. 18.1 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De via de werkgever ingediende aanvraag kan alleen worden ingediend door een natuurlijke persoon die daarvoor over de vereiste rechtsbekwaamheid beschikt, met name door de werkgever zelf of door de natuurlijke persoon die op regelmatige wijze in België verblijft en in naam en voor rekening van de werkgever handelt.
Voor de in het buitenland gevestigde werkgever kan alleen die natuurlijke persoon optreden.]1
[1 De via de werkgever ingediende aanvraag kan alleen worden ingediend door een natuurlijke persoon die daarvoor over de vereiste rechtsbekwaamheid beschikt, met name door de werkgever zelf of door de natuurlijke persoon die op regelmatige wijze in België verblijft en in naam en voor rekening van de werkgever handelt.
Voor de in het buitenland gevestigde werkgever kan alleen die natuurlijke persoon optreden.]1
Art. 18.1 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 La demande faite par le biais de l'employeur est en tous cas introduite par une personne physique disposant de la capacité juridique pour ce faire, notamment l'employeur lui-même, ou bien la personne physique résidant régulièrement en Belgique et agissant au nom et pour compte dudit employeur.
Lorsque l'employeur est établi en dehors de la Belgique, seule cette personne physique est habilitée à agir.]1
[1 La demande faite par le biais de l'employeur est en tous cas introduite par une personne physique disposant de la capacité juridique pour ce faire, notamment l'employeur lui-même, ou bien la personne physique résidant régulièrement en Belgique et agissant au nom et pour compte dudit employeur.
Lorsque l'employeur est établi en dehors de la Belgique, seule cette personne physique est habilitée à agir.]1
Art. 18/1_VLAAMS_GEWEST. [1 De aanvraag door tussenkomst van de werkgever wordt ingediend door een natuurlijke persoon die daarvoor over de vereiste rechtsbekwaamheid beschikt. Dat kan de werkgever zelf zijn, of een natuurlijke persoon die op regelmatige wijze in België verblijft en die in naam en voor rekening van de werkgever handelt. Als de werkgever in het buitenland gevestigd is, kan alleen de natuurlijke persoon voor hem optreden.]1
Art. 18/1 _REGION_FLAMANDE.
[1 La demande par l'intermédiaire de l'employeur est présentée par une personne physique ayant la capacité juridique requise. Il peut s'agir de l'employeur lui-même ou d'une personne physique résidant régulièrement en Belgique et agissant au nom et pour le compte de l'employeur. Si l'employeur est établi à l'étranger, seule la personne physique peut agir en son nom.]1
[1 La demande par l'intermédiaire de l'employeur est présentée par une personne physique ayant la capacité juridique requise. Il peut s'agir de l'employeur lui-même ou d'une personne physique résidant régulièrement en Belgique et agissant au nom et pour le compte de l'employeur. Si l'employeur est établi à l'étranger, seule la personne physique peut agir en son nom.]1
Art. 18/1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De aanvraag door tussenkomst van de werkgever wordt in ieder geval ingediend door een natuurlijke persoon die daarvoor over de vereiste rechtsbekwaamheid beschikt. Dit kan de werkgever zelf zijn, of een natuurlijke persoon die op regelmatige wijze in België verblijft, en in naam en voor rekening van de werkgever handelt. Voor de in het buitenland gevestigde werkgever kan alleen die natuurlijke persoon optreden.]1
Art. 18/1 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 La demande formulée par le biais de l'employeur est en tous cas introduite par une personne physique disposant de la capacité juridique pour ce faire. Cela peut être l'employeur lui-même, ou une personne physique résidant régulièrement en Belgique et agissant au nom et pour compte de celui-ci. Lorsque l'employeur est établi en dehors de la Belgique, seule cette personne physique est habilitée à agir.]1
[1 La demande formulée par le biais de l'employeur est en tous cas introduite par une personne physique disposant de la capacité juridique pour ce faire. Cela peut être l'employeur lui-même, ou une personne physique résidant régulièrement en Belgique et agissant au nom et pour compte de celui-ci. Lorsque l'employeur est établi en dehors de la Belgique, seule cette personne physique est habilitée à agir.]1
Art. 18.2 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De werkgever of, in voorkomend geval, de werknemer, voegt [2 de met de betrokken categorie overeenstemmende documenten vermeld in de wet van 15 december 1980]2.]1
[1 De werkgever of, in voorkomend geval, de werknemer, voegt [2 de met de betrokken categorie overeenstemmende documenten vermeld in de wet van 15 december 1980]2.]1
Art. 18.2 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, l'employeur ou, le cas échéant, le travailleur, joint [2 les documents correspondant à la catégorie concernée, mentionnés dans la loi du 15 décembre 1980]2.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, l'employeur ou, le cas échéant, le travailleur, joint [2 les documents correspondant à la catégorie concernée, mentionnés dans la loi du 15 décembre 1980]2.]1
Art. 18/2_VLAAMS_GEWEST. [1 De werkgever of, in voorkomend geval, de werknemer, voegt de documenten, vermeld in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, van dit besluit.]1
Art. 18/2 _REGION_FLAMANDE.
[1 L'employeur ou, le cas échéant, le travailleur doit joindre les documents visés à l'article 61/25-2, § 1er, deuxième alinéa, de la loi du 15 décembre 1980, au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, du présent arrêté.]1
[1 L'employeur ou, le cas échéant, le travailleur doit joindre les documents visés à l'article 61/25-2, § 1er, deuxième alinéa, de la loi du 15 décembre 1980, au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, du présent arrêté.]1
Art. 18/2_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De werkgever of, in voorkomend geval, de werknemer, voegt de documenten vermeld in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 bij het formulier, vermeld in artikel 18.]1
Art. 18/2 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 L'employeur ou, le cas échéant, le travailleur, joint les documents visés à l'article 61/25-2, § 1er, alinéa 2, de la loi du 15 décembre 1980 au formulaire visé à l'article 18.]1
[1 L'employeur ou, le cas échéant, le travailleur, joint les documents visés à l'article 61/25-2, § 1er, alinéa 2, de la loi du 15 décembre 1980 au formulaire visé à l'article 18.]1
Art. 18.3 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Naast de documenten vermeld in artikel 18.2, voegt de werkgever de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° [2 een kopie van zijn identiteitsbewijs of van het identiteitsbewijs van zijn volmachthouder;]2
2° een kopie van de bladzijden van het geldig paspoort van de werknemer die zijn persoonlijke gegevens bevatten [3 en]3, als de betrokkene in België verblijft, een kopie van het document dat zijn verblijf dekt;
3° in geval van detachering, een kopie van het document, afgeleverd door de buitenlandse instelling, dat verklaart dat de socialezekerheidswetgeving van dat land van toepassing blijft tijdens de tewerkstelling op het Belgische grondgebied, of, als een internationale overeenkomst daarover ontbreekt, een verklaring van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat de voorwaarden om onderworpen te zijn aan het Belgische stelsel voor werknemers, niet vervuld zijn.
In geval van hernieuwing worden de volgende stukken toegevoegd :
1° een kopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de volledige periode van de toelating tot arbeid die verstrijkt of een kopie van de individuele rekening na een volledig kalenderjaar waarin de betrokkene heeft gewerkt, alsook de betalingsbewijzen ervan;
2° als de aanvraag een detachering betreft binnen het toepassingsgebied van titel IV, hoofdstuk 8, van de programmawet (I) van 27 december 2006: het bewijs van inschrijving in het Limosakadaster.]1
[1 Naast de documenten vermeld in artikel 18.2, voegt de werkgever de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° [2 een kopie van zijn identiteitsbewijs of van het identiteitsbewijs van zijn volmachthouder;]2
2° een kopie van de bladzijden van het geldig paspoort van de werknemer die zijn persoonlijke gegevens bevatten [3 en]3, als de betrokkene in België verblijft, een kopie van het document dat zijn verblijf dekt;
3° in geval van detachering, een kopie van het document, afgeleverd door de buitenlandse instelling, dat verklaart dat de socialezekerheidswetgeving van dat land van toepassing blijft tijdens de tewerkstelling op het Belgische grondgebied, of, als een internationale overeenkomst daarover ontbreekt, een verklaring van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat de voorwaarden om onderworpen te zijn aan het Belgische stelsel voor werknemers, niet vervuld zijn.
In geval van hernieuwing worden de volgende stukken toegevoegd :
1° een kopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de volledige periode van de toelating tot arbeid die verstrijkt of een kopie van de individuele rekening na een volledig kalenderjaar waarin de betrokkene heeft gewerkt, alsook de betalingsbewijzen ervan;
2° als de aanvraag een detachering betreft binnen het toepassingsgebied van titel IV, hoofdstuk 8, van de programmawet (I) van 27 december 2006: het bewijs van inschrijving in het Limosakadaster.]1
Art. 18.3 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés à l'article 18.2, l'employeur joint les documents suivants :
1° [2 une copie de sa carte d'identité ou de celle de son mandataire;]2
2° une copie des pages du passeport du travailleur en cours de validité qui reprennent ses informations personnelles [3 et]3, si l'intéressé séjourne en Belgique, une copie du document couvrant son séjour;
3° en cas de détachement, une copie du document établi par l'autorité étrangère dont il ressort que la législation de la sécurité sociale de ce pays reste applicable pendant la durée de l'occupation sur le territoire belge ou, s'il n'y a pas d'accord international en la matière, une attestation établie par l'Office national de Sécurité Sociale confirmant que les conditions pour être soumis au système belge des travailleurs ne sont pas remplies.
En cas de renouvellement, les documents suivants sont ajoutés :
1° une copie des fiches ou décomptes de paie pour toute la période de l'autorisation de travail qui arrive à échéance ou une copie du compte salarial individuel après une année calendrier complète de travail par l'intéressé, ainsi que les justificatifs de paiement y afférents;
2° lorsque la demande concerne un détachement dans le cadre du champ d'application du titre IV, chapitre 8, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006, la preuve d'inscription au cadastre Limosa.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés à l'article 18.2, l'employeur joint les documents suivants :
1° [2 une copie de sa carte d'identité ou de celle de son mandataire;]2
2° une copie des pages du passeport du travailleur en cours de validité qui reprennent ses informations personnelles [3 et]3, si l'intéressé séjourne en Belgique, une copie du document couvrant son séjour;
3° en cas de détachement, une copie du document établi par l'autorité étrangère dont il ressort que la législation de la sécurité sociale de ce pays reste applicable pendant la durée de l'occupation sur le territoire belge ou, s'il n'y a pas d'accord international en la matière, une attestation établie par l'Office national de Sécurité Sociale confirmant que les conditions pour être soumis au système belge des travailleurs ne sont pas remplies.
En cas de renouvellement, les documents suivants sont ajoutés :
1° une copie des fiches ou décomptes de paie pour toute la période de l'autorisation de travail qui arrive à échéance ou une copie du compte salarial individuel après une année calendrier complète de travail par l'intéressé, ainsi que les justificatifs de paiement y afférents;
2° lorsque la demande concerne un détachement dans le cadre du champ d'application du titre IV, chapitre 8, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006, la preuve d'inscription au cadastre Limosa.]1
Art. 18/3_VLAAMS_GEWEST. [1 De werkgever voegt naast de documenten, vermeld in artikel 18/2, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een fotokopie van zijn identiteitsbewijs of dat van zijn volmachthouder;
2° een fotokopie van de persoonsgegevens van het geldige paspoort van de werknemer en, als de betrokkene in België verblijft, een fotokopie van het document dat zijn verblijf dekt;
3° in geval van detachering, een kopie van het document, afgeleverd door de buitenlandse instelling, dat verklaart dat de socialezekerheidswetgeving van dat land van toepassing blijft tijdens de tewerkstelling op het Belgische grondgebied, of, als een internationale overeenkomst daarover ontbreekt, een verklaring van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat de voorwaarden om onderworpen te zijn aan het Belgische stelsel voor werknemers, niet vervuld zijn.
In geval van hernieuwing worden de volgende stukken bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, gevoegd :
1° een fotokopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de volledige periode van de toelating tot arbeid die verstrijkt;
2° een fotokopie van de individuele rekening na een volledig kalenderjaar waarin de betrokkene heeft gewerkt;
3° als de aanvraag een detachering betreft binnen het toepassingsgebied van Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet (I) van 27 december 2006, het bewijs van inschrijving in het Limosakadaster.]1
1° een fotokopie van zijn identiteitsbewijs of dat van zijn volmachthouder;
2° een fotokopie van de persoonsgegevens van het geldige paspoort van de werknemer en, als de betrokkene in België verblijft, een fotokopie van het document dat zijn verblijf dekt;
3° in geval van detachering, een kopie van het document, afgeleverd door de buitenlandse instelling, dat verklaart dat de socialezekerheidswetgeving van dat land van toepassing blijft tijdens de tewerkstelling op het Belgische grondgebied, of, als een internationale overeenkomst daarover ontbreekt, een verklaring van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat de voorwaarden om onderworpen te zijn aan het Belgische stelsel voor werknemers, niet vervuld zijn.
In geval van hernieuwing worden de volgende stukken bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, gevoegd :
1° een fotokopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de volledige periode van de toelating tot arbeid die verstrijkt;
2° een fotokopie van de individuele rekening na een volledig kalenderjaar waarin de betrokkene heeft gewerkt;
3° als de aanvraag een detachering betreft binnen het toepassingsgebied van Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet (I) van 27 december 2006, het bewijs van inschrijving in het Limosakadaster.]1
Art. 18/3 _REGION_FLAMANDE.
[1 Outre les documents visés à l'article 18/2, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa :
1° une photocopie de sa pièce d'identité ou de celle de son mandataire ;
2° une photocopie des données personnelles du passeport en cours de validité du salarié et, si la personne concernée réside en Belgique, une photocopie du document couvrant son domicile ;
3° en cas de détachement, une copie du document délivré par l'institution étrangère attestant que la législation de sécurité sociale de ce pays reste applicable pendant l'occupation sur le territoire belge ou, en l'absence d'un accord international à cet effet, une déclaration de l'Office national de sécurité sociale selon laquelle les conditions pour être soumis au régime belge des travailleurs salariés ne sont pas remplies.
En cas de renouvellement, les documents suivants sont joints au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa :
1° une photocopie des fiches de paie ou décomptes de paie pour toute la période d'admission à l'emploi qui expire ;
2° une photocopie du compte individuel après une année civile complète au cours de laquelle la personne concernée a travaillé ;
3° si la demande concerne un détachement dans le cadre du chapitre 8 du titre IV de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006, le certificat d'inscription au cadastre Limosa.]1
[1 Outre les documents visés à l'article 18/2, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa :
1° une photocopie de sa pièce d'identité ou de celle de son mandataire ;
2° une photocopie des données personnelles du passeport en cours de validité du salarié et, si la personne concernée réside en Belgique, une photocopie du document couvrant son domicile ;
3° en cas de détachement, une copie du document délivré par l'institution étrangère attestant que la législation de sécurité sociale de ce pays reste applicable pendant l'occupation sur le territoire belge ou, en l'absence d'un accord international à cet effet, une déclaration de l'Office national de sécurité sociale selon laquelle les conditions pour être soumis au régime belge des travailleurs salariés ne sont pas remplies.
En cas de renouvellement, les documents suivants sont joints au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa :
1° une photocopie des fiches de paie ou décomptes de paie pour toute la période d'admission à l'emploi qui expire ;
2° une photocopie du compte individuel après une année civile complète au cours de laquelle la personne concernée a travaillé ;
3° si la demande concerne un détachement dans le cadre du chapitre 8 du titre IV de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006, le certificat d'inscription au cadastre Limosa.]1
Art. 18/3_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De werkgever voegt naast de documenten, vermeld in artikel 18/2, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18 :
1° een kopie van zijn identiteitsbewijs of van die van zijn volmachthouder;
2° een kopie van alle bladzijden van het geldige paspoort van de werknemer en, indien de betrokkene in België verblijft, een kopie van het document dat zijn verblijf dekt;
3° als de aanvraag een detachering betreft, een kopie van het document, afgeleverd door de buitenlandse instelling, dat verklaart dat de socialezekerheidswetgeving van dat land van toepassing blijft tijdens de tewerkstelling op het Belgische grondgebied als er een internationale overeenkomst over sociale zekerheid bestaat, of, als een internationale overeenkomst daarover ontbreekt, een document van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat verklaart dat de werknemer niet onderworpen kan zijn aan de Belgische socialezekerheidsregeling.
[2 4° als de aanvraag een dienstverlening betreft, een kopie van de dienstverleningsovereenkomst;
5° als de werknemer uitsluitend in zijn woning of ten huize van de werkgever is tewerkgesteld, een schriftelijke verklaring van de werkgever of van de werknemer aan de hand waarvan deze toegang verleent tot zijn bewoonde ruimten aan ambtenaren die met het toezicht belast zijn krachtens artikel 11/1 van de wet en artikel 4 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 juni 2016 houdende bepaling van de met het toezicht en de controle belaste overheden in werkgelegenheidsaangelegenheden en houdende nadere regels met betrekking tot de werking van deze overheden.]2
Voor een hernieuwingsaanvraag worden naast de in de eerste alinea vermelde documenten ook de volgende documenten bijgevoegd:
1° een kopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de volledige periode van de toelating tot arbeid die verstrijkt;
2° een kopie van de individuele rekening na een volledig kalenderjaar waarin de betrokkene heeft gewerkt;
3° als de aanvraag een detachering betreft binnen het toepassingsgebied van Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet (I) van 27 december 2006, het bewijs van inschrijving in het Limosakadaster;
4° als de aanvraag een gesubsidieerde navorser betreft, als vermeld in artikel 9, eerste lid, 8°, het bewijs van betaling van de subsidie.]1
1° een kopie van zijn identiteitsbewijs of van die van zijn volmachthouder;
2° een kopie van alle bladzijden van het geldige paspoort van de werknemer en, indien de betrokkene in België verblijft, een kopie van het document dat zijn verblijf dekt;
3° als de aanvraag een detachering betreft, een kopie van het document, afgeleverd door de buitenlandse instelling, dat verklaart dat de socialezekerheidswetgeving van dat land van toepassing blijft tijdens de tewerkstelling op het Belgische grondgebied als er een internationale overeenkomst over sociale zekerheid bestaat, of, als een internationale overeenkomst daarover ontbreekt, een document van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat verklaart dat de werknemer niet onderworpen kan zijn aan de Belgische socialezekerheidsregeling.
[2 4° als de aanvraag een dienstverlening betreft, een kopie van de dienstverleningsovereenkomst;
5° als de werknemer uitsluitend in zijn woning of ten huize van de werkgever is tewerkgesteld, een schriftelijke verklaring van de werkgever of van de werknemer aan de hand waarvan deze toegang verleent tot zijn bewoonde ruimten aan ambtenaren die met het toezicht belast zijn krachtens artikel 11/1 van de wet en artikel 4 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 juni 2016 houdende bepaling van de met het toezicht en de controle belaste overheden in werkgelegenheidsaangelegenheden en houdende nadere regels met betrekking tot de werking van deze overheden.]2
Voor een hernieuwingsaanvraag worden naast de in de eerste alinea vermelde documenten ook de volgende documenten bijgevoegd:
1° een kopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de volledige periode van de toelating tot arbeid die verstrijkt;
2° een kopie van de individuele rekening na een volledig kalenderjaar waarin de betrokkene heeft gewerkt;
3° als de aanvraag een detachering betreft binnen het toepassingsgebied van Hoofdstuk 8 van Titel IV van de programmawet (I) van 27 december 2006, het bewijs van inschrijving in het Limosakadaster;
4° als de aanvraag een gesubsidieerde navorser betreft, als vermeld in artikel 9, eerste lid, 8°, het bewijs van betaling van de subsidie.]1
Art. 18/3 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés à l'article 18/2, l'employeur joint les documents suivants :
1° la copie de sa pièce d'identité ou celle de son mandataire ;
2° la copie de toutes les pages du passeport en cours de validité du travailleur et, si l'intéressé séjourne en Belgique, la copie du document couvrant son séjour ;
3° si la demande concerne un détachement, une copie du document délivré par l'institution étrangère attestant que la législation relative à la sécurité sociale de ce pays continue à s'appliquer pendant l'occupation sur le territoire belge lorsqu'un accord international relatif à la sécurité sociale existe, ou, en l'absence d'un tel accord international, un document du Service public fédéral Sécurité Sociale attestant que le travailleur ne peut être assujetti au régime belge de sécurité sociale.
[2 4° si la demande concerne une prestation de service, une copie du contrat de prestation de service ;
5° si l'occupation a exclusivement lieu dans le domicile privé de l'employeur ou du travailleur, une déclaration écrite de l'employeur ou du travailleur, selon laquelle il autorise l'accès à ses locaux habités aux fonctionnaires chargés de la surveillance en vertu de l'article 11/1 de la loi et de l'article 4 de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 9 juin 2016 déterminant les autorités chargées de la surveillance et du contrôle en matière d'emploi et portant des modalités relatives au fonctionnement de ces autorités.]2
Pour une demande de renouvellement, outre les documents visés à l'alinéa 1er, les documents suivants sont également joints :
1° la copie des fiches de paie ou décomptes de paie pour toute la période de l'autorisation de travail qui arrive à échéance ;
2° la copie du compte individuel après une année calendrier complète de travail par l'intéressé ;
3° si la demande concerne un détachement visé au chapitre 8 du titre IV de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006, la preuve d'inscription au cadastre Limosa ;
4° si la demande concerne un chercheur subsidié visé à l'article 9, alinéa 1er, 8°, la preuve du paiement du subside.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés à l'article 18/2, l'employeur joint les documents suivants :
1° la copie de sa pièce d'identité ou celle de son mandataire ;
2° la copie de toutes les pages du passeport en cours de validité du travailleur et, si l'intéressé séjourne en Belgique, la copie du document couvrant son séjour ;
3° si la demande concerne un détachement, une copie du document délivré par l'institution étrangère attestant que la législation relative à la sécurité sociale de ce pays continue à s'appliquer pendant l'occupation sur le territoire belge lorsqu'un accord international relatif à la sécurité sociale existe, ou, en l'absence d'un tel accord international, un document du Service public fédéral Sécurité Sociale attestant que le travailleur ne peut être assujetti au régime belge de sécurité sociale.
[2 4° si la demande concerne une prestation de service, une copie du contrat de prestation de service ;
5° si l'occupation a exclusivement lieu dans le domicile privé de l'employeur ou du travailleur, une déclaration écrite de l'employeur ou du travailleur, selon laquelle il autorise l'accès à ses locaux habités aux fonctionnaires chargés de la surveillance en vertu de l'article 11/1 de la loi et de l'article 4 de l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 9 juin 2016 déterminant les autorités chargées de la surveillance et du contrôle en matière d'emploi et portant des modalités relatives au fonctionnement de ces autorités.]2
Pour une demande de renouvellement, outre les documents visés à l'alinéa 1er, les documents suivants sont également joints :
1° la copie des fiches de paie ou décomptes de paie pour toute la période de l'autorisation de travail qui arrive à échéance ;
2° la copie du compte individuel après une année calendrier complète de travail par l'intéressé ;
3° si la demande concerne un détachement visé au chapitre 8 du titre IV de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006, la preuve d'inscription au cadastre Limosa ;
4° si la demande concerne un chercheur subsidié visé à l'article 9, alinéa 1er, 8°, la preuve du paiement du subside.]1
Art. 18.4 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor stagiairs als vermeld in artikel 9, eerste lid, 5°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de stageovereenkomst vermeld in artikel 22, 3°, ingevuld, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
2° [2 ...]2
3° [2 ...]2
4° [2 een kopie van het diploma of van het getuigschrift van de studie in het verlengde waarvan de stage plaatsvindt of een kopie van de uitslagen van de studie in het kader waarvan de stage plaatsvindt, in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan;]2
5° de verbintenis, ondertekend door de stagiair, om tijdens de stageperiode geen andere betrekking in België te bekleden dan die waarvoor de toelating werd verleend.]1
[1 Voor stagiairs als vermeld in artikel 9, eerste lid, 5°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de stageovereenkomst vermeld in artikel 22, 3°, ingevuld, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
2° [2 ...]2
3° [2 ...]2
4° [2 een kopie van het diploma of van het getuigschrift van de studie in het verlengde waarvan de stage plaatsvindt of een kopie van de uitslagen van de studie in het kader waarvan de stage plaatsvindt, in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan;]2
5° de verbintenis, ondertekend door de stagiair, om tijdens de stageperiode geen andere betrekking in België te bekleden dan die waarvoor de toelating werd verleend.]1
Art. 18/4 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit d'un stagiaire visé à l'article 9, alinéa 1er, 5° :
1° une copie du contrat de stage visé à l'article 22, 3°, daté et signé par les deux parties;
2° [2 ...]2
3° [2 ...]2
4° [2 une copie d'un diplôme ou d'un certificat d'études en continuation duquel le stage s'inscrit ou des résultats des études visés dans le cadre desquelles ce stage s'inscrit, le cas échéant, accompagnée d'une traduction allemande;]2
5° l'engagement, signé par le stagiaire, de n'occuper en Belgique, pendant la période de stage, aucun emploi autre que celui pour lequel l'autorisation a été accordée.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit d'un stagiaire visé à l'article 9, alinéa 1er, 5° :
1° une copie du contrat de stage visé à l'article 22, 3°, daté et signé par les deux parties;
2° [2 ...]2
3° [2 ...]2
4° [2 une copie d'un diplôme ou d'un certificat d'études en continuation duquel le stage s'inscrit ou des résultats des études visés dans le cadre desquelles ce stage s'inscrit, le cas échéant, accompagnée d'une traduction allemande;]2
5° l'engagement, signé par le stagiaire, de n'occuper en Belgique, pendant la période de stage, aucun emploi autre que celui pour lequel l'autorisation a été accordée.]1
Art. 18/4_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor stagiairs als vermeld in artikel 9, eerste lid, 5°, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een fotokopie van de naar behoren ingevulde stageovereenkomst, vermeld in artikel 22, 3°, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
2° als de stage wordt betaald met een beurs, het bewijs van de toekenning van die beurs aan de betrokkene;
3° het opleidingsprogramma, vermeld in artikel 22, 4° ;
4° een fotokopie van het diploma of getuigschrift van de studie in het verlengde waarvan de stage plaatsvindt, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
5° het curriculum vitae van de stagiair;
6° de verbintenis, ondertekend door de stagiair, om tijdens de stageperiode geen andere betrekking in België te bekleden dan die waarvoor de toelating wordt verleend.]1
1° een fotokopie van de naar behoren ingevulde stageovereenkomst, vermeld in artikel 22, 3°, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
2° als de stage wordt betaald met een beurs, het bewijs van de toekenning van die beurs aan de betrokkene;
3° het opleidingsprogramma, vermeld in artikel 22, 4° ;
4° een fotokopie van het diploma of getuigschrift van de studie in het verlengde waarvan de stage plaatsvindt, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
5° het curriculum vitae van de stagiair;
6° de verbintenis, ondertekend door de stagiair, om tijdens de stageperiode geen andere betrekking in België te bekleden dan die waarvoor de toelating wordt verleend.]1
Art. 18/4 _REGION_FLAMANDE.
[1 Pour les stagiaires visés à l'article 9, alinéa premier, 5°, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa :
1° une photocopie de la convention de stage dûment complétée, visée à l'article 22, 3°, datée et signée par les deux parties ;
2° si le stage est rémunéré au moyen d'une bourse, la preuve de l'attribution de cette bourse à la personne concernée ;
3° le programme de formation visé à l'article 22, 4° ;
4° une photocopie du diplôme ou certificat d'études à la suite duquel le stage a lieu, accompagnée, le cas échéant, d'une version traduite ;
5° le curriculum vitae du stagiaire ;
6° l'engagement, signé par le stagiaire, de n'occuper aucun autre poste en Belgique pendant le stage que celui pour lequel l'admission est accordée.]1
[1 Pour les stagiaires visés à l'article 9, alinéa premier, 5°, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa :
1° une photocopie de la convention de stage dûment complétée, visée à l'article 22, 3°, datée et signée par les deux parties ;
2° si le stage est rémunéré au moyen d'une bourse, la preuve de l'attribution de cette bourse à la personne concernée ;
3° le programme de formation visé à l'article 22, 4° ;
4° une photocopie du diplôme ou certificat d'études à la suite duquel le stage a lieu, accompagnée, le cas échéant, d'une version traduite ;
5° le curriculum vitae du stagiaire ;
6° l'engagement, signé par le stagiaire, de n'occuper aucun autre poste en Belgique pendant le stage que celui pour lequel l'admission est accordée.]1
Art. 18/4_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Voor stagiairs als bedoeld in artikel 9, eerste lid, 5°, voegt de werkgever, naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18 :
1° een kopie van de naar behoren ingevulde stageovereenkomst als vermeld in artikel 22, 3°, gedagtekend en ondertekend door beide partijen ;
2° [2 ...]2
3° het opleidingsprogramma, vermeld in artikel 22,4° ;
4° een kopie van het diploma of getuigschrift van de studie in het verlengde waarvan de stage plaatsvindt [2 of de resultaten van de studies in het kader waarvan de stage wordt gelopen]2, en in voorkomend geval een door een beëdigde vertaler vertaalde versie ervan;
5° de verbintenis als bedoeld in artikel 21, 2°, ondertekend door de stagiair, om tijdens de geldigheidsduur van de gevraagde toelating tot arbeid geen betrekking te bekleden.]1
1° een kopie van de naar behoren ingevulde stageovereenkomst als vermeld in artikel 22, 3°, gedagtekend en ondertekend door beide partijen ;
2° [2 ...]2
3° het opleidingsprogramma, vermeld in artikel 22,4° ;
4° een kopie van het diploma of getuigschrift van de studie in het verlengde waarvan de stage plaatsvindt [2 of de resultaten van de studies in het kader waarvan de stage wordt gelopen]2, en in voorkomend geval een door een beëdigde vertaler vertaalde versie ervan;
5° de verbintenis als bedoeld in artikel 21, 2°, ondertekend door de stagiair, om tijdens de geldigheidsduur van de gevraagde toelating tot arbeid geen betrekking te bekleden.]1
Art. 18/4 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit des stagiaires visés à l'article 9, alinéa 1er, 5° :
1° la copie du contrat de stage dûment rempli, visé à l'article 22, 3°, daté et signé par les deux parties ;
2° [2 ...]2
3° le programme de formation visé à l'article 22,4° ;
4° la copie du diplôme ou certificat d'études en continuation duquel le stage s'inscrit [2 ou des résultats des études dans le cadre desquelles le stage est effectué]2, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré;
5° l'engagement visé à l'article 21, 2°, signé par le stagiaire, de n'occuper en Belgique aucun emploi pendant la durée de validité de l'autorisation de travail sollicitée.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit des stagiaires visés à l'article 9, alinéa 1er, 5° :
1° la copie du contrat de stage dûment rempli, visé à l'article 22, 3°, daté et signé par les deux parties ;
2° [2 ...]2
3° le programme de formation visé à l'article 22,4° ;
4° la copie du diplôme ou certificat d'études en continuation duquel le stage s'inscrit [2 ou des résultats des études dans le cadre desquelles le stage est effectué]2, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré;
5° l'engagement visé à l'article 21, 2°, signé par le stagiaire, de n'occuper en Belgique aucun emploi pendant la durée de validité de l'autorisation de travail sollicitée.]1
Art. 18.5 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor hooggekwalificeerd personeel of personen die een leidinggevende functie bekleden als vermeld in artikel 9, eerste lid, 6° en 7°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst conform de bepalingen van titel I en titel III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en door beide partijen ondertekend, of, in geval van detachering, een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever, in voorkomend geval met een [2 Duitse vertaling]2 ervan;
2° in geval van detachering, een attest ondertekend door de werkgever waarin hij de duur van de detachering bepaalt, alsook de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de duur van de detachering;
3° voor hooggekwalificeerd personeel, een kopie van de diploma's van het hoger onderwijs die de betrokkene heeft behaald of elk ander document dat de kwalificatie van de werknemer bevestigt, in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan.]1
[1 Voor hooggekwalificeerd personeel of personen die een leidinggevende functie bekleden als vermeld in artikel 9, eerste lid, 6° en 7°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst conform de bepalingen van titel I en titel III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en door beide partijen ondertekend, of, in geval van detachering, een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever, in voorkomend geval met een [2 Duitse vertaling]2 ervan;
2° in geval van detachering, een attest ondertekend door de werkgever waarin hij de duur van de detachering bepaalt, alsook de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de duur van de detachering;
3° voor hooggekwalificeerd personeel, een kopie van de diploma's van het hoger onderwijs die de betrokkene heeft behaald of elk ander document dat de kwalificatie van de werknemer bevestigt, in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan.]1
Art. 18/5 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2. et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de personnel hautement qualifié, visé à l'article 9, alinéa 1er, 6° et 7°, ou de personnes qui occupent un poste de direction :
1° une copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties ou, en cas de détachement, une copie du contrat de travail liant le travailleur à son employeur établi à l'étranger, accompagnée d'une traduction [2 allemande]2, le cas échéant;
2° en cas de détachement, une attestation signée par l'employeur précisant la durée du détachement ainsi que les conditions de travail et de rémunération durant le détachement;
3° pour le personnel hautement qualifié, une copie du diplôme de l'enseignement supérieur obtenu par l'intéressé ou tout autre document attestant de ladite qualification du travailleur, accompagnée d'une traduction allemande, le cas échéant.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2. et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de personnel hautement qualifié, visé à l'article 9, alinéa 1er, 6° et 7°, ou de personnes qui occupent un poste de direction :
1° une copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties ou, en cas de détachement, une copie du contrat de travail liant le travailleur à son employeur établi à l'étranger, accompagnée d'une traduction [2 allemande]2, le cas échéant;
2° en cas de détachement, une attestation signée par l'employeur précisant la durée du détachement ainsi que les conditions de travail et de rémunération durant le détachement;
3° pour le personnel hautement qualifié, une copie du diplôme de l'enseignement supérieur obtenu par l'intéressé ou tout autre document attestant de ladite qualification du travailleur, accompagnée d'une traduction allemande, le cas échéant.]1
Art. 18/5_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor hooggeschoold personeel of personen die een leidinggevende functie bekleden als vermeld in artikel 9, eerste lid, 6° en 7°, van dit besluit, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3 van dit besluit, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, van dit besluit :
1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst conform titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen, of, in geval van detachering, een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en zijn werkgever die in het buitenland is gevestigd, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
2° in geval van detachering een attest, ondertekend door de werkgever, waarin hij de duur van de detachering bepaalt, alsook de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de duur van de detachering;
3° voor hooggeschoold personeel een fotokopie van de diploma's van het hoger onderwijs die de betrokkene heeft behaald, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan.]1
1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst conform titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen, of, in geval van detachering, een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en zijn werkgever die in het buitenland is gevestigd, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
2° in geval van detachering een attest, ondertekend door de werkgever, waarin hij de duur van de detachering bepaalt, alsook de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de duur van de detachering;
3° voor hooggeschoold personeel een fotokopie van de diploma's van het hoger onderwijs die de betrokkene heeft behaald, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan.]1
Art. 18/5 _REGION_FLAMANDE.
[1 Pour le personnel hautement qualifié ou les personnes occupant un poste dirigeant visé à l'article 9, alinéa premier, 6° et 7° du présent arrêté, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3 du présent arrêté, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, du présent arrêté :
1° une photocopie du contrat de travail conformément aux titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 sur les contrats de travail, datée et signée par les deux parties, ou, en cas de détachement, une photocopie du contrat de travail entre le salarié et son employeur établi à l'étranger, le cas échéant avec une version traduite de celui-ci ;
2° en cas de détachement, un certificat signé par l'employeur, dans lequel l'employeur détermine la durée du détachement, ainsi que les conditions de travail et de salaire pendant la durée du détachement ;
3° pour le personnel hautement qualifié, une photocopie des diplômes d'enseignement supérieur obtenus par la personne concernée, accompagnée, le cas échéant, d'une version traduite.]1
[1 Pour le personnel hautement qualifié ou les personnes occupant un poste dirigeant visé à l'article 9, alinéa premier, 6° et 7° du présent arrêté, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3 du présent arrêté, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, du présent arrêté :
1° une photocopie du contrat de travail conformément aux titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 sur les contrats de travail, datée et signée par les deux parties, ou, en cas de détachement, une photocopie du contrat de travail entre le salarié et son employeur établi à l'étranger, le cas échéant avec une version traduite de celui-ci ;
2° en cas de détachement, un certificat signé par l'employeur, dans lequel l'employeur détermine la durée du détachement, ainsi que les conditions de travail et de salaire pendant la durée du détachement ;
3° pour le personnel hautement qualifié, une photocopie des diplômes d'enseignement supérieur obtenus par la personne concernée, accompagnée, le cas échéant, d'une version traduite.]1
Art. 18/5_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Voor hooggeschoold personeel of personen die een leidinggevende functie bekleden, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, 6° en 7°, voegt de werkgever, naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18 :
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen van titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen, of, in geval van detachering, een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever, en in voorkomend geval een door een beëdigde vertaler vertaalde versie ervan;
2° in geval van detachering, een attest ondertekend door de werkgever waarin hij de duur van de detachering bepaalt alsook de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de duur van de detachering ;
3° voor hooggeschoold personeel, een kopie van de diploma's van het hoger onderwijs die de betrokkene heeft behaald, en in voorkomend geval een door een beëdigde vertaler vertaalde versie ervan.]1
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen van titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen, of, in geval van detachering, een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever, en in voorkomend geval een door een beëdigde vertaler vertaalde versie ervan;
2° in geval van detachering, een attest ondertekend door de werkgever waarin hij de duur van de detachering bepaalt alsook de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de duur van de detachering ;
3° voor hooggeschoold personeel, een kopie van de diploma's van het hoger onderwijs die de betrokkene heeft behaald, en in voorkomend geval een door een beëdigde vertaler vertaalde versie ervan.]1
Art. 18/5 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de personnel hautement qualifié ou de personnes qui viennent occuper un poste de direction, respectivement visés à l'article 9, alinéa 1er, 6° et 7° :
1° la copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties ou, en cas de détachement, la copie du contrat de travail liant le travailleur à son employeur établi à l'étranger, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré ;
2° en cas de détachement, une attestation signée par l'employeur précisant la durée du détachement ainsi que les conditions de travail et de rémunération durant le détachement ;
3° pour le personnel hautement qualifié, la copie des diplômes de l'enseignement supérieur obtenus par l'intéressé, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de personnel hautement qualifié ou de personnes qui viennent occuper un poste de direction, respectivement visés à l'article 9, alinéa 1er, 6° et 7° :
1° la copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties ou, en cas de détachement, la copie du contrat de travail liant le travailleur à son employeur établi à l'étranger, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré ;
2° en cas de détachement, une attestation signée par l'employeur précisant la durée du détachement ainsi que les conditions de travail et de rémunération durant le détachement ;
3° pour le personnel hautement qualifié, la copie des diplômes de l'enseignement supérieur obtenus par l'intéressé, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré.]1
Art. 18.6 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor navorsers of gasthoogleraren als vermeld in artikel 9, eerste lid, 8°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° voor navorsers, het voltijdse programma van wetenschappelijk onderzoek, met vermelding van de begin- en einddatum, alsook met vermelding van de bezoldiging of de subsidie die ten minste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen;
2° voor een gesubsidieerde navorser, het bewijs van de toekenning van de subsidie;
3° het bewijs van de selectie en van de uitnodiging door de universiteit, instelling van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instelling;
4° een kopie van het universitaire diploma van de betrokkene waaruit blijkt dat hij houder is van een op basis van een doctoraal proefschrift verkregen doctorstitel of van een gelijkwaardig bevonden academische titel, in voorkomend geval met een [2 Duitse vertaling]2 ervan;
5° voor een gasthoogleraar, tenzij het bewijs wordt geleverd dat zijn uitzendende instelling hem gedurende zijn verblijf verder bezoldigt, het bewijs dat hem een bezoldiging wordt toegekend die overeenstemt met het barema van het onderwijspersoneel aan de universiteit of in de instelling van hoger onderwijs.]1
[1 Voor navorsers of gasthoogleraren als vermeld in artikel 9, eerste lid, 8°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° voor navorsers, het voltijdse programma van wetenschappelijk onderzoek, met vermelding van de begin- en einddatum, alsook met vermelding van de bezoldiging of de subsidie die ten minste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen;
2° voor een gesubsidieerde navorser, het bewijs van de toekenning van de subsidie;
3° het bewijs van de selectie en van de uitnodiging door de universiteit, instelling van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instelling;
4° een kopie van het universitaire diploma van de betrokkene waaruit blijkt dat hij houder is van een op basis van een doctoraal proefschrift verkregen doctorstitel of van een gelijkwaardig bevonden academische titel, in voorkomend geval met een [2 Duitse vertaling]2 ervan;
5° voor een gasthoogleraar, tenzij het bewijs wordt geleverd dat zijn uitzendende instelling hem gedurende zijn verblijf verder bezoldigt, het bewijs dat hem een bezoldiging wordt toegekend die overeenstemt met het barema van het onderwijspersoneel aan de universiteit of in de instelling van hoger onderwijs.]1
Art. 18/6 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de chercheurs ou de professeurs invités visés à l'article 9, alinéa 1er, 8° :
1° pour les chercheurs, le programme de recherche à temps plein avec mention des dates de début et de fin ainsi que de la rémunération ou du subside qui doivent être au moins égaux au barème d'assistant des universités, d'établissements d'enseignement supérieur ou d'établissements scientifiques reconnus;
2° si la demande concerne un chercheur subsidié, la preuve d'octroi du subside;
3° la preuve de la sélection et de l'invitation par l'université, l'établissement d'enseignement supérieur ou l'établissement scientifique reconnu;
4° une copie du diplôme universitaire de l'intéressé dont il ressort qu'il est porteur du titre de docteur, acquis grâce à la remise d'une thèse de doctorat, ou d'un titre académique jugé équivalent, accompagnée d'une traduction [2 allemande]2, le cas échéant;
5° pour un professeur invité, à moins qu'il ne soit prouvé que, durant son séjour, son institution d'envoi continue à le rémunérer, la preuve qu'une rémunération conforme au barème du personnel enseignant de l'université ou de l'établissement d'enseignement supérieur lui est allouée.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de chercheurs ou de professeurs invités visés à l'article 9, alinéa 1er, 8° :
1° pour les chercheurs, le programme de recherche à temps plein avec mention des dates de début et de fin ainsi que de la rémunération ou du subside qui doivent être au moins égaux au barème d'assistant des universités, d'établissements d'enseignement supérieur ou d'établissements scientifiques reconnus;
2° si la demande concerne un chercheur subsidié, la preuve d'octroi du subside;
3° la preuve de la sélection et de l'invitation par l'université, l'établissement d'enseignement supérieur ou l'établissement scientifique reconnu;
4° une copie du diplôme universitaire de l'intéressé dont il ressort qu'il est porteur du titre de docteur, acquis grâce à la remise d'une thèse de doctorat, ou d'un titre académique jugé équivalent, accompagnée d'une traduction [2 allemande]2, le cas échéant;
5° pour un professeur invité, à moins qu'il ne soit prouvé que, durant son séjour, son institution d'envoi continue à le rémunérer, la preuve qu'une rémunération conforme au barème du personnel enseignant de l'université ou de l'établissement d'enseignement supérieur lui est allouée.]1
Art. 18/6_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor navorsers of gasthoogleraren als vermeld in artikel 9, eerste lid, 8°, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° voor de navorsers het voltijdse programma van wetenschappelijk onderzoek, met vermelding van de begin- en einddatum, alsook van de bezoldiging of de subsidie die ten minste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen;
2° voor een gesubsidieerde navorser het bewijs van de toekenning van de subsidie;
3° een fotokopie van het universitaire diploma van de betrokkene, namelijk het bewijs dat hij houder is van een doctoraat op proefschrift of van een academische titel die als gelijkwaardig wordt beoordeeld, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
4° voor een gasthoogleraar, tenzij het bewijs wordt geleverd dat zijn uitzendende instelling hem gedurende zijn verblijf verder bezoldigt, het bewijs dat hem een bezoldiging wordt toegekend die overeenstemt met het barema van het onderwijspersoneel in de universiteit of in de instelling van hoger onderwijs.]1
1° voor de navorsers het voltijdse programma van wetenschappelijk onderzoek, met vermelding van de begin- en einddatum, alsook van de bezoldiging of de subsidie die ten minste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen;
2° voor een gesubsidieerde navorser het bewijs van de toekenning van de subsidie;
3° een fotokopie van het universitaire diploma van de betrokkene, namelijk het bewijs dat hij houder is van een doctoraat op proefschrift of van een academische titel die als gelijkwaardig wordt beoordeeld, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
4° voor een gasthoogleraar, tenzij het bewijs wordt geleverd dat zijn uitzendende instelling hem gedurende zijn verblijf verder bezoldigt, het bewijs dat hem een bezoldiging wordt toegekend die overeenstemt met het barema van het onderwijspersoneel in de universiteit of in de instelling van hoger onderwijs.]1
Art. 18/6 _REGION_FLAMANDE.
[1 Pour les chercheurs ou les professeurs invités visés à l'article 9, alinéa premier, 8°, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa :
1° pour les chercheurs, le programme de recherche scientifique à plein temps, avec indication des dates de début et de fin, ainsi que la rémunération ou la subvention correspondant au moins au barème des salaires des assistants des universités, des établissements d'enseignement supérieur ou des institutions scientifiques reconnues ;
2° pour un chercheur subventionné, la preuve de l'octroi de la subvention ;
3° une photocopie du diplôme académique de la personne concernée, c'est-à-dire la preuve qu'il est titulaire d'un doctorat sur la base d'une thèse de doctorat ou d'une qualification académique évaluée comme équivalente, avec une version traduite le cas échéant ;
4° pour un professeur invité, sauf si la preuve est apportée que son établissement d'envoi continue de le rémunérer pendant son séjour, la preuve qu'il a reçu une rémunération correspondant au barème des traitements du personnel enseignant de l'université ou de l'établissement d'enseignement supérieur.]1
[1 Pour les chercheurs ou les professeurs invités visés à l'article 9, alinéa premier, 8°, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa :
1° pour les chercheurs, le programme de recherche scientifique à plein temps, avec indication des dates de début et de fin, ainsi que la rémunération ou la subvention correspondant au moins au barème des salaires des assistants des universités, des établissements d'enseignement supérieur ou des institutions scientifiques reconnues ;
2° pour un chercheur subventionné, la preuve de l'octroi de la subvention ;
3° une photocopie du diplôme académique de la personne concernée, c'est-à-dire la preuve qu'il est titulaire d'un doctorat sur la base d'une thèse de doctorat ou d'une qualification académique évaluée comme équivalente, avec une version traduite le cas échéant ;
4° pour un professeur invité, sauf si la preuve est apportée que son établissement d'envoi continue de le rémunérer pendant son séjour, la preuve qu'il a reçu une rémunération correspondant au barème des traitements du personnel enseignant de l'université ou de l'établissement d'enseignement supérieur.]1
Art. 18/6_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Voor navorsers of gasthoogleraren als bedoeld in artikel 9, eerste lid, 8°, voegt de werkgever, naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18 :
1° voor de navorsers, het voltijdse programma van wetenschappelijk onderzoek, met vermelding van de begin- en einddatum, alsook van de bezoldiging of de subsidie die ten minste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen;
2° voor een gesubsidieerde navorser, het bewijs van de toekenning van de subsidie;
3° het bewijs van de uitnodiging en, in voorkomend geval, de selectie, van de door de universiteit, instelling van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instelling;
4° een kopie van het universitaire diploma van de betrokkene, namelijk het bewijs dat hij houder is van een doctoraat op proefschrift of van een academische titel die als gelijkwaardig wordt beoordeeld, en in voorkomend geval een door een beëdigde vertaler vertaalde versie ervan;
5° voor een gasthoogleraar, tenzij het bewijs wordt geleverd dat zijn uitzendende instelling hem gedurende zijn verblijf verder bezoldigt, het bewijs dat hem een bezoldiging wordt toegekend die overeenstemt met het barema van het onderwijspersoneel in de universiteit of in de instelling van hoger onderwijs.]1
1° voor de navorsers, het voltijdse programma van wetenschappelijk onderzoek, met vermelding van de begin- en einddatum, alsook van de bezoldiging of de subsidie die ten minste overeenstemt met het barema van assistent van de universiteiten, instellingen van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instellingen;
2° voor een gesubsidieerde navorser, het bewijs van de toekenning van de subsidie;
3° het bewijs van de uitnodiging en, in voorkomend geval, de selectie, van de door de universiteit, instelling van hoger onderwijs of erkende wetenschappelijke instelling;
4° een kopie van het universitaire diploma van de betrokkene, namelijk het bewijs dat hij houder is van een doctoraat op proefschrift of van een academische titel die als gelijkwaardig wordt beoordeeld, en in voorkomend geval een door een beëdigde vertaler vertaalde versie ervan;
5° voor een gasthoogleraar, tenzij het bewijs wordt geleverd dat zijn uitzendende instelling hem gedurende zijn verblijf verder bezoldigt, het bewijs dat hem een bezoldiging wordt toegekend die overeenstemt met het barema van het onderwijspersoneel in de universiteit of in de instelling van hoger onderwijs.]1
Art. 18/6 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de chercheurs ou de professeurs invités visés à l'article 9, alinéa 1er, 8° :
1° pour les chercheurs, le programme de recherche à temps plein avec mention des dates de début et de fin et de la rémunération ou du subside qui doivent être au moins égaux au barème d'assistant des universités, établissements d'enseignement supérieur ou établissements scientifiques reconnus ;
2° si la demande concerne un chercheur subsidié, la preuve d'octroi du subside ;
3° la preuve de l'invitation et le cas échéant de la sélection, par l'université, l'établissement d'enseignement supérieur ou l'établissement scientifique reconnu ;
4° la copie du diplôme universitaire de l'intéressé, notamment la preuve qu'il est porteur d'un doctorat à thèse ou d'un titre académique jugé équivalent, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré ;
5° pour un professeur invité, à moins qu'il ne soit prouvé que, durant son séjour, son institution d'envoi continue à le rémunérer, la preuve qu'une rémunération conforme au barème du personnel enseignant de l'université ou de l'établissement d'enseignement supérieur lui est allouée.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de chercheurs ou de professeurs invités visés à l'article 9, alinéa 1er, 8° :
1° pour les chercheurs, le programme de recherche à temps plein avec mention des dates de début et de fin et de la rémunération ou du subside qui doivent être au moins égaux au barème d'assistant des universités, établissements d'enseignement supérieur ou établissements scientifiques reconnus ;
2° si la demande concerne un chercheur subsidié, la preuve d'octroi du subside ;
3° la preuve de l'invitation et le cas échéant de la sélection, par l'université, l'établissement d'enseignement supérieur ou l'établissement scientifique reconnu ;
4° la copie du diplôme universitaire de l'intéressé, notamment la preuve qu'il est porteur d'un doctorat à thèse ou d'un titre académique jugé équivalent, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré ;
5° pour un professeur invité, à moins qu'il ne soit prouvé que, durant son séjour, son institution d'envoi continue à le rémunérer, la preuve qu'une rémunération conforme au barème du personnel enseignant de l'université ou de l'établissement d'enseignement supérieur lui est allouée.]1
Art. 18.7 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor gespecialiseerde technici als vermeld in artikel 9, eerste lid, 9°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de leveringsovereenkomst waaruit blijkt dat de installatie die de gespecialiseerde technicus in België monteert, op gang brengt of herstelt, vervaardigd of geleverd is door zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is;
2° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de technicus en zijn in het buitenland gevestigde werkgever, waarbij een kopie gevoegd is van de door de werkgever ondertekende dienstopdracht of opdrachtbrief, met bepaling van de duur van de detachering alsook van de arbeids- en loonvoorwaarden voor de duur van de detachering, in voorkomend geval met een [2 Duitse vertaling]2 ervan.]1
[1 Voor gespecialiseerde technici als vermeld in artikel 9, eerste lid, 9°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de leveringsovereenkomst waaruit blijkt dat de installatie die de gespecialiseerde technicus in België monteert, op gang brengt of herstelt, vervaardigd of geleverd is door zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is;
2° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de technicus en zijn in het buitenland gevestigde werkgever, waarbij een kopie gevoegd is van de door de werkgever ondertekende dienstopdracht of opdrachtbrief, met bepaling van de duur van de detachering alsook van de arbeids- en loonvoorwaarden voor de duur van de detachering, in voorkomend geval met een [2 Duitse vertaling]2 ervan.]1
Art. 18/7 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2. et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de techniciens spécialisés visés à l'article 9, alinéa 1er, 9° :
1° une copie du contrat de fourniture prouvant que l'installation que le technicien spécialisé vient monter, mettre en marche ou réparer en Belgique a été fabriquée ou livrée par son employeur établi à l'étranger;
2° une copie du contrat de travail liant le technicien à son employeur établi à l'étranger, accompagnée d'une copie de l'ordre ou de la lettre de mission, signé par l'employeur, et spécifiant la durée du détachement ainsi que les conditions de travail et de rémunération pour la durée du détachement, accompagnée d'une traduction [2 allemande]2, le cas échéant.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2. et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de techniciens spécialisés visés à l'article 9, alinéa 1er, 9° :
1° une copie du contrat de fourniture prouvant que l'installation que le technicien spécialisé vient monter, mettre en marche ou réparer en Belgique a été fabriquée ou livrée par son employeur établi à l'étranger;
2° une copie du contrat de travail liant le technicien à son employeur établi à l'étranger, accompagnée d'une copie de l'ordre ou de la lettre de mission, signé par l'employeur, et spécifiant la durée du détachement ainsi que les conditions de travail et de rémunération pour la durée du détachement, accompagnée d'une traduction [2 allemande]2, le cas échéant.]1
Art. 18/7_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor gespecialiseerde technici als vermeld in artikel 9, eerste lid, 9°, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een fotokopie van de leveringsovereenkomst waaruit blijkt dat de installatie die de gespecialiseerde technicus komt monteren, die hij in gang komt zetten of die hij komt herstellen, vervaardigd of geleverd is door zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is;
2° een nota met vermelding van de sector en het activiteitengebied van de werkgever die in het buitenland gevestigd is en die zijn werknemer detacheert;
3° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de technicus en zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is, waarbij een fotokopie gevoegd is van de dienstopdracht of de opdrachtbrief, ondertekend door de werkgever, met een beschrijving van de duur van de detachering, alsook van de arbeids- en loonvoorwaarden voor de duur van de detachering, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan.]1
1° een fotokopie van de leveringsovereenkomst waaruit blijkt dat de installatie die de gespecialiseerde technicus komt monteren, die hij in gang komt zetten of die hij komt herstellen, vervaardigd of geleverd is door zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is;
2° een nota met vermelding van de sector en het activiteitengebied van de werkgever die in het buitenland gevestigd is en die zijn werknemer detacheert;
3° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de technicus en zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is, waarbij een fotokopie gevoegd is van de dienstopdracht of de opdrachtbrief, ondertekend door de werkgever, met een beschrijving van de duur van de detachering, alsook van de arbeids- en loonvoorwaarden voor de duur van de detachering, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan.]1
Art. 18/7 _REGION_FLAMANDE.
[1 Pour les techniciens spécialisés visés à l'article 9, alinéa premier, 9°, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa :
1° une photocopie du contrat de fourniture démontrant que l'installation que le technicien spécialisé doit monter, mettre en service ou réparer, a été fabriquée ou fournie par son employeur établi à l'étranger ;
2° une note indiquant le secteur et le domaine d'activité de l'employeur établi à l'étranger qui détache son employé ;
3° une photocopie du contrat de travail entre le technicien et son employeur établi à l'étranger, accompagnée d'une photocopie de la mission ou de la lettre de mission signée par l'employeur, décrivant la durée du détachement ainsi que les conditions de travail et de salaire pour la durée du détachement, y compris, le cas échéant, une version traduite.]1
[1 Pour les techniciens spécialisés visés à l'article 9, alinéa premier, 9°, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa :
1° une photocopie du contrat de fourniture démontrant que l'installation que le technicien spécialisé doit monter, mettre en service ou réparer, a été fabriquée ou fournie par son employeur établi à l'étranger ;
2° une note indiquant le secteur et le domaine d'activité de l'employeur établi à l'étranger qui détache son employé ;
3° une photocopie du contrat de travail entre le technicien et son employeur établi à l'étranger, accompagnée d'une photocopie de la mission ou de la lettre de mission signée par l'employeur, décrivant la durée du détachement ainsi que les conditions de travail et de salaire pour la durée du détachement, y compris, le cas échéant, une version traduite.]1
Art. 18/7_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Voor gespecialiseerde techniekers als bedoeld in artikel 9, eerste lid, 9°, voegt de werkgever, naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18 :
1° een kopie van de leveringsovereenkomst waaruit blijkt dat de installatie die de gespecialiseerde technicus komt monteren, op gang brengen of herstellen vervaardigd of geleverd is door zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is;
2° een nota met vermelding van de sector en het activiteitengebied van de in het buitenland gevestigde werkgever die zijn werknemer detacheert;
3° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de technicus en zijn in het buitenland gevestigde werkgever, waarbij een kopie gevoegd is van de dienstopdracht of de opdrachtbrief, ondertekend door de werkgever, met een beschrijving van de duur van de detachering alsook van de arbeids- en loonvoorwaarden voor de duur van de detachering, en in voorkomend geval een door een beëdigde vertaler vertaalde versie ervan.]1
1° een kopie van de leveringsovereenkomst waaruit blijkt dat de installatie die de gespecialiseerde technicus komt monteren, op gang brengen of herstellen vervaardigd of geleverd is door zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is;
2° een nota met vermelding van de sector en het activiteitengebied van de in het buitenland gevestigde werkgever die zijn werknemer detacheert;
3° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de technicus en zijn in het buitenland gevestigde werkgever, waarbij een kopie gevoegd is van de dienstopdracht of de opdrachtbrief, ondertekend door de werkgever, met een beschrijving van de duur van de detachering alsook van de arbeids- en loonvoorwaarden voor de duur van de detachering, en in voorkomend geval een door een beëdigde vertaler vertaalde versie ervan.]1
Art. 18/7 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de techniciens spécialisés visés à l'article 9, alinéa 1er, 9:
1° la copie du contrat de fourniture qui prouve que l'installation que le technicien spécialisé vient monter, mettre en marche ou réparer est fabriquée ou livrée par son employeur établi à l'étranger ;
2° une note précisant le secteur et le domaine d'activités de l'employeur établi à l'étranger qui détache son travailleur ;
3° la copie du contrat de travail liant le technicien à son employeur établi à l'étranger, accompagnée d'une copie de l'ordre de mission ou de la lettre de mission, signé par l'employeur, spécifiant la durée du détachement ainsi que les conditions de travail et de rémunération pour la durée du détachement, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de techniciens spécialisés visés à l'article 9, alinéa 1er, 9:
1° la copie du contrat de fourniture qui prouve que l'installation que le technicien spécialisé vient monter, mettre en marche ou réparer est fabriquée ou livrée par son employeur établi à l'étranger ;
2° une note précisant le secteur et le domaine d'activités de l'employeur établi à l'étranger qui détache son travailleur ;
3° la copie du contrat de travail liant le technicien à son employeur établi à l'étranger, accompagnée d'une copie de l'ordre de mission ou de la lettre de mission, signé par l'employeur, spécifiant la durée du détachement ainsi que les conditions de travail et de rémunération pour la durée du détachement, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré.]1
Art. 18.8 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor werknemers als vermeld in artikel 9, eerste lid, 10°, die gedetacheerd werden om een opleiding van hoogstens zes maanden te volgen die verbonden is aan een met een Belgische onderneming gesloten verkoopcontract, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de in het buitenland gevestigde werkgever, in voorkomend geval met een [2 Duitse vertaling]2 ervan;
2° een kopie van de opleidingsovereenkomst die bij het verkoopcontract gevoegd werd, met vermelding van de duur van de opleiding, alsook de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de opleiding;
3° een kopie van het verkoopcontract tussen de Belgische onderneming en de in het buitenland gevestigde werkgever.]1
[1 Voor werknemers als vermeld in artikel 9, eerste lid, 10°, die gedetacheerd werden om een opleiding van hoogstens zes maanden te volgen die verbonden is aan een met een Belgische onderneming gesloten verkoopcontract, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de in het buitenland gevestigde werkgever, in voorkomend geval met een [2 Duitse vertaling]2 ervan;
2° een kopie van de opleidingsovereenkomst die bij het verkoopcontract gevoegd werd, met vermelding van de duur van de opleiding, alsook de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de opleiding;
3° een kopie van het verkoopcontract tussen de Belgische onderneming en de in het buitenland gevestigde werkgever.]1
Art. 18/8 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de travailleurs visés à l'article 9, alinéa 1er, 10°, détachés pour une formation de maximum six mois liée à un contrat de vente conclu avec une entreprise belge :
1° une copie du contrat de travail liant le travailleur et l'employeur établi à l'étranger, accompagnée d'une traduction [2 allemande]2, le cas échéant;
2° une copie du contrat de formation qui a été annexé au contrat de vente mentionnant la durée de la formation ainsi que les conditions de travail et de rémunération durant la formation;
3° une copie du contrat de vente conclu entre l'entreprise belge et l'employeur établi à l'étranger.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de travailleurs visés à l'article 9, alinéa 1er, 10°, détachés pour une formation de maximum six mois liée à un contrat de vente conclu avec une entreprise belge :
1° une copie du contrat de travail liant le travailleur et l'employeur établi à l'étranger, accompagnée d'une traduction [2 allemande]2, le cas échéant;
2° une copie du contrat de formation qui a été annexé au contrat de vente mentionnant la durée de la formation ainsi que les conditions de travail et de rémunération durant la formation;
3° une copie du contrat de vente conclu entre l'entreprise belge et l'employeur établi à l'étranger.]1
Art. 18/8_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor werknemers als vermeld in artikel 9, eerste lid, 10°, die gedetacheerd worden om een opleiding te volgen gedurende hoogstens zes maanden in de nasleep van een met een Belgische onderneming gesloten verkoopcontract, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de werkgever die in het buitenland gevestigd is, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
2° een fotokopie van de opleidingsovereenkomst die bij het verkoopcontract gevoegd is, met bepaling van de duur van de opleiding, alsook van de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de opleiding;
3° een fotokopie van het verkoopcontract tussen de Belgische onderneming en de werkgever die in het buitenland gevestigd is.]1
1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de werkgever die in het buitenland gevestigd is, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
2° een fotokopie van de opleidingsovereenkomst die bij het verkoopcontract gevoegd is, met bepaling van de duur van de opleiding, alsook van de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de opleiding;
3° een fotokopie van het verkoopcontract tussen de Belgische onderneming en de werkgever die in het buitenland gevestigd is.]1
Art. 18/8 _REGION_FLAMANDE.
[1 Pour les travailleurs visés à l'article 9, alinéa premier, 10°, qui sont détachés pour suivre une formation d'une durée maximale de six mois à la suite d'un contrat de vente conclu avec une entreprise belge, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3, les documents suivants :
1° une photocopie du contrat de travail entre le salarié et l'employeur établi à l'étranger, accompagnée, le cas échéant, d'une version traduite ;
2° une photocopie de la convention de formation jointe au contrat de vente, avec indication de la durée de la formation, ainsi que des conditions de travail et de salaire pendant la formation ;
3° une photocopie du contrat de vente entre la société belge et l'employeur établi à l'étranger.]1
[1 Pour les travailleurs visés à l'article 9, alinéa premier, 10°, qui sont détachés pour suivre une formation d'une durée maximale de six mois à la suite d'un contrat de vente conclu avec une entreprise belge, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3, les documents suivants :
1° une photocopie du contrat de travail entre le salarié et l'employeur établi à l'étranger, accompagnée, le cas échéant, d'une version traduite ;
2° une photocopie de la convention de formation jointe au contrat de vente, avec indication de la durée de la formation, ainsi que des conditions de travail et de salaire pendant la formation ;
3° une photocopie du contrat de vente entre la société belge et l'employeur établi à l'étranger.]1
Art. 18/8_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Voor werknemers als bedoeld in artikel 9, eerste lid, 10°, die gedetacheerd worden om een opleiding te volgen gedurende hoogstens zes maanden in de nasleep van een met een Belgische onderneming gesloten verkoopcontract, voegt de werkgever, naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18 :
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de in het buitenland gevestigde werkgever, en in voorkomend geval een door een beëdigde vertaler vertaalde versie ervan;
2° een kopie van de opleidingsovereenkomst die bij het verkoopcontract gevoegd is, met bepaling van de duur van de opleiding, alsook van de arbeids-en loonvoorwaarden tijdens de opleiding;
3° een kopie van het verkoopcontract tussen de Belgische onderneming en de in het buitenland gevestigde werkgever.]1
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de in het buitenland gevestigde werkgever, en in voorkomend geval een door een beëdigde vertaler vertaalde versie ervan;
2° een kopie van de opleidingsovereenkomst die bij het verkoopcontract gevoegd is, met bepaling van de duur van de opleiding, alsook van de arbeids-en loonvoorwaarden tijdens de opleiding;
3° een kopie van het verkoopcontract tussen de Belgische onderneming en de in het buitenland gevestigde werkgever.]1
Art. 18/8 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de travailleurs visés à l'article 9, alinéa 1er, 10°, détachés pour une formation de maximum six mois accessoire à un contrat de vente conclu avec une entreprise belge :
1° la copie du contrat de travail liant le travailleur et l'employeur établi à l'étranger, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré ;
2° la copie du contrat de formation accessoire au contrat de vente mentionnant la durée de la formation ainsi que les conditions de travail et de rémunération durant la formation ;
3° la copie du contrat de vente conclu entre l'entreprise belge et l'employeur établi à l'étranger.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de travailleurs visés à l'article 9, alinéa 1er, 10°, détachés pour une formation de maximum six mois accessoire à un contrat de vente conclu avec une entreprise belge :
1° la copie du contrat de travail liant le travailleur et l'employeur établi à l'étranger, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré ;
2° la copie du contrat de formation accessoire au contrat de vente mentionnant la durée de la formation ainsi que les conditions de travail et de rémunération durant la formation ;
3° la copie du contrat de vente conclu entre l'entreprise belge et l'employeur établi à l'étranger.]1
Art. 18.9 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor beroepssportlui en trainers als vermeld in artikel 9, eerste lid, 11°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de gedagtekende en door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars in overeenstemming met de artikelen 2 tot 9 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars;
2° een verklaring op erewoord, waarbij de werkgever er zich toe verbindt de betaling van het bedrag van de bezoldiging vermeld in artikel 9, eerste lid, 11°, te eerbiedigen.]1
[1 Voor beroepssportlui en trainers als vermeld in artikel 9, eerste lid, 11°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de gedagtekende en door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars in overeenstemming met de artikelen 2 tot 9 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars;
2° een verklaring op erewoord, waarbij de werkgever er zich toe verbindt de betaling van het bedrag van de bezoldiging vermeld in artikel 9, eerste lid, 11°, te eerbiedigen.]1
Art. 18/9 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de sportifs professionnels ou d'entraîneurs visés à l'article 9, alinéa 1er, 11° :
1° une copie du contrat de travail de sportif rémunéré conforme aux dispositions des articles 2 à 9 de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré, daté et signé par les deux parties;
2° une déclaration sur l'honneur par laquelle l'employeur s'engage à respecter le montant de rémunération visé à l'article 9, alinéa 1er, 11°.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de sportifs professionnels ou d'entraîneurs visés à l'article 9, alinéa 1er, 11° :
1° une copie du contrat de travail de sportif rémunéré conforme aux dispositions des articles 2 à 9 de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré, daté et signé par les deux parties;
2° une déclaration sur l'honneur par laquelle l'employeur s'engage à respecter le montant de rémunération visé à l'article 9, alinéa 1er, 11°.]1
Art. 18/9_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor beroepssportlui of trainers als vermeld in artikel 9, eerste lid, 11°, van dit besluit, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3 van dit besluit, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, van dit besluit :
1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst van betaalde sportbeoefenaar conform artikel 2 tot en met 9 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
2° een verklaring op erewoord, waarbij de werkgever zich ertoe verbindt het bedrag van de bezoldiging, vermeld in artikel 9, eerste lid, 11°, van dit besluit, te eerbiedigen.]1
1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst van betaalde sportbeoefenaar conform artikel 2 tot en met 9 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
2° een verklaring op erewoord, waarbij de werkgever zich ertoe verbindt het bedrag van de bezoldiging, vermeld in artikel 9, eerste lid, 11°, van dit besluit, te eerbiedigen.]1
Art. 18/9 _REGION_FLAMANDE.
[1 Pour les athlètes ou entraîneurs professionnels visés à l'article 9, alinéa premier, 11°, du présent arrêté, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3 du présent arrêté, l'employeur doit joindre les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, du présent arrêté :
1° une photocopie du contrat de travail d'un sportif rémunéré conformément aux article 2 à 9 inclus de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail des sportifs rémunérés, datée et signée par les deux parties ;
2° une déclaration sur l'honneur, par laquelle l'employeur s'engage à respecter le montant de la rémunération visée à l'article 9, alinéa premier, 11°, du présent arrêté.]1
[1 Pour les athlètes ou entraîneurs professionnels visés à l'article 9, alinéa premier, 11°, du présent arrêté, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3 du présent arrêté, l'employeur doit joindre les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, du présent arrêté :
1° une photocopie du contrat de travail d'un sportif rémunéré conformément aux article 2 à 9 inclus de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail des sportifs rémunérés, datée et signée par les deux parties ;
2° une déclaration sur l'honneur, par laquelle l'employeur s'engage à respecter le montant de la rémunération visée à l'article 9, alinéa premier, 11°, du présent arrêté.]1
Art. 18/9_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Voor beroepssportlui of trainers als bedoeld in artikel 9, eerste lid, 11°, voegt de werkgever, naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18 :
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst van betaalde sportbeoefenaar overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 tot 9 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, gedagtekend en ondertekend door beide partijen ;
2° een verklaring op erewoord, waarbij de werkgever er zich toe verbindt het bedrag van bezoldiging vermeld in artikel 9, eerste lid, 11° te eerbiedigen.]1
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst van betaalde sportbeoefenaar overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 tot 9 van de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars, gedagtekend en ondertekend door beide partijen ;
2° een verklaring op erewoord, waarbij de werkgever er zich toe verbindt het bedrag van bezoldiging vermeld in artikel 9, eerste lid, 11° te eerbiedigen.]1
Art. 18/9 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de sportifs professionnels ou d'entraîneurs visés à l'article 9, alinéa 1er, 11° :
1° la copie du contrat de travail de sportif rémunéré conforme aux dispositions des articles 2 à 9 de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré, daté et signé par les deux parties ;
2° une déclaration sur l'honneur par laquelle l'employeur s'engage à respecter le montant de rémunération visé à l'article 9, alinéa1er, 11°.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de sportifs professionnels ou d'entraîneurs visés à l'article 9, alinéa 1er, 11° :
1° la copie du contrat de travail de sportif rémunéré conforme aux dispositions des articles 2 à 9 de la loi du 24 février 1978 relative au contrat de travail du sportif rémunéré, daté et signé par les deux parties ;
2° une déclaration sur l'honneur par laquelle l'employeur s'engage à respecter le montant de rémunération visé à l'article 9, alinéa1er, 11°.]1
Art. 18.10 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor personen als vermeld in artikel 9, eerste lid, 12° en 13°, die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een exploitatiezetel in België of in een toeristische dienst van hun land voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst conform de bepalingen van titel I en titel III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en door beide partijen ondertekend, of, in geval van detachering, een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever, in voorkomend geval met een [2 Duitse vertaling]2 ervan;
2° in geval van detachering, een attest ondertekend door de werkgever waarin hij de duur van de detachering bepaalt, alsook de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de duur van de detachering.]1
[1 Voor personen als vermeld in artikel 9, eerste lid, 12° en 13°, die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een exploitatiezetel in België of in een toeristische dienst van hun land voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst conform de bepalingen van titel I en titel III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en door beide partijen ondertekend, of, in geval van detachering, een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever, in voorkomend geval met een [2 Duitse vertaling]2 ervan;
2° in geval van detachering, een attest ondertekend door de werkgever waarin hij de duur van de detachering bepaalt, alsook de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de duur van de detachering.]1
Art. 18/10 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de travailleurs visés à l'article 9, alinéa 1er, 12° et 13°, exerçant une fonction à responsabilité dans une compagnie aérienne étrangère ayant un siège d'exploitation en Belgique ou dans un office de tourisme de leur pays :
1° une copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties ou, en cas de détachement, une copie du contrat de travail liant le travailleur à son employeur établi à l'étranger, accompagnée d'une traduction [2 allemande]2, le cas échéant;
2° en cas de détachement, une attestation signée par l'employeur précisant la durée de celui-ci ainsi que les conditions de travail et de rémunération durant le détachement;]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de travailleurs visés à l'article 9, alinéa 1er, 12° et 13°, exerçant une fonction à responsabilité dans une compagnie aérienne étrangère ayant un siège d'exploitation en Belgique ou dans un office de tourisme de leur pays :
1° une copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties ou, en cas de détachement, une copie du contrat de travail liant le travailleur à son employeur établi à l'étranger, accompagnée d'une traduction [2 allemande]2, le cas échéant;
2° en cas de détachement, une attestation signée par l'employeur précisant la durée de celui-ci ainsi que les conditions de travail et de rémunération durant le détachement;]1
Art. 18/10_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor werknemers die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een uitbatingszetel in België of in een toeristische dienst van hun land als vermeld in artikel 9, eerste lid, 12° en 13°, van dit besluit, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3 van dit besluit, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, van dit besluit :
1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst conform titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen, of, in geval van detachering, een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
2° in geval van detachering een attest, ondertekend door de werkgever, waarin hij de duur van de detachering bepaalt, alsook de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de detachering.]1
1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst conform titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen, of, in geval van detachering, een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
2° in geval van detachering een attest, ondertekend door de werkgever, waarin hij de duur van de detachering bepaalt, alsook de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de detachering.]1
Art. 18/10 _REGION_FLAMANDE.
[1 Pour les salariés qui exercent une fonction de responsabilité dans une compagnie aérienne étrangère ayant un établissement en Belgique ou dans un office de tourisme de leur pays visé à l'article 9, alinéa premier, 12° et 13°, du présent arrêté, l'employeur doit, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3 du présent arrêté, joindre les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, du présent arrêté :
1° une photocopie du contrat de travail conformément aux titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 sur les contrats de travail, datée et signée par les deux parties, ou, en cas de détachement, une photocopie du contrat de travail entre le salarié et son employeur établi à l'étranger, le cas échéant avec une version traduite de celui-ci ;
2° en cas de détachement, un certificat signé par l'employeur, dans lequel l'employeur détermine la durée du détachement, ainsi que les conditions de travail et de salaire pendant le détachement.]1
[1 Pour les salariés qui exercent une fonction de responsabilité dans une compagnie aérienne étrangère ayant un établissement en Belgique ou dans un office de tourisme de leur pays visé à l'article 9, alinéa premier, 12° et 13°, du présent arrêté, l'employeur doit, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3 du présent arrêté, joindre les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, du présent arrêté :
1° une photocopie du contrat de travail conformément aux titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 sur les contrats de travail, datée et signée par les deux parties, ou, en cas de détachement, une photocopie du contrat de travail entre le salarié et son employeur établi à l'étranger, le cas échéant avec une version traduite de celui-ci ;
2° en cas de détachement, un certificat signé par l'employeur, dans lequel l'employeur détermine la durée du détachement, ainsi que les conditions de travail et de salaire pendant le détachement.]1
Art. 18/10_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Voor werknemers die een verantwoordelijkheidsfunctie uitoefenen in een buitenlandse luchtvaartmaatschappij met een uitbatingszetel in België of in een toeristische dienst van hun land, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, 12° en 13°, voegt de werkgever, naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18 :
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen van titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen, of, in geval van detachering, een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever, en in voorkomend geval een door een beëdigde vertaler vertaalde versie ervan;
2° in geval van detachering, een attest, ondertekend door de werkgever, waarin hij de duur van de detachering bepaalt, alsook de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de detachering.]1
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen van titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen, of, in geval van detachering, een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en zijn in het buitenland gevestigde werkgever, en in voorkomend geval een door een beëdigde vertaler vertaalde versie ervan;
2° in geval van detachering, een attest, ondertekend door de werkgever, waarin hij de duur van de detachering bepaalt, alsook de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de detachering.]1
Art. 18/10 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants lorsqu'il s'agit de travailleurs exerçant une fonction à responsabilité dans une compagnie de navigation aérienne étrangère ayant un siège d'exploitation en Belgique ou dans un office de tourisme de leur pays, visés à l'article 9, alinéa 1er, 12° et 13° :
1° la copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties ou, en cas de détachement, une copie du contrat de travail liant le travailleur à son employeur établi à l'étranger, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré ;
2° en cas de détachement, une attestation signée par l'employeur précisant la durée du détachement ainsi que les conditions de travail et de rémunération durant le détachement.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants lorsqu'il s'agit de travailleurs exerçant une fonction à responsabilité dans une compagnie de navigation aérienne étrangère ayant un siège d'exploitation en Belgique ou dans un office de tourisme de leur pays, visés à l'article 9, alinéa 1er, 12° et 13° :
1° la copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties ou, en cas de détachement, une copie du contrat de travail liant le travailleur à son employeur établi à l'étranger, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré ;
2° en cas de détachement, une attestation signée par l'employeur précisant la durée du détachement ainsi que les conditions de travail et de rémunération durant le détachement.]1
Art. 18.11 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor schouwspelartiesten als vermeld in artikel 9, eerste lid, 15°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de ingevulde, gedagtekende en door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst voor schouwspelartiesten, met alle vermeldingen en bepalingen opgenomen in bijlage II van dit besluit;
2° een brief met uitleg van de werkgever over de aard van de artistieke handelingen in het kader van de toelating tot arbeid.]1
[1 Voor schouwspelartiesten als vermeld in artikel 9, eerste lid, 15°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de ingevulde, gedagtekende en door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst voor schouwspelartiesten, met alle vermeldingen en bepalingen opgenomen in bijlage II van dit besluit;
2° een brief met uitleg van de werkgever over de aard van de artistieke handelingen in het kader van de toelating tot arbeid.]1
Art. 18/11 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit d'artistes de spectacle visés à l'article 9, alinéa 1er, 15° :
1° une copie du contrat de travail pour artiste de spectacle rempli, daté et signé par les deux parties, [2 qui contient toutes]2 les mentions et dispositions prévues à l'annexe II du présent arrêté;
2° une lettre explicative de l'employeur sur la nature des activités artistiques dans le cadre de l'autorisation de travail.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit d'artistes de spectacle visés à l'article 9, alinéa 1er, 15° :
1° une copie du contrat de travail pour artiste de spectacle rempli, daté et signé par les deux parties, [2 qui contient toutes]2 les mentions et dispositions prévues à l'annexe II du présent arrêté;
2° une lettre explicative de l'employeur sur la nature des activités artistiques dans le cadre de l'autorisation de travail.]1
Art. 18/11_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor schouwspelartiesten als vermeld in artikel 9, eerste lid, 15°, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een fotokopie van de naar behoren ingevulde arbeidsovereenkomst voor schouwspelartiest met de vermeldingen en bepalingen, opgenomen in bijlage II, die bij dit besluit is gevoegd, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
2° een brief met uitleg van de werkgever over de aard van de artistieke activiteiten in het kader van de toegang tot arbeid.]1{
1° een fotokopie van de naar behoren ingevulde arbeidsovereenkomst voor schouwspelartiest met de vermeldingen en bepalingen, opgenomen in bijlage II, die bij dit besluit is gevoegd, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
2° een brief met uitleg van de werkgever over de aard van de artistieke activiteiten in het kader van de toegang tot arbeid.]1{
Art. 18/11 _REGION_FLAMANDE.
[1 Pour les artistes de spectacle visés à l'article 9, alinéa premier, 15°, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa :
1° une photocopie du contrat de travail d'un artiste de spectacle, dûment rempli, avec les mentions et dispositions figurant à l'annexe II, qui est jointe au présent décret, datée et signée par les deux parties ;
2° une lettre expliquant à l'employeur la nature des activités artistiques dans le cadre de l'accès au travail.]1
[1 Pour les artistes de spectacle visés à l'article 9, alinéa premier, 15°, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa :
1° une photocopie du contrat de travail d'un artiste de spectacle, dûment rempli, avec les mentions et dispositions figurant à l'annexe II, qui est jointe au présent décret, datée et signée par les deux parties ;
2° une lettre expliquant à l'employeur la nature des activités artistiques dans le cadre de l'accès au travail.]1
Art. 18/11_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Voor schouwspelartiesten als bedoeld in artikel 9, eerste lid, 15°, voegt de werkgever, naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18 :
1° een kopie van de naar behoren ingevulde arbeidsovereenkomst voor schouwspelartiest met de vermeldingen en bepalingen, opgenomen in bijlage II die bij dit besluit is gevoegd, gedagtekend en ondertekend door beide partijen ;
2° een brief met uitleg van de werkgever over de aard van de artistieke activiteiten in het kader van de toegang tot arbeid.
De Gewestminister of de ambtenaar die hij aanwijst kan bijlage II die aan dit besluit is gevoegd, als bedoeld in het eerste lid, wijzigen.]1
1° een kopie van de naar behoren ingevulde arbeidsovereenkomst voor schouwspelartiest met de vermeldingen en bepalingen, opgenomen in bijlage II die bij dit besluit is gevoegd, gedagtekend en ondertekend door beide partijen ;
2° een brief met uitleg van de werkgever over de aard van de artistieke activiteiten in het kader van de toegang tot arbeid.
De Gewestminister of de ambtenaar die hij aanwijst kan bijlage II die aan dit besluit is gevoegd, als bedoeld in het eerste lid, wijzigen.]1
Art. 18/11 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit d'artistes de spectacle visés à l'article 9, alinéa 1er, 15° :
1° la copie du contrat de travail pour artiste de spectacle contenant les mentions et dispositions reprises à l'annexe II qui est jointe à cet arrêté, dûment rempli, daté et signé par les deux parties ;
2° une lettre explicative de l'employeur sur la nature des activités artistiques dans le cadre de l'autorisation de travail.
Le Ministre régional ou le fonctionnaire qu'il désigne peut modifier l'annexe II qui est jointe à cet arrêté, visée à l'alinéa 1er, 1°.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit d'artistes de spectacle visés à l'article 9, alinéa 1er, 15° :
1° la copie du contrat de travail pour artiste de spectacle contenant les mentions et dispositions reprises à l'annexe II qui est jointe à cet arrêté, dûment rempli, daté et signé par les deux parties ;
2° une lettre explicative de l'employeur sur la nature des activités artistiques dans le cadre de l'autorisation de travail.
Le Ministre régional ou le fonctionnaire qu'il désigne peut modifier l'annexe II qui est jointe à cet arrêté, visée à l'alinéa 1er, 1°.]1
Art. 18.12 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor werknemers als vermeld in artikel 9, eerste lid, 18° en 19°, die gedetacheerd worden om een opleiding te volgen in een Belgische zetel van de multinationale groep waartoe hun onderneming behoort, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de in het buitenland gevestigde werkgever, in voorkomend geval met een [2 Duitse vertaling]2 ervan;
2° het bewijs dat de Belgische zetel waar de opleiding plaatsvindt, deel uitmaakt van de multinationale groep waartoe de onderneming van de werknemer behoort;
3° een kopie van de opleidingsovereenkomst, met vermelding van de duur van de opleiding alsook van de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de opleiding in België.]1
[1 Voor werknemers als vermeld in artikel 9, eerste lid, 18° en 19°, die gedetacheerd worden om een opleiding te volgen in een Belgische zetel van de multinationale groep waartoe hun onderneming behoort, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de in het buitenland gevestigde werkgever, in voorkomend geval met een [2 Duitse vertaling]2 ervan;
2° het bewijs dat de Belgische zetel waar de opleiding plaatsvindt, deel uitmaakt van de multinationale groep waartoe de onderneming van de werknemer behoort;
3° een kopie van de opleidingsovereenkomst, met vermelding van de duur van de opleiding alsook van de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de opleiding in België.]1
Art. 18/12 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de travailleurs visés à l'article 9, alinéa 1er, 18° et 19°, détachés pour suivre une formation dans un siège belge du groupe multinational auquel leur entreprise appartient :
1° une copie du contrat de travail liant le travailleur et l'employeur établi à l'étranger, accompagnée d'une traduction [2 allemande]2, le cas échéant;
2° la preuve que le siège belge où la formation a lieu fait partie du groupe multinational auquel l'entreprise du travailleur appartient;
3° une copie du contrat de formation, mentionnant la durée de la formation ainsi que les conditions de travail et de rémunération durant la formation en Belgique.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de travailleurs visés à l'article 9, alinéa 1er, 18° et 19°, détachés pour suivre une formation dans un siège belge du groupe multinational auquel leur entreprise appartient :
1° une copie du contrat de travail liant le travailleur et l'employeur établi à l'étranger, accompagnée d'une traduction [2 allemande]2, le cas échéant;
2° la preuve que le siège belge où la formation a lieu fait partie du groupe multinational auquel l'entreprise du travailleur appartient;
3° une copie du contrat de formation, mentionnant la durée de la formation ainsi que les conditions de travail et de rémunération durant la formation en Belgique.]1
Art. 18/12_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor werknemers die worden gedetacheerd om een opleiding te volgen in een Belgische zetel van de multinationale groep waartoe hun onderneming behoort als vermeld in artikel 9, eerste lid, 18° en 19°, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de werkgever die in het buitenland gevestigd is, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
2° het bewijs dat de Belgische zetel waar de opleiding plaatsvindt, deel uitmaakt van de multinationale groep waartoe de onderneming van de werknemer behoort;
3° een fotokopie van de opleidingsovereenkomst, met vermelding van de duur van de opleiding, alsook van de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de opleiding.]1
1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de werkgever die in het buitenland gevestigd is, in voorkomend geval met een vertaalde versie ervan;
2° het bewijs dat de Belgische zetel waar de opleiding plaatsvindt, deel uitmaakt van de multinationale groep waartoe de onderneming van de werknemer behoort;
3° een fotokopie van de opleidingsovereenkomst, met vermelding van de duur van de opleiding, alsook van de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de opleiding.]1
Art. 18/12 _REGION_FLAMANDE.
[1 Pour les travailleurs détachés pour suivre une formation au siège social belge du groupe multinational auquel appartient leur société au sens de l'article 9, alinéa premier, 18° et 19°, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa :
1° une photocopie du contrat de travail entre le salarié et l'employeur établi à l'étranger, accompagnée, le cas échéant, d'une version traduite ;
2° la preuve que le siège belge où se déroule la formation fait partie du groupe multinational auquel appartient l'entreprise du salarié ;
3° une photocopie de la convention de formation, précisant la durée de la formation, ainsi que les conditions de travail et de salaire pendant la formation.]1
[1 Pour les travailleurs détachés pour suivre une formation au siège social belge du groupe multinational auquel appartient leur société au sens de l'article 9, alinéa premier, 18° et 19°, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa :
1° une photocopie du contrat de travail entre le salarié et l'employeur établi à l'étranger, accompagnée, le cas échéant, d'une version traduite ;
2° la preuve que le siège belge où se déroule la formation fait partie du groupe multinational auquel appartient l'entreprise du salarié ;
3° une photocopie de la convention de formation, précisant la durée de la formation, ainsi que les conditions de travail et de salaire pendant la formation.]1
Art. 18/12_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Voor werknemers die worden gedetacheerd om een opleiding te volgen in een Belgische zetel van de multinationale groep waartoe hun onderneming behoort, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, 18° en 19°, voegt de werkgever, naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18 :
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de in het buitenland gevestigde werkgever, en in voorkomend geval een door een beëdigde vertaler vertaalde versie ervan;
2° het bewijs dat de Belgische zetel waar de opleiding plaatsvindt, behoort tot de multinationale groep waartoe de onderneming van de werknemer behoort;
3° een kopie van de opleidingsovereenkomst, met vermelding van de duur van de opleiding alsook van de arbeids-en loonvoorwaarden tijdens de opleiding.]1
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de in het buitenland gevestigde werkgever, en in voorkomend geval een door een beëdigde vertaler vertaalde versie ervan;
2° het bewijs dat de Belgische zetel waar de opleiding plaatsvindt, behoort tot de multinationale groep waartoe de onderneming van de werknemer behoort;
3° een kopie van de opleidingsovereenkomst, met vermelding van de duur van de opleiding alsook van de arbeids-en loonvoorwaarden tijdens de opleiding.]1
Art. 18/12 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de travailleurs détachés pour suivre une formation dans un siège belge du groupe multinational auquel leur entreprise appartient, visée à l'article 9, alinéa 1er, 18° et 19° :
1° la copie du contrat de travail liant le travailleur à son employeur établi à l'étranger, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré ;
2° la preuve que le siège belge où la formation a lieu fait partie du groupe multinational auquel l'entreprise du travailleur appartient ;
3° la copie du contrat de formation, mentionnant la durée de la formation ainsi que les conditions de travail et de rémunération durant sa formation en Belgique.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de travailleurs détachés pour suivre une formation dans un siège belge du groupe multinational auquel leur entreprise appartient, visée à l'article 9, alinéa 1er, 18° et 19° :
1° la copie du contrat de travail liant le travailleur à son employeur établi à l'étranger, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré ;
2° la preuve que le siège belge où la formation a lieu fait partie du groupe multinational auquel l'entreprise du travailleur appartient ;
3° la copie du contrat de formation, mentionnant la durée de la formation ainsi que les conditions de travail et de rémunération durant sa formation en Belgique.]1
Art. 18.13 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor werknemers als vermeld in artikel 9, eerste lid, 20°, die de status van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben en voor wie de toelating tot arbeid een beroep betreft waarvoor de bevoegde overheid erkend heeft dat er een tekort aan arbeidskrachten is, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de verblijfskaart van langdurig ingezeten onderdaan die de betrokkene verkregen heeft in een andere lidstaat van de Europese Unie, waarin de passende vermelding "langdurig ingezetene-EG" als bedoeld in de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen uitdrukkelijk is opgenomen;
2° een kopie van de gedagtekende en door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen in titel I tot III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.]1
[1 Voor werknemers als vermeld in artikel 9, eerste lid, 20°, die de status van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben en voor wie de toelating tot arbeid een beroep betreft waarvoor de bevoegde overheid erkend heeft dat er een tekort aan arbeidskrachten is, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de verblijfskaart van langdurig ingezeten onderdaan die de betrokkene verkregen heeft in een andere lidstaat van de Europese Unie, waarin de passende vermelding "langdurig ingezetene-EG" als bedoeld in de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen uitdrukkelijk is opgenomen;
2° een kopie van de gedagtekende en door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen in titel I tot III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.]1
Art. 18/13 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de travailleurs visés à l'article 9, alinéa 1er, 20°, ayant le statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, et dont l'autorisation de travail concerne une profession reconnue, par l'autorité compétente, comme connaissant une pénurie de main-d'oeuvre :
1° une copie de la carte de séjour de résident de longue durée, obtenue par l'intéressé dans un autre Etat membre de l'Union européenne, reprenant expressément la mention adéquate " Résident de longue durée-CE " au sens de la directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée;
2° une copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I à III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de travailleurs visés à l'article 9, alinéa 1er, 20°, ayant le statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, et dont l'autorisation de travail concerne une profession reconnue, par l'autorité compétente, comme connaissant une pénurie de main-d'oeuvre :
1° une copie de la carte de séjour de résident de longue durée, obtenue par l'intéressé dans un autre Etat membre de l'Union européenne, reprenant expressément la mention adéquate " Résident de longue durée-CE " au sens de la directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée;
2° une copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I à III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties.]1
Art. 18/13_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor werknemers als vermeld in artikel 9, eerste lid, 20°, van dit besluit, die het statuut van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben, en voor wie de toegang tot arbeid een beroep betreft waarvoor de bevoegde overheid erkend heeft dat er een tekort aan arbeidskrachten is, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3 van dit besluit, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, van dit besluit :
1° bij een eerste aanvraag de fotokopie van de verblijfskaart van langdurig ingezeten onderdaan die de betrokkene verkregen heeft in een andere lidstaat van de Europese Unie, waarin de passende vermelding "langdurig ingezetene-EG" uitdrukkelijk is opgenomen;
2° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst conform titel I tot III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen.]1
1° bij een eerste aanvraag de fotokopie van de verblijfskaart van langdurig ingezeten onderdaan die de betrokkene verkregen heeft in een andere lidstaat van de Europese Unie, waarin de passende vermelding "langdurig ingezetene-EG" uitdrukkelijk is opgenomen;
2° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst conform titel I tot III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen.]1
Art. 18/13 _REGION_FLAMANDE.
[1 Pour les travailleurs visés à l'article 9, alinéa premier, 20°, du présent arrêté qui ont le statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne et pour lesquels l'accès à l'emploi concerne une profession pour laquelle l'autorité compétente a reconnu l'existence d'une pénurie de main-d'oeuvre, l'employeur doit, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3 du présent arrêté, joindre les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, du présent arrêté :
1° dans le cas d'une première demande, la photocopie de la carte de séjour de résident de longue durée acquise par la personne concernée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, qui comporte expressément la référence appropriée à " résident de longue durée CE " ;
2° une photocopie du contrat de travail conformément aux titres I à III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, datée et signée par les deux parties.]1
[1 Pour les travailleurs visés à l'article 9, alinéa premier, 20°, du présent arrêté qui ont le statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne et pour lesquels l'accès à l'emploi concerne une profession pour laquelle l'autorité compétente a reconnu l'existence d'une pénurie de main-d'oeuvre, l'employeur doit, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3 du présent arrêté, joindre les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, du présent arrêté :
1° dans le cas d'une première demande, la photocopie de la carte de séjour de résident de longue durée acquise par la personne concernée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, qui comporte expressément la référence appropriée à " résident de longue durée CE " ;
2° une photocopie du contrat de travail conformément aux titres I à III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, datée et signée par les deux parties.]1
Art. 18/13_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Voor werknemers als bedoeld in artikel 9, eerste lid, 20°, die het statuut van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie genieten, en voor wie de toegang tot arbeid een beroep betreft waarvoor de bevoegde overheid erkend heeft dat er een tekort aan arbeidskrachten is, voegt de werkgever, naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18 :
1° bij een eerste aanvraag, de kopie van de verblijfskaart van langdurig ingezeten onderdaan, door de betrokkene verkregen in een andere lidstaat van de Europese Unie, waarin de passende vermelding "Langdurig ingezetene-EG" uitdrukkelijk is opgenomen;
2° een kopie van de arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen van titel I tot III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen.]1
1° bij een eerste aanvraag, de kopie van de verblijfskaart van langdurig ingezeten onderdaan, door de betrokkene verkregen in een andere lidstaat van de Europese Unie, waarin de passende vermelding "Langdurig ingezetene-EG" uitdrukkelijk is opgenomen;
2° een kopie van de arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen van titel I tot III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen.]1
Art. 18/13 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de travailleurs visés à l'article 9, alinéa 1er, 20°, bénéficiant du statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, et dont l'autorisation de travail concerne une profession reconnue, par l'autorité compétente, comme connaissant une pénurie de main-d'oeuvre :
1° s'il s'agit d'une première demande, la copie de la carte de séjour de résident de longue durée, obtenue par l'intéressé dans un autre état membre de l'Union européenne, reprenant expressément la mention adéquate " Résident de longue durée-CE " ;
2° la copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I à III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de travailleurs visés à l'article 9, alinéa 1er, 20°, bénéficiant du statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, et dont l'autorisation de travail concerne une profession reconnue, par l'autorité compétente, comme connaissant une pénurie de main-d'oeuvre :
1° s'il s'agit d'une première demande, la copie de la carte de séjour de résident de longue durée, obtenue par l'intéressé dans un autre état membre de l'Union européenne, reprenant expressément la mention adéquate " Résident de longue durée-CE " ;
2° la copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I à III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties.]1
Art. 18.14 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 § 1 - Voor werknemers als vermeld in artikel 9, eerste lid, 4°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in de artikelen 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid:
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst conform de bepalingen van titel I en titel III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en door beide partijen ondertekend, of een kopie van een bindend aanbod voor een hooggekwalificeerde baan, voor een periode van ten minste zes maanden;
2° de documenten waaruit blijkt dat betrokkene over een hogere beroepskwalificatie beschikt. Daarbij kan het gaan om volgende documenten:
a) ofwel documenten waaruit 'hogere beroepsvaardigheden' blijken;
b) ofwel een kopie van het diploma van de werknemer dat bevestigt dat hij geslaagd is voor een postsecundaire cyclus van minstens drie jaar hogere studies aan een instelling voor hoger onderwijs die in de Staat waar die instelling gevestigd is, als zodanig erkend is. Het diploma wordt door een vertaler in het Duits vertaald en de kopie wordt door de bevoegde diplomatieke of consulaire post gelegaliseerd;
3° in het geval van een gereglementeerd beroep het bewijs dat voldaan is aan de geldende voorwaarden voor de uitoefening van het gereglementeerde beroep dat in de arbeidsovereenkomst of het bindende baanaanbod is genoemd.
Als het gaat om een werknemer die reeds overeenkomstig artikel 9, eerste lid, 6°, tewerkgesteld is, hoeven de documenten vermeld in het eerste lid, 2° en 3°, niet te worden ingediend, voor zover ze al voor die tewerkstelling gecontroleerd zijn.
Onder 'hogere beroepsvaardigheden' in de zin van het eerste lid, 2°, a), wordt verstaan:
1° de beroepsvaardigheid van leidinggevenden of specialisten op het gebied van informatie- en communicatietechnologie die beschikken over minstens drie jaar beroepservaring, verworven binnen de zeven jaar vóór de aanvraag van een Europese blauwe kaart;
2° bij andere beroepen, het beschikken over minstens vijf jaar beroepservaring die relevant is voor het beroep of de sector die in de arbeidsovereenkomst of het bindende baanaanbod is genoemd.
Als diploma worden beschouwd: alle diploma's, getuigschriften of andere opleidingstitels die uitgereikt zijn door een bevoegde instantie na het succesvol beëindigen van hogere studies, d.i. een geheel van lessen die zijn verstrekt door een instelling voor hoger onderwijs van of erkend door de betrokken Staat, op voorwaarde dat de studies die nodig zijn om het diploma te behalen, minstens drie jaar hebben geduurd.
§ 2 - Voor de houders van een Europese blauwe kaart die in aanmerking komen voor een toelating met het oog op langetermijnmobiliteit, worden de volgende documenten bijgevoegd:
1° de geldige Europese blauwe kaart die door de eerste lidstaat is afgegeven;
2° een geldige arbeidsovereenkomst of een bindend baanaanbod voor een hooggekwalificeerde baan, voor een periode van ten minste zes maanden;
3° in het geval van gereglementeerde beroepen, het bewijs dat voldaan is aan de geldende voorwaarden voor de uitoefening van het gereglementeerde beroep dat in de arbeidsovereenkomst of het bindende baanaanbod is genoemd;
4° in het geval van niet-gereglementeerde beroepen, als de houder van een Europese blauwe kaart minder dan twee jaar in de eerste lidstaat heeft gewerkt, het bewijs van de hogere beroepsvaardigheden voor het uit te voeren werk;
5° een geldig reisdocument;
6° een bewijs dat voldaan is aan de overeenkomstig artikel 30.9, eerste lid, 2°, vastgestelde salarisdrempel.]1
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst conform de bepalingen van titel I en titel III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en door beide partijen ondertekend, of een kopie van een bindend aanbod voor een hooggekwalificeerde baan, voor een periode van ten minste zes maanden;
2° de documenten waaruit blijkt dat betrokkene over een hogere beroepskwalificatie beschikt. Daarbij kan het gaan om volgende documenten:
a) ofwel documenten waaruit 'hogere beroepsvaardigheden' blijken;
b) ofwel een kopie van het diploma van de werknemer dat bevestigt dat hij geslaagd is voor een postsecundaire cyclus van minstens drie jaar hogere studies aan een instelling voor hoger onderwijs die in de Staat waar die instelling gevestigd is, als zodanig erkend is. Het diploma wordt door een vertaler in het Duits vertaald en de kopie wordt door de bevoegde diplomatieke of consulaire post gelegaliseerd;
3° in het geval van een gereglementeerd beroep het bewijs dat voldaan is aan de geldende voorwaarden voor de uitoefening van het gereglementeerde beroep dat in de arbeidsovereenkomst of het bindende baanaanbod is genoemd.
Als het gaat om een werknemer die reeds overeenkomstig artikel 9, eerste lid, 6°, tewerkgesteld is, hoeven de documenten vermeld in het eerste lid, 2° en 3°, niet te worden ingediend, voor zover ze al voor die tewerkstelling gecontroleerd zijn.
Onder 'hogere beroepsvaardigheden' in de zin van het eerste lid, 2°, a), wordt verstaan:
1° de beroepsvaardigheid van leidinggevenden of specialisten op het gebied van informatie- en communicatietechnologie die beschikken over minstens drie jaar beroepservaring, verworven binnen de zeven jaar vóór de aanvraag van een Europese blauwe kaart;
2° bij andere beroepen, het beschikken over minstens vijf jaar beroepservaring die relevant is voor het beroep of de sector die in de arbeidsovereenkomst of het bindende baanaanbod is genoemd.
Als diploma worden beschouwd: alle diploma's, getuigschriften of andere opleidingstitels die uitgereikt zijn door een bevoegde instantie na het succesvol beëindigen van hogere studies, d.i. een geheel van lessen die zijn verstrekt door een instelling voor hoger onderwijs van of erkend door de betrokken Staat, op voorwaarde dat de studies die nodig zijn om het diploma te behalen, minstens drie jaar hebben geduurd.
§ 2 - Voor de houders van een Europese blauwe kaart die in aanmerking komen voor een toelating met het oog op langetermijnmobiliteit, worden de volgende documenten bijgevoegd:
1° de geldige Europese blauwe kaart die door de eerste lidstaat is afgegeven;
2° een geldige arbeidsovereenkomst of een bindend baanaanbod voor een hooggekwalificeerde baan, voor een periode van ten minste zes maanden;
3° in het geval van gereglementeerde beroepen, het bewijs dat voldaan is aan de geldende voorwaarden voor de uitoefening van het gereglementeerde beroep dat in de arbeidsovereenkomst of het bindende baanaanbod is genoemd;
4° in het geval van niet-gereglementeerde beroepen, als de houder van een Europese blauwe kaart minder dan twee jaar in de eerste lidstaat heeft gewerkt, het bewijs van de hogere beroepsvaardigheden voor het uit te voeren werk;
5° een geldig reisdocument;
6° een bewijs dat voldaan is aan de overeenkomstig artikel 30.9, eerste lid, 2°, vastgestelde salarisdrempel.]1
Art. 18/14 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 § 1er - Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de travailleurs visés à l'article 9, alinéa 1er, 4° :
1° une copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties, ou une copie de l'offre d'emploi ferme pour une activité hautement qualifiée d'une durée d'au moins six mois;
2° les documents attestant que la personne concernée dispose de qualifications professionnelles élevées. Il peut s'agir des documents suivants :
a) soit des documents attestant de compétences professionnelles élevées;
b) soit une copie du diplôme du travailleur attestant la réussite d'au moins trois années d'études supérieures postsecondaires dispensées par un établissement d'enseignement supérieur reconnu comme tel par l'Etat où il est établi. Le diplôme est traduit vers l'allemand par un traducteur et la copie est légalisée par le poste diplomatique ou consulaire compétent;
3° dans le cas d'une profession réglementée, la preuve que les conditions applicables à l'exercice de la profession réglementée faisant l'objet du contrat de travail ou de l'offre d'emploi ferme sont remplies.
S'il s'agit de travailleurs ayant déjà été occupés conformément à l'article 9, alinéa 1er, 6°, les documents visés à l'alinéa 1er, 2° et 3°, ne doivent pas être soumis, dans la mesure où ils ont déjà été examinés pour cette occupation.
Par "compétences professionnelles élevées", au sens de l'alinéa 1er, 2°, a), il faut entendre :
1° la compétence professionnelle d'un manager dans le domaine des technologies de l'information et de la communication ou d'un spécialiste dans ce même domaine ayant acquis une expérience professionnelle d'au moins trois ans au cours des sept années précédant la demande de carte bleue européenne;
2° pour les autres professions, le fait de disposer d'une expérience professionnelle pertinente d'au moins cinq ans dans la profession ou le secteur mentionné dans le contrat de travail ou l'offre d'emploi ferme.
Est considéré comme diplôme tout diplôme, certificat ou autre titre de formation délivré par une autorité compétente et obtenu après avoir terminé avec fruit des études supérieures, à savoir une série de cours dans une école supérieure de l'Etat ou reconnue par lui dans l'Etat concerné, à condition que les études nécessaires à son obtention aient duré trois années au moins.
§ 2 - Pour les titulaires d'une carte bleue européenne susceptibles d'obtenir un permis de mobilité de longue durée, les documents suivants sont joints :
1° la carte bleue européenne valide délivrée par le premier Etat membre;
2° un contrat de travail valide ou une offre d'emploi ferme pour un emploi hautement qualifié d'une durée d'au moins six mois;
3° dans le cas des professions réglementées, les preuves que les conditions applicables à l'exercice de la profession réglementée faisant l'objet du contrat de travail ou de l'offre d'emploi ferme sont remplies;
4° dans le cas des professions non réglementées, si le titulaire d'une carte bleue européenne a travaillé moins de deux ans dans le premier Etat membre, la preuve de la possession des qualifications professionnelles élevées pour l'emploi à exercer;
5° un document de voyage en cours de validité;
6° une preuve que le seuil salarial fixé conformément à l'article 30.9, alinéa 1er, 2°, est atteint.]1
1° une copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties, ou une copie de l'offre d'emploi ferme pour une activité hautement qualifiée d'une durée d'au moins six mois;
2° les documents attestant que la personne concernée dispose de qualifications professionnelles élevées. Il peut s'agir des documents suivants :
a) soit des documents attestant de compétences professionnelles élevées;
b) soit une copie du diplôme du travailleur attestant la réussite d'au moins trois années d'études supérieures postsecondaires dispensées par un établissement d'enseignement supérieur reconnu comme tel par l'Etat où il est établi. Le diplôme est traduit vers l'allemand par un traducteur et la copie est légalisée par le poste diplomatique ou consulaire compétent;
3° dans le cas d'une profession réglementée, la preuve que les conditions applicables à l'exercice de la profession réglementée faisant l'objet du contrat de travail ou de l'offre d'emploi ferme sont remplies.
S'il s'agit de travailleurs ayant déjà été occupés conformément à l'article 9, alinéa 1er, 6°, les documents visés à l'alinéa 1er, 2° et 3°, ne doivent pas être soumis, dans la mesure où ils ont déjà été examinés pour cette occupation.
Par "compétences professionnelles élevées", au sens de l'alinéa 1er, 2°, a), il faut entendre :
1° la compétence professionnelle d'un manager dans le domaine des technologies de l'information et de la communication ou d'un spécialiste dans ce même domaine ayant acquis une expérience professionnelle d'au moins trois ans au cours des sept années précédant la demande de carte bleue européenne;
2° pour les autres professions, le fait de disposer d'une expérience professionnelle pertinente d'au moins cinq ans dans la profession ou le secteur mentionné dans le contrat de travail ou l'offre d'emploi ferme.
Est considéré comme diplôme tout diplôme, certificat ou autre titre de formation délivré par une autorité compétente et obtenu après avoir terminé avec fruit des études supérieures, à savoir une série de cours dans une école supérieure de l'Etat ou reconnue par lui dans l'Etat concerné, à condition que les études nécessaires à son obtention aient duré trois années au moins.
§ 2 - Pour les titulaires d'une carte bleue européenne susceptibles d'obtenir un permis de mobilité de longue durée, les documents suivants sont joints :
1° la carte bleue européenne valide délivrée par le premier Etat membre;
2° un contrat de travail valide ou une offre d'emploi ferme pour un emploi hautement qualifié d'une durée d'au moins six mois;
3° dans le cas des professions réglementées, les preuves que les conditions applicables à l'exercice de la profession réglementée faisant l'objet du contrat de travail ou de l'offre d'emploi ferme sont remplies;
4° dans le cas des professions non réglementées, si le titulaire d'une carte bleue européenne a travaillé moins de deux ans dans le premier Etat membre, la preuve de la possession des qualifications professionnelles élevées pour l'emploi à exercer;
5° un document de voyage en cours de validité;
6° une preuve que le seuil salarial fixé conformément à l'article 30.9, alinéa 1er, 2°, est atteint.]1
Wijzigingen
Art. 18/14_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor werknemers als vermeld in artikel 9, eerste lid, 4°, van dit besluit, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3 van dit besluit, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, van dit besluit :
1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst conform titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
2° een fotokopie van het diploma van de werknemer, dat bevestigt dat hij geslaagd is voor een postsecundaire cyclus van minstens drie jaar hogere studies aan een instituut dat erkend is als instelling voor hoger onderwijs door de staat waarin het instituut is gevestigd als vermeld in artikel 15/1, § 2, van dit besluit. Het diploma is naar het Frans of Nederlands vertaald, en het afschrift is door de bevoegde diplomatieke of consulaire post gelegaliseerd.]1
1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst conform titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
2° een fotokopie van het diploma van de werknemer, dat bevestigt dat hij geslaagd is voor een postsecundaire cyclus van minstens drie jaar hogere studies aan een instituut dat erkend is als instelling voor hoger onderwijs door de staat waarin het instituut is gevestigd als vermeld in artikel 15/1, § 2, van dit besluit. Het diploma is naar het Frans of Nederlands vertaald, en het afschrift is door de bevoegde diplomatieke of consulaire post gelegaliseerd.]1
Art. 18/14 _REGION_FLAMANDE.
[1 Pour les salariés visés à l'article 9, alinéa premier, 4°, du présent arrêté, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3 du présent arrêté, l'employeur doit joindre les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, du présent arrêté :
1° une photocopie du contrat de travail conformément aux titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 sur les contrats de travail, datée et signée par les deux parties ;
2° une photocopie du diplôme du salarié confirmant qu'il a accompli un cycle post-secondaire d'études supérieures d'au moins trois ans dans un établissement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel l'établissement est établi tel que mentionné à l'article 15/1, § 2, du présent arrêté. Le diplôme a été traduit en français ou en néerlandais et la copie a été légalisée par la représentation diplomatique ou consulaire compétente.]1
[1 Pour les salariés visés à l'article 9, alinéa premier, 4°, du présent arrêté, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3 du présent arrêté, l'employeur doit joindre les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, du présent arrêté :
1° une photocopie du contrat de travail conformément aux titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 sur les contrats de travail, datée et signée par les deux parties ;
2° une photocopie du diplôme du salarié confirmant qu'il a accompli un cycle post-secondaire d'études supérieures d'au moins trois ans dans un établissement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel l'établissement est établi tel que mentionné à l'article 15/1, § 2, du présent arrêté. Le diplôme a été traduit en français ou en néerlandais et la copie a été légalisée par la représentation diplomatique ou consulaire compétente.]1
Art. 18/14_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Voor werknemers als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 6°, voegt de werkgever, naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, bij het formulier, vermeld in artikel 18, het bewijs dat het om een erkende eredienst gaat, en dat de betrokkene bedienaar van de eredienst is en dit aan de hand een kopie van de aanstellingsakte van de FOD Justitie of van een bewijs van aanstelling door de Belgische verantwoordelijke van de erkende eredienst. De duur van de opdracht wordt vermeld.]1
Art. 18/14 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 S'il s'agit de travailleurs visés à l'article 2, alinéa 1er, 6°, au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint la preuve qu'il s'agit d'un culte reconnu et que l'intéressé est ministre du culte, et ce au moyen d'une copie de l'acte de désignation par le SPF Justice ou de la preuve de la désignation par le responsable belge du culte reconnu. La durée de la mission est mentionnée.]1
[1 S'il s'agit de travailleurs visés à l'article 2, alinéa 1er, 6°, au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint la preuve qu'il s'agit d'un culte reconnu et que l'intéressé est ministre du culte, et ce au moyen d'une copie de l'acte de désignation par le SPF Justice ou de la preuve de la désignation par le responsable belge du culte reconnu. La durée de la mission est mentionnée.]1
Art. 18.15 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor werknemers als vermeld in artikel 2, eerste lid, 6°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid, het bewijs dat het om een erkende eredienst gaat en dat de betrokkene bedienaar van die eredienst is. Het bewijs wordt geleverd met een kopie van de aanstellingsakte van de FOD Justitie of met een kopie van het bewijs van aanstelling door de Belgische verantwoordelijke van de erkende eredienst. De duur en de plaats van de opdracht en de bestaansmiddelen worden vermeld.]1
[1 Voor werknemers als vermeld in artikel 2, eerste lid, 6°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid, het bewijs dat het om een erkende eredienst gaat en dat de betrokkene bedienaar van die eredienst is. Het bewijs wordt geleverd met een kopie van de aanstellingsakte van de FOD Justitie of met een kopie van het bewijs van aanstelling door de Belgische verantwoordelijke van de erkende eredienst. De duur en de plaats van de opdracht en de bestaansmiddelen worden vermeld.]1
Art. 18/15 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint la preuve qu'il s'agit d'un culte reconnu et que l'intéressé est ministre de ce culte, s'il s'agit de travailleurs visés à l'article 2, alinéa 1er, 6°. La preuve est apportée au moyen d'une copie de l'acte de désignation par le SPF Justice ou d'une copie de la désignation par le responsable belge du culte reconnu. La durée et le lieu de la mission, ainsi que les moyens de subsistance sont mentionnés.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint la preuve qu'il s'agit d'un culte reconnu et que l'intéressé est ministre de ce culte, s'il s'agit de travailleurs visés à l'article 2, alinéa 1er, 6°. La preuve est apportée au moyen d'une copie de l'acte de désignation par le SPF Justice ou d'une copie de la désignation par le responsable belge du culte reconnu. La durée et le lieu de la mission, ainsi que les moyens de subsistance sont mentionnés.]1
Art. 18/15_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor de werknemers, vermeld in artikel 2, eerste lid, 6°, voegt de werkgever bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, het bewijs dat het om een erkende eredienst gaat, en dat de betrokkene bedienaar van de eredienst is. Het bewijs wordt geleverd met een afschrift van de aanstellingsakte van de FOD Justitie of van een bewijs van aanstelling door de Belgische verantwoordelijke van de erkende eredienst. De duur van de opdracht en de bestaansmiddelen worden vermeld.]1
Art. 18/15 _REGION_FLAMANDE.
[1 Pour les travailleurs visés à l'article 2, alinéa premier, 6°, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, outre les documents visés aux articles 18/2 et 18/3, la preuve que le service en question est un culte reconnu et que la personne concernée est un ministre du culte. La preuve est fournie au moyen d'une copie de l'acte de nomination du SPF Justice ou d'un certificat de nomination délivré par le responsable belge de la religion reconnue. La durée du contrat et les moyens de subsistance sont indiqués.]1
[1 Pour les travailleurs visés à l'article 2, alinéa premier, 6°, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, outre les documents visés aux articles 18/2 et 18/3, la preuve que le service en question est un culte reconnu et que la personne concernée est un ministre du culte. La preuve est fournie au moyen d'une copie de l'acte de nomination du SPF Justice ou d'un certificat de nomination délivré par le responsable belge de la religion reconnue. La durée du contrat et les moyens de subsistance sont indiqués.]1
Art. 18/15_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Voor personeel dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 7°, voegt de werkgever, naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18 :
1° elk document dat aantoont dat de werknemer wordt tewerkgesteld door een officiële instantie die belast is met het onderhoud van militaire begraafplaatsen, om het onderhoud van de graven van buitenlandse militairen te verzekeren;
2° een kopie van de arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen van titel I tot III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen.]1
1° elk document dat aantoont dat de werknemer wordt tewerkgesteld door een officiële instantie die belast is met het onderhoud van militaire begraafplaatsen, om het onderhoud van de graven van buitenlandse militairen te verzekeren;
2° een kopie van de arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen van titel I tot III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen.]1
Art. 18/15 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit du personnel qui assure l'entretien des sépultures des militaires de nationalité étrangère visé à l'article 2, alinéa 1er, 7° :
1° tout document démontrant que le travailleur est occupé par une instance officielle chargée de l'entretien des sépultures militaires, en vue d'assurer l'entretien des sépultures des militaires de nationalité étrangère ;
2° la copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I à III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit du personnel qui assure l'entretien des sépultures des militaires de nationalité étrangère visé à l'article 2, alinéa 1er, 7° :
1° tout document démontrant que le travailleur est occupé par une instance officielle chargée de l'entretien des sépultures militaires, en vue d'assurer l'entretien des sépultures des militaires de nationalité étrangère ;
2° la copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I à III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties.]1
Art. 18.16 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor personeel dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt als vermeld in artikel 2, eerste lid, 7°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid:
1° elk document dat aantoont dat de werknemer wordt tewerkgesteld door een officiële instantie die belast is met het onderhoud van militaire begraafplaatsen om het onderhoud van de graven van buitenlandse militairen te verzekeren;
2° een kopie van de gedagtekende en door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen in titel I tot III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.]1
[1 Voor personeel dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt als vermeld in artikel 2, eerste lid, 7°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid:
1° elk document dat aantoont dat de werknemer wordt tewerkgesteld door een officiële instantie die belast is met het onderhoud van militaire begraafplaatsen om het onderhoud van de graven van buitenlandse militairen te verzekeren;
2° een kopie van de gedagtekende en door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen in titel I tot III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.]1
Art. 18/16 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit du personnel visé à l'article 2, alinéa 1er, 7°, qui assure l'entretien des sépultures de militaires étrangers :
1° tout document démontrant que le travailleur est occupé par une instance officielle chargée de l'entretien de sépultures étrangères, en vue d'assurer l'entretien des sépultures de militaires étrangers;
2° une copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I à III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit du personnel visé à l'article 2, alinéa 1er, 7°, qui assure l'entretien des sépultures de militaires étrangers :
1° tout document démontrant que le travailleur est occupé par une instance officielle chargée de l'entretien de sépultures étrangères, en vue d'assurer l'entretien des sépultures de militaires étrangers;
2° une copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I à III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties.]1
Art. 18/16_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor het personeel dat de graven van buitenlandse militairen onderhoudt, vermeld in artikel 2, eerste lid, 7°, van dit besluit, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3 van dit besluit, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, van dit besluit :
1° elk document dat aantoont dat de werknemer wordt tewerkgesteld door een officiële instantie die belast is met het onderhoud van militaire begraafplaatsen, om het onderhoud van de graven van buitenlandse militairen te verzekeren;
2° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst conform titel I tot III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen.]1
1° elk document dat aantoont dat de werknemer wordt tewerkgesteld door een officiële instantie die belast is met het onderhoud van militaire begraafplaatsen, om het onderhoud van de graven van buitenlandse militairen te verzekeren;
2° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst conform titel I tot III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen.]1
Art. 18/16 _REGION_FLAMANDE.
[1 Outre les documents visés aux articles 18/2 et 18/3 du présent arrêté, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, du présent décret pour le personnel qui entretient les tombes des militaires étrangers visés à l'article 2, alinéa premier, 7° du présent arrêté :
1° tout document prouvant que l'employé est occupé par un organisme officiel chargé de l'entretien des cimetières militaires afin d'assurer l'entretien des tombes des soldats étrangers ;
2° une photocopie du contrat de travail conformément aux titres I à III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, datée et signée par les deux parties.]1
[1 Outre les documents visés aux articles 18/2 et 18/3 du présent arrêté, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, du présent décret pour le personnel qui entretient les tombes des militaires étrangers visés à l'article 2, alinéa premier, 7° du présent arrêté :
1° tout document prouvant que l'employé est occupé par un organisme officiel chargé de l'entretien des cimetières militaires afin d'assurer l'entretien des tombes des soldats étrangers ;
2° une photocopie du contrat de travail conformément aux titres I à III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, datée et signée par les deux parties.]1
Art. 18/16_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Voor zeelieden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 8°, voegt de werkgever, naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18 :
1° het bewijs van inschrijving op de lijst als bedoeld in artikel 1bis, 1° van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij;
2° een kopie van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst aan boord van zeeschepen, conform de bepalingen van artikel 29 tot 39 van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen, gedagtekend en ondertekend door de zeeman en de werkgever, de reder, zijn gemachtigde of de kapitein.]1
1° het bewijs van inschrijving op de lijst als bedoeld in artikel 1bis, 1° van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij;
2° een kopie van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst aan boord van zeeschepen, conform de bepalingen van artikel 29 tot 39 van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen, gedagtekend en ondertekend door de zeeman en de werkgever, de reder, zijn gemachtigde of de kapitein.]1
Art. 18/16 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de marins visés à l'article 2, alinéa 1er, 8° :
1° la preuve de l'inscription sur la liste visée à l'article 1erbis, 1° de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande ;
2° la copie du contrat d'engagement maritime à bord de navires de mer conforme aux dispositions des articles 29 à 39 de la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail, daté et signé par le marin et l'employeur, l'armateur, son préposé ou le capitaine.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de marins visés à l'article 2, alinéa 1er, 8° :
1° la preuve de l'inscription sur la liste visée à l'article 1erbis, 1° de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande ;
2° la copie du contrat d'engagement maritime à bord de navires de mer conforme aux dispositions des articles 29 à 39 de la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail, daté et signé par le marin et l'employeur, l'armateur, son préposé ou le capitaine.]1
Art. 18.17 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor zeelieden als vermeld in artikel 2, eerste lid, 8°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° het bewijs van inschrijving op de Poollijst;
2° een kopie van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst aan boord van zeeschepen, conform de bepalingen van artikel 29 tot 39 van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen, gedagtekend en ondertekend door de zeeman en de werkgever, de reder, zijn gemachtigde of de kapitein.]1
[1 Voor zeelieden als vermeld in artikel 2, eerste lid, 8°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° het bewijs van inschrijving op de Poollijst;
2° een kopie van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst aan boord van zeeschepen, conform de bepalingen van artikel 29 tot 39 van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen, gedagtekend en ondertekend door de zeeman en de werkgever, de reder, zijn gemachtigde of de kapitein.]1
Art. 18/17 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de marins visés à l'article 2, alinéa 1er, 8° :
1° la preuve de l'inscription sur la liste du Pool;
2° une copie du contrat d'engagement maritime à bord d'un navire conforme aux dispositions des articles 29 à 39 de la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail, daté et signé par le marin et l'employeur, l'armateur, son préposé ou le capitaine.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de marins visés à l'article 2, alinéa 1er, 8° :
1° la preuve de l'inscription sur la liste du Pool;
2° une copie du contrat d'engagement maritime à bord d'un navire conforme aux dispositions des articles 29 à 39 de la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail, daté et signé par le marin et l'employeur, l'armateur, son préposé ou le capitaine.]1
Art. 18/17_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor de zeelieden, vermeld in artikel 2, eerste lid, 8°, van dit besluit, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3 van dit besluit, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, van dit besluit :
1° het bewijs van inschrijving op de Poollijst;
2° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst aan boord van zeeschepen, conform artikel 29 tot en met 39 van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen, gedagtekend en ondertekend door de zeeman en de werkgever, de reder, zijn gemachtigde of de kapitein.]1
1° het bewijs van inschrijving op de Poollijst;
2° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst aan boord van zeeschepen, conform artikel 29 tot en met 39 van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen, gedagtekend en ondertekend door de zeeman en de werkgever, de reder, zijn gemachtigde of de kapitein.]1
Art. 18/17 _REGION_FLAMANDE.
[1 Outre les documents visés aux articles 18/2 et 18/3 du présent décret, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, du présent arrêté les documents suivants concernant les marins visés à l'article 2, alinéa premier, 8°, du présent arrêté :
1° l'attestation d'inscription au Pool ;
2° une photocopie du contrat de travail pour le service à bord des navires de mer, conformément aux articles 29 à 39 de la loi du 3 juin 2007 contenant diverses dispositions relatives à l'emploi, datée et signée par le marin et l'employeur, l'armateur, son mandataire ou le capitaine.]1
[1 Outre les documents visés aux articles 18/2 et 18/3 du présent décret, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, du présent arrêté les documents suivants concernant les marins visés à l'article 2, alinéa premier, 8°, du présent arrêté :
1° l'attestation d'inscription au Pool ;
2° une photocopie du contrat de travail pour le service à bord des navires de mer, conformément aux articles 29 à 39 de la loi du 3 juin 2007 contenant diverses dispositions relatives à l'emploi, datée et signée par le marin et l'employeur, l'armateur, son mandataire ou le capitaine.]1
Art. 18/17_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Aan het formulier bedoeld in artikel 18 en aan de documenten bedoeld in de artikelen 18/2 en 18/3 voegt de werkgever de volgende documenten toe als het gaat om journalisten die in België verblijven en die uitsluitend verbonden zijn aan kranten die in het buitenland uitgegeven worden, of aan in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations, zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, 15° :
1° een kopie van de voorlopige of definitieve perskaart van de journalist, uitgereikt door de bevoegde Belgische diensten;
2° een kopie van de arbeidsovereenkomst die de werknemer bindt aan zijn werkgever, die in het buitenland gevestigd is, met in voorkomend geval een vertaling door een beëdigd vertaler;
3° een attest ondertekend door de werkgever dat de duur van de detachering vermeldt, alsook de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detachering.]1
1° een kopie van de voorlopige of definitieve perskaart van de journalist, uitgereikt door de bevoegde Belgische diensten;
2° een kopie van de arbeidsovereenkomst die de werknemer bindt aan zijn werkgever, die in het buitenland gevestigd is, met in voorkomend geval een vertaling door een beëdigd vertaler;
3° een attest ondertekend door de werkgever dat de duur van de detachering vermeldt, alsook de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden tijdens de detachering.]1
Art. 18/17 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de journalistes séjournant en Belgique qui sont exclusivement attachés à des journaux publiés à l'étranger, ou à des agences de presse, stations de radio ou télévision établies à l'étranger, visés à l'article 2, alinéa 1er, 15° :
1° la copie de la carte de presse provisoire ou définitive du journaliste délivrée par les services belges compétents;
2° la copie du contrat de travail liant le travailleur à son employeur établi à l'étranger, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré;
3° une attestation signée par l'employeur précisant la durée du détachement ainsi que les conditions de travail et de rémunération durant le détachement.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de journalistes séjournant en Belgique qui sont exclusivement attachés à des journaux publiés à l'étranger, ou à des agences de presse, stations de radio ou télévision établies à l'étranger, visés à l'article 2, alinéa 1er, 15° :
1° la copie de la carte de presse provisoire ou définitive du journaliste délivrée par les services belges compétents;
2° la copie du contrat de travail liant le travailleur à son employeur établi à l'étranger, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré;
3° une attestation signée par l'employeur précisant la durée du détachement ainsi que les conditions de travail et de rémunération durant le détachement.]1
Wijzigingen
Art. 18.18 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Aan het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid, en aan de documenten vermeld in de artikelen 18.2 en 18.3 voegt de werkgever de volgende documenten toe als het gaat om journalisten die in België verblijven en die uitsluitend verbonden zijn aan kranten die in het buitenland uitgegeven worden, of aan in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, 3°:
1° een kopie van de voorlopige of definitieve perskaart van de journalist, uitgereikt door de bevoegde overheid;
2° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de in het buitenland gevestigde werkgever, in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan;
3° een attest ondertekend door de werkgever dat de duur van de detachering vermeldt, alsook de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de detachering.]1
[1 Aan het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid, en aan de documenten vermeld in de artikelen 18.2 en 18.3 voegt de werkgever de volgende documenten toe als het gaat om journalisten die in België verblijven en die uitsluitend verbonden zijn aan kranten die in het buitenland uitgegeven worden, of aan in het buitenland gevestigde persagentschappen, radio- of televisiestations, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, 3°:
1° een kopie van de voorlopige of definitieve perskaart van de journalist, uitgereikt door de bevoegde overheid;
2° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de in het buitenland gevestigde werkgever, in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan;
3° een attest ondertekend door de werkgever dat de duur van de detachering vermeldt, alsook de arbeids- en loonvoorwaarden tijdens de detachering.]1
Art. 18/18 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint, s'il s'agit de journalistes séjournant en Belgique et exclusivement attachés à des journaux publiés à l'étranger, ou à des agences de presse, stations de radio ou télévision établies à l'étranger, mentionnés à l'article 9, alinéa 1er, 3°, les documents suivants :
1° une copie de la carte de presse provisoire ou définitive du journaliste, délivrée par l'autorité compétente;
2° la copie du contrat de travail liant le travailleur et l'employeur établi à l'étranger, le cas échéant, accompagnée d'une traduction allemande;
3° une attestation signée par l'employeur précisant la durée du détachement ainsi que les conditions de travail et de rémunération durant le détachement.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint, s'il s'agit de journalistes séjournant en Belgique et exclusivement attachés à des journaux publiés à l'étranger, ou à des agences de presse, stations de radio ou télévision établies à l'étranger, mentionnés à l'article 9, alinéa 1er, 3°, les documents suivants :
1° une copie de la carte de presse provisoire ou définitive du journaliste, délivrée par l'autorité compétente;
2° la copie du contrat de travail liant le travailleur et l'employeur établi à l'étranger, le cas échéant, accompagnée d'une traduction allemande;
3° une attestation signée par l'employeur précisant la durée du détachement ainsi que les conditions de travail et de rémunération durant le détachement.]1
Wijzigingen
Art. 18/18_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor de journalisten die in België verblijven en die uitsluitend verbonden zijn aan dagbladen die in het buitenland uitgegeven worden of aan persagentschappen, radio- of televisiestations die in het buitenland gevestigd zijn, vermeld in artikel 2, eerste lid, 15°, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, een afschrift van de voorlopige of definitieve perskaart van de journalist, afgeleverd door de bevoegde Belgische diensten.]1
Art. 18/18 _REGION_FLAMANDE.
[1 Pour les journalistes résidant en Belgique et qui sont exclusivement liés à des journaux publiés à l'étranger ou à des agences de presse, stations de radio ou de télévision établies à l'étranger, visées à l'article 2, alinéa premier, 15°, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, une copie de la carte de presse provisoire ou définitive du journaliste délivrée par les services belges compétents.]1
[1 Pour les journalistes résidant en Belgique et qui sont exclusivement liés à des journaux publiés à l'étranger ou à des agences de presse, stations de radio ou de télévision établies à l'étranger, visées à l'article 2, alinéa premier, 15°, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, une copie de la carte de presse provisoire ou définitive du journaliste délivrée par les services belges compétents.]1
Art. 18/18_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Voor werknemers als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 20°, voegt de werkgever, naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18 :
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen van titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
2° een kopie van het internationaal akkoord ter uitvoering waarvan de tewerkstelling plaatsvindt;
3° het bewijs dat het internationaal akkoord, ter uitvoering waarvan de tewerkstelling plaatsvindt, bekrachtigd is door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van haar respectieve bevoegdheden.]1
[2 4° bij een wederkerig uitwisselingsprogramma, het bewijs van de wederkerigheid.]2
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen van titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
2° een kopie van het internationaal akkoord ter uitvoering waarvan de tewerkstelling plaatsvindt;
3° het bewijs dat het internationaal akkoord, ter uitvoering waarvan de tewerkstelling plaatsvindt, bekrachtigd is door een federale, gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van haar respectieve bevoegdheden.]1
[2 4° bij een wederkerig uitwisselingsprogramma, het bewijs van de wederkerigheid.]2
Art. 18/18 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de travailleurs visés à l'article 2, alinéa 1er, 20° :
1° la copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties ;
2° la copie de l'accord international en exécution duquel l'occupation a lieu ;
3° la preuve que l'accord international, en exécution duquel l'occupation a lieu, a été approuvé par une autorité fédérale, régionale ou communautaire dans le cadre de leurs compétences respectives]1
[2 4° en cas de programme d'échange basé sur la réciprocité, la preuve de la réciprocité.]2
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de travailleurs visés à l'article 2, alinéa 1er, 20° :
1° la copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties ;
2° la copie de l'accord international en exécution duquel l'occupation a lieu ;
3° la preuve que l'accord international, en exécution duquel l'occupation a lieu, a été approuvé par une autorité fédérale, régionale ou communautaire dans le cadre de leurs compétences respectives]1
[2 4° en cas de programme d'échange basé sur la réciprocité, la preuve de la réciprocité.]2
Art. 18.19 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor werknemers als vermeld in artikel 2, eerste lid, 20°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de gedagtekende en door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen in titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2° een kopie van het internationaal akkoord ter uitvoering waarvan de tewerkstelling plaatsvindt;
3° het bewijs dat het internationale akkoord, ter uitvoering waarvan de tewerkstelling plaatsvindt, bekrachtigd is door een gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van haar respectieve bevoegdheden.]1
[1 Voor werknemers als vermeld in artikel 2, eerste lid, 20°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de gedagtekende en door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen in titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2° een kopie van het internationaal akkoord ter uitvoering waarvan de tewerkstelling plaatsvindt;
3° het bewijs dat het internationale akkoord, ter uitvoering waarvan de tewerkstelling plaatsvindt, bekrachtigd is door een gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van haar respectieve bevoegdheden.]1
Art. 18/19 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de travailleurs visés à l'article 2, alinéa 1er, 20° :
1° une copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I à III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties;
2° une copie de l'accord international en exécution duquel l'occupation a lieu;
3° la preuve que l'accord international, en exécution duquel l'occupation a lieu, a été approuvé par une autorité régionale ou communautaire dans le cadre de leurs compétences respectives.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de travailleurs visés à l'article 2, alinéa 1er, 20° :
1° une copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I à III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties;
2° une copie de l'accord international en exécution duquel l'occupation a lieu;
3° la preuve que l'accord international, en exécution duquel l'occupation a lieu, a été approuvé par une autorité régionale ou communautaire dans le cadre de leurs compétences respectives.]1
Art. 18/19_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor werknemers als vermeld in artikel 2, eerste lid, 20°, van dit besluit, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in de artikel 18/2 en 18/3 van dit besluit, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, van dit besluit :
1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst, conform titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
2° een afschrift van het internationale akkoord ter uitvoering waarvan de tewerkstelling plaatsvindt;
3° het bewijs dat het internationale akkoord ter uitvoering waarvan de tewerkstelling plaatsvindt, bekrachtigd is door een gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van haar respectieve bevoegdheden.]1
1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst, conform titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
2° een afschrift van het internationale akkoord ter uitvoering waarvan de tewerkstelling plaatsvindt;
3° het bewijs dat het internationale akkoord ter uitvoering waarvan de tewerkstelling plaatsvindt, bekrachtigd is door een gewestelijke of gemeenschapsoverheid in het kader van haar respectieve bevoegdheden.]1
Art. 18/19 _REGION_FLAMANDE.
[1 Pour les salariés visés à l'article 2, alinéa premier, 20° du présent arrêté, outre les documents visés aux articles 18/2 et 18/3 du présent arrêté, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, du présent arrêté :
1° une photocopie du contrat de travail conformément aux titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 sur les contrats de travail, datée et signée par les deux parties ;
2° une copie de l'accord international aux termes duquel l'occupation a lieu ;
3° la preuve que l'accord international aux termes duquel l'occupation a lieu a été ratifié par une autorité régionale ou communautaire dans le cadre de ses compétences respectives.]1
[1 Pour les salariés visés à l'article 2, alinéa premier, 20° du présent arrêté, outre les documents visés aux articles 18/2 et 18/3 du présent arrêté, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, du présent arrêté :
1° une photocopie du contrat de travail conformément aux titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 sur les contrats de travail, datée et signée par les deux parties ;
2° une copie de l'accord international aux termes duquel l'occupation a lieu ;
3° la preuve que l'accord international aux termes duquel l'occupation a lieu a été ratifié par une autorité régionale ou communautaire dans le cadre de ses compétences respectives.]1
Art. 18/19_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Voor stagiairs als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 21°, voegt de werkgever, naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18 :
1° een kopie van de stageovereenkomst, gedagtekend en ondertekend door beide partijen, met vermelding van de duur van de stage;
2° bij een stagiair die tewerkgesteld wordt in het kader van een programma dat goedgekeurd is door een internationale instelling van publiek recht die in België gevestigd is, waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, het bewijs van goedkeuring van het programma door de internationale instelling;
3° [2 ...]2]1
1° een kopie van de stageovereenkomst, gedagtekend en ondertekend door beide partijen, met vermelding van de duur van de stage;
2° bij een stagiair die tewerkgesteld wordt in het kader van een programma dat goedgekeurd is door een internationale instelling van publiek recht die in België gevestigd is, waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, het bewijs van goedkeuring van het programma door de internationale instelling;
3° [2 ...]2]1
Art. 18/19 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de stagiaires visés à l'article 2, alinéa 1er, 21° :
1° la copie du contrat de stage daté et signé par les deux parties mentionnant la durée du stage ;
2° s'il s'agit d'un stagiaire occupé dans le cadre d'un programme approuvé par une organisation internationale de droit public établie en Belgique et dont le statut est régi par un traité en vigueur, la preuve de l'approbation de ce programme par l'organisation internationale ;
3° [2 ...]2]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de stagiaires visés à l'article 2, alinéa 1er, 21° :
1° la copie du contrat de stage daté et signé par les deux parties mentionnant la durée du stage ;
2° s'il s'agit d'un stagiaire occupé dans le cadre d'un programme approuvé par une organisation internationale de droit public établie en Belgique et dont le statut est régi par un traité en vigueur, la preuve de l'approbation de ce programme par l'organisation internationale ;
3° [2 ...]2]1
Art. 18.20 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor stagiairs als vermeld in artikel 2, eerste lid, 21°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de gedagtekende en door beide partijen ondertekende stageovereenkomst, met vermelding van de stageduur en de bezoldiging;
2° bij een stagiair die tewerkgesteld wordt in het kader van een programma dat goedgekeurd is door een internationale instelling van publiek recht die in België gevestigd is, waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, het bewijs van goedkeuring van het programma door de internationale instelling;
3° bij een wederkerig uitwisselingsprogramma, het bewijs van de wederkerigheid.]1
[1 Voor stagiairs als vermeld in artikel 2, eerste lid, 21°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de gedagtekende en door beide partijen ondertekende stageovereenkomst, met vermelding van de stageduur en de bezoldiging;
2° bij een stagiair die tewerkgesteld wordt in het kader van een programma dat goedgekeurd is door een internationale instelling van publiek recht die in België gevestigd is, waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, het bewijs van goedkeuring van het programma door de internationale instelling;
3° bij een wederkerig uitwisselingsprogramma, het bewijs van de wederkerigheid.]1
Art. 18/20 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2. et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de stagiaires visés à l'article 2, alinéa 1er, 21° :
1° une copie du contrat de stage daté et signé par les deux parties mentionnant la durée du stage et la rémunération;
2° s'il s'agit d'un stagiaire occupé dans le cadre d'un programme approuvé par une organisation internationale de droit public établie en Belgique, et dont le statut est régi par un traité en vigueur, la preuve de l'approbation de ce programme par l'organisation internationale;
3° en cas de programme d'échanges basé sur la réciprocité, la preuve de celle-ci.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2. et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de stagiaires visés à l'article 2, alinéa 1er, 21° :
1° une copie du contrat de stage daté et signé par les deux parties mentionnant la durée du stage et la rémunération;
2° s'il s'agit d'un stagiaire occupé dans le cadre d'un programme approuvé par une organisation internationale de droit public établie en Belgique, et dont le statut est régi par un traité en vigueur, la preuve de l'approbation de ce programme par l'organisation internationale;
3° en cas de programme d'échanges basé sur la réciprocité, la preuve de celle-ci.]1
Art. 18/20_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor de stagiairs, vermeld in artikel 2, eerste lid, 21°, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een fotokopie van de stageovereenkomst, gedagtekend en ondertekend door beide partijen, met vermelding van de duur van de stage en de hoogte van de vergoeding;
2° bij een stagiair die tewerkgesteld wordt in het kader van een programma dat goedgekeurd is door een internationale instelling van publiek recht die in België gevestigd is en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, het bewijs van goedkeuring van het programma door de internationale instelling;
3° bij een wederkerig uitwisselingsprogramma het bewijs van de wederkerigheid.]1
1° een fotokopie van de stageovereenkomst, gedagtekend en ondertekend door beide partijen, met vermelding van de duur van de stage en de hoogte van de vergoeding;
2° bij een stagiair die tewerkgesteld wordt in het kader van een programma dat goedgekeurd is door een internationale instelling van publiek recht die in België gevestigd is en waarvan het statuut geregeld wordt door een in werking getreden verdrag, het bewijs van goedkeuring van het programma door de internationale instelling;
3° bij een wederkerig uitwisselingsprogramma het bewijs van de wederkerigheid.]1
Art. 18/20 _REGION_FLAMANDE.
[1 Pour les stagiaires visés à l'article 2, alinéa premier, 21°, outre les documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa :
1° une photocopie de la convention de stage, datée et signée par les deux parties, indiquant la durée du stage et le montant de la rémunération ;
2° dans le cas d'un stagiaire employé dans le cadre d'un programme approuvé par un organisme international de droit public établi en Belgique et dont le statut est régi par une convention entrée en vigueur, la preuve de l'approbation du programme par l'organisme international ;
3° la preuve de réciprocité dans le cas d'un programme d'échange réciproque.]1
[1 Pour les stagiaires visés à l'article 2, alinéa premier, 21°, outre les documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa :
1° une photocopie de la convention de stage, datée et signée par les deux parties, indiquant la durée du stage et le montant de la rémunération ;
2° dans le cas d'un stagiaire employé dans le cadre d'un programme approuvé par un organisme international de droit public établi en Belgique et dont le statut est régi par une convention entrée en vigueur, la preuve de l'approbation du programme par l'organisme international ;
3° la preuve de réciprocité dans le cas d'un programme d'échange réciproque.]1
Art. 18/20_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Voor postdoctorale onderdanen van een derde land als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 25°, voegt de werkgever, naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18:
1° het bewijs dat de postdoctorandus houder is van een doctorsgraad of over uitzonderlijke wetenschappelijke kwaliteiten beschikt die geattesteerd zijn door de gastuniversiteit;
2° het bewijs dat de postdoctorandus een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek krijgt;
3° het bewijs dat de postdoctorandus fundamenteel wetenschappelijk onderzoek volbrengt in de gastuniversiteit met vermelding van de duur van het onderzoek.]1
1° het bewijs dat de postdoctorandus houder is van een doctorsgraad of over uitzonderlijke wetenschappelijke kwaliteiten beschikt die geattesteerd zijn door de gastuniversiteit;
2° het bewijs dat de postdoctorandus een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek krijgt;
3° het bewijs dat de postdoctorandus fundamenteel wetenschappelijk onderzoek volbrengt in de gastuniversiteit met vermelding van de duur van het onderzoek.]1
Art. 18/20 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de postdoctorants ressortissants d'un pays tiers visés à l'article 2, alinéa 1er, 25° :
1° la preuve que le postdoctorant est titulaire d'un titre de docteur ou qu'il possède des qualités scientifiques exceptionnelles dont l'existence est attestée par l'université d'accueil ;
2° la preuve que le postdoctorant bénéficie d'un subside à savant ;
3° la preuve que le postdoctorant mène à bien une recherche scientifique fondamentale dans une université d'accueil avec mention de la durée de la recherche.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de postdoctorants ressortissants d'un pays tiers visés à l'article 2, alinéa 1er, 25° :
1° la preuve que le postdoctorant est titulaire d'un titre de docteur ou qu'il possède des qualités scientifiques exceptionnelles dont l'existence est attestée par l'université d'accueil ;
2° la preuve que le postdoctorant bénéficie d'un subside à savant ;
3° la preuve que le postdoctorant mène à bien une recherche scientifique fondamentale dans une université d'accueil avec mention de la durée de la recherche.]1
Art. 18.21 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor postdoctorale vreemdelingen als vermeld in artikel 2, eerste lid, 25°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° het bewijs dat de postdoctorandus houder is van een doctorsgraad of over uitzonderlijke wetenschappelijke kennis beschikt die geattesteerd is door de gastuniversiteit;
2° het bewijs dat de postdoctorandus een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek krijgt, met vermelding van het bedrag van de tegemoetkoming;
3° het bewijs dat de postdoctorandus een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek volbrengt in de gastuniversiteit, met vermelding van de duur van het onderzoek.]1
[1 Voor postdoctorale vreemdelingen als vermeld in artikel 2, eerste lid, 25°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° het bewijs dat de postdoctorandus houder is van een doctorsgraad of over uitzonderlijke wetenschappelijke kennis beschikt die geattesteerd is door de gastuniversiteit;
2° het bewijs dat de postdoctorandus een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek krijgt, met vermelding van het bedrag van de tegemoetkoming;
3° het bewijs dat de postdoctorandus een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek volbrengt in de gastuniversiteit, met vermelding van de duur van het onderzoek.]1
Art. 18/21 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de postdoctorants étrangers visés à l'article 2, alinéa 1er, 25° :
1° la preuve que le postdoctorant est titulaire d'un titre de docteur ou qu'il possède des qualités scientifiques exceptionnelles dont l'existence est attestée par l'université d'accueil;
2° la preuve que le postdoctorant bénéficie d'un subside à savant avec mention du montant de celui-ci;
3° la preuve que le postdoctorant mène à bien une recherche scientifique fondamentale dans une université d'accueil, avec précision de la durée de la recherche.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de postdoctorants étrangers visés à l'article 2, alinéa 1er, 25° :
1° la preuve que le postdoctorant est titulaire d'un titre de docteur ou qu'il possède des qualités scientifiques exceptionnelles dont l'existence est attestée par l'université d'accueil;
2° la preuve que le postdoctorant bénéficie d'un subside à savant avec mention du montant de celui-ci;
3° la preuve que le postdoctorant mène à bien une recherche scientifique fondamentale dans une université d'accueil, avec précision de la durée de la recherche.]1
Art. 18/21_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor de postdoctorale onderdanen van een derde land, vermeld in artikel 2, eerste lid, 25°, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° het bewijs dat de postdoctorandus houder is van een doctorsgraad of over uitzonderlijke wetenschappelijke kwaliteiten beschikt die geattesteerd zijn door de gastuniversiteit;
2° het bewijs dat de postdoctorandus een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek krijgt, met vermelding van het bedrag van de tegemoetkoming;
3° het bewijs dat de postdoctorandus fundamenteel wetenschappelijk onderzoek volbrengt in de gastuniversiteit, met vermelding van de duur van het onderzoek.]1
1° het bewijs dat de postdoctorandus houder is van een doctorsgraad of over uitzonderlijke wetenschappelijke kwaliteiten beschikt die geattesteerd zijn door de gastuniversiteit;
2° het bewijs dat de postdoctorandus een tegemoetkoming voor wetenschappelijk onderzoek krijgt, met vermelding van het bedrag van de tegemoetkoming;
3° het bewijs dat de postdoctorandus fundamenteel wetenschappelijk onderzoek volbrengt in de gastuniversiteit, met vermelding van de duur van het onderzoek.]1
Art. 18/21 _REGION_FLAMANDE.
[1 Pour les ressortissants postdoctoraux d'un pays tiers visés à l'article 2, alinéa premier, 25°, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa :
1° la preuve que le candidat postdoctoral est titulaire d'un doctorat ou possède des qualités scientifiques exceptionnelles certifiées par l'université d'accueil ;
2° la preuve que le candidat postdoctoral reçoit une allocation pour la recherche scientifique, en indiquant le montant de l'allocation ;
3° la preuve que le candidat postdoctoral effectue des recherches scientifiques fondamentales dans l'université d'accueil, en précisant la durée des recherches.]1
[1 Pour les ressortissants postdoctoraux d'un pays tiers visés à l'article 2, alinéa premier, 25°, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa :
1° la preuve que le candidat postdoctoral est titulaire d'un doctorat ou possède des qualités scientifiques exceptionnelles certifiées par l'université d'accueil ;
2° la preuve que le candidat postdoctoral reçoit une allocation pour la recherche scientifique, en indiquant le montant de l'allocation ;
3° la preuve que le candidat postdoctoral effectue des recherches scientifiques fondamentales dans l'université d'accueil, en précisant la durée des recherches.]1
Art. 18/21_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Voor onderzoekers, als bedoeld in afdeling 7 van hoofdstuk VI, voegt de werkgever, naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, bij het formulier, vermeld in artikel 18, de volgende documenten toe:
1° een kopie van de naar behoren ingevulde gastovereenkomst tussen de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
2° als het gaat om een onderzoeker die gebruikmaakt van zijn recht op lange-termijnmobiliteit, een kopie van zijn geldige vergunning voor onderzoeker, uitgereikt door de eerste lidstaat.]1
1° een kopie van de naar behoren ingevulde gastovereenkomst tussen de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
2° als het gaat om een onderzoeker die gebruikmaakt van zijn recht op lange-termijnmobiliteit, een kopie van zijn geldige vergunning voor onderzoeker, uitgereikt door de eerste lidstaat.]1
Art. 18/21 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et des documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants, lorsqu'il s'agit de chercheurs visés à la section 7 du chapitre VI :
1° la copie de la convention d'accueil entre le chercheur et l'organisme de recherche agréé dûment remplie, datée et signée par les deux parties;
2° s'il s'agit d'un chercheur faisant usage de son droit à la mobilité de longue durée, la copie de son permis pour chercheur valable, délivré par le premier Etat membre.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et des documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants, lorsqu'il s'agit de chercheurs visés à la section 7 du chapitre VI :
1° la copie de la convention d'accueil entre le chercheur et l'organisme de recherche agréé dûment remplie, datée et signée par les deux parties;
2° s'il s'agit d'un chercheur faisant usage de son droit à la mobilité de longue durée, la copie de son permis pour chercheur valable, délivré par le premier Etat membre.]1
Wijzigingen
Art. 18.22 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Aan het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid, en aan de documenten bedoeld in de artikelen 18.2 en 18.3 voegt de werkgever de volgende documenten toe als het gaat om onderzoekers zoals bedoeld in hoofdstuk VI, afdeling 7 :
1° een kopie van de ingevulde, gedagtekende en door de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling ondertekende gastovereenkomst;
2° als het gaat om een onderzoeker die gebruikmaakt van zijn recht op langdurige mobiliteit, een kopie van zijn vergunning voor onderzoeker, uitgereikt door de eerste lidstaat.]1
[1 Aan het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid, en aan de documenten bedoeld in de artikelen 18.2 en 18.3 voegt de werkgever de volgende documenten toe als het gaat om onderzoekers zoals bedoeld in hoofdstuk VI, afdeling 7 :
1° een kopie van de ingevulde, gedagtekende en door de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling ondertekende gastovereenkomst;
2° als het gaat om een onderzoeker die gebruikmaakt van zijn recht op langdurige mobiliteit, een kopie van zijn vergunning voor onderzoeker, uitgereikt door de eerste lidstaat.]1
Art. 18.22 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint, s'il s'agit de chercheurs mentionnés au chapitre VI, section 7, les documents suivants :
1° une copie de la convention d'accueil conclue entre le chercheur et l'organisme de recherche agréé, dûment remplie, datée et signée par les deux parties;
2° s'il s'agit d'un chercheur faisant usage de son droit à la mobilité de longue durée, la copie de son permis pour chercheur, délivré par le premier Etat membre.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint, s'il s'agit de chercheurs mentionnés au chapitre VI, section 7, les documents suivants :
1° une copie de la convention d'accueil conclue entre le chercheur et l'organisme de recherche agréé, dûment remplie, datée et signée par les deux parties;
2° s'il s'agit d'un chercheur faisant usage de son droit à la mobilité de longue durée, la copie de son permis pour chercheur, délivré par le premier Etat membre.]1
Wijzigingen
Art. 18/22_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor de onderzoekers, vermeld in artikel 2, eerste lid, 26°, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, een fotokopie van de gastovereenkomst tussen de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling, gedagtekend en ondertekend door beide partijen.]1
Art. 18/22 _REGION_FLAMANDE.
[1 Pour les chercheurs visés à l'article 2, alinéa premier, 26°, outre les documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, une photocopie de la convention d'accueil entre le chercheur et l'institut de recherche agréé, datée et signée par les deux parties.]1
[1 Pour les chercheurs visés à l'article 2, alinéa premier, 26°, outre les documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, une photocopie de la convention d'accueil entre le chercheur et l'institut de recherche agréé, datée et signée par les deux parties.]1
Art. 18/22_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Voor kaderleden en het leidinggevend personeel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 33°, voegt de werkgever, naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in artikel 18 :
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen van titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen, met vermelding van de jaarlijkse bezoldiging dat meer bedraagt dan het bedrag vermeld in artikel 2, eerste lid, 33° ;
2° een attest van een bedrijfsrevisor, opgenomen in de lijst van het Belgisch Instituut voor Bedrijfsrevisoren, dat bevestigt dat de werkgever voldoet aan de wettelijke voorwaarden om als hoofdkwartier te worden aangewezen.]1
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen van titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen, met vermelding van de jaarlijkse bezoldiging dat meer bedraagt dan het bedrag vermeld in artikel 2, eerste lid, 33° ;
2° een attest van een bedrijfsrevisor, opgenomen in de lijst van het Belgisch Instituut voor Bedrijfsrevisoren, dat bevestigt dat de werkgever voldoet aan de wettelijke voorwaarden om als hoofdkwartier te worden aangewezen.]1
Art. 18/22 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de cadres et de personnel de direction visés à l'article 2, alinéa 1er, 33° :
1° la copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties prévoyant une rémunération annuelle dépassant le montant prévu à l'article 2, alinéa 1er, 33° ;
2° une attestation d'un réviseur d'entreprises, repris sur la liste de l'Institut belge des réviseurs d'entreprises certifiant que l'employeur satisfait aux conditions légales pour être qualifié de siège central.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de cadres et de personnel de direction visés à l'article 2, alinéa 1er, 33° :
1° la copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties prévoyant une rémunération annuelle dépassant le montant prévu à l'article 2, alinéa 1er, 33° ;
2° une attestation d'un réviseur d'entreprises, repris sur la liste de l'Institut belge des réviseurs d'entreprises certifiant que l'employeur satisfait aux conditions légales pour être qualifié de siège central.]1
Art. 18/22/1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Aan het formulier bedoeld in artikel 18, aan de documenten bedoeld in [2 artikel 18/3 en in de artikelen 61/29-4, § 3 en 61/29-5, § 2 van de wet van 15 december 1980]2 en aan het bewijs van huisvesting bedoeld in artikel 16 van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 voegt de werkgever, als het gaat om seizoenarbeiders zoals bedoeld in afdeling 4 van hoofdstuk VI, een kopie toe van de arbeidsovereenkomst, in overeenstemming met de bepalingen van titels I tot III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedateerd en ondertekend door beide partijen, met de verbintenis van de werkgever om de reiskosten en ziekteverzekeringskosten van de werknemer op zich te nemen.]1
Art. 18/22/1 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, aux documents visés [2 à l'article 18/3 et aux articles 61/29-4, paragraphe 3 et 61/29-5, paragraphe 2, de la loi du 15 décembre 1980]2 et à la preuve de logement visée à l'article 16 de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018, l'employeur joint, lorsqu'il s'agit de travailleurs saisonniers visés à la section 4 du chapitre VI, la copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I à III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties, comportant l'engagement de l'employeur de prendre en charge les frais de voyage du travailleur et ses frais d'assurance maladie.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, aux documents visés [2 à l'article 18/3 et aux articles 61/29-4, paragraphe 3 et 61/29-5, paragraphe 2, de la loi du 15 décembre 1980]2 et à la preuve de logement visée à l'article 16 de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018, l'employeur joint, lorsqu'il s'agit de travailleurs saisonniers visés à la section 4 du chapitre VI, la copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I à III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties, comportant l'engagement de l'employeur de prendre en charge les frais de voyage du travailleur et ses frais d'assurance maladie.]1
Art. 18/22/2_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 § 1. Aan het formulier bedoeld in artikel 18 en aan de documenten bedoeld in artikelen 18/2 en 18/3 voegt de werkgever de volgende documenten toe, als het gaat om personen die overgeplaatst worden binnen een onderneming zoals bedoeld in artikel 30/5:
1° het bewijs dat de onderneming gevestigd in een derde land en de gastonderneming deel uitmaken van hetzelfde bedrijf of dezelfde bedrijvengroep;
2° een kopie van de arbeidsovereenkomst die de persoon die wordt overgeplaatst binnen een onderneming bindt aan zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is, met in voorkomend geval een vertaling door een beëdigd vertaler;
§ 2. Naast de documenten bedoeld in paragraaf 1 worden de volgende documenten bij de aanvraag gevoegd als het gaat om een leidinggevende ICT of een specialist ICT:
1° een kopie van de opdrachtbrief, ondertekend door de werkgever, waarin de duur van de overplaatsing en de uitgeoefende functie verduidelijkt worden, alsook de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden voor de duur van de overplaatsing, met in voorkomend geval een vertaling door een beëdigd vertaler;
2° een kopie van zijn diploma hoger onderwijs, met in voorkomend geval een vertaling door een beëdigd vertaler;
§ 3. Naast de documenten bedoeld in paragraaf 1 worden de volgende documenten bij de aanvraag gevoegd als het om een stagiair-werknemer ICT gaat:
1° een kopie van de stageovereenkomst waarin de duur van de overplaatsing en het opleidingsprogramma verduidelijkt worden, alsook de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden voor de duur van de overplaatsing, met in voorkomend geval een vertaling door een beëdigd vertaler;
2° een kopie van zijn diploma universitair onderwijs, met in voorkomend geval een vertaling door een beëdigd vertaler.]1
1° het bewijs dat de onderneming gevestigd in een derde land en de gastonderneming deel uitmaken van hetzelfde bedrijf of dezelfde bedrijvengroep;
2° een kopie van de arbeidsovereenkomst die de persoon die wordt overgeplaatst binnen een onderneming bindt aan zijn werkgever die in het buitenland gevestigd is, met in voorkomend geval een vertaling door een beëdigd vertaler;
§ 2. Naast de documenten bedoeld in paragraaf 1 worden de volgende documenten bij de aanvraag gevoegd als het gaat om een leidinggevende ICT of een specialist ICT:
1° een kopie van de opdrachtbrief, ondertekend door de werkgever, waarin de duur van de overplaatsing en de uitgeoefende functie verduidelijkt worden, alsook de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden voor de duur van de overplaatsing, met in voorkomend geval een vertaling door een beëdigd vertaler;
2° een kopie van zijn diploma hoger onderwijs, met in voorkomend geval een vertaling door een beëdigd vertaler;
§ 3. Naast de documenten bedoeld in paragraaf 1 worden de volgende documenten bij de aanvraag gevoegd als het om een stagiair-werknemer ICT gaat:
1° een kopie van de stageovereenkomst waarin de duur van de overplaatsing en het opleidingsprogramma verduidelijkt worden, alsook de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden voor de duur van de overplaatsing, met in voorkomend geval een vertaling door een beëdigd vertaler;
2° een kopie van zijn diploma universitair onderwijs, met in voorkomend geval een vertaling door een beëdigd vertaler.]1
Art. 18/22/2 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 § 1er. Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint, lorsqu'il s'agit de personnes faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe visé à l'article 30/5 :
1° la preuve que l'entreprise établie dans un pays tiers et l'entreprise hôte appartiennent à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises;
2° la copie du contrat de travail liant la personne faisant l'objet d'un transfert intragroupe à son employeur établi à l'étranger, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré;
§ 2. Outre les documents visés au paragraphe 1er, les documents suivants sont joints à la demande, s'il s'agit d'un cadre ICT ou d'un expert ICT:
1° la copie de la lettre de mission, signée par l'employeur, spécifiant la durée du transfert et la fonction exercée ainsi que les conditions de travail et de rémunération pour la durée du transfert, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré;
2° la copie de son diplôme d'enseignement supérieur, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré;
§ 3. Outre les documents visés au paragraphe 1er, les documents suivants sont joints à la demande, s'il s'agit d'un employé stagiaire ICT:
1° la copie de la convention de stage spécifiant la durée du transfert et le programme de formation ainsi que les conditions de travail et de rémunération pour la durée du transfert, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré;
2° la copie de son diplôme d'enseignement universitaire, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré.]1
[1 § 1er. Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint, lorsqu'il s'agit de personnes faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe visé à l'article 30/5 :
1° la preuve que l'entreprise établie dans un pays tiers et l'entreprise hôte appartiennent à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises;
2° la copie du contrat de travail liant la personne faisant l'objet d'un transfert intragroupe à son employeur établi à l'étranger, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré;
§ 2. Outre les documents visés au paragraphe 1er, les documents suivants sont joints à la demande, s'il s'agit d'un cadre ICT ou d'un expert ICT:
1° la copie de la lettre de mission, signée par l'employeur, spécifiant la durée du transfert et la fonction exercée ainsi que les conditions de travail et de rémunération pour la durée du transfert, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré;
2° la copie de son diplôme d'enseignement supérieur, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré;
§ 3. Outre les documents visés au paragraphe 1er, les documents suivants sont joints à la demande, s'il s'agit d'un employé stagiaire ICT:
1° la copie de la convention de stage spécifiant la durée du transfert et le programme de formation ainsi que les conditions de travail et de rémunération pour la durée du transfert, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré;
2° la copie de son diplôme d'enseignement universitaire, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré.]1
Art. 18/22/3_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Aan het formulier bedoeld in artikel 18 en aan de documenten bedoeld in de artikelen 18/2 en 18/3 voegt de werkgever de volgende documenten toe, als het gaat om personen die overgeplaatst worden binnen een onderneming in het kader van lange-termijnmobiliteit duur zoals bedoeld in artikel 30/6:
1° het bewijs dat de onderneming gevestigd in een derde land en de gastonderneming deel uitmaken van hetzelfde bedrijf of dezelfde bedrijvengroep;
2° een kopie van de arbeidsovereenkomst die de persoon die overgeplaatst wordt binnen de onderneming bindt aan zijn werkgever gevestigd in het buitenland, met in voorkomend geval een vertaling door een beëdigd vertaler;
3° een kopie van de opdrachtbrief, met verduidelijking van de duur van de overplaatsing en de uitgeoefende functie alsook de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden voor de duur van de overplaatsing, met in voorkomend geval een vertaling door een beëdigd vertaler;
4° de vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon, uitgereikt door een andere lidstaat.]1
1° het bewijs dat de onderneming gevestigd in een derde land en de gastonderneming deel uitmaken van hetzelfde bedrijf of dezelfde bedrijvengroep;
2° een kopie van de arbeidsovereenkomst die de persoon die overgeplaatst wordt binnen de onderneming bindt aan zijn werkgever gevestigd in het buitenland, met in voorkomend geval een vertaling door een beëdigd vertaler;
3° een kopie van de opdrachtbrief, met verduidelijking van de duur van de overplaatsing en de uitgeoefende functie alsook de arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden voor de duur van de overplaatsing, met in voorkomend geval een vertaling door een beëdigd vertaler;
4° de vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon, uitgereikt door een andere lidstaat.]1
Art. 18/22/3 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint, lorsqu'il s'agit de personnes faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe dans le cadre d'une mobilité de longue durée visée à l'article 30/6 :
1° la preuve que l'entreprise établie dans un pays tiers et l'entreprise hôte appartiennent à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises;
2° la copie du contrat de travail liant la personne faisant l'objet d'un transfert intragroupe à son employeur établi à l'étranger, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré;
3° la copie de la lettre de mission, spécifiant la durée du transfert et la fonction exercée ainsi que les conditions de travail et de rémunération pour la durée du transfert, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré;
4° le permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe délivré par un autre Etat membre]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint, lorsqu'il s'agit de personnes faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe dans le cadre d'une mobilité de longue durée visée à l'article 30/6 :
1° la preuve que l'entreprise établie dans un pays tiers et l'entreprise hôte appartiennent à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises;
2° la copie du contrat de travail liant la personne faisant l'objet d'un transfert intragroupe à son employeur établi à l'étranger, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré;
3° la copie de la lettre de mission, spécifiant la durée du transfert et la fonction exercée ainsi que les conditions de travail et de rémunération pour la durée du transfert, à laquelle sera jointe, le cas échéant, la version traduite par un traducteur juré;
4° le permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe délivré par un autre Etat membre]1
Art. 18/22/4_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Bij het formulier bedoeld in artikel 18 en de documenten bedoeld in [2 "artikel 18/3 en in artikel 61/27-1, §§ § 1 tot 3 van de wet van 15 december 1980]2 voegt de werkgever het volgende, als het gaat om een hoogopgeleide werknemer zoals bedoeld in afdeling 6 van hoofdstuk VI:
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
2° het diploma hoger onderwijs van de werknemer, gelegaliseerd door de bevoegde diplomatieke of consulaire post, met in voorkomend geval een vertaling door een beëdigd vertaler.]1
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen;
2° het diploma hoger onderwijs van de werknemer, gelegaliseerd door de bevoegde diplomatieke of consulaire post, met in voorkomend geval een vertaling door een beëdigd vertaler.]1
Art. 18/22/4 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux [2 à l'article 18/3 et aux paragraphes 1 à 3 de l'article 61/27-1 de la loi du 15 décembre 1980 ]2, l'employeur joint, lorsqu'il s'agit d'un travailleur hautement qualifié visé à la section 6 du chapitre VI :
1° la copie du contrat de travail conforme aux dispositions de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties;
2° le diplôme d'enseignement supérieur du travailleur, légalisé par le poste diplomatique ou consulaire compétent, et auquel sera jointe, le cas échéant, une traduction par un traducteur juré.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux [2 à l'article 18/3 et aux paragraphes 1 à 3 de l'article 61/27-1 de la loi du 15 décembre 1980 ]2, l'employeur joint, lorsqu'il s'agit d'un travailleur hautement qualifié visé à la section 6 du chapitre VI :
1° la copie du contrat de travail conforme aux dispositions de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties;
2° le diplôme d'enseignement supérieur du travailleur, légalisé par le poste diplomatique ou consulaire compétent, et auquel sera jointe, le cas échéant, une traduction par un traducteur juré.]1
Art. 18/22/5_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Aan het formulier bedoeld in artikel 18 en aan de documenten bedoeld in de artikelen 18/2 en 18/3 voegt de gastentiteit het volgende toe, als het gaat om een vrijwilliger in het kader van het Europese vrijwilligerswerk bedoeld in afdeling 8 van hoofdstuk VI:
1° de vrijwilligersovereenkomst met de vermeldingen waarin artikel 30/18 voorziet;
2° het bewijs dat het vrijwilligersprogramma waaraan de vrijwilliger deelneemt goedgekeurd is in het kader van het Europese vrijwilligerswerk.]1
1° de vrijwilligersovereenkomst met de vermeldingen waarin artikel 30/18 voorziet;
2° het bewijs dat het vrijwilligersprogramma waaraan de vrijwilliger deelneemt goedgekeurd is in het kader van het Europese vrijwilligerswerk.]1
Art. 18/22/5 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'entité d'accueil joint, lorsqu'il s'agit d'un volontaire dans le cadre du service volontaire européen visé à la section 8 du chapitre VI :
1° La convention de volontariat comportant les mentions prévues à l'article 30/18;
2° la preuve que le programme de volontariat auquel le volontaire participe a été approuvé dans le cadre du Service volontaire européen.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et aux documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'entité d'accueil joint, lorsqu'il s'agit d'un volontaire dans le cadre du service volontaire européen visé à la section 8 du chapitre VI :
1° La convention de volontariat comportant les mentions prévues à l'article 30/18;
2° la preuve que le programme de volontariat auquel le volontaire participe a été approuvé dans le cadre du Service volontaire européen.]1
Art. 18.23 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor kaderleden en leidinggevend personeel als vermeld in artikel 2, eerste lid, 33°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de gedagtekende en door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen in titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, met vermelding van de jaarlijkse bezoldiging;
2° een attest van een bedrijfsrevisor opgenomen in de lijst van het Instituut voor Bedrijfsrevisoren, dat bevestigt dat de werkgever voldoet aan de wettelijke voorwaarden om als hoofdzetel te worden aangewezen.]1
[1 Voor kaderleden en leidinggevend personeel als vermeld in artikel 2, eerste lid, 33°, voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, de volgende documenten bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid :
1° een kopie van de gedagtekende en door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst, conform de bepalingen in titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, met vermelding van de jaarlijkse bezoldiging;
2° een attest van een bedrijfsrevisor opgenomen in de lijst van het Instituut voor Bedrijfsrevisoren, dat bevestigt dat de werkgever voldoet aan de wettelijke voorwaarden om als hoofdzetel te worden aangewezen.]1
Art. 18/23 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de cadres et de personnel de direction visés à l'article 2, alinéa 1er, 33° :
1° une copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I à III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties, et mentionnant la rémunération annuelle;
2° une attestation d'un réviseur d'entreprises, repris sur la liste de l'Institut belge des réviseurs d'entreprises, certifiant que l'employeur satisfait aux conditions légales pour être qualifié de siège central.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint les documents suivants s'il s'agit de cadres et de personnel de direction visés à l'article 2, alinéa 1er, 33° :
1° une copie du contrat de travail conforme aux dispositions des titres I à III de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, daté et signé par les deux parties, et mentionnant la rémunération annuelle;
2° une attestation d'un réviseur d'entreprises, repris sur la liste de l'Institut belge des réviseurs d'entreprises, certifiant que l'employeur satisfait aux conditions légales pour être qualifié de siège central.]1
Art. 18/23_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor de kaderleden en het leidinggevende personeel, vermeld in artikel 2, eerste lid, 33°, van dit besluit, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, de volgende documenten bij het formulier, vermeld artikel 18, tweede lid :
1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de Belgische hoofdzetel, conform titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen, met vermelding van de jaarlijkse bezoldiging;
2° een attest van een bedrijfsrevisor, opgenomen in de lijst van het Belgisch Instituut van de Bedrijfsrevisoren, dat bevestigt dat de werkgever voldoet aan de wettelijke voorwaarden om als hoofdkwartier te worden aangewezen.]1
1° een fotokopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de Belgische hoofdzetel, conform titel I en III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gedagtekend en ondertekend door beide partijen, met vermelding van de jaarlijkse bezoldiging;
2° een attest van een bedrijfsrevisor, opgenomen in de lijst van het Belgisch Instituut van de Bedrijfsrevisoren, dat bevestigt dat de werkgever voldoet aan de wettelijke voorwaarden om als hoofdkwartier te worden aangewezen.]1
Art. 18/23 _REGION_FLAMANDE.
[1 Pour les cadres et le personnel dirigeant visés à l'article 2, alinéa premier, 33°, du présent arrêté, outre les documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa :
1° une photocopie du contrat de travail entre le salarié et le siège social belge, conformément aux titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 sur les contrats de travail, datée et signée par les deux parties, indiquant la rémunération annuelle ;
2° une attestation d'un réviseur d'entreprise, figurant sur la liste de l'Institut belge des Réviseurs d'entreprises, confirmant que l'employeur remplit les conditions légales pour être désigné comme siège social.]1
[1 Pour les cadres et le personnel dirigeant visés à l'article 2, alinéa premier, 33°, du présent arrêté, outre les documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint les documents suivants au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa :
1° une photocopie du contrat de travail entre le salarié et le siège social belge, conformément aux titres I et III de la loi du 3 juillet 1978 sur les contrats de travail, datée et signée par les deux parties, indiquant la rémunération annuelle ;
2° une attestation d'un réviseur d'entreprise, figurant sur la liste de l'Institut belge des Réviseurs d'entreprises, confirmant que l'employeur remplit les conditions légales pour être désigné comme siège social.]1
Art. 18/23_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Voor alle andere werknemers dan de werknemers, als bedoeld in artikel 18/4 tot en met [2 18/22/5]2, of artikel 18/24 en 18/25, voegt de werkgever, naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, bij het formulier, vermeld in artikel 18, een kopie van de naar behoren ingevulde arbeidsovereenkomst, met de vermeldingen en bepalingen, opgenomen in bijlage I die bij dit besluit is gevoegd, gedagtekend en ondertekend door beide partijen.
De Gewestminister of de ambtenaar die hij aanwijst kan bijlage I die aan dit besluit is gevoegd, als bedoeld in het eerste lid, wijzigen.]1
De Gewestminister of de ambtenaar die hij aanwijst kan bijlage I die aan dit besluit is gevoegd, als bedoeld in het eerste lid, wijzigen.]1
Art. 18/23 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et des documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint, lorsqu'il s'agit de travailleurs non visés par les articles 18/4 à [2 18/22/5]2 inclus, ni par les articles 18/24 ou 18/25, une copie du contrat de travail contenant les mentions et dispositions reprises à l'annexe I, qui est jointe à cet arrêté, dûment rempli, daté et signé par les deux parties.
Le Ministre régional ou le fonctionnaire qu'il désigne peut modifier l'annexe I qui est jointe à cet arrêté, visée à l'alinéa 1er.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18 et des documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint, lorsqu'il s'agit de travailleurs non visés par les articles 18/4 à [2 18/22/5]2 inclus, ni par les articles 18/24 ou 18/25, une copie du contrat de travail contenant les mentions et dispositions reprises à l'annexe I, qui est jointe à cet arrêté, dûment rempli, daté et signé par les deux parties.
Le Ministre régional ou le fonctionnaire qu'il désigne peut modifier l'annexe I qui est jointe à cet arrêté, visée à l'alinéa 1er.]1
Art. 18.23.1 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Aan het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid, en aan de documenten vermeld in de artikelen 18.2 en 18.3 voegt de werkgever de volgende documenten toe, als het gaat om leidinggevenden-ICT of specialisten-ICT als bedoeld in artikel 30.4 :
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de in het buitenland gevestigde werkgever, in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan;
2° het bewijs dat de gastentiteit en de in een derde land gevestigde onderneming behoren tot dezelfde onderneming of dezelfde groep van ondernemingen;
3° een door de werkgever ondertekende opdrachtbrief - in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan - waarin de volgende elementen worden vastgelegd :
a) de duur van de overplaatsing;
b) de vestigingsplaats van de gastentiteit;
c) de functiebeschrijving;
d) de arbeids- en loonvoorwaarden voor de duur van de overplaatsing;
e) de gegevens van de in een derde land gevestigde onderneming waarnaar de werknemer na zijn overplaatsing kan terugkeren;
4° een kopie van het diploma van hoger onderwijs of een bewijs van een passende beroepservaring, in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan.
Aan het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid, en aan de documenten vermeld in de artikelen 18.2 en 18.3 voegt de werkgever de volgende documenten toe, als het gaat om stagiair-werknemers-ICT als bedoeld in artikel 30.4 :
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de in het buitenland gevestigde werkgever, in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan;
2° het bewijs dat de gastentiteit en de in een derde land gevestigde onderneming behoren tot dezelfde onderneming of dezelfde groep van ondernemingen;
3° een door de werkgever ondertekende opdrachtbrief - in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan - waarin de volgende elementen worden vastgelegd :
a) de duur van de overplaatsing;
b) de vestigingsplaats van de gastentiteit;
c) de functiebeschrijving;
d) de arbeids- en loonvoorwaarden voor de duur van de overplaatsing;
e) de gegevens van de in een derde land gevestigde onderneming waarnaar de werknemer na zijn overplaatsing kan terugkeren;
4° een kopie van het universiteitsdiploma, in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan.
Aan het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid, voegt de werkgever de volgende documenten toe, als het gaat om de in artikel 30.6 bedoelde en binnen een onderneming overgeplaatste leidinggevenden-ICT, specialisten-ICT of stagiair-werknemers-ICT die in aanmerking komen voor een vergunning met het oog op langetermijnmobiliteit :
1° een kopie van de vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon die door de eerste lidstaat is uitgereikt en die voor de duur van de procedure geldig is;
2° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de binnen een onderneming overgeplaatste persoon en de in het buitenland gevestigde werkgever, in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan;
3° het bewijs dat de gastentiteit en de in een derde land gevestigde onderneming behoren tot dezelfde onderneming of dezelfde groep van ondernemingen;
4° een door de werkgever ondertekende opdrachtbrief - in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan - waarin de volgende elementen zijn vastgelegd :
a) de duur van de overplaatsing;
b) de functiebeschrijving;
c) de arbeids- en loonvoorwaarden voor de duur van de overplaatsing;
d) de gegevens van de in een derde land gevestigde onderneming waarnaar de werknemer na zijn overplaatsing kan terugkeren.]1
[1 Aan het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid, en aan de documenten vermeld in de artikelen 18.2 en 18.3 voegt de werkgever de volgende documenten toe, als het gaat om leidinggevenden-ICT of specialisten-ICT als bedoeld in artikel 30.4 :
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de in het buitenland gevestigde werkgever, in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan;
2° het bewijs dat de gastentiteit en de in een derde land gevestigde onderneming behoren tot dezelfde onderneming of dezelfde groep van ondernemingen;
3° een door de werkgever ondertekende opdrachtbrief - in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan - waarin de volgende elementen worden vastgelegd :
a) de duur van de overplaatsing;
b) de vestigingsplaats van de gastentiteit;
c) de functiebeschrijving;
d) de arbeids- en loonvoorwaarden voor de duur van de overplaatsing;
e) de gegevens van de in een derde land gevestigde onderneming waarnaar de werknemer na zijn overplaatsing kan terugkeren;
4° een kopie van het diploma van hoger onderwijs of een bewijs van een passende beroepservaring, in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan.
Aan het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid, en aan de documenten vermeld in de artikelen 18.2 en 18.3 voegt de werkgever de volgende documenten toe, als het gaat om stagiair-werknemers-ICT als bedoeld in artikel 30.4 :
1° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de in het buitenland gevestigde werkgever, in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan;
2° het bewijs dat de gastentiteit en de in een derde land gevestigde onderneming behoren tot dezelfde onderneming of dezelfde groep van ondernemingen;
3° een door de werkgever ondertekende opdrachtbrief - in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan - waarin de volgende elementen worden vastgelegd :
a) de duur van de overplaatsing;
b) de vestigingsplaats van de gastentiteit;
c) de functiebeschrijving;
d) de arbeids- en loonvoorwaarden voor de duur van de overplaatsing;
e) de gegevens van de in een derde land gevestigde onderneming waarnaar de werknemer na zijn overplaatsing kan terugkeren;
4° een kopie van het universiteitsdiploma, in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan.
Aan het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid, voegt de werkgever de volgende documenten toe, als het gaat om de in artikel 30.6 bedoelde en binnen een onderneming overgeplaatste leidinggevenden-ICT, specialisten-ICT of stagiair-werknemers-ICT die in aanmerking komen voor een vergunning met het oog op langetermijnmobiliteit :
1° een kopie van de vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon die door de eerste lidstaat is uitgereikt en die voor de duur van de procedure geldig is;
2° een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen de binnen een onderneming overgeplaatste persoon en de in het buitenland gevestigde werkgever, in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan;
3° het bewijs dat de gastentiteit en de in een derde land gevestigde onderneming behoren tot dezelfde onderneming of dezelfde groep van ondernemingen;
4° een door de werkgever ondertekende opdrachtbrief - in voorkomend geval met een Duitse vertaling ervan - waarin de volgende elementen zijn vastgelegd :
a) de duur van de overplaatsing;
b) de functiebeschrijving;
c) de arbeids- en loonvoorwaarden voor de duur van de overplaatsing;
d) de gegevens van de in een derde land gevestigde onderneming waarnaar de werknemer na zijn overplaatsing kan terugkeren.]1
Art. 18/23/1 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint, s'il s'agit de cadres ou d'experts ICT mentionnés à l'article 30.4, les documents suivants :
1° une copie du contrat de travail liant le travailleur et l'employeur établi à l'étranger, le cas échéant, accompagnée d'une traduction allemande;
2° la preuve que l'entité hôte et l'entreprise établie dans un pays tiers appartiennent à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises;
3° la lettre de mission signée par l'employeur, le cas échéant, accompagnée d'une traduction allemande, et dans laquelle sont fixés les éléments suivants :
a) la durée du transfert;
b) le lieu d'implantation de l'entreprise hôte;
c) la description de fonction;
d) les conditions de travail et de rémunération applicables pendant le transfert;
e) les informations concernant l'entreprise établie dans un pays tiers dans laquelle le travailleur peut retourner au terme de son transfert;
4° une copie d'un diplôme de l'enseignement supérieur ou la preuve d'une expérience professionnelle utile, le cas échéant, accompagnée d'une traduction allemande.
Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint, s'il s'agit d'employés stagiaires ICT mentionnés à l'article 30.4, les documents suivants :
1° une copie du contrat de travail liant le travailleur et l'employeur établi à l'étranger, le cas échéant, accompagnée d'une traduction allemande;
2° la preuve que l'entité hôte et l'entreprise établie dans un pays tiers appartiennent à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises;
3° la lettre de mission signée par l'employeur, le cas échéant, accompagnée d'une traduction allemande, et dans laquelle sont fixés les éléments suivants :
a) la durée du transfert;
b) le lieu de l'entreprise hôte;
c) la description de fonction;
d) les conditions de travail et de rémunération applicables pendant le transfert;
e) les informations concernant l'entreprise établie dans un pays tiers dans laquelle le travailleur peut retourner au terme de son transfert;
4° une copie d'un diplôme universitaire, le cas échéant, accompagnée d'une traduction allemande.
Pour les cadres, experts ou employés stagiaires ICT faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe et mentionnés à l'article 30.6, pour lesquels un permis de mobilité de longue durée entre en ligne de compte, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, les documents suivants :
1° une copie du permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe délivré par le premier Etat membre et valable pendant la procédure;
2° une copie du contrat de travail liant la personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe et l'employeur établi à l'étranger, le cas échéant, accompagnée d'une traduction allemande;
3° la preuve que l'entité hôte et l'entreprise établie dans un pays tiers appartiennent à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises;
4° la lettre de mission signée par l'employeur, le cas échéant, accompagnée d'une traduction allemande, et dans laquelle sont fixés les éléments suivants :
a) la durée du transfert;
b) la description de fonction;
c) les conditions de travail et de rémunération applicables pendant le transfert;
d) les informations concernant l'entreprise établie dans un pays tiers dans laquelle le travailleur peut retourner au terme de son transfert.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint, s'il s'agit de cadres ou d'experts ICT mentionnés à l'article 30.4, les documents suivants :
1° une copie du contrat de travail liant le travailleur et l'employeur établi à l'étranger, le cas échéant, accompagnée d'une traduction allemande;
2° la preuve que l'entité hôte et l'entreprise établie dans un pays tiers appartiennent à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises;
3° la lettre de mission signée par l'employeur, le cas échéant, accompagnée d'une traduction allemande, et dans laquelle sont fixés les éléments suivants :
a) la durée du transfert;
b) le lieu d'implantation de l'entreprise hôte;
c) la description de fonction;
d) les conditions de travail et de rémunération applicables pendant le transfert;
e) les informations concernant l'entreprise établie dans un pays tiers dans laquelle le travailleur peut retourner au terme de son transfert;
4° une copie d'un diplôme de l'enseignement supérieur ou la preuve d'une expérience professionnelle utile, le cas échéant, accompagnée d'une traduction allemande.
Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint, s'il s'agit d'employés stagiaires ICT mentionnés à l'article 30.4, les documents suivants :
1° une copie du contrat de travail liant le travailleur et l'employeur établi à l'étranger, le cas échéant, accompagnée d'une traduction allemande;
2° la preuve que l'entité hôte et l'entreprise établie dans un pays tiers appartiennent à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises;
3° la lettre de mission signée par l'employeur, le cas échéant, accompagnée d'une traduction allemande, et dans laquelle sont fixés les éléments suivants :
a) la durée du transfert;
b) le lieu de l'entreprise hôte;
c) la description de fonction;
d) les conditions de travail et de rémunération applicables pendant le transfert;
e) les informations concernant l'entreprise établie dans un pays tiers dans laquelle le travailleur peut retourner au terme de son transfert;
4° une copie d'un diplôme universitaire, le cas échéant, accompagnée d'une traduction allemande.
Pour les cadres, experts ou employés stagiaires ICT faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe et mentionnés à l'article 30.6, pour lesquels un permis de mobilité de longue durée entre en ligne de compte, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, les documents suivants :
1° une copie du permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe délivré par le premier Etat membre et valable pendant la procédure;
2° une copie du contrat de travail liant la personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe et l'employeur établi à l'étranger, le cas échéant, accompagnée d'une traduction allemande;
3° la preuve que l'entité hôte et l'entreprise établie dans un pays tiers appartiennent à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises;
4° la lettre de mission signée par l'employeur, le cas échéant, accompagnée d'une traduction allemande, et dans laquelle sont fixés les éléments suivants :
a) la durée du transfert;
b) la description de fonction;
c) les conditions de travail et de rémunération applicables pendant le transfert;
d) les informations concernant l'entreprise établie dans un pays tiers dans laquelle le travailleur peut retourner au terme de son transfert.]1
Art. 18.23.2 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Aan het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid, en aan de documenten bedoeld in de artikelen 18.2 en 18.3 voegt de werkgever de volgende documenten toe als het gaat om vrijwilligers in het kader van het Europees Solidariteitskorps vermeld in hoofdstuk VI, afdeling 8 :
1° de gedagtekende en door beide partijen ondertekende vrijwilligersovereenkomst tussen de vrijwilliger en de gastentiteit overeenkomstig artikel 30.17;
2° het bewijs dat de vrijwillige deelneemt aan een vrijwilligersprogramma in het kader van het Europees Solidariteitskorps.]1
[1 Aan het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid, en aan de documenten bedoeld in de artikelen 18.2 en 18.3 voegt de werkgever de volgende documenten toe als het gaat om vrijwilligers in het kader van het Europees Solidariteitskorps vermeld in hoofdstuk VI, afdeling 8 :
1° de gedagtekende en door beide partijen ondertekende vrijwilligersovereenkomst tussen de vrijwilliger en de gastentiteit overeenkomstig artikel 30.17;
2° het bewijs dat de vrijwillige deelneemt aan een vrijwilligersprogramma in het kader van het Europees Solidariteitskorps.]1
Art. 18/23/2 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint, s'il s'agit de volontaires dans le cadre du Corps européen de solidarité mentionnés au chapitre VI, section 8, les documents suivants :
1° la convention de volontariat liant le volontaire et l'entité d'accueil, datée et signée par les deux parties, conformément à l'article 30.17;
2° la preuve attestant que le volontaire prend part à un programme de volontariat dans le cadre du Corps européen de solidarité.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2 et 18.3, l'employeur joint, s'il s'agit de volontaires dans le cadre du Corps européen de solidarité mentionnés au chapitre VI, section 8, les documents suivants :
1° la convention de volontariat liant le volontaire et l'entité d'accueil, datée et signée par les deux parties, conformément à l'article 30.17;
2° la preuve attestant que le volontaire prend part à un programme de volontariat dans le cadre du Corps européen de solidarité.]1
Art. 18/24 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor alle andere werknemers dan de werknemers als bedoeld in de artikelen 18.4 tot 18.23 of als bedoeld in de artikelen 18.26 en 18.27 voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid, een kopie van de gedagtekende en door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst die ingevuld werd en alle vermeldingen en bepalingen bevat die opgenomen zijn in bijlage I van dit besluit.]1
[1 Voor alle andere werknemers dan de werknemers als bedoeld in de artikelen 18.4 tot 18.23 of als bedoeld in de artikelen 18.26 en 18.27 voegt de werkgever, naast de documenten vermeld in artikel 18.2 en 18.3, bij het formulier vermeld in artikel 18, tweede lid, een kopie van de gedagtekende en door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst die ingevuld werd en alle vermeldingen en bepalingen bevat die opgenomen zijn in bijlage I van dit besluit.]1
Art. 18/24 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2. et 18.3, l'employeur joint, lorsqu'il s'agit de travailleurs non visés ni par les articles 18.4 à 18.23, ni par les articles 18.26 et 18.27, une copie du contrat de travail rempli, daté et signé par les deux parties, et contenant les mentions et dispositions reprises à l'annexe Ire jointe à cet arrêté.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18, alinéa 2, et aux documents visés aux articles 18.2. et 18.3, l'employeur joint, lorsqu'il s'agit de travailleurs non visés ni par les articles 18.4 à 18.23, ni par les articles 18.26 et 18.27, une copie du contrat de travail rempli, daté et signé par les deux parties, et contenant les mentions et dispositions reprises à l'annexe Ire jointe à cet arrêté.]1
Art. 18/24_VLAAMS_GEWEST. [1 Voor alle andere werknemers dan de werknemers, vermeld in artikel 18/4 tot en met 18/23, of artikel 18/25 en 18/26, voegt de werkgever naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 en 18/3, bij het formulier, vermeld in artikel 18, tweede lid, een fotokopie van de naar behoren ingevulde arbeidsovereenkomst met de vermeldingen en bepalingen, opgenomen in bijlage I, die dit besluit is gevoegd, gedagtekend en ondertekend door beide partijen.]1
Art. 18/24 _REGION_FLAMANDE.
[1 Pour tous les employés autres que les employés visés aux articles 18/4 à 18/23, ou aux articles 18/25 et 18/26, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, une photocopie du contrat de travail dûment rempli, y compris les avis et dispositions figurant à l'annexe I, qui est jointe au présent arrêté, datée et signée par les deux parties.]1
[1 Pour tous les employés autres que les employés visés aux articles 18/4 à 18/23, ou aux articles 18/25 et 18/26, en plus des documents visés aux articles 18/2 et 18/3, l'employeur joint au formulaire visé à l'article 18, deuxième alinéa, une photocopie du contrat de travail dûment rempli, y compris les avis et dispositions figurant à l'annexe I, qui est jointe au présent arrêté, datée et signée par les deux parties.]1
Art. 18/24_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 § 1. Voor de tewerkstelling, vermeld in artikel 16, vraagt de werknemer, onderdaan van een derde land, toelating tot arbeid voor onbepaalde tijd en voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen aan bij Brussel Economie en Werkgelegenheid, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.
De aanvraag wordt ingediend met een formulier dat Brussel Economie en Werkgelegenheid ter beschikking stelt. Dit aanvraagformulier vermeldt de persoonlijke gegevens en het e-mailadres van de werknemer en de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor het verblijfsadres van de werknemer als deze in het buitenland verblijft op het ogenblik van de indiening van de aanvraag.
De werknemer, onderdaan van een derde land vult de aanvraag naar behoren in en ondertekent het gedateerde formulier.
§ 2. De werknemer voegt naast de documenten, vermeld in artikel 18/2, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in § 1 :
1° een kopie van al zijn voorgaande arbeidskaarten B, vermeld in artikel 3, 2°, of van al zijn verblijfstitels met het oog op werk ;
2° een kopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de volledige periode van de recentste toelating tot arbeid.]1
De aanvraag wordt ingediend met een formulier dat Brussel Economie en Werkgelegenheid ter beschikking stelt. Dit aanvraagformulier vermeldt de persoonlijke gegevens en het e-mailadres van de werknemer en de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor het verblijfsadres van de werknemer als deze in het buitenland verblijft op het ogenblik van de indiening van de aanvraag.
De werknemer, onderdaan van een derde land vult de aanvraag naar behoren in en ondertekent het gedateerde formulier.
§ 2. De werknemer voegt naast de documenten, vermeld in artikel 18/2, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in § 1 :
1° een kopie van al zijn voorgaande arbeidskaarten B, vermeld in artikel 3, 2°, of van al zijn verblijfstitels met het oog op werk ;
2° een kopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de volledige periode van de recentste toelating tot arbeid.]1
Art. 18/24 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 § 1er. En vue de l'occupation visée à l'article 16, le travailleur, ressortissant d'un pays tiers, introduit une demande d'autorisation de travail pour une durée illimitée et couvrant toutes les professions salariées auprès de Bruxelles Economie et Emploi, et ce, conformément aux dispositions du présent arrêté.
La demande est introduite au moyen d'un formulaire mis à disposition par Bruxelles Economie et Emploi. Ce formulaire de demande mentionne les coordonnées et l'adresse de courrier électronique du travailleur et, si le travailleur réside à l'étranger au moment de l'introduction de la demande, le poste diplomatique ou consulaire compétent pour son adresse de résidence à l'étranger.
Le travailleur ressortissant d'un pays tiers remplit dûment, date et signe le formulaire de demande.
§ 2. Au formulaire visé au § 1er et aux documents visés à l'article 18/2, le travailleur joint les documents suivants :
1° la copie de tous ses permis de travail B visés à l'article 3, 2° ou de tous ses titres de séjour à des fins de travail, obtenus précédemment ;
2° la copie des fiches de paie ou décomptes de paie pour la période complète la plus récente couverte par une autorisation de travail.]1
[1 § 1er. En vue de l'occupation visée à l'article 16, le travailleur, ressortissant d'un pays tiers, introduit une demande d'autorisation de travail pour une durée illimitée et couvrant toutes les professions salariées auprès de Bruxelles Economie et Emploi, et ce, conformément aux dispositions du présent arrêté.
La demande est introduite au moyen d'un formulaire mis à disposition par Bruxelles Economie et Emploi. Ce formulaire de demande mentionne les coordonnées et l'adresse de courrier électronique du travailleur et, si le travailleur réside à l'étranger au moment de l'introduction de la demande, le poste diplomatique ou consulaire compétent pour son adresse de résidence à l'étranger.
Le travailleur ressortissant d'un pays tiers remplit dûment, date et signe le formulaire de demande.
§ 2. Au formulaire visé au § 1er et aux documents visés à l'article 18/2, le travailleur joint les documents suivants :
1° la copie de tous ses permis de travail B visés à l'article 3, 2° ou de tous ses titres de séjour à des fins de travail, obtenus précédemment ;
2° la copie des fiches de paie ou décomptes de paie pour la période complète la plus récente couverte par une autorisation de travail.]1
Art. 18/25 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Met behoud van de toepassing van de artikelen 18.2 tot 18.24 [2 en de artikelen 18.26 tot 18.27 kan het departement de werkgever of de werknemer]2 aanmanen om bij de aanvraag nog andere documenten te voegen die voor de behandeling van zijn aanvraag noodzakelijk zijn.]1
[1 Met behoud van de toepassing van de artikelen 18.2 tot 18.24 [2 en de artikelen 18.26 tot 18.27 kan het departement de werkgever of de werknemer]2 aanmanen om bij de aanvraag nog andere documenten te voegen die voor de behandeling van zijn aanvraag noodzakelijk zijn.]1
Art. 18/25 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Sans préjudice de l'application des articles 18.2 à 18.24 ainsi que 18.26 et 18.27, le département peut inviter l'employeur ou le travailleur à joindre à la demande d'autres documents nécessaires à son traitement.]1
[1 Sans préjudice de l'application des articles 18.2 à 18.24 ainsi que 18.26 et 18.27, le département peut inviter l'employeur ou le travailleur à joindre à la demande d'autres documents nécessaires à son traitement.]1
Wijzigingen
Art. 18/25_VLAAMS_GEWEST. [1 § 1. Voor de tewerkstelling, vermeld in artikel 16, vraagt de werknemer, onderdaan van een derde land, bij de dienst Economische Migratie toelating tot arbeid voor onbepaalde tijd en voor alle beroepen die in loondienst uitgeoefend worden, conform de bepalingen van deze afdeling.
De aanvraag wordt ingediend met een formulier waarvoor de dienst Economische Migratie een model ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt :
1° de persoonlijke gegevens van de werknemer;
2° de gegevens aangaande de voorgaande perioden van tewerkstelling in België.
De onderdaan van een derde land vult de aanvraag naar behoren in en ondertekent het gedateerde formulier.
De ondertekening kan verricht worden via elke elektronische weg die aan de voorwaarden van artikel 1322, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek voldoet.
§ 2. De werknemer voegt naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 van dit besluit, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in paragraaf 1 :
1° een fotokopie van al zijn voorgaande arbeidskaarten B als vermeld in artikel 3, 2°, van dit besluit, of van zijn verblijfstitels met het oog op werk voor een periode van meer dan negentig dagen;
2° een fotokopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de volledige periode van de recentste toelating tot arbeid;
3° een fotokopie van de lopende arbeidsovereenkomst of, bij het ontbreken daarvan, om het even welk ander document, aan de hand waarvan de onderdaan van een derde land aantoont dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt, overeenkomstig artikel 61/25-6, § 1, 2°, van de wet van 15 december 1980.]1
De aanvraag wordt ingediend met een formulier waarvoor de dienst Economische Migratie een model ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt :
1° de persoonlijke gegevens van de werknemer;
2° de gegevens aangaande de voorgaande perioden van tewerkstelling in België.
De onderdaan van een derde land vult de aanvraag naar behoren in en ondertekent het gedateerde formulier.
De ondertekening kan verricht worden via elke elektronische weg die aan de voorwaarden van artikel 1322, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek voldoet.
§ 2. De werknemer voegt naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 van dit besluit, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in paragraaf 1 :
1° een fotokopie van al zijn voorgaande arbeidskaarten B als vermeld in artikel 3, 2°, van dit besluit, of van zijn verblijfstitels met het oog op werk voor een periode van meer dan negentig dagen;
2° een fotokopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de volledige periode van de recentste toelating tot arbeid;
3° een fotokopie van de lopende arbeidsovereenkomst of, bij het ontbreken daarvan, om het even welk ander document, aan de hand waarvan de onderdaan van een derde land aantoont dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt, overeenkomstig artikel 61/25-6, § 1, 2°, van de wet van 15 december 1980.]1
Art. 18/25 _REGION_FLAMANDE.
[1 § 1er. Aux fins de l'emploi visé à l'article 16, le travailleur, ressortissant d'un pays tiers, demande au service de Migration économique l'autorisation de travailler pour une durée indéterminée et pour toutes les professions exercées à titre salarié, conformément aux dispositions de la présente section.
La demande doit être soumise en utilisant le formulaire pour lequel un modèle est disponible auprès du service de Migration économique. Ce formulaire de demande précise :
1° les données d'identité du travailleur ;
2° les données relatives aux périodes d'occupation antérieures en Belgique.
Le ressortissant d'un pays tiers remplit dûment la demande et signe le formulaire daté.
La signature peut être effectuée par tout moyen électronique répondant aux conditions de l'article 1322, alinéa 2, du Code civil.
§ 2. Outre les documents visés à l'article 18/2 du présent décret, le salarié joint les documents suivants au formulaire visé au paragraphe 1 :
1° une photocopie de tous ses permis de travail B antérieurs visés à l'article 3, 2°, du présent arrêté, ou de ses permis de séjour en vue de travailler pour une période de plus de quatre-vingt-dix jours ;
2° une photocopie des fiches de paie ou décomptes de paie pour toute la période de la dernière admission au travail ;
3° une photocopie du contrat de travail en cours ou, à défaut, tout autre document utilisé par le ressortissant d'un pays tiers pour prouver qu'il dispose de ressources suffisantes, conformément à l'article 61/25-6, § 1, 2°, de la loi du 15 décembre 1980.]1
[1 § 1er. Aux fins de l'emploi visé à l'article 16, le travailleur, ressortissant d'un pays tiers, demande au service de Migration économique l'autorisation de travailler pour une durée indéterminée et pour toutes les professions exercées à titre salarié, conformément aux dispositions de la présente section.
La demande doit être soumise en utilisant le formulaire pour lequel un modèle est disponible auprès du service de Migration économique. Ce formulaire de demande précise :
1° les données d'identité du travailleur ;
2° les données relatives aux périodes d'occupation antérieures en Belgique.
Le ressortissant d'un pays tiers remplit dûment la demande et signe le formulaire daté.
La signature peut être effectuée par tout moyen électronique répondant aux conditions de l'article 1322, alinéa 2, du Code civil.
§ 2. Outre les documents visés à l'article 18/2 du présent décret, le salarié joint les documents suivants au formulaire visé au paragraphe 1 :
1° une photocopie de tous ses permis de travail B antérieurs visés à l'article 3, 2°, du présent arrêté, ou de ses permis de séjour en vue de travailler pour une période de plus de quatre-vingt-dix jours ;
2° une photocopie des fiches de paie ou décomptes de paie pour toute la période de la dernière admission au travail ;
3° une photocopie du contrat de travail en cours ou, à défaut, tout autre document utilisé par le ressortissant d'un pays tiers pour prouver qu'il dispose de ressources suffisantes, conformément à l'article 61/25-6, § 1, 2°, de la loi du 15 décembre 1980.]1
Art. 18/25_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 § 1. Voor zijn tewerkstelling, vermeld in artikel 2, eerste lid, 35°, vraagt de buitenlandse onderdaan die het statuut van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie heeft verkregen, een toelating tot arbeid in de vorm van een vrijstelling als vermeld in het gezegde artikel aan bij Brussel Economie en Werkgelegenheid, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.
De aanvraag wordt ingediend met een formulier dat Brussel Economie en Werkgelegenheid ter beschikking stelt. Dit aanvraagformulier vermeldt de persoonlijke gegevens en het e-mailadres van de werknemer en de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor het verblijfsadres van de werknemer als deze in het buitenland verblijft op het ogenblik van de indiening van de aanvraag.
De buitenlandse onderdaan vult de aanvraag naar behoren in, en ondertekent het gedateerde formulier.
§ 2. De werknemer voegt naast de documenten, vermeld in artikel 18/2, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in § 1 :
1° een kopie van al zijn voorgaande arbeidskaarten B, vermeld in artikel 3, 2°, of van zijn verblijfstitels met het oog op werk voor een periode van meer dan negentig dagen ;
2° een kopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de volledige periode van de recentste toelating tot arbeid;]1
De aanvraag wordt ingediend met een formulier dat Brussel Economie en Werkgelegenheid ter beschikking stelt. Dit aanvraagformulier vermeldt de persoonlijke gegevens en het e-mailadres van de werknemer en de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor het verblijfsadres van de werknemer als deze in het buitenland verblijft op het ogenblik van de indiening van de aanvraag.
De buitenlandse onderdaan vult de aanvraag naar behoren in, en ondertekent het gedateerde formulier.
§ 2. De werknemer voegt naast de documenten, vermeld in artikel 18/2, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in § 1 :
1° een kopie van al zijn voorgaande arbeidskaarten B, vermeld in artikel 3, 2°, of van zijn verblijfstitels met het oog op werk voor een periode van meer dan negentig dagen ;
2° een kopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de volledige periode van de recentste toelating tot arbeid;]1
Art. 18/25 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 § 1er. En vue de son occupation visée à l'article 2, alinéa 1er, 35°, le ressortissant étranger ayant obtenu le statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne introduit une demande d'autorisation de travail sous la forme d'une dispense visée audit article auprès de Bruxelles Economie et Emploi, et ce, conformément aux dispositions du présent arrêté.
La demande est introduite au moyen d'un formulaire mis à disposition par Bruxelles Economie et Emploi. Ce formulaire de demande mentionne les coordonnées et l'adresse de courrier électronique du travailleur et, si le travailleur réside à l'étranger au moment de l'introduction de la demande, le poste diplomatique ou consulaire compétent pour son adresse de résidence à l'étranger.
Le travailleur ressortissant d'un pays tiers remplit dûment, date et signe le formulaire de demande.
§ 2. Au formulaire visé au § 1er et aux documents visés à l'article 18/2, le travailleur joint les documents suivants :
1° la copie de tous ses permis de travail B visés à l'article 3, 2° ou de ses titres de séjour à des fins de travail pour une période de plus de nonante jours, obtenus précédemment ;
2° la copie des fiches de paie ou décomptes de paie pour la période complète la plus récente couverte par une autorisation de travail.]1
[1 § 1er. En vue de son occupation visée à l'article 2, alinéa 1er, 35°, le ressortissant étranger ayant obtenu le statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne introduit une demande d'autorisation de travail sous la forme d'une dispense visée audit article auprès de Bruxelles Economie et Emploi, et ce, conformément aux dispositions du présent arrêté.
La demande est introduite au moyen d'un formulaire mis à disposition par Bruxelles Economie et Emploi. Ce formulaire de demande mentionne les coordonnées et l'adresse de courrier électronique du travailleur et, si le travailleur réside à l'étranger au moment de l'introduction de la demande, le poste diplomatique ou consulaire compétent pour son adresse de résidence à l'étranger.
Le travailleur ressortissant d'un pays tiers remplit dûment, date et signe le formulaire de demande.
§ 2. Au formulaire visé au § 1er et aux documents visés à l'article 18/2, le travailleur joint les documents suivants :
1° la copie de tous ses permis de travail B visés à l'article 3, 2° ou de ses titres de séjour à des fins de travail pour une période de plus de nonante jours, obtenus précédemment ;
2° la copie des fiches de paie ou décomptes de paie pour la période complète la plus récente couverte par une autorisation de travail.]1
Art. 18/26 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 § 1 - Voor een tewerkstelling als bedoeld in artikel 16 vraagt de werknemer, onderdaan van een derde land, bij het departement een toelating tot arbeid voor onbepaalde duur en voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen aan, conform de bepalingen van deze afdeling.
De aanvraag wordt ingediend via een formulier dat het departement ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt :
1° de [2 naam, voornaam, geslacht, geboortedatum en geboorteplaats, nationaliteit, adres, rijksregisternummer en de contactgegevens]2 van de werknemer;
2° de gegevens aangaande de voorgaande perioden van tewerkstelling in België;
3° als de werknemer in het buitenland verblijft op het ogenblik van de indiening van de aanvraag: de gegevens van de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn buitenlands verblijfsadres.
Het formulier wordt ingevuld, gedagtekend en ondertekend door de onderdaan van een derde land.
§ 2 - De werknemer voegt, naast de documenten vermeld in artikel 18.2, de volgende documenten bij het formulier vermeld in § 1 :
1° een kopie van zijn voorgaande arbeidskaarten B vermeld in artikel 3, 2°, of van zijn voorgaande verblijfstitels met het oog op werk, die de onderdaan van een derde land de mogelijkheid bieden voor een periode van meer dan negentig dagen te werken;
2° [2 een kopie van de loonfiches of van de individuele rekening voor de periode van de lopende toelating tot arbeid, alsook de betalingsbewijzen ervan;]2
3° een kopie van de lopende arbeidsovereenkomst of, bij het ontbreken daarvan, om het even welk ander document, aan de hand waarvan de onderdaan van een derde land aantoont dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt, overeenkomstig artikel 61/25-5, § 1, 2°, van de wet van 15 december 1980.]1
[1 § 1 - Voor een tewerkstelling als bedoeld in artikel 16 vraagt de werknemer, onderdaan van een derde land, bij het departement een toelating tot arbeid voor onbepaalde duur en voor alle in loondienst uitgeoefende beroepen aan, conform de bepalingen van deze afdeling.
De aanvraag wordt ingediend via een formulier dat het departement ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt :
1° de [2 naam, voornaam, geslacht, geboortedatum en geboorteplaats, nationaliteit, adres, rijksregisternummer en de contactgegevens]2 van de werknemer;
2° de gegevens aangaande de voorgaande perioden van tewerkstelling in België;
3° als de werknemer in het buitenland verblijft op het ogenblik van de indiening van de aanvraag: de gegevens van de diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn buitenlands verblijfsadres.
Het formulier wordt ingevuld, gedagtekend en ondertekend door de onderdaan van een derde land.
§ 2 - De werknemer voegt, naast de documenten vermeld in artikel 18.2, de volgende documenten bij het formulier vermeld in § 1 :
1° een kopie van zijn voorgaande arbeidskaarten B vermeld in artikel 3, 2°, of van zijn voorgaande verblijfstitels met het oog op werk, die de onderdaan van een derde land de mogelijkheid bieden voor een periode van meer dan negentig dagen te werken;
2° [2 een kopie van de loonfiches of van de individuele rekening voor de periode van de lopende toelating tot arbeid, alsook de betalingsbewijzen ervan;]2
3° een kopie van de lopende arbeidsovereenkomst of, bij het ontbreken daarvan, om het even welk ander document, aan de hand waarvan de onderdaan van een derde land aantoont dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt, overeenkomstig artikel 61/25-5, § 1, 2°, van de wet van 15 december 1980.]1
Art. 18/26 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 § 1er - En cas d'occupation visée à l'article 16, le travailleur ressortissant d'un pays tiers introduit, auprès du département, une demande d'autorisation de travail pour une durée illimitée et couvrant toutes les professions salariées, et ce, conformément aux dispositions du présent arrêté.
La demande est introduite au moyen d'un formulaire mis à disposition par le département. Ce formulaire de demande mentionne :
1° les [2 le nom, le prénom, le sexe, la date et le lieu de naissance, la nationalité, l'adresse, le numéro de registre national et les données de contact]2 du travailleur;
2° les données relatives à de précédentes périodes d'occupation en Belgique;
3° le poste diplomatique ou consulaire compétent pour son adresse de résidence à l'étranger si le travailleur réside à l'étranger au moment de l'introduction de la demande.
Il est dûment rempli, daté et signé par le ressortissant d'un pays tiers.
§ 2 - Au formulaire visé au § 1er et aux documents visés à l'article 18.2, le travailleur joint les documents suivants :
1° une copie de ses permis de travail B visés à l'article 3, 2°, ou de ses titres de séjour en vue de travailler pour une période de plus de nonante jours, obtenus précédemment;
2° [2 une copie des fiches de paie ou du compte salarial individuel pour la période de l'autorisation de travail en cours, ainsi que les justificatifs de paiement y relatifs;]2
3° une copie du contrat de travail en cours ou, à défaut, de tout autre document prouvant que le ressortissant d'un pays tiers dispose de moyens de subsistance suffisants, et ce, conformément à l'article 61/25-5, § 1er, 2°, de la loi du 15 décembre 1980.]1
[1 § 1er - En cas d'occupation visée à l'article 16, le travailleur ressortissant d'un pays tiers introduit, auprès du département, une demande d'autorisation de travail pour une durée illimitée et couvrant toutes les professions salariées, et ce, conformément aux dispositions du présent arrêté.
La demande est introduite au moyen d'un formulaire mis à disposition par le département. Ce formulaire de demande mentionne :
1° les [2 le nom, le prénom, le sexe, la date et le lieu de naissance, la nationalité, l'adresse, le numéro de registre national et les données de contact]2 du travailleur;
2° les données relatives à de précédentes périodes d'occupation en Belgique;
3° le poste diplomatique ou consulaire compétent pour son adresse de résidence à l'étranger si le travailleur réside à l'étranger au moment de l'introduction de la demande.
Il est dûment rempli, daté et signé par le ressortissant d'un pays tiers.
§ 2 - Au formulaire visé au § 1er et aux documents visés à l'article 18.2, le travailleur joint les documents suivants :
1° une copie de ses permis de travail B visés à l'article 3, 2°, ou de ses titres de séjour en vue de travailler pour une période de plus de nonante jours, obtenus précédemment;
2° [2 une copie des fiches de paie ou du compte salarial individuel pour la période de l'autorisation de travail en cours, ainsi que les justificatifs de paiement y relatifs;]2
3° une copie du contrat de travail en cours ou, à défaut, de tout autre document prouvant que le ressortissant d'un pays tiers dispose de moyens de subsistance suffisants, et ce, conformément à l'article 61/25-5, § 1er, 2°, de la loi du 15 décembre 1980.]1
Art. 18/26_VLAAMS_GEWEST. [1 § 1. Voor zijn tewerkstelling vraagt de buitenlandse onderdaan die het statuut van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie heeft verkregen, vermeld in artikel 2, eerste lid, 35°, een toelating tot arbeid in de vorm van een vrijstelling bij de dienst Economische Migratie, conform de bepalingen van afdeling 3 van hoofdstuk IV van dit besluit.
De aanvraag wordt ingediend met een formulier waarvoor de dienst Economische Migratie een model ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt :
1° de persoonlijke gegevens van de werknemer;
2° de gegevens aangaande de voorgaande perioden van tewerkstelling in België.
De onderdaan van een derde land vult de aanvraag naar behoren in en ondertekent het gedateerde formulier.
De ondertekening kan verricht worden via elke elektronische weg die aan de voorwaarden van artikel 1322, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek voldoet.
§ 2. De werknemer voegt naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 van dit besluit, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in paragraaf 1 :
1° een fotokopie van al zijn voorgaande arbeidskaarten B, vermeld in artikel 3, 2°, van dit besluit, of van zijn verblijfstitels met het oog op werk voor een periode van meer dan negentig dagen;
2° een fotokopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de volledige periode van de recentste toelating tot arbeid;
3° een fotokopie van een lopende arbeidsovereenkomst of, bij het ontbreken daarvan, om het even welk ander document, aan de hand waarvan de onderdaan van een derde land aantoont dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt, overeenkomstig artikel 61/25-6, § 1, 2°, van de wet van 15 december 1980.]1
De aanvraag wordt ingediend met een formulier waarvoor de dienst Economische Migratie een model ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt :
1° de persoonlijke gegevens van de werknemer;
2° de gegevens aangaande de voorgaande perioden van tewerkstelling in België.
De onderdaan van een derde land vult de aanvraag naar behoren in en ondertekent het gedateerde formulier.
De ondertekening kan verricht worden via elke elektronische weg die aan de voorwaarden van artikel 1322, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek voldoet.
§ 2. De werknemer voegt naast de documenten, vermeld in artikel 18/2 van dit besluit, de volgende documenten bij het formulier, vermeld in paragraaf 1 :
1° een fotokopie van al zijn voorgaande arbeidskaarten B, vermeld in artikel 3, 2°, van dit besluit, of van zijn verblijfstitels met het oog op werk voor een periode van meer dan negentig dagen;
2° een fotokopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de volledige periode van de recentste toelating tot arbeid;
3° een fotokopie van een lopende arbeidsovereenkomst of, bij het ontbreken daarvan, om het even welk ander document, aan de hand waarvan de onderdaan van een derde land aantoont dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt, overeenkomstig artikel 61/25-6, § 1, 2°, van de wet van 15 december 1980.]1
Art. 18/26 _REGION_FLAMANDE.
[1 § 1er. Pour son occupation, le ressortissant étranger qui a obtenu le statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, visé à l'article 2, alinéa premier, 35°, demande l'admission au travail sous la forme d'une dispense au service de Migration économique, conformément aux dispositions de la section 3 du chapitre IV du présent arrêté.
La demande doit être soumise en utilisant le formulaire pour lequel un modèle est disponible auprès du service de Migration économique. Ce formulaire de demande précise :
1° les données d'identité du travailleur ;
2° les données relatives aux périodes d'occupation antérieures en Belgique.
Le ressortissant d'un pays tiers remplit dûment la demande et signe le formulaire daté.
La signature peut être effectuée par tout moyen électronique répondant aux conditions de l'article 1322, alinéa 2 du Code civil.
§ 2. Outre les documents visés à l'article 18/2 du présent décret, le salarié joint les documents suivants au formulaire visé au paragraphe 1 :
1° une photocopie de tous ses permis de travail B antérieurs, visés à l'article 3, 2°, du présent décret, ou de ses permis de séjour en vue de travailler pour une période de plus de quatre-vingt-dix jours ;
2° une photocopie des fiches de paie ou décomptes de paie pour toute la période de la dernière admission au travail ;
3° une photocopie du contrat de travail en cours ou, à défaut, tout autre document utilisé par le ressortissant d'un pays tiers pour prouver qu'il dispose de ressources suffisantes, conformément à l'article 61/25-6, § 1er, 2°, de la loi du 15 décembre 1980.]1
[1 § 1er. Pour son occupation, le ressortissant étranger qui a obtenu le statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, visé à l'article 2, alinéa premier, 35°, demande l'admission au travail sous la forme d'une dispense au service de Migration économique, conformément aux dispositions de la section 3 du chapitre IV du présent arrêté.
La demande doit être soumise en utilisant le formulaire pour lequel un modèle est disponible auprès du service de Migration économique. Ce formulaire de demande précise :
1° les données d'identité du travailleur ;
2° les données relatives aux périodes d'occupation antérieures en Belgique.
Le ressortissant d'un pays tiers remplit dûment la demande et signe le formulaire daté.
La signature peut être effectuée par tout moyen électronique répondant aux conditions de l'article 1322, alinéa 2 du Code civil.
§ 2. Outre les documents visés à l'article 18/2 du présent décret, le salarié joint les documents suivants au formulaire visé au paragraphe 1 :
1° une photocopie de tous ses permis de travail B antérieurs, visés à l'article 3, 2°, du présent décret, ou de ses permis de séjour en vue de travailler pour une période de plus de quatre-vingt-dix jours ;
2° une photocopie des fiches de paie ou décomptes de paie pour toute la période de la dernière admission au travail ;
3° une photocopie du contrat de travail en cours ou, à défaut, tout autre document utilisé par le ressortissant d'un pays tiers pour prouver qu'il dispose de ressources suffisantes, conformément à l'article 61/25-6, § 1er, 2°, de la loi du 15 décembre 1980.]1
Art. 18/26_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 § 1. Brussel Economie en Werkgelegenheid geeft kennis van de beslissing om de toegang tot arbeid te weigeren aan de werkgever en aan de werknemer die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 9 van de wet.
De beslissing vermeldt de mogelijkheid van beroep, vermeld in artikel 9 van de wet, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de te eerbiedigen vormvereisten en termijnen.
§ 2. Zolang het beroep bij de Gewestminister hangende is, wordt niet-ontvankelijk verklaard, elke ingediende aanvraag krachtens:
1° artikel 18, voor zover het een arbeidsbetrekking betreft voor dezelfde werknemer en het beroep dat bij de gewestminister hangende is een aanvraag betreft ingediend krachtens artikel 18;
2° artikel 18/24, door dezelfde werknemer, voor zover het beroep dat bij de Gewestminister hangende is een aanvraag betreft ingediend krachtens artikel 18/24 ;
3° 18/25, door dezelfde werknemer, voor zover het beroep dat bij de Gewestminister hangende is een aanvraag betreft ingediend krachtens artikel 18/25.
§ 3. Brussel Economie en Werkgelegenheid geeft kennis van de beslissing van de Gewestminister in beroep om de toegang tot arbeid te weigeren aan de beroepsindiener.
De beslissing vermeldt de mogelijkheid van beroep, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de te eerbiedigen vormvereisten en termijnen.]1
De beslissing vermeldt de mogelijkheid van beroep, vermeld in artikel 9 van de wet, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de te eerbiedigen vormvereisten en termijnen.
§ 2. Zolang het beroep bij de Gewestminister hangende is, wordt niet-ontvankelijk verklaard, elke ingediende aanvraag krachtens:
1° artikel 18, voor zover het een arbeidsbetrekking betreft voor dezelfde werknemer en het beroep dat bij de gewestminister hangende is een aanvraag betreft ingediend krachtens artikel 18;
2° artikel 18/24, door dezelfde werknemer, voor zover het beroep dat bij de Gewestminister hangende is een aanvraag betreft ingediend krachtens artikel 18/24 ;
3° 18/25, door dezelfde werknemer, voor zover het beroep dat bij de Gewestminister hangende is een aanvraag betreft ingediend krachtens artikel 18/25.
§ 3. Brussel Economie en Werkgelegenheid geeft kennis van de beslissing van de Gewestminister in beroep om de toegang tot arbeid te weigeren aan de beroepsindiener.
De beslissing vermeldt de mogelijkheid van beroep, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de te eerbiedigen vormvereisten en termijnen.]1
Art. 18/26 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 § 1er. Bruxelles Economie et Emploi notifie la décision refusant l'autorisation de travail à l'employeur, ainsi qu'au travailleur répondant aux conditions visées à l'article 9 de la loi.
La décision mentionne la possibilité d'introduire un recours conformément à l'article 9 de la loi, les instances compétentes pour connaître de ce recours, ainsi que les exigences de formes et de délais.
§ 2. Aussi longtemps que le recours est pendant auprès du Ministre régional, est déclarée irrecevable toute demande introduite en vertu de :
1° l'article 18, pour autant qu'il s'agisse d'un emploi pour le même travailleur et que le recours qui est pendant auprès du Ministre régional concerne une demande introduite en vertu de l'article 18 ;
2° l'article 18/24, par le même travailleur, pour autant que le recours qui est pendant auprès du Ministre régional concerne une demande introduite en vertu de l'article 18/24 ;
3° l'article 18/25, par le même travailleur, pour autant que le recours qui est pendant auprès du Ministre régional concerne une demande introduite en vertu de l'article 18/25.
§ 3. Bruxelles Economie et Emploi notifie la décision du Ministre régional en recours refusant l'autorisation de travail au requérant.
La décision mentionne la possibilité d'introduire un recours, les instances compétentes pour connaître de ce recours, ainsi que les exigences de formes et de délais.]1
[1 § 1er. Bruxelles Economie et Emploi notifie la décision refusant l'autorisation de travail à l'employeur, ainsi qu'au travailleur répondant aux conditions visées à l'article 9 de la loi.
La décision mentionne la possibilité d'introduire un recours conformément à l'article 9 de la loi, les instances compétentes pour connaître de ce recours, ainsi que les exigences de formes et de délais.
§ 2. Aussi longtemps que le recours est pendant auprès du Ministre régional, est déclarée irrecevable toute demande introduite en vertu de :
1° l'article 18, pour autant qu'il s'agisse d'un emploi pour le même travailleur et que le recours qui est pendant auprès du Ministre régional concerne une demande introduite en vertu de l'article 18 ;
2° l'article 18/24, par le même travailleur, pour autant que le recours qui est pendant auprès du Ministre régional concerne une demande introduite en vertu de l'article 18/24 ;
3° l'article 18/25, par le même travailleur, pour autant que le recours qui est pendant auprès du Ministre régional concerne une demande introduite en vertu de l'article 18/25.
§ 3. Bruxelles Economie et Emploi notifie la décision du Ministre régional en recours refusant l'autorisation de travail au requérant.
La décision mentionne la possibilité d'introduire un recours, les instances compétentes pour connaître de ce recours, ainsi que les exigences de formes et de délais.]1
Art. 18/27 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 § 1 - Voor een tewerkstelling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 35°, vraagt de onderdaan van een derde land die de status van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie heeft verkregen, bij het departement een toelating tot arbeid aan in de vorm van een vrijstelling als vermeld in hetzelfde artikel, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.
De aanvraag wordt ingediend via een formulier dat het departement ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt de gegevens vermeld in artikel 18.26, § 1, tweede lid, 1° en 2°.
De onderdaan van een derde land vult de aanvraag in en ondertekent het gedagtekende formulier.
§ 2 - De werknemer voegt, naast de documenten vermeld in artikel 18.2, de volgende documenten bij het formulier vermeld in § 1 :
1° een kopie van zijn voorgaande arbeidskaarten B vermeld in artikel 3, 2°, of van zijn voorgaande verblijfstitels met het oog op werk, die de onderdaan van een derde land de mogelijkheid bieden voor een periode van meer dan negentig dagen te werken;
2° een kopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de recentste volledige periode van de toelating tot arbeid, alsook de betalingsbewijzen ervan;
3° een kopie van de lopende arbeidsovereenkomst of, bij het ontbreken daarvan, om het even welk ander document, aan de hand waarvan de onderdaan van een derde land aantoont dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt, overeenkomstig artikel 61/25-5, § 1, 2°, van de wet van 15 december 1980.]1
[1 § 1 - Voor een tewerkstelling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 35°, vraagt de onderdaan van een derde land die de status van langdurig ingezeten onderdaan in een andere lidstaat van de Europese Unie heeft verkregen, bij het departement een toelating tot arbeid aan in de vorm van een vrijstelling als vermeld in hetzelfde artikel, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.
De aanvraag wordt ingediend via een formulier dat het departement ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt de gegevens vermeld in artikel 18.26, § 1, tweede lid, 1° en 2°.
De onderdaan van een derde land vult de aanvraag in en ondertekent het gedagtekende formulier.
§ 2 - De werknemer voegt, naast de documenten vermeld in artikel 18.2, de volgende documenten bij het formulier vermeld in § 1 :
1° een kopie van zijn voorgaande arbeidskaarten B vermeld in artikel 3, 2°, of van zijn voorgaande verblijfstitels met het oog op werk, die de onderdaan van een derde land de mogelijkheid bieden voor een periode van meer dan negentig dagen te werken;
2° een kopie van de loonfiches of loonafrekeningen voor de recentste volledige periode van de toelating tot arbeid, alsook de betalingsbewijzen ervan;
3° een kopie van de lopende arbeidsovereenkomst of, bij het ontbreken daarvan, om het even welk ander document, aan de hand waarvan de onderdaan van een derde land aantoont dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt, overeenkomstig artikel 61/25-5, § 1, 2°, van de wet van 15 december 1980.]1
Art. 18/27 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 § 1er - En vue de son occupation visée à l'article 2, alinéa 1er, 35°, le ressortissant étranger ayant obtenu le statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne introduit, auprès du département, une demande d'autorisation de travail sous la forme d'une dispense visée audit article, et ce, conformément aux dispositions du présent arrêté.
La demande est introduite au moyen d'un formulaire mis à disposition par le département. Ce formulaire de demande mentionne les informations visées à l'article 18.26, § 1er, alinéa 2, 1° et 2°.
Il est rempli, daté et signé par le ressortissant étranger.
§ 2 - Au formulaire visé au § 1er et aux documents visés à l'article 18.2, le travailleur joint les documents suivants :
1° une copie de ses permis de travail B visés à l'article 3, 2°, ou de ses titres de séjour en vue de travailler pour une période de plus de nonante jours, obtenus précédemment;
2° une copie des fiches ou décomptes de paie pour la période complète la plus récente de l'autorisation de travail, ainsi que les justificatifs de paiement y relatifs;
3° une copie du contrat de travail en cours ou, à défaut, de tout autre document prouvant que le ressortissant d'un pays tiers dispose de moyens de subsistance suffisants, et ce, conformément à l'article 61/25-5, § 1er, 2°, de la loi du 15 décembre 1980.]1
[1 § 1er - En vue de son occupation visée à l'article 2, alinéa 1er, 35°, le ressortissant étranger ayant obtenu le statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne introduit, auprès du département, une demande d'autorisation de travail sous la forme d'une dispense visée audit article, et ce, conformément aux dispositions du présent arrêté.
La demande est introduite au moyen d'un formulaire mis à disposition par le département. Ce formulaire de demande mentionne les informations visées à l'article 18.26, § 1er, alinéa 2, 1° et 2°.
Il est rempli, daté et signé par le ressortissant étranger.
§ 2 - Au formulaire visé au § 1er et aux documents visés à l'article 18.2, le travailleur joint les documents suivants :
1° une copie de ses permis de travail B visés à l'article 3, 2°, ou de ses titres de séjour en vue de travailler pour une période de plus de nonante jours, obtenus précédemment;
2° une copie des fiches ou décomptes de paie pour la période complète la plus récente de l'autorisation de travail, ainsi que les justificatifs de paiement y relatifs;
3° une copie du contrat de travail en cours ou, à défaut, de tout autre document prouvant que le ressortissant d'un pays tiers dispose de moyens de subsistance suffisants, et ce, conformément à l'article 61/25-5, § 1er, 2°, de la loi du 15 décembre 1980.]1
Art. 18/27_VLAAMS_GEWEST. [1 De dienst Economische Migratie beslist binnen tien dagen vanaf de ontvangst van de aanvraag, vermeld in artikel 18, 18/25 of 18/26, of de aanvraag volledig is, en stelt de aanvrager in kennis van het volledige karakter van de aanvraag.
Een onvolledige aanvraag kan aangevuld worden overeenkomstig artikel 19, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018.
De werkgever of de werknemer, vermeld in artikel 18/25 of 18/26, wordt met een aangetekende brief op de hoogte gebracht van de beslissing van onontvankelijkheid.]1
Een onvolledige aanvraag kan aangevuld worden overeenkomstig artikel 19, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018.
De werkgever of de werknemer, vermeld in artikel 18/25 of 18/26, wordt met een aangetekende brief op de hoogte gebracht van de beslissing van onontvankelijkheid.]1
Art. 18/27 _REGION_FLAMANDE.
[1 Dans les dix jours suivant la réception de la demande visée aux articles 18, 18/25 ou 18/26, le service de Migration économique décide si la demande est complète et informe le demandeur du caractère complet de la demande.
Une demande incomplète peut être complétée conformément à l'article 19, § 2, de l'Accord de coopération du 2 février 2018.
L'employeur ou l'employé visé à l'article 18/25 ou 18/26 est informé de la décision d'irrecevabilité par lettre recommandée.]1
[1 Dans les dix jours suivant la réception de la demande visée aux articles 18, 18/25 ou 18/26, le service de Migration économique décide si la demande est complète et informe le demandeur du caractère complet de la demande.
Une demande incomplète peut être complétée conformément à l'article 19, § 2, de l'Accord de coopération du 2 février 2018.
L'employeur ou l'employé visé à l'article 18/25 ou 18/26 est informé de la décision d'irrecevabilité par lettre recommandée.]1
Art. 18/27_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De werkgever dient de aanvraag tot hernieuwing van de toelating tot arbeid in bij Brussel Economie en Werkgelegenheid, overeenkomstig artikel 18 tot en met 18/3, en, naargelang het geval, artikel 18/4 tot en met 18/23.
In afwijking van het eerste lid worden niet bij de aanvraag tot hernieuwing gevoegd, de documenten, vermeld in artikel 18/4 tot 18/23, die ongewijzigd zijn gebleven sinds ze bezorgd werden aan Brussel Economie en Werkgelegenheid, met uitzondering van de document vermeld in artikel 12, eerste lid.]1
In afwijking van het eerste lid worden niet bij de aanvraag tot hernieuwing gevoegd, de documenten, vermeld in artikel 18/4 tot 18/23, die ongewijzigd zijn gebleven sinds ze bezorgd werden aan Brussel Economie en Werkgelegenheid, met uitzondering van de document vermeld in artikel 12, eerste lid.]1
Art. 18/27 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 La demande de renouvellement de l'autorisation de travail doit être introduite auprès de Bruxelles Economie et Emploi par l'employeur, conformément aux articles 18 à 18/3 inclus, et, selon le cas, aux articles 18/4 à 18/23 inclus.
Par dérogation à l'alinéa 1er, ne sont pas joints à la demande de renouvellement les documents visés aux articles 18/4 à 18/23 qui sont restés inchangés depuis leur transmission à Bruxelles Economie et Emploi, à l'exception du document visé à l'article 12, alinéa 1er.]1
[1 La demande de renouvellement de l'autorisation de travail doit être introduite auprès de Bruxelles Economie et Emploi par l'employeur, conformément aux articles 18 à 18/3 inclus, et, selon le cas, aux articles 18/4 à 18/23 inclus.
Par dérogation à l'alinéa 1er, ne sont pas joints à la demande de renouvellement les documents visés aux articles 18/4 à 18/23 qui sont restés inchangés depuis leur transmission à Bruxelles Economie et Emploi, à l'exception du document visé à l'article 12, alinéa 1er.]1
Art. 18/28 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Het departement onderzoekt de aanvraag met inachtneming van de bepalingen van het samenwerkingsakkoord.]1
[1 Het departement onderzoekt de aanvraag met inachtneming van de bepalingen van het samenwerkingsakkoord.]1
Art. 18/28 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le département examine la demande dans le respect des dispositions de l'accord de coopération.]1
[1 Le département examine la demande dans le respect des dispositions de l'accord de coopération.]1
Art. 18/28_VLAAMS_GEWEST. [1 § 1. De beslissing om de toegang tot arbeid te weigeren, wordt door de dienst Economische Migratie met een aangetekende brief betekend aan de werkgever en aan de werknemer die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 9 van de wet. De beslissing wordt aan de werknemer betekend op de woonplaats, vastgesteld conform artikel 61/25-4 van de wet van 15 december 1980.
De beslissing vermeldt de mogelijkheid van beroep, vermeld in artikel 9 van de wet, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de te eerbiedigen vormvereisten en termijnen.
§ 2. Zolang het beroep bij de gewestminister hangende is, wordt elke aanvraag die na het beroep wordt ingesteld met toepassing van de volgende bepalingen, niet ontvankelijk verklaard :
1° artikel 18 : het betreft een arbeidsbetrekking voor dezelfde werknemer en het beroep dat bij de gewestminister hangende is, betreft een aanvraag die ingediend is conform artikel 18;
2° artikel 18/25 : de aanvraag is ingediend door dezelfde werknemer en het beroep dat bij de gewestminister hangende is, betreft een aanvraag die ingediend is conform artikel 18/25;
3° artikel 18/26 : de aanvraag is ingediend door dezelfde werknemer en het beroep dat bij de gewestminister hangende is, betreft een aanvraag die ingediend is conform artikel 18/26.
§ 3. De beslissing van de gewestminister in beroep om de toegang tot arbeid te weigeren, wordt door de dienst Economische Migratie met een aangetekende brief betekend aan de beroepsindiener.
De beslissing vermeldt de mogelijkheid van beroep, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de te eerbiedigen vormvereisten en termijnen.]1
De beslissing vermeldt de mogelijkheid van beroep, vermeld in artikel 9 van de wet, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de te eerbiedigen vormvereisten en termijnen.
§ 2. Zolang het beroep bij de gewestminister hangende is, wordt elke aanvraag die na het beroep wordt ingesteld met toepassing van de volgende bepalingen, niet ontvankelijk verklaard :
1° artikel 18 : het betreft een arbeidsbetrekking voor dezelfde werknemer en het beroep dat bij de gewestminister hangende is, betreft een aanvraag die ingediend is conform artikel 18;
2° artikel 18/25 : de aanvraag is ingediend door dezelfde werknemer en het beroep dat bij de gewestminister hangende is, betreft een aanvraag die ingediend is conform artikel 18/25;
3° artikel 18/26 : de aanvraag is ingediend door dezelfde werknemer en het beroep dat bij de gewestminister hangende is, betreft een aanvraag die ingediend is conform artikel 18/26.
§ 3. De beslissing van de gewestminister in beroep om de toegang tot arbeid te weigeren, wordt door de dienst Economische Migratie met een aangetekende brief betekend aan de beroepsindiener.
De beslissing vermeldt de mogelijkheid van beroep, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de te eerbiedigen vormvereisten en termijnen.]1
Art. 18/28 _REGION_FLAMANDE.
[1 § 1er. La décision de refus d'accès à l'emploi sera notifiée par le service de Migration économique par lettre recommandée à l'employeur et à l'employé qui remplit les conditions énoncées à l'article 9 de la loi. La décision est notifiée au travailleur à son domicile, déterminé conformément à l'article 61/25-4 de la loi du 15 décembre 1980.
La décision précise le droit de recours prévu à l'article 9 de la loi, les autorités compétentes qui en prennent connaissance, ainsi que les conditions de forme et les délais à respecter.
§ 2. Tant que l'appel auprès du ministre régional est en instance, toute demande déposée après le dépôt de l'appel conformément aux dispositions suivantes sera déclarée irrecevable :
1° article 18 : il s'agit d'une relation de travail pour le même salarié et l'appel en instance devant le ministre régional concerne une demande présentée conformément à l'article 18 ;
2° article 18/25 : la demande a été présentée par le même salarié et l'appel en instance devant le ministre régional concerne une demande présentée conformément à l'article 18/25 ;
3° article 18/26 : la demande a été présentée par le même salarié et l'appel en instance devant le Ministre régional concerne une demande présentée conformément à l'article 18/26.
§ 3. La décision du ministre régional en appel de refuser l'accès à l'emploi est notifiée par le service de Migration économique à la personne qui introduit l'appel par lettre recommandée.
La décision précise les procédures de recours, les organismes compétents qui en prennent connaissance, les conditions de forme et les délais à respecter.]1
[1 § 1er. La décision de refus d'accès à l'emploi sera notifiée par le service de Migration économique par lettre recommandée à l'employeur et à l'employé qui remplit les conditions énoncées à l'article 9 de la loi. La décision est notifiée au travailleur à son domicile, déterminé conformément à l'article 61/25-4 de la loi du 15 décembre 1980.
La décision précise le droit de recours prévu à l'article 9 de la loi, les autorités compétentes qui en prennent connaissance, ainsi que les conditions de forme et les délais à respecter.
§ 2. Tant que l'appel auprès du ministre régional est en instance, toute demande déposée après le dépôt de l'appel conformément aux dispositions suivantes sera déclarée irrecevable :
1° article 18 : il s'agit d'une relation de travail pour le même salarié et l'appel en instance devant le ministre régional concerne une demande présentée conformément à l'article 18 ;
2° article 18/25 : la demande a été présentée par le même salarié et l'appel en instance devant le ministre régional concerne une demande présentée conformément à l'article 18/25 ;
3° article 18/26 : la demande a été présentée par le même salarié et l'appel en instance devant le Ministre régional concerne une demande présentée conformément à l'article 18/26.
§ 3. La décision du ministre régional en appel de refuser l'accès à l'emploi est notifiée par le service de Migration économique à la personne qui introduit l'appel par lettre recommandée.
La décision précise les procédures de recours, les organismes compétents qui en prennent connaissance, les conditions de forme et les délais à respecter.]1
Art. 18/29 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De aanvraag wordt als onvolledig beschouwd als ze niet de documenten of de gegevens bevat die vermeld zijn in artikel 18 tot 18.3 en, naargelang van het geval, artikel 18.4 tot 18.27.
[2 Binnen een termijn van vijftien dagen die ingaat vanaf de ontvangst van de aanvraag vermeld in de artikelen 18, 18.26 of 18.27]2, beslist het departement of die aanvraag volledig is en stelt de aanvrager over de volledigheid en ontvankelijkheid van de aanvraag in kennis.
Met toepassing van artikel 19, § 2, van het samenwerkingsakkoord kan de aanvrager, nadat het departement hem daartoe aangemaand heeft, zijn aanvraag volledig maken. Nadat de aanvraag volledig gemaakt is, stelt het departement de aanvrager over de volledigheid en ontvankelijkheid in kennis.
Het departement brengt de beslissing van onontvankelijkheid aangetekend ter kennis van de werkgever of van de werknemer, onderdaan van een derde land.]1
[1 De aanvraag wordt als onvolledig beschouwd als ze niet de documenten of de gegevens bevat die vermeld zijn in artikel 18 tot 18.3 en, naargelang van het geval, artikel 18.4 tot 18.27.
[2 Binnen een termijn van vijftien dagen die ingaat vanaf de ontvangst van de aanvraag vermeld in de artikelen 18, 18.26 of 18.27]2, beslist het departement of die aanvraag volledig is en stelt de aanvrager over de volledigheid en ontvankelijkheid van de aanvraag in kennis.
Met toepassing van artikel 19, § 2, van het samenwerkingsakkoord kan de aanvrager, nadat het departement hem daartoe aangemaand heeft, zijn aanvraag volledig maken. Nadat de aanvraag volledig gemaakt is, stelt het departement de aanvrager over de volledigheid en ontvankelijkheid in kennis.
Het departement brengt de beslissing van onontvankelijkheid aangetekend ter kennis van de werkgever of van de werknemer, onderdaan van een derde land.]1
Art. 18/29 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Est considérée comme incomplète la demande qui ne contient pas les données et documents visés aux articles 18 à 18.3, ni ceux éventuellement visés aux articles 18.4 à 18.27.
[2 Dans les quinze jours suivant la réception de la demande mentionnée aux articles 18, 18.26 ou 18.27,]2 le département statue sur la complétude de ladite demande et informe le demandeur sur sa complétude et sa recevabilité.
En application de l'article 19, § 2, de l'accord de coopération, le demandeur peut compléter sa demande après y avoir été invité par le département. Une fois la demande complète, le département informe le demandeur sur sa complétude et sa recevabilité.
Une décision d'irrecevabilité est transmise par le département au demandeur ou au travailleur issu d'un pays tiers, et ce, par recommandé.]1
[1 Est considérée comme incomplète la demande qui ne contient pas les données et documents visés aux articles 18 à 18.3, ni ceux éventuellement visés aux articles 18.4 à 18.27.
[2 Dans les quinze jours suivant la réception de la demande mentionnée aux articles 18, 18.26 ou 18.27,]2 le département statue sur la complétude de ladite demande et informe le demandeur sur sa complétude et sa recevabilité.
En application de l'article 19, § 2, de l'accord de coopération, le demandeur peut compléter sa demande après y avoir été invité par le département. Une fois la demande complète, le département informe le demandeur sur sa complétude et sa recevabilité.
Une décision d'irrecevabilité est transmise par le département au demandeur ou au travailleur issu d'un pays tiers, et ce, par recommandé.]1
Art. 18/29_VLAAMS_GEWEST. [1 Uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de geldigheid dient de werkgever de aanvraag tot hernieuwing of wijziging van de toelating tot arbeid in bij de dienst Economische Migratie, conform artikel 18 tot en met 18/3, en, naargelang het geval, artikel 18/4 tot en met 18/24.
In afwijking van het eerste lid worden de documenten, vermeld in artikel 18/4 tot en met 18/24, die ongewijzigd zijn gebleven sinds ze bezorgd zijn aan de dienst Economische Migratie, niet bij de aanvraag tot hernieuwing gevoegd.]1
In afwijking van het eerste lid worden de documenten, vermeld in artikel 18/4 tot en met 18/24, die ongewijzigd zijn gebleven sinds ze bezorgd zijn aan de dienst Economische Migratie, niet bij de aanvraag tot hernieuwing gevoegd.]1
Art. 18/29 _REGION_FLAMANDE.
[1 Au plus tard deux mois avant l'expiration de la période de validité, l'employeur soumet la demande de renouvellement ou de modification de l'admission au travail au service de Migration économique, conformément aux articles 18 à 18/3 et, le cas échéant, aux articles 18/4 à 18/24.
Par dérogation à l'alinéa premier, les documents visés aux articles 18/4 à 18/24, qui sont restés inchangés depuis leur présentation au service de Migration économique, ne sont pas joints à la demande de renouvellement.]1
[1 Au plus tard deux mois avant l'expiration de la période de validité, l'employeur soumet la demande de renouvellement ou de modification de l'admission au travail au service de Migration économique, conformément aux articles 18 à 18/3 et, le cas échéant, aux articles 18/4 à 18/24.
Par dérogation à l'alinéa premier, les documents visés aux articles 18/4 à 18/24, qui sont restés inchangés depuis leur présentation au service de Migration économique, ne sont pas joints à la demande de renouvellement.]1
Art. 18/30 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Het departement onderzoekt de eigenlijke aanvraag om toelating tot arbeid op basis van de relevante stukken van het volledig bevonden dossier en op basis van de inlichtingen en documenten die omwille van hun nut bij het indienen van de aanvraag opgevraagd werden.
[2 De werkgever deelt het departement elke wijziging mee die zich tijdens de aanvraagprocedure heeft voorgedaan.]2
Op basis van het onderzoek door het departement beslist de Gemeenschapsminister over de eigenlijke aanvraag.
Indien de Gemeenschapsminister de aanvraag om toelating tot arbeid weigert, brengt het departement die weigering aangetekend ter kennis van de werkgever en van de werknemer die voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 9 van de wet.
Overeenkomstig artikel 9 van de wet wordt het volgende vermeld in de beslissing :
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.]1
[1 Het departement onderzoekt de eigenlijke aanvraag om toelating tot arbeid op basis van de relevante stukken van het volledig bevonden dossier en op basis van de inlichtingen en documenten die omwille van hun nut bij het indienen van de aanvraag opgevraagd werden.
[2 De werkgever deelt het departement elke wijziging mee die zich tijdens de aanvraagprocedure heeft voorgedaan.]2
Op basis van het onderzoek door het departement beslist de Gemeenschapsminister over de eigenlijke aanvraag.
Indien de Gemeenschapsminister de aanvraag om toelating tot arbeid weigert, brengt het departement die weigering aangetekend ter kennis van de werkgever en van de werknemer die voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 9 van de wet.
Overeenkomstig artikel 9 van de wet wordt het volgende vermeld in de beslissing :
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.]1
Art. 18/30 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le département examine la demande d'autorisation de travail proprement dite, après analyse des pièces pertinentes du dossier jugé complet, ainsi que des informations et documents qui ont été réclamés eu égard à leur utilité pour le traitement de ladite demande.
[2 L'employeur notifie au département tout changement qui intervient pendant la procédure de demande.]2
Sur la base de l'examen réalisé par le département, le ministre communautaire statue sur la demande proprement dite.
Si le ministre communautaire rejette la demande d'autorisation au travail, le département notifie la décision de refus à l'employeur ainsi qu'au travailleur répondant aux conditions visées à l'article 9 de la loi, et ce, par lettre recommandée.
Conformément à l'article 9 de la loi, la décision mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prennent connaissance;
3° les exigences de formes et de délais à respecter.]1
[1 Le département examine la demande d'autorisation de travail proprement dite, après analyse des pièces pertinentes du dossier jugé complet, ainsi que des informations et documents qui ont été réclamés eu égard à leur utilité pour le traitement de ladite demande.
[2 L'employeur notifie au département tout changement qui intervient pendant la procédure de demande.]2
Sur la base de l'examen réalisé par le département, le ministre communautaire statue sur la demande proprement dite.
Si le ministre communautaire rejette la demande d'autorisation au travail, le département notifie la décision de refus à l'employeur ainsi qu'au travailleur répondant aux conditions visées à l'article 9 de la loi, et ce, par lettre recommandée.
Conformément à l'article 9 de la loi, la décision mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prennent connaissance;
3° les exigences de formes et de délais à respecter.]1
Art. 18/31 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 § 1 - Als de aanvraag geweigerd werd, kan de aanvrager binnen dertig dagen na kennisgeving beroep instellen bij de Gemeenschapsminister.
Als de Gemeenschapsminister de aanvraag opnieuw weigert, brengt het departement de beslissing aangetekend ter kennis van de aanvrager.
§ 2 - Zolang het beroep bij de Gemeenschapsminister hangende is, wordt elke na instelling van dit beroep ingediende aanvraag niet-ontvankelijk verklaard krachtens :
1° artikel 18, voor zover het gaat om de tewerkstelling van dezelfde werknemer en voor zover het beroep dat bij de Gemeenschapsminister hangende is betrekking heeft op een [2 aanvraag die ingediend is krachtens artikel 18 of artikel 18.33]2;
2° artikel 18.26, door dezelfde werknemer, voor zover het beroep dat bij de Gemeenschapsminister hangende is betrekking heeft op een aanvraag die ingediend is krachtens artikel 18.26;
3° artikel 18.27, ingediend door dezelfde werknemer, voor zover het beroep dat bij de Gemeenschapsminister hangende is betrekking heeft op een aanvraag die ingediend is krachtens artikel 18.27.]1
[1 § 1 - Als de aanvraag geweigerd werd, kan de aanvrager binnen dertig dagen na kennisgeving beroep instellen bij de Gemeenschapsminister.
Als de Gemeenschapsminister de aanvraag opnieuw weigert, brengt het departement de beslissing aangetekend ter kennis van de aanvrager.
§ 2 - Zolang het beroep bij de Gemeenschapsminister hangende is, wordt elke na instelling van dit beroep ingediende aanvraag niet-ontvankelijk verklaard krachtens :
1° artikel 18, voor zover het gaat om de tewerkstelling van dezelfde werknemer en voor zover het beroep dat bij de Gemeenschapsminister hangende is betrekking heeft op een [2 aanvraag die ingediend is krachtens artikel 18 of artikel 18.33]2;
2° artikel 18.26, door dezelfde werknemer, voor zover het beroep dat bij de Gemeenschapsminister hangende is betrekking heeft op een aanvraag die ingediend is krachtens artikel 18.26;
3° artikel 18.27, ingediend door dezelfde werknemer, voor zover het beroep dat bij de Gemeenschapsminister hangende is betrekking heeft op een aanvraag die ingediend is krachtens artikel 18.27.]1
Art. 18/31 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 § 1er - Le demandeur dont la demande a été rejetée peut introduire un recours auprès du ministre communautaire, et ce, dans les trente jours à dater de la notification.
Si le ministre communautaire rejette à nouveau la demande, le département transmet la décision au demandeur par recommandé.
§ 2 - Tant que le recours est pendant auprès du ministre communautaire, est déclarée irrecevable toute demande introduite après l'introduction de ce recours en vertu de :
1° l'article 18 [2 ou l'article 18.33]2, pour autant qu'il s'agisse d'occuper le même travailleur et que ledit recours pendant auprès du ministre communautaire concerne une demande introduite en vertu dudit article;
2° l'article 18.26, par le même travailleur, pour autant que ledit recours pendant auprès du ministre communautaire concerne une demande introduite en vertu dudit article;
3° l'article 18.27, par le même travailleur, pour autant que ledit recours pendant auprès du ministre communautaire concerne une demande introduite en vertu dudit article.]1
[1 § 1er - Le demandeur dont la demande a été rejetée peut introduire un recours auprès du ministre communautaire, et ce, dans les trente jours à dater de la notification.
Si le ministre communautaire rejette à nouveau la demande, le département transmet la décision au demandeur par recommandé.
§ 2 - Tant que le recours est pendant auprès du ministre communautaire, est déclarée irrecevable toute demande introduite après l'introduction de ce recours en vertu de :
1° l'article 18 [2 ou l'article 18.33]2, pour autant qu'il s'agisse d'occuper le même travailleur et que ledit recours pendant auprès du ministre communautaire concerne une demande introduite en vertu dudit article;
2° l'article 18.26, par le même travailleur, pour autant que ledit recours pendant auprès du ministre communautaire concerne une demande introduite en vertu dudit article;
3° l'article 18.27, par le même travailleur, pour autant que ledit recours pendant auprès du ministre communautaire concerne une demande introduite en vertu dudit article.]1
Art. 18/32 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Met behoud van de toepassing van artikel 21 van het samenwerkingsakkoord worden, in geval van een aanvraag tot hernieuwing van de toelating tot arbeid, de documenten vermeld in de artikelen 18.4 tot 18.24 niet bijgevoegd, voor zover ze sinds de overzending aan het departement onveranderd zijn gebleven.]1
[1 Met behoud van de toepassing van artikel 21 van het samenwerkingsakkoord worden, in geval van een aanvraag tot hernieuwing van de toelating tot arbeid, de documenten vermeld in de artikelen 18.4 tot 18.24 niet bijgevoegd, voor zover ze sinds de overzending aan het departement onveranderd zijn gebleven.]1
Art. 18/32 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Sans préjudice de l'article 21 de l'accord de coopération, les documents visés aux articles 18.4 à 18.24 qui sont restés inchangés depuis leur transmission au département ne sont pas joints à la demande de renouvellement de l'autorisation de travail.]1
[1 Sans préjudice de l'article 21 de l'accord de coopération, les documents visés aux articles 18.4 à 18.24 qui sont restés inchangés depuis leur transmission au département ne sont pas joints à la demande de renouvellement de l'autorisation de travail.]1
Afdeling 4._DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Procedure voor het verkrijgen van een toelating tot arbeid en een machtiging tot tewerkstelling]1
Section 4._COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Procédure d'obtention d'une autorisation de travail et d'occupation]1
Art. 18.33 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor de toepassing van artikel 3.1 vraagt de werkgever, voor de tewerkstelling van een werknemer die onderdaan is van een derde land, een toelating tot arbeid en een machtiging tot tewerkstelling aan bij het departement, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
De aanvraag wordt ingediend via een formulier dat het departement ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt minstens de volgende elementen :
1° volgende gegevens over de werkgever:
a) in geval van een natuurlijke persoon volgende gegevens over de werkgever: naam, voornaam, geslacht, geboortedatum en geboorteplaats, nationaliteit, rijksregisternummer, het e-mailadres en de contactgegevens;
b) in geval van een rechtspersoon: benaming, zetel, ondernemingsnummer, e-mailadres en de contactgegevens;
c) in geval van een volmacht of vertegenwoordiging, volgende gegevens over de gevolmachtigde of de vertegenwoordiger: naam, voornaam, geslacht, geboortedatum en geboorteplaats, nationaliteit, rijksregisternummer, het e-mailadres en de contactgegevens, het adres en, in voorkomend geval, de benaming van de onderneming en het ondernemingsnummer;
2° naam, voornaam, geslacht, geboortedatum en geboorteplaats, nationaliteit, adres, in voorkomend geval rijksregisternummer en de contactgegevens van de werknemer;
3° de gegevens en de details aangaande de tewerkstelling van de werknemer in het Duitse taalgebied.
De aanvraag wordt door de werkgever ingevuld, gedagtekend en ondertekend.]1
[1 Voor de toepassing van artikel 3.1 vraagt de werkgever, voor de tewerkstelling van een werknemer die onderdaan is van een derde land, een toelating tot arbeid en een machtiging tot tewerkstelling aan bij het departement, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.
De aanvraag wordt ingediend via een formulier dat het departement ter beschikking stelt. Dat aanvraagformulier vermeldt minstens de volgende elementen :
1° volgende gegevens over de werkgever:
a) in geval van een natuurlijke persoon volgende gegevens over de werkgever: naam, voornaam, geslacht, geboortedatum en geboorteplaats, nationaliteit, rijksregisternummer, het e-mailadres en de contactgegevens;
b) in geval van een rechtspersoon: benaming, zetel, ondernemingsnummer, e-mailadres en de contactgegevens;
c) in geval van een volmacht of vertegenwoordiging, volgende gegevens over de gevolmachtigde of de vertegenwoordiger: naam, voornaam, geslacht, geboortedatum en geboorteplaats, nationaliteit, rijksregisternummer, het e-mailadres en de contactgegevens, het adres en, in voorkomend geval, de benaming van de onderneming en het ondernemingsnummer;
2° naam, voornaam, geslacht, geboortedatum en geboorteplaats, nationaliteit, adres, in voorkomend geval rijksregisternummer en de contactgegevens van de werknemer;
3° de gegevens en de details aangaande de tewerkstelling van de werknemer in het Duitse taalgebied.
De aanvraag wordt door de werkgever ingevuld, gedagtekend en ondertekend.]1
Art. 18.33 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Aux fins d'application de l'article 3.1, l'employeur introduit auprès du département une demande d'autorisation de travail et d'occupation pour l'occupation d'un travailleur ressortissant d'un pays tiers, conformément aux dispositions du présent chapitre.
La demande est introduite au moyen d'un formulaire mis à disposition par le département. Ce formulaire de demande contient au moins les éléments suivants :
1° les informations suivantes, qui concernent l'employeur :
a) pour une personne physique, les informations suivantes : nom, prénom, sexe, date et lieu de naissance, nationalité, numéro de registre national, adresse électronique, données de contact;
b) pour une personne morale : raison sociale, siège, numéro d'entreprise, adresse électronique et données de contact;
c) en cas de procuration ou de représentation, les informations suivantes, qui concernent le mandataire ou le représentant : nom, prénom, sexe, date et lieu de naissance, nationalité, numéro de registre national, adresse électronique et données de contact, adresse et, le cas échéant, raison sociale et numéro d'entreprise;
2° le nom, le prénom, le sexe, la date et le lieu de naissance, la nationalité, l'adresse, le cas échéant, le numéro de registre national et les données de contact du travailleur;
3° les informations et détails concernant l'occupation du travailleur en région de langue allemande.
La demande est remplie, datée et signée par l'employeur.]1
[1 Aux fins d'application de l'article 3.1, l'employeur introduit auprès du département une demande d'autorisation de travail et d'occupation pour l'occupation d'un travailleur ressortissant d'un pays tiers, conformément aux dispositions du présent chapitre.
La demande est introduite au moyen d'un formulaire mis à disposition par le département. Ce formulaire de demande contient au moins les éléments suivants :
1° les informations suivantes, qui concernent l'employeur :
a) pour une personne physique, les informations suivantes : nom, prénom, sexe, date et lieu de naissance, nationalité, numéro de registre national, adresse électronique, données de contact;
b) pour une personne morale : raison sociale, siège, numéro d'entreprise, adresse électronique et données de contact;
c) en cas de procuration ou de représentation, les informations suivantes, qui concernent le mandataire ou le représentant : nom, prénom, sexe, date et lieu de naissance, nationalité, numéro de registre national, adresse électronique et données de contact, adresse et, le cas échéant, raison sociale et numéro d'entreprise;
2° le nom, le prénom, le sexe, la date et le lieu de naissance, la nationalité, l'adresse, le cas échéant, le numéro de registre national et les données de contact du travailleur;
3° les informations et détails concernant l'occupation du travailleur en région de langue allemande.
La demande est remplie, datée et signée par l'employeur.]1
Art. 18.34 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De via de werkgever ingediende aanvraag kan alleen worden ingediend door een natuurlijke persoon die daarvoor over de vereiste rechtsbekwaamheid beschikt, met name door de werkgever zelf of door de natuurlijke persoon die op regelmatige wijze in België verblijft en in naam en voor rekening van de werkgever handelt.
Voor de in het buitenland gevestigde werkgever kan alleen die natuurlijke persoon optreden.]1
[1 De via de werkgever ingediende aanvraag kan alleen worden ingediend door een natuurlijke persoon die daarvoor over de vereiste rechtsbekwaamheid beschikt, met name door de werkgever zelf of door de natuurlijke persoon die op regelmatige wijze in België verblijft en in naam en voor rekening van de werkgever handelt.
Voor de in het buitenland gevestigde werkgever kan alleen die natuurlijke persoon optreden.]1
Art. 18.34 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 La demande faite par le biais de l'employeur est en tous cas introduite par une personne physique disposant de la capacité juridique pour ce faire, notamment l'employeur lui-même, ou bien la personne physique résidant régulièrement en Belgique et agissant au nom et pour le compte dudit employeur.
Si l'employeur est établi en dehors de la Belgique, seule cette personne physique est habilitée à agir.]1
[1 La demande faite par le biais de l'employeur est en tous cas introduite par une personne physique disposant de la capacité juridique pour ce faire, notamment l'employeur lui-même, ou bien la personne physique résidant régulièrement en Belgique et agissant au nom et pour le compte dudit employeur.
Si l'employeur est établi en dehors de la Belgique, seule cette personne physique est habilitée à agir.]1
Art. 18.35 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De werkgever voegt bij het formulier vermeld in artikel 18.33 de documenten vermeld in artikel 18.3 en, in voorkomend geval, de documenten vermeld in de artikelen 18.5 tot 18.13, in de artikelen 18.15 tot 18.21 en in artikel 18.23.
Met behoud van de toepassing van de artikelen 18.33 en 18.34 kan het departement de werkgever aanmanen om bij de aanvraag nog andere documenten te voegen die voor de behandeling van zijn aanvraag noodzakelijk zijn.]1
[1 De werkgever voegt bij het formulier vermeld in artikel 18.33 de documenten vermeld in artikel 18.3 en, in voorkomend geval, de documenten vermeld in de artikelen 18.5 tot 18.13, in de artikelen 18.15 tot 18.21 en in artikel 18.23.
Met behoud van de toepassing van de artikelen 18.33 en 18.34 kan het departement de werkgever aanmanen om bij de aanvraag nog andere documenten te voegen die voor de behandeling van zijn aanvraag noodzakelijk zijn.]1
Art. 18.35 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Au formulaire visé à l'article 18.33, l'employeur joint les documents mentionnés à l'article 18.3 et, le cas échéant, ceux mentionnés aux articles 18.5 à 18.13, 18.15 à 18.21 et 18.23.
Sans préjudice de l'application des articles 18.33 et 18.34, le département peut inviter l'employeur à joindre à la demande d'autres documents nécessaires à son traitement.]1
[1 Au formulaire visé à l'article 18.33, l'employeur joint les documents mentionnés à l'article 18.3 et, le cas échéant, ceux mentionnés aux articles 18.5 à 18.13, 18.15 à 18.21 et 18.23.
Sans préjudice de l'application des articles 18.33 et 18.34, le département peut inviter l'employeur à joindre à la demande d'autres documents nécessaires à son traitement.]1
Art. 18.36 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 § 1 - Het departement beslist binnen een termijn van vijftien dagen na ontvangst van de aanvraag vermeld in artikel 18.33 of de aanvraag volledig is en stelt de aanvrager over de volledigheid en ontvankelijkheid van de aanvraag in kennis.
§ 2 - Als de aanvrager niet alle documenten heeft ingediend die noodzakelijk zijn tot staving van zijn aanvraag of als de aanvraag onvolledig is, deelt het departement hem schriftelijk mee welke aanvullende inlichtingen of documenten hij nog moet indienen binnen een termijn van vijftien dagen na kennisgeving van het schrijven waarmee die worden opgevraagd.
§ 3 - Als de aanvullende documenten of inlichtingen niet binnen de termijn vermeld in paragraaf 2 ter kennis worden gebracht, verklaart het departement de aanvraag niet-ontvankelijk.
De werkgever wordt per aangetekend schrijven in kennis gesteld van de niet-ontvankelijkheid van de aanvraag.]1
[1 § 1 - Het departement beslist binnen een termijn van vijftien dagen na ontvangst van de aanvraag vermeld in artikel 18.33 of de aanvraag volledig is en stelt de aanvrager over de volledigheid en ontvankelijkheid van de aanvraag in kennis.
§ 2 - Als de aanvrager niet alle documenten heeft ingediend die noodzakelijk zijn tot staving van zijn aanvraag of als de aanvraag onvolledig is, deelt het departement hem schriftelijk mee welke aanvullende inlichtingen of documenten hij nog moet indienen binnen een termijn van vijftien dagen na kennisgeving van het schrijven waarmee die worden opgevraagd.
§ 3 - Als de aanvullende documenten of inlichtingen niet binnen de termijn vermeld in paragraaf 2 ter kennis worden gebracht, verklaart het departement de aanvraag niet-ontvankelijk.
De werkgever wordt per aangetekend schrijven in kennis gesteld van de niet-ontvankelijkheid van de aanvraag.]1
Art. 18.36 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 § 1er - Dans les quinze jours suivant la réception de la demande mentionnée à l'article 18.33, le département statue sur la complétude de ladite demande et informe le demandeur de la complétude et de la recevabilité de celle-ci.
§ 2 - Si le demandeur n'a pas produit tous les documents nécessaires à l'appui de sa demande ou si celle-ci n'est pas complète, le département lui notifie par écrit les informations ou documents complémentaires qu'il doit produire dans un délai de quinze jours suivant la réception de la notification.
§ 3 - Si les informations ou documents complémentaires ne sont pas transmis dans le délai mentionné au paragraphe 2, le département déclare la demande irrecevable.
L'employeur est informé de l'irrecevabilité de la demande par recommandé.]1
[1 § 1er - Dans les quinze jours suivant la réception de la demande mentionnée à l'article 18.33, le département statue sur la complétude de ladite demande et informe le demandeur de la complétude et de la recevabilité de celle-ci.
§ 2 - Si le demandeur n'a pas produit tous les documents nécessaires à l'appui de sa demande ou si celle-ci n'est pas complète, le département lui notifie par écrit les informations ou documents complémentaires qu'il doit produire dans un délai de quinze jours suivant la réception de la notification.
§ 3 - Si les informations ou documents complémentaires ne sont pas transmis dans le délai mentionné au paragraphe 2, le département déclare la demande irrecevable.
L'employeur est informé de l'irrecevabilité de la demande par recommandé.]1
Art. 18.37 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 § 1 - De beslissing over de aanvraag wordt uiterlijk binnen vier maanden na het indienen van de aanvraag [2 genomen en ter kennis gebracht]2.
§ 2 - [2 ...]2
3° wordt de beslissing over de aanvraag tot vernieuwing of verlenging uiterlijk dertig dagen na de kennisgeving van de volledigheid van de aanvraag genomen.
§ 3 - Als na het verstrijken van [2 de termijn bepaald in paragraaf 1]2 geen beslissing is genomen, wordt de toelating tot arbeid en de machtiging tot tewerkstelling als toegekend beschouwd.]1
[1 § 1 - De beslissing over de aanvraag wordt uiterlijk binnen vier maanden na het indienen van de aanvraag [2 genomen en ter kennis gebracht]2.
§ 2 - [2 ...]2
3° wordt de beslissing over de aanvraag tot vernieuwing of verlenging uiterlijk dertig dagen na de kennisgeving van de volledigheid van de aanvraag genomen.
§ 3 - Als na het verstrijken van [2 de termijn bepaald in paragraaf 1]2 geen beslissing is genomen, wordt de toelating tot arbeid en de machtiging tot tewerkstelling als toegekend beschouwd.]1
Art. 18.37 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 § 1er - La décision concernant la demande est [2 prise et notifiée]2 au plus tard quatre mois après la réception de ladite demande.
§ 2 - [2 ...]2
§ 3 - Si, au terme [2 du délai prévu au paragraphe 1er]2, aucune décision n'a été prise, l'autorisation de travail et d'occupation est réputée être accordée.]1
[1 § 1er - La décision concernant la demande est [2 prise et notifiée]2 au plus tard quatre mois après la réception de ladite demande.
§ 2 - [2 ...]2
§ 3 - Si, au terme [2 du délai prévu au paragraphe 1er]2, aucune décision n'a été prise, l'autorisation de travail et d'occupation est réputée être accordée.]1
Art. 18.38 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 § 1 - Als de Gemeenschapsminister de aanvraag weigert, brengt het departement die weigering aangetekend ter kennis van de werkgever en van de werknemer die voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 9 van de wet.
Overeenkomstig artikel 9 van de wet wordt het volgende vermeld in de beslissing :
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
§ 2 - Als de aanvraag geweigerd werd, kan de aanvrager binnen dertig dagen na kennisgeving beroep instellen bij de Gemeenschapsminister.
Als de Gemeenschapsminister de aanvraag opnieuw weigert, brengt het departement de beslissing aangetekend ter kennis van de aanvrager.
De beslissing bevat :
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
§ 3 - Zolang het beroep bij de Gemeenschapsminister hangende is, wordt elke na instelling van dit beroep ingediende aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, als het gaat om de tewerkstelling van dezelfde werknemer en als het bij de Gemeenschapsminister hangende beroep betrekking heeft op een aanvraag die werd ingediend krachtens artikel 18 of artikel 18.33.]1
[1 § 1 - Als de Gemeenschapsminister de aanvraag weigert, brengt het departement die weigering aangetekend ter kennis van de werkgever en van de werknemer die voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 9 van de wet.
Overeenkomstig artikel 9 van de wet wordt het volgende vermeld in de beslissing :
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
§ 2 - Als de aanvraag geweigerd werd, kan de aanvrager binnen dertig dagen na kennisgeving beroep instellen bij de Gemeenschapsminister.
Als de Gemeenschapsminister de aanvraag opnieuw weigert, brengt het departement de beslissing aangetekend ter kennis van de aanvrager.
De beslissing bevat :
1° de mogelijkheid om beroep in stellen;
2° de bevoegde instanties die daarvan kennis nemen;
3° de na te leven termijnen en vormvereisten.
§ 3 - Zolang het beroep bij de Gemeenschapsminister hangende is, wordt elke na instelling van dit beroep ingediende aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, als het gaat om de tewerkstelling van dezelfde werknemer en als het bij de Gemeenschapsminister hangende beroep betrekking heeft op een aanvraag die werd ingediend krachtens artikel 18 of artikel 18.33.]1
Art. 18.38 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 § 1er - Si le ministre communautaire rejette la demande, le département notifie ledit rejet à l'employeur ainsi qu'au travailleur répondant aux conditions visées à l'article 9 de la loi, et ce, par recommandé.
Conformément à l'article 9 de la loi, la décision mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prennent connaissance;
3° les exigences de formes et de délais à respecter.
§ 2 - Le demandeur dont la demande a été rejetée peut introduire un recours auprès du ministre communautaire, et ce, dans les trente jours à dater de la notification.
Si le ministre communautaire rejette à nouveau la demande, le département transmet la décision au demandeur par recommandé.
Cette décision mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prennent connaissance;
3° les exigences de formes et de délais à respecter.
§ 3 - Tant que le recours est pendant auprès du ministre communautaire, toute demande présentée après l'introduction de ce recours est déclarée irrecevable, pour autant qu'il s'agisse d'occuper le même travailleur et que ledit recours pendant auprès du ministre communautaire concerne une demande introduite en vertu des articles 18 ou 18.33.]1
[1 § 1er - Si le ministre communautaire rejette la demande, le département notifie ledit rejet à l'employeur ainsi qu'au travailleur répondant aux conditions visées à l'article 9 de la loi, et ce, par recommandé.
Conformément à l'article 9 de la loi, la décision mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prennent connaissance;
3° les exigences de formes et de délais à respecter.
§ 2 - Le demandeur dont la demande a été rejetée peut introduire un recours auprès du ministre communautaire, et ce, dans les trente jours à dater de la notification.
Si le ministre communautaire rejette à nouveau la demande, le département transmet la décision au demandeur par recommandé.
Cette décision mentionne :
1° la possibilité d'introduire un recours;
2° les instances compétentes qui en prennent connaissance;
3° les exigences de formes et de délais à respecter.
§ 3 - Tant que le recours est pendant auprès du ministre communautaire, toute demande présentée après l'introduction de ce recours est déclarée irrecevable, pour autant qu'il s'agisse d'occuper le même travailleur et que ledit recours pendant auprès du ministre communautaire concerne une demande introduite en vertu des articles 18 ou 18.33.]1
Art. 18.39 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De onderdaan van een derde land die toegelaten is voor een verblijf van minder dan negentig dagen en die zijn totale verblijfsduur wil verlengen tot meer dan negentig dagen, dient zijn aanvraag in overeenkomstig de procedure beschreven in hoofdstuk IV, afdeling 3.]1
[1 De onderdaan van een derde land die toegelaten is voor een verblijf van minder dan negentig dagen en die zijn totale verblijfsduur wil verlengen tot meer dan negentig dagen, dient zijn aanvraag in overeenkomstig de procedure beschreven in hoofdstuk IV, afdeling 3.]1
Art. 18.39 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le ressortissant d'un pays tiers admis pour un séjour de moins de nonante jours qui souhaite prolonger la durée totale de son séjour au-delà de cette limite introduit sa demande conformément à la procédure décrite au chapitre IV, section 3.]1
[1 Le ressortissant d'un pays tiers admis pour un séjour de moins de nonante jours qui souhaite prolonger la durée totale de son séjour au-delà de cette limite introduit sa demande conformément à la procédure décrite au chapitre IV, section 3.]1
HOOFDSTUK V. - Contingenten.
CHAPITRE V. - Contingents.
Art. 19. Onverminderd de bepalingen van de wet en van dit besluit, is de toekenning van een arbeidsvergunning aan een contingent van minstens vijftien werknemers eveneens onderworpen aan een voorafgaandelijke schriftelijke aanvraag gericht aan de bevoegde overheid.
Het voorgaande lid is niet van toepassing wanneer het de werknemers betreft, bedoeld in artikel 9.
De bevoegde overheid vraagt het advies van het bevoegde paritaire comité.
Het voorgaande lid is niet van toepassing wanneer het de werknemers betreft, bedoeld in artikel 9.
De bevoegde overheid vraagt het advies van het bevoegde paritaire comité.
Art. 19. Outre les dispositions de la loi et du présent arrêté, l'octroi de l'autorisation d'occupation d'un contingent d'au moins quinze travailleurs est aussi subordonné à l'introduction préalable d'une demande écrite auprès de l'autorité compétente.
L'alinéa précédent n'est pas d'application lorsqu'il s'agit des travailleurs visés à l'article 9.
L'autorité compétente demande l'avis de la commission paritaire competente.
L'alinéa précédent n'est pas d'application lorsqu'il s'agit des travailleurs visés à l'article 9.
L'autorité compétente demande l'avis de la commission paritaire competente.
HOOFDSTUK VI. - Bijzondere categorieën van werknemers.
CHAPITRE VI. - Catégories spéciales de travailleurs.
Afdeling 1. - De stagiairs.
Section 1. - Les stagiaires.
Art. 19/1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De bepalingen van hoofdstuk 5 van titel II van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 zijn van toepassing op de aanvragen ingediend in overeenstemming met deze afdeling, met het oog op stage van meer dan negentig dagen.]1
Art. 19/1 _REGION_BRUXELLES_CAPITALE.
[1 Les dispositions du chapitre 5 du titre II de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 sont d'application aux demandes introduites conformément à la présente section, en vue d'un stage d'une durée de plus de nonante jours.]1
[1 Les dispositions du chapitre 5 du titre II de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 sont d'application aux demandes introduites conformément à la présente section, en vue d'un stage d'une durée de plus de nonante jours.]1
Art. 20. Voor de toepassing van deze afdeling verstaat men onder stagiairs, de personen die een stage volgen, d.w.z. de opleiding, bij een werkgever, als voortzetting van een voorafgaandelijke vorming bevestigd door een diploma of een studiegetuigschrift.
Art. 20. Pour l'application de la présente section, on entend par stagiaires les personnes qui effectuent un stage, c'est-à-dire l'apprentissage, auprès d'un employeur, d'une profession en continuation d'une formation préalable attestée par un diplôme ou un certificat d'études.
Art. 20 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor de toepassing van deze afdeling zijn de bepalingen van titel II, hoofdstuk 5, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 van toepassing op een stage van meer dan negentig dagen.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder ''stagiairs" verstaan: de onderdanen van een derde land vermeld in artikel 47, 1°, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.]1
[1 Voor de toepassing van deze afdeling zijn de bepalingen van titel II, hoofdstuk 5, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 van toepassing op een stage van meer dan negentig dagen.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder ''stagiairs" verstaan: de onderdanen van een derde land vermeld in artikel 47, 1°, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.]1
Art. 20 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Aux fins d'application de la présente section, les dispositions du titre II, chapitre 5, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 s'appliquent à un stage de plus de nonante jours.
Aux fins d'application de la présente section, il faut entendre par " stagiaires " les ressortissants d'un pays tiers mentionnés à l'article 47, 1°, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018.]1
[1 Aux fins d'application de la présente section, les dispositions du titre II, chapitre 5, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 s'appliquent à un stage de plus de nonante jours.
Aux fins d'application de la présente section, il faut entendre par " stagiaires " les ressortissants d'un pays tiers mentionnés à l'article 47, 1°, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018.]1
Wijzigingen
Art. 20_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. Voor de toepassing van deze afdeling verstaat men onder stagiairs, [1 de onderdanen van derde landen bedoeld in artikel 47, 1° van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018]1.
Art. 20 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Pour l'application de la présente section, on entend par stagiaires [1 les ressortissants de pays tiers visés à l'article 47, 1° de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018]1.
Pour l'application de la présente section, on entend par stagiaires [1 les ressortissants de pays tiers visés à l'article 47, 1° de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018]1.
Wijzigingen
Art. 21. De arbeidsvergunning en de arbeidskaart met betrekking tot een stagiair worden slechts toegekend op voorwaarde dat de betrokkene :
1° minstens achttien jaar oud en niet meer dan dertig jaar oud op de datum van toekenning van de arbeidsvergunning en de arbeidskaart;
2° gaat de verbintenis aan gedurende de stageperiode geen dienstbetrekking in België uit te voeren;
1° minstens achttien jaar oud en niet meer dan dertig jaar oud op de datum van toekenning van de arbeidsvergunning en de arbeidskaart;
2° gaat de verbintenis aan gedurende de stageperiode geen dienstbetrekking in België uit te voeren;
Art. 21. L'autorisation d'occupation et le permis de travail relatifs à un stagiaire ne sont accordés qu'à condition que l'intéressé :
1° soit âgé de dix-huit ans au moins et n'ait pas atteint l'âge de trente ans à la date d'octroi de l'autorisation d'occupation et du permis de travail;
2° prenne l'engagement de n'occuper en Belgique aucun emploi pendant la période du stage;
1° soit âgé de dix-huit ans au moins et n'ait pas atteint l'âge de trente ans à la date d'octroi de l'autorisation d'occupation et du permis de travail;
2° prenne l'engagement de n'occuper en Belgique aucun emploi pendant la période du stage;
Art. 21 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De arbeidsvergunning en de arbeidskaart met betrekking tot een stagiair worden slechts toegekend op voorwaarde dat de betrokkene :
1° [1 de stage doorloopt in aansluiting op een diploma hoger onderwijs dat binnen de laatste twee jaar voor de datum van de aanvraag werd behaald of in het kader van studies die tot zo'n diploma leiden;]1
2° gaat de verbintenis aan gedurende de stageperiode geen dienstbetrekking in België uit te voeren;
[1 De toelating tot arbeid bedoeld in het eerste lid wordt toegekend voor hoogstens zes maanden.]1
De arbeidsvergunning en de arbeidskaart met betrekking tot een stagiair worden slechts toegekend op voorwaarde dat de betrokkene :
1° [1 de stage doorloopt in aansluiting op een diploma hoger onderwijs dat binnen de laatste twee jaar voor de datum van de aanvraag werd behaald of in het kader van studies die tot zo'n diploma leiden;]1
2° gaat de verbintenis aan gedurende de stageperiode geen dienstbetrekking in België uit te voeren;
[1 De toelating tot arbeid bedoeld in het eerste lid wordt toegekend voor hoogstens zes maanden.]1
Art. 21 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
L'autorisation d'occupation et le permis de travail relatifs à un stagiaire ne sont accordés qu'à condition que l'intéressé :
1° [1 effectue un stage au terme d'un diplôme de l'enseignement supérieur obtenu dans les deux dernières années précédant la date de l'introduction de la demande ou dans le cadre d'études qui mènent à un tel diplôme;]1
2° prenne l'engagement de n'occuper en Belgique aucun emploi pendant la période du stage;
[1 L'autorisation de travail mentionnée à l'alinéa 1er est octroyée pour six mois au plus.]1
L'autorisation d'occupation et le permis de travail relatifs à un stagiaire ne sont accordés qu'à condition que l'intéressé :
1° [1 effectue un stage au terme d'un diplôme de l'enseignement supérieur obtenu dans les deux dernières années précédant la date de l'introduction de la demande ou dans le cadre d'études qui mènent à un tel diplôme;]1
2° prenne l'engagement de n'occuper en Belgique aucun emploi pendant la période du stage;
[1 L'autorisation de travail mentionnée à l'alinéa 1er est octroyée pour six mois au plus.]1
Wijzigingen
Art. 21_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. De arbeidsvergunning en de arbeidskaart met betrekking tot een stagiair worden slechts toegekend op voorwaarde dat de betrokkene :
1° [1 de stage wordt gelopen als voortzetting van een voorafgaandelijke vorming bevestigd door een diploma of getuigschrift van hogere studies, behaald in de twee jaar die voorafgaan aan de indiening van de aanvraag, of in het kader van de voortzetting in een derde land van een studiecyclus die leidt tot het behalen van een diploma of getuigschrift van hoger onderwijs;]1
2° gaat de verbintenis aan gedurende de stageperiode geen dienstbetrekking in België uit te voeren;
1° [1 de stage wordt gelopen als voortzetting van een voorafgaandelijke vorming bevestigd door een diploma of getuigschrift van hogere studies, behaald in de twee jaar die voorafgaan aan de indiening van de aanvraag, of in het kader van de voortzetting in een derde land van een studiecyclus die leidt tot het behalen van een diploma of getuigschrift van hoger onderwijs;]1
2° gaat de verbintenis aan gedurende de stageperiode geen dienstbetrekking in België uit te voeren;
Art. 21 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
L'autorisation d'occupation et le permis de travail relatifs à un stagiaire ne sont accordés qu'à condition que l'intéressé :
1° [1 le stage est effectué en continuation d'une formation préalable attestée par un diplôme ou un certificat d'études supérieures, obtenu dans les deux années précédant l'introduction de la demande, ou dans le cadre de la poursuite dans un pays tiers un cycle d'études menant à l'obtention d'un diplôme ou d'un certificat de l'enseignement supérieur;]1
2° prenne l'engagement de n'occuper en Belgique aucun emploi pendant la période du stage;
L'autorisation d'occupation et le permis de travail relatifs à un stagiaire ne sont accordés qu'à condition que l'intéressé :
1° [1 le stage est effectué en continuation d'une formation préalable attestée par un diplôme ou un certificat d'études supérieures, obtenu dans les deux années précédant l'introduction de la demande, ou dans le cadre de la poursuite dans un pays tiers un cycle d'études menant à l'obtention d'un diplôme ou d'un certificat de l'enseignement supérieur;]1
2° prenne l'engagement de n'occuper en Belgique aucun emploi pendant la période du stage;
Wijzigingen
Art. 22. De stage moet beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
1° ze dient voltijds te zijn;
2° de duur mag de twaalf maanden niet overschrijden en mag desgevallend slechts worden verlengd voor zover de totale tewerkstellingsduur de twaalf maanden niet overschrijdt;
3° ze dient het voorwerp uit te maken van een stageovereenkomst vertaald in de moedertaal van de betrokkene, of een andere taal die hij begrijpt, en die met name het aantal uren van opleiding vermeldt alsook het bedrag van het loon dat niet lager mag zijn dan het toepasselijk wettelijk gewaarborgd minimumloon, hierbij inbegrepen het bedrag van eventuele beurzen;
4° ze dient vergezeld te zijn van een opleidingsprogramma.
1° ze dient voltijds te zijn;
2° de duur mag de twaalf maanden niet overschrijden en mag desgevallend slechts worden verlengd voor zover de totale tewerkstellingsduur de twaalf maanden niet overschrijdt;
3° ze dient het voorwerp uit te maken van een stageovereenkomst vertaald in de moedertaal van de betrokkene, of een andere taal die hij begrijpt, en die met name het aantal uren van opleiding vermeldt alsook het bedrag van het loon dat niet lager mag zijn dan het toepasselijk wettelijk gewaarborgd minimumloon, hierbij inbegrepen het bedrag van eventuele beurzen;
4° ze dient vergezeld te zijn van een opleidingsprogramma.
Art. 22. Le stage doit répondre aux conditions suivantes :
1° il doit être à temps plein;
2° sa durée ne peut excéder douze mois et il ne peut être prolongé, le cas échéant, que dans la mesure où la durée totale d'occupation n'excède pas douze mois;
3° il doit faire l'objet d'un contrat de stage traduit dans la langue maternelle de l'intéressé, ou dans une autre langue qu'il comprend, et mentionnant, notamment, le nombre d'heures de formation et le montant de la rémunération qui ne pourra être inférieur au minimum légalement applicable en ce inclus le montant des bourses éventuelles;
4° il doit être assorti d'un programme de formation.
1° il doit être à temps plein;
2° sa durée ne peut excéder douze mois et il ne peut être prolongé, le cas échéant, que dans la mesure où la durée totale d'occupation n'excède pas douze mois;
3° il doit faire l'objet d'un contrat de stage traduit dans la langue maternelle de l'intéressé, ou dans une autre langue qu'il comprend, et mentionnant, notamment, le nombre d'heures de formation et le montant de la rémunération qui ne pourra être inférieur au minimum légalement applicable en ce inclus le montant des bourses éventuelles;
4° il doit être assorti d'un programme de formation.
Art. 22 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De stage voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° ze heeft betrekking op hetzelfde werkterrein als het diploma hoger onderwijs vermeld in artikel 21 of op hetzelfde werkterrein als de studies vermeld in artikel 21 en ze heeft betrekking op hetzelfde kwalificatieniveau;
2° ze duurt in totaal niet langer dan zes maanden;
3° ze wordt geregeld in een stageovereenkomst die in het bijzonder de volgende elementen bevat :
a) het aantal uren van de opleiding;
b) de voorwaarden voor de activiteit en de supervisie;
c) de arbeidstijden van de stagiair;
d) de juridische relatie tussen de stagiair en de gastonderneming.]1
[1 De stage voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° ze heeft betrekking op hetzelfde werkterrein als het diploma hoger onderwijs vermeld in artikel 21 of op hetzelfde werkterrein als de studies vermeld in artikel 21 en ze heeft betrekking op hetzelfde kwalificatieniveau;
2° ze duurt in totaal niet langer dan zes maanden;
3° ze wordt geregeld in een stageovereenkomst die in het bijzonder de volgende elementen bevat :
a) het aantal uren van de opleiding;
b) de voorwaarden voor de activiteit en de supervisie;
c) de arbeidstijden van de stagiair;
d) de juridische relatie tussen de stagiair en de gastonderneming.]1
Art. 22 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le stage répond aux conditions suivantes :
1° il concerne le même domaine que le diplôme d'enseignement supérieur mentionné à l'article 21 ou, selon le cas, les études mentionnées au même article et correspond au même niveau de qualification;
2° sa durée totale n'excède pas six mois;
3° il fait l'objet d'un contrat de stage qui reprend notamment les éléments suivants :
a) le nombre d'heures de formation;
b) les conditions de l'activité et de la supervision;
c) le temps de travail du stagiaire;
d) la relation juridique entre le stagiaire et l'entité d'accueil.]1
[1 Le stage répond aux conditions suivantes :
1° il concerne le même domaine que le diplôme d'enseignement supérieur mentionné à l'article 21 ou, selon le cas, les études mentionnées au même article et correspond au même niveau de qualification;
2° sa durée totale n'excède pas six mois;
3° il fait l'objet d'un contrat de stage qui reprend notamment les éléments suivants :
a) le nombre d'heures de formation;
b) les conditions de l'activité et de la supervision;
c) le temps de travail du stagiaire;
d) la relation juridique entre le stagiaire et l'entité d'accueil.]1
Wijzigingen
Art. 22_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. De stage moet beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
1° [1 gelopen worden in hetzelfde domein en op hetzelfde kwalificatieniveau als het diploma of het getuigschrift van hoger onderwijs of de studiecyclus, bedoeld in artikel 21;]1
2° de duur mag de [1 zes maanden]1 niet overschrijden en mag desgevallend slechts worden verlengd voor zover de totale tewerkstellingsduur de twaalf maanden niet overschrijdt;
3° ze dient het voorwerp uit te maken van een stageovereenkomst vertaald in de moedertaal van de betrokkene, of een andere taal die hij begrijpt, en die met name het aantal uren van opleiding vermeldt alsook [1 een beschrijving van het stageprogramma, met inbegrip van het opleidingsprogramma, de duur van de stage, de plaatsings- en supervisievoorwaarden, de stage-uren en de juridische relatie tussen de werkgever en de stagiair]1;
4° [1 ...]1.
1° [1 gelopen worden in hetzelfde domein en op hetzelfde kwalificatieniveau als het diploma of het getuigschrift van hoger onderwijs of de studiecyclus, bedoeld in artikel 21;]1
2° de duur mag de [1 zes maanden]1 niet overschrijden en mag desgevallend slechts worden verlengd voor zover de totale tewerkstellingsduur de twaalf maanden niet overschrijdt;
3° ze dient het voorwerp uit te maken van een stageovereenkomst vertaald in de moedertaal van de betrokkene, of een andere taal die hij begrijpt, en die met name het aantal uren van opleiding vermeldt alsook [1 een beschrijving van het stageprogramma, met inbegrip van het opleidingsprogramma, de duur van de stage, de plaatsings- en supervisievoorwaarden, de stage-uren en de juridische relatie tussen de werkgever en de stagiair]1;
4° [1 ...]1.
Art. 22 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Le stage doit répondre aux conditions suivantes :
1° [1 être effectué dans le même domaine et au même niveau de qualification que le diplôme ou le certificat d'enseignement supérieur ou le cycle d'études, visés à l'article 21;]1
2° sa durée ne peut excéder [1 six mois]1 et il ne peut être prolongé, le cas échéant, que dans la mesure où la durée totale d'occupation n'excède pas douze mois;
3° il doit faire l'objet d'un contrat de stage traduit dans la langue maternelle de l'intéressé, ou dans une autre langue qu'il comprend, et mentionnant, notamment, le nombre d'heures de formation et [1 une description du programme de stage, y compris le programme de formation, la durée du stage, les conditions de placement et de supervision, les heures de stage et la relation juridique entre l'employeur et le stagiaire]1;
4° [1 ...]1.
Le stage doit répondre aux conditions suivantes :
1° [1 être effectué dans le même domaine et au même niveau de qualification que le diplôme ou le certificat d'enseignement supérieur ou le cycle d'études, visés à l'article 21;]1
2° sa durée ne peut excéder [1 six mois]1 et il ne peut être prolongé, le cas échéant, que dans la mesure où la durée totale d'occupation n'excède pas douze mois;
3° il doit faire l'objet d'un contrat de stage traduit dans la langue maternelle de l'intéressé, ou dans une autre langue qu'il comprend, et mentionnant, notamment, le nombre d'heures de formation et [1 une description du programme de stage, y compris le programme de formation, la durée du stage, les conditions de placement et de supervision, les heures de stage et la relation juridique entre l'employeur et le stagiaire]1;
4° [1 ...]1.
Wijzigingen
Art. 23. Het artikel 21, 1° is niet van toepassing op stagiairs aangeworven door een universiteit, een instelling van hoger onderwijs of een erkende wetenschappelijke instelling;
Art. 23. L'article 21, 1° n'est pas d'application pour les stagiaires recrutés par une université, un établissement d'enseignement supérieur ou un établissement scientifique reconnu;
Afdeling 2. - De au pair-jongeren.
Section 2. - Les jeunes au pair.
Art. 24. Deze afdeling regelt de voorwaarden van toekenning van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten die betrekking hebben op een au pair-jongere.
Onder au pair-jongere verstaat men, de jongere die tijdelijk in een gastgezin wordt opgenomen waar hij kost en inwoning geniet in ruil voor lichte dagdagelijkse huishoudelijke taken, om zijn taalkennis te vervolmaken en zijn algemene ontwikkeling te verruimen door een betere kennis van het land door deel te nemen aan het gezinsleven van het gastgezin.
Onder au pair-jongere verstaat men, de jongere die tijdelijk in een gastgezin wordt opgenomen waar hij kost en inwoning geniet in ruil voor lichte dagdagelijkse huishoudelijke taken, om zijn taalkennis te vervolmaken en zijn algemene ontwikkeling te verruimen door een betere kennis van het land door deel te nemen aan het gezinsleven van het gastgezin.
Art. 24. La présente section règle les conditions d'octroi des autorisations d'occupation et des permis de travail relatifs au jeune au pair.
On entend par jeune au pair, le jeune qui est accueilli temporairement au sein d'une famille, où il est logé et nourri en contrepartie de légères tâches courantes d'ordre familial, en vue de perfectionner ses connaissances linguistiques et d'accroître sa culture générale par une meilleure connaissance du pays en participant à la vie de la famille d'accueil.
On entend par jeune au pair, le jeune qui est accueilli temporairement au sein d'une famille, où il est logé et nourri en contrepartie de légères tâches courantes d'ordre familial, en vue de perfectionner ses connaissances linguistiques et d'accroître sa culture générale par une meilleure connaissance du pays en participant à la vie de la famille d'accueil.
Art. 25. De au pair-jongere moet :
(1° tenminste achttien jaar en nog geen zesentwintig jaar oud zijn op de datum van toekenning van de arbeidsvergunning en de arbeidskaart;
2° zich ertoe verbinden in België geen dienstbetrekking uit te voeren gedurende de au pair-plaatsing;
3° over een titel beschikken die hem in het land van herkomst recht op toegang geeft tot het hoger onderwijs of het bewijs leveren dat hij minstens tot de leeftijd van 17 jaar onderwijs gevolgd heeft;
4° een basiskennis hebben van de omgangstaal van het gastgezin of de verbintenis aangaan deze basiskennis onmiddellijk na aankomst in België te verwerven via het volgen van een intensieve taalcursus;
5° gedurende de au pair-plaatsing cursussen volgen in een erkende instelling, erkend of gesubsidieerd door één van de Gemeenschappen of bepaald door de Gewestminister die de tewerkstelling onder zijn bevoegdheid heeft, en die de gewesttaal of -talen onderwijst, door trimestrieel een bewijs voor te leggen waaruit blijkt dat hij regelmatig deze lessen volgt;) <KB 2001-09-12/30, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2001>
6° nog geen arbeidskaart hebben verkregen in België, uit welke hoofde dan ook behalve het geval bepaald in art. 28, 4°.
(1° tenminste achttien jaar en nog geen zesentwintig jaar oud zijn op de datum van toekenning van de arbeidsvergunning en de arbeidskaart;
2° zich ertoe verbinden in België geen dienstbetrekking uit te voeren gedurende de au pair-plaatsing;
3° over een titel beschikken die hem in het land van herkomst recht op toegang geeft tot het hoger onderwijs of het bewijs leveren dat hij minstens tot de leeftijd van 17 jaar onderwijs gevolgd heeft;
4° een basiskennis hebben van de omgangstaal van het gastgezin of de verbintenis aangaan deze basiskennis onmiddellijk na aankomst in België te verwerven via het volgen van een intensieve taalcursus;
5° gedurende de au pair-plaatsing cursussen volgen in een erkende instelling, erkend of gesubsidieerd door één van de Gemeenschappen of bepaald door de Gewestminister die de tewerkstelling onder zijn bevoegdheid heeft, en die de gewesttaal of -talen onderwijst, door trimestrieel een bewijs voor te leggen waaruit blijkt dat hij regelmatig deze lessen volgt;) <KB 2001-09-12/30, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2001>
6° nog geen arbeidskaart hebben verkregen in België, uit welke hoofde dan ook behalve het geval bepaald in art. 28, 4°.
Art. 25. Le jeune au pair doit :
(1° être âgé de dix-huit ans au moins et ne pas avoir atteint l'âge de vingt-six ans à la date d'octroi de l'autorisation d'occupation et du permis de travail;
2° prendre l'engagement de n'occuper en Belgique aucun emploi pendant la durée du placement au pair;
3° être porteur d'un titre qui lui donne accès, dans le pays d'origine, à l'enseignement supérieur ou rapporter la preuve qu'il a suivi des cours au moins jusqu'à l'âge de 17 ans;
4° avoir une connaissance de base de la langue usuelle de la famille d'accueil ou prendre l'engagement d'acquérir cette connaissance de base par la poursuite d'un cours intensif de langue immédiatement après l'arrivée en Belgique;
5° suivre, pendant la durée du placement au pair, des cours dans un établissement reconnu, agréé ou subsidié par l'une des Communautés ou déterminé par le Ministre régional qui a l'emploi dans ses attributions, et enseignant la ou les langues de la Région en fournissant trimestriellement une attestation de présence effective à ces cours;) <AR 2001-09-12/30, art. 1, 006; En vigueur : 01-10-2001>
6° ne pas avoir déjà bénéficié d'un permis de travail en Belgique à quelque titre que ce soit sauf le cas prévu à l'article 28, 4°.
(1° être âgé de dix-huit ans au moins et ne pas avoir atteint l'âge de vingt-six ans à la date d'octroi de l'autorisation d'occupation et du permis de travail;
2° prendre l'engagement de n'occuper en Belgique aucun emploi pendant la durée du placement au pair;
3° être porteur d'un titre qui lui donne accès, dans le pays d'origine, à l'enseignement supérieur ou rapporter la preuve qu'il a suivi des cours au moins jusqu'à l'âge de 17 ans;
4° avoir une connaissance de base de la langue usuelle de la famille d'accueil ou prendre l'engagement d'acquérir cette connaissance de base par la poursuite d'un cours intensif de langue immédiatement après l'arrivée en Belgique;
5° suivre, pendant la durée du placement au pair, des cours dans un établissement reconnu, agréé ou subsidié par l'une des Communautés ou déterminé par le Ministre régional qui a l'emploi dans ses attributions, et enseignant la ou les langues de la Région en fournissant trimestriellement une attestation de présence effective à ces cours;) <AR 2001-09-12/30, art. 1, 006; En vigueur : 01-10-2001>
6° ne pas avoir déjà bénéficié d'un permis de travail en Belgique à quelque titre que ce soit sauf le cas prévu à l'article 28, 4°.
Art. 26. <KB 2001-09-12/30, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2001> Het gastgezin moet :
1° onder zijn leden minstens één kind tellen dat geen 13 jaar oud is bij de aanvang van de periode van verblijf van de au pair-jongere;
2° voor de kinderen die de leeftijd van zes jaar niet bereiken, het bewijs voorleggen dat, voor de periode die overeenkomt met de maximale duur van het verblijf van de au pair-jongere of voor de periode tot het jongste kind de leeftijd van zes jaar bereikt, overdag in hun opvang werd voorzien;
3° een bewijs van goed zedelijk gedrag voorleggen voor al zijn leden, meerderjarig bij de aanvang van het verblijf van de au pair-jongere;
4° de au pair-jongere maandelijks, per overschrijving op zijn bankrekening, een vast bedrag als zakgeld uitkeren van ten minste 450 EUR, ongeacht eventuele periodes van inactiviteit van de au pair-jongere; (NOTA : vanaf 01-10-2001 tot 31-12-2001 geldt het bedrag van 18.153 F in plaats van 450 EUR; KB 2001-09-12/30, art. 4.)
5° ten gunste van de au pair-jongere een aanvullende verzekering gesloten hebben voor het waarborgen van de risico's, inzake de medische, farmaceutische en hospitalisatiekosten in geval van ziekte of ongeval;
6° de au pair-jongere een persoonlijke kamer ter beschikking stellen en hem de vrije toegang tot de woning verzekeren;
7° de au pair-jongere minstens over een volledige vrije dag per week laten beschikken en alle mogelijkheid te geven deel te nemen aan de uitoefening van zijn eredienst of van zijn levensbeschouwingen;
8° zich er toe verbinden een verzekering af te sluiten voor de eventuele voortijdige repatriëring van de au pair-jongere veroorzaakt door ziekte of ongeval, alsook er zich toe verbinden de kosten te betalen die voor de Staat eventueel voortvloeien uit het verblijf van de au pair-jongere of zijn repatriëring;
9° zich akkoord verklaren de toezichthoudende ambtenaren toegang te verlenen tot de woning.
1° onder zijn leden minstens één kind tellen dat geen 13 jaar oud is bij de aanvang van de periode van verblijf van de au pair-jongere;
2° voor de kinderen die de leeftijd van zes jaar niet bereiken, het bewijs voorleggen dat, voor de periode die overeenkomt met de maximale duur van het verblijf van de au pair-jongere of voor de periode tot het jongste kind de leeftijd van zes jaar bereikt, overdag in hun opvang werd voorzien;
3° een bewijs van goed zedelijk gedrag voorleggen voor al zijn leden, meerderjarig bij de aanvang van het verblijf van de au pair-jongere;
4° de au pair-jongere maandelijks, per overschrijving op zijn bankrekening, een vast bedrag als zakgeld uitkeren van ten minste 450 EUR, ongeacht eventuele periodes van inactiviteit van de au pair-jongere; (NOTA : vanaf 01-10-2001 tot 31-12-2001 geldt het bedrag van 18.153 F in plaats van 450 EUR; KB 2001-09-12/30, art. 4.)
5° ten gunste van de au pair-jongere een aanvullende verzekering gesloten hebben voor het waarborgen van de risico's, inzake de medische, farmaceutische en hospitalisatiekosten in geval van ziekte of ongeval;
6° de au pair-jongere een persoonlijke kamer ter beschikking stellen en hem de vrije toegang tot de woning verzekeren;
7° de au pair-jongere minstens over een volledige vrije dag per week laten beschikken en alle mogelijkheid te geven deel te nemen aan de uitoefening van zijn eredienst of van zijn levensbeschouwingen;
8° zich er toe verbinden een verzekering af te sluiten voor de eventuele voortijdige repatriëring van de au pair-jongere veroorzaakt door ziekte of ongeval, alsook er zich toe verbinden de kosten te betalen die voor de Staat eventueel voortvloeien uit het verblijf van de au pair-jongere of zijn repatriëring;
9° zich akkoord verklaren de toezichthoudende ambtenaren toegang te verlenen tot de woning.
Art. 26. <AR 2001-09-12/30, art. 2, 006; En vigueur : 01-10-2001> La famille d'accueil doit :
1° compter parmi ses membres au moins un enfant n'ayant pas atteint l'âge de 13 ans au début de la période de séjour du jeune au pair;
2° pour les enfants qui n'ont pas encore atteint l'âge de six ans, rapporter la preuve que leur accueil de jour a été prévu pour une période correspondant à la durée maximale du séjour du jeune au pair ou pour la période jusqu'au moment que le benjamin atteint l'âge de six ans;
3° produire un certificat de bonne vie et moeurs pour tous ses membres, majeurs au début de la période de sejour du jeune au pair;
4° verser mensuellement au jeune au pair par virement bancaire, une somme fixe d'au moins 450 EUR, à titre d'argent de poche, n'importe d'éventuelles périodes d'inactivité du jeune au pair; (NOTE : du 01-10-2001 au 31-12-2001, le montant de 18.153 F est d'application au lieu de 450 EUR; AR 2001-09-12/30, art. 4)
5° conclure, en faveur du jeune au pair, une assurance complémentaire couvrant les risques en matière de frais médicaux, pharmaceutiques et d'hospitalisation en cas d'accident ou de maladie;
6° mettre une chambre individuelle à la disposition du jeune au pair et lui assurer le libre accès à l'habitation;
7° laisser le jeune au pair disposer au minimum d'une journée complète de repos par semaine et de toute possibilité de participer à l'exercice de son culte ou de ses conceptions philosophiques;
8° s'engager à conclure une assurance pour l'éventuel rapatriement anticipé du jeune au pair par cause de maladie ou d'accident, ainsi que s'engager à prendre en charge les coûts qui découleront éventuellement pour l'Etat du séjour du jeune au pair ou de son rapatriement;
9° se déclarer d'accord pour autoriser l'accès à l'habitation aux fonctionnaires chargés de la surveillance.
1° compter parmi ses membres au moins un enfant n'ayant pas atteint l'âge de 13 ans au début de la période de séjour du jeune au pair;
2° pour les enfants qui n'ont pas encore atteint l'âge de six ans, rapporter la preuve que leur accueil de jour a été prévu pour une période correspondant à la durée maximale du séjour du jeune au pair ou pour la période jusqu'au moment que le benjamin atteint l'âge de six ans;
3° produire un certificat de bonne vie et moeurs pour tous ses membres, majeurs au début de la période de sejour du jeune au pair;
4° verser mensuellement au jeune au pair par virement bancaire, une somme fixe d'au moins 450 EUR, à titre d'argent de poche, n'importe d'éventuelles périodes d'inactivité du jeune au pair; (NOTE : du 01-10-2001 au 31-12-2001, le montant de 18.153 F est d'application au lieu de 450 EUR; AR 2001-09-12/30, art. 4)
5° conclure, en faveur du jeune au pair, une assurance complémentaire couvrant les risques en matière de frais médicaux, pharmaceutiques et d'hospitalisation en cas d'accident ou de maladie;
6° mettre une chambre individuelle à la disposition du jeune au pair et lui assurer le libre accès à l'habitation;
7° laisser le jeune au pair disposer au minimum d'une journée complète de repos par semaine et de toute possibilité de participer à l'exercice de son culte ou de ses conceptions philosophiques;
8° s'engager à conclure une assurance pour l'éventuel rapatriement anticipé du jeune au pair par cause de maladie ou d'accident, ainsi que s'engager à prendre en charge les coûts qui découleront éventuellement pour l'Etat du séjour du jeune au pair ou de son rapatriement;
9° se déclarer d'accord pour autoriser l'accès à l'habitation aux fonctionnaires chargés de la surveillance.
Art. 27. De deelneming van de au pair-jongere aan de dagdagelijkse taken waarvan sprake in artikel 24, tweede lid, de kinderoppas inbegrepen, mag niet meer dan vier uur per dag en twintig uur per week bedragen; zij mag niet het hoofddoel van het verblijf uitmaken.
Art. 27. La participation du jeune au pair aux tâches familiales courantes visées à l'article 24, alinéa 2, y compris la garde des enfants, ne peut excéder quatre heures par jour et vingt heures par semaine; elle ne peut être le but principal du séjour.
Art. 28. De toekenning van de arbeidsvergunning en de arbeidskaart is afhankelijk van de volgende voorwaarden :
1° de naleving van de voorwaarden bedoeld bij de artikelen 24 tot en met 27;
2° het gastgezin heeft geen geldige arbeidsvergunning voor een andere au pair-jongere;
3° (opgeheven) <KB 2001-09-12/30, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2001>
4° de geldigheidsduur van de arbeidsvergunning en van de arbeidskaart betreffende de au pair-jongere mag één jaar niet overschrijden;
5° de arbeidsvergunning en de arbeidskaart met betrekking tot de au pair-jongere mogen slechts eenmaal worden vernieuwd voor zover de plaatsingsperiode geen volledig jaar overschrijdt;
6° een wijziging van gastgezin is slechts eenmaal mogelijk voor zover de totale duur van plaatsing van de au pair-jongere nog geen volledig jaar overschrijdt en indien aan alle andere toekenningsvoorwaarden van de arbeidsvergunning en de arbeidskaart bedoeld in deze afdeling eveneens voldaan is;
7° (opgeheven) <KB 2001-09-12/30, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2001>
1° de naleving van de voorwaarden bedoeld bij de artikelen 24 tot en met 27;
2° het gastgezin heeft geen geldige arbeidsvergunning voor een andere au pair-jongere;
3° (opgeheven) <KB 2001-09-12/30, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2001>
4° de geldigheidsduur van de arbeidsvergunning en van de arbeidskaart betreffende de au pair-jongere mag één jaar niet overschrijden;
5° de arbeidsvergunning en de arbeidskaart met betrekking tot de au pair-jongere mogen slechts eenmaal worden vernieuwd voor zover de plaatsingsperiode geen volledig jaar overschrijdt;
6° een wijziging van gastgezin is slechts eenmaal mogelijk voor zover de totale duur van plaatsing van de au pair-jongere nog geen volledig jaar overschrijdt en indien aan alle andere toekenningsvoorwaarden van de arbeidsvergunning en de arbeidskaart bedoeld in deze afdeling eveneens voldaan is;
7° (opgeheven) <KB 2001-09-12/30, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-10-2001>
Art. 28. L'octroi de l'autorisation d'occupation et du permis de travail est subordonné aux conditions suivantes :
1° le respect des conditions visées aux articles 24 jusqu'à 27;
2° la famille d'accueil n'a pas d'autorisation d'occupation, en cours de validité, relative à un autre jeune au pair;
3° (abroge) <AR 2001-09-12/30, art. 3, 006; En vigueur : 01-10-2001>
4° la durée de validité de l'autorisation d'occupation et du permis de travail relatifs au jeune au pair ne peut excéder un an;
5° l'autorisation d'occupation et le permis de travail relatifs au jeune au pair ne peuvent être renouvelés qu'une seule fois et dans la mesure où le placement n'excède pas une durée totale d'un an;
6° un changement de famille d'accueil n'est possible qu'une seule fois et dans la mesure où la durée totale du placement du jeune au pair n'excède pas une durée totale d'un an et pour autant que toutes les autres conditions d'octroi de l'autorisation d'occupation et du permis de travail visées par la présente section soient également remplies;
7° (abroge) <AR 2001-09-12/30, art. 3, 006; En vigueur : 01-10-2001>
1° le respect des conditions visées aux articles 24 jusqu'à 27;
2° la famille d'accueil n'a pas d'autorisation d'occupation, en cours de validité, relative à un autre jeune au pair;
3° (abroge) <AR 2001-09-12/30, art. 3, 006; En vigueur : 01-10-2001>
4° la durée de validité de l'autorisation d'occupation et du permis de travail relatifs au jeune au pair ne peut excéder un an;
5° l'autorisation d'occupation et le permis de travail relatifs au jeune au pair ne peuvent être renouvelés qu'une seule fois et dans la mesure où le placement n'excède pas une durée totale d'un an;
6° un changement de famille d'accueil n'est possible qu'une seule fois et dans la mesure où la durée totale du placement du jeune au pair n'excède pas une durée totale d'un an et pour autant que toutes les autres conditions d'octroi de l'autorisation d'occupation et du permis de travail visées par la présente section soient également remplies;
7° (abroge) <AR 2001-09-12/30, art. 3, 006; En vigueur : 01-10-2001>
Art. 29. Bij niet-naleving van de voorwaarden bepaald in deze afdeling, wordt de au pair-jongere ten opzichte van het gastgezin beschouwd als te zijn aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor dienstboden, zoals bedoeld in artikel 5 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
Art. 29. En cas de non respect des conditions prévues à la présente section, le jeune au pair est présumé, jusqu'à preuve du contraire, être engagé dans les liens d'un contrat de travail de travailleur domestique, visé à l'article 5 de la loi du 3 juillet 1978 concernant les contrats de travail, vis-à-vis de la famille d'accueil.
Afdeling 3. - Cabaretpersoneel.
Section 3. - Personnel de cabaret.
Art. 30. De arbeidsvergunning en de arbeidskaart B voor het cabaretpersoneel worden slechts afgeleverd op voorwaarde dat de in België gelegen woonplaats van het cabaretpersoneel zich in een ander gebouw dan dat van de arbeidsplaats bevindt.
Art. 30. L'autorisation d'occupation et le permis de travail B ne sont délivrés pour le personnel de cabaret, qu'à la condition que le lieu de résidence du personnel de cabaret en Belgique soit situé dans un immeuble autre que celui de son lieu de travail.
Afdeling 4. [1 De seizoenarbeiders.]1
Section 4. [1 Les travailleurs saisonniers.]1
Art. 30/1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De bepalingen van hoofdstuk 2 van titel II van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 zijn van toepassing op de aanvragen ingediend in overeenstemming met deze afdeling, met het oog op een tewerkstelling van meer dan negentig dagen.]1
Art. 30/1 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Les dispositions du chapitre 2 du titre II de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 sont d'application aux demandes introduites conformément à la présente section, en vue d'un emploi d'une durée de plus de nonante jours.]1
[1 Les dispositions du chapitre 2 du titre II de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 sont d'application aux demandes introduites conformément à la présente section, en vue d'un emploi d'une durée de plus de nonante jours.]1
Art. 30.1 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor de toepassing van deze afdeling zijn de bepalingen van titel II, hoofdstuk 2, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 van toepassing op een tewerkstelling van meer dan negentig dagen.]1
[1 Voor de toepassing van deze afdeling zijn de bepalingen van titel II, hoofdstuk 2, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 van toepassing op een tewerkstelling van meer dan negentig dagen.]1
Art. 30.1 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Aux fins d'application de la présente section, les dispositions du titre II, chapitre 2, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 s'appliquent à une occupation de plus de nonante jours.]1
[1 Aux fins d'application de la présente section, les dispositions du titre II, chapitre 2, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 s'appliquent à une occupation de plus de nonante jours.]1
Art. 30.2 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Onverminderd artikel 8 wordt een toelating tot arbeid met het oog op seizoenarbeid alleen toegekend, als :
1° de seizoenarbeider een arbeidsovereenkomst sluit met een werkgever voor seizoenafhankelijke activiteiten in de landbouwsector of de hotel-, restaurant- en cateringsector;
2° de totale duur van de tewerkstellingsperioden van de seizoenarbeider met toepassing van deze afdeling hoogstens vijf maanden binnen een periode van twaalf maanden bedraagt.
De toelating tot arbeid vermeld in het eerste lid wordt toegekend voor hoogstens vijf maanden.
De Minister :
1° bepaalt hoeveel onderdanen van een derde land met het oog op seizoenarbeid tewerkgesteld mogen worden in het Duitse taalgebied;
2° kan de in het eerste lid, 1°, vermelde sectoren van de seizoenafhankelijke activiteiten wijzigen.]1
[1 Onverminderd artikel 8 wordt een toelating tot arbeid met het oog op seizoenarbeid alleen toegekend, als :
1° de seizoenarbeider een arbeidsovereenkomst sluit met een werkgever voor seizoenafhankelijke activiteiten in de landbouwsector of de hotel-, restaurant- en cateringsector;
2° de totale duur van de tewerkstellingsperioden van de seizoenarbeider met toepassing van deze afdeling hoogstens vijf maanden binnen een periode van twaalf maanden bedraagt.
De toelating tot arbeid vermeld in het eerste lid wordt toegekend voor hoogstens vijf maanden.
De Minister :
1° bepaalt hoeveel onderdanen van een derde land met het oog op seizoenarbeid tewerkgesteld mogen worden in het Duitse taalgebied;
2° kan de in het eerste lid, 1°, vermelde sectoren van de seizoenafhankelijke activiteiten wijzigen.]1
Art. 30.2 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Sans préjudice de l'article 8, une autorisation de travail aux fins d'un travail saisonnier n'est octroyée que si :
1° le travailleur saisonnier conclut avec l'employeur un contrat de travail relatif à des activités soumises au rythme des saisons dans les secteurs de l'agriculture et de l'HoReCa;
2° la durée totale pendant laquelle le travailleur saisonnier est occupé en application de la présente section ne dépasse pas cinq mois par période de douze mois.
L'autorisation de travail mentionnée à l'alinéa 1er est octroyée pour cinq mois au plus.
Le Ministre :
1° fixe le nombre de ressortissants d'un pays tiers qui peuvent être occupés en région de langue allemande à des fins de travail saisonnier;
2° peut modifier les activités soumises au rythme de saisons mentionnées à l'alinéa 1er, 1°.]1
[1 Sans préjudice de l'article 8, une autorisation de travail aux fins d'un travail saisonnier n'est octroyée que si :
1° le travailleur saisonnier conclut avec l'employeur un contrat de travail relatif à des activités soumises au rythme des saisons dans les secteurs de l'agriculture et de l'HoReCa;
2° la durée totale pendant laquelle le travailleur saisonnier est occupé en application de la présente section ne dépasse pas cinq mois par période de douze mois.
L'autorisation de travail mentionnée à l'alinéa 1er est octroyée pour cinq mois au plus.
Le Ministre :
1° fixe le nombre de ressortissants d'un pays tiers qui peuvent être occupés en région de langue allemande à des fins de travail saisonnier;
2° peut modifier les activités soumises au rythme de saisons mentionnées à l'alinéa 1er, 1°.]1
Art. 30.2.1. [1 Als het gaat om een aanvraag om toelating tot arbeid met het oog op seizoenarbeid:
1° wordt de beslissing over de aanvraag uiterlijk negentig dagen na de kennisgeving van de volledigheid van de aanvraag genomen en ter kennis gebracht;
2° wordt de beslissing over de aanvraag om toelating tot arbeid uiterlijk zestig dagen na de kennisgeving van de volledigheid van de aanvraag genomen en ter kennis gebracht, als die aanvraag betrekking heeft op een onderdaan van een derde land die in de loop van de vorige vijf jaar minstens één keer als seizoenarbeider op het Belgische grondgebied toegelaten was en die tijdens zijn verblijf de voor seizoenarbeiders geldende voorwaarden heeft nageleefd;
3° wordt de beslissing over de aanvraag tot vernieuwing of verlenging uiterlijk dertig dagen na de kennisgeving van de volledigheid van de aanvraag genomen en ter kennis gebracht.]1
1° wordt de beslissing over de aanvraag uiterlijk negentig dagen na de kennisgeving van de volledigheid van de aanvraag genomen en ter kennis gebracht;
2° wordt de beslissing over de aanvraag om toelating tot arbeid uiterlijk zestig dagen na de kennisgeving van de volledigheid van de aanvraag genomen en ter kennis gebracht, als die aanvraag betrekking heeft op een onderdaan van een derde land die in de loop van de vorige vijf jaar minstens één keer als seizoenarbeider op het Belgische grondgebied toegelaten was en die tijdens zijn verblijf de voor seizoenarbeiders geldende voorwaarden heeft nageleefd;
3° wordt de beslissing over de aanvraag tot vernieuwing of verlenging uiterlijk dertig dagen na de kennisgeving van de volledigheid van de aanvraag genomen en ter kennis gebracht.]1
Art. 30.2.1. [1 S'il s'agit d'une demande d'autorisation de travail aux fins d'un travail saisonnier :
1° la décision relative à la demande est prise et notifiée au plus tard dans les nonante jours suivant la notification de la complétude de ladite demande;
2° la décision relative à la demande d'autorisation de travail est prise et notifiée au plus tard dans les soixante jours suivant la notification de la complétude de la demande, si la demande concerne un ressortissant d'un pays tiers ayant été autorisé au moins une fois à séjourner en tant que travailleur saisonnier sur le territoire belge au cours des cinq dernières années et ayant respecté, pendant son séjour, les conditions applicables aux travailleurs saisonniers;
3° la décision relative à la demande de renouvellement ou de prolongation est prise et notifiée au plus tard dans les trente jours suivant la notification de la complétude de ladite demande.]1
1° la décision relative à la demande est prise et notifiée au plus tard dans les nonante jours suivant la notification de la complétude de ladite demande;
2° la décision relative à la demande d'autorisation de travail est prise et notifiée au plus tard dans les soixante jours suivant la notification de la complétude de la demande, si la demande concerne un ressortissant d'un pays tiers ayant été autorisé au moins une fois à séjourner en tant que travailleur saisonnier sur le territoire belge au cours des cinq dernières années et ayant respecté, pendant son séjour, les conditions applicables aux travailleurs saisonniers;
3° la décision relative à la demande de renouvellement ou de prolongation est prise et notifiée au plus tard dans les trente jours suivant la notification de la complétude de ladite demande.]1
Art. 30/2_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Onverminderd artikel 8 is de toekenning van de toelating tot arbeid voor seizoenswerk ondergeschikt aan volgende voorwaarden:
1° De tewerkstelling betreft een baan in de landbouwsector;
2° De werkgever betaalt de reiskosten van de seizoenarbeider van de plaats waar hij vandaan komt tot de plaats waar hij werkt, alsook zijn terugreis;
3° De werkgever sluit een ziekteverzekering af voor de seizoenarbeider en betaalt de kosten die daaraan verbonden zijn;
4° Het totaal van de periodes waarin een werkgever een of meerdere seizoenarbeiders tewerkstelt in toepassing van deze afdeling bedraagt niet meer dan vijf maanden per periode van twaalf maanden.]1
1° De tewerkstelling betreft een baan in de landbouwsector;
2° De werkgever betaalt de reiskosten van de seizoenarbeider van de plaats waar hij vandaan komt tot de plaats waar hij werkt, alsook zijn terugreis;
3° De werkgever sluit een ziekteverzekering af voor de seizoenarbeider en betaalt de kosten die daaraan verbonden zijn;
4° Het totaal van de periodes waarin een werkgever een of meerdere seizoenarbeiders tewerkstelt in toepassing van deze afdeling bedraagt niet meer dan vijf maanden per periode van twaalf maanden.]1
Art. 30/2 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Sans préjudice de l'article 8, l'octroi de l'autorisation de travail aux fins d'un travail saisonnier est subordonné aux conditions suivantes:
1° L'occupation concerne un emploi dans le secteur agricole;
2° L'employeur paie les frais de voyage du travailleur saisonnier depuis son lieu d'origine jusqu'à son lieu de travail, ainsi que son voyage de retour;
3° L'employeur souscrit et paie les frais liés à une assurance maladie en faveur du travailleur saisonnier;
4° Le total des périodes pendant lesquelles un employeur occupe un ou plusieurs travailleurs saisonniers en application de la présente section ne dépasse pas cinq mois par période de douze mois.]1
[1 Sans préjudice de l'article 8, l'octroi de l'autorisation de travail aux fins d'un travail saisonnier est subordonné aux conditions suivantes:
1° L'occupation concerne un emploi dans le secteur agricole;
2° L'employeur paie les frais de voyage du travailleur saisonnier depuis son lieu d'origine jusqu'à son lieu de travail, ainsi que son voyage de retour;
3° L'employeur souscrit et paie les frais liés à une assurance maladie en faveur du travailleur saisonnier;
4° Le total des périodes pendant lesquelles un employeur occupe un ou plusieurs travailleurs saisonniers en application de la présente section ne dépasse pas cinq mois par période de douze mois.]1
Art. 30/3_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De beslissing betreffende de toelating tot arbeid als seizoenarbeider voor een duur van maximaal negentig dagen, wordt ten laatste genomen binnen de negentig dagen te tellen vanaf de dag van kennisgeving van de volledigheid van het verzoek.
De termijn bedoeld in voorgaande lid wordt verkort tot zestig dagen wanneer het verzoek een onderdaan van een derdeland betreft die al ten minste één maal over de laatste vijf jaar voorafgaand aan het verzoek werd toegelaten op het Belgisch grondgebied als seizoenarbeider en die heeft voldaan aan de voorwaarden aan dewelke zijn bezigheid werd onderworpen.
De termijn bedoeld in het eerste lid wordt verkort tot dertig dagen wanneer het verzoek een hernieuwing of verlenging betreft.]1
De termijn bedoeld in voorgaande lid wordt verkort tot zestig dagen wanneer het verzoek een onderdaan van een derdeland betreft die al ten minste één maal over de laatste vijf jaar voorafgaand aan het verzoek werd toegelaten op het Belgisch grondgebied als seizoenarbeider en die heeft voldaan aan de voorwaarden aan dewelke zijn bezigheid werd onderworpen.
De termijn bedoeld in het eerste lid wordt verkort tot dertig dagen wanneer het verzoek een hernieuwing of verlenging betreft.]1
Art. 30/3 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 La décision relative à la demande d'autorisation de travail en tant que travailleur saisonnier pour une période de maximum nonante jours, est prise au plus tard dans les nonante jours à compter de la notification du caractère complet de la demande.
Le délai visé à l'alinéa précédent est réduit à soixante jours lorsque la demande concerne un ressortissant d'un pays tiers qui a déjà été admis sur le territoire belge en tant que travailleur saisonnier au moins une fois au cours des cinq années qui précèdent la demande, et qu'il a respecté les conditions auxquelles son occupation était soumise.
Le délai visé à l'alinéa premier est réduit à trente jours lorsque la demande concerne un renouvellement ou une prolongation.]1
[1 La décision relative à la demande d'autorisation de travail en tant que travailleur saisonnier pour une période de maximum nonante jours, est prise au plus tard dans les nonante jours à compter de la notification du caractère complet de la demande.
Le délai visé à l'alinéa précédent est réduit à soixante jours lorsque la demande concerne un ressortissant d'un pays tiers qui a déjà été admis sur le territoire belge en tant que travailleur saisonnier au moins une fois au cours des cinq années qui précèdent la demande, et qu'il a respecté les conditions auxquelles son occupation était soumise.
Le délai visé à l'alinéa premier est réduit à trente jours lorsque la demande concerne un renouvellement ou une prolongation.]1
Afdeling 5. [1 Personen die overgeplaatst worden binnen een onderneming.]1 [2 Binnen een onderneming overgeplaatste personen.]2
Section 5. [1 Les personnes faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe.]1
Art. 30.3 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor de toepassing van deze afdeling zijn de bepalingen van titel II, hoofdstuk 3, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 van toepassing op een tewerkstelling van meer dan negentig dagen.]1
[1 Voor de toepassing van deze afdeling zijn de bepalingen van titel II, hoofdstuk 3, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 van toepassing op een tewerkstelling van meer dan negentig dagen.]1
Art. 30.3 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Aux fins d'application de la présente section, les dispositions du titre II, chapitre 3, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 s'appliquent à une occupation de plus de nonante jours.]1
[1 Aux fins d'application de la présente section, les dispositions du titre II, chapitre 3, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 s'appliquent à une occupation de plus de nonante jours.]1
Art. 30.4 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De toelating tot arbeid met het oog op een overplaatsing binnen een onderneming wordt toegekend, als de onderdaan van een derde land aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° hij bewijst dat de gastentiteit en de in een derde land gevestigde onderneming tot dezelfde onderneming of dezelfde groep van ondernemingen behoren;
2° hij bewijst dat hij, onmiddellijk voor de overplaatsing binnen een onderneming, minstens drie maanden zonder onderbreking in dezelfde onderneming of dezelfde groep van ondernemingen tewerkgesteld was;
3° hij bewijst hogere beroepskwalificaties aan de hand van :
a) een diploma hoger onderwijs of een passende beroepservaring, als het gaat om leidinggevenden of specialisten;
b) een universitair diploma, als het gaat om stagiair-werknemers;
4° zijn bezoldiging en de overige arbeids- en tewerkstellingsvoorwaarden zijn overeenkomstig de geldende rechtsvoorschriften niet ongunstiger dan die van werknemers in vergelijkbare functies;
5° na zijn overplaatsing binnen een overneming keert hij terug naar een onderneming in een derde land die tot dezelfde onderneming of dezelfde groep van ondernemingen behoort;
6° hij wordt tewerkgesteld als leidinggevende-ICT, specialist-ICT of stagiair-werknemer-ICT.]1
[1 De toelating tot arbeid met het oog op een overplaatsing binnen een onderneming wordt toegekend, als de onderdaan van een derde land aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° hij bewijst dat de gastentiteit en de in een derde land gevestigde onderneming tot dezelfde onderneming of dezelfde groep van ondernemingen behoren;
2° hij bewijst dat hij, onmiddellijk voor de overplaatsing binnen een onderneming, minstens drie maanden zonder onderbreking in dezelfde onderneming of dezelfde groep van ondernemingen tewerkgesteld was;
3° hij bewijst hogere beroepskwalificaties aan de hand van :
a) een diploma hoger onderwijs of een passende beroepservaring, als het gaat om leidinggevenden of specialisten;
b) een universitair diploma, als het gaat om stagiair-werknemers;
4° zijn bezoldiging en de overige arbeids- en tewerkstellingsvoorwaarden zijn overeenkomstig de geldende rechtsvoorschriften niet ongunstiger dan die van werknemers in vergelijkbare functies;
5° na zijn overplaatsing binnen een overneming keert hij terug naar een onderneming in een derde land die tot dezelfde onderneming of dezelfde groep van ondernemingen behoort;
6° hij wordt tewerkgesteld als leidinggevende-ICT, specialist-ICT of stagiair-werknemer-ICT.]1
Art. 30.4 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 L'autorisation de travail en vue d'un transfert temporaire intragroupe est octroyée si le ressortissant d'un pays tiers remplit les conditions suivantes :
1° il apporte la preuve attestant que l'entité hôte et l'entreprise établie dans un pays tiers appartiennent à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises;
2° il apporte la preuve attestant qu'il a occupé un emploi dans la même entreprise ou le même groupe d'entreprises, au moins pendant une période ininterrompue de trois mois précédant immédiatement la date du transfert temporaire intragroupe;
3° il fait valoir des qualifications professionnelles de haut niveau, notamment au moyen :
a) d'un certificat de l'enseignement supérieur ou d'une expérience professionnelle utile, s'il s'agit de cadres ou de spécialistes;
b) d'un diplôme universitaire s'il s'agit d'employés stagiaires;
4° conformément aux dispositions légales en vigueur, le montant de sa rémunération et les autres conditions de travail et d'occupation sont au moins aussi favorables que celles offertes aux travailleurs qui occupent des fonctions comparables;
5° il retourne, au terme du transfert temporaire intragroupe, dans une entité appartenant à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises et établie dans un pays tiers;
6° il est occupé en tant que cadre, expert ou employé stagiaire ICT.]1
[1 L'autorisation de travail en vue d'un transfert temporaire intragroupe est octroyée si le ressortissant d'un pays tiers remplit les conditions suivantes :
1° il apporte la preuve attestant que l'entité hôte et l'entreprise établie dans un pays tiers appartiennent à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises;
2° il apporte la preuve attestant qu'il a occupé un emploi dans la même entreprise ou le même groupe d'entreprises, au moins pendant une période ininterrompue de trois mois précédant immédiatement la date du transfert temporaire intragroupe;
3° il fait valoir des qualifications professionnelles de haut niveau, notamment au moyen :
a) d'un certificat de l'enseignement supérieur ou d'une expérience professionnelle utile, s'il s'agit de cadres ou de spécialistes;
b) d'un diplôme universitaire s'il s'agit d'employés stagiaires;
4° conformément aux dispositions légales en vigueur, le montant de sa rémunération et les autres conditions de travail et d'occupation sont au moins aussi favorables que celles offertes aux travailleurs qui occupent des fonctions comparables;
5° il retourne, au terme du transfert temporaire intragroupe, dans une entité appartenant à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises et établie dans un pays tiers;
6° il est occupé en tant que cadre, expert ou employé stagiaire ICT.]1
Art. 30/4_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De bepalingen van hoofdstuk 3 van titel II van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 zijn van toepassing op de aanvragen ingediend in overeenstemming met deze afdeling, met het oog op een tewerkstelling van meer dan negentig dagen.]1
Art. 30/4 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Les dispositions du chapitre 3 du titre II de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 sont d'application aux demandes introduites conformément à la présente section, en vue d'un emploi d'une durée de plus de nonante jours.]1
[1 Les dispositions du chapitre 3 du titre II de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 sont d'application aux demandes introduites conformément à la présente section, en vue d'un emploi d'une durée de plus de nonante jours.]1
Art. 30/5_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Aan de toekenning van een toelating tot arbeid voor een overplaatsing binnen een onderneming zijn de volgende voorwaarden verbonden:
1° De gastentiteit en de onderneming gevestigd in een derde land behoren tot hetzelfde bedrijf of dezelfde bedrijvengroep;
2° De werknemer heeft minstens gedurende een ononderbroken periode van zes maanden onmiddellijk voor de datum van de overplaatsing binnen de onderneming een functie uitgeoefend in hetzelfde bedrijf of dezelfde bedrijvengroep;
3° De werknemer betrekt een leidinggevende ICT-, specialist ICT- of een stagiair-werknemer ICT-functie;
4° De werknemer beschikt over de vereiste beroepskwalificaties om de beoogde functie uit te oefenen:
a) ofwel elk diploma, certificaat of elke opleidingstitel verstrekt door een overheid waaruit blijkt dat een programma hogere studies na het secundair succesvol werd doorlopen, dat wil zeggen een lessenreeks verstrekt door een onderwijsinstelling erkend als een instelling voor hoger onderwijs door de staat waarin ze zich bevindt, op voorwaarde dat de studies vereist voor het behalen ervan minstens drie jaar hebben geduurd, als het gaat om een leidinggevende ICT of een specialist ICT;
b) ofwel een universitair diploma, als het gaat om een stagiair-werknemer ICT;
5° De bezoldiging van de werknemer is minstens even gunstig als die aangeboden in België aan werknemers die vergelijkbare functies uitoefenen overeenkomstig toepasselijke wetten, collectieve overeenkomsten of praktijken;
6° De werknemer keert na de overplaatsing binnen de onderneming terug naar een entiteit die toebehoort aan hetzelfde bedrijf of dezelfde bedrijvengroep en die gevestigd is in een derde land;
7° Als het gaat om een stagiair-werknemer ICT wordt er een stageovereenkomst opgesteld met het opleidingsprogramma voor de functie die de werknemer zal uitoefenen bij het bedrijf of de bedrijvengroep en de daaraan verbonden supervisievoorwaarden;]1
1° De gastentiteit en de onderneming gevestigd in een derde land behoren tot hetzelfde bedrijf of dezelfde bedrijvengroep;
2° De werknemer heeft minstens gedurende een ononderbroken periode van zes maanden onmiddellijk voor de datum van de overplaatsing binnen de onderneming een functie uitgeoefend in hetzelfde bedrijf of dezelfde bedrijvengroep;
3° De werknemer betrekt een leidinggevende ICT-, specialist ICT- of een stagiair-werknemer ICT-functie;
4° De werknemer beschikt over de vereiste beroepskwalificaties om de beoogde functie uit te oefenen:
a) ofwel elk diploma, certificaat of elke opleidingstitel verstrekt door een overheid waaruit blijkt dat een programma hogere studies na het secundair succesvol werd doorlopen, dat wil zeggen een lessenreeks verstrekt door een onderwijsinstelling erkend als een instelling voor hoger onderwijs door de staat waarin ze zich bevindt, op voorwaarde dat de studies vereist voor het behalen ervan minstens drie jaar hebben geduurd, als het gaat om een leidinggevende ICT of een specialist ICT;
b) ofwel een universitair diploma, als het gaat om een stagiair-werknemer ICT;
5° De bezoldiging van de werknemer is minstens even gunstig als die aangeboden in België aan werknemers die vergelijkbare functies uitoefenen overeenkomstig toepasselijke wetten, collectieve overeenkomsten of praktijken;
6° De werknemer keert na de overplaatsing binnen de onderneming terug naar een entiteit die toebehoort aan hetzelfde bedrijf of dezelfde bedrijvengroep en die gevestigd is in een derde land;
7° Als het gaat om een stagiair-werknemer ICT wordt er een stageovereenkomst opgesteld met het opleidingsprogramma voor de functie die de werknemer zal uitoefenen bij het bedrijf of de bedrijvengroep en de daaraan verbonden supervisievoorwaarden;]1
Art. 30/5 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 L'octroi de l'autorisation de travail aux fins d'un transfert temporaire intragroupe est subordonné aux conditions suivantes :
1° L'entité hôte et l'entreprise établie dans un pays tiers appartiennent à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises;
2° Le travailleur a occupé un emploi dans la même entreprise ou le même groupe d'entreprises, au moins pendant une période ininterrompue de six mois précédant immédiatement la date du transfert temporaire intragroupe;
3° Le travailleur occupe une fonction de cadre ICT, d'expert ICT ou d'employé stagiaire ICT;
4° Le travailleur possède les qualifications professionnelles nécessaires pour exercer la fonction visée :
a) soit tout diplôme, certificat ou autre titre de formation, délivré par une autorité attestant l'accomplissement avec succès d'un programme d'études supérieures postsecondaires, c'est-à-dire un ensemble de cours dispensés par un institut d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel il se situe, à condition que les études nécessaires à son obtention aient duré trois années au moins, s'il s'agit d'un cadre ICT ou d'un expert ICT;
b) soit un diplôme universitaire, s'il s'agit d'un employé stagiaire ICT;
5° La rémunération du travailleur est au moins aussi favorable que celle offerte en Belgique aux travailleurs qui occupent des fonctions comparables conformément aux lois, aux conventions collectives et au pratiques applicables;
6° Le travailleur retourne dans une entité appartenant à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises et établie dans un pays tiers au terme du transfert temporaire intragroupe;
7° S'il s'agit d'un employé stagiaire ICT, une convention de stage détaillant le programme de formation en vue de la fonction que le travailleur occupera dans l'entreprise ou le groupe d'entreprises et ses conditions de supervision est établie;]1
[1 L'octroi de l'autorisation de travail aux fins d'un transfert temporaire intragroupe est subordonné aux conditions suivantes :
1° L'entité hôte et l'entreprise établie dans un pays tiers appartiennent à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises;
2° Le travailleur a occupé un emploi dans la même entreprise ou le même groupe d'entreprises, au moins pendant une période ininterrompue de six mois précédant immédiatement la date du transfert temporaire intragroupe;
3° Le travailleur occupe une fonction de cadre ICT, d'expert ICT ou d'employé stagiaire ICT;
4° Le travailleur possède les qualifications professionnelles nécessaires pour exercer la fonction visée :
a) soit tout diplôme, certificat ou autre titre de formation, délivré par une autorité attestant l'accomplissement avec succès d'un programme d'études supérieures postsecondaires, c'est-à-dire un ensemble de cours dispensés par un institut d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel il se situe, à condition que les études nécessaires à son obtention aient duré trois années au moins, s'il s'agit d'un cadre ICT ou d'un expert ICT;
b) soit un diplôme universitaire, s'il s'agit d'un employé stagiaire ICT;
5° La rémunération du travailleur est au moins aussi favorable que celle offerte en Belgique aux travailleurs qui occupent des fonctions comparables conformément aux lois, aux conventions collectives et au pratiques applicables;
6° Le travailleur retourne dans une entité appartenant à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises et établie dans un pays tiers au terme du transfert temporaire intragroupe;
7° S'il s'agit d'un employé stagiaire ICT, une convention de stage détaillant le programme de formation en vue de la fonction que le travailleur occupera dans l'entreprise ou le groupe d'entreprises et ses conditions de supervision est établie;]1
Art. 30.5 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De toelating tot arbeid met het oog op een overplaatsing binnen een onderneming wordt toegekend voor de duur van de overplaatsing, met een maximale duur van drie jaar voor leidinggevenden-ICT en specialisten-ICT en met een maximale duur van één jaar voor stagiair-werknemers-ICT.
Als de in het eerste lid vermelde maximale duur van de overplaatsing binnen een onderneming bereikt wordt, kan de onderdaan van een derde land pas na het verstrijken van een termijn van drie maanden een nieuwe toelating tot arbeid met het oog op een overplaatsing binnen een onderneming aanvragen.]1
[1 De toelating tot arbeid met het oog op een overplaatsing binnen een onderneming wordt toegekend voor de duur van de overplaatsing, met een maximale duur van drie jaar voor leidinggevenden-ICT en specialisten-ICT en met een maximale duur van één jaar voor stagiair-werknemers-ICT.
Als de in het eerste lid vermelde maximale duur van de overplaatsing binnen een onderneming bereikt wordt, kan de onderdaan van een derde land pas na het verstrijken van een termijn van drie maanden een nieuwe toelating tot arbeid met het oog op een overplaatsing binnen een onderneming aanvragen.]1
Art. 30.5 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 L'autorisation de travail en vue d'un transfert temporaire intragroupe est octroyée pour la durée du transfert, avec un maximum de trois ans pour les cadres et experts ICT et d'un an pour les employés stagiaires ICT.
Si la durée maximale du transfert intragroupe mentionnée à l'alinéa 1er est atteinte, le ressortissant d'un pays tiers peut introduire une nouvelle demande d'autorisation de travail en vue d'un transfert temporaire intragroupe uniquement au terme d'un délai de trois mois.]1
[1 L'autorisation de travail en vue d'un transfert temporaire intragroupe est octroyée pour la durée du transfert, avec un maximum de trois ans pour les cadres et experts ICT et d'un an pour les employés stagiaires ICT.
Si la durée maximale du transfert intragroupe mentionnée à l'alinéa 1er est atteinte, le ressortissant d'un pays tiers peut introduire une nouvelle demande d'autorisation de travail en vue d'un transfert temporaire intragroupe uniquement au terme d'un délai de trois mois.]1
Art. 30.6 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De toelating tot arbeid met het oog op langetermijnmobiliteit in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming wordt toegekend, als de onderdaan van een derde land aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° hij is tijdens de duur van de overplaatsing houder van een geldige, door de eerste lidstaat uitgereikte vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon;
2° hij bewijst dat de gastentiteit en de in een derde land gevestigde onderneming tot dezelfde onderneming of dezelfde groep van ondernemingen behoren;
3° zijn bezoldiging en de overige arbeids- en tewerkstellingsvoorwaarden zijn overeenkomstig de geldende rechtsvoorschriften niet ongunstiger dan die van werknemers in vergelijkbare functies;
4° hij wordt tewerkgesteld als leidinggevende-ICT, specialist-ICT of stagiair-werknemer-ICT;
5° de langetermijnmobiliteit overschrijdt niet de maximale duur vermeld in artikel 30.5, in voorkomend geval verminderd met de duur van een verblijf in een andere lidstaat in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming.]1
[1 De toelating tot arbeid met het oog op langetermijnmobiliteit in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming wordt toegekend, als de onderdaan van een derde land aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° hij is tijdens de duur van de overplaatsing houder van een geldige, door de eerste lidstaat uitgereikte vergunning voor een binnen een onderneming overgeplaatste persoon;
2° hij bewijst dat de gastentiteit en de in een derde land gevestigde onderneming tot dezelfde onderneming of dezelfde groep van ondernemingen behoren;
3° zijn bezoldiging en de overige arbeids- en tewerkstellingsvoorwaarden zijn overeenkomstig de geldende rechtsvoorschriften niet ongunstiger dan die van werknemers in vergelijkbare functies;
4° hij wordt tewerkgesteld als leidinggevende-ICT, specialist-ICT of stagiair-werknemer-ICT;
5° de langetermijnmobiliteit overschrijdt niet de maximale duur vermeld in artikel 30.5, in voorkomend geval verminderd met de duur van een verblijf in een andere lidstaat in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming.]1
Art. 30.6 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 L'autorisation de travail aux fins d'une mobilité de longue durée dans le cadre d'un transfert temporaire intragroupe est octroyée si le ressortissant d'un pays tiers remplit les conditions suivantes :
1° il est titulaire, pendant la durée du transfert, d'un permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe valable, délivré par le premier état membre;
2° il apporte la preuve attestant que l'entité hôte et l'entreprise établie dans un pays tiers appartiennent à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises;
3° le montant de sa rémunération et les autres conditions de travail et d'occupation sont, conformément aux dispositions légales en vigueur, au moins aussi favorables que celles offertes aux travailleurs qui occupent des fonctions comparables;
4° il est occupé en tant que cadre, expert ou employé stagiaire ICT;
5° la mobilité de longue durée ne dépasse pas la durée maximale mentionnée à l'article 30.5, diminuée, le cas échéant, de la durée d'un séjour déjà effectué dans d'autres Etats membres dans le cadre d'un transfert intragroupe;]1
[1 L'autorisation de travail aux fins d'une mobilité de longue durée dans le cadre d'un transfert temporaire intragroupe est octroyée si le ressortissant d'un pays tiers remplit les conditions suivantes :
1° il est titulaire, pendant la durée du transfert, d'un permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe valable, délivré par le premier état membre;
2° il apporte la preuve attestant que l'entité hôte et l'entreprise établie dans un pays tiers appartiennent à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises;
3° le montant de sa rémunération et les autres conditions de travail et d'occupation sont, conformément aux dispositions légales en vigueur, au moins aussi favorables que celles offertes aux travailleurs qui occupent des fonctions comparables;
4° il est occupé en tant que cadre, expert ou employé stagiaire ICT;
5° la mobilité de longue durée ne dépasse pas la durée maximale mentionnée à l'article 30.5, diminuée, le cas échéant, de la durée d'un séjour déjà effectué dans d'autres Etats membres dans le cadre d'un transfert intragroupe;]1
Art. 30/6_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Aan de toekenning van een toelating tot arbeid voor lange-termijnmobiliteit in het kader van de overplaatsing binnen een onderneming zijn de volgende voorwaarden verbonden:
1° De gastentiteit en de onderneming gevestigd in een derde land behoren tot hetzelfde bedrijf of dezelfde bedrijvengroep;
2° De werknemer oefent een leidinggevende- of specialistfunctie ICT uit, of een werknemer-stagiairfunctie ICT die stage loopt om zich voor te bereiden op de functie die hij zal uitoefenen in het bedrijf of de bedrijvengroep;
3° De bezoldiging die de werknemer krijgt, is minstens even gunstig als de bezoldiging die in België werknemers met een vergelijkbare functie krijgen overeenkomstig toepasselijke wetten, collectieve overeenkomsten of praktijken;
4° De werknemer beschikt over een vergunning voor personen die overgeplaatst worden binnen een onderneming, uitgereikt door een andere lidstaat en geldig tijdens de periode waarin de aanvraag onderzocht wordt;
5° De lange-termijnmobiliteit duurt niet langer dan drie jaar, in voorkomend geval verminderd met de duur van voorafgaande verblijven in andere lidstaten in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming, als het gaat om een leidinggevende ICT of een specialist ICT;
6° De lange-termijnmobiliteit duurt niet langer dan een jaar, in voorkomend geval verminderd met de duur van voorafgaande verblijven in andere lidstaten in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming, als het gaat om een stagiair-werknemer ICT;]1
1° De gastentiteit en de onderneming gevestigd in een derde land behoren tot hetzelfde bedrijf of dezelfde bedrijvengroep;
2° De werknemer oefent een leidinggevende- of specialistfunctie ICT uit, of een werknemer-stagiairfunctie ICT die stage loopt om zich voor te bereiden op de functie die hij zal uitoefenen in het bedrijf of de bedrijvengroep;
3° De bezoldiging die de werknemer krijgt, is minstens even gunstig als de bezoldiging die in België werknemers met een vergelijkbare functie krijgen overeenkomstig toepasselijke wetten, collectieve overeenkomsten of praktijken;
4° De werknemer beschikt over een vergunning voor personen die overgeplaatst worden binnen een onderneming, uitgereikt door een andere lidstaat en geldig tijdens de periode waarin de aanvraag onderzocht wordt;
5° De lange-termijnmobiliteit duurt niet langer dan drie jaar, in voorkomend geval verminderd met de duur van voorafgaande verblijven in andere lidstaten in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming, als het gaat om een leidinggevende ICT of een specialist ICT;
6° De lange-termijnmobiliteit duurt niet langer dan een jaar, in voorkomend geval verminderd met de duur van voorafgaande verblijven in andere lidstaten in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming, als het gaat om een stagiair-werknemer ICT;]1
Art. 30/6 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 L'octroi de l'autorisation de travail aux fins d'une mobilité de longue durée dans le cadre d'un transfert temporaire intragroupe est subordonné aux conditions suivantes :
1° L'entité hôte et l'entreprise établie dans un pays tiers appartiennent à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises;
2° Le travailleur occupe une fonction de cadre ICT, d'expert ICT, ou d'employé stagiaire ICT qui effectue un stage dans le but de sa préparation en vue de la fonction qu'il occupera dans l'entreprise ou le groupe d'entreprises;
3° La rémunération du travailleur est au moins aussi favorable que celle offerte en Belgique aux travailleurs qui occupent des fonctions comparables conformément aux lois, aux conventions collectives et au pratiques applicables;
4° Le travailleur est titulaire d'un permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe délivré par un autre Etat membre, valide durant la durée de l'examen de la demande;
5° La mobilité de longue durée ne dépasse pas la durée de trois années diminuée, le cas échéant, de la durée des séjours déjà effectués dans les autres Etats membres dans le cadre d'un transfert intra-groupe, s'il s'agit d'un cadre ICT ou d'un expert ICT;
6° La mobilité de longue durée ne dépasse pas la durée d'un année diminuée, le cas échéant, de la durée des séjours déjà effectués dans les autres Etats membres dans le cadre d'un transfert intra-groupe, s'il s'agit d'un employé stagiaire ICT,]1
[1 L'octroi de l'autorisation de travail aux fins d'une mobilité de longue durée dans le cadre d'un transfert temporaire intragroupe est subordonné aux conditions suivantes :
1° L'entité hôte et l'entreprise établie dans un pays tiers appartiennent à la même entreprise ou au même groupe d'entreprises;
2° Le travailleur occupe une fonction de cadre ICT, d'expert ICT, ou d'employé stagiaire ICT qui effectue un stage dans le but de sa préparation en vue de la fonction qu'il occupera dans l'entreprise ou le groupe d'entreprises;
3° La rémunération du travailleur est au moins aussi favorable que celle offerte en Belgique aux travailleurs qui occupent des fonctions comparables conformément aux lois, aux conventions collectives et au pratiques applicables;
4° Le travailleur est titulaire d'un permis pour personne faisant l'objet d'un transfert temporaire intragroupe délivré par un autre Etat membre, valide durant la durée de l'examen de la demande;
5° La mobilité de longue durée ne dépasse pas la durée de trois années diminuée, le cas échéant, de la durée des séjours déjà effectués dans les autres Etats membres dans le cadre d'un transfert intra-groupe, s'il s'agit d'un cadre ICT ou d'un expert ICT;
6° La mobilité de longue durée ne dépasse pas la durée d'un année diminuée, le cas échéant, de la durée des séjours déjà effectués dans les autres Etats membres dans le cadre d'un transfert intra-groupe, s'il s'agit d'un employé stagiaire ICT,]1
Art. 30/7_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De jaarlijkse brutobezoldiging bedoeld in artikelen 30/5, 5° en 30/6, 3° is geacht even gunstig te zijn als de bezoldiging aangeboden in België aan werknemers die een gelijkaardige functie uitoefenen, indien ze gelijk is aan of meer bedraagt dan:
1° 52.978 euro als het gaat om een leidinggevende ICT;
2° 42.382 euro als het gaat om een specialist ICT;
3° 26.489 euro als het gaat om een stagiair-werknemer ICT;
De bezoldigingsbedragen waarin het eerste lid voorziet, worden aangepast in overeenstemming met artikel 37/1.
Om te beoordelen of de persoon die verplaatst wordt binnen een onderneming even gunstig bezoldigd wordt als werknemers met een gelijkaardige functie wordt er rekening gehouden met de individuele elementen eigen aan elk geval]1
1° 52.978 euro als het gaat om een leidinggevende ICT;
2° 42.382 euro als het gaat om een specialist ICT;
3° 26.489 euro als het gaat om een stagiair-werknemer ICT;
De bezoldigingsbedragen waarin het eerste lid voorziet, worden aangepast in overeenstemming met artikel 37/1.
Om te beoordelen of de persoon die verplaatst wordt binnen een onderneming even gunstig bezoldigd wordt als werknemers met een gelijkaardige functie wordt er rekening gehouden met de individuele elementen eigen aan elk geval]1
Art. 30/7 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 La rémunération annuelle brute visée aux articles 30/5, 5° et 30/6, 3° est réputée aussi favorable que celle offerte en Belgique aux travailleurs qui occupent des fonctions comparables si elle est égale ou supérieure à :
1° 52.978 euros s'il s'agit d'un cadre ICT;
2° 42.382 euros s'il s'agit d'un expert ICT;
3° 26.489 euros s'il s'agit d'un employé stagiaire ICT;
Les montants de rémunération prévus à l'alinéa 1er sont adaptés conformément à l'article 37/1.
Pour apprécier le caractère aussi favorable que celle offerte aux travailleurs qui occupent des fonctions comparables de la rémunération de la personne faisant l'objet d'un transfert intragroupe, il est tenu compte des éléments individuels propres à chaque cas.]1
[1 La rémunération annuelle brute visée aux articles 30/5, 5° et 30/6, 3° est réputée aussi favorable que celle offerte en Belgique aux travailleurs qui occupent des fonctions comparables si elle est égale ou supérieure à :
1° 52.978 euros s'il s'agit d'un cadre ICT;
2° 42.382 euros s'il s'agit d'un expert ICT;
3° 26.489 euros s'il s'agit d'un employé stagiaire ICT;
Les montants de rémunération prévus à l'alinéa 1er sont adaptés conformément à l'article 37/1.
Pour apprécier le caractère aussi favorable que celle offerte aux travailleurs qui occupent des fonctions comparables de la rémunération de la personne faisant l'objet d'un transfert intragroupe, il est tenu compte des éléments individuels propres à chaque cas.]1
Art. 30.7 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De jaarlijkse bezoldiging vermeld in artikel 30.4, 4°, en in artikel 30.6, 3°, is niet ongunstiger dan de bezoldiging van werknemers in vergelijkbare functies, als die minstens overeenstemmen met de volgende bedragen :
1° 53.971 euro voor leidinggevenden-ICT;
2° 43.177 euro voor specialisten-ICT;
3° 26.986 euro voor stagiair-werknemers-ICT.
De bedragen vermeld in het eerste lid worden geïndexeerd overeenkomstig artikel 37/1.]1
[1 De jaarlijkse bezoldiging vermeld in artikel 30.4, 4°, en in artikel 30.6, 3°, is niet ongunstiger dan de bezoldiging van werknemers in vergelijkbare functies, als die minstens overeenstemmen met de volgende bedragen :
1° 53.971 euro voor leidinggevenden-ICT;
2° 43.177 euro voor specialisten-ICT;
3° 26.986 euro voor stagiair-werknemers-ICT.
De bedragen vermeld in het eerste lid worden geïndexeerd overeenkomstig artikel 37/1.]1
Art. 30.7 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 La rémunération annuelle brute visée aux articles 30.4, 4°, et 30.6, 3°, est aussi favorable que celle offerte aux travailleurs qui occupent des fonctions comparables, si cette rémunération correspond au moins aux montants suivants :
1° 53 971 euros pour les cadres ICT;
2° 43 177 euros pour les experts ICT;
3° 26 986 euros pour les employés stagiaires ICT.
Les montants mentionnés à l'alinéa 1er sont indexés conformément à l'article 37/1.]1
[1 La rémunération annuelle brute visée aux articles 30.4, 4°, et 30.6, 3°, est aussi favorable que celle offerte aux travailleurs qui occupent des fonctions comparables, si cette rémunération correspond au moins aux montants suivants :
1° 53 971 euros pour les cadres ICT;
2° 43 177 euros pour les experts ICT;
3° 26 986 euros pour les employés stagiaires ICT.
Les montants mentionnés à l'alinéa 1er sont indexés conformément à l'article 37/1.]1
Afdeling 6. [1 De Europese blauwe kaart [2 voor hooggekwalificeerde werknemers]2]1
Section 6. [1 La carte bleue européenne [2 pour travailleurs hautement qualifiés]2]1
Art. 30/8_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De bepalingen van hoofdstuk 1 van titel II van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 zijn van toepassing op de aanvragen ingediend in overeenstemming met deze afdeling, met het oog op een tewerkstelling van meer dan negentig dagen.]1
Art. 30/8 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Les dispositions du chapitre 1 du titre II de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 sont d'application aux demandes introduites conformément à la présente section, en vue d'un emploi d'une durée de plus de nonante jours.]1
[1 Les dispositions du chapitre 1 du titre II de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 sont d'application aux demandes introduites conformément à la présente section, en vue d'un emploi d'une durée de plus de nonante jours.]1
Art. 30.8 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor de toepassing van deze afdeling zijn de bepalingen van titel II, hoofdstuk 1, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 van toepassing op een tewerkstelling van meer dan negentig dagen.]1
[1 Voor de toepassing van deze afdeling zijn de bepalingen van titel II, hoofdstuk 1, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 van toepassing op een tewerkstelling van meer dan negentig dagen.]1
Art. 30.8 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Aux fins d'application de la présente section, les dispositions du titre II, chapitre 1er, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 s'appliquent à une occupation de plus de nonante jours.]1
[1 Aux fins d'application de la présente section, les dispositions du titre II, chapitre 1er, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 s'appliquent à une occupation de plus de nonante jours.]1
Art. 30.9 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 - De toelating tot arbeid in het kader van de Europese blauwe kaart wordt toegekend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de werkgever heeft met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst gesloten van onbepaalde duur of voor minstens één jaar of laatstgenoemde is in het bezit van een bindend baanaanbod voor een hooggekwalificeerde baan voor een periode van ten minste zes maanden;
2° de buitenlandse werknemer ontvangt jaarlijks minstens 130% van het gemiddelde brutojaarsalaris dat overeenstemt met het twaalfvoud van het gemiddelde maandsalaris van een voltijdse werknemer in België dat jaarlijks op basis van de gegevens van de algemene directie Statistiek van de FOD Economie wordt berekend en door de bevoegde overheid wordt bekendgemaakt;
3° de werknemer beschikt over een hogere beroepskwalificatie voor het uit te voeren werk overeenkomstig artikel 18.14, § 1, derde lid.]1
1° de werkgever heeft met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst gesloten van onbepaalde duur of voor minstens één jaar of laatstgenoemde is in het bezit van een bindend baanaanbod voor een hooggekwalificeerde baan voor een periode van ten minste zes maanden;
2° de buitenlandse werknemer ontvangt jaarlijks minstens 130% van het gemiddelde brutojaarsalaris dat overeenstemt met het twaalfvoud van het gemiddelde maandsalaris van een voltijdse werknemer in België dat jaarlijks op basis van de gegevens van de algemene directie Statistiek van de FOD Economie wordt berekend en door de bevoegde overheid wordt bekendgemaakt;
3° de werknemer beschikt over een hogere beroepskwalificatie voor het uit te voeren werk overeenkomstig artikel 18.14, § 1, derde lid.]1
Art. 30.9 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 L'autorisation de travail dans le cadre de la carte bleue européenne est octroyée aux conditions suivantes :
1° l'employeur a conclu, avec le travailleur étranger, un contrat de travail pour une durée indéterminée ou pour au moins un an ou ce dernier est en possession d'une offre d'emploi ferme pour un emploi hautement qualifié d'une durée d'au moins six mois;
2° le travailleur étranger perçoit annuellement au moins 130% du salaire annuel brut moyen correspondant à douze fois le salaire mensuel moyen d'un travailleur occupé à temps plein en Belgique, calculé annuellement sur la base des données de la Direction générale Statistique du Service public fédéral Economie et publié par l'autorité compétente;
3° le travailleur dispose de qualifications professionnelles élevées pour l'emploi à exercer conformément à l'article 18/14, § 1er, alinéa 3.]1
1° l'employeur a conclu, avec le travailleur étranger, un contrat de travail pour une durée indéterminée ou pour au moins un an ou ce dernier est en possession d'une offre d'emploi ferme pour un emploi hautement qualifié d'une durée d'au moins six mois;
2° le travailleur étranger perçoit annuellement au moins 130% du salaire annuel brut moyen correspondant à douze fois le salaire mensuel moyen d'un travailleur occupé à temps plein en Belgique, calculé annuellement sur la base des données de la Direction générale Statistique du Service public fédéral Economie et publié par l'autorité compétente;
3° le travailleur dispose de qualifications professionnelles élevées pour l'emploi à exercer conformément à l'article 18/14, § 1er, alinéa 3.]1
Wijzigingen
Art. 30.9.1. [1 - Indien in afwijking van artikel 3.3 in geval van een verandering van werkgever tijdens de eerste twaalf maanden van de Europese blauwe kaart een nieuwe arbeidsovereenkomst wordt gesloten, deelt de nieuwe werkgever dit mee aan de bevoegde overheid en dient hij de in artikel 30.9, 1°, vermelde arbeidsovereenkomst in. De bevoegde overheid heeft maximaal dertig dagen de tijd om die verandering overeenkomstig artikel 18.30 te weigeren.
In afwijking van artikel 3.3 wordt, na afloop van de eerste twaalf maanden tewerkstelling op grond van een Europese blauwe kaart in de zin van artikel 30.9, een verandering van werkgever of elke belangrijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden die gevolgen voor de geldigheid van de Europese blauwe kaart heeft, meegedeeld aan de bevoegde overheden. In dat geval is de Europese blauwe kaart in afwijking van artikel 3, tweede lid, geldig voor een tewerkstelling bij ongeacht welke werkgever, voor zover voldaan is aan de voorwaarden vermeld in artikel 30.9."
Tijdens een periode van werkloosheid is het de houder van een Europese blauwe kaart toegestaan een baan te zoeken en aan te nemen. De houder van een Europese blauwe kaart deelt het begin en, waar passend, het einde van de periode van werkloosheid mee aan de bevoegde overheden.]1
In afwijking van artikel 3.3 wordt, na afloop van de eerste twaalf maanden tewerkstelling op grond van een Europese blauwe kaart in de zin van artikel 30.9, een verandering van werkgever of elke belangrijke wijziging van de arbeidsvoorwaarden die gevolgen voor de geldigheid van de Europese blauwe kaart heeft, meegedeeld aan de bevoegde overheden. In dat geval is de Europese blauwe kaart in afwijking van artikel 3, tweede lid, geldig voor een tewerkstelling bij ongeacht welke werkgever, voor zover voldaan is aan de voorwaarden vermeld in artikel 30.9."
Tijdens een periode van werkloosheid is het de houder van een Europese blauwe kaart toegestaan een baan te zoeken en aan te nemen. De houder van een Europese blauwe kaart deelt het begin en, waar passend, het einde van de periode van werkloosheid mee aan de bevoegde overheden.]1
Art. 30.9.1. [1 Si, par dérogation à l'article 3/3 dans le cas d'un changement d'employeur au cours des douze premiers mois de la carte bleue européenne, un nouveau contrat de travail est conclu, le nouvel employeur en informe l'autorité compétente et soumet le contrat de travail visé à l'article 30.9, 1°. L'autorité compétente peut rejeter ce changement au plus tard dans les trente jours conformément à l'article 18/30.
Par dérogation à l'article 3/3, au terme des douze premiers mois d'occupation dans le cadre d'une carte bleue européenne conformément à l'article 30.9, tout changement d'employeur ou toute modification significative des conditions de travail ayant des conséquences sur la validité de la carte bleue européenne est notifié aux autorités compétentes. Dans ce cas, par dérogation à l'article 3, alinéa 2, la carte bleue européenne reste valide pour une occupation auprès de tout employeur, pour autant que les conditions mentionnées à l'article 30.9 soient remplies.
Pendant sa période de chômage, le titulaire d'une carte bleue européenne peut chercher et accepter un emploi. Le titulaire d'une carte bleue européenne informe les autorités compétentes du début et, le cas échéant, de la fin de la période de chômage.]1
Par dérogation à l'article 3/3, au terme des douze premiers mois d'occupation dans le cadre d'une carte bleue européenne conformément à l'article 30.9, tout changement d'employeur ou toute modification significative des conditions de travail ayant des conséquences sur la validité de la carte bleue européenne est notifié aux autorités compétentes. Dans ce cas, par dérogation à l'article 3, alinéa 2, la carte bleue européenne reste valide pour une occupation auprès de tout employeur, pour autant que les conditions mentionnées à l'article 30.9 soient remplies.
Pendant sa période de chômage, le titulaire d'une carte bleue européenne peut chercher et accepter un emploi. Le titulaire d'une carte bleue européenne informe les autorités compétentes du début et, le cas échéant, de la fin de la période de chômage.]1
Art. 30/9_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De toelating tot arbeid wordt toegekend in het kader van een Europese blauwe kaart als de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1° de werkgever heeft met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst van onbeperkte duur of van een jaar of meer afgesloten;
2° de buitenlandse werknemer verdient een jaarlijks brutoloon van 52.978 euro of meer, berekend en aangepast volgens artikel 37/1 van dit besluit;
3° de werknemer toont aan over hoge beroepskwalificaties te beschikken met een diploma uitgereikt door een onderwijsinstelling erkend als een instelling voor hoger onderwijs door de staat waarin ze is gevestigd.
Voor de toepassing van het voorgaande lid verstaan we onder diploma hoger onderwijs elk diploma, certificaat of elke studietitel, uitgereikt door een overheid om aan te tonen dat er met succes een programma hogere studies na het secundair onderwijs is afgerond, dat wil zeggen een lessenreeks verstrekt door een onderwijsinstelling erkend als een instelling voor hoger onderwijs door de staat waarin ze zich bevindt, op voorwaarde dat de studies om het diploma te bereiken minstens drie jaar hebben geduurd.]1
1° de werkgever heeft met de buitenlandse werknemer een arbeidsovereenkomst van onbeperkte duur of van een jaar of meer afgesloten;
2° de buitenlandse werknemer verdient een jaarlijks brutoloon van 52.978 euro of meer, berekend en aangepast volgens artikel 37/1 van dit besluit;
3° de werknemer toont aan over hoge beroepskwalificaties te beschikken met een diploma uitgereikt door een onderwijsinstelling erkend als een instelling voor hoger onderwijs door de staat waarin ze is gevestigd.
Voor de toepassing van het voorgaande lid verstaan we onder diploma hoger onderwijs elk diploma, certificaat of elke studietitel, uitgereikt door een overheid om aan te tonen dat er met succes een programma hogere studies na het secundair onderwijs is afgerond, dat wil zeggen een lessenreeks verstrekt door een onderwijsinstelling erkend als een instelling voor hoger onderwijs door de staat waarin ze zich bevindt, op voorwaarde dat de studies om het diploma te bereiken minstens drie jaar hebben geduurd.]1
Art. 30/9 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 L'autorisation de travail est accordée dans le cadre d'une carte bleue européenne si les conditions suivantes sont remplies :
1° l'employeur a conclu avec le travailleur un contrat de travail à durée indéterminée ou d'une durée égale ou supérieure à un an;
2° le travailleur bénéficie d'une rémunération annuelle brute égale ou supérieure à 52.978 euros, calculée et adaptée suivant l'article 37/1 du présent arrêté;
3° le travailleur atteste de qualifications professionnelles élevées en étant titulaire d'un diplôme délivré par un institut d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel il est établi.
Pour l'application de l'alinéa précédent, on entend par diplôme de l'enseignement supérieur : tout diplôme, certificat ou autre titre de formation, délivré par une autorité attestant l'accomplissement avec succès d'un programme d'études supérieures postsecondaires, c'est-à-dire un ensemble de cours dispensés par un institut d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel il se situe, à condition que les études nécessaires à son obtention aient duré trois années au moins.]1
[1 L'autorisation de travail est accordée dans le cadre d'une carte bleue européenne si les conditions suivantes sont remplies :
1° l'employeur a conclu avec le travailleur un contrat de travail à durée indéterminée ou d'une durée égale ou supérieure à un an;
2° le travailleur bénéficie d'une rémunération annuelle brute égale ou supérieure à 52.978 euros, calculée et adaptée suivant l'article 37/1 du présent arrêté;
3° le travailleur atteste de qualifications professionnelles élevées en étant titulaire d'un diplôme délivré par un institut d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel il est établi.
Pour l'application de l'alinéa précédent, on entend par diplôme de l'enseignement supérieur : tout diplôme, certificat ou autre titre de formation, délivré par une autorité attestant l'accomplissement avec succès d'un programme d'études supérieures postsecondaires, c'est-à-dire un ensemble de cours dispensés par un institut d'enseignement reconnu comme établissement d'enseignement supérieur par l'Etat dans lequel il se situe, à condition que les études nécessaires à son obtention aient duré trois années au moins.]1
Art. 30/10_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Tijdens de eerste twee tewerkstellingsjaren gedekt door een Europese blauwe kaart geldt het volgende:
1° de werkgever brengt de bevoegde overheid op de hoogte indien de arbeidsovereenkomst verbroken wordt;
2° bij een verandering van werkgever of bij een significante wijziging van de arbeidsvoorwaarden bij dezelfde werkgever die gevolgen heeft voor de geldigheid van de Europese blauwe kaart, wordt een nieuwe aanvraag voor een Europese blauwe kaart ingediend;
3° [2 ...]2]1
1° de werkgever brengt de bevoegde overheid op de hoogte indien de arbeidsovereenkomst verbroken wordt;
2° bij een verandering van werkgever of bij een significante wijziging van de arbeidsvoorwaarden bij dezelfde werkgever die gevolgen heeft voor de geldigheid van de Europese blauwe kaart, wordt een nieuwe aanvraag voor een Europese blauwe kaart ingediend;
3° [2 ...]2]1
Art. 30/10 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Durant les deux premières années d'emploi couvertes par une carte bleue européenne:
1° l'employeur informe l'autorité compétente en cas de rupture du contrat de travail;
2° en cas de changement d'employeur ainsi qu'en cas de modification significative des conditions d'emploi auprès du même employeur ayant des conséquences quant à la validité de la carte bleue européenne, une nouvelle demande de carte bleue européenne est introduite;
3° [2 ...]2]1
[1 Durant les deux premières années d'emploi couvertes par une carte bleue européenne:
1° l'employeur informe l'autorité compétente en cas de rupture du contrat de travail;
2° en cas de changement d'employeur ainsi qu'en cas de modification significative des conditions d'emploi auprès du même employeur ayant des conséquences quant à la validité de la carte bleue européenne, une nouvelle demande de carte bleue européenne est introduite;
3° [2 ...]2]1
Art. 30/11_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Na twee jaar effectieve tewerkstelling in overeenstemming met artikel 30/9 is voor de tewerkstelling [2 in de hoedanigheid van werknemer, in het bezit van een geldige Europese blauwe kaart, en]2 die beantwoordt aan de voorwaarden bedoeld in artikel 30/9 geen voorafgaande toekenning van de toelating tot arbeid bedoeld in deze afdeling meer vereist.]1
Art. 30/11 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Après deux années d'occupation effective conforme à l'article 30/9, l'occupation [2 d'un travailleur détenteur d'une carte bleue européenne valide]2 qui répond aux conditions visées à l'article 30/9 n'est pas soumise à l'octroi préalable de l'autorisation de travail visée à la présente section. ]1
[1 Après deux années d'occupation effective conforme à l'article 30/9, l'occupation [2 d'un travailleur détenteur d'une carte bleue européenne valide]2 qui répond aux conditions visées à l'article 30/9 n'est pas soumise à l'octroi préalable de l'autorisation de travail visée à la présente section. ]1
Afdeling 7. [1 De onderzoekers]1
Section 7. [1 Les chercheurs]1
Art. 30.10. _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor de toepassing van deze afdeling zijn de bepalingen van titel II, hoofdstuk 4, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 van toepassing op een tewerkstelling van meer dan negentig dagen.]1
[1 Voor de toepassing van deze afdeling zijn de bepalingen van titel II, hoofdstuk 4, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 van toepassing op een tewerkstelling van meer dan negentig dagen.]1
Art. 30.10 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Aux fins d'application de la présente section, les dispositions du titre II, chapitre 4, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 s'appliquent à une occupation de plus de nonante jours.]1
[1 Aux fins d'application de la présente section, les dispositions du titre II, chapitre 4, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 s'appliquent à une occupation de plus de nonante jours.]1
Art. 30.11. _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder ''onderzoekers" verstaan: de onderdanen van een derde land vermeld in artikel 37, 1°, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.]1
[1 Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder ''onderzoekers" verstaan: de onderdanen van een derde land vermeld in artikel 37, 1°, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.]1
Art. 30.11 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Aux fins d'application de la présente section, il faut entendre par " chercheurs " les ressortissants d'un pays tiers mentionnés à l'article 37, 1°, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018.]1
[1 Aux fins d'application de la présente section, il faut entendre par " chercheurs " les ressortissants d'un pays tiers mentionnés à l'article 37, 1°, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018.]1
Art. 30.12. _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De toelating tot arbeid met het oog op wetenschappelijk onderzoek wordt toegekend aan onderzoekers die naar België komen om in het kader van een gastovereenkomst onderzoek te verrichten aan een erkende onderzoeksinstelling in het Duitse taalgebied in de gevallen en overeenkomstig de voorwaarden en nadere regels van het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet-EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten, voor zover de arbeids- en loonvoorwaarden niet ongunstiger zijn dan die van onderzoekers in vergelijkbare functies.]1
[1 De toelating tot arbeid met het oog op wetenschappelijk onderzoek wordt toegekend aan onderzoekers die naar België komen om in het kader van een gastovereenkomst onderzoek te verrichten aan een erkende onderzoeksinstelling in het Duitse taalgebied in de gevallen en overeenkomstig de voorwaarden en nadere regels van het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet-EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten, voor zover de arbeids- en loonvoorwaarden niet ongunstiger zijn dan die van onderzoekers in vergelijkbare functies.]1
Art. 30.12 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 L'autorisation de travail aux fins de recherche est octroyée aux chercheurs qui, dans le cadre d'une convention d'accueil, viennent en Belgique pour faire de la recherche auprès d'un organisme de recherche situé en région de langue allemande, et ce, dans les cas et conformément aux conditions et modalités de l'arrêté royal du 8 juin 2007 contenant les conditions d'agrément des organismes de recherche qui souhaitent conclure, dans le cadre de projets de recherche, des conventions d'accueil avec des chercheurs de pays hors Union européenne, et fixant les conditions auxquelles de telles conventions d'accueil peuvent être conclues, pour autant que leurs conditions de travail et de revenus soient au moins aussi favorables que celles offertes aux chercheurs occupant des fonctions comparables.]1
[1 L'autorisation de travail aux fins de recherche est octroyée aux chercheurs qui, dans le cadre d'une convention d'accueil, viennent en Belgique pour faire de la recherche auprès d'un organisme de recherche situé en région de langue allemande, et ce, dans les cas et conformément aux conditions et modalités de l'arrêté royal du 8 juin 2007 contenant les conditions d'agrément des organismes de recherche qui souhaitent conclure, dans le cadre de projets de recherche, des conventions d'accueil avec des chercheurs de pays hors Union européenne, et fixant les conditions auxquelles de telles conventions d'accueil peuvent être conclues, pour autant que leurs conditions de travail et de revenus soient au moins aussi favorables que celles offertes aux chercheurs occupant des fonctions comparables.]1
Art. 30/12_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De bepalingen van hoofdstuk 4 van titel II van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 zijn van toepassing op de aanvragen ingediend in overeenstemming met deze afdeling, met het oog op een tewerkstelling van meer dan negentig dagen.]1
Art. 30/12 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Les dispositions du chapitre 4 du titre II de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 sont d'application aux demandes introduites conformément à la présente section, en vue d'un emploi d'une durée de plus de nonante jours.]1
[1 Les dispositions du chapitre 4 du titre II de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 sont d'application aux demandes introduites conformément à la présente section, en vue d'un emploi d'une durée de plus de nonante jours.]1
Art. 30/13_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Voor de toepassing van deze afdeling is `de onderzoeker' de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 37, 1° van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.]1
Art. 30/13 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Pour l'application de la présente section, " le chercheur " est le ressortissant de pays tiers visé à l'article 37, 1° de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018.]1
[1 Pour l'application de la présente section, " le chercheur " est le ressortissant de pays tiers visé à l'article 37, 1° de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018.]1
Art. 30.13 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De toelating tot arbeid met het oog op langetermijnmobiliteit in het kader van wetenschappelijk onderzoek wordt toegekend, als de onderzoeker aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° hij is tijdens de volledige procedure houder van een geldige, door de eerste lidstaat uitgereikte vergunning voor onderzoeker;
2° hij is met de erkende onderzoeksinstelling die zich in het Duitse taalgebied bevindt, gebonden door een geldige gastovereenkomst in de zin van artikel 30.12 om een deel van het onderzoeksproject uit te voeren waarvoor de vergunning voor onderzoeker in de eerste lidstaat werd afgegeven.]1
[1 De toelating tot arbeid met het oog op langetermijnmobiliteit in het kader van wetenschappelijk onderzoek wordt toegekend, als de onderzoeker aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° hij is tijdens de volledige procedure houder van een geldige, door de eerste lidstaat uitgereikte vergunning voor onderzoeker;
2° hij is met de erkende onderzoeksinstelling die zich in het Duitse taalgebied bevindt, gebonden door een geldige gastovereenkomst in de zin van artikel 30.12 om een deel van het onderzoeksproject uit te voeren waarvoor de vergunning voor onderzoeker in de eerste lidstaat werd afgegeven.]1
Art. 30.13 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 L'autorisation de travail aux fins d'une mobilité de longue durée dans le cadre de la recherche est octroyée si le chercheur remplit les conditions suivantes :
1° il est titulaire, pendant toute la procédure, d'un permis pour chercheur valable délivré par le premier Etat membre;
2° il est lié à l'organisme de recherche agréé situé en région de langue allemande par une convention d'accueil valable au sens de l'article 30.12 pour exécuter une partie du projet de recherche pour lequel le premier Etat membre a délivré le permis pour chercheur.]1
[1 L'autorisation de travail aux fins d'une mobilité de longue durée dans le cadre de la recherche est octroyée si le chercheur remplit les conditions suivantes :
1° il est titulaire, pendant toute la procédure, d'un permis pour chercheur valable délivré par le premier Etat membre;
2° il est lié à l'organisme de recherche agréé situé en région de langue allemande par une convention d'accueil valable au sens de l'article 30.12 pour exécuter une partie du projet de recherche pour lequel le premier Etat membre a délivré le permis pour chercheur.]1
Art. 30.14 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De toelating tot arbeid vermeld in artikel 30.12 of artikel 30.13:
1° wordt beperkt tot de duur van het onderzoeksproject bepaald in de gastovereenkomst tussen de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling en tot de daarin beschreven activiteiten;
2° omvat de activiteiten die de onderzoeker in het kader van het onderzoeksproject uitoefent als gastprofessor in een erkende onderzoeksinstelling.]1
[1 De toelating tot arbeid vermeld in artikel 30.12 of artikel 30.13:
1° wordt beperkt tot de duur van het onderzoeksproject bepaald in de gastovereenkomst tussen de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling en tot de daarin beschreven activiteiten;
2° omvat de activiteiten die de onderzoeker in het kader van het onderzoeksproject uitoefent als gastprofessor in een erkende onderzoeksinstelling.]1
Art. 30.14 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 L'autorisation de travail mentionnée à l'article 30.12 ou 30.13 :
1° est limitée à la durée du projet de recherche telle que fixée dans la convention d'accueil conclue entre le chercheur et l'organisme de recherche agréé ainsi qu'aux activités y décrites;
2° comprend les activités que le chercheur exerce dans le cadre du projet de recherche en tant que professeur invité dans un organisme de recherche agréé.]1
[1 L'autorisation de travail mentionnée à l'article 30.12 ou 30.13 :
1° est limitée à la durée du projet de recherche telle que fixée dans la convention d'accueil conclue entre le chercheur et l'organisme de recherche agréé ainsi qu'aux activités y décrites;
2° comprend les activités que le chercheur exerce dans le cadre du projet de recherche en tant que professeur invité dans un organisme de recherche agréé.]1
Art. 30/14_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Toelating tot arbeid voor onderzoek en toelating tot arbeid voor lange-termijnmobiliteit voor onderzoek worden toegekend aan onderzoekers die naar België komen voor onderzoek bij een erkende onderzoeksinstelling gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in het kader van een gastovereenkomst in de gevallen en volgens de voorwaarden en nadere regels vastgesteld door het koninklijk besluit van 8 juni 2007 houdende de voorwaarden voor erkenning van de onderzoeksinstellingen die in het kader van onderzoeksprojecten gastovereenkomsten met onderzoekers uit niet-EU-landen willen afsluiten en tot vaststelling van de voorwaarden waaronder dergelijke gastovereenkomsten kunnen worden afgesloten, voor zover hun arbeids- en bezoldigingsvoorwaarden minstens gelijk zijn aan dat van onderzoekers met een gelijkaardige functie.
De toelating tot arbeid bedoeld in het eerste lid wordt beperkt tot de duur van het onderzoeksproject zoals vastgelegd in de gastovereenkomst tussen de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling. De geldigheid ervan wordt beperkt tot de onderzoeksactiviteit waarvoor ze is toegekend en tot de erkende onderzoeksinstelling bedoeld in het eerste lid waarmee de onderzoeker samenwerkt.]1
De toelating tot arbeid bedoeld in het eerste lid wordt beperkt tot de duur van het onderzoeksproject zoals vastgelegd in de gastovereenkomst tussen de onderzoeker en de erkende onderzoeksinstelling. De geldigheid ervan wordt beperkt tot de onderzoeksactiviteit waarvoor ze is toegekend en tot de erkende onderzoeksinstelling bedoeld in het eerste lid waarmee de onderzoeker samenwerkt.]1
Art. 30/14 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 L'autorisation de travail aux fins de recherche et l'autorisation de travail aux fins d'une mobilité de longue durée aux fins de recherche sont accordées aux chercheurs qui viennent en Belgique pour faire de la recherche auprès d'un organisme de recherche agréé situé en Région de Bruxelles-Capitale dans le cadre d'une convention d'accueil dans les cas et selon les conditions et modalités fixées par l'arrêté royal du 8 juin 2007 contenant les conditions d'agrément des organismes de recherche qui souhaitent conclure, dans le cadre de projets de recherche, des conventions d'accueil avec des chercheurs de pays hors Union européenne et fixant les conditions auxquelles de telles conventions d'accueil peuvent être conclues, pour autant que leurs conditions de travail et de revenus soient au moins aussi favorables que celles accordées aux chercheurs occupant des fonctions comparables.
L'autorisation de travail visée à l'alinéa premier est limitée à la durée du projet de recherche telle qu'elle est fixée dans la convention d'accueil entre le chercheur et l'organisme de recherche agréé. Sa validité est circonscrite à l'activité de recherche pour laquelle elle a été accordée ainsi qu'à l'organisme de recherche agréé visé à l'alinéa 1er avec lequel collabore le chercheur.]1
[1 L'autorisation de travail aux fins de recherche et l'autorisation de travail aux fins d'une mobilité de longue durée aux fins de recherche sont accordées aux chercheurs qui viennent en Belgique pour faire de la recherche auprès d'un organisme de recherche agréé situé en Région de Bruxelles-Capitale dans le cadre d'une convention d'accueil dans les cas et selon les conditions et modalités fixées par l'arrêté royal du 8 juin 2007 contenant les conditions d'agrément des organismes de recherche qui souhaitent conclure, dans le cadre de projets de recherche, des conventions d'accueil avec des chercheurs de pays hors Union européenne et fixant les conditions auxquelles de telles conventions d'accueil peuvent être conclues, pour autant que leurs conditions de travail et de revenus soient au moins aussi favorables que celles accordées aux chercheurs occupant des fonctions comparables.
L'autorisation de travail visée à l'alinéa premier est limitée à la durée du projet de recherche telle qu'elle est fixée dans la convention d'accueil entre le chercheur et l'organisme de recherche agréé. Sa validité est circonscrite à l'activité de recherche pour laquelle elle a été accordée ainsi qu'à l'organisme de recherche agréé visé à l'alinéa 1er avec lequel collabore le chercheur.]1
Art. 30/15_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De onderzoekers die krachtens deze afdeling mogen werken, hebben de toelating onderwijs te verstrekken in een erkende onderzoeksinstelling.]1
Art. 30/15 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Les chercheurs autorisés à travailler en vertu de la présente section sont autorisés à dispenser un enseignement dans un organisme de recherche agréé.]1
[1 Les chercheurs autorisés à travailler en vertu de la présente section sont autorisés à dispenser un enseignement dans un organisme de recherche agréé.]1
Art. 30/16_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Indien het onderzoek uitgevoerd wordt in het kader van een specifiek programma van de Unie of een multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen, moet de toelating tot arbeid voor onderzoek dit programma vermelden.]1
Art. 30/16 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Si la recherche est effectuée dans le cadre d'un programme particulier de l'Union ou d'un programme multilatéral comportant des mesures de mobilité, l'autorisation de travail à des fins de recherche fait mention dudit programme.]1
[1 Si la recherche est effectuée dans le cadre d'un programme particulier de l'Union ou d'un programme multilatéral comportant des mesures de mobilité, l'autorisation de travail à des fins de recherche fait mention dudit programme.]1
Afdeling 8. [1 De vrijwilligers in het kader van het Europese vrijwilligerswerk]1 [2 Vrijwilligers in het kader van het Europees Solidariteitskorps]2
Section 8. [1 Les volontaires dans le cadre du Service volontaire européen ou [2 Corps européen de solidarité]2]1
Art. 30.16 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Voor de toepassing van deze afdeling zijn de bepalingen van titel II, hoofdstuk 6, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 van toepassing op vrijwilligerswerk van meer dan negentig dagen.]1
[1 Voor de toepassing van deze afdeling zijn de bepalingen van titel II, hoofdstuk 6, van het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 van toepassing op vrijwilligerswerk van meer dan negentig dagen.]1
Art. 30.16 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Aux fins d'application de la présente section, les dispositions du titre II, chapitre 6, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 s'appliquent à un programme de volontariat de plus de nonante jours.]1
[1 Aux fins d'application de la présente section, les dispositions du titre II, chapitre 6, de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 s'appliquent à un programme de volontariat de plus de nonante jours.]1
Art. 30.17 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De toelating tot arbeid met het oog op vrijwilligerswerk in het kader van het Europees Solidariteitskorps wordt toegekend, als een door de vrijwilliger en de gastentiteit ondertekende vrijwilligersovereenkomst het volgende bevat:
1° een beschrijving van het vrijwilligersprogramma;
2° de duur van het vrijwilligerswerk die hoogstens 12 maanden bedraagt, alsook de diensturen van de vrijwilliger;
3° de voorwaarden voor de activiteit en de begeleiding van de vrijwilliger;
4° de beschikbare middelen om de kosten voor het levensonderhoud en de huisvesting van de vrijwilliger te dekken, alsook het minimumbedrag aan zakgeld tijdens de volledige duur van het verblijf.]1
[1 De toelating tot arbeid met het oog op vrijwilligerswerk in het kader van het Europees Solidariteitskorps wordt toegekend, als een door de vrijwilliger en de gastentiteit ondertekende vrijwilligersovereenkomst het volgende bevat:
1° een beschrijving van het vrijwilligersprogramma;
2° de duur van het vrijwilligerswerk die hoogstens 12 maanden bedraagt, alsook de diensturen van de vrijwilliger;
3° de voorwaarden voor de activiteit en de begeleiding van de vrijwilliger;
4° de beschikbare middelen om de kosten voor het levensonderhoud en de huisvesting van de vrijwilliger te dekken, alsook het minimumbedrag aan zakgeld tijdens de volledige duur van het verblijf.]1
Art. 30.17 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 L'octroi de l'autorisation aux fins d'un volontariat dans le cadre du Corps européen de solidarité est subordonné à la signature d'une convention de volontariat par le volontaire et l'entité d'accueil, qui contient :
1° une description du programme de volontariat;
2° la durée du programme de volontariat, qui ne pourra être supérieure à douze mois, ainsi que les heures de service du volontaire;
3° les conditions de l'activité et de l'encadrement du volontaire;
4° les ressources disponibles pour couvrir les frais de subsistance et de logement du volontaire ainsi que le montant minimal de l'argent de poche qui lui sera attribué pendant la durée totale du volontariat.]1
[1 L'octroi de l'autorisation aux fins d'un volontariat dans le cadre du Corps européen de solidarité est subordonné à la signature d'une convention de volontariat par le volontaire et l'entité d'accueil, qui contient :
1° une description du programme de volontariat;
2° la durée du programme de volontariat, qui ne pourra être supérieure à douze mois, ainsi que les heures de service du volontaire;
3° les conditions de l'activité et de l'encadrement du volontaire;
4° les ressources disponibles pour couvrir les frais de subsistance et de logement du volontaire ainsi que le montant minimal de l'argent de poche qui lui sera attribué pendant la durée totale du volontariat.]1
Art. 30/17_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De bepalingen van hoofdstuk 6 van titel II van het uitvoerende samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 zijn van toepassing op de aanvragen ingediend in overeenstemming met deze afdeling, met het oog op vrijwilligerswerk van meer dan negentig dagen.]1
Art. 30/17 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 Les dispositions du chapitre 6 du titre II de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 sont d'application aux demandes introduites conformément à la présente section, en vue d'un volontariat d'une durée de plus de nonante jours.]1
[1 Les dispositions du chapitre 6 du titre II de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018 sont d'application aux demandes introduites conformément à la présente section, en vue d'un volontariat d'une durée de plus de nonante jours.]1
Art. 30/18_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De toekenning van de vergunning voor vrijwilligerswerk in het kader van het Europese vrijwilligerswerk vereist de ondertekening van een vrijwilligerswerkovereenkomst door de vrijwilliger en de gastentiteit, die het volgende omvat:
1° de beschrijving van het vrijwilligerswerkprogramma;
2° de duur van het vrijwilligerswerkprogramma, die niet meer dan twaalf maanden mag bedragen;
3° de voorwaarden inzake de plaatsing en begeleiding van de vrijwilliger;
4° de uren vrijwilligerswerk;
5° de beschikbare middelen om de kosten voor het levensonderhoud en de huisvesting van de vrijwilliger tijdens het vrijwilligerswerk te dekken, alsook het bedrag aan zakgeld dat hem zal worden toegekend tijdens het vrijwilligerswerk.]1
1° de beschrijving van het vrijwilligerswerkprogramma;
2° de duur van het vrijwilligerswerkprogramma, die niet meer dan twaalf maanden mag bedragen;
3° de voorwaarden inzake de plaatsing en begeleiding van de vrijwilliger;
4° de uren vrijwilligerswerk;
5° de beschikbare middelen om de kosten voor het levensonderhoud en de huisvesting van de vrijwilliger tijdens het vrijwilligerswerk te dekken, alsook het bedrag aan zakgeld dat hem zal worden toegekend tijdens het vrijwilligerswerk.]1
Art. 30/18 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 L'octroi de l'autorisation aux fins d'un volontariat dans le cadre du service volontaire européen est subordonné à la signature d'une convention de volontariat par le volontaire et l'entité d'accueil, qui contient :
1° la description du programme de volontariat;
2° la durée du programme de volontariat, qui ne peut être supérieure à douze mois;
3° les conditions de placement et d'encadrement du volontaire;
4° les heures de volontariat;
5° les ressources disponibles pour couvrir les frais de subsistance et de logement du volontaire pendant la durée du volontariat ainsi que le montant de l'argent de poche qui lui sera attribué pendant la durée du volontariat.]1
[1 L'octroi de l'autorisation aux fins d'un volontariat dans le cadre du service volontaire européen est subordonné à la signature d'une convention de volontariat par le volontaire et l'entité d'accueil, qui contient :
1° la description du programme de volontariat;
2° la durée du programme de volontariat, qui ne peut être supérieure à douze mois;
3° les conditions de placement et d'encadrement du volontaire;
4° les heures de volontariat;
5° les ressources disponibles pour couvrir les frais de subsistance et de logement du volontaire pendant la durée du volontariat ainsi que le montant de l'argent de poche qui lui sera attribué pendant la durée du volontariat.]1
Art. 30.18 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De toelating tot arbeid vermeld in artikel 30.17 wordt afgegeven voor een maximale duur van twaalf maanden.]1
[1 De toelating tot arbeid vermeld in artikel 30.17 wordt afgegeven voor een maximale duur van twaalf maanden.]1
Art. 30.18 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 L'autorisation de travail mentionnée à l'article 30.17 est octroyée pour une durée maximale de douze mois.]1
[1 L'autorisation de travail mentionnée à l'article 30.17 est octroyée pour une durée maximale de douze mois.]1
HOOFDSTUK VII. - Hernieuwing van de arbeidsvergunning en van de arbeidskaart B.
CHAPITRE VII. - Renouvellement de l'autorisation d'occupation et du permis de travail B.
Art. 31. Onder hernieuwing wordt verstaan, het afleveren van een nieuwe arbeidsvergunning en een nieuwe arbeidskaart B, met het oog op een verdere tewerkstelling van dezelfde werknemer in hetzelfde beroep, al dan niet bij dezelfde werkgever.
De aanvraag tot hernieuwing dient door de werkgever te worden ingediend, uiterlijk één maand voor het verstrijken van de geldigheid van de lopende arbeidsvergunning en arbeidskaart B.
De aanvraag tot hernieuwing dient door de werkgever te worden ingediend, uiterlijk één maand voor het verstrijken van de geldigheid van de lopende arbeidsvergunning en arbeidskaart B.
Art. 31. Par renouvellement, on entend la délivrance d'une nouvelle autorisation d'occupation et d'un nouveau permis de travail B, en vue de la continuation, chez le même employeur ou non, de l'emploi d'un même travailleur dans la même profession.
La demande de renouvellement doit être introduite par l'employeur, au plus tard un mois avant l'expiration de la validite de l'autorisation d'occupation et du permis de travail en cours.
La demande de renouvellement doit être introduite par l'employeur, au plus tard un mois avant l'expiration de la validite de l'autorisation d'occupation et du permis de travail en cours.
Art. 31 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Onder hernieuwing wordt verstaan, het afleveren van een nieuwe arbeidsvergunning en een nieuwe arbeidskaart B, met het oog op een verdere tewerkstelling van dezelfde werknemer in hetzelfde beroep, al dan niet bij dezelfde werkgever.
De aanvraag tot hernieuwing dient door de werkgever te worden ingediend, uiterlijk één maand voor het verstrijken van de geldigheid van de lopende arbeidsvergunning en arbeidskaart B.
[1 Met uitzondering van de aanvraag tot hernieuwing van een toelating tot arbeid met het oog op seizoenarbeid die uiterlijk een maand voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende toelating tot arbeid ingediend wordt, wordt de aanvraag tot hernieuwing van een toelating tot arbeid vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, overeenkomstig artikel 21 van het samenwerkingsakkoord uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende toelating tot arbeid door de aanvrager ingediend.
In afwijking van het eerste lid is geen hernieuwing mogelijk, als de maximale duur vermeld in de artikelen 21, 30.2, 30.5 of 30.18 bereikt is.]1
Onder hernieuwing wordt verstaan, het afleveren van een nieuwe arbeidsvergunning en een nieuwe arbeidskaart B, met het oog op een verdere tewerkstelling van dezelfde werknemer in hetzelfde beroep, al dan niet bij dezelfde werkgever.
De aanvraag tot hernieuwing dient door de werkgever te worden ingediend, uiterlijk één maand voor het verstrijken van de geldigheid van de lopende arbeidsvergunning en arbeidskaart B.
[1 Met uitzondering van de aanvraag tot hernieuwing van een toelating tot arbeid met het oog op seizoenarbeid die uiterlijk een maand voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende toelating tot arbeid ingediend wordt, wordt de aanvraag tot hernieuwing van een toelating tot arbeid vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, overeenkomstig artikel 21 van het samenwerkingsakkoord uiterlijk twee maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende toelating tot arbeid door de aanvrager ingediend.
In afwijking van het eerste lid is geen hernieuwing mogelijk, als de maximale duur vermeld in de artikelen 21, 30.2, 30.5 of 30.18 bereikt is.]1
Art. 31 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Par renouvellement, on entend la délivrance d'une nouvelle autorisation d'occupation et d'un nouveau permis de travail B, en vue de la continuation, chez le même employeur ou non, de l'emploi d'un même travailleur dans la même profession.
La demande de renouvellement doit être introduite par l'employeur, au plus tard un mois avant l'expiration de la validite de l'autorisation d'occupation et du permis de travail en cours.
[1 A l'exception de la demande de renouvellement d'une autorisation de travail aux fins d'un travail saisonnier, qui doit être introduite au plus tard un mois avant l'expiration de la durée de validité de l'autorisation de travail en cours, la demande de renouvellement d'une des autorisations de travail mentionnées au chapitre IV, section 3, conformément à l'article 21 de l'accord de coopération doit être introduite par le demandeur au plus tard deux mois avant l'expiration de la durée de validité de l'autorisation de travail en cours.
Par dérogation à l'alinéa 1er, aucun renouvellement n'est possible si la durée maximale de l'autorisation mentionnée aux articles 21, 30.2, 30.5 ou 30.18 est atteinte.]1
Par renouvellement, on entend la délivrance d'une nouvelle autorisation d'occupation et d'un nouveau permis de travail B, en vue de la continuation, chez le même employeur ou non, de l'emploi d'un même travailleur dans la même profession.
La demande de renouvellement doit être introduite par l'employeur, au plus tard un mois avant l'expiration de la validite de l'autorisation d'occupation et du permis de travail en cours.
[1 A l'exception de la demande de renouvellement d'une autorisation de travail aux fins d'un travail saisonnier, qui doit être introduite au plus tard un mois avant l'expiration de la durée de validité de l'autorisation de travail en cours, la demande de renouvellement d'une des autorisations de travail mentionnées au chapitre IV, section 3, conformément à l'article 21 de l'accord de coopération doit être introduite par le demandeur au plus tard deux mois avant l'expiration de la durée de validité de l'autorisation de travail en cours.
Par dérogation à l'alinéa 1er, aucun renouvellement n'est possible si la durée maximale de l'autorisation mentionnée aux articles 21, 30.2, 30.5 ou 30.18 est atteinte.]1
Wijzigingen
Art. 32. <KB 2003-02-06/41, art. 8, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> De bepalingen van de artikelen 8 tot 11, 12, eerste lid, en 13 zijn van toepassing op de aanvragen om hernieuwing van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten.
Wanneer de arbeidsvergunning of de arbeidskaart werden toegekend met toepassing van artikel 38, § 2, zijn echter de artikelen 8 en 10 niet van toepassing op de aanvragen om hernieuwing, behalve evenwel als het tegendeel uitdrukkelijk wordt vermeld door de bevoegde overheid.
Wanneer de arbeidsvergunning of de arbeidskaart werden toegekend met toepassing van artikel 38, § 2, zijn echter de artikelen 8 en 10 niet van toepassing op de aanvragen om hernieuwing, behalve evenwel als het tegendeel uitdrukkelijk wordt vermeld door de bevoegde overheid.
Art. 32. <AR 2003-02-06/41, art. 8, 009; En vigueur : 01-04-2003> Les dispositions des articles 8 à 11, 12, alinéa 1er, et 13 sont applicables aux demandes de renouvellement des autorisations d'occupation et des permis de travail.
Toutefois, sauf si l'autorité compétente a fait mention expresse du contraire, lorsque l'autorisation d'occupation ou le permis de travail ont été attribués en application de l'article 38, § 2, les articles 8 et 10 ne sont pas applicables aux demandes de renouvellement.
Toutefois, sauf si l'autorité compétente a fait mention expresse du contraire, lorsque l'autorisation d'occupation ou le permis de travail ont été attribués en application de l'article 38, § 2, les articles 8 et 10 ne sont pas applicables aux demandes de renouvellement.
Art. 32_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. <KB 2003-02-06/41, art. 8, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003> De bepalingen van de artikelen 8 tot 11, 12, eerste lid, en 13 zijn van toepassing op de aanvragen om hernieuwing van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten.
Wanneer de arbeidsvergunning of de arbeidskaart werden toegekend met toepassing van artikel 38, § 2, [1 is artikel 8 echter]1 niet van toepassing op de aanvragen om hernieuwing, behalve evenwel als het tegendeel uitdrukkelijk wordt vermeld door de bevoegde overheid.
Wanneer de arbeidsvergunning of de arbeidskaart werden toegekend met toepassing van artikel 38, § 2, [1 is artikel 8 echter]1 niet van toepassing op de aanvragen om hernieuwing, behalve evenwel als het tegendeel uitdrukkelijk wordt vermeld door de bevoegde overheid.
Art. 32 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
<AR 2003-02-06/41, art. 8, 009; En vigueur : 01-04-2003> Les dispositions des articles 8 à 11, 12, alinéa 1er, et 13 sont applicables aux demandes de renouvellement des autorisations d'occupation et des permis de travail.
Toutefois, sauf si l'autorité compétente a fait mention expresse du contraire, lorsque l'autorisation d'occupation ou le permis de travail ont été attribués en application de l'article 38, § 2, l[1 l'article 8 n'est pas applicable]1 aux demandes de renouvellement.
<AR 2003-02-06/41, art. 8, 009; En vigueur : 01-04-2003> Les dispositions des articles 8 à 11, 12, alinéa 1er, et 13 sont applicables aux demandes de renouvellement des autorisations d'occupation et des permis de travail.
Toutefois, sauf si l'autorité compétente a fait mention expresse du contraire, lorsque l'autorisation d'occupation ou le permis de travail ont été attribués en application de l'article 38, § 2, l[1 l'article 8 n'est pas applicable]1 aux demandes de renouvellement.
Wijzigingen
Art. 33. In afwijking van artikel 31, eerste lid, is men niet verplicht hetzelfde beroep uit te oefenen waarvoor de eerste arbeidskaart B werd toegekend, wanneer het gaat om werknemers die een opleiding of herscholing genieten of genoten hebben, verstrekt in een centrum van een Gewestelijke dienst voor arbeidsvoorziening of in een erkend centrum, of een beroepsherscholing verstrekt door het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering.
Art. 33. Par dérogation à l'article 31, alinéa 1er, il n'y a pas obligation d'exercer la même profession pour laquelle a été accordée le premier permis de travail B, lorsqu'il s'agit de travailleurs qui bénéficient ou qui ont bénéficié d'une formation ou réadaption dispensée dans un centre d'un Office régional de l'emploi ou dans un centre agrée, ou d'une réadaption professionnelle dispensée par l'Institut National d'Assurance Maladie-Invalidité.
HOOFDSTUK VIII. - Weigering en intrekking van de arbeidsvergunning en van de arbeidskaart.
CHAPITRE VIII. - Refus et retrait de l'autorisation d'occupation et du permis de travail.
Art. 34. De arbeidsvergunning en de arbeidskaart worden geweigerd wanneer :
1° de aanvraag onvolledige of onjuiste gegevens bevat of wanneer de voorwaarden vermeld in de wet of in de uitvoeringbesluiten niet zijn vervuld;
2° de tewerkstelling strijdig is hetzij met de openbare orde of de openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen, hetzij met de internationale overeenkomsten en akkoorden inzake de indienstneming en de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
3° redenen van openbare orde of openbare veiligheid die gebaseerd zijn op het persoonlijk gedrag van de werknemer het noodzakelijk maken;
4° de werkgever de wettelijke en de reglementaire verplichtingen betreffende de tewerkstelling van werknemers niet naleeft;
5° de tewerkstelling niet geschiedt overeenkomstig de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die voor de tewerkstelling van Belgische werknemers gelden;
6° zij worden aangevraagd voor een betrekking wanneer aan deze tewerkstelling geen inkomsten verbonden zijn die de werknemer in staat stellen in zijn behoeften of in die van zijn gezin te voorzien.
7° op het ogenblik van de indiening van de aanvraag, de betrokken buitenlandse werknemer, wat zijn recht op of zijn machtiging tot verblijf betreft, het voorwerp is van een negatieve beslissing, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort.) <KB 2003-02-06/41, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
[1 8° in het jaar dat aan de indiening van de aanvraag voorafgaat, aan de werkgever of de gastentiteit sancties werden opgelegd met toepassing van hoofdstuk VII van de wet, de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen, het Sociaal Strafwetboek of het decreet van 27 maart 2023 betreffende de controle en de procedure voor het opleggen van administratieve geldboeten in het kader van het tewerkstellingsbeleid.]1
1° de aanvraag onvolledige of onjuiste gegevens bevat of wanneer de voorwaarden vermeld in de wet of in de uitvoeringbesluiten niet zijn vervuld;
2° de tewerkstelling strijdig is hetzij met de openbare orde of de openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen, hetzij met de internationale overeenkomsten en akkoorden inzake de indienstneming en de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
3° redenen van openbare orde of openbare veiligheid die gebaseerd zijn op het persoonlijk gedrag van de werknemer het noodzakelijk maken;
4° de werkgever de wettelijke en de reglementaire verplichtingen betreffende de tewerkstelling van werknemers niet naleeft;
5° de tewerkstelling niet geschiedt overeenkomstig de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die voor de tewerkstelling van Belgische werknemers gelden;
6° zij worden aangevraagd voor een betrekking wanneer aan deze tewerkstelling geen inkomsten verbonden zijn die de werknemer in staat stellen in zijn behoeften of in die van zijn gezin te voorzien.
7° op het ogenblik van de indiening van de aanvraag, de betrokken buitenlandse werknemer, wat zijn recht op of zijn machtiging tot verblijf betreft, het voorwerp is van een negatieve beslissing, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort.) <KB 2003-02-06/41, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
[1 8° in het jaar dat aan de indiening van de aanvraag voorafgaat, aan de werkgever of de gastentiteit sancties werden opgelegd met toepassing van hoofdstuk VII van de wet, de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen, het Sociaal Strafwetboek of het decreet van 27 maart 2023 betreffende de controle en de procedure voor het opleggen van administratieve geldboeten in het kader van het tewerkstellingsbeleid.]1
Art. 34. L'autorisation d'occupation et le permis de travail sont refusés :
1° lorsque la demande contient des données incomplètes ou incorrectes ou lorsque les conditions de la loi ou de ses arrêtés d'exécution ne sont pas remplies;
2° lorsque l'occupation est contraire soit à l'ordre public ou à la sécurité publique, soit aux lois et règlements, soit aux conventions et accords internationaux en matière de recrutement et d'occupation de travailleurs étrangers;
3° lorsque des raisons d'ordre public ou de sécurité publique fondées sur le comportement personnel du travailleur le nécessitent;
4° si l'employeur ne respecte pas les obligations légales et réglementaires relatives à l'occupation des travailleurs;
5° lorsque l'occupation ne se fait pas conformément aux conditions de rémunération et autres conditions de travail qui régissent l'occupation de travailleurs belges;
6° lorsqu'ils concernent un emploi dont les ressources découlant de son occupation ne permettent pas au travailleur de subvenir à ses besoins ou à ceux de son ménage.
7° lorsqu'au moment de l'introduction de la demande, le travailleur étranger concerné fait l'objet d'une décision négative, quant à son droit ou son autorisation de séjour, qui ne fait pas l'objet d'un recours suspensif ou n'a pas été suspendue par le juge.)
[1 8° si l'employeur ou l'organisme d'accueil s'est vu infliger au cours de l'année précédant l'introduction de la demande des sanctions en application du chapitre VII de la loi, de la loi du 19 février 1965 relative à l'exercice, par les étrangers, des activités professionnelles indépendantes, du Code pénal social ou du décret du 27 mars 2023 relatif au contrôle et à la procédure concernant l'imposition d'amendes administratives dans le domaine de la politique de l'emploi.]1
<AR 2003-02-06/41, art. 9, 009; En vigueur : 01-04-2003>
1° lorsque la demande contient des données incomplètes ou incorrectes ou lorsque les conditions de la loi ou de ses arrêtés d'exécution ne sont pas remplies;
2° lorsque l'occupation est contraire soit à l'ordre public ou à la sécurité publique, soit aux lois et règlements, soit aux conventions et accords internationaux en matière de recrutement et d'occupation de travailleurs étrangers;
3° lorsque des raisons d'ordre public ou de sécurité publique fondées sur le comportement personnel du travailleur le nécessitent;
4° si l'employeur ne respecte pas les obligations légales et réglementaires relatives à l'occupation des travailleurs;
5° lorsque l'occupation ne se fait pas conformément aux conditions de rémunération et autres conditions de travail qui régissent l'occupation de travailleurs belges;
6° lorsqu'ils concernent un emploi dont les ressources découlant de son occupation ne permettent pas au travailleur de subvenir à ses besoins ou à ceux de son ménage.
7° lorsqu'au moment de l'introduction de la demande, le travailleur étranger concerné fait l'objet d'une décision négative, quant à son droit ou son autorisation de séjour, qui ne fait pas l'objet d'un recours suspensif ou n'a pas été suspendue par le juge.)
[1 8° si l'employeur ou l'organisme d'accueil s'est vu infliger au cours de l'année précédant l'introduction de la demande des sanctions en application du chapitre VII de la loi, de la loi du 19 février 1965 relative à l'exercice, par les étrangers, des activités professionnelles indépendantes, du Code pénal social ou du décret du 27 mars 2023 relatif au contrôle et à la procédure concernant l'imposition d'amendes administratives dans le domaine de la politique de l'emploi.]1
<AR 2003-02-06/41, art. 9, 009; En vigueur : 01-04-2003>
-
Wijzigingen
Art. 34 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
De arbeidsvergunning en de arbeidskaart worden geweigerd wanneer :
1° de aanvraag onvolledige of [1 onjuiste gegevens bevat, de in de aanvraag vervatte documenten op bedrieglijke wijze verkregen, vervalst of gemanipuleerd werden of ernstige en eensluidende aanwijzingen op arglist, bedrog, bedrieglijke handelingen of valse informatie wijzen]1 bevat of wanneer de voorwaarden vermeld in de wet of in de uitvoeringbesluiten niet zijn vervuld;
2° de tewerkstelling strijdig is hetzij met de openbare orde of de openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen, hetzij met de internationale overeenkomsten en akkoorden inzake de indienstneming en de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
3° redenen van openbare orde of openbare veiligheid die gebaseerd zijn op het persoonlijk gedrag van de werknemer het noodzakelijk maken;
4° de werkgever de wettelijke en de reglementaire verplichtingen betreffende de tewerkstelling van werknemers niet naleeft;
5° de tewerkstelling niet geschiedt overeenkomstig de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die voor de tewerkstelling van Belgische werknemers gelden [1 of uit de economische situatie van de werkgever blijkt en kan worden afgeleid dat hij niet in staat is het desbetreffende loon en de bijkomende kosten te betalen;]1;
6° zij worden aangevraagd voor een betrekking wanneer aan deze tewerkstelling geen inkomsten verbonden zijn die de werknemer in staat stellen in zijn behoeften of in die van zijn gezin te voorzien.
(7° op het ogenblik van de indiening van de aanvraag, de betrokken buitenlandse werknemer, wat zijn recht op of zijn machtiging tot verblijf betreft, het voorwerp is van een negatieve beslissing, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort.) <KB 2003-02-06/41, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
[1 8° aan de werkgever met toepassing van artikel 175, 175/1, 181 of 181/1 van het Sociaal Strafwetboek sancties werden opgelegd wegens zwartwerk en/of illegale tewerkstelling;
9° de onderdaan van een derde land de verplichtingen die voortvloeien uit een vroegere beslissing over de toelating als seizoenarbeider niet is nagekomen;
10° de onderneming van de werkgever overeenkomstig de insolventiewetgeving in staat van faillissement of in staat van vereffening verkeert, vereffend is, een gerechtelijke reorganisatie heeft aangevraagd of geen bedrijfsactiviteit uitgeoefend wordt.]1
[2 11° de onderneming van de werkgever is opgericht of opereert met als voornaamste doel de toegang van onderdanen van derde landen te faciliteren;
12° de gecumuleerde periode van werkloosheid van de houder van een Europese blauwe kaart meer dan drie maanden bedraagt en hij sinds minder dan twee jaar houder is van een Europese blauwe kaart of de gecumuleerde periode van werkloosheid van de houder van een Europese blauwe kaart meer dan zes maanden bedraagt en hij reeds ten minste twee jaar houder is van een Europese blauwe kaart.]2
De arbeidsvergunning en de arbeidskaart worden geweigerd wanneer :
1° de aanvraag onvolledige of [1 onjuiste gegevens bevat, de in de aanvraag vervatte documenten op bedrieglijke wijze verkregen, vervalst of gemanipuleerd werden of ernstige en eensluidende aanwijzingen op arglist, bedrog, bedrieglijke handelingen of valse informatie wijzen]1 bevat of wanneer de voorwaarden vermeld in de wet of in de uitvoeringbesluiten niet zijn vervuld;
2° de tewerkstelling strijdig is hetzij met de openbare orde of de openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen, hetzij met de internationale overeenkomsten en akkoorden inzake de indienstneming en de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
3° redenen van openbare orde of openbare veiligheid die gebaseerd zijn op het persoonlijk gedrag van de werknemer het noodzakelijk maken;
4° de werkgever de wettelijke en de reglementaire verplichtingen betreffende de tewerkstelling van werknemers niet naleeft;
5° de tewerkstelling niet geschiedt overeenkomstig de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die voor de tewerkstelling van Belgische werknemers gelden [1 of uit de economische situatie van de werkgever blijkt en kan worden afgeleid dat hij niet in staat is het desbetreffende loon en de bijkomende kosten te betalen;]1;
6° zij worden aangevraagd voor een betrekking wanneer aan deze tewerkstelling geen inkomsten verbonden zijn die de werknemer in staat stellen in zijn behoeften of in die van zijn gezin te voorzien.
(7° op het ogenblik van de indiening van de aanvraag, de betrokken buitenlandse werknemer, wat zijn recht op of zijn machtiging tot verblijf betreft, het voorwerp is van een negatieve beslissing, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort.) <KB 2003-02-06/41, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
[1 8° aan de werkgever met toepassing van artikel 175, 175/1, 181 of 181/1 van het Sociaal Strafwetboek sancties werden opgelegd wegens zwartwerk en/of illegale tewerkstelling;
9° de onderdaan van een derde land de verplichtingen die voortvloeien uit een vroegere beslissing over de toelating als seizoenarbeider niet is nagekomen;
10° de onderneming van de werkgever overeenkomstig de insolventiewetgeving in staat van faillissement of in staat van vereffening verkeert, vereffend is, een gerechtelijke reorganisatie heeft aangevraagd of geen bedrijfsactiviteit uitgeoefend wordt.]1
[2 11° de onderneming van de werkgever is opgericht of opereert met als voornaamste doel de toegang van onderdanen van derde landen te faciliteren;
12° de gecumuleerde periode van werkloosheid van de houder van een Europese blauwe kaart meer dan drie maanden bedraagt en hij sinds minder dan twee jaar houder is van een Europese blauwe kaart of de gecumuleerde periode van werkloosheid van de houder van een Europese blauwe kaart meer dan zes maanden bedraagt en hij reeds ten minste twee jaar houder is van een Europese blauwe kaart.]2
Art. 34 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
L'autorisation d'occupation et le permis de travail sont refusés :
1° lorsque la demande contient des données incomplètes ou incorrectes [1 , que les documents contenus dans la demande ont été acquis, falsifiés ou manipulés frauduleusement ou qu'il existe des indices sérieux et concordants de fraude, de dol, de manoeuvres frauduleuses ou de fausses informations,]1 ou lorsque les conditions de la loi ou de ses arrêtés d'exécution ne sont pas remplies;
2° lorsque l'occupation est contraire soit à l'ordre public ou à la sécurité publique, soit aux lois et règlements, soit aux conventions et accords internationaux en matière de recrutement et d'occupation de travailleurs étrangers;
3° lorsque des raisons d'ordre public ou de sécurité publique fondées sur le comportement personnel du travailleur le nécessitent;
4° si l'employeur ne respecte pas les obligations légales et réglementaires relatives à l'occupation des travailleurs;
5° lorsque l'occupation ne se fait pas conformément aux conditions de rémunération et autres conditions de travail qui régissent l'occupation de travailleurs belges [1 qu'il est évident, d'après la situation économique de l'employeur, qu'il n'est pas en mesure de payer la rémunération et les charges y afférentes]1;
6° lorsqu'ils concernent un emploi dont les ressources découlant de son occupation ne permettent pas au travailleur de subvenir à ses besoins ou à ceux de son ménage.
(7° lorsqu'au moment de l'introduction de la demande, le travailleur étranger concerné fait l'objet d'une décision négative, quant à son droit ou son autorisation de séjour, qui ne fait pas l'objet d'un recours suspensif ou n'a pas été suspendue par le juge.) <AR 2003-02-06/41, art. 9, 009; En vigueur : 01-04-2003>
[1 8° si l'employeur s'est vu infliger des sanctions en application des articles 175, 175/1, 181 ou 181/1 du Code pénal social en raison de travail au noir et/ou d'occupation illégale;
9° si le ressortissant d'un pays tiers n'a pas rempli les obligations découlant d'une décision antérieure relative à l'autorisation de séjour en tant que travailleur saisonnier;
10° si l'entreprise de l'employeur est en faillite ou en cours de liquidation ou a été liquidée conformément aux dispositions légales relatives à l'insolvabilité, a demandé un redressement judiciaire ou n'exerce aucune activité commerciale.]1
[2 11° si l'entreprise de l'employeur a été créée ou opère dans le but principal de faciliter l'entrée de ressortissants de pays tiers;
12° si le titulaire de la carte bleue européenne cumule une période de chômage supérieure à trois mois et possède la carte bleue européenne depuis moins de deux ans ou si le titulaire de la carte bleue européenne cumule une période de chômage supérieure à six mois et possède la carte bleue européenne depuis au moins deux ans.]2
L'autorisation d'occupation et le permis de travail sont refusés :
1° lorsque la demande contient des données incomplètes ou incorrectes [1 , que les documents contenus dans la demande ont été acquis, falsifiés ou manipulés frauduleusement ou qu'il existe des indices sérieux et concordants de fraude, de dol, de manoeuvres frauduleuses ou de fausses informations,]1 ou lorsque les conditions de la loi ou de ses arrêtés d'exécution ne sont pas remplies;
2° lorsque l'occupation est contraire soit à l'ordre public ou à la sécurité publique, soit aux lois et règlements, soit aux conventions et accords internationaux en matière de recrutement et d'occupation de travailleurs étrangers;
3° lorsque des raisons d'ordre public ou de sécurité publique fondées sur le comportement personnel du travailleur le nécessitent;
4° si l'employeur ne respecte pas les obligations légales et réglementaires relatives à l'occupation des travailleurs;
5° lorsque l'occupation ne se fait pas conformément aux conditions de rémunération et autres conditions de travail qui régissent l'occupation de travailleurs belges [1 qu'il est évident, d'après la situation économique de l'employeur, qu'il n'est pas en mesure de payer la rémunération et les charges y afférentes]1;
6° lorsqu'ils concernent un emploi dont les ressources découlant de son occupation ne permettent pas au travailleur de subvenir à ses besoins ou à ceux de son ménage.
(7° lorsqu'au moment de l'introduction de la demande, le travailleur étranger concerné fait l'objet d'une décision négative, quant à son droit ou son autorisation de séjour, qui ne fait pas l'objet d'un recours suspensif ou n'a pas été suspendue par le juge.) <AR 2003-02-06/41, art. 9, 009; En vigueur : 01-04-2003>
[1 8° si l'employeur s'est vu infliger des sanctions en application des articles 175, 175/1, 181 ou 181/1 du Code pénal social en raison de travail au noir et/ou d'occupation illégale;
9° si le ressortissant d'un pays tiers n'a pas rempli les obligations découlant d'une décision antérieure relative à l'autorisation de séjour en tant que travailleur saisonnier;
10° si l'entreprise de l'employeur est en faillite ou en cours de liquidation ou a été liquidée conformément aux dispositions légales relatives à l'insolvabilité, a demandé un redressement judiciaire ou n'exerce aucune activité commerciale.]1
[2 11° si l'entreprise de l'employeur a été créée ou opère dans le but principal de faciliter l'entrée de ressortissants de pays tiers;
12° si le titulaire de la carte bleue européenne cumule une période de chômage supérieure à trois mois et possède la carte bleue européenne depuis moins de deux ans ou si le titulaire de la carte bleue européenne cumule une période de chômage supérieure à six mois et possède la carte bleue européenne depuis au moins deux ans.]2
Art. 34_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. De arbeidsvergunning en de arbeidskaart worden geweigerd wanneer :
1° [1 a) de aanvraag onvolledige, onjuiste, of vervalste gegevens bevat, of gegevens, verklaringen of aanpassingen die op bedrieglijke wijze werden bekomen, of die op onrechtmatig wijze werden verricht aangebracht;
b) de werkgever bij een aanvraag gebruik heeft gemaakt van bedrieglijke praktijken, of indien gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens uit gekende feiten voortvloeien die arglist of bedrog aantonen;
c) de voorwaarden vermeld in de wet of in de uitvoeringsbesluiten niet zijn vervuld;]1
[1 1° bis de afwezigheid van economische of maatschappelijke activiteiten wordt vastgesteld, of wanneer de werkgever in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen verkeert, het voorwerp uitmaakt van een procedure tot faillietverklaring, of een gerechtelijke reorganisatie heeft aangevraagd of verkregen;]1
2° de tewerkstelling strijdig is hetzij met de openbare orde of de openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen, hetzij met de internationale overeenkomsten en akkoorden inzake de indienstneming en de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
3° redenen van openbare orde of openbare veiligheid die gebaseerd zijn op het persoonlijk gedrag van de werknemer het noodzakelijk maken;
4° de werkgever de wettelijke en de reglementaire verplichtingen betreffende de tewerkstelling van werknemers niet naleeft;
5° de tewerkstelling niet geschiedt overeenkomstig de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die voor de tewerkstelling van Belgische werknemers gelden;
6° zij worden aangevraagd voor een betrekking wanneer aan deze tewerkstelling geen inkomsten verbonden zijn die de werknemer in staat stellen in zijn behoeften of in die van zijn gezin te voorzien.
(7° op het ogenblik van de indiening van de aanvraag, de betrokken buitenlandse werknemer, wat zijn recht op of zijn machtiging tot verblijf betreft, het voorwerp is van een negatieve beslissing, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort.) <KB 2003-02-06/41, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
[1 8° een definitieve sanctie was uitgesproken tegen de werkgever op grond van artikel 12, § 1 of § 2, 1° of 2°, of § 3 of § 4 van de wet, of op grond van artikel 175 van het Sociaal Strafwetboek; 3° lorsque des raisons d'ordre public ou de sécurité publique fondées sur le comportement personnel du travailleur le nécessitent;
9° de werknemer niet heeft voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit een eerdere beslissing tot toelating als seizoenarbeider.]1
1° [1 a) de aanvraag onvolledige, onjuiste, of vervalste gegevens bevat, of gegevens, verklaringen of aanpassingen die op bedrieglijke wijze werden bekomen, of die op onrechtmatig wijze werden verricht aangebracht;
b) de werkgever bij een aanvraag gebruik heeft gemaakt van bedrieglijke praktijken, of indien gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens uit gekende feiten voortvloeien die arglist of bedrog aantonen;
c) de voorwaarden vermeld in de wet of in de uitvoeringsbesluiten niet zijn vervuld;]1
[1 1° bis de afwezigheid van economische of maatschappelijke activiteiten wordt vastgesteld, of wanneer de werkgever in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen verkeert, het voorwerp uitmaakt van een procedure tot faillietverklaring, of een gerechtelijke reorganisatie heeft aangevraagd of verkregen;]1
2° de tewerkstelling strijdig is hetzij met de openbare orde of de openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen, hetzij met de internationale overeenkomsten en akkoorden inzake de indienstneming en de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
3° redenen van openbare orde of openbare veiligheid die gebaseerd zijn op het persoonlijk gedrag van de werknemer het noodzakelijk maken;
4° de werkgever de wettelijke en de reglementaire verplichtingen betreffende de tewerkstelling van werknemers niet naleeft;
5° de tewerkstelling niet geschiedt overeenkomstig de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die voor de tewerkstelling van Belgische werknemers gelden;
6° zij worden aangevraagd voor een betrekking wanneer aan deze tewerkstelling geen inkomsten verbonden zijn die de werknemer in staat stellen in zijn behoeften of in die van zijn gezin te voorzien.
(7° op het ogenblik van de indiening van de aanvraag, de betrokken buitenlandse werknemer, wat zijn recht op of zijn machtiging tot verblijf betreft, het voorwerp is van een negatieve beslissing, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort.) <KB 2003-02-06/41, art. 9, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
[1 8° een definitieve sanctie was uitgesproken tegen de werkgever op grond van artikel 12, § 1 of § 2, 1° of 2°, of § 3 of § 4 van de wet, of op grond van artikel 175 van het Sociaal Strafwetboek; 3° lorsque des raisons d'ordre public ou de sécurité publique fondées sur le comportement personnel du travailleur le nécessitent;
9° de werknemer niet heeft voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit een eerdere beslissing tot toelating als seizoenarbeider.]1
Art. 34 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
L'autorisation d'occupation et le permis de travail sont refusés :
1° [1 a) lorsque la demande contient des données incomplètes, inexactes ou falsifiées, voire des données, déclarations ou altérations qui ont été obtenues par des moyens frauduleux, ou apportées illégitimement;
b) lorsque l'employeur, à l'occasion d'une demande, a eu recours à des pratiques frauduleuses, ou que des présomptions graves, précises et concordantes découlent de faits connus, démontrant la fraude ou le dol;
c) lorsque les conditions de la loi ou de ses arrêtés d'exécution ne sont pas remplies;]1
[1 1° bis lorsque l'absence d'activités économiques ou sociales a été constatée, ou lorsque l'employeur se trouve en état de faillite ou d'insolvabilité notoire, fait l'objet d'une procédure de déclaration de faillite, ou a demandé ou obtenu une réorganisation judiciaire;]1
2° lorsque l'occupation est contraire soit à l'ordre public ou à la sécurité publique, soit aux lois et règlements, soit aux conventions et accords internationaux en matière de recrutement et d'occupation de travailleurs étrangers;
3° lorsque des raisons d'ordre public ou de sécurité publique fondées sur le comportement personnel du travailleur le nécessitent;
4° si l'employeur ne respecte pas les obligations légales et réglementaires relatives à l'occupation des travailleurs;
5° lorsque l'occupation ne se fait pas conformément aux conditions de rémunération et autres conditions de travail qui régissent l'occupation de travailleurs belges;
6° lorsqu'ils concernent un emploi dont les ressources découlant de son occupation ne permettent pas au travailleur de subvenir à ses besoins ou à ceux de son ménage.
(7° lorsqu'au moment de l'introduction de la demande, le travailleur étranger concerné fait l'objet d'une décision négative, quant à son droit ou son autorisation de séjour, qui ne fait pas l'objet d'un recours suspensif ou n'a pas été suspendue par le juge.) <AR 2003-02-06/41, art. 9, 009; En vigueur : 01-04-2003>
[1 8° lorsqu'une sanction définitive a été prononcée à l'encontre de l'employeur en vertu de l'article 12, paragraphe premier ou deuxième paragraphe, 1° ou 2°, ou troisième paragraphe ou quatrième paragraphe de la loi, ou en vertu de l'article 175 du Code pénal social;
9° lorsque le travailleur ne s'est pas conformé aux obligations découlant d'une décision antérieure d'admission en tant que travailleur saisonnier;]1
L'autorisation d'occupation et le permis de travail sont refusés :
1° [1 a) lorsque la demande contient des données incomplètes, inexactes ou falsifiées, voire des données, déclarations ou altérations qui ont été obtenues par des moyens frauduleux, ou apportées illégitimement;
b) lorsque l'employeur, à l'occasion d'une demande, a eu recours à des pratiques frauduleuses, ou que des présomptions graves, précises et concordantes découlent de faits connus, démontrant la fraude ou le dol;
c) lorsque les conditions de la loi ou de ses arrêtés d'exécution ne sont pas remplies;]1
[1 1° bis lorsque l'absence d'activités économiques ou sociales a été constatée, ou lorsque l'employeur se trouve en état de faillite ou d'insolvabilité notoire, fait l'objet d'une procédure de déclaration de faillite, ou a demandé ou obtenu une réorganisation judiciaire;]1
2° lorsque l'occupation est contraire soit à l'ordre public ou à la sécurité publique, soit aux lois et règlements, soit aux conventions et accords internationaux en matière de recrutement et d'occupation de travailleurs étrangers;
3° lorsque des raisons d'ordre public ou de sécurité publique fondées sur le comportement personnel du travailleur le nécessitent;
4° si l'employeur ne respecte pas les obligations légales et réglementaires relatives à l'occupation des travailleurs;
5° lorsque l'occupation ne se fait pas conformément aux conditions de rémunération et autres conditions de travail qui régissent l'occupation de travailleurs belges;
6° lorsqu'ils concernent un emploi dont les ressources découlant de son occupation ne permettent pas au travailleur de subvenir à ses besoins ou à ceux de son ménage.
(7° lorsqu'au moment de l'introduction de la demande, le travailleur étranger concerné fait l'objet d'une décision négative, quant à son droit ou son autorisation de séjour, qui ne fait pas l'objet d'un recours suspensif ou n'a pas été suspendue par le juge.) <AR 2003-02-06/41, art. 9, 009; En vigueur : 01-04-2003>
[1 8° lorsqu'une sanction définitive a été prononcée à l'encontre de l'employeur en vertu de l'article 12, paragraphe premier ou deuxième paragraphe, 1° ou 2°, ou troisième paragraphe ou quatrième paragraphe de la loi, ou en vertu de l'article 175 du Code pénal social;
9° lorsque le travailleur ne s'est pas conformé aux obligations découlant d'une décision antérieure d'admission en tant que travailleur saisonnier;]1
Wijzigingen
Art. 35. § 1. De arbeidsvergunning wordt ingetrokken, wanneer :
1° de werkgever gebruik heeft gemaakt van bedrieglijke praktijken of onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd om ze te verkrijgen;
2° de tewerkstelling strijdig is, hetzij met de openbare orde of openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen, hetzij nog met de internationale overeenkomsten en akkoorden inzake indienstneming en tewerkstelling van werknemers van buitenlandse nationaliteit;
3° de werkgever de wettelijke en reglementaire verplichtingen betreffende de tewerkstelling van werknemers niet nakomt;
4° de werknemer niet is tewerkgesteld overeenkomstig de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die gelden voor de Belgische werknemers;
5° de werkgever zich niet houdt aan de voorwaarden die aan de arbeidsvergunning verbonden zijn;
6° de arbeidskaart van de werknemer, die door de werkgever wordt tewerkgesteld, wordt ingetrokken.
[1 7° in het jaar dat aan de indiening van de aanvraag voorafgaat, aan de werkgever of de gastentiteit sancties werden opgelegd met toepassing van hoofdstuk VII van de wet, de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen, het Sociaal Strafwetboek of het decreet van 27 maart 2023 betreffende de controle en de procedure voor het opleggen van administratieve geldboeten in het kader van het tewerkstellingsbeleid.]1
§ 2. De arbeidskaart wordt ingetrokken wanneer :
1° de werknemer gebruik heeft gemaakt van bedrieglijke praktijken of onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd om de arbeidskaart te verkrijgen;
2° de tewerkstelling van de werknemer strijdig is hetzij met de openbare orde of met de openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen;
3° (een negatieve beslissing over het recht op of de machtiging tot verblijf van zijn titularis werd genomen, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort;) <KB 2003-02-06/41, art. 10, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
4° de werknemer zich niet houdt aan de voorwaarden die aan de toekenning van de arbeidskaart verbonden zijn;
5° de arbeidsvergunning van de werkgever, door wie de werknemer wordt tewerkgesteld, wordt ingetrokken.
1° de werkgever gebruik heeft gemaakt van bedrieglijke praktijken of onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd om ze te verkrijgen;
2° de tewerkstelling strijdig is, hetzij met de openbare orde of openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen, hetzij nog met de internationale overeenkomsten en akkoorden inzake indienstneming en tewerkstelling van werknemers van buitenlandse nationaliteit;
3° de werkgever de wettelijke en reglementaire verplichtingen betreffende de tewerkstelling van werknemers niet nakomt;
4° de werknemer niet is tewerkgesteld overeenkomstig de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die gelden voor de Belgische werknemers;
5° de werkgever zich niet houdt aan de voorwaarden die aan de arbeidsvergunning verbonden zijn;
6° de arbeidskaart van de werknemer, die door de werkgever wordt tewerkgesteld, wordt ingetrokken.
[1 7° in het jaar dat aan de indiening van de aanvraag voorafgaat, aan de werkgever of de gastentiteit sancties werden opgelegd met toepassing van hoofdstuk VII van de wet, de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen, het Sociaal Strafwetboek of het decreet van 27 maart 2023 betreffende de controle en de procedure voor het opleggen van administratieve geldboeten in het kader van het tewerkstellingsbeleid.]1
§ 2. De arbeidskaart wordt ingetrokken wanneer :
1° de werknemer gebruik heeft gemaakt van bedrieglijke praktijken of onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd om de arbeidskaart te verkrijgen;
2° de tewerkstelling van de werknemer strijdig is hetzij met de openbare orde of met de openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen;
3° (een negatieve beslissing over het recht op of de machtiging tot verblijf van zijn titularis werd genomen, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort;) <KB 2003-02-06/41, art. 10, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
4° de werknemer zich niet houdt aan de voorwaarden die aan de toekenning van de arbeidskaart verbonden zijn;
5° de arbeidsvergunning van de werkgever, door wie de werknemer wordt tewerkgesteld, wordt ingetrokken.
Art. 35. § 1er. L'autorisation d'occupation est retirée :
1° lorsque l'employeur a eu recours à des pratiques frauduleuses ou fait des déclarations inexactes ou incomplètes pour l'obtenir;
2° lorsque l'occupation est contraire, soit à l'ordre public ou à la sécurité publique, soit aux lois et règlements, soit encore aux conventions et accords internationaux en matière de recrutement et d'occupation de travailleurs étrangers;
3° lorsque l'employeur ne respecte pas les obligations légales et réglementaires relatives à l'occupation des travailleurs;
4° lorsque le travailleur n'est pas occupé aux conditions de rémunération et autres conditions de travail qui s'appliquent aux travailleurs belges;
5° lorsque l'employeur ne respecte pas les conditions auxquelles l'autorisation d'occupation a été soumise;
6° en cas de retrait du permis de travail au travailleur occupé par l'employeur.
[1 7° si l'employeur ou l'organisme d'accueil s'est vu infliger au cours de l'année précédant l'introduction de la demande des sanctions en application du chapitre VII de la loi, de la loi du 19 février 1965 relative à l'exercice, par les étrangers, des activités professionnelles indépendantes, du Code pénal social ou du décret du 27 mars 2023 relatif au contrôle et à la procédure concernant l'imposition d'amendes administratives dans le domaine de la politique de l'emploi.]1
§ 2. Le permis de travail est retiré :
1° lorsque le travailleur a eu recours à des pratiques frauduleuses ou fait des déclarations inexactes ou incomplètes pour obtenir le permis de travail;
2° lorsque l'occupation du travailleur est contraire, soit à l'ordre public ou à la sécurité publique, soit aux lois et règlements;
3° (lorsqu'une décision négative sur le droit ou l'autorisation de séjour de son titulaire, qui ne fait pas l'objet d'un recours suspensif ou n'a pas été suspendue par le juge, est intervenue;) <AR 2003-02-06/41, art. 10, 009; En vigueur : 01-04-2003>
4° lorsque le travailleur ne respecte pas les conditions auxquelles l'octroi du permis de travail a été soumis;
5° en cas de retrait de l'autorisation d'occupation de l'employeur qui occupe le travailleur.
1° lorsque l'employeur a eu recours à des pratiques frauduleuses ou fait des déclarations inexactes ou incomplètes pour l'obtenir;
2° lorsque l'occupation est contraire, soit à l'ordre public ou à la sécurité publique, soit aux lois et règlements, soit encore aux conventions et accords internationaux en matière de recrutement et d'occupation de travailleurs étrangers;
3° lorsque l'employeur ne respecte pas les obligations légales et réglementaires relatives à l'occupation des travailleurs;
4° lorsque le travailleur n'est pas occupé aux conditions de rémunération et autres conditions de travail qui s'appliquent aux travailleurs belges;
5° lorsque l'employeur ne respecte pas les conditions auxquelles l'autorisation d'occupation a été soumise;
6° en cas de retrait du permis de travail au travailleur occupé par l'employeur.
[1 7° si l'employeur ou l'organisme d'accueil s'est vu infliger au cours de l'année précédant l'introduction de la demande des sanctions en application du chapitre VII de la loi, de la loi du 19 février 1965 relative à l'exercice, par les étrangers, des activités professionnelles indépendantes, du Code pénal social ou du décret du 27 mars 2023 relatif au contrôle et à la procédure concernant l'imposition d'amendes administratives dans le domaine de la politique de l'emploi.]1
§ 2. Le permis de travail est retiré :
1° lorsque le travailleur a eu recours à des pratiques frauduleuses ou fait des déclarations inexactes ou incomplètes pour obtenir le permis de travail;
2° lorsque l'occupation du travailleur est contraire, soit à l'ordre public ou à la sécurité publique, soit aux lois et règlements;
3° (lorsqu'une décision négative sur le droit ou l'autorisation de séjour de son titulaire, qui ne fait pas l'objet d'un recours suspensif ou n'a pas été suspendue par le juge, est intervenue;) <AR 2003-02-06/41, art. 10, 009; En vigueur : 01-04-2003>
4° lorsque le travailleur ne respecte pas les conditions auxquelles l'octroi du permis de travail a été soumis;
5° en cas de retrait de l'autorisation d'occupation de l'employeur qui occupe le travailleur.
Wijzigingen
Art. 35 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. De arbeidsvergunning wordt ingetrokken, wanneer :
1° de werkgever gebruik heeft gemaakt van bedrieglijke praktijken of onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd om ze te verkrijgen [1 , de in de aanvraag vervatte documenten op bedrieglijke wijze verkregen, vervalst of gemanipuleerd werden of ernstige en eensluidende aanwijzingen op arglist, bedrog, bedrieglijke handelingen of valse informatie wijzen]1;
2° de tewerkstelling strijdig is, hetzij met de openbare orde of openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen, hetzij nog met de internationale overeenkomsten en akkoorden inzake indienstneming en tewerkstelling van werknemers van buitenlandse nationaliteit;
3° de werkgever de wettelijke en reglementaire verplichtingen betreffende de tewerkstelling van werknemers niet nakomt;
4° de werknemer niet is tewerkgesteld overeenkomstig de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die gelden voor de Belgische werknemers;
5° de werkgever zich niet houdt aan de voorwaarden die aan de arbeidsvergunning verbonden zijn;
6° de arbeidskaart van de werknemer, die door de werkgever wordt tewerkgesteld, wordt ingetrokken.
[1 7° aan de werkgever met toepassing van artikel 175, 175/1, 181 of 181/1 van het Sociaal Strafwetboek sancties werden opgelegd wegens zwartwerk en/of illegale tewerkstelling;
8° de onderneming van de werkgever overeenkomstig de insolventiewetgeving in staat van faillissement of in staat van vereffening verkeert of vereffend is, in staat van kennelijk onvermogen verkeert, een gerechtelijke reorganisatie heeft aangevraagd of geen bedrijfsactiviteit wordt uitgeoefend.]1
§ 2. De arbeidskaart wordt ingetrokken wanneer :
1° de werknemer gebruik heeft gemaakt van bedrieglijke praktijken of onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd om de arbeidskaart te verkrijgen [1 , de in de aanvraag vervatte documenten op bedrieglijke wijze verkregen, vervalst of gemanipuleerd werden of ernstige en eensluidende aanwijzingen op arglist, bedrog, bedrieglijke handelingen of valse informatie wijzen;]1;
2° de tewerkstelling van de werknemer strijdig is hetzij met de openbare orde of met de openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen;
3° (een negatieve beslissing over het recht op of de machtiging tot verblijf van zijn titularis werd genomen, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort;) <KB 2003-02-06/41, art. 10, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
4° de werknemer zich niet houdt aan de voorwaarden die aan de toekenning van de arbeidskaart verbonden zijn;
5° de arbeidsvergunning van de werkgever, door wie de werknemer wordt tewerkgesteld, wordt ingetrokken [2 ;]2
[2 6° de gecumuleerde periode van werkloosheid van de houder van een Europese blauwe kaart meer dan drie maanden bedraagt en hij sinds minder dan twee jaar houder is van een Europese blauwe kaart of de gecumuleerde periode van werkloosheid van de houder van een Europese blauwe kaart meer dan zes maanden bedraagt en hij reeds ten minste twee jaar houder is van een Europese blauwe kaart.]2
[2 Wanneer de houder van een Europese blauwe kaart in het kader van de langetermijnmobiliteit naar een andere lidstaat verhuist, wordt de Europese blauwe kaart niet ingetrokken zolang de tweede lidstaat nog niet over de aanvraag voor langetermijnmobiliteit heeft beslist, tenzij de intrekking plaatsvindt op grond van de openbare orde of de openbare veiligheid of op grond van het eerste lid, 1°.]2
§ 1. De arbeidsvergunning wordt ingetrokken, wanneer :
1° de werkgever gebruik heeft gemaakt van bedrieglijke praktijken of onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd om ze te verkrijgen [1 , de in de aanvraag vervatte documenten op bedrieglijke wijze verkregen, vervalst of gemanipuleerd werden of ernstige en eensluidende aanwijzingen op arglist, bedrog, bedrieglijke handelingen of valse informatie wijzen]1;
2° de tewerkstelling strijdig is, hetzij met de openbare orde of openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen, hetzij nog met de internationale overeenkomsten en akkoorden inzake indienstneming en tewerkstelling van werknemers van buitenlandse nationaliteit;
3° de werkgever de wettelijke en reglementaire verplichtingen betreffende de tewerkstelling van werknemers niet nakomt;
4° de werknemer niet is tewerkgesteld overeenkomstig de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die gelden voor de Belgische werknemers;
5° de werkgever zich niet houdt aan de voorwaarden die aan de arbeidsvergunning verbonden zijn;
6° de arbeidskaart van de werknemer, die door de werkgever wordt tewerkgesteld, wordt ingetrokken.
[1 7° aan de werkgever met toepassing van artikel 175, 175/1, 181 of 181/1 van het Sociaal Strafwetboek sancties werden opgelegd wegens zwartwerk en/of illegale tewerkstelling;
8° de onderneming van de werkgever overeenkomstig de insolventiewetgeving in staat van faillissement of in staat van vereffening verkeert of vereffend is, in staat van kennelijk onvermogen verkeert, een gerechtelijke reorganisatie heeft aangevraagd of geen bedrijfsactiviteit wordt uitgeoefend.]1
§ 2. De arbeidskaart wordt ingetrokken wanneer :
1° de werknemer gebruik heeft gemaakt van bedrieglijke praktijken of onjuiste of onvolledige verklaringen heeft afgelegd om de arbeidskaart te verkrijgen [1 , de in de aanvraag vervatte documenten op bedrieglijke wijze verkregen, vervalst of gemanipuleerd werden of ernstige en eensluidende aanwijzingen op arglist, bedrog, bedrieglijke handelingen of valse informatie wijzen;]1;
2° de tewerkstelling van de werknemer strijdig is hetzij met de openbare orde of met de openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen;
3° (een negatieve beslissing over het recht op of de machtiging tot verblijf van zijn titularis werd genomen, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort;) <KB 2003-02-06/41, art. 10, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
4° de werknemer zich niet houdt aan de voorwaarden die aan de toekenning van de arbeidskaart verbonden zijn;
5° de arbeidsvergunning van de werkgever, door wie de werknemer wordt tewerkgesteld, wordt ingetrokken [2 ;]2
[2 6° de gecumuleerde periode van werkloosheid van de houder van een Europese blauwe kaart meer dan drie maanden bedraagt en hij sinds minder dan twee jaar houder is van een Europese blauwe kaart of de gecumuleerde periode van werkloosheid van de houder van een Europese blauwe kaart meer dan zes maanden bedraagt en hij reeds ten minste twee jaar houder is van een Europese blauwe kaart.]2
[2 Wanneer de houder van een Europese blauwe kaart in het kader van de langetermijnmobiliteit naar een andere lidstaat verhuist, wordt de Europese blauwe kaart niet ingetrokken zolang de tweede lidstaat nog niet over de aanvraag voor langetermijnmobiliteit heeft beslist, tenzij de intrekking plaatsvindt op grond van de openbare orde of de openbare veiligheid of op grond van het eerste lid, 1°.]2
Art. 35 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. L'autorisation d'occupation est retirée :
1° lorsque l'employeur a eu recours à des pratiques frauduleuses ou fait des déclarations inexactes ou incomplètes pour l'obtenir [1 qu'il a acquis, falsifié ou manipulé frauduleusement les documents contenus dans la demande ou qu'il existe des indices sérieux et concordants de fraude, de dol, de manoeuvres frauduleuses ou de fausses informations]1;
2° lorsque l'occupation est contraire, soit à l'ordre public ou à la sécurité publique, soit aux lois et règlements, soit encore aux conventions et accords internationaux en matière de recrutement et d'occupation de travailleurs étrangers;
3° lorsque l'employeur ne respecte pas les obligations légales et réglementaires relatives à l'occupation des travailleurs;
4° lorsque le travailleur n'est pas occupé aux conditions de rémunération et autres conditions de travail qui s'appliquent aux travailleurs belges;
5° lorsque l'employeur ne respecte pas les conditions auxquelles l'autorisation d'occupation a été soumise;
6° en cas de retrait du permis de travail au travailleur occupé par l'employeur [2 ;]2
[1 7° si l'employeur s'est vu infliger des sanctions en application des articles 175, 175/1, 181 ou 181/1 du Code pénal social en raison de travail au noir et/ou d'occupation illégale;
8° si l'entreprise de l'employeur est en faillite ou en cours de liquidation ou a été liquidée conformément à la législation relative à l'insolvabilité, est en état d'insolvabilité manifeste, a demandé un redressement judiciaire ou n'exerce aucune activité commerciale.]1
§ 2. Le permis de travail est retiré :
1° lorsque le travailleur a eu recours à des pratiques frauduleuses ou fait des déclarations inexactes ou incomplètes pour obtenir le permis de travail [1 qu'il a acquis, falsifié ou manipulé frauduleusement les documents contenus dans la demande ou qu'il existe des indices sérieux et concordants de fraude, de dol, de manoeuvres frauduleuses ou de fausses informations]1;
2° lorsque l'occupation du travailleur est contraire, soit à l'ordre public ou à la sécurité publique, soit aux lois et règlements;
3° (lorsqu'une décision négative sur le droit ou l'autorisation de séjour de son titulaire, qui ne fait pas l'objet d'un recours suspensif ou n'a pas été suspendue par le juge, est intervenue;) <AR 2003-02-06/41, art. 10, 009; En vigueur : 01-04-2003>
4° lorsque le travailleur ne respecte pas les conditions auxquelles l'octroi du permis de travail a été soumis;
5° en cas de retrait de l'autorisation d'occupation de l'employeur qui occupe le travailleur [3 ;]3
[2 6° si le titulaire de la carte bleue européenne cumule une période de chômage supérieure à trois mois et possède la carte bleue européenne depuis moins de deux ans ou si le titulaire de la carte bleue européenne cumule une période de chômage supérieure à six mois et possède la carte bleue européenne depuis au moins deux ans.]2
[2 Si le titulaire d'une carte bleue européenne se rend dans un autre Etat membre dans le cadre d'une mobilité de longue durée, sa carte bleue européenne ne fait pas l'objet d'un retrait avant que le deuxième Etat membre n'ait statué sur la demande de mobilité de longue durée, à moins qu'il ne soit procédé au retrait pour des raisons d'ordre public ou, selon le cas, de sécurité publique ou sur la base de l'alinéa 1er, 1°.]2
§ 1er. L'autorisation d'occupation est retirée :
1° lorsque l'employeur a eu recours à des pratiques frauduleuses ou fait des déclarations inexactes ou incomplètes pour l'obtenir [1 qu'il a acquis, falsifié ou manipulé frauduleusement les documents contenus dans la demande ou qu'il existe des indices sérieux et concordants de fraude, de dol, de manoeuvres frauduleuses ou de fausses informations]1;
2° lorsque l'occupation est contraire, soit à l'ordre public ou à la sécurité publique, soit aux lois et règlements, soit encore aux conventions et accords internationaux en matière de recrutement et d'occupation de travailleurs étrangers;
3° lorsque l'employeur ne respecte pas les obligations légales et réglementaires relatives à l'occupation des travailleurs;
4° lorsque le travailleur n'est pas occupé aux conditions de rémunération et autres conditions de travail qui s'appliquent aux travailleurs belges;
5° lorsque l'employeur ne respecte pas les conditions auxquelles l'autorisation d'occupation a été soumise;
6° en cas de retrait du permis de travail au travailleur occupé par l'employeur [2 ;]2
[1 7° si l'employeur s'est vu infliger des sanctions en application des articles 175, 175/1, 181 ou 181/1 du Code pénal social en raison de travail au noir et/ou d'occupation illégale;
8° si l'entreprise de l'employeur est en faillite ou en cours de liquidation ou a été liquidée conformément à la législation relative à l'insolvabilité, est en état d'insolvabilité manifeste, a demandé un redressement judiciaire ou n'exerce aucune activité commerciale.]1
§ 2. Le permis de travail est retiré :
1° lorsque le travailleur a eu recours à des pratiques frauduleuses ou fait des déclarations inexactes ou incomplètes pour obtenir le permis de travail [1 qu'il a acquis, falsifié ou manipulé frauduleusement les documents contenus dans la demande ou qu'il existe des indices sérieux et concordants de fraude, de dol, de manoeuvres frauduleuses ou de fausses informations]1;
2° lorsque l'occupation du travailleur est contraire, soit à l'ordre public ou à la sécurité publique, soit aux lois et règlements;
3° (lorsqu'une décision négative sur le droit ou l'autorisation de séjour de son titulaire, qui ne fait pas l'objet d'un recours suspensif ou n'a pas été suspendue par le juge, est intervenue;) <AR 2003-02-06/41, art. 10, 009; En vigueur : 01-04-2003>
4° lorsque le travailleur ne respecte pas les conditions auxquelles l'octroi du permis de travail a été soumis;
5° en cas de retrait de l'autorisation d'occupation de l'employeur qui occupe le travailleur [3 ;]3
[2 6° si le titulaire de la carte bleue européenne cumule une période de chômage supérieure à trois mois et possède la carte bleue européenne depuis moins de deux ans ou si le titulaire de la carte bleue européenne cumule une période de chômage supérieure à six mois et possède la carte bleue européenne depuis au moins deux ans.]2
[2 Si le titulaire d'une carte bleue européenne se rend dans un autre Etat membre dans le cadre d'une mobilité de longue durée, sa carte bleue européenne ne fait pas l'objet d'un retrait avant que le deuxième Etat membre n'ait statué sur la demande de mobilité de longue durée, à moins qu'il ne soit procédé au retrait pour des raisons d'ordre public ou, selon le cas, de sécurité publique ou sur la base de l'alinéa 1er, 1°.]2
Art. 35_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. § 1. De arbeidsvergunning wordt ingetrokken, wanneer :
1° [1 a) de werkgever gebruik heeft gemaakt van bedrieglijke praktijken, of indien gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens uit gekende feiten voortvloeien die arglist of bedrog aantonen;
b) uit bekende feiten gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens voortvloeien die arglist of bedrog aantonen]1
[1 1° bis indien er geen economische of maatschappelijke activiteiten plaatsvinden, de werkgever in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen verkeert, het voorwerp uitmaakt van een procedure tot faillietverklaring, of een gerechtelijke reorganisatie heeft aangevraagd of verkregen;]1
2° de tewerkstelling strijdig is, hetzij met de openbare orde of openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen, hetzij nog met de internationale overeenkomsten en akkoorden inzake indienstneming en tewerkstelling van werknemers van buitenlandse nationaliteit;
3° de werkgever de wettelijke en reglementaire verplichtingen betreffende de tewerkstelling van werknemers niet nakomt;
[1 3° bis een definitieve sanctie was uitgesproken tegen de werkgever op grond van artikel 12, § 1 of § 2, 1° of 2°, of § 3 of § 4 van de wet, of op grond van artikel 175 van het Sociaal Strafwetboek;]1
4° de werknemer niet is tewerkgesteld overeenkomstig de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die gelden voor de Belgische werknemers;
5° de werkgever zich niet houdt aan de voorwaarden die aan de arbeidsvergunning verbonden zijn;
6° de arbeidskaart van de werknemer, die door de werkgever wordt tewerkgesteld, wordt ingetrokken.
§ 2. De arbeidskaart wordt ingetrokken wanneer :
1° [1 de werknemer bij een aanvraag gebruik heeft gemaakt van bedrieglijke praktijken, of indien gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens uit gekende feiten voortvloeien die arglist of bedrog aantonen;]1
2° de tewerkstelling van de werknemer strijdig is hetzij met de openbare orde of met de openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen;
3° (een negatieve beslissing over het recht op of de machtiging tot verblijf van zijn titularis werd genomen, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort;) <KB 2003-02-06/41, art. 10, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
4° de werknemer zich niet houdt aan de voorwaarden die aan de toekenning van de arbeidskaart verbonden zijn;
5° de arbeidsvergunning van de werkgever, door wie de werknemer wordt tewerkgesteld, wordt ingetrokken.
1° [1 a) de werkgever gebruik heeft gemaakt van bedrieglijke praktijken, of indien gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens uit gekende feiten voortvloeien die arglist of bedrog aantonen;
b) uit bekende feiten gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens voortvloeien die arglist of bedrog aantonen]1
[1 1° bis indien er geen economische of maatschappelijke activiteiten plaatsvinden, de werkgever in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen verkeert, het voorwerp uitmaakt van een procedure tot faillietverklaring, of een gerechtelijke reorganisatie heeft aangevraagd of verkregen;]1
2° de tewerkstelling strijdig is, hetzij met de openbare orde of openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen, hetzij nog met de internationale overeenkomsten en akkoorden inzake indienstneming en tewerkstelling van werknemers van buitenlandse nationaliteit;
3° de werkgever de wettelijke en reglementaire verplichtingen betreffende de tewerkstelling van werknemers niet nakomt;
[1 3° bis een definitieve sanctie was uitgesproken tegen de werkgever op grond van artikel 12, § 1 of § 2, 1° of 2°, of § 3 of § 4 van de wet, of op grond van artikel 175 van het Sociaal Strafwetboek;]1
4° de werknemer niet is tewerkgesteld overeenkomstig de loon- en andere arbeidsvoorwaarden die gelden voor de Belgische werknemers;
5° de werkgever zich niet houdt aan de voorwaarden die aan de arbeidsvergunning verbonden zijn;
6° de arbeidskaart van de werknemer, die door de werkgever wordt tewerkgesteld, wordt ingetrokken.
§ 2. De arbeidskaart wordt ingetrokken wanneer :
1° [1 de werknemer bij een aanvraag gebruik heeft gemaakt van bedrieglijke praktijken, of indien gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens uit gekende feiten voortvloeien die arglist of bedrog aantonen;]1
2° de tewerkstelling van de werknemer strijdig is hetzij met de openbare orde of met de openbare veiligheid, hetzij met de wetten en reglementen;
3° (een negatieve beslissing over het recht op of de machtiging tot verblijf van zijn titularis werd genomen, die niet het voorwerp is van een opschortend beroep of die niet door de rechter werd opgeschort;) <KB 2003-02-06/41, art. 10, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
4° de werknemer zich niet houdt aan de voorwaarden die aan de toekenning van de arbeidskaart verbonden zijn;
5° de arbeidsvergunning van de werkgever, door wie de werknemer wordt tewerkgesteld, wordt ingetrokken.
Art. 35 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
§ 1er. L'autorisation d'occupation est retirée :
1° [1 a) lorsque l'employeur a eu recours à des pratiques frauduleuses, ou fait des déclarations incomplètes, inexactes ou falsifiées, ou a fourni des données obtenues par des moyens frauduleux, ou a apporté illégitimement des altérations;
b) lorsque des présomptions graves, précises et concordantes découlent de faits connus, démontrant la fraude ou le dol;]1
[1 1° bis lorsque l'absence d'activités économiques ou sociales a été constatée, ou lorsque l'employeur se trouve en état de faillite ou d'insolvabilité notoire, fait l'objet d'une procédure de déclaration de faillite, ou a demandé ou obtenu une réorganisation judiciaire;]1
2° lorsque l'occupation est contraire, soit à l'ordre public ou à la sécurité publique, soit aux lois et règlements, soit encore aux conventions et accords internationaux en matière de recrutement et d'occupation de travailleurs étrangers;
3° lorsque l'employeur ne respecte pas les obligations légales et réglementaires relatives à l'occupation des travailleurs;
[1 3° bis une sanction définitive a été prononcée à l'encontre de l'employeur en vertu de l'article 12, paragraphe premier ou deuxième paragraphe, 1° ou 2°, ou troisième paragraphe ou quatrième paragraphe de la loi, ou en vertu de l'article 175 du Code pénal social;]1
4° lorsque le travailleur n'est pas occupé aux conditions de rémunération et autres conditions de travail qui s'appliquent aux travailleurs belges;
5° lorsque l'employeur ne respecte pas les conditions auxquelles l'autorisation d'occupation a été soumise;
6° en cas de retrait du permis de travail au travailleur occupé par l'employeur.
§ 2. Le permis de travail est retiré :
1° [1 lorsque le travailleur, à l'occasion d'une demande, a eu recours à des pratiques frauduleuses, ou fait des déclarations incomplètes, inexactes ou falsifiées, ou a fourni des données obtenues par des moyens frauduleux, ou a apporté illégitimement des altérations;]1
2° lorsque l'occupation du travailleur est contraire, soit à l'ordre public ou à la sécurité publique, soit aux lois et règlements;
3° (lorsqu'une décision négative sur le droit ou l'autorisation de séjour de son titulaire, qui ne fait pas l'objet d'un recours suspensif ou n'a pas été suspendue par le juge, est intervenue;) <AR 2003-02-06/41, art. 10, 009; En vigueur : 01-04-2003>
4° lorsque le travailleur ne respecte pas les conditions auxquelles l'octroi du permis de travail a été soumis;
5° en cas de retrait de l'autorisation d'occupation de l'employeur qui occupe le travailleur.
§ 1er. L'autorisation d'occupation est retirée :
1° [1 a) lorsque l'employeur a eu recours à des pratiques frauduleuses, ou fait des déclarations incomplètes, inexactes ou falsifiées, ou a fourni des données obtenues par des moyens frauduleux, ou a apporté illégitimement des altérations;
b) lorsque des présomptions graves, précises et concordantes découlent de faits connus, démontrant la fraude ou le dol;]1
[1 1° bis lorsque l'absence d'activités économiques ou sociales a été constatée, ou lorsque l'employeur se trouve en état de faillite ou d'insolvabilité notoire, fait l'objet d'une procédure de déclaration de faillite, ou a demandé ou obtenu une réorganisation judiciaire;]1
2° lorsque l'occupation est contraire, soit à l'ordre public ou à la sécurité publique, soit aux lois et règlements, soit encore aux conventions et accords internationaux en matière de recrutement et d'occupation de travailleurs étrangers;
3° lorsque l'employeur ne respecte pas les obligations légales et réglementaires relatives à l'occupation des travailleurs;
[1 3° bis une sanction définitive a été prononcée à l'encontre de l'employeur en vertu de l'article 12, paragraphe premier ou deuxième paragraphe, 1° ou 2°, ou troisième paragraphe ou quatrième paragraphe de la loi, ou en vertu de l'article 175 du Code pénal social;]1
4° lorsque le travailleur n'est pas occupé aux conditions de rémunération et autres conditions de travail qui s'appliquent aux travailleurs belges;
5° lorsque l'employeur ne respecte pas les conditions auxquelles l'autorisation d'occupation a été soumise;
6° en cas de retrait du permis de travail au travailleur occupé par l'employeur.
§ 2. Le permis de travail est retiré :
1° [1 lorsque le travailleur, à l'occasion d'une demande, a eu recours à des pratiques frauduleuses, ou fait des déclarations incomplètes, inexactes ou falsifiées, ou a fourni des données obtenues par des moyens frauduleux, ou a apporté illégitimement des altérations;]1
2° lorsque l'occupation du travailleur est contraire, soit à l'ordre public ou à la sécurité publique, soit aux lois et règlements;
3° (lorsqu'une décision négative sur le droit ou l'autorisation de séjour de son titulaire, qui ne fait pas l'objet d'un recours suspensif ou n'a pas été suspendue par le juge, est intervenue;) <AR 2003-02-06/41, art. 10, 009; En vigueur : 01-04-2003>
4° lorsque le travailleur ne respecte pas les conditions auxquelles l'octroi du permis de travail a été soumis;
5° en cas de retrait de l'autorisation d'occupation de l'employeur qui occupe le travailleur.
Wijzigingen
HOOFDSTUK IX. - Toezicht.
CHAPITRE IX. - Surveillance.
Art. 36. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, worden belast met het toezicht op de naleving van de wet en de uitvoeringsbesluiten ervan :
1° de sociaal bemiddelaars van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
2° de inspecteurs van de Administratie van de Werkgelegenheid van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
3° de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Administratie van de Arbeidsbetrekkingen en -reglementering van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
4° de ingenieurs, de industrieel- en technische ingenieurs en de technische controleurs van de Technische Inspectie van de Administratie van de Arbeidsveiligheid van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
5° de geneesheren-arbeidsinspecteurs en de bezoekers-arbeidshygiëne van de Medische Inspectie van de Administratie van Arbeidshygiëne en -geneeskunde van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
6° [1 ...]1
7° de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
8° de hoofdcontroleurs, de controleurs en de adjunct-controleurs van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, alsmede de eerstaanwezend inspecteurs-hoofd van dienst, de eerstaanwezend inspecteurs, de inspecteurs, de eerstaanwezend adjunct-inspecteurs, de adjunct-inspecteurs 2e klasse en de adjunct-inspecteurs 1e klasse van de Algemene Inspectie van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
9° de inspecteurs van het Ministerie van Middenstand;
10° de ambtenaren van de fiscale administraties;
11° de ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken;
12° de politieambtenaren van de rijkswacht;
13° de politieambtenaren van de gemeentepolitie.
1° de sociaal bemiddelaars van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
2° de inspecteurs van de Administratie van de Werkgelegenheid van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
3° de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Administratie van de Arbeidsbetrekkingen en -reglementering van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
4° de ingenieurs, de industrieel- en technische ingenieurs en de technische controleurs van de Technische Inspectie van de Administratie van de Arbeidsveiligheid van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
5° de geneesheren-arbeidsinspecteurs en de bezoekers-arbeidshygiëne van de Medische Inspectie van de Administratie van Arbeidshygiëne en -geneeskunde van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid;
6° [1 ...]1
7° de inspecteurs en adjunct-inspecteurs van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
8° de hoofdcontroleurs, de controleurs en de adjunct-controleurs van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, alsmede de eerstaanwezend inspecteurs-hoofd van dienst, de eerstaanwezend inspecteurs, de inspecteurs, de eerstaanwezend adjunct-inspecteurs, de adjunct-inspecteurs 2e klasse en de adjunct-inspecteurs 1e klasse van de Algemene Inspectie van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
9° de inspecteurs van het Ministerie van Middenstand;
10° de ambtenaren van de fiscale administraties;
11° de ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken;
12° de politieambtenaren van de rijkswacht;
13° de politieambtenaren van de gemeentepolitie.
Art. 36. Sans préjudice des attributions des officiers de police judiciaire, sont chargés de surveiller le respect de la loi et de ses arrêtés d'exécution :
1° les conciliateurs sociaux du Ministère de l'Emploi et du Travail;
2° les inspecteurs de l'Administration de l'Emploi du Ministère de l'Emploi et du Travail;
3° les inspecteurs et inspecteurs-adjoints de l'Administration de la réglementation et des relations du travail du Ministère de l'Emploi et du Travail;
4° les ingénieurs, les ingénieurs industriels et techniciens et les contrôleurs techniques de l'Inspection technique de l'Administration de la sécurité du travail du Ministère de l'Emploi et du Travail;
5° les médecins-inspecteurs et les visiteurs d'hygiène du travail de l'Inspection médicale de l'Administration de l'hygiène et de la médecine de Travail du Ministère de l'Emploi et du Travail;
6° [1 ...]1
7° les inspecteurs et les inspecteurs-adjoints de l'Office national de sécurité sociale;
8° les contrôleurs en chef, les contrôleurs et les controleurs-adjoints de l'Office national de l'Emploi, ainsi que les inspecteurs principaux-chefs de service, les inspecteurs principaux, les inspecteurs, les inspecteurs-adjoints principaux, les inspecteurs-adjoints de 2e classe et les inspecteurs-adjoints de 1 classe de l'Inspection générale de l'Office national de l'Emploi;
9° les inspecteurs du Ministère des Classes moyennes;
10° les fonctionnaires des administrations fiscales;
11° les fonctionnaires de l'Office des Etrangers;
12° les fonctionnaires de police de la gendarmerie;
13° les fonctionnaires de la police communale.
1° les conciliateurs sociaux du Ministère de l'Emploi et du Travail;
2° les inspecteurs de l'Administration de l'Emploi du Ministère de l'Emploi et du Travail;
3° les inspecteurs et inspecteurs-adjoints de l'Administration de la réglementation et des relations du travail du Ministère de l'Emploi et du Travail;
4° les ingénieurs, les ingénieurs industriels et techniciens et les contrôleurs techniques de l'Inspection technique de l'Administration de la sécurité du travail du Ministère de l'Emploi et du Travail;
5° les médecins-inspecteurs et les visiteurs d'hygiène du travail de l'Inspection médicale de l'Administration de l'hygiène et de la médecine de Travail du Ministère de l'Emploi et du Travail;
6° [1 ...]1
7° les inspecteurs et les inspecteurs-adjoints de l'Office national de sécurité sociale;
8° les contrôleurs en chef, les contrôleurs et les controleurs-adjoints de l'Office national de l'Emploi, ainsi que les inspecteurs principaux-chefs de service, les inspecteurs principaux, les inspecteurs, les inspecteurs-adjoints principaux, les inspecteurs-adjoints de 2e classe et les inspecteurs-adjoints de 1 classe de l'Inspection générale de l'Office national de l'Emploi;
9° les inspecteurs du Ministère des Classes moyennes;
10° les fonctionnaires des administrations fiscales;
11° les fonctionnaires de l'Office des Etrangers;
12° les fonctionnaires de police de la gendarmerie;
13° les fonctionnaires de la police communale.
Wijzigingen
Art. 36.1 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 In verband met de personen vermeld in artikel 9, eerste lid, 4°, 6°, 7° [2 ,21° en 22°,]2 met uitzondering van de stagiair-werknemers-ICT, gaat het departement jaarlijks de volgende documenten na:
"1° een kopie van de loonfiches of van de individuele rekening voor de periode van de lopende toelating tot arbeid, alsook de betalingsbewijzen ervan;
2° als het gaat om een detachering in het kader van titel IV, hoofdstuk 8, van de programmawet (I) van 27 december 2006: het bewijs van inschrijving in het Limosakadaster.
Als het departement de documenten vermeld in het eerste lid niet via de respectieve authentieke bron kan raadplegen, maant het departement de werkgever aan om die documenten over te zenden.]1
[1 In verband met de personen vermeld in artikel 9, eerste lid, 4°, 6°, 7° [2 ,21° en 22°,]2 met uitzondering van de stagiair-werknemers-ICT, gaat het departement jaarlijks de volgende documenten na:
"1° een kopie van de loonfiches of van de individuele rekening voor de periode van de lopende toelating tot arbeid, alsook de betalingsbewijzen ervan;
2° als het gaat om een detachering in het kader van titel IV, hoofdstuk 8, van de programmawet (I) van 27 december 2006: het bewijs van inschrijving in het Limosakadaster.
Als het departement de documenten vermeld in het eerste lid niet via de respectieve authentieke bron kan raadplegen, maant het departement de werkgever aan om die documenten over te zenden.]1
Art. 36.1 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Concernant les personnes mentionnées à l'article 9, alinéa 1er, 4°, 6°, 7° [2 , 21° et 22°]2, à l'exception des employés stagiaires ICT, le département examine chaque année les documents suivants :
1° une copie des fiches de paie ou du compte salarial individuel pour la période de l'autorisation de travail en cours, ainsi que les justificatifs de paiement y relatifs;
2° si la demande concerne un détachement dans le cadre du titre IV, chapitre 8, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006, la preuve d'inscription au cadastre Limosa.
Si le département n'est pas en mesure d'obtenir de la source authentique les documents énumérés à l'alinéa 1er, il demande à l'employeur de les lui communiquer.]1
[1 Concernant les personnes mentionnées à l'article 9, alinéa 1er, 4°, 6°, 7° [2 , 21° et 22°]2, à l'exception des employés stagiaires ICT, le département examine chaque année les documents suivants :
1° une copie des fiches de paie ou du compte salarial individuel pour la période de l'autorisation de travail en cours, ainsi que les justificatifs de paiement y relatifs;
2° si la demande concerne un détachement dans le cadre du titre IV, chapitre 8, de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006, la preuve d'inscription au cadastre Limosa.
Si le département n'est pas en mesure d'obtenir de la source authentique les documents énumérés à l'alinéa 1er, il demande à l'employeur de les lui communiquer.]1
Art. 36/2_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De werkgever die een werknemer bedoeld in artikel 9, eerste lid, 1°, 2°, 3°, 6° of 7° arbeid laat verrichten, meldt, elk jaar, aan de bevoegde overheid, uiterlijk één maand na de verjaardatum van de aflevering van de arbeidsvergunning, de volgende documenten:
1° een kopij van de loonfiches of salarisafrekening voor de gehele periode van de arbeidsvergunning;
2° een kopij van de individuele rekening;
3° indien het een detachering zoals bedoeld in hoofdstuk 8 van titel IV van de programmawet (I) van 27 december 2006 betreft, het inschrijvingsbewijs in het Limosakadaster;
4° indien het een detachering betreft, een kopie van het document, afgeleverd door de buitenlandse instelling, dat verklaart dat de socialezekerheidswetgeving van dat land van toepassing blijft tijdens de tewerkstelling op het Belgische grondgebied als er een internationale overeenkomst over sociale zekerheid bestaat, of, als een internationale overeenkomst daarover ontbreekt, een document van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat verklaart dat de werknemer niet onderworpen kan zijn aan de Belgische socialezekerheidsregeling.]1
1° een kopij van de loonfiches of salarisafrekening voor de gehele periode van de arbeidsvergunning;
2° een kopij van de individuele rekening;
3° indien het een detachering zoals bedoeld in hoofdstuk 8 van titel IV van de programmawet (I) van 27 december 2006 betreft, het inschrijvingsbewijs in het Limosakadaster;
4° indien het een detachering betreft, een kopie van het document, afgeleverd door de buitenlandse instelling, dat verklaart dat de socialezekerheidswetgeving van dat land van toepassing blijft tijdens de tewerkstelling op het Belgische grondgebied als er een internationale overeenkomst over sociale zekerheid bestaat, of, als een internationale overeenkomst daarover ontbreekt, een document van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat verklaart dat de werknemer niet onderworpen kan zijn aan de Belgische socialezekerheidsregeling.]1
Art. 36/2 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 L'employeur qui occupe un travailleur visé à l'article 9, alinéa 1er, 1°, 2°, 3°, 6° ou 7° communique à l'autorité compétente chaque année, au plus tard un mois après la date d'anniversaire de la délivrance de l'autorisation de travail, les documents suivants :
1° la copie des fiches de paie ou décomptes de paie pour toute la période de l'autorisation de travail;
2° la copie du compte individuel;
3° s'il s'agit un détachement visé au chapitre 8 du titre IV de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006, la preuve d'inscription au cadastre Limosa;
4° s'il s'agit d'un détachement, une copie du document délivré par l'institution étrangère attestant que la législation relative à la sécurité sociale de ce pays continue à s'appliquer pendant l'occupation sur le territoire belge lorsqu'un accord international relatif à la sécurité sociale existe, ou, en l'absence d'un tel accord international, un document du Service public fédéral Sécurité Sociale attestant que le travailleur ne peut être assujetti au régime belge de sécurité sociale.]1
[1 L'employeur qui occupe un travailleur visé à l'article 9, alinéa 1er, 1°, 2°, 3°, 6° ou 7° communique à l'autorité compétente chaque année, au plus tard un mois après la date d'anniversaire de la délivrance de l'autorisation de travail, les documents suivants :
1° la copie des fiches de paie ou décomptes de paie pour toute la période de l'autorisation de travail;
2° la copie du compte individuel;
3° s'il s'agit un détachement visé au chapitre 8 du titre IV de la loi-programme (I) du 27 décembre 2006, la preuve d'inscription au cadastre Limosa;
4° s'il s'agit d'un détachement, une copie du document délivré par l'institution étrangère attestant que la législation relative à la sécurité sociale de ce pays continue à s'appliquer pendant l'occupation sur le territoire belge lorsqu'un accord international relatif à la sécurité sociale existe, ou, en l'absence d'un tel accord international, un document du Service public fédéral Sécurité Sociale attestant que le travailleur ne peut être assujetti au régime belge de sécurité sociale.]1
HOOFDSTUK X. - Slachtoffers van de mensenhandel. (opgeheven)
CHAPITRE X. - Victimes de la traite des êtres humains. (abrogé)
Art. 37. (opgeheven) <KB 2003-02-06/41, art. 11, 009; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
Art. 37. (abrogé) <AR 2003-02-06/41, art. 11, 009; En vigueur : 01-04-2003>
Art. 37_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [2 De bezoldigingsbedragen bepaald in artikel 2, eerste lid, 33°, in artikel 9, eerste lid, 6°, 7° en 15° worden elk jaar aangepast op 1 januari aan de index van de conventionele lonen voor bedienden van het derde trimester (basis [4 2010]4=100) overeenkomstig de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de aanvangsindex. Het resultaat wordt afgerond tot de euro.
Voor de toepassing van het eerste lid moet worden verstaan onder :
1° index van de conventionele lonen voor bedienden, de index vastgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van de berekening van het gemiddelde van de wedde van de volwassen bedienden van de privésector zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
2° basisbedragen : bedragen van kracht op 1 januari 2014;
3° nieuwe index : index van het derde trimester met als basis [4 2010]4=100 van het jaar dat voorafgaat aan de indexering;
4° aanvangsindex : index van het derde trimester [4 2013]4 met als basis [4 2010]4=100.]2
Voor de toepassing van het eerste lid moet worden verstaan onder :
1° index van de conventionele lonen voor bedienden, de index vastgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van de berekening van het gemiddelde van de wedde van de volwassen bedienden van de privésector zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
2° basisbedragen : bedragen van kracht op 1 januari 2014;
3° nieuwe index : index van het derde trimester met als basis [4 2010]4=100 van het jaar dat voorafgaat aan de indexering;
4° aanvangsindex : index van het derde trimester [4 2013]4 met als basis [4 2010]4=100.]2
Art. 37 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[2 Les montants de rémunération prévus à l'article 2, alinéa 1er, 33°, à l'article 9, alinéa 1er, 6°, 7° et 15° sont adaptés chaque année, le 1er janvier à l'indice des salaires conventionnels pour employés du troisième trimestre (base [4 2010]4=100) conformément à la formule suivante : le nouveau montant est égal au montant de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ. Le résultat est arrondi à l'euro.
Pour l'application de l'alinéa 1er, il faut entendre par :
1° indice des salaires conventionnels pour employés, l'indice établi par le SPF Emploi, Travail et Concertation sociale sur base du calcul de la moyenne du traitement des employés adultes du secteur privé tel qu'il est fixé par convention collective de travail;
2° montants de base : montants en vigueur au 1er janvier 2014;
3° nouvel indice : indice du troisième trimestre en base [4 2010]4=100 de l'année précédant l'indexation;
4° indice de départ : indice du troisième trimestre [4 2013]4 en base [4 2010]4=100.]2
[2 Les montants de rémunération prévus à l'article 2, alinéa 1er, 33°, à l'article 9, alinéa 1er, 6°, 7° et 15° sont adaptés chaque année, le 1er janvier à l'indice des salaires conventionnels pour employés du troisième trimestre (base [4 2010]4=100) conformément à la formule suivante : le nouveau montant est égal au montant de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ. Le résultat est arrondi à l'euro.
Pour l'application de l'alinéa 1er, il faut entendre par :
1° indice des salaires conventionnels pour employés, l'indice établi par le SPF Emploi, Travail et Concertation sociale sur base du calcul de la moyenne du traitement des employés adultes du secteur privé tel qu'il est fixé par convention collective de travail;
2° montants de base : montants en vigueur au 1er janvier 2014;
3° nouvel indice : indice du troisième trimestre en base [4 2010]4=100 de l'année précédant l'indexation;
4° indice de départ : indice du troisième trimestre [4 2013]4 en base [4 2010]4=100.]2
Art. 37_VLAAMS_GEWEST. [3 De bezoldigingsbedragen, vermeld in artikel 2, eerste lid, 33°, en artikel 9, eerste lid, 6°, 7°, en 15°, worden elk jaar aangepast op 1 januari aan de index van de conventionele lonen voor bedienden van het derde trimester (basis 2010=100) overeenkomstig de formule: het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de aanvangsindex. Het resultaat wordt afgerond op de euro.
In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° index van de conventionele lonen voor bedienden: de index vastgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van de berekening van het gemiddelde van de wedde van de volwassen bedienden van de privésector, zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
2° basisbedragen: de bedragen van kracht op 1 januari 2014;
3° nieuwe index: de index van het derde trimester met als basis 2010=100 van het jaar dat voorafgaat aan de indexering;
4° aanvangsindex: de index van het derde trimester 2013 met als basis 2010=100.]3
In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° index van de conventionele lonen voor bedienden: de index vastgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van de berekening van het gemiddelde van de wedde van de volwassen bedienden van de privésector, zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
2° basisbedragen: de bedragen van kracht op 1 januari 2014;
3° nieuwe index: de index van het derde trimester met als basis 2010=100 van het jaar dat voorafgaat aan de indexering;
4° aanvangsindex: de index van het derde trimester 2013 met als basis 2010=100.]3
Art. 37 _REGION_FLAMANDE.
[3 Les montants de rémunération prévus aux articles 2, alinéa premier, 33°, 9, alinéa premier, 6°, 7° et 15°, sont annuellement adaptés au premier janvier à l'indice des salaires conventionnels pour employés du troisième trimestre (base 2010=100) conformément à la formule : le nouveau montant est égal au montant de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ. Le résultat est arrondi à l'euro.
Pour l'application de l'alinéa premier, il faut entendre par :
1° indice des salaires conventionnels pour employés : l'indice établi par le SPF Emploi, Travail et Concertation sociale sur base du calcul de la moyenne du traitement des employés adultes du secteur privé tel qu'il est fixé par convention collective de travail ;
2° montants de base: les montants en vigueur au 1er janvier 2014 ;
3° nouvel indice : l'indice du troisième trimestre en base 2010 = 100 de l'année précédant l'indexation ;
4° indice de départ : l'indice du troisième trimestre 2014 en base 2010 = 100.]3
[3 Les montants de rémunération prévus aux articles 2, alinéa premier, 33°, 9, alinéa premier, 6°, 7° et 15°, sont annuellement adaptés au premier janvier à l'indice des salaires conventionnels pour employés du troisième trimestre (base 2010=100) conformément à la formule : le nouveau montant est égal au montant de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ. Le résultat est arrondi à l'euro.
Pour l'application de l'alinéa premier, il faut entendre par :
1° indice des salaires conventionnels pour employés : l'indice établi par le SPF Emploi, Travail et Concertation sociale sur base du calcul de la moyenne du traitement des employés adultes du secteur privé tel qu'il est fixé par convention collective de travail ;
2° montants de base: les montants en vigueur au 1er janvier 2014 ;
3° nouvel indice : l'indice du troisième trimestre en base 2010 = 100 de l'année précédant l'indexation ;
4° indice de départ : l'indice du troisième trimestre 2014 en base 2010 = 100.]3
Wijzigingen
Art. 37/1 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 [3 De bedragen van de lonen vermeld [4 in artikel 30.7]4 worden" en worden de woorden "en gedeeld door de omrekeningscoëfficiënt]3 wordt elk jaar op 1 januari aangepast aan het indexcijfer van de conventionele lonen voor bedienden voor het derde trimester (basis 2010 = 100) overeenkomstig de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door de omrekeningscoëfficiënt. Het resultaat wordt afgerond naar de gehele euro.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder :
1° indexcijfer van de conventionele lonen voor bedienden : het indexcijfer opgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van het gemiddelde van de bediendenlonen voor volwassenen in de particuliere sector, zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
2° basisbedrag : [4 het bedrag vermeld in artikel 30.7, eerste lid]4;
3° nieuw indexcijfer : index voor het derde kwartaal op basis 2010 = 100 van het jaar dat aan de indexering voorafgaat;
4° oorspronkelijke index : index van het derde kwartaal [3 2018]3 op basis [3 2010]3 = 100;
5° [3 ...]3]1
[1 [3 De bedragen van de lonen vermeld [4 in artikel 30.7]4 worden" en worden de woorden "en gedeeld door de omrekeningscoëfficiënt]3 wordt elk jaar op 1 januari aangepast aan het indexcijfer van de conventionele lonen voor bedienden voor het derde trimester (basis 2010 = 100) overeenkomstig de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door de omrekeningscoëfficiënt. Het resultaat wordt afgerond naar de gehele euro.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder :
1° indexcijfer van de conventionele lonen voor bedienden : het indexcijfer opgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van het gemiddelde van de bediendenlonen voor volwassenen in de particuliere sector, zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
2° basisbedrag : [4 het bedrag vermeld in artikel 30.7, eerste lid]4;
3° nieuw indexcijfer : index voor het derde kwartaal op basis 2010 = 100 van het jaar dat aan de indexering voorafgaat;
4° oorspronkelijke index : index van het derde kwartaal [3 2018]3 op basis [3 2010]3 = 100;
5° [3 ...]3]1
Art. 37/1 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 [3 Les montants de rémunération mentionnés [4 à l'article 30.7]4 sont adaptés]3 chaque année, le 1er janvier à l'indice des salaires conventionnels pour employés du troisième trimestre (base 2010 = 100) conformément à la formule suivante : le nouveau montant est égal au montant de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ [3 ...]3. Le résultat est arrondi à l'euro.
Pour l'application de l'alinéa 1er, il faut entendre par :
1° indice des salaires conventionnels pour employés, l'indice établi par le SPF Emploi, Travail et Concertation sociale sur base du calcul de la moyenne du traitement des employés adultes du secteur privé tel qu'il est fixé par convention collective de travail;
2° montant de base : [4 le montant mentionné à l'article 30.7, alinéa 1er]4;
3° nouvel indice : indice du troisième trimestre en base 2010 = 100 de l'année précédant l'indexation;
4° indice de départ : indice du troisième trimestre [3 2018]3 en base [3 2010]3 = 100;
5° [3 ...]3]1
[1 [3 Les montants de rémunération mentionnés [4 à l'article 30.7]4 sont adaptés]3 chaque année, le 1er janvier à l'indice des salaires conventionnels pour employés du troisième trimestre (base 2010 = 100) conformément à la formule suivante : le nouveau montant est égal au montant de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ [3 ...]3. Le résultat est arrondi à l'euro.
Pour l'application de l'alinéa 1er, il faut entendre par :
1° indice des salaires conventionnels pour employés, l'indice établi par le SPF Emploi, Travail et Concertation sociale sur base du calcul de la moyenne du traitement des employés adultes du secteur privé tel qu'il est fixé par convention collective de travail;
2° montant de base : [4 le montant mentionné à l'article 30.7, alinéa 1er]4;
3° nouvel indice : indice du troisième trimestre en base 2010 = 100 de l'année précédant l'indexation;
4° indice de départ : indice du troisième trimestre [3 2018]3 en base [3 2010]3 = 100;
5° [3 ...]3]1
Art. 37/1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [2 [4 De bezoldigingsbedragen bepaald in de artikelen 30/7 en 30/9 worden elk jaar aangepast]4, op 1 januari aan de index van de conventionele lonen voor bedienden van het derde trimester (basis [3 2010]3=100) overeenkomstig de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de aanvangsindex [4 ...]4. Het resultaat wordt afgerond tot de euro.
Voor de toepassing van het eerste lid, moet worden verstaan onder :
1° index van de conventionele lonen voor bedienden, de index vastgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van de berekening van het gemiddelde van de wedde van de volwassen bedienden van de privésector zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
2° basisbedrag : bedrag van kracht op 1 januari [4 2018]4;
3° nieuwe index : index van het derde trimester met als basis [3 2010]3 = 100 van het jaar dat aan de indexering voorafgaat;
4° aanvangsindex : index van het derde trimester [4 2017]4 met als basis [4 2010]4=100;]2
[3 5° [4 ...]4]3
Voor de toepassing van het eerste lid, moet worden verstaan onder :
1° index van de conventionele lonen voor bedienden, de index vastgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van de berekening van het gemiddelde van de wedde van de volwassen bedienden van de privésector zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
2° basisbedrag : bedrag van kracht op 1 januari [4 2018]4;
3° nieuwe index : index van het derde trimester met als basis [3 2010]3 = 100 van het jaar dat aan de indexering voorafgaat;
4° aanvangsindex : index van het derde trimester [4 2017]4 met als basis [4 2010]4=100;]2
[3 5° [4 ...]4]3
Art. 37/1 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[2 [4 Les montants de rémunération prévus aux articles 30/7 et 30/9 sont adaptés]4 chaque année, le 1er janvier à l'indice des salaires conventionnels pour employés du troisième trimestre (base [3 2010]3=100) conformément à la formule suivante : le nouveau montant est égal au montant de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ [4 ...]4. Le résultat est arrondi à l'euro.
Pour l'application de l'alinéa 1er, il faut entendre par :
1° indice des salaires conventionnels pour employés, l'indice établi par le SPF Emploi, Travail et Concertation sociale sur base du calcul de la moyenne du traitement des employés adultes du secteur privé tel qu'il est fixé par convention collective de travail;
2° montant de base : montant en vigueur au 1er janvier [4 2018]4;
3° nouvel indice : indice du troisième trimestre en base [3 2010]3=100 de l'année précédant l'indexation;
4° indice de départ : indice du troisième trimestre [4 2017]4 en base [4 2010]4=100;]2
[3 5° [4 ...]4]3
[2 [4 Les montants de rémunération prévus aux articles 30/7 et 30/9 sont adaptés]4 chaque année, le 1er janvier à l'indice des salaires conventionnels pour employés du troisième trimestre (base [3 2010]3=100) conformément à la formule suivante : le nouveau montant est égal au montant de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ [4 ...]4. Le résultat est arrondi à l'euro.
Pour l'application de l'alinéa 1er, il faut entendre par :
1° indice des salaires conventionnels pour employés, l'indice établi par le SPF Emploi, Travail et Concertation sociale sur base du calcul de la moyenne du traitement des employés adultes du secteur privé tel qu'il est fixé par convention collective de travail;
2° montant de base : montant en vigueur au 1er janvier [4 2018]4;
3° nouvel indice : indice du troisième trimestre en base [3 2010]3=100 de l'année précédant l'indexation;
4° indice de départ : indice du troisième trimestre [4 2017]4 en base [4 2010]4=100;]2
[3 5° [4 ...]4]3
Art. 37/1_VLAAMS_GEWEST. Het bezoldigingsbedrag, vermeld in artikel 15/1, [1 § 2, eerste lid, 2°]1 wordt elk jaar aangepast op 1 januari aan de index van de conventionele lonen voor bedienden van het derde trimester (basis 2010=100) overeenkomstig de formule: het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met de nieuwe index en gedeeld door de aanvangsindex (vermenigvuldigd met de omzettingscoëfficiënt). Het resultaat wordt afgerond op de euro.
In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° index van de conventionele lonen voor bedienden: de index vastgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van de berekening van het gemiddelde van de wedde van de volwassen bedienden van de privésector zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
2° basisbedrag: het bedrag van kracht op 1 januari 2013;
3° nieuwe index: de index van het derde trimester met als basis 2010=100 van het jaar dat aan de indexering voorafgaat;
4° aanvangsindex: de index van het derde trimester 2012 met als basis 1997=100;
5° omzettingscoëfficiënt: 0,750638.
In het eerste lid wordt verstaan onder:
1° index van de conventionele lonen voor bedienden: de index vastgesteld door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op basis van de berekening van het gemiddelde van de wedde van de volwassen bedienden van de privésector zoals vastgelegd bij collectieve arbeidsovereenkomst;
2° basisbedrag: het bedrag van kracht op 1 januari 2013;
3° nieuwe index: de index van het derde trimester met als basis 2010=100 van het jaar dat aan de indexering voorafgaat;
4° aanvangsindex: de index van het derde trimester 2012 met als basis 1997=100;
5° omzettingscoëfficiënt: 0,750638.
Art. 37/1 _REGION_FLAMANDE.
Le montant de rémunération prévu à l'article 15/1, [1 § 2, alinéa premier, 2°]1 est adapté chaque année, le 1er janvier à l'indice des salaires conventionnels pour employés du troisième trimestre (base 2010 = 100) conformément à la formule suivante: le nouveau montant est égal au montant de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ (multiplié par le coefficient de conversion). Le résultat est arrondi à l'euro.
Pour l'application de l'alinéa premier, il faut entendre par :
1° indice des salaires conventionnels pour employés : l'indice établi par le SPF Emploi, Travail et Concertation sociale sur base du calcul de la moyenne du traitement des employés adultes du secteur privé tel qu'il est fixé par convention collective de travail ;
2° montant de base : le montant en vigueur au 1er janvier 2013 ;
3° nouvel indice : l'indice du troisième trimestre en base 2010 = 100 de l'année précédant l'indexation ;
4° indice de départ : l'indice du troisième trimestre 2014 en base 1997 = 100.
5° coefficient de conversion : 0,750638.
Le montant de rémunération prévu à l'article 15/1, [1 § 2, alinéa premier, 2°]1 est adapté chaque année, le 1er janvier à l'indice des salaires conventionnels pour employés du troisième trimestre (base 2010 = 100) conformément à la formule suivante: le nouveau montant est égal au montant de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ (multiplié par le coefficient de conversion). Le résultat est arrondi à l'euro.
Pour l'application de l'alinéa premier, il faut entendre par :
1° indice des salaires conventionnels pour employés : l'indice établi par le SPF Emploi, Travail et Concertation sociale sur base du calcul de la moyenne du traitement des employés adultes du secteur privé tel qu'il est fixé par convention collective de travail ;
2° montant de base : le montant en vigueur au 1er janvier 2013 ;
3° nouvel indice : l'indice du troisième trimestre en base 2010 = 100 de l'année précédant l'indexation ;
4° indice de départ : l'indice du troisième trimestre 2014 en base 1997 = 100.
5° coefficient de conversion : 0,750638.
Wijzigingen
Art. 37/2 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De bezoldigingsbedragen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 33°, in artikel 9, eerste lid, 6°, 7° en 15°, en in [3 artikel 30.4, 4°, in artikel 30.6, 3°, en in artikel 30.9, 2°]3 van dit besluit moeten de tegenwaarde zijn van de verrichte arbeidsprestaties en met zekerheid gekend zijn vóór het begin van de tewerkstelling van de werknemers in België.]1
[1 De bezoldigingsbedragen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 33°, in artikel 9, eerste lid, 6°, 7° en 15°, en in [3 artikel 30.4, 4°, in artikel 30.6, 3°, en in artikel 30.9, 2°]3 van dit besluit moeten de tegenwaarde zijn van de verrichte arbeidsprestaties en met zekerheid gekend zijn vóór het begin van de tewerkstelling van de werknemers in België.]1
Art. 37/2 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Les montants de rémunération visés à l'article 2, alinéa 1er, 33°, à l'article 9, alinéa 1er, 6°, 7° et 15°, et [4 à l'article 30.4, 4°, à l'article 30.6, 3°, et à l'article 30.9, 2°,]4 du présent arrêté doivent constituer la contrepartie des prestations de travail effectuées et être connus, avec certitude, avant le début de l'occupation des travailleurs en Belgique.]1
[1 Les montants de rémunération visés à l'article 2, alinéa 1er, 33°, à l'article 9, alinéa 1er, 6°, 7° et 15°, et [4 à l'article 30.4, 4°, à l'article 30.6, 3°, et à l'article 30.9, 2°,]4 du présent arrêté doivent constituer la contrepartie des prestations de travail effectuées et être connus, avec certitude, avant le début de l'occupation des travailleurs en Belgique.]1
Art. 37/2_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [2 De bezoldigingsbedragen bedoeld in artikel 2, lid 1, 33°, in artikel 9, lid 1, 6°, 7° en 15° [3 , in artikel 30/5, in artikel 30/6, 3° en in artikel 30/9, 2°]3 van dit besluit moeten de tegenprestatie vormen van uitgevoerde arbeidsprestaties en moeten met zekerheid gekend zijn voor het begin van de tewerkstelling van de werknemers in België.]2
Art. 37/2 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[2 Les montants de rémunération visés à l'article 2, alinéa 1er, 33°, à l'article 9, alinéa 1er, 6°, 7° et 15° [3 , à l'article 30/5, 5°, à l'article 30/6, 3° et à l'article 30/9, 2°]3 du présent arrêté doivent constituer la contrepartie des prestations de travail effectuées et être connus, avec certitude, avant le début de l'occupation des travailleurs en Belgique.]2
[2 Les montants de rémunération visés à l'article 2, alinéa 1er, 33°, à l'article 9, alinéa 1er, 6°, 7° et 15° [3 , à l'article 30/5, 5°, à l'article 30/6, 3° et à l'article 30/9, 2°]3 du présent arrêté doivent constituer la contrepartie des prestations de travail effectuées et être connus, avec certitude, avant le début de l'occupation des travailleurs en Belgique.]2
Art. 37/2_VLAAMS_GEWEST. De bezoldigingsbedragen, vermeld in artikel 2, eerste lid, 33°, artikel 9, eerste lid, 6°, 7°, en 15°, en [1 artikel 15/1, § 2, eerste lid, 2°]1, vormen de tegenprestatie van uitgevoerde arbeidsprestaties, en zijn met zekerheid gekend bij aanvang van de tewerkstelling van de werknemers in België.
Art. 37/2 _REGION_FLAMANDE.
Les montants de rémunération visés à l'article 2, alinéa premier, 33°, à l'article 9, alinéa premier, 6°, 7° et 15°, et à l'[1 article 15/1, § 2, alinéa premier, 2°]1 doivent constituer la contrepartie des prestations de travail effectuées et être connus, avec certitude, avant le début de l'occupation des travailleurs en Belgique.
Les montants de rémunération visés à l'article 2, alinéa premier, 33°, à l'article 9, alinéa premier, 6°, 7° et 15°, et à l'[1 article 15/1, § 2, alinéa premier, 2°]1 doivent constituer la contrepartie des prestations de travail effectuées et être connus, avec certitude, avant le début de l'occupation des travailleurs en Belgique.
Wijzigingen
HOOFDSTUK X.1._DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. [1 - Bepalingen betreffende de bescherming van de persoonsgegevens]1
CHAPITRE X.1_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. [1 - Dispositions relatives à la protection des données]1
Art. 37.3 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Onverminderd andersluidende wettelijke of decretale bepalingen moeten het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap, hierna 'Ministerie' genoemd, en alle andere personen die bij de uitvoering van dit besluit betrokken zijn, de gegevens die hun in de uitoefening van hun opdracht toevertrouwd worden, vertrouwelijk behandelen.]1
[1 Onverminderd andersluidende wettelijke of decretale bepalingen moeten het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap, hierna 'Ministerie' genoemd, en alle andere personen die bij de uitvoering van dit besluit betrokken zijn, de gegevens die hun in de uitoefening van hun opdracht toevertrouwd worden, vertrouwelijk behandelen.]1
Art. 37.3 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Sans préjudice de dispositions légales ou décrétales contraires, le Ministère de la Communauté germanophone, ci-après " Ministère ", et toutes les autres personnes participant à l'exécution du présent arrêté sont tenus de traiter confidentiellement les données qui leur sont confiées dans le cadre de l'exercice de leur mission.]1
[1 Sans préjudice de dispositions légales ou décrétales contraires, le Ministère de la Communauté germanophone, ci-après " Ministère ", et toutes les autres personnes participant à l'exécution du présent arrêté sont tenus de traiter confidentiellement les données qui leur sont confiées dans le cadre de l'exercice de leur mission.]1
Art. 37.4 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 Het Ministerie is verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens vermeld in hoofdstuk III, IV, VI, VII en VIII, in de zin van de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Het Ministerie geldt als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Het Ministerie verwerkt persoonsgegevens met het oog op de uitvoering van de opdrachten bepaald in dit besluit, in het bijzonder wat betreft de taken vermeld in de hoofdstukken III, IV, VI, VII en VIII. Het mag de verzamelde gegevens niet voor andere doeleinden dan voor de uitvoering van de daarin vermelde opdrachten gebruiken.
De verwerking van persoonsgegevens geschiedt met inachtneming van de toepasselijke regelgeving over de bescherming bij de verwerking van persoonsgegevens.]1
[1 Het Ministerie is verantwoordelijk voor de verwerking van de persoonsgegevens vermeld in hoofdstuk III, IV, VI, VII en VIII, in de zin van de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Het Ministerie geldt als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Het Ministerie verwerkt persoonsgegevens met het oog op de uitvoering van de opdrachten bepaald in dit besluit, in het bijzonder wat betreft de taken vermeld in de hoofdstukken III, IV, VI, VII en VIII. Het mag de verzamelde gegevens niet voor andere doeleinden dan voor de uitvoering van de daarin vermelde opdrachten gebruiken.
De verwerking van persoonsgegevens geschiedt met inachtneming van de toepasselijke regelgeving over de bescherming bij de verwerking van persoonsgegevens.]1
Art. 37.4 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Le Ministère est responsable du traitement des données à caractère personnel mentionnées aux chapitres III, IV, VI, VII et VIII, au sens du règlement général sur la protection des données. Le Ministère est réputé responsable du traitement au sens de l'article 4, 7°, du règlement général sur la protection des données.
Le Ministère traite les données à caractère personnel en vue de l'exercice des missions fixées dans le présent arrêté, notamment celles mentionnées aux chapitres III, IV, VI, VII et VIII. Il ne peut utiliser les données collectées à d'autres fins que l'exercice des missions y mentionnées.
Le traitement des données à caractère personnel s'opère dans le respect des dispositions légales en matière de protection des données.]1
[1 Le Ministère est responsable du traitement des données à caractère personnel mentionnées aux chapitres III, IV, VI, VII et VIII, au sens du règlement général sur la protection des données. Le Ministère est réputé responsable du traitement au sens de l'article 4, 7°, du règlement général sur la protection des données.
Le Ministère traite les données à caractère personnel en vue de l'exercice des missions fixées dans le présent arrêté, notamment celles mentionnées aux chapitres III, IV, VI, VII et VIII. Il ne peut utiliser les données collectées à d'autres fins que l'exercice des missions y mentionnées.
Le traitement des données à caractère personnel s'opère dans le respect des dispositions légales en matière de protection des données.]1
Art. 37.5 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
[1 De gegevens mogen tot hoogstens tien jaar nadat een aanvraag om een in dit besluit vermelde toelating tot arbeid ingediend werd, in een vorm bewaard worden die de mogelijkheid biedt de betrokken personen te identificeren. Met behoud van de toepassing van de bepalingen betreffende het archiefwezen worden ze uiterlijk na het verstrijken van die termijn vernietigd.]1
[1 De gegevens mogen tot hoogstens tien jaar nadat een aanvraag om een in dit besluit vermelde toelating tot arbeid ingediend werd, in een vorm bewaard worden die de mogelijkheid biedt de betrokken personen te identificeren. Met behoud van de toepassing van de bepalingen betreffende het archiefwezen worden ze uiterlijk na het verstrijken van die termijn vernietigd.]1
Art. 37.5 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
[1 Les données peuvent être conservées au maximum pendant dix ans après l'introduction d'une demande d'autorisation de travail mentionnée dans le présent arrêté, sous une forme qui permet l'identification des intéressés. Sans préjudice des dispositions relatives à l'archivage, elles sont détruites au plus tard au terme de ce délai.]1
[1 Les données peuvent être conservées au maximum pendant dix ans après l'introduction d'une demande d'autorisation de travail mentionnée dans le présent arrêté, sous une forme qui permet l'identification des intéressés. Sans préjudice des dispositions relatives à l'archivage, elles sont détruites au plus tard au terme de ce délai.]1
HOOFDSTUK XI. - (Tijdelijke, overgangs- en slotbepalingen.)
CHAPITRE XI. - (Dispositions temporaires, transitoires et finales.)
Art. 38. § 1. Wanneer de Minister algemene regelen ter uitvoering van dit besluit uitvaardigt, raadpleegt hij, behalve in geval van dringende noodzakelijkheid, de Adviesraad voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.
§ 2. De bevoegde overheid kan bij gemotiveerde beslissing voor individuele behartigenswaardige gevallen om economische of sociale redenen afwijken van de artikelen 8, 10, 12, 14, 21, 1° en 22, 2°.
§ 2. De bevoegde overheid kan bij gemotiveerde beslissing voor individuele behartigenswaardige gevallen om economische of sociale redenen afwijken van de artikelen 8, 10, 12, 14, 21, 1° en 22, 2°.
Art. 38. § 1er. Lorsque le Ministre édicte des règles générales en exécution du présent arrêté, il consulte, sauf le cas de grande urgence, le Conseil Consultatif pour l'occupation des travailleurs étrangers.
§ 2. L'autorité compétente peut déroger par décision motivée aux articles 8, 10, 12, 14, 21, 1° et 22, 2° pour des cas individuels dignes d'intérêt pour des raisons économiques ou sociales.
§ 2. L'autorité compétente peut déroger par décision motivée aux articles 8, 10, 12, 14, 21, 1° et 22, 2° pour des cas individuels dignes d'intérêt pour des raisons économiques ou sociales.
Art. 38_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. § 1. Wanneer de [1 Gewestminister]1 algemene regelen ter uitvoering van dit besluit uitvaardigt, raadpleegt hij, behalve in geval van dringende noodzakelijkheid, de Adviesraad voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.
§ 2. De bevoegde overheid kan bij gemotiveerde beslissing voor individuele behartigenswaardige gevallen om economische of sociale redenen afwijken van de artikelen 8, [3 ...]3 12, [2 en 14°]2.
[3 De in het vorige lid bedoelde afwijking van artikel 22, 2° geldt echter enkel voor een stage van ten hoogste een jaar, als aan deze stage inkomsten verbonden zijn die de stagiair in staat stellen in zijn behoeften of in die van zijn gezin te voorzien.]3
§ 2. De bevoegde overheid kan bij gemotiveerde beslissing voor individuele behartigenswaardige gevallen om economische of sociale redenen afwijken van de artikelen 8, [3 ...]3 12, [2 en 14°]2.
[3 De in het vorige lid bedoelde afwijking van artikel 22, 2° geldt echter enkel voor een stage van ten hoogste een jaar, als aan deze stage inkomsten verbonden zijn die de stagiair in staat stellen in zijn behoeften of in die van zijn gezin te voorzien.]3
Art. 38 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
§ 1er. Lorsque le [1 Ministre régional]1e édicte des règles générales en exécution du présent arrêté, il consulte, sauf le cas de grande urgence, le Conseil Consultatif pour l'occupation des travailleurs étrangers.
§ 2. L'autorité compétente peut déroger par décision motivée aux articles 8, [3 ...]3 12 [2 et 14]2 pour des cas individuels dignes d'intérêt pour des raisons économiques ou sociales.
[3 La dérogation à l'article 22,2° visée à l'alinéa précédent ne vaut toutefois que pour le stage d'une année au plus et dont les ressources qui en découlent permettent au stagiaire de subvenir à ses besoins ou à ceux de son ménage.]3
§ 1er. Lorsque le [1 Ministre régional]1e édicte des règles générales en exécution du présent arrêté, il consulte, sauf le cas de grande urgence, le Conseil Consultatif pour l'occupation des travailleurs étrangers.
§ 2. L'autorité compétente peut déroger par décision motivée aux articles 8, [3 ...]3 12 [2 et 14]2 pour des cas individuels dignes d'intérêt pour des raisons économiques ou sociales.
[3 La dérogation à l'article 22,2° visée à l'alinéa précédent ne vaut toutefois que pour le stage d'une année au plus et dont les ressources qui en découlent permettent au stagiaire de subvenir à ses besoins ou à ceux de son ménage.]3
Art. 38_VLAAMS_GEWEST. § 1. Wanneer de [1 gewestminister]1 algemene regelen ter uitvoering van dit besluit uitvaardigt, raadpleegt hij, behalve in geval van dringende noodzakelijkheid, de [1 Adviescommissie voor Economische Migratie]1.
§ 2. De bevoegde overheid kan bij gemotiveerde beslissing voor individuele behartigenswaardige gevallen om economische of sociale redenen afwijken van de artikelen 8, 10, 12, 14, 21, 1° en 22, 2°.
§ 2. De bevoegde overheid kan bij gemotiveerde beslissing voor individuele behartigenswaardige gevallen om economische of sociale redenen afwijken van de artikelen 8, 10, 12, 14, 21, 1° en 22, 2°.
Art. 38 _REGION_FLAMANDE.
§ 1er. Lorsque le [1 ministre régional]1 édicte des règles générales en exécution du présent arrêté, il consulte, sauf le cas de grande urgence, le [1 Commission consultative de la Migration économique]1.
§ 2. L'autorité compétente peut déroger par décision motivée aux articles 8, 10, 12, 14, 21, 1° et 22, 2° pour des cas individuels dignes d'intérêt pour des raisons économiques ou sociales.
§ 1er. Lorsque le [1 ministre régional]1 édicte des règles générales en exécution du présent arrêté, il consulte, sauf le cas de grande urgence, le [1 Commission consultative de la Migration économique]1.
§ 2. L'autorité compétente peut déroger par décision motivée aux articles 8, 10, 12, 14, 21, 1° et 22, 2° pour des cas individuels dignes d'intérêt pour des raisons économiques ou sociales.
Wijzigingen
Art. 38 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Wanneer de [1 Gemeenschapsminister]1 algemene regelen ter uitvoering van dit besluit uitvaardigt, raadpleegt hij, behalve in geval van dringende noodzakelijkheid, de Adviesraad voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.
§ 2. De bevoegde overheid kan bij gemotiveerde beslissing voor individuele behartigenswaardige gevallen om economische of sociale redenen afwijken van de artikelen 8, 10, 12, 14, 21, 1° en 22, 2°.
§ 1. Wanneer de [1 Gemeenschapsminister]1 algemene regelen ter uitvoering van dit besluit uitvaardigt, raadpleegt hij, behalve in geval van dringende noodzakelijkheid, de Adviesraad voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.
§ 2. De bevoegde overheid kan bij gemotiveerde beslissing voor individuele behartigenswaardige gevallen om economische of sociale redenen afwijken van de artikelen 8, 10, 12, 14, 21, 1° en 22, 2°.
Art. 38 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1er. Lorsque [1 le ministre communautaire]1 édicte des règles générales en exécution du présent arrêté, il consulte, sauf le cas de grande urgence, le Conseil Consultatif pour l'occupation des travailleurs étrangers.
§ 2. L'autorité compétente peut déroger par décision motivée aux articles 8, 10, 12, 14, 21, 1° et 22, 2° pour des cas individuels dignes d'intérêt pour des raisons économiques ou sociales.
§ 1er. Lorsque [1 le ministre communautaire]1 édicte des règles générales en exécution du présent arrêté, il consulte, sauf le cas de grande urgence, le Conseil Consultatif pour l'occupation des travailleurs étrangers.
§ 2. L'autorité compétente peut déroger par décision motivée aux articles 8, 10, 12, 14, 21, 1° et 22, 2° pour des cas individuels dignes d'intérêt pour des raisons économiques ou sociales.
Wijzigingen
Art. 38/2_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 § 1. De bevoegde overheid treedt op als enige verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens, zoals bedoeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.
§ 2. De bevoegde overheid behandelt de persoonsgegevens, zoals bedoeld in de eerste paragraaf, op basis van artikel 6, eerste lid, e), van dezelfde verordening.
De behandeling van persoonsgegevens, zoals bedoeld in de eerste paragraaf, kan eveneens de behandeling van volgende bijzondere categorieën van persoonsgegevens, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid van dezelfde verordening omvatten:
1° persoonsgegevens met betrekking tot religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen;
2° gegevens over gezondheid.
In overeenstemming met artikel 9, 2de alinea, a), van dezelfde verordening, geeft de betrokken persoon zijn toestemming tot het behandelen van deze persoonsgegevens door de gegevens aan de bevoegde overheid over te maken.
De behandeling van persoonsgegevens, zoals bedoel in het eerste lid, kan ook de behandeling van persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten, zoals bedoeld in artikel 10 van dezelfde verordening omvatten.
§ 3. In toepassing van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 en het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wisselt de bevoegde overheid de benodigde persoonsgegevens uit met de Dienst Vreemdelingenzaken en de andere Gewesten.
§ 4. De persoonsgegevens worden beveiligd in overeenstemming met de artikels 9 en 10, § 2 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.
§ 5. De persoonsgegevens die behandeld worden in toepassing van dit besluit, worden niet langer dan nodig bijgehouden op grond van de doeleinden waarvoor ze worden behandeld, met inbegrip van eventuele administratieve of gerechtelijke beroepsprocedures.
§ 6. Onder voorbehoud van beperkingen voorzien door de wetgeving betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, beschikt de betrokken persoon over de rechten zoals bedoeld in de artikels 12 tot 19 en de artikels 21 en 22 van dezelfde verordening.
§ 7. De bevoegde overheid informeert de betrokken personen over de behandeling en de gemeenschappelijke behandeling van persoonsgegevens in het aanvraagformulier zoals bedoeld in artikel 18.]1
§ 2. De bevoegde overheid behandelt de persoonsgegevens, zoals bedoeld in de eerste paragraaf, op basis van artikel 6, eerste lid, e), van dezelfde verordening.
De behandeling van persoonsgegevens, zoals bedoeld in de eerste paragraaf, kan eveneens de behandeling van volgende bijzondere categorieën van persoonsgegevens, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid van dezelfde verordening omvatten:
1° persoonsgegevens met betrekking tot religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen;
2° gegevens over gezondheid.
In overeenstemming met artikel 9, 2de alinea, a), van dezelfde verordening, geeft de betrokken persoon zijn toestemming tot het behandelen van deze persoonsgegevens door de gegevens aan de bevoegde overheid over te maken.
De behandeling van persoonsgegevens, zoals bedoel in het eerste lid, kan ook de behandeling van persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten, zoals bedoeld in artikel 10 van dezelfde verordening omvatten.
§ 3. In toepassing van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 en het uitvoerend samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wisselt de bevoegde overheid de benodigde persoonsgegevens uit met de Dienst Vreemdelingenzaken en de andere Gewesten.
§ 4. De persoonsgegevens worden beveiligd in overeenstemming met de artikels 9 en 10, § 2 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.
§ 5. De persoonsgegevens die behandeld worden in toepassing van dit besluit, worden niet langer dan nodig bijgehouden op grond van de doeleinden waarvoor ze worden behandeld, met inbegrip van eventuele administratieve of gerechtelijke beroepsprocedures.
§ 6. Onder voorbehoud van beperkingen voorzien door de wetgeving betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, beschikt de betrokken persoon over de rechten zoals bedoeld in de artikels 12 tot 19 en de artikels 21 en 22 van dezelfde verordening.
§ 7. De bevoegde overheid informeert de betrokken personen over de behandeling en de gemeenschappelijke behandeling van persoonsgegevens in het aanvraagformulier zoals bedoeld in artikel 18.]1
Art. 38/2 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
[1 § 1er. L'autorité compétente intervient en tant qu'unique responsable du traitement des données à caractère personnel, tel que visé à l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE.
§ 2. L'autorité compétente traite les données à caractère personnel, visées au paragraphe 1er, sur la base de l'article 6, alinéa 1er, e), du même règlement.
Le traitement des données à caractère personnel, visées au paragraphe 1er, peut également comprendre le traitement des catégories particulières suivantes de données personnelles, visées à l'article 9, alinéa 1er, du même règlement:
1° les données personnelles révélant des convictions religieuses ou philosophiques;
2° les données relatives à la santé.
Conformément à l'article 9, alinéa 2, a), du même règlement, la personne concernée donne son consentement au traitement de ces données à caractère personnel par la communication des données à l'autorité compétente.
Le traitement des données à caractère personnel, visées au paragraphe 1er, peut également comprendre le traitement de données à caractère personnel relatives aux condamnations pénales et aux infractions, visées à l'article 10 du même règlement.
§ 3. En application de l'accord de coopération du 2 février 2018 et de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018, l'autorité compétente échange les données à caractère personnel nécessaires avec l'Office des Etrangers et les autres Régions.
§ 4. Les données à caractère personnel sont sécurisées conformément aux articles 9 et 10, § 2 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
§ 5. Les données à caractère personnel traitées en application du présent arrêté ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, en ce compris les procédures de recours administratifs ou judiciaires éventuels.
§ 6. Sous réserve des limitations prévues par la règlementation sur la protection des personnes physiques lors du traitement de données à caractère personnel, la personne concernée dispose des droits visés aux articles 12 à 19 et aux articles 21 et 22 du même règlement.
§ 7. L'autorité compétente informe les personnes concernées sur le traitement et sur le traitement conjoint des données à caractère personnel dans le formulaire de demande visé à l'article 18.]1
[1 § 1er. L'autorité compétente intervient en tant qu'unique responsable du traitement des données à caractère personnel, tel que visé à l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE.
§ 2. L'autorité compétente traite les données à caractère personnel, visées au paragraphe 1er, sur la base de l'article 6, alinéa 1er, e), du même règlement.
Le traitement des données à caractère personnel, visées au paragraphe 1er, peut également comprendre le traitement des catégories particulières suivantes de données personnelles, visées à l'article 9, alinéa 1er, du même règlement:
1° les données personnelles révélant des convictions religieuses ou philosophiques;
2° les données relatives à la santé.
Conformément à l'article 9, alinéa 2, a), du même règlement, la personne concernée donne son consentement au traitement de ces données à caractère personnel par la communication des données à l'autorité compétente.
Le traitement des données à caractère personnel, visées au paragraphe 1er, peut également comprendre le traitement de données à caractère personnel relatives aux condamnations pénales et aux infractions, visées à l'article 10 du même règlement.
§ 3. En application de l'accord de coopération du 2 février 2018 et de l'accord de coopération d'exécution du 6 décembre 2018, l'autorité compétente échange les données à caractère personnel nécessaires avec l'Office des Etrangers et les autres Régions.
§ 4. Les données à caractère personnel sont sécurisées conformément aux articles 9 et 10, § 2 de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
§ 5. Les données à caractère personnel traitées en application du présent arrêté ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, en ce compris les procédures de recours administratifs ou judiciaires éventuels.
§ 6. Sous réserve des limitations prévues par la règlementation sur la protection des personnes physiques lors du traitement de données à caractère personnel, la personne concernée dispose des droits visés aux articles 12 à 19 et aux articles 21 et 22 du même règlement.
§ 7. L'autorité compétente informe les personnes concernées sur le traitement et sur le traitement conjoint des données à caractère personnel dans le formulaire de demande visé à l'article 18.]1
Art. 38ter. <INGEVOEGD bij KB 2004-04-12/32, art. 2, Inwerkingtreding : 01-05-2004; Opheffing : onbepaald ; zie ook art. 38sexies van dit koninklijk besluit)> § 1. [1 ...]1
(De vrijstellingen bedoeld bij artikel 2, eerste lid, 1° en 3°, zijn niet van toepassing op de onderdanen van de Republiek Bulgarije en van Roemenië voor zover deze onderdanen vallen onder de toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Lidstaten van de Europese Unie) en de Republiek Bulgarije en Roemenië betreffende de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie, en onder de Slotakte, gedaan te Luxemburg op 25 april 2005, goedgekeurd bij de wet van 2 juni 2006, meer bepaald onder artikel 23 van deze Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Bulgarije en Roemenië en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, alsmede onder de Bijlagen V, VI, VIII, IX, X, XII, XIII en XIV bij deze Akte.) <KB 2006-12-19/32, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
[1 De vrijstellingen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1° en 3° zijn niet van toepassing op de onderdanen van de Republiek Kroatië voor zover deze onderdanen vallen onder de toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Lidstaten van de Europese Unie) en de Republiek Kroatië betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie en tot de Slotakte, gedaan te Brussel op 9 december 2012, goedgekeurd bij de wet van 17 februari 2013, meer bepaald het artikel 18 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden tot de Europese Unie van de Republiek Kroatië en van de aanpassingen van het verdrag betreffende de Europese Unie, het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie dat de overgangsmaatregelen bepaalt opgesomd in de lijst onder Bijlage V van deze Akte.]1
§ 2. [2 de vrijstellingen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, 2° en 3° zijn niet van toepassing]2 op de volgende familieleden van de onderdanen van de in § 1 bedoelde landen :
a) de echtgenoot;
b) de bloedverwanten in de nederdalende lijn of die van zijn echtgenoot, beneden 21 jaar of die te hunnen laste zijn;
c) de bloedverwanten in de opgaande lijn of die van zijn echtgenoot, die te hunnen laste zijn, met uitzondering van de bloedverwanten in opgaande lijn van de studenten of die van de echtgenoot;
d) de echtgenoot van de personen bedoeld in b) en c).
§ 3. [2 In afwijking van de paragrafen 1 en 2, zijn de vrijstellingen bedoeld bij artikel 2, eerste lid, 1°, 2° en 3° van toepassing :
a) op personen op wie een andere Overeenkomst of een ander Verdrag van toepassing is, die bepalingen bevatten die gunstiger zijn met betrekking tot de tewerkstelling;
b) op personen die kunnen genieten van één van de andere vrijstellingen bedoeld bij artikel 2;
c) op personen die reeds vóór de toetredingsdatum in het bezit zijn van een vestigingsvergunning of die reeds werden gemachtigd tot onbeperkt verblijf zoals bedoeld bij artikel 2, eerste lid, 3°, b;
d) op personen die op een andere grond dan het feit dat zij onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie, na de toetredingsdatum, een vestigingsvergunning bekomen of die na diezelfde toetredingsdatum gemachtigd worden tot onbeperkt verblijf zoals bedoeld bij artikel 2, eerste lid, 3°, b;
e) op personen tewerkgesteld door een in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming, andere dan een onderneming die uitzendarbeid of elke andere wettige vorm van terbeschikkingstelling van werknemers tot doel heeft, die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten, op voorwaarde dat :
- zij op wettige wijze tewerkgesteld zijn in de lidstaat waar zij verblijven;
- en deze arbeidsvergunning tenminste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk;
f) op de personen die in het bezit zijn van het document ter staving van duurzaam verblijf overeenkomstig het model van bijlage 8bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (E+kaart);
g) op de personen die in het bezit zijn van een duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen F+kaart);
h) op de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden;
i) op de personen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning toegekend op grond van artikel 40bis of artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, in het kader van een procedure tot gezinshereniging met een Belgische onderdaan of met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte andere dan een Roemeense, een Bulgaarse of een Kroatische onderdaan tenzij deze Bulgaarse, Roemeense of Kroatische onderdaan reeds is vrijgesteld met toepassing van dit besluit.
De personen opgesomd onder i) moeten in het bezit zijn :
- tijdens de periode van onderzoek van de aanvraag om erkenning van het recht op verblijf, van :
- ofwel een document overeenkomstig het model van bijlage 19 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen,
- ofwel van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals van een geldig attest van immatriculatie, of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister (A kaart);
- in geval van definitief gunstige beslissing :
- ofwel van een " verklaring van inschrijving van burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 8 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (E kaart),
- ofwel van een verblijfskaart van een " familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F kaart);
- in geval van beroep tegen een ongunstige beslissing, van een document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen]2
[2 Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de Minister de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]2
(De vrijstellingen bedoeld bij artikel 2, eerste lid, 1° en 3°, zijn niet van toepassing op de onderdanen van de Republiek Bulgarije en van Roemenië voor zover deze onderdanen vallen onder de toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Lidstaten van de Europese Unie) en de Republiek Bulgarije en Roemenië betreffende de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie, en onder de Slotakte, gedaan te Luxemburg op 25 april 2005, goedgekeurd bij de wet van 2 juni 2006, meer bepaald onder artikel 23 van deze Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Bulgarije en Roemenië en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, alsmede onder de Bijlagen V, VI, VIII, IX, X, XII, XIII en XIV bij deze Akte.) <KB 2006-12-19/32, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
[1 De vrijstellingen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1° en 3° zijn niet van toepassing op de onderdanen van de Republiek Kroatië voor zover deze onderdanen vallen onder de toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Lidstaten van de Europese Unie) en de Republiek Kroatië betreffende de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie en tot de Slotakte, gedaan te Brussel op 9 december 2012, goedgekeurd bij de wet van 17 februari 2013, meer bepaald het artikel 18 van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden tot de Europese Unie van de Republiek Kroatië en van de aanpassingen van het verdrag betreffende de Europese Unie, het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie dat de overgangsmaatregelen bepaalt opgesomd in de lijst onder Bijlage V van deze Akte.]1
§ 2. [2 de vrijstellingen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, 2° en 3° zijn niet van toepassing]2 op de volgende familieleden van de onderdanen van de in § 1 bedoelde landen :
a) de echtgenoot;
b) de bloedverwanten in de nederdalende lijn of die van zijn echtgenoot, beneden 21 jaar of die te hunnen laste zijn;
c) de bloedverwanten in de opgaande lijn of die van zijn echtgenoot, die te hunnen laste zijn, met uitzondering van de bloedverwanten in opgaande lijn van de studenten of die van de echtgenoot;
d) de echtgenoot van de personen bedoeld in b) en c).
§ 3. [2 In afwijking van de paragrafen 1 en 2, zijn de vrijstellingen bedoeld bij artikel 2, eerste lid, 1°, 2° en 3° van toepassing :
a) op personen op wie een andere Overeenkomst of een ander Verdrag van toepassing is, die bepalingen bevatten die gunstiger zijn met betrekking tot de tewerkstelling;
b) op personen die kunnen genieten van één van de andere vrijstellingen bedoeld bij artikel 2;
c) op personen die reeds vóór de toetredingsdatum in het bezit zijn van een vestigingsvergunning of die reeds werden gemachtigd tot onbeperkt verblijf zoals bedoeld bij artikel 2, eerste lid, 3°, b;
d) op personen die op een andere grond dan het feit dat zij onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie, na de toetredingsdatum, een vestigingsvergunning bekomen of die na diezelfde toetredingsdatum gemachtigd worden tot onbeperkt verblijf zoals bedoeld bij artikel 2, eerste lid, 3°, b;
e) op personen tewerkgesteld door een in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigde onderneming, andere dan een onderneming die uitzendarbeid of elke andere wettige vorm van terbeschikkingstelling van werknemers tot doel heeft, die zich naar België begeeft voor het verrichten van diensten, op voorwaarde dat :
- zij op wettige wijze tewerkgesteld zijn in de lidstaat waar zij verblijven;
- en deze arbeidsvergunning tenminste geldig is voor de duur van het in België uit te voeren werk;
f) op de personen die in het bezit zijn van het document ter staving van duurzaam verblijf overeenkomstig het model van bijlage 8bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (E+kaart);
g) op de personen die in het bezit zijn van een duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie overeenkomstig het model van bijlage 9bis van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen F+kaart);
h) op de echtgenoot van een Belg, die in het bezit is van een document overeenkomstig het model van bijlage 15 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 als grensarbeider, zolang die persoon in de Staat waar hij verblijft over een recht op of een machtiging tot verblijf beschikt van meer dan drie maanden;
i) op de personen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning toegekend op grond van artikel 40bis of artikel 40ter van de wet van 15 december 1980, in het kader van een procedure tot gezinshereniging met een Belgische onderdaan of met een onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte andere dan een Roemeense, een Bulgaarse of een Kroatische onderdaan tenzij deze Bulgaarse, Roemeense of Kroatische onderdaan reeds is vrijgesteld met toepassing van dit besluit.
De personen opgesomd onder i) moeten in het bezit zijn :
- tijdens de periode van onderzoek van de aanvraag om erkenning van het recht op verblijf, van :
- ofwel een document overeenkomstig het model van bijlage 19 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen,
- ofwel van een document overeenkomstig het model van bijlage 19ter van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen evenals van een geldig attest van immatriculatie, of van een geldig tijdelijk bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister (A kaart);
- in geval van definitief gunstige beslissing :
- ofwel van een " verklaring van inschrijving van burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 8 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (E kaart),
- ofwel van een verblijfskaart van een " familielid van een burger van de Unie " overeenkomstig het model van bijlage 9 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (F kaart);
- in geval van beroep tegen een ongunstige beslissing, van een document overeenkomstig het model van bijlage 35 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen]2
[2 Teneinde zich te conformeren aan de wijzigingen die zijn opgetreden wat de benaming van de verblijfsvergunningen en van de verblijfsdocumenten betreft, in de wet van 15 december 1980 en in het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de Minister de benaming van de opschriften en van de verblijfsdocumenten bedoeld in dit artikel aanpassen.]2
Art. 38ter. § 1er. [1 ...]1
([1 les dispenses visées à l'article 2, alinéa 1er, 1° et 3° ne sont pas applicables]1 aux ressortissants de la République de Bulgarie et de la Roumanie pour autant que ces ressortissants tombent sous l'application du Traité entre le Royaume de Belgique, la République tchèque, le Royaume de Danemark, la République fédérale d'Allemagne, la République d'Estonie, la République hellénique, le Royaume d'Espagne, la Republique française, l'Irlande, la République italienne, la République de Chypre, la République de Lettonie, la République de Lituanie, le Grand-Duché de Luxembourg, la République de Hongrie, la République de Malte, le Royaume des Pays-Bas, la République d'Autriche, la République de Pologne, la République portugaise, la République de Slovénie, la République slovaque, la République de Finlande, le Royaume de Suède, le Royaume-Uni de Grande-Bretagne et d'Irlande du Nord (Etats membres de l'Union européenne) et la République de Bulgarie et de la Roumanie, concernant l'adhésion de la République de Bulgarie et la Roumanie à l'Union européenne et à l'Acte final, faits le 25 avril 2005 à Luxembourg, approuvés par la loi du 2 juin 2006, plus précisément dans l'article 23 de l'Acte relatif aux conditions d'adhésion pour la République de Bulgarie et de la Roumanie et l'adaptation des Traités sur lesquels l'Union européenne est fondée, ainsi que dans les Annexes V, VI, VIII, IX, X, XII, XIII et XIV de cet Acte.) <AR 2006-12-19/32, art. 1, 015; En vigueur : 01-01-2007>
[1 Les dispenses visées à l'article 2, alinéa 1er, 1° et 3° ne sont pas applicables aux ressortissants de la République de Croatie pour autant que ces ressortissants tombent sous l'application du Traité entre le Royaume de Belgique, la République de Bulgarie, la République tchèque, le Royaume de Danemark, la République fédérale d'Allemagne, la République d'Estonie, la République hellénique, le Royaume d'Espagne, la République française, l'Irlande, la République italienne, la République de Chypre, la République de Lettonie, la République de Lituanie, le Grand-Duché de Luxembourg, la République de Hongrie, la République de Malte, le Royaume des Pays-Bas, la République d'Autriche, la République de Pologne, la République portugaise, la Roumanie, la République de Slovénie, la République slovaque, la République de Finlande, le Royaume de Suède, le Royaume-Uni de Grande-Bretagne et d'Irlande du Nord (Etats membres de l'Union européenne) et la République de Croatie relatif à l'adhésion de la République de Croatie à l'Union européenne et à l'Acte final, faits à Bruxelles le 9 décembre 2012, approuvé par la loi du 17 février 2013, plus précisément, l'article 18 de l'Acte relatif aux conditions d'adhésion à l'Union européenne de la République de Croatie et aux adaptations du traité sur l'Union européenne, du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne et du traité instituant la Communauté européenne de l'énergie atomique qui fixe les mesures transitoires énumérées dans la liste figurant à l'Annexe V de cet Acte.]1
§ 2. [2 les dispenses visées à l'article 2, alinéa 1er, 1°, 2° et 3° ne sont pas applicables]2 aux membres de la famille suivants des ressortissants des pays visés au § 1er :
a) le conjoint;
b) les descendants ou ceux de son conjoint, agés de moins de 21 ans ou qui sont à leur charge;
c) les ascendants ou ceux de son conjoint, qui sont à leur charge, à l'exception des ascendants des étudiants ou de leur conjoint;
d) le conjoint des personnes visées au b) et c).
§ 3. [2 Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, les dispenses visées à l'article 2, alinéa 1er, 1°, 2° et 3° sont applicables :
a) aux personnes auxquelles un autre Accord ou une autre Convention, contenant des dispositions plus favorables en matière d'emploi est applicable;
b) aux personnes qui peuvent bénéficier d'une des autres dispenses visées à l'article 2;
c) aux personnes qui, avant la date d'adhésion, sont déjà en possession d'un titre d'établissement ou ont déjà été autorisées au séjour illimité visé à l'article 2, alinéa 1er, 3°, b;
d) aux personnes qui, sur une autre base que le fait qu'ils sont ressortissants d'un Etat membre de l'Union européenne, obtiennent, après la date d'adhésion, un titre d'établissement ou sont, après cette même date d'adhésion, autorisées au séjour illimité visé à l'article 2, alinéa 1er, 3°, b;
e) aux personnes occupées par une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace Economique Européen, autre qu'une entreprise dont l'objet est le travail intérimaire ou toute autre forme régulière de mise à disposition de travailleurs, qui se rendent en Belgique pour fournir des services, à condition :
- qu'elles soient légalement occupées dans l'Etat membre où elles séjournent;
- que cette autorisation d'occupation soit au moins valable pour la durée de la prestation à accomplir en Belgique;
f) aux personnes qui sont en possession du document attestant de la permanence du séjour conforme au modèle figurant à l'annexe 8 bis de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers (carte E+);
g) aux personnes qui sont en possession d'une carte de séjour permanent de membres de la famille d'un citoyen de l'Union conforme au modèle figurant à l'annexe 9bis de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers (carte F+);
h) au conjoint d'un Belge, en possession d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 15 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 en qualité de travailleur frontalier, tant que cette personne dispose, dans l'Etat de sa résidence, d'un droit ou d'une autorisation de séjour supérieurs à trois mois;
i) aux personnes qui sont en possession d'un titre de séjour octroyé, sur la base de l'article 40bis ou de l'article 40ter de la loi du 15 décembre 1980, dans le cadre d'une procédure de regroupement familial avec un ressortissant belge ou avec un ressortissant d'un Etat membre de l'Espace Economique Européen autre qu'un ressortissant roumain, bulgare ou croate sauf si ce ressortissant bulgare, roumain ou croate bénéficie d'une dispense en application du présent arrêté.
Les personnes énumérées sous i) doivent être en possession :
- durant la période d'examen de la demande de reconnaissance du droit de séjour :
- ou d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 19 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers,
- ou d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 19ter de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ainsi que d'une attestation d'immatriculation valide ou d'un certificat d'inscription au registre des étrangers temporaire valide (carte A);
- en cas de décision favorable définitive :
- ou d'une " attestation d'enregistrement de citoyen de l'Union " conforme au modèle figurant à l'annexe 8 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers (carte E),
- ou d'une carte de séjour de " membre de la famille d'un citoyen de l'Union " conforme au modèle figurant à l'annexe 9 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, l'établissement et l'éloignement des étrangers (carte F);
- en cas de recours à l'encontre d'une décision défavorable, d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 35 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.]2
[2 Afin de se conformer à des modifications intervenues, quant à la dénomination des titres et documents de séjour, dans la loi du 15 décembre 1980 et dans l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement, et l'éloignement des étrangers, le Ministre peut adapter la dénomination des titres et documents de séjour visés par le présent article.]2
([1 les dispenses visées à l'article 2, alinéa 1er, 1° et 3° ne sont pas applicables]1 aux ressortissants de la République de Bulgarie et de la Roumanie pour autant que ces ressortissants tombent sous l'application du Traité entre le Royaume de Belgique, la République tchèque, le Royaume de Danemark, la République fédérale d'Allemagne, la République d'Estonie, la République hellénique, le Royaume d'Espagne, la Republique française, l'Irlande, la République italienne, la République de Chypre, la République de Lettonie, la République de Lituanie, le Grand-Duché de Luxembourg, la République de Hongrie, la République de Malte, le Royaume des Pays-Bas, la République d'Autriche, la République de Pologne, la République portugaise, la République de Slovénie, la République slovaque, la République de Finlande, le Royaume de Suède, le Royaume-Uni de Grande-Bretagne et d'Irlande du Nord (Etats membres de l'Union européenne) et la République de Bulgarie et de la Roumanie, concernant l'adhésion de la République de Bulgarie et la Roumanie à l'Union européenne et à l'Acte final, faits le 25 avril 2005 à Luxembourg, approuvés par la loi du 2 juin 2006, plus précisément dans l'article 23 de l'Acte relatif aux conditions d'adhésion pour la République de Bulgarie et de la Roumanie et l'adaptation des Traités sur lesquels l'Union européenne est fondée, ainsi que dans les Annexes V, VI, VIII, IX, X, XII, XIII et XIV de cet Acte.) <AR 2006-12-19/32, art. 1, 015; En vigueur : 01-01-2007>
[1 Les dispenses visées à l'article 2, alinéa 1er, 1° et 3° ne sont pas applicables aux ressortissants de la République de Croatie pour autant que ces ressortissants tombent sous l'application du Traité entre le Royaume de Belgique, la République de Bulgarie, la République tchèque, le Royaume de Danemark, la République fédérale d'Allemagne, la République d'Estonie, la République hellénique, le Royaume d'Espagne, la République française, l'Irlande, la République italienne, la République de Chypre, la République de Lettonie, la République de Lituanie, le Grand-Duché de Luxembourg, la République de Hongrie, la République de Malte, le Royaume des Pays-Bas, la République d'Autriche, la République de Pologne, la République portugaise, la Roumanie, la République de Slovénie, la République slovaque, la République de Finlande, le Royaume de Suède, le Royaume-Uni de Grande-Bretagne et d'Irlande du Nord (Etats membres de l'Union européenne) et la République de Croatie relatif à l'adhésion de la République de Croatie à l'Union européenne et à l'Acte final, faits à Bruxelles le 9 décembre 2012, approuvé par la loi du 17 février 2013, plus précisément, l'article 18 de l'Acte relatif aux conditions d'adhésion à l'Union européenne de la République de Croatie et aux adaptations du traité sur l'Union européenne, du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne et du traité instituant la Communauté européenne de l'énergie atomique qui fixe les mesures transitoires énumérées dans la liste figurant à l'Annexe V de cet Acte.]1
§ 2. [2 les dispenses visées à l'article 2, alinéa 1er, 1°, 2° et 3° ne sont pas applicables]2 aux membres de la famille suivants des ressortissants des pays visés au § 1er :
a) le conjoint;
b) les descendants ou ceux de son conjoint, agés de moins de 21 ans ou qui sont à leur charge;
c) les ascendants ou ceux de son conjoint, qui sont à leur charge, à l'exception des ascendants des étudiants ou de leur conjoint;
d) le conjoint des personnes visées au b) et c).
§ 3. [2 Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, les dispenses visées à l'article 2, alinéa 1er, 1°, 2° et 3° sont applicables :
a) aux personnes auxquelles un autre Accord ou une autre Convention, contenant des dispositions plus favorables en matière d'emploi est applicable;
b) aux personnes qui peuvent bénéficier d'une des autres dispenses visées à l'article 2;
c) aux personnes qui, avant la date d'adhésion, sont déjà en possession d'un titre d'établissement ou ont déjà été autorisées au séjour illimité visé à l'article 2, alinéa 1er, 3°, b;
d) aux personnes qui, sur une autre base que le fait qu'ils sont ressortissants d'un Etat membre de l'Union européenne, obtiennent, après la date d'adhésion, un titre d'établissement ou sont, après cette même date d'adhésion, autorisées au séjour illimité visé à l'article 2, alinéa 1er, 3°, b;
e) aux personnes occupées par une entreprise établie dans un Etat membre de l'Espace Economique Européen, autre qu'une entreprise dont l'objet est le travail intérimaire ou toute autre forme régulière de mise à disposition de travailleurs, qui se rendent en Belgique pour fournir des services, à condition :
- qu'elles soient légalement occupées dans l'Etat membre où elles séjournent;
- que cette autorisation d'occupation soit au moins valable pour la durée de la prestation à accomplir en Belgique;
f) aux personnes qui sont en possession du document attestant de la permanence du séjour conforme au modèle figurant à l'annexe 8 bis de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers (carte E+);
g) aux personnes qui sont en possession d'une carte de séjour permanent de membres de la famille d'un citoyen de l'Union conforme au modèle figurant à l'annexe 9bis de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers (carte F+);
h) au conjoint d'un Belge, en possession d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 15 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 en qualité de travailleur frontalier, tant que cette personne dispose, dans l'Etat de sa résidence, d'un droit ou d'une autorisation de séjour supérieurs à trois mois;
i) aux personnes qui sont en possession d'un titre de séjour octroyé, sur la base de l'article 40bis ou de l'article 40ter de la loi du 15 décembre 1980, dans le cadre d'une procédure de regroupement familial avec un ressortissant belge ou avec un ressortissant d'un Etat membre de l'Espace Economique Européen autre qu'un ressortissant roumain, bulgare ou croate sauf si ce ressortissant bulgare, roumain ou croate bénéficie d'une dispense en application du présent arrêté.
Les personnes énumérées sous i) doivent être en possession :
- durant la période d'examen de la demande de reconnaissance du droit de séjour :
- ou d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 19 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers,
- ou d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 19ter de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers ainsi que d'une attestation d'immatriculation valide ou d'un certificat d'inscription au registre des étrangers temporaire valide (carte A);
- en cas de décision favorable définitive :
- ou d'une " attestation d'enregistrement de citoyen de l'Union " conforme au modèle figurant à l'annexe 8 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers (carte E),
- ou d'une carte de séjour de " membre de la famille d'un citoyen de l'Union " conforme au modèle figurant à l'annexe 9 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, l'établissement et l'éloignement des étrangers (carte F);
- en cas de recours à l'encontre d'une décision défavorable, d'un document conforme au modèle figurant à l'annexe 35 de l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.]2
[2 Afin de se conformer à des modifications intervenues, quant à la dénomination des titres et documents de séjour, dans la loi du 15 décembre 1980 et dans l'arrêté royal du 8 octobre 1981 concernant l'accès au territoire, le séjour, l'établissement, et l'éloignement des étrangers, le Ministre peut adapter la dénomination des titres et documents de séjour visés par le présent article.]2
Art. 38quater. <INGEVOEGD bij KB 2004-04-12/32, art. 3, Inwerkingtreding : 01-05-2004; Opheffing : onbepaald ; zie ook art. 38sexies van dit koninklijk besluit> § 1. In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om onderdanen van de in artikel 38ter, § 1, bedoelde landen die :
- hetzij (op de toetredingsdatum) legaal in België werkten en wier toelating tot de arbeidsmarkt voor een ononderbroken periode van 12 maanden of meer gold; <KB 2006-12-19/32, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
- hetzij (na de toetredingsdatum) gedurende een ononderbroken periode van 12 maanden of meer tot de arbeidsmarkt in België zijn toegelaten. <KB 2006-12-19/32, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 2. In afwijking van artikel 8 wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning evenmin rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om de volgende familieleden, ongeacht hun nationaliteit, van de onderdanen van de in artikel 38ter, § 1, vermelde landen :
a) de echtgenoot;
b) de bloedverwanten in nederdalende lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn.
De bepalingen van het eerste lid zijn slechts van toepassing indien deze personen :
a) hetzij zich met de werknemer die onderdaan is van één van de landen bedoeld in § 1, in België is komen vestigen, op voorwaarde dat :
- deze personen (op de toetredingsdatum) met de werknemer legaal op het grondgebied van België verbleef en <KB 2006-12-19/32, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
- die werknemer legaal tot de Belgische arbeidsmarkt is toegelaten voor een periode van ten minste 12 maanden;
b) hetzij (vanaf de toetredingsdatum) met de werknemer die onderdaan is van één van de landen bedoeld in § 1, legaal op het grondgebied van België verblijven, nadat zij gedurende ten minste 18 maanden in België hebben verbleven. <KB 2006-12-19/32, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
(§ 3. In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om onderdanen van de in artikel 38ter, § 1, bedoelde landen en voor zover dat deze arbeidsvergunning betrekking heeft op beroepen waarvoor de bevoegde overheid, voor de toepassing van de wet, erkend heeft dat er zich een tekort aan arbeidskrachten voordoet.
Deze arbeidsvergunning, wordt binnen de vijf werkdagen van de bevoegde gewestelijke administratie afgeleverd, wanneer aan de voorwaarden voor de toekenning ervan is voldaan. De werkgever overhandigt de werknemer een kopie van deze arbeidsvergunning in afwachting van de aflevering van de arbeidskaart B. Deze kopie geldt voor de werknemer als voorlopige arbeidskaart B tot op het ogenblik van de aflevering van de arbeidskaart B.
De bevoegde overheden houden de toegekende arbeidskaarten op elektronische wijze bij. De elektronische bestanden met betrekking tot de toegekende arbeidskaarten die maandelijks door de bevoegde overheden worden bezorgd aan de RSZ, worden door deze laatste geconfronteerd met de Dimona-databank; vastgestelde anomalieën worden voor verder onderzoek overgemaakt aan de inspectiediensten Toezicht Sociale Wetten en Sociale inspectie.) <KB 2006-04-24/32, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 30-04-2006 voor het eerste en derde lid; Inwerkingtreding : 01-06-2006 voor het tweede lid>
- hetzij (op de toetredingsdatum) legaal in België werkten en wier toelating tot de arbeidsmarkt voor een ononderbroken periode van 12 maanden of meer gold; <KB 2006-12-19/32, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
- hetzij (na de toetredingsdatum) gedurende een ononderbroken periode van 12 maanden of meer tot de arbeidsmarkt in België zijn toegelaten. <KB 2006-12-19/32, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 2. In afwijking van artikel 8 wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning evenmin rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om de volgende familieleden, ongeacht hun nationaliteit, van de onderdanen van de in artikel 38ter, § 1, vermelde landen :
a) de echtgenoot;
b) de bloedverwanten in nederdalende lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn.
De bepalingen van het eerste lid zijn slechts van toepassing indien deze personen :
a) hetzij zich met de werknemer die onderdaan is van één van de landen bedoeld in § 1, in België is komen vestigen, op voorwaarde dat :
- deze personen (op de toetredingsdatum) met de werknemer legaal op het grondgebied van België verbleef en <KB 2006-12-19/32, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
- die werknemer legaal tot de Belgische arbeidsmarkt is toegelaten voor een periode van ten minste 12 maanden;
b) hetzij (vanaf de toetredingsdatum) met de werknemer die onderdaan is van één van de landen bedoeld in § 1, legaal op het grondgebied van België verblijven, nadat zij gedurende ten minste 18 maanden in België hebben verbleven. <KB 2006-12-19/32, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
(§ 3. In afwijking van artikel 8, wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om onderdanen van de in artikel 38ter, § 1, bedoelde landen en voor zover dat deze arbeidsvergunning betrekking heeft op beroepen waarvoor de bevoegde overheid, voor de toepassing van de wet, erkend heeft dat er zich een tekort aan arbeidskrachten voordoet.
Deze arbeidsvergunning, wordt binnen de vijf werkdagen van de bevoegde gewestelijke administratie afgeleverd, wanneer aan de voorwaarden voor de toekenning ervan is voldaan. De werkgever overhandigt de werknemer een kopie van deze arbeidsvergunning in afwachting van de aflevering van de arbeidskaart B. Deze kopie geldt voor de werknemer als voorlopige arbeidskaart B tot op het ogenblik van de aflevering van de arbeidskaart B.
De bevoegde overheden houden de toegekende arbeidskaarten op elektronische wijze bij. De elektronische bestanden met betrekking tot de toegekende arbeidskaarten die maandelijks door de bevoegde overheden worden bezorgd aan de RSZ, worden door deze laatste geconfronteerd met de Dimona-databank; vastgestelde anomalieën worden voor verder onderzoek overgemaakt aan de inspectiediensten Toezicht Sociale Wetten en Sociale inspectie.) <KB 2006-04-24/32, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 30-04-2006 voor het eerste en derde lid; Inwerkingtreding : 01-06-2006 voor het tweede lid>
Art. 38quater. § 1er. En dérogation à l'article 8, il n'est pas tenu compte de la situation du marché de l'emploi pour l'octroi de l'autorisation d'occupation quand il s'agit de ressortissants des pays visés à l'article 38ter, § 1er, qui :
- soit (à la date d'adhésion), travaillaient légalement en Belgique et dont l'admission sur le marché de l'emploi valait pour une période ininterrompue de 12 mois ou plus; <AR 2006-12-19/32, art. 2, 015; En vigueur : 01-01-2007>
- soit (après la date d'adhésion), sont admis pendant une période ininterrompue de 12 mois ou plus sur le marché du travail en Belgique. <AR 2006-12-19/32, art. 2, 015; En vigueur : 01-01-2007>
§ 2. En dérogation a l'article 8, il n'est pas tenu compte de la situation du marché de l'emploi pour l'octroi de l'autorisation d'occupation quand il s'agit des membres de la famille suivants, quelle que soit leur nationalité, de ressortissants des pays cités à l'article 38ter, § 1er :
a) le conjoint;
b) les descendants de moins de 21 ans ou qui sont à leur charge.
Les dispositions du premier alinéa sont seulement d'application si ces personnes :
a) soit viennent s'établir en Belgique avec le travailleur qui est ressortissant d'un des pays visés au § 1er, à condition que :
- ces personnes résident légalement en Belgique (à la date d'adhésion) avec le travailleur et <AR 2006-12-19/32, art. 2, 015; En vigueur : 01-01-2007>
- que ce travailleur soit légalement admis sur le marché du travail en Belgique pour une période d'au moins 12 mois;
b) soit résident légalement en Belgique (depuis la date d'adhésion) avec le travailleur qui est ressortissant d'un des pays visés au § 1er, après qu'ils aient séjourné au moins 18 mois en Belgique. <AR 2006-12-19/32, art. 2, 015; En vigueur : 01-01-2007>
(§ 3. En dérogation à l'article 8, il n'est pas tenu compte de la situation du marché de l'emploi pour l'octroi de l'autorisation d'occupation quand il s'agit de ressortissants des pays visés à l'article 38ter, § 1er, et pour autant que cette autorisation d'occupation concerne des professions reconnues, par l'autorité compétente, pour l'application de la loi, comme connaissant une pénurie de main-d'oeuvre.
Cette autorisation d'occupation est délivrée dans les cinq jours ouvrables de l'administration régionale compétente, lorsque les conditions pour l'octroi de celle-ci sont remplies. L'employeur remet au travailleur une copie de cette autorisation d'occupation en attendant la délivrance du permis de travail B. Cette copie vaut pour le travailleur comme permis de travail B provisoire jusqu'au moment de la délivrance du permis de travail B.
Les autorités compétentes conservent les permis de travail accordés de manière électronique. Ces fichiers électroniques relatifs aux permis de travail délivrés sont transmis mensuellement par les autorités compétentes à l'ONSS qui les confronte à la base de donnée DIMONA; les anomalies constatées sont transmises pour suite d'enquête aux services d'inspection Contrôle des lois sociales et Inspection sociale.) <AR 2006-04-24/32, art. 1, 014; En vigueur : 30-04-2006 pour alinéa 1 et alinéa 3; En vigueur : 01-06-2006 pour alinéa 2>
- soit (à la date d'adhésion), travaillaient légalement en Belgique et dont l'admission sur le marché de l'emploi valait pour une période ininterrompue de 12 mois ou plus; <AR 2006-12-19/32, art. 2, 015; En vigueur : 01-01-2007>
- soit (après la date d'adhésion), sont admis pendant une période ininterrompue de 12 mois ou plus sur le marché du travail en Belgique. <AR 2006-12-19/32, art. 2, 015; En vigueur : 01-01-2007>
§ 2. En dérogation a l'article 8, il n'est pas tenu compte de la situation du marché de l'emploi pour l'octroi de l'autorisation d'occupation quand il s'agit des membres de la famille suivants, quelle que soit leur nationalité, de ressortissants des pays cités à l'article 38ter, § 1er :
a) le conjoint;
b) les descendants de moins de 21 ans ou qui sont à leur charge.
Les dispositions du premier alinéa sont seulement d'application si ces personnes :
a) soit viennent s'établir en Belgique avec le travailleur qui est ressortissant d'un des pays visés au § 1er, à condition que :
- ces personnes résident légalement en Belgique (à la date d'adhésion) avec le travailleur et <AR 2006-12-19/32, art. 2, 015; En vigueur : 01-01-2007>
- que ce travailleur soit légalement admis sur le marché du travail en Belgique pour une période d'au moins 12 mois;
b) soit résident légalement en Belgique (depuis la date d'adhésion) avec le travailleur qui est ressortissant d'un des pays visés au § 1er, après qu'ils aient séjourné au moins 18 mois en Belgique. <AR 2006-12-19/32, art. 2, 015; En vigueur : 01-01-2007>
(§ 3. En dérogation à l'article 8, il n'est pas tenu compte de la situation du marché de l'emploi pour l'octroi de l'autorisation d'occupation quand il s'agit de ressortissants des pays visés à l'article 38ter, § 1er, et pour autant que cette autorisation d'occupation concerne des professions reconnues, par l'autorité compétente, pour l'application de la loi, comme connaissant une pénurie de main-d'oeuvre.
Cette autorisation d'occupation est délivrée dans les cinq jours ouvrables de l'administration régionale compétente, lorsque les conditions pour l'octroi de celle-ci sont remplies. L'employeur remet au travailleur une copie de cette autorisation d'occupation en attendant la délivrance du permis de travail B. Cette copie vaut pour le travailleur comme permis de travail B provisoire jusqu'au moment de la délivrance du permis de travail B.
Les autorités compétentes conservent les permis de travail accordés de manière électronique. Ces fichiers électroniques relatifs aux permis de travail délivrés sont transmis mensuellement par les autorités compétentes à l'ONSS qui les confronte à la base de donnée DIMONA; les anomalies constatées sont transmises pour suite d'enquête aux services d'inspection Contrôle des lois sociales et Inspection sociale.) <AR 2006-04-24/32, art. 1, 014; En vigueur : 30-04-2006 pour alinéa 1 et alinéa 3; En vigueur : 01-06-2006 pour alinéa 2>
Art. 38quater_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. Opgeheven art. 8 van 9 JULI 2015. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt van langdurig ingezeten onderdanen en van onderdanen van een nieuwe Lidstaat van de Europese Unie
Art. 38quater _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Abrogé art. 8 van 9 JULI 2015. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt van langdurig ingezeten onderdanen en van onderdanen van een nieuwe Lidstaat van de Europese Unie
Abrogé art. 8 van 9 JULI 2015. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt van langdurig ingezeten onderdanen en van onderdanen van een nieuwe Lidstaat van de Europese Unie
Art. 38quinquies. <INGEVOEGD bij KB 2004-04-12/32, art. 4, Inwerkingtreding : 01-05-2004; Opheffing : onbepaald ; zie ook art. 38sexies van dit koninklijk besluit> De bepalingen van de artikelen 12 en 14 zijn niet van toepassing op de tewerkstelling van personen bedoeld bij artikel 38quater.
(De bepalingen van artikel 5 zijn van toepassing op de tewerkstelling van personen bedoeld bij artikel 38quater.) <KB 2006-04-24/32, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 30-04-2006>
(De bepalingen van artikel 5 zijn van toepassing op de tewerkstelling van personen bedoeld bij artikel 38quater.) <KB 2006-04-24/32, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 30-04-2006>
Art. 38quinquies. Les dispositions des articles 12 et 14 ne sont pas applicables pour l'occupation de personnes visées à l'article 38quater.
(Les dispositions de l'article 5 sont applicables pour l'occupation de personnes visées à l'article 38quater.) <AR 2006-04-24/32, art. 2, 014; En vigueur : 30-04-2006>
(Les dispositions de l'article 5 sont applicables pour l'occupation de personnes visées à l'article 38quater.) <AR 2006-04-24/32, art. 2, 014; En vigueur : 30-04-2006>
Art. 38quinquies_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. Opgeheven art. 8 van 9 JULI 2015. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt van langdurig ingezeten onderdanen en van onderdanen van een nieuwe Lidstaat van de Europese Unie
Art. 38quinquies _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Abrogé art. 8 van 9 JULI 2015. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt van langdurig ingezeten onderdanen en van onderdanen van een nieuwe Lidstaat van de Europese Unie
Abrogé art. 8 van 9 JULI 2015. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt van langdurig ingezeten onderdanen en van onderdanen van een nieuwe Lidstaat van de Europese Unie
Art. 38sexies. [1 De artikelen 38ter, 38quater en 38quinquies zullen buiten werking treden, voor wat betreft de Lidstaten bedoeld in artikel 38ter, § 1, eerste lid, op 31 december 2013 en, voor wat betreft de Lidstaat bedoeld in artikel 38ter, § 1, tweede lid, op 30 juni 2015.]1
Art. 38sexies. [1 Les articles 38ter, 38quater et 38quinquies cesseront d'être en vigueur, en ce qui concerne les Etats visés à l'article 38ter, § 1er, alinéa 1er, le 31 décembre 2013 et, en ce qui concerne l'Etat visé à l'article 38ter, § 1er, alinéa 2, le 30 juin 2015.]1
Wijzigingen
Art. 38sexies_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. Opgeheven art. 8 van 9 JULI 2015. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt van langdurig ingezeten onderdanen en van onderdanen van een nieuwe Lidstaat van de Europese Unie
Art. 38sexies _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Abrogé art. 8 van 9 JULI 2015. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt van langdurig ingezeten onderdanen en van onderdanen van een nieuwe Lidstaat van de Europese Unie
Abrogé art. 8 van 9 JULI 2015. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt van langdurig ingezeten onderdanen en van onderdanen van een nieuwe Lidstaat van de Europese Unie
Art. 38septies. <INGEVOEGD bij KB 2008-12-23/30, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2009; Opheffing : onbepaald , houdt op van kracht te zijn op hetzelfde ogenblik dat de artikelen 38ter, 38quater en 38quinquies van dit besluit ophouden van kracht te zijn.> In afwijking van artikel 8 van dit besluit wordt er voor de toekenning van de arbeidsvergunning geen rekening gehouden met de toestand van de arbeidsmarkt wanneer het gaat om onderdanen van een land dat geen lidstaat is van de Europese Economische Ruimte die de status van langdurig ingezeten onderdaan verworven hebben in een andere lidstaat van de Europese Unie, op basis van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, en voor zover deze arbeidsvergunning betrekking heeft op beroepen waarvoor de bevoegde overheid, voor de toepassing van de wet, erkend heeft dat er zich een tekort aan arbeidskrachten voordoet. De procedure voor de aflevering van de arbeidskaart verloopt volgens de bepalingen van artikel 38quater, § 3, tweede en derde lid.
Na de twaalf eerste maanden van hun toelating op de Belgische arbeidsmarkt kan hen een nieuwe arbeidskaart voor alle beroepen worden toegekend, zonder rekening te houden met de situatie op de arbeidsmarkt.
Na de twaalf eerste maanden van hun toelating op de Belgische arbeidsmarkt kan hen een nieuwe arbeidskaart voor alle beroepen worden toegekend, zonder rekening te houden met de situatie op de arbeidsmarkt.
Art. 38septies. Par dérogation à l'article 8, il n'est pas tenu compte de la situation du marché de l'emploi pour l'octroi du permis de travail quand il s'agit de ressortissants d'un Etat non-membre de l'Espace économique européen bénéficiant du statut de résidents de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, sur base de la Directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, et pour autant que cette autorisation d'occupation concerne des professions reconnues, par l'autorité compétente, pour l'application de la loi, comme connaissant une pénurie de main-d'oeuvre. La procédure pour la délivrance du permis de travail se déroule selon les dispositions à l'article 38quater, § 3, alinéas 2 et 3.
Après les douze premiers mois de leur admission sur le marché du travail belge, un nouveau permis de travail peut leur être octroyée, sans tenir compte de la situation du marché de l'emploi, pour toutes les professions
Après les douze premiers mois de leur admission sur le marché du travail belge, un nouveau permis de travail peut leur être octroyée, sans tenir compte de la situation du marché de l'emploi, pour toutes les professions
Art. 38septies_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. Opgeheven art. 8 van 9 JULI 2015. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt van langdurig ingezeten onderdanen en van onderdanen van een nieuwe Lidstaat van de Europese Unie
Art. 38septies _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Abrogé art. 8 van 9 JULI 2015. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt van langdurig ingezeten onderdanen en van onderdanen van een nieuwe Lidstaat van de Europese Unie
Abrogé art. 8 van 9 JULI 2015. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt van langdurig ingezeten onderdanen en van onderdanen van een nieuwe Lidstaat van de Europese Unie
Art. 38octies. <INGEVOEGD bij KB 2008-12-23/30, art. 5; Inwerkingtreding : 01-01-2009> Het artikel 38septies houdt op van kracht te zijn op hetzelfde ogenblik dat de artikelen 38ter, 38quater en 38quinquies van dit besluit ophouden van kracht te zijn.
Art. 38octies. L'article 38septies cesse d'être en vigueur en même temps que cessent d'être en vigueur les articles 38ter, 38quater et 38quinquies du présent arrêté.
Art. 38octies_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. Opgeheven art. 8 van 9 JULI 2015. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt van langdurig ingezeten onderdanen en van onderdanen van een nieuwe Lidstaat van de Europese Unie
Art. 38octies _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Abrogé art. 8 van 9 JULI 2015. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt van langdurig ingezeten onderdanen en van onderdanen van een nieuwe Lidstaat van de Europese Unie
Abrogé art. 8 van 9 JULI 2015. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 juni 1999 houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, met betrekking tot de toegang tot de arbeidsmarkt van langdurig ingezeten onderdanen en van onderdanen van een nieuwe Lidstaat van de Europese Unie
Art. 39. § 1. Zijn opgeheven vanaf 1 juli 1999 :
1° het koninklijk besluit van 6 november 1967 betreffende de voorwaarden van toekenning en intrekking van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 26 februari 1968, 5 mei 1970, 10 december 1976, 5 oktober 1979, 27 juli 1983, 22 februari 1993, 18 maart 1993, 2 juni 1993, 11 juli 1996, 16 februari 1998 en 10 juni 1998, met uitzondering van de artikelen 3 en 4 en de bijlage bij dit besluit;
2° het ministerieel besluit van 15 juli 1969 betreffende de voorwaarden van toekenning van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 25 september 1969, 6 mei 1970, 19 maart 1993 en 11 februari 1998, met uitzondering van de artikelen 12, 13 en 14;
3° het ministerieel besluit van 19 maart 1993 tot uitvoering van artikel 23bis van het koninklijk besluit van 6 november 1967 betreffende de voorwaarden van toekenning en intrekking van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit.
§ 2. De bepalingen bedoeld in § 1 blijven evenwel van toepassing op de aanvragen van arbeidsvergunningen en arbeidskaarten ingediend vóór 1 juli 1999.
1° het koninklijk besluit van 6 november 1967 betreffende de voorwaarden van toekenning en intrekking van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 26 februari 1968, 5 mei 1970, 10 december 1976, 5 oktober 1979, 27 juli 1983, 22 februari 1993, 18 maart 1993, 2 juni 1993, 11 juli 1996, 16 februari 1998 en 10 juni 1998, met uitzondering van de artikelen 3 en 4 en de bijlage bij dit besluit;
2° het ministerieel besluit van 15 juli 1969 betreffende de voorwaarden van toekenning van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 25 september 1969, 6 mei 1970, 19 maart 1993 en 11 februari 1998, met uitzondering van de artikelen 12, 13 en 14;
3° het ministerieel besluit van 19 maart 1993 tot uitvoering van artikel 23bis van het koninklijk besluit van 6 november 1967 betreffende de voorwaarden van toekenning en intrekking van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit.
§ 2. De bepalingen bedoeld in § 1 blijven evenwel van toepassing op de aanvragen van arbeidsvergunningen en arbeidskaarten ingediend vóór 1 juli 1999.
Art. 39. § 1er. Sont abrogés à partir du 1er juillet 1999 :
1° l'arrêté royal du 6 novembre 1967 relatif aux conditions d'octroi et de retrait des autorisations d'occupation et des permis de travail pour les travailleurs de nationalité étrangère modifié par les arrêtés royaux des 26 février 1968, 5 mai 1970, 10 décembre 1976, 5 octobre 1979, 27 juillet 1983, 22 février 1993, 18 mars 1993, 2 juin 1993, 11 juillet 1996, 16 février 1998 et 10 juin 1998 a l'exception des articles 3 et 4 et de l'annexe à cet arreté;
2° l'arrêté ministériel du 15 juillet 1969 relatif aux conditions d'octroi des autorisations d'occupation et des permis de travail pour les travailleurs de nationalité étrangère modifié par les arrêtés ministériels des 25 septembre 1969, 6 mai 1970, 19 mars 1993 et 11 février 1998, à l'exception des articles 12, 13 et 14;
3° l'arrêté ministériel du 19 mars 1993 portant exécution de l'article 23bis de l'arrêté royal du 6 novembre 1967 relatif aux conditions d'octroi des autorisations d'occupation et des permis de travail pour les travailleurs de nationalité étrangère.
§ 2. Les dispositions visées au § 1er restent toutefois applicables aux demandes d'autorisation d'occupation et de permis de travail introduites avant le 1er juillet 1999.
1° l'arrêté royal du 6 novembre 1967 relatif aux conditions d'octroi et de retrait des autorisations d'occupation et des permis de travail pour les travailleurs de nationalité étrangère modifié par les arrêtés royaux des 26 février 1968, 5 mai 1970, 10 décembre 1976, 5 octobre 1979, 27 juillet 1983, 22 février 1993, 18 mars 1993, 2 juin 1993, 11 juillet 1996, 16 février 1998 et 10 juin 1998 a l'exception des articles 3 et 4 et de l'annexe à cet arreté;
2° l'arrêté ministériel du 15 juillet 1969 relatif aux conditions d'octroi des autorisations d'occupation et des permis de travail pour les travailleurs de nationalité étrangère modifié par les arrêtés ministériels des 25 septembre 1969, 6 mai 1970, 19 mars 1993 et 11 février 1998, à l'exception des articles 12, 13 et 14;
3° l'arrêté ministériel du 19 mars 1993 portant exécution de l'article 23bis de l'arrêté royal du 6 novembre 1967 relatif aux conditions d'octroi des autorisations d'occupation et des permis de travail pour les travailleurs de nationalité étrangère.
§ 2. Les dispositions visées au § 1er restent toutefois applicables aux demandes d'autorisation d'occupation et de permis de travail introduites avant le 1er juillet 1999.
Art. 40. § 1. De indiening van de aanvragen om de arbeidsvergunningen en de arbeidskaarten blijven tot uiterlijk (31 december 2005) geregeld door de volgende bepalingen : <KB 2004-12-06/35, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 17-01-2005>
1° de artikelen 3 en 4 van het koninklijk besluit van 6 november 1967 betreffende de voorwaarden van toekenning en intrekking van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit en de bijlage bij dit besluit;
2° het ministerieel besluit van 19 december 1967 betreffende de modaliteiten van indiening en aflevering van de aanvragen om arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 15 juli 1969, 6 mei 1970, 19 maart 1993, 11 februari 1998 en 2 maart 1998, met uitzondering van artikel 1, vierde lid en de artikelen 5, 11, 16, 19 en 20 die niet meer van toepassing zijn op de aanvragen van arbeidsvergunningen en arbeidskaarten, ingediend na 1 juli 1999;
3° de artikelen 12, 13 en 14 van het ministerieel besluit van 15 juli 1969 betreffende de voorwaarden van toekenning van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit;
§ 2 - De Minister kan, in voorkomend geval, de in § 1, 2° en 3° bedoelde bepalingen wijzigen tijdens de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met (31 december 2005). <KB 2004-12-06/35, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 17-01-2005>
1° de artikelen 3 en 4 van het koninklijk besluit van 6 november 1967 betreffende de voorwaarden van toekenning en intrekking van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit en de bijlage bij dit besluit;
2° het ministerieel besluit van 19 december 1967 betreffende de modaliteiten van indiening en aflevering van de aanvragen om arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit, gewijzigd bij de ministeriële besluiten van 15 juli 1969, 6 mei 1970, 19 maart 1993, 11 februari 1998 en 2 maart 1998, met uitzondering van artikel 1, vierde lid en de artikelen 5, 11, 16, 19 en 20 die niet meer van toepassing zijn op de aanvragen van arbeidsvergunningen en arbeidskaarten, ingediend na 1 juli 1999;
3° de artikelen 12, 13 en 14 van het ministerieel besluit van 15 juli 1969 betreffende de voorwaarden van toekenning van de arbeidsvergunningen en arbeidskaarten voor werknemers van vreemde nationaliteit;
§ 2 - De Minister kan, in voorkomend geval, de in § 1, 2° en 3° bedoelde bepalingen wijzigen tijdens de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met (31 december 2005). <KB 2004-12-06/35, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 17-01-2005>
Art. 40. § 1er. L'introduction des demandes d'autorisation d'occupation et de permis de travail demeure réglée, jusqu'au (31 décembre 2005) au plus tard, par les dispositions suivantes : <AR 2004-12-06/35, art. 1, 013; En vigueur : 17-01-2005>
1° les articles 3 et 4 de l'arrêté royal du 6 novembre 1967 relatif aux conditions d'octroi et de retrait des autorisations d'occupation et des permis de travail pour les travailleurs de nationalité étrangère et les annexes à cet arrêté;
2° l'arrêté ministériel du 19 décembre 1967 relatif aux modalités d'introduction et de délivrance des demandes d'autorisation d'occupation et de permis de travail pour les travailleurs de nationalité étrangère modifié par les arrêtés ministériels des 15 juillet 1969, 6 mai 1970, 19 mars 1993, 11 février 1998 et 2 mars 1998, à l'exception de l'article 1er, quatrième alinéa et des articles 5, 11, 16, 19 et 20 qui ne sont plus d'application pour les demandes d'autorisation d'occupation et de permis de travail introduites après le 1er juillet 1999;
3° les articles 12, 13 et 14 de l'arrêté ministeriel du 15 juillet 1969 relatif aux conditions d'octroi des autorisations d'occupation et des permis de travail pour travailleurs de nationalité étrangère;
§ 2. Le Ministre peut modifier, le cas échéant, les dispositions mentionnées dans le § 1, 2° et 3° pendant la période comprise entre l'entrée en vigueur du présent arrêté et le (31 décembre 2005) au plus tard. <AR 2004-12-06/35, art. 1, 013; En vigueur : 17-01-2005>
1° les articles 3 et 4 de l'arrêté royal du 6 novembre 1967 relatif aux conditions d'octroi et de retrait des autorisations d'occupation et des permis de travail pour les travailleurs de nationalité étrangère et les annexes à cet arrêté;
2° l'arrêté ministériel du 19 décembre 1967 relatif aux modalités d'introduction et de délivrance des demandes d'autorisation d'occupation et de permis de travail pour les travailleurs de nationalité étrangère modifié par les arrêtés ministériels des 15 juillet 1969, 6 mai 1970, 19 mars 1993, 11 février 1998 et 2 mars 1998, à l'exception de l'article 1er, quatrième alinéa et des articles 5, 11, 16, 19 et 20 qui ne sont plus d'application pour les demandes d'autorisation d'occupation et de permis de travail introduites après le 1er juillet 1999;
3° les articles 12, 13 et 14 de l'arrêté ministeriel du 15 juillet 1969 relatif aux conditions d'octroi des autorisations d'occupation et des permis de travail pour travailleurs de nationalité étrangère;
§ 2. Le Ministre peut modifier, le cas échéant, les dispositions mentionnées dans le § 1, 2° et 3° pendant la période comprise entre l'entrée en vigueur du présent arrêté et le (31 décembre 2005) au plus tard. <AR 2004-12-06/35, art. 1, 013; En vigueur : 17-01-2005>
Art. 41. § 1. De wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers treedt in werking op 1 juli 1999.
§ 2. - Dit besluit treedt in werking op 1 juli 1999 en is van toepassing op de aanvragen voor arbeidsvergunningen en arbeidskaarten ingediend vanaf deze datum.
§ 2. - Dit besluit treedt in werking op 1 juli 1999 en is van toepassing op de aanvragen voor arbeidsvergunningen en arbeidskaarten ingediend vanaf deze datum.
Art. 41. § 1er. La loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers entre en vigueur le 1er juillet 1999.
§ 2. - Le présent arrêté entre en vigueur le 1er juillet 1999 et s'applique aux demandes d'autorisation d'occupation et de permis de travail introduites à partir de cette date.
§ 2. - Le présent arrêté entre en vigueur le 1er juillet 1999 et s'applique aux demandes d'autorisation d'occupation et de permis de travail introduites à partir de cette date.
Art. 42. Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 42. Notre Ministre de l'Emploi et du Travail est chargée de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage I. Vermeldingen en bepalingen die in de arbeidsovereenkomst van de buitenlandse werknemer moeten voorkomen.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 26-06-1999, p. 24185-24186).
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 26-06-1999, p. 24185-24186).
Art. N1. Annexe I. Mentions et dispositions devant figurer dans le contrat de travail d'un travailleur étranger.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 26-06-1999, p. 24179-24180).
(Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 26-06-1999, p. 24179-24180).
Art. N1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. Bijlage I. Vermeldingen en bepalingen die in de arbeidsovereenkomst van de buitenlandse werknemer moeten voorkomen.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 26-06-1999, p. 24185-24186).
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 26-06-1999, p. 24185-24186).
Art. N1 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
Annexe I. Mentions et dispositions devant figurer dans le contrat de travail d'un travailleur étranger.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 26-06-1999, p. 24179-24180).
Annexe I. Mentions et dispositions devant figurer dans le contrat de travail d'un travailleur étranger.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 26-06-1999, p. 24179-24180).
Gewijzigs bij :
Modifié par :
Art. N2. Bijlage II. - Vermeldingen en bepalingen die in de arbeidsovereenkomst van een buitenlandse schouwspelartiest moeten voorkomen.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 26-06-1999, p. 24187-24188).
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 26-06-1999, p. 24187-24188).
Art. N2. Annexe II. Mentions et dispositions devant figurer dans le contrat de travail d'un artiste étranger.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 26-06-1999, p. 24181-24182).
(Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 26-06-1999, p. 24181-24182).
Art. N3. Bijlage III. - OVEREENKOMST VOOR DE PLAATSING VAN EEN AU PAIR.
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 26-06-1999, p. 24189-24190).
(Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 26-06-1999, p. 24189-24190).
Art. N3. Annexe III. - CONTRAT DE PLACEMENT AU PAIR.
(Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 26-06-1999, p. 24183-24184).
(Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 26-06-1999, p. 24183-24184).